EV. Dinsfini to (dis'si-peat), v. a. verstrooien, verkwisten. —ted, a. losbandig. . —tion (-pee'sjun), a. verstrooitug, verkwisting. Dissitscits —/ (-el), a. ongezellig. —te (•eet), v. a. ontbinden, scheiden. (-ee'ejun), s. ontbinding (van ten genootechap). Dissolu ble (dia'eo-ljoebl), a. oplosbaar, ontbindbaar. —te, a. —tely, ad. ongebonden, losbanchg. —teness, a. ongebondenheid. —tion (-ljoe' sjun), s. ontbinding; vernietiging; dood. Dims°iv able (die-solv'ibt), a. oplosbaar, emeltbear. —e, v. a. op;ossen, ontbinden; scheiden; te niet dote; opbreken; v. n. smelten. —ent, a. ontbindend; s. oplessend middel. DissAtman ce (dis'so-nens), a. wanklank. —t, A. wanluidend; strijdig. Dissua de (dia-sweed'), v. a. afraden (from). —der, a. afrader. --sion (-swee'zjun), a. afrading. —tire, a. —sively, ad. afradend. —sive, a. ontreding. Lissyila bic (dis•eil-leb'Ac), a. tweelettergrepig. —ble a. woord van twee lettergre pen. Distaff (dis'taat), s. apinrokken; (het) vrouwelijk geslacht. —thistle, gele distel. Distain (dis-teen'), v. a. bezoedelen; schandvIekken. Distan ce (dis'tens), a. afstand; terughoudend• heid; eerbied; v. a. aehter zich laten, overtreften. —t, a. (from) verwijderd, tang geleden; niet duidelijk; bede.d; achterhoudend. Distaste dis• t( eat'), s. tegenzin, afkeer. —, v. a. tegenstaen; ergeren. —ful, a. —fully, ad. walgelijk, stuitend. —fulness, a. wansmakelijkheid. Distemper (dis tem'pute, a. ongelijkmatig mengeel; ongesteldheid; kwade loin; wenord.e. v. a. oLgesteld maken; storen; verontrusten. --azure (-e-tjoeri, s onmatigheidl; verstoordheid. Distest d dis-tend'), v. a. uitspannen. —tible (-ten'eibil, —sire. a. uitrekbiar. —t, a. uitgerekt; (with) opgeblazen. —lion (-ten'sjun), a. uitrelating; uitspreiding. te idie-tuemi-neet), v. a. afseheiOen. —lion (-nee'sjun), a. afscheiding. Digtich (dis'tik), s. tweeregelig versje. Distil (dis•til';, v. a. overhalen; v. n. afdruiden. —lotion 1-lee'sjun), s. overhaling, afstoking. —ter, s. brander; (jenever-) stoker. —lery, A. atokerij. (dis-tinkt'), a, onderschealen. —ion (•tink'ejun), s. onderscheiding; oordeel; aanzien. —ive, a. —ively, ad. onderscireidend. —ly, ad. onderecheiden, duidelijk. —nest, a. duidelijkiteid. Distinguish (dis-timegwisj), v. a onderscheiden. —able, a. te ondersrheiden. --ed, a. wink. —er, a. onderacheider. —ingly, ad. onderseheidenlijk. —ment, a. onderscheichug. Distort (dis - tort')., v. a. verwrirgen. —ion (-tor' civic), s. verdraaiing; verdorvenheid. Distract (dis-trek'), v. a. aftrekken; kwellen; ontroeren; verbijsteren. —ed, a. —edly, ad. vvaanzinnig. —editess, a. waanzin. —ion (-trek'sjun), s. attrekking; afgetrokkenheid; versrtandsverbijstering. —ire, a. verbijsterend. Distrain (dig-treen'), v. a. & n. in beslag ne-

Hoe lang duurt het voor Bitcoins te halveren


loodevatawaier. —, v. a. loodeen. —aye, B. hoods- Finitude, (pin-tee'do), s. pareibloem. Pint) e Ipin'ti). 8. speldje; pinnetje; tap, bout; geld. roerhaak. Pilons (paj'lus), a, harig, ruig. Pinnie Ipin'jael), a. vizier (aan eon astrolabium). Pilser (porsur), a. nacht-, lichtmot. Piny (parnih), a. vol p;jnboomen. Pitneast (paj'ment), s. kruidenwijn. (paj•o-nier'), a. achansgraver, pioneer. Piment nj(pi-nien'te), —o (-toi, a. piment, epaan- Pioneer —, v. a. & n. pionierawerk verrichten. ache p aper. I'lw p (pimp'), a. koppelaar. —, v. n, koppelen. Phony (paro-nih), s. Zie Peony. —ernel ( ur-nel), a. pimpernel. —ing, a. gedien- P10115 (pafue). a. —ly. ad. vroom, godvruchtig; liefdevol; ouderlievend. stig; odleckt, nietig, geeing. Pip (pip;, a. pip (vogelziekte); oog (op apeels. puietje. —d, a. puistig. ptingqe kaarten), appelpit. piepen. a. speld; pin; stift; schroef; apia, bout, rin Pipe Obi drevel, luns; roostok; luira; beuzeling; oogvlek; (Pail)'), a. PUP; buts: fiaitje; stem. —clay, a. pijpaarde; v. a. met pijpaarde iniddelpunt. —basket, nestkuiken; laatste kind. —cushion ) , '4.strijken, —Ask, pupu tech. —Laying, het knoeien —bit, boorijzer. —case, naaldenkoker.. —feather, kanselarij 'der schatbu verkiezingen. —office, . 1 18 —dust, aPeldeavi3 bpeldenkusseu• ,,clauthok. kamer. —stake, speerhaak (aambeeld). —tree, seetoppel —feathered, niet vlug. n. op-head, speldenknop. bole, spAldenprikje. —maker. ringeboom. —weed. pihkruid. —. v. a.a.&pijper, speldenmaker. —money, speldengeld. —tail,—tail- de dolt spelen; flatten, piepen. —r, fluater, specimen. duck, piThtaart (eend). —tongs, pl. schuiftangen. Piping (paPpieng), a. teak; mat; kekend. —vice, veerscbroef. —wire, koper-, epeldendraad. —, v. a. va,otepelden; vastmaken; noluiten; Pipkin (pii•kin), a. potje, pannetje. Pippin (pip'pin), pi pelting (appal), (down to) binder eau; (up; opspelden. Piquan cy (pik'en-sth),s. scherpte,stekeligheid. Pinafore (pin'e tsar), s. schortje, slabberje. —to.—t/y.ad.scherp,prikkelend;stekelig,tobtend, Pinuster (pi-nes - tur), a. Wilde pijnbc,om. (piek), R. wrevel, wrok, geechil; gevoeligPique pl. klauv.en, nijpers; voorPincers (pitesurz), , hood; zestiger (in 't piket). — of honor, pant van tanden; pellikaan (tang;; nijptang. a pair of v. a. prikkelen; beleedigen, krenken; ee. cane nijptang. — one 'd self (in. on. upon). itch beroemen op. suuifje. Pinch (pintsf), a. leneep; bleu), nood; v a. knijpea, Piquet (pt-Itet'), a. piket (kaartspei). at a —, in geval van owed. Pleas cy (parre-sih), so. zeerooverij; letterdievetki; 't nauw drukken, pijnigen; nijpen, khet) nadrukkon. —te (-ret), a. zeeroover; roofbrengeo, \Yellen; v• n• knii pen. niapen; in 't nauw bchip, letterater, nadrukken. —te (-ret), v.a. roozi,jn; kirig (vrekkig) leven. —beck, s...spaisbek. nuper; Trek. yen; nadrukken, namaken; v. n. zeeroof plegen. —fist, —penny, vrek. —er, a• —tical (retiikl), a. roofzuchtig; roovend. —ere, pl. Zie Pincers. ',appal; an.' Pirogue (1 , i7roog'), s. boomechuitje. Pine ker- Pist,a ry (pialre-rth), a, vischrecht; vischmarkt; —grossbeak, blauvgvleugel. nay. —creeper, vischbun. —tory (-tur-rih), a. visch-; vtaschers, boom- senbijter. -grove, odjnboschje. martin, marter. --thistle, bleu ve dietel. —tree, pijnboom. Floe es (pis'-iez), pl. de Visschen. --tine a. visch-. —ivorous (-siv'o-rus), a. vischetend. —, v. a. van verdriet does vergittu; bejanomeren, v u. knilzen (at.) (away; wegkwunen. (after for, Fish (ptsj), int. bah! foci! —, v. n. afkeer betuigen (at). emachten near. —at. (pin't-el), a. pijnappelachtig. Pisifor in (pis'i-form), a. erwtvormig. ananae•kweekerij. —ry (-e-rib), Pismire (plemaJr), a. mier. Pingle (ping'gl.), a. kampje Piss (piss"), s. pis. —asphalt, bergteer. —burnt, Pinguid (pinegwid), a. vet. pisviekken. —, v. a. & n. pissen. —a-bed, Pinion (pIn'jun), a. vieugelspite, slagpen, wick; met pissebed; paardebloem. —ing-evil, pisvloed. boutje; radtand, rondsol; armnoei. —, v. a. de —ing-place, piahoek. vleugele binder; boeivn, kluieteren. —ed (-fund), Pistachio (pis-tee'sjo), s. pistache, pimpernoot. a. gevleugeld. (pisitil), etampertje. —laceous (-lee'sjus), Pink (I)IIFIC), a. anjelier; oogje; vleeschkleur; top- Pistil punt, puikje; pink (vaartuig); grondel. —colored, a. op den zaadknop groeiend. --livery. (-lirvleeschkleurig, bleekrood. —eyed, met kleine met een stampertje. (pis'tul), s. pistoo.i. —bag, —case, holster. Pistol (wen, —paper, rood papier vase kunatbloemen. —proof, tegen pistoolschoten ---sterned, met een smallen achtersteven. —, v. a. —butt, postoolkolf. doorateken; uitsnijden; met oogjes maken; v. n. bestand. —shot, pistoolschot. —, v. a. met ens schieten. knipoogen. —er, a. doorsteker; uitsnijder. pletool Piston Ipiretun), s. zuiger teener pomp). Pinnace (pin'ues), a. pines. (pit'), s. put., pit, kuil, groove; graf; afgrond; Pinnacle (pin'nikl), a. tinne, kasateel; toppunt. Pit bak, parterre, strijdperk. —coal, steenkool. —fall, —, v. a. van tinnen voorzien. a. valput; valstrik; v. a. in valkuilen leiden.—hole. Flaunt e pitenet). —ed j-nee-tid), a. vleugelvor- (-net'i-fid), a. vedervormtg kuiltje, pokput. —man, mijnwerker; onderman (bij mig; gevaderd. houtzagers). —saw, kraanzaag. —, v. a. met pitten gespleren. —iped (-net'i-ped), a. vinvoetig. (kuiltjes) makes; aanhiteen. Pints er (pin'nur), to. vastspelder, -Pinner; spel- Pit-a-pat (pIt'e-pet), s. klopping; trippelgang. —, denmaker; opzichter eerier schutkooi; strook; ad. tiktak, tikketik. lasso mats. —ock (-nook), s. mees. (pitsj'), s. pek; grootte, hoogte; g mad, topPitch bierkan. —pot, (pajnt,, s. pint. Pint

Will Bitcoin bestaan ​​in 10 jaar


829 Unseasun able (un-st'zn-ibl), a. —ably, ad. onttjdig, ongelegen. —ablenese, e. ontijdigheitt, ongeschittheid. —ed (-Wm!), a. ongekruld, ongezouten; niet geweud. Unseat tun-stet), v. a. van zijue zitplaats (nit den zadel) werpen, —eel, a. ongeseten. Unseaworth Incas (an-al'wurth-l.neas), a. onzeswaardlgheld. --y, a. onzeewaardig. Uuseconded (un-sek'und-id), a. ntet widersteund. Unsaduced (un-se-djoest'), a. onverleld. Unseetni these (un-sieneli-nesa), a. onbetameItjkheid. —y, a. & ad. onbetatnelijk, Unseen (un-sien'), a. ODESZien; onziehtbaar. Unselsed (un-rtezd'). a. niet in bezit genomen. Unselfish (un-seit'isj), a. —4/, ad. onoaatzucbtig. —nese, a. onbaatzuchtigheid. Unsent (un-sent'), a. niet gezonden. — for, ntet ontboden. Unsep emitted (un-sep'e-ree-tid), a. ongeschelden. —ulckered (-al- kurd), a. onbegraven. Unsery a (un-suiv'), v. a. ontkleeden (een touw). —ed, a. nlet gedlend; onbediend. —iceable, g. —ieeablY, ad. (-114•b1-), ondienstig. —iceablenese (-is-ibl-), s. ondienstigheld. —tte (-if), a. niet slantseh, Unmet (uti-set'), a. ongezet; ongeplant; ongeregeld; niet ondergegaan. Unsettle (un-set'tI), v. a. van gine pleats brangen; omverwerpen; in de war brengeu; down wankelen, onzeker rnaken; v. n. in de war (van One plants) geraken; wankelen. —d, a. ongeregeld, ongevestigd; onbestendlg, weitelend; onvereffend. —dness,e. ongeregeldheid; onzekerheid, onbestendigheld. Unsevered (un-sev'ttrd), a. niet geseheiden. Unsew (un•tto'), v. a. lostornen. Unsex (un- seks'), v. a. van geslacht veranderen. Unshackle (an-sjerkl), v. a. ontkluisteren. Unsha dad (un-ejee'dtd). —do:oed (-ejed'ood), a. onbesehaattwd, onverdnisterd. —kable (-klb1), a. ouwrikbaar. —hen (-ajee'kn), a. ongesehokt; onwrikbaar. —med(-sjetenad'), a. Wet baechanmal. Unehatnefaccd (urt-sjeem'feest), a. onbeschaarad, sehaamteloos, —nets, 5. onbesehaamd. held, sehaamteloosheld. Unshaven (un-ejee'pn), a. Plievermd. Unshaved (un-ejeerd'), a. ongedeeld. Unshaven (ua-sjee'vn), a. ongeschoren. Unsheathe (an-ejleth'), a. a. nit de atheede trekken. Unshed (un•ated'), a. ongestort. Unsheltered (un-sjer,nrd), a. enbesehut. Unshielded (un-aj ield'id), a. onbeachermd. Unship (un-ajip'), v. a. ontschapen, uitsahieten; flatten. Unshod (un.ejod'), a. ongeselioeid; enbealagen. 1J Hello e (un-sjoe') [(cr.], v. a. ontechoeten. Unshorn (utt-sjoorn'), a. ongesehoren. Unshot (un-sjot'), a. niet afgesehoten; niet getroffen. Unshrinking (unqdrinkleng), a. niet terugdeinsend, onvereaagd. Unshut (nn-ajut'), a. ongesioten. Unslfted (an•eift'id), a. ongeztft; niet anderzoeht.
COU.—CRA. ring. .--seuffie, vechtpartij. —sense, tegenover4estelde beieekenis. —sign, a. wachtwoord; tegenonderteekening; v. a. tegen-onderteekenen. —signal, tegensein. —signature, mode onderteekoning. —stroke, terugslag. —taste, bijsmaak. —tenor, alt. --tide, tegentkj. —timber, wulfhout. —time, tegenstand, hinderpaal; tegenspoed; teleursteiling; mistily. —transom, dekworp. —turn, onverwachte wending, plotselinge omkeer. —rail, a. tegenwicht, vergoeding; gelijke waarde; v. a. in waarde (kracht) evenaren; bettionen, vergel. den; v. n. van gelijke waarde (kracht) zijn. —view, keerzijde; contrast. —work, tegenwerken, belemmeren. Countess (kaaunt'ess), e. gravin. Counting-house (kaaunt'ieng haus), s. bantoor. Countless (kaaunt'least, a. ontelbaar. Countrified (kun'trl fajd), a. boersch. Country (kun'trih), s. land; platteland; land. —, a. landeliik, plattelands . —dance,contredans. —house, landhuis. —life, (het) buitenleven. —man, landgenoot; buitenman. —seat, buitenplaats. —song, volkslied, —squire, landedel. man. —wake, boerenkermis. County (kaaun'tih), a. graafschap. —court, provineiaal gerechtshof. Couple (kup'pl), a. paar, koppel. —, v. a. samenvoegen, koppelen; v. n. zich vereenigen, paren. Couplet (kuplit), a. paar; couplet. Courage (kur'idzj), a. mood. —ous, a. —ously, ad. moedig, kloek. —ousness,s. dapperheid, kloekheld. Courant (koe rent'), s. nieuwahlad, brunt, zekere ♦lugge dans. Courb (koerb), v. n. zich bulges. Courd (koerd), a. pompoen; kalebas. Con-ter (coe'rier), a, renbode. Course (boors'), s. wedloop; loopbaan; gang; reeks; beurt; zeil; koers, richting; curette; gerecta; neiging; laag. — of exchange. wisselkoera. by —, beurtelings. of natuurlijk. — of life, levenswijs. to take a —, een' maatregel nemen, to follow the — of time, net den tijd medegaan. — 8 ( iz), a. maandstonden; onderzeilen. —, v. a. vervolgen, jagen; v. n. rennen, jagen. —er, s. renpaard; Jager. Court (koort), s. hof; plein; straatje, plichtpleging. — of guard, wacht. — of chancery, kanselarij. — of exchequer, algemeene rekenkamer. to make one's —, zkjn hof maken. —baron, leengerecht; burgerlijk gerechtshof. —breeding, hoof ache opvoeding. —chaplain, hofprediker. —day, rechtadag. —dress, gala bleeding. —hand, bureautichrtft. —lady, hofdame. —leet, adellijk leengerecht. —martial, krijgsraad. —plaster, engelach pleister. —yard, binnenplaata. Court (koort), v. a. zijn hof maken aan, vrijen naar. Courteous (kur'ti us, koort'jas), a. —ly, ad. beleefd., vvellevend. —ness, a. beleefdheid. Courtesan (bar ti zen'), a. boeleerster. Courtesy (kur'te zih), a. wellevendheid; beleefdheld. — (kurt'sih), s. nijging, buiging. —, v. n. eene nijging maken. Court ler (koortjar), a. hoveling. —like, a.

Kan ik cryptogeld door middel van TD Ameritrade


—er, m. workman, laborer. —star, v. work-woman. —.am, by. dz bw. laborious (-1y), industrious (-1Y).—saantheid, v. laboriousness. Archlef, o. repository of public records; archives. Architect, m. architect, Artialwarin3, in. archivist. Ardnin, sus. o. free-stone. Arend, m. eagle. —ablik, eagle's eye. —Alai., pounce of an eagle. —anus, aquiline nose. —sateen eagle-stone. —avlucht,an eagle's swiftness. A rgdenkserld, by. suspicious. Argoloos, by. & bw, innocent (Ay), harmless (-ly), inoffensive (-ly). —Ilea, v. harmlessness, inoffensiveness. Argilut, a. malice, craft, artifice. ba, & hat. crafty (-1y), artful (-ly), cunning (-ly). v. craftiness, cunning. Alm wenn. m. ertapicion, umbrage; — ',cedes, to suspect. —wanen, ov. w. to suspect. —wsnend, —wanly, h't. 'suspicious. Aria, v. air. Ark,, v. ark, de — dee verbonde, the ark of the covenant. Arm, m. arm; branch, LAndle; power. —.oder, bracltial vein. —band, bracelet; bandage. —baker, sconce, branched candle-stick. —kussen elbowio n. arm bone, facile. —ring, bracelet. ch us,thir. —scheen, armlet. —enact, bracelet. —doe!, armAran, by. & bw. poor (-1y), indigent (-1y). he --err, the poor. —beetusir, college of overseers of the poor, board of charity. —bus, alms-basket.poor'sbox. —hartig, tie A rsumnlig. —huts, alms-house. asylum for the poor. — , Iciajongen, charity-boy. —kind, c herb y-child. —nteester,—ocreorger, almoner, deacon, guardian. —tuezen, system of the poor-laws. —salty, by. & bw. pitiful (-1y) sorry (-ily). —enapotheek, dispense: y.—entelasting.—engeld, poor-rate, tax for the poor. —enka., fund for the poor. —ensch oot, charity-school. —enwet, poor-law. Arznalijk, bw. poorly, pitifully. Armload a, a, poverty, want, need. —ig, by. & a. poverty, et dhy(l-ii little o—ighhars. ei'1' (-je,)'on.le) tlty).one r — p bowOr pn oe sos. Arszlogin, o. aersenet. Arran, on. w. to sleigh-ride. Arrest, o. arrest; seizure; decision. in — nensen, to take into custody. —ant, m. prisoner. —eeren., ov. w. to arrest, to seize, to take into custody; to rassolve. Ares-nand, o. arsenal. Artikell, o. srtiele, head, clause; line. —brief, instructions, 'statutes. Artillar le, V. artillery, ordnance; lichte —, tying artillery; rijdesde horse-artillery; -.kunst, gunnery; —wester, master of the ordnance; —.park, park of artillery. —tat, m, artillery-man. Artisjok, v. artichoke. —stoat, bottom of an artichoke. nois y m. physician, doctor. Arteenki, v. physic, medicine. —bereider, apothecary. —bereiding, pharmacy. —bereidingskunst, pharmaceutics. —drank, potion, —leinke/, spathecary'a shop.
Netherlands (neth'ar-lendz), g.the —, de Nederlanden. New eastle (njoe-kaael), g. Newcastle. —foundland (Worland-lend, -faaund%), g. Newfoundland. —Orleans (-ar'llenz), g. Nieuw-Orleans. —stead (njoe'uted), g. Newstead. —ton (njoe'tn),m. Newton. —York (-jork'), g. Nieuw-York Niagara (naj.eee-re), g. the —, dl Niagara. Nicholas (nik'o-les),m. Nicalass„ NIk (nik), f. your Nicholas; Klass, N 'ger (n^)'gur),g. the —, de Niger. Nigriti g. Nigritie. Nile (ILI g. the —, de Nijl. Ninoveh g. Nineve. Noah (ncee),m.Noacti. Noll (no1)1,f.voor Arnold; Nol. Nomodes (1301We-die.), i. Nomaden. Norfolk (nar'fak),g. Norfolk. Nurntatt (noemen), a. Noorsch; i. NOOCIZAZI. dy, g. Normandii , . or way (nor-wile), g. Noorwegen. —teegion (.wi'dzji-en), a. Noorweegsch; 1. Noorweger, Noon —soieh g. Norwich. Nulhla (njoe'bi e), g. Nubie. —n, a. NuMeeh; L. Nubier. Numldla (niot-rnid'i•e), g. Numidie. --n, a. Nunoldisch; t. Numidier. Ni' nip (nump), f. voor Humphrey. Nyckin (nik'in), voor Isaacs.
Doorvaart, v. passage. Doorvalten, or, W. to Weak (to wound) by falling; on. w. to fall through. Doeorvasren, ov. w. to transport through; to break by sailing againat; on. w. to pass through, to eroms, to sail over. Doorvijian, or. w. to tile asunder. Doorvtechten, ov. w. to entwine, to braid, to interlace, to intersperse. Doorviiegen, on. w. to fly through; to pass rapidly through; to peruse haetilly. DoorvIlienteu, on. w. to flow through. Doorvilfjaaetn, or. w. to open with a lancet. Doors/oaten, on. w. toil ow through. Doorvoehtlgen, on. w. to moisten thoroughly. Dotervostd, by. well-fed, fett,ned. Dotervoer, m. passage; transit. —itaada, transit. trade. —reeAtes, transit-dutiea. —en, or. w. to carry (to transport) through. Doorvrageo, on. w. to continue asking, — questioning, — begging. Driorvreteu, ov. w. to eat (to gnaw) through, to corrode; on. w. to continue glattteg. D o or vs, ans d bear, bv.fordable.--6areptuate,tord. Doorvvaalen, or. w. to blow through, to perHate; on. w. to blow through, to tie blown through, Doorwaskt, by. sleepless. Doortvasten, or. & on. w. to ford, to wade through. Doorsvaggeten, on. w. to stagger (to reel) through. Doortvak en, or. w. to pass waking. —ing, v. van den stacht„ pernoetation. Doorwandeleo, ov. w. to walk all over; to gall (to wear off) with walking; on, w. to walk (to pass) through; to walk on. Idoorwarnx, hr. thoroughly warm. Doorwer,echeo, or. w. to gall with welshing. 13 ,,ortvestsen, on. w. to grow through. —, Zie Doorregen. D9orweekeis„ or. w. to soak (through), to steep, to drench. Doorcverk en, ov. w„ to work, — properly, to elaborate; to interlace, to interweave; on. w. to keep on working, to work hard. Doorevo•pen, on. w. Zie Dourgoolen. Doorweven, or. w. to interweave, to intersperse. —, hr. interwoven. Doorvvippen, on. se. to skip (to slip) through. Doorvvorstelen, on. w. to struggle through; to eatricste one 't self out of. Doorvvrtiven, or. w. to rub sore, to wound (to break) with rubbing; to mix by rubbing. Doorwroeht, bv. highly finished, elaborate.
206 OUT.— OVE. 0 tt ter a ri a Is , s • buitenkerspel. Outstride (-strajd") [irr.], v. a. Zie to Outstep. Outpart, s. buitengedeelte. Outstrip ( strip'), v. R. voorbijitreven. Outpa am (-paas'), v. a. voorbijstreven. Ontswear (- sweet') [irr.], v. a. in het vloeken Outporch, s. ingang, portaal. overt reffen. 0 ettport., a. buitenhaven. Outsweeten swiet'n), a. R. in zoetheid over • Outpost, s. huitenpoat. treffen. Outpour (-poor'), v. a. uitgieten, uitntorten. Outswell [irr.], v. a. overatroomen. 0 utpray (-pree'), v. a': in het bidden overtreffen. Out talk (-took'), —tongue ;-tuog'), v. a. overpraOutpreach (-prietsfl, v. a. in het preeken overten. treffe n. Outtop (-top'), v. a. boven het hoofd groeien. Outprize ;•prajz'), v. a. te hoeg in prijs stellen; Oulvalue (-verjoe), v. a. in waarde te boven in waarde overtreffen. gaan. Outrage (aut'ridzjl, a. grove beleediging, hoon; Outvie (-vaj'), v. a. overtreffen, nitmunten boven. ge•elddadigheid. —, v. a. beleedigen, hoonen; Outvoice (-vok,'), v. a. oversehreeuwen. v. n. buiteneporigheden begaan. —ous, a. —on (p. Outvote (..vont')., v. a. overstemmen. ad. (•tree'dzjus-), beleedigend, hoonend; geweld- Outwalk (-wauk';, v, a. in het gaan overtreffen. dadig; woedend; ones dreven, buitensporig. Outwat I, a. buitenmuur; uiterlijk, sehtin. Oaatraze (-reez'), v. a. uitroeien. Outward iaut.'wurd), a. —ty, ad. uiterlijk,uitavenOutreach (-rietsp), v. a. corder reiken dart, dig. —, —8 (-wurdz),ad. naar buiten;buitenwaarte. Outreason (-rie'zn), v. a. door betere gronden Outvvatch (-svotsY), v. a. in waakzaamheid overoverwinnen. treffen; doorwaken, Outreckun (•rek'kn), v. a. in de herebening te Outwear (-weer') [irr.], v. a. uitduren; longer boven gaan. duren den; in verveling doorbrengen. Outride, a. rid. —(-rajd') [irr.], v. a. voorbij rij Outweigh (. wee"), v. a. zwaarder zijn dan; overden; v. n. nitrijden. —r (aut'raj-dur), s. voorrijtreffen. der ; deurwaarder van den sheriff. Outwit (-wit'), v. a. verachalken, te slim zijn. Outrigger (ook; -rig'gur), a. bokapier, donve jut Outwork, a. buitenwerk. —(-avurk'), v. a. weer ioefb al ir; wacht schip. (betel.) werken dan; overtreffen. Outright (- rajt'), ad. dadelkik„ geheel. Outworn( woorn'), a. afgesleten. Outriv (-raj'vel), v. a. de /oaf afsteken. Outvvrest (-rest'), v. a. afpersen, ontweldigen. Out rear (-rose'), v. a. boven.... nit loeien, 0 utwrought Croon, a. overtroffen. Out root (-met', v. a. uitroeien. v. a. in het grappenmaken Outzany Outrun (-run') [ire.], v. a. in het Joopen overtrefovertreffen. fen; to boven gaan. Ouzel a. Zie Ousel. Outten ( v. R. voorbij zeflen. Ova l (o'vel), a. & a. eirond, ovaal. —rious (-vee'Outscorn (-skorn'), v. a. fret verachting behanri.oa), a. van eieren. —ry (-ve.rih), a. eleratok. delen. —te ( vent), —ted (. veet'id), R. eivormig. --tion Outsell (cell'; [irr.], v. a. duurder (meer) verkoo(-vee'sjun), a. ovatle, kleine zogepraal. pen dan; hoogeren prima halm dan. Oven (uv'n), s. oven. —fork, ovengaffel. —ful, Outset, a. begin, aanvang. (een) oven-vol. —peel, ovenkrabber. —tender, Outshine (-ejajn'), v. a. in glans overtreffen. ovenstoker. Outshoot ( -sjoet.') [im], v. a. in het schieten Over (o'vur), a. bovenate, boven-. ad. & prp. overtreffen. over; op, boven; door; voorbij, gedaan. — a Oats. Out side, a. bui ten-. —, a. buitenzijde; voorkomen; of wine, bij een glee wijn. — and —, bij herbalinga uiterste ad. buit en . all —, overal; voor good voorbij. ten times —, Outsit (-sit') [irr,], v. a. longer zitken don; verzittienmaal achtereen. — again, nog eena. — against, ten. tegenover. — the way, a an de overzkjde. or 0 utsklp (.skip'), v. a. ontapringen, entgaan. under, meer of min. Outskirt, s. voorntad; buitenpoat. W oar, in de volgende samenstellingen, de uitapraak 0 nteleep (-aliep') [ire.], v. a. Lange -, elapen dan; niet is aengewezen, dear heeft o den klemtoon. verslapen Overabound (-e-baaund'), v. n. al te overvloe • Outspeak (-apiek” [irr.], v. a. in het sprekea dig zijn. overtreffen; overt refire, Overact (-ekt'A v. R. & n. overdrijven. Outaport (-spoon'), v. a. in het achertsen over- Overall (o'vur- aol), a overjas. —a (.aolz), pl. treffen (overdrij ven). overbroek. Outspread (-spred'i [irr.], v. a. uitspreiden. Overanxious (-enk'sjus), a. te angstig. Outstand (-extend') [irr.], v. R. uitetaan; weer- Overarch (•aartsy), v. a overwelven. staan; v. n. uitsteken. —ing, a uitstaand, onbe- Overawe (-ao'), v. a. in ontzag hluden. Overbalance,s.overwieht,meerderbeid. —(-bel'taald. Outstare (steer'), v. a. door onbeschaamd aanens), v. a. meer wegen don; overtreffen. etaren ver•agen maken. Overbear (-beer') [irr.], v. a. overetelpen; overOutstay (-stee') [ire.] , v. R. Langer 1,:ijven dan. weldigen, onderdrukken. —ing (-beer'leng), a. aanmatigend, trotsch. Outstep (-step'), v. a. voorbijstoppen; overst!hrijden. Overhead (-bend'), [ire.], v. a te aterk apannen. 0 utstreet, s. achterstraat. Overbid (-bid') [irr.], v. a. te veel bieden; meer Outstretch (-atretaj';, v. a. nitetrekken. bieden dan.

Hoe wordt cryptogeld prijs berekend


BEL — B1S51. for concerning, with regard to. —hebbende,m. & v. participant, party concerned, --etik, be. important. —rUkheid, importance. —stellend, by & bw. eoncerned (- I y), t interest,(In). —.telling, v. concern, interest. —teekkend, be. interesting. Balappen, ov. wn to patch (ep). naiad' bear, by. texuble. ,arkeid, v taxability. —en, ov. w. to to.d, to burden; to charge to bid; to tax, to lay taxes upon; rich t. w. (met; to take charge of. Ilelaster en, ov. w. to calumniate, to asperse, to islander. —ing, v. ealurnhiatton, defamation. Belastlseig.. v. burdening, charging; duty, tax. —bit jet, bill of the taxes. —hantosr. collector's office. —pliehtige, taxpayer. Belf,edlg ale, cc. & v. (the) injured party, offended. —en, ov. w. to insult, to offend, to wrong, to injure, to hurt. —end, by. & bw. offensive ( - iy), injurious (-Iy). —er, m. —ster,in.ulter s offender, injurer. —fag, v. Insult, affront, offence. Belleefd, by. & bw. polite (-iy), civil (-ly), courteous (-Iy). —held, v. politeness, civility, courtesy. --heidshalve, bw. out of politenese, —c ivility. Haleennen,o, w. to loam. Baleen bear, by. fit to be pawned. —bank, v. loan-office, pawn-broker"' office. —en, ov. W. to enfeeff, to invest; to pawn, to borrow (to lend) upon a pledge, to mortgage. —er. rn. pawner; pawner, pawnbroker. —ing, v. eufeofffnent; loan, pawning, mortagi ng. Beteg, n. siege. het — titan your, to lay siege to. Bel egen, by. stale. Weleger ear, rn. besieger. —en„ ov. to besiege, to invent. —ing, v. besiegement„ siege; —egesckut, battering-artillery, -train; —dune, tactics of besieging; —stroepen, besieging troops; bwerkbatteriug-engine; --evrerken, approaches. Beteg gen, ov. w. to cover, to overlay; to line, to border, to lace; to appoint (eene vergadering), to pot out to use, to plane, to invest; to manage; to belay (ern toner). --heat, —Vamp, belayingcleat. ---etch, lining-piece; side-lining. —per, m. —ster, v. one that covers, etc. —gieg, v. covering; lining•; appointment; investment. o. lining; lace, galloon, edging, trimmings. Beleld, a. conduct, management; prudence, address. —en, ov. w, to conduct, to manage. —er. m. conductor, manager. —titer, v. conductress, manager. flostesisnier amkr, m. hinderer, abstracter. --en, ov. w. to hinder, to impede, to onetruct, to encumber. —end, be. impedtrig, encumbering, paralyzing. —ing, v. hinderance, iinpediment, encumbrance. liletend en, on. w. to border (upfin), to be con. tiguoue (to). —end, bv. contiguous, adjacent. —lag, v. contiguity, adjacency. Belet, o. hinderanee. aandoen, to hinder, to trouble, to disturb, to intrude. — preen, to decline receiving a visit. hebben, to be engaged. vragen, to desire leave to visit. hij heel, —, he cannot receive you. —eel, o. hinderenen, impediment, obstacle. —Ian, ov. w, to hinder, to prevent, to debar, (from). igelevats, ov, w. to live to see, to witneem, to experience

Hoe werkt Cryptocurrencies afwijken van de traditionele biljetten en munten


notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Oregon (or'e.gan),g. Oregon. Orl gen (or'i-dzjen), m. Origenes. --11000 to-rlno'kok g. Orinoco. —on (o-rsynn), my. Orion. Orkneys (ork'n1z), g. the —, de Orkadieche elLinden. Orleans (or'11-euz), g Orleans. Orpheus (orljoes), my. Orpheus. Osiris (o-sania), my. Osiris. Ousian (001-en), nn. Ovalan. Ostrogoth (osstro-loth), i Oust Goth. Otaheite (o-te•hajt' •hajt'i), g. Otaheite. Otho(o'tho), tn. Otto. Otide (oed), g. Oude. Ovid (ov'id), tn. Ovidius. Owen (Win), m. Owen. Oxford (3zslurd), g. Oxford.


business. —ear, m, merchant, trader, dealer. —baav, by. tractable. —baarheid, v. tractability. —en, on. w. to act, to do, to behave ; to trade, to deal, (in); to negotiate ; to treat (over, of). —ing, Y. action, act. Ilandenloom, by. handless, unhandy. —held, v. unhandiness. lIandlg, by. & bw. handy (Alv), dexteroue ( -iy). —held, v. handiness, dexterity. Handle, o. een hebben van, to have a knack at. —gaits', light-fingered person. —plak (spelen), Ito play at) hot-cockles. llandzaam, be. servicetble,tractrible. —Acid, v. serviceableness, tractability. liana balk, m. cock-loft. --gekraai, o. cockcrowing. —keen, m. conk's comb ; rattle-grass. —scat, v cock-pit. —poot, M cock's foot; scrawl. —spoor, v. cock's spur. —fired, in. treadle. —veer, v. cook's feather; shrew. --vort, m. crow foot. —sagevecAt, o. cock-fighting. Hang, m, herring-hangs. —en, on. & on. w. to hang; to be pen ling.; to be inclined; — aan, to depend upon; stin hart — a., to set one's mind on; vest geld — aan, to spend much money in. —Maker, sconce. —bord, sign. —brag, suspensfon• bridge. —balk, swig-belly.—dief, hang-men. —gat, draggle-tail. —horloge, pendulum. —(jeer, pothanger. —kanier, ineLzanine, entresoi. —blob, house-clock. —korf, dorser. —lip, blobber-lip; blobber-lipped person. —neat, hammock. —oor, dangle ear; dog with long ears; slovenly person. • —riern, brace. --slot. padlock. —ebant, m. & v. newgate-bird; v. curds. —en, o. hanging; (teeny1 41 tusschen — en worgee, between the devil and the deep. —end, by. hanging ; pending ; met —e rookies, in a submissive menus, —cede, Ye. during. —er,m, hanger; sword, pendant, ear-drop. —op, v. curds. ho. eockish; wanton, lewd. Ilannekenittaler, m. grass mower (from Weetplialia). Hans, on. John; gentleman; simpleton, Simon pare den grooten spelen, to lord it. —sop, —worst, :merry-Andrew., Jack-pndding, punch, pantaloon, clown,sc Ara avouch, z any, buff ion. —je,o. Johnny; — in den kelder, Jack-in a-box, Hang-en-kelder.
a. (het) luchten. —less, a. bedompt. —ling, s. —ion (-neesjun), s. afstamming in de inanne- windbuil. —pump, luchtpomp. —threads, herfstlijke lijn. Agnorn en (eg-no'men), a. bijnaam. —inate draden. —tight, luchtdicht. —y, a. luchtig; (-nom'i-need, v. a. sere bijnaam geven. —ination dartel. Aisle (0), a. vleugel, koorgang. (nom-i-nee'sjun), a. bijnaam, zinspeling. Agnua-eastus (eg'nus-kes'tus), a. kuischboom, Alt (set ), a. eilandje. Ajar (e-dzjaar',, ad. op een' kier. Ago le-go'), ad. geleden. Agog (e-gog',., a. vurig begeerend. to set —, be- Ajutage (ed'zjoe•tidzj), a. verlengpijp. Akimbo (e-kim'bo), ad. gekromd. with arms —, lust waken ( for. onl• met de handen in de zijde. Agoing (e-go'ieng), ad. in gong. Agonis to (et'o nizm), a. prijsgevecht. —t, s. Akin (e-kin'), a. vermaagschapt., verwant. Alabaster (cal-e-baatetur), a. albast. —, a. van prijsvechter. Agon ice (eg'o-najz), v. n. zieltogen; doodsangst albast. uitstaan. v. a. folteren. —y (-nih), s. dood- Atari( (e lek'), int. helaas ! ach I —a-day, int. o wee I o jerum! strijd; zieleangst. Alacrity (e-lek , rit-tih, s. opgeruimdheid, vrooAgouti (e goed'), ad. in ernst. lijkheid. Agrarian le-gree'ri-en), R. —law, akkerwet. Alamode (el-e-mood"), ad. naar de mode. —. s. Agree (e-grie'), v. a. vereffenen; verzoenen. v. n. overeenstemmen (with), (on. upon) eena zijn sonrt van tar. over. (with) lijken, peas.. (to) toestemmen in. Aland (e-lend'), ad. aan land. —able, a. —ably, ad, aangenaam; overeenkom- Alarna ( e-laarm'), a. rumoer; noodkreet; wapenatig (to. with.) —ableness, s. aangenaamheid; over- kreet; achrik ; wekker. —, v. a. to wapen roepen; eenkomstigheid. —d, a. overeengekomen; int. verontrusten. —ed. a. (at) ongerust over. —ing, top! afgesproken! dot blijft zoo! —sent, 8. over- a. verontrustend. —bell, alarmklok. —post, loopeenstemming; overeenkomst; schikking, verge- pleats. lijk. Alas ( e lame), int. helaas! Agrestic (e-gres'tik), —al, a.landelijk, boersch. Alb (elb), a. koorkleed. —atrosa (erbe-tros), s. Agricult or (eeri-kul-tur), s. landbouwer, —ural stormvogel. (-kuPtjoe-rel), a. den landbouw I etreffend. —era § Albany-beef (erbe-nih-bief), a. steer. (-kul-tjoer), a. landbouw; iandbouwkunde. —urist Albeit (aol-bi'it), ad. alhoewel. Albeocent (el-bes'sent), a. wit wordend. (-kurtjoe-rist), s. landbouwkundige. Albino (el-barno), a. witte neger. Agrimony (eg'ri-mun-nih), a. leverkruid. Albugo (el-bjoe'go), s. witte steer. Agronomy (e-gron'o-mih), a. akkerbouw. Agronnd e-granund'), ad. Ran den grond, ge- Alchem ical (el-kem'ikl) a. alchymistisch. —ist strand. to run —, non den grond rakes. to run a (erki-mist), 8. goudmaker. —y (ellki-mih), a. ship —, in den grond zeilen; op het droge zet- goudmakenj. Alcohol (el-ko-hol), a. alkohol. ten. to be —, in de them zijn; bedorven zijn. heete koorts. Aicoran (el'ko-ren), 8, (de) Koran. Ague (ee'gjoe), 8. koorts. burring Alcove (el-koov'), a. alkove. —jit, aanval van koorts. Aguise (e.ghajs'), a. bleeding. Alder (aol'dur), a. els. —man, a. schepen. —n, a. van elzenhout. Aguish' (ee'gjoe-isj , , a. koortsig. —new, a. koorts- achttgheid. Ale (eel), a. ,engelsch bier. —berry, biersoep. —conner, —taster, bierkeurder. —hoof, aardvell, 4 Agy (eg'ih), a. koude koorts. —house, bierhuis. —stake, uithangbord. —wife, Ah (aa), int. ach I ha I —me, orb he ) tapster; § elft. Ahead (e-hed"), ad. vooraan, hale over kop. Alee (e-lie'i, ad. aan lij. Ahold (e-hoold'), ad. dicht bij den wind. Ahoy (e-hof), int. heiho I all hands —, alle man Alembic (e-lem'bik), s. distilleerkolf. Alength (e-length), ad. overhangs. op dek. Alert #e-lurt'), a. wakker, slug. —new, a. wairAbull (e hul'), ad. soar top en take). Aid (eed), v. R. helpen, ondersteunen. a. hulp, kerheid, vlugheid. bijstand; onderstand; helper. —de-camp, adju- Alexandrine (el.egv.-aan'drin), a. twaalfletterdant. —er, a. helper. —less, a. hulpeloos. —s, a grepig vers. in- en uitgaande rechten en accijnsen. court of Algebra terdzji-bre), s, stelkunst. Algebra Ic (el-dzji-bree'ik), —ical (-11c1), a. stelaids, accij nsk.ntoor. Alguemarine (ee'gjoe-me-rien), a. berilsteen. kunstig. —ist, a. atelkundige. all (eel,, v. R. deren, pijn veroorzaken; v. n. pijn Aig or (e!'gor), a. hevige koude. —ous, a. vol hebben; onpasselijk zijn —ing,a.ziekelijk,—meat, zeewier. s. onpasselijkheid; smart. Alias (ee'li-eat, ad. anders gezegd. Aim (eem), 8. doelwit; oogmcrk. —, v, a, rich:ten; Alibi (el'i-baj), a. tegenwoordtgheid elders. Allen (eel-j en), a. vreemd,—.s. vreemdeling.—office, v. n. (at) mikken, doelen op. Air leer), a. lucht, hunting; lied. to take the —, paapoortenbureau. —able, a. vervreemdbaar, een luchtje acheppen. to take airs, zich aanzien —ate (-eet), v. a. (from) vervreemden. -ate (-et), geven. —, v. a. luchten. —balloon, luehtbol. a. (from) vervreemd van. § —age, a. vreemdheid, —built-castles, luchtkasteelen. —current, lucht- vreemdelingschap. —anon (-ee'sjun), a. vervreemstreom, —gun, windroer. —hole, luchtgat. —i/y, ding; — of mind, verstandeverbkistering. a, luehtig, vroolijk. —iness, a, luchtigheid. —ing, Allform (eri-form), a. vleugelvormtg.
131 gclukkig; tevredeP; ver- I Harmon 1st (hattemun.nist), a. toonzetter, muheld. —ily, ad. y zikant. —ixe 1-najz), v. a. doenovereenstemmen; heugd. v. n. overeenatemmen. —y, a. welluidendheid, Harangue (he-reng"). s. aanspraak. —, v. a. eene harmonic; overeenatemming. aanspraak houden tot. —r, a. redenaar. (httar'ness), a. harnaa; paardetuig. —, Harness Harass (har'ess), e. afmatting; verwoesting. —, v. a. hIrnaseen; beschutten;loptulgen. v. a. afmatten; kwellen; verwoeeten. —er, a. mondharHarp (burp') s. harp; liar. jew's kweller; verwoester. monlea. —player, harpapeler. —string, harpHarbinger (haar'bin-dzjur), a. voorlooper, voorsneer. —, v. n. op de harp apelen; (at) zinspebode; kwartiermaker. sttletaan bij; telkens terug(on. upon) op; len Harbor (haar'bur), a. haven; toevluchtsoord, komen op, malen over. —er, a. harpepeler. —ing, schuilplaats. —master, havenmeester. —pilot, a. harpspel; boeghout; (upon.) geranik over. binnen.loo da —, v. a. huisvesten; beveiligen; —ing-iron, harpoon. —ings, p1. breedte aan den helen; v. n. intrek semen; sclmilen. —age, a. boeg. —ist, a. harpspeler. herberging; achuilplaata. --er, a. huisvester; he- Harpoon (her-poem'), a. harpoon. —, v. a. barlee. —less, a. muter huisvesting. poenen. —er, a. harpoenler. Hard (hoard'), a. & ad. hard; vast; ruw; atreng; Harp sicbord (haarp'si-kord), a. klavier. —y, hardvoehtig; aterk; dringend; karig; alecht; a. harptj; knevelaar, uitzulger. moeilijk. — (by), dicht bij. --baked, veratopt a. oude stet. (van houden). —beam, hagebeuk. —bound, hard- Harridan (heeri-den),hazewind. a. lijvig. —breathing, hijgend. § —cash, —money, Harrier (her'rhur), —, v. a. eggen ; klinkende —earned,zuur verdiend.—favored, Harro w (her'ro), a. eggs; valdeur. uitplunderen; verontrusten; (up) openseheuren; —featured, met grove trekken, leelijk. —favorptjnigen.. —er, egger; soort van valk. edness, leelijkheld. § —fisted, pootig; glerig. Harry (heerih), v. a. kwellen; plunderen. —fought, hevig beatreden. —handed, hardhandig; Harsh ;haaraj'), a. —ly, ad. ruw; hard; barsch, streng. —hearted, hardvochtig. —heartedness, norseh; strong; wrang; wreed. —ness, s. ruw heid; hardvochtigheid. —mouthed, hard in den bek; ruw in den mond. —resin, vioolhars. --coed, barachheitt; strengheld; norachheid. a. Zie Haslet. kuitig. —ware, ijzerwaren. —wareman, ijzerkoo- Harelet (haars'lit), Hart (heart' ► , a. pert. —evil, mondklem, —royal, per. —witted, dom,:onbevattelijk. kruisdoren. hartshoorn. —'s-root, beer'Harden (haar'dn), v. a. harden; verharden; v. 13. —wort, hertekruid. hertatong. wortel. 's-tongue, hard worden. —er, R. harder. a. wild, Hand Mood (Itaard'i-hoed). s. stoutheid, koen- Ilarum n searum (heceum•skeer'um), onbezonnen. held; unbeschaamdheid. —ily, ad. stoutmoedig, Harvest (haaevist), a. oogat; oogsttijd. —fly, koen; streng. —incss, a. stoutheid, koenheid; —lord oogatttjd;-feest; -lied. —home, boomkrekel. driestheid; sterkte. —ly, ad. strong; met moeite; voormaaier. —man, maaier. —queen, herfstkonauwelijks, —ness, s. hardheich ruwheid; strongningin (beeld van Ceree). —woman, bindeter. —., held; umeiltjkheid. —s, pl. hede, werk (ran v. a. oogeter.. —er, a. oogeter, maaier. visa). — skip, s. vermoeienis; ongemak; druk, s. gehakt (vleesch). —, v. a. hlein iegenspoed. —y, a. stout, koen; driest; ate,l, Hash (hear), hakken. forach, gehard. (hes'lit), a. varkensomloop. Hare (heel'), a. ha.. —bell, engelache hyacinth. Haslet (haasp), a. beugel (van een hangelot). brained, onbesuisd. --foot, hazevoet (plant.). Hasp v. a. met eau' beugel sluiten. —hearted, lafhartig. —hound, windhond, jacht. Hassock a. knielmat. hond. —hunting, hazenjacht.--/ip,hazenliP.—mint, Unstated (hes'suk), (heeteet-id), a. speervormig. hazammat, arum. —pipe, hazennet. —ragout, haze. Bast e (heest'), a, haast, apoed. —e, —en (hee'en), peper. —'s-ear, hazenoor (plant). —wool, haven. v. a. haasten; bespoedigen• v. a. deb, haaaten. Mar. —wort, kaaajeskruid, maluwe. apoeden. —ly, ad. haastig. —inns, a. haastigHarem (hee'rem, ha'rem), a. harem. heid; voortvarendheid; liehtgeraaktheid. in x, Haricot (her'i-ko), a. snijboon; hutapot. a. vroege vruchlen; erwten. —y, a. haastig; Hairier (her'i-ur), a. Zie Harrier. liehtgeraakt; —pudding, meelbrij. voortvarend; Hark (haark), int. boor! lnister I Hat (het') a. hoed. —band, hoedeband. —box, Hari (haarl'), a- vezel; iota vezelachtigs. —case, hoededoos, —maker, boedennsaker. —mo. Harlequin (baarle-kin , , a. hanaworat. ney, bedelgeld; kaplaken. Harlock (haar'iuk), a. wilde mcsterd. Hatch (lister), s. broedeel; uttkomen (nit het el); Harlot (haarlut). a. gemeen; dartel.—, a. hoerol et. ontwikkeling; ontdekking; onderdeur; luik.—way, Harm (baarm'), a. Teed, letsel; achade. —, v. a. luikgat. —, v. a. uitbroeien; beramen; krutswijs kwaad doen, benadeelen. —ful, a. —fully, ad. helijnen. leedigend, schadelijk. —fulness, s. schadelijk(hetsril), a, v/ashekel. —. v. a. hekelen. Hatebel onschuldig, zonder held. —less. a. —lessly, ad. --/er, a. hekelaar. erg; onschadelijk; onbeschadigd. —lesaness, Hatchet (hetsrit), s. ht11, 'mimes. —face, leelijk ennoozelheid, argelooaheid. gezieht. —faced, Harmon lc (her-mon'ik), —iced, —ious. Iher-mo' liltdclinaent a. wapenschild. nl-us). a. —ically, —iously, ad. welluidend; sa- Hate (heel'),(hetsfment), s. hs1at. —, v. a. paten. —ful, a. menstemmend. —ica s. harmonica. —ics, —fully, ad, hatelijk; afachuwelijk. —fulness, a. pl. leer der harmonic. —iousness, a. well uidend hateltjltheid. —r, a. hater. held; ovcreensteraming.
Students who join the Erasmus Programme study at least 3 months or do an internship for a period of at least 2 months to an academic year in another European country. The former case is called a Student Mobility for Studies or SMS, while the latter case is called a Student Mobility of Placement or SMP.[22][23] The Erasmus Programme guarantees that the period spent abroad is recognised by their university when they come back, as long as they abide by terms previously agreed. Switzerland has been suspended as a participant in the Erasmus programme as of 2015, following the popular vote to limit the immigration of EU citizens into Switzerland. As a consequence, Swiss students will not be able to apply for the programme and European students will not be able to spend time at a Swiss university under that programme.[24]
In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]

Hoe is Weegschaal verschilt van Bitcoin


Macao (me-kW°, me-kau'), Macao. Meigeera (me-dsji're), my. Mager*. Macaulay (mek.ao'llb), m. Macaulay. Melbourne (mel'hurn), g. Mel bourne. Maccabees (mek'ke-btez), h. Maccabeen. Melchisedoc (mel-k(ea-dek), in. Melchisedek. Macedon (mes'e-duo), -ia (.du'ni-e), g. Mace- Melpomene (me!-poll'e-nil, my. Melpomene. donie. -ion (-do'ni-en), a. MAcetioniach; i. Ma- Menelaas (reen-e-lee'us), an. Menelaus. eedonier. Meat. (msnte), g. Maintx. Madeira (me.dee're), g. Madam. Mercury (inur'kjoe • rill), my. Mercurius. Madg • (medzr),-y, f. voor Margaret; thiet. Mersey (mur'xih), g. the -, de Mersey. Madras (me-dre , ), g. Madras. Illeaopotantia (flea-c-po-tee'int-e), g. M.teopo• Macs. (meet), g. the-, de MAP.. tannic Magdalen (meg'de-lin),w. Magdalena. Messina (fne,-si'ne),g• M. 851 . 8 Magellan (me.dzjelnen, reed-zjillen'), m. Ma- Methuselah (me-thjoe'se•lal, m. ,Methesalem. gellaan. Meuse (rojou). g.the -, do Maas. Mahouts.' (mee'hnra et), in. Mahomet. Maul can (r..ks'i-ken), a. mexicaausch; 1. Meal. Malta r-, (ineen), g. Maine. coon. -co, g. Mexico. Malay (me-lee')., g. Malacca; a Malekch. Mich (auk). f. voor Michael. - eel (unarkel), in. Maldives (merdajvs), g. the -, de Maledivischa Michael, Michel. etlanden. Michigan (mieri-Ken), g. Michigan. Malines (ma-lien'), g. Mechelen. Milan (mil'en), g Milian. Malkin (mao'klu). f. voor Maria; Mieke. Millilade3 init. tere-diez)„ m. Miltiades. Malt as (tnaol'te), g. Malta. -ese (-tie. ), i. Mid- Milton (hartn), ni. Milton. these, Milwaukie (mil-wao'ki), g. Milwaukie. Manchester (men'tajte.tur),g Manchester. Minerva (tni-nur've), my. Minerva. Mantels ran (men ik-i'en), a. Manichessch. -ee Minos (rnaynus), my. Mince. ( .is'). r. Msnicheer. Misnia imia'ni-el,g. Meissen. Marg aret (maar'ge•ret), w. Margaretha. -cry Miss IssIppi (fnis-iis-51p'pi), g. Mississippi. -oari (.dzlur-tb), -et (-dzilt), f. soot Margaret; Mar (-soe'ri),g. Midsouri. grist, Grietje. Mnensosyne (ne-mos'Ln-ih), my. Mnemosyne. Marl a (me-rare), w. Marla. -us (mee'ri-iiej, m. Mobile (mo-biel'),g, the --,Mobile. Marius. Modena (mo'elt-ne),g. Modena. Mark (maark), m. Marcus. Mohawk (nan'haok), I. Mohicaan. Marlborough (maarl'hur•o). g. Marlborough. Moll (moll,- ly, f. voor Mary; Mtetje, Me. Maron item (mer'un-ajte), r. MAroniten. itioldevia (Haut-dee'vi-e), g. Mold•vie. -n, o. Marquesas (maser-hee'sez), g. the -, de Markle- Mo i di v isch ; t. m cgd av i6 r . sen-etlanden. Moluccas (mo luk'kez), g. the -, de Molukken Mars (moors), my, Mars. (Specerij-eilanden) Marseilles (mast-stele). g. Marseille. Mongol la (mun.go'li-e),g. Mongolic.-s (-gole), Martha (maar'th9), w. Martha. I. Mongol en. Martial (maar'sjl-ell, m • Marti.R.• Monmouth (man'muth), g. Monmouth. Martin (maar'tin), m. Martijn, Maarten. Mon slmons), g. Bergen. Mary (mee'rih), w. Mario, Marie. Montague (mont'e-ajoe), g. Montague. Massachusetts (men se•tsjoesets), g. Massa- Moore (moor), m. Moore. chusetts. Moravia (mo-ree'vi-e), g. Moravie. -n, a. MoreMae (met), f soar Matilda, Matthew 4, Matthias; viech; r. Hernhutter. Matje; Thtle. -ilda linetil'de), w. Mathilde. Moron (.0-rl'e), r. the -, het echierelland Morse. -thew (meth'joe), in. Mattheas. -thias (.thare.), Morocco (mo- , ok'ko), g. Morocco. an. Matthias. Morpheus (mor'fjoes), my Morpheno. Maud (mood'), f. voor Matilda; Matje. -lin (-lin), Mortinser (mor'n-mer), m. Mortimer. f. voor Magdalen; Leentie- Mose ovite (moe'kev-ajt), i. Moscoviet. -ovy, . Maori ce (moo'ris), sr,. Maurits. -ties (-rieri- Meecovie -ow (-ko). g. Moseau. us), g. the -, Mauritius. Moses (mo'ala), an, Moses. Maximilian ;rneks -I -mill-en), m. Mazimilinay. Moan (men), I. soar Edmund. Mechltu (mek'lin), g. Mechelen. Illunicis (injoenik), g. Munchen. Med ea (me-dt's), my. Medea. -et (miedz), i. Murray (mer'ree), in. Murray. the -, de Medea. -ia (nti'di-e), g. Medic. --inn Muscov lire (mus'kuv-ajt), -y, g. Zie MoscOV.• (.di'ne, darnel, g. Medina. Its. Madusit(me-cijoe'se), my. Medusa. Muses (rajoe'zie), my. the -, he Mum. • Margaret; Gristle. Mel (meg), f. scar
T. Tabard (telt'urd), a. tabbaard; wapenrok, Tallsby (tab-bihl, a. geetreept, ge,vlamd, gewaa. gewaterd tat. tabijn. —, v. a. wateren. teed. fitti011 (teb-e-fek'sjun), a. tattering. qab'e-taj), v. n. uitteren, wegkwijnen. Tribeliion (te-berjun), s. dorpanotatis. 'Iraberoncle (teb'ur-nikl), a. tent; loothut; hostiekasje; tabernakel. —, v. u. verblijf houden. Tab.id (teb'id), a, uitgeteerd.teringachtlg. -nets, a. uittering. Tevbritvaure ‘ tebile-tjoer), s. moureahildering ; scheiding van het bckkeneel ; saadulAing der tonen door teekens. Table (tee'b1), a. tabel; diech; bled pleat; dischgezelschap; knot; tabel. register; vlakke hand. —basket, tafeimandje. —leer, tafe'bier. —book, achrijtboekie. —clock, pendule. —cloth, tafeliaken. --jaattner, schuss aan eene tafel. —land, vlak laud. —man, otuk, schicif. —money, tafslgeld. - »toying, tafeldans. —plate, tafeliliver,-saivies.

Is Blockchain een cryptogeld


eoolai or ,,cute,; doat. -.necked, dik van hale; haissterrig. -planted, dicht geplant. -scull, botterik. -trailed, -witted, dont, stomp. -set, dicht beplant; gedrangen. lomperd. -sprung, dicht opgeschoten, -staff, aware plank, zwalp. 'wager, !drawer,. -ea (thik'n), v. a. & n. &It ryt..ken ( warden), verdikken. - et (-It), a. kreupelbosch. -iah, a. dikaAtig. -ness, a. dikte; dicht'arid; stomphqd. (thief';, a. diet -catcher., -taker, Mavenleider„ Thiev a (thiev'), v. n. etelen. -cry (-ur-ih), a. dievert), diefetal. -ish, a. -ishly, ad. diefaehtlX. -istness, s. dhlachtigheid. Thigh (thiii'l, a, dij. -bone, dijbeen. lamoan. -horse, -er, n. larnoenpaard.
a. bijkomend. —t (ed'vent), s. advent. —titious Adult:Dui ab (ed-mon'iej), v, a. aanmanen (to); waarschuwen (against, of.) —slier, s. vermaner. (-ven-tis'sjus), a. toevallig. —teal (-ven'tjoe-e1), a. den advent betreffend. —tion (-me-nis'sjun), a. aanmaning; terechtwij- a. avoutuur, waagatuk; zing. —tioner (-mo-nis'sjun-u r), s. zedepreeker. Adventure (ed-ven'tjoer), —tire 1.1-tiel, —tory (-i-tur-rih), a. vermanend , ken.; toeval. bill of —, bodemerijbrief. by —, btj waarschuwend. toeval. a all —a, op goed geluk. —, v. a. & n. Admortization (ed•mor-tizee'sjun), a. verwer- waken. —r, a. waaghals; gelukzoeker. —some, a. ving van belastingvrije landertjen. gewaagd, roekeloos. Adnoun (ed'naaun), s. btjvoegelijk naamwoord. Adventurous (ed-ven'tjoer•us), a. gewaagd,roeAdo (e-doe'), a. beweging, ophef. much —about kelooa. Adverb (ed'vurb), a. bijwoord. —ial (-vuebi-e1), nothing, veel geschreeuw en weinig wol. a. bijwoordelijk. Adoleacen ce (ed-o-les'sens), —cy 1-sen-sih), s. Advera airy (ed'vur-se-rih), a. tegenatander; a. jongelingschap. —t, a. jongeliog; a. jeugdig. tegenstrtldig. —ative (-vueee-tiv). a. tegenatelAdopt le-dopt"), v. a. aannemen. —ed ehild,aan- genomen kind. —er, a. aannemer. —ion (-clop'. lend. —e, a, —sly, ad. atrtjdig; onvoorspoedig. —eness, a tegenstand; aandruisching tegen. —ity sjun), a. aannemlng. —ive, a. aannemend; aan- (ed-vur'sit-tih), a. tegenspoed. genomaen. Ador able (e-door'ibl), a. aanbiddelijk. —able- Advert, (ed-vurt') v. n. (to) acht geven. —ence ness, s. aanbiddelijkheid. (ed-o-reesajun), (-tens), —ency, (-ten-sih,), s, oRmerkzaamheid. a. aanbidding. —e, v. a. aanbidden. —er, a. aen- —ent (-tent), a. opmerkzaam. —sae Ied'vur-tait), bidder. v. a. berichten, aankondigen. —isement (tiz-ment, -tajement), a. bericht, advertentie.—iser(tarzur), (e• Born'), v. a. veraieren. —ing, a. eieraad, a. aankoadiger, advertentieblad. versiering. Adown e-daoun , ), ad, near beneden; prp. langs. Advice, (ed-vaj's), a. raad; bericht. —boat, adviesjacht. /Ids-fit (e-drift'), ad. slot; drijvend. ad. vlug, behendig. Advigliate (ed-vi'dzji-leet), v. n. waken. Adroit (e drojt ► , Ativis able (ed-vajz'ibi), a. raadzas,m. —ableneaa, —ness, s. behendigheid. a. raadzaamheid. —e, v. a. raad geven; berichten; Adry (e-drarl, a. dorstig. v, n. beraadslagen. —ed, a. —edly, ad. (-id-), Adecititious (ed-si-tis'sjus), a. toegevoegd; ont- bedachtzaam; overlegd. —ement (-vejz'ment), a. raadgeving; berichtgeving. —er (-vajz'ur), a. readAdstrIct loss (ed-strik'sjun) a. samenbinding. gever. —ory (-ur-rih), a. raadgevend. (ed-strin'dzjent), a. samentrekkend. Adstringent —te Adulation (ed-joe-lee'sjun), 8. vleiertj. —ory (ed , Advoca cy (ed'vo-ke-sih), s. verdediging. joe-le -tur- rill), a. vleiend, pluimstrijkend. (-beet), v. a. platen soar, verdedigen. —te (-ket), (kee'sjun), Adult (-edule), a. volwassen; a. volwassene. a. pleitbezorger; voorspreker. —tion —crate (-tur-eet), v. a. vervalachrn, bederven; v. a. pleitbezorging, verdediging. n. overspel begaan. —eration (-tur-ee'sjun), a. Advow ee (ed-vaau-iel, a. schutspatroon; collater. —son led-vaau'zun), a. patronaatrecht; vervalsching. —erer (-tur-ur), a. echtbreker; af- recht can eollatie. godendienaar. —cress (-tur-ess), a. echtbreekster. —erine (-tur-ajn), a. onecht. —croon, a. overspe • Adz, Adze (edz). a. Zie Addice. lig. —ery (-te-rih), a. overspel. —ness, a. volwas- Aegilops (ed'eje-lopa), a. traanzweer. Aegis (te'dzjits), a. schild can Minerva. scnheid. Adumbra not (ed-um'brent), a. schaduwend. —te Aeolian (ie-o'ljen), a. —harp, Aeoluaharp. (-breet), v. a. echaduwen; aehetsen. —tion (-bree' Aer ate (ee'ur-rest), v. a. luchten. —ial, lee-Priel), a. be lucht betrellend; verheven. —is (ie'ri, sjun1, a. schaduwing. ee'ut•rih), a. nest van roofvogels. —ification (-riAdunation (ed-joe-nee'sjun), a. samenvoeging. Adsinc ity (e-dun'sit•ih), a. haakvormigheid. —ous 11-kee'sjun), a. culling met lucht. —iform, a. 1-i-fall, v. a. met lucht opluchtvormig. (-kua), a. haakcormig. sullen. —ography (og're-fih), a. luehtbeechrtjAdust (e-dust'), a. verschroeid; ontstoken.—ible, —elegy a. verbrandbaar. —ion (-jun), a. verbranding; ont- sing. —olite (-o-lajt), a. meteoorsteen. (-01'ud-zjih), a. luchtleer. —ometer (-onal-tur), ateking. s. luchtmeter. —onaut (-o-naot), s.luchtreiziger. Advance led-vaans'), a. voortgang; veredeling; a. luchtvaart —onautical, —onautic (-o-naot'ik), bevordering; winst; voorachot. v. a. bevorde- betreffend. —onautics 1-o-noat'iks), a. luchtv aartren; veredelen; bespoedigen; verhoogen; voordra- gen; voorschieten; v, n. vooruitgaan lin); verwer kunde. —oseopy (-os'ko-pth), a. waarneming der lucht. gee.; naderen (to). —ment, a. vooruitgang; be Aerostat (ee'ur-os-tet), a. luchtbol. —ic (-tet'ik), vordering. —r, a. bevorderaar. —ical 1-tet'ikl), a. de luchtweegkunde betreffend. Advantage (ed-vaan'tidzj), a. voordeel (of. over); --ica (-tet'ikal, a. luchtweegkunde. —ion (-tee' goed gevolg; gunstige gelegenheid. to take —of, zich ten nutte fflaee-i. to turn to —, winat at- sjun), luchtvaartkunde; luchtweegkunde. werpen. —ground, so , rdeelig terrein. personal Afar (e-faar"), ad, ver. from —, van veers. —s, gunstige eigensciv.ppen. —, v. a. bevoor- Afeard (e-fterd' ► , a. (of) bevreesd. deelen; bevorderen. —ous (ed-ven-tee'dzjus), a. Afer (ee'fur), a. zuidwestewind. voordeelic. —ousness (ed-ven-tee'dzjus-ness), a. Atrab fifty (ef-fe-bil'it-tih), s. minzaamheid. v oordeeligh —le leetible a. —1y. ad . minzaam, epraakzaam. Adven e (ed-vien'), v. n. bijkomen, —ient (-leot), —leness, a. minzaamheid.

on. w. to shiver (van, with), to shudder (vest, at). roughness, uneouthness; plumpness, bluffnese; —leg, by. shivering, chilly; 'whimsical, freakish, bluntness, dullnem. —hada', v. mv. ab ielve capricious; fantastic, droll. —/igheid,v.chilliness; words. whimsicalness, freaklehness, caprleionsness; fan- Grol, v. silly tale, antic. —len ',taken, to play tasticainess, drollery. —ling, v. shivering, antler —lenmaker, antic, buffoon. —Zen, on. w, to grumble; zie Krollen. —lig, by. & bw. shiver. Grim, v. wrath, anger. —beAken, to show one's facetious (-Iy), foolish (-iy), silly ( fly). teeth. —Zech, malicious smile, grin, —/achen, to Groin, o. entrails (of a Ash). —pot, grumbler. Grommet en, on. w. to welter, to wallow. —in, grin. Grimes, y, grimace, antic, wry face. --‹en ma- be. weltering; dirty.—ing, v. waIlowing;dirt,rnire. ken, to cut faces, to 1)1 , Y antics. --serimakir, Groner"' en, ov. w, to gut (flsh);on.w. to grumble, buffoon, to growl, to scold. —ig, by. grumbling, cross; not well gutted. GrImmelen, on. w. to sworn. GrIntin en, on. w. to loam with raga, to roar; firmed, no. ground, floor; earth; field; bottom; to whine, to whimper. —cc, m. whiner. —ig, be. bank, shallow, depth; basis; principle- cause, & 9w. grim (-iy), furious. (-Iy), wrathful (-Iy). reason. in den —, thorough:y, entirely, radically, perfectly. in den. — boren, to sink, to run down. —4, held, v. wrath, wrath/One., rege, anger. GrIoniken, on. w. to neigh; to sheer, to eunper. to —e gaan, to 'sink, to founder, to be ruined. Grine, v. second flour (of buck- wheat); gravel, to —e richten. to ruin, to undo. —beginiel, principle. —belasti up, grit. —weg, gravel-path. ground-tax. —bestanddeel, fundamental part. —bew(ys, principal proof. Grist en. no. w. to pilfer. —er, in. pilferer. Greet', v. furrow, channel, groove, noteh; grave; —break, breach in a dike. —brief, mortgage. schattine, ground-rent. —eigenaar, landpit, quarry. — *jeer, groovl.g-tool. —werk,chati- holder, landed proprietor. —eiyandoni, real estate, melted work. Groel, m. ;growth. —kracht, vegetation, vegetative landed property. —gebied, territory. —gebouw, faculty. —en. on. w. to grow; (in) to delight in. foundation. —petal, cardinal number,- —haak,gaff, —ing, v. growing, growth. —eel, rr.grov th,—zaam, boat'ehook. —hem landlord, lord of the manor. by. favorable to vegetation. —zaamheid, MAY.- ground-ice. kleur, prime color. —kundig, knowing all the shallows. —Teen, fief. —leer, funabtenees to vegetation. Groan, by. green; unripe; verdant; young, unex- dementsl doctrine, principle. —/egger, founder. o. green, —legging, foundation. —lea, zie Groqdroorel. m. novice. green-horn. perienced. — corrosalc, first cause. —peal, stake to build upon. —color; greens, vegetables; verdure. --beer,—man, —verkeoper, herb-man, green-grocer. —boerin, —paeht, —rente, ground rent. —repel, principle, —verkoopster, —cream, herb-woman. —haring, fundamental rule,axioru.—recht,rights of a mono' green herring. —kelder, cellar where green* are —sap, —sop, grouuds,dregs,sediment.—scheiding, to be had. —mand, green-basket. —markt, herb- dernarcetior► . —slag, basis, foundation, ground. market, green-market. —meisje, girl that sells --vtlenefoundation-stone.—stelling i aitlommaxinr, greens. —noes pot-herbs, green, —tuin, kitchen- —stem, bass. —atof,ele (gent; raw material. —t aal„ cantharie. original !anima? —teekening, plan, ichnography. garden. —wink, green green-shop. —achtig, be. greenish. —en, —tekst, original text. —torn, tonic, key-note, funon. w. to grow green, to sprout out. —heed, v, dements"! tone. —touw,relievinte rope.- -trek,primgreenness. —ig, by. greenish, verdant. —igheid, v. itive 'stroke, — trait, cheracterietic solid, firm, —verdeeling, division of grounds; primitive greeniehnees, verdure. —ling , no. green-finch. Groente, v. verdure; greene, pot-herbs, vegeta- division, diatrieution, —verf, prime color, —terven, to prime. —rest, foundation, fundament,baee. • -soep, soup with greens. Groen —vesten, to found., to ground, to ley the foundaVoor de verdure samenstellingen zie onder tion of. —nester, founder. —vesting, foundation. Grevereitje, o. novice, green-horn; bergamot. —viable, surface, Area, ground-plot, base. —weer(Cree ► , v. group, cluster, crowd; ditch, trench. held, fundamental truth. —werk, ground-work. - eeren,ov.w. to group. Greet, m. greetlrg.oalutation,bow, salute. —en, --wet, fundamental law; constitution. —mord, tvr. w. to greet, to salute, to 'aow to; to take primitice word, radical. —cl a m. —elingon.grouudleave. tic gruel a, adieu! farewell I greet hem van ling. —neon,, by. groundless, bottomless, unfath' msj,remember me to him,preeent my CO ► plitnenrm omable; boundless, inexhaustible, infinite; un(reepects) to him. —eerie, v. salutatio ►., compli- searchable. —eloosheid. v. groundleneness; unfathmente, respects, remembrance. omable depth; boundleeeness, infinitude. —en, Groev e, v. Zie Groef. —en, or. w. to reeve. ov. w. to fouled, to ground. to lay the foundation of, to hue, to prime (Wee/lade', ; on. w. to sound. Groeso, v. first verdure. Grof, be. & bw. coarse (-1y), roogl ► (-1y), uncouth —ig, b v. & bw. fundamental (-1y); thorough (-1r), solid (-1y), profound (-Iy); tasting of the mud. (-1y); plump (-1y), bluff, blunt (-1yo dull (-y); great (-1y). grove fast. groins fault, blunder. — —igheid, v. solidity, profoundness, radicality. geschut, heavy guns, ordnance. grove stem., hellow Groot, o. groat. hall a sliver; wholesale; largevoice. — spelen, to play deep. Alj maakt het to —, hand. in het —, wholesale. de —en, the great. een he goes too far. —grein, grogram. —Wag, cor- spaarisc' d —e, a grandee. —, ha. great, large, big; palest, plump. —/iivigheid, corpulence. —sekrift, bulky, capacious, roomy; tall, high; grown tip; large.hand. black-emith. —echtig, by. important, renowaed, grand, eminent. —e letter, rather coarse, — groan. —held, v. coarsenese, capital (letter). — ear, good hour. — secedes,

Wat is Binance waard


Marmot (maar'mut), a> marmot., bergrat. Maroon (me--roen'1, a. boschneger. —, v. a. op eene onbewoonde )(tat aan land zetten. rlarplot (maar'plot), a. spelbreker. Marque i(rnaark), a. kaperechip; -brief. letters of —, kaperbrieven. Marquee (mer-;fie'), a. velcItent. Martiraess (maar-kwis), a. markies. Mavtguetry (maar'ke-trib ► , a. ingelegd week. Marquasate (maar'kwie-et), s. markiezaat. Marrer (maaernr). a. bederver. Marriage (meeridzj), a. huwaijk. —articles, huwelijksvoorwaardert. —bed, huwelijksbed. —day, trouwdag. —dress, trouwkleed. — favors, brul• loftsruikers, -strikjes. —.portion., huwelijkagoed. —song, bruiloftelied. —supper, bruiloftamaal, tie, huwelijksband. —able, a. huwbaar.
Wk. keertg; niet etrijdig. Ito). —quested (-kweet-1d), (-kaol'ibl), a. onberroepeliik- --ceived (-eletd'), a. onverzoebt. —quitable (-kwartIbl)„ a. niet te a. ntet ontvvngen, niet aangenomen. vergelden. —quited (-kwartld), a. onvetgolden. Unrecitened (un-rek'und), a. ongerekend. —aembling (-zein'blleng), a. ongelbkend (to). Corte claimed (ue-re-kleertid''), a. niet opge- etecht; onverbeterd; ongetemd. —compensed (rek , - cenled (-zent'td), a. zonder wrok. (rek-unUnresery a (un-re.zurr), a. openhartighetd. —ed um-genet), a. onbeloond. —concileable a. onverznenlijk; onvereentgbaer. —eon- (-zurvd'). a. —erlly, ad, onvocabehouden; zonder yoorbehoud: epenharttg; vrijmoedig, ailed (-rek'un-sajld), a. onoarzoend. —corded a. ntet, wederetaan; ( kord'td), a. onverrneld, niet to boek ;meted. U.resist ed (iin-re-ziat'id), —lug, a. geen weerat4nd bie—covered (-kuY'rird), a. nlet terug bekomen; niet onweeretaenbaar. dead (to); lijdeltjk. Irredeezn- bereteld. —deenable(-diem'ibl),a. (an-re-zoleibl), a. onogtoabaar. able —deemed (-diemd'), a. niet vrijgekoeht. Unresolw able beelotteloos. —dressed (-dreet') a. onverholpen. —dared —ed (-maul% a. onopgelost; a. niet oploesend; beeluiteloos. (-djoeet'), a. ntet herleid; onverminderd; untie- Unrespeet ed (un-re-spektnd), a. ongaerd, ondwongen. geaeht. —Ad, a. —fully, ad. oneerbiedtg. —fulness, Urireeve (un-riey') v. a. utterheren, Unre lined (-rn-re-fajnd'), a. ongezuiverd; onba- a. oneerbiedigheid. a. onttitgesteld; Reheard. —fleeting (-flekt'leng), a. onbedachtz Ram. Unre spited (nu-rea'pit-id). (-re-sponeibl), a. —forirabie ( torm'I',1), a. ntet te hervormen. zonder verpoozing. —sponsible —formed (-forced'), a. onhervormd. —fr,eted niet Yerantwoordelijk. a. onrunt. —icy, a. ruetelooe. (-freajtl, a. Unrest (un-reat'), (-frektitd), a. ongebroken. —freaked (un-re-atoord% a. niet hersteld; enverkwikt. —gareed (-gaerd'id)... a. niet genteht, Unro stored teruggegeven. —strained (-streend'), a. on.yeronallitzaamd. —generate (-dejen'ar-et), a. niet niet beperkt,onbetemmerd: teugellooe.—tentive (-ten' wedergeboren. --giolered (-red'ajte-turd), a. niet zwak (van het geheuaangeteekend. —gulated (-reg'joe-lee-tid), a. on- tin), a. niet onthoudend, gen. —tracted (-trekt'id), a. niet herroepen. geregeld. —vealed (-yield% a. ongeopenbaard. —venged UnreIgned (un-emend'). a. leugeliooe. Unre levied (un-re-tWekt'id), a. onverworpen. (-vendzjd'), a, ongewroken. —vengeful (-vender , - eted) —joieing (-dzjoy,ieng), a niet verblijdend, droe- foci), a. niet wraakraehtig.—verendf(rev'ur (-vurst'), nlet eere aardlg; oneerbiedig. —verged vig —toted (-lee'tid,, a. onvermeld; onverw ant a.a. niet argesehaft, herroepen, — vernietlgd. (to). —/axing (-19kOteng), a. oncermoeti. —letting —warded (.1ent'leng), a. onbutgzeam, onverbiddalijk; niet —robed (•yookt% a. niet herroepen. verflauwend, (-11ev'tbt), a. niet te ver- (-waord'id). a. onbeloond. (-(teed'), a. Wet geholpen,— vet, Unriddle (un-rid'd1), v. a. ontraadeelen; ophelpen. enteet; ntet at geloet.—etorkable (-neaark'- town. ,b1), a. onmerkbaar; ntet metkwaerdtg. —medied Unrifled (an•rarftd), a. ongeplunderd; ntet trokken (van geweren). niet verhol pen. (-rem'e-dtd)., --geed Unremember ed (-un-rereern'burd), a niet her- Unrig (un-rig'), v. a. onttakelen, aftulgen. (-rigd'), a. ongetakeld; afgantgi. Innerd —ing, a. niet indsebtig. Unresnett ed (yin-re-mit'tid), a. nnovergegeven; Unrighteous (un-yart,jus), a. —1y, ad. onreehtougereehtigheld. —mesa,.. veardtg, goddeloon. xenhandend; ntet overgemaakt. —ing, a. —ia'ly, Unriert ful (un-raWfoel), a. onreetstmattg. ad, onophoudelijk. Unremovable (un-re-rnorn tb1), a. —ably, ad. Unring (un-nine), v. a van riagen ontdoen. (un-rip'„ v. a ZIe to Rip. onverplqatebaar, onwriktntar. —ed (.moevd'), UK), verplaatet; onbewegelijk. Unripe (un-rejp'), a. onvijp. —nese, a. onrijpheld. R. ntet weggeruimd, Uttre nelved (un-re njoedi, a. nlet vernienwd. Unrivalled (un-raj'veld), a. zonder mededinger; weergaloos, niet geevenatird. (-peed'), a. nlet terugbetaald, onvergoi- —fed, a. onden. —p,irable (-peer'in1), a. onherstelbaar. Unrivet (un- rty'llt), v. a. loeslaan. gektonken. paired (-peerd'), a ntet hersteld. —pealable a. ontkleeden (-pield'), Unrobe (un-roobl,v. —pealed (-piel'ib:), a. onherroepelbk• Unroll (an-roof'), v. a. ontrollen. a Met h,roepen. —pealed (-plet td), a. . nlet Unroof (un-roet% v. a. van het dak berooven. herhaeld. v. a. van den roeatjagen. Unrepent ant (an-re-pent'ent), —ing, a. on- Unroost (un-roest% Unroot !un-ro et'), v. a. ontwortelen, u itroeien. be etyeardig. —ed, a. enl,erousvd. a. glad, baareleloos. Unrepinfng (nn-re.),,rning), a. —/y, hd. ge- Unrough (tan-run, (un-reaundld), a. niet gerond. Unrounded di:dtg, gelaten.
Gas (ges'), a. g. a. —holder, gaKketel. —meter, maken (worden). —one (dzje-let'i•nus), a. geleigaameter. —works, gasfabriek. achtig. Goecoatade (gcs-kun-eed'), s. gepoch. a, n. Geld (geld), s. schatting; veegoeding. poehen. Geld (geld') [pelts], v. a. lubben; verminken. ► Gaseous (gezn-us , a. gasachtig. —er, s. enijder. --any, S. ruin. (dzje-lid'it-tih), Gash (gesh, a. snede, jaap. —, v. a. diep suijden. Gelid (dzjel'id), a. ijskoud. —Jul, a. afzichteiijk. —nen. s. groote koude. Gasket (ges'kit), s. seizing. Gem TrIzjem), a. juweel; knopje. —, v. a. met Gaskins (ges'kinz), 8. wijd.e broek. juweelen versierent v. n. botten. Gaeonteter (ge-zom'i-tur), s. geometer, Gemel (dzjent'll), s. pear. —ring, gespleten ring. Gasp (gaasp), a. snik. v. a. met moeite ade- Gernin ate IdzjemTneet), v. a. verdubbelen. (-naj), men; v. n. hijgen, sns.kken. to — for life, net —ation (nee'sjan), 8. vardubbeling. den dood woearelen. s. (de) Tweelingen. —ous (-nus), a. duhbel. Gastric (ees"trik), a. den bulk betreffend. Gernm 'try (dzjem'me-rah), /3. juweeldoonje. —y, a. juweelachtig. Gastillo foist (ges-tril'o-kwiet), s. builespre—eous (-mi-us). 8. huil.spraak. ker. —quy Gender (dzjen'dar), s. geslecht. —, v. a. telen; Gastronom 1st (gea tron'o mist), a. lekkerbek. veroorzaken; v. n. pares. Genealogical (dzjen-i-e-lod'zjikl), a. geslacht—y, a. kunst (zucht) ors lekker te eten. Gastrotoiny (ges-trot'o naih) s. kelzersuede. reltenkundig. Gate (geet'), s, poort; ingaeg; boom; heft. sea- Genealcg 1st (dzjen•i-el'ud-zji.81,), a. geslac htstroomkeutering. —way, poortrekenkundige. —y (-ud-zjih), 8. geslachtsrekengolfval. kunde; geslachtarekening. wag, poort. Gather (getleur), s. kleine plooien; kalfsom- Generable (dzjen'ur-ibl), a. teeihaar. loop. —, v. a. bneengaren, inzamelen; plooien. General (dzjen'ur-e1), a. aigerneen. —, a. algea. tfrom) afleideu. (up) opdoekeu; opnemen. —, mean; geheci; generaal. —mint° s. algemeenbeid; v. n. etch vergkren. zich ophoopen; etteren. veldheer —ity —able, a. of te leiden. —er, a. ;teenier, inza- grootate gedeelte. —ization (-i•zee'ejun), a. algameenmaking. —ice (-ajz), v. a. algerneen melaar; anijtand. —ing, 8. verzameling; inza meling; ettergezwel. —/y. ad. gewoonliik. —ship, s. generaalachap; Gaud (gaod'), 8. sieraad, beuzelarij. —ery, a, vc' heerstalent. nt (deien' ur.ent). a. voortbrengend verkleerenpronk, opsel.k. —*nen, a. opzichtigheid, zwierigheid. —i/y, ad. — y, a. zwierig, opzichtig. mogen. --te (-eel), v. a. telen; voortbrengen; Gang a (geedz.j. 'i s. peilstok, standaard. —e, veroorzaken. —lion ( ee'sjun), a. voortteling; gev. a. pollen, liken, --cc, 8. virtnroeicr; liter.' elacht„ —tire (-e-tiv), a. voortbrengend; vrucht-ing-rod, peilstok. baar. —toe (-ee-tur), a. baler; voorthrengend verGaunt (gaant'), a. —ly, ad. mager, schraal. mogen; 8toomketel. Generic (fizje-ner'ik), —al, a. —ally, ad, het Gauntlet (gaaut'lit), a. pantserhanilschoen. Gaon a ;gaoz'), s. gaas. —p, a. gaasachtig. gealacht betreffend. (gev'il), a. grand. —kind, gelijke erf-, Generosity (dzjen-ur-os'it-tih), s. edelmoedigverdeeling order de kinderen. —work, vroen-I heid; mildheid. dienat. ',Generous (dzjen'ur-us), a. —ly, ad. edel; edelGavot (gev'ut), a. gavot (zekere dans). I moedig; mild; krachtig; moedig. , (dzjen'e•sis), a. Genesis (eersteboek van Gaw - k 'gash'', s. koekoek; zotskap. —y, a. on-Genesis handig., , lomp; a. lomperd. Mozee). Gay (gee'), a. --ly, ad. vroolijk, luchtig; zwierig, Genet (dzjen'it), a. spaansche hit. leveftdig. —ety (-e•tih), —news, a. vroolkjkheid; Genethliacs (dzje-neth'li-eks), a. (het) boreszwierigheid; levendigheid. I kooptrekkeu. *:are (geoz'), 8. starende built. —hound, windhond. Geneva (dzje•ni've), a. jenever. —, V. n. staren. (at. on. upon) aanstaren. —ful, Genial idzjil-nell, a. —ly, ad. voortbrengend; a. stapend. —r, 8. aanstaarder, beschouwer. I bezielend; vroolijk; aangeboren, genteel. Gazelle (ge-zeP), a. wilde geit. jGenlcults te (dgje•nik'joe-let), a, knievormig, Gazette (ge-zet'), a. otlieieel nieuwsblad. —, v. knoestig. —lion 1-lee'sjun), a. knoestigheid, a. in het staatablad plaatsen. —er (gez-it-tler'), Genit al (dzjen'i-tel), a. van de voortteling. s. echriiver (uirgever) van hat nieuweblad; aard- —als (-telz), a. teeldeelen. —ire, a. telend; rijkskundig„,woordenboek. genitivus (tweede naamval). —or, a. teler; Gazing (geezieng), a. (het) aanstaren. —stock. vader. ronderding; iemand, die nagewezen wordt. Genius (dzjrni-us), s. genie; bescheringeest, a. (graszode. Gazcn schutsengel. Gear (glee') e. kleediox, gewaad; tuig, gareel; Genteel (dzjen-tiel'), a. —ly, ad. wellevend; inkardeel. --eapsteee, cake; spil. pump—, pomp- nemend; lieftallig; wel geklted. —seas, a. weltoestel. —, v. i. optuigen. levendheid: bevalligheid. v. a. bedotten. ' Gentian (dzjen'sjenl, a. gentiaauwortei. (deck (gab), s. bedrogane. Geese (glee), s. pl. van GooLie. ,Gentil a (dzjen'tajl), a. heidenseh; tot; ieetti:volk Getable (dz eribl), a. bovrieshaar. behoorend; a. heiden. —lam GtiLizrn),I,s. heldes, Gelatin (dzjel'e-tin), a. geleiachtig. —, a. gelei- dom. —itious (411-Was), a. aen eau .volk (gen. tot geld' elacht) elgen; erfelijk. —ity, (•tillt-tik1 ► , sta. —ale (dzje.tet•ueet), v. a.
loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.

In welke landen cryptogeld illegaal


Coinbase requires you to link a bank account, or credit or debit card to your Coinbase account to purchase cryptocurrencies. Using a bank account allows for higher limits ($100/transaction, $2,500/week), but it also takes longer to verify transactions, so you will not see money in your Coinbase wallet for two to four days (depending on your bank). And when selling Bitcoin, once the sale is confirmed, it takes two to four days for the proceeds of that sale to show up in your bank account. With a credit or debit card, limits are lower ($200/week), but you can purchase digital currencies by simply transferring funds from that bank account to the site. For these transactions, Bitcoin shows up in your Coinbase wallet instantaneously. You can also sell Bitcoin to your PayPal account, effectively cashing out, as your Bitcoin will be exchanged for local currency. This transaction, too, is instantaneous.
DEM,—DEP. (-ridzj), a. liggeld. days of —rage, ligdagen. —rer, a. vertrager; bealuitelooze. Demure (de-mjoer'), a. —1y, ad. atemmig, zedig, bedeesd. —ness, a. zedigheid, bedeesdheid. Den (den), a. hol; apelonk. --, v. n. in een hol women. Denary (den'e-r1h), a. tientallig. a. tiental. Denationalize (de-nes'sjun-el-ajz), v. a. van de nationale rechten berooven. Denaturalize tde-netloe-rel-ajz), v. a. onnatuurl(jk make,,. Dende Its (den'drajt), e. boomsteen. —ologiet (-drol'ud-zjist), a. boomkenner. —o/ogy (-drol' ud-zji•), a boomkunde. —oid. a boomachtig. --olite. a. verateoning eener plant. Deal able (de-naj'ibl), R. loochenbaar. —al, a. ontkenning; weigering; verloocheuing. —er, a. verloochenaar; weigeraar. Denigra• te (den'i-greet), v. a. zwart maken, Lelasteren. —lion (-gree'sjun), a. belastering. Deniz ation (den-i-zee'sjun), a. erkenning ale burger. —en (den'izn), a. vrije burger; genaturalizeerde; v. a. het burgerrecht geven; ale burger erkennen. Denouaina te (de-nomn-nest), v. a. noemen. —lion (-nee'ejun), s. benaming. —tire, a. benoemend. —tor, a. naaingever; noemer (tenor breuk). Denot ation (den-o-tee'sjun), a. aanduiding. -noon, coot'), v. a. aanduiden, aanwtjzen, ken— merken. —anent (de-noot'ment), a. aanduiding; kenteeken. Denounce (de-naaunan, v. a. aankondigen; dreigen; aanklagen. —meat, a. aankondiging; aanklacht. —r, a. aankondiger; aanklager. Dens e (dens'), a. dicht,—enese,—ity, a. dichtheid, vastheld. Dent (dent') a. kerf; tand; deuk. v. a. kervan; uittanden; deuken. —al, a. tot de tanden behoorend; s, tandletter. —ate, —ated 1-teet-idl, a. getand. —ed, R. ingekeept; getand. —icie,—il, a. tandje; uitstekend puntje. —iculated(-tik'joeleet-id), a, getand. —ijorns, a. tandvormig. —ifrice (-ti-frie), a. tandpoeder. —ist, a. tandineester. —Mon (-tis'ejan), a. (het) tanden krijgen. Denud ate (de-njoe'deet), —8 (•njoed'), o.a. ontblooten. — ation (den-joe-dee'sjun), a. ontbloo. ting. Denuncia te (de-nun'sjl-eet), v. a. bekend maken; dreigen; aanklagen. —lion (-ee'sjun), a. bekendmaking; bedreiging; aangifte. —tor, a. aankondiger; aangever. —tory, a. aankondigend; betichtend. Deny (de-nar), v. a. loochenen; ontkenuen; geren. Deobstr uct (di-ob-strukt."), v. a. open maken; belernmeringen wegruimen. —vent (di-ob'atroeent), a. wegruimend; zutverend; a. losmakend middel. Deodand (dPo-dend), a. zoenoffer; godagift. Deoppilative (di-op'pi-le-tiv), a. suiverend. Deoxida te (di-oks'i-deet), v. a. ontzuren. --tion (-dee'sjun), a. ontsuring. Depaint (de-peent'), v. a. afschilderen. Depart (de-paarte), v. a. verlaten; aeheiden (van metalen), — this life, overlkiden. —, v. n. ver-
Badge (bedzj), s. kenteeken. —, v. a inerken. Badger (bed'zjur)., a. das; uitventer. v. a kwelien. Baffle (bef'Th., a. teleurstelling. —, v. a. bedriegen, teleuretellen; overbluffen. —r (bef-dun), a• verijdelaar; beschamer. v. a. . in can' zak steken; Bag (beg), e. zak. v. n. zwellen. —pipe, doedelzak. —piper. doedelzakspeler. Bagatelle (beg-e-tel'), a. kleinigheid. Baggage (beg'gidzj), a. bagage; alet. li Bagging (beg'gieng), a. paklinneu (anon katoenbalen). Baguio (ben'jo), a. badbuis; bordeel. Itagno iben'jo), a. bagno, (de) galeien. Ball (beer), a. bong, borgtocht. —, v. a. bong.preken voor. —able, a. vEthaar voor borgstelling. —ee (bee)-ie'), a. bewaarder van toevertrouwd goed. Bailiff (bee'lif), a. sehout, baijuw; gerechtsbode. Bailiwick (bee')--wik), a. baljuwachap. Bait (beet), a. lokaaa; veranapering. —. v. a. loklen; aanvallen; v. n. pleiateren. —ing-place, s. pleisterplaats. Baize (beet), a baai. Bake (beck) [baked, baker. LI, T. a. & n. bakken. —house, bakkerij. —r (beeil'ur), a. bakker. illcaking (beekiieng), a. baksel. Balance Iberens), s. balana; what); evenwicht; saldo. —, v. a. wegen; vereffenen, atslaiten; e arzelen (about). Balcony tberko-nib), a. balkou. Bald (haold), a. —1y, ad, kaal. —nest, a. kaalheld. —pate, kaatkop.
AFL. Arierigen, ov. w. to drive down,-- away; to chase off; to overdrive, to override, to founder, to jade. Apakkeiren, or, w. to founder, to jade; to rate. Afkaatten, ov. w. to east to parry; to ward) off; to avert, to prevent. Afkabbelen, ov w. to fret (to wear) away. Afkakelen,ov.w. to chatter, to jabber, to gossip. Afkalken, on. w. to lose lime. Afkommen, ov. w. to comb off. Afkanten, ov. w. to take off the corners. Afkapp en, or. w. to cut (to chop) off; to suppress. —fag, v. chopping off, elision, suppression. —ingsteehen, o. apostrophe. Afkeer, m. aversion (to), — hebben van, to dislike. krt)gen van, to take an aversion no. —der, m. averter. ov. w. to turn off, — aside; to avert, to prevent. —ig, by. & bw. averse (-1y). —igheid, v. averseness, aversion. —ing, v. turning (warding; off; averting. Afketar der, m. blamer, censurer. —en,or.w. to disapprove, to condemn, to censure, to cry down, —ing, v. disapprobation, condemnation, censure. Afk.marenswaard14, by. blamable, censurable. AfkUken, ov. w. to spy, to oboe... to learn by !coking at; to temporize, to watch on opportunity, to ferret, to te•rutinize. Af Madden, ov. w. to botch, to patch up. Afklar en, ov. w. to clarify, to clear off, to decent. --illy, v. clarification, decantation. Afklenteren, on. w. to climb off, — down. Afklenamen, ov w. to pinch off. Afkieppen, ov. w. to make known (to publieh, to proclaim) by rIngtng a bell. Afkllmnaen, on. w. to climb off, — down, to descend. Afkloppen, ov. w. to beat off; to drub, to thrash. Alkiniven. ov. w. to pick, to pick off. Atkreeibbelen., ov. w, to nibble off, to browse. Afknagen, ov. w. to gnaw off, Afknappen, ov. w on. w. to snap off; to break (to fly) off with a snap Alknauwen, ov. w. to gnaw off. Afknellen, ov. w. to pinch off„ Afkne•el scar, na extorter, extortioner. —en, or. & on. w. to extort. —ing . extortion. Afkasibbel a ss, ov. At on. w. to cheapen, to abate, to beat down the price, to get by haggiine. —ing, v. haggling, leggling. Afknfjpen, ov. w. to pinch off. Afkulp pen, ov. w. to clip (to cull off. —per, m. clipper. — ping, v. clipping. —eel, n. clippings. Afknoelen, ov. w. to botch (to hammer, to bungle) up. Afknotten, ov. w. to lop (off), to prune; to truncate; to clean (etas). Afkoel en, or. & on. w. to cool, to refresh. —rat, cooler, cooling-vat, —er, m. cooler. --ing, v. cooling. Afkok en. or. w. to boil (off), to decoct, to elixate. —ing., v. decoction, elination. Atkosn sling, m. & v. descendant. —elingschap, v, descendants, offspring, posterity. —en, on. w. to come down, to descend; to come (fro :A); to get rid off; to come off; to derive, to spring. Alkonsef, v. descent, birth, origin, Wt. /action;

In welk land Bitcoin is verboden


nit-tih), s. verdeeldheid. Mims age (dis -joe'zidgj), — e ( - foes'), a. onbruilt. —e (-joes), v, a, ontwennen, niet meer gebruiken. Disvailu atlon (dis.vel-joe-ee'sjun), a. gering!whetting. —e (-vei'joe), v. a. kleinachten. Disvouch (diz - vautar), v. a. weerspreken. v. a. Ditch (ditsj'), a. gracht, sloot; goot. met tent gracht omgeven; v. n. cent gracht, enz. maken. —er, a. graver. —delivered, a. van loge geboorte. Dithyramb (dith'i-remb), a. bacchuszang. —ic (-retn'hik), a. dithyrambisch. Dittander (dit-ten'dur), a. peperkruid. Dittany (dit'te-nib), s. esschenkruid. Ditto (dit'to), a. hetzelfde, dito. Ditty (dit'tih), s. gangvers, lied, deuntje. Diurnal (daj - uenel), a. dagboek. — , a. dagelijksch. —ly, ad. dagelijks. Diuturn al (daj-oe.tur'nel), a. langdurig. —ily, a. lange duur. Divan (di-van'), a. turksche read; rookkamer. Divarica te (daj - verl.keet), v. a. in tweeen deelen; splijten; v. n. zich in twectn deelen. —lion (-kee'sjun), s. vorkswijze splijting; veerkracbt; dubbelzinnigheid. Dive (dale'), v. n. duiken. (into) uitvorschen, doorgrontien. (away; wegslutpen. —r, a. dottier; uitvorecher; zakkenrolier; northern ijeduiker. Diverge (di-vurdzj') v. n. (from) afwijken; eenloopen. - nce, s. afwijking, uiteenlooping. —cit. a. alwijkend; uiteenloopend. Divers (daj'vurz), a. verachillende. Divers e (daj'vurs), a. —ely, ad. onderscheiden; veelvormig —ificalion (di-vur-siti-kee'sjun), s, verandering; veracheidenheid. Divers ify (di - vur'si - faj), v. a. verachillend (atwisselend) maken. —ion (-sine), s. efieiding, atwending; uitspanning, vermaak. —ity, s. verecheidenheid. Divert (di-vurt'), v. a. aileiden; aftrekken (from); vermaken (with). —et., a. middel tot *Adding. —ing, —ire, a. —ingly, ad. vermakelijk. —ice OW, v. a. verlu,tigen. —izement (-tiz-ment), a. verlustiging, vermakelijkheid.

BEL — B1S51. for concerning, with regard to. —hebbende,m. & v. participant, party concerned, --etik, be. important. —rUkheid, importance. —stellend, by & bw. eoncerned (- I y), t interest,(In). —.telling, v. concern, interest. —teekkend, be. interesting. Balappen, ov. wn to patch (ep). naiad' bear, by. texuble. ,arkeid, v taxability. —en, ov. w. to to.d, to burden; to charge to bid; to tax, to lay taxes upon; rich t. w. (met; to take charge of. Ilelaster en, ov. w. to calumniate, to asperse, to islander. —ing, v. ealurnhiatton, defamation. Belastlseig.. v. burdening, charging; duty, tax. —bit jet, bill of the taxes. —hantosr. collector's office. —pliehtige, taxpayer. Belf,edlg ale, cc. & v. (the) injured party, offended. —en, ov. w. to insult, to offend, to wrong, to injure, to hurt. —end, by. & bw. offensive ( - iy), injurious (-Iy). —er, m. —ster,in.ulter s offender, injurer. —fag, v. Insult, affront, offence. Belleefd, by. & bw. polite (-iy), civil (-ly), courteous (-Iy). —held, v. politeness, civility, courtesy. --heidshalve, bw. out of politenese, —c ivility. Haleennen,o, w. to loam. Baleen bear, by. fit to be pawned. —bank, v. loan-office, pawn-broker"' office. —en, ov. W. to enfeeff, to invest; to pawn, to borrow (to lend) upon a pledge, to mortgage. —er. rn. pawner; pawner, pawnbroker. —ing, v. eufeofffnent; loan, pawning, mortagi ng. Beteg, n. siege. het — titan your, to lay siege to. Bel egen, by. stale. Weleger ear, rn. besieger. —en„ ov. to besiege, to invent. —ing, v. besiegement„ siege; —egesckut, battering-artillery, -train; —dune, tactics of besieging; —stroepen, besieging troops; bwerkbatteriug-engine; --evrerken, approaches. Beteg gen, ov. w. to cover, to overlay; to line, to border, to lace; to appoint (eene vergadering), to pot out to use, to plane, to invest; to manage; to belay (ern toner). --heat, —Vamp, belayingcleat. ---etch, lining-piece; side-lining. —per, m. —ster, v. one that covers, etc. —gieg, v. covering; lining•; appointment; investment. o. lining; lace, galloon, edging, trimmings. Beleld, a. conduct, management; prudence, address. —en, ov. w, to conduct, to manage. —er. m. conductor, manager. —titer, v. conductress, manager. flostesisnier amkr, m. hinderer, abstracter. --en, ov. w. to hinder, to impede, to onetruct, to encumber. —end, be. impedtrig, encumbering, paralyzing. —ing, v. hinderance, iinpediment, encumbrance. liletend en, on. w. to border (upfin), to be con. tiguoue (to). —end, bv. contiguous, adjacent. —lag, v. contiguity, adjacency. Belet, o. hinderanee. aandoen, to hinder, to trouble, to disturb, to intrude. — preen, to decline receiving a visit. hebben, to be engaged. vragen, to desire leave to visit. hij heel, —, he cannot receive you. —eel, o. hinderenen, impediment, obstacle. —Ian, ov. w, to hinder, to prevent, to debar, (from). igelevats, ov, w. to live to see, to witneem, to experience

Hoe werkt Cryptocurrencies afwijken van de traditionele biljetten en munten


kuip. —twietovater-, kettinggaren.--xay,boolgat. waterloop.—ways(-weee),pl.watergangen.—wheel. waterred. —willow, waterwilg. —work, teekening in waterverf. —works, pi. waterwerken. liVeater (wao'tur), v. a. besproeien; drenken; materen (etoffen); v. n. waterig warden; water innemen. to make one's mouth —, doen watertanden. —age), echuitenvrecht.—cr i a. beaproeior; (de) Waterman. —tness (.1.-nete), a. waterigheld. —ing, a. besproeling, het drenken, wide. ten. water !linemen; —engine. eProCiPoraP; —pa tee, wed, drenkple.ats; hadplaate; —pot, gieter; —trou:dt, waterhak. —fah, a, watereehtig; vocht:g. —e (-tar.), pl. gezondheidebronnen; for all —, van elte markten that, —y, a. 'water*, vochtig• water-. "Wattle (avot'r)), a. beard van ran' heats; horde. v. a. met horden bezetten; met teentjea bin. den; viechten. W. 0 I (wail), v, n. Zta tea Ca:or -watt' Wave (weev'), [4. golf, hair; holkeel;oneffertheld; weak. —, v. a. gulvend (gevianid) make.; wankel?, wn;ren; efzien va-, apgevert, laten canton; v. e. goiven; zweeen; zwaaten; wutven; weiNen. d, R. geg olyd, gevlarnd. —leo, a. elf., glad; kaltn. Waves- (wee'vur), v. at. wankslen, waggelen; wet-er, a. weifelaar. —ing, a. —ingly, ad. wankeiend, heelutteloos; oneeatendig. Vinarn.o. (weey'aen), a. ceedrift. Wavy (wee'vth), i. golvend; gegolfd. Wax (wake), a. wet; corsmeer;lak. —baby, —doll, wessen pop. —candle, watikeara. —chandler, wa3kooper, wakAraeroenmaker. —end, epinactidraad, —leather, gewaat leer. --light, —taper, waeka•rs. waepit. —wotk, waseen beet& —works, pl. kabinet van yelper' beelden. —, v. a. wain., met was bentrijken. (weks'a), a. van wee, weasel, —y, a. wagaehtig. Wax (weks) [waxed tacxeni, v. n. waseen, toenemen., worden. Way (wee'), v. weg; riehting, loop, voortgong, vaart; rnimte, alotand; rniddel; wijze, gawoontr, gebruTh wit, zin. a great —, ver. any op de sane of endures wijze. oy — of, bij wijze van. by the —, in 't voorbijgaan, ter loepo every —, in leder opzieh.. in the —, voor (bij; he hand, gereed. no —, geenezina. out of the —, nit den weg; batten den regal; buitentiporig: rats, whirls —, waerheen; o welko wijze. to break the halen, u%twljken. to cle, the —, nit den weg goon, plaate MAIM- to fall in one's, — iemand wedervaren, overkween. to give —,wijken; nemen; toe.geven. to have one's —, zij u ' ale volt.. to keep out of the --. 4rbergen; zichsehuil houden. to level the —, voorgettn. to state nit den wag Wean, plants maken. —bill, passogierm-. goederentijet. —bit, emit weegs. —bread, —broad, weegbree. —water, vuneiooper. weganjzer. —passtager, reiziger, die onderweg wordt opgenomert. —thistle, haverdistel. kruiedoom. —warden, opzienter der wegen. —wise, met den weg bekend. —wiser, weg:neter. —worn, door het rotten vermoeld. Way facer (wee'ree -rue), a. relztgor. —faring, R. reizend; —tree, meelboon, wilde wijngaard. —in, a. Ingeng.

Welke cryptogeld is het beste om te investeren in India


plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-
Behead (be-bed'), v. a. onthoofden. Benedlc tine (ben-e-dik'tin), a. benediktijner Behest (be-hest'), s. bevel. monnik. —lion 1,sjual„ a. eegening; wijding. Behind (be-hajnd'), ad. achteraan, ten achteren; Rene faction (ben-e-fek'sjun), a. weldaad. —hand, prp. achter. ad. ten achteren, achterlijk. —factor, a. weldoener. —factlese, a. weldoenster. Behold (be-hoold') [beheld], v. a. aanachouwen. —fire (ben'e-flat, a. kerkelijk ambt. —ficed (-fiat), —, int. zie eens! zie1 —en. a. verplicht. a. een kerkeltk ambt bezittend. 'Reboot' (be-hoof'), s. gerief, nut. Beneficen ce (be-neri-renal, a. weldadigheid. Betio° ve (be•hoev"), v. a. voegen, passen. —t, a. weldadig. —cable, —reful, a. geriefelijk, dienatig. Benefici al (ben-e-Ils'ejel), a. —ally, ad. voorBeing (bileng), a. wezen; bestaan. —, part. dewijl. d eelig. —ary (-sje-rib), a. onderhoorig; s. kerkelijk Belabor (be-lee'bur), v. a. afrossen. beambte. Belated (be-leet'id), a. door den nacht overvallen. Benefit (ben'e fit), a. weldaad; voorreeht; voorBelay (be-lee'), v. a. insluiten, berennen; ejorren. deel. —night, benefice-voorstelling. —, v. a. beBelch (belts)), s. °primping. —, v. a. oprispen. voordeelen; v. n. voordeel trekken. Beldam (bel'dem), a. grootje; heks. Bonet (be-net'), v. a. verstrikken. Beleaguer (be-lie'gur), v. a. belegeren. Benevolen cc (be-nev'o-lens), a. welwillendBelfry (herfrih), a. klokketoren. heid. —t, a. welwillend, gunstig. Belie (be-larl, v. a. heeten liegen; belasteren. Benight be .n ajt!), v. a. in duisternis hullen. Belle f (be-lief'), a. geloof. —cable, a. geloof—ed, a. door den nacht overvallen. boar. —ve (-Her), v. a. gelooven (upon, op); v. n. Benign (be-najn'), a. —ly, ad. goedaardig, geloovig ziju (in). —ver, a. geloovige. —vingly,

DEM,—DEP. (-ridzj), a. liggeld. days of —rage, ligdagen. —rer, a. vertrager; bealuitelooze. Demure (de-mjoer'), a. —1y, ad. atemmig, zedig, bedeesd. —ness, a. zedigheid, bedeesdheid. Den (den), a. hol; apelonk. --, v. n. in een hol women. Denary (den'e-r1h), a. tientallig. a. tiental. Denationalize (de-nes'sjun-el-ajz), v. a. van de nationale rechten berooven. Denaturalize tde-netloe-rel-ajz), v. a. onnatuurl(jk make,,. Dende Its (den'drajt), e. boomsteen. —ologiet (-drol'ud-zjist), a. boomkenner. —o/ogy (-drol' ud-zji•), a boomkunde. —oid. a boomachtig. --olite. a. verateoning eener plant. Deal able (de-naj'ibl), R. loochenbaar. —al, a. ontkenning; weigering; verloocheuing. —er, a. verloochenaar; weigeraar. Denigra• te (den'i-greet), v. a. zwart maken, Lelasteren. —lion (-gree'sjun), a. belastering. Deniz ation (den-i-zee'sjun), a. erkenning ale burger. —en (den'izn), a. vrije burger; genaturalizeerde; v. a. het burgerrecht geven; ale burger erkennen. Denouaina te (de-nomn-nest), v. a. noemen. —lion (-nee'ejun), s. benaming. —tire, a. benoemend. —tor, a. naaingever; noemer (tenor breuk). Denot ation (den-o-tee'sjun), a. aanduiding. -noon, coot'), v. a. aanduiden, aanwtjzen, ken— merken. —anent (de-noot'ment), a. aanduiding; kenteeken. Denounce (de-naaunan, v. a. aankondigen; dreigen; aanklagen. —meat, a. aankondiging; aanklacht. —r, a. aankondiger; aanklager. Dens e (dens'), a. dicht,—enese,—ity, a. dichtheid, vastheld. Dent (dent') a. kerf; tand; deuk. v. a. kervan; uittanden; deuken. —al, a. tot de tanden behoorend; s, tandletter. —ate, —ated 1-teet-idl, a. getand. —ed, R. ingekeept; getand. —icie,—il, a. tandje; uitstekend puntje. —iculated(-tik'joeleet-id), a, getand. —ijorns, a. tandvormig. —ifrice (-ti-frie), a. tandpoeder. —ist, a. tandineester. —Mon (-tis'ejan), a. (het) tanden krijgen. Denud ate (de-njoe'deet), —8 (•njoed'), o.a. ontblooten. — ation (den-joe-dee'sjun), a. ontbloo. ting. Denuncia te (de-nun'sjl-eet), v. a. bekend maken; dreigen; aanklagen. —lion (-ee'sjun), a. bekendmaking; bedreiging; aangifte. —tor, a. aankondiger; aangever. —tory, a. aankondigend; betichtend. Deny (de-nar), v. a. loochenen; ontkenuen; geren. Deobstr uct (di-ob-strukt."), v. a. open maken; belernmeringen wegruimen. —vent (di-ob'atroeent), a. wegruimend; zutverend; a. losmakend middel. Deodand (dPo-dend), a. zoenoffer; godagift. Deoppilative (di-op'pi-le-tiv), a. suiverend. Deoxida te (di-oks'i-deet), v. a. ontzuren. --tion (-dee'sjun), a. ontsuring. Depaint (de-peent'), v. a. afschilderen. Depart (de-paarte), v. a. verlaten; aeheiden (van metalen), — this life, overlkiden. —, v. n. ver-
Phoenix (fl'rithe), toy. Phenix. Phrigan (fria'aji-e), g. Phrygte, a. Phrijgiach; 1. Phrygler. Plcnsrdly (pileer.dih), g. Picardie. Piedmont (pied'munt), g. Piemont. —ese (-iez), 1. Premontces. Pilate (paj'let), in. hiatus. Pindar (pin'dur), m. Pindarus. Plantagenet (lien-ted'sje-nit), or. Piantagenat. Plato (plee'ta). m. Plato. Plelad es (plie'e-diez), —a (pli'edz), my. the —, de Pleiades. Pliny (plin'th). Plutarch (pljoetaark), m. Plutarchus. Plymouth (plim'uth), g. Plymouth. Poland (pn'lenclt. g. Poles, —er, 1. Foal, Polak. Pol e (pool), 1. Pool, Polak. —ish, a. Poolsch. Poll (poll?), —y, f. sour Mary; Mietle, Mie. Poly bins (po lib'i-us), tn. Polybius. —carp (pol'i-kaaro), m. Polycarpos. --hymnia (1.1 g. P olymy. Polyhymnia. —nesia nettle. Punreraaafe (oom-e-ree'nl-e), g. Pommeren. —n, a. Pommersch: 1. Pommer. Pomona (po-mo'ne), my. Pomona. Pomp ell (pum•pi'l-aj), g. Pompey m. Pompejua. Pontefract (porefret), g. Pontefract. Pope (poop), ra. Popo. Pontamemomath (poortemuth), g. Portsmouth. Portug al (poortioe-gel) g. Portugal. —um, (-IOW, a. Portugeesch; 1. Portugece, (de; Portugeezen. Potomac (po-to'mek), g. Potomtio. Prague (PraeK), K. Prang. Praxiteiea. Praxiteles (peeks-it'il-lez), Presect (pree'kut), m. Prescot. Peg area (prayera), m. Primus. —or (or), tn. Prior. Prometheus (prom-PtTes), my. Prometheus. Proserpine (pros'nr-pa a), my. Proserpius. Puoteus (pro'tjoes), m. roteue. Pruasia (prusri-e). g. Praisen. —n, a. Pruisisch. 1. Pruitt. Psyche (sarki), Psyche. Ptolemy (tors-mib), no. Ptolemeus. Puglia (pjoella), Pusey (pjoe'zih), in. Piracy. Pylades (pll'e diet), n.. Pilades. Pyren elan (pir-e-nl'en). a. Pyreneesch. —Ho (piee-niez), g. the —, de Pyrenees'. Pythagoras (pi-theg'ur-ea), m. Pythagoras. Pythia (pith'i-e), my. Pythia. Python (parthun), my. Python.
Ruble (roc'hi), a. roa!'el. Rommnge (rum'rnidzj), a. g•rafig; ondeizoe",, Rubric (roe'brikl, a. rood gemerkt. s. ru- geanuffel. —, v. R. doorsnufreien, doorzoekrn; brick; 1'00n:eche kerkregels. —al, a. met rood v. n. snuffelen (for, near). gemerkt; in rubriekert verdeeld. --ate (.ke,1!, v. Rumnber (rutreosur), R. merrier, bokahl. a. met rood tnerken. Rstranor ;roe'mur), a. gerueht. —, v. 8.. veebreiRuby (rne'biht, a. rood. —, a. rob)jo; roode puict. den, uttstrooien. —er, a. nitstrooier. Cluck (rub), a. krettlrel, Wool. —, v. a. brett',n, Rump (romp'), m. atuitbeen; bruin; Tompparlev. n. neerbukkett. ment. —bone, aehaambeen. —fed, dikbuikig. Ruetetion (rub-tee'dji1.11), R. opriaping. —steaks, lapjee van eon lendeatuk. Rudder trud'dur), a. roer. atoorreepko- Roiuiaie (rum 1 r1), u. kreuk. —, V. R. kreuken. ker. --chain,sorgkettlnK. —chock, roerk111, —coca, Run (run). a, loop, gang, vaari.; voortgaug; Ranroerbroeking. —head, roerkoc-, roermal. loop; toeloop, rummer, venom; omzet; bock: spot; —pint/e, roerhsak, vingerling. —dole, morale?. mauler. at the long —, op den dour, door leugte —stopper, roermeninkel. —strap. yneratrop. van tijd. —tackle, roertaiie. —yoke, Job van het roer. Run (run') [ra, run], v. a. loopen; 1,1(41:Iron, Rudd ill14.11(1'11(1. 1 di neon), B. roodheid. —te (rod'- ateken; jagen; Inedevooren; binnensmokkelen. d1), a. roodaarde. —ock (-4lukk ro.dbor.t.i.- —aground, eau den grond setten. --the hazard A. rood, blozend, of op 't repel zetten. — a horse, galoppeeren. Rude (rood'), a. —/y, ad. ruw; grof; Comp; onbe- — the risk, hot gevaer loopen. ;down) (nevertiellaltd. --near, a. ruwbeid; lompheid; onbe- loopen; in den pond zeilen; tot zw -kjgen brawn, aehenfdlield• in minaehtintr beengen. (out) doorbrenven. Iover Itudent.r. (roe'den-noer), a. kabeling (Ran doorloopen. (throrgh) dooriteken; doorbroneen. sullen). (up) °platen; opdrlIven; ophernelen. —, v. Rudiment (ree'di-ment). a. grondbeginsel. —al loopen, Teuton; vioeten, ,,troonien; ettoren; (-ment'el), a, aanvankelijk. druipeu, lekt, en; straiten; Itticien. — counter to, Rue (ror'), a. wijnruit; berouw. --,, v. R. betreu- eandrutachen tegen. foot of, in den W.nd root; berouw hebben over. —fat, a. —fal?y, ad. varen, overzeilen. —high, bolatasn; hosg toupee. treurig; berouwhebbend. ---fatness, a. treurigheid. into debts, Bch)) Wen ma— coed, gel( word.. insail' (ruin, a. p leat; hal,krnag, kapperne; good- ken, not of one's wits, zijn veratand verli,zen. imam kerephann; tract; hoadte. —, v. a. kreo- — to seed, sand zetten. (about) )0.4).01)*!) , ((Vier) ken; troeven. naloopen; it/nu:en. (down) aratrournen, afdrotpon. Ruffian (rurnen), a. —1y, ad. worst, barbearscit. (in upon) toelonpe, op. (in with) Watt:rumen met. a• woeatelinr, barbaer; booiwieht; ntoorde• (off) wegloopen• (on) volrtgann. (cot) of-, —like, R. Zte Rvalflenay. loopen. (over) overloopen, (through) dooyloopen. Ruffle (rut'il), a. manchet. lob, horn; getfer, (up) 01) 1 . 0 1,, n; ()Mu.) , (ep to) tuele,open 0 1, brakeel; roffet. —, v. a. fr,,mmelen, k•eulten; —away, a. vittehteling. plooten; bijeen capon; in verwarring brengetr; (rued'. ar tidle (run d'di ), rol, rorldsel; sport. doen ontatellen; v. ruw wordon; krakee)en; lit), a. vaatje. fladderen. Mine (corn), a. ronemchrift.
atoffelijk. —punishment, liiistraf. —,s. korporaal; Cordelier (kor-de tier), s minilerbroede, Cordial (kor'di. el), a. harisierkund, tiartelijk. i iniadoek. —ity (kor-po-rel%), s. lichamelijklield; e.' stoffelijkheid. —, hartsterkend raiddet. —ity (-6'11 hartelbkheid. —ly, ad. on harte. --ness, B. bar- Corpora te (kor'po-ret), a. —tety, ad. ingelijrd. —teness, a. saamverbondenheid. —tion (-ree'ajun), telijkbeid. a. genootachap; gild; gemeenteraad. Cordon (kor'don), a. munrweik, cordon. Corpore al (kor-po'ri-el), a. —ally, ad. lichameCordovan (kor'do-ven), a. Zie Cordwain. liehamelijklijk, stoifelipc. —ity —road, Corduroy (kor'djoe-roj), a. bombazijn. § held, stoffelijkheid. weg van blokjes hoot. Cordwaln (kord'ween), a. spaansch leder. —er, Corposant (kor'po-zent), a. St. Elmusvuur. Corps (koor), a. bende; korps. a. lederbereider; schoenrnaker. Core (koor), R. binnenste, kern; blokhuts; etter. Corpse (korps), a. lijk; romp. Conscious (ko-ri-ee'sjus), a. lederachtig; taai. Corpulen ce (kor'pjoe lens), —cy, s. zwaarlkjvigheid. --C, a. zwaarlijvig. Coriander (ko-ri-en'dur), s. koriander. Corinthian (ko-rtn'thi-en), a. korinthisch. —or- Corpus cie (kor'pua-s1), a. lichaampje; stofa. losbandig deeltje.—etaar(kor-puti'kjoe - ler), —cutortan(-kjoeder, korinthische bouworde. lee'ri-en). a. stofdeeltjes betreffend. menseh. Cork (korle), a. kurkboom; kurk; § kalkoen (aan CorradiatIon(kor-ree-dt-ee'sjun),s. vereeniging eon haeflzer). —, v. a. dichtkurkent § van kal- van atralen in 66n punt. koenen voorzien, scherp zetten. —ing-pin, ha- Correct (kur-rekt'), a. —ly, ad. nauwkeurig, kerspeld; paknaald. —screw, kurketrekker. —tree, joist. —, v. a. verbeteren; kastijdpn. —ion (-rek' t,jun), a. verbetering ; berisping; kastijding. kurkboom. —y, a. kurkachtig; kurken. —tone, a. verbeterend. --ice, a. verbeterengi; s. Cormorant (kor'mo-rent), a. zeeraaf; vraat. Corn (korn'), a. koren, groan; korrel; likdoorn; verbeteringsmiddel. —ness, a. juistheid, nauwmats. —, v. a. korrelen; pekelen. —beef, pekel- keurigheid. —or, a. verbeteraar; tuchtiger; corvleesch. akkerwinde. —bottle, koreribloem. rector. —chandler, korenkooper. 4 —cracker, scheld»aarn Correia te (kor-re-feet'), v. n. eene wederkeerige your Kentuckter. —cutter, likdoornsnUder.§ —dad- betrekking hebben. —tion elee'sjuni, 8. wederger, soort van koek. —factor, korenmakelaar. zijdsehe betrekking. —field, korenakker. —flag, zwaardlelie. —floor, Correintive (kur-rere-tic), a. —ly, Rd. wederdorschvloer. —flower, korenbloorn. § —juice, bran- 10.4 betrekkelijk. —ness, s. wederkeerige bedcwijn. —loft, korenzolder. —merchant. koren- trekking. kooper. korenmolen. —poppy, klaproos. Correapon d (kor-re-spond'), v, on. briefwisite-rocket, berth. —salad, veidsaiade. —trade, graan- sing voeren; overeenkomen met, beantwoorden ran, (to. with). —deuce, —dency, s. briefwtsseling; handel. korenwaRg- overeenstemming. —dent, a. —dimity, ad. overCornea (koeni-e), s. hoornvlies. eenstemmend —dent, a. correspondent. —sire., Cornel (kor'n11), a. kornoeljeboom. a. overeenkomstig. Cornelian (kor-nle'li en), a. kornalijn. Corridor (kor'ri-door), s. gang, galerij. Cornernuse (korn'mjoes), a. herdersfluit, Corrigible (kor'rid-zjibl), a- verbeterlijk, straf. Corneous (kor'ni-us), a. hoornachtig. Corner (kor'nur), a. hook. —house, hoekli uis. —tile, boar. noknan. —tooth, hoektand. —wise, overhoeks. Corrival (kor-raj'vel), a. mededinger, -minnaar. —ed, a. gehoekt. 4 — , v. a. in het nauw brengen. —ry, s. raededinging. Cornet (kor'nit), a. boron; peperhuis; vaandrig; Corrivation (kor-r-vee'sjun), s. samenvloeiing. Corrobora nt (kor-rob'o-rent), R. versterkend. hoof. —cy, s. rang van kornet. (-ree' Cornice (koenis), a. kroonlijst. —te, v. a. veraterken, bevestigen. sjun), a. bevestiging; versterking. —tire, a. verCornicie (koentkl), a. horentje. Corniculaie (kor-nik'joe-let), a. horenvormig; sterkend; bevestigend. Corro de (kor.rood'), v. a. wegknagen; invregehoornd. Corniforni (kor'ni-form), a. horenvormtg. ten. —dent, a. wegknogend; invretend; a. bkitmiddel. -dibilily (kor-ro-di-bil'-), 8. vatbaarheid Cornigerous (koe.nid'zjur.ue), a, gehorend. voor invrettng. --dible (kor-ro'dibl), a. vatbaRr Corona te (kor-njoet'), v. a. horens opzetten, tot voor invrettng —sion (. ro'sjun), s, wegvreting. horendrager maken. —to (-njoe' to), H. horengl rager. —sive, a. —nicely, ad. (-ro'etv-), wretend; kwelCorny (kor'nih), a. horenachtig; gekorreld; groan- rijk; sterk, koppig. lend. —sive, a. bijtmiddel. --saneness, a. bijtendCorolla (ko-rolle), a. kreontje (eener bloem). heid, scherpheid. Corollary (koeul-le-rih), a. gevolgtrekking; toe- Comma nt (kor'rjoe gent), a. rimpelend. —te gift. (-get), R. gerirnpeld. —te (-:feet), v. a. rimpelen. Corona (ko-ro'ne), a. kroonlijst. —I, a. kroon, —tion (-gee'sjun), a. rimpeling. v. a, krona; R. tot de kruin hehoorend. --ry (kor'o- Corrupt (kor-rupt'), a. beglorven, snood. bederven; omkoopen; v. n. bederven, no-rib), a. eene kroon betreffend. —ry-vein, R. kroonader. —ry-artery, kroonslagader. —tion (kor- bederver; omkooper. a. kroning. ness, a. vatbasrheid voor bederf, voor omkooad. aan bederf onderheCoroner (koeo-nor), 8. lijkschouwer. ping, Coronet (kor'n-net). a. kraontje; hoofdsieraad. vig; voor omkooping vatbaar. —ion ( rup'sjun), Corporal (kor'pa-rel), a. —ly, ad. liehamelijk, s. bederf; verdorvenheid; omkooping; ettering.
Arbooken, ov. w. to book, to enter. Afboesann, ov. w. to rub Ito scrub, to brush) off; to drive a way., Arbooten,ov. w. toatone for. A fb urgen, or. w. to borrow (from). Afbortatelea,or. w. to brush off, — away. Afbottelen,ov.w. to bottle (off). Afberenk, v. pulling down, demolition; rubbish, materials. voor for dernoliehing, for rubbish. Af bras/den, ov.& ou. w. to burn (down off). Afbrek en, or. w. to break off; to pull down, to demolish, to strike; to interrupt, to stop, v. lireeking off; pulling down; rupture. Afbreuwei.a, or, w. to bring off, — down; to dissuade (to divert) from; to set afloat &pin; to *aye; to coins off. Albs euk, v. wrong, injury, damage, prejudice. -- do., to wrong, to injure, to hurt, to damage, to prejudice, to derogate; to hares. Albrortalafers, or. w. to patch up. All.unkkal en, ov. w. & cat. w. to crumble down, — off, to scale elf. —ing, v. crumbling off. Albs, limber., On. W. to tunable down. Affiltek, o. pent house, pentiee, shed. AfriAll en, on. w. to go (to cone) down, to de. acen.i; to condescend (to). --ing, v. ile,Canf; condeacemion. Afrionineen, or. w. to keep cif by a dike; to datn up, to embank. Afdonnik en, or. w, to discharge. to discard :, to dimnies, to cashier, to diebriol; to ivy up. —tog, v. dnicharge, &emit:Ise!, diebandintr• Afdret *,/11, or. W. to divide, to close, to parcel out. —fog, v. dividing; dieter., section, ;bragraph, head. Afdehxzen, on. w.to withdraw. to retteat. Aidekken, or. w. to uncover; to clear (the table); to helabor,to drab. Aiding en, or. & on. w. to , heapsn, to abate, to beet down the price, to haggle or. —sr, m. —slur, v. c heapener, haggler, bergainer. Arcing., ov. w. to put (to 'strip, to pluck, to tyke) off; to w ipe off, ;o clean; to bring to a cove, to put an end to, to terminate; to rumble; to clear, to pay off, —d, be. derisive. —ing, v. tnking off; eettlement„ clearing, liquidation, trAnnnction. Ald ► kkest, on. w. to come down. Aldermen, cn w. to wither And fail off. Afdranien, ov. w. to turn (to wring) off; to finish on the lathe; on w. to go off. Aldragen, or. w. to carry down; to Wear off, — out. sec* t. w. to cease bearing fruit. AfdrUs, en, ov. w. to drive away, to repulse; to invite. to Anterite, to provoke aciortiou; on. w. to be driven off, to float dotes. —end, by. glisten/tee, abstereent. — ing, v. driving &wily, e'rsterston; floating down. AldrIngea, or. w. to push off, — down. AfdrInken, or. w to drink off; to drown (a quarrel). taut 0718 het —, let Un make it up over a bottle. Aldrrsgen, or. or to wipe off, — dry, to dry up. Afdruipen, on. w. to drop (to drip, to trickle) down. to drop off; to steal (to slink) away. Afdruk, m. copy; print; mark. —ken, ov. w. to 13
In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]

cryptogeld hoe te beginnen


plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-

Wat zijn de top 5 Cryptocurrencies


421 bilberry., wortle-berry. —brand, fire (contagrat ion) in a wood. —dna'', wild grape. —duif, woodpigeon, eulver. —gereeht, forest-court. —god, sylvan-god, satyr. --podia, —MeV, hansadryacl,woodnymph. —keen, wood-coot. —hakker, feller of trees. —hen, wood-hen. —viesster, —opeiette., wood ward. —recht, forest-law. —rechter,jastiee in eyre. —rijk, richly wooded. —weg, wood-path. —aciaig, be. woody. Bosithase, o. grove. If assess, ov. w. to tie up into bundles, to bun. die up. Bot, be. blunt; dull. stupid. —oor,looby, dolt. —, bw. bluntly, of a sudden. —, o.bone; loosening. — visren, to veer; to indulge, to give full scope. —, v. flounder; plaice; bud, eye, shoot. de — rergallen, to spoil it, to mar the business. — ranges, to be disappointed, to Le balked. Doter, v. butter. — b{1 de visa, money dolirn upon the nail. —been's, butter-cake. —bleem, butter- flower. —beer, butter-man. —boerin, butter-woman. —broodje, butter-roll. —gebak, light pastry•cakos. —ham, piece of bread and butter. —karn, churn. —Lek, butter-cake. —keeper, butter-merchant. —markt, butter-market. —*elk, butter-milk. —peer, batter-pear. —pot, butterpot. sans, butter-sauce. —spasm, butter-scoop, -print. —land, butter-tooth. —ton, —vat, buttercask. —vliep, butter-fly. —rlootje, butter-crock. —rrouto, butter-woman. —weep, fwelghing house for butter. —With/, be. buttery, butyraceous. --en, ov. w. to butter, to spread butter upon on. w. to make butter; to succeed. B ► thold, v. bluntness; dullaress. B oth e, o . — betalen, to club together. —bf --'11maalti ' d, picnic. Dote, v. shock, dash. --en, ov. & on. w. to shock —, to dash —, to strike (against), to clash (n —ing, v. shook, dashing, collision; conflict clash. Ballet, v. bottle. —bier, bottle-beer, beer in bottles. —hale, ale-house. v. pantry, buttery . —ter —en, ov. w. to bottle; on. w. to muftis ns. butler, steward. —lemma, steward's mate. Rotten. ou, w. to bud, to sprout out. Botterik, no block-head, dunce, numskull. Brrastit,. 11 otwag, bw. bluntly, plainly. Boud, bv. & bw. bold (-1y). Bout, rn. bolt, iron pin; leg, wing, dunk (ran geregate); leg, shoulder, quarter (van eensehaap). den -- op den kop krUgen, to come badly off. op de —en komen, to pick up one's crumbs. —We l, cross-bar-shot. —fang, bolt-tones. je, o. small leg; master-quill; mon —, my love my honey) Bower, m. (tilling, tillage; harvest; building, etruature. —gereedschap, implements of husbandry. —gevaarte, huge pile of building. —heer, founder, builder . —hoot, timber. —Avid, barn, oti t -house. —knecht, plough-man. —kostin, cost of building. —kunde,—kunst, arr.hitacture. —ksndig, —kuestig, architectural, skilled in architecture. —kundige, —kuisatenear, architect. —/and, arable lend_ —NOW, fond of building. —man, husbandman, farmer. —materia/ex, building•materials. —master, architect, surveyor; master-shipwright. —tneesterschop• fors eyorrbip. —meld, f rrmor's
(rnis• be-lief•, a. dwaalgeleof. —re eener aluitrede, --ate C•ajt), a. Minori,t, sunder- Webs.lie (in het geloofe—ver ( •liev'ur), 1-lieu'), v.. n. dalen w broader. —ity (rni-nor'it-tihl, s. minderlieid; min- a. derjarigheid. Misbeseern (mis-be-siein'), v. a. misetnan. Minotaur (inji.i'a•taor), a. Minotanrue. MIneter (min'stur), a. Monster, geestelijke broe- Misbeatow )mis.be-sto"), v. a. verkeerd besteden. derschap; dom-, hoofakerk. Minstrel (min'stril), a. meistreel, zanger, speel- Miscalcuits to (mis-kerkjoe-leet), v. a. inierekenen. — tion (-lee'sjun), a. misrekening. 'flan. — ay 1-alh1, e. muziek; troep muziekanten• Mint (mint').,s.munt; kruizerriunt. — man, munter. Miscall (mis-knoll'), v. R. verkeerd noemen. Mi.carr Cage (mis-keerld4), a. mtelukking; mis— master, mentmeester, sunder, uitdenker. a. a. mutat.; beramen, sm.:den. — age, a. (het) kraam; wangedrag. —y. a. n. mislukken, weg- munten; muntloon. — er, a. munter; uttdenker, rakes; eene miskraam krijgen. Miscast (mis-kaast') [ire.), v. a. misrekenen. verzinner. Mi.scelihn e (mis'ail -leen), s. Zie Maslln . — roan, Minuet (min'joeeet), a. menuet. a. --eoe.a/y, ad. (•lee'ni-us), pemengd. — eoueness Minute (min'iti, a. minuut; opstel; bijtonderheid. (-:ee'ni-us-), a. gemengdheid. —y — book, klsdbosk--glassaninuut-,loggins.—guns, ininuutachoten. — hand, minnui.wtjter. — line, log- mengeling; mengelwerk. lijm. — man, mobiel aoldaat. —, v. a. aanteeke- Mischance (inis-tsjaans"). a. ongeval. Miacharge (mis-tajaardzji, a. verkeerde poet & ad. elke minuut. nen. — ly, (op eene rekening). —, v. a. ten onrechte an reMinut a ►ni.njoet')., a. .--ely, ad. klein, nietig; nauvikeurig. — mess, a. kleiuheid, nietigheid; keeing brengen. nauwkeurigheid. --iae (-ejoe'sji-i), pl. Keringste Iilieclrie I (mia'tajif), a. onheil; nadee); kwaad, m ► edwil; — maker, onheiletiehter. —vows, 0. bijzonderheden. — rously, ad. (-taji'vus-), onheilstiehtend, KelmMinx (minks!, a. wild meisie, nuf. delijk; moedwillig. — .mines( -tsji - vus.), a. boo, Mlny (maj'niht, a. mij.-; onderaardsch. Mtrac In (mir'ikl), a. wonderwerk,wonder.—u/ous, eardigheid, moedwilligheid. a. — ulously, ad. (-rek'joe-Ius-), wonderbaar. Miseboose (mis tajoez") [Ire.], v. a. verkeerd kiezen. — ulousness (-rek'joe-lus-), a. vond.erbitarheid. Miscible (misssibl), a vermengbaar. s, balkon. Mirador Misfit e (mis-sajt'), v. a. verkeerd Ran:Alen. Mirage (mi-raatj'i, a. luehtspieKeling. — alien 1-si-tee'sjun), a. verkeerde aauhaling. a. berried- e, v. Mir e (maje), a. m.6dder; mie•. — tlitscintste (min-kleem'), a. valseite cinch. deren. — ineas (-i-nears;, s. modderigheid. Miscomput e (mis-ladm-pjoet'), v. a. mierek, Mirky (murk1h), a. donker, somber. Mirror (mierur), a. epiegel; voerbeeld. —, v. a. nen. — align (-kom-pioe-tee'sjun', a. misrekening. Mscon ceit (rnis-kun-siet'1,—ception spiegeien, afspiegelen. a. dwaalbeg•ip .„ misverstan•. --cease (-sive), v. a. Mirth (inurth'), a. vroo(ijkheid. frrl, a. fully, verkeerd begrbpert. ad. vroolijk, opgeruimd. —fulness, a. vroolijkheid, Misconduct (mis-kon'dukt), a. wangedrag; wanopgeruimdheid. — less, a. treurig, droevig. (-kun-dukt'), v. a. Media beheeren; beheer. Miry (majr'ilal, a. modderig. , bemodderd. Mibacceptation (mis-ek-sep•tee'sjun, a. ver- v. n. tich misdragen. Misconjecture (inis-kun-dzjekejoer), a. VP, keerde opvattetg.. keerde giesing. —, v. a. & n. Misadventure (mis-ed-vent'loor), a. tegenepoed. Mimeo. struction (mis-kun•struk'sjun), a. vane Misadviaval (mis-ed-vejtd ) ), a, sleeht Keraden. keerde uitleggIng,tvesdulding.—strue(•kon'etroel, ected (mix..ef-fekt'id), a. ongenegen (to). v. a. verkeerd uttleggen, miscluiraen. — irm (-form'), v. a. valseh opgeven. Illiscorrect (mis•kur-rekt'), v. a. verkeerd (onMisainted (mis-eemd ), a. misgesehoten. *Mail ege (min-el-lechr), v. a. verkeerd aanvoe• Juist) verbeteren. Miscounsel (ants-kaaun'sil), v. a. verkeerd raren. — lance (-laj'ens)„ s. ongelljk huwelijk. den. Misanth•oge e (mis'en-throop). —ist (-en'thro• pint), a. mensehenhster. — ic (-throplk). a. men- Miscount (min-kaauut'), a. misrekening. v. a. & n. mistellen, (nigh) inisrekenen. sehenhatend.—y i•en'thro.plb), s.mensehenhaat. Mtsappi !cation (mis-ep-pli-kee'sjun), a. ver- Miscrea ant tmiekri-ent), s. bot,swieht, sneodcard. — te (-et), a. wansehapen. v. a. verkeerd keerde toepassing. —y Misdate (milt-dee') v. a. verkeerd dagteekenen. toepassen. s. miadaad, vergrijp. Misapprellen at (mis-ep-pri-bend'(, v. a. mis- Mistived verataan. — sion (-hen'sjun), a. misverstand, ante- Itetsdeens (ails-diem'), v. a. verkeerd beo•rdeelen, Misdenlean (mis-de-mien), a, is. zilch misdrav atting. s. wangedrag; wanbedrijf. or, — Mlisascribe (mts.es-krajb . ), v. a. ten onrecbte Ken. Misdevotien (mis-de..vo'ejun), a. valsehe venomtnesehrijven. held. Misassign (mis-es-sajn'), v. a. verkeerd sun- Misdirect (mis-di•relit'l, v. a. verkeerd leiden. wijzen. Misbecome a (mis-be-kum') (irr.), v. a. misstaan, Mtsdistinguirda (mis•dis-ting'gwis,j), v. a. verkeerd ondermeheiden. niet passes. — ing, a. onvoe4taarn. Iti tsdo (mis•doe') [im], v. a. & it. bedrijven, Misbegotten (mis-b a. onecht. teeekwaaddoen, miedoes. —c;, a. bonedoener, over , Misbehtly se (mia-be-heev'), v. n. each inisd,ag ra watabedriA, overireding. treder. (.jur), a, wangedrag.
HAL. worn out, second-hand, —matte., mid-Lent. —wee, half- way. —tund, side-wind. —luster, half-sister, step-sister. —je. o. halt'. o. do two. hallelujah. Iles rn, halm; strew, stalk, blade. —icecap, joint. —steel —,trod, stalk, stem. Hafts, rn. neck, throat; tack ; simpleton, dance. — over kop, headlong, precipitately. zich op den halen, to incur, to bring upon one's self. zich vats den — scheiven, to rid one's self of. an& — breopen, to kill. ont komen., to perish. am den — — band, vallen, to embrace. —gfs'er, juguler collar. —heel, ohnckie for the neck. —hoord)e, — brekend, perilous, break-neck. — dock, neck-handkerchier, neck-cloth. — peeling, criminal pro,ecution. — gereeht, crimi•al, court, penal judicatnre. — ijser, iron collar, pillory. —hole., neckehein. —klamp. Chesty tree. —klier, jugular gland. kraail, eollar, ruff, partlet,cepe, gorget.—kwane, dew-lep. —misdaad, capital crime. —recht, power over life and deeth. --reciter, criminal judge. — sieraart, neck-ornament, coreanet, ouch, brooch. — starrig, be. & bw. obstinats (-ly), headstrong (-ly).—atarrigheid,obstinacy.stubbornnese.—straf,

Wat is de tijd van de dag is het beste om cryptogeld kopen


v atsnnbly, corslo'aciun Cfaustrle. v. clause. Client, m. client. Clint Ink, v. clinics. —isct, by. & bw. clinic, clinical (- y). Coeagne-mast, r ► . greasy (climbing-) pole. Cochenille, v. cochineal. Codicil, o. codicil. Cognac, m. cognac-brandy. Cognossement, o. bill of lading. Collette, v. collation. Collation, v. collation. Collationeeren, ov. w. to collate, to check. Collect eat, —eur, in. collector, gatherer. —e, v. colection, gathering..—eeren, ov. w. to collect, to gather. v. collection. —ief, be. & bw, collective ( ly). College, m. colleague. College, o. college; board, club; lecture, course. Collin, o. package; bale, bag, barrel, cask, etc. Colonede, v. colonnade. Consedle, v. comedy, play. Coentek,m.comie author, buffoon, clown; comic writer. CornIsch, by. do bw. comic, comical (-ly). Cosnite, o. ecnimittet.. Commensaal. In. mess-mate, boarder. Commies, m. clerk. C011111211PS aria, in. commisssry, commissioner. —ie, v. commission; committee; —handel, COnt• misstcn-business. —ionair, m. agent, factor., Counroittent, ran. constituent; coinmitter. Commode, v. chest of drawers. Contviciunle, v. communion. —deers, to take the communion. Compagnie, v. company. —schap, v. partnership, aseoclation. Compegnon, CD. partner, associate. Contains. ant, m. appearer. —eerie, on. w. to appear. —Ode, v. appearance; meeting. Constrieet, by. fall, entire, complete. Consplinnent, a. compliment. semand sips — makes, to pay one's compliment to a. 0. (over, on). —maker, complimenter. —eeren, ov. w. to compliment. Comport etre., ov. w. to compose. —let, m. composer. Conspositle, v. competition. Comprons is, o. compromise. —ifteeren, ov.w to compromise, to commit. Coanptebtlitett, v. accounts, book-keeping; ac-
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den
adulteress. —breken to commit adultery. .—brekor, adulterer. —trestle, adultery. —genoot, m. husband. consort v. wife, lady, spouse. —keels, nuptial bed, —acheiden, to divorce. —seheiding, divorce. —ataat, married state, matrimony. —verbintettie, —vereeniginge marriage. —ebed, nuptial bed. —*Roden, married people, hu.iband and wife. —elijk, be. ik bw. conjugal (-IA; lawful (-1y),
GOE,—GRA. CloradvInden. to. w. to think fit, — proper, to approve, to choose. o. approbation, leave, pleasure. Goedwillas, by. & bw. —held, v. Zie 11g. —held. GoeRik, by. & bw. pretty (-ily), handsome (-1y), goodly. —held, v. prettiness, handeoneeness, goodliness. (lineman, rn. arbiter, umpire. Golf, v. wave, billow, surge; gulf. —breker, breakwater. —geklots —slag, beating of the waves. —achtig, by. wavy. Got,' en, on. w. to swell, to aurge, to wove, to undulate. —lag, v. swelling, waving, quilulation. G rpm., v. gum. torabioche —. gum arable. —boom, guru-tree. —elastiek, India-rubber; caoutehoec. —hare, gum resin. —houdead, --.4jk, gummy. —kwast, gum-hreeh. gum-lae. —water, gum-water. —achtig, be. gummous, guinicy. - men, ov. w. to gum. —met, no. guminer. bv. gummy. —mig heid, v. gumminess. —ming, v. gumming. Goaded, v. gondola. —ier, rn. gondolier. Goats, m. burr, buzzing. —tot, lizgig, humming. tp. Gun. en. on. w. to buzz, to hum. —er,rn. buzzer. —leg, v. buzzing. Goochei raw, m. —aarster, v. juggler, conjurer. —ar tj , v. juggling, legerdemain. —co. on. w. to juggle, to conjure. —hal, juggler's ball. —bac, juggler 's cup. —kunst, JusgirY • —.Pet. spell, enchantment. —tasch„juggler's bag. —icier, juggle. Goof, v. throw, cast. —en, ov. w. to throw, to test, to fling. —er, m. —star., v. thrower. Goer, by. & bw. sour (-1y); rancid (-1y), rusty; dirty (-ilyi; nasty (-ily), naughty (-ily). by. rather sour, sourish; —net, why. —held, v. —igketd, v. sourness; rancidity, rustinese; uses; nastiness, naughtiness. Goot, v. gutter, kennel, sink. drain. —gat, hole of a kennel. —Wet, moulding-tlate. —PUP, gutterpips. —.teen, sink ; in den —, under she pump. —water, kennel-water, dirty-water. Gnrd, v. futtock, ri 5 Gordel, m. girdle, belt. —geop, buckle of a belt. —maker, girdier, belt-maker. Gorden, on. w. to gird, to furl. GordUn, v. & o. curtain. —koord ; curtain-rope, -.trims. —preek, curtain-lecture. —ring, curtain-ring. —rattle, curtain-rod. —rot, curtainpulley. (lording, v. girding; rib. Goren, on. w. to turn sour. Gorgel, in. throat; gullet, throttle. —drank, gargle, gargarism. —peewit, bronclioeele. —klep, uvula. —water. gsrgariene. -en, ov. & on. w. to gargle, to gacgerize. —big, v. gargling. Goes, v. alluvial ground, Goat, v. groets, oateeeal. —beating, oatmeal-pudding. —moien, hulling mill. —ebrij, —epap, oatmeal-porridge. —catchier, cotquean, niggard. g, by. messiest, measly; bin, ill. —igheid„ v. measles. Gatelike*, m. pederero. gold-ore. goal, (loud, o, gold; ore. ongewerkt gin —.gold-leaf. geplet , beaten gold, getrokken
pack-thread. —rat, osier. —spies, ligament, —er, na, —ater, v, binder. —set, o. band, bandage, tie, stein t. Bingelkruld,e. mercury. m. bungler. Binnen, by. (in San.) inner, inward. —, hw, within, :within door,. eau —, inwardly, on the — door, by inland navigation, by a shorter cut. to brengen, to recollect, to remember, to call to mind. to — tehieten„ to occur to the mind. — hart, shortly. —, Ye. within, in. Binnennchtevet even, m. inner-pest. Hitinenbessil, an. private-executioner. BInnenbeure, v. fob. BInnenbryngen, or. w. to bring (to carry) into; to pilot (to steer) Into the harbor. Binneneicur, v. inner-door. illnwssadkik, m. inner-dike. —a, bw. on the inside of a dike. IlInnendring on, 0•. & on. w. to enter by force, to break in, to invade. —or, m. Invader. Illneentienn, or. & on. w. to enter, to go (to walk) in, —into. lillnwengataito, bw. in the fate-toy ore annel, at the entrance of a harbor. Illinnengs.ng, tn. inner pasaaxe. BInnengracht, v. inner canal. 111nnenhalen,or. w. to take (to Moil) iiirmenhaven, v. basin of a port. hithe 111nneohof, o. inner-court. Binnenknnser, v. inner-room. BInnenttent,m. inside. Ilitnnenksts, v. inner-care. lititanasnkiell, v. keelson.carline. Blunenkomen., ov. & on. w. to enter, to come (to walk) in, — into; t o arrive. BInnenknorts, v. internel (slow) fever. BInnenlend, o. interior. —.eh, bv. inland, domestic, home; civil, intestine; —vaxrder, riverboat; master of a river-boat. BInnenloode, m. river-pilot. —en, ov. W. to pilot (to steer)into the harbor. BInnenloopen, cv. & on. w. to put into (a harbor). 131nneninoeder, v. directre's of the domentic business of an hospital. BInneasinuur, m. inner-wall. Blunennfted, in. inner-seam. Bann...pad, o. by-path. IlInnenplente, v. inner-court. court-yml. BInnenrukken, ov. & on. w. to enter, to march into. Binneneehens, v. inter-bastion. Bannenshuis, bw. within doors, at home .. BInnenskamere, bw. within doors, in privr.te. BInneneleepen, Or. W. to drag in, — into. Illunoonemonde, bw. muttering;y, mumblingly. BInnenatatirt, v. inner part of a town. BInnenste, by. & o. inmost, innermost, inside. 11InneneWds, bw. withut the time appointed. 'Nineteen Ituivent, on. w. to flounce into.... IlInnentreden, or. & on w. to enter, to step in, — into, to tread into. IlInnenweart, v. inland navigation; canal. Filnnenveder, m. director of the domestic businese of an hospital.

451 Flti0e•Ir en. ov. W. to curl. —Ozer, curling-pin. rvistor, m. hair-dresser. Frommelen, ov. w. to arum*. to fumble. Fro', v. —es, v. frown. wrinkle. —en, on. w. to frown, to wrinkle, to knit (one 'a brows). —61 9, v. frowning. Front, o. front. — makes, to face. to make face. Fruit, v. & o. fruit. —ben, —.mend, fruit-basket. —kandel , fruit-trade. —hider, fruit-cellar. —trooper, —koopeter,, fruiterer, ft ult-monger. —mum', fruit-market. —rijk, fruitful, —schwa, fruit dish. —sadder, fruit-painter. —stuk, fruitpiece. —rroure fruit-woman. —wicket, fruit-shop, fruiter y. Fruit an, ov. w. to fry. —pan, frying-pan. Eulk, v. weel, bow-net. in de — loopen, to fall into the !snare. o. velvet. —en, by. velvet, velvety. m. rogue, rascal, scoundrel. Veenctle, v. function. Fundament, o. Zie Fondement. Fungterrn, qn. w. to officiate. Fast, v. fudge, fiddle-fuddle. —, taw. fudge fiddle. ,stick I Futsell car, in —aareter, v. trifle, idler. —artj, v. trifling, fiddle.faddle. —en, en, w. to trifle, to fiddle-faddle. —werk, tie Futselarkl.
—ger, m. —star, v.announeer, notifier. —ging, v. anneuncement, notification. Annzell en, ov. w. to run foul (aboard) of; on. w. to sail (against); to come sailing. —ing, v. running foul (aboard) of. ANiti z et Ilea", m. ram. strop. —atuk, o. lengthening-piece. Annzet later, v .1Zie Akanzettec —ten, or, w. to place near, — (against); to add. to join; to impart to; to make lose; to rem In; to eharpen,to whet, to set, to strop; to push (to egg) on, to spur, to incite, to instigate; to adulterate, to scum; on. w. to burn, to stick (to); homes —, to approach. —ter, m. sharpener; inciter; instigator, abettor, setter on; rammer. —tiny, v. sitarpetting; infection; instigation. Annnien, o. look; sight; appearance; distinction, credit, quality, consideration. van —, by Melt. ten — sac, with respect to; in sight of. rich het germ ran, to assume the air of. tondo. — des pereoons, without acceptance of persons. —, or. w. to look at, — upon, to consider, to regard, to take for; to bear, to suffer; to take Into consideration, --or. m..looker- on, spectator. —bah, by. & le w. considerable e•bly),conepicuous(ely); respectable (-b'y), notable (-ttly), of distinction, distin• gotehed. —liikheid, v. coneiderableness, conspie teoneness; respectability, distinction. Aanzljn, o. existence. Aft ozitten, on. w. to sit down at table. o. request, solicitation, application; proposal, suit. — does ern, to apply (to sue) for; to court. --en, ov. & on. w. to request, to solicit, to apply to (for), to one for. —sr, tn. applicant, me; suitor. —ing, v. Zie Antennek. Aftnzoet en, ov. A on. w. to sweeten, to duicity, to allure. —ing, v. duleilleation. Aanzutver en, ov. w. to settle, to pay off. —ing, v. settling, paying off. Aanztuiren, ov. & on. w. to sour. Annzwellen, on, w. to swell (up), to rise. Annxwemirreen, on. w. to swim fast. homey, —, to coma (to approach) swimming. Amp, m. ape, monkey; treasure. —achtig, be. A Irv. apish (-1y). —je, o. marmoset; trite, foolery. Aar, v. ear (ot corn). — m. Zie Aaler. Awed, m. nature, quality, kind, temper inclination, genius. /yard, v. Zie Aarde. —aehtig, by. earthy. — (wk. tigheid, v. earthiness. —alter, eavth•nut.—appel; potato. —hei, —bests, strawberry. —besekriever. geographer. —beschrijring, pography. earth•quake. —bewoner, earthling,te ortal.—bodem, earth, world. —tot, (terrestrial) globe. —boor, terrier, auger. —ewera, earthenware. —esaerker, potter. —eloerkstoinket, crockery-shop. —geest, gnome. —geseas, vegetable. —geed, ground-leftves. —gordel, zone, belt of the earth. —hers. —pet, bitumen. —hoop, heap of earth, mound. —kletsfig, earth-colored. —Monti', —kluit, clod. —kloot, sie Aftrdbol. —!Forst, crust of the earth. —auntie, geology. —kundig, geological. —lamp, layer. —mannetje, gnome; thrimp. —mule, field-mouse. —Root, earth-nut. —otie, petroleum. —rich, earth. —*/Witch-jiver, .—s #kakundige, geographer. —rtjaabesehrljeing, —rUksatstide, geegrephy. —age-
aanvoeren. —leader, belhamel. —plate, zorgket- Rooms (room';, v. A. d0OrnrerVAll; v. n. omzwertine. —rope, touwatopper. —streaked, met Rein- ven. —er, a. omzwerver. a, roode sehimmel. gen geteekend. — tail, ringelvalk; giekzell, brood- Roan (roan), a. roodgrije. winder. —toil-boom (-tee!'-), broodwinderepter. Roar (roar'), a. gebral; getter; gehulr'er; geechater. —. v. n. brullen; tieren; bulderen. —y, a. -thimble, neairing. —worm, datiwwortn. —, v. R. -ringen; van rtogen voorzien. danwaehtig. Ring (rine') [rang. rung;, v. a. & n- luiden; Roast (roost'), a. gebradert. a. gebraad; spat. (doen) klinkeu (of with). --er. a. belier; kiokeen. to rule the — , beorgetien, — , v. a. braden, rootten; beet maken; bespotten. — er, a, bender; Wider. —let ( lit), H. ringetje; oral. roover; apeenvarken. (rins'), v. a. ornspoelen. —e, a. onispoeler. Riot (rarnt), o. uitepatting, zwelgerij; oproer, Rob (rob';, a. vruehtenstroop, gelei. —, v. a.13emulterij. to ran — upon, uttenatten, zieh to but. : retie.; bevrOden, (of); rooven, atelen. — bar, a. ten gaan in. —, v. n. geweld (oproer) makes;', mover, diet —beep (-bur-ih), a. rooverij, diefuitspatten (in); zweigen; (on) verbrassen. eta!. zwelger; oproerneaker. -0148, a. —ouslu, act, 1... 1 Robe (rook), s, ttibbaard,staatsiemantel. master of the -a, kamerheer. —, v. R. den tabbaard baudtg; oproerig. —ouanesa, s. losbandigheid; orahangen; kleeden. oproerigheid. Rip (rip), a. acbeur; viechmsnd; prul; rude tool. Robin (robln), s. —redbreast, roodboretje. v. a. oprijten; openseheuren; lostornen, non Roboront (rob'ur.ent), a. & ts. versterkend (rrintriel). den dog brengen. (from) wegrukken. (off) afstrooRobust (miter), a. sterk, geoplerd, atevig, pen. (up) openrijten; opbreken, slooprn. a. sterkte, forechheid. formeh. Ripe (rain') a. — ly, ad, rijp —ness, a. rijpiteid. Roebet (roteit), a. koorhemd, minkleed. Ripen (rarpn;., v. a. & n. (doen) Ripp er (rip'pur), a. openk,ebeurder; elooper. Rock (rot'). a. rots; 8pinrokken lurking—, blinde klip. --alum, bergaluin. —bound, door rotarn a. het openseheuren; steekbeitel; higesloten. —cork, bergkurk. —cress, isteenkers. —iron, breekeizer. —crystal, bergkristal. —doe, gems, klipgeit.—milk, Ripple (rip'pl), a. gekabbel; virasrepel. —, v, a. bergmelk.—mots,rotamoc—oil,steenolle.—pigeon, doen rimpelen; repelen; v. n. kabbelen. leiednif — ray, steenrog.—rose,steenroos.—rube, floe (rsjo, a. (hoe) opstaan; opgong; opkomst; mode granaatsteen. —salt, kitpzout, —shell, kilt,verheffing, r jztng , stijging; ooreprone,,ontataan. echelvisch. — wood, hoot-asbest. —work, grotto give — to, aanletding geven tot, doen ontmtattn. weak. Rise (rajz') from (root). risen (ria'zn)], v. n. op- Rock (rok'),v.a. schudden; schommelen; wiegen; eine. ; °pea., opkomen; stijeen, ri.jzrn; zwellen; v. n. slingerett; waggelen. —er, a. wiener. —et (-it), a. raket, vuurptjt; raketten-kruit. —bless zich verbeffen; (from) ontstaan, vonrkomen. -in arms, de wapenen opvatten. —r, a. opataander; (-i-ness), s. rotsachtigheid. —ing, a. het sehomearly —, iervand, die voceg opstaet. melen, wiegen; — chair, schommelstoel; —horse, flail hie (rtz'ibil, a. belacheF.jk. hobbelpaard. —less, a. zonder klippen. —y, a. (-i-bil'ittih), a. belecheitikheid. roteachtig; hard. Rising (raj'zteng), a. (het) opstaan; opgaan; ge- Rod irod), a. roede, stang, vitae. knangdier. ewel; Gpstanding; opatand. Rodent (ro'dent), a. knagend. Risk (risk'), a. gevaar; waagstuk; kens; rieico. Rodomontade (rod-o•mun-teed ), a. enoeeertj. —, v. n. pochen, snoeven. —, v. a. wagen, op 't spot zetten. —er, a. wager. Rite (rajt), a. kerkgebrutit; elechtigiteid. Rogation (ro gee8jun), F. bode, titanic. —dope, kruisdaeen. —week, benielvaartsweek. Ritornello (ri-tor-neFlo), s. ritornel. Ritual (rit'joe-el), a. ad. volgens het ler:, Rogue (rong'i, e. echnirk, tlelt, sritsboet sehelk. gebruik; plechtstatig. — in grain, aartaacbelm. —, v. n. rondzwerven; rituaal. sehurken- of guitenstreken uitvoeren. a. Rival (revel), a. tnededingend, wedijverend —, sehurkertj; gutterij. a. merledinger; medeminnaar. v. a. wedijvelavigtelsta (ro'gisj), a. —ly, ad. sehurk-, Behalkren, mededingen met. —ivy (-vel'it-tih), —ship, a. wedijver, mededinging; merierninnarij. achtig. —nests, a. achurkaeletigheid; echalkaehRive Irajv'i [rived (rajvd). riven (riv'e)], v. a. & tigheid. epltjten, setieurete —r, spititer. Roister (rojs'turl, v. n. Leven maken, tieren, snoeven. —er. a. levenmaker, windbuil; tonoever. Rivet (riv't). v. rt. doen rimpelen, versehroeien. River (riv'ttr), a, rioter. —dragon, krokodil. Roil (mall'), a. rot; rolbloe; atrijkbout; Itist, register; neamrol; oorkonde, jaaranek; roffel; §. — driver, houtvlotter. —god, viviergnd, —4orse, broodje; velitoed; hoofrivvrong. master of the —s, rivierpaard. — et (-it). s. rivinriiP• Rivet (riv'it), s. klinknagel. —, v. a. vastklinken; oorkondenhewearder, eriffier. —brimstone, pijpInp renten, zwavel. — calling.. appal. —, v. a. tact -en rolWok gellek maken; inrollen, inwikkelen; oprolRivulet (riv'joe-let),, a. riviertje; beak. len (up); v. n. rotten, wentclent roffeien. — er, Rixdollar (riks-dolner). a. rilkedaalder. Roach (rootsj'), e. roller; rot; rolstok; valhoed; zwachtel; wrong. voren; nitgelling (van eon sell). —leech, mastlijk. —ing, a. bet rotten, elingeren. —board, rolplank; Road (rood'), s. weg, atraatweg; reede, dagreis; —mill, pletmolen; —pin, rolstok; —press, roltonal, strooptocht. enkerplaata. — way, pers; —tackle, stoottalie. straatweg,ripreg• —ster,a. ter reedeliggend acid p. Homage (rumndzj),.s. Zie Rutwinsage.

426 —riem, girth. —la uding, gastrotomy. —soden. ventriloquy. —spreker, ventriloquist. -.-stak, rib, floor-timber. —vin, belly-fin. —olies, peritoneum. —wee, colic. —worn, belly-worm, ascaride. —senate, abdominal nerve. —sick, tie Bourget'. ! II—meereed, purgative. —sairering, purging, purgation. —oddity, —ig, be. big-bellied, bulged. Bull, v. swelling, boil, bump. —, in. bolter. —hist, —troy, bolting-hutch. —solder, boltingloft. —en, ov. & on. w. to bolt. Buis, v. tube, pipe, conduit, channel; dogger, buss. —, o.jacket. —haring, pickle-herring. —man, herring-fisher. —vorsaiv, tubular. —jesdagoailin day of the herring-fishers altogether. Belt, m. booty, spoil, prize. — snake., to take, to capture; to get booty. —geld, pin-money. —seeker, marauder, adventurer. Bultelear, tn. tumbler. —en, on. W. to tumble, to tall head over heels. v. tumbling. Balton, or. w. to take, to capture, to make booty. Button, o. country-seat, villa. Balton, bw. without, out of doors, abroad. van —, from abroad; on the outside; by heart. ie — gaan, to exceed. sick le — gaan, to be internperata, io commit excesses. near —, out, abroad, into the country. — oan, round about. —, YE. out of, without; beyond, save, except.'— (dens, out of breath. Bulteubeerrje, o. by-blow, natural child. Buitendeur, v. outer-door, street-door. litaltend len, bw. besides, moreover. B ultendUk, an. outer-dike. -a, bw. on the outside of a dike. Bultengantg, bw. out of the harbor. Buittengoug, m. outer-passage. Bultengenseen, llittaltengewoon,by. & bw. extraordinary (-1y,, uncommon (•4). —held, v. extraordins,rineee, uncommonneas. Buitougoed, o. country seat, villa. Bts ltengracht, v. outer-ditch, outward moat. Buitenhof, o. outer-court. r. sheathing, BuiteDkane, v. good luck, perquisite, windfall. Baiter, knit, m. outside, exterior: Bultenklal, v keel, outer-keel. Bullenlard, o. foreign country. in (near) het —, abroad. —er, m. foreigner. —ech, by, foreign, outlandish, exotic, tluitenlledea, m. my. country-people. Buttenloode, m. sea-pilot. Buitenlueht, v. country-air, open air. m. lewdnene. Bultenmen, m. country-man. Buleennante, bw. exceeeively, beyond measure. Bultentareld. v. country-servant. Buitennauedor, v. lady-governess of the genera/ concerns of an hospital. Bultensnuur, m. outer-wall. Iluittespinals, v. country-seat; outer-court. Bultenpost, m. outpost. Buleanrasede, v. open road. illultonachana,y. advanced sconce. B ultonedlenet, bw. out of place, — service. S ulteushula, bw. out of (withOut ► doors.
—, a. heaparing; apaarpenning; uitzondering, Scamp (amp"), a. achavuit, deugniet. —er, v. voorbehoud; redding, tiehoud. --s•bank, spear- n. gaan echuiven, op den loop gaan (away, off ) bank. —mess, a. suinigheid. —irk a. achavuittg. Savior, Saviour (seeejur), s. Zaligmaker, fief,- Scan (sken), v. a. onderzoeken, uitpinizen; scanland, Verlosser. deeren. Savor isee'vur), a. smaak; geur. v.a.proeven; Scandal (sken'del), a. aanstoot, ercernie; Behanemaak vinden in; v. n. smaken, ricken (of. naar). dael; echande. —ice (-ajz), v. a. ergeren; helas-ity, ad. —y, a. smake:ijk, geurig; streeleud. teren. —ma, a, —ously, ad. ergerlijk,achaudelijk. —iness a. amakelijkheid; geurigheid. —ousness, a. ergerlijkheid, sehandelijkheid. —less, a. smakeloos; reukeloon. —y, a, boonen- Scan dent (aketedent), a. klimmend. —.ion kruid. (.ajun), a. acandeering. Savoy (ae-vor), a. eavooiekool. Scant (skeet'), a. kartg; achatirach, achraal. Saw ;son'), a. tang, spreuk. —blade. zapgblad. v. a. bekrimpen, beperken; v. n. achralen (van —dust, zaag,,e1. —file, zsas...vijl. —fish, za.ikvisch, den wind). —iness (-1.-nasal.—ness, a. karigheid; zaavmolen. —pit, znagkuil.--wort,schoor- achaarschheld, achrstalbeld. —le (akent%), v. a. ikrutd. —toren, tandzetter. in kieine atukken an'jden, verbrokkeien. —Hag, Saw (sac') [sawed, sawn. (soon)], v. n. zagen; a. kietne hoeveelheid; atukj3; meat; klamp; (down) aan mtukken cages. —. v. n. zagen; nick monster. ad. —y, a. achraal, achaars; laten 3agen. —er, —yer ( - Jur), a. anger. karig; bekrompen. Stmlfrag c (seks'i-freedzj, a. ateenbreke, —ous Scaape (sleep'(, a. ontanapping; cuitenstreek; ape(-irre pia), a. ateenoptossend. Pug; steel. —gallows, talgebrok. —goat, zondenSay (see) a sant; monster, proef; gezegde. bok. —grace, achurk, achobbert. —, v. a. & (sedgy], v. a. & n. zegge.n, opzeg- Zio to Escape. —went, a. eahappement (in oar Say (see') the mass, de min lozen. —ing, s. (last', gen. — the werken) zeggen; gezegde. spreuLt. Scatishander Iskereu•dur), a. zwembuis. Scab (akeb'). a. roar, korst, anhurft; sehoft. —bard Scapula (skep'joe• le), a. achouderblad. —r, —ry (.burd), a scheede. —bed (- hid;, —by, a schurft ig; a. achouder ; van bet schouderblad, a. echouder • Kempen. ermzalig, —bedneqs, kleed, teapulier. s.schurftigheid;gemeenkpid, artnzaiigheid.—ions Scar (skaar), a. litteeken; schrami zeepapegaai. (skee'bi-us), a. schurfttg; s. s. schurttkruid v, a. achrammen; v. n. tot litteeken warden. Scabrous iskee'brua , , a. row, hohbelig: hard, Scans bee taker'e-bie), a. achalebijter, lover. onwelluidend. —nes., a. ruwiteid: hobbeligheid; —mouch (•mautaj), a. hansworat. onwelluidendheid. Scare e (sheera'), a admiral); zeldzaam. —e, Scaffold (akerfuld), a , ateltaadj,-; ateiger; —ely, ad. be nauwernood. —eness, —ity, Vol. —, v. a. van een' steiger vuorzien. —age, schaarschheid; giebrek. —ing, n. stellaadje; a;eiger Scare (skezei, v. a veraehrikken (away). —crow, Scala bias (ekeeribi), a. beklimbaar, —de (eke. molik, vogelveracbrikker. teed') —do n ske lee'do), a. bekiimming met storm- Scarf (skaarfl, a. smalle ornalagrioek; aiera ladder,. —ry (sok; skere-rihk, a. trapawi,jze. 'ascii. —skin, opperhuid —, v. a los kleeden; Scald (skald'(. —er. a. stable. bard, dichter, oinhangen; bestehen ; (up) aluieren. —ing, P. a. van een eicalde. lassching, klinkwetk. Scald (skaold'), a. schurftig; artnzalig. —, a. Scarlf (cation (aker-if-i-kee'alun), a. kopping. schurft; brandwond. --head, ec ► urftkop. v, —icator (akfr'-). —ier, (aker'i faj-ur), a. koppena. hranden, achroeien. zetter. —q (aker'i-faj), v. a. koppen. Seal a (siteer), a. echaal; maatataf; (de) Weeg- Scarlet (akaarlit), a. acharlakenrood. —, a. achaal; schub, achilfer; ladder; —bean, evenaar. schariaken. —bean,scharlakenboon, pronkboon. —e, v. A. bektimmen; wegen; afmeten, afsehub- cardinal flower, 1-oode kardinaaisbioem. —cloth, ben; v. n. achtlferen. —ed !skeeld), n ge6chubd. schartaken. fever,, acharlakelkoorts. —eless, a. ongesehubd. —ene (she-lien"), a.onge- acharlakenbea. —horse, huurknol. horse-chestnut, drlehoek. (-11-ness), a. echille• roodewilde kaatanje. —jasmine, hignonia.—lupin, rikheid. —ing, a. beklimming; —ladder, storm- roode apaansche wtk.—lohnts, broudende liefde ladder. —.es (akeelv, pl. hamersiag. I (plant), —oak, steeneik. Scan ofkaoll), A, haarworm, hoofdzeer.'Scarp (Omar?), achuinte. Scallion (akePjun), a. ajaJot. 'Searcy (skaaerlh), a. vol litteekene. Scaliselakorittpl. a. kammossel; sehulpwerk; Scatch (abets)'), a. kapgebit. —, v. A. remmen tend. —. v. R. uttaehuipen, uittanden. leen rad). —es;,.. (-in). pl. stelten. Stalp (akelp'), a. schedel-. panvlies. — , v. a. State (skeet), a. engelvisch. 'Lie Skate. scalpeeren. —el (Al)) s. er:hrapmesje; sealpeermea. Scat!' (aketW), schade, cadent. —, v. a. bescha—ing iron. achalpeermen, digen. —rid, a. schadelijk, nedeelig. —less, a, Sca:;y fakes'iih), a. schubbig, acbilCerig. onaehadelijk. Scarab' e lakem'h1), v. a. vermInken, veracheu- Scatter (skeetur), v. a. & n. (zich)veratrooien, cell; (away) verkwiaten; v. n, rondzwerven, grab - verspreiden. —brained, verstrooid. —er, a. 'terbelen (for); onhandig to week goals. —er, a klap- strooier. —ing, a —tingly, ad. verstrooid, verlooper. —ing. a. —ingly, ad. woelig, ongestadig,1 apreid. —ling, a. landlooper. indringend; verstrooid. 'See, age (akev'idzj), a. etaangald. —ettger (-inSeammony (akem'mun-nth), a. purgeerwinde. dzjur, a. atraatveger.
Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.
Nation (nee'eJun), s. natie, yolk. National (ne'sjun-el),; a. natlonaal, yolks- algemeen. —ity (-el'it-tin), —nests, a. volkskarakter; vaderlandsliefde. —ly, ad. volgens den landaard. Natty, e (nee'tiv), s. inboorling. —e, a. —ely, ad. geboortig; aangeboren; natuurlijk; — country, vaderland; — language, raoedertaal. —ity (netiv'it-tih), a. geboorte; -tijd; .plaats; to cast a —, sea horoskoop trekken. Natron (nealrun), s. loogzout, natron. Natural (net'joe-rel), a. ,ly, ad. natuurlijk. —, s. zot, dwaaa. —ism, a. natuurstaat; natuur,rodsdienst. —ist, s. natuurkundige. —ity —fleas, s. natuurlijkheid. —izatien
Geen inmenging in het interne beheer en de klantenrelatie : Veel bedrijfsleiders willen hun klantenrekening veiligstellen en tegelijk de controle behouden over hun commerciële beheer en hun risico van niet-betaling autonoom blijven beheren, zoals ze dat gewoon zijn: zonder extern opgelegde kredietlimieten en zonder externe inmenging in hun relatie met de klanten. tc-re.com 

top 6 cryptogeld

×