COU.—CRA. ring. .--seuffie, vechtpartij. —sense, tegenover4estelde beieekenis. —sign, a. wachtwoord; tegenonderteekening; v. a. tegen-onderteekenen. —signal, tegensein. —signature, mode onderteekoning. —stroke, terugslag. —taste, bijsmaak. —tenor, alt. --tide, tegentkj. —timber, wulfhout. —time, tegenstand, hinderpaal; tegenspoed; teleursteiling; mistily. —transom, dekworp. —turn, onverwachte wending, plotselinge omkeer. —rail, a. tegenwicht, vergoeding; gelijke waarde; v. a. in waarde (kracht) evenaren; bettionen, vergel. den; v. n. van gelijke waarde (kracht) zijn. —view, keerzijde; contrast. —work, tegenwerken, belemmeren. Countess (kaaunt'ess), e. gravin. Counting-house (kaaunt'ieng haus), s. bantoor. Countless (kaaunt'least, a. ontelbaar. Countrified (kun'trl fajd), a. boersch. Country (kun'trih), s. land; platteland; land. —, a. landeliik, plattelands . —dance,contredans. —house, landhuis. —life, (het) buitenleven. —man, landgenoot; buitenman. —seat, buitenplaats. —song, volkslied, —squire, landedel. man. —wake, boerenkermis. County (kaaun'tih), a. graafschap. —court, provineiaal gerechtshof. Couple (kup'pl), a. paar, koppel. —, v. a. samenvoegen, koppelen; v. n. zich vereenigen, paren. Couplet (kuplit), a. paar; couplet. Courage (kur'idzj), a. mood. —ous, a. —ously, ad. moedig, kloek. —ousness,s. dapperheid, kloekheld. Courant (koe rent'), s. nieuwahlad, brunt, zekere ♦lugge dans. Courb (koerb), v. n. zich bulges. Courd (koerd), a. pompoen; kalebas. Con-ter (coe'rier), a, renbode. Course (boors'), s. wedloop; loopbaan; gang; reeks; beurt; zeil; koers, richting; curette; gerecta; neiging; laag. — of exchange. wisselkoera. by —, beurtelings. of natuurlijk. — of life, levenswijs. to take a —, een' maatregel nemen, to follow the — of time, net den tijd medegaan. — 8 ( iz), a. maandstonden; onderzeilen. —, v. a. vervolgen, jagen; v. n. rennen, jagen. —er, s. renpaard; Jager. Court (koort), s. hof; plein; straatje, plichtpleging. — of guard, wacht. — of chancery, kanselarij. — of exchequer, algemeene rekenkamer. to make one's —, zkjn hof maken. —baron, leengerecht; burgerlijk gerechtshof. —breeding, hoof ache opvoeding. —chaplain, hofprediker. —day, rechtadag. —dress, gala bleeding. —hand, bureautichrtft. —lady, hofdame. —leet, adellijk leengerecht. —martial, krijgsraad. —plaster, engelach pleister. —yard, binnenplaata. Court (koort), v. a. zijn hof maken aan, vrijen naar. Courteous (kur'ti us, koort'jas), a. —ly, ad. beleefd., vvellevend. —ness, a. beleefdheid. Courtesan (bar ti zen'), a. boeleerster. Courtesy (kur'te zih), a. wellevendheid; beleefdheld. — (kurt'sih), s. nijging, buiging. —, v. n. eene nijging maken. Court ler (koortjar), a. hoveling. —like, a.
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;

Heeft Coinbase werken in Nieuw-Zeeland


Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.

Heeft RBI verboden cryptogeld


(de-po'zel), a. afzetting. --e (-pooe, v. a. afzetten; nederleggen; v. n. getuigenis afleggen. —er, a. die afzet. Deposit I (de-pos'it), e a onderpand. —, v. a. nederleggen; in bewaring geven, afieggen. —art!, a. bewaarder. —ion (dep-o-zis'sjun), a. afzetthug; Nerklaring order eede. —or, a. in-bewaring-raver. —ory, a. bewaarplaats. Deprav ation (dep-re-vee'sjan), a. bederving'; ontaardheid. —e ide-preev'), v. a. doen ontaarden. —ity (de-prev'it-tih), s. verdorvenh,id. Depreca be (dep're-keet). v. a. afbidden. —lion, (-kee'ajun), s, afbidding. —hive, —tory, a. afbiddend. —tor, a. afbidder. Deprecla te (de pri'sji-eat), v. a. to laagaehatten; gering achten; v. n. in waarde vermindomen. --lion (-ee'sjun), a. vermindering (van waarde of prijs); minas sting. Depreda te (dep'ru-deet), v. a. plunderen, vetwoesten. —lion (-dee'ajun), a. roof, verwoesting. —tor, a. plunderaar; verwoester. Deprehen d v. a. oaderscheppen; vangen; ontdekken. (-hen'eibl), a. te vatten; begrijpelijk. —sion (-hen'ejun), a. onderachepping; ontdekking. Depress ids-prow), v. a. nederdrukken; ontmoedigen. —ion (-sjun), a. nederdrukking; neerslachtigheid. —iee, a. nederdrukkend; ontmoedigend. --or, a. nederdrukker;neertrekkende spier. Depriv able (de- prajv'ibl ), a. beruofbaar. —ation (dep-ri-vee'sjun), a. berooving; verliem; ontzet.
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.
451 Flti0e•Ir en. ov. W. to curl. —Ozer, curling-pin. rvistor, m. hair-dresser. Frommelen, ov. w. to arum*. to fumble. Fro', v. —es, v. frown. wrinkle. —en, on. w. to frown, to wrinkle, to knit (one 'a brows). —61 9, v. frowning. Front, o. front. — makes, to face. to make face. Fruit, v. & o. fruit. —ben, —.mend, fruit-basket. —kandel , fruit-trade. —hider, fruit-cellar. —trooper, —koopeter,, fruiterer, ft ult-monger. —mum', fruit-market. —rijk, fruitful, —schwa, fruit dish. —sadder, fruit-painter. —stuk, fruitpiece. —rroure fruit-woman. —wicket, fruit-shop, fruiter y. Fruit an, ov. w. to fry. —pan, frying-pan. Eulk, v. weel, bow-net. in de — loopen, to fall into the !snare. o. velvet. —en, by. velvet, velvety. m. rogue, rascal, scoundrel. Veenctle, v. function. Fundament, o. Zie Fondement. Fungterrn, qn. w. to officiate. Fast, v. fudge, fiddle-fuddle. —, taw. fudge fiddle. ,stick I Futsell car, in —aareter, v. trifle, idler. —artj, v. trifling, fiddle.faddle. —en, en, w. to trifle, to fiddle-faddle. —werk, tie Futselarkl.
by land. wan a-eho n op het —, in the country. —card, nationality, character of auction, nation. —adel, country-gentry. —besehrijner. geographer. —beschrijving, geography. —trestour, government. —hemmer, country-man. —Ses000nster, countrywoman. —heart, posseesion of land. —hezitter, lend-holder. —bode, deputy, representatiee —Coosa, agriculture, husbandry. —Sooner, hueheadman. —bousokundo, agriculture, husbandry, rural economies.—houwkundie,agri cultur el;versed (skilled) in husbandry. —kundige, agrteuntuhat. —day, azsembly of the states, dist. —deice*, country-dean. —dekeneehap, rountry-deanship. —dief, embezzler of public money. —dier, land animal. —dieverii, embezzlement (of public money). —drost, sheriff, high-bailitf,governor. —droatamht, office (district) of a sheriff, eheritalty, bailiwick. —edeiman, country-equine.—einenaar, —eigenares, lend-holder, land-owner. —eigendcm, landed property. —eeple, isthmus, neck of land. —gedicht, georgic, pastoral. —genoot, (fellow-) countryman , countrywoman, compatriot. —gereeht, country-court. —fies000nte, custom of a country. —goed, estate, country-seat. —gracle, landgreee. —graateetstip, landgeaviate. —gravin, lendgravine. —key, landlord, lord of the manor. --aoere, farm. —hula, country-home, villa. —hulahoucikunde, rural eeenotny. —hulehoodkundio, of rural economy. —hoer, land-rent. —Amadei., farmer. —jeend, young country-people. —jonfcer, country-equine. —jvifer, country-laey. reins. —Icaart, map. --koorls, fever prevailing in the country. --krah, —rot, landloper, landlubber. —leven, country life. —lieden, country-people. —looper, vagabond, stroller, —louper0, vagabondry. --loopster, vagabond, gipay. —macht, landforces. —man, country-miss, peasant. —nteetkende, surveying, geometry. —nseetIcasndig, geometrical. —meetkundige, geometrician, —meisje, country-girl. —meters, surveying. —meter, surveyor. —militia, militia. —mute, country-mouse. —peat, boundary, limit. —palen, frontiers. —pacht, quitrent, landrent. —pachter, farmer, tenant. —pinup, plague, scourge, public dietreas. —read, provincial counsellor. —recta, common law, law of a country. —rechter, country-jedge, sheriff. —rats, journey, travel by land. —7(11c, landed, having landed property. —.Melding, boundary. —school, country-school. —schrijyrr, 8,retary to a provincial administrator. —slot, safe harbor. —made, taste peculiar to a country; taste of the soil. —soldaat, land-aollier. —wreak, idiom. —steed, inland-town. country-town.. —storm, gailCral levy of the people, posse. —Week, district, country. —taal, lenguage of a country, vernacular tongue. —tong, neck of land. —railing, sie lientertverkeettiivan. —verhuirer, emigrant, —vcrhuizing, emigration. —verkenning, I,nd-fall; recoannitring of the land; — !When, to hove anode the lend. —vetmaak, rural diversion, — anasement. —rented, high treaeon. —verrader, traitor. —vluektig, fugitive, vagrant. —vIveAtiOeid, fegitiveners. —yolk, country-people. —voogd, governor. —.IV dee, governess. —roogdir, governorship, bailiwick. —vrouto, landlady, lady of the manor. —vroelsten s

Biedt Apple accepteren Bitcoin


'67 'tering. —ship, echip aan lij. —shore, la)5crwal. —side, lijbotard. —tackle, ziggijn. —tide, tij order den wind. —way, wreak, availing. L.zech (lleter), a. bloedraiger; arts; zeilli)k; zie Leach. —craft, heelkunde. —line, noklordiee. —tining, stootlap . —owl, schuifuit. —rope, e tea nd lijk. —worm, bloedzaiger. Leek (liet), E. look. Leer (lier), a. look, glaring. —, v. a. toelc.nken; v. n. lonken, gluren (on, upon). Lees (lies), pl. droasem, moer, grondsop. • (liet'), a. ondergereehtshof. —, —day, melts dig. Leeward (lielwurd), e,. & ad. aan lij, to lijwaart. Left (left'), a. linkerzijde. —, a. linkseh, linker-. —handed, a. linksch, onhandig.. Leg (leg), a. been; poot; boutje; bulging. Legacy (leg'e-eih), a. legaat. —hunting, a. (hen vleien in de hoop op een legaat. Legal (lrgel), a. —ly, ad. wettelijk, wetttfc.—ity (le gerit-tih), —ness, a. wettigheid. (-ajc), v. a. wettigen, bekrachtigen. Legat ary (leg'e-te-rih), —ea (- lie'), s. legataris, —e (-etl, s. gezant; afgezaut van den haul, legaat. —eship (-et.), a. legaatsehap. —ins (-tajn), a. vets, een' legaat of gezant. —ion (le-gee'ejun), e. gezantschap. —or (le• gee'tur), e. erflater. Legend rt. legende, eprookje; otn-, randsehrift. —ory (led'zjin.de.rih), a. fabeiachtig; a. legendeuboek; -verteller, L eger (ledzeur), a. blijvend, vast. —, e. grantbook; legger. grootboek. —demean (-demeen'), a. goochelarij. —ity (le-dzjer'it•tih), a. vlugheid, behendigheid. Legg ed (le, ,a1), a, met beenen of ponies. —ing (leg'gieng) s. beenlakleeding. Lag! Isle (ledzjnbl), ' a. —bly, ad. leeebaar. —bility (-i-bil'it-tih), —bleness,s.leesbaarheid. Legion (li'dzjun), a. legioen. —ary, a. van een legioen; talrljk; a. legioenasoldaat. Leglsla te (ledzria-leet), v, n. wetter ;;even. —lion (-lee'sjun), s. wetgeving. —tire, so. wetga'vend. —tor, s. wetgever. —lure (-liver), a. wetgevende macht. LegItImft cy a. wettigheid, echtheid. —te, a. —tely, ad.(-met-), wettig,cebt. —te (-meet), v. a. wettigen, eehten. —lion (-wee , sjun), s, wettiging, echting. Legunt a (lerjoem), a. peulvrucht. —ittous gjoe'mi-nu. ․ ), a. peulendragend, van peulvruchten. Leisure (li'zjoer, a, ledige tijd. at —, op zijn gemak. —hours., sdpperuren. —ly, a. & ad. betlaard (langzaam) verricht; op zijn gemak. Leman (li'men), s. liefste, beminde. Lemming (lem'miengl, s. sabeldier. Lemon (lem'un), R. citroen; citroenboom. --peel, citroenschll. —squeezers, citroenpers. —tree, citroenhoom. —adc (.eed'), s. limonade. Lend (lend') [lent], v. a. leer en; verleenen. —able, a. leenbasr; Nerleenhaar, --er, s leeeer; uitleener; verleener. Length (lengths'), a. lettere; afetAnd. full —, levensgrootte. at —, eindelkjk. in — e!f time, met der tijd. --en, v, a. verlengen; v, t,. lenge, omen.

Daarentegers, bar, on the other hood, on the contrary. D etartmett, bw. thither, there. Darwin, by. in (into) it, its there, t herein. Daarlassgs, bw. along there, that way. IDta arnuede,bw. with it, therew it h. Eionarna, hw. afterthat, thereafter, after werds, Dwarfs's/tr, bw. actordtng to It, ar,cordingly. Desaronast, bw. next to it. Haarnevens, by. with that.. D aarona, be. therefore. Daartsiustreeke, bey. thereabouts. Daaromtrent, hw. thereabout, about it. Daft rood or, bw. therebelow, therebencath; theft) among, among them. D aarop, hw. upon it, thereon, thereupon. Danrovenr, bw. at (about, over) it, over there on the other side. Dftereeigen, b w. against It, thereagainst. Daartoe, by. for that purpose. Desert usschen, bw. between them, meanwhile Daarult, bw. (from) thence, out of it. Daarvan„ bw. of (crow) it, thereof, therefrom. D aarvoor, bw. for it. Dodd, v. date. —boon, date-tree. —kern, date-, kernel. —olle, date-oil. —satin, date•wine.

The online public forum cafébabel was founded in 2001 by Erasmus exchange programme students, and is headquartered in Paris. The forum is based on the principle of participatory journalism. As of July 2013 it had over 16,000 registered members, up to 1,500 contributors and 20 ‘local offices’ writing about Europe as they see it. Volunteer contributors simultaneously translate the forum into six languages – French, English, German, Italian, Spanish and Polish.[36]
ataan (in) ; levee (on, upon){ Wu; v000rtduren. veredale.. —anon (-it-inee'ejun), a. taublimeering; --ease, a. heathen; voortduring; lavemonderhoud. vernefling; 'veredeliog. —e, a. —ely. ad . hoog, —eat, a. beataand, stanwelig; inwonend. verheven; indrukwekkend; verrakt with ). —e, v. a. sublintaeren; opdrijven: veredelen. —tuts, Subsoil is .tin'acql), a. ondergrond. gubstanc• Isub'stans), a. zeltstandigheid; stet; —ity (Iini'it-tih), a. verhevenheid, voortreerelijk(het) wesenliike; t bet) vegan; kern; hootdbaheld. etanddeel; bootdinhaud; midAien, besitttng. Subifneation (sub-lin-i-ee'siun), a. onderatreSubatantt al isub•tensajell. a. —ally, ad. selfstand's; lieharnalijk, atofteliik; wezenlijk; hoardSal,Unwind (sob ling'gwel), a. dab onder de sakelijk; krachtig, vest, degeltic; welgeoteld. tong bevindeud. (•ajl-el'it-tih), —alnete, a. selfstandigheid: Subinner (eub-l aioe'ner), —y (subljoe-ne-rib), a. atoffelijkheld; wesenlijkheld; hoofdlakeltkheid; onderoiaansk. h. kracht, mulched. —ale (•8jels), pl. hootdpunten. Submarine sublne-rien'), a. onderseesoh. —ate (-ejl.eet), v. a. verwezenlijken; bewijien; Subneerise (sub •murdsp), v. a. ouderdompeleu; beveatigen. under water settee; v. n. onderduiken. S ablator.; a (cub mura';,v. a. Zie to Submerge. Substantive (subtaten-tiv), a. —ly, ad Whitendig. —, a. telfetandig naemwoord. — ion( juin), a. onderdorepeiing; overstrooming. Subtlelulls ter Isub-mtn'is-tur), —trate (-treet n, Substitu to, itnib'stigjoeti, a. plastagervanger; v. a. toedieneo; ve 8ehaffen; v. n. dienatig (be- surrogaat. —te, v. a. in de pleats ntellen van; ondereehulven. —Lion (-tjoe'sjun), a. plaataverlinipsatian) ziju. vanring; onderachuiving. S ub Oda& ion (sub-misfun). a. onderwerping, berusting, gelatenhaid. —ive, a. —ively, ad. (-male , S abstract (sub-atrekt'), v. a. Zie to Subtract. osiderdanig, ouderworpen, deernoadig. Subbtr uct ion (sub-struk'sjun), —ere (-strukt . —iveness, a. onderdauigheid, anderworpenheid, joer), a. onderbouw; grondslag. Subunit lye (sub .suit'iv), —ory, a. —ority, ad deemoeds opspringend, huppelend. SuI-AE.1f (sob-salt'), v. a. onderwerpen; overlaten Subtend (sub.tend'(, v. a. zich ultatrekken onder. (1.)); v. n. zich onderwerpen (to). Subordina cy (sub or'di.ne..8ih), a. onderge- Subtenn (oub-tens'), s. boogpeae. noixiktheid, onderhoorightid. —te, a. —tely, ad- Subterflu gat (sub-tarltoe ant), —ous.a. onder(•net-), ondergeszitIkt, onderhoorig. —te (-sect), door stroomend a. a. onderg.esthikt makes. —tins (-nee'sjun), a. Subterfuge (aub'tur-fjoedzj), e. nitvlueht, veerwended'. ondergersehlktheid; onderwerping; afklimming; Subterrane (sub-ter-reen'), a. onderaardsche lagere rang. gang, onderaardech gewelf. —an (-ree'nt-en), Suborn (sub-orn'), v. a. verleiden; ornkoopen. —ono (•rseini-us), a. onderaardsch. —er, (-nee'ejun),E. verleiding; onnkooping. —ation Subtil a (aub'till, a. —ely, ad. Ajn. dun, teeder; a. verleider; omkooper. aeherp. —sty til'it-tih), —*nett, a. iljn held, dunSuboyall (8ttb , o'vel), a. bijna eivormlg. held, teederheld; ae herpte. —ixation (-1-zee'oj an), Subpoena (sub-pine), a. dagreardieg (ceder a. vergunning, (het) vluebtig maken; haarklooetrafbedreiging). —, v. a. dagvaarden (wider verij. —Ise (-ajz), a, a. verdunnen, vittehtig wasteer bedreiging). ken; v. haarkleoven. Subprior (nub-yrarur), a. onder prior. Subtle (aut'tl), a. fljn, loos, slew, Hang; Nehery; S u brect or (su b .rek'ter ), 8. onder-rector. spitarondig. —ty. a. itinheld, loosheld,alnwheid; sibrep t ion (sub •rep'sjun), a. Zia Surreption. oeherpninnigheld. Subealt laub'snolt), a. onuersout. Subscribe (sah-tekrajh'), v. a. onderteekenen; Subtract (sub-treke), v. a. *Welon; wegnemen, (frons). —er, a. aftrakker. —ion (-trek'sjun), teat tiltIsachrijven vuor; v. n. teteekenen (to); aftrekking; wegnem.ing; onthouding. ;;en (to). —r, a. ondeyteekenaar; inteekening. Subscription (nub •skrip'sjurt), a. onderteeke- Suburb (sub'etrb), a. vooratad. —an (-urb'en), a. van (in) de vooratad. uing; lateek ,olIng. Subseso ttilwett (sub-sak'quai, a. onderafdeeling. Subvention (sub- ven'sjun), a. hulp, bijstand. Subver 'Ion (sub-ver'sjun), a. omkeering, om—ufive (Ase-tiv), a. volgend. (auh'se - kwem). a. voiging, ver - verwerping. —rive, a, omkeerend, omverwerpend. Subsequen —I, v. a. omkeeren, onive.werpen. —ter, a. omvolkand, later (to). a. volg. verwarper, vernieler. —title, a, omver te werpen, (Rub-burv'), v. a. theses. behalpsaem Stalw -N.rw te vernielen. a. — iency ( - 1 ziin, bevr,r(leren. S tab worker (sub-wurk'ur), a. helper. ittigheitl, bavoillerhjkheid; of haxkelljkta id. die ❑ Succedaneouo (auk-se .dee'ni-us), a. plaatsver—ient, ( - I - ent), a. dienatig, bevorderlijk; dlenstvangend. boar, (to). (auk-sled'), v. a. opvolgen; doen geSu ► old e (stib•sajd'), a. n. sinker,, zakken; *fee- Succeed lukken; v. n. (to) volgen, opvolgen; alarm (is); Inze; bedaren. —once,—eney, a. (het) zlnken, sakgelukken. —et, a. oprolger. ken; afeeming —iary (.8iri-e.rih), a. helpend, coed geondersteunend, help-. --tee (sub'sid-3j.), v. a. Succla• (auk a. gevolg, uttalag; volg, voorapoed. —fat, a. —fully, ad. voorepoeonderstand veneer... —y (eno'std-ih), o. enderdig. —lianas, a. geode 'them voorapoed. --ion stand, toelage. (-aleyun), a. opvolgtng; erfopvolgtng; volgorde; Suhatgaa (auk - WW), v. a. onderteekenen. nakomelingen. —ire, a. opvolgend, op elkander Subsist (sob-slat'), v. a. onderhouden; v. n. be-
Pervestiga te (pur-veeti-geet, v. a. nasporen. Petulan ce (pet'joe-lens), —cy, a. dartelheid, (gee'sjun, s. nasporing. uitgelatenheid; onbeschaamdheid. —t, a. —tly, --tion Pervicacl ous (pur-vi•kee'sjusi, a. —ously, ad. ad. liana, uitgelaten, brooddroziken, baldadig; halse,tarrig. —ty (-kes'it-tth), s. halastarrigheid. onbesehaamd. 8. kerkbank; uier. —fellow, kerkPcrwtou. (Pueri-11,), a. doordringbtar, toegan- Pew (pjoe"), buurtnan. —keeper, bezitter eener vaste plasts. kelijk (to). —ness, a. doordringbearheid. bankers —opener, bankontsluiter. —, v. a.a.van Pesade (pa zaad"), a. steigering. stovenzet1Pessintis in (pes'si•mizm), a. pessimiAnus. —t of kerkstoelen voorzien. —woman, ater. (-misV, a. pessimist. (pi'wit), a. kievit, hop. pewet P Pest (pest"), a. pest. —h ouse, pesthuis. Pewter (pjoe'tur), a. tin, spiauter; tinuen hubsPester (pes'tur), v. a. verontrusten, verwarren; re ad. —er, s. tinnegteer. kwellen. —er, s. kweller, plaaggeest. -out, a. alt nop (op taken). P euity hinderlijk, lastig.
plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-

Wat zijn de top 5 Cryptocurrencies


drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-

Friction. (fr(k'ejun), s. wrilving. Friday (frej'clee), s. vrijdog. Good —, goede VrOng. Friend (frond'), s, vriend; vrlendin; kwaker. —, v. a. begunstigen. —len, a. verlaten. —linen. a. vriendelkjkheid. - ly, a. & ad. welwillend, vriendelijk. —.hip, a. vriendochap. Frieze (Met"), a. duffel: ► op; fries. —d, a. gonopt. —like, a. friesachtig. Frigate (frig'et), a. fregat. Frigefa,-tion (frid-zje-fek'sinul, a. kondinaking. Fright (fruit') a. schrik. —en (frcj'tn), v. a. verschrikken. (away) door bung maken verjagen. to —en out of one '8 wits, hevig doen ontatellen. —fat, a. —fully, ad. vreeselijk. —fuhnesso.vreeseikjkheid. Frigid (frid'zjid). a. —ly. ad. Mood; gevoelloos. —ity (-zjid'it-tiln), —nese, a. koudheid, koeiheid. Frigorilie (frig-ur-ririk), a. koude verwekkead. Frill (frill), a. horn: (jabot). —, v. n. 0:11en (van kaude). Friug e (frinclzr!, a. franje, —e, v. a. met Mu* zoomen. —y, a. met frattO ointoomd. Fripper (irip'pur). a. oude-kieerenkooper; drager. —y, a. voddig, gering; a. ,oude-kledrenmarkt, uitdragerij; oude kleAren. Frisk (frisk"), a. dartelheid, vroolijke but. —, v. n. hapnelen. —er, a, wildzang; gait. —et, a. tympan. —rut, --y, a. ttitgelaten; dartal. —iness, a. vroolijItheld. Feist (frost), v. A. verkoopett op tijd of crediet. Frit (frit), 8. 0..80" Frith (frith), a. zeeengte; visehweer; houtrijke pleats. FritMary (fd-01'1e-rib), s. keizerskraon (bloem). Fritter (frit-tar), s. reepje, brokje; pennekoek. a. a. brokkelen. Frivolity (fri-vol'it-tih), a. beuzelachtigheid. Frivolous (frivio-lus), a. —1y, ad. beuzelachtig. —ness, s. beurelachtig. Frizzle (Meal), a, haarkrul. —, v. a. krullen (het hear). —r, a. kapper. Fro (fro), ad. to and —, horn en weir. Frock (frok), s. rok; kiel; jerk. Frog (frog'), a. kikvorsch; its, straal (in den panedenhoef). —bit, varsebbeet (plant). —fish, zeekik. varsch. —pod, (frord), a. met lissen gegarneerd. Frolic (frol'ik). a. dartel, —, a. darteie ,kuur; pret. v. n. pret hebben, grappen maken. —sonar, a. —somely, ad. dartel, —sonteness, a, dartelheid. Front (from), pry. van, tilt. — the life, nutr het leven. — nature, near de natuur. Frond (frond'), a. groene talc. —ation(-dee'sjunt), a. sandbag. —iferous (-diff'ay-us), -out, a. bladrijk. Front (front'), a, veorhoofd; front; voorOde —box, middel-loge. —iine,frontlinie.—row,voorste rij. —stall, voorhoofdriem, —, v. a. zich bevinden tegenover; het hnofd bin len .11. to new—, voors;thoenen. —, v. n. vooraan staan. Front hi (frunt'el), a. het voorboofd beteeffend; e. hoofdband; hoofdpleiater; fronton. —ated (-ee•tid), a. breed uitloopend. —ed, a. met een front; in het front.
Loon, o. reward, recompense ; wages, salary. —bedereer, one that underworks, tinderseller. —peer, pay-master. —trekkend, receiving wages. —trekker, one that receives wages, hireling. —en, or. w. to reward, to recompense; to pay; to make up for, to be worth. Loop, en. course, running, run; cane; career; stream ; dysentery; barrel (ran een geweer); train lean kruit) op den —, in the streets, abroad. op den — goon, to ran away, to take to one 'a heels. —achtig, by. fond of being in the streets. gadding. Loop en, on. w. to run, to walk; to flow, to stream; in het cog to be apparent, under den, root —, to run down ; storm —, to retake en assault, to storm; latest —, to let alone, to let go; (,tat sell) to strike sail. het loopt naar rhjf uur, it is near live. —bean, career, rites ; life ; orbit. —graaf, trench. —jongen, foot boy, errand boy. —kneekt, footman, errand-man. —mass, rumor. —Relate, errand-girl. —perk, race career, lists. —plaats, rallying-place, quarters. —plank, gangw ey, gang-board. —prijs, price for a race. —.chant:. retrenchment, trepan. —schuill Redding gonoip. —stag, man-lope. term. —wagers. go-cart. --end, ov. running, current; instant ; der —et maand. instant; — ruurlje, train of gunpowder. —er, rn. runner, racer; expreee, foot-p. st ; forefoot; upper-mill-stone; muller; bishop (in 't sehiakspeii ; master-key, double key; hoistingrope ; stair-carpet. onrrun quibble, fun ; trick, knack, sleight ; een nessen met, to rake a fool of. Looputb, be. gadding ; proud, ruttish. —held, v. pride. ruttishness. Loaopstsr, v. gadding gossip. Loser, v. to goats, to be lost. Loos, tr. old rope, slack. ll.nos, be. sly, cunning, subtle ; false, spare, empty; sham, mock. —., .bw. —eiijk, bw. slyly, cunningly. —held, v.:elineern cunning, craftiness; Loot, v. layer, shoot, sprig, branch. Loover, v. leaf, tinsel. o. foliage. —tje, o. spangle. Loos an, or. w. to void, to emit; to get rid of; sea zucht —, to heave a sigh ; xijn water —, to make one 'a wate• —ing, v. voiding, evseuetton. Lor, v. rag; worthless thing ; gooe-for-notaing fellow. —rewerk, burgled piece of work. —restdraaien, to /smuggle, to interlope, to trade unlawfully. —rendraaier, —rendraaister, interloper; cheat, sharper. —rendraaierij, smuggling, interloping; cheat, sharping. —renkist, box for rags, —reamand, rag-beeket. —renrrouw, rag-woman. —rensoeker, rag-man. Lording, v. belaying-rope. Lorgavet, o. spy-glass. Lore boon., rn. larch-tree. —.seam, /Tarte. Lorresi, 0^. w. to cheat, to gull, to /sharp. Lorreotie, o. parrot. faserrig, bv. & bw. worthless ; clumsy (-11y). Los, m. lynx. Los, by loose, untied, slack, unconnected, trio; vague, uncertain; lneonatant, unstable; carelesd, Lotten, bv. dt hw. henry (-ily), dill (-y), slow (-1y). —heid,v. heevinees, dullness, slowness. —ig, easy; dissolute, wild, wanton. — genie/It, flying by. Zie Loom. —igheld, v. Zie Loiumhaid. report. met — kruit. without shot. bw. —enzoeker, rag-man, rag-picker. —enhandet, trade with raga. —enkoopman, dealer in rage, rag-min. —entnand, rag -basket. —ensuiker. lump-sugar. Lonapen, ov. w. to cheat, to gull. Lome, erd, in. clown, clutney (unmannerly) fellow. —held, V. clumsiness, nwkwardness, dullum; unmannerlineas, impoliteness. —igheid, v. Zie Lonepheid. Long, in 'nies; lights. —older, 'pulmonary artery. —kruid, long-wort, pulmonar y. —kraal,—ziekte, —zucht, pulmonary diseaee. —ontstekistg, inflammation of the lungs. —pljp, wind-pipe. —tering, phthiste, pulmonary consumption. —neckties, be. phthisical. Look, m. ogle, smickering, sheep's eye. —card, ro. Zie Looker. —en, on. w. to glance, to ogle (at), —er, tn. —star, v. ogler. Loot, v. match, lune. ruiken, to smell a rat. —recht, force of arms. —stok, loot-stock, linstock. Etsociseee star, ni. —aarster, v. denier. —boar, by. deniable. —en, ov. w. to deny. —ing, v. denialo. lead; plummet, plumb; gram, half an ounce. (nederl) decigram. kruit en —, powder —erta, 'lead ore. and chat. —arch, elumbaeine. plumber. —gieterie, plum. ber's trade; — workshop, nlatmbery, lead-work*. —gilt, litharge of lead. —kalk, call of lead, massimot —kleur, lead-color. —aleurig, —vereig,losdcolored ; livid. —Zeikel, plumber's ladle. —16n. eounding- line; plumb-line, plummet; perpendicular. —metual, molder. —mien, lead-mine. —recht, bv. & bw. perpendicular (-1y). —.chunks, dross of lead. —*teen, plurnbaeo. —salter, sugar of lead, — of Saturn. —viiriool, sulphate of lead. —wit, white-lead, ceruse; —motels, w hite-lead-menufactory, white-lead-worke. —coat, salt of saturn. —swan , by. leaden; bw. heavily. —en., lsv. leaden. —en, or. NV. to plumb, to lead. —,fie, o. ticket; hit — leggen, to be a lacer, to pay for the %hole company. laseseds, V. booth, shed. --, m. (coasting-) pilot. —boot, pilot-boat. —geld, pilot's wages, pilotage. —man, pilot. —raarweter, pilot-water. —weaen, pilotage. —en, ov. w. to pilot. Loot', o. folinee, leaves; green. —hat, tabernacle. —4useeafeest, `east of the tabernacles. —rijk, leafy. —went, featooe-work, branches, leave, —worm, caterplilar. —achtig, hr. like leaves. Long, v. lye, hock. —a.ch, buck-ashes. —bak, backing-tub. —doek, bucking-cloth. --water, lye, buck. —.rout, alkali. —soutig, alkaline —achtig, by, alkaline. —en, ov. w. to buck. —inn, v. bucking. Loci, v. oak-bark, tan. —en, or. w. to tan. —kuip, tan-pit, to-a-vat. —star, tannin. —en, ov. w. to tan —er, to. tanner; —stalk, —erij, v. taunter's trade, tanning-brininess; tan-house, tat* yard, tannery. Look, o leak, garlic, scallion. —5ol, cove of —taus, sauce of girlie, onion-sauce. —acntig, by. smelling (tatting) of leek, — of
boos. —inetslike (-bisliese-lajk), a. niet gasehikt voor zaken, etrijdig net den kooproansgeest. Unbutton (nn-but'tn), v. a. loskoopen. Uneage (an-keed3r), v. a. nit de kooi laten. Uncial clued (un-kel'eind), a. onverkalkt.—culeted (-kjoe-lee-tid). a onberekend. Uncalled (un-kaold'i, a. ongeroepen. — for, on • no odig, noodeloos. Unean tolled (un-ken'aild), a. niet opgeheven, niet verntetigd. —did, a. onoprecht. —anical (-kenon'iki), a. ntet kenontek. Unwired (un-keer0) a. — for, enbehartigd, veronachtzaamd. Unease Inn-keeal, v. a. uit den koker (de keg, de scheede) nerneu; afstroopen.. Uncaught (un-kaoti a. ongevanirfn. Uncaused (un-kaozd'). a. onveroerzaakt. Unceasing inn-siezleng), a. —ly, ad. onophou• elndelooa, Uncelebrated (un-sel'e-hree-tid), a. ongevierd, ongepresen. Uncansuretil(un-sen'sjoerd), a. onberispt. Unceremonious (uu-eer-e•mo'nk-us), a. —1y, ad. :cinderplichtplegingen, ongedwongen. Uncertain (an-sar't1u), a —/y, ad. onzeker. —ty, a. onzekerheid. Unchain (un•tsjeert'), v. a. van ketenen ontdoen. 'Unchang cable (un-tsjeendkribl). a. —eably, ad. onveranderlijk.—eableness„s. onverandertijkheid. —ed (-tsjeendzidl, a. onvcranderd. —lag, a. onveranderltik. Uncharged (un-tejaardajd'), a. onbeladen; abet aangevallen. Uncharita Lie (an tsjer'ittble). a. —bly, ad. liefdelons. --6/euess, s. liefdeloosheid. Uneharm (un- tejaarm"), v. a. onttooveren. Unchast a (un-tajeeat'). a. —ely, ad. onkuisch. —iced (-tejes-tajzd'), a. ongestraft. —icy (-Wes , tit-ih), a. onkuisehheil. Unchecated (un-tsjekt . ), a. onbelemmerd, onbetenge'd; niet gecol.ationeerd. Unekeerful (un-tsjterloel), a. neerslachtig, bedrnkt. -1.14, a neersiechtigbeid. Unehrist sued (un-kriend), a. ongedoopt. —ian, a. —iaray. ad. (-kristlen-), onchristelijk. Unehron toted (un-kron'i kid), a. on vermeld.. Unchtireh (un-tajurts,r), v. a. uit de kerk (ge, meente) atooten. Uncial (un'ajel), a. & a. — let:er, groote letter. Uneireurn Oiled lun-aur'ku ► i-evjzdj, a. onbe • sneden. —ciao* (aizYun), a. onbesnedenhapi. —scribed (skrajbd), a. onbepsald. —spect, a. —spectly, ad. (-spekt.), onbedachtzaam, onvoorzichttg. Uncivil (un-eivs11), a. —ly, ad. onbeleefd. —iced (-ejsd), a. onbeachaard. Unclad lan-kledl. a. onsekleed. Unclaimed (un-kleema' 1. a. ongedtacht. Unclarilled lun , e lerl.fajd), a. ongeklaard. Unclasp lun-klaaap'), v. a. locheken. Unclassical on kles'eikl),a.niet klasalsk. Uncle (unrk1), a. oom. Unclean (un-klten'). a. —ly, ad. amain, anti. —knots (-11- nese), -AM, a. onreinbeid; onkuischheld. —sed (-klensd.), a. ougentiverd. Unclew (un • kljoe'), v. a. los-, arwinden.
Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.
MOP.- MON. Tied crat In (mod'ur-et), a. —tely, ad. gem atigd, Monach al (mon'e-kel), a, monniks-; kloosterlkjk; eenzaam. —ism (-kizm), s. rnonnikenwezen; kloosmatig, middelmatig. —re (-eat), v. a. matigen, terleven. temperen, does bedaren; v. n. bedaren. —tenets t-et-1, a. gernatigdheid; middelmatigheid. —lion Monad (mon'etl), a. ondeelbaar lets, monade. i-ee'sjun), R. gematigdheid; hetlaa7 dheitl. --for, Monarch (mon'erk), a. al leenhearscher, monarch. -rat, (mo-naark'el), —ic, —icel Ono- naarklk- j, a. (-en- tar), s. tnattger; vredernalrer; voorzit'er. alleenheerachend; vorstelijk. —ist, a. voorstander oderii (mod'urn). a. nieuw, nieuwerwetsch; der monarchic. —ice (-ajz), v. a. ale monarch bes. hedendaagache, tijdgenoot. hedendaagsch. —ism, a. nieuwigheid. —ize (ajz), v. a. nieuwer-1 heerschen; v. n. den monarch spelen. —y, a.alleenheerschappij; monarchie. wetach maken. —nest, a. nieuwemtachheid. Modest (ruod'tst), a. —ig, ad, hescheiden; zedig; Monaster ial (mon-ea-ti'rt-e1), a. kloosterlijk. —y (mon'es. ter-ih),a. kleoster. ingetog,en, Perim?. —y, s. zedigheid, Ingetogenheld, eerbaariteid; —piece, kanten hoezernstrookje. 171onastle (nao-nes'tik,, s. kloosterling —, —al, a, —ally, ad. (-tikl-), klooaterlijk. —ism (-ti-sizm), Modicum (mod'i-kum), a. weintgjs. a. kloosterlaven. Modifiable (mod'i-faj-ibil, a. vatbaar voor wij—ication ;41- kee'sjun), s. wijziging. —y, Monday (mun'dee), s. maandag. to make a saint ci - masndag houden. V. R. wijzigen; verzachten; — upon a matter, een Monde (mond), a. wergild; rijksappel. onder•erp uitputten. Modish (rno'disj), a. —1y, ad, modiech, naar de Monetary (mon'e-te-rih), R. gelsleiijk, geld-. Money (mua'ih), a. geld. ready —, in hand, mode. —rem a. moderucht. gereed geld. to make —, geld verdlenen. to make Modal ate (mod'joe-leet)„ v. a. , de stem) buigen, — of, is gelde maken. —bag, geldzak. —balance, rooduleeren. —ation (-lee'sjun), a. stembuiging, geldschaal. onderstands bill. —box, spaarmodulatie. —ator, a. mtembuiger. —e (-joel), 3. not. —broker, gellhandelaar. —changer, wissemodel, monster. filar. —lender, geldschieter. —making, geldwinModwall Imod'vcaol), a. bijenspeeht. nine:. —matter, geldzaak. —proof, onomkoopbaer. Mogul (mo'gul),s. Mogul. —serivener.geldmakelaar.—'8-tvorth,geldswaarde. Mohair (rno'heer),a, kernelshaar. k (mo'haok), s. straatroorer. —wort, penningkruid. —ed (-id), a. rijk,berniddeld. Mob Molder (mol'dnr), v. a. verbluffen,verlegen waken. —er, a. witselaan.mtinter. —less, a. zouder geld. Monger (mung'gur). s. koopman, kramer. ed, a. vermorseld, fijn gewreven. Mongrel (mung'gril), a. van gemengd rat, Moiety (morit-tik,), e.belft. bastaard. s. bastaard. MiLoti !me))), v. R. be& ijken; lawellen, afmatten; Monied (mun'id), a. rijk. bemiddeld. v. n. zwoegen„ sick sf'looven. Moist (rnojat,')., a. vochtig. —en (nnola'n), v. a. be- rtionish (morilaj), v. a. vermanen, waarschuwen. vochtigen. (moja'n-nr), a. bevoch tiger. --er, R. vermaner, waarschuwer. Monition (mo.nisPun), a. aantnaning, wenk. —nese, —ore (-joer), e. vochtigheld. —ory, A. vermanend , Monit lye Moke (mock), a. mast. net •erk. Moky (mo'itill), a. don kPr, somber. nars,huwend. —or, a. vermaner, waarschuwer. Molar (rno'ler), a. fijomalend, moat-. - tooth, —cry, s. vermaning, waargchuwing. Monk (mungk'), a. mon•ik; vlek (hi) drukkeral. MR3,1tR11(1., kies. —fish. zeeengel. —sheet, vet miadruk. —'s-head, Mol aarven lmo-les'siz), a. suikerstroop. Mole (moor), ps. tool; dam, havendam; moedervlek. papenkruid. —'s-hood, monnikakap. —"a-rhubarb, monniks-rhabarber. —cry, a, monnikenwezeu, -le--bat, ven. —hood,a.monnikachap.—iah,a.monnikachtig. mollenvanger. —cricket, veentuol. —eyed, met seer kleine oogen. —track, moilengang. —trap, Monkey (mung'kih), a. Rap. —flower, guichheil. —"e-bread, apenbrood (plant). mollenval. —warp, mol. —, v. n. molshoopen opMono chord (mon'o-kord), a. eenanarig apeelruimen. Molecule (mol'e- kjoel), s. stofdeeltje. trig, —chrome 1.1croom), a. eenkleurtg schilderMolerit (mo-lest'), v. a. overlast aondoen, kwellen. stub. —chromatic (-kro-met'ik), a. eenkleurig. —Winn (mol-ea-tee'ajun), a. overlast, Wed. —er, Monocut ar (mo-nok'joe.ler), —out, a. eenoogig. T►llonodon (mon-o'don), a. zeeeenhoren. a, verontruster,kweller. Moll! eat (molli-ent), a. verzacht,d. —feeble Monody ;rnon'a-dth), 8. alleenzang. ( faj-ibl), a. verzachtbear. —,fication (-fl kee'sjun), Monogstm 1st (mn-nog'e-mist), a. vijand van a. verzachting. —fler (-faj-ur),s. verzschter. het bertrouwen; die dêne vrouw heeft• a. huwelijk met 6ene vrouw. (•faj), v. a. verzachten,'Ienigen. Mono grant (raon'o-grem), a. naameiger; SAMollusk (11110P1i100, R. weather. mengestelde letter, ldnregelige rspreuk. —graph Molt. Zie Moult. (-grei') s, beschrijving van eene enkele zaak. Molten (mool'tn), a. gesmolten. Moly (molih), a. wild knoflook. —PraPbY (mo-nog're-fih), a. lijnteekening; Monograph. — UM (-11th), e. gedenkzuil nit Mollybdena (mol-ib di'ne), a. waterlood. a. alleenapraak. 6dn stern. —logue lone (moom) ; a. totskop, domoor. Moment (mo'mint), a. oogenblik; gewicht,belang. Monomachy (mo-norn'e-kih), s. tweegevecht. Monomania (mon-o-mee'nI-e). a. monemanie —orgy, ad teder oogenblik. --ary, a. vluchtig, voorbjjgaand, kortstoadig. —out (-ment'us), a. Mononne (mon'om), a eenvoudige groothetd. gewichtig, van belting. —um (-men'tnm).s.beweeg- Monopnthy (mo-nop'e.tik), e. alleen•laden. Mr,nopetaloos (mon-o-pere Ins), a. tlenbladig. kracht, sandrijvingakraeht; toppunt.

Kun je de mijne Crypto met een laptop


(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.
zuivering, !outering;verfijning; bnarklooverir gea. onthaai. —ia (-Ii- et, p1. zinnebeelden der koninklijke macht. —ity (-gel'it-tih), a. boningmaaktheid. —r, s. zuiveraer; r3fflnadeur; verfij'chap. ner; baarkloover. —ry (-ur•ih), a. rsffinaderij. Regard (re-gaard'), a. bilk; oplettendheid, twitRefit (ri-fle), v. a. herstellen; laptalven, ting; betrekking; aanzien; opsicht. in — of, nit Reflect (rellekt'), v. a. weérkaateen; v. n. weeraanmerking van. mita — to, ten opzichte van —, kaetsen; (on, upon) terugvailen; terugdenkan aan; v. a. beachouwen; in aanmerking nemen; aehten; nadenken over, overwegen; to aanmerking neRangaan, betreffen. fkl, a. —fully, ad. opletrnen; zich ongunsttg uitlaten over. —eat, a. tend, zorgvuldig (of). —less, a. —teesty, ad. onwetrkaataend. —ion (-1Iek'sjun), a. weerkaatsing; oplettend, onachtzaam (of). —lames., a. achteweêrschiln; overdenktng; berirping. —lye, a. loosheid. weerkaataend; nadenkend. —or, a. straalbreker Regency (ri'dtjen•eih), a. regentscbap. overweger. Regenera cy (re-dzien'ur-e-siih), —tette,. (•et)-, Reflex (riTelts), a. omgebngen. a. toeatand van wedergeboorte. —te (-et), a. wedergaboren. —te (-eel), v. a. wedergeboren doen Refle x ibis (re tleks'ibl), a. weerkaatabaar. warden. ( ee'sjun), a, wedergeboorte. —ibility (-bil'it-tih), s. weerkaatsbaarheld. Regent (ri'dzjent), a. regeerend. a. regeerder. —ire, a. Zie Reflective. regent. —est, a. rsgentes. —ship, a. regeering, weder bloelen. Refloarieh (ri furls)), regentschap. u. terugvloeiend. Reflow lri Refluent (r.noe-ent), a. terugvloe'end. Regertnination (rt-dzjur-ml-nee'ejuu), a. wederontkieming. Reflinic (ri'lluks), a. ebbe. Reform (re-form'), e. hervo•ming. —, v. a. her- Real Bide (red'sji-sajd), a. koningamoord; koningantoorder. —men (-men), a. leefregel; bevormen; (ri-form`) weder vormen. —, v. n. beter worden. —ation (ref ur-mee'sjun), a,hervormingt heerschte naamval; wijze, stelae'. —meat, a. regement. —mental (-men'tel), a. regements-, verbetering. —atory (-e-tor-rih), a. hervormend. mental. (-men'telz), pl. uniform. her. —jet, a. hervormde; hervormer. —er, a, vormer Refract (re-frekt'), v. a. breken. —ion (-trek'. Region (ri'dajun), a. atreek, steer. Pjun), e. straalbreking. —ive, a. straalbrekend. Regis ter fred'zjis-tur), a. register; bijlbrief; registrateur; —store, regiateroven. —ter, v. a. re—evinces (-ur-lh), a. weerapannigheid. —orily, wetrapannig. gtstrreren, aanteekenen; aanmonsteren; —ship, ad. —ory, a. a. ambt van registrateur of griffier. —trar (-trer), Refragable (ref're-gibl), a. wederlegbaar. a. registrateur, griffier. —tration (-tree-sjun), a. Refrain (re-Preen'), a. refrein. —, v. a. weerhou(het) registreeren, —try, s. regiatratie; -kantoor; den (frees); v. n. Ifrom) zieh onthouden van. Ina chit ving, Re ream e (ri-freem"),v- a. weder in elkan der zetten. Refrangi ble (re-fren'dsjibi), a. breekbaar. Reglet (reglit), a. zetlijn„ —Nifty (-dzji-bil'it-tih), a. breekbaarheid (der R•egorge (re-gordzj'), v. a. uitbraken; wader inslikken. /lchtstralen). Refresh (re-fresh), v. a. ververschen, verfria- Regraft-(ri-graafe), v. a. op nieuw enten. schen; verkwikken. —er, s. verfriescher; yen- Regreet (ri-graant'), v. , op nieuw vergunnen. kwikkend middel. —meat, a. ververrching, ver- Regrate (re-greet'), v. a. opkoopen; atbikken. —r, a. opkooper; uitdrager. frissching; verkwikking. Refrigerant ;ra-frid'zjur-ent), a. & a. verkoe- Regreet (re-griet'). v. a. weder groeten; teruglend (middel). —te (-eet), v. a. verkoelen. —tion groeten. (•ee'sjun ► , a. verkoeling. —tire (-8-tiv), —tory Regress (ri'gress), —ion (re greRj'un), a. terugbeer. —ire (re-gres'siv), a. teru keerend. (-e'tur•rih), a. verkoelend. Regret (re-gret'), a. spit, lee women, verdrlet, Roll (rift), a. beroofd. berouw, (for), —, v. a, betreuren, sat hebben Refuge (re/Iced*, a. schuilplaats ; toevIneht. van. —fat, a. bedroefd. —fully, ad. met leedwe—, v. a. beschermen. —e (-joe-dzjiel, s. viuchzen, ongilarne. teling; uitgewekene. Regal ar (regloe-ler), a, —arty, ad. regeimatlg. Refulgen ee (re-furdzjens), —cy, a. geregeld- regulier. —ar, a. ordebroeder. —arity achittering. —t, a. —t/y, ad. glanerijk, achit(-ler'it-tih), a. regelmatigheid; geregeldheld. terend. —ars (-fern), pl. geregelde troepen. —ate (-feet). Refund (re-fund'), v. a. teruggieten; betalen; v. a. regelen, schikken,ln orde brengen. —action dehken; teruggeven. (-lee'sjun), a. regeling, schikking; 'reglement. Rer1111. able (re-fjoceibl), a. to weigeren. —al, —ator (-lee-tur), a. regolaar, inrichter; ,linger; a. weigering. —e (refloez), a. uitgeschoten; a. regulateur. uitscbot, afval. —e, v. a. & n. weigeren, afRegurgita to (reuediji-teet), v. a. weder alaan. —et, s. weigeraar. inalokken; v. n. teruploeien; overwerpen, Belot able (re- fjoelibl), a. wederiegbaar. ation loopen. —tion (-tee'sjun), a. wederuitwerping. (ref-joe tee',)un), a. wederiegging. —atory (-te• -inelokking; overvloeling. tor rib), a. wederleggend. —e, v. a. wederleggen. v. a. heratellen, 1Rehabilita te —er, e. wederlegger. weder bevoegd waken. —tion (-tee'sjun), a. herRegain, (re•geen'), v. a. herwinnen. stelling. Regal (ri-gel), a. —ly, ad. koninklijk. Regal e (re-geek)., a. koninkiljk voorrecht; ont- Rehear (IA bier') [irr.], v. a. wader hooren. —ing, s. nader onderzoek, herziening, haal. —e, v. a, onthalen; v. n. ,mullen. —ement,

Infinitive. to Blow to Bear (harem). , (dwen). to Bull to Bind to Breed to Break to Bring to Build to Burn to Burst to Come to Cast to Catch to Chide to Choose to Clothe to Cleave to Climb to Cleave to Cling to Come to Cant Can to Creep to Crow to Cut to Deal to Do to Dip to Do to Drink to Draw to Dream to Draw to Drive to Drink to Dig to Ding to Dare (duxven ). to Dwell to Eat to Fall to Feed to Fall to Feel to Flee to Fly to Fling to Forbid If

Wie heeft Blockchain


!Visible a (um'b11), o. pl. Ingewanden (van can hert), Umbria plot (ngo'bridaj), a. lommer; achiju; achterdocht; beleedtging. —genus (bree'dzjus), a. la:r.merrijk. —geoueness (-bree'dzja•), a. lammerrijkbeid, —tic, (-hret'ik-), a. aim,. beeldig, achadttwig, hulazittend. Umbrella (urn brei'le), a. regen zonnescherm. Umpir age (urn'pir-idzj), a. acheidarechterlijke be3ltasing. —e (pajr), a. acheidaman. Unabashed (can-e-besje), a. onbeaehaarnd. Unabated (c.n-e-bee'ttd, a. onverminderd, onveritauwd. (tin-ee'bi.), a. onbekraam, buiten ataat, Unat onvermogend ( for. to). Una.bollehed (una-bol'iajt), a. ntet afge,,chatt. Unabridged (on e-bridzjd"), a. onvetkort. Unabaolved (un-ab-zoivcr), a. ulet vtijgesproken. Unaczented (ran-ek-aent'id), a. zonder to ► nteeten. Uusteeepi sable (an.-ek-eept'ibl),, a. n 7iiieuneui lijk; onatngenaarn, (to). —ablenees, a. nuaannemelijkheid. —ed. a. nlet aengenomen. Unaccommodat aol (un-ek-kom'mod-ee-tid). a. niet ingericht.; onbruikbaar (to); niet bijgelegd, —log, a. niet iuschikkelijk. Umaccom panted (utt-ek-kam'pe-nid), a. onverzeld. —pliahed (-kom'pliejt), a. onvolbraeht; onvoltooid. Unaccounta ble (an-ek.irsauat;b1), a. —WY, ad. enverantwoordelijk; onverklaarbaar, (In). —Neuss, a. ouverantwaordelijkheid; onverklaarbaerheid.
E IN it. —E Enravish (en-rev'isj), v. a. verrukkeu. —meet, Enthrone (en-thmone), v. a. op een' troon zetten. s. verrukking. Enregleter (en red'zjis-tur), v. a. inschrijven; Enthuslas m (en-thioe'zi-ezm), s. geestdrift. inboeken. —t (-est), s. ilveraar; geestdrijver. —tic, —tical, Enrich (en-titan, v. a. verrijken; vruchtbaar (-wank.), a. ijverend, hartstochtelijk; geestdrij , vend. maken. —er, s. verrijker. —menu, a. verrijking. Entic e (en.tajs'), v. a. verlokken,verleideia; aanEnridge (en-ridzr), v. a. met voren maken. trekkers. —ement, s. verleiding; aasloksel. —er, Enripen (en-raj'pn), v. a. rijp maken. s. verleider. —ingly, ad. verleidelijk. Enrobe (en-rook'), v. a. kleeden; tooien. Enroll (en-rcol'), v. a. inschrijven; sanwerven; Entire (en-tajr'), a. geheel, volkomen; oprecht; inrollen. — one's self a soldier, diesst nemen. getrouw. —1y, a. geheel. —nese, s. geheelbeid; —er, s. inschrijeer; werver. —ment, s. inschrij- rechtschapenheid. —ty, s. geheelheid; volkoEmenheid. —horse, s. henget. ving; aanwerving; register; rol. ntitative (eneti-te-tiv), a. op zich self beEnroot (en-roet'), v. a. doers wortelen. Ensanguine (en-seng'gwin), v. a. met bloed schouwd. Entitle (en-taj'tl), v. a. betitelen; benoemen; besmeren. Enschedulc (en-skedejoel), v.' a. iu eene reel gerechtigd maken. Entity (en'tit-tih), s. zijn; wezen; aanwezen. inlasechen. Ensconce (en-skone"), v. a. omsehansen; be- E \natnogieln. (en-tojle), v. a. omstrikken, in een' strik schutten. n,tgonva il4 (. en-toem'), v. a. begraven. —meet, s. E bra Ensearn (en-sierra'), v. a. cosines, omzoomen. Ensear (en-stern, v. a. dichtschroeien. Entomolog 1st (en-to-mol'ud-zjist), insectenEnshield (en-sjield'), v, a. beschermen. l E Enshrine (en- sjrajn"), v. a. zorgv uldi g (ale lets ntetnrnaeirl..—( !e/n(,-,zrjeitz)), , iinnegeec,teannkduennd. e. heilige) bewaren. ey't intrede; toegang; Enshroud (en-sjraude), v. a. in een lijkkleed Ebnetgrin.ance(nen —money, e-geld. hullers. Entrance (en-traans'), v. a. verrukken. Ensiform (en'si form), a. zwnardvormig. Ensign (en'sajn), s. vaandel; vaandrig; onder- Entrap (en-trep'), v. a. vangen. scheidingeteeken. —bearer, vaandeldrager. --cif Entreat (en-triet'), v. a. bidden, smeeken; v. n. • een verzoek aanbieden. —er, s. bidder, emee(en'sin•sih), s. vaandrigcehap. Enslave (en-sleeve), v. a. tot slavernij brengen. ker. —ingly, ad. —ite, a. biddend, emeekend. —meet, s. verslaving; clavernij. —r, s. nor- E;ter, tde., (sareerkeininge..,), s. tueschengerecht. drukker. Ensnare (en sneer'), v. a. verstrikken, ver- Entrepot (an-tre-po'), s. goederen-magazijn. Entry (en'trih), s. ingang; intocht; backing; sehalken. Ensnarl (en-sonar!'), v. a. [very arren, In ver- aangifte. Enuclea te (e-njoe'kli-eet), v. a. ontwarren. legenheid brengen. —tion (-ee'sjuu), 8. ontwarring. Ensue (en-s)oe'), v. a. volgen, vervolgen; v. n. E,numera te (e-njoe , mur-eet), v. a. optellen. volgen, voortvloeien. (-ee'sjun), a. optelling. —tire, a. oplettend. Ensure. etc. Zip Insure, etc. Entablature (en-tebele-tjoer), s. zeiltop; dek- Enuncia te (e-nun'sji-eet), v. a. verklaren; uiten; aankondigen. —tion (-ee'sjun), s. verklaring; mestuk; rollaag. Entail (en-teen, s. vastgezet (onvervreemdbaar) dedeeling; uitdrukking, voordracht. —tire, a. erfeoed; ingelegd werk, snijwerk. —, v. a. be- —tively, ad. (-e-tiv-), te kennen gevend. —tory palingen maken omtrent den overgang van een (-e-tur-). a. uitend, verklarend. erfgoed; inleggen, insnijden; opleggen (on upon). Envelop (en-vel'up), s. omslag, oinkleeding. —, v. a. ontwikkelen, inwikkelen. —went, s. inwikEntnme (en-teem'), v. a. tenamen. Entangle, ten-teng'g1), v. a. verwarren; inwik- keling; verwikkeling. kelen; in verlegenheid brengen. —ment, s. ver- Eavelope (an-ve-loop', en'veloop), s. brietomwikkeling; verwnrring; kwelling. —r, a. ver- slag; omkleedscl. Envenom (en-ven'um), v. a. vergiftigen; verbitetrikker. teren. Enter (en'tur), v. A. intreden, inkomen; Ran- geven; inboeken; inwijden; v. n. binnenkomeu; Envi able (enevi-ibl), a. benijdenswaardig. —er, s. benijder. —ou8, a.—ouay, ad.nijdig,afgunatig. (into) treden in; (upon) beginnen, aanvaarden. —ing P. ingang; begin; —ladder, staatsie-trap. Environ (en-vaj'run), v. a. omringen. —a, (enEnter° cele (en-tereo-siel), s. liesbreuk. —logy vaj'runz, enevi-ronz), s. omstreken. (-tur-ol'ud-zjih), s. beschrijving der ingewan- Envoy (en'voj), s. afgevaardigde, gez-ant. Envy (enevih), s. nijd, wangunst. —,v. a. benijden. den. omsluiten. Enterprise (en'tur-prejz), s. onderneming. V. a. ondernemen. ondernemer• s. epacta. Entertain (en-tur-teen'), v. a. onderhouden; ver- Epact a. onderhcuEpaulement (e-paorment), s. borstwering. —er, oaken; onthalen; koesteren. der; onthaler. —ing, a. —ingly, Rd. onderhou- Epaulet (ep'ao-lit), a. epaulet. dend, vermakelijk. —meat, a. onderhoud; ont- Ephenser a (e-fem'e-re), s. tindaagsche koorts; haft. - al, —ic, a. tendaagsch; kortstondig. —an, bss1; vermakelijkheid.

Sollars (bol'lurz), a. groote boeien. —timbers, apoatels. Bolster (boarstur). a. peluw; kompres. v. a. van kussenn voorzien; met eeu kompres beteggen; ondereteunen (up). Bolt (boolt), a. boat; grendel; pill; kluiater, —head, distilleerkolf, —rope. lijk (van een cell). Bolt (boolt). v- a. grendelen; kluisteren; ziften; nittlappen; v. n. plotseling to voorschijn springen. —er, a. builmolen. —ing-house, builkarner. —ing- hutch, butlkiat. Bolus (bo'lus). s. groote pit. ri Bonn (bom), a. eerie groote slang. Bomb (bum), a. bomkogel. —ketch, —vessel, bombardeergalloot. —proof, bomvri). —shell. bomkogel.
(-egt), v. a. verscheureu. —lion (-ee'sjun), e. ver- iLnity s. (de) leeken, ;eekenstand. l.taIL e (leek"), a. meer; poel; karmozijn. —elet (-lit), Seiteuring. —tire (-e tiN), R. veracheurend. e.neerta (le-Feete), s. hagedis. a. meertje. —y, a. van een meer. ii.nchry ma I (lek'ri-niel), a. tranen verwekkend; Lamb (1cm'), e. lam; lamsvleesch. —ale, sae., feest. —'s-lettuce, vel.daalade. —'s-quarters, wilde traan-; — glands, trannklieren. --ry (-m' -rib), a. melde. —'a skin, lemsvel. 's-stone, lamanier. —'atranea bevattend. —tion mee'sjun ), e. ihet) wee- tongue, lamstong. nen. —tory (-me-tur-rih), s. traanflexch, tram- lame•ol; appelbier. Lamb alive (lern'be-tiv), a. dat likkend ingenokruik. Lack' fat e (le-ein'i-et), —d (-eet.id), a. met fran- men wordt; lik-• a. likartsenij. —eat, a, likkend; je, gezoomd; uitgetand. glijdend, spelend; a. getongde ► eeuw. Lack (lek"), o. gebrek, geniis; Ink (100.000 ropijen). Lamb kin (lem'kin), a. lammetje. —like,a. zachtnardig, gedwee. -, V. a. ontberen, Mi SEEM; v. n. ontbreken. —a-day,. int. helaan ! lieve keine!! —adainical Lame (leem'), a. —ly, ad. lam, kreupel; gebrek(-e.dee'ziki), a. sentimenteel, gemaakt treurig, kelijk. —, v. a. veriammen, verminken. —nest, —brain,domoor. —land, ton- melkmuil. a. lamheid; gebrekkelijkheld. —beard, her land. —linen, tender hemd. —lustre, glans- Lamed (-leet-id), a. bladderig, schilferig. loon. —wit, domkop. Lack., Ilek'ur), s. b,hoeftige; goudlak. —, v. a. Lament (le-ment'), s. weeklacht; treurzang. met goudlak verniseen. v. a. bejammeren, beklagen; v. n. jammeren. —able, a. —ably, ad. Lackey (lek'ih), s. lake), livereiknecht. —, v. a.:& beklagenswanrdig, jammerlijk. —ation (lem-en-tee'sjun), n. als Iakei dienen. n, wee - , jamrnerklacht. 19.8 eon in (le-kon'ik), — ical, a. — ically, ad. kort, o. weeklager. bondig, Jal,onisch. —ism (tek'o•nizm), s. korte, Crevealrsa (lemq-ne), e. dunne plant, bladschilfer. —Ole (-nibl)., a. rek-, pletbnar. —r, —ry, —ted borolige epreekwijze. (-neet•id), a. nit dunne bladen beetaand,schilferig. Lacquer (lek'ar), s. kit Lacher. Lace ary (leic'te-rih), a. melkachtig; R. melkhuis. Laaaesaaan (lem'mes), a. St. Pieter's banden (1 Aug.) (-tee'ajun), s. ranging. —cal (-ti-el), a. at latter —, op St. Junius, nimmer. melkaehtig; de chill overbrengend; —fever, tog- Lamp (lamp'), a. lamp; HOU. —black, lampzwart. —coca (-ti-us), a. —lighter, lantarenopsteker. —stand, lampevoet. boons; a. melkvat. —can Zie Lacteal. —eseence (-tes'sens), s. melkachtig- —waster, nachtbraker. held. —escent (-tes'eent), a. melkgevend. —ic, a. Lampoon ilem-peen'), a. sehimpschrift. —, v. nit enelk verkreken; — acid, melkzuur. --iferous a. hekelen. —er, a. paskwilschrUver. (-tirur-us), a. melkyoerend. Lamprey (lem'prih), a. lamprei. (le-kus'trel, —trier), a. bij of in Lana ry (leegne-rih), s. wolpakhuis. --te ( - net), Lacustr het water groeiend, water—. a. wollig. Lance (laant'), a. lens, apeer. —knight, —man, Lad (led), s, knaap, jongen. Ladder (led'dur), a. accommodation—, staataletrap. lansknecht. —, v. a. doorsteken, met een last. mesje opener, —r, s. lansier. —ropes. valreepstouwen. —way, trapeat. Lade (leed) [laded, laden], v. a. laden, beladeu; Lanceolate (3en'si-o-leet), a. lansvormig. acbeppen.—r. K. leder, belader. Lancet (len'sit), a. lancet, laatvlijm; spitsboogvenster. style, spitsboogatijl. Lading Ileed'ieng), a. lading, vracht. bill of —; vracbtb,ief. eognosse ment. Lanch (laantsj), v. a. Zie to Launch, s. pollepel; schopberd. Ladle Lamina to (len'ai-neet), v. o. scbeuren. —tion Lindy (lee'dih), a. Lady, mevrouw; dame; gale; (•nee'ajun), a, acheuring, veeracheurtng. MU, lieve Vrouw. —bed straw, Land (lend'), IL land, grand. by —, over land. meesteres. our walstroo. —bird, —bug, —caw,—fly,11.even beers- —beef, oosetong (plant). —bred, inlandsch.—breeze, hear tie. —day, Maria-boodschap. —fowl, zekere landwind. —carrel:7k, kustvaarder. —carriage, veteend. —love, liefste, minnares. —mantle, zilver- veer over land. —chain, meetketting. —cod, kakruid, leeuwenveet. —'s-bower,winde. —'a-comb, beljauw. —fall, erfenis van landerijen; eerste land, naaldkervei. —'s-cushion, naveikruid. —'s-finger, dat in 't gezicht komt. —fish, landrot. —flood,overwond-.1idkruid.—'s-fesc-g/oee,waikruid.—'s-glore, strooming. —faeces, landmaeht. —gable, rerponding. grave, landgraat. —graviate (-gre'vi-et), longkruid. —'s-hair, vronwenhaar. —'v-laces, vlankruid —'s-milk, --'s-thistle, vrouwendistel. lendgraarsclap. —holder, grondbezitter. —jobber, —'s-rose, kricho-roes. —'s-seal, stikwortel. —'e- apeculant in landerijen. --lady, grondbezitster; slipper, vrouwenschoen (plant). —'s-smock, water- waardin. —locked, door land ingesloten. —loper, lubber, landrot. —lord, landheer; huisheem award. kers. —like, a. damesachtig, bevallig. —ship, s. —man. landsoldaat. dyscbap. grenspaal; baken. Lag (leg' ► , ft- echterst, laatst; langzaam, traag. —, —mate, landbrurman. —measuring, landmeting. a. (hat) achterste, andante, laatete; heft; achter- —rail, wachtelkoning. —raker, Jandlooper. —rat, bli i ver. —, v. IL talmen, achteraan komen. —gard landrot. —rent, landpaeht. —slide, —slip, aardstarting. --snian, landrot. —spaniel, wachtelhond. ( Kurd), a. achterblijvend, traag. --ger (-gear), a. talmer, aehterblijver. —steward, rentmeester van landerijen. —strait, Laic (leen), —at, a. tot den leekenstand hehoe- Jandengte. —tax, grondbel fisting. —tenant, grandrend. —, a. leek. bezitter. —turn, landwind. —waiter, tolbediende. —wind, landwind. —worker, landbouwer. Lair (leer), s. leger (van een wild dier). linird (heard), s. heer, ambachtsheer. Land (lend'), v, a. ontsshepen. loosen; v. n.
v. n. lath. met hanglippen. —table, klaptafel. — v. a. klap- neer (flier') s. spotternij; VRIRClift ' pen, met een' klap slaan; v.n.klapwleken; lied- spotten, valsch lachen. —er, a. spotter; vleier. derend neerhangen (down). —per, s.klepje;klap; Fleet )111et'), s. vloot; inham, kreek. —. a. —tit, ad. Licht, vlug. —, v. a, afschuimen, afroomen ; waaier: herinneraar. verdrijven (den tijd); v. n. verdwijnen, vervlie• Fare. (deer), s. flikkerliebt. —, v. n. flikkeren, —ing-dish, vlootje; sebitteren; verblind worden. to —into one'sface, gen. —ing, a. weganellend. achuimspaan. —near, s. vlugheid, snelheid. aanzien. (over) voorovervallen. sterlt Flesh (flear),s.aleeach.—broth,vleeschnat.—brus)i , § (up) vleeschkleur. —diet, vleeschhuidborstel. s. flikkering. le1issli (Clear), a. laag, gemeen. spijs. —;fly, vleeschvlieg. —hook, vleeachbaak. ,traal, sebieht; ):lets; klatergoud. —of wit, gees- —monger, vleeschkoaper; koppelaar. —quake, tige local. —, v. a. vlak Taken; doen kletsen, vleeschtrant. tilling. — aide, dean opspatten In her roeien), (on) a erpen e. n. flikkeren; spatten, kletsen; kwink- Flesh (fleer), v. a. inwijden; afriebten, gewennen; Licht). vettnesten. —iness, s. vetheid, logheid. —less, a. slagen doen. (into) ultbareten in; opkomen in. —liness, (-li-ness), a. zinnelijkheld. —ly, mager. ontbranden in. (into) in). (with) uitharsten (nut) a. vleescheliik, zinnelnk. —y, R. vleeztg. klein vernuft; roeier. —ay, —er, s. gezocht Fletcher, (fletsfur), s. bong- en pijlernnaker. d. —y, a. winderig; uppervlakkig; !Flew (floe"), s. dikke snort. —ed, a. dikmuilig. geeatie•. Flex (fieks'), v. o. buigen. Flask (flaaek), a. veldaesch; krnithoren. a. buigzaam van card. —ibility (-i-bil'it-tib), Vl.stect (flaas'kit.), 8. spijsmand; klebrenmand. —iblentess I•ibl-neon), e. bulgzaaesheid. —ible, a. i•rat (flet'), a. —Op. ad. plat, liggend; flauw, butgboar; inschikkelijk. — ile (41), a. buigzaam; versehaald; dor; gedrukt took van prtjzeu); on. s. toeeevend. —ion (.jun), s. bulging. vertonemd. --eottomed,nlathoOmd. —denial,reeht- buigepier. —uous Hoe-us), a. bochtig; onbesten• etreeksche weigering. —and plain,rondua. (-jeer), s. bulging; bocht; bong. —ure, dig. vlak, op ziin plat. —,s. plat; (het) platte; —wise, vilicte; ondiepte; praam; tool in de muziek); Flicker (flik'ur), v. fladderen, klapwieken. mei. —eras, o , platheid: lafheid, smakeloosheid; —mouse. vleermuis. dorheid. —ten (flet'tn), v. a. plat (tint; flauw) Filer (flaj'ur), a. vluchter; onrust; rechte trap. zwerm; dracht (bereik; nu0,en; ,ter neer clean; v. n. inlet vlak; dof) Flight (flajt 1 ► , a. vlucht; —shot, boneschots•afstand. —iness warden. --ter, a. planeerder, pletter. trapvleugel. (-i-ness), a. eluchtigheid; , lichtvaardigheid. (flet'tur), v. a. vleien. —er, s. vleier. vluchtig; waft, lichtvaardig; kjlend. R. —icy, a. —ingly, ad. vleiend. —y, s. vleierij. FIntatten die (flet'joe-lens), —cy, s. winderigheid, Flimflam (ilim'flem), 11. poets, streak, beusenietigheid. —t, a. opgeblasen, winderig. s. dunheid, teederFilms Iness native (tlee'tus), s. wind; adorn. held, zwakheid; geringheid. —y, a. dun, ijl, nnucei stiaant), a. pronk. — , v. n• fladderen; zwak; gering; geesteloos; armzalig. prenken, zich onbeechaamd aanstellen. v. a. Flinch (flints)'), v. n. wijken, terugdelnzen, zich Ulavor (liee'vnr), amakelijkheid, geur. onttrek!ten aan. (from) —er, a. bloodaard; smakelijk (geurle. ) waken. —ed (-curd), —oils, a. woordschender. emakeiijk, geurig. —less, a. smakelons. Flow (flan'), a. berst, beech; vlek)e, gebrek; rnk- Flintier a (flin'durz), s. flenters, Barden. —mouse, v. e• wind; ontroering; oproer; dwangnagel. schimpscheut, set. breken, knakken; schenden. —less, a. vlekkeloos. Fling (fling). s. gaol, smak; Fling (fling') [tiling]. v. a. werpen, smijten (at, —y, a. vol bersten; vlekkig. (clown) nederwerpen; verwoesten. (in) aftrekken. trlawal (bland), a. dronken. van het spoor (off`') rekening brengen. niet in FIOAVVI (!loon), a. vlade. brengen. (out) uitwerpen; verbreiden, anon ongen R n inwter (flao'tur), a. blooten (huiden) v.u. slaan, stollen. (up; ow,, even, laten varen. itsx tfleks'). a. vla, — brake, — break, vies. sehoppen, spartelen. (at) slaan naar; steken frail, — coot, vlashekel. — dresser, vlalhekelaar. rich terugtrekken, weganellen. (away) geven. —raising, vlashouwer..-growing, 9, ,,neee, --raiser, (out) echteruitalaan. —er, s. werper; stekellg vlasle•a, —seed, lijnsaad. —weed, vlaskruid, —eta memch. — y, a. vlaasen, vlassig; blond. rill,. Flint (flint') s. vuurateen, tel. —glass, snort van Viny Iftee'i, v. a. villen, aftrekken. — hearted, a. hardvochtig. —ware, fena. vloo. —bane, — wort, vlooikruid. kristal.aardewerk. —y, a. keiachtig; hardvochtig. gelseb ._ bile, vlooheet. —bitten, door vlooien gebeten; Flip (flip), s) drank van bier, brandewijn en sulker. m e ocbtelijk. (flip'pen-sih), —Ness, s. radheid van IF/EPP.. Vice.14, (tliek)„ vlokje; vlechtje. tong; snaakschheid. —t, a. —fly, ad. rad van 1 , 1,8,1. (111,m), s. laatalijm, lancet. tong; snaeksch. —t tongue, gladde tong. ;Fleck (hole), —er, v. a. be.spikkelen. (flert.'), R. snelle beweging; atreek, poets; be• Flirt v. a. met vederen (110.zj). a. vlugs. haagziek mei*, lichtekoot. —silk, floretAide. —, (vIeugek) voorzien. v. a. anal hewegen (werpen). (out) uitflappen,—., itlie) Medi, v. u. vlieden, vluehten. n. (about) ronddartelen; been en weer dribbenet, e (flies') s. schapevacht; golden —. gul- v. len; steken geven (at); de behaagzieke spelen. den vile'. —e, v. a. scheren; efetreopen; pins- —ation !-tee'sjun). a, +(virile hewegtng; beheagderen. — er, rs, ,eheerder; nifzuiger. — y, R. seeht, coryneiterie.
lieretenine en, ov. w. to tune again; on. w. to Her.len. ov, W. to review, to revue, to look vote again; (over) to put to the vote again. —ing, over again. —ing, v. review, revision. v. second voting. Herezoeken, ov. W. to seek again. ileretenvel an, or. w. to stamp over again. Sleep, v. knuckle of a ham. Hat, 1. the. —lag, v. stamping over again. Heraticht en, °v. w. to rebuild. —er, m. re- Het, vow. It, he, tin, iletevelk, vow. which, that. builder. --ing, v. rebuilding, restorat;on. Hart, o. deer, stag, hart. beg —, fawn. sager —, Retell, vw. either, or; whether. rascal deer. vliagend —, stag-beetle. - Omit, zie Hess, fieurle, v, hay. Hetet. —eboutosideuf venison. —ekop.stag'ahead. Hens, v. tegen — en meup, against the grain, reluctantly. —enjacht, deer-, stag-hunting, —enkarnp, deer- park. —enpaatei, venison-pie. —env/mice, venison. Heugeli, m. pot-hanger, pot-hook. —sheers, hart's-horn.--aleder, buck-skin. —stony, Henson, OM. W. to remember, to recollect. het heat 'mi., 1 remember. —is, v. remembrance., hart's tongue. —manger, hanger, cutlass. nertee ken en, or. w ejo sign (to mark, to draw) tecellection. again. —ing, v. signint(markitie, drawing) again. Heitexikih, hr. joyful, pleasant, memorable. Herten en, ov. w. to count over again. —ing, --held, v. joyfelnees, pleatantnee, v. counting over Again. Honker, us. retailer. Hertimnier en, ov. w. to rebuild. —ing, v. Haul, v. small wooden bridge. —, o. aid, asrebuilding. eistance; comfort. !Bull, m. poppy. —bloem, poppy flower. —bol, II ertocht, an. retreat, return. Hering, m. duke. —don, o. duchy. —in, v. poppy-head. —sap. upturn. —sand, poppy-aced. dnehees. —elijk, by. ducal. Heulen, on. w. to collude, to conspire, to agree. 'lamp, v. hip, haunch. —been, hip-bone. —jieht, lleetontson, ov. w. to readorn. Hertrolvw, m. second marriage. —en, or. & on. —tee., hip-gout, sciatica. lieu/Jets, by. & bw. courteous (-ly), civil (-Iy)., w. to marry again, to remarry. kind (Ay), obliging (-ly). —held, v. courtesy, Heruut, bw. hence, out, away. Hera alien, on. w. to fall again ; to relapse, to civility, kindnees, lieuvei, o. hill. —top, top of a bill. —achtig, apostatize. Hervott ea, or, w. to resume, to renew ; to tot. hilly. —tje„ o. hillock. reply; (ten bezoek) to call again. —ing, a. reeump , elevel, trt. lever; syphon. ilevtg, be. & bw. vehement (-137), violent (-1y), tion, renewal. fierce (-ly); passionate (-ly), hasty (-fly). —held, Helmet len, ov. w. to offer for sale again. v. veheu.ence, violeuee; paseionatenese, haettnese. Horverv6rn, or. w. to die (to paint) over again. Heel, ea, heel. op de —en sitten, to pursue close. Hervindon, ov. w. .o find again, to recover. Horvieehten, ov. w. to twist (to braid, to plait) — been, heel-tore. —ledir, heel-piece; quarteragain. piece. —stub, heel-piece; quarter-piece; hock. —en, on. W. to heel. —ing, v. heeling; heel, Hervoeren, ov. w. to lead back, to reconduct. Hervorna d, by. reformed. —de, nr. & v. Dutch heel-pieta. —tje, a knuckle (of a hem); beet part. protestant, reformed. —en, ov. NV. to reform, to Hier, bw. here; hither. — en dear, here and transform. —cr, m. reformer, reformist. —lag, there. tot — toe, hitherto, thus far. Merman, bw. at (of, on, to, about) this, hereat, v. transformation; reform, reformation. hereto. Ilervouvven, ov. w. to fold agar, Hervragen, ov. w. to redemand, to ask (bark) Hierachier, bw. bPhind, — thia, illeprof, bw. of (from) this. again. Ilterbentedlon, bw. below, beneath, under bore. 111:rwinorts, bw. hither., thie way. down (below) 'tithe; in this life, in thie worid. iterevannen, or. w. to winnow again. nerwstiseitaien, ov. w. to arm again. Martell bw. hereat, hereto, to this; ennexei, Inclosed. Herwarmen, or. w. to warm Again. ilterhtunen,bw. within (this place). Hersvasechen, er. w. to wash over again. Hierboven, bw. (here) above, up timer,', up Herwesen, ov. w. to weigh over again. Herwtid en, ay. Ir. to reconeecrate, to rear- (above) stairs; to Heaven. Illerbulten, bw. out here, without. dein. —ing, v. reconeteretion, reordination. Illei Avian en, oy, w. to regain ., to reconquer. litereloor, bw. through this place, by thin way; —er, m. retaken. —leg, v. regaining, recapture, by thin (means), hereby. 111ernern, We.. hither, here, to this plash; this recovery. Her na. reerartge. —rekeoing, account of way. picnics, I, w. in (into) this, herein. reexchange. itlierlungs„bw. along here, this way. Herwite.v, or. w. to whitewash (over) again. Iliermede, bw. with chile, herewith. Horwriiven, ov. w. to rub (over) agate. 'Item., bw. after this, hereafter. Ilerennien, 6v. NV. to sow again. Illerznneet en, or. w. to reateemble., ta rally. literssitur, bw.according to th—, accordingly. II ternenst, be. next to thin, next door. lag, a. reaesemblage, rioter. — iii icritmintimill a, bw. hereafter. HI cuntrig.lon, ov. we to meal (over) again.. Herzegs en, ov. w. to cep Fat, to soy again, Hi........n,..., hw. annexed, inclosed; besides. Hierow, bw. for this (reason), therefore. —kg, v. repetition.
In February 2019, Coinbase announced that it had acquired "blockchain intelligence platform" Neutrino, an Italy-based startup, for an undisclosed price.[33] The acquisition raised concern among some Coinbase users[34] based on Neutrino founders' connection to the Hacking Team, which has been accused of providing internet surveillance technology to governments with poor human rights records.[35] On March 4, 2019, Coinbase CEO Brian Armstrong said his company "did not properly evaluate" the deal from a due diligence perspective and thus any Neutrino staff who previously worked at Hacking Team "will transition out of Coinbase."[36]

4x cryptogeld


STO.—STR. Stop (stop'), a. stilstand, (het) ophouden; beletsel, veratuiken; sterk inspannen, overspannen; ove.r• atoornis; elude; klep,toets; leesteeken. to put a — drijven; v. n. zich inspanuen; deorzijpelen. —er, to, stutten, ern eInde waken attn. —cleat, atoottlltreerbak, zijgdoek; vergiettest. —ing, a. spanklamp. —cock, afsluitkraan. —gap, stoplap; nood- s. ning; inepanning; overdrijving; doorzijelng. hulp; hekeluiter. etopklep. —, v. a. dicht- Strait (street'), a. street, zeeengte; verlegenheid. etoppen; staken; etuiten; belemmeren; v. n. op—, a. —ly, ad. recht, atrak; eng, nauw ; stipt; houden; stilhouden, stopper,. —page, e. toertopmoeielijk; gierig. —handed, gierig. —handedness, ping; ophouding; beletsel ; inhouding; besiagleggierigheid. —jacket, dwangbuis. stilt ge ging. —per, u. dIchtetopper; stopper ; stutter; regen; strong, stij I'. —en (street'n), v. a. spaunen; wiekje; stop; v. a. etopprn; met eene stop slutnauw maken; beperkeu; in verlegenheid brew• ten. gen. —nest, s. etrakheid; enete; bekrompenheid; Stopple (stop'pl), a. stop; prop; klep. stiptheld; strengheid; moeieltjkheid; verlegenheid. Storage (sto'ridzj), a. (het) °Wean; pakhuis- Stroke (etreek), a. streep; smalle rand; gang, buur. planken; radIscheeen. Store (stoor'), a. voorraad; overvloed; pakhuis. Stramlneous (etre-mini-us), a. stroottchtig; in voorhanden. —book, pakhuisboek. —bread, van stroo. scheepabeschult. —candles, getrokken kaarsen. Strand (strand), a. strand; vlecht, strong. —house, magazijn. —keeper. magazijumeester. v, a. & n. (doen) etranden. —ship, proviand-, ammunitie-schip. —, v. a. op- Strange (streendzj"), a. —ly, ad. vreemd; slaan; opleggen, ophoopen (up); (with) voorzien heemech; zonderling, wonder!ijk, buitengewoon; van, opvullen met. —r, s. oplegger, ophooper. blonde. —, int. zonderling 1 a. vreemd—a Istoorz), pl. provtand; oorlogsbehoeften. held; wonderlijkheid; bedeesdheid. r,s. vreerndo, Storied (sto'rid , , a. in de geschiedenis vermeld; onbekende; vreemdeling. suet historieche platen versierd.. Strain gle (streng'g1), v. a. worgen, smoren; enStork (stork'), o. ooievaar. —'s.bill, ooievaarsderdrukken. —pier, a. worger. —plea (streng'glz), bek. pl. dross. —gulation (-gjoe-lee'sjun), a. worging. Storm (storm'), s. storm; onweer; aware but; —gury (-gjoe-rih), a. moeielijke waterloortug. bestorming; geraae, gewoel. by —, storrnender- Strap (strep'), a. riem; strop. —, v. a. met een" band. —beat, door den storm geteis terd. —bell, 'gem slaan; aanzetten. —redo (-pee'do), a. (het) stormklok. —finch, stormvogel. —jib, stormkluiwippen (eene straf). —per, a. driedekker (man var. —, v. a. beetormen; v. to. stormen; ra7en, of arouse). —ping, a, grout en sterk, bulderen. —y, a. stormachtig, onetuimig. Strait agent (ntret'e dzjern), s. krijgslist; list. Story (sto'rib 1, a. geschiedenis; vertelling; sprook—egist s. krijeskundige. —egy(-e•dzjih!, je; verdleping. —teller, verteller; sprookjesvera. krljgskunde. —ification (•if-t-kee'ajun), s opteller. —, v. a. yertellen. eenstapeling van lagen. —ify ( i-fej), v. a. in Slot (stet), a. paard; jonge Etter. lagen leggen. —urn (stree'tum), s. time, eehteht• Stoup (staup), wijwatervat; kruik, stoop. Straw (strao"), a. el rooien, van stroo.—,s.streo; Stout (slant% a. ZWARI. bier. —, a. —1y,ad.lijvig; beuzeling. not to care a —, er niets am geven. forsch; sterk, stevig; kloek, dapper; hardnekkig. to be in the —, in het kraambed lIggen. —bed, —hearted, onverschrokken, koen. —neat, s. lijstroobed. — berry, aardbezie. —built, van stroa vigheid; forschheid; stevigheid; kloekheid, dapgernaakt. —color, strcokleur. —colored, etrookleuperheid; herdnet kigheid. rig. —cutter, hakeelbank; atrooanijmes. —hat, Stove (stony'), s. kachel; kachelkamer; stool; stroohoed. —worm, etrooworm. —y, a. strooien; badstoof; broeikas. --, v. a. stoven, broeieu. strooachtig. —r, s. grof hoof, veevoeder. Stray (stree), s. afgedwaald dier. v. n. afdwaStow (sto'), v. a. stouwen, etuwen; plaatsen, in len (from); verdsvalen, ronddolen. order leggen, opleggen (away); optetten (een Ra- Streak (striek"), a. streep; zie Stroke. —, v. a. ker); beslaan (een sell). —age, s.stuwage; bergstrepen, —ed (atrieht). —y, a. gestreept. plants; stuwloon. —er, s. stouwer, stuwer. Stream (atrlem'), a. atroom. —anchor, w orpenker. Strahtsm (stree'bizm), s. het scheelzien. —cable. daagsch touw. v. a. strepen, opeteStraddle (stred'd1), v. u. wijdbeens staan; schrijken (eene boel); v. n. stroomen. —er, a. wimp, 1. lingo loopen. —let (-lit), a. stroompje. —y, a. etrooreend; vol Straggle (streg'g1), v. n. dwalen, zwerven; veretroonen. strooid (aileen) staan; zich verwljderen; to aterk Street (striet') s. strata, —door, voordeur. —to ne, wassen. s. zwerver, landlooper; achterblij• atraatlItul,;e. —walker, straetslitper, etreatheer. vet Wilde loot; alieenstaand Strength (strength'), a. eterkte, kracht; macht. Straight (street'), a. —ly, ad. recht. regeirechi. —en (streng'th), v. a. & n. stork teeken ( war—, ad. terstond, dadelijk. —en (street'n), v. a. den); versterkeu. — ener (streng'thn-ter}, n. verrecht maken. —ener (street'n-ur), s. rechtmaker; sterker. —less, a. krachteleoe. bestuurder. —forward, ad. reehtuit; rued, op- Strenuous (stren'joe us), a. ad. tie, ig.„ recht. --nest, a. rechtheid. —way, ad. onrniddelonverdreten, leak ker; dapper; he vie. —.news,te. lijk, terstond. ijver, depplrheid; hevieheld. Strain (streen'), a. inepanning; verrekking; ver- Stress (stress), S. gelViCht; nadtuk, hlem; draating; attjl, trent, Loon, klank, wijs; aanleg; held, to lay — upon, aaudriugen op. neiging; afkornat; geslacht., ras. —, v. a. sterk Stretch (stretej"), a. uitstrekking, spanning.; nit spannen; person, drukken; dwingen; doorzijgen; gestratheid; luspaening, overspennine; niterste 10
BUN.—BY. flunyon (burejun), a. voetgezwel. Buoy (ban)), a. ankerboei, bakenton. to stream the —, het anker latet vallen. —. v. R. vlothouden; v. n. drijven. — up a cable, een' babel opboelen. —age, a. tonn2ngeld. —aney. e. drijvende toestand. —ant, a. drijvend, dobberend; luebthartig. Bur (bur), a. UN. Burbot (bur'but), a. stekelbaars. Burden (bur'dn), a. last, vracht; lading; smart; refrein. —beast of lastdier. v. a. beladen, beswaren. —er, s. leder; verdrukker. —some (-sum), a. zwaar, drukkend, lastig. Burdock (bur'dok), a. kliskruid. Bureau (hjoe-ro"), 8. schrijftafel; latafel. Burgage (buegidzj), a. atadsleen. Burganet (buege-net), a. stormhoed. Burgess (bur'dzjta), B. ook Burgher, poorter; vertegenwoordiger. —ship, s. poorterschap. Burgh (burg), a. marktvlek. —er,s. burger, —ership, a. burgerachap. —mote, a. gemeenteraad. Burglar (bur'gler), a. inbreker. —y, a. tnbraak. Burgomaster (buego-maaa-turl,s.burgemeeater. Hargrave, (bur'greev), a. burggraaf. Burgundy tbur"gun-dihl, a. bourgonjewijn. Burial (ber'i-el), a. begrafenie; lijkplechtigheid. —ground, —place, begraafplaats. Hurler (ber'i-ur), a. doodgraver. Burin (bjoe-rin), a. graveeratift. Burke (burk), v. a. vermoorden (om het Rib te ontleden. Burl (burl), v. a. noppen. —, a. lakennopper. —sag-iron, nopijzer. Burlesque (bur-leek"), s. boertig dichtatuk, a. boertig. —, v. a. parodieeren. Barletta (bur•lerte), a. vaudeville. , Burl y (burnih), a. dik, opgeblazen; luidruchtig. —iness, a. grootte, omvang; geraas. Burn (burn), s. brandwond. Burn (burn) [burnt , v. a. verhranden; (down) afbranden. — one's fingers, de handen branden. — v. a. branden; aanbranden; (with.) gloeieu a. brand; van. —able, a. verbrandbaar. branding. —ing-glass. a. brandglaa. Burnet (buenitl, s. pimpernel. Burnish (burinisj), a. glen, —, v. a. bruineeren, polijaten; v. n. gianzig worden. —er, s. politoerder; bruineerateen. Burr ( bur), a. oorlel; kalfszwezerik; (het) brouwen. Barrel (bueril), a. boterpeer. fly, paardenvlieg. —shot, a chroot. 11• ,wrock (bur'ruk), a. viscbdam. Burrow (bur'ro)., e. konijnenhol. —, v. a. omwroeten; v. n. in een hol wonen. Bursar (bur'ser), a. schatmeester; student, die nit eenc bears studeert. —y, a. bears eener hoogesehool. Busse (burs), a. handelabeura. Burst (burst), a. beast, acheur. Burst (burst) [burst], v. a. doen beraten; v. beraten. (cwayi wegsnellen. (forth) schtelijk te voorechijn komen. (into), (out into) uitbersten in. (upon) zich plotseling vertoonen tan. (with) verteren van. Burt (hurt), s. tarbot. —on (buetn), a. takel. Bury (bjoe'rih), a. boterpeer.
Over 98% of cryptocurrency is stored securely offline and the rest is protected by industry-leading online security. Your account is also subject to the same scrupulous safety standards, including multi-stage verification and bank-level security. You can even lock the app with a passcode, or remotely disable your phone’s access to the app if it gets lost or stolen.
Geduid, o. patience; indulgence, forbearance. —ig, by. & bw. patient (-1y). Gedurende, ye. during. Gedurlen by. & bw. continual (-1y). —heid, v. continualness. Gedraw, o. pushing. joggin. g Gedwatell, o, erring, strayin g. Gedworrel, o. whirl, whirling. Gedwee, hy. & bw. supple (-ply), Pliable (-bly); docile, flexible, meek (-fp, submissive (-1y). —heid, v. supplenera, pliableness, docility, meekness. Gael weep, o. enthusiAsm, fanaticism. Geed well, o. mopping, swabbing . . Gedwtng, o. forcing; teasing, crying. G edwongen, by. forced; affected. —held, V. constraint; affectation. Gnat' (te), bw. dog cheap, for a mock-price, for a mere song. Geefster, v. giver, donor. G eel, by. & o. yellow. —oieter,brazier. —gieterij, brass-foundery. —hoist, fustic. —rink, green-finch. —nicht, jaundice. —suchtig, attacked with the jaundice, jaundiced. —aehtig, by. yellowish. —held, v. yellowness. Geese, tw. no, not one, not any, none. — van beide, neither of them. in —en deele, in no wise, in no respect, by no means. Geenerhands, Geetterlel, by. of no sort, of no kind. op — wtjs, in no wise, in no manner whatever. Geangageer d, a. betrothed, engaged. Geenszlne, bw. not at all, by no means. Gee's, v. banstickle, Geer, a, gusset; gore. Geeren„ on. w. to incline to one side, to recipe, to slant; tie Afhonden. m. whip, lash; scourge. —brocder,—monnib, flagellant. —trok, good for-nothing. —pant, whipping-poet. —roccle,whipping-rod.—slagslash. —OW, whipping. —car, m. whipper; flagellant. —en, ov w. to whip, to lash, to flog: to beat against. —ing, v. whipping, flogging, flagellation. G east, v. heath. Geese, m spirit; mind, intellect., genies, wit: ghost; spectre. fraaie Vt. sterke freethinker. de heilige —, the Holy (3 hoet. den — geven, to breathe one 's last, to yield up the ghost. voor den — kossen, to occur to the mind. —drift, enthusiasm, eagerneee, ardor. —clrijfater, tie Geeetdriiver. --drineend, by. & ow. fee atical ( - 13). --d,ijver, enthusiast, fanatic. —driiverv, enttinelasmfenaticism,bigotry.—kracht,atrength, power of the mind, energy. —1.0, witty, ingenious; spirituous, etrnng. —vermogen, faculty of the mind, mental power, intellectual faculty; talent, part. —verictiOning, apparition. —vervoering, enthusiasm. —verwant, by. congenial of mind. —vcricantschap. congeniality of mind. —enbanner, —enbeticcerder, enorcitser, necromancer. —enIeer, doctrine of spirits, pneumotology.— enr(jk, —enwereld, intellectual (spiritual) world. —enxiener, visionary, ghoet -seer. Goestelkik. by. & bw. spiritual (-1y), immaterial (-1y), incorporal (-1y); ecclesiastic (-ally), rell-

cryptogeld 500


ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111.
Su-re I tatter (eur-re-but'tur). s quintapilek. Suttee (aut-tie'), e. indtaanscheWeduWe; Verbran. --joinder (-dzjojn'dur), s. tripliek. ding* eener indiaaneche weduwe. ,Surrentier (eur-ren'dur), e. overgaaf. -, v. a. Sniffle (ent't1),a.nettce & n. (z!cli) overgeven. Sut tare (ejoe'tjoer),,a. na g, hechting; naald. vieirept tun (sur..rep'sjun), veracbalkInr, nut- i Swab (swob')., a. dwell. swabber. -, v. a. dwel(-iterne), R. ontfut'eid; in- )en; opzwatteren. -bee, a. dweller; zwabberfuteeling. (AN 'en-), ad kapitem, ecteepsjongen. gestopen; hedriegelijk. Swaddle (ewod, di), a, zwachtel; inter. -, v. a. heirnciijk, steelewijze. zwaehtelen; bakeren; afroseen. e--- nreogat e (aur'w.geet), a plitatevervanger; afgavaardiede; piaatavervaDgend middel.-e. v. a. Swaddling (swod'diteng), a. het zwechtelen; balieren. -band, -cloth, -clout, zwachtel; Wier, 110,e'fiiael, a. yen in de piuts vanging. kinderdoek. S,reoland (sur-raaund', v a. omringon. Swag (sw eg'), v. n. neerhangen (down); slingeStcmtt rt Our-inet'i,e. 0 VEriciA. ren. -belly, hanglittik. -ger (-gur), V. n. razen; v n. bijkomen. t'3a 1-venc enueven, portico. -gerer (-gut-ur), e. anoever„ StaTvey (sur'vee)„ a, overstcht„ opzlcht; opue- porter, wlndbull. -gy(-gilt). a. neerhangend. miag; sehouveing; meting. S wit! n (sweep), s. jangeling, jonge borat; vdjer; Survey (eur-vee'), v. a het opzicht (toe,tcht.) hoc- boeren*,echt, herder. den over; bezicht!gen, echouwen, opnemen; me- Swale (aweel), a. dal, Magic; achaduw. v. a. opgebruiken, variance; schroefen (den vaikea); ten. -ing, R. (het i landmeten. --or. ti.opncliter; lADdeleter. -ors4ip, a. unvbt van opzichter v. n. amelten, aroopen (van kaareen) mete)). Swallet leworliti, a. reijnvrater. Starlit, st , (sur-vaj'vei), -ance, a. overlaying. -e Swallow (-•anta), a. VP1,1111.11 gorge!; allok; (-vajv') v. a. overieven; v. n. tog in 'eve. ztjv,. guizigheid. -fish, knorhaan, zwaluwvisch. -tail, - ar , a I a......gstlevende, -arehip, a. over;evirg. zwaluyetaart. -wort, zwaluwwortel. -, v. a. -ive, a, vattaar Hof) slikken, optlobken; verzv elgen; pans teen; beSuvoapt Stile machtigan; (down) inslikken, Inzwelgen; (up) op-ib:eness a. vatbaat , e;d. slokiren, veralinden, verzwelgen. -er, inIsna-sip'!-en-eih), a. appeming,1 zwelger; s:okop. SuricIp:"en toelating. -1., a. opnemend, aannemend; a. op- Swamp (swomp') a. meeran. -, v. a. doen armor, oaunexer, zinken; in inaellijkheden vikke ►.en. -y, a. S^a ocltn to (;.;s'el-teet), v. a- verwe"" , moer,Off.e.verwekking,ppwekking. Swan (awon'), a. mean. ken. -lion zwanendons; Suspect (sus-pekt'), v. a. verdenken, ',Hecht lammertjesbaai. -ekin, moiton (soort van beef). tou.den; wantrana: en; v, argwean veeden (of). -song, zwanenzang. -eu, a. verdael•. -edness, a. verdachtheld. er, Swap (swop), F. PP v. Zie Swop. -, ad. plots. verienker, die argwaan voedt. R. act, -, int. plot! flap! terdoch,ig, a. entreua, end. Sward (awaord), s. zwoord; grazige oppervlakte, v. a, ophangen (to); °pea°, grasperk. Suspend (sae-pe ten; ophenden; horsen (from). s. °wet°, Swarm (ewaorm), 8 nwerm; gewemel. v. n. ten; Pchorser; tre,Aba,d. --ere ( urz). pl. draag- swermen, wemelen (with). Swart (swaort), A. Zie Syvarth. -, v. a. handen. stisFen, a (spa-peen'), a onsekelheid, zwert (bruin) meken; verdoukeren. a. ban- Swarth (swaorth'), -y, a. -ity„ ad, zwartschtig, looahold; opseb,,ettnr, echorsinx. gend; enz,ker. twijfelachtig: orges,tort; ge- denker, dankerbruln, taankleurig. -inns, a. (•jur0, 8. °plumping; opectocting, rchorst. donkere (bnline) kleur; tuankleur. stoking; stilstand; tchoronc -brid;c, bangbrug. Swamis (sweep), a. gekletter, gernisch; geanoef, twWelachttg. -or;', a ophoudeavd, twij- gezweta. -buckler, -er, a. enoever, zwetaer; eelachtig; a. draagtep0; ly..ddekwa,t. ilzervreter. -, v. n. kletteren, plaetien; anoeven, Sueplel on (sus-pi,fun), R. p.rg•aan, aehter- pochen. dacht. -ow, a. -,only, ed. wantrausig, ach- Swath (swath), a. zwad,atreek, rij; ale Swathe. t4rdoa.ig (of). -nu 7,4, a. wentvouTighetd. Swathe (aueetta), a. zsrachtel., winded:. -, v. Susfilt- at (eun-payre:), e. 1 uchigat; tuts caner a, inzweebtelen, takeren; teperken. waterleiding. -ation (-pi-ree'sjun), n, dieae dem- Swny (.4wee). e. sweat; gezag. macht, heerschappij; v• a. dial, ademea, zuchien. i•vloed; averwicht; lot. -, v. a. zwaalen; re--, Sustain (ova-teen'), v. a. F., hrAgen, dragen, on- geeren, besturen; invioed bebben op; (away up) onderhouden; tualhouden; uitataan, hijvrhen; (down) etrijNen; (from) a'detden van; v. verdure, -arid,, a. houdt,ar; dregelijk. -er, aa, n. zwaa!en, zich nelgen; heerechen; (with) Inondereteuner; vloenl batten op. SID St en smee(sue'te-nens),- khan (ten-tee'sJun), Swr (swiel), v., v. a. & n Zie to Swale. a. onderete -dning, eteun; onderlioud; levenson- Swear (. eel') [wore morn (swoorn)l„ v. a. derhoud. zweren; bezweren; beeedigtn, v. n. zweren (to); Suuner, to (sjoe'owr•reet), v. n. fluisteren; nun slacken. -er, e. zweerder; vloeker. mete', -lion. (-ree , ejun),8 gehilsier; gemermel, Sweat (owes), a. sweet. Sulfite (ajoe'til), a wet da nal!d. vervoordigd. Sweat (met') [sweat.] .v .a. uitzweeten (away. out); Sutter (,ut';ur), zoete!aro:; nv,ketentater, doen zweettn; v. n. no eeten; zutoegen. -el*, a.
EX11 . — EXT. Exptrobrn te (eks pro'breet), v. a, doorhalen, verwijten. —lion (-bree'sjun), s. doorhaling; verwitt. Exproprin te (eks-pr.fpri•eet), v. a. onteigenen, Meta ontdoen van, (from. of ► . —tion (-ee'sjun), a. ontetgening; afvtanddoening. Expugn (eks-pjoen"), v. a. stormenderhand vet , meesteren, veroveren. —able (-pug'nib)), a. te vermeesteren, nternbaar. —ation (-pug.nee'sjun), s. vermeestering. —er, a. verrneesteraar, overweldiger. Expn 1 a (eks-puts'), v. a. uitdrijven. —ion (-sjun), s. ultdrijving. —ive, a. nitdrijvend. Expun ct-ion (eks-nunk'sjun), s. nitwissehing; vernietiging. (-pundi.j'), v. a. nitwissehen, te niet doeu. Expurga to (eks-pur'geet), v. a. zuiveren. —tion •gee'sjun), a. znivering. —tory (-ge-tur-rth), a. zuiverend. Exquisite (eks'kwiz-sit), R. —1y, ad. uitgelezen. keurig, voortrefrelijk. s. keurigheid, vuortreffelijkheid. Exeangulous (eks-seng'gwi•us), a. bloedeloos. Exseind leks-sind'), v. a• nitsnijden. Exseet (eks-sekt'), v. a. uitanijding. —ion (-sek' ejun), a. uftsnijdIng. Exsieea nt (eks-stk'kent), a. opdrogend- —te (-beet), v. a. opdrogen• —tion (-kee'sjun), a. opdroging, —tire (-ire-tiv), a. drogend. Exapultion (eks-spjoe-isrun), s. u:tspnwing. Essuceons (else-suk'kus), a. saptoos, droog. Exsuetion (eks•suk'sjun), s. uitzniging. Exaudation (eks-sjoe-det'ajun), s. uttzweeting, Exsuile (eks-sjoed'), v. a. & n. •..itzweeten. Exautilation (eks-suf-ftee'sjun), a. uttblazing (bij bezweringen). Exaviscita te (eks-sus'si teat), v. a. apwekken. —thin (-tee'ejun), a. opwekking. Eaten cy, (ektrten-sih), a. uitsteking. —1, a. in bet oog vallend; bestaand, aanwezig. Exteinpor of (ekm•terrepur-rel), —aneone (-ree'nito.), —ary (-re-rih), a. onvoorbedaeht, voor de vuist gedaan. —e (-pur-rih), ad. voor de vulet. (-rojz), v. n. onvoorbereid spreken. Extend (els-tend?), v. a. uttstrekken, uitbreiden; v. n. zieb uitstrekken. Extensibility (elts-ten-ei-bil'it-tih), a. uitstrekbaarheid. lr.,xtcns *hie (eks-ten'sibl), a. uitstrekbaar, nitbreidbaar. —ion (-ajun), a. uttbreidlug; uitgestrektheid. —ional (-ajun-e1), —ive, a, ad. nitgestrekt, veelomvattend. —iveness, s.uitgeatrektheid, nitgebreidbeld. —or, a. uitstrekkende spier. Extent (eks-tent'), o. uitgestrekthetd, omvang; exeeutie. Exteputs te (ets-ten'joe•eet), v. a. dean vermageren (verminderen); verr.achten. --tion (-cc' sjnn). a. verzwakking; verzaettling*. Exterior (eks-trri-ur), a. uiterlijk, uttwendig, - a. uite.ritik. Extermina te (eks-tuOmi-neet), v. a. uitroeien, verdelgen. —lion (-nee'sjun), a. nitroeiing. —tor, s. verdelgrr. —tory (-ne•tur-rih), a. verdelgend. Extern (eke-turn'), —al, a. —ally, ad. niterlijk,
So the app is pretty great when it comes to buying crypto, they can give you the funds immediately at the current price of the crypto, so high purchasing fees and selling it on a quick time line are virtually non existent when you are making small orders, most likely biggers as well. Not so fast... if you purchased it through your bank, because the allowance is higher on it than 25$ for a new card, your funds are basically frozen for 2 weeks. You can not cash out, nor you can send crypto to another wallet, so if you are looking for something to transaction with this isn’t the greatest app to do it with. I’m stuck with funds frozen for already 10 days, and now I have to wait another 5 for the banks to clear it, when on the card is faster, but you are stuck with the same high cost for selling it which comes out to bite you in the but for the fees. Yes, I can sell it and wait at usd wallet so the price doesn’t fluctuate, but again, if you want to get the funds out they are the power delay and have no intention to speed the process and again, you are in lala land waiting for it! Before, it’s not used be this bad but seems like delays and restrictions will expand. For the high cost of buying, and buying always at a higher price than it actually is, it makes even more worthless, even waisting time and resources just on trying to obtain some btc. There are better apps and cheaper apps that don’t cause you such issues. Good luck crypto fans
I threw in some fractals to guess what is going on with LTC. I used a fractal from when the trend reversed at the bottom this year and one for the 2018 ATH. Personally, I believe that fractals are highly subjective. They only reinforce the analysts confirmation bias. There is no set rules or back testing for fractals. So these fractals are here to see how much...
—atioue (-tee'sjus), —ative (-pjeele-tiv), a. twistziek; redetwiatend. Dispute (dis-pjoet), s. woordenwiseeling; twist. —, v. a. betwisten; v. n. tt, igen. —lest, a. onbetwistbaar. —r, s. twistredenaar. Disqualif ication (dis-kw01-if-ti-kee'sjun), a. onbevoegdheid. —y (-kwori-faj), v. a. onbevoegd waken. Disquiet (dia-kwarit), a. onrust. —, a. —1y, ad. rusteloos; ongerust. —, v. a. verontrusten; kwellen. —er, a. verontruster. —neat, —ude (-tjoed), e. onrust, ongeruetheid. Disquisition (dis-kwi-zierun), a. onderzoek, navorsching. Disregard (die-re-gaardl, a. minachting. —, v. a. minachten, veronachtzamen. —ful, a. —fully, ad. minachtend, veronachtzamend. Disrelish (thz-rel'isj), s. P.fkeer, waig. —, v. a. niet lusten- afkeer hebben van. Disreput able (dis.reploe-tibl), a. —ably, ad. berueht onfatsoenlijk. —ation (tee'sjun) , —e 1-re-pjoet'), a. kwade naam; schande; oneer. Disrespect (die-re-speet'), a. oneerbiedigheid —, v. a. oneerbiedig behandelen. —ful, a. —fully, ad. oneerbiedig. Disrobe (diz-roob'), v. a. ontkleeden; ontblooten. Disruption (die-rup'sjun), a. vaneenscheuren. Dissatist action (dis-set-ie-fek'sjun), a. ontevredenheid, onvoldaanheid. —aetory, a. onvoldoend. —y (-set'is-faj), v. a. onbevredigd laten, niet vcldoen. Dissect (die.s-ekt'), v. a. ontleden. —ible, a. ontleedbaar. —ion (-sek'sjun), a. ontleding. —or, e. ontleder. Disseiz e (die-siez' t, v. a. nit het bezit etooten. —ee s. die nit het bezit geatooten is. . —in, a. wederreebtelijite berooving. —or, a. die iemand ult het bezit stoot. Disseanbl ance (din-sem'blena), a. verschil. —e (-sem'b1), v. a. veinan, vertrclen; v. n. huichelen. —er (-sem'blur), s. veinzer. —ing, a. —inglY ad. huiehelachtig. Dif,sen.ina te (dis-semi-neet), v. a. verspreiden. —tion (-nee'sjun), s. veropreiding. —tor, a. verapreider. Dissensi on (dis-een'sjun), a. oneenigheid, verdeldheid. —out I-ejus), a. twistziek. Dissent Idis-sent'), a. verschil van gevoelen; arscheiding. —, v. n. in meaning verschillen; zich atscheiden. —aneout (-tee'ni-us), a. afwijkend, tegenetrijdig. —er, s. andersgezinde; algescheidene. —tent (-sen'sjent), a. verechilland. Dissertation (din-sur-tee'sjunl, a. verhandeling. Disserve (die-surv'), v, a. ondienst doer; benadeelen. Disservice (dis-sur'vis), a. ondienat, nadeel. —able, a. ondienstig. Dissever (die-eev'ur), v. a. vaneen acheiden —ance, a. echeiding. Dissiden ce (dis'81-dens► , a. oneenigheid. —t, a. oneenig. Dissillent (die-mil'jent), a vaneen eprIngend. Ulssimll ar (die-rsim'i-ler), a. ougeltjk. —arity 1-ler'it-tih)„ —itude (411-tjoed), a. ongeltilcheld. Dlaelmislation (die-slm-joe-lee'sjun), a. veinzert,
1'1)1, 4•FUR. 239 spelingen overreden; v. n. woordspalingen mapurgeerwinde. —flax, klein vtaskruid. —grain, ken (upon). pergeerkorrels.—nut,purgeernoot.—thorn,echijtPunch (punte)'), 5. priem; stout, stomp; punch basses( ruik. (pone); hansworst; dibsek. —bowl, punch-born PurlUent Ion (pjoe-rif-ikee'sjun ►, a. retniging, —strainer, punch-Reef. —, v. a. doorboren; atoo auivering. —ire, —ory (-rit'i ke-), a. reinigend, ten, stompen. —y, a. knot en dlk. zuiverend. —ory, a. kelkdoek. unch eon (punterun), a. priem. boss; punt- Purl( ler (pjoe'ri-faj-ur), a. reiniger, zuiverear. boor; doorslag; letterstempel; vat. —er, s. goat—y ( -tap, v. a. reinigen, zulveren; louteren; v.n. jesmaker; priem. —inetio (-1-nello), s. hansworst zulver worden. unctated (pungk-teet'id), a. in een —punt ge- Purina (pjoe'rina), s. purtmfeest. trokken; vol gaatjes. Pair Ism (pjoeirizm), s. taalziftertj. —1st, s. tealunctill o (pungk-tillo)., 8. overdreven nanwsifter. gezethed, spitavondigiaeid. —out, a. —oualy, ad. Puritan (pjoeiri-ten), a. Puritein; sehijaheilige. overdreven nauwgezet, stipt, spitavondig, —, —iv, —iC41 ten'ik-), a. puriteineeh. —ouaness,s. overdreven stip theld, spitsvond!ghetd. a. de leer (het stelsel) der PurPeinee. Punctu al (purgkIjoe-e1), a. —ally, ad. stipt, Purity (pjoe'rit-tih), s. reinheid, zuiverheid; nauwgezet. —ality (-el'it-th), —alnees, s. vtipt- onsehuld, kuischheld. held. —ate (-eat), v. a. punctueeren. —ation (-to'. Purl (purl), a, gernurmel, gekabbel; alsembier; gun), s. punetuatle. —re (-tjoer), 0, prikje; v.a. geetIkte rand. —, v. a. stikken; v. n.murmelen, prikken, openprikken, opensteken. kabbelen, Pundle (pued1), a. korte, &like vrouw. Purl leo (pue,joe), e. voorhoat, grens,omtrek. 4 Pung (pang), a. trek-, vraehtelede. —in, a. dwerebalk. —ing, a. gereurinel, gePungen cy (pun'dzjen-eih), a. senerpte; griekabbel, vendheid. —t, a. —tly, ad. stekend, eeherp,teütend. Purloin (pur-lojn'), v. a. eteleen, ontvreemden. Punic (pjoe'nik), 3. puniseh; trouweloos, ver- —er, s. diet. —ing, a. ontvreemding. raderlijk. --eons (ni)'us), a. purperkleurig. ,Purparty (pur'paar-tih), s- aandeel. Puniness (pjoe'ni-neita), a. kleinheid. Purple (pur'pl), a. purperkleurig. PurPer, Punish (puling), v. a. streffen. —able, a, strafpurperkteur. —app'e. purperappel. —cherry, virbear. --'er, a. straTer„ -- meat, a. strut. eint,ehe pruimeboom. —chickweed, rood zandPunic lye (pjoe'ni-tiv), — ory, a. stretfend; straf-, kruid. —emperor, —shades, p1. purperelinder. Punk (pungk). a. lielttekool, slat. purperaluk. —flower, hyacint. —grace, Punster (pun'etur), a lielhebbar van woordroode •eideklaver. hoog purperrood. speltngen. —relvet, dutsendochoon. —whelk, trompetslak. Punt (punt'), a. pont. —, v. n. tegen teen banhier —willow, waterwilg. —, v. a. porparrood verven. epelen. —er, a. pointeur, tegenspeler. (pur'plz), pl. paper-, seharlakenkoorts. Puny (pjoe'nlh). e. a. klein; zwak; gerIng. —, s. Purplish (puripllej), a. purperachttg. nieuweling, onervarene. Purport (pur'poort), s. inboud; ain; strekking. Pup (pup), a. jonge hond. —, v. n. iengen, - v, a. meenen, bedoelen; behelzen. Pupa (pjoe'pe), a. pop (van een Insect). Purpose (puepue), a. oogmerk, doel, elnde; Pupil (pjoe'pil), s. leerling; pupil;oogappel. —a e voornemen; gevolg, uitwerking; voor. a. minderjarigheld; leertijd. —lary, a. van M nbeeid. on —, met ()put. to the —, ter cake. to derjartgen. no —, to vergeefs. —, v. a. beoogen, voornemen ; Puppet (pup'pit). s. draadpop; zot, kweet; nut. v. n. voornemens ztju. —less, a. doelloos. —ly, poppenspel. ad. opzettelijk. Puppy (pup'plh), a. jonge hood; vlegel; lafbek, Purpresture (pur-preat'joer), a. inbreuk. kwast. —, v. n. jongen. s. vlegelachttgheid; Purprlse (pur'prajz), s. omheinde pleats; oinkwasterigheld. heining. Pur rpur), 0. geapin (van katten). v. n. spin- Purr (purr), a. zeeleeuwerik. Lie Pur. nen (ela batten). Purse- (pure, s. beurs. —bearer. betaal-, penningPurblind (nueulejnd), a. bijalend, hortziehtig. meester. —cutter, beurzenentider. —pride, geld—news, a. bijzientlheld. trots. —proud, trotseh op zijn geld. —string, bturNPurchas able (purnejes-ibl), a. koopbaar. —e, koordje. —, v. a. in de beurs steken lop); toehalen, a. hoop, in-, aankoop; spil, tskel; —money, hoopsamentrekken. —r, e. betaal-,vieta die meester. sum. —e, v. a. koopen, aan., inkoopen; verkrkj- PursInesa (pur'et-nasal, s. kortademieheid. on; orvinden; (out) bo•ten. —er, a. kooper. Pueslain (pursnin). a. porselein (groente). —tree, Pure (pjoer'), a. —ly, ad, rein, zuiver; onbevlekt; struikmelde. looter, enkel. —neat. a. reinheid, zuiverheid. Purim able (pur ejoelb!), a. vervolgbaar —ance, Purille (pur'111), Purrie (purfl), a. gRrneerael. a, vervolging; voortzettiog; in — of, tngevolge. Purgation (pur-gee'ejun), a. zutvering. —ont, a. (to) volgens, ingevolge. —e (-ejoe'), v. a. Purgat lye (pur'ge-tiv), a. zuiverend; a. purgeervervolgen, najegen; voort-, doorzetten; navalmtddel. —ory, a. zuiverend; louterend,zevagevuur. gen; v. n. voartgaan; volhouden. —er, a. verPurgat (purde)), s. purgeermiddel. v, a. retvulgar; voortzetter; najager; beoefenaar. nigen !away. off); zulveren (from. of); doen pur- Pursuit (pur-sjoet'), a. vervolging; doorzetting; geeren. —, v. n. zulver worden; purgeeren. I stresen; posing; bealgheld. a. retniger; purgeermtddel. Pursulvant w i-vent), s. staatsbode; onderPurging (puediiieng), sJoal ijvighei d. —bindweed, , beraut; bode.,

Starch tstaartsri, a. atkjisel. —, v. a. stijven. beeldengroep; beeldhouvver. —ed (staftrtajo), a. gesteven; stijf, gemaakt. Statue s. beeld, atandbeeld. — er, s. ettjver; stijfster. — 1y_ ad. stijf, gemaskt. Stature (sti-Vjoer), s. gestalte, — d, a. volwassen. --arena, s. ctijtheld, gemaaktheid. —y, a. sti(jf- Status ethie (steVjoe-tibl), a. — ably, ad. wettielachtig• teiijk, ov , reenkomstig de statutes. —e t•joet), Star., (steer'), s. atarentle built; oprecuw. v. s. wet, verordening, kear, statuut; — labor, R. n. etanstaren; stares; (at) aanstaren. —r, heeren-. vroundienst. — law, landovvet. — ory, a. s. aitentaarder, aangaper.


Mutual (mjoa'tjoc el), a. —ly, ad. wederkeerlg; onderling. —sty s. wederkeerigheld. Muzzle (muz'zl), a. snoet, snuit, bek; muilband; trompatuk; opening, mond. —, v. a, muilbanden; v. n. ruiken. anuffelen. —r,s. slag op de bovenlip (in het boksen). Muzzy (muz'zils ► , a. beneveld, verstrootd. My (map, pr. mijn, mijne, mijnen. Mynheer (min-Kier'), s. Hollander. Myo graphy (maj-og're.fib), s. spierbeschrAlving. —logy (-ol'ud•zjih) s. leer der spieren. Myop e (maj'oop), —8 (-ups), e. bijziende. —y (-up-pih), a. bijziendheid. Myriad (rair'i-ed), a. tienduizendtal; groote menigte. Myrmidon (mur'sni- don), a. ruwe vlegel; dwerg. Myropolist (m!-rop'o-list), a, koopman in reukwaren. Myrrh (mur), a. mirre. • Myrtiform (mueti-form), a. mirtvormig. Myrtle (mur'tl), a. mirt. —tree, mirtestruik,


v. a. & n. acildden, (zich) Afton- Sham (84111') it. valsch, voorgewend, verdieht. Sever —fight, isplegelgevecht. —. a. mialetding, klaren jr,n). —al P. verschedene., onber,che:- drop , nb!dwri..g -- airy, e:e:1;evnodozl dene, —ally, ad. afzo,derlijk. • al'a- Sh ,heitt. —once, a. arzande,iPg. ,heide (.depend) s e, e, --ell,, ad. streng, hard,. van. -. -es(sjerrCb!z), pl. vleeschhanken,vleeschhal. —,ng, a. waggelend, alepend; s. waggelende wrced( g yaina'!);stint (in).—enesa,—ity (-ver^it-tih), (slepende, gang, s. st,engheid, l)ardhaid, vreedheid; sliptbcdd. Sew (sjoe), v. a, drong legge, —el (..i1). a. no- S hnro e (aje.ein'), s. schaamte, schonde. for —,foei I fac ed, oao. dae. b—Sre eheteeens;, (Co'), v. 5),. n. naalen, er, a. kietrwa- onteeren; v. n. zich schaani'n. —ful, a. —fully, ker; banister. —ing, a, bet rantcn; —tuuhion, i ad. schandelijk. —fulness, a. schendeltjkheid, naaikussea; —desk. naaiklAtja; —less, a. —lessly, ad. cchaamteloos. —lessneae. j a. schaamtelow.heid. ngald: —silk, naaiziPe. (F,P.M, a. gir, 13cht, lzurine, Ochootn) sekse, ' Shev4:nto er (sjem'mur), a. bedtleger. — jay, a. edrtegelijk, liatig. Sex agetaar tan (aalra a dzje-nee )i-en), a. zes Shammy (9em'rnih), e. game; gemzeleder. tigjltige. —7; (-ed'zj ,,-an,:h), a. zastigjarig. ,41.8.(slim em ' l,.. ps ojee; m ), (,ks-e-dzjea'i-me), a. tweede zoo- :Itimi:in he t Lir:: it°s el hs dog. nom, in Vaatrn, — I., a. zes:igtallig,.. ear warm bad nemen. (,e1rs•en4'gjoe-ler), a. zethoelfig. Shamrock :sjem'rok). a. Mane, zesktrIg. e,Thi.e1), a. zesreRelse vers. — ant, a. Shank (sjengki, s. achenkell beenpljp; pip, Sext t eeed1, (Ti e n gket1),;a1 .tj1; stx,mit. _y e 0. 1,, a. aspect;ou ls, taiciihnt!s g e lat e ntd rzoeeit...—painter. zr.Atig ;ruder. —on (-tun), a. 'ondarkoster, door!. § Shant ee (sjen'tiel, — y, a. hut. foods, hot. 1. P.otte. —uple (.tjneri), a. zes,ondir,. Shape (sjeap'I., a. gedaante. geztalte; v)rm, fat S 47V . AIA1 (.! eks".joe-el . a. geOfiChiS -, torn; aard. wijze; denkbeeld. s. schurft; sehott. —bily. ad. —by, v. a. vormen; (S]eb'), ni ; nve.t% .s pftsszn a. , igffi — e tefik ana ,41t 1,e .wi r _ n. iorrix, hAneloom; armzallg, gemeeu. — biness g —n staiy1:tip —lines (.(ai-nna), a. 'naveloosheid; gemeenbeid. a. welgemaakt. 1 "PP' lveld; zwii'll'nv°"' land- Shard i ,,, ,jasrd'), s. acberf; stuk eters:Anal; vlento,pce. reqhfit ei kd aveiel;ng7i es argrney,agret n im.j ,teka;.. asr. hxh.ii — d rtngee,llogp. Sheckte (jek 7 1,1)„ a. paartring, beugel.—, v. a. -
adulteress. —breken to commit adultery. .—brekor, adulterer. —trestle, adultery. —genoot, m. husband. consort v. wife, lady, spouse. —keels, nuptial bed, —acheiden, to divorce. —seheiding, divorce. —ataat, married state, matrimony. —verbintettie, —vereeniginge marriage. —ebed, nuptial bed. —*Roden, married people, hu.iband and wife. —elijk, be. ik bw. conjugal (-IA; lawful (-1y),

Iles), my. Hercules. Illercyulan (hur-eln'i- en) Forest, g. the —. het Hartzgebergte, de Harz. Hermes (hur'iniez), my. Hermes. Herod (her'ad), m. Herodes. —Out (be rod'o-tua). m. Herodotus. m. Hesiodus. Iti saslsrd Ilesperlri (hen-pi'd e), g- Hesperle. Hess e (het). —io (hesri-e), g. Hessen. —ian heyri- en), a. Hesaisch. i. Hen. Hester cheetur), w. Esther. ilezeklah (het-e-kare), m. Hiskia. Ilibernta (hsj-bur'ci.e), g. Hibernia. Ilferonymus (haj e-ron't-mus), m. Hieronymus. Highland or (harlend-ur), i. Bergechot. —s (-lendz), g. the —, de (schotsthe) Hooglanden. Himalaya (him-e g. Himalaya. (-due-ten') Iltnd or (hin.doe'), I. Hindoe. g. Hindostan. Hippocrates (hip.pek're-tiez), m. Hippocrates. (hob'bis).m. Hobbes. Hobbes Hodge (bads)), roar Roger; Rut.

Krnnk, bv. ill, indisposed, dizeand, sick. —bed, with currants. —eukakker, punctilious person crazy, mad. —hoof- coward ; close-fieted fellow. eick-bed. —hoofdig, craziness, madness. —eine Keep (Ozer, 0. crisping-iron. —pee, ov. w. to digheid, madhouse, crisp. nige, madman; —ngestieht, Krenk, v. —el, v. fold, wrinkle, rumple, crumple, lunatic asylum, bedlam. Kiranke, m. & v. patient, sick parson. —nbezoek, pucker. —elen, —en, or. & on. w. to wrinkle, to rumple, to crumple, to pucker, to ruffie. visit to a patient. —nbezoeker, comforter. —nbe—elig, be. crumpled, ruffled. —er, m. rumpler, zorger, overseer of an initreaery. —nbewaareter, erompler, ruiner. —ing, v. rumpling, crumpling, nurse. ruffling. Kraal& held. v. —te, v. illness, indisposition, Kreutlers, on. w, to groan, to whimper. eich disease, sicaoess. Kraus, m. wreath, garland; cornice, festoon; t. w. (can) to care, to mind. chaplet; circle, club, society. — kruid, sweet Krenpei, be. cripple, lame. — loopen, to halt. —beach, ticket, copse. —gra., knot-grass. —boat, marjoram. —lijat, cornice. —werk, festoons. —en. underwood, — riins, doggerel - rhyme. — achtig, ha. or. w. to wreathe, to garland. o. circle, somewhat lame. —held, v. crippleness, lamene.s. club, society. Kraut, v. newspaper, gazette, paper. —enberieht, Krene„ v. notch, cross-groove; core. advertiserneht, newspaper - report, — endruhker, Keevel, v itch, itching. —en, ov. w. to itch, to prick. —kruld, —sand, herb (seed) that causes are printer of a newspaper. —endruaerii, newspaperprinting-office. —enjongen, news - boy. —eniezer, itching. —fag, v. iich, itchinr. reader of a newspaper. —enntan, news-man. —en- Keib , v. manger, crib ; shrew, scold. —werk, bavtn. nreuws, news, newspapeereports. Kceibbe„ v manger, crib. —bijten, to have the Keep. v. madder ; clesp ; pork 'a eteak. Kresp. Xrapies, bw. closely ; tightly; narrowly, tick. --biter, crib-champing horse, crib-biter; crabbed (peevish, irritable; person. —bigster, scarcely, sparingly. —kat, shrew, scold, irritable woman. Kraig. by. hale, vigourous. brisk. Krebbelen, ov. w. to scrawl, to scribble; on. Kens, kris en —, by all that is holy. w. to be always quarrelsome. %erne., v. scratch. —Nen, on. w. to scratch, to scrape ; to croak; to spatter. —get, pocket-hole. Krlbb ere, on. w. to be peevish, — cross ; to --rjzer, worm. —her, m. scratcher, scraper; worm; quarrel. — ig, by. peevish, froward, irritable, fretful. —igheid, v. peevishness, fretfulness. sorry fiddler. Kraal, o. hindpart, movable hack (of a cart, etc.). Kriebel en, on. w. to itch, to prick. —schrift, cramped writing. Krtiter, m. creter. Kinney, v. scratch, —el, nil. crooked fork, cramp. Kriek„ a. cricket; black cherry, —eboom, blackiron ; nail, clutch, paw. —en, cv. w. to scratch; cherry-tree. Krleken, on. w. to dawn. —, o. day-break, scratcher; —liter, v. to rebuke; to extort. —er, m. dawn. reviler; extortioner. o. trash, Kriel, 111. & a. dwarf, pigmy, shrimp. Krentonr, 0. creature. stuff, refine, outshot. —haan, guinea-cork; —hen, Kreb, v. Zie Krib. openen guinea-hen zie KrIeltje. —, ha. petulant, wanKradiet„ o. credit; trust ; esteem. een on. w. to swarm, to crowd, to be full letter of ton. —en, bfj, to lodge a credit with. —brief, of. —held, v. petulance. wantonness. —tje, o. credit. Kireelt, m. lobster; crab; cancer. —engang, crab 's small chicken of a small breed. walk ; den — gaan, to go backwards. —sdieht, Kriernel sae, m. —aareter, v. trifler, sluggard; haggler. —en, on. w. to lounge, to idle; to hagpalindrome. --soog, crab 'a eye. —ssehaar, claws gle. --ig, by. sluggish, slow. of a oobster. Kreek, v. creek, cove, bay. Krieuveel, v. itch, itching. —en, on. w. to itch, Kroel, v. lace, edging, galloon, —en, ov. W. to to prick. —ing, v. itch, itching. Krieael, v. (tiny) bit, little. !ace, to edge. Kr1,10e, m. war. — voeren, to make (to wage) war. Kreet, m. cry, outcry, shriek. —voerend, belligerent, at war, engaged in war. Kregel, by. & bw. fretful ( - 13, CrOhS (Ay). peevish peevish kop, —zoehtig. warlike. — a - tin eam.),—artskei, article ar,Fcry ( - ily), crabbed ( - 1y). — of war; —bonier, —vaan, banner; — basuin. — Ma per,on. crab. --heid, v. fretfulness, croseness, raca, —trompet. war-trumpet ; —bedrijf, —daad, pevie,hlierm. — iy, ho. Zie Kregel. —igheid. v. feat of arms, exploit, achievement, warlike acZie Krogelheld. tion; —behoeften, —voorraad, ammunition ; —be. K retie, m. circle. —Orievert, circular letters. leid. tactics, military talent ; —betide, troop ; ra. cricket. —en, on. w. to chirrup. —bode, herald; —boutokettet. engineering, fortifiKrssrg, o. carrion. cation ; —bouwicundige, —bouterneester. engineer; Kering on, ov. & on. w. to careen, to heel, to —deugd, military virtue, heroism; —dieeet, give topping to ; to bend sideways ; to higgle. mervice ; —eed, military oath ; —eer, mili—lag, v. careening, heeling. tary honor; —fakkel, torch of war; —gebrizik, cusKrenk en, or. w. to hurt, to grieve, to mortify, tom of war; —gedruisch, —rumoer,tclamor (din, 1,, 'offend. to prejudice, to !More. --end, by, oftumult) of war; --geluk. chances of war, military fensive, hurtful, (to). — er, m. offender. injurer. success; —gereedsehap, inetruments'of war, — ing, v. grieving; grief, offence ; mortification. K re n t, v. currant. —enbrood,—enkoek, bread (cake) warlike implementfo—geroep,war-cry,war-whoop;


W Waldenses (waol-den'eiez), r. Waldenzen. Wales (weelz), g. Wallis. Walker (waok'ur), en. Walker. Wall ace (wol'las), ne Wallace. Wallachia (wel-lee'ki-e), g. Wailachije. —n, a. wallachi.jsch; i. Wallachijer. Walloon ('eel-loon'), a. Waal/sell; Weal. Wnlpole(waol'pool),g._ & m, W cipole. Walter (waol'inr), m. Wouter. Warren (wor'rn). no. Warrea. Warsaw (waor",ao), g. Wench, a. Warwlek (weor'ikl, g. Warwick. INashIngten (wasfleng-tn)„g & m. P1ashinglon. Wat (not'), — 1y, f. voor Wetter; W.nt. Waterloo (wao'tut-loc), g. Waterloo. Waverly (wee'vur-Ilhl,m. Ws.cerley. Wedgewood (wedzywoed), m. Wedgewood. Wellesley (welznilt), m. Wellesley. Wellingt ,an (wel'Ilenc-tn), Welsh tweld!), a. Wallach. —mos., Wesel (WW1), g. Wezel. Wetter (wiser), g. Wezer. Weetero lwest'rn)Litands, g. (de) Hebriden. West-ludics (west-in'silz), g. the — West-lo,te. Westminster (wetit'min-stur), g. Weetrunnster.
Sarmatia (saar-znee'sji-e), g. Sarmatiö. —n, I. Sarmsat. Saturn (set'urn), my. Saturnus. Satyrs (set'irz), my. Saters. haul m. Saul. Savannah (se-ven'na), g. Savanna. Savoy (sev'oj. se-von. g. Savoy.. —rod (leT .0jaard'), I. Savoyaard. Saxon (iseks'un), a. Saksiech; i. Saks. —y, g. Ssksen. Scandinavia (sken-di-nee'vi-e),g. Scandinavia. —n, at. Scandinavisch; J. Scandinavian. Scheldt (skelt, ojelt). g. the —, de Schelde. Scilly Mande g. (de) Sorlinge : '. Scinde (*bad), g. Scinclq. Scipio (stei-o), m. Scipio. Scot (chat'), i. Schot. —eh (skotaj), a. Sehotaah; i. the —, de Schutten; —man. i. Sehot. —land, g. Sthotland. —t (skot), m, Scott. —dish, a. Schotsch. Scylla (ail'le). g. Scylla. Scyth es (sarthiez), I. Scythen. —La (sitlei-e), g. Scythie. Sebastian (ae-bes'ii-en), m. Sebastiaan, Segovia (se-go'vi•e), g. Segovia. de Seine. Seine (seen, ten), g. the Sy:tenet's (se ljoe'kus), in, Selman'.
Angola, Benin, Botswana, Cameroon, Ghana , Kenya, Mauritius, Namibia, Rwanda, South Africa, Tunisia, Uganda, Zambia, Armenia, Bahrain, Brunei Darussalam, Hong Kong, India, Indonesia, Jordan, Kazakhstan, Korea, Kuwait, Kyrgyzstan, Macao, Maldives, Mongolia, Nepal, Oman, Philippines, Singapore, Taiwan, Uzbekistan, Australia, New Zealand, Andorra, Austria, Belgium, Bulgaria, Croatia, Cyprus, Czech Republic, Denmark, Estonia, Finland, France, Gibraltar, Greece, Guernsey, Hungary, Iceland, Ireland, Isle of Man, Italy, Jersey, Latvia, Liechtenstein, Lithuania, Luxembourg, Malta, Monaco, Montenegro, Netherlands, Norway, Poland, Portugal, Romania, San Marino, Serbia, Slovakia, Slovenia, Spain, Sweden, Switzerland, Turkey, United Kingdom, Aruba, Bahamas, Barbados, Bermuda, Canada, Cayman Islands, Costa Rica, Curaçao, Dominican Republic, El Salvador, Guatemala, Honduras, Jamaica, Mexico, Nicaragua, Panama, Trinidad and Tobago, United States, British Virgin Islands ,Argentina, Brazil, Chile, Colombia, Ecuador, Paraguay, Peru, Uruguay

Wat betekent BTC betekenen sms'en

×