Patti (puff' , a. geblaas; hail; rukwin ,i; poecierpoeder bestroolen. 1,,aat; chef, pot; boyish; opvijzeling, blot', none i Poottce (pjoe'mis), a. pelinsteen. -out (-miar us), — boll, --fist, boviat. —paste, loch gebak. a. puimateena•:htig. T. a. ophYazen, opgeblazen Pomp (pump, '), s. pomp; danssehoen. forcing -, — atone, tutateen. ,aken, np:ijzelen, (op). (away) w,gbiazen, vet persporop. - bolt, pompbout. -bore, hart eenec driven. (up) °darn. -, v. n. blazen, btgen: pomp. --borer, achulpboor. -brake, pompgek. zwellen; vnreven; zeer bedroetd zijn. away. off) ) cistern, pomphak. -dale, pompdaal. -gear, Tomptoentel.. -handle, pomuslinger. -hot,k,poznpweganellen. by) vaorbijituiven. -er, e. blazer, snnever; opjager. -iness, a. opgeblazenheid; win batik. -hose, manilering. -knife, knipmes. -roost,

Kanaster, m. canister. Krindael, v. candle. —moat, gossip's feast. —rot, candle-pot. Kandeleer, m. candlestick. —sp(ip, socket of a candlestick. KandU,v candy. —Weep, syrup of candy. —miser, sugar-candy. Renee!, o. cinnamon. —boat, bark of the chinamon-tree, cinnamon. —bloc m, cinnamon-flow sr. —boom, cinnamon•tree. —knurly, cinnamon-colored. —koekje. cinnamon-cake. —elie, cinnamonoil. pipelroll) of cinnamon. —water, cinnamon-water. cinnamon-arine, hippoera.. Kanetas, o. cantata. Kant& by. having graves. Hanker, In. canker, cancer, gangrene. —61oem, corn-rose, wild poppy. —kruid, shave-grass. —acAtig, by. cankerous, cancerous. —en, on. w, to inveterate, to grow inveterate. Kano, v. canoe. Kanon, o. cannon, gun. —schot, cannon•shot. —skoget, cannon ball. —flier, m caunonnier, gunner, artillery-man. Kane, v. e.hance, hazard, prospect, opportunity. de — is verkeken. the opportunity be lost. —biljet, chance-bill. —rekaaing, calculation of chancre. Hammel, m. pulpit. —cede, e/rmon., homily. —redenaar, preacher. — st01, style of the pulpit. —welopreketoiheid, eloquence of the pulpit. K.1.8•1 1. 0,1, v. chancery. —ier, ta. chancelor. Kenide, o. god-send, luck. Jo• Kant, in. edge, side, border, margin, brink. aan — does, to arrange, to put in order. van — waken, to kill, to make away with. var. — ruses, to pariah. —beitel, iron crow. —hosteen, to square. —Answer, squarer. —teekening, marginal note, gloss. —shaak, grappling-iron. HAW, v. lees; point. —beerelsel, lace-edging. —does, lace-box. —work, lace-work. —werker, —werkster, Dace-maker„ lace-man (-woman). —enstopeter, lace-mender. Kant, by. well-squared; neat; clever; not full; tasting of the cask. — en kiaar, quite ready. Kanteet ,m. battlement. Kentelev, ov. & on. w. to overturn, to topple, to fall over. K anten, by. laco. Karat yea, or. w. to square. Kanterstok, in. whipstsff (of a helm). Kantlg, by. angular, edged; crasty; tasting of the cask. Kenton, o. canton. —gerecht, district-court. —tee/ter, justice of the peace. linsatioor, o, counting-house, office; commercial eetahlishmeut, factory. —bediende, —*chi-Over, clerk (in a counting-housft). —behoeften, notes • aerie& of r counting-house, mtationry. —inlet, double-ink. —knecht servant ilia countiug•house. —werk, writing- ve ork. Kanunnik, In. canon, prebendary. Kap, v. cap, hood, cowl; top (eener tears); teeter, roof: coping; head-piece (van can ache() atom). —taken, hat-money, primage. —strider, periwi stock. —stole, portmanteau, row of pegs, cloy peat. —ponnsoakster, milliner.
Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.

Kun je af te schrijven bitcoin verliezen


G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-


ongehan de zuster. —speech, eerste redevoering. ftletjor (mee'dzjur). a. grooter; meerderjarig. s. grootere, oudere; meerderjarige; majoor. —sword, ongebruikt zwaard. —wort, maagden- ( do'mo), a. opperhofmeester. — general, krnid. —head, --hood, 8. ntaagdom, maagdelijk- generattl-majoor. —ity (me dzjor'it-tilt), a. meerhe'd. —like, —1Y, a, ma agdelijk; zedig. derheid; meerderjarigheid; mejoorsehap. (-1i-ness), a. maagdelijkheid; zedigheid. Mali (steel'), a. pantser, mane; brievenmaal, -post; Make meek'), a. vorm, gedaante, maaksel. —bate, twietstoker. —peace, vredeatiehter.—shiff, hulp;Tote; vlek. —coach, pootkar. —day, postdag• middel, uitweg. —weight, toetrift, doorelag. -, v. a. bepantseren. —able, a. per post to see- zenden. —ed, a. gevlekt. Make (meek) [made], v. a. maken, vervaardigen; s. verminking, verlamming; bedoen; bereiken; winnen; dragon. —account, stoat, (rceem'), Maim na(leeling, letoel, gebrekkigheid. v. a. ver- maken. — the best of', zich ten nutte maken; zich sehikken in. — a boast ef, poehen op. minken. —edness, a. verminktheid. — a fool of, vase den gek houden. — good, ver. Males (mien), a. (het) voornaaroste, hoofddeel; maoot; geweld; oceaan, •ereldzee; vaeteland; goeden; vervulljen. head, het hoefd bieden. pakmand; worp; weddensehap. in the —, over — land, land zlen. — a roes, een verlies lijden. het geheel. upon the —, ten laatste, ten elotte. — love, vrtjen. — war, oorlogen, (away) uit. den Main (meen'), a. voornaamete, hoofd-, —bedy, weir mime], (out) ultmsken; verklaren; uitvaargros (van een leger). —boom, zeilboom, giek. digen. (over) overdragen (up) vergoeden; op-, —bowline, grants boeglijn. —braces, groote bras- uitmaken; vol waken; aanvullen; toevouwen; sen. —business, hoofdzaak, .vak. —channel, groot- sluiten; beelechten; — one's mind, eon beeluit rust. —deck, hoofddek. —fear, groot kardeel. semen. v. n. gaan, zich begeven; zich aan-guard, hoofdw seta, —hatchway, groat luik. stellen. — light of, liebt tellen, gering achten. —keel, vaste keel, —land, vasteland. —lifts, — merry, zich vermaken. muchof, veel ophebgroote toppenant, —mast, gyrate mast. —post, ben met, week waken van. (after) volgen; seeachtersteven. —preventer- stay, groote loom 'gag. volgen. (against) tegen. nsdeelig zijn.(at) —sail, sehooverzeil, groot zeil. —sheet, groote gaan op. away) zich wegmaken. (away with) doorschool. —shrouds, pl. groot want. —slide, groote brengen; zich ontdoen van. (for) Melt begeven roar. sehulfepter. groote spriet. —stay, groote (op Melt wegpakken. (on) voortmaten. (up for) vergoeden, heretellen; inhalen.!(up to) toetreden stag, —stay-sail, groat stenge-stagzeil. —tack, groote hale. —tackle-pendent, hanger aan den (afgaan) op, naderen. (with) overeensternmen; zich bemoeien met. grooten moat. --top, groote mars. Zie beneden. Make less (meek'lesa), a. zonder wederga; zender —yard, groote ra. echtgenoat of vriend. —r, s. molter; sehepper. Main 1y (meenqih), ad. hoofdzakelijk, grooten- deels. —pernable (.pur.nibl), a. ale borg toe to Making (meek'ieng), s. (het) maken; rnaaksel. —iron, kalfaatijzer. laten. --pernor (-par.-our), 8. horg, borgtoeht. --prise (-prajz), a. vrijlating tegen borgeteiling; Malachite imere-keji,), a. malachiet. v, a. tegen borgstelling doen onts!aan. —swear Malady (mel'e-dill), s. ziekte. (-s weer) Bra], v. n. valech zweren. Malaga (mere-ee), a, Malaga-au ijn. /11 airlift-du (men-teen', v. a. handhaven, in stand ittlalandera (meren•durz), pl. kniegezwellen. houden; onderhauden; staande houden. —able, Malapert (mere-purt), a. —1y, ad. onbesehaamd, a. houdbaar, verdedigbaar. —er, a. handhaver; onbeeehoft. —ness, a. unbeechasmdheid. Malaxate ( me•leks'eet I, v. a. zeeht (week) maken. onderhouder; beweerder. Maintenanre (trieen'tn-ens), a. onderhoud; hand- Male (meel), a. mannelijk. —. a. mann etje. having, verdedigine. . Male (met - ) administration, a. slecht beheer. Maintop (meen'top), a. groote mars. —content (mel'-), a. mienoegde, ontevredene. —content (mel'.), —contented (-kun-tent'id), a. Maintop-gallant igerlent-), —mast, a. groote misnoegd, ontevreden. —contentedness, s. misleramsteng. —royal-mast s. groote bovenbram- noegdheid, ontevredenheid. sieng. —royal-sail, a grout bovenbramzeil. —royal- shrouds, pl. groot bovenbvarnstengewant, —royal- Male diction (mel•e•dik'sjon), a. vervloeking. yard, s, groote bovenbramra. —sail, a. groot —faction (-fek'sjun), a. wanbedrijf. —factor (-fekt'ur), 8. booadoener. bramzeil. — shrouds, pi. groat bramsteligewent. Male leaswace (mel-tle'zens), s. misdrijf, wan• —yard, a. groote bramra. bedr ijf. —formation (-fur-mee'sjun), s. slechte vorMaintop-mast (meen-top'mast), a. groote stews;. - shrouds, pl. grout stengewant. —stay-sail, s. ming. —practice (-prek'tis), s. kwade praktijk, groot stengeetagzell. onwettige daad. Maintop (tateen-top , ), —sail, a. grant n ► arszeil. Mftlevolen ce (me-lev'o-lens), a. I, waadwillig-suit-yard, a. groote topzeilra. —yard, groote heid, boosaardigheid. —t, a. —tly, ad.kwaadwilmarszeilra. lig, boosaardig. Main - try-Rmeen - traY - ) sail - gaff, a. etormgaf• Malice (merle), a. boos-, kwaadaardigheid, boos fel aan den grooten mast. opzet. to bear —, wrok koesteren. Main-yard (meen'jaard), a. groote ra. Malicious (me-lisj'us), a. —1y, ad. boosaardig, valseh. -ness, a. booaaardigheid. Maize (meet!, a. mays, backache tarwe. Majest is (me•dzjes'tik), —ical, a. —ically, ad. Malign (me-lajn"), a. —1y, ad, boosaardig,nijdig. majestueus, verheven. —lea/tress, a. (het) ma- —, v. a. benijden, benadeelen. jestucuse, verhevene. —y (medzres tih), a. ma• Malign aney Ime-lig'nen•sih), —ity, a, boos, jesteit, verhevenheid. kwaadatadIgheid, valsehheid, —ant, a. —antiy,

cryptogeld api


428 Break bear, by. fragile, brittle. —bacirkeid, 11. fragility, brittleness. —beitel., —User, iron-crow, crow-bar. —spel, trouble-feast. mar-joy. —tuts, breaking-tools. Breetinv en, so. w, to calk; to bring about. —kisser, calking-hammer. —veer, —men, calkingiron, ealkin. —.tort, calking-Pox, —er, m. calker; —sknecht, calker's hel pin Ate. Breidel, m. bridle, curb; check, restraint. —ex, ov. W. to bridle, to curb, to check, to restrain. —loot, bv. Zie Tengelloos. Brat en, ov. w. to knit. —garen. knitting-yarn. —geld —loon, knittage, money paid for knitting. knitt , ng-sheath. —katoen, knitting-rotton. —kind. child that learns knittiag. —Aloe, knitting-bobbin. —koker, knitting-needle-ease. —kous, stocking being knitted. —metres, —rrouw, woman that teaches knitting. —rreisje, knittinggirl. —naead. knittiog-needle. —school, knittingschool. —stock, knitting-stitch. —werk, knitting-tool, knitting-wool, -worsted. —oak, knittingbag. —er, ster, v. knitter. Brain, o. brain. —onlateking, brain-fever. —flies, meninge. —loos, bv. brAinlees. Reek *beim, 112. & v. bengler, nobler. —ers.oe. w. to break; to reti t; to violate; on. w . to break, to snap; to glow dial ;ran de owe); het Os —, to break the ice. to pave the way; reel woordon den halt —, to talk e great deal to no purpose; sick Aet hoofd — met, to break one's head stout. —er, m. breaker. —ing, v. breaking; refraction. Brew. v. pickle, brine; broom, geniota, farce. gentsta. Bre ws, v. gorse fly, gad fly. ilrenig en, ov. w. to bring, to carry, to convey, to conduct; tide laten —, to take a carriage; het ter —, to have great success, to cork one 's way up; tot iets, to induce (to engage), to something. —or, in. —ster, V. lo Inger, carrier; hearer. Bras, v. build". sehieten, to breach, to batter in breach. in de — sprinpen roar, to intervene for, to defend. Bretelc, v. me. gallowses, straps, suspenders, 13treuk, v. break, breskin,r, fracture, rupture; traction; hernia. —band, tr,:sis; —.akar, Untomaker. —tneester, hernia-carer. Drover, o. patent, brevet, warrant. ['reviler, o. breviary; brevier. Brief, ;n. letter, epistle; flake (aan de kr.ars). 1hr —, by letter. — speldon, pin card, raper of pins. rondgaande eircu,ar. —draper, letter-carrier. —loon, — pert, postage. —sehrijeer. writer of a letter, correspondent. — afiji, epi.tolaty ely.e. —wisseliwg, correspondence. —le, o. note, letter; ticket, billet. Brier, v. breeze. Briesch en, on w. to Leigh; to roar. —ing, 0. neighing; rearing. Brieven. m. mv . open. —, letters patent. —bestiller, letter-carrier, postman. —bock, letterbook; letter-copy-book. —hue, letter-box. —dohker, —drekker. letter-presser, letter-clasp. —geld, postage. —maul, mail. —osolag, wrapper, envelop. —post, mail; postman. —tank, letter-case; rocket-book, portfolio. —.rah, letter bag.

405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114

Wat is arbitrage cryptogeld


This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.

Heeft bank accepteren Bitcoin


Elllek (erlik), f. vont. Alexander; Alex. ladl O. g. the — Oost-India. Elsinore (el-al-noor'), g. Elmeueur. —an (..iti'djen)., a. 0,ist-Indiseh. Elysium (e-lizri-um), any. Elyetum. Eceleollenst en (ek-kli-zi.eat'tez), r. de Predrker Emanuel (e-meuloe-ell. m. Enaanuel. —ic State, g. (de) Kerke.liike Stoat. Emil la (e-mil'i-e), w. Emilia. —y Ecuador (ek - we - door'), g. Ecuador. noon Emilia; Emrnetje. Eden (i'dn), r. Eden. Eaunoa (etn'me), w. 'mma. Edgar (ed - sur). m. Edgar. Ent as (e-ni'ea). —e (-nie'), m. Eueas. —is, 1. Edinbor„gh led'in-burg). g. EA1uburir. the —, de Enelde. Ed nu und (ed'mund). an. Edmond. —ward (-ward), England (ing'glend), g. Engeland. m. Eduard. —win (-win). m. Eawin. Eeglloh (lneelisj), a. Engelach; 1. Engelseh; 1. Egypt (i'dzj1pt), g. Egypte. —ian (-dzjip'sjen), the —, de Engelschen. —man, I. Engeleehmen. a. Egyptisch; i. Egyptenear. Enoch (ie'nuk), 1111. Enoch. Elbe (elb), g. the —, de Elbe. Ephee tan (0. 11'zii - en). a. Ephesiseh; I. Ephoser. Eleanor (el'e-nor), w. Eloonera. 14, (ere-anal, g. Ephesus. Clammier (1.-11-ee'zur), m. Eleazaz. Ephraim (ie - fee - im), an. Ephratin. Eli (te'laj), m. Ell. Epirus (e•parrns), g. Epyrus. Ell ah (e-lare), m. Elia. —as_ m. Elia.. Equator (e-kwee'tur , , g. Equator. Elisabeth (e-liz'e-beth), w. Elisabeth. Erato (er's-to), my. Erato, Eli shah (e-larsje), se. Eliza. —ea (-se), w. Er is (Ie'rlh) g. Erie. —in. g. Erin. Ernest (neneat), an. Ernst. Ellen (el'In) f. your Helen ; Leant* E swlws (e-seejee), in. Jezaja.

Zijn Cryptocurrencies vluchtige


Amability (em-e-bil'it.tih), a. lieftalligheid. Amadou (em'e-doe), a. zwam. Antaiganta te (e-mellge-meet), v. a. vermengen. —lion (-mee'sjunl, a. vermenging. Amanuensis (e-men-joe-en'sia), a. afschrijver. Amaranth (enee-renth), a, duizendechoon. —ins (-ren'thin), a. amarantben; onverwelkelitjk. Amass (e-maas') V. a. ophoopen. Amatory (em'eAur.rin), a. de liefde betreffend. —potion, minnedrank. Anna. a (e•meez'), v. a. verbazen. —ement, a. verbazing. —ing, a. —injiy, ad, verbazend; § ontzettend. Antezon (em'e-zon), a. amazon.. Ambages (em-bee'dzjiz), a. wijdloopigheid. Ambass ador (em-bea'ae-dur), a. gezant, —y lem'bes-aihl, a. gezantschap. Amber iem"bur), a. amber; a. van amber. yellow—, barnsteen. —prig, ambergrija. Ambidez ter (em-bi-deks'tur), a. iemand, die rechts en links te gelijk is; dubbelhartig mensch. —trous, a. rechts en links zijnde; dubbelhartig. Ambient (em'bi-ent), a. omring-end. Ambiguity (em-bi-gjoe'it-tih), s. dubbelzinnighetd. Ambiguous (em-big'joe us), a. —ly, ad. dubbelzinnig. —nees, a. dubbelzinnigheid. Ambit (emlbit), 8. omtrek. Anabiti on (eitt-bis'ajun), a. eerzucht; I, haat, wrok. § —on, v, a. jagen naar sets. —ous, a. (of), — ouslv, ad. eerzuchtig. Anibi a (em'b1), s. telgang. —e, v. n, den telgang giian. —er, s. telganger. —ingly, ad. in den telgang. Ambrosi a (em-bro'zji-e), a. 'ambrozijn. —al, —an, a. van ambrozijn; kostelijk. Ambry (ein'brih), a. provisiekast. Ambs ace (eenaz'ees), o, dubbel aft.. Ambui ante (ein'bjoe-lens), a. draagbaar hospitaal. —ant, a. rondtrekkend. —ation (-lee'sjun), a. rondtrekking; wandeling. —atory a. wandeleed. Ambuscade (em-bus-keed'),Ambusitlem'boesil, s. hinderlaag. —, v. a. in hinderlaag stellen v. n. iii hinderlaag ligeen. Amber at Ion ( em-bue'tjun), s.branding, schroeiing. Antellorat a (e-miello-reet), v. a. verbeteren. —ion (-ree'sjun), a. verbetering. Atnen tee'men), ad. amen; zoo zij het. Amenability (e-mi-ne-bil'it-tili), a. aartsprakelijkbeid; gezeggeitikheid. A litts'irsable (e-naPnibi), a. aanaprakelijk; gezeggelijk. —neon, u. Zie Amenability. Amend (e-mend'), v. a. verbeteren; v. n. beter worden. —able, a. verbeterkjk. —er, a. verbeterear. —went, a. verbetering; wijziging. —8, a. vergoeding. Amenity (e.men'it-tiix), a. bekoorltjkheid. Amerce (e-mars'), v. a. beboeten. —ascot, s.boete. —r, a. beboeter. ,%.tneihyst (ern'e-:hint), a. amethist. —ins (em-ethistlin), a. amethistkieurig. Amiability (ee-mi-e-bil'it-tih), a. beminnelijkheid.

Hoeveel waren Bitcoins in 2009


ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to

Zal Bitcoin maken een comeback


Bewondee mar. m. —.rater, Y. adrcrer. —en, lieeztec, be. busy (at), active, occupied (with), ov. w. to admire —eneteaardia, be. & bee. ad- engaged (in). tan ieta — zijn, to be at a thing. mixable —ensteaardigheid, v. admirability. °v. w. to use, to make use of, to employ. —ing, v. admiration. m. employer. —held, Y. business, (TampaBewon en, ov, w. to inhabit, to, dwell in, -.er, tion, employment. v. use, tieing, employing. v. inhebit- Bezliden, Ow. & vz. next to, contiguous to, out m. inhabitant, inmate, tenant. ing, habitation,. of. — de teaarheid, not tree. Bewoon Issaettr , be, haettebie. —bua,heid, v, BezIng en, ov. vv. to sing, to celebrate. —er, m. v, celebration. habitableness. --ster, v. Zie Bewoner. —Ater, v. singer. Bewoord en, ov. w. to word, to express. —ing, Bezink en on. w. to settle. —ing, v. settling. v wording; expressIon, term --eel, o. sediment, lees. t. w. to Bewost, be. conscious —, aware (o'); In ques- Beziun emu', ov. w. to find out; zich tion. —elate, bv. eenFeless. —eloasheid, v, tense- consider, to reflect; to recoltect, to remember. lessees, —.held, v. —ztin, o. knowledge, coned- -•ng, v. consideration, rejection; reeollection; (manes. — konien, to recover one 's senses. tot IllezmeT1 en, ow. w. to cow, to strew, to cover. Dealt, a. pessession. property. is — nem... to —icy, —icy, v. Bowline etrewing, covering. take posseseion of. —nemer, occupant. —timing, .-Trinn, v. mizzen. —abets, brace at the mizzen- occupancy. —1,00, right of possessing. —ate?. yard. —sdentpgordinge, mizzen-broils. —shots, v. Zie BezAtter. —teltik, be. possessive. —ten, —mars, mizren-lop. —stnost, mizzen-tae• mt.- ov. w. to sit upon; to possess. —ter, Tn. poesesszsn-rnast. —spispotten,mizten-bowiines.--sseksif- or, prolrletor, owner. —tint, v. potheselon, skier, Inizzen-s11 , 1e, — 6spriet. mizzen-sprit. — s - property. stag, mizzen-stay. — sstagzeil, mizzen-staysail. Bezoedel en, ov. w, to dirty, to soil, to milmizzeo - ehrouds, iy, to stain. to contaminate, to defile. — ing, dirtying, eullying, contamination, defilement. llezmibbeerri, ot. w. Zie Bezeeevere,n.. Heed!;, 1, be. & bw compared (-1y), sedate ( iy), Br cock, o digit; company. een — afleggen Oren—Reid, v. composednees, gee), to pay a virot (to). —es, ov. w. to visit, to staid (-1,3e, calm sedateness, staidness. calmness. pay a visit to, to call upon, to go to see; to Itezend en, ov. w. to sand, to grate!. —lag, v, frequent, to afflict, to try. —er, m. —.tee V. minding. gravelling. visitor, visitant, guest. —ing, v. visit, eisitetion; Bezeter•n, nv. w. to hurt, to injure, affliction, trial. Ilezeevieren., ov. w. to elabber, slater, to BezoldelIng, m. &. v. mercenary, hireling. drivel upon. Bezolder en. Ow. w. to ern. —say, v. ceiling. ligezegeli en, or. w. to teal; to confirm, rats - Buzoidig en, oe, w. to pay, to keep in pay, to fy. — ing, v. sealing; confirmation. give salary to. —ing, v. pay. wages, salary. B•zeli d, bv teet•sailing; zee — schizo, good Beziendig en, ov. w. to charge with sin; sick (fast, fine) sailer. —ea ov. vv. to tail to, to —, t. w. to sin. —.big, v. sinning. reach — , to arrive at (!•3, , ,ailing). Bezonnen, bv. & bw. cons!derate, (-ly), cantine7.e:s.2, m. broom, hem°, —binder, —maker, out (-1y). —held, v. considerateness, mittbroom, — krvid, horse - 1 ousn,ss. oroom-rneker. tail —sehoonowept out.--steel, —Otok,broomPtick. Bezoone o'. w. to hem, to seam, to border Bezendlog, v. deputation, comrapotiott, erobae- —any, v. hemming, seaming, bordering. my, consignment, parcel. 113ezier,te d, by. anxious (about. for), solicitous Bezet, be, taken up engaged, occupied, (about', hij is —, he has got a competency, he Bezeieii, bv. poseewd. —e, m.. & v. posmemed, is tipsy —dheld, v. anxionsuctis, solicitude. —en, denconiat. —held. a, tieing ov, w. to deliver, to procure; to take care of, to Bezci betel, v. being crowded with butin,,,; conduct, to manage, to provide for, •—er, m, soldier of e get arson —teling, -,ter, v. carrier; steward; procurer, provider. ov. w to out (oti , , to stud, to adorn. to , debeery; management, providing. to border, to edge (met bo4aen); 1,, mount (rnet. Bezoidess. vz. on the south side of. , 1 op, to take up; to BezotnIg cn, ov. ve. to save, to spare, to toy to occupy. to 11 geschut); 1w/stet, to block up; to orri,o, —tiny, v. or,cup- vp, to be saving, to husband, to economize. ation; garrison; oppiestio• --er, m. —tier, v. thrifty man, -- woman, Goonomizer. y. economy, husbandry. Illezleihtile en, o:. w. to view, to examine, to t. w. inspect. to 8us,y. —er, tn. examtoer, , nope,lor, Benttiesert, ov, w. to make drunk. tick i‘urvoyor. —ing, v. exaretuatton in7pection, to get drunk. survey. oe. w. to sroart (to pay dear) for. , Bezwaar, o. burden, grievance, complaint, Mrv. berry. be. Beziel ere. bv. animate. --en ov. W. to animate. , ficulty, objection, e•ruple, prejudice. to give life to, to inspire. to inflame. — ing, v.1 burdened, grie'ed, oppressed, anxious. uneasy. inspiration, inflaming. —Ovid v. oppression, anxiousness, uneasiness. by. difficult; bw. scarcely, hardly, —nay, BezIon, ay. we to look at, to view, to behold; , v. grievance, grief. to examine. feet sat 1e -- staan of, the question in, looker at, viewer; examiner. Bezwmchtel en, ov. w. to swaddle, to swathe; Ra whethe custom officer. —swaardig, by. worth to be look-; to dress (eene wand); to disguise, —ing, y. swad! dlibg, swathing, dressing. ed at.
Ketting, m. chain; warp. —break, continued fraction. —brag, chain-bridge, suspension-bridge. —draad, warp. —garen, warp-yarn. —hand, bandog, mastiff. —hovel, chain-shot, langrel-shot. —repel. chain-rule. —aped, fusee. —stack, chainstitch. Kett, v. cue, billiard-cue. Keuken, v. kitchen. aehrale poor table. —buck, cookery-hook. —gereedschap, kitshen furniture, -utensils. —.fringe*, —kneeht, kitchen-boy, scullion, turn-spit —kae, —kast, pantry, lorder. —ktottwe.., cotquean. —lamp, kitchen-lamp. —ha-ttin, dog 's latin. —menhir, chief cook. —meid, kitchen-maid, cook-maid. —Ines, cook 'a knife. —stsiker, brown sugar. —work, kitchen-work. —tout, coarse salt. Kettle, v. savory. teeter, v. choice, selection ; etendard, stamp, mark ; statute, ordinance. —bende, legion...elect body. —boon, ba Got. —leer, elector, chooser. ---buts, elector house. —tamer, assay-office. —meester, a4eayer ; dean (of a guild); censor. —nterk, —atempel, —treken, assay stamp, -mark ; standard. -.prim:, electoral prince. —steen, touchstone. —gegen, electoral voice, vote. —tin, standard- pewter. —roret, elector. —vorstekik, electoral. —rorstendom. electorate. —voratin, electress. IKeur der, m, examiner; assayer ; censor. —en, ov. W. to examine, to try ; to assay; to etamp ; to think, to deem, to judge. —ig, be. & bw. choice (-1y) ; exquisite (1y) ; nice, penicillin., difficult. —igheid, v. choiceness; nicsty. —ing, v. examination, trying, assaying, stamping. —ltle, by. & bw. choice (-1y), select (-edly), excellent (-ly). —lijkheid, v. choiceness, electness. —lingen, m. mv. select troops. Kene's, v. (pair of) stays, corset; bodice, etomacher. iKetio, v. Zie Ken., Keutel, v. turd, dung. —a, my. crotels, treadles. Keuvel,v. cowl. Keuvel sans, m. chatter. —a-ureter, v. chattering gossip. —arij, v. chattering, chitchat. —en, on. w. to chat. Ket11..., V. choice; selection; election. Kevet, m. gums. —kin; long chin, —en, on. w . Zie Keuveien. Keever, ra. beetle, chafer. may-bug. —Lek, blub• ber-lip; blubber-lipped rayon. Kev le, v. cage. Kibbe" mine, m. —aasrater, v. quarreler, wrangler. v. quarrel. wrangling. —en, on, w to quarrel, to rayil, to wrangle. —kunst, chicane. —ziek,—ig, by. quarrelsome, chicaning . , eaptione. rid, v.quarreleomeneio,capticuinaces. Kibbeting, v. outside parts of soiled fish. Kid, Kldde, v. nag, cob, tit, poney. Klekeboe, tsw. —spOen, to play at bopoep. Kieken, o. chicken. —dtef, kite. —pastel, chicken-pie. Kiel, in. blouse, smock-Frock; wedge. Kiel, v. keeliehip. —gang,garboard-streak.—katen, to keelhaul, to keeihoie. —water, wake, track. —en, ov, w. to careen. Kiem, v. germ. —en, on. w. to germinate. —Nth
Elllek (erlik), f. vont. Alexander; Alex. ladl O. g. the — Oost-India. Elsinore (el-al-noor'), g. Elmeueur. —an (..iti'djen)., a. 0,ist-Indiseh. Elysium (e-lizri-um), any. Elyetum. Eceleollenst en (ek-kli-zi.eat'tez), r. de Predrker Emanuel (e-meuloe-ell. m. Enaanuel. —ic State, g. (de) Kerke.liike Stoat. Emil la (e-mil'i-e), w. Emilia. —y Ecuador (ek - we - door'), g. Ecuador. noon Emilia; Emrnetje. Eden (i'dn), r. Eden. Eaunoa (etn'me), w. 'mma. Edgar (ed - sur). m. Edgar. Ent as (e-ni'ea). —e (-nie'), m. Eueas. —is, 1. Edinbor„gh led'in-burg). g. EA1uburir. the —, de Enelde. Ed nu und (ed'mund). an. Edmond. —ward (-ward), England (ing'glend), g. Engeland. m. Eduard. —win (-win). m. Eawin. Eeglloh (lneelisj), a. Engelach; 1. Engelseh; 1. Egypt (i'dzj1pt), g. Egypte. —ian (-dzjip'sjen), the —, de Engelschen. —man, I. Engeleehmen. a. Egyptisch; i. Egyptenear. Enoch (ie'nuk), 1111. Enoch. Elbe (elb), g. the —, de Elbe. Ephee tan (0. 11'zii - en). a. Ephesiseh; I. Ephoser. Eleanor (el'e-nor), w. Eloonera. 14, (ere-anal, g. Ephesus. Clammier (1.-11-ee'zur), m. Eleazaz. Ephraim (ie - fee - im), an. Ephratin. Eli (te'laj), m. Ell. Epirus (e•parrns), g. Epyrus. Ell ah (e-lare), m. Elia. —as_ m. Elia.. Equator (e-kwee'tur , , g. Equator. Elisabeth (e-liz'e-beth), w. Elisabeth. Erato (er's-to), my. Erato, Eli shah (e-larsje), se. Eliza. —ea (-se), w. Er is (Ie'rlh) g. Erie. —in. g. Erin. Ernest (neneat), an. Ernst. Ellen (el'In) f. your Helen ; Leant* E swlws (e-seejee), in. Jezaja.

Zijn Cryptocurrencies vluchtige


Forme, v. fame; report; reputation. ter gveder swan en — ataan, to be in good repute, to have a good character. —roovend, —rooter, ale Ear. ronvend, Ferroover. —loos, by. inferno.. Fake], V. fable; story, tale, quib. —bock, hook of fables. —dicker —schrtver, fabulist, fabler. —kunde, —leer, mythology. —achlig, be. febulous. Fabriceeren„ ov. W. to manufacture, to make, to fabricate, to forge. Fabriek. v. manufactory; coining, invention.--, m. surveyor of ;iblick buildings.—arbeider,—werher, manufactory •rn an, workmail.—diatriet,mannfactoring district. —gebouw, manufactory. —goed, —werk, manufact )re. —opzichter, foreman. —prti., factory-price, prime cost. —.OM, manufacturing- taw, —weave, manufacturing industry, factory-aptem. —en, no. w. to make, to fabricate. Falerik ant, m. — ear, m. manufacturer. Factle, v. faction. Fasctoor, m. factor; agent. v. factory. Factureeren, ov. w. to invoice. Fesetuur. v. Invoice. —bock, invoice-book. -, bedrag, invoice-amount. —warsido, value as per invoice.

onbestendig; onstandvastig. — Wettest, a. °vibeetandigheid; onstandvastigheld. Unstald (un-steed'), a. wet, veranderitjk. —nese, a. Nsuft held; onbestendigheld. Unstained (un-attend'), a. ongevertd; onbeviekt. Unstamped (un•atempt"), a. ongeetempeld. Unit auc had (un ctaantejr), a. ongesteld; outerzadigd. Unstat a (un.eteet'), v. a. Outten, nit zljnen htaad stooten. —atable (•stetioe-tibl), a. onwettig. Una( tadiast (nu-Merle/kit), a. —1y, ad. onbestendig; onatandvatufg. —nen, e. onbestendigheid; onstandvaatt gheld. Unstead sly (un-sted'11-11h), ad. —y, a. onges;44.dig; veranderlijk. (-i-ness), t. ongestadigheld; onstandvastlg'aeid. Unsteeped (un-attepti)., a. Met ingedoopt. Unstified (un-staj'AM, a niet veratikt, niet ronoord. Uniting (on-sting') [irr.], v. a. van den angel berooven; verttompen. (us.etint'id), a. niet beperkt. Unsti Unstirred (un-sturd'), a. ongeroerd. Vont itch (uu-stitar),v.a lostornen. —ed (-atitsje), a. losgotornd;ongenaaid. Ens tooping (un-stoepleng), a. onbutgzaam. Unstop (unstop'); v. a. van den stop (eene belernmering) cntdoen. —ped l-stopt'), a. solider atop; geopend; onbelernmerd. ItTustored (un-stoerd'), a. niet opgeslagen; niet voorzlen (with); niet veralerd. Unstralned (un-streene), a. ongedwongen; niet getlitreerd. Unstraitened (un-street'nd), a. niet vernauwc1; onbeleumerd. Unstring (nu-string') tier.), v. a. van lumen ontdoen; losuaaken. Unstruck (un- atrnkl, a. niet getroffen; ongesehok t. Unstrung (un-strung'), a. onbeanaard; ongespannen. Unstudi ed (un-stni'ld), a. onervaren; onbeetudeerd; onupzettelijk. —out (-atjoe'di-us), a. niet leergierig. Unst u fled (un. stet"), a. ongevuld; ongestopt. Unsub duel (an-eub-djoed'). —jeeled t• dzjekt'id), a. Islet underworpen. —mime() (-rair'alv), a. Wei onderdanig. —milting (-untt'tteng ► , a. weerspannig. —etantial (-aten'ejel), a. onstoffelijk; nick wezenlijk, ondegelijk. Usakineessetuil (un•euk-sessnoei). a. —ly, ad. onvuorapoedig. nest, a onvoorspoedigheid. Unancked (en-sukt"), a niet gezuogd. Unsugared tun-sjoe'surd, R. ongesutkerd. Uneult able (un-tjoet';b1), a. —ahtse, ad. ongepast. —ableness, a. ongepastheld. ed, a. ongesehikt (for. to). —irg„ a. ongepaet, onvoegzaarn. Unhullisd (un-eui'ltd), a. onbezwalkt. Unsum moue d (un-aum'mund), a. niet opgerospen, niet sangemaand; Islet gedagvaard. Unsung (un-sung'), R. ongezongen; Wiesengen.


Chloth (Isjajtn), s. kiln (van een vat). Choke (tsjook), a. vezelachtig deel eeher ,rti , jok. Chime (tsitt)111 ► ., a. ktokkenspel; hsrmonie, —, Choke (twiook'), v. a. verstikken (with); veibinv. a. in hsrinonie doen klinken; v. n, in bar- deren, onderdrukken; § (of) inlet asn het woord laten komen. —, v, n. stikken; (at) zich beleedigd money klinken, spelen; overeeukomen, stem- gevoeten over. — damp, stikdamp. —full, propvol. men. —r, s. klokkenspeler. Chimer at (ki-mie'rel, s. hersenechirn . — ical, — pear, wrange peer; horde pit. — vetch, — weed, klein ksttenkruid. —r, a. verstikker; stijve das. a. — ically, ad. (kt-mer'ik(-), hersensehimmig, in Choky (rf:jo'kih), a. verstikkend. gebeeld. Chimney Itsjim'nihl, a. srhoorsteen. — corner, Choler (kol'ur', , a. gal; toorn. —a, a. cholera. —ic, R. ga.lachtig; oploopend. — ieness, 5. lichthoekje van den hsard. — money, haardstedegeld. geraaktheid. -piece, sehoorsteenmantel. — pot, schoorsteen- § Chomp (tsjomp), v. ii. smakken (bij het eten). kap. —sweeper, schoorsteenveger. Choose (tsj on') [chose (talons). chosen (tsjoozn)], Chin (tsjin), s. kin. China (tslaj'ne), a. porselein. —ink, oost-indische v. a. & n. kiezen, verkiezen. — r, a. verkiezer. inlet. —man, porseleinverknoper, — root, kina. Chop (tsiop'), a. suede, stuk; ebtelet; spinet. —, — shop, porseleinwinkel. — ware, porselein. v. a. houwen, klooven; verwieselen. to — logic Chinch (tsjintsj,, a. wandluts. with one, met iemand redetwisten. (off) arhakChincough (tejin'kof), a. kinkhoest. ken. (up) ophappen. —, v. n. snappen, happen; Chine (tejajn), a. ruggegraat; ruggestuk. —, v. a. zich haasten. t about) omspringen. (at) grijpen in stukken hakken (den rug). nave. (away) er op sta.. (into) stuiven tn. (upon) Chink (tsjink'), o. re,...t, apiece; splint. —, v. a. overvsilen. — church, roiling van predikantsolaatsen. —house, gaarkeuken. — per, a. kloover, doen klinken; v. n. klinken, rammelen. —y, a. vol spleten of nodes. nakmes. — ping, a. dik, geziind, flint. —ping - block. hakblok. — pang board, hakbord. — ping - knife; Chintz (tsjintz), s. sits. hskmes. —py, a, vol spleten, Chip (tsjip'), s. spaander, stukje, snipper. —, v. a. aan snippers snijden; v, n. afbrokkelen, af- Chops (tsjopst, s. brk, mutt. eplinteren. — axe, kanthouwersbiji. — box, spa n en choral (ko'rel), a. tot het koor behoorend; koraal. door. —hat, spanen hoed. — ping, a. spasnder; Chord , bard), a. snaar; necoord; koorde. —, v. s. besnsren. afsplintering. —ping-knife, hakmes. Cliiragra (kaj-ree'gre , a. handjicht. § Chore (tsjoor), a. huishoudelijk week. Chirography (kaj-rog're-iiht, a. echrig kunst; Chorist (ko'rist), —er (kor'is-tar!, a. koorzanger. handschrift. Chorograph er (ko-rokere-fur), s. plsatsbeChlrology (kaj-rol'ild-zjih), s. vingerspraak. schrijver. — ic, — ical bur o-gref'ikl), a. pleatsChlrouse ►sey (kaPro-men-siii), s. handwaar- heschrijvend. —y, a. plaatsbesehrijving. zeggerij. Chorus (ko' rus), a. koor. Chirp (tsjurp'), a. gekweel, getjilp. —, v. a. ver- Chomigh (tsjuf),.s. k.w, steenkraai. vroolijken; v. n. kweelen, tjilpen. —ing, s. ge- CI.1e (ts3.1), s. krop (.n teen' vogel). kweel, getjilp. Choose (t ,:jaus), a. bedrog; sul. —, v. a. beChirrup (tsjierup), v. a. aansporen; v. n. pie- driegen (of. out of). pen, kweelen. Chrism (krizm), a. zalfalie. Chirurgle (kaj-reedzjik), —al, a. heelkundig. Christ (krsj,,t), s. Christus. Chisel (tsjiz'il), a. beitel. —, v. a. beitelen; Christen (kris'n), v It, doopen, noemen. —ing, § bedriegen. s doop. — dam ( dam), s. ehristeudom. Chit (tsjit), a. spruitje; jong kind; zomersproet. Christian (krtmtlen), s. christen. —, a. — ly, ad. — , v. n. uitspruiten. christelijk. — name, doopnaam. —iam ( - i7.111) ., a. Chitchat (Vila', jet), a. gehabbel. christelijke godsdienet. — ity (kris-tji-en'it-tlii); § Chitlins (tsjit'linzi, s. rtukjes, brokjes. a. christenheid; christelijke godsdienet. —ize Chitterlings (tsjit'tur-liengz), s. ingewanden (-ajz), v. a. tot christen maken. van eetbare dieren. Christmas (kris'mes), a. kerstmis; kersttijd. Chitty (tsjit'tiW., a. kinderachtig. — box, spasrnot; kerstgesebenk. — carol, kerstChlvalr ous (tsjiv'el-rus), g, ridderlijk. — y, lied. — day, eerstdag. —rose, nieekruid. s. riddersehap; rinderlijklieid. Chromat c (kro'met.), s. chromaatzuur. —ic Chive (tsjajv), a. biestook. —a (tsjajvz), a. meel - (kro•met'lk), a. e.hromattech; tot kleur hehoorend. deaden. ies (kro-met'iks), a. wetenachap der kleuren. Chior ate (klo'ret), 0. ehloorzuur. --irk (-rid), Chronic (kron'ik), — al, R. langdurig, elepend. a. chloorverbindinz. —ine (-rin), a. chloor. —osis Chronicle (krou'ik1), a. jaarboek, kroniek. —a, (kiwro'sis), s. bleekzeeht. e. (de) Kronieken. —, v, a. in de jaarboeken opChock (Wok), a. kalf (stub hoot). — of a redder, teekenon. —r, s. kroniekechrijver. bilk van een roar. — of the bowsprit, sluitklom Clironolog er (kro-nol'ud-zjur), — ist, a. tipaan den boegspriet. — of a boat, bootsklamp. rekonkundige. —ic (kron-o-lod'zjik), — ical, a. § — , v. a. tegenhouden. — irony, ad. tijdrekenkundig.—y,s.tijarekenkunde. Chocolate (tsjok'o-let), a. choeolade. Chronometer (kro-nom'i-tar), s. ttjtimeter. Choice (tsjojs'), a, keus; bear, bloem. —, a. —ly, Chrysalis (kris'e-lis), s. popje (van insecten), ad. uitgelezen, keurig. — less. R. Kedwongen. chrysoIlte (kris'o•lajt), s. ehryanItet. —ness, s. keurigheid. Chub (tsj(tb'), a. rivierbsars; chkkop —faced, a. Choir (kwajr), s. hour. dikwangig.
Call (kaol), a. roep, geroop; vordering; roeping; 'Candid (ken'did), a. —/y, ad. oprecht, salver. —ate, a. kandidaat. —ness, s. oprechtheid. ultnoodiging; bezoek; lukfluitje. —, v. It. & n. roepen; noemen. — one names, iemand echeld- Candle (Icen'd1), a. boars, light. kaarslicht. —mass, Maria ticistmis. —stick, kandelaar. omen seven. — to account, ter verantwoor—stuff, ka,svet, talk. —feaster, dief nail de ding roepen. — in question, in twijfel trekkers. kaars; naehtbraker. —wood, eitroenisout. — to mind, herinneren. (at) aangaan bij. (afCandor iken'clar), a. opreehtheid, open ha rtigheid. ter) noernen near. (for) vragen om; (in) binnenroepen. (off) afleiden. (out) buiten- Candy (ken'dih!, a. kandij. —, v. a. koufijten; v. n. hard warden. roepen; uitdagen. (over) atlezen. (upon) bezoeken. Cane (keen'', a. riet; rotting. sugar —, suikerriet. —er, a. roeper. —ing, a. roeping; beroep. —, v. a. of rossen, slaan. —bottom, rieten kitting. Called (kellid), a. ',kiw i arglistig. —ity (-lid'itCanhook (ken'hoek), a. sei► inkelh,ak. Uhl, a. sluwheid. Calligraphy (ltel-lig're-fih), a. sehoonschrijven. Canicular (ke•nik'joe-leri, a. tot he Hondster behoorend. —days, hondsdagen. Call osity (kel-los'it-tih), a. colt. —ous, a. eeltCanine, (ke-najn"), a. hondsch. hunger, gee.,acting; veratompt. —ousness (kel'lus-neat), hanger. vereeltheid; ongevoeligheid. Canister (ken'Is•tur), a. korfje; bun. —shot, Callow (keno), a. vederloos, kcal. schot met schroot. Calm (kaam), a. bedaardheid, kalmte. —, v. a. stillen, doen bedaren, —, a. —1y, ad. balm, Canker (keng'kur), a. kanker; invreting; bederf. —, v. a. verkankeren invreten; v, n. bederven, bedaard. —ness, 8. stilte, bedaardhoid. vervallen. —sus, a. ksinkerachtlg. tr•jellor lc (ke-lor'ik), a. warmtestof. —ific (lcel' —worm, kankerworm. lur-irik), a. verwarmend. Cannabine (ken'ne-bajn), a. van hennep. altrop lkertrop), a. voetangel; sterredistel. alumet (kel'joe-met), a. indiaanache vrede- Cannel coal (ken'nel•Rool), a. fijne soort van kolen. POP. nlate (ke-lum'ni•eet), v. a. belastereu; Cannibal (iren'ni-bel), a. menscheneter. v. n. lasteren. —niation (-ni-ee'sjun), a. baste- Cannon ken'nun), a. kanon; grot geschut. —ball, —bullet, kanonakogel. —proof, tegen het geschut ring. —niator, a. lastersar. —nious, a. lasterlijk. beatand. —shot, kanonschot —ode (-eel') a. be—ny (kel'um-nih), a. Laster, lastering. Calve kaav), v. n. kalven. schieting; v. a. beschieten. —eer (-ier)., a. kanonier. Calvity s. kaalheid. Calx (kmike), a. kalk. Canoe (ke-noe'), a. kano • Camber (kem'bur), a. boog, kromming. Canon (ken'un), a. kerkregel; domheer; de bee• ken den bijbels; kanon (drukletter). —bit, gebit. Cambrel (kem'bril), a. vleeschhaak. Cambric licem'brik), a. kamerdoek, batiat. —law, kerkelijk recht. —ess, a.stiftavrouw.'—icals Camel (kemT., a. kameel. —driver, kameeldrijver. (ke-non'ik)z), a. plechtgewaad. —tst, s. leeraar Camelopard (ke-mel'o-paard), a. ksmeelpardel. in het kerkelijk recht. —izalion (-i-zee'sjun), a, Camera to (kem'er-eet), v. a. welven. —lion, hetligverklaring. (-ajz), v. a. heiligverklaren. —ry, s. dumheersambt. (-ee'sjun), a. welving. Canopy (ken'o-pili), a. troonhentel. —bed, Camlet (kenelit), a. kamelot (vvollen stof). —couch, overdekt rustbed. —, v. a. met ten verCamomile (kem'o-majl), a. kamille. hemelte isedekken. Columns (kee'rnus), a. stomp van neus. Camp (kemp), s. legerp)aats, kamp. —, v. a. & n. Canorous (ke-no'rus), a. welluidend. legeren, kampeeren. —aign (Icem-peen')„ s. vlakte, Cant (kept.'(, s. bargoensch; gemaakte spraak, geteem; worp. —word, kunstwoord. —, v. a bij veldtocht. —azgner (-peen'ur), a. veteraan. Cavnpan iform (kem•pen'i•form), —slate (-jeeafslsg verkoopen; stoutest, werpen; v. n. barlet), a. klokvormig, goenseh spreken; temen; huichelen; § amkantelen. Camnpeatral (kem-peetrel), a. op het veld groeiCanteen (ken-tiers'), a. veldfiesch. end. Camphor (kem'fur), a. kamfer, —ate, —ated, a. Casstelopse (ken'te- loop), a. muskaat-melnen. Canter (ken'tur), a. femelaar; korte galop. —, gekamferd. Campion (kem'pl•un), a. hemeirooaje. v. n. iu handgalop rijden. Cantharides (ken-ther'i-diez), a. apaanache Can (ken), a. ban, kroea. —buoy, tonneboei. :Ian (ken) [could (koed). [past. part. ontbreekt], vliekeu; enkelv. Cantharis (ken'the•ris). Canticle (ken'tikl), a. lofzang. the —s, a. het v. n. kunnen, vermogen. lloogded. (ke-nel'), a. gracht, vaart; bait. nary (ke-nee'rih), a. kanariewijn; oude dans. Cantle tken't1), Contltett (kent'lit),s. stuk, brok. —bird, kanarievogel, —, v. a. in atukken deelen. ..ncel (ken'sil), V. a. doorhalers, uitschrappen; Canto (ken'to), a. zang (van een dichtstuk)• , ernietigen. —lation (-lee'sjun), a. doorhaling; Canton (ken'tun), a. kanton. v. a. kantonneevrnietiging. ren (troepen). —ire (-ajz), v. a. in kantons ver,kncer (ken'aur), a. kreeft; banker. —ate, v. n. deelen. —ment, a. troepenkwartier. ifirktinkeren. —ous, a. kankerachtig, Canvas (ken'ves), a. zeildoek, .11; dock. to use Cancrine (ken'Icrin), a. kreeftachtig. all one', alle zellen bijzetten. —bag, sandrandent (ken'stent), a. gloeiend heet. zak. —climber, matroos. —edging., zoom van `andicant (ken'sii•kent.), R. witachtig. een ZPii.
Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen.

Kan een Bitcoin portemonnee worden getraceerd


REM. —REP. middel; herstel; verhaal (in rethten); v. a. genem; herstellen, verhelpen. Remem ber (re-;nem'bur)., v. a. (ztch) herinneren; gedenken, in herinnering brengen. —trance (-brena), a. herieneriag; aandenken, gedachtenis. —brancer (-bren-aur), a. herinneraar. Remigra te (renal greet),v. ti. terugkeeren. tion (-gree'ajun), a. terugkeer. Remind (re-majnd'), v. a. herinneren, indachtig maken (of, aan). Reminiscen ce (rern-i• nis'aens), a. berinttering. —trial (--een'ejel), a. herinnevend. Remise (re-majz'), v. a. ongeven, laten raven. Remiss (re-miss'), a. —ly, ad. slap, traag; nalatig. —ible, a. vergefelijk. —ion (-misrun), a. verstepPing, verflauwing; kw" tschelding, vergiffesis. —ire, R. kwtjtechelden , vergevend. —nets, a. t1auwheid; nalatigheld. Remit (re-mit'), v. a. kwijtschelden, vergeven; doen verslappen; ongeven; terug-, toezenden, overmaken, remittesren, overgeven; v.n. verelappen; !linemen. —ment, a. gijzeling op nieuw; kwijtseheldimr. —tanre. s. overmeking, -_mdse. —tent, a. tusechenpoozend. —ter, a. kwijtschelder; overzender, -maker, remittent. Remnant (rem'nent), a. overig. —, a. overscbot, rentje; lap. Remodel (rt-mod 1 11), v. a. vervormen, omwerken. Remonatr ance (re-mon'strr, , , S. vertoog, bezwaar; aenmaning. —ant, a. bezwaren (vertoogen) indienend; a. remonstrant. —ate (-street), v. n. bezwaren opperen, vertoogen doe!, —ation (rem-un-stree'sjun), s. vertoog, annreanirg. Remora (rem'o-re), a. beletsal; zuigvisch. Remorse (re-morn'), a. wroeging, nerouw. —j'nl, a. berouwvol (for); vol medelijden (of) —less, a. veratokt; hardvochtig. e. onbarmharttgheid, wreediteid. Remote (re-moot'), a. —ly, ad. afgelegen, verwijderd, ver; vreemd, afgetrokken, (from). —ness., a. verte, afgelegenheid. Remount (ri-maaunt'), V. R. weder beetijgen; v. n. weder opetkjgen. Remov able (re-moev'kb1), R. verplaatabaar; te verwijderen. —al, a. verwijdering; afzetting; verplaataing; verhuizing. —e, a. verwijdering; afzetting; verplaatstng; trap, grand; zet; kleine afeland; afgenomen 8chotel. —e, v. a. verwijderen; wegruimen; afzetten; varplaateen; — the cloth, de tafel afnemen. —e v. n. itch verwijderen; verhutzen. —ed (-neoevd'), a. verwijderdi ere.legen. —ednese (-id-nese), a. verwridering, afgelegenheid. —er, a. die verwijdert; wegrutmer, verplaatmer. Remonera tie (re-m)oe'nur-ih?e),a.beloonbeer. —te ( eet), v. 0. beloonen. —tion (-ee'sjun), a. belooning. —tire (-e-tiv), —tory (-e-turieh), a. beloonsnd. Remurmur (rl-mremnr), v. a. — n. murmelend weerkaataen. — weergalmen. Renal (ri'nell a. van de nieren; nier-. Renard (ree'urd), a. reintje, you. Ilenesc once (re nea'seus), --carp, s. wedergebnorte, bernteuwde groei; herleving. —ent, a. vrederopkomend; herlevend. —ible, a. vernieuwbear; geechtkt om te herleren.
bloon Blown, p. p. boor Bare, I. born Born,p. p. bourn Borne, p. p. haat Bought, I. & p. p. baaund Bound. I. & p. p. bred Bred,t. & p. p. brook ii3oke, I. bro'kn Broken, p. p. bract Brought, i. & p. p. Wit Built., i. & p. p. burnt Burnt, t. & P. p. burst Burnt, i. & p. p. burst'n Burst,n, p. p. been Came, I. kasst Cent, i. & p. p. kaot Casugbt, I. & p. p. tsjid Chid, I. & p. p. tsitd5dri Chidden, p. p. tRjoot Chose, t. tsjo'zn Chose's*. p. p. kled Clad, i. &p. p. klert p. p. Cia.it, i. & kloom Clomb, i. & p. p. kloov Ciove,„I. klo'in Cio vela, p. p. kiunt Clung, t. & p. p. kum Come, p. p. boot Coat, i. & p. P. toed Could, i. ke pt Crept, i. & p. p. kroe Crew, i. kat Cut. i. F p. n2. (1,1 t Dealt, i. & p. p. did Did, I. (Opt Dint, t. At p. p. dun Mine., p. p. drengl: Drank. i. draon Drawn, p. p. dremt Dreamt. I.& p.p. drool Drew, i. driv'n Driven, p. p. droov Drove, J. drungk Drunk, P. P• dug Dug, I. & P. I, dung 00.11 ,1 . & lc... P. di,: vet Durst,i. dwelt Dvvelt,11. & p. p . let, et Eat, i. tern Eaten, p. p. fa.11'n Fallen. p. p. fed Fed. I. & p. p. fell Fell, t. felt Felt, i.8c p. p. fld Fled, i. & p. p. floe Flew, i. floor' 71ovvn, p. p. flung Flung, I. & p. p. Forbade, I. for-bed' for-'sid' Forbid, I. F p. p. for-bid'dn Forbidden, p. p. for-boor' Forbore, I. tor-boorn' Forborne, p. p.
Angustation (eng-guts-tee'sjun), a. vernauwin. Anhei ation (en-hi-leesjun), s. bijging, —ose (en-hi-looz), a. hijgend. AnIght (e-najt,'), Anights, ad. bij nacht. Anil (en'il), a. indigoplant. Anil a (en'ajl), a. oudwijfsch, auffend. —eness, —ity, (e-nint-tih), a. oudwijfschheid. Animable (en'i-mibl), a. bezielbaar. Aniunadver sion (en-t-med-vuezjun), a. opmerking; berisping (on. upon). —t (-vurt'), v. a. & n. opmerken; beriapen (on. upon). —ter, a. berisper, bestraffer. Anirnsai (en'i-mel), a, dier; a. dieriijk. —cute (en-i-mel'kjoel), a. diertje. —ity (mel'it-tih), a. dienlijk bestaan. Aniniat a (enl-met), a. levend; levendig. (-meet), v. a. bezielen; aansporen. —ed (meetid), a. levendig, vol your. —ion (en-i-mee'mjun), a. bezieling; opgewektheid. —ire, a. bezielend. Animosity (en-i-mos'It-tih), a. verbittering, haat, wrok. Anise (en'is), a. anijs. Indian —, ateranijs. Anker (enk'ur), a. anker (vochtmaat). Ankle (en'kl), a. enkel. Annal let (en'nehist), a. jaarboekschrijver. —s (en'nelz), s. jaarboeken. Anneal (en-niel'), v. a. gloeien, harden (van glas(. Annex (en-neks"), v. a. aanhechten (to). —ation (ee'sjum, —ion, —cent, a. aanhechting. Anniiillat e (en-naj'hi•leet), v. a. vernietigen. - ion (lee'sjun), a. vernietiging. Anniversary (en-ni-vuese-rih), a. verjaardag. —, a. jaarlijkach. Annotat a (en'no-teet), v. a. aanteekeningen maken. —ion (-tee'sjun), s. aanteekening. —or, a. aanteekenaar. Announce (en-naanna"), v. a. aankondigen. —cent, a. aankondiging, —r, a. aankondiger. Annoy (en-noj% v. a. kwellen; verontruaten. —once, a. kwelling, lastigheid. —er, a. plager. —ing, a. kwellend, lastig. Annual (en'njoe-el), a. jaarlijkach. —ly, jaarlijks. Annuit nut (en-njoe'l- tent), a. lijfrentenier.—y, s. lijfrente. Annul (en-nut'), v. a. vernietigen. —ar (en'njoeler), a. ringvormig. —meat, a. vernietiging.. Annutrserat e (en-njoe'mur-eet), v. a. bijteilen. —ion (-ee'ajun), a. bijtelling. Annuncia to (en-nun'sji-eet), v. a. aankondigen. --lion I- ee'sjun), a. aankoudiging. —tion-day. Maria-boodschap. a. pijnAnodyne (en'o-dajn), a. pijnstillend. stillend middel. Anoint (e-noint% v. a. zalven.—ed, s. The Lord's —, de gezalfde des Beeren. --cent, a. zalving. Anoirnal one (e-nom'e-lus), a. afwijkenq, onregelmatig. —y. s. afwijking; onregelmatigheid. Anon, (e-non'), ad. aanstonds. ever and —, gestadig. Anonymous (e-non'i-mud), a. naainloos. —/y. ad. zonder naam. Another (en-uth'ur), pr. een ander; nog een. one —, elkancler. Anointed (en'see-tid), a. gebengaeld.

Switzerland (switeur-lend),g. Zwitserland. Sybar le (sib'e-rie), g. Sybarle. —its (-rajt), 1. Sybariet. Sydenham (sid'n-hens), g. & m. Sydenham. Sydney (sid'illh), g. Sydney. IgiY I. an toa'veni, —aims (.vee'nue), m. Silvanua. —ia (-vi-e), w. Silvia. Syracuse (sir'e•kjoss), g. Syracuse. Syria (siel-e) g. Syria —c (•1.-ek), 1. Syrisch. —n, a. Syriaeh; I. Syrier.
loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
PAR.—PAS. 213 fine —, ik Len er mnoi aan toe. —book, klanParterre (paar-teer'), a. bloemperk; parterre. tenboek. —key, hoofdsleutel, looper. —parole, Partial (paar'ejel), a. —1y, ad. gedeeltelijk; een—word, wachtwoord. —rose. anemoon. zijdig, partijdig (to). to be — to, voorliefde heb• ben voor. —ity (-sji-el'it-tih), s. eenzijdigheid, Pass (peas), v. a. gaan (door, over); doorbrengen; doorlatIn; overzenden, te "uoven komen; overpartt digheid. treffen; boeken. — to account, in rekening bren Parti batty (paar-ti-bil'it-tih), a. deel-, echeidgen. — a ball, ten' bal maken. — a bill, cent baarheid. —ble (paart'ibl), a. deelbaar, Beheldbill aannemen. — a business, eene zaak uitmabear. ken. — a draft upon, een' wince! afgeven op. Participa ft (per-tiel-pent), a. deelnemend; — a jeer upon, bespotten. — a muster, gemon• deeihebben.i; a. deelnemer, deelhebber, aterd warden. — a sentence (judgment) on, vonv. a. & n. deelachtig zijn. deel hebben, deelnenis vellen over. — a Revere test, een etreng ondermen !in. of). —lion (-pee'sjun), a. deelneming, zoek cloorstaan. — a trick upon, eene poets apelen. deelachtigheid, verdeeling. —tor (-pee-tur), s, — one's verdict, sijn gevoelen zeggen. — one's Lie Participant. word, zijn wooed geven, instaan (for). (away) Partici plat (paar-ti-sip'i-e1), a. —piably, ad. doorbrengen. (by) over 't hoofd gen; overelaan. deelwoordelijk. —pie (paar'ti-sipl), s. deelwoord. (over) overleveren; ovarzetten; overelaan, over Particle (paar'tikl), a. deeltje; greintje; onver't hoofd (door de vingers) den; voorbijgaan. —, anderlijk rededeel. Particuiar (per-tikloc-ler), a. bijzonder; nauwv. n. gaan, voorbij-, overgaan; verloopen; er het oog loo. to make — in made door kunnen; pleats grijgen; ultiallen; keurig; zonderling. a. bijzonderheid; btzender perpaesen. to come to —, voorvallen, gebeuren. to — pend maken. into law, tot wet worden. (away) overgaan. (by) soon. in —, in 't bijzonder. —ity (-ler'it-tih), a. Mizouderhaid; nauwkeurigheid; zonderlingheid. voorbijgaan. (for) doorgaan voor. on voortgaan; vervolgen. (over) voorbij-, overgaan, overepringen. —are (-ajz), v. a. in al de Vzonderheden verbalen of opgeven; v. n. in bijzonderheden treden. Passa ble (paas'sibl), A. —bly, ad. begaanbaar, toegankelijk ; gangbaar • tamelijk , dragelijk, —1y, ad. in 't bijzonder, voornamelijk. Parting (paart'ieng), a. verdeeling; scheiding; —bleness, a. dragelijkheid. het driftig worden. —, a. afscheids-; ten einde Passado (pes-see'do), s. uitval, atoot. loopend. —breath, laato'e ademtocht. —cup, af- Passage (pes'sidzj), a. doorgang, goat; doorrein; veergeld: voorval; pleats (nit een boek). scheidsdronk. —kite, afscheidskus. —money, kletn bird of —, trekvogel. —boat, veerschuit. —money, geld. passagters-vracht. Partisan (paar'ti-zen), s. aanhanger; partijgan. ger; bardezaan; bevelhebber; commando-staf. Passant (pes'eent), a. gaand, etappend. Passftree (pes-se-rie'), a. hullentouw. Partite (paar'tajt), a. verdeeld. Partition (per-tierun), s. deeling, verdeeling; Passenger peesen-dzjur), a. passagier., reiziger. —hawk, zwerfvalk. —room, wachtkamer. —train, scheiding, beechot; vak; partituur. —wati,scheidspassagiers-train. muur. —, v. a. verdeelen; afechutten. Passer (paas'eur), a. voorbij ganger, reiziger, —hy,, Partitive (paar'ti-tiv), a. —1y, ad. deelend. a. voorbUganger. Part let (paart'lit), e. halskraag. —ly, ad. gePasserine (pee'se-rin), a. van de mueschen. deeltelijk. Partner (paart'nur), a. mairker, meat; deelge- Paint lie ipea'aibl), a. ltjdbaar, gevoelig. —bility (-si-bil'it-tih!, —bleness, a. lijdbaarheid, gevoe moot, vennoot; mededanser; viseching. —ship, a. maatschap; vennootschap; maatschappij. ligheid. Partridge (partetridzj', a. petits. —call, voge- Passing (paas'sieng), a. voortreffelijk. —, ad. uitermate, neer. in —, in het vooriagaen. laaretleitje. —shell, veder-, patrtp,horen. doodklok. —note, overgangsnoot. —place, nitPartite ent (per-tjoe'ri-ent), a. barend. —lion wkikplaate. (paar-tjoe-risrun), s. baring. Party (paar'tih), 8. partii; gezelechap; deelnemer. Paasion (pearuft), a. drift, haetstocht; lijden. to (fly) into a —, zich driftig maken. —flower, fall deal hebben. deelnemen aan to be a — in (to). passiebloem. —week, lijdensweek. —ary, s. book betrokken zijn bij. — in contempt, in gebreke der martelaren. —ate, a. —ately, ad. (-et-), blijvende parti,j. —colored, bout. —jury, gemengde hartstochtelijk; opvliegend. —less. a. ozgevoelig, jury. —man, parttiman. —rape, partawoede. be acrd, kalm. —spirit, partijgeest. —wall, tueschenmuur. Peony a (peesiv), a. —ely, ad. lijdelijk, lijdend. Parvis (paaevis), a. voorhof, kerkportaal. —cam, —ity a. lijdelijkheid; geduld; Pas (pa), a. pas, schrede; voorrang. 11jdende toestand. Paschal, (pee'kel), a. paasch-, van het paunchPassover (paas'o-vur), s. paaschfeest;paasohlam. feest. — lamb, paaachlam. Past (peep, a. hoofd; slag, etoot. —, v. a. stoo- Passport (paas'poort), s. pas, paspoort. Past (pewit"), a. verleden; geleden; voorbij. a. ten, kneuzen. (bet) veeleden. prp. over, buiZen, meet dan. Pasha. Pashaw (pe-sjao'), a. Lie Pacha. Pasque-flower (peak'fianw-ur), a. paaschbloem, a quarter — seven, iwart over seven. — a child, geen kiati meer. — cure, — recovery, onkerstelanemoon. bear. — dispute, on•etwistbear. — doubt. zonder Pasquinade (peeki-neect, a. schotschrift, pastwijfe. — hope, hopeloos. — marrying, te cud v. a. hekelen, doorhalen. kwil. om te huwen. — shame, sehaamteloos. Pass (peas'), a. pan, engte, toegang, doorgang; pas, paspoort; etoot; etaat, toestand. 1 am at a Paste (peest'), a. deeg, pap, beelag; valsche edel-
OLE.—OPI. 202 Oleaginous (3-1i-ed'zji-nun), a. olieachtig. —nese, niemand. —'a self, zich, zich zelven. — another, elkander. the little —a (wunz), de klelnen. —berry, a. olleachtighead. wolfsbes. —blade. eenblad. —eyed, eenoogig. Oleander (o-li-en'dur), s. oleander. —handed, eenhandig. —sided, eenzijdig. Oleaster (o-li•es'tur), wilde olijthoom. Onelrocritle (un-aj-ro-krink), s. droomuitlegolehant (o-lef'i-ent), a. olievormend. ger. —. —al, a. droomuitleggend. —a, pl. droomOleometer (o-ii-om'i-tar), s. oliemeter. uitlegkunde. Oleic (o'li-ik), a. — acid, oliezuur. Oneness (wun'ness), s. eenheld. Oleraceous (o-le-ree'sjus), a. groenteachtig. °Met (ol-fekt'), v. a. raiken. —ory, a. van den Oner ary (on'ur-e-rih), a. lastdragend; last-. reuk; reuk-; —nerves, reukzenuwen. —ate (-net), v. a. beladen; bezwaren. —ation 0 I 'Walnut. (o-lib'e•nam), s, arabische wierook. (-ee'sjun),s. belading; bezwaring. —088,5. zwaar. 0111 (ol'id), —008, a. stinkend. drukkend, lastig. Oligarch at (ol'i-gaaar-kel), —ical (-gaar'kikl), a. Onion (un'jun), s. ui, ajuin. oligatchisch. —y. a. oliegarchie, regeering van Only (oon'lih), a. eenig, enkel„ —, ad. alleen Ononaatopoea (on-o-met-o-pPe), s. klanknaweinigen. bootsing. Olio (o'lio), s. hutspot; mengelmoee. 011tory (ol'i-tur rih), s. moestuin. —, a. van Onset (on'eet), e. amoral; begin. Onslaught (on'slaot), s. aanval. een' moestuin. —sect, tuinzaad. Oliv eiceous (ol-i,ce'ejus), —aster 1-ves'tnr), a Ontolog let (un-tol'ud-zjist), s. bovennatuurkundige. —y, s. bovennatuurkunde. olij ftleurig. Olive (ol'iv), s. ()IV; olijfboom. —color, °HP, Onward (on'wurd), a. voorwaartsch; gevorderd; kleur. —grove olijfboschje. —husks, pl. olijven- vermeerderd. —, —a (-wurdz), ad. voorwaarts, vooruit. droesem; vetklieren. —oil, olijr-. boomolie. —season, 010 venoogst. —tree, olijfboom. —worm, Onyx (o'flikcs) s. onyx. —fish, onyx-visch. —shell, ' blauwe porseleinschelp. oltifworm. —yard, olijvengaard. Olyrapl ad (o - lim'pi - ed), s. olympiade. —an 0oz e (set'), s. molder, OA; runwater; zijpeling. —e, v. u. doorzijpelen. —iness, s. slijke( en), —c, olympisch. righeid, drabbigheid. y, a. slijkerig, drabblg, Omber (oom'hur), 8, ombre (zeker kaartspel). modderig. Onabrometer ( om-brom'i-tur), s. regenmeter. Opac ate (o-pee'keet), v. a. verduieteren. —ity Omega (o-mt'ge,, a. Omega; einde. (-peelt-t111), s. donkerbeid. —orts, a ondoorOmelet lorn'lit), s. eierkoek, -strait. schijnend, duister. Omen (o'men), a. voorteeken. Opake (o-peek'), a. Zie Opaque. Ortui•ntum lo-men'tum) a. darinnet. Ominous (om'i-nun), a. —ly, ad. voorspellend, Opal (o'pel), 0. opaal. voorspellende Opaque (o-peek') a. ondoorscbijnend, dottier. o,heilspellend. —ness, s.(kwaad-) —nese, s. ondoorschijnend, duisterheid. eigenachap Oiniss1 his (o-mis'aibl), a. sit (wet) te laten. Ope (oop), v. a. & 'n. op'nen. —on (-misrun), a. notating, verzuim. —ve (s-iv). Open (o'pn), a. open; blast; openbear; duidelbk; rondborstig; zacht. — air, opene lucht. —eyed, a. uitlatend; nalatend. waakzaam. —handed, mild. —hearted, openhartig. Omit (o-mit'), v. a. weg-, nalaten, verzuimen. Omni bus (om'nt-bas), s. omnibus.—farious(-fee , - —heartednesa, s. openhartigheid. —mouthed, met ri-us), a. allerlei. —ferous (-nitur-us). a. alien open mond; echreeuwend; gulzig. —, v. a. opeyoortbrengend. —fir (-nit'ik), a. alscheppend. nen; ontsluiten; openbaren; v. n. opengaan; ontluiken. —ing, a. opening; begin. —/y, ad. openlijk. - form (-form), a. van alle gedaanten. —.venous —seas, a. openheid; openhartigheid;duldelijkheid. -nid'Lje-nun), a. allerlei. —parity (-peeit-tih), s. algemeene gelijkheid, —percipient (.pu,siplent), Opera (op'e re), a. opera, zangspel. —basket, voeta. all. waarnemend. —potence (-nip's-tuns), s. zak. —glass, tooneelkljker. —house, sehouwburg. —ble (-ribl), a. doenlijk, —nt (-ent), a. werkend. almacht. --potent ( -nip's-tent), a. almachtlg, al- —te (-reet), v. a. te weeg brengen, bewerken; vermogend; a. (de) Almachtige.—presence(-prez'- ens), s. alomtegenwoordigheid. —present (-pre. , v. n. werken; eene operatie doen, (on, upon). ent), a. alomtegenwoordig. —science (-nispi-ens), —Non (-ree(tsjun),s. werking; onderneming; kunst e. aliretendheid. —acient (-nispi-ent),a.alwetend- bewerking. —tire, a. werkend; s. werkman. —tor (-ree-tur), s. bewerker; heelmeester. heid. —voroug (-niv'o-run), a. alles etend. Opercul ate (o-pur'kjoe-let), a. van een deksel Ousoplate (om'o-pleet), s. schouderblad. Omphril ocele (onete-10•siel), s. navelbreuk. voorzten. —urn (-lam), e. deksel. Operose (op-e-roosi, a. moeielijk, bewerkelijk. —optic (-lop'tik), s. lion, linsglas. —neg.?, s. rnoelelijkheid. On (en), ad. snort; verder. — prp. op; aan; te; in; h t( ; tegen. —and so —, en zoo voorts. —high, 0 phicleide (of'i-klajd), s. ophicleie. toil 01 , Ophl Man (o•fid'i-en), s. slang. —ology omhoog. —, int. voort 1 vooruit 1 verder 1 ud-zjih), s. slangenkunde. Olinger (on'e-dzjur), a. woudezel. Ophite (o'fajt), a. slangensteen. Onanism (o'nen-izm), s. zelfbevlekking. Once (wuns), ad. eons, eenmaal. at —, te ge- Ophthalmia is (op-thel'mik), a. voor de sages; lijt; dadelijk. all at —, plotseling. — more, oog-; — infirmary, hospitaal voor ooglijders. —ic, a. oogmiddel. —y (op'thel-mih), a. oogontsteking. nag sans. One (wan). R. een. —, pr. men; iemand. all —, Opiate (o'pi-et), a. & s. bedwelmend, slaapwekonverechillig. some —, any —, ieinand. no —, kend (nniddel).
to give notice of; to advertise. —er,rn. —star, v. Berrie, v. barrow, hand-barrow. Here., m. burst, crack, chap, fissure. —en, on. informer, informant. w to burst, to crack, to chap, to chink, to split; Berleken, ov. w. to smell at. lachen, to split one's sides with laughBerijd boar, by. manageable; practicable. —en, rich to ov. w. to manage, to ride; to pass, to make use ter; darn —, to burst. of. —er, m rider, horseman; riding-master. Berucht, ha. famous, noted, notorious. —held, v. famousness, notoriousness. —ster, v. rider. Harikari en, or. w. to rhyme, to versify, to pat Berulken, ov. w. to emelt at. into verse. --er, m. rhymer, versifier. —ing, v. Bernet en, on w. to be committed to the care (of), to be deposited (with); to leave (off); (op) versifying; rhymed version. to rent, (to depend, to rely, to be incumbent) Berle, m. & o. beryl. upon; (in) to acquieece in (to), to submit to. Benin, v. she-beer. —ing, v. care ; acquiescence, submiselon. Beritagen. on. ev, to ring. iinrisee efljk, by. & bw. blamable (.bly), cen- Bps, v. berry; crone, granny. —seboom, curranttree- Voor de verdere samenstellingen aid Antisurable, —elijkheid, v. blamable... —en, ov. bes. to blame, to eeneure, to reprove, to rebuke, —er, rn. blamer, ceesurer, censor, reprover. Beschnsaftt by. & bw. polite 1-ly), civilized, civilly, well-bred. —Acid, v. politeness. —ing, v. censure, reproof, rebuke. Berk, m. birch, —eboom, birch-tree. —emeier, Heseltantud, by. ashamed (of), abashed (at), large drinking-glass. —enfold, birch-wood. —en- shame-faced, —heid, v. bashfulness, abashment, shamefacedness. wim, birch-wine. Boseiradig en, or. W. to damage, to hurt, to Berkoen, m. supporter, prop. Impair. —er, m. —ster, v. Zie Berendeeler. Beritinachebleauw, o. fruseian blue. —ing, v. damaging; damage, average, Berm, m. berme. nor seem d, be. lemons, renonned, celebrated. BeSchiCitel2W en, ov. w. to shade, to overehtdow, to inurnbrate. —ing, v. shading, —dheid, v. tame, renown, celebrity. —en (rich), t. w. (op) to boast to torte) of, to pride one's Beacham en, ov. w. to shame, to abash, to self in (on), to glory in. —er, to boaster, brag. confound; to put to the blush, to outdo, —er, tn. confounder. —leg, v. confounding. —ing. v. boestine, vain-glory. o. vocation; nomination; appeal; trade, BelehanSen, ov. W. to intrench, to fortify. busineas, calling, profession. van —, by proton- Beschav en, or. w. to plane; to revise, to cor%ion. eon — darn op, to appeal to, —Eberjvheid, rect; to pollah, to civilize. —er, m. polisher, —ing, v. revision, correction, polishing; business, function. —shatve, ad. by virtue of civilisation. one 'a prolesaton. —splicht, professional duty. —bal,r, be. appointeble. —en, ov. W. to call; to Beneheld, o. intelligence, advice; record, docudoes, to pledge a. o. — within to —, ment; reply. itnnanal convoke; to appoint, to nominate; rerden, to send word. kteaad geven, to answer call; zich t. w. (op) to appeal (to Teter) to. rudely. —en, ov. w. to appoint; to allot (to). —er, m. appealer, appcalant; conyoker; appoin—ing, a. appointment. ter, nominator. —ing, v. calling; convocation; Bescheldess, by. & bw. discreet (-ly), modest vocation. (-Iy). —held, v. discretion, modesty. Berner el, by. & bw. apoplectic; pitiful (-ly), miserable (-bly). —der, m. disturber, perturbator. Beschenk en, ov. w. to fuddle; to present with, to bestow upon, —er, in. donor, present—dheid, v. apoplexy; pitifulness. —.en, or. w. to er, —ing, v. donation. touch; to trouble. to disturb„ to stir, to alarm. —ing„ v. disturbing; trouble, disturbance, com- BeeeberPn, ov. w. to shave, to shear; to idiot, to grant (to). motion. —te, v. apoplexy, palsy; trouble, stir, Beseheren sling, m. & v. client, protected, tumult, dieturbance. —en, ov. w. to screen, to shelter; to shield, to Berneat en, on. w. so rust, to gaiher rust, to protect. —eagel, guardian (tutelar) angni, —Pent, grow rusty. —ing, v. growing rusty. fierokken tsar, an —aarster, v. cause, author, tutelar genius. —god, teteler god. —godin, tutelar goddess. —beer, patron, protector. —heilige, —en. on. W. to canoe, to create, to brew, to rn, & 7. patron, patroness, tutelar saint. --vroure, hatch. —tag, v. remain. patroness, protectress. —er, m. Zia BeschernsHeron&ter, v. Zie Pereoover. flee, —log, v. protection. —ate?, v. Zie BeHeronid, be. poor, indigent, needy, wretched; schertovrouvv• empty; desperate, at a nonplus. —Mid, v. inBesehiet en, ov• w. to fire at (upon), to candigence, wretebeeness; deseerateness. nco ode; to try (ern geweer); to hit; to astute ; Ilierook era, ov. w. to smoke, to seloke-dry, to to wainscot, to overlay ; on. w. to go on, to fumigate. —ing, v. smoking, fumigation. advance ; to grow dim, — drowsy. —ing, v. Herotaw en, ov. Yr. to bereave —, to deprive tiring, cannonade; wain , coting. to kill. to rob (of), to plunder; ran het feces —er, m. depeiver, robber, depredator. —ing, v. Besehtinen, or. w. to shine upon. Besehlk, o. Zie Beatchixking. —at m. & v. privation, robbing, depredation. busy-body. —tsar, bv. disposable. —baeraeid, lieronw, a. repentance, regret, penitence. — being disposable. —ken, ov. w. to procure; to hebben, to repent (of;. —iebbend, repentant, repentmanage, to arrange; on. w. (over) to dispose of. ing. —en, ov. w. to repent, to regret, to grieve m. —rter, v, procurer; manager, arranger; I repent of it, (to repine) at fief, b , rfrumt mi.?.
Weal (wiel), a. welzijn. welvaitrt; striern, atreep. I nvre-it'h''')!Inat.erVkbdeil; welvaart. —ily. ad. Wealth o acltro —y, a. rift, vermogend. —mess (-1-neal), a, Welgesteldbeid. Wean (mien'), C. a. spenen; afwennen. —el (-id), —nag, a. geepeend kind; — dier. Weapon (wep'n), a. wapen. —ed (-and), a. gewalkend. —less, a. ongewepend, weerl000. Wear (weer), a. (bet) dragen, dracht; alk)tinX, (wier), dam, bade, waterkeering; elljtaadje. vischfaik. — and tear, het verelijten; rampen an wederwaardighoden. Wear (weer') [wore, worn, (woorn)]. v. a. dragen, aanhebben; afdragen, afalljten; verteren; efenattan; gewennen. (away) veislijten. (of. out) atellkjten, afdragan. (out) uttputten: ten elide brengen. —, v. n. zleh houden (In het dragen ► , duren. (away. off) verslijten; vervallen (on) verstrijken. (out) afelijten; &firemen. —aide, a_ dranbehr. —er, as. drager; verelijter. —ing, s. bet dragen! —app, b(w leteedArde17 .11. vermoeid. —!new(.1-11e.S), reraineldhatd; verveling. —isms, a. —isomely, ad. (-1-sum.), vermosiend; lastig ; vervelend. —isomeness (-i.aurn-)„ a. lautlglield; verveling. --y, ave. rvpasol-la. (of) ; (of) nat. —y, v. a. venmoelan; Wectaand (wle'ind), a. luehtpkip. Wencel (wi'zl). a. wezel. —fared, sthrad van aslaat. —gutted, mager. Weathe., (wetteur), a. wader. stress of swain. wear. —beaten, door etormen getetaterd ; errweerd; bevaren. —bit, slag van het alikertonw om den boy van het braadapil. —board, loefzii de; waterbord. —bound, door het wader opgehouden. —braces, pl. loefbrassen. —rock, wearitaau. - coal, v. a. onder het bij!eggen over ern' anderen boeg wenden. —driven, door den storm gedresen. —gage, wterwilzer ; loot —pieces , wearglee. —headed, ongeatadig, wirpelturtg. —leech, lostlijk, —line. windsteek. —moot, dtcht wader den wind liggend. —proof, legen het wader beatand. —quarter, windviering op de loafzijde. —sail, geteerd reit, presenning. —sheet, loefachoot. —shore, loef-, opperwal. —shrouds, pl. loetw ant . —side, loefzij de. —spy, wetrprofeet. —tack, loefhalo webrkundig. Weather (weth'ur), v. a. eau de lucht bloat stellen. luchtee; te loevert (te borer ► ) zetlen; met moeite omzetlen; uttetaan, detonation, te boven komen (out). —1y, a. te )never; eh1P, eehip, dot gord hij den wind zellt.
—gevaar, desger of war ; —gevangene, prisoner Krippeiltle„ o. little, bit, crumb. of war ; —geweld, force of acme ; —god, god of Krippen, tiv. crepe, war, Mars ; —godin, goddess of war, liellona ; K nts,a.creene. —handet, militaryy art, profession of arms; —heir, Kristina, en. w. to crackle. army, hoot. —h eld, hero, warrior; —heldin, Kriolal, o. cryetat. in — schieten, to crystallize. heroine ; —koofd, —overate, general, military —forming, crystallization. —len, —lig, by cryotal, chief, —leans, chance of war ; —has, military crystalline. o. crystal. — Warn., by, crystal, cheat; —knecht, soldier; —hasten, expenses of crystalline. war; —kunde, military science, tactics; —kundig, Kratlek, be. critical, hazardous. military; —kunst, military art. otrategy; —fasten, 14.roeht, v. crypt; hillock, hill. charges of war, contribution ; —lied, —rang, Krodde, v. weed among oat,, cockle. Watery (wariike) song; —/ieden, soldiere, war- Kroeg, v. tavern, public honer, epuneiog-horise. —hauder, --wooed, ele•houee-keeper, publican. riors; —list, stratagem ; —markt, army, forces ; —looper, —taieg, frequenter of taverns. —en, on. —makker, feliuwesoidier, companion in woe; w. to frequent taverns; to have a treat. -man, soldier, warrior; —munseer, military honor; —mansatand, soldiership, (soldiery ; military Kroep, v. croup. state. —osusieh, military music: —oefening, mili- Krone, m. cup, pot; crucible. tary exorcise; —orde, —nicht, military diecipline; Ks - oes, by. crisp, frizzled, ►raped, woolly ; peevlsh, ill-humored. —hop, woolly-haired heed, — —ordening, military institutions, — law, — rules; person. —plicht, military duty; —plichtig, hourri to nerve, subject to trint'ary service ; —pltchlige, Hemmen, by. w. to crisp, to frizzle, to curl. conscript; —plichtigheid, obligation to military Krok, v. vetch. service; —read, council of wit•, court-martial , Krokodll, in. crocodile. —lentraven, crocodile 's ,:ears, feigned tears. —reek, —wet, martial law; —rocm, military fame, — glory ; —tccht, military expedition ; Krokum, rn. —toerusting, warlike preparation ; —loosed, seat Fivole ce cot, hovel, hut. (theatre) of war; —verrichting, military operation; Kraal inn, on. w. to caterwaul. --ziek, ale Kroger!, achievement, —voile, soldier soldiery; military; bv. with small roams (partitions). —teem, military concerns, — system ; —sword, watch-word ; military term ; —seek, matter of Kroloch, by. ruttish, proud, in heat, lustful. —hem, v. rut, ruttishness, lustfulness w ar. —en, on. w. to war, to make war. Kr (jenn, °v, w. to get, to receive, to obtain ; Krone, by. bent, curved, crooked, wry. —been, crook-shanks. --beenig, bendy-;egged. —boclatig, to reach, to catch. het to kwaad —, to be 'worsted. ein sons, tortroue anfractueue. —gerineerd, with Krijiger, m. warrior. crooked fingers, light-lingered. —hats, w) y-necked Kreigereje, o. - apelen,to play at prison-bars. pereos; retort. --loam, —toren. comet, bugleKreigelbinfellg, be. & bw. warlike, martial (-1y), horn.. —pout, compass. timber, knee; camber. courageous t-ly), valiant (-1y). —heid, a. warlie ahouwer, ecirnitsr; falchion. —/ianig, curvilinear. nese, courage, prowess. —ernes, garden-knife. —neus, person with a crookKrildisets, in. shriek, ',cream, —en, on. w. to shriek, ed nose. —neazig, crook -nwed, —rug., crook-beck; to scream. o. chalk ; crayon ; circus. in het — staan, crook-barked person. —steam, a coin ; --abler, small boar. —etaf,, crook ; crueler. —ateven, to owe. —aurde, cretarteous earth. —berg, chalkcrooked prow. —Mal, gibberish, broken language, hill. —gebergte, cretaceous rocks, —teeltening, —telex. to gibberish. —tang, stammerer. crayon-drawing. --achtig, by, cha I try, cretaceous. to stammer, to speak thick. — tonyig, otarnmerKrigt en, or. & on. w. to cry, to weep. —er, in. log. —roet, club-footed person. —weg, tortuous crier, weeper. —ertje, o. kit. road. achtig, by. somewhat crooked. —heid, v. Krik, tow. crack! crookedness. —men, ov, w. to bow, to bend, to Krikkerntk, v. crab. curse, to crook; rich t. w. to bend, to wind; KrIkkrakken, on w. to crackle. to writhe; to cringe. —veer, m. knee. -.fining, a, Krinip, v. want, scarcity, penury. by. fresh, bending, incervation; sic Krorote. —te, v. live. —en, ov w. to shrink, to make shrink; on. crook, dness, cut vity, sinuosity. beat; horn, w. to shrink, to lessen; to fall (ran den wind) meander. —hose, chilly person. —aeheteieek, fresh whiting. —Hach, fresh fish. —satin, fresh salmon. —erd, m. Kronen, ov. w. to crown. chilly person, shrinker. by. chilly. —ing, Kr.nwngond, o. gold of eighteen citrate. eehr(iver, chronicler, v. shrinking, contraction, gripes. —ster, v. chilly ii.vonlek, v. ch,onlcle. annelist. woman. coronation-dey. Kring, rn. circle, ring; halo; cycle, orb. sphere. Kronleg, Q. coronation. —s; east, coronation-feast. —aplachtigheid, coro—en ender de cogen, wrinkles under the eyes, TIR11011. Crow 's-feet. —normeg, circular. ---treijze, by. & Krankel, rn, rumple, wrinkle; coil; twisting (of bw. circular (-ly), orbicular ( toe guts). --acetig, bv• rumpled wrinkled. —en, Krinkel, tn. curve, eur,ature, bend, wrinkle, ov. & on. w. to rumple, to wrinkle; sick —, t. sinuosity. —en, on. w. tei wind, to curl, to w. to wrinkle, to wind, to bend, to turn, to wrinkle. —kg, a. winding, curling. wrinkling. g ',Leander, —board. rumpled cord --pad, windin KrIoellen, on w. to swarm, to be full of. path, inane. —ig, by. rumpled. wrinkled, elnuous, o. crape.
nab ne1.0,, v. a & a. , knabbeleo, I ijten, ephap- Knit, (nit'), s. breisel, —buck, chaleoer., w aalworpen. tel. —work, breiwerk. Knack (nek'), s. speelgoed; slag, kunatje, handig- Knit (nit') [knit'], v. A. & n. breten, knee pen; held. —, v. n. knappen, kraken; gemaakt spreken. (zich) vereenigen, verbinden; fronsen. —ter, s, breier; breister. —ling-needle, breinaald. —tiny. —er, a. speelgoedmaker; paardenvilder. Knar; (neg'), s. kwast (in hoot); pin, plug. —gay sheath, breischede. (-gib) a. kwastig, knoestig; eemelijk. Knittle (nit't1). s. beurikoordje, trekband; siorKnap(nep'), a. knobbel;verhrenheid;top. —bottle, lijn, seizing, knuttel. ' klaproos. —sack, knapzak. —weed, Wilde amber- Knob (nob'), I. knoest; knobbel; knop; kwast. —bed (nobd), —by, a. knoestig;knobbelig.-6iness, bloom. --, v. a. afbijten, kraken, doen afknappen; a. knobbeligheid, knoestigheid. v. n. knappen. Jbnapple (nep'pl), v. n afknappen. Knock (nor), a. slag, tik, geklop. g. a &. n. slum, kloppen. (at) aankloppen. (down) nedervel(naarl'd), Knar (near'), —F,s. knoest, kwast. len; toeslaan (bij veilingen). (its) insiaan. (off) af—0, a. knoestig, kwastig. Knav a (pees'), s. schurk, schelm; hoer; kuaap. slava; afbreken; afdoen. (under) zich onderwer—ish , a. --ishly,ad. s. schurkerij; guiterij. pen. (up) opkloppen; afmatten. —er, s. kloppee. —ery, schurkachtig, guitachtig. —ishnees, i. schurkaching, s. (bet! kloppeo,geklop. tigheid, guitaehtigheid. Knoll (nool'), a. heuveltje; kritin, top. —, v. a. & n. luiden ((do doodsklok)• Knead Ivied'), v. a. kneden. —er, 3. kneder. Knot (not'), a. knoop, strik; hoop; oogje; knoest, trough, bektrog. Knee (nie'),..knickromhout, elleboog. —crooking, kwast; bundel; verbond, troep, gezelschap; trekonderdanig. —deep, tot vn de knieeu. —grace, letter. running—, echuifknoop. —berry, beauty, knoopgras. —pan, kniesehtlf. —string, koueeb and. bee. —grass, varkene-, knoopgrao. —, v. a. knoo—timber, kniehout. —tribute, kniebuiging. v. pen, strikken, verwarren; v. n, knoupen; uitbot ten. —less, a. zonder knoopen of knoesten; zonder a. hnielend snaeeken. —d, a. met knieen of g, e• bezwanr. —ted, a. met knoopen; knoestig. —tines dingen. 1-ti-ness), a. knoestigheid; moeielijkheid. —ty, ad. Kneel (niel') [knelt'], v. n. knielen. --er, a. holeknoestig, kwastig; moeielijk. ler. Knell (nell), s. doodsklok, Knout (naut), a. antoet; knoetstraf. Know (no') [knew (Woe). known (noon)] , v. a. & n. KnIck-knack (nik'nek), a. snuisterij, vodderij. Knife (najr), s. men. —grinder, messenslijper. weten; kennen; erkennen; bekennen. —able, a. kenbaar. —er, s. kenn, r. —ing, a. kundig, erva—rest, --tray, messenbakje. ren; loos. —ingly, ad. met kennis, voorbedachteKnight (unit), s. ridder; ezelshonfd; pavrd (in 't schaakspel; parlementslid. — of the blade, snoe- lijk. ver. — of the post, valsche getuige. — of the road, Knowledge (nol'idzj), i. kerinis,kunde, ervarenstraatroover. —errant, dolende ridder. —errantry, held. to my —, bij mijn weten. dolende ridderschap. —heads, apostels, boegetuk- Knuckle (null'ki), a. knokkel; scharnier; schenken, —marshal, hofmaarschalk. —templar, tern- kel. v. n. bulgen; !deli onderwerpen. peiridder, tempelier. —, v. a. tot Adder Knur (our'), —/, a. knoest, kwast. —led (nurl'd), —ry, a. knoestig, kwastig. —hood,s. ridderschap. —ly, a. ridderlijk.
MAI, —MAN. ad. boos-, k waadaardtg, valseh. —er a. valschaard, benij der. Malkin (maPkin), a. ovendweil; vogelverschrikker; moroebel. Mall (maol), a. houten homer; kolfstok. v. a. inslaan, inheien. Mall (mel), a. kolfsp11; maliebaan. Mallard (rnel'Itird), a. waard (mannetje der wilde eend). Mallen blc a.arneed-„rehbaar.—belity a. smeed-, rekbaarheid. (•bil'it-tih), —te (-eet), v a. timed en, haneren. —lion (-ee'sjura), a. soneding, hamering. Mallet (mel'lit), a. houten homer. Mallow Imel'io), e. maluw, kaasjeskruid. (maam'zih), e. melvezij• Malt (maolt'), a, mout. —drink, bier. —dust, moutstof. —floor, ruouterij, mouteest. —horse, In onwerspaard; sul, domoor. —house. mouterij. —kiln, mouttest. —man, mouter. moutmol en. --worm, drinkebroer. —, v. a. nout en; v, n. moist wooden. —ster (-stur), tr. mouter. Maltreat (mel-trial'), v. a. mishandelen. —meat, a. mishandeling. Malviscemin (mel-vee'sjns), a. maluwachtig. Maiversation (rnel-vu,see'sjun), s. kwade praktijk, amhtsontrouw. Mameluke (mem'e-ljoek), s. Mammeluk. 8. mama, moeder. Mamma (tnem Mamas al (mem'mell i s.zoogdier.--olia (-mee'li-e), pl. zoogdieren. —alian (-mee'li-en), a. van he zoogdieren. —art, a. van de borsten. —et (-mit), a. pop, speel pop. --ifer (-mi-fur), s. zoogdier. —Worm, a. tepelvorrnig. --Wary a. van de horst. of tepds, tepelvormig. Mammon (mem'mun), mammon, rijktlom. Man (men'), s. mensch; man; knecht; boer; damschijf, plon. — at arms, gewapende. — of war, oorlogschip• no —, niemand. —eater, menscheneter. —hater, menschenhater. klimgat, schoonma,kgat. —killer, —queller, doodslager. —midwife, ^roedmeester. —pleaser, vleier. --rope, valreep. —servant, knecht. —slaughter, manslag. —slayer, doodalager. —stealer, menschendief. v. a. bemannen, uitrusten; vereterken. Manacle (men'ikI), v. a. bogies. —s (-iklz), pl. handboeien. Manage (nen'idij), a. beheer, beatier, rijkunst; rijschool. —, v, a. beheeren, besturen; behandelen; inrichten, ontzien; africhten; v. n. het beheer voeren, het opzicht hebben. —able, a. handelbaar. —ableness, a. handelbaarheid. —meat, s. beheer. beatuur, upzicht, behandeling, overleg, verschooning. —r, 8. bestuurder. Monchet (ments • 'it), a. klein wittebrood. Manchlueel (mentsj-in-niel'),s. mancinel- boom. M : ipa to Imen'si-peet), v. a. tut sloe! naaken. rian (-pee'sjun), s. slay eruij. rA at uckple (men'sipl), a. sOjsverzorger. Mandamus (men-dee'inus), a. bevelachrift. Mandarin (men- de-rien'), s.Mandarijn. s. lasthebber; Mandat airy (nten'de-te-filt), mandataris. —e (-det), a. bevel, mandaat. —cap, a. voorset rijv end, lastg, vend. Nlandib le (men'dibll, a. kinnebak. --• slur (-dib"joe-ler), a. van het kakebeen.
Dan nen, ov. w. to thin, to dilute, to weaken, —diesel, forced service. —gesag, despotism. —mid. to attenuate; to rarefy; on. w. to grow thin. del, Means of constraint. —nagel, rivety Saw. —netjes, bw. thinly, rather thin. —nigiieid, v. Zie Dweirrel, tn. whirling, —en, on. w. to whirl. Du sulaaid. o. thinuings of lettuce, lettuce- —stroom, whirlpool. —rabid, 'whirlwind. —iag,Jr. sproat.e —ink, hot-bed for lettuce. —te, v. Lie whirling.

bloon Blown, p. p. boor Bare, I. born Born,p. p. bourn Borne, p. p. haat Bought, I. & p. p. baaund Bound. I. & p. p. bred Bred,t. & p. p. brook ii3oke, I. bro'kn Broken, p. p. bract Brought, i. & p. p. Wit Built., i. & p. p. burnt Burnt, t. & P. p. burst Burnt, i. & p. p. burst'n Burst,n, p. p. been Came, I. kasst Cent, i. & p. p. kaot Casugbt, I. & p. p. tsjid Chid, I. & p. p. tsitd5dri Chidden, p. p. tRjoot Chose, t. tsjo'zn Chose's*. p. p. kled Clad, i. &p. p. klert p. p. Cia.it, i. & kloom Clomb, i. & p. p. kloov Ciove,„I. klo'in Cio vela, p. p. kiunt Clung, t. & p. p. kum Come, p. p. boot Coat, i. & p. P. toed Could, i. ke pt Crept, i. & p. p. kroe Crew, i. kat Cut. i. F p. n2. (1,1 t Dealt, i. & p. p. did Did, I. (Opt Dint, t. At p. p. dun Mine., p. p. drengl: Drank. i. draon Drawn, p. p. dremt Dreamt. I.& p.p. drool Drew, i. driv'n Driven, p. p. droov Drove, J. drungk Drunk, P. P• dug Dug, I. & P. I, dung 00.11 ,1 . & lc... P. di,: vet Durst,i. dwelt Dvvelt,11. & p. p . let, et Eat, i. tern Eaten, p. p. fa.11'n Fallen. p. p. fed Fed. I. & p. p. fell Fell, t. felt Felt, i.8c p. p. fld Fled, i. & p. p. floe Flew, i. floor' 71ovvn, p. p. flung Flung, I. & p. p. Forbade, I. for-bed' for-'sid' Forbid, I. F p. p. for-bid'dn Forbidden, p. p. for-boor' Forbore, I. tor-boorn' Forborne, p. p.
atoffelijk. —punishment, liiistraf. —,s. korporaal; Cordelier (kor-de tier), s minilerbroede, Cordial (kor'di. el), a. harisierkund, tiartelijk. i iniadoek. —ity (kor-po-rel%), s. lichamelijklield; e.' stoffelijkheid. —, hartsterkend raiddet. —ity (-6'11 hartelbkheid. —ly, ad. on harte. --ness, B. bar- Corpora te (kor'po-ret), a. —tety, ad. ingelijrd. —teness, a. saamverbondenheid. —tion (-ree'ajun), telijkbeid. a. genootachap; gild; gemeenteraad. Cordon (kor'don), a. munrweik, cordon. Corpore al (kor-po'ri-el), a. —ally, ad. lichameCordovan (kor'do-ven), a. Zie Cordwain. liehamelijklijk, stoifelipc. —ity —road, Corduroy (kor'djoe-roj), a. bombazijn. § held, stoffelijkheid. weg van blokjes hoot. Cordwaln (kord'ween), a. spaansch leder. —er, Corposant (kor'po-zent), a. St. Elmusvuur. Corps (koor), a. bende; korps. a. lederbereider; schoenrnaker. Core (koor), R. binnenste, kern; blokhuts; etter. Corpse (korps), a. lijk; romp. Conscious (ko-ri-ee'sjus), a. lederachtig; taai. Corpulen ce (kor'pjoe lens), —cy, s. zwaarlkjvigheid. --C, a. zwaarlijvig. Coriander (ko-ri-en'dur), s. koriander. Corinthian (ko-rtn'thi-en), a. korinthisch. —or- Corpus cie (kor'pua-s1), a. lichaampje; stofa. losbandig deeltje.—etaar(kor-puti'kjoe - ler), —cutortan(-kjoeder, korinthische bouworde. lee'ri-en). a. stofdeeltjes betreffend. menseh. Cork (korle), a. kurkboom; kurk; § kalkoen (aan CorradiatIon(kor-ree-dt-ee'sjun),s. vereeniging eon haeflzer). —, v. a. dichtkurkent § van kal- van atralen in 66n punt. koenen voorzien, scherp zetten. —ing-pin, ha- Correct (kur-rekt'), a. —ly, ad. nauwkeurig, kerspeld; paknaald. —screw, kurketrekker. —tree, joist. —, v. a. verbeteren; kastijdpn. —ion (-rek' t,jun), a. verbetering ; berisping; kastijding. kurkboom. —y, a. kurkachtig; kurken. —tone, a. verbeterend. --ice, a. verbeterengi; s. Cormorant (kor'mo-rent), a. zeeraaf; vraat. Corn (korn'), a. koren, groan; korrel; likdoorn; verbeteringsmiddel. —ness, a. juistheid, nauwmats. —, v. a. korrelen; pekelen. —beef, pekel- keurigheid. —or, a. verbeteraar; tuchtiger; corvleesch. akkerwinde. —bottle, koreribloem. rector. —chandler, korenkooper. 4 —cracker, scheld»aarn Correia te (kor-re-feet'), v. n. eene wederkeerige your Kentuckter. —cutter, likdoornsnUder.§ —dad- betrekking hebben. —tion elee'sjuni, 8. wederger, soort van koek. —factor, korenmakelaar. zijdsehe betrekking. —field, korenakker. —flag, zwaardlelie. —floor, Correintive (kur-rere-tic), a. —ly, Rd. wederdorschvloer. —flower, korenbloorn. § —juice, bran- 10.4 betrekkelijk. —ness, s. wederkeerige bedcwijn. —loft, korenzolder. —merchant. koren- trekking. kooper. korenmolen. —poppy, klaproos. Correapon d (kor-re-spond'), v, on. briefwisite-rocket, berth. —salad, veidsaiade. —trade, graan- sing voeren; overeenkomen met, beantwoorden ran, (to. with). —deuce, —dency, s. briefwtsseling; handel. korenwaRg- overeenstemming. —dent, a. —dimity, ad. overCornea (koeni-e), s. hoornvlies. eenstemmend —dent, a. correspondent. —sire., Cornel (kor'n11), a. kornoeljeboom. a. overeenkomstig. Cornelian (kor-nle'li en), a. kornalijn. Corridor (kor'ri-door), s. gang, galerij. Cornernuse (korn'mjoes), a. herdersfluit, Corrigible (kor'rid-zjibl), a- verbeterlijk, straf. Corneous (kor'ni-us), a. hoornachtig. Corner (kor'nur), a. hook. —house, hoekli uis. —tile, boar. noknan. —tooth, hoektand. —wise, overhoeks. Corrival (kor-raj'vel), a. mededinger, -minnaar. —ed, a. gehoekt. 4 — , v. a. in het nauw brengen. —ry, s. raededinging. Cornet (kor'nit), a. boron; peperhuis; vaandrig; Corrivation (kor-r-vee'sjun), s. samenvloeiing. Corrobora nt (kor-rob'o-rent), R. versterkend. hoof. —cy, s. rang van kornet. (-ree' Cornice (koenis), a. kroonlijst. —te, v. a. veraterken, bevestigen. sjun), a. bevestiging; versterking. —tire, a. verCornicie (koentkl), a. horentje. Corniculaie (kor-nik'joe-let), a. horenvormig; sterkend; bevestigend. Corro de (kor.rood'), v. a. wegknagen; invregehoornd. Corniforni (kor'ni-form), a. horenvormtg. ten. —dent, a. wegknogend; invretend; a. bkitmiddel. -dibilily (kor-ro-di-bil'-), 8. vatbaarheid Cornigerous (koe.nid'zjur.ue), a, gehorend. voor invrettng. --dible (kor-ro'dibl), a. vatbaRr Corona te (kor-njoet'), v. a. horens opzetten, tot voor invrettng —sion (. ro'sjun), s, wegvreting. horendrager maken. —to (-njoe' to), H. horengl rager. —sive, a. —nicely, ad. (-ro'etv-), wretend; kwelCorny (kor'nih), a. horenachtig; gekorreld; groan- rijk; sterk, koppig. lend. —sive, a. bijtmiddel. --saneness, a. bijtendCorolla (ko-rolle), a. kreontje (eener bloem). heid, scherpheid. Corollary (koeul-le-rih), a. gevolgtrekking; toe- Comma nt (kor'rjoe gent), a. rimpelend. —te gift. (-get), R. gerirnpeld. —te (-:feet), v. a. rimpelen. Corona (ko-ro'ne), a. kroonlijst. —I, a. kroon, —tion (-gee'sjun), a. rimpeling. v. a, krona; R. tot de kruin hehoorend. --ry (kor'o- Corrupt (kor-rupt'), a. beglorven, snood. bederven; omkoopen; v. n. bederven, no-rib), a. eene kroon betreffend. —ry-vein, R. kroonader. —ry-artery, kroonslagader. —tion (kor- bederver; omkooper. a. kroning. ness, a. vatbasrheid voor bederf, voor omkooad. aan bederf onderheCoroner (koeo-nor), 8. lijkschouwer. ping, Coronet (kor'n-net). a. kraontje; hoofdsieraad. vig; voor omkooping vatbaar. —ion ( rup'sjun), Corporal (kor'pa-rel), a. —ly, ad. liehamelijk, s. bederf; verdorvenheid; omkooping; ettering.
—spenning, earnest. —sregeering, theocracy. —sriik, kingdom of God. —vrucht, piety, fear of God. Godde lijk, be. & bw. divine (-1y). —lijkheid„ v. divinity. —loon, by. & bw- impious (-Iy), ungodly, wicked (-1y), devilish. —logeheid, v. impiety, ungodliness, wickedness. —leezen, (del, the wicked. Godetedene, o. (the) heathen deities. Godes, v. goddess. G odheld, v. godhead, deity. Godin, v. goddess. tle %dist, m. deist. —mi. „ v. deism. Gourd, o. goods, things; linen, clothes, luggage; wares, stuff; estate, possession, property. —, bv. good; kind; lit, convenient. —, bw, well, properly. —e Vrildag, good Friday. —e week, Paseion-week. nick to — &en, to pamper one's self, to hebben, to have to claim, to houden, to credit (to give credit) for. ten —e hnuden, to eacuee, to tabs in good part. — en wel, well tend good. Goedeardig, by. & tee. good-natured (-ly), benign (-Iy). —hid, v. goo nature, benignity. G.,,,edhiljeren, on. w, to keep well. Goeddadig, by. & bw. Zie Weldadig. Goeldoen. on. w. to indemnify; on. w. to do well. to please, to give pleasure. —de„ bv. & bw. beneficent (-1y). Goeddunken, on. w. to think fit, — convenient, to choose. o. pleasure, fancy, opinion, will. C cede, o.good. het — does, to do good, to do ghat is right. Gteedenoirsg, m. good-bye. —zeggen, or. w. to hid (to with) good-bye. Goederrn, o. my. tooth, —kuntoor, goods-department. —rekening, merchandise-account. —trews, baggege-train. —wages, goods-truck, frelpht-car. Gorderitieren, by. & hw. merciful ( - ly), element (-1y), gracious (ly). —heid, a. merelfolness, clemency, graeiousuess. Geetacigeeefeelh, be. benevolent, charitable. Geretteicits seer, Ail. —seer, v. well-wisher. —stip, by. & bw. favorable (-bly), kind (-1y), —sfigheid, v. favor, kindness,. Goedhorlig, by. & bw, good-natured (ly), kindhearted (-ly). —heid, v. good-nature, kind-heartedneem. Gordheid, v. goodness, kindness, favor. de — hebben, to be so kind. terwee,heiratten, oe. v. to preserve, to conserve. t. w. to behave bravely; to keep well. eic Ceteedig, be. —heid v. Zie Goedhtertig. G...dk tor airs, 01. W. to approve. —ing, v. approbation, approval. Goedkoop, be. & Lw. cheap (-1g), —held, v. cheapness. G,sedenek en. ov. w. to mike good, to make emends (to make up) for; to indemnify, to defray. —log, v. indemnification, defrayment. Goetdechiles, Lw. willingly, voluntarily. Goetbinsoedm, by. — etjn, to be of good cheer, bw. to be in good spirits. weer —, cheer up deliberately, in cold blood. Goedsprekeo, on. wo to answer (to be Security) for, to past one's word for,
meendeeing. —ing, v. rumpling:, wrinkling; twipttug; wrinkle, winding, bent, meander. Kroota., v. crown; chandelier; lustre; horns. de — spannen, to excel. near de — sicken, to compete (to vie) with. —dome; n, crown-land. --g/as, crow nglass. —/iest, cornice. —prins„ prince royal, prince hereditary. —prinses, prrncees royal —rod, crownwheel. —werk, crown-works. •—tee, o. coronet. —tjeskruid, wild parsnip. crown imperial. Kroom. o. duck-weed; g, bias. o. damson. Kroost, o. off,oring, children, progeny. Krool, v. (red) beet. lat op, m. craw, crop, gizzard; neck; sic firor)geuireel. —, v. head (of cabbage-lettuce). —ea*, dough for fettenieg, jugular vein. —been, breast-bone unbolted bread. —dunsel, lettuce. —gene, crammed goose. —gezwel,Koitre, De,byabire beck. —lap, gorget, —sa!ade, cabbageletcuce, —voget. cormorant. —steer, ctrofills, king 'e evil. Krnp pee, or. w. to cram, to fill up; to manage; on. w. to cribbage. —ar, ma. crammer; cropper. —erd, cat. cropper. --ig, ho. choking, dry. Tirol. to cot, hovel, tut; bswely-house. bawdy-house. —airy, v. strumpet. —ten, on. w. to rake. —tee, me rake. iir“stil en, on. w. to groan, to whir:inter. —ere, m. groaner, Kruk!, 0. herb, plant; simple; greens, snim —toek, herbal, —doov. eplce-box. --tuts, botanical garden. —kenner, —kundige, botanist, herbaliet, —koek, spiced elineerbreed. —kende, buthniee„ botany. —kunrlio, botanical. —naget, clove, —Linens, dove-gillyflower; clonetree; —Ow, oil of cloves. --200t, nutmeg. —worm, caterpillar. —ekaz;j4 —eratijn, spiced vinegar. —.entecer,—enzoeker, botanist. herborist. —erkaas, epiced cheese. —erwijn, spiced wine —achtig, by. lo?rbaceuee. —en, ov. w. to spice, to season, to areinatize. iliessidenter, tar. grower. —scab, grocer 'a trade. --owaren, groceries. ---,minket, grocer 'e shop. frernildeerlj, v. spice. grocery. Kruldig, be. epeey, aromatic; nice, neat. —held, v. epicineas, fregrantueas; nieenems. lIfireit.tje-erererernti-niet, au. sensitive-plant, touch-:we-not. kraals era, or. w. to carry (to transport) on a wheel-barrow; fin. w. to float, to drift, (teen ifs). ale —wage, wheel-barrow; protection. --steel, porter "ti trap, —er, m. porter; —aloe, porterege. —ing, v. floating, driftleg. Kruik, v. pitcher, jug; urn. —en, or. w. to bottle. Krult, v. jest, joke, fun. om for fun 's rake. —en, on. W. to coo. Kruttl ug, m. an ameie. Rimini, v. crumb, cram; pith, marrow. —aehtig. be . crummy. liirrellnei, v. cram. —car, m. —o.areter, v. cruetsbier; punctilious —, stingy person. —en, or. lk on. w. to crumble; to be ;tangy. --ig, by. crumbling, crummy; stingy. —sag, v. crumbling. Paroles en. ov. & on. w. to cram, to crumble. bv. erunolling; crummy.

AVO.-13AL. Awkward (aowk'wurd), a. —ly, ad. lamp, onbandig. —nets, a. lempheid, onhandigheid. Awl (now!), a. els. AWIlk (aowm), a. sam. Awn (town), a. beard (van gray of koren). Awning (aown'ieng)„ a. dekzeil. Awry (e-ra]'), ad. scheef, verkeerd. Axe (eke), a, Mil. Axiom (ekalum), a. axioms. —atic , —sliest (ekei-o-met'ikl.), a. onweersprekelkjk. Axis (eLs'is), a. as. Axle (ek'al), a. —tree, a. wagenas. Ay (aid), ad. ja. —green, s. maagdenpalm, Aye (eel), ad. vow altijd. Azimuth (ezn-moth), a. azimuth. Azot a (ez'ot, e-soot'), a. atikatof. —lc (e-zot'ik), a. atikatofachtig. Azure (ee'zjoer), a. hemelablauw. —, a. uitspansel. • v. a. blauw kieuren. Azymee (ez'ima), a. feest der ongehevelde bros. den.

cheas,grouthertogin.—father,grootvader.—mother, grootmoeder. —sire, voorvader; grootvader. —son, kleinzoon. Grandam (gren'dem), a. grootmoeder; grootje. Grandee (gren-die';. a. Grande (spaaneche titel); aanzienlijk man. Grandeur (grend'ur), a. grootbeid, grootschheld, pracht. Grardev fly (gren•dev'it-ih), a. hooge leeftnd. (-diev'ils), a. hoog bejaard. Grandflo quence (gren-dil'o-kwens), e go. zwollenheid. —intent, —quous (-kwua), a. gezwollen, hoogdravend. Grandinous (gren'di•nue), a. vol Grange (greendzj), a. boerderij; korenschuur. Granit e (gren'it), s. graniet. —ic (gre-nit'ik), a. van graniet. Grani .vorous (gre-niv'o-rus), a. graanetend. Grannam, Granny, a. Zie Grandam. Grant (graant'), s. vergunning; verlof; schenking- —, v. a. aannemeu; toestemmen; vergunnen; verleenen; sehenken. —able, a. toe to staan. —ee (•tio'), a. begiftigde. —er,—or. a. begiftiger, verleaner. Granul ar (grenloe-ler), —cry, a. korrelig; Icorrelachtig. —ate (-feet , v. a, & b. kotrelen. — ation (-lee'sjun)„ a. korri ling. —e (•Joel). s. korreltje. —hue, a. korrelig. Grape (greep'), a. druif. bunch of —8, druiventros. —flower,—hyacinth, troshiaeint. —gathering, druf, venlezing. —less, a. den echtentdruivengeur missend. —shot, echroot. —atone, drnivenpit. Grapes (greeps), a. mock, muik. Graphic (grerik), —al, a. —ally, ad. duidelijk geschreven, goad afgebeeld; beschrijvend; schilderactatig. Graphite (gret'ajt) a. graphiet, potlooderts. Graphometer (gre-foru'i-tur), a. hoekmeter. Grapnel (grep'nil), s. dreg; enterdreg. Grapple (grep'pl), a. worsteling; enterhaak. v. a. aanklampen, vastbaken; v. rt. worstelen, plukharen. Grasp (grew'), s. greet.; bereik; macht. —, v. a. .grijpen; vasthouden; v. n. grijpen, tasten; etreven, (at, naar). —er, 0. grijper, strayer. Grass (grass'), a gras. —green,grasgroen. —grown. met graa begroeid.—hopperasprinkhaan.—plantane, slangenwortel. —plot, grasperk. —.vetch, graft. wikke. —week, bldweek (voor het genres). Grass (gratis'), v. a. met gras bedekken. v. n. gras voorthrengen. —iness, s. graarijkheid. —y, a. graarnk, graaig. Grate (greet) s. traiievrerk; rooster; vuurhaard. —, v. a. tralien (up); krahhen; rospen; doen weergalmen. —. v. a. & n. schrapen, schuren;knarsen; krenken, hekelen (upon). Grateful (greet'foel), a. —ly, ad. dankhaar; aangenaam, aannemelijk. —nees, a. dankbaarheld; aangenaamheid. Grater (greet'ur), a. krahher; rasp. Gratification (gret-i-ti:kee'sjun), a. bev red 'ging; genoegen; helooning. Gratify (gret-i-fej). v. a. bevredigen; genoegen doers. heloonen. Grading (greet'ieng), a. —/y, ad. krassend; keenkend. —, a. trallewerk; roosterwork.


Zaffre (zet"fnr), a. tatter (snort yin kohattkalk). Zany (zee'nth), e.haneworat. Zen (We), s. mats. Zeal (ztel), a. tver. Zsialot (hel'ut), a. Oversee, dweper. —ry, e. blinds jjver, dweperij. Zealous (zeruz), a. —ly, ad. ijverig. —sees, a. ij verigheid,, ijver. Zebra (zi'bre), a, zebra, woudezel. Zeehln (sl'kin, eje-klen'), a zechien, zece h i no (ltaliainache gouden flaunt) (plant). Zedoary (sedio.e.rih), s. r. ..t. Zenith (ii-nith), s. zenith, t Zeolite (aPul-lajt), a ichnim,t,ti, zeoliet. Zephyr (zet'ir), a. tear, weatenwind. Zero (zt'ro), s. nut, zero; vriespuot. Zest (zest), a. brit, middelechotje (in ease okkernoot); citroen-, oraujeschilletje; /meek, gear. —, v. a- gem*/ oaken. Zetetle (ze-tet'lk), a. navorochend, opaporend. -a, pl. het h.:Hazen near onbekende grootheden.
465 Glerst, v. millet. —koorte, millary fever. —korrel, m. guesser. —leg, v. guessing, conjecture; estimatron. millet-corn. Gict, v. yeast. —achtig, by. yeasty, yeast-like. Gletel.ing, m. black-bird. Glet en, ay. w. to pour, to shed; to water; to en, on. w. to ferment, to rise, to as ork. —ing, v. fermentation. it pours. het regent dat het giet, coat, to found. —meter. bucket, pail. —Alas, foundery. —kunat, Glateren, by. yesterday. — avood, laA night. foundery. —lepet. casting-ladle. —trecater, cast- Git, v. & 0. jet. — zwart, jet-blank, jetty. ing-funnel. —vat, ewer, watering-pot. —vrrm, Gitsehr, v. guitar. casting-mould, proplasm. —er, rn, pourer; found- Gittesorn, v. Zie Guttegona. er; watering-pot, watering-scoop. —era', v. found- Witten, bv. Jetty. ery. —ing, v. pouring, watering; casting, found- Gliatataiss, a. little gluts. het — lichtert, to tope. under ten zitten, to crack a bottle. — op den lug. —set, o. cast. valreep, parting-cup. Calf, o. Zie Gift. Glad, by. smooth, bright, polished, sleek; olipGift, v. gift, present, deflation. poisoned pesy; plain; cunning, sly. eerie —de tang, a flipGift, o. poison, venom, bane. — baker, cup. —meager, poisoner. —werend, Antidotal. —kg., pant tongue. een —de atjl, a smooth (fluent) by. poisonous, venomous, deleterious; slender- style. —bek, beardless youth; false jewel, 'mitaing. tion-stone. —boenert, to scour bright. —makes, to smooth, to polish. —stager, hammerer. —skiGU, vnw. thou, you. ye . —lieden. you, ye. bw. entirely, totally, cornlii,jbelen, on. w. to snicker, to titter. pen, to polish. afaaan, to give a flat refusal. pletely. iets ea Uk, v. Zie filek. GUI. o. 'wort. —bier, beer in the cooler. —kuip, —dighsid, v. —held, v. smoothness, hrightnete; cooler. —en, on. w. to ferment, to work; to be slipperiness; cunning, slyness, —meg, bw. Zie Meld. greatly desirous (of). —big, v. fermentation, GAnns, m. lustre, splendor, radiance, brilliancy; moderate desire. Lrightness; gloss. —steer, polisher. be. taljn, o. tackle. —balk, cackle-beam. —tour°, bran. respieneent, radiant, brilliant; glorious; bright. ti tip, v. ehiverinr. —en, on. w. to gasp; to shiv,r. —rtjkheid, v. reeplendency, radiance, brilliancy; GU eel ans., In. hostage. —en, ov. w. to imprison gloriousness; brightness. (for debt). —brief, warrant (or arresting a debtor. —korner, prison for debtors, spunging-house, Glenz en, ov„ w. to polish, to calender, to set a gloss upon; ou. w. to shine, to sparkle. —er, —recht, right of imprisoning for debt. —ing, v. m. glosser; polisher. —ig, be. glossy. —igheid, imprisonment for debt)- v. glossiness. ti II, m. shriek, esrearn, yell, sharp cry. Gild, Glide, o. euild.:corporation. —oe, very fat Gloss, o. glass; window-pane; hour-glass, hair an ox. —et'ier, beer of a guild. —ebode, —eknecht, hour. — blazes, to blow glass. —bluzen, glassmaking, glas-blowing. —blazer, glass-maker. beadle (messenger) of a guild. —eboek, register glass-blower. —bfezerv, glass-house s glass-works. (rolls of a guild —ebrief, bill of incorporation, charter. —eOroeder, freeman (member) of a guild. —gal, glass-gall, sandiver. —gordvn, window-chute; —ekaster, hall of a gelid. —emeester, curtain. —hamlet, glass-trade. — huts, glass-house. piaster (foreman, deacon) of a corporation. —e• —koraal, glees-bead.. —kruid, pellitory. —cog, penning, medal of a guild. —erecht, rights (laws) glass-eye; wall-eyed horse. —oven, glass-furnace. of a guild; risht of being incorporated. —roam, glass-window. —ruit, pane. —scherf, shiver of clam —schilder, painter upon (0111 an, ov. w, to saw slanting, obliquely; on. w. to shriek, to ecream, to yell. —er, m screatn- —schuint, frit. —1 7 ijper, glass-grinder. —sntider, —vocht, vitreous humor (of the eye). V. shrieking, screaming. —inghout, glass-cutter. or. — lag, —week, glass • work, glass-wares. —minket, g lasso. timber sawed obliquely. Gludotr, Glade, by. yon, yonder. glide en weer, shop. —achtig, by. vitreous, glassy. . Glnsebarzout, o. Glaubefe-salt; sulphate of to and fro; for a moment. GIndech, yon, yonder. GInnesinp pen, on. w. to titter, to chuckle, to Ginien, be. glass, of glass. —deur, glass-door. —kas, cupboard with glass-doors. —maker, glazier. giggle. --per, in. —ater, v. giggler. —apuit, squirt to clean the window-panes with. G issislikers., on. w. to neigh; to sneer, to rin. Gips, o. gypsum, psrget, plaster. —afgieteel, Glazig, by. glassy. —held, v. glassiness. plaster-east. —beeld, figure of target-atone. Glatzunr, o. glazing; enamel. —brander, plaster-maker. —brandevij, —oven, Girls, by. glazed, varnished. —were, glazed wares. plaster-kiln. —gieter, plaster-caster. —kalk, par- Giant", y. groove; furrow, ravine• get-lime, plaster. —norm, plaster-mould. —werb, Glibber en, on. w. to slide, to slip. —ig, slipperiness, slippery. planter-work, stucco. —werker, plasterer. —act:. bv. of piaster. —en, on, Gild, o. —kruid, yarrow, milfoll. tip, be. gypseoue. w. to do over with gypsum, to plaster, to corer GIU den, on. w. to glide, to slide. —bean, slide. GitutRech, m. smile. —en, on. w. to smile. with plaster. GIs, v. guess, conjecture. bij de —, by guess, Gitlin wens, m. w. to glimmer, to glow, to gleam. —hout, touch-wood. —norm, glow-worm. guessingly, at random. Glap en, ov. w. to blame, to reprove. —er, tn. —mend, by. glowing, shining, bright. Glimmer, m, glimmer, mica. —aarde, micaceous blamer, reprover. —ing, v. reproof. GIBB en, Os. & on. to guess, to conjecture. —er, earth, mica.
onbestendig; onstandvastig. — Wettest, a. °vibeetandigheid; onstandvastigheld. Unstald (un-steed'), a. wet, veranderitjk. —nese, a. Nsuft held; onbestendigheld. Unstained (un-attend'), a. ongevertd; onbeviekt. Unstamped (un•atempt"), a. ongeetempeld. Unit auc had (un ctaantejr), a. ongesteld; outerzadigd. Unstat a (un.eteet'), v. a. Outten, nit zljnen htaad stooten. —atable (•stetioe-tibl), a. onwettig. Una( tadiast (nu-Merle/kit), a. —1y, ad. onbestendig; onatandvatufg. —nen, e. onbestendigheid; onstandvaatt gheld. Unstead sly (un-sted'11-11h), ad. —y, a. onges;44.dig; veranderlijk. (-i-ness), t. ongestadigheld; onstandvastlg'aeid. Unsteeped (un-attepti)., a. Met ingedoopt. Unstified (un-staj'AM, a niet veratikt, niet ronoord. Uniting (on-sting') [irr.], v. a. van den angel berooven; verttompen. (us.etint'id), a. niet beperkt. Unsti Unstirred (un-sturd'), a. ongeroerd. Vont itch (uu-stitar),v.a lostornen. —ed (-atitsje), a. losgotornd;ongenaaid. Ens tooping (un-stoepleng), a. onbutgzaam. Unstop (unstop'); v. a. van den stop (eene belernmering) cntdoen. —ped l-stopt'), a. solider atop; geopend; onbelernmerd. ItTustored (un-stoerd'), a. niet opgeslagen; niet voorzlen (with); niet veralerd. Unstralned (un-streene), a. ongedwongen; niet getlitreerd. Unstraitened (un-street'nd), a. niet vernauwc1; onbeleumerd. Unstring (nu-string') tier.), v. a. van lumen ontdoen; losuaaken. Unstruck (un- atrnkl, a. niet getroffen; ongesehok t. Unstrung (un-strung'), a. onbeanaard; ongespannen. Unstudi ed (un-stni'ld), a. onervaren; onbeetudeerd; onupzettelijk. —out (-atjoe'di-us), a. niet leergierig. Unst u fled (un. stet"), a. ongevuld; ongestopt. Unsub duel (an-eub-djoed'). —jeeled t• dzjekt'id), a. Islet underworpen. —mime() (-rair'alv), a. Wei onderdanig. —milting (-untt'tteng ► , a. weerspannig. —etantial (-aten'ejel), a. onstoffelijk; nick wezenlijk, ondegelijk. Usakineessetuil (un•euk-sessnoei). a. —ly, ad. onvuorapoedig. nest, a onvoorspoedigheid. Unancked (en-sukt"), a niet gezuogd. Unsugared tun-sjoe'surd, R. ongesutkerd. Uneult able (un-tjoet';b1), a. —ahtse, ad. ongepast. —ableness, a. ongepastheld. ed, a. ongesehikt (for. to). —irg„ a. ongepaet, onvoegzaarn. Unhullisd (un-eui'ltd), a. onbezwalkt. Unsum moue d (un-aum'mund), a. niet opgerospen, niet sangemaand; Islet gedagvaard. Unsung (un-sung'), R. ongezongen; Wiesengen.
BRI. —BRIJ . 424 to break, to crumble; coat in de melts to — hebben, o. morsel. —oar, m, pilferer. Brie:Lei, v. to be a warm man. —en, ov. & on. W. to pilfer. Brous MOD, on. & on. W. to hum, to buss, to IFIrignd lt, V. brigade. —ter, m. brigadier. grunt; to grumble; to be angry. —beer, growler, BrIatantUn, m. brigantine. —pot, sic BrU, v. porridge, hastypudding. —beard, —tied, gtumb:er. —kever, humming-beetle. Drombeor. —tot, humming top. —viieg, mucklisper. —pot, porridge-pot. —en, on. w. to lisp, fly, blue-bottle. —mere m. growler, grumbler; to speak thick. —aehtig, by, pappy, pap like. Cab, hackney-coach. —mig, grumbling. Brik, v, brig. Bell, m, spectacles. een St pair of spectacles; Broil, v. spring, well, fountain, source, origin, cause. —adsr, vein of a well; source, origin. —past, seat. —gat, privy-hole. —slang, hooded snake. spa-drinker,visitor of a watering-place. —muster, —teglas. —ledoos, —Zenhuisje, spectacle-case. Spectacle-glass. —tenkooper, —lenkramer, — len- master of the wells. —water, spring-water, mineral-water. man, seller of spectacles. —lenmaker, spectaclebronze. soaker. —lensli,iper, spectacle-glass-cutter. —ten, Drone, o. bronze. —kleur, brass-color, rutting, rut. —Aid, ruttingon. w. to vex; to bubble, to frustrate one's atm; Brunet, v. pride, season. —en, on. w. to rut. —ig, by. rutting. on. w. to use (to wear) spectacles. —igheid, v. rutting, rut. Brits, v. wooden couch. —en, ov. 'w. to lash, to Bronze's, by. bronze. —, ov. w. to bronze. breech. to have a Beoddell car, m. —aarster, v. bungler, botcher. Brood, o. bread; loaf. AM — hebben, one's livecompetency. sips — eerdienen, to get v. bungling. —en, ov. & on. w. to bungle, —aril, lihood. —bakken, bread-baking. —bakker, baker. to botch, to cobble. —werk, botch, botchery. pance.r. —bezorger.. Brood, o. brood, breed, hatch. —en, ov. w. Zie —bakkerij, bake-house. dough for bread.—boom, —die!, breed-fruit-tree. —deep, Broelen. —dronken, petulant, wanBroeder, m. brother. Lustig° —, jovial fellow, depriver of livelihood. --haboon companion. —gemeente, community of the ton. —etronkenheid, petulancy, wantonness. men, bread-room, pantry, buttery. —kart, pantry. fraternal love. Mere -qui brothers. —tiefde, —korf, —nand, bread-basket. quarrel bread-chest. —diet, —moord, —warder, fratricioc. —twist, between brothers. --sdochter, niece. —skind, —horst, crust of bread. —kraim, crumb of bread. —race, bread knife. —nijd, envy of trade, pronephew, niece. —scream, stater-in-law. —canon, fessional jealousy. —aoodig, as necessary as nephew. —lijk,by .& bw. brotherly,fraternal (-1y). bread. —pap, —sop, paned°. —rot, bursar, eR—1(ikkeid, v. brotherly (fraternot) love. —settap, garret-scribbler, Grabv. brotherhood; o. fraternity. —tje,o. small cake, htbitio een . (kind of) puff.ceke; —skraam, stall for baking street- writer. —sehieter, oven-peel. —sulker, loafauger. —wagon, close waggon. —teinkel, baker's small cakes; —span, pan for small eta.. e. shop. —winner, supporter of a famt y. —winBre...does, be. broody. —heid, v. broodiness. ning, livelihood. (means of aubeistence. —woeBroei en, on. w. to brood, to hatch, to sit on; to mild; to soak; to cocker, to coddle; to foment; tel, yam. —netting, assize of bread. —egebrek, to starve. —.loos, Us, to brew; zich —, to clothe one's self too warm; want of bread; —lkiden, breading. —je, o, roll; zoete —a beckon, to come on. w. to lib: on eggs, to incubate; to grow hot. a peg or two lower. there is some mischief hatching. er iroeit lets, v. buskin, cothnrnue. —, by. fraif,brittle. —bak, hot- bed. —ei, addle egg,rotten egg. —hen, Broom, —kae, hot-house, green-house. —kooi, —held, v. frailty, brittleness. broodieg-cage. kuip, madhing-tub. —nest, neat Bros, b v. Zie Brous. brew; to broach, to confor brooding hens; nursery, focus, centre. —1(jel, Broom' OD, on. W. to brooding-time, sitting. —end, be. sultry (van het coct; on. ve. to lisp, to speak thick. —kelt!, brewtub. —er, m. brewer; weeder). —ing, v. brooding, Incubation, soaking; leg-copper. —kuip, brewing broacher, deviser; lisper; —sknecht, journeymanfomenting; eultrineas. —eel, o. brood. brewer. —ern, v. brewe'y, brew-house. —ing, v. Broek, o. marsh, pool, fen. —land, marshy land. brewing; broaching; speaking thick. o. —achtig, b v. marshy. brewing. Brock, v. (a pair of) breeches, trowsers, panta—bad, trestle. —paca,stilt.—ptiler., loons; breech (ran een kanonl; small ring (van Br og, v. bridge.bridge-money, -toil, postage. —•.etier. --gegeld, een togel), in de — sicken, to breech. roar de — cross beams. —geesan, bridge-man, tollgeven, to xvis , p the breech. —yelp, knee-buckle, juk, gatherer. — ganhoofd, barbacan. waistband buckle. —galg, suspender. —mannetie, get! er den — rein,1 don't meddle little boy that weary breeches. — oak. poeket,fo',. Brull,m.knock.ik every thing, all together. —engned, —enstof, stuff for breeches. —aband, with it. al den —, —leider, bride-man. —/eidster, waistband. —eklep, flap. —spijp, leg. —en, on. w Druid, v. beide. bride-mold. —achat, dowry. —ttuk, bride's favor. to pocket up; on. w. to wear breeches. —lag, v. —shed, bride-bed, nuptiat bed. —edagen, bridal breeching. days. --spree, —spilt, bridal present. —weed, Brok, m. pioce, morsel, lump, fragment. —sluk, paraphernella; trousseau. —ajonker, bride-manfragment. b(j shaken en —ken, by bits. —je, o. -sjuffer, bride-maid. —slatted, nuptial garment, bit, morsel; lekker tidkit; hu is en, he-, wedding-gown. —skrans 7 bridal wreath. —spear, he is a end chap indeed. —kelen,ov. & on. w. to betrothed couple. —gauger, bridal meet-meat., break (to fall) into fragments, to crumble.—kelig, sugar-plum. —straiten, hippocras. —span, m. briby. brittle, fri•tble. —keligheid, v. brittleness, degroom. friableness. —feeling, v. crumbling. —ken, on. W.
Ib (lb), f. voor Ireland (ajelead), g. Ierland. Iberia (aj-bi'ri-e), g. lberie. Iris (arils), my. Iris. Icarus (iMe-rus) my. Icarus. Irish (WHO), IeraCh; 1. the —, de lerea. —man, Iceland (ajanend), g. --er, i.IJslander. Isr, —io (-lend'ik), a. Ihlandsch. Irving (ur' vieng), no Irving. Ida (arde),w. Isaac (arzek)., m. Ignatius (ig-nee'sji•us), an. Ignatius. Isabel (1zIe-bel), —La(- w. Isabella. ad (11'1•ed), —eel. the da Isaiah (aj-zeele),m. Jezaja. Illinois (11-.1-nor), g. Illinois. IsIdore(is'i.donr), m. laidoris. Illyria I g. Illyrie. Isis (ar,:is), my. Isis. Indi a (in'dl•e), g. I n ce. — a, a. /ndisch: I, In- Israel (iz'ra-el), h. brn61 —ite Isrse,iet. deer. —axe (• en's), 1g. Indiana. —es (in'diz), g. Issachar (is'se-kur), Issatchar. the —, de Indieu. letria (iaa'tri-s), g. Istrie. (ing'gri-e), g. Ingermnnland. Ital i(i-tel'j.n), a. Itallasnach; i. Italians, —y Ionia (aj-o'ni-e), g. Ionie. --n, a lonisch; (it'e-lib), g. Italie. Louie r. Ithaca (tth'ik•e), g. Ithaka. Iowa (a)'o-we), g. Jews. Ivanhoe (arvn-ho),l, Ivsnhoe.
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

Wat zijn de voorwaarden voor het leren Blockchain


a. brandstof. —ibleness, a. brandbaarheid. —ion Commenourn bllity (kum•men-ejoe-re-bil'it(-ljun), s. verbranding; opener. tih), It. geliikmatigheid. Come (kutn) [came (keen). come], v. n. komen; Commensura ble (kum-men'sjoe-ribl), a. gegaan; geraken. in time to —, ut lateren tijd. lijkmatig; meetbaar. —bleneas, a, gelijkmatigheid. (about) zich toedragen; veranderen; omloopen. —te, v, a. afineten; geiivenredigd maken. —te, (along) rnedegasn. (at) verkrijgen. (by) bereiken; a. —tely, ad. gelijkmatig, gedvenredigd. —tion, er toe. komen. (forth) te voorsehijn komen. (front. (-ree'sjun), s. evenredigheid; evenredigmakinsr. of) afkomen, afstammen van. (in) binnenkomen; Comment (kom'ment), a. uitlegging, aanteekein twang komen; toegeven. (in for). aanapraak lung. —, v. a. verklaren, toelichten; v. n. aanbebben op. (in to) te hulp kornen; inwilligen. teekeningen oaken (on. upon). —ary, a. uitleg(in to) komen in; geraken tot. (near) nabijkomen. ging; aanteekeningen. —ator, —er (ook kom(elf) afwijken; er afkomen; losgaan. (off from) ment'ur), a. uitlegger, aanteekenaar. —itiona lawn varen. (0.) aankomen; gedijen; vorderen,' (kom-men•tia'sjus), a, verdicht. slagen. (out) uitkornen; voor den dag komen; Commere c (kom'murs), a. handel; verkeer; omruchtbaar worden. (over) overgaan; herl►alen; tang. —e (kom-murs'), v. n- handelen; omgang overvallen. (to) hedragen; inwilligen; uttloopen hebben. —ial (kom-mur'sjel), a. den haudel beop. — to pass, gebe.nren. (up) in zwang komen: tretrend• — ial treaty, handelsverdrag. opkomen. (up to) naderen, gelijk zoin. (up with) Commit.. tion (kum-mi-nee'sjun), a. bedrei• (np.n) aanvallen. — short of, te kort ging. —tory (kum•min'e-tur-rih), a. bedreigend. sehieten hij. — upon an other man's market, iemaud Commingle (kum•min'g1), v. a. ondereenmenonderkruipen. gen; v. n. zich vermengen. Coined 8. tooneelspeler; blij- Commlnu te (kom'mi-njoet), v. a. tot ponder apeldiehter. —y (kom'e-dih), a. blijspel. stampen. —tion (-njoe'sjun), s. vergruizing, fijaComell limns (kum'ii-ness), a. bevalligheid. —y making. (kumlih), a. bevallig. Commisera te (kum-mieur-eet); v. a. beklagen. Come-off (kum-of'), a. uitvlucht. —tion (-ee'sjun), a. medelijden. —tine, a. —tively, Comer (kunt'ur), s. korner. —s and goers, de ad. medelijdend. —tor, a. die deernis heeft. gaande en koinende man. Commissary (kom'mis-ee-rih). s. kommissaris. Comestible (kom-es'tibl), a. eetbaar. —ship, a. kommissarisschap Comet (kom'it), a. komeet. —ary, —ic (km.- Commission (kum-mis'sjun), a. lastgeving, met'ik), a. kometen betreffend. opdracht, volmacht; aanstel ling; bestelling, cornComfit (kum'ifit), s. suikergoed. —, v. a. konfij- missie. —business, commissie-handel. —, v. A. velreacht, opdracht, bestelling, eanstelling geven. ten. —urn (-tjoer), a. suikergebak. Comfort (kunffurt), s. troost; gemak; gegoed- 8. gemachtigde: commissionair. heid —, v. R. vertrooaten; verkwikken; (up) op CommIssure (kum-mis'ejoer), a. voeg, naad, beuren. —able, a. —ably, ad. troostelijk; aange- zoom. Imam, gemakkelijk. —ableness, s. aangenaamheid, Commit (kum-mit'), v. a. toevertrouwen, ongemakkelijkheid. -er, s. troosier;bouffante. —less, dragen; bedrijven; kerkeren. —neat, a. bedrija. troosteloos; onaaugenaam. ving, kerkering, bevel daartoe, —tal. a. gevanConsfrey (kum'frib.), a. waalwortel. genzetting; borg, —tee (•tie), s. commissie; Comic (kom'ik), —at, a. —ally, ad. koddig, boor- comae. —ter, s. bedrijver, misdadiger. tig. —alness, a. koddigheid Commix (kum-mike'), v. a. ondereenmengen ; Coming (kum'ieug), R. aanstaande; voorkomend. v. n. zich vereenigen. —tion (-tjun), —tare (tjoer), s. aankomet. — in, s. geldelijk inkornen. s. vermenging, mengsel. Comilla' (ko-miesji-e1), a. eene volksvergadering Commodl ous (ku.rn-mo'djus). a. —ously, ad. gebetreffend. makkelijk, geriefelijk. —ousness, a. geriefelijkComity (kom'it-ti h), 8, heuschheid; wellevendheid. heid, doelmatigheid. —ty (kum-mod'it-tih), a. Comma (kom'me), a. komma. belang, gerief, voordeel; koopwaar. Command (kum-maand'), R. bevel, gezag, heer- Commodore (kom'mo-door), a. vlootvoogd; achappij. —, v. a. bevelen; bestrijken; ter be- kommandant van een eakader. achtkking hebben; v n. bevel voeren. —er, s. common (kom'mun), a. alledaagsch, gemeen; gebevelhebber; kommandeur; plavethamer; been- rneenschappelijk. a. gemeenteweide. —council, lade. —ery, a. babe; ridderschap, kommandeur- gemeenteraad. —crier, stadsornroeper. — hall, sehap. —meet, a. bevel, gebod. —a, s. (de) tien raadhuis, gemeentehuis. —law, oude ala wet geboden. 8. heveivoerderett, gebiedeter• erkende gebrutken, koatumen. —place, s. geCo immaterial (kom-me-teri-e1), a. gelijk van stof. meenplaats. —place, a. alledeagech , bekend. Comutemora ble (kum-mem'ur-ribl), a. ge —place-book, boek voor aanteekening onder aldenkwaardig. —te, v. a. herdenken, vieren. —lion gemeene 'words', —pleas, gerechtahof voor bar(-ree'8jun), a. gedachteniaviering. —tire, —tory, gerlijke taken. —prayer, algemeen kerkgebed. a. herinnerend, gedachtents, —report, volkaoverlevering. —sense:. gezond var. Continence (kum-wens'), v. a. & u. beginner, stand. —weal, —wealth y gemeenebest, etaat. aituvangen. —ment, a. aanvang, begin. Common (kom'eaun), v. 0. gebruik oaken van. Commend (kum-mend'), v. n. aanbevelen, prij- de gemeenteweide; te zamen eten. —able, a. gezen. —able, a. —ably, ad. loffelijk. —ablcness, s. meeroschappelijk. —ape, s. gemeenterecht, —ally, a. (de) stnalle gemeente; (het) Kerne.. —er„ a. prijzenswaardigheitl. —al ion (-dee'njuD), ar. aanbe- burgerman; lid van het Lagerhuls; aandeelheb • Veling; lof. —atory, a. tianbevelend. —er, a. prtjzer.
Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.

BUaettesiven, ov, & on. w. to shove to, to approach. m. coition. —, rxi. & v. bed-fallow. —liter, v. bed-fellow, concubine. m. bedlikigiap en, on. w. to copulate. — v. copulation. fellow. BUsteepers, ev. w. to drag to. Ilkj4mank, tn. tang, tinge, aftertaste. HUrtinlitan,ov. w. to throw to, to odd. B Ut10101, y. odd money. Blispreak, v. motto, inscription; metaphor. BUspring en, ov. w. to assist, to aid, to succor. —er, rn. succorer. —lag, v. v. assisting, succoring. 111Ustann, 07. W. to freest, to succor, to support, to hack. Militant% no. aesietance, succor, support, relief. —er, tn. assistant, supporter. IBUsiell en, no. w. to add, to join, —ing, v. adding; apposition. 81,14terf, bv.. confused, troubled, at a loss. het spoor — , out of the way, astray; out, wrong. —, bw. extremely, sadly. —nis,.y. confusion, perplexit y. Dv. crazy. —zinnigkeid, v. craziness. BLit, v. gap. —hatter, gap-maker. nehttg, by. biting, mordacious. —achtigheid, v. mordacity, --en, on w. to bite; op de tandem —, to grind the teeth. —tnidelei, corrosive. —end, by. biting, sharp, acrid, tort, sorcostic; corrosive. —er, in. biter; tooth. de, bw. betimes, timely, in due time. ▪ wind-fall;:approbo1111Jv nil, in. ae.indentol] tiou, applause. --fen, on. w. to fall to, to side

Stark (sta-wk'), a. —ty, ad. sterk, stiff, vol, lou• Staunch (statint0), a. die Stanch. ter, erg. —, ad. gelieel, volallgoa. steke• Stave (steer';, R. duig, steer; couplet; notenbalk. blind. — mad, stapelgek. — naked, spiarnaakt. — wood, kwaoste boom; bitterhout. v. a. i. Star less (istaaeieseu, a. mierrenloos. — like, a. dnigen (off) afkeeren; opsehorten. ate , actitig; seshiera.e, — ling, a. eprentw; Staves (stress';, s. pl. van Stair en Stave. beaker.
—nets, a. stet, Maxim (meks'im), a. stet-, grondregel. —um felijkbeid; belangrijkiteid, gewieht. —toe (-ajz).1 ( 1-mum), a. (het) hoogste; haogate growl. v. a. stoffelijk makes; als star 1,schouwea. —a May (met), a. Met, bloeimaand. —bloom, Imagedorm. —bug, meikever. —bush, wilde kwee. (-elz), p1. bouwatotren. —day, meidag, aerate dag van Mei. —duke, meiMatern al (me-tur'nel), a. moederlijk. — ity, a. kers. —flower, hagedoorn. —fly, meikaver. —game, moederschap. meispel; apeelbal. —lady, metkoningin. Math (meth), s. suede, mailing. lelie der dalen. —morn, irischheid. —pole, meiMathematic (meth-e-mot'ik), —al, a. —ally, ad. boom. —weed, laondskamille. —worm, meiworm. —ian (-me-tisfen), a. wiskunstenaar. May (nice') [might onajt nJ, v. n. mogen, kunnen. —8, pi. wiskunde. —be, —hap, ad. misschien. Maths (met'in), a. ochtend-, vroeg. — , a. ochtend. Mayhew (mee'him, macs), s. verminking. — 8 (-inc.), p1. metten, (del vroegniia. Mayor (rnee!ur,, s. mayor, burgemesster. —ally Matrass (met'ress), P. distilleerkolf. (-el-tih), a. mayorschap. —ems, a. echtgenoot van Maisie a imet'rial, s. matrijs, vornt; (mee'tris) een' mayor. baarmoeder. —ide (-sajd), a. moedermoord; -moonier. —lees (me-trisrus), tt. van de baar- 1Nlaxard (mez'erd), a. kriek, zwarte kers; kakebeen. mo,der. Matrlcula in (me-trik'joe-let), a. ingeschreven; Mazarine(mez - e - rieu), a. donkerblauw; tussehengerecht; fljne hemdatrook. a. ingeachreven lid. —te (-leet), v. a. ale lid inMit. a (mete), a. doolhof; verlagenheid; oozeechrijven. — tion ( 11e'sjun). s. insebrijving. kernel& —e s v. a. in verlegenheid brengen; vet, Matrinson 'al (met rt-mo'ni-el), a. huwelijks., ateld doen stun. —edit.** a. verwarring; verechtelijk. —y (met'rt-inun-nih), e. huwelijk. baasdheid. —er, a. houten baker. —y, a. verMatrix (meetriks), 8. Zie Matriee. bluft, verward, vol kronkelpadeu. Matron (mee'trun), a. huismoeder, matsone. —al, —like, — 4, a. van (al.) eene huismoeder; be- Mazologle (me-zol'od-zjih), a. kennis der zoogdieren. dsagd; eerhaar, stemmig. Pie (mi), Pr- mij Matrons (tne-tros'), s. handlanger, helper. Itlesteoelt (mi'kok), a. laf, bloode; verwjjfd. —, Matted (met'tid), a. gevlochter., verward. a. janhen, verwede vent. Matter (met'tur), 8. stof, zelfstandigheid; onderwerp; zaak; etter; gewleht. — of fact, feit, Mead {rnied, a. made; vaide. wezenlijkheid. what is the — ? wat is er gaande? Meadow (med'o), a. weide, wetland. —bouts, pl. boterkloem. —bugle, klokbloem. —eampion, is geenazina. it Ran? no such —, wat acheelt er —pinks, pl. koekoekebloera. —grass. weidegrag. no —, het heeft Wets te beduiden. —, v. n. —ground, weidegrond. —iron-ore, weide.oer.—lark, etteren; van belting zijn. —y, a. etterig. grasleeuwerik. —rue, weidetult. —saffron, t ij loos. Mat tings (meetieng.), pl. matwerls; atroodek—sweet, weidebQksbaard. —trefoil, weideklaver. ken. —took (-tuk), 8. spade, houweel. —tress —wort, weidektuid. (-tress), s. matraa. Mature te (met'joe-reet), v. a, & n. Oh) maken Meagre (mi'gur), a. —ly, ad. maser, schraal. —nese, a. msgerheid. (woiden). —tie. (-ree'sjun), a. rtiPmaking; rijP wording; ettering. —tire (-re-tiv), a. rijpina- Ibeak (miek), a. (soon van) aikkel. Mead (mien'), a. meal; meal; maaltijd. —brimstone, kend; ettering bevordeeend. zwavelpoeder. —man, meelkooper. —meat, meet a. —ely, ad. rijp, —e, v. a. & Mestair a (me-goer') nip, —rent, belaating An meal. —sieve, mealn. rijp Timken (warden). — cam, 8. riipheid. sea. —time, etenstijd. —tub, meelton. —worm, — esceot (met - toe - resieent), a. rijpend. — ity, a. nteelworm. —, v. R. met meal bestroolen. —iness rijpheid; vervaltijd. (-i-ness), a. meligheid. Matutissal (met'joe-taj-eel), a. ochtend-, vroeg. Maudlin (maod'Iin) a. dronken, bedwelmd; dom. Mealy (mienih), a. melig; nacelach.tig. —mouthed, bedeesd; verbioemend, huichelachtig. —moutheda. leverkruid. ness, a, bedeesdheid; huichelhchtigheid. Matogre m ao'gur), ad. ondanks, in weertvil van. Maul ,rnaol'), a. houten hamer, beukhamer. —stick, Mean (mien'), v. a. meenen; van zing zijn• beteekenen; v. n. voorne.nens ztjn. —, a. midden; leunstok (bij schilders). —, v. a. beaten; misinii!delmaat; tenor. —, a. —ly, ad. laag, gemeen, handelen. going. —horn, van geringe af komet. —part, midMisused (monad', mooed'), a. mend, handkorf. delstem. —spirited, laag, verachtelijk. —time. —er, v. a. prevelen, mompelen; bedelen. —y, — while, ad. ruiddelerviijl. thurinlay (rnaon'dih-), witte donderdag. Mean der (mi-eredur). s. kronkeling, boeht. —der, Mausoleums (mao-so-li'um), a. praalgraf. 'a. a. & n. kronkelen. —drone (-drug), a. kron , Maw (trtaow'), s. maag, krop. —worn;, spoelkelig. v4orm. made. rillasvyk (maak'), a. made; slat —ingly, ad. alon- Mean lug (mien'ieng), a. meening; beteekenis. —ness, a. laagheid, gemeenheid; geringheid. —s zig, omerig. —ish, a. walgelijk; laf. —ishness, (mien.), s. rniddel, wijze; p1. middelen, inkoma. walgelijkheid; lafhuid. —a, a. slat, slons, sten; by all —, in elk gavel; by no —, in geen moreebel; pl. grillen. geval, geenazins. Maw suet Imao'rnit), a. popje, afgodabeeldje. (mies), a. vighonderdtal Iharingen) . . ;Manse a. izinderachtig; walgelijk. —y (•1e-ritil, a. vr,n de Measles' (rni"z1d), a. vol mazelen; gorttg; maMaxillae zelig, bask, van bet kakebeen. H. materialist. —ity 

Factotum (fek-to'ttl ►n), a. doe-al, albedril. Faculty, (feleul-tib), s. vermogen; eigenschap; bevoegdheid; faculteit. Fecund (tek'und), a. welbespraakt. —ity (fe-kun' dit-tih), s. welbespraaktheid. Faille (ted'd1), v. n. beuzelen. Fade (feed), v. a. doen verwelken (kwijnen); afmatten; v. n. verwelken; kwijnen, verdwijmen, (away). Fade (fedzj), v. n. passen, voegen; overeenstemmen. Fading (fee'dieng), a. verwelkend; versehietend; vergankeltik. —ness, a. verganletijItheit:. Jag (feg'), a. slover; zondebok; knobbel (in liken). v. a. aandrijven zelfkant; uitschot. (met slagen); v. rt. zwoegen; zieh afeloven. Fagot (feg'ut), a. takkenbos, rijstbos; lorrendrnaier. —, v. a. in bossen hiuden. Fail (feel'), a. fell, font; gemis; verzuim; dood. without zonder mankeeren. —, v. a, begeven, verlaten, in den ateek laten; teleurstellen; v. n. falen, misdoen, te kort schieten, (in); in gebreke bliiven (to); vervallen; ophorden; bankroet gaan. — inf,, a. font, gebrek; (het) bankroet gaan. —ure ( joer) gebrek; verzuim; mialukking; bankroet. Fain (fen), a. blij, verheugd. —, ad. gaarne. Faint (feent'), a. —ly, ad. zwak, mat; moedelooa. —hearted, fla ► whartig. —heartedness, a. flauwv, a. ontmoedigen; v. n. kwijnen; hartlFhel a. —inglfit. ilauwte. —ish, a. bezwijmen. flauw-, zwakachtig. —/ing, a. vreesachtig, —ness, a. matheid, flauwheld. —y, a. zwak, kwijnend. Fair (leer'), a. —ly, ad. achoon, haat; helder; blond; zuiver; gunstig; billtlk; eerlijk; oprecht; gemakkelek; wellevend; minzaam. bedaard;bevallig; gedienatig; beleefd; in goede veratandhouding. —and squarre, ronduit. —and softly, zachtjea aan. to bid —, de hoop geven. to copy —, in het net overschrijven. to keep —, vrlendachap houden. to play —, eeritik te week gaan. to stand —, gunstig staan; trouw blijven. —colored, licht van kleur. -econditioned,goedhartig.—dealing, emit*. held, opechtheid. —play, est./0k spel. § —shake, goede negotia. —spoken, beleefd, innemend, lief. Fair (fate'), a. kermis; (eene) echoone. the —, he, achoone geslaeht.—iag, s. kermisgeschenk. —ish, a. net , lief; tamelijk. —ness, a. fraaiheid; eerigkheid, Fairy (fee'rlh), a. fee-achtig. e. fee, toovernimf. —land, land der toovergodinnen. —like, tooverachtig. Faith (feeth'), a. geloof; geloofsartikeli vertrouwen; trouw; oprechtheld —, int. op Mijn wooed! waarlillt! —breach, trouwbreuk. —tut, a. —fully, ad. geloovig; trouw. —fianess, a. getrouwheid. —less, a. trouweloos. —lessness, s.trouweloosheid. Fake (leek), s. slag van een opgeschoten touw, catch —, klink. Falco te (fel'keet), — ted, a. sikkelvormig. —tion (-kee'sjun), a. kromte. Falchion (faorejun), a. kromme sabel. Falciforsn (fend-form), a. sikkelvormig. (fao'kn). a. vatic. —, —et (faol'kttn.net), a. felconet (zeker gese hut). —er,, s. valkenier. —ry,
Dore, en. thirst (rear, after, for, of). — hebben, Doorwroeten,or.w. to root up; to rummage. to be thirsty. —ex, on. w. to thirst, to be thirst Doorzanlen, or. w, to intermix, to intersperse. (nate, after, for). —ig, by. thirsty; dry; —maker', Donrzagen, ov. w. to saw through. to excite thirst. —tr gheid, v. thirstineas; drought.; Doorzeakken, on. w. to sink through, to give Doe, nt. dress, attire, array. —sen, or. w. to dress, way. to Attire, to array. Doomslien, or. w. to break by sailing against; to sail over, to pass sailing; on. w. to sail Dot, v. twirled knot, clew. Donarilire, v. dowager. through. Doorzenden, ov.w. to send through, to forward. Dotaw, tn. push, jog. —en, ov. w. to push, to press; 'in inn-Inds hand —, to slip into a. o. 'a Doorzetten, or. w. to push, to go through with, to set to; on. w. to persevere, to make haste. iitso. dozen. —deafer, bad poet, poetaster. Doorztebt, o. perspective, prospect, perusal, Dhoazinl. —schilder, dauber, sign-post-painter. --worker, inspection; penetration, sagacity, kunde, dioptries. —fg, hr. transparent. diaphanous. —igheid, sorry workman, bungler. Dra, bw. soon. a. transparency, diaphaneity. Doorzlen, ov. w. to see to.rourh, to look over; Dread, no. thread; fibre, filament; grain (van hout); wiry edge (van een me.); o. wire, can ;mite. to peruse, to review; to renetrato, to see (to go) ken, to thread a needle. roor den —tamest, to to the bottom of. appear; to say one's mind. —bus, —User, drawDoorzliften, ov. w. to sift. ing-plate. —koget, cross-bar-shot. —navel, wire. Doorzltjg en, or. w. to strain, to filter, to perpin, wire task. —pep, poppet. —tang, wire-pliers. colate. —kg, Y. straining, filtration, percolation. —trekken (het) wire-drawing. —trekker, wire•oorzitten, or. w. to wear out (to gall, to wound) with sitting. drawer. —trekkerif, wire-drawing; wire-drawingmill. —vorinig, filiform. —work, wire-work, flitDoorzoak en, or. w. to search, to examine, to scrutinize, to explore. —ing, v. search, examina- grane. filigree. Draag boar, bv. portable. —bear, bier, litter, tion, perquisition. hand-barrow. —bat, hod; trough. —balk, beam; Doorgondligen, on. w. to to on sinning. girder. —band, belt; strap, suspender; tines. Doorzulten, or. w. to pickle; to intersperse. —boom, —stok, shaft, carrying-pole; litter-bar. Doorzweet an, or. w. to sweat through, to per--korf, hamper, dosser. —loon, porterage. —rim, spire. Doorzwelg en, or. w. to swallow; to spend, to ridge-band; main-braces. —stoel, sedan-chair, palanquin. —lijk, by. & bw. supportable ; tolerable waste. —er, m. spendthrift. —lijkheid, v. 'supportableness, tolerableDoorzwerven, ov. & on. w. to range (to ramble) ness. through. Dread, in. turn, twirl, twist; turning, winding; Doom, v. box, case. tlikken —, grape shot. wat slap, blow, box on the ear. —bank, lathe, turnstint — tube., to be a knowing (skilful) man. bench. —bat, swivel-gun. —beatel, gouge. —boom, Doov e, m. & v. deaf person. —en, ov. w. to put out, to extinguish; on. w. to go out. —Weld. turn-stile,turn pike.—bord,rafAing-board.—brasg, turn-bridge, owing-bridge. —hot*. —stroont,whifiv. deafness. —tug, v, extinguishment. pool. —loot, turning-cage, —kunst, art of turnnooks') febriek, v. box-manufactory, —Cream, ing, turnery. —orget. barrel organ —rerp, stay, v. box-shop. —maker, m. box maker. tie. —eekilf, potter's wheel, fusee; turn-rail, Dop, m. shell, hunk, cover. pas tat den — homes, switch. —spil, spindle, capstan. —spit, jack. to he very e young. —ersot, green-pea. —jet, o. my. spectacles, barnacles; — =don, to spend, to diesi- —scot, turning-staff. —tot, whirl Tgig. —seer*, turner's wares. —wind, whirlwind. —en, os. & pate.—Jesspet.juggle.—pen .ov. w. to shell, to husk; on. w. to turn, to twirl, to twist, to 'Mid; to to measure, to gage (een sekip). —per, m. gager. lathe; to roll; to coil; to change, to prevaricate; Dor, be. dry, withered, barren, arid; tedious. to shuffle, to use tricks; imand can red vow' do Doren, m.Zie Doom. popes —, to east a mist before a. o.'s eyes; sink. Dorbeid, v. dryness, witheredness, barrenness, jos —, to play the truant. —es. m. turner; shutaridity. fier, trimmer. —er(, v. turning; shuffling. —ing, Don.. o. village. —sgeistelOke,—eeerato,—spredikant,lcountry-parson,village parson. —sherbet's', v. turn, twist; giddiness, swimming. country-inn. —shale, village-hall, common-hall. Drank, m. dragon; kite; vixen. den— states met, to banter, to deride. sougd, country-youth. —sicermi e, country-fair. —asekeoi,country.school.—seekont,country judge, Drool titer, r.Zie Droller. Drab, v. dregs, lees, grounds, sediment. —big, by, bead-borough. —aehtig, by. rural, rustic. thick, dreggish, dreggy. —bigheid, v. dregginess. Dorpel, m. threshold. Dorp snag, m. & v. —er, m. villager. —set, Dracbt, v. load, burden; garb, dress, costume, fashion; pregnancy; litter; suppuration, matter; by. rural, rustic. gumminess (van de °open). —.loge's, sound thrashDoer en, on. w. to wither, to fade. —ing, T. ing, — drubbing. —ig, by. with young; suppufading. hesd, v. pregnancy. rating, running. —ig Dornela, m. thrashing. —.Amur, thrashing-barn. Dradig, hr. thready; stringy, fibrous, filamentous. —ttici, thrashing-time. —vlegel, flail. —vloer, thrashing floor. —ea, or. w. to thrash; tool —, —held, v. stringiness, tougnness. to pluck a crow. —er, ni. —ster, v. thrasher. Drat, m. trot, trotting-pace; ground-malt, hoeswash, swill. op ten —le loopen, to run fast. ' —sing, v. Unlashing.

juich. --, v. a. net vieugdegejuiell ontvangen; v, n, haezee roepen. Hyacinth (hare - sinth), a. hyacint. —int, (-sin' thin), a. van (ala) hyacinten. Dyads (haredz), pl. zevengesternte. Hyaline (hare•lin). a. glasachtig, kristallen. Hybrid (harbrid, hib'rid), a. & s. baataard. —one, a. lostaard. Ilydrn (haj'dre), a. waterslang; hydra. WO, Hydraulic (ha). drao'lik). a. waterleiding. terwerkAn betreffend. —s, pl. waterwerkkunde. Hydro cele (hardro-siel), a. waterbrenk. (-daj•nem'iks). pl. waterkrachtkuude. —yen (-dzjen), a. waterstof. —grapher (-drog'refur), a. waterbsechrkiver ; zeekaartenmaker. —graphy (-droere-fih), a. waterbeschrijving. —mel el), a. mede, honigwater. --meter (• drum'. i-tur), a, watermeter. —patty (-drop i e-thihi, a. —phoby watergeneeskunde. —phobia (-fo-bile) a. watervrees. —pica! ( drop'ik-), a. waterzuchtig. —scope (-akoop',, a. wateruurwerk. —static, —statical (-stet'ik-). a. water vveegkundig. —statics (-steeiks), a. wuterweegkunde. —tic (-drotik), s. zweetmiddel. Dye'. eel (haj-i'me1), a. wintersch. —ation (-mee'sjun). a. overwintering. Hyena (haj-i'ne), s. hyena. Uyg elan (haj-dzji'en), e. de gezondheid betreffend. —iene (haj'dzji-ien), a. gezondheidsleer. —ienic (,en'ilr), a. gezondheida.. Ilygro meter (haj-grom'i-tar). —scope (hargroKkoopl, a. vochtmeter. Hymen (liarmin), a. buweliikagod; huwelijk. —eal (-ni'el). —ean (-ni'en), a. bruilofts-; s. bruitoftslied.

Wat is de prijs van Zcash

×