Dtjeen konien, on. W. to assemble, to meat. —hornet, v. assembly, conference, meeting. filicenpenntsen, ov. w. to place (to put) to. gather. H&j eenrapen, se. w. to rope in, to gather. illifeenenep en, ov. w. to call together, to convoke. —ing, v. convocation. BUeenetbrapese, no. w. to scrape together, to heap (to hoard) up, to rake and scrape foe Illkleentrekk ten, ov, w. to draw (to pull) together; to rally (tiorpohl; to concentrate. --ing, e. drawing (pull)ug) together; rallying; contraction, concentration. Iikjunweeet en, on. w. to unite, to join, to combine. — leg, v. junction, combination. 110nesseeverpen, ov, w. to throw together. 111jcenzinnee3eirt, ov. w. to gather, to collect. Illieerizettesa, o v. w. to place (to put) together IlUeetrazijo,, OP. NC.• to bz together. Itlijae.ztzekon, or. w. to reek (to Reatch) together. 13Ugneend, be. inclosed, annexed. BUgelegen, bo. adjoining, adjacent. b7. Z bw. superIlkHeeloeio t, o. tuperaltion. etitious (-1y). —vigheid., v. enperetittoneness. litUgertanzend lov. surnamed., 11111jgovall, hr. by chance, •erchance.
Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen.

Kan een Bitcoin portemonnee worden getraceerd


W RI. —W ID. ij:weep. —nosinting, zweepbeslag. —poor-will, virginisehe geitenmelker (vogel). —rope, takeigaren. —saw; spanzaag. —staff, kelderetok. --stick, —stock, zwedpetok; zweop; voerman. —stitch, enijder, kleormaker. Whip (wip'), v. a. zweepen, geeselen, tuchtlgen; dorsehen; kinteen: insert rijgen; betrkelen; lijk dant, bewegen; snel wegnemen; wippen. (about) omwikkelen. (off) 'mei ardoen; wegkepen. —, v. n. ztch noel be siegen, wippen, springen. —per, s. sweeper; katitijder; —in, e. jachtknecht, hondenjongen; bans, hootd. e. het geeselen, afroseen, kaatfjden; —post, geeselpaal. —pietree, zie Whiffle-tree. —ster, n.vtvg (handig) ventje. Whir (wur), v. a. wegdraden; wegrukken; v. to, enorren, rcnd-, wegsnorren. Whirl (wart'), s. ronddraating; draaikolk. —bat, meliekolf; strijdknote, -handechoen. —beetle, zwemkever. —bone, knielcbij f. —pit, —pool, draaikolk, maalstroom. ,lwarlwind. —, v. a. snel roridraaien; v. n. rondsnorren, ronddwarrelen. —igig (-I-gig), s. drasitol. Whirring (wur' rienz), n. gefladder, geklapwiek. Whisk (wisk'),s. boretel, stoffer, winch; kuipe•sBehind% halskreag; ruk. —, v. a. at boretelen, atstoffen, vegen; v. n. ztch nnel bewegen, rend, draeten; (about) rondfladderen. —er, s. veger, afstoffer; bakkebaard; eluwe von. --et (-it), a. mond. —ey (-iit), —y, s. (court van) brandewijn; ejees, licht rijtuig. —ing, a. hevig, onstulmig; ontzettend. Whisper (wie'pur), e. gefluister. v. a. (toe-) fluIsteren; inblazen; v. n. ftuisteren. —er, s. fluieteraar. —ing, e. gefluister. Whist (wist), r. stil. s. whist (zeker keartopt!). — v. a 'Mien; v. n etil eon. —, int. at! still Whistle (wie)), a. getluit, gehlaas; fluitje, —, v. a. flatten; v. n. fluiten, blazen, euizen. —r, s. flutter. Whit (wet), s. pun.tje, stipje; kleinigheid. every —, in alle onzichteu. not a —, gear z.ter. White (waft'), a. wit, blank, bleek, grije; rein, onbevlekt; vreexachtig. —bait, zekere visch. balse► , Itlekka-balseee. —beam, lotushoom. —chalk pencil. krijtetift. —cordage, ongeteerd touwwerk. —corn, tarwe, rogge, genet en haver. —ear —tail, w itstaart. --facP,b1 en (van eon paard). —jib, —lie, leugen om bestwIl. —foot, witte vlek (aan den pout van een peerd). galappel. —game, --gsPouseoneeuwhoenders. —headed, met grkjze haren. —heat, K:neihitte. —herring, versehe haring. —horses, pl. hooge, achuimende gllven. —iron, bilk. —land, ktelgrond. --teal, loodwit. —lime. wit kalk. —limed, gewit. —line, wit tusschen de kolomrnen.— livered, nij dig; lathartig. —maiden-hair, eteenruit. —meat, melkepijs; vieeech van hoenders, konijnen, enz. —mosey, zilvergeld. —oakum, ongeteerd work. —oil, walschot. —owl. huisuil. —paint, loodwitveil. —paper, schoondruk. —pot, roomvlade; eler. klas. —swelling, :welling tiergewricliten; zwangersehep. —thorn, baged000n. —rash, e. eehoonheidewater; wltkalk; v. a. witten. —seasher,witter. —wood, dennenhout.
Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17

Waar kunt u kopen Bitcoins


crumble) down; to rush in upon; to relapse, I esvlecht en, ov. w. to interlace, to intertwine. Invliegen, on. w. to fly in, — into. —ing, v. crumbling down; downfall; relapse. lnWilatten, on. w. to flow in, — into. Instonwen, ov. w. to stow to, — into. 'natalMen, or. w. to stroke in, — into; on. w. InvlUen, ov. w. to arrange in. Invioed,m. influence; credit, interest. to sneak into. Insilco,' em, on. w. to flow in, — into; Wes —, Iostrnolon, ov. w. to strew in. to mention, to insert. —ing, v. flowing in, influx. Inetroomen, on. w. to stream in. Invluebten, on. w. to flee in, — into. Instructle, v. instruction, direction. Instrument, o. instrument, tool, engine; writ, Invoego, vw. so that. Invoeg en, ov. w. to add, to insert, to interwriting, deed. —maker, instrument-maker. calate. —leg, v. insertion, intercalation. —eel, Instulven, on. w. to rush (to fly, to bounce) in, o. addition, insertion; clause. — into. linvozr, m. importation, import. —kande!, imInsturen, on„ & on. w. to steer in, — into, port-trade. —recht, import-dury. —der, m. imInettswen, on. w, Zielnstemween. porter; introducer. —en, ov. w. to; import; to Insullen, on. v. to side in.— into. introduce. —ing, v. importation; introduction. Intend en, ov. & on. w. to indent: to catch, Invoig en, ov. w. to follow, to comply with, to tooth (in), —ing, v. indentation; catching. to gratify. —log, v compliance, indulgence. Intappen, or. w, to draw (to pour) in. Inteeken mar, m. —minter, v. subscriber. —en, Invorder ear, m. claimer, dunner. —Dna, by. on. w. to subscribe (op, to). — IVO, list of sub- due, claimable. — en, or. w. to demand, to claim; to gather, to collect. v. demanding. scription. —prije, price of subscription. —ing. a. subscription. Incv laoirnuiw nganco, lolevc. twio.% fold in — inward. Integendoel, vw. on the contrary . Interen, on. w. to spend, to love; on. w. to fret, luvret en. on w. to corrode, to fret, to eat in. — log, v. corrosion. to waste away, to be consumed, to diminish; to Invuli en, or. w. to fill up ; to insert, —tag, v. be in a declining; way in one 's affairs. Interest, m. interest. op — eetten, to put out at filling up ; insertion ; —slap, intercalary day. Inwaaien, ov. & on. w. to blow In, — into. interest. — op—, interest upon interest. Inwsturts, bw. inward, inwardly. —eh, hr. Intougel en , ov. w. die Nato omen. Inward. IntUds,bw. in (due) titre, timely. Inursteha en, ov. w. to welt for, to expect. Intillen, ov. w. to lift in, — into. —ing, v. waiting (for), expectation. Into/Alit, m. entrance, entry. Intoom an. on. w. to bridle, curb, to restrain. Inwarm, bv. very warm. Inwes3en, on. w. to grow in. —leg, v. bridling, curbing-, restraining Iv:waiter en, on. w. to be penetrated by water. Intotweren, or. w. to get in by witchcraft. to soak (to leak) through. --fog, v. soaking Intrappen, or. w. to break by treading (tram(leaking) through. pling) upon, Hatred a, v. entrance, entry; beginning. —en, Inweelksi, o. woof ; parenthesis. ov. w. to break by treading upon; on. w. to lnweeken, ov„ w. to soak. In wendlg, by. & bw. interior (-1y)„ internal (-Iy), enter; to begin. 'nitres', v. die Intrede. —Oiljef,—kaartje, ticket. inward (-Iy). —e, o, interior. Inswentei en, ov. w. to roll in, into, to involve. —prOs, entrance-money. lntrek, m. muching in; lodging. zijn semen, —ing, v. rolling in, involution. to put up (at). —ken, ov. w. to draw (to pun) InweTK en, on. w. to get (to work) in, — into. —lag, v. working in ; influence. in, — into; to involve (in); to Imbibe; to contract, to narrow; to revoke, to retract, to Inwerp en, or. w. to throw (to cast) in. — into; to break by throwing against ; to object. —kg, repeal, on. w. to march in, — Into, to enter; v. throwing in;• breaking; objection. —eel, 0. to shrink. —king, v. pulling in; imbibition; revwhat is thrown in; objection. ocation, retractation. Invitee, en, ov. w. to weave in, to interweave; Intulsorelen, on. w. to tumble in, — into. to insert. —ing, v. interweaving ; insertion. Intuesehen, hv. meanwhile. Inwkid en, ov. w. to inaugurate, to consecrate; Inveart, v. entrance. Invel. in. falling in, fall; irruption, inroad, to initiate. —ing. v. inauguration, consecration; Initiation ; —srede, inaugural epineh. invasion; thought, sally of wit, fancy, conceit. —fen, on. w. to fat! in; to rush in, to invade, Inwkik, v. inlet, creek, hithe, bay. —en, on, w. to bend inward ; to take shelter in. —lag, V. to make an inroad; to crumble down; to join; bending inward; retreating inwards. to fade, to rink, to occur to one 'a mind. Inveren, ov. w. to overtake; on. w. to sail in, Inwikkel en, on. w. to wrap up ; to involve; to entangle. --ing. v. wrapping up ; Involution, — into, to enter. involving ; entangling. Invaten, on. w. die Inkutpon, Inwfillig en, ov. w. to consent to, to acquiesce Invetten, on. w. to set, to enthuse. is ; to indulge with ; to grant. —ing, v. consent, Invegen, ov. w. to sweep in, — into. acquiescence, indulgence. Inventerls, m. inventory, list. —eeren, or. & Inwind en or. w. to wind (to wrap) up, to on. w. to inventory; to take an inventory. envelop. —leg, v. winding (wrapping) np, envelInvijlen, on. w. to file iu. opment. —eel, o. cover, envelope. Inviammen, ov. w. to damask, to damaskeen.

Hoeveel cryptogeld uitwisselingen zijn er


v. a. beant- vernij. --spasmodic ( apes-m.11k), a. krampstil Answer (aan'sur), s. antwoord. lend. —thesis (en.tith'i-zis), 0. tegenstelling. woorden; overeenkomen met; v. n. antwoorden; —type (-tajp), s. tegenbeeld. (to) beantwoorden aan; (for) instaan voor, ver- antwoorden. —able, a. —ably, ad. beantwoorde- Antler (ent'lur), a. talc van de havens van een hert. lijk, verantwoordelijki overeenkomatig. —er, a. Antre (en'tur), a. hol. antwoorder; hij, die zich aansprakelijk stelt. Ant leant.), 8. mier. —bear, —eater, miereneter. Anvil (en'vil), s. aanbeeld. —hill, mierenhoop. Anxiety (eng-zare-tih), a. bezorgdheid, benauwdheid, angst. An't men - t), ton). (voor: if it) indien, zoo. An't please your Majesty, moge het uwer Majesteit be- Anxious (enk'sjus), a. (about), —ty, ad. angstig, bezorgd; verlangend. bagen• Antagon Ism (en-teg'o-nizm), s. tegenstand. Any (en'ih), a. ieder, eenig, vie oak, wat oak. —one, —body, iemand, een ieder. —how, op de —ist, a. tegenstander. —ize, (-najz), v. n. ale te- eerie of andere wijze. —thing, wat het zij. —where, tegenstander optreden. geen. overal. not Antarctic (ent•aark'tik), a. zuidelijk. —pole, znid- Apace (e-pees'), ad. sehielijk, haastig, snel. it pool. rains —, het regent hard. Anteact (en'ti-ekt), a. vroegere handeling. Anteced e (-en-ti-sled'), v. n. voorafgaan —enee, Apart (e.paart"), ad. ter zijde, azonderlijk. s. vertrek; gedeelte van een woonhuis. —ency, —eat, s. vroeger geval. —eat, s. vooraf- Apathy (ep'e - thils)., a, ongevoeligheid. gegaau. —ently, ad. vroeger. Ante cessor (en-ti-ses'sur),s.voorganger. —chant- Ape ( eep), a, aap; naitper. —, v. a. nabpen. —r, her (en'ti-tsjeem-bur, s, voorkamer. —cursor (ea- a. ti-knezur), a. voorlooper. —date (en'ti-deet), Aperi eat (e.pPri-ent), —tire (e-per'i-tiv). a openend, pu , geerend. v. a. vroeger dsgteekenen. —dilurian (-di-ljoe' vjen), a. van v66r den zondvloed. —lope (en'ti- Aperture (ep'ur-tjoer)., a. opening. loop), a. antilope. —meridian (en-ti-me-rid'djen), Apes fee'peks). a. top. spite. a. voormiddags. —mundane (en•ti-mun'deen), a. Aphelion (e-tPli-un), 8. verate afstand eerier v66r de were(d bestaande. —past , en'ti-passt),s. planeet van de zon. voorsmaak; vooruitneming. —penult (en-ti-pe- Aphony (ero - mih), a. semis der epraak. Aphorisms tef'o-rizml, a. gedenkspreuk. nult'), s. v66rvoorlaatste lettergreep. Apiary (ee'pt-e-rih), s. bijenstal. Antennae (en-ten'nee), a. voelhorens. Anterior (en-ti'ri-ur), a. vroeger. —ity (en-ti-ri- Apiece (e-pies'), ad. per stub. Apish (eep'isj), a. aapachtig, dwaas, —ness, a. or'it-tih), a. voorrang. aperij• (en'them), s. lofzang. Anthem Apocalypse (e-pok'e-lips), a. opeubaring van Anthology (en•thol'ud-zjih), s. bloemlezing. Anthropology (en-thro-pol'ud-zjih), s. mensch- Johannes. Apocryphal (e-pok'ri-fell, a. twijfelachtig. knride. s. klucht, Apodictical (ep-o-dik'tikl), a. stellig. Antic (en'tik), a. kluchtig, koddig. Apologet Ic (e-poi-o•dzjet'ik), —ice, a. —ically, pots; potsenmaker. ad. verdedtgend. Antichrist (en-ti-krajst)„ a. antichrist. —ian Apolog lot (e.poPud-zjist), —izer (dziai-zur), (-kristlen), a. & a. het Christendom vijanclig. s. verdediger; lofspreker. —y (-dzjih), R. verdiAnticipa te (en-tis'i-peet), v, a, vooruit nemen, diging; verontschuldiging. —ice, v. n. verdedi- ondervinden, - hetalen, handelen. —tion (pee' gen, verontschuldigen, (for, to). mjnn), a. vooruitneming, - ondervinding, - beta- Apologne (ep'o-log), a. leerrijke fabel. s. hij, die vooruit. —or, ling, - handeling; by —, Apoplectic (ep-o-plek . tik), —al, a. beroerte vooruit neemt, enz. betreffend. Anti dote (-en'ti-doot), a. tegengif. —febrile(feb' rim), a. koortsverdrijvend. —logy (en-til'ud•zjih), I Apoplexy (ep'o-pleks-ih), s. beroerte. fit of —, a. teo.enspraak. —mason (mee'sn), s. viand van de aanvai van beroerte. Aposta ay (e-pos'Ite sihl, a. afvalligheid; —te vrijmetselsrij. 4 —masonic (-ma-son'tk) a tegen de (-tet), a. afvallige. —te (-tet), —tical (e-pos-tet' vrilmetselarij. —monarchical (-mo-naark'ikl , , a. ikl), a. afvallig. —tize (-tajz), v. n. afvallig tegen Is alleenheersehappti. —many (-mnn-nih), warden. 8. tegenstrijdig- a. spiesg:as. —nomy digheid van twee wetten. —papal, Ipee'pe1), a Apostle (e-pos's1), a. aposteI. —ship, or. Apostolate (e-pos'to-leet), s. apostelschap. pe-thet'ik). a. van —pathetic ( anti-pauselijk. nature atkeerig. —pathy (en-tip'e-thih), a. 111 , Apostolic lep-os-toPik), —al (-1k1),a.apostolisch. tnurlijke afkeer. —podal (en- tip'o-del), a. van de Apostroph e (e-pos'tro-fl), a. toespraak; afkappingsteeken. —ice (-fajz), v. a. toeapreken. tegenvoeters. —pod. (en tip'o-diez,en'ti.poodzI, s. tegenvoetera. —pope. a. tegenpaus. —quary Apothecary (e-poth'i-ke-rih), a. apotheker. (-kwee-rih), s. oudheidkenner. —guate (-kweet), Apothegm ( ep'o-them), a. kernapreuk. v. n, in onbruik geraken. —que (en-tiek'), a. Apotheosis (ep-o-thi'o-sisl, a. vergoding. ouderwetsch; zeldzaam; s. oud, zeldzaam stuk. Appall (ep-poal"), v. a. verachrikken. —queness (en-tiek'ness), s. ouderwetschheid. Appanage (ep'pen-eedsj), a. jaargeld, oriderhoud. —quity (en-tik'wit-tih), a. oudhetd. —scorbutic Apparatus (ep-pe.ree'tua), a. toestel. v. a . (skor-bjoe'tik), a. tegen de seheurbuik. k. —8/a- Apparel (ep- per'el), s. bleeding; verband. uitdossen. very (slee'vur-rih), s. gezindbeid tegen d-e
LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Zijn alle cryptogeld gedecentraliseerd

×