glean. —on (-on), s. (talker (eend). —r, a. dompe. Plinth (plinth), s. plint, rollaag. laar, dutker; pompatok. Plod (plod'), v. n. sloven; blokken. —der, a. Plunket (plungk'it), s. waterblauw. glover; blokker. Plot (plot'), a. pleikje gronds, veld; aanleg; plan, Pluperfect (ploe'pur-fekt), a. meer dan vole maekt verleden. ontwerp; komplot, samenswering, intrigue, aans. slag, knoop. —, v. a. smeden; ontwerpen; v. n. Plural (ploe'rel), a. --/y ad. meervoudig. meervoud. —sat a. geesteljke, die meer dan tin samenspannen, sea' aanslag smeden. —ter, s. kerepel heeft. —sty (-rellt-tih), e, meartalligsamenzweerder; ontwsrper. held, veelheid. Plough (plan'), a. ploeg; ploegschaaf. —beam, plosgbalk. —boy, ploegjongen. —colter, ploeg Plush (pluej"), a. plain, pluche. —er, s. (aoort van) zeehond. kouter. —handle, ploegstaart. —iron, sponningached!. —knife, ploegmes. —land, bouw land. Pluvi al4ploe'vl-e1). —out, a. regen-; regenachtig. —a/ s. miegewaad, koorkleed. —man, ploeger; landbouwer; vlegel. —monday, eerste mammies na Driekoningen; ploegieest. Ply (plan, a. bocht; vouw,plooi; nelging; gewoonte. —, v. a. inspannen; Ijv erig waarnemen, —raker, ploegijzer. —shaft, ploegboom. —share, gebruiken, behartigev; zich toeleggen op; drinploegschaar. —staff, —stilt, —tail, ploegetaart. gend verzoeken; bewegen; overatelpen (with); v. n. ploegmaker, —, v. a. beploegen; v. n. buigen, toe even ijverig werken, gin best doen; ploegen. —er, s. ploeger; landbouwer. —ing, s. laveeren. —er, s. Zie Filer. het ploegen. Pneum atic (njoe-met'll,), a. lucht-, wind.; van Plover (pluv'ur), a. pluvier, regenvogel. de lucht (de luchtleer,. den wind). —atics, a. Pluck (pluk'), e. ruk, trek; omloop, ingewand; luchtkunde; geestenleer. —otology (-me-torudinoed. —, v. a. rukken, trekken; plukken, (down) zjih), a. lucht-; geestenleer. — onia neerslaan; neerrukken. (off! at-, uitplukken. (up) uitrukken; uitroeien; opbeuren, (moed) schepe. longonteteking. —onic (-mon'ik), a. van de longen, a. longmiddel. pen. —er, a. plukker; uitroeier. Plug (plug), s. plug, pin, stop, prop; kraan; Poach (pootsjl, v. a. sacht koken; viuchtig ontwerpen; doorsteken, doorboren; stroopen; v. n. stinger. —, v. a. dichtatoppen. wild atroopen; vochtig an. —ard, a. poeleend. Plum (plum'), a. pruim; roziju; le0,000 pd. Merl.; —iness (-1.-ness), s. vochtigheid, —er, e. stroo millionair. —auger —a, bruidsuikers. —cake, prui—y. a. vocht g, moeraseig. mentaartie, krentenkoekje. —porridge, brtj met prutmen of rozijnen. —pudding, podding met Peck (pole), a. yak, pokzweer. —hole, —mark, pokput. —fretten,—marked,—pitted,pokdalig.—wood, prnimen of roziinen. —tree, pruimeboom. pokhout. Plumage (ploe'midzj). s. veeren; vederbos. zonder geld. Plumb (plum'), g. achietlood, dieplood. —line, Pocket Ipok'it), a. zak. out of —book, zakboekje. —glass, zakspiegeitje. —hole, schietlood. —, a. & ad. loodreeht. loodltjn. —rule, zakgat. —handkerchief, zakdoek. —knife, zakmes. —down, reeht near beneden. orer,recht over. —, —money, zakgeld. —, v. a. in den zak steken, v. a. peilen, in het load zetten. —ago (-bee'go), (- bi-us), opateken; (up) opsteken; verkroppen. . leoderts, potlood. —eon ( -bi-en), loodgieter. Pock hives (pokl-nes), a. pokkigheid; vezieriek, a. loodaehtig; leoden, zwaar. a. pokkig; venerisch. —y, —cry, s. loodgleterswerk; loodgieterij. Plum a (ploerel, e. veder, vederboa, pluim; Pod pod ), s.sebil, bast, dop. —ware, peulvrecht. —, v. n. rich zetten, peulen bekomen. trotsehheid; lawyer, eereteeken; —alum, 'pluimaluin; —striker, pluiraetrijker. —e,v. a. (de veeren) Podagr a (pod'e-gre), a. podegra, voeijicht. —le, —ical (po-deg'rik-), a. jichtig. reinigen; met veeren (ten' yederbos) tooien; uitplukken; — one 'a self on, etch laten voorstean Podge (podzj), s. posh, pins. op. —cleat, a. ve-derloos, kcal. —igerous (mid , Po em (po'em), a. gedicht, diehtsiuk. —est/ (4-sih), sjnr-us), a. gevederd. —iped (-i-ped), a. rulg- I a. lie Poetry. Poet (po'it), a. dlchter. —aster (-es-tur), a. rtjpootig. Plummet (plum'init), a. schiet-, dieplood. melaar. —tea, a. dichteres. —ic,—ical, a. —ically, ad. (po-et'ilz.), dicliterWk. —sea (-eViks), pl, leer Plums ose (ploe- moos% —ous, a. gevederd; 'cederder dichtkunst. —ire (ajz), v. n. dichten. —ry, achtig, donzig. —osity (-raos'it-tih), a. gevederda. dtchtkunat; gedichten. held; donslcheid. Plump (plump'), a. —1y, ad. vleezig, poezelig; Poignan cy (pornen-sih), a. acherpheid; etekeligheid. —t, a. —fly, ad. scherp; stekeltg. vet. —, ad. plomb. —, v. a. & n. vleesig (dik, vet) makes (warden); nederploffen. —er, a. prop Point (pojnt'), s. punt; stip; spits; nestei; oog an het spel); stift, naald; kant; kompasstreek; of pruim (in den mond); grove leugen. —ness, keep, doel; toestand; grand; uitslag; soot, toon. s. vleezigheid, gesetheid, —y, a. vleesig, gezet, —a, pl. seizingen; puncturen. — of sight, — of poezelig. Plum ule (ploe'mjoel), s. kiem, plulmpje. —y, view, gezichtspunt. to gain one's —, ztjn doel bereiken. to bring to a —, ten elude brat:igen. at a. gevederd, donzig. Plunder Iplun'dur), s. bolt, roof. —, v. cplunall —a, in ails opzichten, geheel. —blank, e. mikpunt; waterpas-, kernachot; ad. rechtetreeks, deren, rooven. —er, s. plunderaar. regelrecht. punctuur-gaatjes. —maker, Plunge (plundsjl, s. indompeling, induiking, nestel-, kantmaker. —screw, punetuur-schroef. nederploffing; plot; (het) *lean van paardeu; seilpunt. verlegenheid, klern. —, v. a. indompelen; s torten; v. n. duiken; zieh I "torten; springen en Point (pojntl, v. a. aanpunten, teherpen; stip8

uitfluiten, uitjouwen; v. n., sIssen; biazen; jous. pets, gefluit. (at) uitjouwen. Hist (hist). int. at! Histor lan (his-to'ri-en), s. geschiedschrijver. —ie, —ical, a. —ically., ad. (-tor'ik-1, geschiedkundig. —iegrapher (-og're- fur), s. geschiedschrij ver. —iography (- og' re- flh), s. (het) geechiedschrkj ven. —y (hietur-rih), e. geschiedenie; geschiedverhaal. Histrionic (hie-tri-on'ik). —al. a. —nay. ad ; tooneelmatig, theatraal. Hit (hit). a. slag, stoot; tref. toeval; inval. flit (hit) [hit], v. a. n. ?dean, stooten; treffen, raken; raden. (off) uitvinden; ontlokken. (out) pauwkeurig opgeven; tot stand brengen. (upon) aantreffen; komen op, zich to binnen brengen. Hitch (hitsr), a. steak; kink; beletsel. —knot, maraslag. —, v. a. vastbinden, -hak n; v. n. haken; voortnchuiven; wiggelen, mom pelen;aanslaa (met de beenen). togs ther, aan elkander hangen. Httthe (hajth), a. kleine haven; kaai. Hither (hith'url, a. dezerzijdsch. —, ad. herwaarts, hlerheen. —most. a. naaete. —to, ad, tot duo verre. —ward, ad. berwaarte. Hi ve (hajv'), n. bUenkorf; -zwerm; zwerm. —dross, bijenbrood. —, v. a. in een' bijenkorf does; v. n. sarnenwonen; samenscholen. —r, a. ijeaker, btjenhouder. Ho, Host (ho), int. ho ! hola I halt I Iloar•(hoor), a. wit, grijs. —frost, rljp. —haunt, andoorn (plant). —hula, s. grijeheid, witgrauw. —y, a. ergs; berijpt. Hoard (hoord'). s. voerraad, opgegaarde ,chat. —, v. a. opgaren. opsparen (up); v. n. opleggen, potten. —er, a, opgaarder,.potter. Hoarse (haute), a. —iv, ad. heesch, schor. —ness, a. heemchheid, achorheld. Hoax (hooks'), e. fopperij; sprookje. —, v. a, foppen, beet semen. —er, s. topper, bedotter. Hob (bob'), s. warmplaat; naaf; kinkel; spook. —goblin, spook, kabouter. —like, a. boersch,lomp. —nail, hoefnagel; lompe vlegel. Hobble (hob'b1), s. etrompelende gang; verletrenheid. —, v. a. in verlegenheid brengen; v. n hompelen, strompelen. --r, s. hinkepink. —de-hey, s. aankomend jougeling, vlasbaard. Hobby (hob'bih). a. boomvalk; klepper, hitje; stoffel, stokpaardje. —horse, stokpaardje. Hobit (hob'it), a. houwitser. Hobnob (hob'nob), ad. al of niet. —, v. a. kilnken (met de eaten). Hock (hok'), a. knieboog; rijnwijn'(ic,chheimer). —herb, kaasjeskruid. —, v. a. de kniepees afsnkjden. verfarnmen. Hockle (hok'kl), v. a. (stoppels) maaien. Lie to Hock on to Plough. Hod (hod'), s. kaikbak. --man, opperman. Hodge-podge (hodzrpodzj), s. mengelmoes; hutspot. flodiernal (ho-di-ur'nel), a. hedendaagech. Hoe (ho), s. houweel, hak, echoffel. —, v. a. ophakken, schoffelen. Hog (bog'), a. zwijn, bare; spaansche bezem, scheepsschrobber. —badger, zwijndae. —bristle, varkensborstel. —clam, zandslang. —tote, varkenskot. fish, zeevarken, bruinviach. —grubber,
,ieekpaiin.--hork,h,,r1As. Holly r00a. —rose, cistusroosje. —tree, hoist. —wand, apitsroede. Hoists (hoolm), a. rivier-eilandje; ateeneik. 1Poloceinhat (hol'o-kaost), a. brandoffer. Holstet , (hoorstug), a. holster. holy (ho'iih), a. higlig. — cross-day, kruiRverher-day,zielliollitlity. —ghost, fleiligefleest. Heilige Land. —office, Inquisitie. —roodday, kruisverheffing. —rose, wilds sane. —thistle, gezegende distei. —thursday, henielvaartsdag. —water, NcOlvater. —waterpot. —wateratoek, wijwaterbak. —water-sprinkle, wijkwast. ,--week, Hog gerel .(hog'gur-il). —get (-git),.. tweeiarkg lige week (week soot Paschen). — writ, Heilige schaap. —gish, a. —gishly, ad- beestachtig, zwij. Schrift. nig; gulzig, vratig. —gishness, a. beertachtigheid, ',plunge (hom'idtj), a. hulde. a. huldi101, zwijneri,i; eigenbeat; vraatzucht. —r, a. huldiger. Hogshead (hogz'hed), a okshoofd, (hoone), a. hula, wooing, eigen heard; v. Holdcn (hopdul, a. boeroch, lamp, row. —, R. Home to huts; binnen 'a lands. long —, at —, derland. Wilde, rnwe mei* rows kerel, kinkel. —, v. n. (de) laatate woning. —, a. lints.; inheemach; 4101 stoelen, ravotten. duchtig. —, ad. huiswaarts; duchtig, rank, ter Mast (hojst), a. cspheffing, hijsching; broeking suede. —baked, huisbakken. --corn, —bred, in (Pence slag). —, v. a. opheffen, lichten; hijuchen, landsch; aangeboren; eenvoudig. —tuilt, in het ophijsche.n. land gebouwd. —department, department van Holty-t ► lty (ho,ftili-toj-tih), ad. huiterdetult. bInnenlandsche zaken, — driven, goed aangekomen uitgelaten. —, int. wet to drommel I (van eeu' slag). - example, famtlie-voorbeeld. Hold thoold a. vat, greep; houvast; steun; —expression, gepaste uitdrukking. —felt, innig scheepsrniin; bewarin g; hechtenis; sterkte; schazilIlevendigt gevoald. —jest, bijtende acherts. —keepto catch (get, lay, take) — at; hock; ruatpunt. —news, ing, thuiszittend. —made, eigengemaakt. to lay — on, grijpen, aangrijpen, vatten. —back. nieuws van hula; stadsnieuws. —office, mintaterie bcletsel. —fast, houvaat, kram; seek. —, int. van binneulandache zaken. —proof, krachtig behood op heimziek. NI' 8. —reason. gewichtige grond. —sick, Hold (lionld') [held], v. a. houden, hebben; be-, —sickness, heimwee. —speaking, kraehtige tart'. in - , ult. vaathouden; bevatten; 'louden voor; —spun, eigengesponuen, uit de hand geaponnen; ataande 'how:len; weerhoutien; bekleeden (een eenvoudig, lamp, grof. hnisplaats, —water, ambt). — an action, een process voeren-err. —thrust, genadestoot. waterdicht zijn. (back , terug-, aanhouden. (forth) bionic less khoorrtne.), a. zonder Vaderland; sonvoorhouden; aanbieden; voordra,9;en, (in) tegender thniskomen. —liness 1-11-neas), eenvoudig'louden; beteugelen. (oft) afhouden. (on) doorheld, grofheid, ruwheid. —ly, a. eanvoudig, plonip, zetten. (out) uithouden; nitsteken; aanbieden. row. —ward (-wurd), ad. huiswaarts. —ward(up) ophouden; ateunen. —, v. n. op-, stilhoubound, a. near 't vaderland bestemd, op de heden; dares zich staande houden; stand houden; rugreis. watt). (geldig, joist? zijn. — good, — true, ateek e (hom'i - sajd), a. manalag; doodsiager. houden; bewaarheid warden. (back)achterbli,jven, (-sardel), a. moorddadig. standhonden. (forth) preeken, vermauen. (from) Handl e0,Ie —caeca, a. preekend, afatammen; voortapruiten; afhangen; rich weervermanend; onderhoudend. —eties, pl. predik honden. (in) zich bedwingen. (off) afhouden; kunst. —ist `(horan-liat), a. kanselredenaar. —y ont , :cjjken. (on) (Ail houden, voortvaren; aanhou(hom'il-lilt), s. kauselrede. den. (out) dump; volhouden; uithouden. (to) aan- Hominy (horn'in-nib), a. maim-130,j, -pudding. kleven. (up) (Wind boucle(); ophouden. (with) het Ilommock (hom'muk), s. alleenstaande heuvel houden met, aan de zeekust. Hold er (hoold'ur), a. howler; leenberitter.—erlloinceoputh Ic (ho-mi-o-peth'ik), a. hoinceoforth, a. p -reeker; redenaar. —ing, a. pachthoeve; pathisch. —ist (-op'e-thist). a, homceopaath. —y invloed. thih), s. hoinceopathie. Hole {hool), s. gat; hol, kull. Homogene Al (bio-mo-dzji'ni-el). —ass, a. ge(hol'i-dem), a. ooze lieve Yrouw. dons Ilnll lijkaardig. —ity (-dzje-ni'it-tilit, —oneness, a. ge --day, a. heilige lag; feest-,vacantiedag; a. feeslijkaardigheid. a. —nese, telkjk, feest-, vacantie-. — ly, ad. heilig. homologous (ho-moro-gilk), a. evenredig. heiligheid. - nih). s. Zie 1Hlomlny. "Rolla (holne), Iloilo (hol-lo'), int. holla l —, a. homony (hom'un a. gelijkluidend homonym e, v. n. schreeuwen, roepen. geroep. —ass (ho-inon'i-mum), a. gewoord, naamgenoot. Holland (hoPlend), 8. flirt linnen. -a, a. hollandlijkluidend; dubbelzinnig. (ho-monii-mih), s, ache jenever. gelijkluidendheid; dubbelzinnigheid. Holt' tv (hoPlo), a. hol; vaisch. —, a. bolts, hol(boon), a. olieateen. —, v. a. op een' olielighaid; put, greet v. a.nithollen. -, eheeked, Hone steen nanzetten. met bolls wangen. —hearted, geveinsd. —netts, m. tioneut (ou'ist), a. —ly, ad• eerlijk; rechtschapen; holbeid; vfeetzal,, vets. - hen!, zwiipennueder. varkensluis. --pen, 7arkensgtat. —ringer. die varteri , 4 ringt.—'s•beuns,varkensbo , nen. — 's - bread, varkenstirood. --'s-cheek, varkenssnuit. —'s-ear, varkensoor (plant en schelp). — 'a - fennel, wilds venkel. —'s-grease, veuzel. —'s-harslets, varkensomloop. —'s-head, varlrenalcon. —'s-hearing, loos alarm. —'s - mushroom,ganzenclistel. —'s-pud ding, varkensworat. --'s-root, wilde veukel. —'s-akin, varkensteder. —stear, driejarig wild zwijn. —sty, varkenslrot. —wash, drat', spo,
brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

Is er een toekomst van cryptogeld


A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.

Kunt u mij Monero met ASIC


STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;
481 Ifoovesaaor. m. farmer. 11114eetewei I, v w. though, although. Floozee, tow. huzzah! humeri Ilicsozoor, hw. bow much. —, vw. though, although. o. court. zijn — liof. in. yard, court-yard. snakes bed, to pay (to make) one 's court to, to court. open—, open table.—arte,eourt-phyeician. —borAier, barber in ordinary. —hediende, officer (servant) at court. —dame, lauy of honor. —dienst, cottrt•serviee.—gebruik, court-etiquette.— perecht, —kanser, superior court of justice. —gezin, courtiers. —howl, mestiff, watch-dee. —heeding. court; state. —jonker, page. —jeer., maid of honor. —kaneelier, court-chancellor. —kapel, coart-chapel.—kapelann.—prediker,court-chaplain. —komijn, caraway. —deem, court-life. --wester, steward. —meesterschap, stewardship. —nor, court-jester, fool, —road, privy council; privy councellor. —roan, court-mourning. —,tad, rendence. —etede, farm, country-seat; —anker, sheet-anchor.--atoet, retinue of a prince. —svocht, guard of the court. —Igoe/der, yeoman of the guard; watch-dog. —vesper, courteeineer. Hvelfollik, be. & bw. courteous (-1y), genteel (-1y). —held, v. courteousness, courtesy, genteelness. IIssfje, o. establishment for o'td people. Hok, o. pen, kennel, 'sty; dungeon; dock. —duif, tame pigeon. —itentin, tame rabbit. —rest, homekeeping. Hokkeling, m. & v. calf one year old; overgrown soy. — girl. Hokken, on. w. to squat, to crouch; to renounce 't kaartspel), Aet kohl, there's some obstacle; it. won 't do. o. hole, hollow, cavity; don, cave, cavern; dead (ran den noelet). cc — rakes, to take fright. to run away; to take bad courses; to be wend,ing, to go a wool-gathering, to be perplexed. — over bol, helter-skelter; head over heeds, precipitately. lloi, hr. hollow, empty, deep, concave. —ader, vena CSC!, —beitel, —ijser. gouge. —blok, wooden shoe. —60/140, faeetioue, comical, droll. —boa, glutton. —buikig. empty-bellied, gluttonous. —keel, chamfer; glutton. —oogig, hollow-eyed. —rend, concave. —rearbleid,concavtty.—wangt(g, hollow-checked. -WOrt41, hart-wort, birch-wort. —achtig, be. somewhat hollow. vy., head over lioldordebolder, bw. topsy-turvy, heels. Holheld, v. hollow nese. 11 ollav, tow. bode! hold Holies, on. w. (to take fright and; run away; to wander, to rove, to riot. to revel. Holligheld, v. hollowness, cavity. Holster. tn. holster, rate. Hone, v. hollow, cavity; pit . Horn, v. milt, soft roe I trill. —bears, renter, uott•roed perch. —bokking, soft•roed real herring. Houttntl, m. drone, humble-bee. Hommel en, on. w. to ham, to beet. —lag, v. humming, buzzing. Hammer, nt. milts,. —gat, sheave-hole. Hong), v. lump, lunch. Hompel ear, ra. limper, hobbler —en, on. w.
• schoen. —, v. a. slaan, kalt.en; v. n. tieren, Rabate (re-beet'), v, a. duen dalen. Rabbet (reb'bit), 8. aponoing. —plane, spanning- 1 , ven waken. —y, a. schreeuwend. tierend. schaftf. —, v. a. met sponntngen Wean voegen. Racking (rek'leng). a. tottering; kruising eener tails; aftapp'ng —pace, telgang. Rabbi trebibib, -ha)), a. rabbijn. Bobbin (reb'bin), a. rabijn. —ical (-bln'tkl), ft.!Racy (ree'sih). a. geurtg; alert. v. a. cameo Raddie (red'd1), a. tulastaak. rabbijnach. --sat, a. rabblinst, talmudist. Rabbit (reb'biti, s. kontjn. poor —, arme rot. vlecbten. Radi at (ree'di-oil, a. stralend, straalvormig. warren, kont) nenberg —ant,a.—antly, —ance, —aney, a. stralluo,glaing. Rabble (rOeb1), a, grauw, jarbagel. Rabid (reb'id), a. dol. woedend. —Rees, a. dol. at. stralend. —ate (est), v. a. bestraleu; v. n. stralen. —ation )-es'sjun), s. atraitog. held, woedc, Radices 1 (red'fitt), a. grondwoord, grondstof, Rabies (ree'bi-iez), a. dolbeld. radikaal. —1, a. —11g, ad. oorspronkelij k; geheel . Rabinet (reb'i-net), s. veldetu.k, veldslang. —lions, a. stelnel der radikalen.—tity Raccoon (rek-koen'), a. wagchbeer. s. oorspronkelijkheid; grondigheid. —te Race (reel'), a. rae, geslacht, stem; wedloop, wedrea, eterke smnak- gear —coarse. reubaau. (-i lest), v. a. deep plauten .' doen inwortden. —lion (-1-kee'.jan), s. inworteling. —ginger, gemberwortel. —horse, renpaarii. —, iiadlcie (redvilti), a. worteikiern. v. n. harddraven, rennen. Raven, anon (res-a- , oee'sjun),s. trots; —of eggs, Radish (red'tsj), s. (re-mesa`), a. tros. —Vero. (-raft'- Radium (reidt us), a. radius, straal; [Teak. elerstok. Radix (ree'diks), a. wortel, ur-uo), a. troadragend. Rae er (ree'sur), a. wedlooper; reupaard,.-iness, HMI {reit), R. verwarde hoop; gespois• Raffle (relit , s. taker dobbellpel. —, v. a. doba. kracht, geurigheid. Rack trek"), e. rekker, scanner; pijnbank; folte- bales, rijfeleu (for). ring; rek; kapstok; spinru.teen; cull; braadbok, Haft (raaft')e a. viol. --'a-man, boutvlotter. —, wagenladder• vile dude walk; telgang: soured; v. a. op (ale) eon via vervoeren, arak; dutzendbeen,nagelbank. —rent, drnkkeode Rafter Craar'tur), s. dwarsbalk, dekapar. takbeut. pacht. —renter, die eene drukkende yacht be- Rag (reg"), a. vod, lamp, lor. —bolt, taalt. —, v. a, rekken, spannen; ptjnigen, fo)- —man, vaddenraper. —sorter. voddenuttzoeker. teren, uitmergelen; verwringeu; aftappea, kla- —atone, zandsteen. —wheel, kamrad. —wort, St. rep (off); a'. u. drijveu, gejaagd warden ale wol, Jacobs-kruld. ken); den telgang gaan. —er, a. rekker; pijuiger; l'Ingesnuftin (reg-e-mutila), s. schobbejak. ultzuiger. Rage (reed j), a. woede, razernki (for of ). Racket(rekli),s.raket;geraas,gebabbel,§ mem, v. n. woeden, razen, tieren. —fat, a. verwoed.
Unmentioned (un-men'ajund), a. onvermel Unmer chuntable (un- muetajent-i bl), a. onverkoopbaar. ad. onUnmerciful (un-mur'ai-feel), a. barmbartig. —nese, a. onbermhartigheld. Unisnoplted (un-raer'it-id), a. onverdtend. —neat, a. onverdiendheid, Unmighty (un- majelh), a. ono ,chtlg. Unmild (un-majld'), a. niet zachtaardtg. Ut► mintary (un-mill-to-rih), a. een' krijgaman niet betamend. Unranked (un.milkan, a. ongemoiken. Unwind ed (an-majud'id), a. onbehartIgd„ niet opgemerkt. —fel, a. sehteloos (of). —fastness, b. achteloosheld. Unmingied (un-ming'gld), a. ongemengd. Unnalstak able (nn-unie-tee'kibl), a. onmiekenLear. —en ( -tee'kn), a. niet mitkend. Unmitiga ble (un-mit't-gibl), a. Met to versed, ten. —ted (-gee-tid), a. onverzacht, ongetemperd. Unmixed (un-mtket"), a, onvertnengd. Unmoaned (un-moond'), a. onbetreurd. Usimodif labia (un-mod'i-taj-ibl), a. niet vatboar veer wijsiging. —ied (-raid), a. ongewijzigd. Unmodish (an-mo'dirj). a. niet near de mode. Unmoistenrd (un-moje"nd), a. onberoehtigd. Unmolested (un.rno-lest'id), a. ongekweld, on getetoord. Unmoor Inn-ntoer'), v. a. ontmeeren, Iosmaken. Unmort gaged (un-moegidzjd), a. vnbezwaard. —{Pied(-ti-fejd), a. onverswakt; onvernederd. Unanotherly (un-mnflh'ur-litt), a. onmoederlijk.

PRE. 232 (-tjoe-us-), a. Terwaand, vermetel. eteden, indienen, presenteeren; aangeven; (with) waandheid, verrnetelheid. begiftigen, schenken. —able, a. voorgeateld of aangeboden kunnende worden. —encase (prez-en- Presuppos al (pri.sup.po'zel), —itian (-ziej'un), tee'ni-us), a. snelwerkend. —ation (prez-in-tee'. s. vooronderatelling. —e (- pooz% v. a. vooron• ajun), a. voorstelling; aanbieding; vertoon; voor- derstellen. eracht ter benoeming.—alive (-e-tiv), a. vooratei- Pretence (pre-tens'), a. voorgeven, voorwendsel, aanapraak (to). boar. —ee (prez•in-tiel, a. ter benoeming voor- gedragene. —er, a. voorsteller; aanbieder; in- Pretend (pre-tend'), v. a. voorwenden. voorge(-zen'sjel), a. aanwezig. —iment ven, beweren; veinzen, v. n. beweren, voorgediener. (pri-sen'ti-ment),s. voorgevoel.— /y (preeent-iih), ven; zich aenmatigen; (to) aanapraak waken op. ad. aanstonds; ongenblikkelijk. —meat, s. voor- —est, a. voorgewend, gewaand. —er, a. voorwent,telling; sanbieding; aanklacht. der; pretendent. —ing, a. —ingly, ad. verwaand, Presery able (pre-zurv'ib1 ► , a. bewaarbaar. laatdunkend. —ation (prez-ur-vee'sjun), a. bewaring, behoud. Preten slop (pre-teu'ejun), s. aarspraak; aanmatiging; voorwendsel. —tious (-ejus), a. eonafire ( ette), --(dory (-e-tur rib), a. bewarend, matigend. behoedend; a. behoedmiddel. —e (aura'), a. in- gemaakte fruit; v. a. bewaren, behoeden (from, Preteriruperfect (pri-tur-im-purlekt), a. & a. onvoltnaakt verledeh loon); kontljten, inmaken. —er, a. bewaarder; behoeder; inmaker. —era (-urz), pl. coneervatie- Preterit a (prilur-it, prat'-) a, & a. verleden (ttjd). —ion (-loran), a. voorbljgang. bril. Preside (pre• zajd'), v. n. vooreitten (over). Preter lapsed (pri-tur-lepat'), a. verieden, verPreald ency (prezn-den-sih), s, voorzitterachap, I vlogen. —legal (- Wgel), wederreehtelidk. —mission weg-, uitlaten; oversiaan; verzulmen. —eat, a. voorzttter, president. —entship, a. voor- sitterachan, —er (pre zajd'ur), s. vooraitter. —ial, Preternaturel (pri-turtnetioe-rell, a. —ly, ad. tegennatnuribk- —nen, a. tegennatuuritikketd. —iary (pre-sid'i-), a. garnizoens-; een garnizoen Preter perfect (pri-tur-purlekt), a. 86 a. vethebbend. kee'ajun), a. maekt verieden (tijd).—p/uperfeet(-ploe-puefekt), Premises!' 'cation voorefgaande kennisgeving, —y (-sig'ni-faj), v. a. a. & a. merr dan volmaskt verieden (tijd). E Pretext (pre-teksi ,,, pri'-), s, voorwendsel. vooraf aanzeggen. Press (press') a. pee., klebrkaat; (het) pressen; Preter (prPter), s. pretor. —ial,—tan (pre•to'ri-), gedrang; drub; drang. in the —, ter parse. tot a. pretortaansch; reehterlijk--ship, a. pretorcarry a — of sail, elle zeilen bilzeten. to correct ',chap. the—, drakproeven corrigeeren —bed, sleapbank. Prett y (pritlih), a. —ily, ad. lief, aerdig, net, —copy, afdruk (van een brief, ens.), moot; tamelijk. —inns, a. iletheid, aardigheid. presgang. —man, drukker; werver. —money, —y, ad. tamelijk. handgeld.—potnt, tulle.—atick, persboom,—stone, Prevail (pre-veal'), v. n. he overhand hebhen persfondament. —work, drukwerk; druk, (against. over); heerachen, in twang Ain; geldig zian. Ion. upon, with) overreden. —one a self of, Press (presa'1, v. a. persen; uitpersen; drukken; zich ten nutte maken.—ing, a. heeraehend; krachdringen; pressen. (on) op het strand jagen. [upon) n. drukken; (zich) tig, veel vermogend. —meat, a. overhand, inopdringen; inscherpen. zich voortapoe- atreven near, ( on) vioed. driugen. (for) den. (a'., upon) zich moedwillig blootatelian aan; Prevalen ce (prev'e-lene, —ey, s. overhand, eervolgen; inbreuk maken op. —er, a. perser; overwichti herraching, algemeenbeid.— t, a. —tie. presser. —ing, a. —ingly, ad. dringend.—ing iron, ad. overwegend; krachttg; heerachend; geldig. persijzer. —ion (prearun), a. parsing, drang. Prevarica to (pre-yer't- keet), v. n. slinks to —are (preervr), s. drukking; persing; druk; flood;verb gaan, draaierijen bezigen; nitvittehten zoeonderdrukking; drang; indruk. I ken; tegen trouwen plieht hen delen, —tion (-bee'. Prent iprest'), a. opbrengst; leaning; —money, ejun), a. draaierij; pliehtverzaking, ambtsonhandgeld. —ation- (-tee' , Jun-) money, jaarlijksehe trouw. —tor, a. draaier, trouwelooze; plichtveropbrengst aan he bisechoppen, —er, s. bliksem- zaker. straal. Prevenient (pre•vi'ni-ent), a. voorgaand;ontvPrornd. k everani Preselg en (preslidzj in), pl. begooeheling; goochelarij. —iation ( i-ee'sjun). a. goochelarij; Prevent pre-vent'), v. a. voorkomen, verhindea. geochelaar; ten (from); vooraf ouderrichten, —able, a. to voorrnisleiding. —iator mislei der, —ions (-tidzyi•us), r. begoocheleud. tomen; verhinderbaar. bedriegeiijk. Preventer (pre-vent'ur), a. voorkomer; verhinPresum able (pre-zjoem'ibi, a. —ably, ad. ver deraar; borgtouw, perdoen. —baekstay, loose per moedel‘jk. —e, v. n. vermoeden, Vance; bet does. —bolt, puttinghout. —brace, borg op de waken, zich verstouten, de vrijheid nemen; (of, braneen.—cross-tree,stopzaling.—leech-line,uneer• on, upon) vertrouwen op;' etch inbeeiden; zich gording.—lift, loose toppenant. —plate, kapplaat. laten vooretean op. —er, a. vermoeder; verwaande. waar!oos tuig. —rope, berg, ophouder. —ing, a. taatdunkend, verwaand. --sheets, —shrouds, pl. borg op het want. Preaunapt ion (pre-zum'sjun), a. vermoeden, ay h,liolposzteesntgaegw .— inedtrrearp,.borgatrop. —tip-rope, onderstelling; verwaandheid. —ive, a. —ively, ad. borg, , vermoedelijk; aanmatigend, verwaand; vermetel- prevent ion pre-ven'sjun), a. voorkoming; yen-uous, a. —uously, ad, (-tjoe-us-), ingebeeld, verhindering; waarschuwing. —ional, a. voorko-
Lie F. LIN 522 drub) a. o. to — peen, to ley violent hands upon. LUspoisd, o. lie-pound. weinio am het — hebben. to be of little (no) conse- LAW, v. list, roll; frame; border, edge. —balk, quence. —arts, physician La ordinary. —band, breast-I, eam.—Itinen,studding- satleknittlee, ropebands. —work, frame-work, fillets, 'Welts. —en, each, girdle. —deuntje, —stultja, Ca% °rite song. ov. w. to frame, to put into a frame. —alpine' bond-slave. —eigenschap, i.ondage. --geLUster, v. thrush. —bee, service. — keg, —strik, reeht, single combat. jonker, page. entire for thrushes. —net, thrush-net. —strati corporal punishment. —blear, Besh-color, incarnate. — knecht, footman, lackey. —knit, LUvig, by. full-hodied, big, corpulent; thick; favorite dish --invader, womb. —oefening, bodily large, bulky, voluminous. —haul, v. bigness, corexercise. —rente, life-rent, aunuity. —rob, priest's pulency; thiekriesi, bulkiness, voluminotieneas. gow ► . —etraffetijk • criminal, vessel.— tocht, um, L:Jewskierts, bw. Rewards. fru,t. —tocatetidr, usufructuary. —lochten, se w Ltinig, bv doltish, dull, b:ockish. . to glue the usufruct. —lockienear, —tochtenerett, Lbk,in. lick. usufruttua•y.—trawant,life-guard.•ueteht,gnard, Likdoorn, Likdooro, m. corn. —inijder, —trekker, corn-cutter. life-guard; ttepaard) horse-guards —wapen, corelet. —.zaak, criminal matter. —ia.vteiijk, criminal. ILIkeur, v. liquor; strong-water. --abehoud,—sbergeng, self-preservation. —silwang. Lila ken, ov. w. to lick, to lap; to sleek; to cheat, to trick. —hout, smoothing-stick. —steen, bodily constraint; arrest. —screen, issue, natural sleek-stove, —kebaard, — kebroer, lick-lip, lickheir,. —sgenade, mercy, pardon, quarter. —agedish; toper, —kebnarden, to lick one's lips. —Icestate, stature, shape. —veneer. danger of life electuary, lambative. —ker, m. —star, v. pot, Lijfeitik, be. —held, v. Lie ILielansexe)tik. licker. —king, v. licking, lapping; sleeking. —held. Ltd, o. jelly, gelatine. —achttg, by. gelatinous,. EliFjo, a. bodice, Jacket; stays. Llij k, o. dead body, corpse ; bolt-rope. —begraving. Lill en, on. w. to shake, to quiver, to chives.. —ebesnen, on. w. to wag (to shake) the legs. burial. —bezorger.. —bidder, undertaker. —bee, —ing, v. shaking, quivering, shivering. urn. —dieht, elegy, dirge. —dienet, obsequies. —draper, bearer et a funeral. —garen, bolt-rope- Linaolan, o. lemon. —bones, lemon-tree. —drank, lemonade. —braid, winter-green. —sap, lemonyarn. —printer, —klacht. funeral moan, — wail. —bleed, —taken, pall, ehroud. —wagen, juice, lemonade. —schlt, lemon-peel. —water, lemonade. hearse. —kosten, funeral expenses. —lucht,—reek, cadaverous smell.. —neald, bolt-rope needle; obe- Linde, v. lime (-tree), linden (-tree). —boat, Halt. —offer, funeral sacrifice, —orening., opening linden-bark. —bled, linden-leaf. —bloesein„linden -blossom. —boom, ale Linde. —nhout, (dissection) of a deed body. —plechtigheden, ob. wood, linden wood.—ractan,alley of linden-trees. sequiee, funeral ceremonies. —plicht, last duty, — —ntoof. linden-leaves. —n, be. linden. office. —predikatie, funeral sermon. —cede, fu1Lininal, v. ruler. neral oretion. --schouwer, coroner. —schotiwing, inspection of a dead body, aetopey. —ghosts., Linty, v. line; equator. —schip, skip of the line. —trJepen, troops or the, line. —stoet, funeral pomp; — procession. —toorta, funeral torch. —trot, leech-rope. —roar, funeral Linieer der, tn. ruler, drawer of lines. —en, ov. w. to rule, to draw lines (on). —Jthriek,rulingfire. —rang, f ineral snag, dirge. —.open, bowmanufactory. —pen, rating-pen. —were, ruling. ltne-cringtee. —aeetig, by. cadaverous. Letkers, ov. w. to level; to leech; on. w. to re- 1Lieets, v. mark, etripe; rent. semble, to be like; to have a li.teeneea t o; to seem, Linker, (in tam ), left. to loot like; to suit, to serve one 'a turn. het Linkerd, m. sly dog, sharp, blade. Links, bw. at (to) the left. —af, —am, bw. to (',17/rt es clef near, notbieg like it. the left. I.Ussa, v. glue; lime. —ketel, glue-kettle. —koker, glue I;oiler . —kokerij, glue-manufactory. —kwaet. Iteltsiartch, be. left-handed; awkward. —held, Y. left-handedness; awkwardness. glue-brash. —7,ot, glue-pan. —roede,—stang, limetwig. —water, pile-water. —acidly, be. gluey. Litman, o & by. linen. —goed, linen. —kande!, linen-trade. —learner, closet for linen. —katelinenglutinous. —achtigheid, v. glueyness, glutinous. neat. --en, uv. w. to glue, to pante; on, V'. to press. —kooper, linen-draper. —meld, laundress —naaien, o. needle-work, seamstress's trade. Whine, to drawl. —er, rr., Bluer; whiner. —erig, —naaiscAool, sewing-school. —naaieter, seam be. ropy. —erigheid, Y. ropiness. —ip, be. gluey, stress. —waver, linen-weaver. —wryer( linenglutinous; whlnieg, drawling. —ing. v. gluing; weaver's trade; linen-manufactory. —wicket, whining,drawlieg. —stir, v. Zie Lijsrver. linen-draper's shop. Elia, v. line; flax. —, o. I ineeed. krone.. curva. Lint, o. ribbon, tape. —fabriek, ribbon-man—bean. rape-yard. —drealen, o. rope-making. ufactory. —tome, ribbon-cord. worker, —waver, —draaier, —stager, rope maker. —koek, linseedribbon-weaver. —teeterij, ribbon-weaver's trade; cake. —meet, linseed-meal. —olio, linseed-oil. —pen, ruling-pen, drawing-pen. —recht, by. & ribbon-manufactory. wankel, ribbon-shop. —worse, tape-worm bw. straight, straightforward; perpendicular (-ly), vertical (-Iy), diametrical (-1y). —woad, linen. Linze, v. lentil. —boon:, tree (shrub) with lenticular fruits, common laburnum. .—nakker, read, linseed. —en, ov. w. to rule, to line. —t), tilfleld. —nmeet, —times, lentil-porn. line; in het — loopen, to be the laughingridge. —nsoep, lentil-broth. —nrormig, lentiform stock. lenticular. m, & v. dolt, dunce, b eohy.
Fail ( ► ull), a. vat; hailing; afneming; widergang; timing; uitstorting; toonval; eb; waterva1; herfst. Fall (faoll) {fell. fallen (faal'n)], v. a. doen vallen; vellen; jongen werpen; v. n. vallen; afne, men; gebeuren; beginnen. — asleep, in elattp vallen. — astern, overstag wenden. — a note, eon' toon zakken. (away) afvallen, lzwijnen. (back) terugvallen; terugtreden. (down) nedervallen; afvareo. (from) afvallen. (in) invallen, inzakken; inatemmen. (in with) overeenstemmen met; ontmoeten; slangs geraken met. -- in hand with, ondernemen, wagen. — in love with., verlieven op. (into) justemmen met; toetredett tot; valien in; geraken in. — short (of), niet berei ken; gebrek hebben aan: teleurstellen in. (o) afvallen; Nervallen. (on) aanvatten; aanvalleu. (out) nitvallen; pleats grijpen; oneens warden. (over) overloopen. (to) toevallen; zich begeven aan, beginnen; — one's share, te heart vallen. (under) behooren tot; geraken ceder; een voorweep worden van. (upon) komen op, bedettken; aantasten. Fallacious (fel-lee'sjus). a. —ly, ad. ► edriegelijk. —ness, R. bedriegelijkheid. Fallacy (felne-sib.), a. nualetding; drogrede. Faint bility (fel-li-billt.•), a. fellbaarhel.d. —tile, a. —bly, ad. (fel'libt.), feilbaar. Failing (faoll'ieng), a. (het) vallen;holte. —ateey,s. afval. —off, a. giering, afhouding; Oval. —out,s. ruzie, uitvai. —, a. vallend. —sickness, vallende —star, vallende ster. —stone, donderkeil. Fallow (felgo), a. veal; break. —, a. braakland. —, v. a. voor de earste meal beploegen (break • land). —finch, a. kwikstaarrje. False (Paola"). a. —ly, ad. Taloa. —dealer, bedriege• — faced, geveinsd. —fire, blikvuur. —hearted, valach, verraderlijk. —heart edness, a. valschheid. —hood, a. onwaarheid, lettgen. —ness, a, valschheid. Falai,' fable (faol'ai-faj•ibl), a. vervalschbaar. —ieation (-11-kee'sjun), a. vervalaching. —ier (-faj-ur), a. vervalseher. —y (-fa)), v. a. verval, schen, schenti,n; logenstraffen; v. n. lieges. Falter, (faol'tur), v. n. stotteren; wankelen; weifelen; ha eren. —ing, a. gebrekltigbeid, hapering, —sag y, ad. stamelend; haperend. Fame (teem'), a. faam, gerucht; vermaardheid. —d, a. beroemd, vermaard. —less, a. onlytkend, zonder mum Familiar (fe-mirjer), a. —ly, ad. huiselijk ;retneenzaam; minzaam; ongedwougen; vertrous. huisvriend; huisgeeat. it-tittl, a. gemeenzaamiteld, vertrouiVe)ijkheid, (.ajz), v. a. gemeenzaam maken. Family (fern'11-1111), a. huisgezin; famille; geelacht. —tree, gesitehtsboona. —vault, familiegraf. Famine (fem'in), a. hongersnood. Famish (feneisj), a. a. uithongeren; v. n. ye, bongeren. —meet, e. hemgeranood: verhongering. Fe mostly (fe-rnos'it-tih), a. vernnaardheid. Famous (fee'mus), a. — ly, ad. vermaard. —nom, a. V Flikellie rd°11,j. a. vermaardheid. Fold (hold'), a. ochuthok, schaapakooi. —age, a. Fan (fen'), s, %artier; Wilasilalg; ',lenge% wan. perkrecht. —fee, sehut,:eld. — stoof knielbank, v, a. verkoehm, waitien; wAnnen. —light,

Wie echt gemaakt Bitcoin


518 self. —looper, idler. —makes, to empty. —en, or. Leeraren, or. & on. w. to teach; to preach. Leer en, ov. to reach, to instruet; to learn. to w. to empty. —le, Y. emptiness. study. —tag, v. instraction, lesson; doctrine. Leek, m. layman, secular. —ebrooder, lay-brother. Leafing, m. & v. disciple, pupil; apprentice. —ereehter, secular judge. —esuster, lay-sister. LeoMk, be. ugly, deformed; had,naety, wicked; 1Leerzaant, by, docile; instructive. —held, v. docility; instructiveneas. angry, cross. —, bw. 1i. , nastily, wickedly, angrily_ crossly. —held, v. ueltness, deformity; Leesbner, be. & bw. readable, legible (-bly). —held, v. readableness, legibility. nestineee, viickednees, croariness. Lenses, o. clay, loam. —hail, loam pit. —achtsg. Lees begirt, v. turn to read. —bibiiotheek. —sntickling, reading-rooms ; circulating-library. by. clayey, loamy. —tack, reading-book. —geselschap, reading-soLeenerin, m. layman, mannikin. clety. —kabinet, —homer, —coal, reading-room. Lteernen, be. loamy. —, or w. to loam. —leseenaar, reading-desk. —teat, desire of readLetrote, v. defect; chum, gap. of ing. —school, resisting-school. —teelcsn, Le en, v. te (ter) — given, to lend. to (let) —era. punctuation. —tud, reading-time. —uur, readgen, to barrow. o fee, fief„ feudal tenure. ing-hour. —wile, —wijze, reading, lection. —besit ter. feoffre, feodary. —boek, fendal register. biii of feoffment. .—dienrt. vassalage, Least, v. last; statute; shape, form. —entnaker, last-maker. escuaae, feudal aerviee. —geld, relief; quit-rent; lion. —enbek, lion 'a-mouth. —enkavt, borrowed money. —goed, fee, lief; vrij —, free- Leoues, lions 'a heart, lion-heart. —enhuid, lion 'Is skin. hold. --beer, liege. —hof, —kanter, feudal conrt. —enhol, —enkuil, lion 'a den. —enemas*, lion 'a —header, —man, feoffee, voteiti. —mangehap, vaaealage. —plicht, fealty- —recht, feudal right, manes. —enmoed, courage of a lion, Intrepidity; law.--roarig,fenda , ,fendal.—roerioheid,feudel- met — besield, lion-hearted, lion •mettled. • —en—envoet, lion ' 8 Ity. —sehatting, feudal. tax. —spreuk, metaphor. land, lion 'is tooth, dandelion. foot, — paw, padelion. —enwelp, lion 's cub, —spreukip, instep horic al . --steleel, feudal system. —verh,liag, renewal of a feat, —erou,o, feoffer, young lion. —oehtia, by. lionlike. cage. —snest, 11.oeuasterik, rn, lark. --skooi,lark's lady uf the manor. lark 's nest. —ssatag, warbling of a lark. Lean en, ov. w. (can) to lend (to); (vox) to bar• .w (from); de hand —, to lend a (helping) hand, Leetrevere, m. me. Zie Louvers. Learev In, Y. lioness. —fje, o. lion 's whelp; lender; borrower. —tr i m. to assist. small dog. ILeekting, v. loan. eene sfaiten, to contract loan. tank vas lombard, loan-office, pawn- Leg, m. laying (eggs). —, v. oaary ; lay. o. legacy. Legsssat, m. legate. braking' establishment. w. to beLeep, he. blear; sly, cunning. —, 1 , w. cunningly; Legal earls, in. legatary. —wen, eq•tuting7y; with contempt. & v. blear- queath.. eyed person. —.gig, blear eyed. —oogigheid, ILegende, Y. legend. ':.,:marednesPs. —erd, in. knowing one, sly blade, Leger, o. bed, couch, litter; den, lair; haunt (ran een wolf); form, seat (ran een hems); camp; army, cunning dog. —held. v. slyness, cunningness. host. —afdeeling, corps.—berieht, —Ng, —ighcid, v. blearedness. battle-axe. —brood, munition-bread. —hoofd, geLeer, v. Zia Leader. trekken, to draw neral. —hut, —tent, tent. —jongen, sie l eer o. Zie Leder. van one ''s word, ..../ooien, o. tanning. —looter, tan- Troeboef, —koorts —siekte, camp-fever. —host, me, tsanery; tanner 'a trade. provizions, soldier 's fare. —kunst, art of enLeer, v. le,son; doctrine; apprentice:411p. in de carniwient. —macht, army, forces. —meter, mill- deen (zija) c(j, to bind (to be bou,d) &pore', tary surveyor, quarter-master. —meting. art of tice to, —hegeerte., —gierigheid s —sucht,studiona- mearuring a camp. caetramttation. —pleats, camp. —scharen, army, host. —stele, bed, bednet., application. —begrip, dovn, principle. —hoek, compendium. —dieht, didactic mere. side, conch. --focht, expedition. —tros, baggage. —gast, —jongen, —meisje, apprentice. —gang, —raven, haggage-waggon. —teacht, cemp-guard. t. w, to encamp. —bp, ov. & on. w. sick course of letters. --grid, apprentice's fee; zebu.), v. mesas meat fog, prem i um; — gecen, to buy wit. —gierig, — praag, desirods to learn. studious. —Jaren, Leg gen, ov. NV. to lay, to place 9 to put. —Gerd, hoard on which the wet paper is laid. —item, —lid, (tittle of) apprenticekhip; school-days. —holaying hen, layer. —hoed, setter. —perarvig, mer, echooi loom. —meseter, master, teacher, pre• counter, medal. —werk, inlaid work, marquetry, ce?!or. —ineesteres, nifstresk teacher. ---,neaterveneering; figures. —ger, tn. guard; sheet on the sehap, office of a teacher, preceptorahip. tympan; nethermost m.01-atone; lighter; board. nino, etudy. —rede, sermon. —regel, maxim, aphorism. instructive. —school. school. —ging, v. laying. spnt,n,e, otaxto,, apophthegm. — erel - Leglurms, o legion. /4g, dogmatical. — sinning, drfrm, dogma. — aid - Ifatcsel, o. Zie 1Legaverk. pelpit, chair. —tank. theo- Leal, v. & o. slate. —dekko*, slater. —gray. slateael, eystera. ;ern dogm, tenet; uncle; precept. —cur, lesson. quarry. —kleurig, slate-eo!ored. —steen, chits.
Cuckhig-stool (kuk'ieng-stoel), s. duikstoel, Culture (kulrjoer), a. landbouw, kweeking; beBehaving. —, v. a. Zie Cultivate. dompe!stoel. Cuckold (kuk'uld), a horendrager. v. a. tot Culver (kul'vur), a. duif. —house, duivenhok. horendrager maken. —maker, verleider van ge- —key, akelei (plant). —tail, zwa , ,,staart (in trouwde vrouwen. -Om (-darn), a. horendrager- timmerwerk). schap. —ly, a. als een horendrager; verachtelijk. CulverIn (kul'vur-in), a. veldalang (1-anon). Cuckoo (knk'oe), S koelcnek; ellendeling. —bread, Culvert (kurvurt), a. overdekte doorloop (v6or koekoekshrood. —bud, —flower, koekoeksbloem, water); tunnel. —yinyflower,maagdenpalm. —pint, arum (plant). Cumbent (kum'bent), a. liggend. —sorrel, koekoeksklaver. —spit, —spittle, plan- Cumber (kum'bur), v. a. moeite (overlast) veroorzaken; belemmeren; overatelpen. —some, a. tenspeeksel. —comely, ad. lastig, hinderlijk. —someneR, a. lasCucullate (kjoe-kul'let, kjoe'kul-leet), a. met tiKheid. eene kap bedekt, kApvormig. Cucumber (kjoe'kum-bur,kau'kum-bur),s.kom- Cumbr ance (kum'brens), s. last, hinder.—ous, a. hinderlijk, lastig. kommer. Cueurblt (kjoe'kur-bit), a. distilleerkolf. —ace- Cumin (kum'in), s. komijn. Cumuli, te (kjoe'moe-)eet), v. R. ophoopPn.--tion nun (-tee'sjus), a. kalabasvormig. Cud (ktui), s. voedsel in de voormaag; tabaks- (•lee'sjun), a. ophooping, —tire, a. toenemend, bijkomend. pruim. to chew the —, herkauwen; ove-peinzen. Com (kun), v. a. weten; stucco. Cudden (kud'dn), s. stoffel, lummel. Coddle (kud'dl), v, n. dicht ineen liggen; elkan- Cunctator (kunk-tee'tur), a. draler. der omhelzen; zich neerhurken. 'Cline al (kjoe'ni el), —aced ( eet•id), —iforin Cuddy (kUd'dill), a, kinkrl; koolvisch; kajuit; (kjoe nit form), a. wigvormig. stookplaats. Conner (kun'nur). s. zeealak. v. a. afrossen. Cunning (kun'nieng), a. bekwaamheid; ervaren• Cudgel (kud'dzjil), s. knuppel. —play, knuppelspei. —proof,tegenslaagbestand. heid; sluwheid. —, a. —ly, ad. kundig, bedreCue (kjoe), s. staart; uiteinde; biljartstok, queue; ven, ervaren; behendic: loos. listig. —fellow, teeli en, wenk; stemming; steekwoord. to give looze schalk. —man, wasrzegger. —woman, wearone his. —, iemand de woorden In den mond zegster. —nes, a. sluwheid, geslepenheid. geven. Cup (kup), s. kopje, beker, kom; schaa); laat. Cull (tut), s, slag; ,00rveeg; handlubbe; oude man. bop. he has been in his —a, hij heeft Sr veel geto go to —s, handgemeen worden, bakkeleien. dronken. —and can, bests maatjes. parting —.,af• —, v. a. alarm (met vuist of klauw); v. n. pink- scheidsdronk. —hearer, schenker. —board, m. harem. schenkblad; pottenkast• v. a. bijeengAren. —rose, Coinage (kwin'idzj), a. oprolling (van blik). slaapbol. —shot, —ahotten, aangeorhoten, beCulrnaa (kwi-res'), s. borststuk, kuras. —ier achonken. —weight. gewicht, welks stukken in (kwi-res-sier'), s. kurassier. elkander sluiten. Cuish (kwis), a. dijharnas; dijstuk. Cup (kup'), v. a. koppen zetten. —per, a. koppcnColsh. Collage (kwis), a. zetter. —ping glass, kopglas. Culdees (kurdiez), a. MOTIllike. in Schotland. Cupel (kjoe'pil), a. smeltkroes; kapel. —dust, Culerage (kul'ur-id7j), a. vlooienkruid. louteringspoeder. —lotion (lee'sjun), a. loute. Culinary (kjoe'll•ne-ril ► ), a. tot de keuken be- ring Ivan metalen). hoorend. Cupidity (kjoe pid'it•tih), a. hegeerlijkheid. Cull (but'), a. aalrups, kwabaal; stoffel, domoor. Cupola (kjoe'po le), a. koepel. v. a ititzoeken, uitlezen. —er, a. uitzoeker. Cupreous (kjoe'pri on), a. koperlg, koperen. —ibility ( Cur (kur), a. boerenhond; schurk. a. lichtgeloovig. Curable (kjoe"ribl), a. geneeslijk. —near, a. ge. Cullion (kill'jtm), a. schurk, flelt; atandelkruid, neeslijkheid. ameerwortel. —ly, a. laag, gemeen. Cur.* cy (kjoe're sih), a. parochle, predikantsCuillls (kul'lls), a. zeef, doorzOgsel; vleeschnat. pleats. —te ( rat), a. hulpprediker: parochiepreCully (kunih), a. sul, domoor. —, v. a. bedrie- dikant. —tire, a. genezend. gen, kullen. —ism (-izm), s. sulachtigheid. Curator (kjoe-ree'tur), a. curator, voogd. Cnim (kulm), a. smeekool; grasstengel. —iferous Curb (kurb'), a. kinketting; beteugeling; hoefge(-rnit'ur•us), a. ha ►ndragend. —atone, randateen. —. v. a. een' kinmet. Cutminn (kurmi-neet), v. n. in het toppunt betting aandoen; in toom houden, beteugelen. zijn. —tion (.nee'sjun), a hnogste stand. Curd (kurd'), a. gestremde melk; stremsel. —, Culp ability (kul-pe-bil'it-tiii), a. schuldigheid. v. a. doen stremmen. —a, a. stremsel, wrongel. —able (kill'pt131), a. —ably, R. schuldig,misdadig —y, a. klonterig, gestremd. (af). —ableness, a, schuldighsid. —rit (kul'prit), Curdle (ktied1), v. a. doen stremmen; v. n. a. misdadiger, schuldige. klonteren, stollen, atremmen. curdled sky, lucht Coltch (knitsj), a. oesterbank. met witte wolkjes bezet. the blood curdled in nay (runty able (kurti-vibl), a. bebonwbaar. —ate, reins, het bloed stolde in mijne aderen. v. R. bebouwen; kweeken; beschaven. —allot, Cure (Icjoer'),.. genezing; geneeskuur; zielenzorg; (-vee'sjun), e, landbebouwing; aankweeking;ver. predikantsplaats. —, v. a. genezen , heelen, edeling. (•ve.e.tur), a. hebouwer; kweeker; drogen; zouten, inmaken. -less, a. ongenees. lijk, —r, a. geneesheer, arts. bearhaver.
Ik, vnw, I. — self, I mrielf. —held, v. individuality. Summer, bw. ever. —meer, bw. ever, evermore. "[miners, fw. indeed, to be sure, at least, nay, I date say. Impost,,. impost, custom, tax, duty. In, vz. in, into, within, at. — de twintig, twenty and odd. Innebtnenalug, v. observance. Inndem en, or. w. to breathe, to respire, to inhale. —leg, v. respiration, inhalation. Inbaker en, ov. w. to swaddle in, — up, to swaths. Inbnkken, ou. w. to lessen in baking. Inbtalstent en, or. w. to enbalaa. —ing, v. embalming. tubes." den (zIeb) 4 t. w. to imagine, to fancy. —ing, v. imagination, fancy, idea; self-conceit. Inilegoetelp, met — van, included. Inbeltelen, or. w. to work in with the chisel. Inbellen, or. w. to call in by ringing a bell. Inbergevi, or. w. to put by, to lock in. Inbeslagnenalng, v. seizure. Inbeuren, ov. w. to lift into; to receive. Inbeztt nenting,v. taking possession. —stalling, v. investiture. InbUt en, or. w. to make a ship enter into the harbor by breaking the ice; on. W. to corrode, to eat in, to fret into. —end, bv. corrosive. —ing, v. corrosion. Inblkken, ov. w. to notch, to jag. Inbind en, or. w. to bind (to tie) in, — closer; to restrain, to bridle; to reeve keen zeil v. binding in; restraining, bridling. Inbitter, by. very bitter. Inblitrestter, v. Zie Inbiager. Inblanw, bv. very blue, dark-blue. Cabinz en, or. w. to blow into; to inflate, to inspire, to prompt, to suggest. —er, m. prompter, suggester, instigator. —ing, v. inspiration, suggestion, Juni gat ton. bv. very glad. Inbiltiveu, on. w. to remain within. Iteboedel, Inbar I, m. furniture, household• stuff; goods and chattels. Inbtiegem, on. w. to enter into a harbor. Inboezem ass, or. W. to inspire with, to instill (into), to insinuate. —leg, v. inspiration, insinuation. Inbonzien, ov. w. to bounce in, — into. Iubooenan, or. Iv. to push into (by means of a pole. Inboorling, m. & v. native. Iuboos, tso, very wicked, reprobate. Inbo•en, or. w. to bore, to pierce. Inborst, v. character, temper, turn of mind. Inbreak, v. burglary, tut/action. Inbrand en, ov. & on. w. to burn (into); to cauterize; to lessen when being burnt, —kg, v. burning; cauterization. Inb7nosen, ov. w. to brace in. Kuhr ek en, on. w. to break in; to commit burglary. —er, m. burglar. —tug, v. breaking in; burglary. Inbreng an, ov. w. to bring in, — into; to import; to furnish; to earn; to adduce, to allege.
Bespnr en, ov, w. to spare, to cave, to ley up, to economize. —lag, v. sparing, saving; ter — van hasten, to save expenses. Beepatt en, Of. W. to splash, to bedash, to bespatter. —ing, v. smashing, bespattering. lies peelleter, v. Zie Desprelete. aleseeekken , or. w. to lard , to stuff with bacon. 'Hempel en, ov. w. to play upon; to cltime (de klokken). —er, in. player, mutician
Klatt. V. lump., clad. an On —en glwassen, tall, Kn.', v. gin, spring, snare; pinch, scrape. spanking. —bong, sling-bow. —achtii„ — 'g, by. Or. w. to pinch. to squeeze; to oppreas. —len, cloddy. v. pinch, squeezing. 114.9ulv en, ov. to pick, to gnaw, to nibble. —er, Kmiec:run, on. w. eon. Zie Knarsen, in. picker; —, —boom, jib, jib-town. —ing, V. Knetter en, en. w. to crackle. —tag, v. crackpicking, gnawing, ntboltng. ling. on. w. Co live nolltariiy, — like a her- Knent, v. linnet. —beam sparing-puree. —*sat, mit; to run hollow. —oar, m. herwit ; —eleven, linnet ''s'nest; hoard of money. —penning, hoardlife of a hermit ; solitary life. ed money. FiZungesii, v. slut, aloven; rag; trifle. —en, on. w. Kneukett, m. ens. Zie KisokliCer, enz. to tulle, to idle; to bungle; (end) to throw awry Kneuter, v. linnet. —oar, in. '-aarster, v. stamm. cudgel., clun. —en, on w. to cudgel. merer; mutterer. —en, on. w. to chirp, to war—horn, gingerbread. —vet, game of cudgelling. hie; to stammer; to mutter, to grumble. —ig,bv. —men, doggerel. muttering, grumbling; ruffled. --ing, v. chirping, Kissta, v. de — kwijt zUn, to be at olio '8 wit 'a warbling; stammering; muttering. end, to be out or acme. —en, ov. w. to beat up. Knells en, on. w. to bruise. —tag, v. bruise, —ei, battered cog. contuslc... K.111,11 C:12, o. clew. —en, ov. w. to wind on (to Knievel, m. cudgel; lever; toggle; paoking.stiek; make into) clews. gag ; mustachio; whisker (van ern (liar); droll; Knaeg dice, O. rodent. —ster. v. Zie Kneger. blade. Kehep, m. boy, lad, youth, yoLngscer; fellow, Knrvei oar, m. —aareter; v. extortioner. —ar(), chop; jack. —jeskruid, orchis. v. extortion. —en, ay. w. to bind, to pinion; llinabbell ear, in. —aarster, v. nibbler. —en, or. to extort, to exact ; to oppress. —board, true& on. w. to nibble. --ing, v. nibbling. tat...hes; whisker, —band, fetter; muzzle. —kg, v. lkirtftir en, ov. en. w. to gnaw, to fret. —er, m. binding; extort.. —ing, V. gnawing; remorse. rangs. Knibliel ease', m. —.rater, v. caviller; haggler, it;. crack, snap; injury, damage. --, be, higgler. —achtig, —ig, --air/c, be. captious, given offended, angry, (at). —, taw. crack I —ken, ov. to cavilling; hard in a bargain. —aektiAkeid, w. to crack ; to ininre. to impair; on. w. to enap. —.Mt, v. caption...8; being hard in a bargain. crecking-hamater. --king, v. cracking, —or;), v. cavilling; haggilng, higgling. —en,on. snapping; injuring, impairing, w. to cavil ; to haggle, to higgle. —ipel, bones. kernel, m. clap; detonation, report. --/en, on. w. --ing, V. Zie Knikbbelarkl• to clap, to thunder, to give a report. Knit, v. knee. —band, knes•string. —bank, has. m. crack; reap ; eating, sock. —bong, ham. gennftexion. —host, Komi), by. St bw. stnatt, clone; handaorne (-1y) ; knee. —lap, leather to keel upon. —achy!, kneesmart (-1y), dec'nt I-1y); clever Hy), able, ably, pan. —sink, pulley-piece; balf-length-pieture. nimble (-WY). —handig, he. & bw. handy ;-ityi, Kniei en, on. w. to kneel. —er, m. kneeler. dexterouo (Ay , . nimble bly). —handigheid, hand—ing, v. kneeling. inegs„ dexterity. —held, v. clevernesa, ability, ifin;ettoor, m.. & v. (ratter. abilities. —fey, bw. Zie Kum, Kolez en, on. w. to fret. to pins. —er, m. Keznp pen, ov. w. to awry; to catch; to crush, by. fretful. —lap. Y. fretting. to kill to pick, to munch; on. w. tin snap, to KnUlf, o. —nos, clasp-knife. clack. —bus, pop gun. —kers, hard cheery. --koek, Kni,lp, V. pinch. —en, ov. w. to pinch, to nip; to crisp gingerbread. —ail, fib, —sok, knapsack, oppress; or. w. to trim sharp. —rok, tight coat. —per, M. crisp gingerbread; lib. —perd, m. clever —tong, (a pair of) pincers. —er, m. pincher; fellow. claw; pinch-penny. —ing, V. pincher, nipping. Known en, on. w. to gnash —been, —clean, gris—ster, v, pincher; Plaoh - OanitY• tle, carttlare. —beenig, gristly, cartilaginous. Knilten., on. w. enz. Zie Knaexen, ens. —etanden, to gnarl, (to grind) one 'a teeth. —ing, Knik, nt. nod; crack. —stag, stay of the topv. gnashing. gallant-mast. —ken, on. w. to nod; to crack, to Kiss,ater, m. caniaier. snap. —kebsenen, to walk with bent knees. —keKnauw, na. gnaw, bite. —en, on. w. to gnaw, tones, to not with dozinetis. to enew, to munch. —or, In, gnawer, chewer, Knikker, m. entire; marble. —en, on. sr. to v, goawlot, chewing, munching. —eel, o. ploy at marbles; van de boon —, to supplant. any thing gnawed, — chewed. —spel, marbles. Knecht. ni. (man-) tern/ml, man, footman, wait- Knip, in fillip, tint; clip, cut. —, V. trap, gin, er ; asaistant, joarneymau. —skamer, servants' snare; hpring, wisp; bawdy. house. o. purse halL —slim-ei, servant'a livery. —Orion, servant's with a snap). —pen, ov. w. to fillip; to clip, to war;ea. —seh, by, bw. servile (-1y). eut ; to entrap, to catch ; to erect, to kill; on. o. little bry. —se/tap, o. servitude. w. to spring, to wrap., —betigel, snap (spring) of karol en, ov. w. to knead. —er, in. kneader. a purse —bears,. piece (with a allap), ciasp—ing. v. kneading. knife. —mats, xie Knoacepnanis. —nog, m. V. Kneesisiter, v. Ituerder. blinkatd, blinker. —angers, to blink, to twinkle. ilisseiris, V. pint,h, nip fold, plait ; waist ; trick. —oogje, blink ; twinkle. —sekoar, sciators. —slay. —mute, cap with a folded lace. fillip. —clot, lock with a spring (snap), spring. Knekeihuis, o. charnel-hou:e. latch. —per, m clipper, cotter; catcher; cracker.
206 OUT.— OVE. 0 tt ter a ri a Is , s • buitenkerspel. Outstride (-strajd") [irr.], v. a. Zie to Outstep. Outpart, s. buitengedeelte. Outstrip ( strip'), v. R. voorbijitreven. Outpa am (-paas'), v. a. voorbijstreven. Ontswear (- sweet') [irr.], v. a. in het vloeken Outporch, s. ingang, portaal. overt reffen. 0 ettport., a. buitenhaven. Outsweeten swiet'n), a. R. in zoetheid over • Outpost, s. huitenpoat. treffen. Outpour (-poor'), v. a. uitgieten, uitntorten. Outswell [irr.], v. a. overatroomen. 0 utpray (-pree'), v. a': in het bidden overtreffen. Out talk (-took'), —tongue ;-tuog'), v. a. overpraOutpreach (-prietsfl, v. a. in het preeken overten. treffe n. Outtop (-top'), v. a. boven het hoofd groeien. Outprize ;•prajz'), v. a. te hoeg in prijs stellen; Oulvalue (-verjoe), v. a. in waarde te boven in waarde overtreffen. gaan. Outrage (aut'ridzjl, a. grove beleediging, hoon; Outvie (-vaj'), v. a. overtreffen, nitmunten boven. ge•elddadigheid. —, v. a. beleedigen, hoonen; Outvoice (-vok,'), v. a. oversehreeuwen. v. n. buiteneporigheden begaan. —ous, a. —on (p. Outvote (..vont')., v. a. overstemmen. ad. (•tree'dzjus-), beleedigend, hoonend; geweld- Outwalk (-wauk';, v, a. in het gaan overtreffen. dadig; woedend; ones dreven, buitensporig. Outwat I, a. buitenmuur; uiterlijk, sehtin. Oaatraze (-reez'), v. a. uitroeien. Outward iaut.'wurd), a. —ty, ad. uiterlijk,uitavenOutreach (-rietsp), v. a. corder reiken dart, dig. —, —8 (-wurdz),ad. naar buiten;buitenwaarte. Outreason (-rie'zn), v. a. door betere gronden Outvvatch (-svotsY), v. a. in waakzaamheid overoverwinnen. treffen; doorwaken, Outreckun (•rek'kn), v. a. in de herebening te Outwear (-weer') [irr.], v. a. uitduren; longer boven gaan. duren den; in verveling doorbrengen. Outride, a. rid. —(-rajd') [irr.], v. a. voorbij rij Outweigh (. wee"), v. a. zwaarder zijn dan; overden; v. n. nitrijden. —r (aut'raj-dur), s. voorrijtreffen. der ; deurwaarder van den sheriff. Outwit (-wit'), v. a. verachalken, te slim zijn. Outrigger (ook; -rig'gur), a. bokapier, donve jut Outwork, a. buitenwerk. —(-avurk'), v. a. weer ioefb al ir; wacht schip. (betel.) werken dan; overtreffen. Outright (- rajt'), ad. dadelkik„ geheel. Outworn( woorn'), a. afgesleten. Outriv (-raj'vel), v. a. de /oaf afsteken. Outvvrest (-rest'), v. a. afpersen, ontweldigen. Out rear (-rose'), v. a. boven.... nit loeien, 0 utwrought Croon, a. overtroffen. Out root (-met', v. a. uitroeien. v. a. in het grappenmaken Outzany Outrun (-run') [ire.], v. a. in het Joopen overtrefovertreffen. fen; to boven gaan. Ouzel a. Zie Ousel. Outten ( v. R. voorbij zeflen. Ova l (o'vel), a. & a. eirond, ovaal. —rious (-vee'Outscorn (-skorn'), v. a. fret verachting behanri.oa), a. van eieren. —ry (-ve.rih), a. eleratok. delen. —te ( vent), —ted (. veet'id), R. eivormig. --tion Outsell (cell'; [irr.], v. a. duurder (meer) verkoo(-vee'sjun), a. ovatle, kleine zogepraal. pen dan; hoogeren prima halm dan. Oven (uv'n), s. oven. —fork, ovengaffel. —ful, Outset, a. begin, aanvang. (een) oven-vol. —peel, ovenkrabber. —tender, Outshine (-ejajn'), v. a. in glans overtreffen. ovenstoker. Outshoot ( -sjoet.') [im], v. a. in het schieten Over (o'vur), a. bovenate, boven-. ad. & prp. overtreffen. over; op, boven; door; voorbij, gedaan. — a Oats. Out side, a. bui ten-. —, a. buitenzijde; voorkomen; of wine, bij een glee wijn. — and —, bij herbalinga uiterste ad. buit en . all —, overal; voor good voorbij. ten times —, Outsit (-sit') [irr,], v. a. longer zitken don; verzittienmaal achtereen. — again, nog eena. — against, ten. tegenover. — the way, a an de overzkjde. or 0 utsklp (.skip'), v. a. ontapringen, entgaan. under, meer of min. Outskirt, s. voorntad; buitenpoat. W oar, in de volgende samenstellingen, de uitapraak 0 nteleep (-aliep') [ire.], v. a. Lange -, elapen dan; niet is aengewezen, dear heeft o den klemtoon. verslapen Overabound (-e-baaund'), v. n. al te overvloe • Outspeak (-apiek” [irr.], v. a. in het sprekea dig zijn. overtreffen; overt refire, Overact (-ekt'A v. R. & n. overdrijven. Outaport (-spoon'), v. a. in het achertsen over- Overall (o'vur- aol), a overjas. —a (.aolz), pl. treffen (overdrij ven). overbroek. Outspread (-spred'i [irr.], v. a. uitspreiden. Overanxious (-enk'sjus), a. te angstig. Outstand (-extend') [irr.], v. R. uitetaan; weer- Overarch (•aartsy), v. a overwelven. staan; v. n. uitsteken. —ing, a uitstaand, onbe- Overawe (-ao'), v. a. in ontzag hluden. Overbalance,s.overwieht,meerderbeid. —(-bel'taald. Outstare (steer'), v. a. door onbeschaamd aanens), v. a. meer wegen don; overtreffen. etaren ver•agen maken. Overbear (-beer') [irr.], v. a. overetelpen; overOutstay (-stee') [ire.] , v. R. Langer 1,:ijven dan. weldigen, onderdrukken. —ing (-beer'leng), a. aanmatigend, trotsch. Outstep (-step'), v. a. voorbijstoppen; overst!hrijden. Overhead (-bend'), [ire.], v. a te aterk apannen. 0 utstreet, s. achterstraat. Overbid (-bid') [irr.], v. a. te veel bieden; meer Outstretch (-atretaj';, v. a. nitetrekken. bieden dan.

Hoe wordt cryptogeld prijs berekend


Mutual (mjoa'tjoc el), a. —ly, ad. wederkeerlg; onderling. —sty s. wederkeerigheld. Muzzle (muz'zl), a. snoet, snuit, bek; muilband; trompatuk; opening, mond. —, v. a, muilbanden; v. n. ruiken. anuffelen. —r,s. slag op de bovenlip (in het boksen). Muzzy (muz'zils ► , a. beneveld, verstrootd. My (map, pr. mijn, mijne, mijnen. Mynheer (min-Kier'), s. Hollander. Myo graphy (maj-og're.fib), s. spierbeschrAlving. —logy (-ol'ud•zjih) s. leer der spieren. Myop e (maj'oop), —8 (-ups), e. bijziende. —y (-up-pih), a. bijziendheid. Myriad (rair'i-ed), a. tienduizendtal; groote menigte. Myrmidon (mur'sni- don), a. ruwe vlegel; dwerg. Myropolist (m!-rop'o-list), a, koopman in reukwaren. Myrrh (mur), a. mirre. • Myrtiform (mueti-form), a. mirtvormig. Myrtle (mur'tl), a. mirt. —tree, mirtestruik,
Zebulon (zeb'joe-lun, tn. Zebulon. ZneLeheus (zek-ki'us), m. Zaccheue. Zarb (zek'), t.vaor Zachary. —aria.1(-e-rara), —ary Zeno (zi'no), na. Zeno. Zephr (zet'ur); —us (-1-rus), my. Zephyr. (-a-rib), Zacharlaa. Zeus (zjoes), my. Zeus. Zack (zek'), —y, f„VOOr Zachary. Zeuxle (zjoekels).. m. Zeuxis. Znnguebar (zen-ge-base), R. Zanguehar. Znat (zent) —e i-i), g. Zante. Zoroaater (zo-ro-est'ur), m. Zorosater. Zurich (Eoe'rik), g. Zurich. Zealand (zi'lend), g. Zeeland.
—peasaSle (ptes'ibl), a. onverzoenlijk. —pealed (-plead'). a. onbevred.igd.. onverzoend. —proachable (-prootbart bib a. ongenaakbsar.--propriated (-pro'. prt-ee-tt d), a. Wet toegepast;niet beate md. —proved -P r nee d'), a. ntet goedgekeurd. Unapt (un.ept'), a. —ly, ad. ongeeebikt; nolv. kwaant, (for. •o). —nest, P. ongsacbiktheid; onbekwaamneid, (for to). Unarmed (un-aarmd'), a. ongewapend. Unar reigned (un-er-reend'), a. allot aange• klaard. —ranged (-reendajd'), a. niet geregeld. —rayed (-reed'), a. ongekleed. Unasked ( un-aasktl, a, ongevra3gd. Unas ptring (un-es•parriengi, a. niet eerzuehtig. —scalable (eeel'Ibl), a. onaentastbaar. —sisted (-shield), a. Wet geholpen. —swain/ (ajoe'mdeng), a. Wet aanmatigend. —surcd (-sieern"), a. onverzekerd; onzeker. Unlit barbed (un-et-tetejt'), a. ntet geheeht (to). —tamable (-teen'ibl), a. onbereikbaar. —tainableness (-teen'01-), a. onberelkbaarheid. —tempted (-tem'tid), a. oubeproeld. —tended (-tead'id), a. onveraeld;(to)verwaariootd. —tested (-te.t1d), a. onbetutgd. Um awl horised (un-ao'tbur-azjd), a. onbevoegd. Unavall able (an-e-veel'Ibl), —Jag, a. nutteloos, vergeefach. Unavolda bid (un-e-vojd'ibl), a. —Up, ad. onveraltjlelijk. —blenees, s. onvermijdelljklietd. Una %vane (un-e-wear'), a. (of) ntet lettend op; glen kennts dragend van. —, (-veers'), ad. onverhoeds. Unecaved (un-acwd'), a. onbeschroontd, stoutmurdlg. Un banked (un-bekt'), a. onbereden; niet ondersteund. —balanced (-bel'enst), a. zonder evenwieht; onvereffend. —ballast (-benefit), v. a. den ballast ultscbteten. —baptised (-bep-tajzd')., a. engedoopt, —bar (-belle), v. a. ontgrendeleu, ontaluiten. —bearable (-beeetb1), a. ondregelijk. —bearded (-blerd'Id) a. baardeloos. — beaten ( - biet'n), a. ongeslagen; ongebaand. Unbecoming (un-be-ktun'leng), a. —4, ad. onbetarnelkjk, onvoegzearn • —nets, s. onbetameltjkheld, onvoegzaarabstd. Untie fitting (un-be-tit'tteng), a. ongepaat. —.Mended (-frend'td), a, zonder vrienden. —gotten (-goer.), a. ongeboren. —guile (-gaji'), v. a. nit de dwating halpen. —held (•held'), a. ongezien. —lief (-11er), a. ongelocf, :wantrouwen. —liever (-11e,"er)„ a. onuloavige. —lieving (-11ev'teug), a. ongeloorig. —loved (-luvd'), e. onbemind. Unbend (nn-bend') Cirr.j, v. a. & n. (zteh) ontapannen, Inamaken; utteteken, afslaan. —tag, a. onbutgzaam; ontspannend. Unbe ueetnIng (un-be-stern'leng), a. Zits Un1/teaming. —spoken (-epo-ku), a. onbesproken. —stowed (-stood'), a. niet verleend. —trayed (-treed') a. niet vorraden, gehetm. —trothea (-trootbd'), a. onverloo!d. —wailed (-weeld'), a. onbeweend. —witch (-wits)'), v. a. onttooveren. Unblas (un-baj'es), v. a. vooroordeelen benemen. —led, a. —Red y, ad. (-est.), onbevooroordeeld. Unbid (an-bid'), —den (-bid'eln), a. ongenood ' niet bevoien, Unbind (uu-ba (nd'), Lire.] v. a. outbidden.
Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17
REM. —REP. middel; herstel; verhaal (in rethten); v. a. genem; herstellen, verhelpen. Remem ber (re-;nem'bur)., v. a. (ztch) herinneren; gedenken, in herinnering brengen. —trance (-brena), a. herieneriag; aandenken, gedachtenis. —brancer (-bren-aur), a. herinneraar. Remigra te (renal greet),v. ti. terugkeeren. tion (-gree'ajun), a. terugkeer. Remind (re-majnd'), v. a. herinneren, indachtig maken (of, aan). Reminiscen ce (rern-i• nis'aens), a. berinttering. —trial (--een'ejel), a. herinnevend. Remise (re-majz'), v. a. ongeven, laten raven. Remiss (re-miss'), a. —ly, ad. slap, traag; nalatig. —ible, a. vergefelijk. —ion (-misrun), a. verstepPing, verflauwing; kw" tschelding, vergiffesis. —ire, R. kwtjtechelden , vergevend. —nets, a. t1auwheid; nalatigheld. Remit (re-mit'), v. a. kwijtschelden, vergeven; doen verslappen; ongeven; terug-, toezenden, overmaken, remittesren, overgeven; v.n. verelappen; !linemen. —ment, a. gijzeling op nieuw; kwijtseheldimr. —tanre. s. overmeking, -_mdse. —tent, a. tusechenpoozend. —ter, a. kwijtschelder; overzender, -maker, remittent. Remnant (rem'nent), a. overig. —, a. overscbot, rentje; lap. Remodel (rt-mod 1 11), v. a. vervormen, omwerken. Remonatr ance (re-mon'strr, , , S. vertoog, bezwaar; aenmaning. —ant, a. bezwaren (vertoogen) indienend; a. remonstrant. —ate (-street), v. n. bezwaren opperen, vertoogen doe!, —ation (rem-un-stree'sjun), s. vertoog, annreanirg. Remora (rem'o-re), a. beletsal; zuigvisch. Remorse (re-morn'), a. wroeging, nerouw. —j'nl, a. berouwvol (for); vol medelijden (of) —less, a. veratokt; hardvochtig. e. onbarmharttgheid, wreediteid. Remote (re-moot'), a. —ly, ad. afgelegen, verwijderd, ver; vreemd, afgetrokken, (from). —ness., a. verte, afgelegenheid. Remount (ri-maaunt'), V. R. weder beetijgen; v. n. weder opetkjgen. Remov able (re-moev'kb1), R. verplaatabaar; te verwijderen. —al, a. verwijdering; afzetting; verplaataing; verhuizing. —e, a. verwijdering; afzetting; verplaatstng; trap, grand; zet; kleine afeland; afgenomen 8chotel. —e, v. a. verwijderen; wegruimen; afzetten; varplaateen; — the cloth, de tafel afnemen. —e v. n. itch verwijderen; verhutzen. —ed (-neoevd'), a. verwijderdi ere.legen. —ednese (-id-nese), a. verwridering, afgelegenheid. —er, a. die verwijdert; wegrutmer, verplaatmer. Remonera tie (re-m)oe'nur-ih?e),a.beloonbeer. —te ( eet), v. 0. beloonen. —tion (-ee'sjun), a. belooning. —tire (-e-tiv), —tory (-e-turieh), a. beloonsnd. Remurmur (rl-mremnr), v. a. — n. murmelend weerkaataen. — weergalmen. Renal (ri'nell a. van de nieren; nier-. Renard (ree'urd), a. reintje, you. Ilenesc once (re nea'seus), --carp, s. wedergebnorte, bernteuwde groei; herleving. —ent, a. vrederopkomend; herlevend. —ible, a. vernieuwbear; geechtkt om te herleren.
Call (kaol), a. roep, geroop; vordering; roeping; 'Candid (ken'did), a. —/y, ad. oprecht, salver. —ate, a. kandidaat. —ness, s. oprechtheid. ultnoodiging; bezoek; lukfluitje. —, v. It. & n. roepen; noemen. — one names, iemand echeld- Candle (Icen'd1), a. boars, light. kaarslicht. —mass, Maria ticistmis. —stick, kandelaar. omen seven. — to account, ter verantwoor—stuff, ka,svet, talk. —feaster, dief nail de ding roepen. — in question, in twijfel trekkers. kaars; naehtbraker. —wood, eitroenisout. — to mind, herinneren. (at) aangaan bij. (afCandor iken'clar), a. opreehtheid, open ha rtigheid. ter) noernen near. (for) vragen om; (in) binnenroepen. (off) afleiden. (out) buiten- Candy (ken'dih!, a. kandij. —, v. a. koufijten; v. n. hard warden. roepen; uitdagen. (over) atlezen. (upon) bezoeken. Cane (keen'', a. riet; rotting. sugar —, suikerriet. —er, a. roeper. —ing, a. roeping; beroep. —, v. a. of rossen, slaan. —bottom, rieten kitting. Called (kellid), a. ',kiw i arglistig. —ity (-lid'itCanhook (ken'hoek), a. sei► inkelh,ak. Uhl, a. sluwheid. Calligraphy (ltel-lig're-fih), a. sehoonschrijven. Canicular (ke•nik'joe-leri, a. tot he Hondster behoorend. —days, hondsdagen. Call osity (kel-los'it-tih), a. colt. —ous, a. eeltCanine, (ke-najn"), a. hondsch. hunger, gee.,acting; veratompt. —ousness (kel'lus-neat), hanger. vereeltheid; ongevoeligheid. Canister (ken'Is•tur), a. korfje; bun. —shot, Callow (keno), a. vederloos, kcal. schot met schroot. Calm (kaam), a. bedaardheid, kalmte. —, v. a. stillen, doen bedaren, —, a. —1y, ad. balm, Canker (keng'kur), a. kanker; invreting; bederf. —, v. a. verkankeren invreten; v, n. bederven, bedaard. —ness, 8. stilte, bedaardhoid. vervallen. —sus, a. ksinkerachtlg. tr•jellor lc (ke-lor'ik), a. warmtestof. —ific (lcel' —worm, kankerworm. lur-irik), a. verwarmend. Cannabine (ken'ne-bajn), a. van hennep. altrop lkertrop), a. voetangel; sterredistel. alumet (kel'joe-met), a. indiaanache vrede- Cannel coal (ken'nel•Rool), a. fijne soort van kolen. POP. nlate (ke-lum'ni•eet), v. a. belastereu; Cannibal (iren'ni-bel), a. menscheneter. v. n. lasteren. —niation (-ni-ee'sjun), a. baste- Cannon ken'nun), a. kanon; grot geschut. —ball, —bullet, kanonakogel. —proof, tegen het geschut ring. —niator, a. lastersar. —nious, a. lasterlijk. beatand. —shot, kanonschot —ode (-eel') a. be—ny (kel'um-nih), a. Laster, lastering. Calve kaav), v. n. kalven. schieting; v. a. beschieten. —eer (-ier)., a. kanonier. Calvity s. kaalheid. Calx (kmike), a. kalk. Canoe (ke-noe'), a. kano • Camber (kem'bur), a. boog, kromming. Canon (ken'un), a. kerkregel; domheer; de bee• ken den bijbels; kanon (drukletter). —bit, gebit. Cambrel (kem'bril), a. vleeschhaak. Cambric licem'brik), a. kamerdoek, batiat. —law, kerkelijk recht. —ess, a.stiftavrouw.'—icals Camel (kemT., a. kameel. —driver, kameeldrijver. (ke-non'ik)z), a. plechtgewaad. —tst, s. leeraar Camelopard (ke-mel'o-paard), a. ksmeelpardel. in het kerkelijk recht. —izalion (-i-zee'sjun), a, Camera to (kem'er-eet), v. a. welven. —lion, hetligverklaring. (-ajz), v. a. heiligverklaren. —ry, s. dumheersambt. (-ee'sjun), a. welving. Canopy (ken'o-pili), a. troonhentel. —bed, Camlet (kenelit), a. kamelot (vvollen stof). —couch, overdekt rustbed. —, v. a. met ten verCamomile (kem'o-majl), a. kamille. hemelte isedekken. Columns (kee'rnus), a. stomp van neus. Camp (kemp), s. legerp)aats, kamp. —, v. a. & n. Canorous (ke-no'rus), a. welluidend. legeren, kampeeren. —aign (Icem-peen')„ s. vlakte, Cant (kept.'(, s. bargoensch; gemaakte spraak, geteem; worp. —word, kunstwoord. —, v. a bij veldtocht. —azgner (-peen'ur), a. veteraan. Cavnpan iform (kem•pen'i•form), —slate (-jeeafslsg verkoopen; stoutest, werpen; v. n. barlet), a. klokvormig, goenseh spreken; temen; huichelen; § amkantelen. Camnpeatral (kem-peetrel), a. op het veld groeiCanteen (ken-tiers'), a. veldfiesch. end. Camphor (kem'fur), a. kamfer, —ate, —ated, a. Casstelopse (ken'te- loop), a. muskaat-melnen. Canter (ken'tur), a. femelaar; korte galop. —, gekamferd. Campion (kem'pl•un), a. hemeirooaje. v. n. iu handgalop rijden. Cantharides (ken-ther'i-diez), a. apaanache Can (ken), a. ban, kroea. —buoy, tonneboei. :Ian (ken) [could (koed). [past. part. ontbreekt], vliekeu; enkelv. Cantharis (ken'the•ris). Canticle (ken'tikl), a. lofzang. the —s, a. het v. n. kunnen, vermogen. lloogded. (ke-nel'), a. gracht, vaart; bait. nary (ke-nee'rih), a. kanariewijn; oude dans. Cantle tken't1), Contltett (kent'lit),s. stuk, brok. —bird, kanarievogel, —, v. a. in atukken deelen. ..ncel (ken'sil), V. a. doorhalers, uitschrappen; Canto (ken'to), a. zang (van een dichtstuk)• , ernietigen. —lation (-lee'sjun), a. doorhaling; Canton (ken'tun), a. kanton. v. a. kantonneevrnietiging. ren (troepen). —ire (-ajz), v. a. in kantons ver,kncer (ken'aur), a. kreeft; banker. —ate, v. n. deelen. —ment, a. troepenkwartier. ifirktinkeren. —ous, a. kankerachtig, Canvas (ken'ves), a. zeildoek, .11; dock. to use Cancrine (ken'Icrin), a. kreeftachtig. all one', alle zellen bijzetten. —bag, sandrandent (ken'stent), a. gloeiend heet. zak. —climber, matroos. —edging., zoom van `andicant (ken'sii•kent.), R. witachtig. een ZPii.
On 9 May 2012,[7] Fraternité 2020 was registered as Europe's first European Citizens' Initiative. Its goal was to increase the budget for EU exchange programmes like Erasmus or the European Voluntary Service from 2014. To be successful it would have needed 1 million signatures by 1 November 2013. It ultimately collected only 71,057 signatures from citizens across the EU.[8]
eenkomst, verdrag. —al, —ary, a. overeengeko- 4 Coon (koen'), a. scheldnaain nose de Whigs. —ery, a. Whig-drijverij. men, bedongen. Conventual (kun-venejoe-el), a. kloosterlijk• —, Coop (burp), a. kuip, vat; hoenderhok of -kart; s. kloosteri ing. overdekte kar. v a. opsluiten. —er, a. kuiConverge (kun-vurdzY), v. n. in édn punt Emmen- per. —erage, a. kuiploon. Coopera te (ko-op'ur-eet), v. a. medewerken. looping. —nt, a samenloopend. —tion (-ee'sjun), a. medewerkIng. —live (-e-tiv), a. Conyers able (kun-vur'sibl), a. —ably, ad. ge- medevna.kend. —tor, a. medewerker. zellig. —ableness, s. gezelligheid. —ant (kou'vur• sent), a, omgang hebbend; (in) bedreven, erva- Cooptation (ko-op-tee'sjun), a. kens; aanneming. Coordinate (ko-or'di-net), a. —/y, ad. gelijk (kon-vur-see' (with) bekend met. —Gaon in; ren in rang. —ness, a. gelijkheid van rang. sjun), s. verkeer; gesprek. —alive, a. gezellig. —e (kon'vurs), a. oragekeerd; a. onderhoud, ver- Coot (koet), a. meerkoet; § stotfel. beer, tegendeel. — e, v. n. verkeeren, aprcken Cop (kop), a. top; kuif. (with); zich onderhouden (about. on). —ely, ad. om- Copal (ko'pel), a. kopalhars. gekeerd;wederkeerig.—ion(-sjunl,s onskeer;bekee- Coparcen ary (ko-paar'se-ne-rih), s. mede-erving. —er, a. mede-erfgenaam. —y, a. gelijk erfdeel. ring; verw isseling. —ire, a. gezellig, spraakzaam. Copartner (ko-paart'nur), a. deelgenoot; maat. Convert (kon'vurt), s. bekeerling. s. vennootschap. Convert (kun-vure), v. a. verwisselen: bekeeren. —, v. n. veranderen. —ability (-i-bil'it-tih), a. Cope (koo ), A. koorkleed• slitter; verwulfsel. veranderbaarheid. —ible, a. veranderbaar. —ibly, the — of heaven, het heme gewelf. —, v. a. bead. omgekeerd. dekken; bestrijden; beloonen; v. n. strijden, s. wedijveren, (with). Convex (kon'veks), a. —ly, ad. bolrond. bolrond lichaam. (kun-veka'it-tih), —ness Copier (kopl-ur), a. afschrijver; naaper. Coping (ko'pieng), s. top, kap (van ern gebouw). (kun-veks'ness), s. bolrondheid. Convey (kun-vee'), v. a. vervoeren; overzenden; Copious (ko'pi-us), a. —ly,ad. overvloedig. — ness, ter hand stellen; mededeelen; uitdrukken. —once, a. overvloed; wijdloopigheid. s. vervoer; voertuig; akte van overdracht; letter Copped (kop'pid, kopt), a. gekuifd; spits toeloopend. of —, vritelithrief. —ancer, a. notaris. —er, s. Copper (kop'pur), a. koper; kopermunt; cent; overbrenger; hedge bedrieger. koperwerk. —, a. koperen. —, v. R. koperen. Convict (kon'vikt, , , a. misdadiger; veroordeelde. —as, koperrood. —colored, koperkleurig. —nose, (-vik' Convict Ikon-vike), v. a. overtuigen. —ion roode neus. —plate, koperplaat. —ernith, koper. sjtin), a. overtuiging. —ive, a. overtuigend. Convinc e (kun-vins'1, v. a. overtuigen. — ement slager. — wire, koperdraad. —works, koperpletterij. —worm, houtworm (in schepen); mot. — ed, a. overtuiging. —er, a. overtuiger. —ible, a. over- R. gekoperd. —y, a. koperachtig. tuigbaar. —inyly, ad. overtuigend. —ingness, a. Coppice (kop'pia), a. kreupelbosch; hakhout. overtuieingskrapht. Convivial (kun-viv'i-el), a. feestelijk. —ity (-el' Copse (kope), a. Zie Coppice. Copula (kop'joe-le), a. koppelteeken; koppel -it-tih), s. feestelijkheid. woord. —te (feet), v. a. vereenigen; koppelen; Convocat e (kon'vo-keet), v. a, bijeenroepen. v. n. paren, zich koppelen. —tion (-lee'sjun), a. —ion (kee'sjun), s. oproeping; bijeeukomst. verbinding; paring. —tire, a. verbindend; a. ver Convoke (kun-souk'), v. a bijeenroepen. Cony olu ted (kon'vo-ljoe-tid), a. opeengerold., bludend voegwoord. Copy (kop-pih), a. afschrift; achrijfvoorbeeld; —tion (-Ijoe'sjun), a. oprolling. handachrift; exemplaar. —, v. a. afschrijven; Convolve (kun-volv'), v. R. samenrollen. nabootsen. —book, kopie-boek. —hold, leen; erfConvoy (kon'voj), a. geleide, bedekking. pacht. —holder. leenbedtter. —ing-machine, ko• Con voy (kun-voy), v. a. begeleiden. ) a. afschrijver. —paper, conceptpieer-pees. —W, Convuls e (kun vuls'). v. a. stuiptrekkingen papier. —right. kopierecht. , veroorzaken; schokken beroeren. —ion (-sjun), s. stuiptrekking; schoi. —ions, a. 8tuipen. —ive, Coquet (ko-ket'), v. a. & n. zoeken te behagen. —ry, 8. behoagzucht. — le (ko-ket'), a. behaagR. —ively, ad. stuiptrekkend, krampachtig. Cony (ko'nih, kun'oih), s. konijn. —burrow, konij- zieke vrouw. —fish, a. behaagziek. nenberg. —catch, v. a. beet hebben, aedriegen. Coral (kor'el), s. koraal. —, a. koralen. —diver, koraalvisscher. —line (-lajn), a. koralen; a. ko—catcher, bedrieger. —warren, konijnenperk. raalgewas. —laid (-lojd), a. koraalachtig. —mots, Coo (toe), v. n. kirren. koraalmoa. Cood iCt4 (koed'iez). a. zekere federalistisehe partij Cook (bock'), a. kok. —, v. a. koken, bereiden; Corb (korb), a. kolenmand. Corbanii(kor'ben), a. armbua; aalmoes. —maid; (-or.rih), 8. kookkunat. (up) (nrichten. —ery keukenmeid. —room, scheepskombuis. — 's - shop, Corbel, (kor'bel), a. schansiorf Corbel (kor'bil), a. bloemkorf; nits. gaarkeuken. Cool (koel'), a. —ly, ad. koel; onverschillig; § on- , Corby (kor'bih), a. raaf, kraal. beschaamd. —, a. koelte. —, v. a. verkoelen; Cord (kord'), a. koord, anoer. — of wood, vadem doen bedaren; v. n. afkoelen. — er, a. koeldrank; , hout. — of twine, streng garen. —, v. a. binden; koelvat. —ish, a. koeltjes, — ness, k, koelheid. epvb.men. — maker, touwslager. — wood, brandhoot. — age, a. tottwwerk; tuigage. —ed, a. van 4 —wort, urine- afdrtivend middel. touw gemaakt; gestreept; gebonden. C00111 ► (koem), a. ovenroet; wagenameer.

Hoe financier ik mijn Bitcoin portemonnee

×