CRO.—CUB. ren. to — one's self, het teeken des Kruises ma. 'mien (into, tot). —, v, n. verkritimelen (away), ken. —, v. n. dwars over liggen, overdwars lig- vergaan tot (into. up to). gen; oversteken (over); strijdig zijn met (with), Crump (krump'), a. krom. —footed, a. kromvoe—' prp. dwars over, dwars door. —ing, s, dwars- tig. —shouldered, a. gebocheld. pad; overloop; tegenstand. —ly, ad. kruiswijze, Crumpet (krum'pit), s. kadetje. dwars; gemeltjk. —ness, s, overdwarsheid; ver- Crumple (krum'pl), a. rimpel, kreuk. —, v. a. keerdheid; stuurschheid, sorschheid. kreukelen, verfrommelen; v. n. ineenkrimpen, Crotch (krotsf), s. husk; gaffe!. —es, s. ruim- rimpelen. banden; mikken (voor draaibassen); schepters. Crumpling (krum'plieng,), s. wilde appel. Crotchet (krotsj'it), s. teksthaakje, parenthesis; § Crunch (kruntsj), v. a, met de tandeu verbrijschraag; schoor; kwartnoot; auk, gril, list; vin- zelen. gerling (vats eene sloep). § —y, a. wispelori Crupper (krup'pur), s. staartriem. grilziek. Crural (kroe'rel), a. het been betreffend. —vein, Crotells (krot-ilz), a. hazendrek. schenkelader, dijbeenader. Crouch (krautaj), v. n. laag hukken; kruipen (to, Crusade (kroe-seed), a. kruistocht. —r, s. kruisyour); (under) geduldig verdragen. vaarder. Croup (kroep), s. kruis (van een paard); romp Cruse (kroes), s. kroes, beker, fleschje. (van een' vogel); keelziekte. Cruset (kroe'sit), s. smeltkroes. Cronpade (kroe-peed), s. luchtsprong (van een Crush (krusj). s. kneuzing, botsing; verplettea aril). ring. —, v. a. kneuzen, verpietteren; onderdrukCrout (kraut), a. zuurkool. ken. to — a cup, een glas ledigen to. to — one's Crow ( kroo'),R.kraai;gekraai;breekijzer.§ —bar, v. n. verdtkt spirit, ietnand ontmoedigen. breekijzer. —flower, wilde ramenas. —foot, voet- worden; klinken (met drinkglazen). angel; ranonkel. —keeper, vogelverschrikker. Crust (krust'), s. korst. kissing—, weeke korst. kraaienveder. —toe, hyacinth. —'s-bill, upper—, bovenkorst. —, v. a. omkoraten; v. n. trektang. —'s-feet, rimpels onder de oogen. tot korst worden. —aceous (-tee'sjus), a. geCrow (kroo) [crew * (kroe). crowedj, v. n. kraoien; schubd), geschaald. —ation (-tee'sjun), a. omkorsnot., en. sting. —ily (-it-lih), a. snibbig, bits. —inesa, s. Crowd (kraud'), s. gedrang, menigte. —, V. R. koratigheid; gemelijkheid. —y, a. korstig; gevolproppen, opvullen. to — sails, alle zeilen hij- melijk. zetten. —, v. n. wemelen, driugen. (on) volgen Crutch (krutsj), a. kruk. v. a. met krukken op. (in) i ndringen. —er, s, speeiman, vioolkrasser. ondersteunen. Crown (kragutC), s. kroon; kruin. v. a, kro- Cry (kra)), a. schreeuw, kreet, uitroep; ge'ween, nen; bekronen; dam halen. —glass, kroonglas. geklaag; gekraai; geblaf; roep, faam. v. a. —imperial, — thist/e,keizerskroon(bloem). —land, uitroepen; otnroepen. (down) hekelen; verbieden; —demesne, kroonland. —post, hoofdzuil. —scab, onderdrukken. (up) opvijzelen; hooger bieden. schurft aan de hoeven van ten paard. —wheel, to — quittance, met gelijke munt betalen; verkroonrad. —work, kroonwerk. —er, a. bekroner; gelden. —, V. n. schreeuwen, roepen, krijten; voleinder. klagen; kraaien. (for) schreien van; roepen om. Cruel at (kroe'sji-el), a. kruiswijze. —ate, v. a. (out) lutd klagen. (unto) aanroepen. (out against) kwellen, pIjnigen. morren over. Crucible (kroe'sibl), s. smeltkroes. Cryal (kraj'el), a. reiger. Cruel fe•ous (kroe-sirur-us), —ger°. (-aid' Cryer (kraj'ur), a. giervalk. zjur-us ► , a. kruisdragend. Crypt (kript'), a. krocht, groeve,grafkelder.—ie, Crueir ler (kroe'si-faj-ur), a. kruisiger. —ix —ical, a. geheim. —ography (krip-tog're-fih), s. (Elks), s. kruisbeeld. —ixion (-fiks'jun), s, krui- geheime schrijfkunst. —ology (krip-tol'-ud-zjih), siging. —ores a. kruisvormig. —y (-faj), v. a. s. geheime taal. kruisigen. Crystal! (kris tel), a. kristallen; doorschijnend. Crud e (kroed'), a. —ely,ad.rauw,onrijp; wrang; s. kristal. —line (-lajn), a. kristallen; dooronverduwd; onbekookt. —eness, s. rauwheid, on- schijnend. —line humor, kristallijnen vocht (van rijpheid; onverduwdheid; onbekooktheid.—ity,s. het oog). --lization (-11.-zee'sjun), s. kristallisarauwheid, onrijpheid; onverduwbaarheid. tie. —line (-lajz), v. a. & n. kristalliseeren. Crudle (kroe'd1), v. a. doen stremmen; v. n. Cub (kula'), s. jong, welp; lafbek, koestal, stollen.' licked —, onervaren jong mensch. —, v. a. jonCrudy (kroe'dih), a. dik, gestremd, gen werpen. Cruel (kroe'il), a. —ly, ad. wreed. —ness, —ty, Cubat Ion (kjoe-bee'sjun), a, nederligging. —ory s. wreedheid, onmenschelijkheid. (kjoe'be•tur-rih), a. nederliggend. —ure (kjoe'beCruentous (kroe-en'tus), a. bloedIg. tjoer), s. berekening van kubieken inhoud. Cruet (kroe'it), s. olie- (azijn-)fleschje. Cube (kjoeb), a. teerling; kubiekgetal. — root, Cruise (kroez'), a. kruistocht. —, v. n. kruisen kubiekwortel. (ter zee). —r, s kruiser. Cubic (kjoe'bik), —al, a. —ally, ad. kubiek. — § Cruller (krul'Iur), s. flensje (gebak). number, kubiekgetal. — root, kubiekwortel. —alCrum (krum'), s. kruim; kruimel. v. a. & n, fleas, s. kubiekvormigheid. kruimelen, brokkelen. —my, a. kruimig,, brok- Cubiform (kjoe'bi-torm), a. teerlingvormig. kelig. Cubit (kjoe' bit), s. voorarm; oude ellemaat. —al, Crumble (krum'bl), v. R. kruimelen, verbrok- a. eene el hug.
61 URE.—CRO Croceous (kro'sjus), a. saffraangeel; van saffraall• Cress (kresm), ki kers. Cresset (kres'sit), a. vuurbaak; toorts; bakenvuur. Crock (krok'), a. kruik, pot; potzwart. —butter, gezouten boter. —er, o. roudventer. --y, a. beCrest (krest"), a. kuif; helmpluim, helntsieraad; rookt, roetig, hanekam; fierneid. —ed, a. gekamd, gepluimd, gekuifd. —fallen, a. moedelooa. —less, a. zon- Crockery (krok'ur-rib), a aardewerk. der kam, toot of wapen; gering. Crocodile (krok'o-d11), a. krokodil. Cretaceous (kri-tee'sjus), a. krijtachtig; krijt- Crocus (kro'kus), a. krokus; saffraan. houdend. Croft (kroft), s. besloten veld; erf. Crevice (krevls), a. spleet, scheur. —, v. a. Croises (krorsiz), a. kruisvaarders. Crone (kroon), s. oude not; oud wkif. splijteu, doen bersten. Cronet (kro'nit), s.thaar, dat bij den paardenhoef Crew (kroe), a. scheepsvolk; troep, ploeg. groeit, kroon. Crewel (kroe'il), 8. kluwen. Crib (krib'), a. krib; hut; koestal; § ledekant. Crony (kro'nih), s. oud vriend, oude kennis. —biter, kribbebijter. —faced, pokdalig. —hage Crook (kroek'),s. haak;herdersstatkromte.—back, bochel; buttenaar. —backed, gebocheld. —, v. a. t-bidzi), a. zeker kaartapel. —, v. a. opsluiten; krommen, buigen; v. n. krom zijn. —ed, a. —edly, steles; v. n. op stal staan. CrIbble(kribibl), s. korenzeef; grof meet. —bread,' ad. krom, gebagen, seheef; slinksch. —edneas, s. kronaheid; gebocheldheid; verdorvenheid. grof brood. —, v. a. ziften. Crick (krik), s. gekraak (van eene deur);stijve hats. 1 Croop (kroep), s. keelziekte. Cricket (krik'it), s. krekel; loge stoel; soort Crop (krop'), a. krop; top; stomp; oogst. —, v. inzamelen; maaien. —car, 1 R. afkorten, kappen; van kolfspel. —er, a. cricket-speler 1 kortoor. —eared, met gekapte ooren. —fat, prop. Crier (kraj'ur), 8. omroeper; mchreeuwer. door maagoverlading onCrime (kraim'), s. misdeed. —fat, a. misdatlig.' vol, verzadigd. —sick, maagziekte (door overlading). gesteld. —sickness, -less, a. onschuldig. —time, oogsttijd, —whip, voermanszweep. —per Certain al (krim'i-net), a. —ally, ad. misdadig —al, a. misdadiger. —ality (-nel'it-tih), —alness, (-pun), s. kropper (dolt). a. misdadigheid. —ate, v. a. beschuldigen. —ation Crosier (kro'ziur), s. bieschopestaf. (-nee'sjun), a. beschuldiging. —story, a. beachul- Croslet (kros'lit), a. kruisje; haarband. Cross (krom'). a. kruis; droefheld, lijden. —and digend. pile, kruis en munt. to creep to the —, zieh onCrImosIn (krim'zin), a. Zie Crimson. Crimp (krimp), a. broos, brokkelig; zwak. —, derwerpen. —aisle, zijvleugel (Pener kruiskerk). a. ronselaar; agent voor kolenhandelaars. —, , —armed, met gekruiste armen, werkeloos. —bar, v. a. krullen, friseeren;' krimp snijden; ronselen• dwarahout; kruim (van een venster); zwieping. dwarabalk.—bilt, Crimple (krim'pl), v. a. (taken) krimpen. (up) —bar shot, atangkogel. —beam, —bite, a. valstrik, kronkelen. kruisbek (vogel); tegenklacht. Crimson (krim'zn), a. karmozijn. —, a. karmo- bedrog; v. a. bedriegen..—bow, kruisboog. —bowram. zijnItleurlg. —, v. a. rood verven; v. n. blozen. er, kruisboogschutter. —breed, gekruist —cut, Crincum (krink'um), s. kramp, samentrekking; —bun, kruiskoek. —caper, dwarssprong. nub, grit. dwara doorsnijden. —cut-saw, trekzaag. —day, onderzoek door de Cringe (krindzj'(, a. slaafsche buiging; kruipende ongeluksdag. —examination, tegenpartij to hooren; onderzoek door strikvraonderdanigheid. —, v. n. laaghartig vleien; de tegenpartij in verhoor semen; —examine, gen. —r, 8. kruipende vleier. (to). kruipen Cringle (krin'g1), s. ring; oog van een touw. door strikvragen onderzoeken. § —eye, scheel. oog. —flow, in tegenovergestelde richting vloeien. —a, a. leuvers. —.fortune, tegenapoed, wederwaardigheid. —grain. Crinlgerous (kris-id'zjur-us), s. harig. ed, tegen den dread; stuursch. —jack, bree.fok. Crinite (krarnajt), a. haarachtig. —jack-yard, bagijnera. —lane, kruislaan, dwars. Crinkle (kring'kl), a. kronkel. —, v. a. & n. steeg• —legged, met de beenen kruiselings. —line, kronke?en, rimpelen. kruislijn. —marriage, —match, gemengd buwelijk. Crinbilne (krin'o- lin), a. stijve rob; hoepelrok. § —patch, bullebak. —path, kruisweg. —pawls, Cripple (krip'pl), a. kreupel. —, a. kreupele greenen senten. —piece, tiwarastuk. —piece of —, v. a. kreupel makes. the bitts, bettngbalk. —piece of a cleat, balkjein Crisis (kraj'sis), a. toppunt; crisis. een kruishout. —piece of the head, talkie in 't Crisp (krisp'), a. gekroesd, kronkPlig; broos, brok- galjoen. —pillar, stut . —purpose, mieveretand; kelig, murw; geroost. —, v. a. krullen, vlechten; niet passend antwoord; tegenstrijdig plan; streep bruin roosteni v. n. kronkelen. — a/ion (-pee'sjun), door de rekening —purposes, vraag- en ants.krulling. —ing-iron, —ing-pin, krulijzer. —nes, woordspel. —question, zie —examine. —road, s. kroesheid —y, a. kroes; broos. kruisweg, viersprong. —row, a-b• bock. —seizing, Criterion (kraj-tPri-un), 8. kenteeken, rnamtstaf. kruisbindsel. —staff, graadboog. —tree, dwarmsa. Critic (krit'ik), s. kunstrechter, beoordeelaar; he- —turns, mlagen van kelaar; beoordeeling. —, —a/, a. —ally, Ad. kunst- ling. —trees, kruishouten. —wind, tegenrechterli.jk; zorgvuldig; hoc helijk, netelig. —ise eene kruising. —way, kruisweg. (4-sajz), v. a. & n. beoordeelen; hekelen. —ism wind. —wise, kruiswijze. —wort, kruiswortal. Cross (krom'), a. kruiselingsch, schuinsch,dwars, (-i-shm), a. kritiek, beoordeeling; gimping. averegtsch• tegenstrijdig; eigenzinnig; stuurech. Croak (krook'), a. gekwattk, gekras. —, v. n. kwaken, brasses, rommelen. —er, a. knorrepot; —, v. a. bruiser; met een kruis merken, doorhalen; dwars oversteken; dwareboomen, belemmeongeluksprofeet.
Cryptocurrencies are experiencing a moment of unprecedented attention and speculation for several reasons. 1) The value of Bitcoin has been steadily climbing through 2017, with Ether seemingly poised to overtake the cryptocurrency giant any day; 2) Blockchain technology has purposes above and beyond cryptocurrency, and has been hailed by some as the backbone of the future financial system; 3) The increasing number of people who see cryptocurrency as a form of investment similar to gold. If cryptocurrencies stabilize in value, buying Bitcoin or Ether has the potential to be a worthy venture. 
Unmentioned (un-men'ajund), a. onvermel Unmer chuntable (un- muetajent-i bl), a. onverkoopbaar. ad. onUnmerciful (un-mur'ai-feel), a. barmbartig. —nese, a. onbermhartigheld. Unisnoplted (un-raer'it-id), a. onverdtend. —neat, a. onverdiendheid, Unmighty (un- majelh), a. ono ,chtlg. Unmild (un-majld'), a. niet zachtaardtg. Ut► mintary (un-mill-to-rih), a. een' krijgaman niet betamend. Unranked (un.milkan, a. ongemoiken. Unwind ed (an-majud'id), a. onbehartIgd„ niet opgemerkt. —fel, a. sehteloos (of). —fastness, b. achteloosheld. Unmingied (un-ming'gld), a. ongemengd. Unnalstak able (nn-unie-tee'kibl), a. onmiekenLear. —en ( -tee'kn), a. niet mitkend. Unmitiga ble (un-mit't-gibl), a. Met to versed, ten. —ted (-gee-tid), a. onverzacht, ongetemperd. Unmixed (un-mtket"), a, onvertnengd. Unmoaned (un-moond'), a. onbetreurd. Usimodif labia (un-mod'i-taj-ibl), a. niet vatboar veer wijsiging. —ied (-raid), a. ongewijzigd. Unmodish (an-mo'dirj). a. niet near de mode. Unmoistenrd (un-moje"nd), a. onberoehtigd. Unmolested (un.rno-lest'id), a. ongekweld, on getetoord. Unmoor Inn-ntoer'), v. a. ontmeeren, Iosmaken. Unmort gaged (un-moegidzjd), a. vnbezwaard. —{Pied(-ti-fejd), a. onverswakt; onvernederd. Unanotherly (un-mnflh'ur-litt), a. onmoederlijk.
Splend cut laplea'dent), 0. II:taken& schitteresd. —ter, a. 4ikkelaor; bevlekker. —id, a. —idly, ad. praclitig, kostelijk —or, a. a. gevloktheid. —ly, a. gevlekt; gespikkeld; tepracht,lniater,glans. zoedeld. Splen elle(aplen'e-tik),—ish, a. Zie Spleenful. Spoon al (spaiezel), a bruilofts-; echtelbk. —ic, a. van de milt, milt•. s. brunt:in; huwelijk; bruiloftslied. Splent Isplent), s. splinter: spat, overbear, echtge000t, —e (spa.), v. a. 'Lie to Espouse. Splice (*pimp), a. spiitsing. —, v. a, splitsen. —less, a. ongAinwd. Splint (splint'), —er, a. splinter,spaander; spalk. S,pcsiat (spout'), s. pijp, Wit; gust; waterstraal; —er, v. a. doen splinteren, splijtenispalken; waterhoos; wolkbreuk. —hole, eguitgat. —, v. a. v. n. aplinteren, splijten• & n. spuiten; hoogdravend spreken, declamee. Split (split') [split], v. a. aplij ten, klooven; sebeu- sen. —er, a. declamat eve. ran; verbrijgeien; v. n. splijten; bereten;springen; Sprain (sprees,, a. verrekking, verstuiking. vergaan. --cauoc, advoksat. —stun, dubbele ode- v. a. verrekken, verstuil.en. lame. —fig, kruidenier.—ring, gesp)eten ring. —ter, Sprat I spret), a. sprat. —barley, baardgerst. o Sprawl w (spraol) V. n. srtelen. Splt a. itlitir'l° eterIskp1:e tv'.U. r), a. gerons, rumoer. —, v. n. Spray (spree), a. rijaje, tilde; schuim. ran:me:en, onversiatinbaar spreken. Spread (speed), s. uitgebrridhetd, omvang. Spoil (spop.), a. butt, roof; verwoesting; 00 , Spread (spred') [spread], v. a. & n. Ppreiden; worpen huid, uitbreiden, nitstrekken, verspreiden. —the v. a. rooven; beroo,n iol , ; bederven, verweesten; v. n, ror,v,,v ; bederven• cloth, de tafel dekken..(abroad) verbreiden. (out) —er, s. beroover; bedrever, ven.voester. vorsprePier; verbreider. uitspreiden. —cc, Spoke (spook), a. apauk, speck; sport. Sprig ieprig')., a. r ikje, apruide; atiftje. —bolt. 011p,,kessisan (spooluimen), a. woorcivoerder. V. a. met takbout. —crysta?, bergkrislal. Spolla sae v. a. bereoven, plunderer. tairjes tedrenen; met stiftjes vastruaken. —gy —lion ( ee'sjun), a. beroovi ► g, plundering. (-0,; ► , a. vol. rijsjes. Spun dee (spou'di), s. spondeus, ,rsvoet you spright (aprajt , , 8 spook, geeet. fiat, —/y, a. twee lange lettergrepen —dyl (-dil), a. leveedig, vro ►ltjk, —fulneatt, (-Itwerveibeen. Spong a (spundzj'), spons; wisncher. —e, v. a. Igt:s' t 'eloa.f.1.7tro1;1, '1'; h t' 'd ..K. ' i"°11ikh6d. — le", a. sponmen; bitwiescheu; v. n. inzulgen; tafel- Spring (spring), a. bran; eprong; veer, springschuimen (on, upon,. — er, a. tatetacbuimer. veer; oorsprong; veerkrachi; lente., voorjaar; (-1-neas), 8 sp ► nsschtigheid. —ing•house, acheur, barrt; lek; spring. —arbor, entl. (in can zomt.rgerst. —barrel, rolgorhorlogiel. a. aroneachtig; irdzeling. —soon zutgend, reha --box, tom k, rg rretid bolt„ e) :ve—e ba Spo t. al (epcua'el , , a, brullofis-; eehtelijk. apringbr;k. —shape, ee, d l, ue: inv ae el —ion (-ajun,a. borgtocht, ..... or, a. burg; doop- Petrel. veer. —dividers. pl. veerpasser.—CLg getuige, doopheffer. treehter. —grass, rekkgras. —gun, donderbua. Spr.ontane ous (spun-tee'ni-us), a. —ously, al. —halt, hanespat. —head, bran; oorsprohg. —hook, veerdekvrijwill:g; van zelf; wilt. —ity (spon-te-nl'it-tilt), veerklink. —lid, karabijnhask. —latch, -nuances, a. veil wil I igheld. eel. --lock, springslot. —quarter, tijd der langste Spontoon ispon-loon'), a. boric pick, dagen. -saw, beugrOzsag. —snuffers, pl. patentSpool (spel', a. spool. —, v. n. spoelen(opwiu- anniter. —steel, elastiek staal. —steel-yard, veerden), —ing-wheel, spuelrad. taotoeir „Te r t asipl,..aearr.d v to;ee.-6 at e, oaupwriknxplopeet Spoon) Impoein'), V. n. anal (vane den wind) u_ri 1en Lenten. zeolloenn;1, p ot ,en),—drif a. iet,pes ichu zomertarwe.—worm, binits iie le,epderill . —water, Spoon (een) lapel-vol. —hand, rechterhan ► . —meat, la- Spring (spring) [sprung], v. a. doen springen: pelkost. —shell, strande ► uisel. —wort,lepellolad. opjagen; aan den dog brengen. — a leak. een n. springer; ontepringen; —, v. n. Zie to Spoons. Lek ketjgen. v. Sporadic (spo-red'ik), —al, a. verstloold. uttapruiten; voortkomen, entstaan, zijn' oorSport (spaortir, a. ape1; lichens, kortswiTh veld- sprang kebben. (forth) nitspruiten, opschieten; verinstak ;jagen, visschen, vogelen, psardrijden. Noortkomen; nitspringen. ( forward) V.0 1,VaartS enz.)..tonzake—with,voor don gek houden.—'s-man, sprineen, zich atorten. (up) op , pringetll —saran, licihebber von veldverrnaken. —, v. a. schieten; ontstaan; itch verheffen. v. a. vern. (itch) vermaken, verlustigen; spelen;achert- Springe (sprindz,j), a. strik, knip. sen; (with) den gels ocheren met. --cr, rt. achert- strikken. see, spotvogel. -lye, a. --fully, —ively, Spring er (epring'ur), s. drijver; spruit. —inc.a a. veerkrachtig; ad. vionitk, giapptg, echertsend. —fulnebe, (-I neqi), a, veerkracht. s. vroolijkheid, clartelheid, kortawi,j1, bronrijk. Belem. —lees, a. treurig. —v,le (-Joel), 8. a. gesprenkel; Ritter, Sprinkl e mom fool. watersproeier. e, v. a. brsprenkelen; v.n.stofSpot (spot'), a. vlek; schandviek; pleats, plekje. regenen. —er, F4. hesprenkelear. —ing,B. besprenon (upon) the —, aanatonds; op stnande voet.—, keliug; weinigje. v. a. beslekken, bezoedelen; benpikkelen. —tetra, Sprit (sprit'), a. sprutt. epriet. --sail, sprietzeil. a. onbavlekt, suiver, vlekkeloos. —lcesnese, a. —. v. n. spruiten. vlekkalooshaid. —ted, a. gevlett; gespikkeld. Sprite (aprajt), a. Pie Sprlght.

Tartar (taar'tur), i. Tartaar. —las (ter-tee'ri-en), a. Tartaarsch.—us, my. Tartarus. —y,g,Tertarue. Ted (tell'), —dy, f. your Edward. Tees (ties), g. the —, de Etach. Telemachus (te•lein'e-kus), m. Telemachus. Temple. (tem'pl), m. Temple. Tenerife (ten'e-rif), g. Teneriffe. Tennessee (ten-nie-ate'),g. Tennessee. Terenee (ter'ens),m.Terentlas. Terpsichore (tur-siit'ur-1). my. Terpsisitors.
Warren (wor'rul, a. konijnenberg; vinthvijver; warande. —er, a. opzichter eener warande. .Warrior (wor'ri-nr), a. krijeamen. Wart (waorl?), a. carat; knont, uttwas. —wart, wolfemelk (plant). —ed, a. vol wratten of knobbele. —y, a. wrattlg. Wary (we'll). R. omzielttlg, behoedzaam; Wont) (woer), a. (het) wassehen; w ,h; vaat, waechwater; watertje; spotting; (bet) aangespotlhe; waterverf; moms, poet; zweem, streek; bled van ten' cleat. —ball, leepbal. —board. zetboord. —kaea-basin, waschkom. —house, waeabhuls. —leather, zeemleer. —stand. waschterel. —tub, waschtobbe. —, v. a. wasschen„ epoelen (away. off. out); bevochtigen; beepoelen; (ever) vtasschen echoonmaken; vernissen. —er, a. wencher. —erwoman, waechvrouw. —ing, a. bet wasschen, epoelen; watch; —day, waschdeg; —tub, waschtobbe. —e. st. vochtig; slap. Wasp (wosp')., a. Wes)).—bah. a. —ishly, ad. genielijk, knorrig, borsch, bite, iiehtgeraakt. —ishneae, a. gense.lijkheid,knorrigheid. Wassail vs os'sil.), a. appal bier; drinkgeleg; drinklied. —, v. a. vroolijk zijn, alenteen. —er, a. drinkehroer, eat per. Waste ( weest'), a. verwontine; v er k w istin g ; lamming; echade; veletas; woestenij, wildernia; onbebouwd land. —, a. wont; onbebouwd; overtaIlig, nuttelooe; ougebruikt. —board, nood.
24 Billow (bil'lo), s. golf, baar. —, v. a. opzwelBice (bajs), a. lichtbiauwe of groene kleur. len, golven. —y, a. golvend. 1131ripit al (baj-slp'i-tell, —ous, a. tweehoofdig. Bicker (bik'ur), v. n. kibbelen; weifelen. —ing, Bimanous (baj-mee'nus), a. tweehandig. a. krakeel. I Binieby (bajm'baj), ad. apoedig, binne.n kort. Bicornous lbaj-kor'nusl, a. tweehoornig. Bimensal (baj - men'sel), a. tweemaandelijksch. Bid (bid) [bid, bade. bid, bidden], v. a. bevelen, Bin (bin), a. kist, bak,,trog. gelasten; noodigen; bidden. —farewell, afseheid Binary (baj'ne-rib), a. dubbel. nemeu. —der, s. binder. —ding, s. bevel; bod. Bind (bajnd), s„ hopatengel. k Biddy (bici'dih), s. kuiken. Bind (bajnd) [bound (baaund)], v. a. binden; verBide (bajd), v. a. verdragen, afwachten; v. n. binden (up); verplichten; beperken (in); opstopwonert; blijven. pen; v. n. zich verdIkken. — apprentice, in de leer doen. — over, dagvaarden. — out, verhuren. Bidental (baj-den'tel), a. tw, etandig. Bidet (bi-det"), a. hit; wasettkom. bound for, beatemd naar. — er, a. binder, band. Biding (baj'dteng), a. verblvjf. —ery, s. boekbinderij. — ing, a. verbIndend, verBiennial (baj-en'nt-el), a. tweejarig. plichteud. — ing, s. band; verband. — weed, Bier (bier), s. lijkbaar. winde. Blestings (biesetengz), a. blest. Binnacle (bin'tikl), s. kompashuisje. Hilarious (baj-fee'rt us), a. tweevoudig. Bino ele (bin'okl), s. dubbelkijker. — cuter (bajkilferous (bW.. us), a. tweemaal vrucht dra- nok'joe-ler), a. tweeoogig. gend. Binonil al (baj-no'ml-ell, a. tweeledig. —.us -Mild (barfid), a. gespleten. 1-nom'i-nus), a. tweenamig. Hillidated (1,11%-deet-id), a. Zie Billd. Biograph er ibaj-og're-fur), s. levensheschrijBilold (barfooldl, a. tweevoudig. arr. — ie, — ical (-osgrerik.), a. biographisch. 'Worm (baj'form). — ed, a. dubbelvormig. — ity — y, a. levensbeschrijving. (-torm'it-tili), s. dubbelvormigheid. Bipartit e (bip'er-tajt), a. tweedeelig. — ion ibaj-per-tis'sjun), s. verdeeling in tweeen. Bifurcate (baj-fur'ket), — d (-keet-id), a. twee- Biped (harped), s. tweevoetige. tandig, gaffelvormig. Big (big), a. dik, groot, zwaar; (of, with) zwanger. Bipennate (ba)-pen'net), a. tweevleugelig. to look —, zich trotach aanstellen, to talk —, Birch (burtsj), s. berk. —en, a. berkenhouten. bluffen, snoeven. — bellied, — bodied, a. kwaarlij - Bird (bard), a. vogel. — of passage, trekvovig. —ness, a. dikte, grootte. gel. — cage, vogelkooi. — call, vogelaarsiluitje. Bigam 1st (big'e-mtst), a. man, die twee vrou - — catcher, vogelaar. — fancier, llefhebber van vogels. — lime, vogellijm. — man, vogelkooper. wen heeft. —y, s. tweewijverij. Biggin n big'gin), s. kindermutsje. — 's-eye, s. sleutelbloent; a. van boven gezien. Bight (bajt), s. bocht; kreek. — witted, hersenloos. Bigot (bieutl, a. schijuheilige, dweeper. — ed, Bird (burd), v. n. vogelen, sinken. —big, a. vogela. schijoheilig, bevooroordeeld. —ry, s. schijn- vangnt. — ing -piece, VogelrGer. — ing-pouch, voheiligheid, dweeperij. geltasch. Bilateral (baj-let'ur-el), a. twee zijden hehbend. Birgander (bur'gen-dur), s. wilde gaps. Bilberry (bil'ber-rill), a. heidebes, braambezie. Birth (birth ► , a. geboorte. —day, geboortedag, Bill011 Ibil'b01, s. kling, torte degen. verjaardag. — place, geboorteplaats. — right, geboorterecht. Bith ors ,bil'booz), s. voetboeien (voor matrozen). Biscuit (bis'kit), s. beschuit. Bile (bajl), a. gal. Bilge (bildzj), s. kielwijdte. —, v. n. lek atooten. Bisect (bai-sekt'), a. a. in tweeen deelen. — ion 1-sek'sjun), a. deeling in tweeen. Hillary (birje.rth), Bilious (birjus), a. galachtig. Bishop (bisyup), s. bisschop; raadsheer in —duet, galleider. 't scbaakspel). — 'a - weed, bisschopskruid. — '8 Ililinguous (baj-ling'gwus), a. tweetongig. Bilk (bilk), v. a. bedriegen. wort, mane komijn. — ric, a. Insdom. Bill (bill), a. snavel: bij1; rekening; geschrijf; Risk (blab), a. vieeschnat. wetsontwerp; aanplakbiljet. —, v. a. aanplak- Bismuth ∎ bieinuth), s. bismuth. ken; v. n. trekkebekken. —of divorce, echtschei- , Bison (bajsn, bizn), a. wilde os. dingsbrief. —of entry, consent tot invoer. — of Ilissextlie ibis-sett:Ail), a. schrikkeljaar. exchange, wissel. — of fare, sptjslijst. — of lading, Bistre (Ws turi., a. roetverf. vrucht brief. —of mortality, sterflijst. — of parcels. IlIsulcous (baj-sul'kus), a. met gespleten hoeven. factuur. — book, wisselboek. — broker, wissel - , Bit (bit), s. beet; stukje; gebit; sleutelbaard. not mskelsar. — sticker, aanplakker. 1 a —, geen tier. —, v. a. optoomen. Billard ibirlurd), s. bastaard-kapoen. Bitch tbitsj), a. teef; lichtekoni. Billet (billit, s. briefje; blokje (brandhout). —, Bite (bajt), a. beet; aanbijten; bedrog; bedrieger. Bite (bajt) [bit. bitten.]. v. a. & n. bijten, wonv a. inkwartieren. Billiards (birjurdz), s. biljartspel. to play at — , I den; bedrtegen. —r, s. isijter;,bedrieger. biljart spelen._ Bitter (bit'tur), a. —ly, ad. bitter; hard. — ness, a. bitterheid; verdriet. —cold, nijpend koud. Billiard —ball, biljartbal. —cue, —stick, queue. —table, biljart. —apple, —gourd, kolokwint. —vetch, paardeBillingsgate (bil'liengz geet), a. viachmarkt in wik. —wort, bitterwortel. —s (bit'turz), a. bitter London; gemeene taal, vischwiivenpraat. (sterke drank). Billion (bil'jun), s. biljoen. • Bittern (bit'turn), a. roerdomp.
shabby (-Hy), slovenly. school tear —loose kinderen, ragged-school. —loosheid, v. indigence; raggedness, shabbiness, slovenliness. Haven, v. harbor, port, haven. —dam, jetty. —geld, harbor-dues. —hoofd,mole,pler. —meester, harbor-master, port-reeve. —stad, port-town. linvenen, ov. w. to clean, to wash and dress; to use (to treat) ill, to drab; to ruffle; to cut up. Haver, v. oate. —akker, oat-field. —bier, oat, beer. —pap, oatraeal-porridge.—esch,wild ash-tree. —pot, grits. —list, oat-chest. —klap, on, ern —, for a straw. —hark, oatcake, bannosk. --reel, oet-meal. —atroo, oat-straw. —oak, sack for oats. Ileac znaat,—zate, v• enuntry-seat, manor. m. hawk, raker-hawk.—afrek, hawk's till. —rkruid, hawk-weed. —sneus, aquiline nose. —astern. hieraciten. o. game of hazard. Hazel mar, an hazel (-tree). filbert-tree; —*bock, grove of hazel-trees; —shout, hazel-wood; —troedje, hazel-twig. —hoes, wood-cork, woodhen. —noot, hazel-nut, filbert. —noteboons, hazelnut tree, filbert-tree. —wortel, hazel-wort. Hazen distal, m. hare-thistle. —jacht, v. herehunting. —koo, m. hare's head; sax-comb, fop; simpleton. —leper. o. form of a hare. — lip, v. m. —pad, a. het — kiezen, to ta bs to 0116% heels. —poot, nn. hare-foot; covvard. —sloop, m. dog's sleep. —spoor, o. track (trate) of a hare, —rel y o. hare's skin. —wind, m. greyhound. Haze peper, v. hare-ragoo. —eprong, m. bare's leap; hind leg of a hare. He, tow. oh! eight boy! hey! I say) liellanefatla, by. covetous. —betel, v. covetousneas. Ilebbelkjk, by. & bw. habitual (1y); becoming (-Iy). — heid, v. habit, costum; becomingnesa. liebben, or. w. to have, er niet veal can —, not to be touch the batter for it. ik toil het —, it ifs my will- tepee wien hebt gU het? whom do you atm at? Hetzucht, v. avidity, covetousness. —ig, by. covetous, rapacious, greedy. Hecht, o, handle, haft. --, be. solid, firm, strong, tight. Hecht en, ov. vv. to fasten, to attach, to join; to stitch, to baste; waarde aan, to set a value upon; on. w. to stick. eich —en aan, to attach one's self te,to cling to.—balk,joint-beam.—naald, suture. —scald, stitching-needle. —pleister, sticking-plaster, c‘urt-plaster. —rank, tendril, clasp. Illechtents, v. custody, confinement, detention. in — neaten, to arrest, to apprehend. v, solidity, firmness, tightness. —ing, v. fastening, attaching, joining. —*el, o. fastening, ligature. Heden, bw. to-day, this day. — acend, this e‘ening. -- veer [over] aeht (veertien) dagen, this day week fortnight). — ten dugs, now-a-days. —daags, bw. now a days. —deagseb, be. modern. Heel, he. whole, entire; sound; healed, reserved. - bw. wholly, entirely, fully; very,much.—Auids, bw. unhurt, safe and sound, with a whole skin.
—per, a. atstrooper; beroover. f —pingt (-piengz), pl. 'estate melt. to ver drijven; v. n. zich uitrekken; —uitstrek- !MTh* a (strajv') [strove striven (striv'nq, v. D. streven, trachten• (at); twisttn, strijden (for); ken; — inspannen; smoeven; prangen. —er, a. wedijveren. —er, s. strever, twister. —ingly, ad, spanner, rekker; voetblok, apoorstok; strekbank; am strijd. draagbaar. Strew (stroe, stro), v. a. strooien; bestrooien; Strobile (strob11), a. pijnappel. Stroke' (stro-kel), a. blaaspiip• bedekken. Stri ae (straj'i), a. pl. Kroefjes (op achelpen). Stroke (strook'(, a. slag, stout, houw; trek; streak; streep; aanval; kracht; werking. finishing —ate (-et; —aced (-ee-tid), a. gegroefd, geribd. laatste hand; genadeslag. voorroelStricken (etrik'n), 4 a. (by) smoorlijk verliefd op. er. —, v. a. streelen, eaten; melken. —r, s. — in years, bejaard. strijker; streeler. Strickle (strikikl), a. etrijkhout. Strict (strikt'), rt. —ly, ad. nauw; steak, geopan- Stroll Istrooll'), s. rondslentering; uitstapje. v. n. rondawerven; rondslentercn. —er, a. swaynen; nanwkeurig, atipt; etreng. —neon, a. nauw ver, landlooper; rondreizend tooneelspeler. keurigheid, stiptheid; strengheid. —are (-goer), (strong), a. —ly, ad. sterk; krachtig; f4.. trek, stag; samentrekking; kritische aanmer- Strong msthtig; zwaar; gewiehtig; hey ig. —haeked,breedking; zinspeiing; vonkje, hamerslag. geschouderd. —bodied, forsch. —box,tteren geldStride (strajd), a. groote stop. kist. —fisted, met sterke vuieten. —hand, gezag„ Strid e (strsjd') [strode, strid, stridden, surd], macht, sterke atm. —handed, sterk bemand. a. a. overschrij 'en; v. a. met groote steppen —hold, sterkte, vesting. —minded, met een' krachvaan; wijdbeens etaan. —istg/e, ad. schrijlings• tigen geest. —scented, sterkriekend. —set, gezet, Strid ass- (strai'dor), o. ethril gelvid. —water, sterke drank. stevig. a. ochril, knetterend. (stridejoe-lus), Strife (strain, s. twist, stri)di evedstrijd; tegen- Strop (strop), s. aanzetriem; strop.—, v. a. sari. v. a. spannen, ultrekken; uitstrekken, uttspreiden. (forth. out); inspannen; overspanuen,

GRAL—GB.1. funeral song. —maker, grave - digg,or, —naiad, obe- Greln, o. grain; camlet; small pepper. —en, bv. eamlet. —tje, o. keen —, not a whit. lick. —schrift, epitaph. --spetosk, cave, vault. —stede,tomb. —steen, tomb-stone. —teeken. mark Grating, m. horse-line. of a grave, monument. —locate, tomb, funeral Grenadter,m. grenadier. Grentlei, tn. bolt. —boom, bar. —slot, stock-lock. monument. --seek, grave-alone. G ralfettejk, he. of a count, of an earl. , bw. —en, ov. w, to bolt. Grencitt, hv. fir. —loom, fir-tree. —host, firlike a count. —held, v. earldom. wood. lintels, be. & bw. angry (-11y), wrathful (-1y), frontier; confine, boundary, 'wrathy. —sihap, v. anger, wrath. —stony, 'ay.& Grens, v. border,—beek, frontier-brook. —teeld, bw. Zie Grans. —storigheid, v. angrinesa, wrath- limit, bound. term. —belooner, borderer, eonfi ner. —boom, fronfulireee. Grimmest, m. pomegranate; garnet. --, v• pome- tier-tree. —doer, village on the frontiers.—Pad, —jagev, douaneer. frontier-god, Terminus. granate; gren ade, grenado. --aopet, —boom, 'wine. boundary-line, line of demareation.—paa/,boundgraa ate. —stern, garnet. ary post; limit, bound. —rivier, boundary river. Granite, o. granite. —btok, block of granite. iron—scheiding, frontiers; demarcetion. —rote, granitiek rock. —aehtig, be. granitic bound-atone, mere. G rap, v. farce, prank, fun, drollery, frolic. roar tier-town. —steen, de —, for fun'e sake. --pen makes, to droll, to stone. —teeken, boundary-mark. —vesting, froutier-fortress. frolic, to jest. —pencliaakste,, —penmaker, buf- loon, droll, droller, funny person. —pig. be. & Grednaen, on. W. to border, to confine, Clan, ludl. upon); to resemble, to be like.—/ooe,bv.boundless; bw. funny, droll (-ingly), faeetioue infinite. —looshoid, v. boundlessness; infinitude. tin de zaak was, van croon ( - 1y). het grapp 4 pole beat joke of all was. --pigbeid, v. facetiousness, G reppei, v. furrow, treneh, ditch, gutter. ludicrousness. Greelg, be. & bw. eager (-1y), greedy (-ily). Gras, o. gram, hij hoot en bij —, now and then, v. eagernees, greediness. v. grief. rarely. —anjelrer, sweet-John, sweet William. Grief, Greitele, m.ely,dog, Cunning blade. —tloem, gr ► saflower.—boter,gra,a-butter. nen, groovy Mils; in -- goon, to feast, to banquet. Griend, v. willow-plot. —land, marshy land covered with willows. —etend, grarninivorons. —green, grace-green. —ha)ns, grass-blade. —hoeing, coast-herring.—hop- Griep, v. influenza. per.grase-hopper. —korneoneadow c paeture.—land, G sleepless), o, oat-meal, pollard. coarse Geier, v. *.horn-back. —linnen, grasig land; pasture-ground. cotton. —look, chives. —maaier, grase-cutter, Grist ant', v. district, manor. —man, chief of a mower. --zaaand, A pril. —march, linnet. —opper, district, lord of a manor. grass - cock. —perk, grand-plot, lawn. —rijk, G riev e, v. grief. —en, ov. w. to grieve, to afflict, to break (to rend) one's heart. —earl, hr. 3a bw. grassy. —Reheat, g r axg. blade. —veld, grass-field. gvievous( - 1y), afflicting. --dakte, grassy plain, savanna. — worm, cater - pillar, —wartel, dog's-grass. —zoad, gra3s , s,ed. Grtexell en, on. w. to shudder (van, at). —O., — node, sod (of turtl e sawn. — ach fig, be. grassy, o. bit, small quantity. Grif, by, readily, fluently, glibly. gramfneous —Jr, o. blade of grass; satior'e cap. Grine!, v. slate - pencil; burin, graver; graft. —en, Q. rest5e, e. pardon; grace; CI raceov w. to engrave; to graft. Crest ig, be. bony. —held. v. boniness. -office.—ior, nt. recorder. Grill I., v. rolls, record-office. (i arattle, bw gratis;, gratuitoeely. G valley:, in, snarl, rebuke. — , o. rabble, scum, —iersehap. o. —ievspoat, to. office of a recorder. populace. — , by, grey, gray. -- papier, brown G ri Moen, Grillroom, m. griffin. paper. —e luck!, cloudy .sky. —brander, gray Gel amid, v. readinems, fluentuess. be. Graft, v. slate-pencil; ditch, moat. , Fran,lsean) friar, cordelier. —achtig, —ig, grayish. —achtigheid, v. grayishness. Go-Un, grumbler, crowd fellow. —en, on. w. to cry, to grumble, to fret. —ig, be. grumbling, to growl. (at). —er, m. e —en, on, w. to rotor1, v. fretfulness, peevishfretful, peevish. —star,c.on,r‘,er. —7.eid,v. grayness. —lje, a. don- nets. lcuy, maziat GrizLle. be. gravelly, af- G rkj ass, v. mask; grin. —aardon. grumbler. t. rav esA, o. gravel. be. gravelly; dear, exGrijnxen, on. w. to grin, to grumble. fected, with gravel. —ig, Gajp, an. griffin. —vogel, griffin; miser, usurer, pensive, COaVy. —righeid, v. expensiverterer. G rave,er der. m. engraver. —en, on. w. to en- extortioner. —achtig, be. covetous, thievish. —en, eagerly, to gripe, grate. —ijren, —naald, —steal, —stift,engraving- ov. & on. w. to seize, to catchplaats —, to take tool. —kunst,art of engraving. --week, engraving. tpola.clutch, to lay hold of; —set, o- engraving, to get gray toorden, hoary. — gray; digger. GrUtr, be. Grew en, ov. w. to dig, to delve. —er,m. hairs. —, o. gray, — color.—aard, m. gray-haired —ear, tn. engeaver..—ing, v. digging. man, gray beard; old man. —achtig, be. grayish, Gravies, v. countess. old age. Graz was, on. w. to graze. —ig, be. grassy, grizzly. —held, v. grayness,gray, — gray-haired, — GrUxen, on. w. to grow green. hoary. Grab, v. furl ow, trench; channel. prarok,trick. Gretp, ni. grasp, gripe, catch; knack. —, v. hilt, Grit, v. whim, freak. caprice: fancy, —werk, whims, trifles. —tick, whimsical. —len, handle; handful, grasp; pitch-fork.
Stark (sta-wk'), a. —ty, ad. sterk, stiff, vol, lou• Staunch (statint0), a. die Stanch. ter, erg. —, ad. gelieel, volallgoa. steke• Stave (steer';, R. duig, steer; couplet; notenbalk. blind. — mad, stapelgek. — naked, spiarnaakt. — wood, kwaoste boom; bitterhout. v. a. i. Star less (istaaeieseu, a. mierrenloos. — like, a. dnigen (off) afkeeren; opsehorten. ate , actitig; seshiera.e, — ling, a. eprentw; Staves (stress';, s. pl. van Stair en Stave. beaker.

Kan cryptogeld worden geregeld


Its nr:nranta, ov. w. to gain back, to regain. inHeating. —‘ to take Worn ations. Irevelpprn, ov. w. to throw in, — into; on. w. to skip in ; to look in ur on. w. to gain by usury ; to relionvoviatrenr, gain ; on. w. to gain ground, to spread. Ilnvesseten, ov. w. to wrap up, to envelop. Inwon en, on. w. to dwell, to live, to board (with). —er, m. lodger ; inhabitant. —lag, v. hobitat:on, abode. nanvoconnaer, v. Zie Inw ostler, Fruwortel wee, on. w. to root, to take (to strike) root, to inveterate. — lag, v. rooting, taking root, inveteration. Invertiv era, ov. w. to rub in, — into. — ing, v. 

Waar kan ik verkopen Bitcoins


ad. (se-ten'ik-I, satansch, duivelachtig. Sand ed leend'idl. a. zand , ,,,bar; zandkleurig; ge. sandeihout. Satchel iset'sjii), e. zak ,e; boekentasch. (-urn), spiick.ld; — less, a. onverz9.— iness (-i-nese) a. zandignaid. — ish, R. ran-tacit- Sate (seet'), v. a. verzadigen. d ( - i - vur), a. glasseliaim. — wick ( - wlisj), lig. Satellite (set'il-lajt), a. trawant; wachter. zandig; dunbelale boterhain met vleesch. —y, a. s. Sati ate (see'sjt-et), a. verzadlgd, zat of with. los, rot; zandkleurig. - tare — ate ( - eet), v. a. verzadigen. — ety (se Sane (-oen), a. gezond van zinnen. s. verzadigdheid, zatheid. Sangiulf erons iseng-gwirur-us), a. bloedvoeetlasbloem. — ribrend; bleed•. — ication ( - i - kee'sjun), a. bloedma- Saitln nieoin), s. satijn. —flower, bon, zijden lint. — spar, satijnspaath. — wood, making. tijnhout. — et ( - et';, s. halfsatijn. Saragnin ary (senegwin-e-rih), a. bloeddorstig. spot-,hea. bloed rood; bloedrijk; levendig, Soatlr a (set'vr; ook: see'cajr), a. satire, — e kelsehrirt. —ic, —lent, a. —icaily, ad. tae-tir'ik-). •rooltjk; houpvol; vurfg. — eneas, s. bIoedkleur, satiriek, bekelend, btjtend. —let, a. satirenschrijbloedri)kheid; levendigheid; vertrouwen. — eons ver, hekeldictiter.—ixe (-ajz), v. a, bekeIen, door— ity ( - gwin% (-gwin'i-us), R, bloedritk; listen it - t,h), a. Zie SangtainenesN. Satisfaet Ion (net-Is-fek'sjun), B. voldoening; Saciele isen'tkn, s. wondltsuld. genoegen. — ire, —ory. a- —orily ( - tur - ii-lih), ad. Sari es (see'ni-iez), a. dun. etter. —ous, a. etvoidoend. —oriness Our-i-ness!, a. bevrediging, tertg; etterend. toereikendheid. Sanit airy (sea% te-rih), a. gezontibelds, —y, a. Satia• ler (set'is.faj-ur), s. bevrediger; die volgezondbeid. duet. — y ( - NJ), v. a. Zit at, voldoen, genoegen gme.; Sap (asp';, s. sap; spint; mijngang; ondermijning. verzsdigen, (with); bevtedigen; betalen; overtni— , v. a. ondermijnen; v. n. beimelijk te werk gen (of). gaan. Sapid (sep1 , 1), a. smakelijk. —ity (se-pid'it-tib), SatiV. (see'llv), a. in err' tutu gezaaid. Satrap (see'trep); s. satraap. —y (seere-pih), B. s. smakelijkheid. landvoogdij. .Sapien ice (sPe'pi-ens), a• wiir• Sap less (sep'ieas), a. sappeloos, droop. — ling,s. Saturn bie (stiejoe-ribl), a. verzadiAbaar. a. verzadigend. —te 1-reet), v. a. verzadlgen. jonic boomple. —tion 1-req'sjun), a. ver.digieg. sap...acetic. , Bep-o-nee'sjus), a. zeepachtig. Sapor ;ree'por), a. rmaak, gear. (sep-ur- Saturday, (set'ur-dee), a. zaturdag. Saturn Iset'urn), a. Saturnua; loud; zwart. — ale ririk), a. sknaakgevend. —out (sep'ur-us), a. scna-

Duleteen, 'm. tuff. tuft, tophus, Duld "'Wk. be & bw. clear (-1y), plain (-ly), evident (-1y). distinct (-ly). —eli.itcheid, v. clearness, plaitinesii, evidence. —en. ov. w. to show, to explain; ten kwade to take amiss, — 111. --ing, v. explication, interpretationDull, v. dace, pigeon. —hale, pigeon-house. —fatten, sic Dufateen, —je, o. innocent girl. callers, to stave to pieces; Dulg, v. 'sieve• in to miscarry. in —en gooien, to stave; to overturn, to spoil, to mar. —flout, stave-wood. Dulkel ear, m• tumbler; diver, plucger, plungeoa. —en, on. w. to tumble: to dive, to plunge. —ing, v. tumbling; diving, plunging. Da1k all, on. w. to stoop, to yield; to dive, to lunge. —er, en. diver; plunyton; flood-gate; ( kind of) nail with a email head; —iclok, divingell. Duane, en. thumb; inch; hinge. onder den —, secretly, privately. order den — howlers, to keep a. eti. short, nit s n — zu:gen, to forge, to trump up. —handschoen, mitten. --(per, hinge; thumb-screw. —kleppers. castanets. — kruici, cash, ready money. —schroef, thumb-screw. —atak, carpenter's measure, rule. —glen, or. w. to thumb; to get, to pocket. —cling, in. thuleb; thumb-stall. —pje„ o. op zOn kiMilen, to have at one 's fingereends. Duke, v. down, sand-hill. o. (the) downs. —aardappel, potage gro wing in the downs.—helm. sedge, broom. —Agnt, side of the downs. —/conijn, down-rabbit, rabbit bred in the sand-bills. —maniac, game-keeper of the down. —rove, rose growing on sand-hills, Scotch ruse. —strand, sea-shore covered with sand•hils. —teed, sand of the ,low-so. —achtig, be. resembling !;owns. Desist, o. meal-dust; husks of buck-wheat.
Iufold (In-foold'), v. a. inwikkelen. Infollate (in-fo'll-eet), v. a. bebladeren. Inform (in-form'), v. a. onderrirhten; verwittigen, beriehten (of); v. n. heriehtgeven;(afretinst) aangeven. —al, a. —ally, ad. onregelmatig. —ality (-fur-niel'it-tih), a. onregelmatigheid. —ant, aberiehtgever, zegsman. —ation (-fur-mee'sjun), a. berichtgever, zegsman. —ation (-fur , mee'ajnn), 8. berieht; ondereicht; aanklacht. —alive, a. bezielend. —er, s. aanbrenger, verhlikker. —idable (4.-dibl), a. niet, te vreezen, ongeducht. —ity, a. wanstaltigheid. —ous, a. wanstaltig. Infrrict (in-frekt'), v. a. breken,overtreden. —ion (-frek' sjun), a. schending, oveareding. —or, a. schender, overtreder. Intrapaibie (in-fren'dziibl), a. onschendbaar. Infrequen ce (in-fri'kwens), —cy, s. zeldzaamheld. —t, a. zeldzaam. infrigida to (in-friclzri-deet), v. a. koud maken. —lion (dee'sjrua), a. verkoeling. Infringe (in-frindzr), v. a. achendon, overtreden. —meet, e. sehennts, overt*.edin4 s. sehender, ov.Tertre der.
Bewondee mar. m. —.rater, Y. adrcrer. —en, lieeztec, be. busy (at), active, occupied (with), ov. w. to admire —eneteaardia, be. & bee. ad- engaged (in). tan ieta — zijn, to be at a thing. mixable —ensteaardigheid, v. admirability. °v. w. to use, to make use of, to employ. —ing, v. admiration. m. employer. —held, Y. business, (TampaBewon en, ov, w. to inhabit, to, dwell in, -.er, tion, employment. v. use, tieing, employing. v. inhebit- Bezliden, Ow. & vz. next to, contiguous to, out m. inhabitant, inmate, tenant. ing, habitation,. of. — de teaarheid, not tree. Bewoon Issaettr , be, haettebie. —bua,heid, v, BezIng en, ov. vv. to sing, to celebrate. —er, m. v, celebration. habitableness. --ster, v. Zie Bewoner. —Ater, v. singer. Bewoord en, ov. w. to word, to express. —ing, Bezink en on. w. to settle. —ing, v. settling. v wording; expressIon, term --eel, o. sediment, lees. t. w. to Bewost, be. conscious —, aware (o'); In ques- Beziun emu', ov. w. to find out; zich tion. —elate, bv. eenFeless. —eloasheid, v, tense- consider, to reflect; to recoltect, to remember. lessees, —.held, v. —ztin, o. knowledge, coned- -•ng, v. consideration, rejection; reeollection; (manes. — konien, to recover one 's senses. tot IllezmeT1 en, ow. w. to cow, to strew, to cover. Dealt, a. pessession. property. is — nem... to —icy, —icy, v. Bowline etrewing, covering. take posseseion of. —nemer, occupant. —timing, .-Trinn, v. mizzen. —abets, brace at the mizzen- occupancy. —1,00, right of possessing. —ate?. yard. —sdentpgordinge, mizzen-broils. —shots, v. Zie BezAtter. —teltik, be. possessive. —ten, —mars, mizren-lop. —stnost, mizzen-tae• mt.- ov. w. to sit upon; to possess. —ter, Tn. poesesszsn-rnast. —spispotten,mizten-bowiines.--sseksif- or, prolrletor, owner. —tint, v. potheselon, skier, Inizzen-s11 , 1e, — 6spriet. mizzen-sprit. — s - property. stag, mizzen-stay. — sstagzeil, mizzen-staysail. Bezoedel en, ov. w, to dirty, to soil, to milmizzeo - ehrouds, iy, to stain. to contaminate, to defile. — ing, dirtying, eullying, contamination, defilement. llezmibbeerri, ot. w. Zie Bezeeevere,n.. Heed!;, 1, be. & bw compared (-1y), sedate ( iy), Br cock, o digit; company. een — afleggen Oren—Reid, v. composednees, gee), to pay a virot (to). —es, ov. w. to visit, to staid (-1,3e, calm sedateness, staidness. calmness. pay a visit to, to call upon, to go to see; to Itezend en, ov. w. to sand, to grate!. —lag, v, frequent, to afflict, to try. —er, m. —.tee V. minding. gravelling. visitor, visitant, guest. —ing, v. visit, eisitetion; Bezeter•n, nv. w. to hurt, to injure, affliction, trial. Ilezeevieren., ov. w. to elabber, slater, to BezoldelIng, m. &. v. mercenary, hireling. drivel upon. Bezolder en. Ow. w. to ern. —say, v. ceiling. ligezegeli en, or. w. to teal; to confirm, rats - Buzoidig en, oe, w. to pay, to keep in pay, to fy. — ing, v. sealing; confirmation. give salary to. —ing, v. pay. wages, salary. B•zeli d, bv teet•sailing; zee — schizo, good Beziendig en, ov. w. to charge with sin; sick (fast, fine) sailer. —ea ov. vv. to tail to, to —, t. w. to sin. —.big, v. sinning. reach — , to arrive at (!•3, , ,ailing). Bezonnen, bv. & bw. cons!derate, (-ly), cantine7.e:s.2, m. broom, hem°, —binder, —maker, out (-1y). —held, v. considerateness, mittbroom, — krvid, horse - 1 ousn,ss. oroom-rneker. tail —sehoonowept out.--steel, —Otok,broomPtick. Bezoone o'. w. to hem, to seam, to border Bezendlog, v. deputation, comrapotiott, erobae- —any, v. hemming, seaming, bordering. my, consignment, parcel. 113ezier,te d, by. anxious (about. for), solicitous Bezet, be, taken up engaged, occupied, (about', hij is —, he has got a competency, he Bezeieii, bv. poseewd. —e, m.. & v. posmemed, is tipsy —dheld, v. anxionsuctis, solicitude. —en, denconiat. —held. a, tieing ov, w. to deliver, to procure; to take care of, to Bezci betel, v. being crowded with butin,,,; conduct, to manage, to provide for, •—er, m, soldier of e get arson —teling, -,ter, v. carrier; steward; procurer, provider. ov. w to out (oti , , to stud, to adorn. to , debeery; management, providing. to border, to edge (met bo4aen); 1,, mount (rnet. Bezoidess. vz. on the south side of. , 1 op, to take up; to BezotnIg cn, ov. ve. to save, to spare, to toy to occupy. to 11 geschut); 1w/stet, to block up; to orri,o, —tiny, v. or,cup- vp, to be saving, to husband, to economize. ation; garrison; oppiestio• --er, m. —tier, v. thrifty man, -- woman, Goonomizer. y. economy, husbandry. Illezleihtile en, o:. w. to view, to examine, to t. w. inspect. to 8us,y. —er, tn. examtoer, , nope,lor, Benttiesert, ov, w. to make drunk. tick i‘urvoyor. —ing, v. exaretuatton in7pection, to get drunk. survey. oe. w. to sroart (to pay dear) for. , Bezwaar, o. burden, grievance, complaint, Mrv. berry. be. Beziel ere. bv. animate. --en ov. W. to animate. , ficulty, objection, e•ruple, prejudice. to give life to, to inspire. to inflame. — ing, v.1 burdened, grie'ed, oppressed, anxious. uneasy. inspiration, inflaming. —Ovid v. oppression, anxiousness, uneasiness. by. difficult; bw. scarcely, hardly, —nay, BezIon, ay. we to look at, to view, to behold; , v. grievance, grief. to examine. feet sat 1e -- staan of, the question in, looker at, viewer; examiner. Bezwmchtel en, ov. w. to swaddle, to swathe; Ra whethe custom officer. —swaardig, by. worth to be look-; to dress (eene wand); to disguise, —ing, y. swad! dlibg, swathing, dressing. ed at. 

Cobalt (ko'baolt), s. kobalt. —it (ko-baollik), —ence, a. gelijktijdig bestaan. —eat, a. gelijktijdig bestaand. a. kobaltachtig. v, a. op- Coexten d (ko-eke-tend'), v. a. even ver uitCobble (kob'b1), a. visschersboot. strekken. —sion (-ten'sjun), a. gelijke omvang. lappen, knoeien. —r, a. knoeier, schoenlapper. Coeciferous (kok-sirur-us), a. bessendragend. I —sive (-ten'siv), a. gelijk ultgestrekt. Coffee (kof'fle), a. koffle. —berry, koffieboon. Cochineal (kotsre-niel), a. cochenille. —biggin, Illtreerpot. —cup, koftlekopje. —house. Cott'teary (kok'll-e-rits), a. schroefvormig. kofCochlettted (kokli-eet-id), a. Zie CochleorY• koffiehuis. —kitchen, kofflebranderij. Cock (kok'), a. haan; mennetje; kraan; kerf; ha- fiemolen. —pot, kofflekan. nengekraai, hooiopper; boot; optoomael; wkizer, Coffer (korfur), a. koffer, geldkist; achat; geeveriaar. —, v. a. opzetten, opsteken;optoomen, deelte van een kroonwerk; bedekte gang. —, apannen; v. n. cone hooge horst zetten. v, a. in een' koffer sluiten; opgaren; (up) potten. —dam, kistdam, —er, a. schatmeester; potter. hoop, haantje de voorste. —boat, kleine sloop.Coffin (korfln), a. doodkist; hoer; peperhuisje; —brained, onbezonnen, wuft. —bread, scheeps beachuit. —chafer, meikever. —crowing, hanen- taartvorm. —maker, doodkistenmaker. —, v. a. gekraai. —fight, —match, banengevecht. —loft, in eene doodkist leggen. zolderkamertje, vliering. —pigeon, duffer. —pit. Cog (bog'), a. tand (van een rad); kleine boot; v. a. van tanden voorhanenmat. —'s.comb, haneeam; fat. —shut, oche- fact. —wheel, kamrad. —,to — the dice, valsch meravond. —spur, hanespoor. —sure, a. zeer ze• Men; misleiden, vleien. liegen. —ger ker. —'s-tread, hanetred. —swain, bootsman. dobbelen. v. n. flikflooien; (-gur), a. bedrieger; flikflooier. —fiery, a. bedrie—throwing, haanknuppelen. —weed, hanekruid. gerij. —ging, a. bedriegelijk. —ging, a. bedrog. Cockade (kok-eed'), s. kokarde. Cogen cy (ko'dzjen-sih), 0. kracht, vermogen. Cockatrice (kok'e traj8), s. baziliskus. Cocker (kok'ur), a. hanenfokker. —, v. a. ver- —t, a. —tly, ad. krachtig, dringend. Coggle-stone (kog'gl-stoon), a. kiezelsteentie. troetelen. —el (-il), s. jonge haan. Cogita ble (kod'zji tibl), a. denkbaar. —te (•teet), Cocket (kok'it), a. tolbriefje. v. n. deniren. —tion (-tee'ajun), a. overdenking. Cockle (kok'kl), s. kammossel; korenroos. —, v. —tire (-tee-tiv), a. denkend. a. & n. kronkelen, plooien, krutIen. Cockney (kok'nih), a. bewoner van Londen;bot- Cogna te (kog'neet), a. verwant. —tion (kugnee'siun), a. verwant8chap. muil, ploert. Cocoa (balm), s. cacaoboom. —nut. Itokosnoot. Cognition (kug-nis'sjun), a. kennis. kenCocoon (ko-koen'), a. cocoa (van zijeewormen). Cognizable (kog'ni-z1b11, a. aan gerechteltike nisneming onderworpen. —zance (-zens), a. rechCoctile (kok'til), a. gehakken (van eteen). terlijke kennianeming, onderzoek; wapenteeken, CoctIon (kok'ajun), a, koking, verterin'g. onderscheidingateeken. Cod (kod'), e. schil, peul; kabeljauw. —fish, stok- visch, kabeljauw. —liver oil, levertraan. —pep- Cognomin al (kug-nom's-nel), a. tot den toeper, piment, —ware, peulvruchten. —dy, a. naam behooreod. —ation (-nee'sjun), a. toenaam; (net) geven van een' toet.aam. settling. Cognosc ence' (kug-nos'sens), a. kennia. —ible, Coddle (kod'd1), a. a. stoven, zacht koken. a. kennelijk, —ire, a. kennend. —ire faculty, kenCode (bond), a. wetboek. vermogen. Codger (kod'dzjur), a. verb. Codicil (kod'i-s11), s. aanhangeel (op een tes- Coguardlan (ko-gaard'jen), a. toeziend voogd. tament). Cohabit (ko-lieb'it), v. n. samenwonen. —ant, Codling (kod'lleng), a. jonge kabeljauw; etoof- a. medebewoner. —ation (-tee'sjun), s. 8amenwooing. appel. Coheir (ko-eer'), s.. mede-erfgenaam. —ess, s. Coeftleacy (ko.erfl-ke-sih), a. or. Coefticien cy (ko-ef-fis'sjen-sih), a. medewer- mede-erfgename. samenhangen, overeenking. —t, a, medewerker; a. niedewerkend, sa- Cohere (ko-bier), v. a. samenhang. —nt, a. —ntly, stemmen. —ace, —ncy, lnenwerkend. ek), a. onderbuiks-. passion, bulk- ad. samenhangend. Coeliac Cube sion (ko-hrzjun), a. samenhang; aantrekloop. kingskracht. —sire ( air), a. —sively (-sly-lib), ad. Coempflon (ko-emp'sjun), a opkooping. samenhangend. —siveness (-air-ness), rs. semenCoequal (ko-i'kwel), a. gelijk. —ity hangende eigenschap it-tih), a. gelijkheid. Cohort (ko'hort). a. krtigsbende. Coerc e (ko-urs'), v. a. bedwingen. —ible, a. bekap, bait. —ed, a. een kap dwingbaar, —ion (ko-neeitin), e. betellgeling. Coif (kojn, a. kepsel, dragend. —fare (kojefjoer), a. kapael, hoofdtooi. dwang. —ire (-siv), a. bedwingend. Coessenflall (ko-es-sen'ojel), a. —ty, ad. van gelijk Coil (kojl), a. opgeschoten kabet; rumoer, gev. a. (up) opachteten (den babe!). raaa. a. geflikheid van wezen. wezen. —ity Coetaneous (ko.i-tee'ni-us), a. gelijk van ja- Coln (kojn'), s. mnnt; muntstempel; hock; wig. v. a. muntee; current —, gangbare munt. ren, gelijktijdig, (to. with), verdichten, verzinnen. —age, a. mnnting; muntCoetern al (ko i tur'nel), a. --ally, ad. mede loon; atempel; verdichting. eeuvvig. —ity, a. mede-eeuwigheid. Coev al (ko-i'vel), a. gelijkjarige; tijdgenoot. Coincide (ko-in-sajd'), v. n. samenloopen; sementreffen; overeenkomen (in with). —ace (koal, —ous, R. gelijktijdig, even and, (to. with). fn'si-dens), s. eamenloop, overeenstemming. —nt Coexist (ko-egz-let'), v. n. gelijktijdig zije.

sEm.—TER S ean (setn), an. Sem. Semiramis (se-mir'e•mis), w. Semiramis. S ane ca (sen'e-ke), m. Seneca. —pa/ (•gaol), g. the —, de Senegal. —Dinah& (4rent'bi-e), g. Ssnegambiii. seewia (eueri-e), g. Serb16. —is, a. Servisch; 1. Servier. Setia(seth),m. Seth. Severn (sev'urn), g. the de Severn. Seymour (see'mur), an. Seymour. Shaftesbury (sjaAftt'bir-zh), m. Shaftesbury. Shakespeare (sjeek'spicr), m. Shakespeare. Shanghai (sjeng'haj), g. Shanghai. Shelley (ejellib m. Sheridan. Sham (sjeui), m. Sam. Shetland (sjet'lend), g. Hitland. — /s/ands, (de) Hitlandsehe eilanden. Shy lock (ejarlok). m. Shylock. Sleaze (usrem), g. Slam. —ese (-c-mien'), a. Slit. meeseb; i. Sterne., (de) Stameeten.. Sib (nib), f. voor Sebastian 1Yt Sibyl. Siberia g Siberte. —n, a. Slberisch. Sibyl (sib'il), w Myna. SteEl Ian (si-eil'i-en). a. Siciliaanach; i. Sternest*. —y if. Sicilie. Sigismund (sid'sjts-mund), m. Sigismund. MI leaks (.11. ► 01.e), g. Sainte. S2ns (aim'), f. voor Simeon & Simon. —eon (-Min), m. Simeon. —on (ear raon)sid. Simon. Sinai (ssrnee, -nee-aj), g. Sinai. Sinde (Mild). S. Sinde. Singapore (sing-zee-poor'), g. Singapore. Si on (.arun),g. Sion. —rack (-rek), m. Shush. Shins isirn-us), g. Sirius, de hondanter. Sic Isis'), ;f. your Cecily. —yphus (-1-fus). my. Sisyphus. Slavonic g. Slavoutt. --tt, a. Siavoonach; i. Slavontdr. S ieswick (ales' wik), g. Smollet ‘smolltt),m. Smyrna (emur'ne), g. Smyrna. Socrates (sok're-ties), an. Soeratee, Sodom (soenin). g. Sodom. Sot (son, f. Solomon. —orison (-um-un), Saloon°. —on (sontin), m. Solon, Suph (sorj, t. voor Sophia. —ia (so-fare), w. Sophia —odes m. Sophooles. —y, f. your Sophia. Sound (seaund), g. the —, de Sond. Southampton (sauth•em'tn), g. Southampton.

Waar kan ik crypto met pinpas


ter, -sehutter, archer, bow-man. -sckot, bowBoll en, or. w. to fell; to haul, to hale; on. w. shot. -gelling,. arcade. , -verieter, bow-, bayto please. -etje, o. little hall, globule; clever window. -eorrarg, born-shaped, arched. -awns, boy; - hnofloalt, clo'e of garlic. -swijze, by. & bw_. arched; animism. ituInter, or. green shell, hunk, cod, peel; chaff; Boons, m. tree; pole, beam; bar, boom. var. den pillow, bolster. -en, on. W. to shell, to peel. /wages teren, to run through 011tni property. Boon, v. bomb, shell ; bung; whapper. -been. de kat nit den - kijken. to watch an opportuswollen leg. -gat_ bung-hole; pent-hole. -betel, n i -agaat, arbore.scent agate. -bast. bark. mortar. -echuit , fishing-:oat. --erti, bomb- btad, leaf of a tree. -boor. pump-borer. - brand, proof, fire -in a vtood. -eat, graft. -enter, grafter. on. w. to ring. BOCreb&MMelt, - enterii, nursery. -euvel, canker. -gaard, orBombard sander, m. bombardier. -eeren, or. chard. -gaardenier, arborist. -gaardoe/t, fruit, w. to bombard, to IPitt,r, -eergalhot, bombfruits. -pans, breast-goose, barnacle. -geld, ketch. -ernent, o, bombardment. -irr, m. bonaboom-monryi toll. -gewas, shrubs; tree-fruits. hurdler. -godin, -aim!, dryad, hanudryad. -grendel, litornbawle, v. lure. bolt. -hakker. wood-cutter, feller; wood-pecker. liontbrrat, tn. bombast, fustian; humbug. -Lana, -sehuit, canoe. -keener, arborist• -ketetatit0.)A -gldes. e. frutiatt. ver, may-bug, cock-chafer. -kick, boom-bell. Human el, rr, bung, plot. -en, on. w. to sound -kluiper, tree-creeper. -kunde, dendrology. (like an empty barrel). -kweeker, nurseryman, arborist. -kwecker(), Bon, m. voucher, check, ticket. nursery-garden; culture of treas. -has, treeBonbon, o. sweet meat. louse, puceroa. --markt, tree-market. -mos, Bond, in. confederacy. o. Zie Verbond -bock, book of the covenant. -breker, -sehen- tree-moss, -olie, olive-oil, sweet-oil. -soft, der, covenant-breaker. -breuk, violation of a tree-fruit. -paal, prop. -palm, palm-tree. -pikleer, wood-pecker. -planter, planter of trees. eowtrant. -brukig„ violating a covenant faith-rijk, full, of trees. -schender, injurer of trees. lena. ally. confederate. -genoateehap, -ackenderU, damaging trees. -school, nursery. alliance, confederacy. -kW, ark of the covenant - serift „ covenant, bout -zegel , sacrament. -whorl, bark. -8/uiter, boom shutter. -sluicing, boom-shutting. -sandier, ;pruner, to per. -stem, -.lag, diet. -Wad.. federal town, -stroepen, trunk. -sterk, very strong, sturdy. -stronk, federal troops, - army. -svergadering, meeting stump of a tree. -tak, branch (bough) of a tree. of the confederates, diet. -sveating, federal -yak, tree-falcon, hobby. -earn, oak-fern, post ronghold. lypody. -veil, ivy. -vrucht, tree-fruit. -wackter, Et pining, be. & bw. valid (-1y), irrefiagable (-blyl, zie Boonasiniter. -wager., truck. -was, mumconclusive (-Iy), firm (-1y), strong (•1y); concise my, grafting-wax. -tvol, cotton. -main, agaric. (-ly), compact (•4), euccinct (-ly). -held, v. va-acktig, be. arborsous, atborescent. -en, ov. lidity, firmness, strength; conciseness , comw. to push with a pole, to pole. -ig, bv. arboreseaciness. cent; full of trees; zie Eggig t Bonk, in. big pereor..; hob-nal, churl; jade. -, hone.. -en, or. w. to belabor, Boon, v. bean. in de -en rOn, to be mistaken. v. large bit, -akker, -einem. nettle-tree. -ento knock. -ig, to. bony, fall of bones. halm, bean-stalk, straw. -erikruid, aavnry. -enBonnet, v. bonnet. rap; bonnet, small sail. rank, tendril of beans. -enstaak, stick (prop) lions, v. bounce, thump. de - kriigen, to be for beans. -enstroo, bean-straw. -enve:d, beanturned out, - disrnisse,:. field. Bout, by. party-colored, motley, spotted, speckBoo, v. borer, piercer. gimlet., wimble, drill. lcd, variegated; pied, piebald; illgroote -, auger. -bank, boring-lathe. -Over, suited, medley. - en blame, zie Blond. het to bit. -meal, borings, bore-drct. -wive, fore- maken. to go too far. -kleurig, zie Dont. pie roe. -epaan, bore-chip. - ekere, red and white cherry. -ekraai, hooded Boord, m. border, edge, brim; margin, brink, crow, wintsr-crow. --heia, v. piscine.. bank; seam, welt, hem. o. board. aan -, o. fur, -mut, , far-cap. -werk, paltry, aboard. over - tcerpen, to heave over board. furs: -reerker, furrier, -winkel, fuvrier'e shop. clan - liggen, to lie alongside of. nun -korner', -en. bye. furred, fur. to fall aboard. Gan hanger - sijn, to thrive, to elicnzen, or. Ee on. w, to bounce, to knock. enjoy an ample competency. -lint, lace galloon. Hootleetrnp, u. nemntge, errand, call. irmancl -geol., brimful. -evollptje, bumper. -en, ov. w. eene ere, zenden, to send word to a. o. does, to do to go on) an errand. eene iaten to border, to edge, to ladt,to seam, to hem,to skirt. doer, to send on an errand. betide -, glad ti- -eel, o, edging. lace. eines, the Gospe:. Maria -, Annunciation-day. fluorin, v. overflowing of the gall. Manure -, sleeveless errand. -jongen, -1noper, Boon by. & bw. stitked (-1y), bad (1y), evil, ill; angry (op, with. over, at), angrily, in a passion. errand-boy, -goer. -pen, ov. w. to bring vord, -aardig bV. & bw. malicious (-1y). -aardigkeid, to inform of, to announce. -per, m. -ster, v. malice. -doener, m. malefactor. -head, v. wickmessenger, announcer. -ping, v. message. edness, malignity, anger, passion. -teicAd, m. Bong, m. bow; arch; cross-staff; curve,'segment, -brag, arched bridge. -dak, arched roof. -ge- villain, wretch. Boot, T. boat, skin, yowl; lockets gvoote wel f , arched vault. -hout , yoke-elm-wood.
Koeta, v. coach, carriage; couch, bed. —hula, coach-house. —paard, coac•-horse. —poort, great gate, gate-way. —alede, covered sledge. —stoel, place of the coacher. —wages., travelling-coach. —en, on. & on. w. to couch. —er, m. toucher. —ier, so, coachman. Usti., v. —achip, a. two-masted voesel. Kotler, sea. coffer. trunk. —ranker, trunk-maker. —en., or, w. to coffer. —tje, o. email coffer; closestool. Koflie, v. coffee. sterke —, strong coffee. elappe —. weak (dilute) coffee. —boat, bale of coffee —boon, colas tree. —boon . , coffee-beau, -berry —bulk, lover of coffee. —brander, coffee-roaster. —hue, —trammel, coffee-canister. —dik, grounds of coffee. —goed, coffee-things. —hale, coffeehonse; —houder, coffee house-keeper; —kneeht, waiter in a coffee-house. —kamer, coffee-room; green-room. --ban, coffee-pot, •biggln. —betel, coffee-kettle. —kleur, coffee-color. —kilning, coffee-colored. —basket, coffee-pot. —kopje, coffee-cup. —machine, coffee-kitchen. —stolen, sof. see-mill, --plantage, toff to-plantation. —pot, coffee-pot. —water,w ater for coffee, Kog, Koggt., v. a. EnerchAntman. nu. bail. bullet, shot —bak, chest for bullets; shot-locker. —gieter, bullet-maker., caster of balls. —gieterij, place where bullets are made. —rob, shut-rak, -garland. —regen, shower of bullets. —rood, --vornsiy, globnar. —tang, forceps, crow's-bill. —trekker, bullet-drawer; worm; croNt'e-bill. —rem, ' ,spherical form, sphericity, bullet-mould. —en, at, w. to throw stones at; on. w. to fire with bails or bullets. Kok. m. cook. —rjongen, scullion, --ernaat, cook's mate. —*pomp, bar-pump. Kokarde, v. cockade. !Kok en, ov tts on. W. to boil, to cook, to dress; to seethe; to dicers, —er, us. boiler K3litssr, m. case, sheato; colysr. —ntaker„sheathmaker. —mof, (a kind of muff —en, ov. w. to sheath; to gull. Koker!j. v, rookery. Koksorseskul o». w. to grin, to sneer, Kokhsslzeas, on. w. to be almost choked. Kokisag, y. boiliroc, cooking; digestion. K.okirdle, v. sitear-harley. Kokket seats, m. cluck,. —en, ott. w, to cluck. Kokos boom., ro. cocoa-tree. ---noot,osess-nos Kol. m knock et the head. —, v. witch, sorceress; broom-stick (of a witch); blaze, white spot; horse with a blaze. —riper, sorcerer. —riAster, sorceress, witch, holder, m, short leather jacket, jerkin, buff-coat! staggers;, rage, madneea; k.te. —gat, whip-staff hole. --atok whip-staff. —en, on. w. to have the staggers; to be mad. --ig, tali. afflicted with the staggers; mad. Kolen, v, my, coal, coals. —dab, scuttle, coal-hod. —brander, charcoal-burner, forester, —branderij , charcoal-kiln charring-furnace. —dolt!, steam (vapor) of burning coals,. —gruis, coal-dust, small coals. —halide!, coal-trade, colliery. —hob, coed-hole.. coal-cellar. —kooper, coalmerchant, collier. —May, bed of coals. —mast, caaistriessmare. —rnagazijn, —palchuis, coal-house,
—atioue (-tee'sjus), —ative (-pjeele-tiv), a. twistziek; redetwiatend. Dispute (dis-pjoet), s. woordenwiseeling; twist. —, v. a. betwisten; v. n. tt, igen. —lest, a. onbetwistbaar. —r, s. twistredenaar. Disqualif ication (dis-kw01-if-ti-kee'sjun), a. onbevoegdheid. —y (-kwori-faj), v. a. onbevoegd waken. Disquiet (dia-kwarit), a. onrust. —, a. —1y, ad. rusteloos; ongerust. —, v. a. verontrusten; kwellen. —er, a. verontruster. —neat, —ude (-tjoed), e. onrust, ongeruetheid. Disquisition (dis-kwi-zierun), a. onderzoek, navorsching. Disregard (die-re-gaardl, a. minachting. —, v. a. minachten, veronachtzamen. —ful, a. —fully, ad. minachtend, veronachtzamend. Disrelish (thz-rel'isj), s. P.fkeer, waig. —, v. a. niet lusten- afkeer hebben van. Disreput able (dis.reploe-tibl), a. —ably, ad. berueht onfatsoenlijk. —ation (tee'sjun) , —e 1-re-pjoet'), a. kwade naam; schande; oneer. Disrespect (die-re-speet'), a. oneerbiedigheid —, v. a. oneerbiedig behandelen. —ful, a. —fully, ad. oneerbiedig. Disrobe (diz-roob'), v. a. ontkleeden; ontblooten. Disruption (die-rup'sjun), a. vaneenscheuren. Dissatist action (dis-set-ie-fek'sjun), a. ontevredenheid, onvoldaanheid. —aetory, a. onvoldoend. —y (-set'is-faj), v. a. onbevredigd laten, niet vcldoen. Dissect (die.s-ekt'), v. a. ontleden. —ible, a. ontleedbaar. —ion (-sek'sjun), a. ontleding. —or, e. ontleder. Disseiz e (die-siez' t, v. a. nit het bezit etooten. —ee s. die nit het bezit geatooten is. . —in, a. wederreebtelijite berooving. —or, a. die iemand ult het bezit stoot. Disseanbl ance (din-sem'blena), a. verschil. —e (-sem'b1), v. a. veinan, vertrclen; v. n. huichelen. —er (-sem'blur), s. veinzer. —ing, a. —inglY ad. huiehelachtig. Dif,sen.ina te (dis-semi-neet), v. a. verspreiden. —tion (-nee'sjun), s. veropreiding. —tor, a. verapreider. Dissensi on (dis-een'sjun), a. oneenigheid, verdeldheid. —out I-ejus), a. twistziek. Dissent Idis-sent'), a. verschil van gevoelen; arscheiding. —, v. n. in meaning verschillen; zich atscheiden. —aneout (-tee'ni-us), a. afwijkend, tegenetrijdig. —er, s. andersgezinde; algescheidene. —tent (-sen'sjent), a. verechilland. Dissertation (din-sur-tee'sjunl, a. verhandeling. Disserve (die-surv'), v, a. ondienst doer; benadeelen. Disservice (dis-sur'vis), a. ondienat, nadeel. —able, a. ondienstig. Dissever (die-eev'ur), v. a. vaneen acheiden —ance, a. echeiding. Dissiden ce (dis'81-dens► , a. oneenigheid. —t, a. oneenig. Dissillent (die-mil'jent), a vaneen eprIngend. Ulssimll ar (die-rsim'i-ler), a. ougeltjk. —arity 1-ler'it-tih)„ —itude (411-tjoed), a. ongeltilcheld. Dlaelmislation (die-slm-joe-lee'sjun), a. veinzert,

In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]
In order to attend the Meeting, bearer or dematerialized shareholders shall deposit their shares at the Corporation’s principal place of business register them in an approved establishment, not less than five (5) working days before the date set for the Meeting. Shareholders with registered shares shall be listed in the Corporation’s ledger or registered shares not less than five (5) working days before the date of the meeting and shall notify the Corporation in writing of their intention to attend the Meeting by the same deadline, indicating the number of shares of which they shall avail themselves. solvay.com
Oregon (or'e.gan),g. Oregon. Orl gen (or'i-dzjen), m. Origenes. --11000 to-rlno'kok g. Orinoco. —on (o-rsynn), my. Orion. Orkneys (ork'n1z), g. the —, de Orkadieche elLinden. Orleans (or'11-euz), g Orleans. Orpheus (orljoes), my. Orpheus. Osiris (o-sania), my. Osiris. Ousian (001-en), nn. Ovalan. Ostrogoth (osstro-loth), i Oust Goth. Otaheite (o-te•hajt' •hajt'i), g. Otaheite. Otho(o'tho), tn. Otto. Otide (oed), g. Oude. Ovid (ov'id), tn. Ovidius. Owen (Win), m. Owen. Oxford (3zslurd), g. Oxford.

Wat is Blockchain goed voor


N1 EA- —NES. lee Member (.1,eal'bur), a, lid, ded; medelid. baatzu..ht. —y, a. Neil, gehtturd ; inhalig ; a. knurling. a. lidmaatschap . Membranaceous (mem -bre-nee'sjus), a. vliezig, Mercer (mur'sur), a. kramer; handelaar in zijdeu en wollen stoffen. —y, s. kramerij; zkjden en vliesachtig. wollen etoffen. Menrbran e (mcm'breen). s. thes. —eous (-bree'Merchandise (muetsjen•dajz),.s.koopmanschep; ni-us), —out (-bre-nus), a. vliezig, vliesachtig. koopwaar. —, v. n. handel druven. Memento (me- men'to), s. herinnering, weak; Merchant (rauetsjent), a. koopman.'—man, !coopgedeukteeken. Memoir (me•moje, mem'wer). s. gedenkschrift; vaardijschip. —able, a. verkoopbaar, gewild. pl. gedenkwaardigheden. —line, R. near koopmansstiji. -a, vertoog; verslag. Memor able (mem'ur-ribl), a. —ably, ad. gedenk- Merci ful (mur'si- foel), a. —fully, ad. barmhartig. —fulness, s. barmhartigheid. —less, a. —lastly, waardig. — antlum (iren'dum), s. vertoog; aanad. onbarnehartig. —lesaness, s. onbermhartigheid. teekening.—book,aanteekenboekje.—ative (-e-tie), a. herinnerend; hertnnerings-, —sal (me-mo'ri-el), Mercurial (mer-eloe'ri-el), a. van (met) kwi' - • zilver; levendig, vlug; aanwtzend. s. levendig a. herinnerend; a. gedenkstuk, -teeken, • schrift; (me mo'ri-el-ht), —ialist mensch; kwikmiddel. —ize (-aja), v. a. met kwik. verslag; verweeschrift. daortrekken, e. echrijver van een gedenkschrift, verzoekschrift of verslag. —ialize a. a. een Itlercury (mur'kjoe-rih), s. Mercurius, bode; kw ik, -.jiver; levendigheid. verzoekschrift (verslag) aenbieden. —ize (-ajz), v. a. opteekenen, in 't geheugen prenten. —y, s. Mercy (mur'sih), a. barmhartigheid, genade; wilgeheugen; herinnering; aandeneen. lekeur. —seat, troon der genade. Mend (murd), e. vail, drek. Men (men), pl, meuschen; mannen. v. a. dreigen, Mere (mier'), a. meer; greets. —, a. —ly, ad. boater, Menace (men'es), s. bedreiging. enkel, bloat, slechts. bedreigen. —r. a. dreiger. Menacle (men'ikl), a. uithouder. ". tig ; ebtedir7e l'elliejk(.m2rnees-st,rtsi 1;Ot a ' crAgi.dh; 'ber,c1 Menage (me-naazj , , —rie. —ry (.na'zje-rih), a. diergaarde, menagerie. gelijkheid. lelenagogue (men'e-gog), s. stondenbevorderend Merganser ( - mer-gen'-zur), a. dulkeend. Merge (murdzj), v. a. indompelen; v. n. verzinken. middel. Men aid (men'ed), —ild, a. bontgevlakt (van rtieridl an (me-rid'i-en), a. van de middaghoogte; midday-; hoogst; s. midday; -him, merldiaan; toprot wil 1). , v. a. verbeteren; verstellen, lappunt. —one/ (-un-e1), a. van de mtddagltjn, zuideMend (inend ► lijk. —ionality (-un-el'It-tit), s. zuidelijke stand, pen. — one's pace, anen tred versnellen. — , middaghoogte. v. n. beter warden. —able, a. verbeterlijk; verstelbaar. —er, s. verbeteraar; versteller, lapper. Merino (me-ri'no), s. merino-schaap; merinos. Mendaci oua (men-dee'sjus). a. leugcnachtig. Merit (mer'it), s. verdiensto. —, v. a. verdienen. —or;ous, a. —oriously, ad. (-i-to'ri-us.), verdien• —ty (-des'it-till), a. leugenachtighei d.. stelijk. —oriouanese (-i-to'ri-us-), a. verdiensteMe ndlc an cy (men'di-ken-sth), s.bede/arij. —ant, a. bedelend, doodarm; a. bedelaar; bedelmonnik. lijkheid. —ate (-beet), v. a. bedelen. —ity (-dis'it-tih), a. Merl tnot (mer'l-tut), s. schommel, Edinger. Merl c (murl'), a. morel. —in, s.steenvalk. —on bedelarij. (-un),.. tinne, plat. Menial (,:ii"ni-el), a. gering, dienstbaar, knechs. dienstbode. Mermaid (muemeed(, s. meermin. —'s-trumpet, telijk. /Meninges (me.niu'dzjiez), p1. hersenvliezen. zeeslak. Merman (murimen),.. meerman. Menlecaeaa (ma.nis'kao), s. holbolle lens. Merri ly (mer'ri - lih), a. aruolijk. — meat, — aces, Mcniver (nlen'i-var), a. zeker siberisch bout. (me-nol'id-zjih), a. maandweizer. s. vreagde, vroolijkheid. Menology M ensal (men'eel), a. de tate' betreffend. —es Merry (reeerih), a. vroolijk, kortewijlig. (ornate zich vroolijk maken. —andrew, heuswerst. (.siez), p1. maandstonden. —n.aking, s. vroolijke partij. —thought, vortvorMenatru al (men'siroe-e1), —out, a. ma indemig borstbeen (van een' vogel). kleine lijkseh; snaand-, —suit, a. de atonden hebbend. mug. a. oplossend middel. nen.ura hie (mens'joe-ribl),a. meetbaar. — bility ratersion (mur'sjun), a. indompeling. (-re-bil'it-tih), e. n.eetbaarheid. —/, a. van (ale) Meseeins (mi-sierne), v. i. nag duskt. eene meat. —te ( - reel), v. a. metro. —tion !-ree , Mesenter lc (mez'en-ter-ik), a. vau het darmvlies. —y, a. darmvlies. O..), F. meting. Mental (men'tel), a. — 1?1. ad. aerstalidelki h. ; inner - Mesh (meaj'), s. meas. —,v. a. vangen, veretrikken. 13,jk, stilzwijgend. —y, a. bettormig. Mention (men'sjun), s. melding. —, v. a. mel- Meslio (meznin), a. & s. Zie Matins, den, vermelden, ge•ag maken van. Mesne (mien), a. tusschenkomend, midden. Mephit in —ical, a. atinkend, ye, Mess (mess'), a. gerecht; poetic; tafel; sehotel; bak; pestend. —is (Mlle), —Um (-neeri tizm), s. mengelmoea; voile boel. —boy, bakajongen.—mate, bakagaat. —, v. n. rah erten. aao den bak e ten. kende uitdempieg. M era el ous (me-ree'ejus),a.helder,klaar;krachtig. Message (mea'aidzj), F. boodschap. Mercantile (mur'ken-til), a. handela-. Messenger (mes'sin.dzjur), a. bode ;kabellaring. ercenvr iness (mur'se-ne•ri nee.), a. v Messiah (moo-s sj'e), s. Measles.

cryptogeld 99designs


Krnnk, bv. ill, indisposed, dizeand, sick. —bed, with currants. —eukakker, punctilious person crazy, mad. —hoof- coward ; close-fieted fellow. eick-bed. —hoofdig, craziness, madness. —eine Keep (Ozer, 0. crisping-iron. —pee, ov. w. to digheid, madhouse, crisp. nige, madman; —ngestieht, Krenk, v. —el, v. fold, wrinkle, rumple, crumple, lunatic asylum, bedlam. Kiranke, m. & v. patient, sick parson. —nbezoek, pucker. —elen, —en, or. & on. w. to wrinkle, to rumple, to crumple, to pucker, to ruffie. visit to a patient. —nbezoeker, comforter. —nbe—elig, be. crumpled, ruffled. —er, m. rumpler, zorger, overseer of an initreaery. —nbewaareter, erompler, ruiner. —ing, v. rumpling, crumpling, nurse. ruffling. Kraal& held. v. —te, v. illness, indisposition, Kreutlers, on. w, to groan, to whimper. eich disease, sicaoess. Kraus, m. wreath, garland; cornice, festoon; t. w. (can) to care, to mind. chaplet; circle, club, society. — kruid, sweet Krenpei, be. cripple, lame. — loopen, to halt. —beach, ticket, copse. —gra., knot-grass. —boat, marjoram. —lijat, cornice. —werk, festoons. —en. underwood, — riins, doggerel - rhyme. — achtig, ha. or. w. to wreathe, to garland. o. circle, somewhat lame. —held, v. crippleness, lamene.s. club, society. Kraut, v. newspaper, gazette, paper. —enberieht, Krene„ v. notch, cross-groove; core. advertiserneht, newspaper - report, — endruhker, Keevel, v itch, itching. —en, ov. w. to itch, to prick. —kruld, —sand, herb (seed) that causes are printer of a newspaper. —endruaerii, newspaperprinting-office. —enjongen, news - boy. —eniezer, itching. —fag, v. iich, itchinr. reader of a newspaper. —enntan, news-man. —en- Keib , v. manger, crib ; shrew, scold. —werk, bavtn. nreuws, news, newspapeereports. Kceibbe„ v manger, crib. —bijten, to have the Keep. v. madder ; clesp ; pork 'a eteak. Kresp. Xrapies, bw. closely ; tightly; narrowly, tick. --biter, crib-champing horse, crib-biter; crabbed (peevish, irritable; person. —bigster, scarcely, sparingly. —kat, shrew, scold, irritable woman. Kraig. by. hale, vigourous. brisk. Krebbelen, ov. w. to scrawl, to scribble; on. Kens, kris en —, by all that is holy. w. to be always quarrelsome. %erne., v. scratch. —Nen, on. w. to scratch, to scrape ; to croak; to spatter. —get, pocket-hole. Krlbb ere, on. w. to be peevish, — cross ; to --rjzer, worm. —her, m. scratcher, scraper; worm; quarrel. — ig, by. peevish, froward, irritable, fretful. —igheid, v. peevishness, fretfulness. sorry fiddler. Kraal, o. hindpart, movable hack (of a cart, etc.). Kriebel en, on. w. to itch, to prick. —schrift, cramped writing. Krtiter, m. creter. Kinney, v. scratch, —el, nil. crooked fork, cramp. Kriek„ a. cricket; black cherry, —eboom, blackiron ; nail, clutch, paw. —en, cv. w. to scratch; cherry-tree. Krleken, on. w. to dawn. —, o. day-break, scratcher; —liter, v. to rebuke; to extort. —er, m. dawn. reviler; extortioner. o. trash, Kriel, 111. & a. dwarf, pigmy, shrimp. Krentonr, 0. creature. stuff, refine, outshot. —haan, guinea-cork; —hen, Kreb, v. Zie Krib. openen guinea-hen zie KrIeltje. —, ha. petulant, wanKradiet„ o. credit; trust ; esteem. een on. w. to swarm, to crowd, to be full letter of ton. —en, bfj, to lodge a credit with. —brief, of. —held, v. petulance. wantonness. —tje, o. credit. Kireelt, m. lobster; crab; cancer. —engang, crab 's small chicken of a small breed. walk ; den — gaan, to go backwards. —sdieht, Kriernel sae, m. —aareter, v. trifler, sluggard; haggler. —en, on. w. to lounge, to idle; to hagpalindrome. --soog, crab 'a eye. —ssehaar, claws gle. --ig, by. sluggish, slow. of a oobster. Kreek, v. creek, cove, bay. Krieuveel, v. itch, itching. —en, on. w. to itch, Kroel, v. lace, edging, galloon, —en, ov. W. to to prick. —ing, v. itch, itching. Krieael, v. (tiny) bit, little. !ace, to edge. Kr1,10e, m. war. — voeren, to make (to wage) war. Kreet, m. cry, outcry, shriek. —voerend, belligerent, at war, engaged in war. Kregel, by. & bw. fretful ( - 13, CrOhS (Ay). peevish peevish kop, —zoehtig. warlike. — a - tin eam.),—artskei, article ar,Fcry ( - ily), crabbed ( - 1y). — of war; —bonier, —vaan, banner; — basuin. — Ma per,on. crab. --heid, v. fretfulness, croseness, raca, —trompet. war-trumpet ; —bedrijf, —daad, pevie,hlierm. — iy, ho. Zie Kregel. —igheid. v. feat of arms, exploit, achievement, warlike acZie Krogelheld. tion; —behoeften, —voorraad, ammunition ; —be. K retie, m. circle. —Orievert, circular letters. leid. tactics, military talent ; —betide, troop ; ra. cricket. —en, on. w. to chirrup. —bode, herald; —boutokettet. engineering, fortifiKrssrg, o. carrion. cation ; —bouwicundige, —bouterneester. engineer; Kering on, ov. & on. w. to careen, to heel, to —deugd, military virtue, heroism; —dieeet, give topping to ; to bend sideways ; to higgle. mervice ; —eed, military oath ; —eer, mili—lag, v. careening, heeling. tary honor; —fakkel, torch of war; —gebrizik, cusKrenk en, or. w. to hurt, to grieve, to mortify, tom of war; —gedruisch, —rumoer,tclamor (din, 1,, 'offend. to prejudice, to !More. --end, by, oftumult) of war; --geluk. chances of war, military fensive, hurtful, (to). — er, m. offender. injurer. success; —gereedsehap, inetruments'of war, — ing, v. grieving; grief, offence ; mortification. K re n t, v. currant. —enbrood,—enkoek, bread (cake) warlike implementfo—geroep,war-cry,war-whoop;
smettelijk. joe-us-), s. helderheid, duidelijkheid, klaarheid. Pestillen ce (peeti-lens), a. pestziekte, pest. —t, —ou, a, —ously, ad. espik'joe-1,heider, duidelijk, —tial (-len'sjel), a. pestaardig; verpestend, beklaar. (pur-spajeibl), a. uitwasembaar; smettelijk, boonaardig, verderfelijk. Pernbir able a. uitwa- Peatillation (pee-til-lee'sjun), a. lijnstamping, (-e uitwasemend. Pestle (pes'elr, a. vijzelstamper. sembaarheld. —anion (-spi-ree i ejun;, a. uttwatte- Pet (pee). a. gemelijkheid, kwade hula-, —utory ( e-tur-rih), a. de ming. — afire lieveling, troetelkind. —, v. a. vertroele pp uitwaseming bevorderend. —e, v. a. & n. nit- t. lam; elen wasetnen; zweeten. a. verbanning (pet'el), a. bloemblad. Persian dable (per-swee'dibl), a. overreedbaar. Petal (in het oude Syracuse). —aus, a. hiaderig. (to); —de (sweed'), v. a. overredea, overhalen (-at- petard (pe-taard'), a. springbus. overtuigen (of I. —der, a. overreder. —aibility breedgerande hoed; Marc a. (pet'e-sue), petasits bil'it-tih), s. overreedbaarheid; lichtgeloovigheid. eius-hoed; (boort van) koepel. (-sibl),a.overreedbaar;lichtgeloovig.—sion —fever, slakLeitte;s.overreding;overtutging.—streaa.—szte y, Petechial (pe-tVki-e1), a. gevlekt. koorts. ed. (-siv-), —sory, a. overredend; overtulgeimPeter (pi tar), a. Petru Pieter; mantelzak. --boat, —sivenees 1-siv-}, s. overredingskracht gevat; visscher8boot. —man, visacher op den Teems. Pert (purl', a. —4, , ad. wakker, levendik, Wij! ,- —pence, St. Pieterspenning. —wort, peterkruid. neuswijs; vrijpostig, onbeschaamd. a. Peti, air (pet'i-o-ler), a. van den bladateel. —ate Petrol urns; onbeschaam (-let), a nit den bladateel groeiend. —e (-oo1), v. n. behooren, aangoan. Pertain (pur-teeu"), ad. e. bladateel. Pertlnaci sans (pur-ti-nee'sjus), a. —.sly, (pet'ih), a. klein, Bering, halastarrig, hardnekkig. —ousness, a. — ty (-nes' Petit Petition (pe-tisj'un), a. verzoekschrift; verzoek. it-t1h), a. haisstarrigheid, hardnekkitheid. v. a. verzoeken, meek., —are, a. verzotie. geechiktheid, —cy, (pueti-nens), Pertinen re —er, a. verzoeker; adreasant. tend, smeekend. dienatig, paaeend., —tly, ad. a. gepa,theid. —t. Petre (prturl, s. Lie Nitre. gepast. --torso, a. Lie Pertinence. S. raking , —t, rettrei (pet'ril, pi'trill, s. stormvogel. Pertingen cy (pe-tres'sent), a. versteenend. Petrescent a. raliend. action (pe-tri-fek'sjun), —ication Pertness (purt'neW, a. wakkeeheid, gevatheid, petril kee'ejun), s. eteenwording; venteening. —active, neuewijsheid; driestheid, (pe-tririk), a. versteenend. —y (pet'ri-faj), Perturb (pur-turb'), —ate (-eel), v. a. store,', v. a. & u. vereteen.n. verontrusten. —ation (-bee'ejun),s.verontrusting; stoornis; verwarrink • —.ter (puetur- bes-tur), Petrol (pi'trol), —eunt(pe-tro'li-um), s. steenolie. Petrottel (peeruu-uel), a. ruiterpistool. —er, s. versteorder; verontruster. Petticoat (pet'ti-koot), a. vrouwenrok. —governBat• Pertuallou (pur-tjoe'zjun), 8. doorboring, pruikmaker. meld, vrouwenregeering. —ho/d.konkelleen.—penu. pruik. —maker, Peruke (per'oek). .ianer, galant, die onderhouden wordt. (pe-roe'zel), a. do,rbladering, doortePerils til m. den advokaat epelen, zing. —e, v. a doorbladereu, doorlezen; onder - Pettifog (pet-ti'fog), v. beunhazen. —per, a. slecht advokaat, rechtsver zoeken. —er, s. lezer; onderzoeker. Pern'eltsobark (pi-roe'vjen-baark). a. kinabast. draaier.—gery,s.rechtsverdraaiing,haarklooverii. petti 'sees ( et'ti-ness), a. kleinheid, geringheid . Perva de (pur-veed'), v. a. doordringer.—eiOn ty, ad. gemelijk; korzelig. —tallness, —ish, a. g —ire (-vee (vee'zjun), a. doordringin. s. gemelijkhe(d. —Roes (-tooz), pl. pooten van doordringend, ad. verkeer i; een speenvarken. —aely, se (puevurte), a. Perver Petty (peetih), a. klein, kering, onbeduidend. o halestarrig,8tug;verdorvennood.—seness,--sitar, -dip. (-vur'sjun), —chaps, brotaardnachtegaal. —coy, gemeerfroers. verkeerdheid; verdorvenheid. —gods, ondergoden. — jury, kleinet jury. 8. ornkeerIng; bederving. —sive, a. omkeerend; kruid. — madder, kruisblad. verdraaien; be- — ledger, briefportenboek. bedervend. v. a. oYnkeeren, walatroo. — mullein, wolkruid. — pan, derven, verleiden. —ter, a. verdraaier; bederver. — muguet, —tible (-vurt'ibl), a. te verdraaien; te beder- taartpan. —Rhine,beneden-Rn. — sparge,'wolfsven. melk. — tally, seheepsportie. — whin, atalkruid.
all over, to rummage. to examine narrowly. —ing, v. close examination, pertinisition. Doorspekken, or. w. to lard, to interlard, to intersperse. Doorepelen, or. w. to play through; on. w. to play on. Dooreptlite.n, or. & on. w. to split asunder. Doorspeant en, ov. w. to wash (to rinse) through, to rinse out, on. w. to flow through. —lug, v. flowing through.: current. Dooreporen. on. w. to pass, to traverse, to go through (by railway). Door sprank, v. sounding of an orgen-pipe -oefore the flaps are premised down. —epreken, on. w, to speak on; to sound before the flaps are pressed down. Dooreprengen, ou w. to leap through. Dooretaan, or. w. to endure, to muster', to suffer, to go through. Fen sekip lutes —, to hold course, to let the ship run. Doorstampan or. w. to stamp through; to make hole (to bruise, to mingle) by stamping; on. w. to continue stomping; to stamp quickly. Doon,lappen, on. w. to step through; to mend one 'a pare, to walk at a pretty rate. Doorateek, m, plate where a dike is pierced. Dooratek en, or. w. to put (to stick) through, to perforate, to open; to pierce; to suit), to run through. —er, m. piercer. —ing, v. perforation; piercing; stabbing. Doorsteveimsn, on. w. Zie Doorzeileosi'. Deorstoonion, sn. w. Zie Doorsporen. Doc.ratooten, or. w. to thrust (to push) through; to break by pushing against; ole vender Doorstektn. Dooratra1 en. ov. w, to shine through, to fill with rays; so illuminate; on. w. to shine (to , adtate) through; to circulate. —ing, v. circulation. Doorstrijken, or, w. to dash out, to erase, to efface; to rebuke, to teke through hand; to gall (to wear off) by smoothing; on. w..to steal away, , to abscond. Door.trosespelese, on. w. to stumble through, to pass stumbling. Doorstr,,orescsn, on. W. to flow (to run, to utreant) through. IDooretuditerso, ov. w. to study thoroughly; on. w. to continue studying. Doorstutiven, on. w. to fall through; to let duet fall through. Doorstoreo, ov. w. to utter through. Doorankketen, on. w. to pas loitering, to continue loitering. Doorsollee., ov. w. to chafe —, to gall (to wear off) by sliding; on. w. to glide (to elide) through. Doortaaten, or. w. to grope through; to pry into, to examine narrowly; on• w. to grope through; to take decisive naeasuros. —d, by. effectual, decisive; energetic. Doortiotelen, or. w. to tingle with, to move, to affect. teraortmeht, m. passage, march, course. Doortrappem, or. w. to break by trampling upon; to tread thoroughly; o •. w. to continue trampling. —t, br. crafty, arch, —Meld, v. craftiness, craft, slyness.
shabby (-Hy), slovenly. school tear —loose kinderen, ragged-school. —loosheid, v. indigence; raggedness, shabbiness, slovenliness. Haven, v. harbor, port, haven. —dam, jetty. —geld, harbor-dues. —hoofd,mole,pler. —meester, harbor-master, port-reeve. —stad, port-town. linvenen, ov. w. to clean, to wash and dress; to use (to treat) ill, to drab; to ruffle; to cut up. Haver, v. oate. —akker, oat-field. —bier, oat, beer. —pap, oatraeal-porridge.—esch,wild ash-tree. —pot, grits. —list, oat-chest. —klap, on, ern —, for a straw. —hark, oatcake, bannosk. --reel, oet-meal. —atroo, oat-straw. —oak, sack for oats. Ileac znaat,—zate, v• enuntry-seat, manor. m. hawk, raker-hawk.—afrek, hawk's till. —rkruid, hawk-weed. —sneus, aquiline nose. —astern. hieraciten. o. game of hazard. Hazel mar, an hazel (-tree). filbert-tree; —*bock, grove of hazel-trees; —shout, hazel-wood; —troedje, hazel-twig. —hoes, wood-cork, woodhen. —noot, hazel-nut, filbert. —noteboons, hazelnut tree, filbert-tree. —wortel, hazel-wort. Hazen distal, m. hare-thistle. —jacht, v. herehunting. —koo, m. hare's head; sax-comb, fop; simpleton. —leper. o. form of a hare. — lip, v. m. —pad, a. het — kiezen, to ta bs to 0116% heels. —poot, nn. hare-foot; covvard. —sloop, m. dog's sleep. —spoor, o. track (trate) of a hare, —rel y o. hare's skin. —wind, m. greyhound. Haze peper, v. hare-ragoo. —eprong, m. bare's leap; hind leg of a hare. He, tow. oh! eight boy! hey! I say) liellanefatla, by. covetous. —betel, v. covetousneas. Ilebbelkjk, by. & bw. habitual (1y); becoming (-Iy). — heid, v. habit, costum; becomingnesa. liebben, or. w. to have, er niet veal can —, not to be touch the batter for it. ik toil het —, it ifs my will- tepee wien hebt gU het? whom do you atm at? Hetzucht, v. avidity, covetousness. —ig, by. covetous, rapacious, greedy. Hecht, o, handle, haft. --, be. solid, firm, strong, tight. Hecht en, ov. vv. to fasten, to attach, to join; to stitch, to baste; waarde aan, to set a value upon; on. w. to stick. eich —en aan, to attach one's self te,to cling to.—balk,joint-beam.—naald, suture. —scald, stitching-needle. —pleister, sticking-plaster, c‘urt-plaster. —rank, tendril, clasp. Illechtents, v. custody, confinement, detention. in — neaten, to arrest, to apprehend. v, solidity, firmness, tightness. —ing, v. fastening, attaching, joining. —*el, o. fastening, ligature. Heden, bw. to-day, this day. — acend, this e‘ening. -- veer [over] aeht (veertien) dagen, this day week fortnight). — ten dugs, now-a-days. —daags, bw. now a days. —deagseb, be. modern. Heel, he. whole, entire; sound; healed, reserved. - bw. wholly, entirely, fully; very,much.—Auids, bw. unhurt, safe and sound, with a whole skin.
Ml 1t-- MID. 533 Merei, V. blalthird. Itliet000r, rn. meteor. ov. w. to moor, to belay, Meter, ..triluthef• 111ialrg , u. marrow; pith, qui ntwoience. —been,—pitp, Rile ter, tn. meantrer,gativr; meter.—ertje \ o.ruler. marrow-bone. —houdend, marzowy. —Pepel„ Mei- gametal, m. --lin, v. companion. —trekker, marrow-lade. —achtig, by. marrow- not twig, v. measuringomeaentement; gauging. like, inarrowy. Met r tell, v. metrics. —itrh, by. nintrierl. m. marl —aorde, rattily earth. —graver., Meteet ear, us. mason, bricklayer; —*Oak, bed; marier. —hail, steen, marl-r.tone. —sknecht. journernati-mvon. v. masonry. —acAtig, be. like marl, marly. —en, DC. W. to —ett, ov. w. to to niche,, to MM., on. w. manure with marl. to to ina,on 's work. — homer, reason 's hot-nicer. lilleiriettaass, in. meridian. —talk, mortar. —steen, brick. —week, masonry, /Reek, o, mark; sign, token. brick-w•rk. Mcrkbatar, be. & bw. perceptible (-oly), visible Olsettnn, v. me. matins. torte — molten, to make ( - bly), obvious Hr. no ceronorty. "emend de -- learn, to chide (to MerkvalUk, be. & bor. Zie Aftnan.ekelltik. ret..uke, to i.,:cture) a. o. neck co, or. w. to 'nark; tie lie•nterken itleAter (toad, be'. indeed, rtally.. in fact. —fiyd, —User, oiarking-iron, — jab', .may kinK-tols. —ha- ow. in time. Ire procetos of time. —woos, biv. torn, marking-cotton, —lop, nampler. —letter, rich --restigen, to fix one 'a abode, to pill up. eignature. —90aald, marking-n

cryptogeld India nieuws


—kar0, v. printing-office. —king, v. precsare. —sea, o. 1. rage, stamp, copy. —te, v, hurry of business; bustle. Drop, m. Zie Drop. —pen, on, vv. Zie Druipen. Oruppel, m. —se, on. w. ZicanderDroppel. Dubbel, be. & bw. doable (-bly). —e deur, foldine-doors.o. double; copy. —Aartig, by. & ed, double-hearted, false (-Iy), bw. double-fac treacherous I-1y). —hartiyheid, double-dealing, duplicity, falseness. —schadusoigen, amphiscii. —tongig, he. & bw. Zie Dubbpibarvig. —zinnig, essiblguous , equivocal, double-minded. —zin,ssighefa, ambiguity, equivocalness —en, ov. w. to doable; to sheathe (eta schip). —ing, v. doubling; sheathing. —tje, o. two-pence, piece (If two ethers. Dubb en, on. w. to doubt, to hesitate. --er, m. doubter. —ing, v. doubting; heeitailou. Dubloen, m. doubloon. Ducht °v. w. to fear, to dread, to apprehend. —ig, be. & bw. strong (-1y), sound (.1y). —jag, v. fear, dread appreheneion. Duel, a. duel, single coinbat. —leeren, on. W. to duel, to light a single combat. —let, m. dueller, duellist Dol. by. fusty, musty. Dult'el, o duftle -:ech, be. duffel. Duiffig, be. fusty, musty. —held, v. fustiness, M1181.113.d.
428 Break bear, by. fragile, brittle. —bacirkeid, 11. fragility, brittleness. —beitel., —User, iron-crow, crow-bar. —spel, trouble-feast. mar-joy. —tuts, breaking-tools. Breetinv en, so. w, to calk; to bring about. —kisser, calking-hammer. —veer, —men, calkingiron, ealkin. —.tort, calking-Pox, —er, m. calker; —sknecht, calker's hel pin Ate. Breidel, m. bridle, curb; check, restraint. —ex, ov. W. to bridle, to curb, to check, to restrain. —loot, bv. Zie Tengelloos. Brat en, ov. w. to knit. —garen. knitting-yarn. —geld —loon, knittage, money paid for knitting. knitt , ng-sheath. —katoen, knitting-rotton. —kind. child that learns knittiag. —Aloe, knitting-bobbin. —koker, knitting-needle-ease. —kous, stocking being knitted. —metres, —rrouw, woman that teaches knitting. —rreisje, knittinggirl. —naead. knittiog-needle. —school, knittingschool. —stock, knitting-stitch. —werk, knitting-tool, knitting-wool, -worsted. —oak, knittingbag. —er, ster, v. knitter. Brain, o. brain. —onlateking, brain-fever. —flies, meninge. —loos, bv. brAinlees. Reek *beim, 112. & v. bengler, nobler. —ers.oe. w. to break; to reti t; to violate; on. w . to break, to snap; to glow dial ;ran de owe); het Os —, to break the ice. to pave the way; reel woordon den halt —, to talk e great deal to no purpose; sick Aet hoofd — met, to break one's head stout. —er, m. breaker. —ing, v. breaking; refraction. Brew. v. pickle, brine; broom, geniota, farce. gentsta. Bre ws, v. gorse fly, gad fly. ilrenig en, ov. w. to bring, to carry, to convey, to conduct; tide laten —, to take a carriage; het ter —, to have great success, to cork one 's way up; tot iets, to induce (to engage), to something. —or, in. —ster, V. lo Inger, carrier; hearer. Bras, v. build". sehieten, to breach, to batter in breach. in de — sprinpen roar, to intervene for, to defend. Bretelc, v. me. gallowses, straps, suspenders, 13treuk, v. break, breskin,r, fracture, rupture; traction; hernia. —band, tr,:sis; —.akar, Untomaker. —tneester, hernia-carer. Drover, o. patent, brevet, warrant. ['reviler, o. breviary; brevier. Brief, ;n. letter, epistle; flake (aan de kr.ars). 1hr —, by letter. — speldon, pin card, raper of pins. rondgaande eircu,ar. —draper, letter-carrier. —loon, — pert, postage. —sehrijeer. writer of a letter, correspondent. — afiji, epi.tolaty ely.e. —wisseliwg, correspondence. —le, o. note, letter; ticket, billet. Brier, v. breeze. Briesch en, on w. to Leigh; to roar. —ing, 0. neighing; rearing. Brieven. m. mv . open. —, letters patent. —bestiller, letter-carrier, postman. —bock, letterbook; letter-copy-book. —hue, letter-box. —dohker, —drekker. letter-presser, letter-clasp. —geld, postage. —maul, mail. —osolag, wrapper, envelop. —post, mail; postman. —tank, letter-case; rocket-book, portfolio. —.rah, letter bag.

cryptogeld zilliqa


illisistest, v. barrier. Hamel, rn. wetter. Eirenteve.r, Rs. hammer, mallet, pick. —bUt, battleaxe. —4:40?e, hammering-mill. — slag, stroke (blow) of a hammer ; scales, dross of iron. —We!, handle of a hammer. —en, no. & on. w. to hammer. Hand, v. hand. — aan — goon, to go hand to hand, — side by side. —over —, more and more, iemand de — bourn let /loofa /louden, to mapeort, to patronize. de — oftrekken von, to withdraw one 'a protection from, de -- greet, to shake hands with. de — in hot spa hebben, to hove a hand in it. de — itclv'en met, to hatoreer (to bungle) op. de leg/yen aan to slue the tintehing stroke loaf ate to. de —en oan het tverk staan, to put the band to -work. de —on cute sieh zelven mean, to lay VIO• teat hands open (to make away with) one 'a self. ann does (omen), to furni,h, to enggest, to intimate. aan de tvinnew de — zijn, to be in to thriving way, to prosper. bij de —, at hand; stirring, visilAe; nemen, to take in hand, to unclever, not to be dertake; — zipt, to be quick, played the fool with. in (le — rotten, to exceed tone's expevt,t , on. ova hebben, to hove to do, under —en hebben, to be at, to be busy with antler
Coinbase has lost my money twice now. Once was due to an old account that, thanks to a bug in their verification process, I cannot re-authenticate. I bought 1 bitcoin back when they were only about $50 each with Coinbase. That money is gone forever now. And I acknowledge that it’s my fault that I did not set up a forwarding email with Coinbase, their support just refused to help. The second time was a month ago. I made a trade on Coinbase, and for some reason, the app glitched to think I have 5x more money than I actually… Read more »

Heeft Coinbase gebruiken Blockchain


capital puoiehment, pain of death. —string, necklace; halter, rope; quinsy, squinancy. neck - piece. — lalie, tack - tackle. — vrtead, — triesdin, bosom- friend. --seen'e, capital crime. — zed, Arap„ shoulder - belt. Meister, m. halter. Unit, v. halt. — &Aden, to halt, to make a halt, to stop. alleavesertera, ON. NV. to halve, to divide into halves. IItsive-stateron, v. half-moon• crescent. Halwerwegam, bw. half-way. 111,aleezolless, ova w. to new-foot. linleen, to. me. red - weede. — , on. w. to drudge; to draw tiet the lia!eers; to veer. hams, v. ham, —meiee., ham-tone. —meet, hamgrease.
In preparing this little work for the press I have contemplated the supplying a want sensibly felt by our young students of English, especially by those who have no daily opportunity of eon. suiting a master. It has been my design to adopt this hook not only to the use of beginners bet also to that at the higher schools in our country. By a judicious use of the scope allotted to me I have endeavored to render this Dictionary as comprehensive as possible, and have exerted myself to give the greatest quantity of useful matter in the most condensed form. Therefore I trust it will be found to contain more words, Anglicisms and prepositions than any Dictionary of equal compass. Muth care has been taken in exhibiting the pronunciation of the English part. To those who are no strangers to this department of literature I need scarcely observe that my task was rather difficult, the more so as there is much diversity with respect to the pronuncletionofmany words. For this part I have had recourse principally to the Dictionaries of Worcester and Webster. Respecting words of various or disputed pronunciation 1 have either indicated the different modes or given that which is in accordance with the best usage, as far as it is possible to know this from personal observation. Much attention has been bestowed on the insertion of numerous prepositions that govern. and pronouns. They have been carefully compiled and arranged from the newest and best Mstionaries, Grammars and Manuals and will be found to take up no small portion of the work; and as the verbs active and neuter are easefully distinguished this point may be deemed a material end valuable improvement and one well calculated to enhance the usefulness of this Dictionary. Though having bestowed upon this book a great deal of labor, research and care I am well aware that it is in various respects defective. Apologizing for the typographical errors which, despite every effort to be accurate, may no doubt be detected in it, I venture to hope that it will receive an equitable judgment. How far I have euceeeded I humbly leave to others to decide, but if to all that are engaged in acquiring or teaching the English language this Dictionary shall prove an acceptable and useful assistant, I shall not regret having devoted my leisure hours to its preparation. T . P.
Jesus (dzji'sus). m Jens. Jewry (dzjoe'r1h), (r. (hut) Joodsche land. Jezabel (dzjez'e-bel), w. Jrzabsl. Jin ((Win"), - ny, f. voor Jane. Joan (dzjoon), v.. Johanna. Job (dzjoob)., m. Job. Joceiln (Jzjoslin),m. Justus, Joost. Joe idujo). f. voor Joseph. John Onion'), m. Jobannec, Jan. —ny, f. tour John; Jamie. —son (-en), m. Johnson. —.ton (• sin), m. Johnston. Jan all (dzka'ne), —as, m. Jona. Jones. Joraathau (dzjon",then), m. J onathan. Jordan (dzIor'drn), g. Jordaan. Joseph (dzjo'zif), m. Joust. Joshua (dzjotroa-e), in. Josua. Jove (dzjoos), my. Jupiter, Juititin. Jud a (dzjoe'del, —ah, m. Juda. ( lz ;.), r. Jodendom. —as, on. Judas. —ea (- di'e), 5. Judea. —ith (-nth). w. Judith. Jug (dzj ugh f. toot Joan; Jans. Jail a (dzjoe'll e), v. Julia. —an, no Julianus. ook —era (-ee'ne), w. Juliana. —era (• g. Gulik. —et (-et), w, Julia, Juliet. m.
INI .—INS. 480 Integer ea, ov. w. to lay in garnison, to quarter. dial (-1y), fervent ( ly). —heid, v. siererity, cor—log, v. quartering. diality,fervor. lining gen, or. w. to lay (to put) in; to lay up; Inning, v. receiving, collection.1 to narrow; to pickle, to preserve; to inlay; to Inoogat en, ov. w. to reap, to gather (in). —ing, contribute, to stake; (met) to reap of, to gain v. leaping, gathering (in). by. —ger, m. preserver; inlayer; contributor. Inpakk en, or. w. to pack (up), to embale. —ging, v. laying in, — up; narrowing;picking, —er, m. pocker.—ing,v. packing (up). preserving; inlaying; contribution. —set, o. in- Inpallon an, or. w. to tuck in; to engross; to laid work, marquetry. receive by instalments. —lag, v. enrossing. Inlaid en, or. tr. to lead In, — into; to intro- Inpreseen, or. w. to try; on. w. to fit in. duce, to usher tn. —er, nr. introducer. —ing, v. Inpeperen, or. w. to season with pepper; to introduction. requite, to make smart for. Inlever en, or. w. to deliver, to preeent. —lap, v. Inperson, or. w. to press in, — into. delivery, presentation. Inplant ow ) or. w. to implant; to inculcate. Ifullehe nem, ov. W. to inform, to explain to. — lag, v. implantation; inculcation. —lag. v. information. Imployien, ev. w. to groave, to channel. Inliggeu, on. w. to be quartered. Ives% iemaed Inprofiren, or. & on. w. to hurl in, — into. —, to cross a. o. 's designs —el, by. inclos- Inplukken, ov. w. to pluck (to pull) in. ed. Inponspeu, or. w. to pump in; to infuse. ov. w. to put into a frame; to place Inpoten, ov. w. to plant in. on a list. Inprangen,ov. w. to cram in, — into. lialijv en, or. w. to incorporate. —lag, v. incor- Impraten, or. w. to persuade (to engage) to. poration. Inpreekell. or. w. to exhort to, to preach up. belokkesz, ov. w. to entice (to deco!) in. Inprent en, or. w. to imprint —, to laminate Inlooda ell, or. W. to pilot in. —bog, Y. pilot(on, upon), to impress (on. with(, to instill (Into). ing in. —ing, v. imprinting, impression, inculcation. baloop, m. running in, entrance. —en, ow. W. Inprappen, or. w. to cram in, — into. to overtake; on. w. to run into, to enter, to Lupo:liken, on. w. to rink, drop in; to take up less space; (egos elhander —, Inrskelen, or. w. to cover with ashes. to be inconsistent, to clash.. lnraken, on. w. to get in. Infuse en, uv. w. to ransom, to redeem. —or, In iregenen, onp. w. to rein in. m. ransomer, redeemer. —tog, v. redemption. Incekenen, or. w. to cover with ashes; to take Inluition, or, w, to announce the beginning in; to catch, to apprehend. of.... by ringing the town-bells. Irarnunen, on. w. to enter at fall gallop. Ininnak, v. Zee Inenaking. o. pickles, Inrichtt en, or. w. to dispose, to arrange, to preserves. nettle, to adapt. —ing. v, disposition, arrangeInnutk en, ov, w. to pickle, to preserve. —ing, ment; institution. v. pickling, preserving. InrUden, ov. w. to overtake; to break by riding Inman en, ov. w. to demand, to get by dauagainst; on. w. to ride In, to enter on horseback. nting. —er, m. demander, dun. —ing, v. demanding, InrUg en, or. w. to lace. —ing, v. lacing. dunning. InrUten, ov. & on. w. Zielnscheuran. lunteng en, or. w. to intermix, to infuse; via Cairn, m. riding in, entrance on horseback. t. w. to meddle (wick). —ing, v. intermixt- Inroolen, or. & on. w. to overtake; to row in, ton; meddltng. —set, o. intermixture, ingredient. — into. Inuaet.tn, on. w. to b3 lessened in measuring, to Inroep en, or. w. to sail in, to summon; to diminish by being measured. invoke. —ing, v, summoning; invocation. Inmetaeltn 4 ov. w. to fix into a wall, to im- Inroer en, or. or. to mix, to intermix, to minmure, to surround with a wall, gle. —lag, v. intermixtion, mingling. Inusiddels, bw. in the mean time. Introeaten, on. w. to rust. Inankinen, ov. w. to call in at an auction). Inrollen, or. & on. w. to roll in, — into. uneuffelion, or. w. to muftis, — up. Iurond, o. interior circular opening. Inuiond en, on. ;w. to discharge, tonmpiy into. Inrull on,or. w. to barter, to truck, to exchange. —ing, v. discharging, junction. —ing, v. barter, truck, exchange. Innreal en, or. to new (up), to stitch; to :Make 'lamina en, or. w. to yield, to give up,to etch' „ shorter. to concede, to grant; to evacuate. —lap, v. Innen' en, or. w. to take (iv); to conquer; to yielding, conceding; evacuation. load, to take on board; to lodge; to make nar- Inrukk en, ov. w. to pull in; on. w. to march rower; to take up, to occupy, to fill; to charm, into, to invade. --ing, v. entrance, irruption, to captivate; on. w. to take phyinc. —end, by. inroad, invasion. charming, lovely. —endheut, v. charmingnees, Inachenk en, or. w, to pour out, to flit. —ing, lovelinest. —er en. taker, captor, conqueror. v. pouring oat, filling. —kg, v. taking tin), reception, capture.! Inechop en, or. w. to chip, to embark; tick —, Innen. ov.w. to receive, to collect. t. w. to embark. —log, v. shipping, embarkment. InnariUk, hr. inner, inward, internalaintrinsic. Inseheppen, ov. w. to put in (with a ladle, ate.). —, law. inwardly, internally. Inecherp en, or. w. to imprint —, to inculcate Innig, by. & bw. sincere (-Iy ► , earnest (-13, ), cur- (on, upon), to instill (into). —lag, r. inculcation.
u ilJblety (joe-bare-tih), a plaataelijkhaid. Ublegiutit atry (joe-hik'wi-te-tih), —out, a. alumtegenwourft. —y. a, a1omtegenv,00rdigheid. Udder (nd'dar), a. uier. Udoesseter (joe-dom't-tor), e. regenmeter. Uiti ltiy (aglii-lth), ad. —2/, a. --inns ( - Iines.), a. ieelijkheid. Ult•r (ul'aur), a. zweer. —ate (-net), v. n. & (down) zwven. (-ec'sj ue), a. zwering, yerzwering. —ad (-surd,„ a tot nano zweer gewerden. —nue, a. vol zwereu. Uliginouts (joe-lld'ajt-nu'(. a. alijkig tectiderig. (ullidzj), e. aanyalling (v/oar lekkage). U‘terior (ul-ti'ri-ur), genatzijdath. venter. Ultima ate (uPti-met), a. laatat; Vera;. --ately, ad. ten alotte. ---ration (-rnee'ajon), —atom tuna), a. laatste — yoorwaarde. —.o, ad. van da vorige maand,pasaato Ultra. (uPtre), a. uitetat, ultra. —marine (-merlon), a, overzeesch; a. bergblaut, —onontane (-mon'ten), a. aan gene Ode tier bergen liggend. —tesundane (-xnun'tlen), a. boyenaardsch, butter& de went& 1LIkultasiots (ul-joe-lee'ajun), gehuil. Umbel (um'bil), a, acherm, Mauro. —tar (-ler), a. achermvormig. —late (-tet), —liferous a. bloemachernadragend. Umber (um'burl, a. omber (vettatot). —, v. a. mot umber kleureu. —ed (•burd), a. gebruind, geachaduwd. Uants1110 (um-bil'ik), a. navel: middelpunt. —at, a. navel-; cIrd, navelatreng.
(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.
—idokje, hare-bell. -400rts, spring-fever. —lied, vernal-song, —Need, spring-time air, vernal air. —emend, spring-month, March. —incrusts, morning in spring, —nachterexing, vernal equinox. —tijel , spring-time. —weer, spring weather. —son, vernal sun. Leaman, on. w. to free; to harpoon; on. w. to *Qua, to spoon. Lip, m. kick. Lepel, in. spoon, ladle; charger; (can een haat) ear. --bled, bowl (of a spoon;; spodn-wort, scurvygrass. —host, —.Aft, spoon-meat. —steel, handle (of a spoon). —stok, handle (of a charger). —link, small piece of artillery. —vet, spoonful. —sucAt, want of food. —ear, m. spoon-bill. —en, on. ar. to eat with a spoon Lap pen, ov. w. to rip, to lap; to bib; to kick (the ball). —lam, pet-lamb. —per, m. sipper, lapper. Lepperen, ov. & on. w. to sip, to lap, to bib. Leprome, by. leprous.—, m. leper.—heid,v. leprosy. ',ern:manhole, o. hospital for lepers. ',crater, v. eipper,.leprer. Lee, v. lesson; precept ; lecture. {emend de — lesen, to lecture (to rebuke) a. o. —heck, lesson book. —geefster, —veer, private teacher. Leach lank, us. —tray, cooler, quenching-tub. —drank, cooling (refreshing) drink. —water, quenching weter. Lesseb en, sue. w. to quen,b, to slake, —er, m. quencher. —ing, v. quenching, slaking. Leesieurteer, na. desk. Letsef, o. hindrance, impediment, obstacle; butt, injury, damage. Letters, oc. w. to hinder, to keep from; to ail; on, w. (op) to mind. to attend to. Letter, v, letter, character; ttjpe. naar de —, literally. —hoes, lettered man. —bake, latter-blokken, hard study. —bode, literary messenger. ecroitich. —diet, plagiary, pirate. —diefstal.—dieverii, plagiarism. —dash, nain.pier. —druk, impression, letterpress. —gieter, letterfounder. —oieterti.lettor-foundary. —greep, syllable. —held, man of letters, eminent Monitor. —heist, speckled wood. —has, letter cane. —heir, —kearclicht, —vergetting, anagram. —kennie, learnlag, erudition. —kloek, lettered. —kunde, literature. —kundio, literary, lettered. —kundioe, man of letters, literary man. —kunst, grammar. —boaters/Jar, gramtnarten. —nterk, character. —minnaar, lover of literature. —nieutee, literary news. —oefening, study, literary occupation. —schrift, writing (in letters). —.Oder, —steker, type-cutter. —soort, sort of types. —teeken, sr• cert. —wipe, knowing the letters; — in, having the knock of. —setten, composition. —setter, compositor. —sifter, caviller, critic. —sifterv, —sifting. cavilling, criticism. —en, v. . inv.letters, literature; awe — your letter, yoar favor. de fraaie —,, polite literature; in de — atadeeren, to study literature —en, ov, a. to letter, to mark. —10k, be. bw. literal (-1y). —tje, o. little lettar; eels — sekrtiven, to write a fevelines, to drop a line. Cougop, v. lie. —bank, comnany of liars. —facet, —tap, —sok, arrant liar. - Frofeet, false prophet.
b fur •WOrea. —achtig, by. eoopery. --- en, by. copper, brass, brazen. —en, on. w. to copper. K oplo, v. copy, imitation, —beck, copy-hook. 'inspirer en, or. w. to copy, to transcribe. —geld, —loon, copy-money. —machine, copying-press. —week, copy-writing. Koos' 1st, m, copier, copying-clerk. Kopij, v. copy, manuscrtpt. —re,cht, copy-right. o. cup. KoPP. 1 , m• stri.g, leash; thong, strap, belt, o. couple. pair, brace. —aar, m, baldrick. —nuttier, v, pimp, pander, oswd, procurer, gobetween.—or(j.v. pimpirgo making up of matches. en— on. w. to couple, to match; to join; een gekoppeld huwelijk, a made-up watch. —teeken, hyphen. —woord, copula; conjunctien. v. coupling, matching. joining; copulation. Kemp on. w' to cup. —gins, cup, cuppingglass. —per, m. copper. Kipp pares...0/1g., rn. ;one Monday. Kopp4g, be. bw. heady (-lip, obstinate (-Iy), b born (-Iy). a. headineee, obstinacy, mtubbornness. Kopping, v. cupping. Horned, in. chorister. —meester, ehiot olager. Ke^ tresat.% u. bead. —, a. coral. —afloat, coral agate. —bank, —rif„coral- re,af.—boons,coral-tree.—krxiii, coral- -eort. —vieiehef, coral-river, -fisher. —viestherij, eora:41.hery. —achtig, be. coraltine. Ktivainess, be- coral, coralline. Kos, re, me. Koran. Korleroi-1, m. corbel. iherors4)1,er, rn. Conte:ter. Korr:irm,o cordon, line of troop,. Rowels, on. w. to retch, to beck, to vomit.. Ki:ororre, o. corn, grain. —oar, ear of corn. —akker, —veld, corn field. —bran,co,n-ex,hanice. —bijter, —bout, cora-weevil, celonder, —Mout, the like the corn flower, ,.labs blue. —Moon, core-flower, blue-bottle; (roods) c 'ern-rose. —brander, dietiller. distillCry. Orandcwijn, brand y.—rlorseder, throatier. —drafter. corn-porter. --gaffel, pinch-fort:. —g,rf, —cch6of, sheaf of corn —halm, cornorteilk. —handet, corn-trade. —liandelaar, —keeper, COI n-rntrehAut, .chandler. —harp, corn • dome. —hoop, heap of corn. —hula, —.hoot., granary. —hi4ze„ coat, chair, boil. —kre. grass-hopper. —land, corn- la, d, field. —lick • ter, corn-lighter. —mower, —reaps, —motat,cornmewsure. —rnagnrys, corn-magazine. —markt, corn-market. —meter, CO:a-MeasUrer; corn-meter. —waren, coreorniti. —000st, earn-harvest. —root, corn-roeo. —schwa, corn-balance. —whip, cornahlp, corn.shoyel. —sikkel, reaping-hook, scythe. —wan, wonnow. —wanizer, winnower. corn-weevil. —zak, corn-beg. —solder., carn-loft., granary. Wort', ra, biteket, hamper, dorrer, frail. Korte*Inie., m. wocd-cook, —hea, wood-hen. Koriarkder, in. coriander. Kortiol, v. pollen. Kornet, m. cornet, ensign, —, v. cornet, buglehorn. o. cornet. tioratfie, v. cornice, Karr nekike, v. dog berty,corneU an cherry. --town. cornal•tree, contelion tree.

Dorser (dor'eur), s. draagkorf. Dose ((loos), a, arteenljmaat, dosie. —, v. a. artsenij afpassen (toedienen). v. a. atippen. Dot (dot), a. stip, punt. Dota ge (do'tidzI), s. sufferigheid; verzothetd. —/, a, tot de buwelijksgift behoorend. —rd (-turd), a. suffer, oude gek. notation (do-tee'sjun).8. begiftiging; bruldachat. Dot a (doot'). v. n. stiffen. (upon) verzot Ain op. —er, a. suffer; verliefde gek. —tog, a. —ittgly, ad. mal verliefd. Dottard (doeturd), s. dwergboom. Dotterel (dot-tur'll), s. piuvier (vogel). Douaneer ;doe-e-nier'), a. tolbesenbte. Double (dub'b1), a. dubbel; bedriegelilk. —,s.dukbel; duplikaaat; . kunstgreep. —barreled, met dubbelen loop. —biting, —edged, tweesnijdend.--btock, tweeschijfsblok. —buttoned, met twee rijen knoopen. —capatern, dubbele seal. —charge, v. a. dubbel voorzien. —chin onderkin. —dealer, valachaard. —dealing, valachbeid, bedrog. —diamondknot, dubbele valreepsknoop. —eyed, bedriege10 uitziende. —faced, huichelachtig, —handed, dubbelhandig; bedriegelijk. —headed, dubbele headed-shot, kneppelkogel. bloemen dragend. —hearted, dnbbelhartig. —laid, kabelelag. —leaf, tweeblad. —lock, op het nachtslet sluiten. —meaning. a. dubbelzinnig; s. dubbelzinnigheid. —minded, dubbelhartig; bealuitelooe. —mouthed, —tongued, valach, arglistig. —natured, van sane dubbele natuur. —plea, dubbele verdediging. — quarrel, klacht over den blsschop bij den aarts bisschop. —rope, waarlooze schoothoren. —tack, dubbele halo. Double (dub'b11, v. a. verdubbelen; horhalen; omvouwen; omatevenen; v. n. dubbel warden; wenden; loopjes gebruiken. —nese, a. dubbelheid. —r, a. verdubbelaar. —t (-lit), a. borstrok; warngevangents. sues, dubbelworr twee; atone Doubling' (dub'l eng), a. verdubbeling; draaiett. — of the bitt, betinglap. — of a sail, stootlap cp een nil. —nails, huidspijkers. Doubloon (dub-loen'), a. dubloen. Doubly (dub'lih), ad. dubbel; valach. Doubt (daut'(, s. twijfel; weifeIlng; aehroom; v. a. betwijfelen; mistrouwen; v. n. err, aan. twijfelen; weifelen. —er, a. twijfelaar. —ful, a. —fully, ad, twijfelachtig; °tinker. —fatness, twijfelachtigheid; oneetierheid. —ing/y, ad. twijfelend. —leas, a. —levity, ad. ongetwejfeld. Dough (do"), a. deeg; 4geld. —baked, halfgebakken. —y, a. deegachtig, pappig. Doughtiness (dau'ti-ness), s. kloekheid. —y, a. kloek, onverschrokken. Douse (daus), v. a. & n. in bet water plompen. Dove (day'), s. duif. —cot, —house, duivenkot. —like, zachtmoedig. —tail, a. zwalawstaart; v. a. met zwaluwstaarten waken. Dowager (daaw'e-dzjur), a. adellijke weduwe; deuartere. Dowdy (dauw'dih), a. slat. —, a. slonsig. Dower (dauw'ur) —y, a. bruidechat; weduwgoed. —ed, a. met weduwgoed (huweNkegift) beschonken. —less, a. zonder ulteet (fortutn). Dowlas (dauwnes), a. soort van pot linnen. Down (daatue), a. dons; duin; opens vlakte.

STE.—STI. 287 ter sluik. —ily, ad. eteelswjjze. —y, a. heimelijk. caste letter last; v. R. stereotypeeren, met vekte Steam (atiemi), a. stoom, damp. —bath, damp- druk en. bad. —boat, atoomboot. —boiler, stoomketel. Stern (stWII), a. onvruchtbaar. —ity (ete-r11 9 ,1t-earriage,stoomwagen.—enetneottoomweretnig. tih),, s. onvruchtbaarheid. —ire ajz), v. a. on-navigation, ttoomvaert. —racket, stoompeket- vruchtbaar meken. boot. —press, snalpers. —snip, —vessel, atoom- Sterling istuelieng)., a. eeht,proefhoudand,Wiehtig. 'whip. —tug, sleepboot. —valve, stoomk Lep, —whistle, etoemflnitje. —, v. a. uitstoornen; v. Stern (sturn'), a. eehtersclatp,, -eteven. —chases n. etoomen, dampen; — with heat, mien, tieren pl. jagers aehtemit. booteleper. —frame, (van toorn). —er, s, stoornhoot. —y, a. dam- I achterwerk. —gallery, weetergang. —part, achterpig, vol etoom of wasem. poort. —post, achtersteven. —seats, pl. doften, Stearine kajuit. —sheets. roertalies, etuurrepen. —sidea. etearine. talkstof. Stesinte (sti'e-tajt), 8- spekateen. timber, windveer. —timber, hekettjl. —transom, Steed katied), a. etrijdros, her.gmt, bekbalk. —way, 'heti deinzen. hielen. Steel (mien, a. staler,, van steal. —, a. staid; Stern (scum'), a. —ly. ad. strong; stroef; hard; onstaalmidde.). —yard, nosier. v. R. harden, verleuttrzaam. —most, a. achterate. —ness, s. strengstalen; (against) verharden; ophitsen. —er, bed; etroetheld; hardvochtigheid. —on, —ton a. boratheen. , spatgang. —Y., R. ataien, bard; hardnekkig. Steep (ettep'), ad. steti. a. eteilte. Sternuta lion (etur-njoe tee'ejun), a. (het) nte—, v. a. indoopen; weaken- reuten. sen. —live, —tory 1.ejoe'tst-,, a. bet niezen bevor• Steepl e Istle'pl), a. toren, ktokketoren. —chase, derend of verwekkend. —tory (.njoe'te-), s. wedren met hindernissen. --d, a. van torens voormiddel , nieskrutd. ales, Stew (stjee'e s. bedstoof, geatoofd vIeesch; visehvit jver; bordee ; ; °artist, verwareing. —panottoof.. Steep nee% (attep'ness), s. stellte. —y, a. stet'. Steer (shire), P. jonge atter. v. a. & n. etapm, —, v. a. & n. stoves. ren. —age, a. (het( sturen; beatuur, beheer; tug- Steward (stjoe'tirdl, a. opziehter ; rerttmeester; echen• de ktevooronder —er, —sman (stierz'men), a. hofmeesr. er. —ship, a. opzichterschap; eentmeemettrarman. —ing, a. het sturen; — wheel, etnurrad. terschap; hormeesterschap Steeve (stiev), v. a. (den boegspriet platen mprin- Sties ∎ staj'ent, a. otrontje teas het ongitd). gen. ten . zekeren hoek raven; peraen (kateen); v.n. SOliti sal istib'i-ei), R. spiesg .anettehtig. . stall stean. (.piesglans. Siegonography (steg.e-nog're-fihl, a. gehetm- Stich (atilt), s. vers (van den BiJbel). schrijfkunet. Stick (ntik), a. stok; etaafje, POP. str (stellar), —Cry, a. aterre, —ate (-let), Stick (stilt') [stuck], v. a. stelten; besteken; coata. atervormig, els etrelen. —iter—ated, steken; plekken, (on) aanetelter; aanp'akken; v. D. ates P -!lf'ur-ua), R. met sterren hezet. (-jun), s. sinker, hlijven sicken; kleven, zich hechten. (at) sterhagedis. zilch bekteunen otn, ontzten. (by, bijetaen; bij hitt. Stelography (ate-lc/ere-1'1h), s. pilaer,chrift. ven. (out) niteteken; Melt onttregken. (to) eanhar, Stens (stem'), s. atom; stance!; voorste en. —, v. a, ge.n, aankleven; vol harden in. ,upferl de partij opstutter, tegenhouden. the tide, het tij dead. zelnemen van. (up.) b(ijven h&j, stain op. —Incas len. —less,a. stengel loos. et-ness), a. kleverigheid. Stench (sterns), a, stank. Stickle (atik'kl), v. n pang) trekker (for); liveren Stencil (sten'ell), s, petroon (tear bebangeelpafor. in); hardnekkig tvvisten; (between) wenkelert pier); merkplaet. —, v. a. met een patroon (eene tusechen. —back, stekel hears. —r, s. getuige, ijver. merkplsat) drukken. aer; voorvechter. St,nogropla er (ate-nog're-fur), —jet, a. anel- Sticky (stilethi, a. klevertg. sehriper. —y, a. anelechrijfkunet. Still (star!. a —ly, ad. stijf; sterk; hardnekkig; onStentorian (sten-to'ri-en), a. atentora-, luidklinbuigzaam. —hearted, —necked, halestarrlg. kend. Stiffen (stirrn), v. R. & u. (doen, veretijven; (rich) Step (step'), a. step, teed; trade, trap; etoep; epori; vetharden. —er, a. kravatje. maatspoor; e noorstak; vordering. —brother, stieflinens( (etiff'nesel a ettifheid; hardnekkigheid. hroeder. —child, stiefkind. —dame, —mother,stief- Stifle (Stmrtil., kIllefithijf (van een peard). v. monder. —daughter, stteidochter. —father, atiefR. verstikken,emoren; onderdrukken. under. —sister. etiefzueter. —soft, etiefzoort, v. St inane (atig•rne), a. brandmerk, schandvlek.—ttc, a. met stappen nieten; spores; v. n. etappen, lea—Heal (..ntet'ilt1, R. genisndmerkt; geschandvlekt. den; (after) nagaan; (asp to) toetre.len op. —ping—tire )-tojz), v R. brandmerken; echandvlekken. alone, treeeteer; middel. —s, pl. stappen ;flight of Stile (etajli, a. hek, overloop; st41; naald (van een' —, hordes, hooge stoep. ronner Stereoru crons (atur-ko-ree'ajna), a. drekbig; Stiletto (sti-let'tol, a. stilet, dolk. meat-. —ry (stueko-re- eih), a. mestvealt. —lion Still iatill'i, a. st(lte, rout; distilleerkolf.--6em, 1-sjun). a. harvesting. v. a. yerbranden (door distillatie). —house,stokerij. Stereo graphy i-og're-flh), a. afbeeldtng —, a. —ly, ad. cot;; halm. —horn, doodgeboren, van saute lichemen op een slat, —metry (-om'e—life, stillever. —stood, stilstand. —, v. a. etillen; trib), a. meting van caste licharven. distilleeren. ad, nog, steeds; toeh. —aficions Stereo 'mope (et - W• o•skoop(, a, steroescoop. (-e-ttarne), a. druppelend. —atory (-e-tur-rih), s. —type (•ta)p), a, geetereetypeerd; a. stereotype, dietilleerkolf; et nkerij, —er,a. stiller; distill atell r.
hEA League (1leg"), a. verbond; urijl. —, v. n. een verbund aluiten. --r, a. bondgenoot. Leak (liek'), a. lek. —, v. a. laten nitlekken; v. n. lekken. —age, a. lekkage. —y, a. Lek; babbelachtig. Leant (Hem), a. kop: , elband (voorjachthonden). —er, a. lei-, speurhond. Lean (lieu'), a. —ly, ad. wager, schraal; dor; annzalig, —. a. (het) mature (eau vleeach). —netts, a. magerheid, schraalheid. Lean (lien'), v. a. doen leunen; v. n. leunen, ateunen (on, upon)• overhellen, neigen (to). —ingstaff, kruk. —stock, stut, steun. Leap sprong; hespringing. —frog, haasjeover 000). —year, schrikkeljaar. —, v. a. overnpringen, bespringen; v. n. epringen. —er, a. springer, Learn (lurn'), v. a. & n. leeten; vernemen. —eel, a. —edly, ad. geleerd, kundig. —er, a. leerling; —ing, s. geleerdhetd; bedrevenhetd, Leasable (lies'ibl), a. verhuurbaer. Lease (lie a'), a. hour-,pacht contract, huur, pac ht. to let by —, verburen, verpachten. —hold, a. gehutted, gepeeht; s. pachtgoed. —holder, pachter. —, v. a. verpachten, verhuren. Lease (lieu'), v. n. nalezen, inzamelen.—r, s. na• naoogater. Leash (liesno. leis, koppel,riern; drietai. —, v. a. binders, koppelen. Least (lieat), u. kleinste, minute. —,ad.minst. at —, ten minste. not in the —, in het gateel niet. Leather (leth'nr). a. leder. —, a. lederen. —dresser, lederbereider, leertouwer. —seller, lederkooper. —sling, riem. —, v. a. afranselen. —n, a, ledere.- lederachtig, taai. Leave (liev'), a. verlot, vergunning; afecheid. to take French—, tie French. Leave (Hey') [left], v. a. verlaten; laten, nalaten. (off) steken, ophouden; laten varen. (out) nit-, weglaten, verzuinten. —, v. n. ophouden, aflaten. —d, a. gebladerd. Leaven (lev'n), a. zuardeeg. —, v. a. doen rljzen; doordringen, beametten. 1LeavIngs (lievlengz), pl. overblijfsels, uitschot, kliekje. Lecher Ileterur), a. lichtnale, boeleerder. —, v. n. ontuehtig leven. -sue, a. —ously, ad. wellustig, ontuchtig. —ousness, —y, E. geilheid, welluet, ontucht. 1LectIon (lek'ejun), a. lezing; voorlezing. —ary, s. voorleesboeir. Lecture (lekt'joer), a. lezing, voorlezing; etrafpreek. v. a. onderrichten; de lec lezen (for, over); v. n. voorlezingen houden (on). —r, e. yourleZer, lector; hutipprediker. —ship, a, voorlezer-, lectorschap; ambt van hulpprediker. Lecturn (lek'turn), a. leseenaar, lezenaar. Led (led'), part. geleid. —captain, pluitestrijtcer, klaplooper. —horse, handpaard. Ledge (ledzj), a. rand, richel, Nat; laag,schicht; rib, zwalp. Ledger Iledzrur), e. grootboek. Lee (lie'), a. lii, Iowa zijde, —board, liii.waard. —bow, lijboeg- —braces, lijbratoen. —brails,oitouwen aan lij. —leader, veorzeiler under non wind. —lurches, gteringen. —quarters, lijwind-

ataan (in) ; levee (on, upon){ Wu; v000rtduren. veredale.. —anon (-it-inee'ejun), a. taublimeering; --ease, a. heathen; voortduring; lavemonderhoud. vernefling; 'veredeliog. —e, a. —ely. ad . hoog, —eat, a. beataand, stanwelig; inwonend. verheven; indrukwekkend; verrakt with ). —e, v. a. sublintaeren; opdrijven: veredelen. —tuts, Subsoil is .tin'acql), a. ondergrond. gubstanc• Isub'stans), a. zeltstandigheid; stet; —ity (Iini'it-tih), a. verhevenheid, voortreerelijk(het) wesenliike; t bet) vegan; kern; hootdbaheld. etanddeel; bootdinhaud; midAien, besitttng. Subifneation (sub-lin-i-ee'siun), a. onderatreSubatantt al isub•tensajell. a. —ally, ad. selfstand's; lieharnalijk, atofteliik; wezenlijk; hoardSal,Unwind (sob ling'gwel), a. dab onder de sakelijk; krachtig, vest, degeltic; welgeoteld. tong bevindeud. (•ajl-el'it-tih), —alnete, a. selfstandigheid: Subinner (eub-l aioe'ner), —y (subljoe-ne-rib), a. atoffelijkheld; wesenlijkheld; hoofdlakeltkheid; onderoiaansk. h. kracht, mulched. —ale (•8jels), pl. hootdpunten. Submarine sublne-rien'), a. onderseesoh. —ate (-ejl.eet), v. a. verwezenlijken; bewijien; Subneerise (sub •murdsp), v. a. ouderdompeleu; beveatigen. under water settee; v. n. onderduiken. S ablator.; a (cub mura';,v. a. Zie to Submerge. Substantive (subtaten-tiv), a. —ly, ad Whitendig. —, a. telfetandig naemwoord. — ion( juin), a. onderdorepeiing; overstrooming. Subtlelulls ter Isub-mtn'is-tur), —trate (-treet n, Substitu to, itnib'stigjoeti, a. plastagervanger; v. a. toedieneo; ve 8ehaffen; v. n. dienatig (be- surrogaat. —te, v. a. in de pleats ntellen van; ondereehulven. —Lion (-tjoe'sjun), a. plaataverlinipsatian) ziju. vanring; onderachuiving. S ub Oda& ion (sub-misfun). a. onderwerping, berusting, gelatenhaid. —ive, a. —ively, ad. (-male , S abstract (sub-atrekt'), v. a. Zie to Subtract. osiderdanig, ouderworpen, deernoadig. Subbtr uct ion (sub-struk'sjun), —ere (-strukt . —iveness, a. onderdauigheid, anderworpenheid, joer), a. onderbouw; grondslag. Subunit lye (sub .suit'iv), —ory, a. —ority, ad deemoeds opspringend, huppelend. SuI-AE.1f (sob-salt'), v. a. onderwerpen; overlaten Subtend (sub.tend'(, v. a. zich ultatrekken onder. (1.)); v. n. zich onderwerpen (to). Subordina cy (sub or'di.ne..8ih), a. onderge- Subtenn (oub-tens'), s. boogpeae. noixiktheid, onderhoorightid. —te, a. —tely, ad- Subterflu gat (sub-tarltoe ant), —ous.a. onder(•net-), ondergeszitIkt, onderhoorig. —te (-sect), door stroomend a. a. onderg.esthikt makes. —tins (-nee'sjun), a. Subterfuge (aub'tur-fjoedzj), e. nitvlueht, veerwended'. ondergersehlktheid; onderwerping; afklimming; Subterrane (sub-ter-reen'), a. onderaardsche lagere rang. gang, onderaardech gewelf. —an (-ree'nt-en), Suborn (sub-orn'), v. a. verleiden; ornkoopen. —ono (•rseini-us), a. onderaardsch. —er, (-nee'ejun),E. verleiding; onnkooping. —ation Subtil a (aub'till, a. —ely, ad. Ajn. dun, teeder; a. verleider; omkooper. aeherp. —sty til'it-tih), —*nett, a. iljn held, dunSuboyall (8ttb , o'vel), a. bijna eivormlg. held, teederheld; ae herpte. —ixation (-1-zee'oj an), Subpoena (sub-pine), a. dagreardieg (ceder a. vergunning, (het) vluebtig maken; haarklooetrafbedreiging). —, v. a. dagvaarden (wider verij. —Ise (-ajz), a, a. verdunnen, vittehtig wasteer bedreiging). ken; v. haarkleoven. Subprior (nub-yrarur), a. onder prior. Subtle (aut'tl), a. fljn, loos, slew, Hang; Nehery; S u brect or (su b .rek'ter ), 8. onder-rector. spitarondig. —ty. a. itinheld, loosheld,alnwheid; sibrep t ion (sub •rep'sjun), a. Zia Surreption. oeherpninnigheld. Subealt laub'snolt), a. onuersout. Subscribe (sah-tekrajh'), v. a. onderteekenen; Subtract (sub-treke), v. a. *Welon; wegnemen, (frons). —er, a. aftrakker. —ion (-trek'sjun), teat tiltIsachrijven vuor; v. n. teteekenen (to); aftrekking; wegnem.ing; onthouding. ;;en (to). —r, a. ondeyteekenaar; inteekening. Subscription (nub •skrip'sjurt), a. onderteeke- Suburb (sub'etrb), a. vooratad. —an (-urb'en), a. van (in) de vooratad. uing; lateek ,olIng. Subseso ttilwett (sub-sak'quai, a. onderafdeeling. Subvention (sub- ven'sjun), a. hulp, bijstand. Subver 'Ion (sub-ver'sjun), a. omkeering, om—ufive (Ase-tiv), a. volgend. (auh'se - kwem). a. voiging, ver - verwerping. —rive, a, omkeerend, omverwerpend. Subsequen —I, v. a. omkeeren, onive.werpen. —ter, a. omvolkand, later (to). a. volg. verwarper, vernieler. —title, a, omver te werpen, (Rub-burv'), v. a. theses. behalpsaem Stalw -N.rw te vernielen. a. — iency ( - 1 ziin, bevr,r(leren. S tab worker (sub-wurk'ur), a. helper. ittigheitl, bavoillerhjkheid; of haxkelljkta id. die ❑ Succedaneouo (auk-se .dee'ni-us), a. plaatsver—ient, ( - I - ent), a. dienatig, bevorderlijk; dlenstvangend. boar, (to). (auk-sled'), v. a. opvolgen; doen geSu ► old e (stib•sajd'), a. n. sinker,, zakken; *fee- Succeed lukken; v. n. (to) volgen, opvolgen; alarm (is); Inze; bedaren. —once,—eney, a. (het) zlnken, sakgelukken. —et, a. oprolger. ken; afeeming —iary (.8iri-e.rih), a. helpend, coed geondersteunend, help-. --tee (sub'sid-3j.), v. a. Succla• (auk a. gevolg, uttalag; volg, voorapoed. —fat, a. —fully, ad. voorepoeonderstand veneer... —y (eno'std-ih), o. enderdig. —lianas, a. geode 'them voorapoed. --ion stand, toelage. (-aleyun), a. opvolgtng; erfopvolgtng; volgorde; Suhatgaa (auk - WW), v. a. onderteekenen. nakomelingen. —ire, a. opvolgend, op elkander Subsist (sob-slat'), v. a. onderhouden; v. n. be-
Mettle (met't1), s. woad, yaw:, 13vendiglield; etof. Messieurs (meaj'urz), p1. (de) ',waren. —d, —some, R. —somely, ad. moedig, vurig, Messuage (mea'swidzj). e. hula en erve. ijverig. 10∎estizo (mes.trzo), s. Mestiee. zij pasMew (injoe), e. kooi; omheining; meenw. —, v. a. Met (met), part. ontmoet. they are well —, sen goed bij elkander. I op-, insluiten; v. it. ruien; mauwen. —s (mjoez) Meta halls (me.teb'e-eie), a. overgang. —carpus pi yaardenatallen, stoeterti. (met- e-kaar'pue), s. middelhand. —chrontsm (-telt - Mewl (mjeel'), v. n. jankeu, grimmen. — er, a. grimmer, echreeuwer. ro-nizm), s. laterstelling( van datum of j aartal). Mezzotint° ;met-zo-tin'to), s. zwarte kunst. Meinge (mPtidzj), 5. (kolen-) meting; meetloon. Metal (metql), s. *etaal. —lie (me- telnik), a. Minaret (marezin), s. echadeltrte uitdamping. —atic met'ik), a. verpestend. metaal-; metalen; metaalachtig. (-lif'ur-us), a. metaal voortbrengend. —line (-lain), Mica (marke), s. glimmer, mica. —ceous (-kee'sjus), a. glirnmerachtig. a. metalen; metaalaehtig. —list, a. metaalwerker. a. metaalbeschrijving. Mice (mrja), pl. wuizen. —lography —harpist (me-tellur-dejist), a. bergwerkkundige. Michaelmas (mik'eI-mes). a. St. Michiel. llllckle (mik'kl). a. veal. bergwerkkunde. —lurgy Metalep els (met-e-lep'slii, a. neamverwiseeling. Micro 008M (maykro-kozm), a. wereld in bet klein; naensch. —meter (-krom'i-tur), s. vverktuig —tic, a. omgezet. —heal y (-tik1-1111), ad. oor tot het meten van kleineruimten. —scope (-akooik), naamverwieseling. a. mikrosko,p. —acopic,—seopical, a. --scop;catly, Metamorphos m (met-e-mor'foos), v. a. v ervorad. (-skoplit-), van (met) bet mikroskoop. men (into), van gedaante doen v lranderen. —is, a. Mid (mid'), a. middeu, micidelat; middelbaar. —age, gednanteverwiseeling. middelbare leeftijd; lieden van middelbaren beefMetaphor (met'-e.littr),s. overdrachtelijke spreek—course, halfweg. —day, a. middag; a. van tijd. ad. (-forik.), over—ical, a. —acally, wijze. —ic, den middag. —heaven, middelhemel. —land, a. draehtelijk, beeldaprakig. binuen in het land, tniddellandsch. --leg, midMetaphres e (met - e-frets), a. letter/Ake vertadeq van het been. —lent., haltvasten. —night, a. ling. —tic (-fres'tik), a. letterlijk, woordelijk. middernacht; a. middernachteltjk. —rib, mnidelMetaphysic (met-e-fleik), —al.. a. —ally, ad. rib (in een bled). —riff, middelrif. —sea, midboventiatuurkundig. —ian (-fi-zisj'en), a. bovendellandsche zee. —ship, midde sichip. —ship-beam, natuurkundige. -a, a. bovennatuurkunde. zeilbalk. —ship- frame, groot spent. —shipman, Metaplasni (raet'e-plezm), a. letterverelastaing. adelboret, vlaggejonker. —strips, a. midscheeps„ Metastasis (me-teete.sts), s. ziekteverplaateing. —stream, midden van den stroom. —summer, zuMetatarsus (rnet-e-taar'sus), a. middelvoet. merzonneetand. —summer-day, St. J ansdag. —way, Metathesis (rat-teth'i-sis), a. letterverplaatsing. a. halfweg; a. in hat midden gelegen; ad. hal—wand, meat—stick, Mete (miet'),s. meat; pens. verwege. —wife, vroedvrouw. —wifery, a. vroedstoic —. v. a. meten, afpassen. kunde. —winter, winterzonneatand. Metempsychosis (ine-temp•si-ko s sis) , a. zielsMiddle (mid'd1), a. middea. —, a. midden, midverheizing. delet; middelbaar. —aged, van middelbaren beefMeteor (mrti-ur),s.luchtverschijneel.—ic (-or'ik), tijd. —ages, middeleeuwen. —man, tueschenpera. van lechtverechtnselen; helder; kortstondig. soon. —sired, van niiddelbare grootte. —most, a. —elite (-or'o-/ajt), a. inehtsteen. —oligical middelet. (•er-o-lod'zjikl),s.. van luchtverschijnaelen; weer. Middling (mid'inieng), a. —ly, ad. middelniakundig. Meteorolog ist(mi-ti-o-rol'ud-zjist),Fs.weerkun - tig, tamelijk. Midi le (midzj), a. mug. dige, —y, a. beasts ran den dampkring; weerkunde. midMeteornseope (mi-ti-or'o-skoop), a. afstands- Mkt moat (mid'moost); a. middelst. —at, a. de.lst; a. midden; prp. to midden van. —ward meter ( , 00r hemellichamen). (-word), a. midden-; ad. in bet midden. Meter (miet'ur), a. meter. Mien (mien), a. voorkomen, utteritjk; blik. Metheglin (me-theglin), s. mede (drank). Miff (mif'), a. kwade luim, misnoegdheid. —, Methinks (mi-thinks'), v. i. anti duukt. v. a. kwetaen, kreuken. —y, a. gemelijk. Method (meth'ud), a. wijze, leerwijze, orde. —ac, Might (malt'), a. rnacht, gezag, kraeht. with — —ical, a. —ically, ad. (me.thod'ik-), etelaelmatig, (-i-need, a. machand main, met elle maeht. gele'deltik. —ism, a, leer der Methodisten. —ist, ad. y, a. machtig, var. tigheid; hoogheid. s. Methodist. —ire (-ajz), v. a. stelselmatig inmogend; voortreffelijk; gewichtig. —y, ad. zee, richten; rangschikken. Migniard (rniniurd), a. 'Lie Miniard. ltilethought (mi-thaoti„ v. i. mij dacht. Meton Jc (me-ton'lk), a. van den maateirkel. Mignonette (min-Jo-net"), s. reseda. —lion —ymicat (met-o-nim'ikl), a. beeldsprakig. —ynty Migra to (maygreet), v. n. verhuizen. (-gree'ejun), a. verhuizing. —tory (-gre-tur-rih), a, (-im-in1h), a. woordverwiseeling. Metop e (met'o-pit), a. tuseehendiepte. —oscOPY verhuizend• zwervend. Mich (miltej), a. meikgevend. (-poi'ko-pih), a. gelaatkunde. a. —/y, ad. zacht; zachtzinnige, Metr a (mi'tur), a. voet ► aat, metrum. —ical, a. Mild (reajld"), toegevend. —noes, e. zachtbeid; zachtaardig. —ically, ad. (meerikl-), in dichtmaat. Metropoll s (me-trop'o-lie), a, hoofdetad. —tan held. v. a. met hoofdstad betreffend; Mildew (mil•djoe), a. bonigdauw. (met-ro-pori-ten), a. Bert bie.abar. hnnivi.11, besmetten• aartsbisechoppelijk; s.
a. bitterkoekje; fat, kwast. Macaw (me-kao')„ a. indiaausche papegaai. —tree wnaierpalmboom. Mace (mees'), s. foelie; ataf; knots. —ale, krui erbier. —bearer, stafdrager. —oil, muskaat-olie. —reed, kolfriet. —r, a. pedel, bode; gerechtsdianaar. Macerate (ines'ur-eet), v. a. vermageren; kastijden; werken. —tion (-ee'sjun), a. vermagering; kaatijding; weeking. Machlave' Ian (mek-i-e-vellen), a. machiavelIlatisch, aluw, liatig; a. rnachiavalist. —ism (.'nek'i-e-vel-ittn), 8. mathiavellismus. Machina 1 (mekl-uel), a. werktuigePjlt• —te (-neat', v. a. sazeden, ontwerpen. —ti -n (-nee , ejuni, a. bekuiping; kunstgreep. —tor (-nee-tur), a. t,meder, beramer. Machin e (me-alien"), a. werktuig, machine. —cry, a• machinerte; werktuigkundc. a. machineamaker, machinist. Mackerel (mek'ur-e1), a. makreel; hoerenwaard. —boat, makreelbout. —gals, scherpe wind. —gu.l, lachmeeuw. —line, makreelliju. —mint, vrouwemunt. —sky, blauw an wit gestrePpte lucht. Macro corm (mee'kro-kozm), a. wereld, heelal. —logy (me-kratld-sjih),...wijdloopigheid. —meter (me-krom'i-tur), a. wart van) afstandameter. Mactation (mek-tee'sjun), a. offerelachting. !Uncut a (mek'joe-le), a. vlek. —ate (-let), a. bevlekt. —ate (-lea), v. a. bevlekken. —ation (-lee'sjun), a. bevlekking; smet. —atm res p1. mladruk. —0 ( joel), a. vlek, met. Mad (wed'), a. —ly, ad, gek, dol, uittinnig (with, van); vertoornd (against. at); krankzinnig; verzot (after. for. of. upon). —apple, dol appel. —brain, gek, kranktinnige. —brained, dolzinnig. —butter, harde boter. —cap, dolleman. —fit, vlsag van krankzinnigheid. —flower, steenbloem. —head, dolkop. —headed, dolzinnig. —house, delimits. —man, dolleman, gek. —wort, steenkruid. —, razend maken v. a. & n. dol Madam (med'ern), a. tnevroaw; juffrouvv. razond maMadden (men'dn), v. a. & n. dol
[...] the Debt Agency endeavours to allocate the orders placed by the co-leads and the selling-group members on the basis of the following criteria: 1. the order is placed by an investor who is not yet registered in the ledger of lead managers, 2. the order is of excellent quality and represents true diversification or is placed by an investor whose loyalty the Agency is particularly keen to secure. debtagency.be

Urethra (jos-rrthrs),e. pisbnis. Urge (urtirn„ v. C. dringen; unseals, asus"o• ten ; stark aandringen op; verbitteren; bespoidigen; opatokeu; opgeven, voorwondan; v. n. dringend zip; morwaarts dringen. —sty (-en-sih), a. drang; dringend verzook. —at, a. —ntly, ad. (-ent-1,dringend. r—, a. dringer; aandrtiver. Urin sal (ies'rin el), a. pleglas. --(try (-e-rih), a. pis-. —retire (-ae-tiv), a. pisdrijvend. —ator (-eetur), s. duikes. —e (-tin), s. pis, urine, v. n. wateren, water low. - OUL. a piaaohtig. Urn (urn), e. urn, yeas, k'uik, lijkbus. —, v. a. in erne urn doen. Us (us), pr. pl. our. U sage (jeed'zidzp, a. gebrutk, gewoonte, behan. deltng. —once (-tens), e. gebrulk, use ; interest worker. Use (foes'), a. gebrulk, gewoonte, °arming; nut, voordeel; bahoette; interest. to put to —, op Interest mitten. — (joeV), v. a. gebrutken; uttoofenen; gewennen (to); bejegenen; besoeken; (up) verbruiken ; — the sea, ter use varen; v. n. plegen, gewoon ziju a. --folly, ad. nuttlg, —fulness, a nuttelooa. e. nuttelooahotd. —r (jose-ur), a. gebruiker. Usher (usj'ur), a. iniaider, ceramonle-meseter ; deur 'reorder; onderzoeker. —, v. a. binnenteiden, aannielden; invoeren; aankondigen. Usquebnugh (us-kwe-boa'), s. kruidenbrande. wijn. Ustuinte (ua'tjoe-let), a. zwartgobrand,gasengd. Usti on luat.'jun), a. (het branders, verbrandtng. Usual (joe'zjoe-ell, a. .—ly, ad. gebruliceltjk, gewoon; gewoonlijk, doorgaans. o, gewoonte, gewoonheid. Ucu caption (joe-zjoe-1,,i'ejun), s. voikrijg flg van eigendom door bet verjaringsrecht. —pact (joe'zjoe-frukt), a. vruchtgebruik, —fructsary (-trukt'joe-or-rih), a. vruchtgebrulker. Usur er (joe'ajoe-rue), a. woekeraar, —loss, a. —iougy, ad. (-zjoe'ri-us), woske.eend. Usurp (joe-zurp'), v. a. overweldigen. (-pee'sjuu), a. overweldlging. —sr. a. overweldiger.. —lonely, ad. door overweldiging. Usury (joe'zjoe-rib), a. cocker. Utensil (joe ten'sil), n. gereedachap, werktuig. Uter ine Ijoe'tur-ajn), a. van de baarmoeder, van mnedersztjde. —ns, a. baarmooder. Util it y (joe-ttl'it-tih), a. nottigheid.; —ise (Joe , til-ajs), v. a. eon nuttig gebruik mitten van. Utmost (ut'moost(, a. & e. ultorst, hoogst. Utopian (joe-to'pi-en), hersenschimmlg, denkbeeldig. Utter (ut'tur), a. —Iy, ad. utterot; gehosi, vol. slags!' v. a. uiten, ui.tepreken; openbaren, var. spreiden; in omloop brengen; verkoopen, —able a. nit to spreken. —ante, a. uttiag. uttspraak; mordraeht. —sr. a. uitsprekor; openbaarder; gayer; verkooper. —most, a. & a. ZIA Utmost. Uveeus (j os' vi.us), a. drutrvormig. —coat, druitvital (van het oog). Uvula (joe'vjoe-le), s. keallelietje, huig. Uxorious (ugs-o'rt-us), u. ztjne Trott,' overdreven bemlnneud. —ly, ad. nit overdreven liefde voor One vrouw. —sees, a. overdreven Herds voor One vrouw.

Kun je ZRX kopen op Coinbase


Phoenix (fl'rithe), toy. Phenix. Phrigan (fria'aji-e), g. Phrygte, a. Phrijgiach; 1. Phrygler. Plcnsrdly (pileer.dih), g. Picardie. Piedmont (pied'munt), g. Piemont. —ese (-iez), 1. Premontces. Pilate (paj'let), in. hiatus. Pindar (pin'dur), m. Pindarus. Plantagenet (lien-ted'sje-nit), or. Piantagenat. Plato (plee'ta). m. Plato. Plelad es (plie'e-diez), —a (pli'edz), my. the —, de Pleiades. Pliny (plin'th). Plutarch (pljoetaark), m. Plutarchus. Plymouth (plim'uth), g. Plymouth. Poland (pn'lenclt. g. Poles, —er, 1. Foal, Polak. Pol e (pool), 1. Pool, Polak. —ish, a. Poolsch. Poll (poll?), —y, f. sour Mary; Mietle, Mie. Poly bins (po lib'i-us), tn. Polybius. —carp (pol'i-kaaro), m. Polycarpos. --hymnia (1.1 g. P olymy. Polyhymnia. —nesia nettle. Punreraaafe (oom-e-ree'nl-e), g. Pommeren. —n, a. Pommersch: 1. Pommer. Pomona (po-mo'ne), my. Pomona. Pomp ell (pum•pi'l-aj), g. Pompey m. Pompejua. Pontefract (porefret), g. Pontefract. Pope (poop), ra. Popo. Pontamemomath (poortemuth), g. Portsmouth. Portug al (poortioe-gel) g. Portugal. —um, (-IOW, a. Portugeesch; 1. Portugece, (de; Portugeezen. Potomac (po-to'mek), g. Potomtio. Prague (PraeK), K. Prang. Praxiteiea. Praxiteles (peeks-it'il-lez), Presect (pree'kut), m. Prescot. Peg area (prayera), m. Primus. —or (or), tn. Prior. Prometheus (prom-PtTes), my. Prometheus. Proserpine (pros'nr-pa a), my. Proserpius. Puoteus (pro'tjoes), m. roteue. Pruasia (prusri-e). g. Praisen. —n, a. Pruisisch. 1. Pruitt. Psyche (sarki), Psyche. Ptolemy (tors-mib), no. Ptolemeus. Puglia (pjoella), Pusey (pjoe'zih), in. Piracy. Pylades (pll'e diet), n.. Pilades. Pyren elan (pir-e-nl'en). a. Pyreneesch. —Ho (piee-niez), g. the —, de Pyrenees'. Pythagoras (pi-theg'ur-ea), m. Pythagoras. Pythia (pith'i-e), my. Pythia. Python (parthun), my. Python.
&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.

Hoe krijg je de handel Bitcoin voor contant geld


be. & bw. easy (-11y) ; comfortable (-bly), coinmodious (-Iy). —keiejkheid, v. easiness, facility ; comfortableriese, commodioutiness, —shelve, by. for easiness' sake. tetanal, o. foolery, apart, fun. Geanalin , v. consort, lady, spouse. lioneangel, o. mangling. G oroarsterd, hv.. mannerly, well-bred. —held, v. mannerliness, good breeding. Gentling o. tarrying, lingering. Go mantel. o. tormenting, torturing. Gemarkond, be, masked, covered. — bal, masquerade. Gentestigd„ bv. & he, moderate (-Iy), temperate ( ly). —held, v. moderation, temperance. Genenuesv, o. mewing. Gember, v ginger. emaress, by. & bey. common:(-1y), ordinary (-Hy), usual (-ly); vulgar (Ay). low (-ly), mean (-1y). hebben met, to have -- soidaat, private sotdier. in common with. —, o. vulgar, mob, populace, —making, publishing. —plaate, common-place. —elachtig, common, —matt tribune. Genseettelbost, o. republic, commonwealth. —pesinde, republican. G onesonitile, bw. commonly, usually. Gentrensetbap, v. c :immunity, relation, connection ; intercourse, communication ; society. .--pelkik, by. common, joint; bw. in common, jointly. Goenotente, v. commonalty, community; commune, parieh, church; congregation. Ws der —n, horse of Commons. —besteur,, municipality. —grond, commune, parish ground. —keit, common-hall. cherges of a commune. —lid., member of a community. —road, common-council. —recht, right of common, privilege of the pariah, —school, parish-school. —welds, common. —wet, law regulating the management of the affairs of a commune. Gentrenzaane. be. & bw. familiar (-ly), intimate (-1y). —held, v. familiarity, intimacy. Gemmed, be. mentioned, said. Goneeifik, by. & bw. cross (-1y), peevish (-ly), morose (-1y). —held, v. croseress, peevishness, moroseness. le omorkt, v. w. whereas, since, seeing that, in consideration of, (acme*, O. acre, Gentetsel, o. building. Geneiddold, by. average. — genomen, upon an average. GexnUenter, o. revery, doting, dotage. tionsijteerd, bv. mitred. Genets, o. want, absence (ran. of). Gowned, o. mind, conscience. en —e, in conscience. — saandoening, —sbetoeging, emotion, —saard, —egoteldheid, disposition, temper, turn of mind.,—eruct, tranquillity of mind. —satemming, dispotsition,frame of mind. —el(jk, by. & bw. conscientious (-ly). —elOkheid, v. conecientioustess. Genuseederan„ o. mv. minds, hearts, opinions. Gerneeedlie, be, meek, snit; supple. G ennont (to), be, — gams, to go to meet. — tomes, to inset ; to indulge; to assist. — Toms, to object, xien, to expect.

gezonti veratand. —less, a. --lossly, ad. gevoelciunkead, vervvaand. —taught, a. door zieh aelyen lows; onverstandig. —leseness, a. gevoell00%heid; a. eigenzinnigheid. —willed, onderwezen. onverstand, zinneloosheid. a. eigenzinnig. —wise, a. eigenwija. ad. zelfzsehtig, haat- Sensi Me (een'sibl), a. —bly, ad. beapeurbaar, SeRtleh lsell'isj), a. merkbaar; gevoelig, vatbear; verstandig; overz,chttg. —nes, a. zelfzucht, baatzueht. gd. —bi/ity —b/ene8s,a. becpeurSell (sell') [sold (mould)], v. A. vcrkoopen; (off. bait rheid; gevoeligheid, vathaarheid; gevoel; ver°oh aitvetkoopen; v. n. verkocht woolen. —er, stand. —live, a. —Neely, ad, (- el- tin.), gevoelig; s. verkooper. —plant,kruidje-roer-rne-niet. —tivenees (-ei-tiv Selvage servidzj), a. zelfkant. —d, a gezoomd, a. gevoeligheid. omboord, ruet eeu zelfkan t. Sensor inns (sen-so'ri um), —y (eetteur-rih), a. Selves taelvz), pr. pl. van S ,elf. zetel des gevoel.; zintulg. Semaphore e‘,,at'e-food, a. neintoettel. Sembilan ce (stent'blena), a. gelilkents; achijn. —t, Sensual isen'ajoe-ell, a. —ly, ad. zinnelijlc,vleeec ► elijk. —ist, s. zinnelijk mensch; wellusteling. a. geipkevd. —ity (-el'it tile), a. zinnelijk held. —ice (-ajz), v. a. Semi. (aern'Ilt) [in samenst.], half. zinnelijk makers. Wear, in de volgende sarnenstellingen, de nitepraak niet is aangewezen, dear heett sera den Sentence (een'tena), a. vomit; zinspreuk; volzin. —, v. a. vonniaven, veeoordeel en. 1Cemtoar, —annua/(-en'njoe-e1),a.halfjaarlijksch. —annually (-en'njoa el-lih). ad. halflaarlijk. I Sententious (sen-ten'alus), a. —1y., ad. geditch-annular (• en'njoa-ler), a. halfrond. —barbarous I tenrijk, bondig. —ness, a. spreukrijkheta,bondlgheld. (-baar'be-ros), a. halfbarbaa7sch. --breve, a. heale a. noot. —circle, a. halve cirkel. —circular (-sue- Sentient (aen'sjt- ant), a. gewaarwordend. ;net gevoel betaafd wezen. kjoe.ler), a halfrond. —colon (-kolun), a. kora- mapunt. —diameter (-daj-eval.trir), s. halve mid- I Sentiment (sen'ti-mentl, s. gevoelen; gevoeLgevoeligheid; gewaara nrding; mecning; gezindheid; deltijn. —diton,e -da)'toon), a. kleine tarty.--lunar geditchte; toast. —at (men'tell, a. gevoelig, ge(-Tm'ner), a hal ventaanvormtg. —metal (-met ti). voelvol, sentimentee I. —ality (-tel'it-tth), a. overa. Italtmetaal. —toed, a. halve voet. —pedal (-pi, dreveu gevoeligheid. del) ; a. halfvoets•. —proof, s. halfhewijs. —quaver; a. zesti•ade no,at. —spherical (-afer'ikt), a. half ko- Sentinel (sen'tt-nel). a. schildwacht. halve Sentry (sen't•ih), a. schildwacht. —box, seta' ler—vowel,a. gelvorung. —tone, a. halve toon. huiaje. 'linker. Se :ran al (semii•nel), a. zand-; oorspronkelijk. Separa Isle (sep'e-ribl), a. —hip, ad. scheidbaar. —bleness, a. scheidbaar—bility —ality (-net'it-tih), a. .feelkracht; natuur van held. —te, a. —tely, a.l. atgescheiden, athet zaad. —ari8t (-ne net), a. seminarist. —ar; zonderlij k. —te (• eat), v. a. sel•eiden, anntideren. (-ne-rilt), R. .-W-; a. cearanarie, kweekschool. —tenets a. ofgezonder.lheid. —tion (-real —ation (-nee'sjun). a. zaating; verepreitling. —ifie sjun), a. scheiding, afzondering. --tes t (.re.tist), s. zaadvoorthcengertd. afgeecheidene. —tor (-ree-fur), a. schettler, —t ory Aemptsrvive isein'pnr.,jv), a. matgdrupalm. ( -re-tur-rth), a. scheidend, arzotiderend; — due to, Sempit ern at (arm-pi-tuenel), a. eettavigdurend. attic heldende vat., —ifp, a. eeuvvigdurendloid. Sepia (sVpi - e), a. sepia (brutne verf). Sempster, (aem'at'ael, a. kleermalter. Septment (seplament), a. heining, hex. S.ornapstreas (sein'atre3sj, a. naatster. a. sepoy (inlandach anidaat in Sepoy S en n ry (aen'e- rill), a. zestallig. Britsch.IndiO). Secant a (sen'et,, a. ...near, road; —house, rand- (-a-to'- Sepelseps).s. slanghagedia. tur), a. raadsheer. but. —or ri-el), a. van een' raadsheer. —orship (-e - tur - ), Septang ie (sept'eng gl), a. zeventinek. —ular (-teng'gjoe-leri, a. zevenhoekig. s. raadshevachap. Send (send') [sent]. v. a. zenden; werpen, achieten. September (sop - tent'bur), a. Seatember, herfstmaand. — word, berichten, leten weten. (forth. out) vonrtbrengen; van zich geven; uitzerden. (in, up) Septen airy (sep'tin e-rih), a zeveraallig; a. rev ental. —nial a. zeveniatag. —trion one's name, zich la'en aandienen. —, v. n. zenInn; (-ten'tri-un), s, noorcler. trional (- ten' tri,uti-e1), (feel zemien ore, laten komen. —er, a. tender. a. noordelijk. Senescenee(se-ria."8,8) a . ea r aude r big. Septic (sep'tik),—a/, a. bodervend, verrottend. SPDelietatt (sen'e-sjeli, a hofmeeater. Suptilateral (8ep-ti-let'ur-el), R. ZeVerai3dig• Seogreen ,ren'griettl, a. menegroen, Scull a ,si'Dajl), a. hongbejaard; den ouderdom Septunge nary (aep-tjoe-ed'z)e-ne-rib),a.zeventigjarig; a. zeventigjarige —alma dzjeal-me), s. eigen. —ity (se-nitit tile), as. ouderdom, hoogbederde Zondag voor de Vasten. jaardheid. • Sent 136' (mtnjur), a. cinder, oadate. —ity (-olor'-it- Septuple (sep'tjoepl), a. zevenvoudig. Sepul ehrai (se-parkrel), a graf-; begrafenis, tilt), a. hoogere I eeftijd ; langere diensttiji. —chre (sep'ul-kur), a. graf. —chre (-1tur; ook r asp' Senna limit.), a. senabladeren. ul-kura, v. a„begraven. —tore (aep'ul tjoer), 8. be Sennigh (eettnit), a. richt dagen, week. to-morrow grafenis. rnorgen over acht dagen. Segunci outs (se•kwee'sjus), a. volgzaam, goSensation (seu-see'sjun), s. gewaarwording. Sense (sena"), a. zin; reds, oordeel, verstand; gedwes. —ty (-kwes'it-tih,, e. volgzaamheid, ge• dweebeld voal, heart; hegrip; meentnv; betin ekeni, common

cryptogeld nieuws 247


384 ACH..—ADE. back. —krabben, on. w. to retract. —slum, ten. Aebterkiel, V. stern-keel. w. to kink, to wince, to grow wild. —teres, on. Acisteerk5eip, in. slander, back-biting. —pen, ov. & on. W. to slander, to back- bite. —per, in. —star, w. Zie Interest. —varen, —seiten, on. W. to make stern-way. v. slanderer, back biter. Achterweettel,o. bind-quarter. Aelliterklinttv, m. bind-claw. Achterkieln dcsehter, v. great- granddeughter. &Otters ertrek, o. back room. v. mizzen-flag. —kind, o. great-grandchild. —coon, m. great- Aehte•wlels, Aehtervoeg en, or. w. to add behind, to affix, to grandson. postilx, suffix, —iny, v. adding behind. —set, a. &enter-aeon/4g, by. enspicione. —heid, v. suspiaffix, posttlx, suffix. ciousness. Achtervollg en, ov. w. to follow, to pursue; to Achterkwartler, o. back-quarter; bunt. Actaterlap, m. beel-places, heel. —pen, or. W. to observe; to continue. —ens, bw. successlyelY, consecutively; vz. in pursuance of, conformably heel-piece, to heel. Achterlase, m. cargo at the stern. — hebben, to to. —iny, v. pursuit, prosecution; observance; enceeesiou. want to go to stool (to the privy). As:sheer/Int on, or. W. to leave behind; to omit. Achterweerts, Inv. backwards. Achterwaertsch,bv. backward. —tog, v. leaving behind; omission. Aehterw nicht, T. stern-watch. Atettertederr, o. heel-piece. Achtertssen, o mesue-tenure. —heer,mesue lord. Aehterweg,m. bank-w ay, back-road. blijren to Achtorevese, bw. aside, away. — —wan, under-feudatory, under•tettent. stay away, not to appear, to remain behind. — Achteerlot, by. of eight sorts, eight kinds of. Achterliggen, on, w. to lie behind; to be disre- houffen, to conceal. Aehterwerk, o. back-work; stern-frame; bum. garded. — tie, to be inferior to. Achtersviel, o, hind-wheel. Achtsrl l o. hind-part, back-side. Achterlejk, hr. backward. —ketd, v. backward- AchterwInkel,m, back-shop; recess. Achterzak, m. hind-pocket. nest. Achterzell, o. mizeen-sail. Achterman, en. binder-man; Tear -rankman. Aehterzolder, m. back-loft, back garret. Achtortniddisg, In. afternoon. AchtgevIng, v. attention, beedfuluese. Achternmur, sn. beck-wail. Aeht hook, m. octagon. —iy, by. octagonal, octanAchterna, bw. after, behind; afterwards. gular. fiteehtersteet*, m. great-nephew, second cousin. Achting, v. esteem, regard. —seva4rdig, bi. Zie cousin. second Achternicht, v. great-niece, Achtenswaardlig. Achterone, bw. the back-way about. —hal., or. Aehtjartg, be. sight years old; octennial. w. to smuggle. Achtlanntig, by. octolateral. Actsteronder, o. stern-hold. Achterop, bw. (up) behind; disadvantageous. dee Achttettergrepl7g, by. octosyllabic. Achttanastl, bw. eight times. le —, that is the wrong way, Atobterovoir, hw. backwerde (over), eupinely, on Achtp ender, m. eight-ponder. Aeotreigelleg, be. of eight lines. — tem, octosiich. one's back. —liggend, to 7. suphie. o. eighth (part , ; crotchet; Aehtste, tw. eighth. fichterpassi, in. hind-pole, hind post. sequence of eight cards. ten —, eighthly. Achterphard, o. thill-borne. ihiller. Achtsptan, o. eight horses. Acisterpand, o. hind-skirt; out-house. Achttni, o. eight. Aehtergsinnts, v. back-yard. Aclatt ten, tw. eighteen. - de, tee. eighteenth. feehewrpoort.y. back gets; buo ➢ . Ache toon, m. octave. Achterpoot, Ira. hind-foot, hind-paw. Achevocelg, bv. of eight feet; eight-footed. Achterrad, o. hind-whee:, trailing-wheel. —iy. by. eightfold, octuple. Achtvoud, o. & Achterrilern, no. cropper. Achtzft.m, be• & bw. attentive (-1y), careful (-1y) Acitterresins, o. stern-hold. —held, v. attention, carefulness. Atlaterschtp, o. abaft, stern. to Achtztidlig, bee octolateral. Achteretattn, on. w. to stand behind, — Acontet, o. aconite. be inferior to. Athteretat, m. back•eteble; arrears. --lip, hr. in Adannettppol, m. edam's-apple. bite of a viper. Adder, v. viper, adder. —beet, arrears; —e aehuld; tie Achterstml. —engebtoed, —engebrondset, —kroost, breed of o. hackAchterat • , by. hindmost, hindermost. vipers. —kruid, viper's-grass. —spoil, venom of a part, back-aide; bum, asses. viper; viruiente,back-biting.—tone,viper'ssting; Acheerstell, o. back-part (of a. wagon). —len,ov. virulent tongue, back-biter; viper's-bugloss, w. to put (to place) behind; to postpone, to dissnake weed. regard. —Ling, v. placing behind; slighting. in. nobility. keeps —, nobility, pc,dge. Ad Achterateven, m stern. tie AdelliUk. —beret, ae —, gentry. yen Actiteratrnest, v. back-street, by-lane. midshipman, cadet. —stand, nobility; tot den — Aehteratuh, o. hind-piece. verkeffsn, to nobilitate. —revering, aristocracy. Achtertstche, re. rear. haughtiness, pride of ancestry. bw. backwards. —trots, Aehtertsit, o. back-door. —deinten, ors. w. to start back, to recoil-•gasn,on , Adelaar, m. eagle. w. to go (to draw) backwards; to decline, to decay, Adeldont, m. nobility. brief van —, patent (charter) of nobility. to grow worse. —4aten, or. w. to pall (to haul) 

Hoe ga je kopen rimpel op Coinbase


Accidental (ek-si-den'tell, a, (to) toevallig. —ly, ad. bij toeval. —news, a. toevalligheid. Accite (ek-sajt'), v. a. oproepen, dagvaarden. 4ccialm (ek-kleem'), v. a. toejuichen. —. e. toejuiching. Acclamation (ek-kle-mee'ejun), a. toejuiching, Acelimat e (ek-klarmeet), ise (me-tajz), v. a. aan vreemde lucht gewennen. ion ( kii-mee'ejun), a. gewenning aan vreemde luchtstreek. Accilv(ek-kittjv"), a. steil glooiend, —ity (klivnt-tih), s. schuinte, ateile helling. —out a. steal. Aceioy (ek-klor), v. a. overladen, volproppen. Accoil lek-koji"), v. n. debrdringen; levee maken. Accolade (ek-ko-leed'i, s. omhelzing; verbindingshaakje; ridderelag, Accolent (ek'kolent), a. grensbewoner. Accommoda ble (ek-kom'nno dibl). a- (to) geschikt, bruikbaar. —bleness, 4. geschiktheld. —te (-deet), v. a. bijleggen; (to) bruikbaar maken.. nrichten; (with) voorzien; gerieven; v. n. passend (geschikt) zijn, —te (-det), a. —tely. ad. pasaend, overeenkomstig. s. geschiktheld. —tion (-dee'sjun), a. minnelijke schikking; gemak; —bill, proforma-wissel. —tions (-dee'sjuns), a. geriefelijkheden. —tor (dee-tar), a. lelder; bemiddelaar. Accompan lee (ek-kum'pe-ni-ur), a. metgezel, begeleider. —iment, a. begelelding. —y, v. a, vergezelleu; v. n. (with( omgang hebben met. Accomplice (ek-kom'plis), a. (to. with madeplichtige. —ity (-plis'it-tih), s. medeplichtigheld. Accomplish (ek-kom'plisj), v. a. volvoeren, vol. brengen; verfraaien. —ed, a. wel opgevoed. —er, s. voltooier. --meat, a. voltooling, vervulling. —mints, a. begaafdheden. Accord (ek.kord'), a. overeenstemining• akkoord; schikking, of one 'a own —, uit eigen beweging. v. a. tot overeenetemming brengen (to): vanelfenen; v. n. (with) overeenatemmen. —ance (-dens), a. overeenstemming (in —to or with). —ant, a. overeenetemmend; goedgeluimd. —ar, a. begunstiger, helper. —ing. prp. (to) volgene; naar; (as) :liar mate. —ingly, ad. bij gevolg, dienovereenkomstig. Accorporat a (ek.kor'po-reet), v. a. inlijven. —ion I-ree'-ejun), a. inlijving. Accost (ek-kost'), v. a. aanspreken. —able. a. toegankelijk, gemeenzaam. Account (ek-kaaunt'), e. rekening; bericht; verging; achting• belangrijkheld. Old, New —, Oude, Nieuwe Stijl. to call to —, ter verantwoording roepen. —current, rekening-courant. —sales, verkooprekening. Chamber of —a, rekenkamer. upon all —a. in leder geval. on — of, wegens. of no —, onbeduid end. to make voornemens zijn, to turn to —, rekening geven. —, v. a. in rekening brengen; van oordeel nun: (of) bericht geven van; in achting houden; v. n. rekenen; dienstig zip; (for) reden geven van; (to) nonvoijaen ; ( -math) afrekenen met. § (-e-bib' it-ih), a. verantwoordelijkheid. —able, a. rekenplichtig: (for. to) verantwoordelijk. —ablenek, a, verantwoordeltjkheld. —ant (-mit), a. rekebmeeeter; rsntmeester; boekhouder.


bloon Blown, p. p. boor Bare, I. born Born,p. p. bourn Borne, p. p. haat Bought, I. & p. p. baaund Bound. I. & p. p. bred Bred,t. & p. p. brook ii3oke, I. bro'kn Broken, p. p. bract Brought, i. & p. p. Wit Built., i. & p. p. burnt Burnt, t. & P. p. burst Burnt, i. & p. p. burst'n Burst,n, p. p. been Came, I. kasst Cent, i. & p. p. kaot Casugbt, I. & p. p. tsjid Chid, I. & p. p. tsitd5dri Chidden, p. p. tRjoot Chose, t. tsjo'zn Chose's*. p. p. kled Clad, i. &p. p. klert p. p. Cia.it, i. & kloom Clomb, i. & p. p. kloov Ciove,„I. klo'in Cio vela, p. p. kiunt Clung, t. & p. p. kum Come, p. p. boot Coat, i. & p. P. toed Could, i. ke pt Crept, i. & p. p. kroe Crew, i. kat Cut. i. F p. n2. (1,1 t Dealt, i. & p. p. did Did, I. (Opt Dint, t. At p. p. dun Mine., p. p. drengl: Drank. i. draon Drawn, p. p. dremt Dreamt. I.& p.p. drool Drew, i. driv'n Driven, p. p. droov Drove, J. drungk Drunk, P. P• dug Dug, I. & P. I, dung 00.11 ,1 . & lc... P. di,: vet Durst,i. dwelt Dvvelt,11. & p. p . let, et Eat, i. tern Eaten, p. p. fa.11'n Fallen. p. p. fed Fed. I. & p. p. fell Fell, t. felt Felt, i.8c p. p. fld Fled, i. & p. p. floe Flew, i. floor' 71ovvn, p. p. flung Flung, I. & p. p. Forbade, I. for-bed' for-'sid' Forbid, I. F p. p. for-bid'dn Forbidden, p. p. for-boor' Forbore, I. tor-boorn' Forborne, p. p.
Motto (saot'to), a. motto zinspreuk. Mortar (moeter), a. mortier,vijzel, mortel. Mortgage (mor'gidzj) - a, kusting, verbena, by- Mould (troold'), a. slot; aseale; schimmel; vorm, mei. —candle, gegoten kaara. —warp, mot. —, potheek. —, v. a. verpanden. —e (-ge-dzjie'), P. v. a. vormen, mallen; v. n. bescbimmelen. —able, hypotheelc-honder. —r, s, verpanden, hypotheeka. vormbaar. —er, a. vormer. —er, v. a. vernemer. Mortis' crone mur-tif'ur-us), a. docdelijk, Ter- brokkelen; v. n. vermolmen. —iness (-i-ness), a. beschirnmeldheid. —ing, a. hollijst; —plane, derfelijk. —ication (mor-tif-i-kee'sjun), a. dooding; greet-, kraalschaaf. —y, a. beschimmeid. kastijd7ing; grievende vernedering; hartzeer ; Moult/let (mool'i-net), a. kruisrad, draadkruis; koudvuar. draaiboom. Moral led (morli-faj-id), a. vernederd, gekweld. Moult (moolt"(. a. ruling. —, v. ruien; verharen. —ier, a. die zijne hartstochten doodt. —y (-faj), v. a. dooden, kastijden; vernederen; krenken; —er, a. ruiende vogel; verharend dier. v. n. murw worden; het koud vane krijgen; Mounch (aaaauntaj), v. a. opachranaen. Mound (maaund), a. wal, dam, verschansing zich kaatijden. v. a. verschansen. Mortise (moritis), P. gat, tapgat. v. a. een Mount (maaunt), a. berg; aardhoogte. —, v. a. gat (tapgat) Timken in; invcegen. bestljgen, heklimmen; versieren, monteeren. Niort main (mort'nueen), a. doode hand, once, — guard, op wacht trekken. she —8 twenty guns, vleemdbear goed. —pry (-pee), a. achteratallige bet achip voert twintig stukten. —, v. u. stij• betaling. gen, klimmen. —able, a. beklimbaar. Mortress (mor'tress), a. ragout, hoendersoep; Mountain (maaun'tin), a. berg. —antelope, blippoespas. Mortuary (mor'tjoe-e-rih), a. lijk-, begrafenis-, grit. —ash, sorbenboom. —arena, bergaujelier. —balm, bergmunt. —bleu, bergblauw. —cat , —, a. begraafplaata; legaat tot een vroom duel. loath, lynx. —cock, berghaan. —cork, (soort van) Mosaic (mo-zee'lk). a. mozaIk, ingelegd werk. ateeovlaa. —crystal, bergkristal. —damson, (snort —, —al, a. ingelegd; mozaIsch. van) bitterhouthoom. —egg, ber g ei. —green, bergMoslem (rnoe'lim), a. muzelmansch. s. Muroen. —heath, steenbreker. —laser-wort, bergzelrnan. omijn. —linnet, gemeene vlaavink. —man, bergMosque (monk), a. naoskee. man. —paper, zie —cork. —pass, bergpas. —pine, Mosquito linus-ki'co), a. mushiet. bergden. —rose, alpenroos.—soap, bergzeep.—wine, Moss (MOSS', a. mos; rnneras. —campion, madebereost. —eer (-ier'), a. bergbewoner; atruikMalaga-wijn. —clad, —grown, tiefje, rearia-roosje. roover. —owl, a. bergaehtig. —ousness, a. bergach—rose, mosroos. —rush, moerasbies. —trooper, struikroover. —, v. a. met mos bedekken. —rims tigheid. (-si-news), a. bemoatheid. —y, a. bemost, moasig. Mountebank (maaun'te-benk), a. kwakzalver. —, v. a. bedotten, bedriegen. Moat (moos0, a. incest. —, ad. meest, men —, s. meest, hoogst. at the —, ten hoogate. for the Mount eel (maaant'id), a. opgeateicen;uitgerust, gewapend; gemonteerd. —er, a. bestijger; bank— part, meesteneleels. —ly, ad. meestat, meetheader. —ing, a. opstijging; uitrusting; het montendeels. teeren. (mos'tilr), a. Zie Mauistlek. Mourn (mcorn'), v. a. betreuran; v. n. treuren; Mote ;moot), a. stofje, ziertje; splinter, •ouwen, (at. for. orer).—er,a. treurder; rouwdraMotet (mo-tet"), a. motet. Moth (moth'), s. mot. —eaten, door de mot ver- ger. —ful, a. —fully, ad. treurig, droevip,—jaitness, teerd. mottenkruid. —wort, St. Jan's a. treurigheid. Mourning (moorn'ieng), a. rouw; rouwgewaad. kruid, irfjvoet. —y, a. vol motten. Mother (muth'ur), a. moeder; moat-, drab. — of first (deep) —, aware rouw. second (half)—, Hate pearl, parelmeer. — of thyme, wilds thym. —. A. rouw. —crape,rouwftoers. —suit, rouwkleeding. (inaua'),eamnis.—bat,vledermuis.—buttock, mot—church, Mouse moeder-, moederlijk; natuurlijk. staartatuk. —color, grijs. —dung, muizenkeutela. derkerk. —clove, motrnagcl. —country, moederland. —fits, mosderkwaal. —in-law, schoon-, —ear, muizenoor. —hawk,muievalk. --hole, muizengat. —hint, muizenjacht; -anger. —tail, mutstiefmoeder. —lobster, groete zeekreeft. —spot, woedervlek. —tongue, meedertaal. —wit, gezond , zenetaart. —trap, muizenval. Mouse (maux'). v. a. verseheuren; sjorren; v. n. verstand. moederkruid. muizen; slim zijn. — r, P. meizenvanger, muiskat. Mother (muth'ur), v. a. ala kind aantemen ; v. n. bezinken; stremmen. —hood, a. murder- Mouth (mouth'), a, mond, mail, bek; monding; Ingang. by word of —, monaeling.from bast/to—, sehap. —less, A. rnoederloos. —like, a. moedervan de hand in de tan d. de=an in the —, neerslachaehtig. —ly, a, & ad. moederlijk. —y, a. drabbig, tig. to make — s, een scheef geziebt trekken. —extroebel. penses, host-, tafelgeld. —friend, sabijnvriend, Mothy (moth'ih), a. vol motten. -vriendin. —ful, a. mondvol. —glue, mondlijm. Motion (mo'sjun), a. beweging; voorstel, matte. —honor, geveinsd eerbetonn. —made, a. met den —, v. a. & n. voorstellen. —er, s. voorsteller mond. —picae, mondotuk; woordvoerder. —less, a. onbewrgelijk. Mouth (n2auth'), v. a. met den mond vatten; haubewegend. —e, a. hew ea. A. Moth' a Inao'tiv), 1 wen; uitbulken; uitacheltlen; v. n. schreauwen, reden. —ity (-tiv"it-tih), s. beweegkracht. laid mpreken. —ed,a.veqz can' mond voorzien. —er, Moti.ay (mot'lib), a. boat, gesehakeerd. s. eehreeuwer. Motor (nto'tur), a, beweger; drgfrad. —y, a. beMot' able (moerlb1), A. beweegbaar. —ableness, wegend, aandrijvand,
eenkomst, verdrag. —al, —ary, a. overeengeko- 4 Coon (koen'), a. scheldnaain nose de Whigs. —ery, a. Whig-drijverij. men, bedongen. Conventual (kun-venejoe-el), a. kloosterlijk• —, Coop (burp), a. kuip, vat; hoenderhok of -kart; s. kloosteri ing. overdekte kar. v a. opsluiten. —er, a. kuiConverge (kun-vurdzY), v. n. in édn punt Emmen- per. —erage, a. kuiploon. Coopera te (ko-op'ur-eet), v. a. medewerken. looping. —nt, a samenloopend. —tion (-ee'sjun), a. medewerkIng. —live (-e-tiv), a. Conyers able (kun-vur'sibl), a. —ably, ad. ge- medevna.kend. —tor, a. medewerker. zellig. —ableness, s. gezelligheid. —ant (kou'vur• sent), a, omgang hebbend; (in) bedreven, erva- Cooptation (ko-op-tee'sjun), a. kens; aanneming. Coordinate (ko-or'di-net), a. —/y, ad. gelijk (kon-vur-see' (with) bekend met. —Gaon in; ren in rang. —ness, a. gelijkheid van rang. sjun), s. verkeer; gesprek. —alive, a. gezellig. —e (kon'vurs), a. oragekeerd; a. onderhoud, ver- Coot (koet), a. meerkoet; § stotfel. beer, tegendeel. — e, v. n. verkeeren, aprcken Cop (kop), a. top; kuif. (with); zich onderhouden (about. on). —ely, ad. om- Copal (ko'pel), a. kopalhars. gekeerd;wederkeerig.—ion(-sjunl,s onskeer;bekee- Coparcen ary (ko-paar'se-ne-rih), s. mede-erving. —er, a. mede-erfgenaam. —y, a. gelijk erfdeel. ring; verw isseling. —ire, a. gezellig, spraakzaam. Copartner (ko-paart'nur), a. deelgenoot; maat. Convert (kon'vurt), s. bekeerling. s. vennootschap. Convert (kun-vure), v. a. verwisselen: bekeeren. —, v. n. veranderen. —ability (-i-bil'it-tih), a. Cope (koo ), A. koorkleed• slitter; verwulfsel. veranderbaarheid. —ible, a. veranderbaar. —ibly, the — of heaven, het heme gewelf. —, v. a. bead. omgekeerd. dekken; bestrijden; beloonen; v. n. strijden, s. wedijveren, (with). Convex (kon'veks), a. —ly, ad. bolrond. bolrond lichaam. (kun-veka'it-tih), —ness Copier (kopl-ur), a. afschrijver; naaper. Coping (ko'pieng), s. top, kap (van ern gebouw). (kun-veks'ness), s. bolrondheid. Convey (kun-vee'), v. a. vervoeren; overzenden; Copious (ko'pi-us), a. —ly,ad. overvloedig. — ness, ter hand stellen; mededeelen; uitdrukken. —once, a. overvloed; wijdloopigheid. s. vervoer; voertuig; akte van overdracht; letter Copped (kop'pid, kopt), a. gekuifd; spits toeloopend. of —, vritelithrief. —ancer, a. notaris. —er, s. Copper (kop'pur), a. koper; kopermunt; cent; overbrenger; hedge bedrieger. koperwerk. —, a. koperen. —, v. R. koperen. Convict (kon'vikt, , , a. misdadiger; veroordeelde. —as, koperrood. —colored, koperkleurig. —nose, (-vik' Convict Ikon-vike), v. a. overtuigen. —ion roode neus. —plate, koperplaat. —ernith, koper. sjtin), a. overtuiging. —ive, a. overtuigend. Convinc e (kun-vins'1, v. a. overtuigen. — ement slager. — wire, koperdraad. —works, koperpletterij. —worm, houtworm (in schepen); mot. — ed, a. overtuiging. —er, a. overtuiger. —ible, a. over- R. gekoperd. —y, a. koperachtig. tuigbaar. —inyly, ad. overtuigend. —ingness, a. Coppice (kop'pia), a. kreupelbosch; hakhout. overtuieingskrapht. Convivial (kun-viv'i-el), a. feestelijk. —ity (-el' Copse (kope), a. Zie Coppice. Copula (kop'joe-le), a. koppelteeken; koppel -it-tih), s. feestelijkheid. woord. —te (feet), v. a. vereenigen; koppelen; Convocat e (kon'vo-keet), v. a, bijeenroepen. v. n. paren, zich koppelen. —tion (-lee'sjun), a. —ion (kee'sjun), s. oproeping; bijeeukomst. verbinding; paring. —tire, a. verbindend; a. ver Convoke (kun-souk'), v. a bijeenroepen. Cony olu ted (kon'vo-ljoe-tid), a. opeengerold., bludend voegwoord. Copy (kop-pih), a. afschrift; achrijfvoorbeeld; —tion (-Ijoe'sjun), a. oprolling. handachrift; exemplaar. —, v. a. afschrijven; Convolve (kun-volv'), v. R. samenrollen. nabootsen. —book, kopie-boek. —hold, leen; erfConvoy (kon'voj), a. geleide, bedekking. pacht. —holder. leenbedtter. —ing-machine, ko• Con voy (kun-voy), v. a. begeleiden. ) a. afschrijver. —paper, conceptpieer-pees. —W, Convuls e (kun vuls'). v. a. stuiptrekkingen papier. —right. kopierecht. , veroorzaken; schokken beroeren. —ion (-sjun), s. stuiptrekking; schoi. —ions, a. 8tuipen. —ive, Coquet (ko-ket'), v. a. & n. zoeken te behagen. —ry, 8. behoagzucht. — le (ko-ket'), a. behaagR. —ively, ad. stuiptrekkend, krampachtig. Cony (ko'nih, kun'oih), s. konijn. —burrow, konij- zieke vrouw. —fish, a. behaagziek. nenberg. —catch, v. a. beet hebben, aedriegen. Coral (kor'el), s. koraal. —, a. koralen. —diver, koraalvisscher. —line (-lajn), a. koralen; a. ko—catcher, bedrieger. —warren, konijnenperk. raalgewas. —laid (-lojd), a. koraalachtig. —mots, Coo (toe), v. n. kirren. koraalmoa. Cood iCt4 (koed'iez). a. zekere federalistisehe partij Cook (bock'), a. kok. —, v. a. koken, bereiden; Corb (korb), a. kolenmand. Corbanii(kor'ben), a. armbua; aalmoes. —maid; (-or.rih), 8. kookkunat. (up) (nrichten. —ery keukenmeid. —room, scheepskombuis. — 's - shop, Corbel, (kor'bel), a. schansiorf Corbel (kor'bil), a. bloemkorf; nits. gaarkeuken. Cool (koel'), a. —ly, ad. koel; onverschillig; § on- , Corby (kor'bih), a. raaf, kraal. beschaamd. —, a. koelte. —, v. a. verkoelen; Cord (kord'), a. koord, anoer. — of wood, vadem doen bedaren; v. n. afkoelen. — er, a. koeldrank; , hout. — of twine, streng garen. —, v. a. binden; koelvat. —ish, a. koeltjes, — ness, k, koelheid. epvb.men. — maker, touwslager. — wood, brandhoot. — age, a. tottwwerk; tuigage. —ed, a. van 4 —wort, urine- afdrtivend middel. touw gemaakt; gestreept; gebonden. C00111 ► (koem), a. ovenroet; wagenameer.

Hoe financier ik mijn Bitcoin portemonnee

×