keen, eertijds. when — Omit come, in vervolg; met der tkjd. —enough, vroeg genon. —6ezeoeted, vergaen van ouderdom. —enduring, standboudend, duurzaam. zandlooper. —keeper, —piece, chronometer, aurwerk. —pleaser,—server, weerhaan, hut chilies, —serving, she knit naar den wind baegend. —tables, pl. Wet der uren van vertrek en aankomat. -warns, door ouderdom vergaan. —, v. a. near den tijd regeien; den rashten tijd kiezen voor. —fat, a. —futtp, ati. Zis Timely. —less, a. —leanly, ad. ontijdtg, voorbarig. —linens (-ii-ness), S. tijdislheid, gepastheid. a. tijdig, gepaat. Timid (tim'id), a. —ly, ad. schroomvallig, bedeesd. blonde. —ity (-id'it- fib), a. nchroomvalligheld, bedeeadheid. Tiralst (tajm'ist), a. maathouder; tie Timeserver. TinaGineer (tim-un-ter'), s. roerouger, man aan 't mom TImoroue (tim'ur-us), a. —ly, ad. vreesaehtig. —ness, s. vressachtigheid. Ten (tin'), a. tin; bilk. —foil, bladtin. —glees, bismuth. —man, tinnegieter; bliksiager. vertind plaatiizer. tinmijn. —ore, tinerts. v. a. vertinnen. —tack, tinnea spijkertje. Thema' (ting'kel), a. rowe borax. s. kleur; tint; Timet (tingkt'), a. gekieurd. viek.—,v. a. kieureu, 'craven. —are (-joer, -jur), s. kleur; sehkjn, zweem; tinctuur, aftreksel; vat. verven; eon' zo eam (eene tint) geven. Tinder I tIn'dttr), s. louder. —box, tonderdoos. 'rise (tajal, s. tone; verlegenheid, nowt. —, v. a. in brand steken; inslaiten; v. a. lijden; woeden. — man, hoschwachter. v. a. & n. Thug (dug) s. klank, geklingel. (down) klingeten, Tinge Rind*, a. kleartje; geurtje, smaakje; zweena; viek. —, v. a. kleuren; eon' zweena teens tint) geven. Ting)) a (ting'g1), v. u. Clinton; buiten; tintelen, jeaken. —ing, s. tutting, gesuts; getintel. (tingle), v. n. Lie to Tinkle. T v. a. & n. Tinker (ting'knr), a. ketellapper. lappen, opiappen (up). Tlnkl (tinekil, v. a. & a. (doom) Minton, ritts. gerinkel; getnit. kelen; tuiten. tingraver. Trims ed (dud), a. vertind. —er, —ing, e. het vertinnen; vertined. —y (tin'ulh), a. tinhoudend; tinachtig. Tinsel (tin's11), a. klatergoud. —, a. schijnbaar, oppervlakkig. —, v. a. met klatergoud venter.. Tint (tint), 8. tint, kleur. —, v. a. Oaten, kieuren. Tiny (tarnih), a. klein, nietig, goring. Tip (tip'), s. top, punt, uiteinde, slag, worp;stofkolfje. —staff, dienderastok; gerechtsdienaar. —toe, top de, teenen; to stand on —, op de teenen stain. —top, a. hoog, boogst; uitstekend; a. hoogste greed, bests, voornaamste. —, v. a. beslats; lieht aenraken; omverpen (down. eeer);v. n (off; valleu; (off. over) uittntjpen, ster,vea. —pet s. halskraag. Tippl e (tIp'pl), s. drank. —e, v. a. & n. pimpelen, zuipen. —ed (tip'pid), a. drunken. —sr, a. drinkebroer,pimpelaar.—ing-honse,kroes.
Decipher, (de-sarfur), v. a. ontcijferen, ont- Decrease (de-kries') a. vermindering; aineming; Riflemen (van de maan). —, v. A. vermiaderen, 'warren. —er, s. ontcijferaar, verklaarder. doen verralien; v. n. Riflemen, minder worden. Decision (de-siezjun), s. beslissing, beslechDecree (de-krie'), a. bealuit, verordening. —, v. a. ting; bealuit; uitslag. uitvaardigen, verordenen, bepalen; v. n. een Decis lye (de-marsiv), a. —vely, ad. bealiaaend; bealuit uitvaardigen. bepaald. —iveneu, a. bealisaendheid; bet. bealisDecrement (derre-mentl, a. vermindering. sende. —ory, a. beslisaend, beeindigend. Deck Idek"), a. dek, verdek; apel kaarten. main —, Decrepit (de-krep'it), a. afgeleefd. —ate, v. a. & n. verkalken, verknetteren (in het vuur), —ation geschutdek. quarter—, haltdek. —, v. a. beklee(-teetijun), a. verkalking, geknetter. —news, -rude den; versieren, (with) —hook, dekband. —plank, (-i-tjoed), a. hooge ouderdom, afgeleefdheid. dekdeel. —transom, dekworp. —er, a. versierder; Decrescent Ide-kres'sentl, a. afnemend. bekleeder, double- (two-) decker, a. tweedekker. Decret al (de-krietal), a. een decreet betrefthree decker , a. driedekker. fend; s. pauselijk edict; wetboek. —als. a. deDeclaim (de-kleeml v. a. voordragen; v. n. deeretalen. —ist, a. keener der decretalen. —ire, clarneeren; uitvaren tegen (against. on). —er, a. A. bepalend. —orily, ad. —ory, a. (dekare-turhoogdravend redenaar. rih•), beslissend, bepaald. peelama tion (dek-le•rneesiun). a. hartatochtelijke redevoering. —tor (cekne-mee-tur), a. Deer lanl (de-krarel), a. ultkrijting, minachting. —ier (-kraj'ur) a. uitkrijter; lasteraar. —y (-bra)'), oogd ra vend redenaar. —tory (de-klem'e-turv. a. uitkrijten; in kwaden reuk brengen. rib), a. boogdravend. a. nederDeclar able (de-kleer'ibl), a. verklaarbaar. Decimal) ence (de-kum'bens), —carp. ligging; verootmoediging. —eat, a, nederliggend. —ation (dek-lee-ree'sjunl, a. verklaring; klacht. —iture (-bi-tjoer), a. bedlegericheid. —alive (-kler'e•tiv), a. verklarend; aantoonend, —atory (-kleee-tur-rih)„ a. uitdrukkelijk; bepaald Decnple tdek'oepl), a. tienveudig. —, a. tienv. a. vertienvoudigen, voud. verklarend. —e, v. a. verklaren, uitleggen; v. n. —rent, —site, zich verklaren; (off) afzien van. —edly, ad. rond- Decor sloe (de-kuesjun), affoop. a. afloopend. borstig. —er, a. verklaarder. v. a. met echerpehoeken Deelnslon, (de-klen'ajun), a. vacant; verbuiging; De cuss ft te (de-kueseetl, dooranijden. —tion (dek-us-see'sjun), a. dooranil § atwijzing, weigering. ding. Pectin able ( de.klajnIbl), a. verbuigbaar. —ation Dedaious a. met kronkelenden rand. a• nijging; afhelling; afne- Dedecor (ded'e-lus), ate (de-dek'ur-reet) v. a, onteieren; ming; afwijking; afwijzing; verbuiging; —aloe onteeren, te schP.nde brengen. —ation (-ree'sjun), (de-klin'e-tur-rih) a. af—atory (dek'li-nee-tur). a. vervallen-verklaring van eereteekenen; oatwijkingswijzer. —e, a. afnerning, verval. —e, v. R. siering. —ous, a. ontsterend, emadelijk. nederbnigen; aislaan, weigeren; verbuigen; v. n, Dedenlitlon (ded-en-tis'ajtm), a. vealea der afwijken; bellen; Riflemen; weigerachtig atin. tan den. Declly 'tons —ous (de-klarvus), Didica to (ded'i-keet), a. toegewijd. —te, v. a. a. hellend. —ity, a. afhelling. toewijden; opdragen. —'ion (-kee'sjun), a. toeDecoct ide-kokt'), v. a. afkoken. —ion (-kok'sjun), wijding; opdaktit. —tor, a. toewijder; opdrager. a. afkokinc, afkooksel. —ice, a. atkokend. —ure —tory, a. toeifijdend, opdragend. —tory-epiatte, (-tj,;er), a. afkookael. opdraellt. Decolla te (de-korleet), v. a. onthoofden. —lion Dedition (de-dia'ajurt), a. overgave. idek-u1-lee'sjun), a. ontbalzing (van Johannea Deduc a (de-djoes'), v. a. aftrekken; afteiden den Dooper). (nit lets opmaken), —ement, a. afleiding, gevolgDecolor (de-kul'uff , v. a. doen verkleuren; trekking. —ible, a. of te leiden. —ive, a. ontlee—atinn (-nr-ee'sjun), a. ontkleuring, nend; afieidend, Decolorize, v. a. 'Lie Decolor. (de-dukt'), a. a. aftrekken, verminderen; Decom pose (di-ktun-pooz'). v. a. ontbinden, Deduct wegnemen. (-duk'sjun), a. aftrekking; oplossen; v. n. zich ontbinden. —posit (-poz'it) a. gevolgtrekking. —ire, a. —it-ely, ad. a? dubbel sam en gest el d.—ivosition(- korn te leiden; to betoogen; afieidend; betoogend. a. dnbbele samenRtelling; ontbinding. —pound Deed (died'), a. dead, handeling; dokument,akte. (-paaund'), a, dubbel mamengesteld; v. n, dubbel v. a. bij akte — of trust, akte van volmacht. § samenatelien; ontbinden. --poundaNe (-paaund" overdragen. —less, a. werkelooa. —y, a. werkibll, a. voor dlibbele eamenstelling (oplossing, ZAAM, bedrijvig. In the very deed, op heeterdaad. ontbinding) vatbaar. Deem (diem"), v. a. & n. oordeelen., het er voor Decor nee Idek'ur-rcet), v. a. veraieren. —anon rec ht er(o het ell and Man). houden. —s er, (..,,,, ,jun) a. versiering; versierael. —afar, a.' Deep (diep') a. & ad. diep; donkey (van kle.tr); ad. (de-ko'rus-), wel—.sly, versierder. —nun, a. geheim; diepzinnig; grondig; zwaar; liRtig, gevengelijk, betamelijk. —um (de-ko'rum), a. wel.slepen. —drawing, diepgaand. —mouthed, diep van stem. —musing, diep peinzend, —read, zeer Ileeortien te (de-kor'tl.keet), v. a. ontschorsen. belezen. —toned, diep van toon. —vaulted, diep a. ontbarsting. , , —lion (-Iree'sjun yea elfd. —waisted, met een 'nor- en aehterdelt. lok—bird, Decoy (de-kof), a. lokanse valstrik. —, a. diepte; zee. —en (die'pn), a. a. nitdiepen; vogel. jokeeud. —, v. a. lokken, verleiverdonkeren; nederdrukken; v. n. dieper warden; den; bedriegen. —man, a. vogelaar. —pond, a. danker warden. —1y, ad. diep; grooteltjks; diepeenJenicool.
In 2014, the company grew to one million users, acquired the blockchain explorer service Blockr and the web bookmarking company Kippt, secured insurance covering the value of bitcoin stored on their servers, and launched the vault system for secure bitcoin storage.[12][13][14] Throughout 2014, the company also formed partnerships with Overstock, Dell, Expedia, Dish Network, and Time Inc. allowing those firms to accept bitcoin payments.[15][16][17][18] The company also added bitcoin payment processing capabilities to the traditional payment companies Stripe, Braintree, and PayPal.[19]

—UD1B, Unsconsable (un-ak-kjoe'zibl), a. onberispeltik. Unaccustomed (nn-ek-kus'tu,md), a. ongewoon; engewend (to). Unachievable (un-e-tejleeibl), a. onbereikbaar; onultvoerbaar. UnacKnowleaged (un-ck-nol'idzjd), a. niet erkend. Unnequalnt mace (un-ek-kweent'ene), mess, s. onbekeudheld (with). —ed, a. onbekend; ongewoon, (with). Unacquirable (un-ek-kwafribl), a. onberaikbear. Unacquilied (un-ek-kwit'rid), a. onafgedaan, niet veretrend; fiat vrtjgesproken. Used dieted (un-ed-diketd), a. niet overgegeven, Wet tosgewijd (to). —jested (.dzjust'id), a niet gerereld, onvereffend. —mired (•inajrd'), a. niet bewonderd. —mittable (-mititibl), a. onaannemelijk. —*mashed (-mou'tejt), a. ongeweareehuwd. —opted (-e-dopt'id), a. Wet aanpnomen. (-e-daord'), a. onaangebeden. —oroed e-dornd"). a. onveraterd. —ulteratt (-e.dult'ur-at), a. onvervaleeht, ant er. Unadvls able (nn-ed varatb1), a. onraadaaam. —ed (-vajzd'), a. —edly, ad. onbedachtzaam, onvoorziehtig. --ednest, a. onbedaehtzaantheid, o'avoorzichtighetd. Unelfeet ed (un-ef-fekt'id), a. —edly, ad. onbewogen; ongekanateld, ongedwongen. s. ongekunsteldhetd, ongedwongenhetd. —ing, a. Diet roeaend, zonder uttwerking. —ionate (-forsjun-et), a. ongenegen. Thud' firmed (un-ef-furind"), a onbevestigd. —flitted 1-ttikt'td). a. ntet bedroetd: ongeatoord. —,'"righted (-frajt'Id), a. niet versehrikt. Unaided (un-eed'id), a. ongeholpen; ongewapend. Unalarmed (un-e-laarmd')., a. ntet versehrikt. Unaliena bie (an-eellen-ibl), a. onvervreemdbaar. —ted ee-tid), a. onvervreemd. Unall eyed (un-el-Teed'), nwierzaeht; onverzwakt; onvermengd. --ied (-DOT a. Met vetwant; sander bondgenooten. owa5le (-1au'ibl), a. abet to vergunnen. --owed (-laud') a. ongeoorloofd. Unaltera his (un-aol'tur-ibi), R. —able- ad. on veranderltjk. —aVenese, a. onveranderitjkheid. —ed (-turd), a. oraveranderd. Unambi goons (un-eca•big'(oe us), a. —guously, ad, ondubbehinnig. (-bislus), a Wet earzuekttg. Unamendable (unee-mend'ibl), a. onverbeter1 )1k. Unainflable (an-ee'Eni-tb1), a. onbominnelijk. Unamusing (un-e-mjoe'sieng), a. niet onderhoudend. UnanIna abed (un-en'i-mee-t)d), a. onbezield. —sty (joe-ne•nim'it-tihl, a. eenstenarnigheld.—out a. —nasty, ad. (joe-nen'i-mus-), eenstemmig. Unmet noyed(uu-en-nojd'), a. ongekweld.—ointed (.ojnt'id), a. ongezalfd; cnbediend. Unanswer able (un-aan'eur.ibt), a. —ably, ad. ralet to beantwoorden; onwederlegbaar.--cbteness, a. onwederlsgbaarbeld. —ed (-surd), a. onbeaatwoorl. Unap palled (un-ep-paold'), a. onverschrokken.
Par boil (pear' bojl I, v. a. half gear koken. —break' Parley (paar'lih), s. onderhoud, gesprek, omier(-breek), a. braaksel; v. n. braken. —buckle (- buk1), lmdeling. to beat a —, de overgaafmarach glean. s. schrooltouw. —, v. n. zich onderhouden, sprekeu. Parcel (paar'sil), a. atuk, gedeelte; pakje; partij; P4,1111senlent (paarna-ment), a. parlement. —ary hoop; sarting. m u —, v. a. in ge- (-ment'e-r1h), a. van het parlement. bill of —8, faetur. deelten splitsen; bijeen voegen; met smarting be- Parlor, Parlour (paar'lur), a. spreek-, bezoekk teeden. —ing, s. smarting, presenning. —delivery- kamer. office, a. beatelkantoor. Parlous (pearls's), a. gevaarlijk; slim, sluw. Parcen ary (paar'se-ne-rib), s. gemeenschappe- Parmesan (paar.ine.zen'), a. Parmezan; parmeIt) k bazit. —er (-nur), s. deelgenoot. zaan-kaas. Parch (paartsr), v. a. & n. schroeien, zengen; Parochl at (pe-rolliel), a. van het kerspel, — roosters; (doen) verdrogen. --edneos (-id-ness),... register, kerkeboek; — relief, bedeeling. —an verschroeidheid; verdroogdheid. —ing, a. ter- (-en), a. parochiant. schroeienl. Parod Ic (pe-rod'ik), —ical, a. parodieerend. --y , Parchment (paartsrment),:s.perkement.—maker, (per'ud-dih), a. spottende nabooteing, parodie; perkementmaker. —runner, papierlijuentrekker. v. a. spottend nabootsen, parodieeren. Pard (paard), a. luipaard. Parol (per'ul), a. mondeling. Pardon (partedn), a. vergiffenis. —monger, Omit- Parole (pe-root'), a. woord van eer; wachtwoord. kramer. —, v. a. vergeven; genade verleenen aan. Paronychlaper-o-niei-e),s.vijt. —able, a. —ably, ad. vergefelkjk. —ableness, a. Paronym e per'o-nini), a. gelijkluidend woord. vergefelijkheid. --er, a, vergiffenisschenker; aflaat- —ous (pe-ron' -mus), a. gelljkluidend. gever. ron'i-mih), a. geltjkluidendheid. Pare ( peer), v. a. achillen; uit-, afanijden;areaspen; Paroquet (per'o ket), a. parkiet. besnoeien; verminderen. Parot Id (pe-rot'id), a. van de oorklleren. —is Paregoric(per•e-gor'llt), a. & a. verzachtend, (-rolls), s. oor-, speekselklier. pij natillend (sreiddel). Paroxysm (per'oks-irra), s. verheffing (eener Parembole (pe-rem'bo-lib), a, tusschenvoegsel. ziekte of pijn); vlaag. Parenchyma ,pe-ren'ki.me), a. kllervleesch; eel- Parquetry (paar'kit rib), a. ingelegde vloer; inw eefsel, merg. gelegd houtwerk. Parene ola (pe-ren'ints), a. vermaning. —tie (pe r- Parrel (per'ril), a. rak. to fasten the —,aanrakken. e-net'ilt), a. vermanend. —haliard, ophaler van het rak. —ribs, rakkeslede. Parent (peer'ent), a. vector, moeder; oorzaak, —truck!, rakkeklooten. —truss, rakkatrre, -tulle. bror . --a, pl. °lidera. —ape!ook: ijer'ent-idzi),.. Parricid al (per-ri.aardel), a. vadermeordend; maagschap; afkonist. —al (pe-rent'el), a. ouder- van een' vadermoord. —e (peeri-sajd), a. vaderlijk. mooed; -moorder. Parenthe Ails (pe-ren'shi aim), a. tusscheavoeg- Parrot (per'rut), a. papegaai.diving —, papegaaisel, parenthesis. —tic, —tical, a. —tically, ad. duiker. —fish, zeepapegaai. —weed, boeconia (soort (per en- thet'sk-), tusschengevoegd, ingelaecht; als van heester). parenthesis. Parry (per'fih), v. a. & n. afweren, pareeren. Parent hide (pe-ren'ti-sajd), o. oudermoord; ou- Parse (nears), v. a. taalkundig ontleden. Parsisnon Ions (paar•111-mo'ni-us), a. —Toasty, dermoorder. —less (pee'rent-less), a. ouderloos. Parer (peer'ur), a. afanij der, schil ler; veegmes. ad. zuinig; k &rig. —tousness, —y (paar'el-munnih), Parergl (per'urAlzjiis), a. bijwerk. a. zuinigheid; karigheid. Pargst (paar'dzjit), a, pleisterkalk, gips. —, v. a. Parsley (paaraliha a. peterselie. —fern, druifhepleisteren. varen. —pert, ateeneppe, steenbreke. Parhellon (per-hi'li-un), a. bijz on. Parsnip (paars'nip), a. pastinak. Pariah (pee'ri-e), a. paria, verstooteling. Parson (paar'sn), a. geestelijke, predikant. — age, P algal (pe-raret), s. Zie Pair-royal. s. predikantspl eats; pastorij. Parietea I (pe -rare-tel), a. van den wand. —ry Part (peen), a. deal; aandeel; partij; rol; lid; (-to-rih), a. muurkruid, plicht, dienst. —8, pl. begaafdheden, talenean; Paring (peerneng), a. het afanUden, achillen, af- atreken. — by —, atuk voor atuk. in — of payment, anijdsel, sehil, afoul. —knife, snij mes (bij schoen- op afkorting. for my —; wat inti betreft. for the makers). moat —, meestal. to take a — in, deelnemen aan. Parish ( per'isj), a. kerspel, parochie. —boy, arm- to take in good (ill, —, goad (kvralijk) opnemen. jongen. —church, parochiekerk. —clerk, dorpskos- —owner, medereeder. —, ad. deela, gedeeltelijk. ter. —duty, kerspelbelasting. —priest, geeetelijke Part (paart"), v. a. deafen, of- indeelen; orbitten; scheiden; v. n. scheiden; heengaan, vertrekvan het kerspel. —loner(-un.ur), a. parochiaan. Parlayllable (per-1-sil-leb'ik), —at, a. gelijklet- ken; afdrijven; verzeilen. (from) scheiden van; tergreptg. laten varen. (with) zich ontdoen van; verlaten; Parli or (pergi. tar), a. pedal, bode, gerechtsdie- laten varen. —able, a. deelbaar,scheidbaar. —age, near. —y, a. gelljkheid. a. verdeeling; aandeel. —ed, a. begaafd. —er. 6. Park (plink'', a. park, warande. —flower, mei- verdeoler, scheider; scheidama.a. bloem. —keeper, paskopzichter. —leaves St. Jana- Partak e (per-teek') [ire.], v. a. doen deelen in; kruid. —, v. a. in een perk aluiten; omheinen. —er, v. n. (in, of) deal hebben, deelnemen aan (in). a. parkopzichter. —er, a. deelhebber, deelgenoot. —ing, a. deelParlance (paar'lens), a. geaprek. nerving; komplot.
0 ezlen„ by. esteemed, in esteem, regarded. Gezift, o. sifting, garbling, sorting. Gezln, o. family, household. GezInd, by. inclined, disposed. —heed, v. inclination, disposition; persuasion. Gezindtes, v. community, church,sect. Gezoetif, by. sought after, desired, beloved, in demand, in request; affected, studied, far fetched. —heid, v. affectedness, artificialness. CIOZOOli, a. seeking, search. Gezenfas, a kissing. Gezond, be. & bw. healthy (-ily); wholesome (-1y), salubrious (-1y); sound (-iy). — snakes, to cure. — worden, to recover. —cerstand, common sense. — clench, live beach, quick. — in bet geloof, orthodox. de cook is —, all is well how. frisch en— , in good health, brave and hearty. Gt. ondlaeld, v. health; wholesomeness, ;salubrity; soundness, erne inetellsn, to drink a health, to give (to propose) a toast. op he — drinkers van, to toast, — the health of. awe —, your health! here's to you! of/icier can —, surgeon. —softest, certificate of health. --abron, wells mineral waters. —abitfer, 'sanative elixir. —spardel, sash, girdle, — steer, hygiene, dietetics. —el oettand, state of health. G ezou ten, by. saltedhowdered, cornered. Gezucint, o. sighting, sighs. ...IP, 0. toping, tippling. Gezut.terte, v. me. sinters. Gezuurd, by. soured, leavened. G ezvvent, o. swaying, wielding, brandishing. Gezwabber, o. swabbing, mopping. Getz wisteere, m, ma. brothers-In-law. Gez wee f, o. sowing, hoverfng. Gez weer, o. rwelling, ulcer, imp osthume. G ez 'sweet, o. aweating, perspiration. Gezwa4,o. swelling, tumor. G ezwetg, o. swallowing; carouse, revelry. Gersveridell, a. swindling. Gezvvenk, is. wielding, brandishing; turning, wheeling about. G ez wet a, o. bragging, swagxering, bluster. (iezwler, s. rioting, revelling. Gezwind. be . & bw. swift (-Iy), quick (-Iy), nimble (-b1y). —held, V. swiftness, quicimees, nimbleness, celerity. Gezwoen, o. drudging, toil, slaving. Gezwollen, be. swollen, blr cited; turgid; bombastic. —heid, v. swelling, bloatednests; turgid. nevi, bombast, born basil y. Gezworen, by. sworn. — a, an. jury-man, member of a jury —en, en. my. jury. & v. guide. Gide, Gleepsnen, on. w. to bray. Glek, v yard, boom. —nil, boom-sail. Geer, m. vulture; swing, turn. —, v. hog's-wash. —arend, bov,e.kite. —calk, gerfalcon. —toolf, ravenous wolf. —motor', martin. fifer to, ov. w. to ;scrape together, to hoard up; on, w. to yaw, to swing, to sway; to stagger; to scream. — bray, flying-bridge. —pont, ferry-boat. Glerig, by. & bw. covetous (-13)„ avaricious (-ly), niggard (-1y). —aard, an. miser, niggard. —heid, v. covetousness, avarice, niggardliness. G tering, v. yaw, twinging.
1' hN. —PER. a. vijfregelig geditht. —style (-etajl,, a. gebouw met vi,lf zutlenrijen. —teach. (-tjoek), a. (de) vie boast: van Mazes. Pentecost (pen'tekost), a. pinksterfeest. —al (-;;oat'el), a. van het pinksterfeest. of Pent house (pent'haue). —ice (-tie), a. dak, luifel. Pentlie (pen'tajl), a. dakpan. (-rul'ti-met), s. voorPenult (pi'nult), s. —imate laatate lettergreep. Penumbra (pe-num'bre), a. halve sehadaw. P..•nurions (pe-nioe'ri-us;, a. —1y, ad. zuinig, karig, vrakkig, behoeftir. —nest', a. vrekkigheid; behoeftiheid. Penury penloe -rib), a. gebrek, armoede. Peon (Won), a. voetaoldaat; pion (in 't sebaskspel. —y, a. jteht-, pioen-roos. People (pi'pl), a. volk; lieden, pereonen; men. — say so, men zegt het. —, v. a bevolken. Pepper ( ep'pur), a. paper. —box, —caster, paper. bus. —cake, peperkoek. —corn, peperkorrel; beuzeling. --grass, pillevaren. —mint, peper caunt. —p/ant, —vine, peperboom. —wort, peperkruid. — , v. a. peperen; afroasen, Peptic (pepitik), a. de sptjavertering bevorderend. Per (pur), prp. per. — cent, ten honderd. as —, volgens. Peradventure (per-ed-ven'tjoer), ad. bij toeval, raissebien. Peragration (per- e-gree'sjun), s. (het; doorreizen. Perambuia te (pur-em' bjoe-leet), v. a. doorloopen; beziehtigen. —tion (-lee'ejun), a. doortrekking; beziehtiging. —tor, s. doortrekker; wegmeter. Perceiv able (pur-siev'ibl), a. —ably, ad. be merkbaar, bespeurbaar. —, v. n. bemerkea, bespeureu, ontwarsn. Percentage (put.- sen'tidzj), a. eijfer (reeht, cornmissie) ten honderd Percepti ble (par-sep'tibl), a. —bly, ad. bemerkbaar, hevattelijk. —baity a. bemerkbaarheid, bevattelijkheid. —on (-sjun),a gewaarwording; begrip. —ve (-tiv), a. gewaarwordead; bogrijpend. ( -tiv'it-tih), a. w aarttemingsvermo gen. Perch (porte)'), a. roade, rek, roest; bears. —, v. a. nzerzetten; v. n. zitten, roesten (on). —er,s. roe.ter (vogel); attaarkaara. Perchance (pur-tajaans'), ad. bij toeval, eellieLt. Perciplen ce (our-sip'i-ena), a. Zte Perception. —t, a. gewaarwordend, waarnemend; a. beseffer, denkend wezen. Percola te (pueko-leet), v. a. & n. doorzijgen. —tion (-lee'sjun), a. doorzij ;lug. Percuss (pur-kus'), v. a. stootenosehokken. —ion (-kusrun),.. slag, stoat, achok —cap, slaghoedje; —gun, pereuseie-geweer. —ive, a. Zie Pereut lent. Pereutlent (pur-kjoe'ajent), a. schokkend, stootend. Perdition (pur.disrun), a. ondergang, verderf, verdoemenia. Perdu, Perduc (pur-djoe'), ad. in hinderlaag.
For those of you who have not been paying attention to one of the biggest trends in investing and tech, cryptocurrencies are digital currencies using encryption techniques that regulate the generation of currency and verify the transfer of funds, operating independently of a central bank. Units of currency are created through a process referred to as mining.

MOP.- MON. Tied crat In (mod'ur-et), a. —tely, ad. gem atigd, Monach al (mon'e-kel), a, monniks-; kloosterlkjk; eenzaam. —ism (-kizm), s. rnonnikenwezen; kloosmatig, middelmatig. —re (-eat), v. a. matigen, terleven. temperen, does bedaren; v. n. bedaren. —tenets t-et-1, a. gernatigdheid; middelmatigheid. —lion Monad (mon'etl), a. ondeelbaar lets, monade. i-ee'sjun), R. gematigdheid; hetlaa7 dheitl. --for, Monarch (mon'erk), a. al leenhearscher, monarch. -rat, (mo-naark'el), —ic, —icel Ono- naarklk- j, a. (-en- tar), s. tnattger; vredernalrer; voorzit'er. alleenheerachend; vorstelijk. —ist, a. voorstander oderii (mod'urn). a. nieuw, nieuwerwetsch; der monarchic. —ice (-ajz), v. a. ale monarch bes. hedendaagache, tijdgenoot. hedendaagsch. —ism, a. nieuwigheid. —ize (ajz), v. a. nieuwer-1 heerschen; v. n. den monarch spelen. —y, a.alleenheerschappij; monarchie. wetach maken. —nest, a. nieuwemtachheid. Modest (ruod'tst), a. —ig, ad, hescheiden; zedig; Monaster ial (mon-ea-ti'rt-e1), a. kloosterlijk. —y (mon'es. ter-ih),a. kleoster. ingetog,en, Perim?. —y, s. zedigheid, Ingetogenheld, eerbaariteid; —piece, kanten hoezernstrookje. 171onastle (nao-nes'tik,, s. kloosterling —, —al, a, —ally, ad. (-tikl-), klooaterlijk. —ism (-ti-sizm), Modicum (mod'i-kum), a. weintgjs. a. kloosterlaven. Modifiable (mod'i-faj-ibil, a. vatbaar voor wij—ication ;41- kee'sjun), s. wijziging. —y, Monday (mun'dee), s. maandag. to make a saint ci - masndag houden. V. R. wijzigen; verzachten; — upon a matter, een Monde (mond), a. wergild; rijksappel. onder•erp uitputten. Modish (rno'disj), a. —1y, ad, modiech, naar de Monetary (mon'e-te-rih), R. gelsleiijk, geld-. Money (mua'ih), a. geld. ready —, in hand, mode. —rem a. moderucht. gereed geld. to make —, geld verdlenen. to make Modal ate (mod'joe-leet)„ v. a. , de stem) buigen, — of, is gelde maken. —bag, geldzak. —balance, rooduleeren. —ation (-lee'sjun), a. stembuiging, geldschaal. onderstands bill. —box, spaarmodulatie. —ator, a. mtembuiger. —e (-joel), 3. not. —broker, gellhandelaar. —changer, wissemodel, monster. filar. —lender, geldschieter. —making, geldwinModwall Imod'vcaol), a. bijenspeeht. nine:. —matter, geldzaak. —proof, onomkoopbaer. Mogul (mo'gul),s. Mogul. —serivener.geldmakelaar.—'8-tvorth,geldswaarde. Mohair (rno'heer),a, kernelshaar. k (mo'haok), s. straatroorer. —wort, penningkruid. —ed (-id), a. rijk,berniddeld. Mob Molder (mol'dnr), v. a. verbluffen,verlegen waken. —er, a. witselaan.mtinter. —less, a. zouder geld. Monger (mung'gur). s. koopman, kramer. ed, a. vermorseld, fijn gewreven. Mongrel (mung'gril), a. van gemengd rat, Moiety (morit-tik,), e.belft. bastaard. s. bastaard. MiLoti !me))), v. R. be& ijken; lawellen, afmatten; Monied (mun'id), a. rijk. bemiddeld. v. n. zwoegen„ sick sf'looven. Moist (rnojat,')., a. vochtig. —en (nnola'n), v. a. be- rtionish (morilaj), v. a. vermanen, waarschuwen. vochtigen. (moja'n-nr), a. bevoch tiger. --er, R. vermaner, waarschuwer. Monition (mo.nisPun), a. aantnaning, wenk. —nese, —ore (-joer), e. vochtigheld. —ory, A. vermanend , Monit lye Moke (mock), a. mast. net •erk. Moky (mo'itill), a. don kPr, somber. nars,huwend. —or, a. vermaner, waarschuwer. Molar (rno'ler), a. fijomalend, moat-. - tooth, —cry, s. vermaning, waargchuwing. Monk (mungk'), a. mon•ik; vlek (hi) drukkeral. MR3,1tR11(1., kies. —fish. zeeengel. —sheet, vet miadruk. —'s-head, Mol aarven lmo-les'siz), a. suikerstroop. Mole (moor), ps. tool; dam, havendam; moedervlek. papenkruid. —'s-hood, monnikakap. —"a-rhubarb, monniks-rhabarber. —cry, a, monnikenwezeu, -le--bat, ven. —hood,a.monnikachap.—iah,a.monnikachtig. mollenvanger. —cricket, veentuol. —eyed, met seer kleine oogen. —track, moilengang. —trap, Monkey (mung'kih), a. Rap. —flower, guichheil. —"e-bread, apenbrood (plant). mollenval. —warp, mol. —, v. n. molshoopen opMono chord (mon'o-kord), a. eenanarig apeelruimen. Molecule (mol'e- kjoel), s. stofdeeltje. trig, —chrome 1.1croom), a. eenkleurtg schilderMolerit (mo-lest'), v. a. overlast aondoen, kwellen. stub. —chromatic (-kro-met'ik), a. eenkleurig. —Winn (mol-ea-tee'ajun), a. overlast, Wed. —er, Monocut ar (mo-nok'joe.ler), —out, a. eenoogig. T►llonodon (mon-o'don), a. zeeeenhoren. a, verontruster,kweller. Moll! eat (molli-ent), a. verzacht,d. —feeble Monody ;rnon'a-dth), 8. alleenzang. ( faj-ibl), a. verzachtbear. —,fication (-fl kee'sjun), Monogstm 1st (mn-nog'e-mist), a. vijand van a. verzachting. —fler (-faj-ur),s. verzschter. het bertrouwen; die dêne vrouw heeft• a. huwelijk met 6ene vrouw. (•faj), v. a. verzachten,'Ienigen. Mono grant (raon'o-grem), a. naameiger; SAMollusk (11110P1i100, R. weather. mengestelde letter, ldnregelige rspreuk. —graph Molt. Zie Moult. (-grei') s, beschrijving van eene enkele zaak. Molten (mool'tn), a. gesmolten. Moly (molih), a. wild knoflook. —PraPbY (mo-nog're-fih), a. lijnteekening; Monograph. — UM (-11th), e. gedenkzuil nit Mollybdena (mol-ib di'ne), a. waterlood. a. alleenapraak. 6dn stern. —logue lone (moom) ; a. totskop, domoor. Moment (mo'mint), a. oogenblik; gewicht,belang. Monomachy (mo-norn'e-kih), s. tweegevecht. Monomania (mon-o-mee'nI-e). a. monemanie —orgy, ad teder oogenblik. --ary, a. vluchtig, voorbjjgaand, kortstoadig. —out (-ment'us), a. Mononne (mon'om), a eenvoudige groothetd. gewichtig, van belting. —um (-men'tnm).s.beweeg- Monopnthy (mo-nop'e.tik), e. alleen•laden. Mr,nopetaloos (mon-o-pere Ins), a. tlenbladig. kracht, sandrijvingakraeht; toppunt.

Kun je de mijne Crypto met een laptop


BOR.e.BOL. keeper, bookseller. —hoyden, book-keeping; het itafiaansoh of clubbil —, book-keeping by double entry. —holder, book •keeper, book-linen, stripes. —Meows, literary novelties. —.Mold, book-debt. —Moen, to spell; to write. —verkoo. ping, auction of books; trade-sole. —wick, book, work. —nickel, bookseller 's shop. —worm, bookworm. —engelt, bibliomaniac. —enkanten—twool, library. —eskaat, book-ease. —enkraans, —enstal. belle, book-stall. —enkramer, second-hand bookseller. —enliefkibben—eovriend,amRteur of books. bibliontania. —enlijat, catalogue. —.splash, book-shelf. —enrekje, book stand. —enteral, written language. Boekoi, m. curl, buckle. Book era, ov. w. to book, to enter. —sr, m. one that books. —erV, v. library. —ing, v. booking, entering; —.post, entry. —je, o. little book, pocket-book. Boelliwelt, v. buck-wheat. —en, by. of buckwheat. Boot, m. great many; ale Swede'. m. fit v. lover, concubine; paramour. —age, v, adultery, concubinage. —eerder, m. adulterer. —wen, on. w. to live in concubinage, to fornicate. —siring, v. adultery, concubinage. —gentler, v. adulteress,
TOU —TR A. 309 Touch (tots)'), v. a. ♦odel', raken; aanraken; Toes (toot), V. a. Zie to Toluca. toe.aen; echetsen; aanslean, bespelen, beriapen; Trace (trees'), P. spoor, teeken; pad, peg; trekbetreffen. &engem aanroeren; aansteken; schokriem. —, v. a. no - , opspsren, pawn, op bet ken, treffen, roaren; aandoen; ontvangen; amspoor volgen; doorgaan; sebetsen; (out) opepokoopen. — to the quick, dlep treffen. (off) beet ren; aanwijten., besehrtive•, (up) uitvorsehen, nemen; afschteten; verbeteren, (up) veretellen; opeporen. —able, a. op to spores, na to goon. rerbeteren. —, v. n. eikander raken; in verband —r, a. opspoorder. —ry, versierselen (in Steen). staan; sandoen, binnenloopen (at). (on, upon) Trachyte (tree'kejt), a. treebiet. aenroeren, gewagan van; werken op. —able, a. Tracing (tree'sieng), a. (het) nagaan, naeporen; taetbaar, voeibaar. —bless (-1-nets), S. lichtgepad, weg. joke-, kernaattoww. —papers reaktheld. "—Ng, a. —ingly, ad. roerend, unpapier tot doorteekenen. doenlijk. —City, a. betreffende, aangaande. —me- Track (tr610), a. veer; pad, bean; zeegat; !rung, roam cog. —road, jsagpad. —, v. a. naeporen, not, a. kruldje-roer-me-niet. —y, a. liehtgeraakt, het spoor volgen van; opsleepen. —age, e. (het) gevoelig. opsleepen. —leas., a, solider spoor, ongebaand. 'rough (tuf'), a. —ly, ad. teat; kleserlg; hard; moellijk, (tuf'n), v. a. & n teat maken Tract (trekt), a. streak, nitgestrektbeid; %erloop; traktaatje. verhandeling. (warden). —nese, s. taatheid, kleverigheid; hardTracts bie (trekt'lle1), a. —bly, ad. handelbaar. held; aterkte. 'routs see (toe-pie'), —et (-pet'),e. kW?. —bility (•e-htl'it-tih), —bleneett, a. handcibaarheld, gedweeheid. —te (-eet), a. verhandeling. Tour ( toer'), a. refs, toer. —iet, a. retziger, toerist. —mcaine (-me-lin), toermalijn, trip. —tion (-ee'elun),.. behandeling. Touters (turn') a. gerecht van den sheriff. —ament Tractil a (trekt'Ll), a. rekbaar. —ity (-11'it-t1h),s. rekbaart etd. (-e-men*; sok; toer , ), —ey (ink: toer'nib), s. steak-, tornooispet. —ey (ook: toeenth), v. n. Traction (trek'ejnn),s. trekking. acne Inns broken, tornsoten. —iquet (-i-ket), s. Trade (treed'), a. h.endel; boekhandel; beroep, draaikruite handwerk; hcaigheid; rereedschap; verkee'r; gewoonte. —'e-man, --:man ;treede.), handelaar; Touse (taut), v. a irekken, rnkken, haeenen; winkelier; hendwerkarnan. —wind, ptteeutwind, v. n. stoelen; woeden. risen. —, v. n. handelen, handel drijven. —d (-id), a. Tousle (tau's1), v. a. Me to Towle, bedreveu, ervaren. —r, s. handelaar, gram/tier; Tont (taut'), v. n. nten zoelcen te lokken erreeen pereoon• Iroopvaardijechip. —a (treed:), (for) —er, a. klantenlokker. Tow (to') s. week. hede; eleeptonw. to take in p1. oandwerkslie'den. op het aleeptonw semen. --boat, boegseer- Teredialg (tree'dleeg), a. (het) handelen. a. handeldrijvend; hardel • . —company, handelumetboot. —cloth, paklinnen. --lire, -.rope, boegseerlijn. —, v. a. boegeeeren, sleepers. —age, a. (het) scheppij. —town, koopstad. Tradition (tre-disren), a. overlevering. —al, boegeeeren;elaepegeld. —ary, a. —ally, ad. overgeleverd; bij (volgen: de) Toward (to'urd), a. —ly, ad. gewillig, leerzaern. overlevering. —er, —ist, a. vooratander der over—linen (-1i. peas), -nest, s. gewilligheld, leer zaamheid. —, —a (-wurdz), prp. near; tegen, lererIng. Traditive (tred'i-tiv), a. overgeleverd. jegens; onistreeks. Trnduc a (tre-djoeni, v. a. doorhalen; belaeteTowel (tan'il), s. hauddoek. 'rower (tan'ur), a. toren; kacteel, burcht; k ^ 0,1; ren. —ent, a. lasterend, sehendeul. —er, a. lasteraar, schendtang. —tion (-duk'sjun), a. voorthooge vlucht. aindmoien. — mu ' , rd. planting; overhrenging; overlevering; overgeng. torenkruid. v. n. hoog sliegen; etch lion verheffen. —ed (-Ind), —Y, a. van torens voor—tire (-druk'tiv), a. of te leiden. Traffic (treflik), a. handel; koepwaar. —, v. a. elan. —ing, a. hoog, verbeven?Wien, verhendeletr. v. u. handel drijven. —able, 'rowing (to'leng), a. (het) boegaeeren. —path, a. verhandelbear. —ker, a. s. handelaar. lettgaad. —rope, boegeeerlijn, eleeptouvr. Town (taaun'), a. '300. —clerk, gemeenteeeere , T rn poems t treg'e-ken t ti ), e. dregant. tart, —crier, etadvorn, eper. —due, stedelijke Tre ford I sit (tre-dzji'di-en), a. treurepelsehrijver, .dlehter,speler. —y (tred'zje.dthl,s. treurepel. aceijne. —hall, —house, stadhute, raedhule. —market, marktviek. —'a-man,s—nsan (taaunz , ), Tragic (tred'zjik), —al, a. --1/y, ad. tragiseh; atedellner, medebnrger. --talk, etadepraatje. treurig. —ulnese, re (het) traglache; (bet) treurige, droevtge. —wall, etadennur. —ids, a. steedsch, —ship, a, Tragicona edy (trod-zji-kom'e-dib), 0, blijeinettulegebied deed treurspel. —te, —ical, a. treuIlg vroolijk, Towse (taut'), v. R. Zie to Touse. —r, e. bulls • tregleomisch. bijter. Toxic at (tokelk1), A, vergiftig. —odendron (-1- Trail (treer), a. epoor;ateart; sleep; straal.—board, kambout. v. al . eIeepen; op het spoor volgen; v. (-1-kol'ud-zjib), ko.den'drun), n. girbonrn. e. verhandeling over de vergiften. n. slepen. Toy (to)'), a. epeelgoed, snuieterij; beuzeling, Train (trees'), n. trees; gesolg, stoet; rij, reeks; neeterij; gedartel; grit, luirn; sprookje. —man, sleep, slip; ataart; nasleep; loop; loogvunr;- Het, epeelgoedvertooper. —shop, epeelgeedwinkel. kuustgreep; asnlokeel; •gze, minter. —band., v. n. spates; dartelen, etuelen. — er, a. hence- p1. echutterij. --bearer, sleep-, slippedrager. leer, etoeier. —tah, a. epealech, thole). —oil, trim. —tackle, aehtertalie. --, 'v. a. trekken, steepen; lokken, verleiden; groothrengen, -ishnees, a. eItelsehbeid.

ongehan de zuster. —speech, eerste redevoering. ftletjor (mee'dzjur). a. grooter; meerderjarig. s. grootere, oudere; meerderjarige; majoor. —sword, ongebruikt zwaard. —wort, maagden- ( do'mo), a. opperhofmeester. — general, krnid. —head, --hood, 8. ntaagdom, maagdelijk- generattl-majoor. —ity (me dzjor'it-tilt), a. meerhe'd. —like, —1Y, a, ma agdelijk; zedig. derheid; meerderjarigheid; mejoorsehap. (-1i-ness), a. maagdelijkheid; zedigheid. Mali (steel'), a. pantser, mane; brievenmaal, -post; Make meek'), a. vorm, gedaante, maaksel. —bate, twietstoker. —peace, vredeatiehter.—shiff, hulp;Tote; vlek. —coach, pootkar. —day, postdag• middel, uitweg. —weight, toetrift, doorelag. -, v. a. bepantseren. —able, a. per post to see- zenden. —ed, a. gevlekt. Make (meek) [made], v. a. maken, vervaardigen; s. verminking, verlamming; bedoen; bereiken; winnen; dragon. —account, stoat, (rceem'), Maim na(leeling, letoel, gebrekkigheid. v. a. ver- maken. — the best of', zich ten nutte maken; zich sehikken in. — a boast ef, poehen op. minken. —edness, a. verminktheid. — a fool of, vase den gek houden. — good, ver. Males (mien), a. (het) voornaaroste, hoofddeel; maoot; geweld; oceaan, •ereldzee; vaeteland; goeden; vervulljen. head, het hoefd bieden. pakmand; worp; weddensehap. in the —, over — land, land zlen. — a roes, een verlies lijden. het geheel. upon the —, ten laatste, ten elotte. — love, vrtjen. — war, oorlogen, (away) uit. den Main (meen'), a. voornaamete, hoofd-, —bedy, weir mime], (out) ultmsken; verklaren; uitvaargros (van een leger). —boom, zeilboom, giek. digen. (over) overdragen (up) vergoeden; op-, —bowline, grants boeglijn. —braces, groote bras- uitmaken; vol waken; aanvullen; toevouwen; sen. —business, hoofdzaak, .vak. —channel, groot- sluiten; beelechten; — one's mind, eon beeluit rust. —deck, hoofddek. —fear, groot kardeel. semen. v. n. gaan, zich begeven; zich aan-guard, hoofdw seta, —hatchway, groat luik. stellen. — light of, liebt tellen, gering achten. —keel, vaste keel, —land, vasteland. —lifts, — merry, zich vermaken. muchof, veel ophebgroote toppenant, —mast, gyrate mast. —post, ben met, week waken van. (after) volgen; seeachtersteven. —preventer- stay, groote loom 'gag. volgen. (against) tegen. nsdeelig zijn.(at) —sail, sehooverzeil, groot zeil. —sheet, groote gaan op. away) zich wegmaken. (away with) doorschool. —shrouds, pl. groot want. —slide, groote brengen; zich ontdoen van. (for) Melt begeven roar. sehulfepter. groote spriet. —stay, groote (op Melt wegpakken. (on) voortmaten. (up for) vergoeden, heretellen; inhalen.!(up to) toetreden stag, —stay-sail, groat stenge-stagzeil. —tack, groote hale. —tackle-pendent, hanger aan den (afgaan) op, naderen. (with) overeensternmen; zich bemoeien met. grooten moat. --top, groote mars. Zie beneden. Make less (meek'lesa), a. zonder wederga; zender —yard, groote ra. echtgenoat of vriend. —r, s. molter; sehepper. Main 1y (meenqih), ad. hoofdzakelijk, grooten- deels. —pernable (.pur.nibl), a. ale borg toe to Making (meek'ieng), s. (het) maken; rnaaksel. —iron, kalfaatijzer. laten. --pernor (-par.-our), 8. horg, borgtoeht. --prise (-prajz), a. vrijlating tegen borgeteiling; Malachite imere-keji,), a. malachiet. v, a. tegen borgstelling doen onts!aan. —swear Malady (mel'e-dill), s. ziekte. (-s weer) Bra], v. n. valech zweren. Malaga (mere-ee), a, Malaga-au ijn. /11 airlift-du (men-teen', v. a. handhaven, in stand ittlalandera (meren•durz), pl. kniegezwellen. houden; onderhauden; staande houden. —able, Malapert (mere-purt), a. —1y, ad. onbesehaamd, a. houdbaar, verdedigbaar. —er, a. handhaver; onbeeehoft. —ness, a. unbeechasmdheid. Malaxate ( me•leks'eet I, v. a. zeeht (week) maken. onderhouder; beweerder. Maintenanre (trieen'tn-ens), a. onderhoud; hand- Male (meel), a. mannelijk. —. a. mann etje. having, verdedigine. . Male (met - ) administration, a. slecht beheer. Maintop (meen'top), a. groote mars. —content (mel'-), a. mienoegde, ontevredene. —content (mel'.), —contented (-kun-tent'id), a. Maintop-gallant igerlent-), —mast, a. groote misnoegd, ontevreden. —contentedness, s. misleramsteng. —royal-mast s. groote bovenbram- noegdheid, ontevredenheid. sieng. —royal-sail, a grout bovenbramzeil. —royal- shrouds, pl. groot bovenbvarnstengewant, —royal- Male diction (mel•e•dik'sjon), a. vervloeking. yard, s, groote bovenbramra. —sail, a. groot —faction (-fek'sjun), a. wanbedrijf. —factor (-fekt'ur), 8. booadoener. bramzeil. — shrouds, pi. groat bramsteligewent. Male leaswace (mel-tle'zens), s. misdrijf, wan• —yard, a. groote bramra. bedr ijf. —formation (-fur-mee'sjun), s. slechte vorMaintop-mast (meen-top'mast), a. groote stews;. - shrouds, pl. grout stengewant. —stay-sail, s. ming. —practice (-prek'tis), s. kwade praktijk, groot stengeetagzell. onwettige daad. Maintop (tateen-top , ), —sail, a. grant n ► arszeil. Mftlevolen ce (me-lev'o-lens), a. I, waadwillig-suit-yard, a. groote topzeilra. —yard, groote heid, boosaardigheid. —t, a. —tly, ad.kwaadwilmarszeilra. lig, boosaardig. Main - try-Rmeen - traY - ) sail - gaff, a. etormgaf• Malice (merle), a. boos-, kwaadaardigheid, boos fel aan den grooten mast. opzet. to bear —, wrok koesteren. Main-yard (meen'jaard), a. groote ra. Malicious (me-lisj'us), a. —1y, ad. boosaardig, valseh. -ness, a. booaaardigheid. Maize (meet!, a. mays, backache tarwe. Majest is (me•dzjes'tik), —ical, a. —ically, ad. Malign (me-lajn"), a. —1y, ad, boosaardig,nijdig. majestueus, verheven. —lea/tress, a. (het) ma- —, v. a. benijden, benadeelen. jestucuse, verhevene. —y (medzres tih), a. ma• Malign aney Ime-lig'nen•sih), —ity, a, boos, jesteit, verhevenheid. kwaadatadIgheid, valsehheid, —ant, a. —antiy,

cryptogeld api


33fi woordenrijk; anapziek. —osenese (-boos'), —osity. l Vertfistnoub (var-tid'zji-nus), a. drasiend; dui zellg, —nese, a. draining; duizellgheid. (-bois'it-tih)., a. woordenrijkheld, anapaehtigheid. Verd ancy (vueden-sih), a. groenheid. —ant Vicirtlogo (gur-taj'go)-ti'iro),. duizeling. a. groan; bloelend. —ere, (-dur-ur), a. houtvester. Vervain (vur'vin), a. bzerkruld. i Very (ver'ih), a. wear, werkelijk, eeht; de-, hetVerdict (vat'dIkt), a. uitapraak, beelleaing. I zeltde; zelfs, —, ad. zeer. Verdigris (var•d•-gries'), a. kopergroen. Verdur a (vurd'joer, -jar), a. groan. —.8, a. V•sic ate (vea'i-keet), v. a. met eene trekpleta- , ' groenend, groan. ter beleggen. —ation (-kea'ojun), s. blaartrekvereculid (ver'e-kuud), a. be.seheiden, Actium- king. —atury (ve-eire-tur-rit), s. trekplefater. achtig. —ity (-kund"it-tlh), a. beieheidenbeid, —le (-1k1), a. blaoaje. —ular (ye-OW.106,1er), n. blaas-; bl000vnrinig; hot. —Mute (ve-sik'jee n let), echeamachtigheid„ Verge (vurdzf). a. ataf, roede; spit; rand, zoom; a. vol blues)ea grene; reentagebied, —, v. n. neigen, hellen; Vesper (veu'pur), a. wonds , er; avond. —a (•pars), I pl. vesper, avonddienst. —tine (-tajn), R. avant-. overgaan (to). —r„s. statdrager. faj-/b1), a. bewijabliar.—ication Vespiary (veepi•er-rlh), a weepen-, btjenneet. Verifiable (-it-i-kee'sjun), s. onderzoek, waermaking, be- Vessel (vea'Al), a. yeas, kom; vaartuig, schip. krachtiging. —ter (-faj-ur), a. onderzoeker, be- Vest (vest), a. owaid; bole, vent. —, v. a kleekrachtiger. —y v. a. onderzoeken, waar den; bekleeden; in het bezlt atellen; beleggen; v. U. (in) overgaan op. —wry, kleedkamer, geroaken, bekrachtlgen. derobe. ad. voorwaar, waarlijk. Verily ( (ver-i•eim ler), a. waarechijn)tk. Vestal (veeteD, a. vestaalseh, knieele. —, a. vetsVerimmil taalsehe neasscd. s. waarisehijnlijkhe/d. Vern able (verl•tibl), a. —ably, ad. wear; echt. Veat tad (veat'id), a. ten deal gevallen; vastgetteld. —iary (lt-a-rth), a. kleedkarner. (-1-bjoall, —y (-It.tih), a. waarheid. a. voothuie, porteal. —ige ( Ida)), a. voetatap; VerJuice (vur'dzjoea), s. sap van onrijpe appelen spoor. —meat, a. gewaad, kleeding; misgewaad. of druiven, verjuts. Vermicul ar (our milejoe-ter). R. wormvormlg. Vestry (ves'trih), a. sakriutle; kerkeraad. —board, —ate (-leet), v. a. wurmvormig inleggen. —ration —keeper, koater. (-lee'sjun), s. inlegging; kronkeling. —e (vur, Vesture (vest'joer), a. kleedIng, gewaad. milt Joel), a. wormpje. —use (-loots) --out, a. Verb (vetsji, a. wikke. —nag, a. epurrle. —y, a. wikke-; van wackeetroo. wormt g; wormachtig. Vermlf wren (vnym'i-form), a. wormvoratig. Veteran (vet'ur•en), a. beproefd, eriaren. —, a. oud-gediende, beproefd krkjgeman. —age (fieedz,j), a. middel tegea de wo?reee, Verrallion (vur•mil'jun), a. vermiljoen. —, v. a. Vaterinar Ian (vet-ur-i-nee'rl-en), a. veeartc. —y Ivet'ur-i-ne.r:), a. veeartsenij-, — school, rood lerven. Vermin (ruemin) a. ongedierte; gespuis. --ate veearteenijeehool; — surgeon, veearts. I•eet), v. n. ongedterte voortbrengon. —Oki* Veto (vi'co), a. verbod, afkeurende stem. ( ee'ffijun), a. voortbrenging van ongedierte. Vex (vein'), v. a. kwellen, ergeren; verontrusten; v. n. verdrietig zijn; zich ergeren. —ation (-ee• —ous, a. ongedierte voortbrengend. Vernacular (cur-nek 'j oeler), a. inheernsch, va- sjun),akwelling; ergernis; verentrueting.—atious, a. —atiouely, ad. (-ee'sjus.), kwellend; ergarlijk. derlundeeh. — tongue, rnoedertaal. Vern al (vur'nel), a. van de lente, lente-. —ant, moeielijk. —atiotssness (-ea'ajus..), a. kwelling, ergernis, verdrietelijkheld. —er. a. kweller. —ing, a. groenend, bloelend. a. draaibaar) veranderlijk; a. —imply, ad. kwellend, ergerlijk. Versatil a haiwam. —eness, —ity (-tll'it Oh), a. drani- Via (vars), ad. over,langs. Via bin (vaj'ibl), a. tot leven gesehlkt. bitily baarheid; veranderlijklieid; buigtaamheid. Vera a (vane), a. Vera. e, v. a. berijmen, been- (-e-bil'it-tih), thlevensvermogen.—duct(-e-dukt), gen. —ed (Vtl,t) R. ervaren. bedreven (in). a. viaduct. boogbrng. ( -ikl), a. vereje —icolored (-1-kul'urd). a. Vial (vspel)., a. llesebje. veelicieur)t.T. —ificatiou (-if-i kee'sjun!, a. rijo, Viand (varend), a. (vieeseh.), epije), gerecht. kunst; verabauw. —ifier (-i-faj-ur), a. berijtner, Vlatic (vaj et'lk), a. van eene (de) rely —ern. a. verzenrneker. —ify 040), v. a. berijmen; v. n. relegeld, teerpenning; eakrament dee avondmaals (ban een' stervende). verzen nnaken. 'Went • (varbreet), v. a. & n. (taco) erillen, Version (vur'sjun), a. verandering; overzetting. slingeron, sehommelen. — ion (-bree'sjuit), a. Verauto (vur-ejoet'). a. listig, slaw. (-bre-tie), —cry (-bretrilling, slingering. Vert (vurt), a. green; kreueelhout. tur-rih), a. trlilend, slingerend. Vertebra (vur'te- bre), a. wervelbeen. —I, a. war- eel-, gewerveld; ruggegraats, —te (-brat), —ted Vicar (vik'ur), t. plaatsvervanger; hnlpprediker; a. vleartaat; pre( bree.tid), A. gewerveld. —te (-bret), a. gewer- vicarls; dorpapredikant dikantselaats, -wooing. veld Bier. Ver teber (vuete-bur), a. wervelbeen. —tax Vicar int (vi-kee'riel), a. predikanlo-; pleats(-teka), a. top; kruin; toppunt. yervangend. —hate (-et), —ions, a. piaatave rvanVertical (vuetik1). a. —ty, ad. loodreeht. —neat, gent. —fate (-et), a. plaatavervanging. —ship (vileOr.), a. vicartaat. . loodrechtheid. Vartleity (vur-tia'ait-t1h), e. omdraalIng, on, Vice (vale), a. ondeugd; gebrek - gratip; haneworet. v. a. dwingea; verleiden. wenteling; richtingskraeht.
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-
DEW.-1)10. Itew ((ijoe'), e. dauw, —, v. a. bedauwea. —berry. Dicky (dik'kth), a. half hetudje; lakeiplaats (achbraambezie. —drop, dauwdroppel. —lap, halo- ter het rtjtuig); czel. kwab, kossern; hanglip. —snail, naakte alak. Dictat e (dikleet),a. bevel, voorschrift; inspraak. —e, v. a. v66rzeggen, dicteeren; gebteden. —ion —worm, dauwpier. --y, a. bedauwd. (-tee'sjun), a. (het) v66rzeggen, voorscbrijven• Dexter ity (deks-ter'it-tth), s. behendigheid; be- opgaaf. —or (-teetur), a. gebieder, dictator. —oriat drevenheid. (-te-to'ri-e1), —ory (-te-tur-rih), a. gezaghehbend. Dexterous (deks'tur-us), a. —ly, ad. handig; be- —orahip, —are (-teet'joer), s. dictatorachap. ti•even; knap. —nese, a. handigheid; bedrevenheid. Diction (dik'ajun), a. attil, voordracht. —ary, e. Dextral (deks'trel), a. reehter, woordenboek. Hey (doe), a. .fley. Didactic (di-dertik), —al, a. —ally, ad. onder. Diabetes (daj-e-bi'tiez), s. urine-vloed. wijzend, leerend. Diabolic (daj-e-boilk), —al, a. —ally, ad, dui- veloch; duivelaehtig. —ainess, a. duivelachtigkeid. Didapper (did'ep-pur), a. duiker (watervogel). Didder (dididur), v. n. huiveren van koude. Diaconal ,daj-ek'un-nell, a. diakonaat. Diddle (did'd1), v. n. waggelen; beuzelen. Diacousties(daj-e-kauOtiks), s. geluidkunde. Diacritic (daj,-krit'ik), —al, a.,door een teeken Diduction (daj-duk'sjun), a vaneenacheuring. ondersebeidea. Die (daj), e. dobbelateen; muntstempel. —, v. n. Moden ► (dare•dem), a. kroon, diadeem. —ed sterven; bezw(jmen; vergaan; yerschalen. Diet (darit)., a. eptis; leefregel; rijkadag. —,, v. a. (-demd), a. gekroond. Diaeresis (daj-er'i-is), a. deelteeken, trams. 1 voeden, een' leefregel voorechrbven aan; v. a. op Diagnostic idsj-eg•nos'tik), a. ziektekenmerhond. (beet leven. —drink, drankje. —ary, a. tot het ditet behoorend; a. leefregel. —er, a. dieet—, s. ziektekenteeken. voorschrtj ver. —etic, —etical, a. (-tet'ik-), het dihet Viagonall (daj-eg'un-nel), a. overhoeksch. —, 8. ffe nddip. fur). ete rer( Dbiff hoeklijn; diagonaal. ow a. vera. n. verschill en. —e, Hiagrns a (daj'e-grem), a. meetkunstige liguur. achil, onderaaheld; v. a. doen verschillen,—ent, Dial idaj'ell, o. zonnewijzer. —plate, wijzerplaat. a, —ent1,11, ad, verachill end, onderscheiden.—ential —wheel, zonnewiSzerrad. —log, s. zonnewijzer- 1-en'sjell, a. —method, differentiftal-rekening. kunde. —ist, a. zonnewijzermaker. Dialect (Iltj'e-lekt), a. tongval; stijl. —ie, —ie.', Difficult (drit-kult), a. —ly, ad. moetelijk, bezwaarlijk. 4 —ed, a. in verlegenheid gebracht. —y, e. —ically, ad. (-lek'tik-1, redekun stig, logisch. a. moeielijkheid; swarigheid. —ice ( lek'tiks), a. redekunst. Dialog ist (daj-erud-zjtst), a. bouder look: sebrij- minden ce (dirfl-dens),.. mistrouwen; schroom. ver) van eamentpraken.—istic,—istical, a. —iota- —t, a. —tly, ad. mistrouwend; schroomvallig. cally, ad. (-zjist'ik-), a. in den vorm van semen- Difiluen ce (difiloe-ens), —cy, a. uiteenvioeiing. spraken. —ice (-zjajz), v. n. eene samenspraak —t, a. utteenvloetend. Difform (dirforml. a. ongelijkvormig; onregelhouden. matig- —i-ty (-form'it-tih), a. ongelijkvormigheid, Dialogue (daye-log), a. samenspraak. onregelmatigheid. Inmate ter (daj-ern'i-tur), s. middellijn. —tricot, DMus e (dif-fjoes'), a. —ely, ad. verspreid, wijdad. (dad-e-met'rik-), a. middellijnig, —trically, a. lijnrecht. loopig. —ive, a. —ively, ad. (-fjoesiv.), verbreiDiamond (daj'e-mund), a. diamant; ruiten (in deed; uitgeatrekt; verspreid; uitvoerig. —ivenese, a. uttgeatrektheid; wijdloopigheid. 't kaartspel); mart in 't blazoen). —cutter, dia- Diffue e (dif-fjoez'), v. a. uitgieten, nitatorten; mantslijper. —letter, kleine drukletter. verspreiden. —edly, ad. verapreid; wijdloopig. Diapason idaj-e-pee'zn), s. octaaf. —edness, a. verspreidheid; wijdloopigheid. —er, Diaper (dsre-pur), B. gebloernd linnen; servet- a. verapreider, verbretder. —able, a. verspreid. goed, —, v. a. met bloernen bewerken. bear. —ion (-zjun), a. verapreiding; uitvoerigheid. Inapt)... is (daj-e•fen'ik), —sue (-ere- nus), a. Dig (dig) [dug], a. a. graven; omapitten. (dews) doorschijnend. ondermijnen. (out) uitgraven. (up) opdelven. Diaphoretic (daj-e-fo-reVik), a. ,zweetvenvek- (through) doorgraven. —, v. n. graven, delven. kend. Digest (dardzjest), a. (de) pandecten; wetboek. (dare-frem), a. middelrif. Iliac Digest (di-dsjesti, v. a. verduwen, verteren; Marisa (dsre-rist), o. dagboekhoadei. in orde schikken; doen etteren; v. n. etteren. IDiairrhttea (daj-er-rl'e), a. buikloop. Diary (dare rih), o. dagboek. Ofastolle (daj-ea'to-lik a. uitzetting; verlenging. IliatrIbe (dare-tr9jb), s. uitweiding; bijtende broordeeltng,
a. (het) luchten. —less, a. bedompt. —ling, s. —ion (-neesjun), s. afstamming in de inanne- windbuil. —pump, luchtpomp. —threads, herfstlijke lijn. Agnorn en (eg-no'men), a. bijnaam. —inate draden. —tight, luchtdicht. —y, a. luchtig; (-nom'i-need, v. a. sere bijnaam geven. —ination dartel. Aisle (0), a. vleugel, koorgang. (nom-i-nee'sjun), a. bijnaam, zinspeling. Agnua-eastus (eg'nus-kes'tus), a. kuischboom, Alt (set ), a. eilandje. Ajar (e-dzjaar',, ad. op een' kier. Ago le-go'), ad. geleden. Agog (e-gog',., a. vurig begeerend. to set —, be- Ajutage (ed'zjoe•tidzj), a. verlengpijp. Akimbo (e-kim'bo), ad. gekromd. with arms —, lust waken ( for. onl• met de handen in de zijde. Agoing (e-go'ieng), ad. in gong. Agonis to (et'o nizm), a. prijsgevecht. —t, s. Akin (e-kin'), a. vermaagschapt., verwant. Alabaster (cal-e-baatetur), a. albast. —, a. van prijsvechter. Agon ice (eg'o-najz), v. n. zieltogen; doodsangst albast. uitstaan. v. a. folteren. —y (-nih), s. dood- Atari( (e lek'), int. helaas ! ach I —a-day, int. o wee I o jerum! strijd; zieleangst. Alacrity (e-lek , rit-tih, s. opgeruimdheid, vrooAgouti (e goed'), ad. in ernst. lijkheid. Agrarian le-gree'ri-en), R. —law, akkerwet. Alamode (el-e-mood"), ad. naar de mode. —. s. Agree (e-grie'), v. a. vereffenen; verzoenen. v. n. overeenstemmen (with), (on. upon) eena zijn sonrt van tar. over. (with) lijken, peas.. (to) toestemmen in. Aland (e-lend'), ad. aan land. —able, a. —ably, ad, aangenaam; overeenkom- Alarna ( e-laarm'), a. rumoer; noodkreet; wapenatig (to. with.) —ableness, s. aangenaamheid; over- kreet; achrik ; wekker. —, v. a. to wapen roepen; eenkomstigheid. —d, a. overeengekomen; int. verontrusten. —ed. a. (at) ongerust over. —ing, top! afgesproken! dot blijft zoo! —sent, 8. over- a. verontrustend. —bell, alarmklok. —post, loopeenstemming; overeenkomst; schikking, verge- pleats. lijk. Alas ( e lame), int. helaas! Agrestic (e-gres'tik), —al, a.landelijk, boersch. Alb (elb), a. koorkleed. —atrosa (erbe-tros), s. Agricult or (eeri-kul-tur), s. landbouwer, —ural stormvogel. (-kuPtjoe-rel), a. den landbouw I etreffend. —era § Albany-beef (erbe-nih-bief), a. steer. (-kul-tjoer), a. landbouw; iandbouwkunde. —urist Albeit (aol-bi'it), ad. alhoewel. Albeocent (el-bes'sent), a. wit wordend. (-kurtjoe-rist), s. landbouwkundige. Albino (el-barno), a. witte neger. Agrimony (eg'ri-mun-nih), a. leverkruid. Albugo (el-bjoe'go), s. witte steer. Agronomy (e-gron'o-mih), a. akkerbouw. Agronnd e-granund'), ad. Ran den grond, ge- Alchem ical (el-kem'ikl) a. alchymistisch. —ist strand. to run —, non den grond rakes. to run a (erki-mist), 8. goudmaker. —y (ellki-mih), a. ship —, in den grond zeilen; op het droge zet- goudmakenj. Alcohol (el-ko-hol), a. alkohol. ten. to be —, in de them zijn; bedorven zijn. heete koorts. Aicoran (el'ko-ren), 8, (de) Koran. Ague (ee'gjoe), 8. koorts. burring Alcove (el-koov'), a. alkove. —jit, aanval van koorts. Aguise (e.ghajs'), a. bleeding. Alder (aol'dur), a. els. —man, a. schepen. —n, a. van elzenhout. Aguish' (ee'gjoe-isj , , a. koortsig. —new, a. koorts- achttgheid. Ale (eel), a. ,engelsch bier. —berry, biersoep. —conner, —taster, bierkeurder. —hoof, aardvell, 4 Agy (eg'ih), a. koude koorts. —house, bierhuis. —stake, uithangbord. —wife, Ah (aa), int. ach I ha I —me, orb he ) tapster; § elft. Ahead (e-hed"), ad. vooraan, hale over kop. Alee (e-lie'i, ad. aan lij. Ahold (e-hoold'), ad. dicht bij den wind. Ahoy (e-hof), int. heiho I all hands —, alle man Alembic (e-lem'bik), s. distilleerkolf. Alength (e-length), ad. overhangs. op dek. Alert #e-lurt'), a. wakker, slug. —new, a. wairAbull (e hul'), ad. soar top en take). Aid (eed), v. R. helpen, ondersteunen. a. hulp, kerheid, vlugheid. bijstand; onderstand; helper. —de-camp, adju- Alexandrine (el.egv.-aan'drin), a. twaalfletterdant. —er, a. helper. —less, a. hulpeloos. —s, a grepig vers. in- en uitgaande rechten en accijnsen. court of Algebra terdzji-bre), s, stelkunst. Algebra Ic (el-dzji-bree'ik), —ical (-11c1), a. stelaids, accij nsk.ntoor. Alguemarine (ee'gjoe-me-rien), a. berilsteen. kunstig. —ist, a. atelkundige. all (eel,, v. R. deren, pijn veroorzaken; v. n. pijn Aig or (e!'gor), a. hevige koude. —ous, a. vol hebben; onpasselijk zijn —ing,a.ziekelijk,—meat, zeewier. s. onpasselijkheid; smart. Alias (ee'li-eat, ad. anders gezegd. Aim (eem), 8. doelwit; oogmcrk. —, v, a, rich:ten; Alibi (el'i-baj), a. tegenwoordtgheid elders. Allen (eel-j en), a. vreemd,—.s. vreemdeling.—office, v. n. (at) mikken, doelen op. Air leer), a. lucht, hunting; lied. to take the —, paapoortenbureau. —able, a. vervreemdbaar, een luchtje acheppen. to take airs, zich aanzien —ate (-eet), v. a. (from) vervreemden. -ate (-et), geven. —, v. a. luchten. —balloon, luehtbol. a. (from) vervreemd van. § —age, a. vreemdheid, —built-castles, luchtkasteelen. —current, lucht- vreemdelingschap. —anon (-ee'sjun), a. vervreemstreom, —gun, windroer. —hole, luchtgat. —i/y, ding; — of mind, verstandeverbkistering. a, luehtig, vroolijk. —iness, a, luchtigheid. —ing, Allform (eri-form), a. vleugelvormtg.

Wat is beter Bitcoin vs forex trading


n. beven, sidderen, trillen (with). —r, s. boyar, sidderaar; kwaker. a. leer der kwakers. Qualif labia (kwol'i-fej ibl), a. vatbear voor wijsiging. —ication (-if-i-kee'sjun), s. bevoegdheld; bevoegdmakiny; benoeming; wljziging, beperking; eigensehap. —fed (-fajd) a. bevoegd, gesahikt (for); gewijagd, beperkt. —ier, a. bevoegdmaker, ijziger. —y (-faj), v. a. gesehitt (bevoegd) maken (for); benoemen; wijzigeu, beperken, matigen. Quality a. hoedanigheid; aard, inborst; snort; amnion, rang. Qualm (kwaare., kwaom'), s. misselijkheid. —isk, a. mieselijk. —iohness, a. mieeeltjtheid. Quaudary (k won- dee'rihi, e.twijfelivet legenheid. Quantlt Mice (kwon'ti-te-tiv), —ire, a. voleens de hoeveelheid te echatten. —y, s. heeveelheld; menigte.; grootte; lengte. Quantum (kwon'tum), a. hoeveelheid; bedrag. Quarantine (kwor-en-tien), a. quarantaino. —, v. a. aan quarantaine onderworpen. Quarrel (kwor'r11), a. twist, krakeel; diamant; glasruit. —picker, twistzoeker. —, v. n. twiaten, krakeelen (about, for). —ler, a. twister. —lout —some, a. twietziek. —sameness, s. twistzucht. Quarry (kwor'rih), s. steengroeve; aan, grout; vierkant, cult. —man, steengraver. —stone, ruwe steep. —, v. a. uitgraven, opdelven. Quart (kwaort'g, a. vierendeel, kwart; vierde; kwartier. —an (-en), a. derdendaagseh. —at ion (-tee'sjun), a. vierendeeling. Quarter (lzwaur'tur), a. vierdeUel, vierendeel; vierde; kwartier; kwartaal; gewest, streak, wijk; veld• legerplaats; verbitjf, lijfsgenade; hieletuk; wlndvering. on the balketagswijze. —of mutton, sebapebont. —badge, valeehe Ejgalern. —bill, geschutrol. —cloth, achanskleed. —day, eerste dag van elk kwartaal; betaaidag, —deck, halfdek. —gallery, zijgallerij. —gaskets, pl. beelagseizingen. —gunner, konstabelsmaat. —ladder, stormladder. —lantern, bnieliehter. —master, kwartiermeester; schietnan, —netting, vinkenet van het achterdek. —piece, hieletuk;etaatshout. —rails, pl. regelingen der versehansing van het halidek. —ranger, beschwachter. —round, kwarttekeliog. —cessions, driemaandestet. ltjksebe reehtszitting. —staff, vechtknuppei. —tackle, handtalie. —wage, vierendeeljutrahuur. —wind, bakstagswind. Quarter (kwaor'tur), v. a. vierendeelen; intwartieren; voeren (in het wapen); v. n. in kwartier liggen; verblijf houden. —age, s. kwartaalgeld. —ing, a. viezendeeling; inkwartiering. —ly, a. driemaandelijksch; ad. driemaandelijks; s. driemaandeltjkseh tijdsehrift. Quart ern (kwaoeturn), a. kwert pint. —et
drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-

cryptogeld 101 podcast


Call (kaol), a. roep, geroop; vordering; roeping; 'Candid (ken'did), a. —/y, ad. oprecht, salver. —ate, a. kandidaat. —ness, s. oprechtheid. ultnoodiging; bezoek; lukfluitje. —, v. It. & n. roepen; noemen. — one names, iemand echeld- Candle (Icen'd1), a. boars, light. kaarslicht. —mass, Maria ticistmis. —stick, kandelaar. omen seven. — to account, ter verantwoor—stuff, ka,svet, talk. —feaster, dief nail de ding roepen. — in question, in twijfel trekkers. kaars; naehtbraker. —wood, eitroenisout. — to mind, herinneren. (at) aangaan bij. (afCandor iken'clar), a. opreehtheid, open ha rtigheid. ter) noernen near. (for) vragen om; (in) binnenroepen. (off) afleiden. (out) buiten- Candy (ken'dih!, a. kandij. —, v. a. koufijten; v. n. hard warden. roepen; uitdagen. (over) atlezen. (upon) bezoeken. Cane (keen'', a. riet; rotting. sugar —, suikerriet. —er, a. roeper. —ing, a. roeping; beroep. —, v. a. of rossen, slaan. —bottom, rieten kitting. Called (kellid), a. ',kiw i arglistig. —ity (-lid'itCanhook (ken'hoek), a. sei► inkelh,ak. Uhl, a. sluwheid. Calligraphy (ltel-lig're-fih), a. sehoonschrijven. Canicular (ke•nik'joe-leri, a. tot he Hondster behoorend. —days, hondsdagen. Call osity (kel-los'it-tih), a. colt. —ous, a. eeltCanine, (ke-najn"), a. hondsch. hunger, gee.,acting; veratompt. —ousness (kel'lus-neat), hanger. vereeltheid; ongevoeligheid. Canister (ken'Is•tur), a. korfje; bun. —shot, Callow (keno), a. vederloos, kcal. schot met schroot. Calm (kaam), a. bedaardheid, kalmte. —, v. a. stillen, doen bedaren, —, a. —1y, ad. balm, Canker (keng'kur), a. kanker; invreting; bederf. —, v. a. verkankeren invreten; v, n. bederven, bedaard. —ness, 8. stilte, bedaardhoid. vervallen. —sus, a. ksinkerachtlg. tr•jellor lc (ke-lor'ik), a. warmtestof. —ific (lcel' —worm, kankerworm. lur-irik), a. verwarmend. Cannabine (ken'ne-bajn), a. van hennep. altrop lkertrop), a. voetangel; sterredistel. alumet (kel'joe-met), a. indiaanache vrede- Cannel coal (ken'nel•Rool), a. fijne soort van kolen. POP. nlate (ke-lum'ni•eet), v. a. belastereu; Cannibal (iren'ni-bel), a. menscheneter. v. n. lasteren. —niation (-ni-ee'sjun), a. baste- Cannon ken'nun), a. kanon; grot geschut. —ball, —bullet, kanonakogel. —proof, tegen het geschut ring. —niator, a. lastersar. —nious, a. lasterlijk. beatand. —shot, kanonschot —ode (-eel') a. be—ny (kel'um-nih), a. Laster, lastering. Calve kaav), v. n. kalven. schieting; v. a. beschieten. —eer (-ier)., a. kanonier. Calvity s. kaalheid. Calx (kmike), a. kalk. Canoe (ke-noe'), a. kano • Camber (kem'bur), a. boog, kromming. Canon (ken'un), a. kerkregel; domheer; de bee• ken den bijbels; kanon (drukletter). —bit, gebit. Cambrel (kem'bril), a. vleeschhaak. Cambric licem'brik), a. kamerdoek, batiat. —law, kerkelijk recht. —ess, a.stiftavrouw.'—icals Camel (kemT., a. kameel. —driver, kameeldrijver. (ke-non'ik)z), a. plechtgewaad. —tst, s. leeraar Camelopard (ke-mel'o-paard), a. ksmeelpardel. in het kerkelijk recht. —izalion (-i-zee'sjun), a, Camera to (kem'er-eet), v. a. welven. —lion, hetligverklaring. (-ajz), v. a. heiligverklaren. —ry, s. dumheersambt. (-ee'sjun), a. welving. Canopy (ken'o-pili), a. troonhentel. —bed, Camlet (kenelit), a. kamelot (vvollen stof). —couch, overdekt rustbed. —, v. a. met ten verCamomile (kem'o-majl), a. kamille. hemelte isedekken. Columns (kee'rnus), a. stomp van neus. Camp (kemp), s. legerp)aats, kamp. —, v. a. & n. Canorous (ke-no'rus), a. welluidend. legeren, kampeeren. —aign (Icem-peen')„ s. vlakte, Cant (kept.'(, s. bargoensch; gemaakte spraak, geteem; worp. —word, kunstwoord. —, v. a bij veldtocht. —azgner (-peen'ur), a. veteraan. Cavnpan iform (kem•pen'i•form), —slate (-jeeafslsg verkoopen; stoutest, werpen; v. n. barlet), a. klokvormig, goenseh spreken; temen; huichelen; § amkantelen. Camnpeatral (kem-peetrel), a. op het veld groeiCanteen (ken-tiers'), a. veldfiesch. end. Camphor (kem'fur), a. kamfer, —ate, —ated, a. Casstelopse (ken'te- loop), a. muskaat-melnen. Canter (ken'tur), a. femelaar; korte galop. —, gekamferd. Campion (kem'pl•un), a. hemeirooaje. v. n. iu handgalop rijden. Cantharides (ken-ther'i-diez), a. apaanache Can (ken), a. ban, kroea. —buoy, tonneboei. :Ian (ken) [could (koed). [past. part. ontbreekt], vliekeu; enkelv. Cantharis (ken'the•ris). Canticle (ken'tikl), a. lofzang. the —s, a. het v. n. kunnen, vermogen. lloogded. (ke-nel'), a. gracht, vaart; bait. nary (ke-nee'rih), a. kanariewijn; oude dans. Cantle tken't1), Contltett (kent'lit),s. stuk, brok. —bird, kanarievogel, —, v. a. in atukken deelen. ..ncel (ken'sil), V. a. doorhalers, uitschrappen; Canto (ken'to), a. zang (van een dichtstuk)• , ernietigen. —lation (-lee'sjun), a. doorhaling; Canton (ken'tun), a. kanton. v. a. kantonneevrnietiging. ren (troepen). —ire (-ajz), v. a. in kantons ver,kncer (ken'aur), a. kreeft; banker. —ate, v. n. deelen. —ment, a. troepenkwartier. ifirktinkeren. —ous, a. kankerachtig, Canvas (ken'ves), a. zeildoek, .11; dock. to use Cancrine (ken'Icrin), a. kreeftachtig. all one', alle zellen bijzetten. —bag, sandrandent (ken'stent), a. gloeiend heet. zak. —climber, matroos. —edging., zoom van `andicant (ken'sii•kent.), R. witachtig. een ZPii.
era. —wedde, pension, yearly allowance. —lijka, bw. yearly. annually, every y stir. —What, cv. yearly, annual. Jftcht. o. yacht. —, v. hunting, chase; haste. — maken op, to give chase to; to hunt after. op de s - hanting. —deirel, indefatigable hunter ; hurrier. -- gores. hunter 'a toils. —gerecht, court of jndteanare in the concerns of the chase. —gewaad, huntsman's dress. —geneer, —roer, hunting - piece, fowling-piece. —godin, goddess of
Xanthle (zen'thik), a. geel acting,. Mph Ian (niri-es), a. swaardvisch. —aid (-ojd), Xebec (zi'bek). s. sjehek (oorlogavaartu)g). a. zwaardvormlg. Nonodorhy gastvrijhaid. Xylography (zaj•log're-flb), a. houtanijkunst. Xeroph agy (ni-rore-dnjih), a. gebruik vf.n Xyster (zi 'tur), a. eehrapmes, beenvOl. droge epthen. —thalmy (-rop'thel-mih), s. droge oogontsteking.

wroeht. —er, a. arbeider, workman, doglooner. —iota, a. —iously,, ad. (lebo'ri-us-), werlrzaam; bewerkelijk;lastig,moeilijk. —iousness de- bo'ri-us.). a, werksaamheid; be werkelijk beid, moeilijkheid. —less, a. werkeloos; niet moeilijk. —some, a. werkzaam; bewerkelijk. Laburnum (le-bur'numa), s. linzenboom; goudenregen Labyrinth (lebl-rinth), a. doolhof. —ian (-tin% tht-en). a. kronk..elend, ingewikkeld. Lac (lek), a. gomlak; 100.000 roams. shell—, ache!. lak. Lace (lees'), a. kant; galon; lint, hand; Teter, r4g. snoer. kantverkooper; passementwerker. —, v. a. liken; omhoorden, galonneeren; afrossen, met geestrijke dranken aanmengen. Lacera ble (les'ur-ibl), a. verseheurbaar. —1e
-TitE Trier, overvoring; verbanning; verrukking. —edly, ad. in vervoering. —edniss, s. verrukking. —er, a. vervoerder, overbrenger; transporteur. Transpos al (trens-po'eell, s. verplaataing. —e (-pooz'), v. a. verplaatsin, omzetten, --Mon (-zisy on), a. verplaatsing, °matting. —itive a. vane omzetting vatbaar. Transship (trens-sjtp'), v. a. verchepen, overladen. —meat, s. veracheping, overt:Idiot!. Transubstantin te (tren-sub-sten'eji-eet), v. a. in een ander wezen veranderen. —tion(-eu'ajun), a. verandering in eon ander wezen, trauseubatantiatie. Tkansud atton (tress-joe.dee'sjun), a. door. zweeting. —atory (-joe'de-tur-rih), a. doorzweetend. —e (-joed'), v. n. doortwesten. Trans vacation (tress-ve.zee'ejun), a. overgieting. —vection (-vek'njun), ri. over. voer. Transvers a1 (treats-vurs'el), —e, a. —eiy, ad. dwarsloopend, overdwars. —al, transvereaal. Trent (trentl, v. n. rondventen (viach). —er, a. vischventer. Trap (trete), s. val, atrik; hlnderlaag; esker balspel. —door, valdeur, luik. —slick, balstok. v. a. vangen,veretrikken; tooien, opsieren. Trepan (tee-pen'), a. vat, valstrik. --, v. A. vangen, verstrikken. —ner, a. strikkenspanuer; ver. leider. Trapes (creeps), a. along, morsebel. Trapealrara (tre pPti-um),s. trapezium, Trapp er (trep'per), a. strikkenspanner. —lays (-plenge), pl. eereierasien, tool; paardentutg. Trash (treen, a. afval, uitectiot, vodlegoed, bocht; prul; anoelhout. —, v. a. ....lien; ondr. drukken; belemmeren, tegenhouden. —y, a. sleeht, lorotg, onbruikbaar. Traumatic (trap-met'lk), a, & a. wondheelend (mtddel). Travail (trev'il), a. motite, arbeid; barensno0. —, v. a. atmatten; v. n. twoegen, cloven; in barenenood Trave (treev), a. dwarabalk, flood-, hoefatal. Travel, (trev'ti), a. (het) reiten; refs. —, v. a. berelten; v. n. releen. —led (-lid), a. bereled. —ler, a. relziger; beugel von den kluiver, —ling, a. (het) reizen; —bag, reiszak, -Web; —carriage, reiskoete; —charges, —expewses, —fees, pl relekoeten; —clerk, reiabediende; —kitchen, reiskeuken; —map, reieka.art; --trunk, reiskoffer. —s. pl. rel. zen; rehnesehritiving. Traverse (trev'urs), a. & ad. dwars, overkruis. —board, uurbord, koppelkompaa. —horse, ver• pelloop van den bezaansehout. —sailing, kep koers. —table, log-. streektafel. s. dwarehout, -balk, -moor; middelsebot: wederwaardIgheld, hindernit; kunstgreep, aitvlucht. —, v. a. kruiten; doorkrnlaen; dwerebournen; tich verzetten tegen; onderzoaken; v. n. zieh te weer stollen; travorteeren. —r. a. besehuldigd.e, wederlegger. Travesty (ttev'es-1,11), a. getravesteerd. —, a. traveetie, parodie. —, v. a. traveatearen, Tarodleeren. Travis (trev'la), a. Zie Trave. Tray (tree), s. houten bak; kalkbak; bleadje. Treacher ous (trleisrur-ns), a. —ously, ad. ver-

Wat is een Bitcoin halvering


verzolen; v. n. te vest gaan; trippelen, huppelen. —ed, a. met voeten. —ing, a. grand voor de voeten; steun; voet; grondslag; trod, (-doed1), s. Fop tfap'). a. fat, modegek. —doodle uilekuiken. —ling, s. saletjonker. —leery(-pe.rih), a. kwasterigheid; ijdele vertooning. —piste, a. —PighlY, ad. ijdel, verwaand. —pishness, s. kwasterigheid, ingebeeldheid. For (for), pep. voor, wegens, om; uit; near; ten coej. want. as —, wat aauzien van; gederende. betreft. bat zonder; ware het niet om. — all, ondanks. —all that, evenwel. — as much as, voor zoo ver; dewijl. oh, for..., och, dat er.... ware. — shame! 8Ci► aaM ul - want of, bij gebrek aan. —why, vaarom, wesha.lve. Form; a (for'idzj), stroopertj; voeder; v. a. atroopen, plunderen; nen' utrooptocht doer'. —er, s. voederatrooyer; voederleverancier. —iny, e. (he;) fourageeren. policienauts. Foray (fu-ree'), s. vijandelijke inval, Foraminous (to-rem'i-nus), a. met gaten. Worhear, (for-beer') [irr.], v. a. verdragen; nalaten, vermtjden; v. n. geduldigl zijn; ophouden, toeven; niet willen; tto) zich enthoudea van. --ante, s. nalatieg; uitstel; vcrdraagzaamheul. Forbid (for-bid") [irr.], v. a. verbieden; verhoeden. Heaven —, de kernel verhoede hetl —dance, ad. op ongeoorloofde a. verbod. a. beletael; a. wijze. —der, 8. verbieder. afschrikkend. Force (fours'), s. kroeht; geweld; nooddwang. by main —, met geweld. —s,e. krtjgomacht. —meat, gehakt vleeach els voice). —pump, perr‘pomp. —, v. a. noodzaken, dwingen; dringen; bedwingen; bernannen; broeien; openbreken; verkrachten. (a/oag) voortateepen. ;away) wegrukken, weg'dringen. (in. into) dringen in. (on.upon) opdringen; doorzetten. (with) versterken met. —d, a. —dly, ad. gedwougen. —dnesa, a. gedwongenheid. —ful, a. —fully, ad. krachtig, eeweldig. —less, a. krachteloos. Forceps (for'seps), a. wondtang. Fore or Ifoor'sur), a. dwinger; zuiger eener pump. —ible, a. --ibly, ad. krachtig; krachtdadig; geweldig; gedwougen; verbindend. Foreing (foor'siPtigli s. dwang; kunetigo iijpmaking. —house, broeikas. —pump, perapomp. Foreipated (Neel-peat-id), a. tangvormig. Ford (foord'), a. wadde, waadbore pleats; rivier. —, v. a, doorwaden4 —able, a. doorwaadbaar. Fore- (foor-) [in samentit.], voor, vooraf. — Wear, in de volgeude itamenstellingen,de uitspraak niet is aangewezen, daar,heeft fore den klemtoon. Foreatimonish (-ed-mon'isj), v. a. voorafwaarschuwen. Foreadvise (-ed-vajz'). v. a. vooraf raden. Foreappoint (-ep-pojnt'), v. a. vooraf bepalen. (-aarm'), v. a. van te Forearm. s. voorarm. voren wapenen. Forebod e (-bood"), v. a. voorspellen; een voorgevoe1 hebben vsn.—eniont, s. voorepelling; voorgsvoal. —er, a. voorepelJer. —ing, a. voorteeken; voorgevoel; a. voorspellend. Fore body, a. vooreehip. —boom, a. kluivcrboom. —bowline, a. foltke-boeglijn, —braces, a. fokkebrassen.
BAN.-BED. -brief:P. -coot, hank-note. -break, -breakig, sic Baukrost. -geld, bank-money. -header, banker; pawn-broker. -papier, paper-currency, -en, on. w. to feast; to atey; to gamb!e. lineolket, o. banquet, feast, entertainment; sweetmeats, junkets. -bakker, confectioner. -bakkerswicket, confectioner's shop. -eeren, on, w. to banquet, to feast. liouktrkr, m. booker. -skantoor, banking-house. -croak, banking- businefix. liankroet, o. bankruptcy. -, by. bankrupt. goon, slaan,to turn a bankrupt. Bann 'Hug, no. & v. Zie Belting. -en, ov..w. to banish, to exile; to exorcise; to trump --ing, v. banishment, exile; expulsion. liar, by. barren; rough, severe, nipping. Harok, v. barrack. liarboar. in. barbarian, - seA. by. & b w. barbarous (-ly). -sehheid, v. barbarity. B arbeel, m. barbel. liarbler, on. barber. --sknecht, barber's man. -minket, barber's hop. - en, ow. w. to share. Bard, m. bard, poet. -.gang, song of a bard. liordezaan, m. partisan halberd. Barer), ov. w. to bring forth. to bear; to create, to cause. o. child-birth. -snood, labor. -sweet., throes. nt. barrow, gelded hog. Burnie, v. barge. liargoonych, o. cant, slang, jargon. Hartseld, v. barrenness, roughneas. Baring, v. delivery, bringing forth; causing. Hark, a. bark; boat, lighter.

Wat zijn de belangrijkste cryptogeld beurzen


Tees,Wive (tre-fien'„ -fain'), s. kletne eehedel- voudis huvielijk, driewijeert- —ger (-gur), a. trekker ; span-. remketting. boar. —. a. trepaneeren. Trepidation (trap•i-dee'ejun), a. eiddering , Trigon (trargun), a. driehoek. —al (trig'un-e1), angst. a. driehoeklg. —ometrieal (trig-un-am-met'rikl), Trespaan (trepee), a. overtreding, ve.grtp. —, a. van de driehoeksmeting. —ometry norree-trib), a. driehoekk neting. v. n. nt It vergriipta, (apainnt); (on, upon) inbreuk Trilateral (trej-let'ur-e1), a. drieiijdig. waken op, overtredeo. —er, a. overtreder, Trees (tress), a. lok., haariok. --ed (treat), a. ge- Trill (trill), a. triller. —, v. a. met eon- trifler zingen; v. n. triflers makeu. lokt, gevloenten. Trillion (trillun), s. trIllioen. Tres...re (t;esj'oer, ur), a. rand, zoom. Trestle (trelf1), a. driratal; sebraag; tafelscitel. Trim (trim'), a. —ly, ad. net, fraai; passend; op. gesehikt. —, a. opsehlk, toot; belegsel; gnede —trees, pl. laul•zalingen. etawing, stand (van ten (whip). —. v. a. opsehlkrefaetie. Tact (tret), a. ken (up); in orde (e4enwleht) brengen; belaggen; Travel (treVit), a. drievoet, treeft. opmaken; anoaien (off. up); bebakken; inrichten, Trey (tree), a. drie (in 't kaaropet). behoorltjk atuwen; doorhalen; v. n. weifaien, Tai able (traribil, a. bet ► reerbaar; v6rhoorbaar. s, opeehikker, opmaker; draftier; draaien. —ad (-ed), a. drietal; driek!auk. —al (-el), s. S. belegael. —ness e a. netheid. wetrhaau. proof; paging; verltoor, gereehtelijk ondertoek. —angle (•eog'gi), a. driehoek. —angular (-sag , Trio al (trapnel), —e, a. drievoudig. —e, a. aspert van 120 grades. gjoe-ter), rt. driehoektg. —archy (-er-kih), a. reTrinit simian (trin.i-tee'ri.en), a. voorstandet van gearing van drie p , rausen. de leer der Drieeeuheid, —y, a. Drieeenheid., Trihet (trajb), a. stem, ge,laght; klaaae, soort. Trinket (tring'ktt), a. apeelgoed; aieraad, snubs—, v. a. in klaesen vordeeten. terij; kenneling; branazeil. a. rondsptl (td,j goudameden). Tr:Met Tribulation (trIb-joe-lee'sjun), a, wede,rasr- Trinomial (traj-no'rat-el), a. drienamig. Trip (trip"), a. atoot, peep, voetltehting; strutdiglieid. holing, ntiaalag; uitatapje; vaart: gang. —hammer, Tribun a3 (traj-Noe'oel), a. reghtbank. trareghts- arneedhamer. —, v. a. den voet (eon beentie) 113!, rechterstlal. —e (trit.i'joen.), a. gemeenamau; lighten (up,; betrappen; liehten; e. n. struikelen; tribune. can' miaalag begaan; can ttitatapj, waken; triprairobut nay (trib'joe-te•vitt), a. sehatpliehtig„ s. aehateijnebaer; as, schatpliek.tige. —e Triparti tab (trip'er-tait), a. driedaelig. —lion ring, ecans. (-t:a)'tin„ a. verdeeling in draadn. Trice (trai9), a. oogwenk, oogenblik. (trikn., a. streak, list; kurAtgr,ap; poets. Tripe (traii , ' , , a. ingewand, pens. —house, pensgrip; aanwonsel: trek, slag. — for —, leer on hal. —wan, penaonan. —market, pensmarkt. —ry toe, --, v. a. bedAten, foppan; (off. out. up) op- (-ur-ih), a. penalaal. sinntrken; v. n. bedrog plegen. —er., a. Cie Tripetalous (traj-pet'e-lus), a. driebladerlg. Tricktitter &, Trigger. —ery, a. bedriegert(; Triphilmng (trip.thung), s. drieklank. a. —italy, TOO ae (trip'1), a. —y, ad. drlevoudig. --e„ v. a. kunatgreep; (hat) opsmitiarent. verdrievoudigen. —et (-lit), a. driebiad; drietal; ad. bedfiegalijk. ilatig. —iahnesg, s. badriegelijk- drierOwig vera; triool. held, Listighetd, Trl,ekic (triVic1), v. n. droppelen, druipen; b' g- Triplio ate (trip'11-ket), a. drievoudig. —alien (-kee'sjun), a. verdoievoudiging. —ity (traj gales (down). it-tilt), a. drievoudigheid. Trick soase (trik'surn), a. 'Me Trickish. —liter (-atm), a. lietlge bedrieger. —sy, a. Hof, Tripod (trarpod), a. drievoet. Tripoli (trip'o-11), s. tripe' (aardsoort). oat-dig. —track. a. triktrak. Tripp er (trip'pur) a. struikelaar; trippelaar; Tricolor (trarkul-nr), a. driekleur (viag). —ed stotteraar. —ing, a. —iagly, ad. strulkelead; (-urd), a. drieklearig. trippelend, vlug. 'rnitte (trajd), a. vlug, Oink, van M,40,11 kiaar. Trident itrardent), a. drietaud. —, —ate (-et), Tripodin ry (trsj-pjoe'di-e-rih) a. daneend, —ion (-ee'sjun), s. (het) danaen, a. driett.ndig. Triennial (traj-en'ni-e1), a, driejarig, driejaar- Trireme (traprtem),.. galel met dela roetbanken. Trisect (traj-sekt"), v. a. in drie gelijke deelen lijkech. —ly, ad. om de dole Jaren. verdeelen. —ion (-eek'sjun), s. verdeeling in drie Trier (traj'ur), a. crlderzoeker; rediter; tarpons- Keli,jke deelen. ter; toetssteen. (tris'mus), a. kaakkramp. 'rri fallow (trapfe:-!o), v. a. 'coot do derde Triapast (tria'pest), a. hijsehsuig met drie kadriesptetig. ( meal vmp!oege:a. troller. kiemlghe;d. bettzetiog. —e., * (traj'il), (trait') a. tee-, beastenraarkt; samenkomst, a. (away) vert,,zeten; v. n. beuzeben; dartelen. —, —pa, a. somber, trettrig, droevig, schavrasen. —er, a. bonnet., —icy, a ad. b , tnelattittig, o,tb,duidertd. —tog, a- gebeu- Trietyllia bac (tria-11-lebnk). --Neat, a. drielettergreplg. —tie (-Wibl; oak: tris'il-libi), a. nal: kottsv tjlu --layman. TO foliate (traj-tonl-et), a. driebiaderig. —form. weird van dais tettergrepeu. Trite (trait'), a. —ly, ad. veraleten, afgenaagd, (trafforno), a. d..ievortnig. alledaaga. —nese, a. versletenheid, alledaegachTrig (trig'), a. vol, gevutd; net, proper. —, v. a. held. eioPPel.; remmen: --any (-e-inib), t,. dile-
[arose (e-rooz"), arisen (e-rizn')], oprijzen, optreden, voortspruiten. a. ndelregeering; de aanzienlijken. —t (e-rieto-kret), a. ariatocraat. —tic (-to-kret'ik), —tical, a. ariatocratisch. Arithmetic (e-rith'me-tik), a. rekenkunde. —al Ier-ith-met'ikl), a. rekenkunstig.;—ian (-tis'ajen), a. rekenkundige. Ark (aark), a. ark; § rivierschip. — of the Covenant, arke des Verbonds. Arm (aarm'), a. arm; tak. —chair, armstoel. —hole, —pit, °keel. at —'s-end, —'s-length, op behoorlijken Ostend. —, v. a. wapenen, op behoorlijken afatand. —, v. a. wapenen, ultruaten; v. n. zich wapenen. —ament,a. krijgsmacht. —ature,(-tjoer), a. wapenrusting. —igerous (er.mid'zjar-us), a. wapendragend. —ings, a. schans bekleeding. —ipotence (er-mip'o-tens), a. wapenkracht. —ipotent (er-inip'o-tent), a. machtig van wapenen. —istice s. wapenstilatand. —let (-lit), a. armband. —or (-mar), a. wapenruating. —orial (ermo'ri-e1), a. wapenboek; a. geslachtwapena betreffend. —ory (-murrih), a. wapenkamer; wapeorusting; wapenschild; heraldiek. —8 (aarmz), a. wapenet. coat of —s, wapenrok; wapenaehlld. Arise (e-rajz), v. n. Aristoera cy
Geduid, o. patience; indulgence, forbearance. —ig, by. & bw. patient (-1y). Gedurende, ye. during. Gedurlen by. & bw. continual (-1y). —heid, v. continualness. Gedraw, o. pushing. joggin. g Gedwatell, o, erring, strayin g. Gedworrel, o. whirl, whirling. Gedwee, hy. & bw. supple (-ply), Pliable (-bly); docile, flexible, meek (-fp, submissive (-1y). —heid, v. supplenera, pliableness, docility, meekness. Gael weep, o. enthusiAsm, fanaticism. Geed well, o. mopping, swabbing . . Gedwtng, o. forcing; teasing, crying. G edwongen, by. forced; affected. —held, V. constraint; affectation. Gnat' (te), bw. dog cheap, for a mock-price, for a mere song. Geefster, v. giver, donor. G eel, by. & o. yellow. —oieter,brazier. —gieterij, brass-foundery. —hoist, fustic. —rink, green-finch. —nicht, jaundice. —suchtig, attacked with the jaundice, jaundiced. —aehtig, by. yellowish. —held, v. yellowness. Geese, tw. no, not one, not any, none. — van beide, neither of them. in —en deele, in no wise, in no respect, by no means. Geenerhands, Geetterlel, by. of no sort, of no kind. op — wtjs, in no wise, in no manner whatever. Geangageer d, a. betrothed, engaged. Geenszlne, bw. not at all, by no means. Gee's, v. banstickle, Geer, a, gusset; gore. Geeren„ on. w. to incline to one side, to recipe, to slant; tie Afhonden. m. whip, lash; scourge. —brocder,—monnib, flagellant. —trok, good for-nothing. —pant, whipping-poet. —roccle,whipping-rod.—slagslash. —OW, whipping. —car, m. whipper; flagellant. —en, ov w. to whip, to lash, to flog: to beat against. —ing, v. whipping, flogging, flagellation. G east, v. heath. Geese, m spirit; mind, intellect., genies, wit: ghost; spectre. fraaie Vt. sterke freethinker. de heilige —, the Holy (3 hoet. den — geven, to breathe one 's last, to yield up the ghost. voor den — kossen, to occur to the mind. —drift, enthusiasm, eagerneee, ardor. —clrijfater, tie Geeetdriiver. --drineend, by. & ow. fee atical ( - 13). --d,ijver, enthusiast, fanatic. —driiverv, enttinelasmfenaticism,bigotry.—kracht,atrength, power of the mind, energy. —1.0, witty, ingenious; spirituous, etrnng. —vermogen, faculty of the mind, mental power, intellectual faculty; talent, part. —verictiOning, apparition. —vervoering, enthusiasm. —verwant, by. congenial of mind. —vcricantschap. congeniality of mind. —enbanner, —enbeticcerder, enorcitser, necromancer. —enIeer, doctrine of spirits, pneumotology.— enr(jk, —enwereld, intellectual (spiritual) world. —enxiener, visionary, ghoet -seer. Goestelkik. by. & bw. spiritual (-1y), immaterial (-1y), incorporal (-1y); ecclesiastic (-ally), rell-

cryptogeld 500


This content is being provided to you for informational purposes only. The content has been prepared by third parties not affiliated with Coinbase Inc or any of its affiliates and Coinbase is not responsible for its content. This content and any information contained therein, does not constitute a recommendation by Coinbase to buy, sell or hold any security, financial product or instrument referenced in the content.
Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip.
stralend. Glean (glien'), s. (bet) naarstig bijeengelezene. —, v. a. & n. salmon; bijeenzamelen. —er, s., nalezer; bijeenzamelaar. —ing, a. nalezing, nao t (dish e (glieb'), s. grondstuk, grasland, aardklomp. —e, —e-land, pastorieland. --ous, —y, a. aardachtig. Glesie (glied ► , s. hoendergier. Glee (ghee), s, vroolijkheid; lied. —fat, —soce, a. vroolijk, jolig. (gliek), a. muziek; speelman; spot; zeker kaartspel. —, v. n. spotten, gekscheten. ti;ieen (glien). v- n. gloeien, glinsteren. Gleet (gliet'), a. dunne etter, —, v. n. etteren; droppelen. —y, a. druipend; etterig. Glen (glen), a. dal, bergpas. Glens. (glien), a, ongappel. Glib (glib'), a. —ly, ad. glad, glibberig; rel. —, a. groote haarbos over de oogen hangend). v. a. glad (rad) maker,, lubber, —news, a. glibberigheid. Glide (glajd), s. glijdina; verloop. —, v. n. den, sluipen. — r, s. glijd.er ; strik. Glimmer (glim'inur), H. scbemerlicht, glimmer (delfstof). —. v. n. schemeren. —iny, a. schemering, schijn. Glimpse (glimps), s. straal, kort schijnsel; vluchtig gezicht; teeken; zweem. —, v. n. 'etch even vertoonen. Glist (glist), s. moscovisch glas, mica. Glisten (glis'sn), v. n. fonkelen (with). v. n. GPlster (glit'tur), s. glinstering, glans. glinsteren, fonkelen (with). Ginter (glit'tur), s. glans, luistcr; klatergoud. —, v. n. blinker, glinsteren. Gloar (gloor), v. n. gluren, seheel zien. Gloat (gloot), v. n. met groote oogen stares!
of &saint. —endag,seints'day,holy-dey.—endienst, —memo, —entijd. heroic age, —enyeeSt, iterate —envereering, worship of saints. —enkrans, sure- spirit. —engeelacht, race of heroes. —enmoed, ale; halo. —en, ov, w, to sanctify, to hallow; to heroism. —eoschaar, —enstoet, host (train( jot saint, to canonize; to conetcrate, to keep holy. heroes. —exteelt, offspring of heroes. —enzang, —heid, v. holineeit, sanctity; sacredness. —ing, teroic song. v. cemetificeteon, hallowing; canonization; con- liintleEtr, by. & bw. clear (-1y), bright (-1y); clean secrat,,on. (-19); serene (-ly), lucid; soundly. —denkend,clearliellioiRe, bv. & bee. fatal (ily); nefarious (-Iy), headed, —ziend, clear-sighted. —siendheid, clearflegitione (1y), wicked (.1y). --heid,,p. nefarious. eightednees. —Acid, v. clearness, brightness; nest, flagitieuenees, wickelatoe. cleanness; serenity; lucidity. illeillenneie, by, ealotary, benefielal, seiluiiferous. Illehtlinittg, by. heroic; bw. heroically. —held, —held, v. salutarinloe, benefieialnese, salufifer- v. heroism. outtneee. IlleirdSta, v. heroine. Illeiitreitik, by. bw. secret (1y), private (-Iy), !lei en, ov. w. to conceal, to receive (stolen elaielestrne by etaalth. — held, v. secrecy, geode). er, m. coneett lar,recoleer. privacy. —eeinak, water-closet, privy. v. half; moiety. de prostate —, the better Illeirneele, 0, cricket. half. de — kleiner, leers by half. Heinsweto, o, horne-sickness, noetalgia. het — Iictlolt , v. conceeling,c0mq, alment• hebten, to lir ho!ne-istca. lielleettaterd, v. halberd. —ier, m. hanerdier. — en ere, for and near. Unlit en, on. w. to incline, to hang (to lean) Hefei sit.. ov, w. to enclose, to hedge (to fence) In, over, to slope. —lag, v. inclination; declivity, —8/0oi„ditc;i. —jug, v. encloser., hedge, fence. slope; dock-vast; 111.1r. o. army, host. —baan, high road. —bill , Ham m, v. broom, heath. —Areid, little celandine. battle-axe. —kracht, forces, troopv. --leper, —plant, bloom. —struilt. broom. o i e B6ei r. d, flee.' der .....,haren, the Holm, re. helmet, caeque; caul; still, alembic. Lord of beets. —Re/ow, review., muster, —tocht, tort een ye:Jaren, born with a silver spoon in --vaart, crotch of an army. — roerder, —caret, one's mouth. —bos —veder, plume of a helmet. leader of s n army, --yet, opening in the beever. crest. —spite, tew. hone! Lolls! point of a helmet. —attiltf e, stators. --top, o. grate, baluster, roil, bar, fence, enelos- —stok, whivtaff, tiller. —teeken, crest. —vizier, lore; stern-fraree. de —ken ziin verhungen, the beaver, visor. —et, o. helmet. tables are turned. —balk, wing-transom, —boot, Help ov. Nv„ to help, to aid, to gimlet., to fly-bout. wheelageatoll.—knieen, transom- succor; to avail, to be of use, to boot; to be knee.. bringer-up; last child, —slut, goad (egetnet, for); — aan, to procure for, to stern-timber. --uotrk,etern-fratue;railing.greteng, help to: teat sal het —? what will it avail? trellie-- work. —kenteringer,hare-brained fellow. sit den brand (noodl —, to get out of a scrape. m. hat ch71, !te; !tickle; dislike, aversion. over belt, strap. —er, ro. —zed., porter's shoulderden — hoden, to censure, to criticise, to taunt. —ate, v. helper, assistant. —dieht, sAttte.—diehter, uoi Att. —schrift, satire, Hplsels, by„ heilifh , Infernal; diabolic; mad. lempoor, — fool, srtirical larrgustge , eryte. —e maehten, powers of hell, —e steels, lapis -- land. prickle of hatchel. ',mid, shrew. infernells, lunar caustic. — werkluig, infernal —record, eatirteal word. —zueht, centiorioueneee. machine, torpedo. —oar, in, —.water, v. hatcheier, heckler; ceo- neon, vow. him. surer, ems — achtig, by. & bee eel:to:rue (-1y), liens, tow, hero ! hum! censorioue - - ach,igheid, v. captiousness, ce, o, shirt; thin, smock. — rok, under-waisteorioreene, —en, or. .1. to hatchel, to hackle; cent, Clu.rrneey-shirt. —.board, —skraag, collar to censure, to eiltieite. v. hatchelling, (neck) of a thin. —iknoopoihirt-button. —.moues, hackling; criticieine„ shirt-sleeae. —ealip, skirt of a shirt. —enlinnen, hicks, 7itch; vixen. --endans, dance (vigil) cif shirting. evitches. - enmeester, wizard, —en,proces, trial of 117quel, heaven, :heavens; sky, firmament; witches. —enrcerk, witchery. , en. w. to climate, clime; tester, baidechin; top, roof (ran Prectise sorcery, to use rs iteloceeft; ik ken niet eene Noels). goede good Heavens! den — zti ,1 am net a wizard, dank, Heeven be praised. —beachrOving, Uri110. 0, he. & bee. deer (1y); shrill ( y), sonorous graphy. —bewoner, inhabitant of Heaven, ceI-1y); blazing. —donker, Clare-obscure; wIlight, ieettal. — bode, angel, divine messenger. —bol, Hell, v. hell; condemned hole tin era schip). —hood, —globe,—kloot,eelestial globe. --boot', arch (vault) hell hound, Oerberue. —lebeok, —181,604, impious of heaven, firmament. —dauw, rain. —feweif, wretch, reprobate. --leeije, pains of hell, —le- celestial venit, cape (canopy) of heaven. —gorveeg, etre-devil, vixen. —terorst, prince of hell, del, —etreek, citmate,zere. —beer, Lordot Heaven. Satan. —lewacht, zie —heir, celestial host, host of heaven. —kof, llelnas, tow. alas. paradise. —hoop., ns high as heaven; to the hero. —eneroz, heroic arm, valor, —en- nrx. skies. —kaart, aatronomical map, celestial chart. bisect, noble blood, bleod het'oee. —endaad, —lichaans, celestial body. —licht, celestial light; —enfeit, —eastuk, heroic action, exploit. —ex- luminary. —loop, motion of the stars. —poort, deugd, heroism. --endtebt, eel, poem, epopee. gate of Heaven. —rijk, kingdom of Heaven, .--endichter, epic pact. ---endooa, heroic death, Paradise. —Coal, heavenly language. —ter:lend,
505 o. (slipping% , cuttings. —err, v. Zie Kodde, a. —rijtje, o. drollery, fan. K.driebeter, rn. game-keeper. Snippet.. Kotleig. b7. & bw. droll (-hotly), odd (-13), Knitteren, on. W. Zits Knetteren. funny oily). —held, v. drollery, oddness, oddity, Knobbel, tn. knob, knot ; tubercle. —achtig, comicalneee. —ig, by. knobby, knotty. —igheid, y. knotti• *rase, v. cow ; bad sailor. —Leest, cow. —brag, nest. orlop-deck. —dief, cow-etealer, ebactor. —date, Kuod, Knodde, v. knob. —destok, club, cudgel. wild camomile. —dokter, cow-leech. —drek. Knoet en, ov. & on. w. to bungle ; to intrigue. —mist, cow-dung, cow-quakes. —deljver, cuw• —work, bungling, clumsy work, —er, m. bungler, paltry workman. —erv, v. bungling, clamsy held. —hoar, cow-hair. — boom, cow 'o horn. cow-bide, cow 'a skin. —kanap, —weide, work intrigue. —ster, v. bungler. pasture-ground, meadow. - -melk, cow 'a milk. m. boot, knob. —gezwel, ecirrhosity. —milker, cow-milker. —pokken, cow-pox. —pokby . knotty, knobby. —erig—acktig, —erig, inenting, vaccination. —pokstof, vaccine matter. held, —igheid, v. knottiness, knobbiness. stoart, COW 'a tail. —Oaf, cow-house. —Oleg, Knoat, m. boor, clown ; knout. —achlig, —ig, os-fly. —voet, (iron) crow, lever, liand-epike. bv. boorish, clownish. —debars. cow-cheese. —iekop, cow 4 s head. -ivKnotroten, ov. w. Zits Knuffelen, braid, cow-weed. —ievieesck, cow-beef, --ienuter., lino:took, o. gaalick. cow 'a udder. Kook, re. bone. Knokkel, tn. knuckle; clown. —olie, —sop. drub- Ktrek, m. cake. —, v. gingerbread. --1.akkey, gingerbread-baker. pastrycook, confect loner. bing, stirrup oil. —aelitig, by. clownish; clumsy. —bakkerij. trade (horse) of a pastry-cook. —deeg.. Knol, m. turnip; hack., jade. —akker, —laud , dough for cakes, gingerbread-prate, —kraani, turnip-field. —rabi, cole-ropa. —radj;s, turnipgingerbread-stall. —kromey, gingerbread-seller, radish. —rend, spheroidical. —seldersj, celo ►tac. —embakker, zie Koekbekkor. —enpan, frying—.gad, rape-seed. —achtig, be. like turnips, pan, tuberous. Kvackeilosoress, on. w. to stare, to peep, to ogle; Knook, in. bone. to loiter., to idle. Knoop. in, knot, knob; *nail; node; button; tie. —doekje, small neck-handkerchief. --eras, dog 'e- Ilicrekock, szo. eockoo ; sky-light ; cuckold. —ecockoo•tlower. —.brood, wild sorrel. gress, outton-weed. —koord,flettifilt-string.—Lorm ;,loens button mould —nude, twisted silk. —endraoler, —stook, hare-foot. —.ono, cuckoo's note. —eowaoker, button-maker. —enfabriek, button- Kole I, be. & bw. cool (-1y), cold (-ly). —6lotdig, by. manufactory. —spat, button-hole. — en, or. w. to cold, lodiffarent; bw. in told blood. —6Ioedigheid. cold (cool) blood. —soristrg, be. & bw. cool (-1y), net, to knit ; to knot, to tie ; to button. —er, composed (-1y). — zineogkeid, coolneert, comm. netter; knotter. —ig, be. knotty. —ing, v. netting; knotting, tying ; buttoning. —titer', a. posure. Koel en, ov. w. to cool; to satisfy, to gratify; on. Zie Knooper. w. to cool. —6ak, miner, —ketet, —kitip, —eat, Knots, in. knob, head, stud; button; pommel, cooler, cooling-vat, —drank, julep, rerrigeraet. cascabel, truck ; bud. --speld, large pin, —achtly, be. knotty ; full of buds. --pen, on. w . to bud. —kelder, cooling-cellar. —oven„ cooling oven. Knor, m. knot, knob; gristle, cartilage. —vleesch, —zeit, wind-sail. —held, v. coolness, coldnese. gristle meat. —ing, v. cooling. --be, v. coolnekor, freehneato Knurl, in. knot. breeze. --gale. —tjes, bw. coolly, coldly. Knor ren, on. w. to growl, to grumble, to snarl; loan, by. & bw. bold (-1), daring (-1y). —held, v. boldnees, daringnees. (op) to scold. —haan, gurnet, francolin; —repot, grumbler, snarler. —rig, be. grumbling, 114.trepe t, m. dome, cupola; enminer-house. —dab, arched roof, dome, cupola. —beck, dome-church. peevish, surly. —righeid, v. peevishness, au dines.. Knot, v. tuft, bunch, knot; need cod. g, dome-shaped. Knioto, v. club, cudgel. Knees, m. vv.-order of a tower (steeple). Knot ten, ov. w. to tie into `knots (bunches); —toren, watch-tower. to lop, to prune; to quell, to repress. Knerrn, o n. w. to ,00. pollard-willow. —ter, m. lopper, pruner ; (melt- Koerter, m. courier. honden, — er, represser. —tang, v. lopping, pruning; quelling, Koerai, m. course; currency; rate. repression. sett., to steer, to proceed. —en, or. & on. w. KnutTellen s on. w. to handle roughly, to rube, to steer. --ing, v. steering. Koester nor, m. cherisher. —en, ov. av, to to fumble, to pucker. cherish, to cocker, to pumper; to oultivate; to Knntst, m. fist, clutch. paw. t. w. to Knot, m. fellow, ninny-hammer, dunce. favor, to protect; to entertftin; nick bask, to nurse one's 'self up. —Ong, v. cherishKnuppel, m. cudgel, club. —en, ov. W. to cudgel. Koutscl oar, m. —aars/er, v. one that makes ing, pampering; cultivation; protection. all manner of trifles. --ar(j, v. (making of) trifles. Koet, v. moor-ben, coot. —en. or. & on. w. to make (to contrive) by Koeter seer, m. —aura/er, v. jabberer, person that talks gibberish. —en, on. w. to jabber, to way of pastime. —lag, v. making of Utiles. talk gibberish, to gibberish. —want, sic KosKnuttel. v. knittle. laniottorijo be. pleasant, amusing. teener. —waaleo/,, by. & o. gibberish. —wafers, Kobelt, o. cobalt. tie Koetarem,
BAN.-BED. -brief:P. -coot, hank-note. -break, -breakig, sic Baukrost. -geld, bank-money. -header, banker; pawn-broker. -papier, paper-currency, -en, on. w. to feast; to atey; to gamb!e. lineolket, o. banquet, feast, entertainment; sweetmeats, junkets. -bakker, confectioner. -bakkerswicket, confectioner's shop. -eeren, on, w. to banquet, to feast. liouktrkr, m. booker. -skantoor, banking-house. -croak, banking- businefix. liankroet, o. bankruptcy. -, by. bankrupt. goon, slaan,to turn a bankrupt. Bann 'Hug, no. & v. Zie Belting. -en, ov..w. to banish, to exile; to exorcise; to trump --ing, v. banishment, exile; expulsion. liar, by. barren; rough, severe, nipping. Harok, v. barrack. liarboar. in. barbarian, - seA. by. & b w. barbarous (-ly). -sehheid, v. barbarity. B arbeel, m. barbel. liarbler, on. barber. --sknecht, barber's man. -minket, barber's hop. - en, ow. w. to share. Bard, m. bard, poet. -.gang, song of a bard. liordezaan, m. partisan halberd. Barer), ov. w. to bring forth. to bear; to create, to cause. o. child-birth. -snood, labor. -sweet., throes. nt. barrow, gelded hog. Burnie, v. barge. liargoonych, o. cant, slang, jargon. Hartseld, v. barrenness, roughneas. Baring, v. delivery, bringing forth; causing. Hark, a. bark; boat, lighter.
be very ill; to behave lilt aria -, to impoverish. beseitaamd -, to put to the blush, to confound. to explain. granter -, to enlarge. dusdelijk rersehillende blamer -, to lessen; ace reader by. hoe maakt pit het ? he w are you? Male er, or. maker, author. -icy, v. making. illiklare Id. v. tameness, gent/rue.. MakkellUk, be. & bw. Zie Gwmakkellik. Makker, in. comrade, companion, mate. Makevel, na. mackerel. Makrol, v. bawd. M. model, mould; caliber. Mal, by. & bw. foolish (-1yo, silly ( ily); by. fond, indulgent; puzzling. -zoet, Intetona. -zoetheid, lusciousness o. a corn-onea3ure. Malden. oa. Zie Mak en, oy. w. to grind; (droog) to drain; to paint, to limn, to draw; on w. to turn, to wriggle; to tease, to t.otber; to rave, to dote, to grumble. - er, mi. grinder, miller; painter, limner; raver, doter, grumbler. -er(j, v. painting, limning; caving, doting !lliu lileid,v. fooliehnebs, Matte, v. mesh, ring; tack; mall. -bun, mail. -head, coat of mall. -hula, inn belonging to a mall. -ktik.hanile of a mall, -half, mall, malletic on. w. to play at mall. -kolder,m. Coat of Mali.
nl.e), w. Eugenia. Euphrates ijoe-f•ee'ties), g. Euphraat. Europe (joe'roop). g. Europa. —an (-ro-pi'en), a. europeeseh; I. Muropeaan. Eus•hlue (Joe-arid-us), in. Ensebins. Eustaee (joe'etes), m. Eustatius. Ewan• ( ;oeks'in), g. the de Zwarte see. Evans (isivnz, m. Evans. Eve (lee), w Eva. Everard (ev'ttr-urd), m. Everard. Exeter (eltal-turl,g. Exeter. Ezeehiel. Ezekiel

Wat is de beste cryptogeld broker


NIC•—NOG. 196 derd en tachtig. —teen (-tien),Lnegentien,—teenth Nickel (nil-f1), a. nikkel (zeker metasl). (- tienth), a. negentiende. —tieth (-ti-ith), a. neNick er (nik'ur), e. gauwdief; knikkerkuiltje. -ing, a. het angliseeren (van paardestaarten). gentigste. —ty, a. negentig. a. Ninny (nin'nih), e. —hammer (-hera-mur), a. stof—nack (-nek), a. snutatertj, beuzeling. fel, bloed, cut. spotnaam; v. a. een' spottraam geven. Nicotian (ni-ko'ejen), a. van den tabak, tabaks-; Ninth (najnth'), a. negende. —4, ad. tennegende. Nlp (nip'), a. neep, kneep; beet; steek, schimpa. tabak. a. %let ate (nik'teet), v. n. knipoogen. —ation (-tee'- scheut; verschrompeling (van vruchten). kntjpen, klemmen; bijten; sntjden; een' steak Olin), a. (het) knipoogen. —state (-ti-teet), v. n. ; bederven (door onder water geven; . knipoogen. kende); opseizen, beknjpen. —per, a. nijper; your-, Nide (najd), a. neat, broeisel. melktand (van een paard). —perkin (-pur-kin), Nidget (nid'ejit), a. lafaard; bloed, sul. !Udine& to (nid'if-i-keet), v. n. neaten bouwen, a. kroeeje, wippertje. —pers (-pure), pl. niiptangetje; haartang; seizingen van de kabellaring. nestelen.—tion(-kee'sjun),s. (het)neaten bouwen. —ptngly (pieng.), ad. bljtend, seherp, schamper. nesteling. Nidor (naydur), s. reek; braadlucht. —ous, a. Nipple (niVp1),s.tepel. —sben,napschelp.—tcort, naar gebrand vet emakend (riekend).tepelkruid. NIdula nt (uidloe-lent), a. in dons (wol) liggend. I Nit (nit), s. nest. Nitency (narten-eth), a. glans; poging. —tion (-lee'sjun), a. nest-, broeitijd. Nitid (nit'id), a. bllnkend; levendig. Niece (utes), s. nicht, oomzegster. Nlggnrd (nig'gurd), s. vrek. —, a. —ly, ad. vrek- Nitter (nit'tur), a. bored. inhaiig. —liners (-li-ness), —nese, s. vrek- Nltr ate (naftret), s. salpeterzuor. —e (-tur), a. salpeter; —works, s3lpetergroef. —ic (-trik). a. kigheid, inhaigheid. salpeterzttur. —ify (-triNiggle (nig' l), v. a. voor den gek houden; v. n. salpeterachtig; faj;, v. a. in salpeter veranderen. —ite (-trajt), treuzelen, beuzelen. Nigh (nar), a. ad. & prp. na, naverwant; nabij, a. salpeterzuur tout. —ogen (-tro dzjen), a. etikdtchtbij. well —, btjkans. —4, ad. lAjna. —ness, stof. —ous, —y, a. salpeterachtig. Nitty (nitlih), a. vol neten. a. nabijheid. Night (nait'), s. nacht; avond. at —, in den nacht. Niveous (niv'i-us), a. eneeuwachtig; aneeuwwit. to —, heden avond. last —, gisteren avond. Nixy (nikellt), s. spook. —angling, a. peuren, poeren. —bell, nachtbel. Ntzy (narzih), a. stoffel, stumpert. —bird, nachtvogel. —born, in den nacht gebo- No (no), a. geen. —, ad. neen; niet. ren. —brawl, nachtgerucht. —brawler, nachtloo- Nob (nob), a. hoofd, bol, knikker. —by, a kraper. —butterfly nachtvlinder. —cap, slaapmuts. nig, moot. —cart, drekkar. —crow, nachtraaf, —dew, nacht- Nobili ary (no-bil'i , e-rth), a. adelboek. —tate dauw. —dog, nachthond. —.dress, nachtgewaad. (-teat), v. a. adelen. —tation (.tee'sjun), a. ade-fall, het vallen van den avond. —faring, a. bij ling. —ty (-it-tih), a. adel. adeldom. nacht reirend; s. nachtreis- —fire, nachtvuur, Noble (no'b1), a. Nobly, ad. adellijk; edelAvera. edelman; nobal. —man, edelman. dwaallicht. —fly, mot. —foundered, in den nacht heven. verdwaald. —gown, slaapjapon. —hag, nachtheks. woman, adellidke dame. —nese, a. edelheid. —hawk, groote nscbtuil. —irons, baarrollers. Nobody (no'bu.d-ih), a. niemand. —man, eekreetruimer. —mare, nachtmerrie, Nocent (no'sent), a. schadeltjk; schuldig. —piece, nachtatuk. —raven, nachtraaf. —rest, Noctanabulation (nok-tem-bjoe-lee'ejun), a. (-tem'bjoe.list), a. (het) slaapwand'elen. nachtrust. —revel, nachtvermaak. —reveller, rin- nachtelij k geraas. —shede,nacht- alaapwandelaar. keirooler. schade. —stand, nachttafeltje. —tripping, des Nocti dial (nok-tid'i-e1), a. een etmaal durend. nachts rondwarend. —walker, nachtlooper. —ferous (-tirur-us), a. nachtbrengend. —lucous —wanderer, nachtzwerver. —ward, a. tegen den (•tirjoe-kus), a. des nachts sehtnend. —vagant nacht. —snatch, nachtwacht. —ed, a. donker,.duis- (-tiv-e-gent), a. dee nachts rondswervend; a. ter. —ly, a. nachtelijk; ad. des nachts; elken nacht. nachtloeper. —vagation (-ti-ve-gee'sjun), a. rondNightingale (najt'in-geel), a. nachte,gaal. zwerving bij nacht. N igr encent (naj-gres)sent), a. zwart wordend. Noctu ary (nonjoe-e-rih), a. nacht-rapport. —le • (-tjoel), a. groote vleermuis. —ification (nig-rit-i-kee'sjun), s. zwartmaking. NUM 1sm (naybil-izm), —ity (-hil'it-tih),s. (het) Nocturn (nok'turn), a. naehtdienst. —al ( r , niet; nietigheid. nel), a. nachtsltik; a. nachtkijker, astrola ium. %ill (nill), B. (het) vonken epatten. —, v. n. niet Nod (nod'), s. knik, weak. —, v. n. & n. kni ken, wenken; knikkebollen. —der, v. knikker; bulkwillen. will he, nill he, of bij wil of niet. keboller. Nilometer (naj-lom'i-tur), a. nidlmeter. Nimble (nit 'hi), a. Nimbly, ad. vlug, vaardig. - Nod die (nod'd1), a. kop, bal. — dy (-dih), a. dom. —footed, snel ter been. —witted, vlug van geest; oor, stoffel; witkop (vogel). Node (nood), a. knobbel, lmest. voorbonig. —ness, s. vlugheid. Nodos e; - (no-doos'), a. knebbelig, hnoestig, —sty Nimbus (nim'bus), s. straalkrans. Nincompoop (nin'kum-poep), s. bloed, sukkel, (-doe'it•tih), s. knobbeligheld, knoestigheid. Nodul ar (nocUjoe-ler), a, knoestig. —e (-joel), zotskap. Nine (najn'), a. negen. —fold, a. negenvoudig; a. a. knobbeltje, klompje. negenvoud. —pins, pl. Itegelspel. —score, a. hon- Nog (nee), a• houten drinkkan; bier; :schndstok,
lieretenine en, ov. w. to tune again; on. w. to Her.len. ov, W. to review, to revue, to look vote again; (over) to put to the vote again. —ing, over again. —ing, v. review, revision. v. second voting. Herezoeken, ov. W. to seek again. ileretenvel an, or. w. to stamp over again. Sleep, v. knuckle of a ham. Hat, 1. the. —lag, v. stamping over again. Heraticht en, °v. w. to rebuild. —er, m. re- Het, vow. It, he, tin, iletevelk, vow. which, that. builder. --ing, v. rebuilding, restorat;on. Hart, o. deer, stag, hart. beg —, fawn. sager —, Retell, vw. either, or; whether. rascal deer. vliagend —, stag-beetle. - Omit, zie Hess, fieurle, v, hay. Hetet. —eboutosideuf venison. —ekop.stag'ahead. Hens, v. tegen — en meup, against the grain, reluctantly. —enjacht, deer-, stag-hunting, —enkarnp, deer- park. —enpaatei, venison-pie. —env/mice, venison. Heugeli, m. pot-hanger, pot-hook. —sheers, hart's-horn.--aleder, buck-skin. —stony, Henson, OM. W. to remember, to recollect. het heat 'mi., 1 remember. —is, v. remembrance., hart's tongue. —manger, hanger, cutlass. nertee ken en, or. w ejo sign (to mark, to draw) tecellection. again. —ing, v. signint(markitie, drawing) again. Heitexikih, hr. joyful, pleasant, memorable. Herten en, ov. w. to count over again. —ing, --held, v. joyfelnees, pleatantnee, v. counting over Again. Honker, us. retailer. Hertimnier en, ov. w. to rebuild. —ing, v. Haul, v. small wooden bridge. —, o. aid, asrebuilding. eistance; comfort. !Bull, m. poppy. —bloem, poppy flower. —bol, II ertocht, an. retreat, return. Hering, m. duke. —don, o. duchy. —in, v. poppy-head. —sap. upturn. —sand, poppy-aced. dnehees. —elijk, by. ducal. Heulen, on. w. to collude, to conspire, to agree. 'lamp, v. hip, haunch. —been, hip-bone. —jieht, lleetontson, ov. w. to readorn. Hertrolvw, m. second marriage. —en, or. & on. —tee., hip-gout, sciatica. lieu/Jets, by. & bw. courteous (-ly), civil (-Iy)., w. to marry again, to remarry. kind (Ay), obliging (-ly). —held, v. courtesy, Heruut, bw. hence, out, away. Hera alien, on. w. to fall again ; to relapse, to civility, kindnees, lieuvei, o. hill. —top, top of a bill. —achtig, apostatize. Hervott ea, or, w. to resume, to renew ; to tot. hilly. —tje„ o. hillock. reply; (ten bezoek) to call again. —ing, a. reeump , elevel, trt. lever; syphon. ilevtg, be. & bw. vehement (-137), violent (-1y), tion, renewal. fierce (-ly); passionate (-ly), hasty (-fly). —held, Helmet len, ov. w. to offer for sale again. v. veheu.ence, violeuee; paseionatenese, haettnese. Horverv6rn, or. w. to die (to paint) over again. Heel, ea, heel. op de —en sitten, to pursue close. Hervindon, ov. w. .o find again, to recover. Horvieehten, ov. w. to twist (to braid, to plait) — been, heel-tore. —ledir, heel-piece; quarteragain. piece. —stub, heel-piece; quarter-piece; hock. —en, on. W. to heel. —ing, v. heeling; heel, Hervoeren, ov. w. to lead back, to reconduct. Hervorna d, by. reformed. —de, nr. & v. Dutch heel-pieta. —tje, a knuckle (of a hem); beet part. protestant, reformed. —en, ov. NV. to reform, to Hier, bw. here; hither. — en dear, here and transform. —cr, m. reformer, reformist. —lag, there. tot — toe, hitherto, thus far. Merman, bw. at (of, on, to, about) this, hereat, v. transformation; reform, reformation. hereto. Ilervouvven, ov. w. to fold agar, Hervragen, ov. w. to redemand, to ask (bark) Hierachier, bw. bPhind, — thia, illeprof, bw. of (from) this. again. Ilterbentedlon, bw. below, beneath, under bore. 111:rwinorts, bw. hither., thie way. down (below) 'tithe; in this life, in thie worid. iterevannen, or. w. to winnow again. nerwstiseitaien, ov. w. to arm again. Martell bw. hereat, hereto, to this; ennexei, Inclosed. Herwarmen, or. w. to warm Again. ilterhtunen,bw. within (this place). Hersvasechen, er. w. to wash over again. Hierboven, bw. (here) above, up timer,', up Herwesen, ov. w. to weigh over again. Herwtid en, ay. Ir. to reconeecrate, to rear- (above) stairs; to Heaven. Illerbulten, bw. out here, without. dein. —ing, v. reconeteretion, reordination. Illei Avian en, oy, w. to regain ., to reconquer. litereloor, bw. through this place, by thin way; —er, m. retaken. —leg, v. regaining, recapture, by thin (means), hereby. 111ernern, We.. hither, here, to this plash; this recovery. Her na. reerartge. —rekeoing, account of way. picnics, I, w. in (into) this, herein. reexchange. itlierlungs„bw. along here, this way. Herwite.v, or. w. to whitewash (over) again. Iliermede, bw. with chile, herewith. Horwriiven, ov. w. to rub (over) agate. 'Item., bw. after this, hereafter. Ilerennien, 6v. NV. to sow again. Illerznneet en, or. w. to reateemble., ta rally. literssitur, bw.according to th—, accordingly. II ternenst, be. next to thin, next door. lag, a. reaesemblage, rioter. — iii icritmintimill a, bw. hereafter. HI cuntrig.lon, ov. we to meal (over) again.. Herzegs en, ov. w. to cep Fat, to soy again, Hi........n,..., hw. annexed, inclosed; besides. Hierow, bw. for this (reason), therefore. —kg, v. repetition.
[arose (e-rooz"), arisen (e-rizn')], oprijzen, optreden, voortspruiten. a. ndelregeering; de aanzienlijken. —t (e-rieto-kret), a. ariatocraat. —tic (-to-kret'ik), —tical, a. ariatocratisch. Arithmetic (e-rith'me-tik), a. rekenkunde. —al Ier-ith-met'ikl), a. rekenkunstig.;—ian (-tis'ajen), a. rekenkundige. Ark (aark), a. ark; § rivierschip. — of the Covenant, arke des Verbonds. Arm (aarm'), a. arm; tak. —chair, armstoel. —hole, —pit, °keel. at —'s-end, —'s-length, op behoorlijken Ostend. —, v. a. wapenen, op behoorlijken afatand. —, v. a. wapenen, ultruaten; v. n. zich wapenen. —ament,a. krijgsmacht. —ature,(-tjoer), a. wapenrusting. —igerous (er.mid'zjar-us), a. wapendragend. —ings, a. schans bekleeding. —ipotence (er-mip'o-tens), a. wapenkracht. —ipotent (er-inip'o-tent), a. machtig van wapenen. —istice s. wapenstilatand. —let (-lit), a. armband. —or (-mar), a. wapenruating. —orial (ermo'ri-e1), a. wapenboek; a. geslachtwapena betreffend. —ory (-murrih), a. wapenkamer; wapeorusting; wapenschild; heraldiek. —8 (aarmz), a. wapenet. coat of —s, wapenrok; wapenaehlld. Arise (e-rajz), v. n. Aristoera cy
BEL — B1S51. for concerning, with regard to. —hebbende,m. & v. participant, party concerned, --etik, be. important. —rUkheid, importance. —stellend, by & bw. eoncerned (- I y), t interest,(In). —.telling, v. concern, interest. —teekkend, be. interesting. Balappen, ov. wn to patch (ep). naiad' bear, by. texuble. ,arkeid, v taxability. —en, ov. w. to to.d, to burden; to charge to bid; to tax, to lay taxes upon; rich t. w. (met; to take charge of. Ilelaster en, ov. w. to calumniate, to asperse, to islander. —ing, v. ealurnhiatton, defamation. Belastlseig.. v. burdening, charging; duty, tax. —bit jet, bill of the taxes. —hantosr. collector's office. —pliehtige, taxpayer. Belf,edlg ale, cc. & v. (the) injured party, offended. —en, ov. w. to insult, to offend, to wrong, to injure, to hurt. —end, by. & bw. offensive ( - iy), injurious (-Iy). —er, m. —ster,in.ulter s offender, injurer. —fag, v. Insult, affront, offence. Belleefd, by. & bw. polite (-iy), civil (-ly), courteous (-Iy). —held, v. politeness, civility, courtesy. --heidshalve, bw. out of politenese, —c ivility. Haleennen,o, w. to loam. Baleen bear, by. fit to be pawned. —bank, v. loan-office, pawn-broker"' office. —en, ov. W. to enfeeff, to invest; to pawn, to borrow (to lend) upon a pledge, to mortgage. —er. rn. pawner; pawner, pawnbroker. —ing, v. eufeofffnent; loan, pawning, mortagi ng. Beteg, n. siege. het — titan your, to lay siege to. Bel egen, by. stale. Weleger ear, rn. besieger. —en„ ov. to besiege, to invent. —ing, v. besiegement„ siege; —egesckut, battering-artillery, -train; —dune, tactics of besieging; —stroepen, besieging troops; bwerkbatteriug-engine; --evrerken, approaches. Beteg gen, ov. w. to cover, to overlay; to line, to border, to lace; to appoint (eene vergadering), to pot out to use, to plane, to invest; to manage; to belay (ern toner). --heat, —Vamp, belayingcleat. ---etch, lining-piece; side-lining. —per, m. —ster, v. one that covers, etc. —gieg, v. covering; lining•; appointment; investment. o. lining; lace, galloon, edging, trimmings. Beleld, a. conduct, management; prudence, address. —en, ov. w, to conduct, to manage. —er. m. conductor, manager. —titer, v. conductress, manager. flostesisnier amkr, m. hinderer, abstracter. --en, ov. w. to hinder, to impede, to onetruct, to encumber. —end, be. impedtrig, encumbering, paralyzing. —ing, v. hinderance, iinpediment, encumbrance. liletend en, on. w. to border (upfin), to be con. tiguoue (to). —end, bv. contiguous, adjacent. —lag, v. contiguity, adjacency. Belet, o. hinderanee. aandoen, to hinder, to trouble, to disturb, to intrude. — preen, to decline receiving a visit. hebben, to be engaged. vragen, to desire leave to visit. hij heel, —, he cannot receive you. —eel, o. hinderenen, impediment, obstacle. —Ian, ov. w, to hinder, to prevent, to debar, (from). igelevats, ov, w. to live to see, to witneem, to experience

Hoe werkt Cryptocurrencies afwijken van de traditionele biljetten en munten


206 OUT.— OVE. 0 tt ter a ri a Is , s • buitenkerspel. Outstride (-strajd") [irr.], v. a. Zie to Outstep. Outpart, s. buitengedeelte. Outstrip ( strip'), v. R. voorbijitreven. Outpa am (-paas'), v. a. voorbijstreven. Ontswear (- sweet') [irr.], v. a. in het vloeken Outporch, s. ingang, portaal. overt reffen. 0 ettport., a. buitenhaven. Outsweeten swiet'n), a. R. in zoetheid over • Outpost, s. huitenpoat. treffen. Outpour (-poor'), v. a. uitgieten, uitntorten. Outswell [irr.], v. a. overatroomen. 0 utpray (-pree'), v. a': in het bidden overtreffen. Out talk (-took'), —tongue ;-tuog'), v. a. overpraOutpreach (-prietsfl, v. a. in het preeken overten. treffe n. Outtop (-top'), v. a. boven het hoofd groeien. Outprize ;•prajz'), v. a. te hoeg in prijs stellen; Oulvalue (-verjoe), v. a. in waarde te boven in waarde overtreffen. gaan. Outrage (aut'ridzjl, a. grove beleediging, hoon; Outvie (-vaj'), v. a. overtreffen, nitmunten boven. ge•elddadigheid. —, v. a. beleedigen, hoonen; Outvoice (-vok,'), v. a. oversehreeuwen. v. n. buiteneporigheden begaan. —ous, a. —on (p. Outvote (..vont')., v. a. overstemmen. ad. (•tree'dzjus-), beleedigend, hoonend; geweld- Outwalk (-wauk';, v, a. in het gaan overtreffen. dadig; woedend; ones dreven, buitensporig. Outwat I, a. buitenmuur; uiterlijk, sehtin. Oaatraze (-reez'), v. a. uitroeien. Outward iaut.'wurd), a. —ty, ad. uiterlijk,uitavenOutreach (-rietsp), v. a. corder reiken dart, dig. —, —8 (-wurdz),ad. naar buiten;buitenwaarte. Outreason (-rie'zn), v. a. door betere gronden Outvvatch (-svotsY), v. a. in waakzaamheid overoverwinnen. treffen; doorwaken, Outreckun (•rek'kn), v. a. in de herebening te Outwear (-weer') [irr.], v. a. uitduren; longer boven gaan. duren den; in verveling doorbrengen. Outride, a. rid. —(-rajd') [irr.], v. a. voorbij rij Outweigh (. wee"), v. a. zwaarder zijn dan; overden; v. n. nitrijden. —r (aut'raj-dur), s. voorrijtreffen. der ; deurwaarder van den sheriff. Outwit (-wit'), v. a. verachalken, te slim zijn. Outrigger (ook; -rig'gur), a. bokapier, donve jut Outwork, a. buitenwerk. —(-avurk'), v. a. weer ioefb al ir; wacht schip. (betel.) werken dan; overtreffen. Outright (- rajt'), ad. dadelkik„ geheel. Outworn( woorn'), a. afgesleten. Outriv (-raj'vel), v. a. de /oaf afsteken. Outvvrest (-rest'), v. a. afpersen, ontweldigen. Out rear (-rose'), v. a. boven.... nit loeien, 0 utwrought Croon, a. overtroffen. Out root (-met', v. a. uitroeien. v. a. in het grappenmaken Outzany Outrun (-run') [ire.], v. a. in het Joopen overtrefovertreffen. fen; to boven gaan. Ouzel a. Zie Ousel. Outten ( v. R. voorbij zeflen. Ova l (o'vel), a. & a. eirond, ovaal. —rious (-vee'Outscorn (-skorn'), v. a. fret verachting behanri.oa), a. van eieren. —ry (-ve.rih), a. eleratok. delen. —te ( vent), —ted (. veet'id), R. eivormig. --tion Outsell (cell'; [irr.], v. a. duurder (meer) verkoo(-vee'sjun), a. ovatle, kleine zogepraal. pen dan; hoogeren prima halm dan. Oven (uv'n), s. oven. —fork, ovengaffel. —ful, Outset, a. begin, aanvang. (een) oven-vol. —peel, ovenkrabber. —tender, Outshine (-ejajn'), v. a. in glans overtreffen. ovenstoker. Outshoot ( -sjoet.') [im], v. a. in het schieten Over (o'vur), a. bovenate, boven-. ad. & prp. overtreffen. over; op, boven; door; voorbij, gedaan. — a Oats. Out side, a. bui ten-. —, a. buitenzijde; voorkomen; of wine, bij een glee wijn. — and —, bij herbalinga uiterste ad. buit en . all —, overal; voor good voorbij. ten times —, Outsit (-sit') [irr,], v. a. longer zitken don; verzittienmaal achtereen. — again, nog eena. — against, ten. tegenover. — the way, a an de overzkjde. or 0 utsklp (.skip'), v. a. ontapringen, entgaan. under, meer of min. Outskirt, s. voorntad; buitenpoat. W oar, in de volgende samenstellingen, de uitapraak 0 nteleep (-aliep') [ire.], v. a. Lange -, elapen dan; niet is aengewezen, dear heeft o den klemtoon. verslapen Overabound (-e-baaund'), v. n. al te overvloe • Outspeak (-apiek” [irr.], v. a. in het sprekea dig zijn. overtreffen; overt refire, Overact (-ekt'A v. R. & n. overdrijven. Outaport (-spoon'), v. a. in het achertsen over- Overall (o'vur- aol), a overjas. —a (.aolz), pl. treffen (overdrij ven). overbroek. Outspread (-spred'i [irr.], v. a. uitspreiden. Overanxious (-enk'sjus), a. te angstig. Outstand (-extend') [irr.], v. R. uitetaan; weer- Overarch (•aartsy), v. a overwelven. staan; v. n. uitsteken. —ing, a uitstaand, onbe- Overawe (-ao'), v. a. in ontzag hluden. Overbalance,s.overwieht,meerderbeid. —(-bel'taald. Outstare (steer'), v. a. door onbeschaamd aanens), v. a. meer wegen don; overtreffen. etaren ver•agen maken. Overbear (-beer') [irr.], v. a. overetelpen; overOutstay (-stee') [ire.] , v. R. Langer 1,:ijven dan. weldigen, onderdrukken. —ing (-beer'leng), a. aanmatigend, trotsch. Outstep (-step'), v. a. voorbijstoppen; overst!hrijden. Overhead (-bend'), [ire.], v. a te aterk apannen. 0 utstreet, s. achterstraat. Overbid (-bid') [irr.], v. a. te veel bieden; meer Outstretch (-atretaj';, v. a. nitetrekken. bieden dan.
TES - —T111. getuigenitt. —lee (tes'ti-faj-ur), n. getuige. —y (tes'ti-faj), v. a. & n. betulgen, getuigen. Testily (teretillih), ad. Zie Testy. Teatlmon lei (tes-ti-mo'ni el), a. getutgsebrift. —y s. getuhrenis; to bear —, getulgenia geven. Test Ines' (tes'ti-ness), a. genaelijkheid, knorrigheid. —y, a, gemalijk, kacrrig. 'Tether (teth'ur), a. span-, looptenw, lel:esp. —, v. a. vastbinden; baperken. Tetrachürd (tet're-kord), a. vieranarige iter; keen an de ranziek). Tetrad (tetgred),s. viertal. Tetragon (tet're gon), s. vierhoek. —al (te-treg' un-el), a. vierhoekig. Tetrahedron (tet-re-hi'drun), a viervlak. Tetrameter (te-trenei-tur), a. viercoatig vera. Tetrarch (ti'traark), a. viervorst. —ate (tetraerk'et)., —y (tet'rer-kih , a. viervorstendom. Tatrestich(te-treslik),.. vierregelig veraje. Tetrasylla bic (tet-re-ail.leb'tk), —Neal, a. vierlettergrepig. —ble a. woord van vier lettergrepen. Totter (tet'tur), a. deuwworm —worm, paardere'Meg. —wort, zwaluwkruld. —, v. a. met dauwworm (uitslag) beemetten. Tew Woe'), a. stof, bouwstof; ijzeren ketting. —, v. A. kloppen; braken, zwingelen; elagen; rukken, trekken. --el (41), e. blaaabalgok1P. Test (teket'). a. tekat. —book, tekatboek; hand. book. —hand, staand schrift, ruiddelsoort. — letter, hoofdletter. —man, teketenkenner. —ice (-it), a. weefbaar; geweven. —ual (-joe-el) --wary •oee-rih), a. in den teket vervat; overeenkomstig met den tekst. —ualist (-joe-el-jet), wary (-joee.rih), a, tekatenkeoner. —ure (jour,-jar), a. weetsel, (bet) weven; eanaenstel. Than (then'), conj. dan. Thane Itheen') e. vrijheer, t b a 0. —ship, a. waardighetd van eau t h a n, vrijheerechen. Thauk (thenkn s v. a. danken, bedanken. —offering, dankoffer. —worthy, dankenewaaAdig, verdienatelijk. —fal, a. — fully, ad. dankbaar. —less, a. —feisty, ad. ondankbaar. —Jenne's, a. ondankbaarheid. Thanks (thenka'), a pl. dank. to give (return) daakzeggen. —giver, daukzegger. dankzegging. Tharns (thaarm), a. darmen; darmanaar. That (the), pt. die, dat, gene; walk, hetwelk. —, conj. dal; opdat. Thatch (thetvj'), a, dekstroo; rleten dek. —stack, aehelf dakatroo. v. a. met riet dekken. —er, a. rietdekker. Thaumat urgy (thao'me tur-dzjih), a. (het) wondenen dean, goochelarij. Thaw (thao), a. dooi. —, v. a. & n. dooien, oatdou len . The (the), art. de., den, het. — more — better, hoe nicer hoe bitter. — more so, to meer; den ter MAT. Theatr e (thi'e-tur), a. ochouwburg; teoneel. —ie, —teal, a. —ically, ad. ( et'rlk.), van het tooneel, theatraal. Thee (tW), pr. u. aan Theft (theft), a. diefstal.

Kan ik Bitcoin op Blockchain


Lip (lip'), s. lip; tail; rand. to make a —, de lip laten haugen. —glue, monelijm. —labor, —wisdom, praatjes. lippenpomade. —, v. a. kussen. —ped (lipt), a. gelipt. Lipothym oats (11-poth'i-scut), a. bezwkjmend. —y, s. bezwijming, flauwte. Lippitude (lip'pi-tjoed), a. leepoogigheid. "Aqua ble (lik'wibl), a. arneltbaar. —limy (-webil'it-tih), —bleneas, ameltbaarheld. Liquefaction Ilik we-fek'sjun), a. smelting. Liquef labia (lik-weefaj-lb1), a. sn,ltbaar. (-faj), v. a. & n. smelten. Ciquescen cy (laj-kwea'seu•sih), a. uneltbaarheld. —t, a. ameltend. a. Liquid (lik'wid), a. vloeiend, vloeibaar. vloeistof; vloeiende letter. —ate (-net), v. a. vereffenen. —cation (-ee'sjun), a. vereffeuing. —ity 1-wid'it-tih), —nest, s. vloeibaarheid. Liquor (Brut.), s. vocht;geestrijk vocht,likeur. v. a. bevochtigen; inin —, beschonken. smeren. —ice (-is), a. Zie Licorice. Liriconfancy (lit-i-kun-fen'aih), a. lelie der dales, rneibloempje.
Afwerken, ov. w. to work off, to finish. ziels —„ to spend one's se,f with working. Afwerp on, or. w. to east (to throw) off, — down; to shed. voordesl —, to turn to advantage, to leave a profit, to yield. — leg, v. casting (throwing) off, — down. Afweven, on. w. to weave off, to finish. Afevez ass, o. absence. —ig, bv. absent. —igheid, v. absence. AfwUk en. on. w. to turn off, — from, to give way. to deviate, to swerve, to depart, (from); to deflect, to decline, to diverge; to differ, to vary. --end, nv. devious, declining, discrepant. 11,4War. —lag, v. deviation, departure, deflection, declination, diver,;ence; difference. Afwit)z en, on. w. to chow away, — out; to deny entrance; to decline, t3 reject, to non .suit; beat back. —ing, v. refusal, declination, Af minden. ov. w. to wind (to reel) off, Alm/Innen, ov. w. to win (to gain) from. het iesnaud —, to g't the start of, to outdo. Afwippen, ov. & on. w. to slip off, — dawn Afvvisachen, ov w. to wipe off, to thy up. Afwilssel en, ov. & on w. to change, to vary, to relieve, to alternate. —end, be. changeable, variable, alternative ; bw, alternately. —jog, v. change, variety; variatio.,, alternation. Afverlijven, ov. w. to rub (off). Afwringen„ ov. w. to wring off; to wrest (to extort, from. Alfzadelen, or. w. to unsaddle. Afzagen, or. w. to saw off; to hackney. Afzekk en, or. w. to sack; on. w. to sink (to drop) down; to descend, to go down; to retreat, to steal away. —crtje, o. dram, parting-glass —kg, v. Sinking (dropping) down; descent; .tealing away. Afzeepen, ov. w. to clean with soap. Afzegg en, ov. w. to countermand, to disinvite, to send as excuse for. '-er, m. conterwander. (betty/ter. —ing, v, countermand, counter order, countermanding. Afzellen, or w. to break off (by sailing against4 on. w. to set sail. Mend en, ov. w. to send (off), to deepateb —er, m. despatcher —ing, v. despatch; shipment. Afeet eel, o. layer. -, ster, v. Zie Afzetter. —ten, ov. w. to put (to set, to take) down, — off, to set out; to depose; to foot ;;arras); to cry down; to abate; to dismiss, to cashier, to remove, to dethrone; to dispose of, to sell; to cut off, to amputate; to lay, to set; to set off- to rob of, to swindle out of. —tend, by. purgative, aperient. —ter, in. eearper, swindler. --Jeri), v. sharping, sharking trick. —ting, v. dismissal; amputation. Afeleht ell.Jk, —Ig bv. & bw. unsightly, hideous (.1y, --igheid, v. ugliness, hideousnes.. Afzleat, so. w. to see to the end of; to expect; to wait for; to make shift wkth; to learn by looking at ; on. w. to took about, to see ; (van) to give up, to waive, to desist from. Afeilltineno on. w. to alight, to dismount. Afzetrken, ov. w. to pick off. Afzoenen, ov. w. Zie At ku eaten. Monder en, as. w. to separate, to isolate; to

UNIT--UNX. 324 Unintellig ant (un-in-telnid-z)ent), a. onkunUnhewn (un-joen 5 ), a, onbehouwen, ruw. —ibleness, s. severdig. Unbidden (un-hid'dn), a. onverborgen. staanitarhe!d. —We, a. —ibly, ad. ouvetstaanUnhindered (un-htn'durd), a. ongehinderd. Unhinge (un-hindir), Y. a. uit de hengsels Lich- bum Unintentional (un-in-teu'sjun-e1), a. —ly, ad. ten; tat zijn verband rukken, orniteerea. onopzettelijk. Unhit lun hit'), a. niet getroffe.n. Uuinter ested (un-in'tnr-est-id), a. belangeloos; Unhitch (un-littsrl, v. a. athaken. riet betrokken (in). —silted (-mit'tict), a. onUnhurt if y (in-ho , 111-11h), ad, —y, a. onhailig, s. onhetiigheid. afgebroken. —mixed (-mike(?), a. onvermengd. goddeloon. —rupted, a. —ruptedly, ad. (-rupt'id-), onafgeUnhonored (un-oreurd), a. ungeierd. Unhood (un-heed';, r. a. de kap afnernen. —ed, broken. Unin tired (un-in-joerd'), a. niet gewend (to). a, zonder kap. —vented (-vent'id), a. onuitgevonden. —reeled Unhook (vn-hoek') v. a. loehaken. (-vest'id), a. niet bekleed; niet belegd. —restigable Ulaboop (un-hoepl, v. a. van howls ontdoen• (-vest'l-gibl), a. onnaspeurlijk. —riled (-vaj'tid), Unikope d (un-hoopt'), a, — tor, ongehoopt. a. ongenood. (-hooploel), a. hopeloos. fret Unhorse (tin-horn'), v. a. van het paard werpen. Union (joe'njun), s. vereeniging; eendracht ; Unhositile (un-hotrtil), a. Met v(jandig. Unto. —flag, natlonale ',lag (van Groot- BritUtabousta lun-haue), v. a. uit het We jagen, tannii). Uniparotio (joe-nip'e•rus), a. tin Jong werpend, aan den dijk zetten. Unhumbled (un-hurebld.), a. onvernederd. Unique (joe-niek'), a. eenig. Unison ijoe'af-sun), s. een-, gelijkstemmigheid; I.Johring (11.1 hung') a. ongehangen. overeenstemming. —, —ant, —ous (-n;s'o-), a. Unhurt (un-hurt'), a. ongedeerd, onbeschadigd. gelijkstemmig, -klinkend. —Ail, a. —fully. ad , onachadalijk. Unit (joe'nit), e. eenheid. —anion (-ee'ri-en), a. Unbusk (un huak`. ), v. a. pelien, doppen. Uni corn (joe'ni-korn), a. eenhoren. —form, s. unitarts. —e (-neje), v. a. vereenigen; v. n. zich uniform. —form, a. —forstly, ad. eenvortnig. ver,nigen; itch verbinden; aaneengroelen. a. ad. (-najt'id), vereenigd, gezamenlijk. —fortuity (-form'i-tih), s. eenvormigheid. —genus —y, s. eenheid; overeenstenrning. (-ni 4'0e-tins), a. van din geslacht. —lateral (-let'- Univalve (jotent-volv), a. eensehalig. ur-el), a- eenztjdig. unItn aginable (un•int-ed'zji•nibi), a. ondenk- Univers at (joe-ni-vers'el). a: —ally, ad. Opmeen. —ality (-erit-tili), a. algerneenbeid. —e ium, —paired (-peerd'), a. onverzwalkt; onge- Ijoe'ni-vurs), s. heelal. —lip, a. huogirachoot, nehonden. —passioned (-pesj'und), a. onharts- universiteit. tochteltjk, bedttard. —peaehable (pitts'ibt),j a. niet to betchuldigen, onberispelijk. —peached Univocal (joe-niv'o-kel), s. & a- (woord) met slechts dine beteekents. (-pietajt.'), a. onbeethuldigd. —peded (-pie'dfd). a. ongehinderd. —portant (-port'ent), a. online- Unjoin (un-dzIojn'l, v. a. seheiden. —t, v. a. ontleden; ontwriehten. —ted (-tid), a. ontleed; langrijk. —pitted I-poozd'), a. vrijwillig. —posing ontwrieht; zonder gewricht. I-Po'zieng), a. n'et indrukwekkend; vrijwillig. Unimprov able (un-im-proev'tbI). a. onverbe- Uejoy tut (an-dzjorfoel), —ous, s. niet vrooltjk, nedralachtig. terlijk. —ableness, e. onverbeterlijkheid. (-proevd'), s. onverbettrd, onbeechaard; onge- Unjudged (un-dzjudzjd'), a. onbeourdeeld, onboalist. bruikt. —ing, a. niet verbeterend. Uninaputabl• (an-im-pjoe'tibl), e, niet toere- Unjust (un-dzjust'), a. —1y, ad. onrechtvaardig, onbilftjk. —nese, s. onrecbtvaardigheid. kenbaar. Unin alined (un.in-klajnd'), a. ongenegen, Unjustlit able (un•dzjnet'L-faj-ibl), a. —ab'y, ad. niet te rechtvaardtgen, onverantwoordelijk. —debted (-det'id), a. condor achulden; niet ver- schuldigd. —different (-dirfur-eat(, a niet on-—ablenese, a.onverantwoordelijkheid. —ed (-fajd), a. ongerechtvaardigd. verachilPg; niet onpartijdig. —dulyent (-dui', dzjent), a. niet toegevend.—d,.trioua (dus'tri-utt), Unkennel (un-ken'n11), v. A. nit het hok of hol drtiven; te voorschijn brengen. onbedtlivIg. —fected 1-fekt'idl. a. niet a. onbesmet. —famed(-fleemdl, a. nietontvlarnd. Unkepi (un-kept'), a. niet gehonden., — nage-flammable (-flenemibl)„ P. . niet OntvImbartr. komen. —flueneed (-in'iloe-enst), a, or!) van invloed. Unkind (un-ka)nd'). a. —ly, a. & ad. onvriencle(-1i-nese)„ —nest, a, onlijk. lieideloos. -formed (-POP.Cr), a. niet onderrieht. —onto. vriendelijkheid. (-dzjen'joe-us), a. niet openharttg, niet oprecht. Unintiobit ethic (un-in-heb'it-ibP, ,abewoon- Unklnlq (un-ki'ng') v. a. onttroonen. —!y, a. onhoar. —ableneis, s. onbewoonbaarheid. —ed (-id), koninklijk. Unkissed (un-kise), a. ongekuat. a. onbewoond. Unin lamed (un-in'dzjoerd). a. onbeleedigd; on- Unknelled (un-neld'); a. zonder geld der doodbesehadigd. klok. ouisitive (-kwh'i-ttv) , a. niet —spired nieuwaglerig, (-spajrdn, a. niet bezield; Unk•lghtly (un-najt'ith), a. onridderlijk. niet ingegeven. —strueted (-strukt'id), a. niet Unknit (tin-nit') [ire.], v. a. loetrekken, losonderwezen; zonder voorsehriften. —struetive waken. 1-strukt'lv), a. oniserzaam. —eared (-sjoerd'), a. Unknot (un-not'), v. a. nit den knoop doen; lonmaker. onverzekerd.


Behead (be-bed'), v. a. onthoofden. Benedlc tine (ben-e-dik'tin), a. benediktijner Behest (be-hest'), s. bevel. monnik. —lion 1,sjual„ a. eegening; wijding. Behind (be-hajnd'), ad. achteraan, ten achteren; Rene faction (ben-e-fek'sjun), a. weldaad. —hand, prp. achter. ad. ten achteren, achterlijk. —factor, a. weldoener. —factlese, a. weldoenster. Behold (be-hoold') [beheld], v. a. aanachouwen. —fire (ben'e-flat, a. kerkelijk ambt. —ficed (-fiat), —, int. zie eens! zie1 —en. a. verplicht. a. een kerkeltk ambt bezittend. 'Reboot' (be-hoof'), s. gerief, nut. Beneficen ce (be-neri-renal, a. weldadigheid. Betio° ve (be•hoev"), v. a. voegen, passen. —t, a. weldadig. —cable, —reful, a. geriefelijk, dienatig. Benefici al (ben-e-Ils'ejel), a. —ally, ad. voorBeing (bileng), a. wezen; bestaan. —, part. dewijl. d eelig. —ary (-sje-rib), a. onderhoorig; s. kerkelijk Belabor (be-lee'bur), v. a. afrossen. beambte. Belated (be-leet'id), a. door den nacht overvallen. Benefit (ben'e fit), a. weldaad; voorreeht; voorBelay (be-lee'), v. a. insluiten, berennen; ejorren. deel. —night, benefice-voorstelling. —, v. a. beBelch (belts)), s. °primping. —, v. a. oprispen. voordeelen; v. n. voordeel trekken. Beldam (bel'dem), a. grootje; heks. Bonet (be-net'), v. a. verstrikken. Beleaguer (be-lie'gur), v. a. belegeren. Benevolen cc (be-nev'o-lens), a. welwillendBelfry (herfrih), a. klokketoren. heid. —t, a. welwillend, gunstig. Belie (be-larl, v. a. heeten liegen; belasteren. Benight be .n ajt!), v. a. in duisternis hullen. Belle f (be-lief'), a. geloof. —cable, a. geloof—ed, a. door den nacht overvallen. boar. —ve (-Her), v. a. gelooven (upon, op); v. n. Benign (be-najn'), a. —ly, ad. goedaardig, geloovig ziju (in). —ver, a. geloovige. —vingly,
'67 'tering. —ship, echip aan lij. —shore, la)5crwal. —side, lijbotard. —tackle, ziggijn. —tide, tij order den wind. —way, wreak, availing. L.zech (lleter), a. bloedraiger; arts; zeilli)k; zie Leach. —craft, heelkunde. —line, noklordiee. —tining, stootlap . —owl, schuifuit. —rope, e tea nd lijk. —worm, bloedzaiger. Leek (liet), E. look. Leer (lier), a. look, glaring. —, v. a. toelc.nken; v. n. lonken, gluren (on, upon). Lees (lies), pl. droasem, moer, grondsop. • (liet'), a. ondergereehtshof. —, —day, melts dig. Leeward (lielwurd), e,. & ad. aan lij, to lijwaart. Left (left'), a. linkerzijde. —, a. linkseh, linker-. —handed, a. linksch, onhandig.. Leg (leg), a. been; poot; boutje; bulging. Legacy (leg'e-eih), a. legaat. —hunting, a. (hen vleien in de hoop op een legaat. Legal (lrgel), a. —ly, ad. wettelijk, wetttfc.—ity (le gerit-tih), —ness, a. wettigheid. (-ajc), v. a. wettigen, bekrachtigen. Legat ary (leg'e-te-rih), —ea (- lie'), s. legataris, —e (-etl, s. gezant; afgezaut van den haul, legaat. —eship (-et.), a. legaatsehap. —ins (-tajn), a. vets, een' legaat of gezant. —ion (le-gee'ejun), e. gezantschap. —or (le• gee'tur), e. erflater. Legend rt. legende, eprookje; otn-, randsehrift. —ory (led'zjin.de.rih), a. fabeiachtig; a. legendeuboek; -verteller, L eger (ledzeur), a. blijvend, vast. —, e. grantbook; legger. grootboek. —demean (-demeen'), a. goochelarij. —ity (le-dzjer'it•tih), a. vlugheid, behendigheid. Legg ed (le, ,a1), a, met beenen of ponies. —ing (leg'gieng) s. beenlakleeding. Lag! Isle (ledzjnbl), ' a. —bly, ad. leeebaar. —bility (-i-bil'it-tih), —bleness,s.leesbaarheid. Legion (li'dzjun), a. legioen. —ary, a. van een legioen; talrljk; a. legioenasoldaat. Leglsla te (ledzria-leet), v, n. wetter ;;even. —lion (-lee'sjun), s. wetgeving. —tire, so. wetga'vend. —tor, s. wetgever. —lure (-liver), a. wetgevende macht. LegItImft cy a. wettigheid, echtheid. —te, a. —tely, ad.(-met-), wettig,cebt. —te (-meet), v. a. wettigen, eehten. —lion (-wee , sjun), s, wettiging, echting. Legunt a (lerjoem), a. peulvrucht. —ittous gjoe'mi-nu. ․ ), a. peulendragend, van peulvruchten. Leisure (li'zjoer, a, ledige tijd. at —, op zijn gemak. —hours., sdpperuren. —ly, a. & ad. betlaard (langzaam) verricht; op zijn gemak. Leman (li'men), s. liefste, beminde. Lemming (lem'miengl, s. sabeldier. Lemon (lem'un), R. citroen; citroenboom. --peel, citroenschll. —squeezers, citroenpers. —tree, citroenhoom. —adc (.eed'), s. limonade. Lend (lend') [lent], v. a. leer en; verleenen. —able, a. leenbasr; Nerleenhaar, --er, s leeeer; uitleener; verleener. Length (lengths'), a. lettere; afetAnd. full —, levensgrootte. at —, eindelkjk. in — e!f time, met der tijd. --en, v, a. verlengen; v, t,. lenge, omen.
kuip. —twietovater-, kettinggaren.--xay,boolgat. waterloop.—ways(-weee),pl.watergangen.—wheel. waterred. —willow, waterwilg. —work, teekening in waterverf. —works, pi. waterwerken. liVeater (wao'tur), v. a. besproeien; drenken; materen (etoffen); v. n. waterig warden; water innemen. to make one's mouth —, doen watertanden. —age), echuitenvrecht.—cr i a. beaproeior; (de) Waterman. —tness (.1.-nete), a. waterigheld. —ing, a. besproeling, het drenken, wide. ten. water !linemen; —engine. eProCiPoraP; —pa tee, wed, drenkple.ats; hadplaate; —pot, gieter; —trou:dt, waterhak. —fah, a, watereehtig; vocht:g. —e (-tar.), pl. gezondheidebronnen; for all —, van elte markten that, —y, a. 'water*, vochtig• water-. "Wattle (avot'r)), a. beard van ran' heats; horde. v. a. met horden bezetten; met teentjea bin. den; viechten. W. 0 I (wail), v, n. Zta tea Ca:or -watt' Wave (weev'), [4. golf, hair; holkeel;oneffertheld; weak. —, v. a. gulvend (gevianid) make.; wankel?, wn;ren; efzien va-, apgevert, laten canton; v. e. goiven; zweeen; zwaaten; wutven; weiNen. d, R. geg olyd, gevlarnd. —leo, a. elf., glad; kaltn. Waves- (wee'vur), v. at. wankslen, waggelen; wet-er, a. weifelaar. —ing, a. —ingly, ad. wankeiend, heelutteloos; oneeatendig. Vinarn.o. (weey'aen), a. ceedrift. Wavy (wee'vth), i. golvend; gegolfd. Wax (wake), a. wet; corsmeer;lak. —baby, —doll, wessen pop. —candle, watikeara. —chandler, wa3kooper, wakAraeroenmaker. —end, epinactidraad, —leather, gewaat leer. --light, —taper, waeka•rs. waepit. —wotk, waseen beet& —works, pl. kabinet van yelper' beelden. —, v. a. wain., met was bentrijken. (weks'a), a. van wee, weasel, —y, a. wagaehtig. Wax (weks) [waxed tacxeni, v. n. waseen, toenemen., worden. Way (wee'), v. weg; riehting, loop, voortgong, vaart; rnimte, alotand; rniddel; wijze, gawoontr, gebruTh wit, zin. a great —, ver. any op de sane of endures wijze. oy — of, bij wijze van. by the —, in 't voorbijgaan, ter loepo every —, in leder opzieh.. in the —, voor (bij; he hand, gereed. no —, geenezina. out of the —, nit den weg; batten den regal; buitentiporig: rats, whirls —, waerheen; o welko wijze. to break the halen, u%twljken. to cle, the —, nit den weg goon, plaate MAIM- to fall in one's, — iemand wedervaren, overkween. to give —,wijken; nemen; toe.geven. to have one's —, zij u ' ale volt.. to keep out of the --. 4rbergen; zichsehuil houden. to level the —, voorgettn. to state nit den wag Wean, plants maken. —bill, passogierm-. goederentijet. —bit, emit weegs. —bread, —broad, weegbree. —water, vuneiooper. weganjzer. —passtager, reiziger, die onderweg wordt opgenomert. —thistle, haverdistel. kruiedoom. —warden, opzienter der wegen. —wise, met den weg bekend. —wiser, weg:neter. —worn, door het rotten vermoeld. Way facer (wee'ree -rue), a. relztgor. —faring, R. reizend; —tree, meelboon, wilde wijngaard. —in, a. Ingeng.

Welke cryptogeld is het beste om te investeren in India


Broth (broth), s. vleesehnat. Buff (buf), . buffelleder; lichtgeel. brothel (brotia'11), a. bordeel. Buffalo (bufle-lo), a. buffel. Brother (brutieur), a. broeder. —in-law, schoon- Buffer (bur fur), s. ntootkussen. broeder. foater zoogbroeder. —hood, a. brae- Buffet (burfit), e. vuistslag; buffet. —, v. a. derschap. —ly. a. broederlijk. atompen; v. n. boksen. Brow (beau), s. wenkbrauw; gelaat; bruin. Buille-headed (butt-hed'id), a. dom, koppig. —beat, v. a. uit het veld slaan. —bound, a. ge- Buffoon (buf-Coen'), a. potsenmaker,hansworst. krooud. —ery, s. potsenmakerij. - Brown (braaun), a. bruin. —bread, roggebrood. Bug (bug) a. wandluis. —bear, bullebak. —gy, —George, kommiesbrood. —stout, .ware porter. a. vol weegluizen. —gy, a. sjees. —study, diep gepeins. —wort, brunelle; opera- Bugle (bjoe'gl)., a. jachthoorn; merle glaskraal. braid. —jab, a. bruinachtig. —horn, jachthoorn. Browse (hrauz), a. voorjaarsspruitjes. —, v. a. Bugloss (bjoe'glos), s. ossetong (plant). afvreten; v. n. frozen. Build (bild) [built (WIC], v. (a. bouwen; v. a. Bruize (brae.), a. kneuzig. v. a. verplette- (upon) zich gronden, veriaten op. —er, a. bonren, kneuzen. —wort, kneuskruid. —r, a. bok- war. —ing, a. gebopm. aer; slijpschaal. Bulb (bulb),: a. bloembol. —nue, a. bola:010g. Bruit ( broet), a. gerucht, geraas. —, v. a. rucht- —ous plant, bolgewas. hear waken. Bulge (buldzj), a. bulk; lek. —, v. n. ultzwelBrusnal ibroeimei), a. winterachtig. len; lek atooten. § —r, a. vlakte; groot geBrunt (brunt), a. schok; geweld; slag. vaarte. Brush. (brusj), a. borate]; penseel, kwast; ocher- Bulimy (bjoe1i-mih), a. eetziekte. mutseling. blacking schoenboratel. —, v. a. Bulk (bulk), 8. omvang, ruirnte; manna; (het) 8chuieren. borstelen, (off. up); kladschilderen. geheel; hoofdgebouw. to break —, last breken. —, v. n. wegeluipen. —maker, berstelmaker. —head, hc8chot. —iness, a. omvang, grootte. —y, —wood, kreupelhout. —y, a. rulg, boratelig. a. groot, zwaar, lijvig. Brastle (bras'!), v. n. knetteren, rutachen. § woekeraar Bull (boel), a. utter; misslag; Brutal (1,oe'tell, a. —ly, ad. dierlijk, wont, in actien —baiting, stierengevecht. —bee, —fly, onbeschoft. —ity (-tel'it-tlh), a. dierlijkheid, paardenvlieg. —beggar, bullebak. —calf, jonge onbeschoftheid. —ize (-sjs), v. a. & n. verdier- atier; hotterik. —dog, bulhond. —fight, stierenlijken. gevecht. —finch, goudvink. —head, domkop; butBrut e (broet), s. redeloos wezen. —e, —ish, a. lekop (visch). —'s-eye, venster; lichtgat. —'sredeloos, dierlijk. —ify (-ti-fej), v. a. verdierlij- ;fizzle, bullepees. —trout, zalmforel. —weed, paken, verstompen. —ishness, a. dierlijkheid, wont- pierbloem, vlokkruid. Bulince iboePles), a. wilds pruim. held. Bryony (brapo-nilt), a. Wilde wijngaard. Bullet cboePlitt, a. kogel. Bulletin (boePle-tin), a. dngorder. Bub bub), s. zwaar bier. Bubble (bub'b1), s. waterbel; nietigheid; bedrog. Bullion (boel'junl, a. onbewerkt goad of diver. —, v. a. bedriegen; v. n. opborrelen. —r, s. be- Bullock (boelluk), a. gesneden utter. Bully (boel'lih), a. windmaker; twiatzoeker. —, drieger. v. a, overbluffen; v. n. grootapreken. Bubo (bjoe'-bo), a. liesgezwel. Buck (buk), a. bok, mannetje; loog; fat. —, v. a. Bulrush (boePrusj), a. biea, lisch. in de loog zetten; v. n. paren. —ashes, long- Bulwark (boel'wurk), a. bolwerk. —, v. a. vereach. —basket, waschmand. —beans, boksboo- schansen. nen, waterklaver. —coney, damhert. § —eye, spot- Bum (bum), a. achterste. —, v. n. ]even maken. neon voor de inboorlingen van Ohio. —goat, —bailiff, dievenleider. —boat, groenteschult. geitebok. —ram, stijf linnen. —skin, boksvel;•Buinbast (bum'best), a. lappendeken. cohere broekstof. § —tail, naam eener staatkun- k Bumble-bee (hum'bi-bie), a. hommel. dige part!) in New-York. —thorn, kruisdoorn. Bump (bump), a, buil, gezwel. —, v. a. slaan, —wheat, boekweit. —ish, a. weelderig, wuipach. homen; v. n. geweld 'oaken. —er, a. voile baker. Bumpkin (bump'k(n), a. vlegel, lomperd. Bucket (buk'it), a. wateremmer. v. a. gespen; Bun (bun), a. zeker gebak, broodkoekje. Buckle (buk'kl), 8. gasp; krul. krullen; v. n. buigen, zich voegen. (for) zich Bunch (bunts)), a. boatel; bundel, boa; trots. —, gereed maken tot. (to) zich toeleggen op; zich, v. n. (out) zwellen,uitzetten. —backed, gebocheld. onderwerpen aan. (with) strijden met. —r, a. , -y, A. vol trossen. achild. n Bundle (bun'd!), a. bundel, boa, rol. —, v. a. Bucolic 11;joe-kol'ik), n. herdersdicht; dichter! bijeenbinden of pakken (up). van een' herderszang. —, a. herderlijk. Bung (bung), a. born, upon. —, v. a. toestoppen. —hole, apongat. Bud (bud), s. knop, kiem. —, v. a. enters; v. n. Bungle (bung'gt), a. broddelwerk; lompheid. —, botten. —ding-knife, entmea. Huddle (bud'd1), a. ertnwaschbak. —, v. a. ertai v. a. & n. broddelen. —r, a. knottier. wasschen. ;Bungling (bung-glieng), a. —ly, ad. broddelig. Budge (bUdij), s, lantsvel. , v. n. zich ver- I Bunk (bunk), a, toeslaande alaapbank. roeren. —, a. stiff, streng. —, v. n. !Bunt (bunt), s. bulk in een scheepl Budget (bud'zjit), a. indecent zak; staatibegroo- zwellen. —gasket, buikselsing. —ing, a. vlaggenLing. dock; viasvink. —line, buikgordla.
Wk. keertg; niet etrijdig. Ito). —quested (-kweet-1d), (-kaol'ibl), a. onberroepeliik- --ceived (-eletd'), a. onverzoebt. —quitable (-kwartIbl)„ a. niet te a. ntet ontvvngen, niet aangenomen. vergelden. —quited (-kwartld), a. onvetgolden. Unrecitened (un-rek'und), a. ongerekend. —aembling (-zein'blleng), a. ongelbkend (to). Corte claimed (ue-re-kleertid''), a. niet opge- etecht; onverbeterd; ongetemd. —compensed (rek , - cenled (-zent'td), a. zonder wrok. (rek-unUnresery a (un-re.zurr), a. openhartighetd. —ed um-genet), a. onbeloond. —concileable a. onverznenlijk; onvereentgbaer. —eon- (-zurvd'). a. —erlly, ad, onvocabehouden; zonder yoorbehoud: epenharttg; vrijmoedig, ailed (-rek'un-sajld), a. onoarzoend. —corded a. ntet, wederetaan; ( kord'td), a. onverrneld, niet to boek ;meted. U.resist ed (iin-re-ziat'id), —lug, a. geen weerat4nd bie—covered (-kuY'rird), a. nlet terug bekomen; niet onweeretaenbaar. dead (to); lijdeltjk. Irredeezn- bereteld. —deenable(-diem'ibl),a. (an-re-zoleibl), a. onogtoabaar. able —deemed (-diemd'), a. niet vrijgekoeht. Unresolw able beelotteloos. —dressed (-dreet') a. onverholpen. —dared —ed (-maul% a. onopgelost; a. niet oploesend; beeluiteloos. (-djoeet'), a. ntet herleid; onverminderd; untie- Unrespeet ed (un-re-spektnd), a. ongaerd, ondwongen. geaeht. —Ad, a. —fully, ad. oneerbiedtg. —fulness, Urireeve (un-riey') v. a. utterheren, Unre lined (-rn-re-fajnd'), a. ongezuiverd; onba- a. oneerbiedigheid. a. onttitgesteld; Reheard. —fleeting (-flekt'leng), a. onbedachtz Ram. Unre spited (nu-rea'pit-id). (-re-sponeibl), a. —forirabie ( torm'I',1), a. ntet te hervormen. zonder verpoozing. —sponsible —formed (-forced'), a. onhervormd. —fr,eted niet Yerantwoordelijk. a. onrunt. —icy, a. ruetelooe. (-freajtl, a. Unrest (un-reat'), (-frektitd), a. ongebroken. —freaked (un-re-atoord% a. niet hersteld; enverkwikt. —gareed (-gaerd'id)... a. niet genteht, Unro stored teruggegeven. —strained (-streend'), a. on.yeronallitzaamd. —generate (-dejen'ar-et), a. niet niet beperkt,onbetemmerd: teugellooe.—tentive (-ten' wedergeboren. --giolered (-red'ajte-turd), a. niet zwak (van het geheuaangeteekend. —gulated (-reg'joe-lee-tid), a. on- tin), a. niet onthoudend, gen. —tracted (-trekt'id), a. niet herroepen. geregeld. —vealed (-yield% a. ongeopenbaard. —venged UnreIgned (un-emend'). a. leugeliooe. Unre levied (un-re-tWekt'id), a. onverworpen. (-vendzjd'), a, ongewroken. —vengeful (-vender , - eted) —joieing (-dzjoy,ieng), a niet verblijdend, droe- foci), a. niet wraakraehtig.—verendf(rev'ur (-vurst'), nlet eere aardlg; oneerbiedig. —verged vig —toted (-lee'tid,, a. onvermeld; onverw ant a.a. niet argesehaft, herroepen, — vernietlgd. (to). —/axing (-19kOteng), a. oncermoeti. —letting —warded (.1ent'leng), a. onbutgzeam, onverbiddalijk; niet —robed (•yookt% a. niet herroepen. verflauwend, (-11ev'tbt), a. niet te ver- (-waord'id). a. onbeloond. (-(teed'), a. Wet geholpen,— vet, Unriddle (un-rid'd1), v. a. ontraadeelen; ophelpen. enteet; ntet at geloet.—etorkable (-neaark'- town. ,b1), a. onmerkbaar; ntet metkwaerdtg. —medied Unrifled (an•rarftd), a. ongeplunderd; ntet trokken (van geweren). niet verhol pen. (-rem'e-dtd)., --geed Unremember ed (-un-rereern'burd), a niet her- Unrig (un-rig'), v. a. onttakelen, aftulgen. (-rigd'), a. ongetakeld; afgantgi. Innerd —ing, a. niet indsebtig. Unresnett ed (yin-re-mit'tid), a. nnovergegeven; Unrighteous (un-yart,jus), a. —1y, ad. onreehtougereehtigheld. —mesa,.. veardtg, goddeloon. xenhandend; ntet overgemaakt. —ing, a. —ia'ly, Unriert ful (un-raWfoel), a. onreetstmattg. ad, onophoudelijk. Unremovable (un-re-rnorn tb1), a. —ably, ad. Unring (un-nine), v. a van riagen ontdoen. (un-rip'„ v. a ZIe to Rip. onverplqatebaar, onwriktntar. —ed (.moevd'), UK), verplaatet; onbewegelijk. Unripe (un-rejp'), a. onvijp. —nese, a. onrijpheld. R. ntet weggeruimd, Uttre nelved (un-re njoedi, a. nlet vernienwd. Unrivalled (un-raj'veld), a. zonder mededinger; weergaloos, niet geevenatird. (-peed'), a. nlet terugbetaald, onvergoi- —fed, a. onden. —p,irable (-peer'in1), a. onherstelbaar. Unrivet (un- rty'llt), v. a. loeslaan. gektonken. paired (-peerd'), a ntet hersteld. —pealable a. ontkleeden (-pield'), Unrobe (un-roobl,v. —pealed (-piel'ib:), a. onherroepelbk• Unroll (an-roof'), v. a. ontrollen. a Met h,roepen. —pealed (-plet td), a. . nlet Unroof (un-roet% v. a. van het dak berooven. herhaeld. v. a. van den roeatjagen. Unrepent ant (an-re-pent'ent), —ing, a. on- Unroost (un-roest% Unroot !un-ro et'), v. a. ontwortelen, u itroeien. be etyeardig. —ed, a. enl,erousvd. a. glad, baareleloos. Unrepinfng (nn-re.),,rning), a. —/y, hd. ge- Unrough (tan-run, (un-reaundld), a. niet gerond. Unrounded di:dtg, gelaten.
loodevatawaier. —, v. a. loodeen. —aye, B. hoods- Finitude, (pin-tee'do), s. pareibloem. Pint) e Ipin'ti). 8. speldje; pinnetje; tap, bout; geld. roerhaak. Pilons (paj'lus), a, harig, ruig. Pinnie Ipin'jael), a. vizier (aan eon astrolabium). Pilser (porsur), a. nacht-, lichtmot. Piny (parnih), a. vol p;jnboomen. Pitneast (paj'ment), s. kruidenwijn. (paj•o-nier'), a. achansgraver, pioneer. Piment nj(pi-nien'te), —o (-toi, a. piment, epaan- Pioneer —, v. a. & n. pionierawerk verrichten. ache p aper. I'lw p (pimp'), a. koppelaar. —, v. n, koppelen. Phony (paro-nih), s. Zie Peony. —ernel ( ur-nel), a. pimpernel. —ing, a. gedien- P10115 (pafue). a. —ly. ad. vroom, godvruchtig; liefdevol; ouderlievend. stig; odleckt, nietig, geeing. Pip (pip;, a. pip (vogelziekte); oog (op apeels. puietje. —d, a. puistig. ptingqe kaarten), appelpit. piepen. a. speld; pin; stift; schroef; apia, bout, rin Pipe Obi drevel, luns; roostok; luira; beuzeling; oogvlek; (Pail)'), a. PUP; buts: fiaitje; stem. —clay, a. pijpaarde; v. a. met pijpaarde iniddelpunt. —basket, nestkuiken; laatste kind. —cushion ) , '4.strijken, —Ask, pupu tech. —Laying, het knoeien —bit, boorijzer. —case, naaldenkoker.. —feather, kanselarij 'der schatbu verkiezingen. —office, . 1 18 —dust, aPeldeavi3 bpeldenkusseu• ,,clauthok. kamer. —stake, speerhaak (aambeeld). —tree, seetoppel —feathered, niet vlug. n. op-head, speldenknop. bole, spAldenprikje. —maker. ringeboom. —weed. pihkruid. —. v. a.a.&pijper, speldenmaker. —money, speldengeld. —tail,—tail- de dolt spelen; flatten, piepen. —r, fluater, specimen. duck, piThtaart (eend). —tongs, pl. schuiftangen. Piping (paPpieng), a. teak; mat; kekend. —vice, veerscbroef. —wire, koper-, epeldendraad. —, v. a. va,otepelden; vastmaken; noluiten; Pipkin (pii•kin), a. potje, pannetje. Pippin (pip'pin), pi pelting (appal), (down to) binder eau; (up; opspelden. Piquan cy (pik'en-sth),s. scherpte,stekeligheid. Pinafore (pin'e tsar), s. schortje, slabberje. —to.—t/y.ad.scherp,prikkelend;stekelig,tobtend, Pinuster (pi-nes - tur), a. Wilde pijnbc,om. (piek), R. wrevel, wrok, geechil; gevoeligPique pl. klauv.en, nijpers; voorPincers (pitesurz), , hood; zestiger (in 't piket). — of honor, pant van tanden; pellikaan (tang;; nijptang. a pair of v. a. prikkelen; beleedigen, krenken; ee. cane nijptang. — one 'd self (in. on. upon). itch beroemen op. suuifje. Pinch (pintsf), a. leneep; bleu), nood; v a. knijpea, Piquet (pt-Itet'), a. piket (kaartspei). at a —, in geval van owed. Pleas cy (parre-sih), so. zeerooverij; letterdievetki; 't nauw drukken, pijnigen; nijpen, khet) nadrukkon. —te (-ret), a. zeeroover; roofbrengeo, \Yellen; v• n• knii pen. niapen; in 't nauw bchip, letterater, nadrukken. —te (-ret), v.a. roozi,jn; kirig (vrekkig) leven. —beck, s...spaisbek. nuper; Trek. yen; nadrukken, namaken; v. n. zeeroof plegen. —fist, —penny, vrek. —er, a• —tical (retiikl), a. roofzuchtig; roovend. —ere, pl. Zie Pincers. ',appal; an.' Pirogue (1 , i7roog'), s. boomechuitje. Pine ker- Pist,a ry (pialre-rth), a, vischrecht; vischmarkt; —grossbeak, blauvgvleugel. nay. —creeper, vischbun. —tory (-tur-rih), a. visch-; vtaschers, boom- senbijter. -grove, odjnboschje. martin, marter. --thistle, bleu ve dietel. —tree, pijnboom. Floe es (pis'-iez), pl. de Visschen. --tine a. visch-. —ivorous (-siv'o-rus), a. vischetend. —, v. a. van verdriet does vergittu; bejanomeren, v u. knilzen (at.) (away; wegkwunen. (after for, Fish (ptsj), int. bah! foci! —, v. n. afkeer betuigen (at). emachten near. —at. (pin't-el), a. pijnappelachtig. Pisifor in (pis'i-form), a. erwtvormig. ananae•kweekerij. —ry (-e-rib), Pismire (plemaJr), a. mier. Pingle (ping'gl.), a. kampje Piss (piss"), s. pis. —asphalt, bergteer. —burnt, Pinguid (pinegwid), a. vet. pisviekken. —, v. a. & n. pissen. —a-bed, Pinion (pIn'jun), a. vieugelspite, slagpen, wick; met pissebed; paardebloem. —ing-evil, pisvloed. boutje; radtand, rondsol; armnoei. —, v. a. de —ing-place, piahoek. vleugele binder; boeivn, kluieteren. —ed (-fund), Pistachio (pis-tee'sjo), s. pistache, pimpernoot. a. gevleugeld. (pisitil), etampertje. —laceous (-lee'sjus), Pink (I)IIFIC), a. anjelier; oogje; vleeschkleur; top- Pistil punt, puikje; pink (vaartuig); grondel. —colored, a. op den zaadknop groeiend. --livery. (-lirvleeschkleurig, bleekrood. —eyed, met kleine met een stampertje. (pis'tul), s. pistoo.i. —bag, —case, holster. Pistol (wen, —paper, rood papier vase kunatbloemen. —proof, tegen pistoolschoten ---sterned, met een smallen achtersteven. —, v. a. —butt, postoolkolf. doorateken; uitsnijden; met oogjes maken; v. n. bestand. —shot, pistoolschot. —, v. a. met ens schieten. knipoogen. —er, a. doorsteker; uitsnijder. pletool Piston Ipiretun), s. zuiger teener pomp). Pinnace (pin'ues), a. pines. (pit'), s. put., pit, kuil, groove; graf; afgrond; Pinnacle (pin'nikl), a. tinne, kasateel; toppunt. Pit bak, parterre, strijdperk. —coal, steenkool. —fall, —, v. a. van tinnen voorzien. a. valput; valstrik; v. a. in valkuilen leiden.—hole. Flaunt e pitenet). —ed j-nee-tid), a. vleugelvor- (-net'i-fid), a. vedervormtg kuiltje, pokput. —man, mijnwerker; onderman (bij mig; gevaderd. houtzagers). —saw, kraanzaag. —, v. a. met pitten gespleren. —iped (-net'i-ped), a. vinvoetig. (kuiltjes) makes; aanhiteen. Pints er (pin'nur), to. vastspelder, -Pinner; spel- Pit-a-pat (pIt'e-pet), s. klopping; trippelgang. —, denmaker; opzichter eerier schutkooi; strook; ad. tiktak, tikketik. lasso mats. —ock (-nook), s. mees. (pitsj'), s. pek; grootte, hoogte; g mad, topPitch bierkan. —pot, (pajnt,, s. pint. Pint
Kool, v. cabbage. inland ente - stoves, to play a. o. a. trick. -bled, cabbage leaf. -gyres, esbbage. -hoes, hare of a cabbage-around. -krf, cabbage field. -leis, cabbage-louse. -meet, titmouse. -awes, cabbage-broth. -plant, cabbageplant. -apruit, cabbage-sprout. -afresh, cabbage-stalk. -toad, rape-seed. "toed, v. coal. -aarde, coals, -stef, carbon. -clefseer, carbonic acid. -.wart, coal-black. Koos), v. cheek. -slag, slap in the face. Koop, m. bargain, purchase. is -, to be sold. op den - toe. into the bargain. op dies -, on account of that, -en, ov. w. to buy, to purchase. -al, one that is eager to buy. - brief, -verdrag, bill of emption, contract. -reel, list of goods purchased. -daz, day of stale. -gierig, -graag, -sick, -rschtig, eager to buy. -handel, trade; commerce; - driiven, to trade. -lust, desire to buy. -lustig., deeirous to buy. -man, merchant; -sbcdiende, merchant'. clerk; -ageett, commercial spirit; -akonteer, com.merciel house, eetablishment. -.OW, mercantile style. -man&hap, v. trade; merchandise. -penningen, -tom, purchase-money. -prjjs, price. -stud, commercial town, trading-place. -raarder,-vcsardtjaehip, trading-vessel, merchant-man. -vaerdtj, commercial navigation; -Meet, fleet of merchantmen. -croon", (female) trader, - dealer, tradingwoman. -wear, merchandise. -er, m. -stet, v. buyer, purchaser. -je, o. (good) bargain, dead bargain. Koor, o. chorae; choir; chancel. -beer, canon, prebendary. -kernel, alb. -kind, -knaap, Aster. -kap, ehasuble. -bleed, -rok, surplice. -lamp, lamp of a choir. -non, officiating nun. - stoei, stall. -sang, choral. -ranger, chorister. Koord, v. & o. cord ; string. -edansen, ropedancing. -edenser, -edanseres, rope-dancer. Koorn, o. Zie Koren. Koorts, v. fever. koude -, ague, shakes. beets -, burning ague. -bast, Jesuit's bark. -dee, day of fever. -drank. febrifuge potion. -Mite, heat of the fever. -middet, febrifuge. -tip (-ear), time (hour) of the fever. -ackfig, -ig, ho. feverish, aguish. -aektighetd, -igkeid, v. feverishness. Koot, v. hackle-bone. -en, on. w. to play at huekle-bones. Kooz en, on. W. to daily. -er, m. dallier. --sr0, v. dalliance. Kop, m. head, pate; Joie (van eon calm); brains, sense, men, soul, hand; cup, dish; cupping-glass, cup; bowl (saner ptip); litre. -beet, head-bolt. -auk, head-piece. -peezetter -pensetster, cupper. Koper, o. copper. god -, brass. rood -, copper. - berg, -rnijn, copper-mine, -dread, brass wire. -erte, copper-ore. -geel, brass-colored. -geld, copper, copper sofa. -gerei, coppers. -.Oder, brass-founder. -gieter(i e brass-foundery.- green, -roest, verdigris. -rsolen, copper-mill. -rood, copperas, vitriol. -slayer, -amid, copper-smith brazier. -8/agerij, brazier 'a workshop. -seede, copper-plate, engraving. --steker,eograver.-werk.

Conconguln te (kong-ko-eiejoe.leet), v. a. to zanier,' doen stollen. —lion (-lee'sjun), a. samenstolling. Concoct (kun-kokt'), v. a. verteren; tot rjjpheid brengen; door hitte zuiveren. —ion (-kok'Njun), a. vertering; rijping; zuivering. —ire. a. verterend; rijpend; zutverend. Concont Unit cc (kum-kotu'i-tens), —cy. R. 8amenbestaan. —t, R. —fly, ad. vergezellend, samengaand. —t, a. metgezel. Concord (kong'kord), a. overeenstemming, eendracht; accoord. Concord ance (kun.kord'ens), a. overeenstemwing) index op den hijbel. —ant, a. overeenstemmend. —at (-det), a. verdrag, overeenkomst. Concorpora te (kun-kor'po-reet), v. a. vereenzelvigen, inlijven; v. u. tot den lichaam worden. —lion (ree'idun), a. vereeniging tot een lichaam. Concourse (kong'koors), a. aamenloop; toevloed; menigte, vereeniging. Concre anent (kong'kri-meat;, a. samengroeisel. —licence (kun-kres'sens), a. ineengroeiing. — te (kong'kriet), a. Mani, lichaam. Concret e (kun-kriet'), v. a. & n. (tot eerie Inas.) brengen, worden; ineen groeien. —e, a. —ely, ad. ineengegroeid; concreet. —eness, a. gestoldheid. —ion (-1cri'sjun), a. samengroeiing, verdlkking, massa. —ive (-tit), R. verdikkend, atollend. Concubin age (kun-lijoe'bi-tid*, a. onechtelijke aamenleving. —ary, a. onechtelijk. —e (kong' kjoe-bajn), a. bijzit. Conculcate (kun-kurkeet), v. a. vertrappen, vertreden. Concuplsc ence (kun-kjoe'pis-sens), a. begeerte; wellustigheid. —eat, a. wellustig. —ible, a. begeerend, wellustig. Concur (kun-kur'), v. n. samenloopen; medewerken (to); iustemmen (with); overeensternmen omtrent (in); mededingen. —retire, a. samenloop; medewerking; inatemming; mededinging; medeaanspraak. —rent, a. —neatly, ad. samenwerkend, mededingend. —rent, a. mededinger. Colic:us slot. (kun.kus'tijun), a. achokking, botsing; knevelarij. —sive, a. schokkend, schuddend. Gond (bond), v. a. loodsen; sturen. Condetnn (kun-dem'i, v. a. veroordeelen, afkeuren; verbeurd verklareia. Condem 'table (kun-dem'nibl), a. strsfbaar, laakbaar. —nation ( nee'ajun), a. veroordeeling. —.tory (-ne-tur-rih), a. veroordeelend. —ner, s. veroordeelaar. Condens able (kun-den'sibl), a. verdikbaar. —ate, —e, v. a. verdikken; samenpergen; v. n. verdikken. —ation ,•Ree'sjun), a. verdikking; samenperming. —alive, a. verdikkend. —e, a. verdikt; samengepergt. —er, a. verdichtingawerktuig. —ity, a. dichtheid. Conifer (kon'dur), a. geleider der haringvisscheras. Condescen d (kon-de-send'), v. n. zich ver.waardigen; nebrbuigend (inschikkelijk) zijn; zich laten welgevallen. —dence, —sion (-ojun), e. verwaardiging; voorkomendheid. —ding, a. —dingly, ad. zich veewaardigend, voorkomend. Condign (kun-ditju'), a. welverdiend. —ity (mu-
Buz tos, v. miatress; virago, vixen. Mauls., v. trombone; trumpet; sack-but.-L-6/axer, trombone-player, trumpeter. -gesehal,sound of trumpets. -en. or. rr. to trumpet; on. w. to pl ay on the trombone, to stoned the trumpet. Ilenardeo, ov. w. tG cover with earth. Bendenaen, ov. w. to breathe upon. lleasssbte, m. functionary, officer. ileains on, or. w. to assent to, to approve of. -tag. v. assent (to), opproval (of). Eitentoget,lov. uneasy (about), afraid (for), unquiet. -laid, v. uueasiness fear, dread. -igen, ov. w. to make uneasy, to frighten. 11Zettni woe.rsi en, ov. w. to answer, to reply to. — lag, g. ana vrering; sue w er, reply. Basks bald on, ov w. to work at; to compose; to el+borate; to cultivate, to till. — er, m. author, composer. -ing, v. working (at), manipuietion; composition; cultivation. 'Rebind en, ay. w. to tie about, to bind with. • Beali,ed, by. bloody, gory. - en, °v. w. to etain w nth blood, to ensanguine. 11*bloorrren, ov. w. to cover to adorn) with flowers. lieboet bear, be. finable. ov. w. to fine, to mulct. -ing, v. Infliction of a tine. liebolaverkon, ov. W. to fortify (to enclose) h bulw,rks. with lieboussi bear, be. arable. -en, so. w. to build upon; to cutivate, to till. -ing, v. covering with buildin2s; cultivation. o. bed; marriage; layer, stratum; channel. naar -, to bed, to -, a-red. -van eer, field of honor. -genoot, m. & v. bed fellow. -genii*, bed.curtain. -lege7ig, bed-ridden -legerigbeid, state or being bed-ridden. -roede, curtain-rod. sermoen,cartale-lecture.-ziede,bedereAd.-efroo, bed-straw. -dedeken coy • rlet bienket, quilt. — degoed, bedding, bil - liurn. - 2dejak, night - rail, night - gown. -deksassn. pillow. -dekteast. bed , or d, suspensory. -delaken, sheet. - depas,, arming-pan. --dgplank, slider, shelf (in a bedstead). -decprei, quilt. -detafe!, Meld-stand. -AGA, bed-tick, *let. -dezak, cover. pillow • case. -dentmoper, upholsterer. -denmaker -de*• inaakster, upholsterer; bed-vaaker. -Jenwinket upholsterer's shop.
(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij- 

cryptogeld vs forex


Some academics have speculated that former Erasmus students will prove to be a powerful force in creating a pan-European identity. The political scientist Stefan Wolff, for example, has argued that "Give it 15, 20 or 25 years, and Europe will be run by leaders with a completely different socialisation from those of today", referring to the so-called 'Erasmus generation'.[27] This term describes young Europeans who participate in Erasmus programme and are assumed to support European integration more actively when compared with their elder generations.[28] The assumption is that young Europeans, who enjoyed the benefits of European integration, think of themselves as European citizens, and therefore create a base of support for further European integration. However, questions are raised about whether there is positive correlation between the programme and pro-European integration.[29] According to the European Commissioner for Education, Culture, Youth and Sport, Tibor Navracsics, Erasmus programme is a soft power tool and it reflects the political motivation behind its creation,[30] including the task of legitimising the European institutions. This conception has already presented in the project of Sofia Corradi, an Italian educationalist creator of the Erasmus Program. She gives a particular attention to the need to activate an exchange between young people from all over Europe to contribute to the strengthening of its unity and integrity.[31]
388 AlliehteP, on. w. to take (to lift, to pull, to throw) off. AflUvict, bv. dead, deceased, —warden, to die. maken, to kill. —heid, v. death. Atlikkets,ov. w, in lick off. Miner tier, rn. spy. —es, oy. w. Zie AlkUken nor, On. W. to decoy from, to call down, to draw from, to get by fair words, to pump out of. —er, m entirer, Altus lr. m. runni. , g (flowing) down; eb, ebbing; tiecuovion; OA, gutter; (Ascent, slooeoleclivity. end.. Inoue, termination, conclusion. —en, on. W_ to 'Wear out., — off; to run off; to overrun, to ravage, to waste; on w. to descend,, to run down, — WI; to flow down, to ebb; to gutter; to be launched; to run out, to go down; to turn out, to have an lease, to come to; to end, to expire, to terminate. --er, on. ravager. Altos bans.. by. redeemable. --ten, ov. w to relieve; to clear, to extinguish, to redeem —Per, no. reliever; redeemer, discharger. —sing, n. relief, relieving; redemption, di,charge. Aflolletereast,ov. w. to overhear. Allinriatten, on, w. to mow (down oft), to cat down. --er, m. mower. —ing ; v mowing. Alarankerr, on, at, to finish, to complete; to Bettl s, to arrange; to despatch zich — van, t. w. to get °tit's self excused. to rid one's self of. A finnten, ov, w. to finish grinding; to depict, to delineate. Afrnan en, ov, w. to warn of, to dissuade train. —etona dissuader. • dis ,inaslon. Afrixtteclietare,, on. a'. to march off, to decamp. Afmnrseh, in. march.ng off, retreat,decaropment, Aftnttrtet on: w to torment, to torture, to tr•lnre worry; to rack Afinatt en, o, w to weary, to tire out to epend. —ing, v, fat igto s weariness. Afrnelkoee, ov. w. to milk; to plume (to fleece) o. 0.; on, w to finish milking. Antreolireno ov, w. to override, to jade A fonergelen, on. W. to extenuate, to enervate, Aftner, ken, on, w. to mark. ev. w. to measure, to commensurate A Inlet to proportion, to calculate; anderen near zich zelcen --, to judge of others by one's self, —ing. citintlarion. Aftnetsulen, ay. w. to fittialtr. AfraUtien. on. w. to sell by inch of can 'le; to outdo a. o. (to get a thing) by eaying the word in a •u blic Bale A firtikfiscta, ov. a. to hit out, to guess right, to i 11.1
NI A It . Marebpane (maarts l'peen), a. n.arsepein. Mareld (thaer'sid), a. mager, vervallen, uitterend. —ity (mer. sid'it- tih), a. reagerheid. Mare (meer'1,s. inerrie. —colt, merrievule -b. Margnr In (maar-ger'ik), a. — acid, parelzuur. —ite (maar'ke-rajt), a. parch. v. a. Margin (maar"dzjin), s. rand, kart, oever. op den rand sehrOven; random. —al, a. op den kant —ated (-eet-id), a. met een' rand of leant. kant. Margrav a (maar'greev), a. markgraaf. —i ate (me, gree'vt-et), a. markgraafachap. —ine (-pyre-vien), a. markrravin. Marigold (mern-g,00ld),..goudsbloem.— window, road kerkraam. Marinate (merq-rieet), v. a. inzouten. Marine (me-rien"), a. marine, zeewozon; zeesoldaat. —, a. van het zeewezan; zee-. — insurance. zee-assurantie„ — law. zeerecht. — officer, zeeotlacier. —r (mer'i-nur), a. zeeman. Marit al (rneet-tal). a. echtelijk; van een yehuwd man. —ime (-tim). a. aan zee gelegen; van bet zeewezen; zee.; — power, zeemogendheid. Marjoram Imaar dzjo'rem), s. marjolein. Mark (maark'), s. meek, kenteeken , sternpel ; blijk, bowitik; duel; mark. letter of —. kaperbrief. —, v. a. merken, teekenen, atempelen; opmcrken; aenduiden; v. v. opletten, atht geven. —et, a. meeker, markeur. Market (nutar'kitl, s. markt: prije. —hell, marktklok. marktdag. —folks, marktbezaekers. —house , verkoophuis. —maa. inkocper. —place, rnarktpla ats. —price, marktprbs. —tows, marktstad. —woman, markt-, koopvrouw. a• verkoopen; v. n. her markt arum. —able, a. verkoopbaar, gangbaar, gezocht. Marking (inaark'ieng). a. het merken. —ink. merkinkt. —iron, merkijzer. Marksman Irraarks'men), c. seherpschutter. Marl (maarl'), s, mergel. —pit, mergelgroef, v, a. taco mergel bemesten; marten.
DOL.-1/0W. —somely, ad. treurig, droevig. —fula. ness, --someness. s. droevigheid. h ell (dol), s. pop; speelpop. Dollar (dol'ler), s. dollar; daalder. Dolor (do'lur)_ a. pijn, smart, kommer. —ific (dot irik). a. smart verwekkend. -0148, a. —ously, ad. (dol'or.), smartelijk, droevig. Dolphita (dol'fin), a. dolfljn. Dolt (doolti, s. lomperd, botmuil. —ish, a. bot, dom. —ishness, a. dornheid. Domain (do-meen'), a. gebied; staatsgrond; heer chap pij. Douse (doom), a. dom, koepel. Domestic (dam mee'tik), a. huisbediende. —, a. huiselijk, ituiehoudelijk; inlandsch, tem. —ate, v. a. buiselijk (tam) maker, Domicil o (dorn'i-s11), s. woonstede. —e, —late, ( eet), v. a. vast verblijf kiezen of aanwijzen. —iary (-sil'i e-rah), a. tot eene wooing behoorend. huiszoeking. nomin ant (don-el-neat), a. heerachend; a. oote kwint. —ate, v. a. beheerschen. v. n. heerschen. —ation (-nee'ejunl, S. beersehappij. —alive. a. heerscb end. —afar, a. heerscher. —err (-nier'), v. n. heerschen, den baas spelen, (over). Domini cal (dum-min'ikl), a. zondagach. —cal letter, zondagoletser. —can (-i-ken), a. dorninikaansch; a. dominikaner monnik. —on (-jun), a. heerschoppij„ gebied. Don (don) Ito do on], v. a. aantrekken, aandoen. Dont_ ry (do'ne-rah), s. gave, offer. —te(do'neet), v. a. eehenken, vermaken. —lion (dun-neeNun), —tire (don'e-tiv), a. getiehenk, gift; schenking. --tive (don'.), a. door schenking verkregen ( ver. leend). Done (dun), part. gedaan; gear; gefopt. int, flat! top! Donee (dun-nee'), s. begiftigde. Donjon, zie Dungeon. Donkey dong'kih'), s. ezel. Donor (do'nor), a. gever, sehenker. Doodle ( doe'dle, a. beuzelaar. Doom (doem"), a. vonnie. roodlot; verderf; jongate oordeel. —, v. a. veroorneelen; doemen; echatten. —'a-day, oordeelsdag. —'a-day-book, Icadaster (von Willem den Veroveraar). —'a-man, rechter. —age, s. geldboete. Door (door'), a. deur, next — to, vlak naaat; grenrend aan. out of —a, buitenshuis. within — a, binrienshuis. — bar, deurboom. —case, deurkozljn. — cheek, — post, deurpost.— keeper, portier.—handle, knob, deurknop. — stead, — way, deuringang. Her (do*), a. tor. Dor ado (do-ree'do), a. goudviech; pronker. — ee (.rie'e, s. goudviech, zonneviorh. —ic (dor'ik), a. dortech. Dorman cy (dofmen-sih), se rust, sleep. —t, a. slapend; liggend; werkeloos; —partner, stille veonoot; — tree, or —t. a. olaper (hoofdbalk). Dorakter (.l.or'mur), a. balk; venster. — window, dakvenster. normit lye (dor'mi-tiv), a. slaapmiedel. —ory, a. staapvertrek. Dormouse (dor'maua), a. bergrat; marmot. Dorn (dorn"), a. rag. —hound. doornbaai. Dorsal ( doesel), a. den rug betreffend.

Ksvoldor, m. land on the outside of a dike. Kwellage, v. vexation, tribulation. Kwell on, ov. w. to vex, to tease, to annoy, to plague. —bast, tormentor. —duirel, —great, hobgoblin. tormentor. —ziek, vexing, troublesome. —suck, love of vexing, troublesomeness. —ler, m. vexes, teaser, tormentor. —ling, v. vexation, trouble. —ster, v. Me Kwelivsr. Kwendel, v. wild thyme. Kwete, v. damson; bruise. Kvvetabetar, be. vulnerable. —held, v. vulnerableness, vulnerability. livvoto en, ov. w. to wound, to bruise; to hurt, to offend, to injure. —ing, v. wounding, brtaisbig; offending; offence. —nye, v. wound. Kvvetter tsar, m. —canter, v. bruiser: prattler, tattler. —en, ov. W. to bruise; on. w. to prattle, to tattle; to warble. Kwozol, v. beguine ; hypocrite, saintly person ; dawdicm. —ear, m. trifler, dawdler. —achtig, be. bigoted; dawdling. —arij. v. bigotry, hypocrisy. —en, on. w. to play the hypocrite ; to trifle, to dawdle. m. fop, coxcomb. Kvek111, v• slaver., drivel. —board, driveller. —dock, —lap, slabbering-bib. —k!ier, 'salivary gland. bertram-root, pellitory. —en. Ion. w. to slaver, to drivel, to salivate. —er, m. driveller. —ing, v. drivelling, salivation. —ster, v. driveller. KwUn on, on. w. to languish, to linger, to pine away. —lag, v. languishing, languor. Kwfat, bw. — sivn, to have lost, to be rid of. —taken, to lose, to get rid of. —schelden, to remit, to forgive, to acquit. —oche/ding, remission, acquittal. KwUt on, or. w. to acquit ; nick —, to behave; (ean) to acquit one es self of, to perform, to discharge. —brief, acquittance, receipt. —kg, v. acquittal, discharge; receipt. Runk, by. & bw. quick (-1y). —, v. fiddle-faddle. fudge. —, o. quick-silver, mercury. —haag, quickset hedge. —middel, mercurial medicine. —pil, mercurial pill. —staart, wag-tall. —staarten, to wag the tail. —mud, quick-sand, —silver, quicksilver, mercury. —kebil, gadding woman, girl. —kebillea, to be always in motion, to gad. —acho. tig, be. & be'. genteel (-1y), .pretty (-fly). ribbon, favor; spruce girl. • o. me. finery. 11Cwinkelecren, on, w. to warble. Kwinkord, in. squint-eyed person. KwInkelog, m. quibble, sally, joke, witticism. givvint, y. trick, whim. Kovintappel, re. bit.er-apple,Coloquirtide. Kurintig, by. capricious. Kwlpseh, be. unwell, sickly, languid. --held, Y. sick 'tneee, languidness. Kwispedeor, o. spitting-pot. Kwlepel, an. tuft ; sprinkle; puff; twig, switch. ov. w. to scourge, to switch; to sprinkle; ou. w. to wag the tail. —staartes, to wag the tail. on, ov. w. to spend, to lavish. —geld, —good, —penning, spendthrift. —er, m. spendthrift. —op, by. lavish prodigal; profuse. —igkeid, y profusion. v. lavishness, prodigalit


24 Billow (bil'lo), s. golf, baar. —, v. a. opzwelBice (bajs), a. lichtbiauwe of groene kleur. len, golven. —y, a. golvend. 1131ripit al (baj-slp'i-tell, —ous, a. tweehoofdig. Bicker (bik'ur), v. n. kibbelen; weifelen. —ing, Bimanous (baj-mee'nus), a. tweehandig. a. krakeel. I Binieby (bajm'baj), ad. apoedig, binne.n kort. Bicornous lbaj-kor'nusl, a. tweehoornig. Bimensal (baj - men'sel), a. tweemaandelijksch. Bid (bid) [bid, bade. bid, bidden], v. a. bevelen, Bin (bin), a. kist, bak,,trog. gelasten; noodigen; bidden. —farewell, afseheid Binary (baj'ne-rib), a. dubbel. nemeu. —der, s. binder. —ding, s. bevel; bod. Bind (bajnd), s„ hopatengel. k Biddy (bici'dih), s. kuiken. Bind (bajnd) [bound (baaund)], v. a. binden; verBide (bajd), v. a. verdragen, afwachten; v. n. binden (up); verplichten; beperken (in); opstopwonert; blijven. pen; v. n. zich verdIkken. — apprentice, in de leer doen. — over, dagvaarden. — out, verhuren. Bidental (baj-den'tel), a. tw, etandig. Bidet (bi-det"), a. hit; wasettkom. bound for, beatemd naar. — er, a. binder, band. Biding (baj'dteng), a. verblvjf. —ery, s. boekbinderij. — ing, a. verbIndend, verBiennial (baj-en'nt-el), a. tweejarig. plichteud. — ing, s. band; verband. — weed, Bier (bier), s. lijkbaar. winde. Blestings (biesetengz), a. blest. Binnacle (bin'tikl), s. kompashuisje. Hilarious (baj-fee'rt us), a. tweevoudig. Bino ele (bin'okl), s. dubbelkijker. — cuter (bajkilferous (bW.. us), a. tweemaal vrucht dra- nok'joe-ler), a. tweeoogig. gend. Binonil al (baj-no'ml-ell, a. tweeledig. —.us -Mild (barfid), a. gespleten. 1-nom'i-nus), a. tweenamig. Hillidated (1,11%-deet-id), a. Zie Billd. Biograph er ibaj-og're-fur), s. levensheschrijBilold (barfooldl, a. tweevoudig. arr. — ie, — ical (-osgrerik.), a. biographisch. 'Worm (baj'form). — ed, a. dubbelvormig. — ity — y, a. levensbeschrijving. (-torm'it-tili), s. dubbelvormigheid. Bipartit e (bip'er-tajt), a. tweedeelig. — ion ibaj-per-tis'sjun), s. verdeeling in tweeen. Bifurcate (baj-fur'ket), — d (-keet-id), a. twee- Biped (harped), s. tweevoetige. tandig, gaffelvormig. Big (big), a. dik, groot, zwaar; (of, with) zwanger. Bipennate (ba)-pen'net), a. tweevleugelig. to look —, zich trotach aanstellen, to talk —, Birch (burtsj), s. berk. —en, a. berkenhouten. bluffen, snoeven. — bellied, — bodied, a. kwaarlij - Bird (bard), a. vogel. — of passage, trekvovig. —ness, a. dikte, grootte. gel. — cage, vogelkooi. — call, vogelaarsiluitje. Bigam 1st (big'e-mtst), a. man, die twee vrou - — catcher, vogelaar. — fancier, llefhebber van vogels. — lime, vogellijm. — man, vogelkooper. wen heeft. —y, s. tweewijverij. Biggin n big'gin), s. kindermutsje. — 's-eye, s. sleutelbloent; a. van boven gezien. Bight (bajt), s. bocht; kreek. — witted, hersenloos. Bigot (bieutl, a. schijuheilige, dweeper. — ed, Bird (burd), v. n. vogelen, sinken. —big, a. vogela. schijoheilig, bevooroordeeld. —ry, s. schijn- vangnt. — ing -piece, VogelrGer. — ing-pouch, voheiligheid, dweeperij. geltasch. Bilateral (baj-let'ur-el), a. twee zijden hehbend. Birgander (bur'gen-dur), s. wilde gaps. Bilberry (bil'ber-rill), a. heidebes, braambezie. Birth (birth ► , a. geboorte. —day, geboortedag, Bill011 Ibil'b01, s. kling, torte degen. verjaardag. — place, geboorteplaats. — right, geboorterecht. Bith ors ,bil'booz), s. voetboeien (voor matrozen). Biscuit (bis'kit), s. beschuit. Bile (bajl), a. gal. Bilge (bildzj), s. kielwijdte. —, v. n. lek atooten. Bisect (bai-sekt'), a. a. in tweeen deelen. — ion 1-sek'sjun), a. deeling in tweeen. Hillary (birje.rth), Bilious (birjus), a. galachtig. Bishop (bisyup), s. bisschop; raadsheer in —duet, galleider. 't scbaakspel). — 'a - weed, bisschopskruid. — '8 Ililinguous (baj-ling'gwus), a. tweetongig. Bilk (bilk), v. a. bedriegen. wort, mane komijn. — ric, a. Insdom. Bill (bill), a. snavel: bij1; rekening; geschrijf; Risk (blab), a. vieeschnat. wetsontwerp; aanplakbiljet. —, v. a. aanplak- Bismuth ∎ bieinuth), s. bismuth. ken; v. n. trekkebekken. —of divorce, echtschei- , Bison (bajsn, bizn), a. wilde os. dingsbrief. —of entry, consent tot invoer. — of Ilissextlie ibis-sett:Ail), a. schrikkeljaar. exchange, wissel. — of fare, sptjslijst. — of lading, Bistre (Ws turi., a. roetverf. vrucht brief. —of mortality, sterflijst. — of parcels. IlIsulcous (baj-sul'kus), a. met gespleten hoeven. factuur. — book, wisselboek. — broker, wissel - , Bit (bit), s. beet; stukje; gebit; sleutelbaard. not mskelsar. — sticker, aanplakker. 1 a —, geen tier. —, v. a. optoomen. Billard ibirlurd), s. bastaard-kapoen. Bitch tbitsj), a. teef; lichtekoni. Billet (billit, s. briefje; blokje (brandhout). —, Bite (bajt), a. beet; aanbijten; bedrog; bedrieger. Bite (bajt) [bit. bitten.]. v. a. & n. bijten, wonv a. inkwartieren. Billiards (birjurdz), s. biljartspel. to play at — , I den; bedrtegen. —r, s. isijter;,bedrieger. biljart spelen._ Bitter (bit'tur), a. —ly, ad. bitter; hard. — ness, a. bitterheid; verdriet. —cold, nijpend koud. Billiard —ball, biljartbal. —cue, —stick, queue. —table, biljart. —apple, —gourd, kolokwint. —vetch, paardeBillingsgate (bil'liengz geet), a. viachmarkt in wik. —wort, bitterwortel. —s (bit'turz), a. bitter London; gemeene taal, vischwiivenpraat. (sterke drank). Billion (bil'jun), s. biljoen. • Bittern (bit'turn), a. roerdomp.
GEM —GElt. Genes:offal, o. muffling, juggling. Genaok„ o. pouting, Bulking. Geneonepel, o. mumbling, muttering, rumor. senor, o. murmuring, grumbling. Gemara, o. epattering, dirtying, mess. (Aetna, o. chemoie, wild go,tt. —bok, buck of the chamois. Geenutt, o, riot, revolt, rebellion. el amount, be. coined. het — hebben op, to aim at, to mean. Geueurneci, o. inur, mar, purling. G greenest, be. wearing a rap. geed —, in a good humor, disposed, Inclined, willing. kwaliik —, in a bad humor. Gemze leer, o, shammy. —njacht, chamoishunting. —flower, chamois-hunter. Gesael, o. sewing. Genstakbsar, by. accessible. —held, v. accessibility. ansaned, be. named, called. G ensile, v. grace, mercy, favor. op —en ongenade at discretion. door Gods by the grace of God. op — laten drixeen, to leave to the merry of wind and waves. —brief, pardon, reprieve. —brood, charity. —leer, doctrine of grace. —sing, finishing stroke. Genadig. by. & bw. merciful (-ly), gracious (.ly). G en taken, on. w. to approach, to draw near. (lane, vow. yonder, that, the other, the former. doze en —, the one and the other. dezen en —n, come people, many people. teencbse, be. beaked. G eneeren (rich), t. w. to gain one 'a livelihood, (wet) to make shift with; to constrain (to inconveigencei one 'a self. geneer u niet, make youruelf at home. Genesee Weer, be. —Wk, by. curable. —drank, draught, potion. —beer, —hundige, p'eysician, doctor. —kracht, sanative virtue. —tirachtig, medicinal. —kieids„ —kunst, medical art, physic, therapeutics. —kundig, medical. —middel, medicine, physic. —peeler, medicine/. powder. —wijse, method oi cure. Genegen by. inclined, dieposed, favorable, Isvorably disposed. —held, v. inclination , affection. Geneigd, be. Inclined, addicted, attached. —htid, v. inclination, propensity. Genersel, general. —, by. general. de Staten —, the States Genera!. —sehap, o. generalship. Geneirailteltolanden. o. 111.7 . territories longing to the United Provinces in general. Genet, o. genet. Genetagte, v. pleasure, delight. Genoa en, oy, & on a. to cure, to }teal, to recover. —in2,Y, cure, curing, healing, recovery. Genie, o. genius. —, y. engineering. —korpo, corps (body) of engineers. —officier, engineer. —school, military academy (for engineering. Gentep, o. its het —, in secret. —ep, be. hypocritical, sly. —igAeid, v. malice, bypocrisy, slyness. Genies, o. sneezing. Genlet en ov. w. to enjoy, to take. —or, m. anjoyer. —Jag, v. enjoyment, pleasure. Genoeg, bw. enough, sufficiently. —darning,

Kan Bitcoin betalingen worden getraceerd


illidetnni Ideation (in-dern•ni•tl-kee'sjun), a. m. verontwaardiging. —ity, s. mehandelijkheid; s.th(ateloosstelling,schadevergoedtng.—fy(-dem , hlon, beachiniping. ni-faj), v. R. schadeloosstelien.—ty (-dem'nit.tib), Indigo (in'lli.go), a. indigo. m.e , hadeloosstelling, vergoeding; straffeloosheid. Indirect (in-di- rekt'), a. —ly, ad. middellijk Indemonstrable (in-de-mon'stribl), a. onbe- adelingseh, zijdelings; slinkseh; niet rechtwijabaar. streeks. —ion (-rek'sjun), a. slinkaehheid, dranierij. —netts, s. achuinsehheid; slinksehheid. Ind•nt (in-dent'), v. a. kartelen, Retai' maken; bij verdrag verbinden; in de leer doen (to); v. n• Indlacerni ble (in-diz-zuenibl). a. —bly, ad. zieh slingerend bewegen. I onbespeurbaar, niet te onderscheiden. —blencss, een verdrag —anon (-tee'sjun), a. nittandig; getandheid; a. onbemerkbaarheid. keep. —are •oer), s. verdrag, leerbrief; v. a. bij Indiscerpil ble (in-dis surp'tibl), R. onoploseontract verbinden. boar., onvernielbaar. —bility (-ti-bil'it-tih), s. onlindependen (in-de-peredeus), s. onafhan- vernielbaerheid. kelijkbeid. —t, R. —fly, ad. onafhankelijk (of). lndisciplinable (in-dis'si-plin-ib1), a. onhanindeptil► ensible (in-dep-ri-hen'sibl), a. onuit- delbaar. vormehbaar. Indiscoverable lin-dja-kuv'ur-ibl), a. niet te indeprivable (in-de-prajv'ibl), a. onroofbaar. ontdekken, onzie:tbaar. I wieseribable (in-de-skrajb'ibl), a. onbeschrij. Indiscre et (in-die-kriet'), R. —etly, ad. onbeseheifeNk. den; onbezonnen. —tion (-kresrun),a. onbeseheiIndesert a. verdiensteloosheid, denheid; onbezonnenheid. Indestr•ucti hie (ln - de•struklibl), a. onver - Indiscrimina to a. — tely, nielbaar. —Linty ( ti.bil'it-tih), s. onverniel- ad. niet onderscheiden, zonder onderseheid. baarheld. —lion (-nee'ajun), a. gebrek aan onderseheiding. Indetermina tale (in-de-tur'ml-nibl), a. onbe- Indispensa hie —bly, ad. onpaalbaar. a. —tely, ad. (-net-), onbepaald. verrnildelkjk, noodzakelijk (to). —bility (•se-bil' —teness (-net-), —lion (-nee'sjun), s. onbepaald- it-tih), s. onvermijdelijke noodzakeheid; besluiteloosbeid. lijkheid. Indev otion (in-de-vo'sjun), a. ongodsdienstig- Indispos e v. a. ongeschikt held. —out, a. —outly, ad. (-vaut , ), ongods- (ongesteld,ongenegeW maken (to. towards). —ed, dienstig. R. ongesteld; ongesehikt; ongengen. —edness, Zredex (in'deks), a. handwijzer; wijavinger; bled- a, ongeschiktheid; ongezindheid. —ition (-pa. wijzer; exponent. zisj'un), s. ongesehiktheid; ongesteldheid; ongeIndoxterity (in-deks-terit-tih), a, oahandig- negenheid. heid. Indisputa Me (in-dis-pjoe'tibl), a. —bly, ad. 11cdin lin'di-e), a. Indii!„ kantoor der onbetwisthaar. —6leness, s. onbetwistbaarlteid. onstindiache Coropagnie (in Lnnden). —wan, Indisso:u bls (in - dis'ao - ljoeb1), a. —bly, ad. ooatindievaarder. —rubber, gong-elastiek. onoplosbaar. (.1joe-bil'it-tib), —breness, Indian (in-djen), s. Indii4r; IndiRan; a. indiseh, a. onoplowbaarheid. onoplosbaar; indiaanseh. — corn, turkaCie tar•e, mazy, — ink, Indissolvable oostindisehe inkt. onverbreekbaar. Indicts: nt (ju'dj.keut), a. aanwijzend. (-keel), Indistinct (in.dia-tinIct 1 ), a. —ly, ad. onduidev. R. aanwijzen, aanduiden. —tion (-kee'sjun), lijk, verward. —nets, a. onduidelijkheid, vers. aanwijzing; kenteeken. —five, R. —tively, ad. wardheid. (-dik'e-tiv), aantoonend (of). —tor (in'di-kee-tur), Indistinguishable (in - dis - ting'rwisj.ibl), a. a. aanwijzer. —tory (iu'di.ke-tur-rfh), a. am- niet te onderscheiden. wljzend. Indisturbance (in.dis - tuebens), a. kalmte, on;Indict (in - daft'), v. a. sehriftelijk aanklagen; in gestoordheid. rechten betrekken. — able, a. beschuldigbaar. Indite (tn•dajtl, v. a. opstelien; vbOrzeggen, —er, a. aanklager. —ion (-dikajun), a. verklaring; dieteeren. — a, a. opateller; dicteerder. aankondiging; indictie. —ment.s. aanklacht, akte Individu ial (in-di-vidloe-el), a. enkel 'wean, van beschuldiging. individu. —al, a. —ally, ad. ondeellg; bljzonder, 1-nditicren cc (in-dit'fur-ens), F. onverachillig- persoonlilk. —ality (-el'it-tib), a. ondeeiigheid; held; onpartijdigheid. —t, a. —fly, ad. onver- persoonlijkheid. —alize (•ajz), —ate (-eet), v. a. sehillig (to); onpartijdig; middelmatig. onderscheiden; ala individu voorstelIen of beIndigent ee (in'di-dzjens), —cy, s. behoeftigheid, sehonwen. nooddruft. —e (-Ozjien), a. inboorling. —ous Indivisi ble (In-di-vieibl),, a. —bly, ad. ondeel ( - didzre.nus, a. inheemsch. —t, a. behoeftig, baar. —bility (-i-bil'it-tib), —bleness, a. ondeel noodlildendW). ' baarbeid. Indigest ed a. ouverteerd; on - Indoci le (in-dos'11), —ble (-ibl), R. onleerrijp, onbekockt. —ible, a. onverteerbaar. —ion zaant; ongezeggelijk. —lity (•do - ail'it - tih), a. on(-jun), a. sleehte aptjavertering; onbakooktheici. leerzaamheid, eagezeggelijkheid. Indigita te (in.didzj'i.teet), v. a. met den via - Indoctrina to (in - dok'tri - neet),v. a. onderwkjger aanwijzen. —lion (-teeN1111), R. duidelijke zen (in). —lion (-nee'sjun), s. ontierwija, leeaanwtizing. ring. Indigli an* (in•dig'n,nt), a. ad, ver- Indolen aye (in'do-lens), a, traagheid, VadRigortiwaitrdiol, (at). told. -4, a. --Hy, id. trang, vadmiK• (-nee'mjnn), 

Doorvaart, v. passage. Doorvalten, or, W. to Weak (to wound) by falling; on. w. to fall through. Doeorvasren, ov. w. to transport through; to break by sailing againat; on. w. to pass through, to eroms, to sail over. Doorvijian, or. w. to tile asunder. Doorvtechten, ov. w. to entwine, to braid, to interlace, to intersperse. Doorviiegen, on. w. to fly through; to pass rapidly through; to peruse haetilly. DoorvIlienteu, on. w. to flow through. Doorvilfjaaetn, or. w. to open with a lancet. Doors/oaten, on. w. toil ow through. Doorvoehtlgen, on. w. to moisten thoroughly. Dotervostd, by. well-fed, fett,ned. Dotervoer, m. passage; transit. —itaada, transit. trade. —reeAtes, transit-dutiea. —en, or. w. to carry (to transport) through. Doorvrageo, on. w. to continue asking, — questioning, — begging. Driorvreteu, ov. w. to eat (to gnaw) through, to corrode; on. w. to continue glattteg. D o or vs, ans d bear, bv.fordable.--6areptuate,tord. Doorvvaalen, or. w. to blow through, to perHate; on. w. to blow through, to tie blown through, Doorwaskt, by. sleepless. Doortvasten, or. & on. w. to ford, to wade through. Doorsvaggeten, on. w. to stagger (to reel) through. Doortvak en, or. w. to pass waking. —ing, v. van den stacht„ pernoetation. Doorwandeleo, ov. w. to walk all over; to gall (to wear off) with walking; on, w. to walk (to pass) through; to walk on. Idoorwarnx, hr. thoroughly warm. Doorwer,echeo, or. w. to gall with welshing. 13 ,,ortvestsen, on. w. to grow through. —, Zie Doorregen. D9orweekeis„ or. w. to soak (through), to steep, to drench. Doorcverk en, ov. w„ to work, — properly, to elaborate; to interlace, to interweave; on. w. to keep on working, to work hard. Doorevo•pen, on. w. Zie Dourgoolen. Doorweven, or. w. to interweave, to intersperse. —, hr. interwoven. Doorvvippen, on. se. to skip (to slip) through. Doorvvorstelen, on. w. to struggle through; to eatricste one 't self out of. Doorvvrtiven, or. w. to rub sore, to wound (to break) with rubbing; to mix by rubbing. Doorwroeht, bv. highly finished, elaborate.

Wordt Monero gebruikt op de donkere web


Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.

Zal Stellar ooit bereiken 1000

×