REC.—REO. 247 derbekeering. voor; rekenschap geven van. (of. on. upon) re• (-vee'), v. a. terugbrengen; kenen op. weder shim, —er, s. rckenaar. —tag, r. rekeni•g, berekening; Record (rek'urd1,e. gedenkeehrift; aanteekening; ginning; dead —, gegiate koera; —book, boek van protocol, oorkonde; register, arch's!. upon in ontvangst en uitgattf. de geschiedenis vermeld; geregietreerd, court of griffle. Reclaim (re-kleenV), v. a. terugvorderen; opeischen; terugroepen; terugbrengen; verbeteren; Record (re-kord'), v. a. op-, aanteekenen; verrneden; regiatreeren; in bet geheugen roepen; vieren. to maken; v, n. (against( opkomen tegen. —able, —er,e.gesehiedechriper; *Tolliver's; griffier; onta. varbeterlijk; terugvorderbaar. —ant, e. tegenverger der regietratte; rechter; hoogfluitje. epreker. —lees, a. onverbeterlijk. Reclamation (rek-le-mee'sjun), a. terugroeping; Reccuelt iri-kauten, v. n. wader ggaan liggen. Recount (re-kaaunt'), v. a. nauwlteurig verhalen, verbeteeing; terugvordering. opsommen. Reelin ation (rek.li-nee'sjan), a. (het) leunen; afw'jkivg. —e T. a. & n. (doen) !ennui, alecourse (re-koorel, e. toevlucht; toegang. to rusten. have — to, de toevlucht nemen tot. Recover (re-kuv'ur), v. a. terugbekomen; herRectos. (ri-kloos"), v. a. weder sluiten. etellen (from. of); bevrip en; innen; v. n. hersteiRectos a (re-kleee'), a. opgealoten, eenzaam; a. kluieenaar. —elms, --ion (-kloe'zjun), a. eenlen. —able, a. herkitgbaar; herstelbaar. —y, a. terugbekoming; berets'. zaamheid, arzondering. —ire (-kloe'aiv), a. tenneon, afeezonderd. Rccrea nt (rek'ri-ent), a. lafbartig; efvallig; a. Recognition ;rek-ug-niej'unbe. herkerning; er- lafaard; afvallige. —te (-eet), v. a. verkwikken; kenning. vette aken, verluatigen; v. n. etch ontspannen. --tion (•ee'sjun), a. verlustiging, uitepanning. Recograle able (re- kcrni-zibl), a. herkenbaar. —ance, a. herkenning; erkenning; kenteeken; on—Jive (-ee-tiv), a. verkwikkend; vermekelijk. —trderpand; sehuldbekentents. —e (rek'ug-najs), v. a. eeness (-ee-tiv), a. verkwikkelijkheid; vetrnakeherkennen; erkennen; op nteuw nazien. —ee l'jhhetd. (-ate'), a. houder eener obligatte. — or (-zor'), a. Recregnent (rek're-ment), a. afoot, vull rite; schuim. —al (-meneel), —Wow, (-tierusl, a. ongever eener obligatie. zulver, vutl. Recoil rre-kojl'), a. terugaprong. —, v. n. terugspringen; terugdelnzen (from), ineen krimpeu. Recrimina to (re.krim'i-neet), v. a. & n. weder—er, a. woordbroker. keertg bescLuldigen. —tion (- nee'sjun), a. tegenbeschuldiging. —tor, a. tegenbesehuldiger. —tory Rocoin (rl-koin'), v. a. herninnten. —age, a. hermunt ing. (-ne-tur-rib), a. cone tegenbeschuldiging inhoudend. Recollect (rek-ol-lekt'), v. a. weder verzamelen; itch herInneren. — one's self, zich heratellen; Recruit (re- kroet), a. versterking; recruut. —, v. a. veraterken, verkir ikken; aanvullen, voltallig zich bezinnen. —ion (-lek'sjun), a. herinnering; beginning. maken; v. n. herstellen; werven. —er, s. wereer. —tag, a. werving; —money, handgeld; —officer, Recent bine (rt- kum-bajn'), v. a. weder 'amenwerf-officler. voegen. —nrence (-mews'), v. a. weder treginnen. Recommend (rek-um-mend' ► , v. a. aanbevelen, Rectang le (rek'teng-gl, a. rechthoek. — ular, a. aanpr)jzen. —able, a. aanprijzenewaardig.—ation —ularly, ad. (-teng'ajoe-ler-), reehthoekig. (-dee'sjun), a. aan bev eiing. — atory (.ae.tur-rih), Recall liable (rek'ti- faj-ibl), a. verbeterlijk. —ficalion (-tif-i-kee'sjun), a. verbetering; overhating. a. aanbevelend. —er, a. aanbeveler. —fier (-faj- ur), a. verbeteraar; overhaler. —f, Recommit (ri-kum-mit'), v. a. op nieuw begaan. (-re)), v. a. verbeteren, heratell•n; overhalen. Reeompense (rek'um- pens), a. belooning, ver—linear (-lin't-er), a. rechtlijcig. —hide (-tjoed), vergelden; gelding; vergoedhag. —, v. a. beloonen, a. rechtheid; rechtschepenheld, juist oordeel. vergoeden. Recompos a (ri-ktun-peon'), v. a. wader eamen- Rector (rek'tur), a. predikant eener parochte; be',Murder, Teeter. —ial (-to'ri-e1), a. van een' recstation; — gernetarellen. — ition (-po-zierun), a. tor. a. rectorachap. —y, a. predikani 3nieuwe samenstelling; herstelling. pleats; pastortl; rectorewening. Reconcil e (rek'un-gajl), v. a. verzoeuen (to); overeen brengen, beetaanbaar makers (with). —able Recurnben ce (re-itum'bene), —cy, a. nederligging; met. —t, a. liggend, leunend; rwstend. (-aajl'ibl). a. verzoenlijk; vereenigbaar, bestaanbear. —ableneaa (-1 ajl'ibt.), a. verzoenitikheid; be- Recupera to (re-kjoe'pur-eet), v. a. terugbekomen. —tion (--ee'ejun), a. terugbekoming. —time staanbaarheid. —count, a. verzoeniwg. —ar c .. versoeivr. —iation (-sit-i-esiejun), a. verzoening; (-e-ttv), —tory_ (-e-tur-rah), a. ter terugbeitoming dtenatig. boeting; overeenbrenging. —iatory (-sil'i-e-turRecur (re-kur'),v. n. terugkomen; (to) de toevlucht rth), a. verzoenend, bevredigend. nemen tot. —rence, —rency, a. terugkeer. —rent, Recondite (reklun-dajt), a. verborgen, geheim. a. terugkeerend; de toevlucht nemend. —aion Reconduct (ri-kuu-dukt'), v. a. teragleiden. (-sjun), a. terugkeer. Reconnoitre (rek-un-nortur), v. a. verkennen. Reconquer (ri-kong'kur), v. a. weder tern- Recury ate (re-kurv'eet), —e, v. a. achterover raven. buigen. —ation (ri-kur-vee'ejun), —ity, a. terugbulging. —sue, a,. achterover gebegen. Recon eider (ri-kun-sid'ur, v. a. op nieuw o‘erwegen. —rene (-mien'), v. a. & n. weder bijeen Recrgsan cy- (re-kjoe'gen-gih), a. afwijking. —t (ook ; rek'joe-zent), a. afwijkend; a. afgesehetdene. brengen, — komen. —version (-vur'sjun), 1. we-


—ned (-mane), a. verwijfd; onbemand. —nered (-nurd), a. —forty (-nur-111, ►, a. & ad. ongemanierd, onmanierlijk. —neriineaa (-nur-11.), a. ongemenierdheid. Unmeasured (un-rne, joerd'), a. onberneat. Unmet keel (nu-msarkt'), a. ougemerkt. —red (-maard'), a. onbeschadigd. ongeachonden. —Tied ( meerid), a. ongehnwd. —ry (-mer'rih), v. a. scheiden. Unmasculine (un•mes'irjoe•lin), a. onmanne!ijk. Unmask (un- reaaek'), v. a. & n. (etch) ontmaekaren. —ed (-nunekt'e, a. ontrnamkerd;ongemaskerd. Uomast (un-mean;'), v. a. ontnuteten. —ed, a. sonder mast. U lamteaster able (un-maas'tur-lb1), s. onbedwingboar. —ed (-turd), a. onbedwongen. Unmatch (un-meter), v. a. ontparen. sebeiden. —able, a. weergaloos. —ed (-metejt'), a. wagspa ard; onvergellj kelb k, zonder weerga. Unmeen lug (nn-mien'teng), a. niete beteekenend; dweae. —t (-ment'), a. niet gemmed. Unaueaaur able (un-mesrotr-ibl e -mesrur-). a. —ably, ad. onmetelijk. —ableness, a. onmetelijkhaid. —ed (-nerd. -nod), a. ongemeten. Unlinked Hated (un-med'i tee-tid), a. onoveriegd, onoverdaeht. —dling (-Cleng), a. niet bemoeiztek, zich nlet iniatend. Unineet (un-inlet'), a. —ly, ad. ongepaet, ongesehikt (for). —nese, a. ongepastheid, ongeschiktheld. Unmellowed (un-mellood), a. niet murw, niet Unmelodions (un-me-lo'di-ua)...onwelinidend.
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-

Is Zebpay portemonnee veilig


GEM —GElt. Genes:offal, o. muffling, juggling. Genaok„ o. pouting, Bulking. Geneonepel, o. mumbling, muttering, rumor. senor, o. murmuring, grumbling. Gemara, o. epattering, dirtying, mess. (Aetna, o. chemoie, wild go,tt. —bok, buck of the chamois. Geenutt, o, riot, revolt, rebellion. el amount, be. coined. het — hebben op, to aim at, to mean. Geueurneci, o. inur, mar, purling. G greenest, be. wearing a rap. geed —, in a good humor, disposed, Inclined, willing. kwaliik —, in a bad humor. Gemze leer, o, shammy. —njacht, chamoishunting. —flower, chamois-hunter. Gesael, o. sewing. Genstakbsar, by. accessible. —held, v. accessibility. ansaned, be. named, called. G ensile, v. grace, mercy, favor. op —en ongenade at discretion. door Gods by the grace of God. op — laten drixeen, to leave to the merry of wind and waves. —brief, pardon, reprieve. —brood, charity. —leer, doctrine of grace. —sing, finishing stroke. Genadig. by. & bw. merciful (-ly), gracious (.ly). G en taken, on. w. to approach, to draw near. (lane, vow. yonder, that, the other, the former. doze en —, the one and the other. dezen en —n, come people, many people. teencbse, be. beaked. G eneeren (rich), t. w. to gain one 'a livelihood, (wet) to make shift with; to constrain (to inconveigencei one 'a self. geneer u niet, make youruelf at home. Genesee Weer, be. —Wk, by. curable. —drank, draught, potion. —beer, —hundige, p'eysician, doctor. —kracht, sanative virtue. —tirachtig, medicinal. —kieids„ —kunst, medical art, physic, therapeutics. —kundig, medical. —middel, medicine, physic. —peeler, medicine/. powder. —wijse, method oi cure. Genegen by. inclined, dieposed, favorable, Isvorably disposed. —held, v. inclination , affection. Geneigd, be. Inclined, addicted, attached. —htid, v. inclination, propensity. Genersel, general. —, by. general. de Staten —, the States Genera!. —sehap, o. generalship. Geneirailteltolanden. o. 111.7 . territories longing to the United Provinces in general. Genet, o. genet. Genetagte, v. pleasure, delight. Genoa en, oy, & on a. to cure, to }teal, to recover. —in2,Y, cure, curing, healing, recovery. Genie, o. genius. —, y. engineering. —korpo, corps (body) of engineers. —officier, engineer. —school, military academy (for engineering. Gentep, o. its het —, in secret. —ep, be. hypocritical, sly. —igAeid, v. malice, bypocrisy, slyness. Genies, o. sneezing. Genlet en ov. w. to enjoy, to take. —or, m. anjoyer. —Jag, v. enjoyment, pleasure. Genoeg, bw. enough, sufficiently. —darning,
PRO. voornaamwoordelijk. -noun (.naaun'), s. voor- Propugn (pro-pjoen'), v. a. verdedlgen. -ation naamwoord. (prop-ug-nee'sjun), a. verdediging. -er, s. verdePronounce (pro-naaune), v. a. uitspreken, voor- I diger. dragen; v. n. uttsprask doen. -r, a. ultspreker. Propulsi on Ipro-pul'sjun), a. voortdrijving. Pronunciation (pro-nun-sji.ee'sjun), a. nit- I -ivs ( sty), a. voortdrijvend. spraak. Prore (proor), a. voorsteven. Proof (proef'), a. bewija, blijk; proef; beproeving; Prorog atlon (pro-ro-gee'sjun), a. opachorting, bestandheld, ondoordringbaarheid. -print, proef- verdaging, -ue (-roog . ), v. a. opschorten, verdedruk. -sheet, proef bled. - a. bestand, proefhou- I gen. dend, vast, vrij, (against.to).-rees, a. onbewezen. P rorupt Ion (pro-rup'ejun), e. nitbarsting. Prop (prop;, a. atut, achoor, ateun. -, v. a. atut- Prose lo (pro-zee'ik), a. -(tally, ad. prozaisch. ten, schragen, achoren. -ist, s. prozaschrijver. Popaga ble (prop'e-gibll, a. verbreidbaar. -te Proscarab (pro- sker'eb), a. meikever. I- geet), v. a. verbreiden, voortplanten; v. n. zich Proscr lb• pro akrajb'). v. a. verbannen; vogetvoortplanten. -lion (•gee'sjun), a. verbreiding, I yob' verklaren. -iber, a. verbanner. -ipt (pr3'voortplanaing. -tor (-gee-tor), a. verbreider, akript), a. bailing, vogelvrtj-verklaarde. -;ption voortpianter. I (-skrip'sjun), a. verbanning, vogelvrij-verklaring. Propel (pro-per), v. a. voortdrtlyen, voortatu- Prose (prooz), a. in proza. a. proza, ongebonwen. I den stijl. -, v. n. in proza schrilven; langdradig Propend (pro-pend'), v. n. neigen, overhellen. verhalen. - ency, s. neiging, overhelling. Prosecu is (proa'e-kjoet), v. a. voortzetten; verPropens a (pro-pews"), a. (to) geneigd. voigen. -tion(-kjoe'sjun),s. voortzetting; vervol-ity, a. geneigdhetd, overhelling. I gir.g. vetvoiger; slather. Proper 'prop'ur), a. -ly, ad. elgen, btjzonder; Proselyt e (pros'e-lajt , , a. bekeerling, proaeli et. &gen) ijk; joist; degelijk; geschikr, gepast, be- I -e, v. a. bekeeren, overhalen, (to). -Urn (-11- Um), hoorlijk; sierlijk. -neea, a. gepastheid, juistheid; I a. proselietenmakerij. -ise (-11- tajz), v. a. bekeerijzige gestalts. -ty, a. eigenschap, eigenaardig- ren; v. n. proselieten maken. held: eigen dom. Proseminritlon (pro-eem-i-nee'sjun), a. voortProphe cy (prose-sih), a. voorzegging. -.tier planting door toad. (-sal-ur), a. voorspeller. -sy C-sih), v. R. voor- Pros er (pro'zur), a. prozaschrijver; langdradig spellen; v. n.profeteeren. -t (• 8. profeet, voor- vertelier. -ing, a. langdradigyerhaal. zegger. -tesa (-it-ess), a. profetea, voorzegster. Prosod lel (pro. so'di-e1),--scal(-sod'ikl), a. van -tic, -tical, a. -tically, ad. (pro-fet'ik-), profe- de prosodie. -tan, -iat (pros'ud-diet), a. kenner tiach, voorepellen d. der prosodic+. -y (pros'ud-dih), s. lettergreepme. Prophy lactic (prof- i-lek'tik), a. voorbehoedend. ting, prosodie. - s. voorbeheedmiddal. Prospect (proa'pekt), 0. ultzieht, verechiet; roc,Propinquity (pro•ping'kwit-tih), a. nabijheid; uitsicht; ferwaehting. bloedverwantechap. Prospect ion (pro-epek'sjun), a. (het) vooruitzien; Propitl able (pro.pbri-ibl), a. verzoenbaar.-ate, voorzorg. -ire, a. vooruitzlend; voorziehtig (in); -set ► , v. a. verzoenen; gunstig stemmen; v, n. boe- - glass, verrektjker. -us, s. plan, prospectus. ten (for). -ation (.ee'sjun), a. verzoening; zoen- Prosper (proa'pur), v. a. begunstIgen, doen also ffer. -afar (-ee-tur), a. verzoener. -atory (-1-e- gen; v. n.ged(jen, gelukken; bloeien. -ity (- per , tar. rih), a. verzoenend; a. verzoendeksel. -ous, a. it- tih), a. voorapoed, welvaart. -one, a. -oualy, -ously, ad. gunatig, genadig. -ousness, a, gun- ad. voorspoedig, gelukkig. -ousness, a. voorspoestigheid. digheid. Proplasin (pro'plesm), s. gietvorm. Prospiclence (pros-pierens), a. (bet) vooruitPropolls (pro'po-lis ► , a. etopwas (der btjon). I zlen. Proponent (pro-po'nent), a. voorateller. Prosternat Ion (pros-tor nee'sjun), a. nederwerProportion (pro-poor'sjun), s. evenredigheld, I ping; neerslachtigheid. verhouding; gedaante; gedeeite. rule of -, regal Prnetitts te (pros'ti- tjoet), a. veil, eerlooe. -te, van drieen. -, v. a. evenredig waken, regelen, af- a. huurling; hoer. -te, v. a. veil hebben, prijs meten, (to). -able, -al, -ate, a. -ably, -ally, gev en; miabruiken; aan ontucht orergeven. -tion -ately, ad. evenredig, near evenredigheid. -ality (-tjoe'sjun), a. vellheid; onteering; ontucht. -tor, -ateness (-et-), a. gebvenredigdheid. tih), a. onteerder, verleider. - ate (-set), v. a. evenredig maken. Prostra te (proetret), a. neergeatrekt, nederge. Propos al (pro-po'sel), a. voorstel; aanbod. -e worpen; ootmoedig, to fall -, een' voetval doen. (pooe), v. a. vooretellen; aanbieden. -er, e. Ivor- - ie (-treeti, v. a. nederwerpen, omverwerpen. omverwerping; voet%teller. -ition (prop-o•zisrun), a. voorstel; atel- -tion (-tree'sjun),s. ling. -itional (prop- o.dsrun.), a. als een voorstel val; verootmoediging; neerelac htigheid. Prostyle (pro'staji), a. zuilenpoort, -ingang. beschouwd. Propound (pro-paaund'), v. a. voorstellen; aan- Prosy (pro'zih), a. prozat , ch, iangdradig. bieden. -er, a. voorsteller; aanbteder. Prota sls (proVe-sis), a. hoofdvoorstel, voorzinPropriet ary (pro-prare-te-rih), a. eigendom- deal; inleiding (van sen tooneelspel). -tic(pro. rnelijk. -ary, -or, s. eigenaar. -rests, s. eigena- tet'ik), a. inleidend, openend. res. -y, a. esgendom; geschiktheid, gepastheid; Protect (pro-tekt'), v. a. beschermen (against), juistheid. behoeden 1from), -ton (-tek'sjun), a. bescherming,
24 Billow (bil'lo), s. golf, baar. —, v. a. opzwelBice (bajs), a. lichtbiauwe of groene kleur. len, golven. —y, a. golvend. 1131ripit al (baj-slp'i-tell, —ous, a. tweehoofdig. Bicker (bik'ur), v. n. kibbelen; weifelen. —ing, Bimanous (baj-mee'nus), a. tweehandig. a. krakeel. I Binieby (bajm'baj), ad. apoedig, binne.n kort. Bicornous lbaj-kor'nusl, a. tweehoornig. Bimensal (baj - men'sel), a. tweemaandelijksch. Bid (bid) [bid, bade. bid, bidden], v. a. bevelen, Bin (bin), a. kist, bak,,trog. gelasten; noodigen; bidden. —farewell, afseheid Binary (baj'ne-rib), a. dubbel. nemeu. —der, s. binder. —ding, s. bevel; bod. Bind (bajnd), s„ hopatengel. k Biddy (bici'dih), s. kuiken. Bind (bajnd) [bound (baaund)], v. a. binden; verBide (bajd), v. a. verdragen, afwachten; v. n. binden (up); verplichten; beperken (in); opstopwonert; blijven. pen; v. n. zich verdIkken. — apprentice, in de leer doen. — over, dagvaarden. — out, verhuren. Bidental (baj-den'tel), a. tw, etandig. Bidet (bi-det"), a. hit; wasettkom. bound for, beatemd naar. — er, a. binder, band. Biding (baj'dteng), a. verblvjf. —ery, s. boekbinderij. — ing, a. verbIndend, verBiennial (baj-en'nt-el), a. tweejarig. plichteud. — ing, s. band; verband. — weed, Bier (bier), s. lijkbaar. winde. Blestings (biesetengz), a. blest. Binnacle (bin'tikl), s. kompashuisje. Hilarious (baj-fee'rt us), a. tweevoudig. Bino ele (bin'okl), s. dubbelkijker. — cuter (bajkilferous (bW.. us), a. tweemaal vrucht dra- nok'joe-ler), a. tweeoogig. gend. Binonil al (baj-no'ml-ell, a. tweeledig. —.us -Mild (barfid), a. gespleten. 1-nom'i-nus), a. tweenamig. Hillidated (1,11%-deet-id), a. Zie Billd. Biograph er ibaj-og're-fur), s. levensheschrijBilold (barfooldl, a. tweevoudig. arr. — ie, — ical (-osgrerik.), a. biographisch. 'Worm (baj'form). — ed, a. dubbelvormig. — ity — y, a. levensbeschrijving. (-torm'it-tili), s. dubbelvormigheid. Bipartit e (bip'er-tajt), a. tweedeelig. — ion ibaj-per-tis'sjun), s. verdeeling in tweeen. Bifurcate (baj-fur'ket), — d (-keet-id), a. twee- Biped (harped), s. tweevoetige. tandig, gaffelvormig. Big (big), a. dik, groot, zwaar; (of, with) zwanger. Bipennate (ba)-pen'net), a. tweevleugelig. to look —, zich trotach aanstellen, to talk —, Birch (burtsj), s. berk. —en, a. berkenhouten. bluffen, snoeven. — bellied, — bodied, a. kwaarlij - Bird (bard), a. vogel. — of passage, trekvovig. —ness, a. dikte, grootte. gel. — cage, vogelkooi. — call, vogelaarsiluitje. Bigam 1st (big'e-mtst), a. man, die twee vrou - — catcher, vogelaar. — fancier, llefhebber van vogels. — lime, vogellijm. — man, vogelkooper. wen heeft. —y, s. tweewijverij. Biggin n big'gin), s. kindermutsje. — 's-eye, s. sleutelbloent; a. van boven gezien. Bight (bajt), s. bocht; kreek. — witted, hersenloos. Bigot (bieutl, a. schijuheilige, dweeper. — ed, Bird (burd), v. n. vogelen, sinken. —big, a. vogela. schijoheilig, bevooroordeeld. —ry, s. schijn- vangnt. — ing -piece, VogelrGer. — ing-pouch, voheiligheid, dweeperij. geltasch. Bilateral (baj-let'ur-el), a. twee zijden hehbend. Birgander (bur'gen-dur), s. wilde gaps. Bilberry (bil'ber-rill), a. heidebes, braambezie. Birth (birth ► , a. geboorte. —day, geboortedag, Bill011 Ibil'b01, s. kling, torte degen. verjaardag. — place, geboorteplaats. — right, geboorterecht. Bith ors ,bil'booz), s. voetboeien (voor matrozen). Biscuit (bis'kit), s. beschuit. Bile (bajl), a. gal. Bilge (bildzj), s. kielwijdte. —, v. n. lek atooten. Bisect (bai-sekt'), a. a. in tweeen deelen. — ion 1-sek'sjun), a. deeling in tweeen. Hillary (birje.rth), Bilious (birjus), a. galachtig. Bishop (bisyup), s. bisschop; raadsheer in —duet, galleider. 't scbaakspel). — 'a - weed, bisschopskruid. — '8 Ililinguous (baj-ling'gwus), a. tweetongig. Bilk (bilk), v. a. bedriegen. wort, mane komijn. — ric, a. Insdom. Bill (bill), a. snavel: bij1; rekening; geschrijf; Risk (blab), a. vieeschnat. wetsontwerp; aanplakbiljet. —, v. a. aanplak- Bismuth ∎ bieinuth), s. bismuth. ken; v. n. trekkebekken. —of divorce, echtschei- , Bison (bajsn, bizn), a. wilde os. dingsbrief. —of entry, consent tot invoer. — of Ilissextlie ibis-sett:Ail), a. schrikkeljaar. exchange, wissel. — of fare, sptjslijst. — of lading, Bistre (Ws turi., a. roetverf. vrucht brief. —of mortality, sterflijst. — of parcels. IlIsulcous (baj-sul'kus), a. met gespleten hoeven. factuur. — book, wisselboek. — broker, wissel - , Bit (bit), s. beet; stukje; gebit; sleutelbaard. not mskelsar. — sticker, aanplakker. 1 a —, geen tier. —, v. a. optoomen. Billard ibirlurd), s. bastaard-kapoen. Bitch tbitsj), a. teef; lichtekoni. Billet (billit, s. briefje; blokje (brandhout). —, Bite (bajt), a. beet; aanbijten; bedrog; bedrieger. Bite (bajt) [bit. bitten.]. v. a. & n. bijten, wonv a. inkwartieren. Billiards (birjurdz), s. biljartspel. to play at — , I den; bedrtegen. —r, s. isijter;,bedrieger. biljart spelen._ Bitter (bit'tur), a. —ly, ad. bitter; hard. — ness, a. bitterheid; verdriet. —cold, nijpend koud. Billiard —ball, biljartbal. —cue, —stick, queue. —table, biljart. —apple, —gourd, kolokwint. —vetch, paardeBillingsgate (bil'liengz geet), a. viachmarkt in wik. —wort, bitterwortel. —s (bit'turz), a. bitter London; gemeene taal, vischwiivenpraat. (sterke drank). Billion (bil'jun), s. biljoen. • Bittern (bit'turn), a. roerdomp.
verkieselijk. —eness, s. verkiesbaarheid; verkieselijkheid. Elimina te (e-lim'i-nest), v. a. de deur nitzetten; verdrijven. —lion (-nee'ejun), s. uitdrijving; verstooting. Eliquation (el-i-kwee'sjun), s. seheiding (door :melting). Elision (e-lisrun), a. uitlating. Elixir (e-liks'ir), a. uittrekeel; elixir. Elk (elk), a. eland. Ell s. el. Ellip se (el-lips'). —eis, s. uitlating; eirond. —tic, —tical, a. —tically, ad. uitlatend; ovaal, eirond. Elan (elm'), a. olm. —tree, olmboom. —en, a. olmhouteu. —r, a. vol olmen. Elocution (el-o-kjoe'sjun), a. voordracht. Elogy (el'ud-zjih), s. Zie Eulogy. Eloiu (e-lojn'), v. a. verwijderd .; verbannen. Elonga te (e-long'geet), v. a. verlengen; rekken; v. n. zich verwijderen. —tion (el-ung-gee'sjun), s. verlenging; verwijdering; uitstel. Elope (e-loop'), v. n. heimeltjk weggaan.—rnent, s. weglooping. Eloquen cc (el'o-kwens), s. welsprekendbeid. —t, a. —tly, ad. welsprekend. Else (els'), pr. & ad. enders. —where, elders. Einstein te v. a. ophelderen.—tion (-dee'sjun). a. opheldering, toelichting. Elueldat ive(e-ljoe'si-dee-tiv),—ory(-de-tur-rih), a. ophelderend, toelichtend. —or, a, toelichter, verklaarder. El ucubrate (e-ljoe'koe-bret), a. uitgewerkt. Elu de (e-ljoed), v. a. ontwijken, ontduiken. —dible, a. ontwijkbaar. —sion (-ijoe'zjun), a. outwij king, ontduikir!g. —aive (-1joe'siv),—sory (-ijea' sur-rih), a. ontwukend, ontduikend; bedriegelijk. —soriness (-1joe'sur-ri..), s. sluwb.eid, geslepenheid. Elut e (e-ljoet'), v. a. afwaaschen. —riate (-tri• eel), v. a. doorztjgen. —riation (-tri-ee'sjun), s. doorzijging. Elver (elv ur), a. jonge zee-sal. Elysi trili (e-lizj'i-en), a. elizeesch; verrukkelijk, heerlijk. a. Elysium; (de) Elizeesche velden. Emacia to (e-mee'sji-et), a. nitgeteerd, vermagerd. —te (-eet), v. a. uitmergelen, doen verrnageren; v. n. mager worden, uitteren. —tion (-ee' sjun), a. vermagering. Emanant (em'e-nent), a. voortvloeiend (from). —te (-neet), v. n. ultvloeien,voortkomen (from). lion (-nee'sjun), a. uitvloeiing. —tire, (-ne-tip), a. voortspruitend, nitvloeiend. Emanelpe te (e-men'si-peet), v. a. bevrijden;
AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to 

cryptogeld arbitrage


ad. —y, A. ongereed; onbereidleillIg. —inese Unreplenlebed (un-re-plen'iejt), a. onaangevoid. (4-neas), a. ongereedheid; onbereldwilligheid. (un-rep-re-zent'id), a. niet voorUnreal (un-ri'et), a. ouwezenljjk.—ity (-ellte-tih), Unrepresented gesteid; niet Yertegenw oordigd. e. onwezenlijkheid. —Iced (-ajzd), a. niet Yerwe- Unre prievable (an-re-prier'thl), a. niet zentijkt. a. ongeooget. voor uttstel (kwijtethelding) vatbaar. —prieeed Unit...sped (un-rtept'), a. ntet ultgesteld; onhegehadigd. Unreason abbe (m-W=4bl), a. —bay, ad. onto- (-prievd'), (-prootejt'), a. onbeript. —provable delijk. —bleneas. a. euredelijkhetd. —proached —proved (-proevd'), Unre biakablo (un-re-bjce'kibl), a. onberisp, (-proeu'ibl), a. onntrispelijk. —baked (-bjoekt'), a. onberiapt. —callable a. onberlept. —pugnatst (-pug'nent), a. niet at-
413 Dezviadderen, ov. w. Zie Bezoedelen. Mimeo, bit. made of bill:malice. ov. w. to dull, to tarnish; to biota, Blg,v. pig, gruntling, porkline. lieuwalk to defile, to cast A blemish upon. —er, m. --titer, Bliggoleck, on. w. to trickle (down), v. tarnisher, stainer; defiler. —ing, v. tarnishing; BU, v.. near, at, with, about, in, of, to, by, defilement, contamination. upon. ik teas er —, I was present. —aldien,vw. Illazwanger en, ov. w to get with child ; to if, in case. impregnate, to saturate. —d, by, impregne,i, BU. v. hes., —enanget. sting of a bee. —etablad, fraught. —ing, v. getting with child; impreg- balm-mint. —enttroedeel,brood of bees —eneelletje, bee-cell. —eneter„ —enwolf, bee-eater.— engetiaeht, nation. Illezwnr en, ov. w. to burden, to charge, to bee-kind. —enheuder.hiver, bee-master. —enkuif., overcharge, to clog, to oppress ; to Accuse; to —enkorf, bee-hive, —enkeningin, mother-bee, beelay taxes upon, to overrate; to mortgage; zie4 queen. —ent telt, rearing of bees. —mem, bees' — over, to he uneasy about. —end, by. ewe- wax. —enzwerm,swarm of bees. lithbantt,•. branch-honk. ',rating, onerous; oppressive; indig.stible. v. charge; encumbrance, opereasion, grievance. Mlbrdo.lIng, v. by-end. subordinate aim. 13e,weer der, m. —ater, v. swearer; conjurer, 13Ubstgelp,o. accessory notion. exorcist 'Whet, rt.- Bible. —beaky, clasps of a bible. Ilimareet, by. sweating, in a sweat. --And, leaf of a bible; Bible. —hock, book 01 13,,wernnaen, ov. w. to reach (by swimming . the Bible; Bible. —genootsehap, bible-society. iitezwer en, ov. w, to swear to, to confitm by —hernia, biblical knowledge. —leer, scriptural oath; to exorcise, to lay; to conjure; to entreat, doctriee. —deter, reader of the Scripture —ntatig -- ivy, v. confirmation by oath; exorcism ; con- ecripturel; conformable to the Bible. —plants, juration ; —aboek, conjuriog-hook , —sforotulier, scriptural passage. —sprenk, scriptural sentence, spell, magic sentence. --IOW, biblical .;tale. —clef, —tekst, scriptural Ileztvkiken, on. w. to sink, to g,ve way, to he I text. —rust. well-read In (conversant with) the overcome (by), to succumo (to); to die. Scripture, scripture-proof. —rerhlaarder, exn on• w. to Rwoon, to faint (a ay). pounder ,interpreter of the Holy Writ. —ver-sag, v ewoon, fainting tit.; ,kloring, exegesis —zero, verse of the Bible. —verfibber..., on. w, to elitver (van konda, with co , d). I rpretd , ng, propagation of the Bible. —rerfraing, Bibila fla.ecrarleon. librarian. —theek, v. library. translatton (version) of the Bible. —werk, bible Bld den, ov, Sr. on w. to pray, to say one's prayers, I with a commentary; commentary on the Bible. to say grace. to bless the table; to beg, to , —tvoord, Holy Scripture. —sch, by. biblical, beseech, to entreat —bank, pew, Paid- stool, scriptural. or the Bible httesoch. —dog, day of publt, prayer. —plqate, IlUbotoll en, ov w. to pay in addition. —lag, oratory, chapel. --stand, prayer-reeting. —ltur, a. additional payment, addition. hour of prayer. —der, m. prayer; undertaker's itlUbeteekenitts, r, secondary meaning. man mute, --titer, v. prayer. I BUbitucl en, ov. w. to bind (to tie) to. —ing, v. flecibt, v. confession. to — goon, to go 0, con-, binding (tying) to. feteston. de — ofsemen, to confess. —geld, eon- 11311Jbled, o. supplementary sheet c supplement. feasor'e fee, —kind, courevant.. —stool, coulee- en, on. w. to walk as fast As, to keep atonal. —veder, confeeenr. —eling, m, & v. con- up with; not to abandon, to adhere (to stick) fieittaut, penitent, — en, on' & .arc. W. to conies.. to, —end, be, remaining with; adhering (stick-cc, m. titer, • . Zie ing ► to; continued. —ing, v. continuance; adfled en, ov„ w. to offer; to tender. to bid (for). Bering (etickinr) to. to bargain; het hoed— aun, to make head against, lilijboek, a. additional book. —eie, ay. w. to dan, to resist; meer outlitd. west —ende, book up to the day. tiktbreng en, °v. w. to bring nears to allege, highest bidder. —er. rn. —eter, v. bidder, War, o. beer, al.. swear —, strong beer. dun —, to quote; to contribute, to avail; to afford. —er, small beer. —asijn, ;item, —boon, ale-porter 's rot —ster, v, alleger, quoter, contributor. —ing, yoke.. —broutver, brewer. --brouwer(j, brewery, a. allegation; contribution. strew-house. —bulk, tippler; paunch, big-belly, illidebandoeh. bv. under the hand,near-horse. —draper, ale-porter. —fetch. ale. bottle, beer- IlSkidenklbeeld, o. by-thought. bottle. --geld, beer-tax, -money. —glad, beer- Illidleht,o. episode. glass, numb'er. --,kroeg . ale-house, —ken, HU ov. w. to add, to subjoin. tankard, ale-pot. —kelder„ vault for beer, Me. litlidenagiV4er, v. Zie BUdenger. cellar. —kruik, pitcher. tankard. —soer, BUdraaiern, on. w. to heave to, to Come to, beer-soup. —atelier, firkin-men, —atelling, beer- -- up; to yield, to come round, stand. —rapper, efehou?e-keeeer, retailer of litter. BUdirolge, v. contribution; article. —n, or. w. to —ton, —rat, beer-cask, -berry). —tvagen, dray.I evntrabute. r,rrt. contributor. —enbreod, beer-soup, ale-berry. —echtig. be. like Illieen,bw. together. beer, 11111Jaenlheengen, ov. w. to bring together, to Bias, v. ru,b, bulrush; edging. rijne bleats pakken, gather up; to assemble, to collect, to combine. to pack off. —botch, runny place. —look, chives, BUeendreg•n, or. w. to carry together. liPjeendeUven, ov. w. to drive together. Blest, v. biestinge. BUeenhoten„ or. w. to fetch together. Bletolosuavv, m. bag-bear, snare-crow. BUeenhou d ov. w. to keep together.
—, a. hopeloos, opgegeven, verloren. —, a. waaghals; verloren post, man. Perdura ble (pur•djoe'ribl), a. —bly, ad. langdurig. —tion (-ree'sjon), a. lenge duur. Peregrin ate (per'e-gri-neet) ,v.a.in den vreemde leven of reizen. --ation (-nee'sjun), s. verblijf (hat reizen) in den vreemde. —ator, s. relziger. —e (-grin), a. vreemd, uitheemsch. Perenuption (pur-em'sjan), s. vernietiging, verjaring. Peremptor ily (perem- tur-ril lih), ad. —y, a. bepaald, beslisaend, volstrekt. a. bepaaldheld, volstrektheid, stelligheid. Perenni al (pur-en'ni-e1), a. —ally, a. een jeer durend; voortdurend, aanhoudend. —ty, a. onafgebroken duur. Perfect kpurlekt), a. —ly, ad. volmailkt, volkome.n. v. a. volmaken; voltooiea. —er, s. vol. maker; voltooier. —neat, a. volmaaktheid, volkomenheid. Parfecil ble (pur-fekt'ibl), a. vatbaar voor volmaking. —bility (.1-bil' it- tih), s. vatbaarheid volt volinaking. —on (-fek'sjuu), s. volmaaktheid, volmaking. —anal(fek'sjun-), a. volkomeu; voltobid. —ovate (-fek'sjun-eet), v. a. volmaken. —onist (-fek'sjun-), a. strever near volmaaktheid; purltein. —ve, a. —vely, ad. volmakend; voltooiend. Pe rliclent Ipur-fisreat, a. we rkelijk. s. begiftiger, sehenker. Perfidious (pur-fid'jus), a. —ly, ad. treuweloos (to). —nest, s. trouweloosheid. Perfidy (pur'ild-ila), a. trouweloosheid. Perfla tc (pur-fleet';, v. a. doorwaaien. —flow (- flee'sjun), s. doorwaaiing. Perfollate (pur-fo'li et), a. den ateugel omvattend, doorgegroeid. Pertora ble (porlo-ribl), a. doorboorbaar. —te (-reet), v. a. doorboren. —tion (-ree'sjun), a. door boring. —tive (-re-tivl, a. door borend. —tar (-ree'tar) . a. doorboorder; boor. Perforce (pur-foors'), ad. met geweld. Perform (pur form'), v. a. vervullen, vuivoeren, volbrengen; verrichten; v. n. spelen; slagen. —able, a. uttvoerbaar. —once, a. vervulling;verrichting; uttvoering, vooratelling. —er, a. volbrenger; verrichter; uitvoerder, voordrager, speler. Perron' atory (pur-fjoe'me-tur-rih), a. weiriekend makend. —e (ook pur'tjoem), a. reukwerk; gear. —e, v. a. welriekend maken, parfumeeren. —er, a. parfumeur. --cry, a. reukwerk, perfumeriEn. Perfunctor ily (pur-fungiCtur-ii-lih), ad. —p, a. oppervlakkig, achteloos. —ineas,a. opperviakkigheid, achteloosheid. Perfuse (pur-fjoez'), v. a. overgieten; doorstroo. men; vervullen. Pergola (puego-le), a. prieel. Perhaps (pur-he s'), ad, missehien. Pert ant h (per's-enth), a. bloemkelk. —apt (-apt), a. amulet, toovermiddel. Peri card (per'i-kaard), —tuna (-kaardi-um), a. hartzak. —carp (-kaarp), a zaacil Hee. Peri clitation (per-i-kli tee'sjun), a. gevaar; waagatuk. —cranium (-kree'ni-u ► ), —crany (per'. i-krc-nih), a. hereenpan-, echedelthea. Per !culotte (pe-rikloe-lus), a. gevaarlijk.
In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]

Hoe is Weegschaal verschilt van Bitcoin


Unbrald(un-breadi),v. a. loevlechten, loswinden. U nbreast (uu , b,eat'), v. a. Zie to Unbosom. Unbred (un-bred'), a. slecht opgevoed, nuomanterd, anbeechaAfd; on geoefend. lUnorewed (un-broed'), a. ongebrouwen; onveramengd. UnbrAbed (un-bra)bd'), ra. niet omgekocht. Unbridle (un - brard1), v. a. aftoomen. —d, a. atgetonmd; toomeloov. Unbroken (un-bro'kn), a. ongebroken, geheel; onverzwakt; ongedresseerd. Unlicrotherly (nu-bruth'ur-lkh), a. onbroederlijk. Unbrulsed (un-broezd'), a. ongekneusd; ongedeerd. Unbuckle (uu-buk'kt), v, a. losgespen, Unbui id (an-bild') [ter.), v. a. afbreken, sloopen. Uaibulit (un•bilt'). a. ongebonw d. Unhursir (un-bung'), v. a. ven le spon ontdoen. Unburden (un-bnedn), v. a. ontlaaten, vertichten. Unburied (un-ber'id), a. onbegraven. CJaburnt (tin 1,1.110, a. ongebrand, ORNerbrand. Unburthen (un-bur)tbn), v. a. Zie to Unburden. Unbury (un-beeth), v. a. opgraven. Unbos led (un-bietd), —y, a. Diet bezig, werke-
This active collaboration between AEGEE and the European Commission and especially Domenico Lenarduzzi, Ministry of Public Education, allowed the approval of the Erasmus program in 1987. It became an integral part of the Socrates I (1994-1999) and Socrates programs II (2000-2006). Since 2007 it has become one of the elements of the Lifelong Learning Program (2007-2013).

Wat is Weegschaal Facebooks nieuwe digitale munt


Unbrald(un-breadi),v. a. loevlechten, loswinden. U nbreast (uu , b,eat'), v. a. Zie to Unbosom. Unbred (un-bred'), a. slecht opgevoed, nuomanterd, anbeechaAfd; on geoefend. lUnorewed (un-broed'), a. ongebrouwen; onveramengd. UnbrAbed (un-bra)bd'), ra. niet omgekocht. Unbridle (un - brard1), v. a. aftoomen. —d, a. atgetonmd; toomeloov. Unbroken (un-bro'kn), a. ongebroken, geheel; onverzwakt; ongedresseerd. Unlicrotherly (nu-bruth'ur-lkh), a. onbroederlijk. Unbrulsed (un-broezd'), a. ongekneusd; ongedeerd. Unbuckle (uu-buk'kt), v, a. losgespen, Unbui id (an-bild') [ter.), v. a. afbreken, sloopen. Uaibulit (un•bilt'). a. ongebonw d. Unhursir (un-bung'), v. a. ven le spon ontdoen. Unburden (un-bnedn), v. a. ontlaaten, vertichten. Unburied (un-ber'id), a. onbegraven. CJaburnt (tin 1,1.110, a. ongebrand, ORNerbrand. Unburthen (un-bur)tbn), v. a. Zie to Unburden. Unbury (un-beeth), v. a. opgraven. Unbos led (un-bietd), —y, a. Diet bezig, werke-

—er, a. glijder. —ing, a. her glijden; —doer, schuifdear ; —hoot, loo,e *strip; tolachsal. SDDght , alaje,, a. — ly, ad. dust, RCM, zwak, gering, onbeduidand; ,eronaehtv.ainend, achteloos. veromehtzaming, minachting. — , v, a, veronacht zamea, minachten. —er, a, verovaclitzamer, minai!hter. —ingly, ad met minaehting. —vas, a. lie htheid; geringbeid, onbeduidendbeid.
UND•i•UNE. ttannemen; op zieh aliment beproeven; v. n. wa—er, gon, zteh inlaten; borg bitven oodernemer; bezorger an begrarentesen. o.onderneming. Uudertenant (-ten'ent). e. onderpachter. Undertone. a. diepe, zachte (stem. Undertooth, a. ondertand. Undervalu wtlr,n (-vel-joe-ee'sjun), 0. achatsing onder de waarde; geringschatting, verachOng. —e (-vel'joe), e. gertnge Tarts; goringechlating; v. a. onder de waarde sehattets; geringsshatten, verlagen.. U a d ar w nine, a. zachte, geamoorde stem. Underweave (-wtev'), [irr.], v. a. inweven, invlec hten. Underweight, a. onderwicht. Underwood,e. kreupei bosch, halhout. Undorwork, a, bij work, goring work. — (wurr), v. a. eleeht iweintg) werken; goedkooperiwerken ,'.an; ondermjjnen. —man (-vittrk')., N. nelper, btjlooper. Underwrite (-rag') [irr.] v. a. & n. onderteekenen; assureeren. —r, s. onderteekenaar; anonradeur. Undeacri bed (un-de-skrajbd'), a. onbeechreven. —ed (-skrajd"), a. oeontdekt. Undesery ed (un-de-zurvd1, a. —edlv (-zurv-id.), o. onverad. onvardtend. diendheid. —er, a. onwaardlge. —log a. —ingly, ad. onwaardfg (of). Unclean'," ad (nn-de asjadi, a. —e ft (-sajn'td..), ad. onopzettetijk. —edness (-6hjald-), a. onopzettelijkheld. —tag, a. onopzettelijk; oprecht. Undeclr able (un•de-zaPribl), a. niet wensebeIük. —red (-zajrd'), a. onga w.necht. —ing, a. Wet verlangend. Unde epairing (un-de,peerneng), a. ntet wanhopend. —stroyed (-strojd'), a onvernteld. —tected (-tekt'id), a. onontdekt. —termined (-varm'ind), a. onbepaald; onbeettet. —reloped (-vel'upt), a. onontwikkeld. —rioting (-dt'vt-ee-tieng), a. niet afwilkend; standvaatig. —voted (-vo'titt), a. niet toegewijd (to). —rout (-vatit'), a. ongodvruchtip. Undied (un-dajd'), a. ongeverfd. Uadlgeet ed (nn-di-dzjest'id), a. onverduwd; on. verteerd. —idle, a. onverteerbaar. Undignified (un-dig'nt-fajd), a. condor waardtg• hrtd, onedel. Undiligent d zjent), a. tatag, nalatig. Undiluted (un-diAjoe'tic1), a, onverdund. UndluilnIsh able (un-di-min'tsj-lb1), a• ntet to verminderen. —ed (-WO, a. onverminderi. UodInted (un-dint'ld). a. ongeschtnder. 'Undirected (un-dl-rekt'id), a. niet gericht; sonder adres. Undia,ern and (un-die-enrnd'),e.—ed 7 y(-zurnild-), ad. orthemerkt. —ibles a. —ibly, ad. onbespeurbear, ntet to onderscheiden. a. old onderscheidend, kortzic It tie. Undis charged (un-clie-tsjaardzd'), a. ongelost; ntet ontsiagen; onbetaald. —ciplined ( ptind),a.tuehtelooe,ongeoefend.—closed(-kloozd'), R. ongeopend, Wet blootgelegd, niet geopenboard . —coverabie (-kuv'ur-ibl), a. islet to antdekken. —covered (-kuv'nrd), a. onantdekt
,ieekpaiin.--hork,h,,r1As. Holly r00a. —rose, cistusroosje. —tree, hoist. —wand, apitsroede. Hoists (hoolm), a. rivier-eilandje; ateeneik. 1Poloceinhat (hol'o-kaost), a. brandoffer. Holstet , (hoorstug), a. holster. holy (ho'iih), a. higlig. — cross-day, kruiRverher-day,zielliollitlity. —ghost, fleiligefleest. Heilige Land. —office, Inquisitie. —roodday, kruisverheffing. —rose, wilds sane. —thistle, gezegende distei. —thursday, henielvaartsdag. —water, NcOlvater. —waterpot. —wateratoek, wijwaterbak. —water-sprinkle, wijkwast. ,--week, Hog gerel .(hog'gur-il). —get (-git),.. tweeiarkg lige week (week soot Paschen). — writ, Heilige schaap. —gish, a. —gishly, ad- beestachtig, zwij. Schrift. nig; gulzig, vratig. —gishness, a. beertachtigheid, ',plunge (hom'idtj), a. hulde. a. huldi101, zwijneri,i; eigenbeat; vraatzucht. —r, a. huldiger. Hogshead (hogz'hed), a okshoofd, (hoone), a. hula, wooing, eigen heard; v. Holdcn (hopdul, a. boeroch, lamp, row. —, R. Home to huts; binnen 'a lands. long —, at —, derland. Wilde, rnwe mei* rows kerel, kinkel. —, v. n. (de) laatate woning. —, a. lints.; inheemach; 4101 stoelen, ravotten. duchtig. —, ad. huiswaarts; duchtig, rank, ter Mast (hojst), a. cspheffing, hijsching; broeking suede. —baked, huisbakken. --corn, —bred, in (Pence slag). —, v. a. opheffen, lichten; hijuchen, landsch; aangeboren; eenvoudig. —tuilt, in het ophijsche.n. land gebouwd. —department, department van Holty-t ► lty (ho,ftili-toj-tih), ad. huiterdetult. bInnenlandsche zaken, — driven, goed aangekomen uitgelaten. —, int. wet to drommel I (van eeu' slag). - example, famtlie-voorbeeld. Hold thoold a. vat, greep; houvast; steun; —expression, gepaste uitdrukking. —felt, innig scheepsrniin; bewarin g; hechtenis; sterkte; schazilIlevendigt gevoald. —jest, bijtende acherts. —keepto catch (get, lay, take) — at; hock; ruatpunt. —news, ing, thuiszittend. —made, eigengemaakt. to lay — on, grijpen, aangrijpen, vatten. —back. nieuws van hula; stadsnieuws. —office, mintaterie bcletsel. —fast, houvaat, kram; seek. —, int. van binneulandache zaken. —proof, krachtig behood op heimziek. NI' 8. —reason. gewichtige grond. —sick, Hold (lionld') [held], v. a. houden, hebben; be-, —sickness, heimwee. —speaking, kraehtige tart'. in - , ult. vaathouden; bevatten; 'louden voor; —spun, eigengesponuen, uit de hand geaponnen; ataande 'how:len; weerhoutien; bekleeden (een eenvoudig, lamp, grof. hnisplaats, —water, ambt). — an action, een process voeren-err. —thrust, genadestoot. waterdicht zijn. (back , terug-, aanhouden. (forth) bionic less khoorrtne.), a. zonder Vaderland; sonvoorhouden; aanbieden; voordra,9;en, (in) tegender thniskomen. —liness 1-11-neas), eenvoudig'louden; beteugelen. (oft) afhouden. (on) doorheld, grofheid, ruwheid. —ly, a. eanvoudig, plonip, zetten. (out) uithouden; nitsteken; aanbieden. row. —ward (-wurd), ad. huiswaarts. —ward(up) ophouden; ateunen. —, v. n. op-, stilhoubound, a. near 't vaderland bestemd, op de heden; dares zich staande houden; stand houden; rugreis. watt). (geldig, joist? zijn. — good, — true, ateek e (hom'i - sajd), a. manalag; doodsiager. houden; bewaarheid warden. (back)achterbli,jven, (-sardel), a. moorddadig. standhonden. (forth) preeken, vermauen. (from) Handl e0,Ie —caeca, a. preekend, afatammen; voortapruiten; afhangen; rich weervermanend; onderhoudend. —eties, pl. predik honden. (in) zich bedwingen. (off) afhouden; kunst. —ist `(horan-liat), a. kanselredenaar. —y ont , :cjjken. (on) (Ail houden, voortvaren; aanhou(hom'il-lilt), s. kauselrede. den. (out) dump; volhouden; uithouden. (to) aan- Hominy (horn'in-nib), a. maim-130,j, -pudding. kleven. (up) (Wind boucle(); ophouden. (with) het Ilommock (hom'muk), s. alleenstaande heuvel houden met, aan de zeekust. Hold er (hoold'ur), a. howler; leenberitter.—erlloinceoputh Ic (ho-mi-o-peth'ik), a. hoinceoforth, a. p -reeker; redenaar. —ing, a. pachthoeve; pathisch. —ist (-op'e-thist). a, homceopaath. —y invloed. thih), s. hoinceopathie. Hole {hool), s. gat; hol, kull. Homogene Al (bio-mo-dzji'ni-el). —ass, a. ge(hol'i-dem), a. ooze lieve Yrouw. dons Ilnll lijkaardig. —ity (-dzje-ni'it-tilit, —oneness, a. ge --day, a. heilige lag; feest-,vacantiedag; a. feeslijkaardigheid. a. —nese, telkjk, feest-, vacantie-. — ly, ad. heilig. homologous (ho-moro-gilk), a. evenredig. heiligheid. - nih). s. Zie 1Hlomlny. "Rolla (holne), Iloilo (hol-lo'), int. holla l —, a. homony (hom'un a. gelijkluidend homonym e, v. n. schreeuwen, roepen. geroep. —ass (ho-inon'i-mum), a. gewoord, naamgenoot. Holland (hoPlend), 8. flirt linnen. -a, a. hollandlijkluidend; dubbelzinnig. (ho-monii-mih), s, ache jenever. gelijkluidendheid; dubbelzinnigheid. Holt' tv (hoPlo), a. hol; vaisch. —, a. bolts, hol(boon), a. olieateen. —, v. a. op een' olielighaid; put, greet v. a.nithollen. -, eheeked, Hone steen nanzetten. met bolls wangen. —hearted, geveinsd. —netts, m. tioneut (ou'ist), a. —ly, ad• eerlijk; rechtschapen; holbeid; vfeetzal,, vets. - hen!, zwiipennueder. varkensluis. --pen, 7arkensgtat. —ringer. die varteri , 4 ringt.—'s•beuns,varkensbo , nen. — 's - bread, varkenstirood. --'s-cheek, varkenssnuit. —'s-ear, varkensoor (plant en schelp). — 'a - fennel, wilds venkel. —'s-grease, veuzel. —'s-harslets, varkensomloop. —'s-head, varlrenalcon. —'s-hearing, loos alarm. —'s - mushroom,ganzenclistel. —'s-pud ding, varkensworat. --'s-root, wilde veukel. —'s-akin, varkensteder. —stear, driejarig wild zwijn. —sty, varkenslrot. —wash, drat', spo,
11leasier (haoa'jur), a. aleeptouw. a. halt; geHalt (haolt'), a. wank, kreupel. v. n, hinken, mank gaan; stil houden; hink. welfelen. —ing, a. —ingly, ad. hinkend; aarzelend. Halter (haolt'ur), a. manke, kreupele; balster; strop. —sick, rijp voor de galg. —strap, haleterriem. —, v. a. met een touw !Auden; een' halster (een strop) omdoen. (haav') v. a. halveeren, in tweetu deelen. —a, e. pl. helften; half-vondst, half-part. to go —s with one, met 'emend halfdoen. 11am them'), s. ham; knieboog. —adryad (e-draj ed), a. boschnimf. —ate (-et), a. verward, ineengehaakt. —ated (-ee-tid), a. gehaakt, met baleen. llama (heem), s. haam (voor paarden). Hamlet (hemlit), s. gehucht. Hammer (hem'mur), a. hamer. clinch—, klinkhauler. set—, moker. —cloth, bokkieed (aan eene koeta). —hard, —hardened, met den hamer ge , hard. —head, kop van den hamer; hamervisch. —man, hameraar. —wort, hamerkrnid. —, v. a. & n. haineren, smeden; werken. —er, s. haineraar. litotramock (hem'muk), a. hangmat. —line, scheerWit. —rack, kooilat. Ilamons (hee'mua), a. haakvormig. Hamper (hem'pur), a. sluitmand; boot. top—, bovenlast. —, v. a. verwarren, veratrikken; in eene 'nand doen. Hamstring (henestrieng), a. kniepees. — [irr.], v. a. de kniepees doorenbden. ilanaper (hen'e-pur), a. schatkist. Hances (hen'aiz), a. p1. einden van elliptische bogen; gtllingen der regeltngen op de lichens van het roer. Hand (bend'), a. hand; schrijfhand; handbreedte; wijzor; kant, zijde; voordeel, overhand; wedstrijd. p1. menr.en (helpers, werklieden, enz ). -
WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Waar kan ik kopen goedkope Bitcoins


by land. wan a-eho n op het —, in the country. —card, nationality, character of auction, nation. —adel, country-gentry. —besehrijner. geographer. —beschrijving, geography. —trestour, government. —hemmer, country-man. —Ses000nster, countrywoman. —heart, posseesion of land. —hezitter, lend-holder. —bode, deputy, representatiee —Coosa, agriculture, husbandry. —Sooner, hueheadman. —bousokundo, agriculture, husbandry, rural economies.—houwkundie,agri cultur el;versed (skilled) in husbandry. —kundige, agrteuntuhat. —day, azsembly of the states, dist. —deice*, country-dean. —dekeneehap, rountry-deanship. —dief, embezzler of public money. —dier, land animal. —dieverii, embezzlement (of public money). —drost, sheriff, high-bailitf,governor. —droatamht, office (district) of a sheriff, eheritalty, bailiwick. —edeiman, country-equine.—einenaar, —eigenares, lend-holder, land-owner. —eigendcm, landed property. —eeple, isthmus, neck of land. —gedicht, georgic, pastoral. —genoot, (fellow-) countryman , countrywoman, compatriot. —gereeht, country-court. —fies000nte, custom of a country. —goed, estate, country-seat. —gracle, landgreee. —graateetstip, landgeaviate. —gravin, lendgravine. —key, landlord, lord of the manor. --aoere, farm. —hula, country-home, villa. —hulahoucikunde, rural eeenotny. —hulehoodkundio, of rural economy. —hoer, land-rent. —Amadei., farmer. —jeend, young country-people. —jonfcer, country-equine. —jvifer, country-laey. reins. —Icaart, map. --koorls, fever prevailing in the country. --krah, —rot, landloper, landlubber. —leven, country life. —lieden, country-people. —looper, vagabond, stroller, —louper0, vagabondry. --loopster, vagabond, gipay. —macht, landforces. —man, country-miss, peasant. —nteetkende, surveying, geometry. —nseetIcasndig, geometrical. —meetkundige, geometrician, —meisje, country-girl. —meters, surveying. —meter, surveyor. —militia, militia. —mute, country-mouse. —peat, boundary, limit. —palen, frontiers. —pacht, quitrent, landrent. —pachter, farmer, tenant. —pinup, plague, scourge, public dietreas. —read, provincial counsellor. —recta, common law, law of a country. —rechter, country-jedge, sheriff. —rats, journey, travel by land. —7(11c, landed, having landed property. —.Melding, boundary. —school, country-school. —schrijyrr, 8,retary to a provincial administrator. —slot, safe harbor. —made, taste peculiar to a country; taste of the soil. —soldaat, land-aollier. —wreak, idiom. —steed, inland-town. country-town.. —storm, gailCral levy of the people, posse. —Week, district, country. —taal, lenguage of a country, vernacular tongue. —tong, neck of land. —railing, sie lientertverkeettiivan. —verhuirer, emigrant, —vcrhuizing, emigration. —verkenning, I,nd-fall; recoannitring of the land; — !When, to hove anode the lend. —vetmaak, rural diversion, — anasement. —rented, high treaeon. —verrader, traitor. —vluektig, fugitive, vagrant. —vIveAtiOeid, fegitiveners. —yolk, country-people. —voogd, governor. —.IV dee, governess. —roogdir, governorship, bailiwick. —vrouto, landlady, lady of the manor. —vroelsten s

Biedt Apple accepteren Bitcoin


tone, sound of the harp. —en, ov. w. to riddle, to sift. —enaar, m. Zie 111111,pti , v. harpy, vixen, shrew., scold. Ilse lssio, o. tow. Illerpoen, m. harpoon. —en, °v. gyp'. to harpoon. —ier, to. harpooner. Ilwrpni a;, o. stuff to pay a thip'e bottom, resin. —eon ov. w. to pay, to great. lilikarreveAr der, m. wrangler. --ran, on. w. to weaegle ; to squabble. —reril, v. wrangle, wrangling, jarring. Hare, v. & a. resin. —boom, pine-tree. —achtig, by. eeeinous. Inered, m. loin of beef, .sirloin. o. heart; breast, boeolc; mind, spirit, c ourage, mettle; affection, core: dead, midst. het — hebben, to dare. can het — (ler —e) 9,..an, to give concern, to have at heart. ter —e ',cozen, to take to heart. van — e, sincerely. von ganecher —e, with all one 'a heart. —ader, great artery, aorta; nerve. —brekend, heart-breaking. —grondig, be. heart-felt, sincere; be. !coin the bottom of the heart, sincerely. —learner, ventricle. —klopping, palpitation, heart-beating. — kolk, —putjr, pit of the heart. —kruid, nrther-wort. —humid disease of the heart. —lap. darling. —coerced, affecting, pathetic. —sterkend, —eterking, cardiac/O., cordial. —yang, fainting-fit, qualm,syncope. --ye ...hefted. heart-stirring. --verseheuren,d, heartrending. —vinger, middle. finger. —sakje, heart'spurse, perizardium. —seer, ;;clef, sorrow, heartache. —.senate, heart-ntri ► g. —ebloed, heart'ablood. —edief, darling. —eleed, heart-break, sorrow. —elect. heart's desire; near to heart's —evlies, pericardium. —ep(in, coutent. heart-ache. grief. —etaal, WOM8 from the hart. — evrienci, bosoms-friend. —ewer, grief, Borrow. —eweneeh, heart's dee:re. —eyeheim, secret of the heart. lone-secret. --stotht, nasaiori. —stoehtelijk, & bw. paaoloncte (-Iy). --stochtelijkheid, pessionate... —manger, hanger, dagger. —avriendin. eiveet•heart. etbk, by. aL bw. hearty (-ily), cordial (-ly), —elijitheid, v. heartinrea, cordiality. —eloos, be. & heartleea (-ly). —el000livid, v. heartieseeesa. Herten, o. me. heart, -- seven, sevea of heerts. —arts, ace of hearts. —boar, knave of hearts. —beer, Ides of heavta. —vrouw, quota of hearts. linpttsg, be. stout, robust, hearty; saeory, reiish-laid, v. heartiness; savorinees. o. heart, middle; dear. --snag, day for rabbit- hunting. Hasped, na. reel, windie; wir dim; turn-atile; eound-post; entangler, dolt. --oar, en. —.refer, tr, reeler, eoinaer, benglar, dolt. -en, 0, & on. c. to reel, to wind; to eheille, to bunale; to wrangle (over, on). --comae, roe!. —werk, bungling, bungle. —ling., v. reeling; wrangling. Illeasetattes en, on. w. to wrangle, to jangle, (on). eri,;', v. wrangling„ jangling. bv. & ow. hateful (-1y), odioue (-1y). —held, ;:aterulness, odionenems. lint eta, sac. w. to hate. —er, en hater. lints, v. good, property, fortune. varende (tilbare) —, reoveelea, pereonat property. levende rattle. --love, be. & bw. indigent; ragged (-Iy),

—genereal,lieutenant-geheral. —eplaate, lieutenancy. Luiame, ov. w. to louse; to drain (a. o.'e puree). —kens, dandruff-comb. —kramer, old-clothes-man. —markt, rag-market, rag-fair. —pleeht, beak-head. —sail, ointment against lousiness, mercurial onguent; idle talk. Lulaig, be. lousy; paltry, mean. —held, v. boostnew paltriness, meanness. Leak, o. luck, chance. — el cask, —raak, bw. hit or miss, at random, at hap-hazard. —Odin, Fortune. --seer, propitious star. —ken, ern. w. Zie Gelukken. Lui, In. fore-stay-sail. —, v. mouth of a pump; bib; eneking-bottle —leman; workman that directs the ripe of a fire-engine; idle talker. —leAlp, hag-pipe. —len, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to drink out of a bib; to prattle, to talk nonsense. Lesusme, v. loin (buttock) of beef. lLunansell, In. simpleton, dolt, lob, lob-sock. —.Fatly, be. & by. clownish (-1y), doltish (-1Y). —achtigkeid, v. clownishness, doltishness. Lumtner korai, ra. —stab, o. Zie Lumme. Lucre, v. linch-pin. Lunzea, ov. w. to put a linch-pin to (a wheel). Curl, v. wooden trap to catch finches. b(j turves pakken, to lay hold of, to collar. Lurk en, on. w. to suck. —er, m. eucker. Lua,v. Zie Lis. Lust, m. desire, fancy, inclination, mind; lost; pleasure, delight. — hebben, to have a mind. —botch, grove, shrubbery. —aof, —warande, pleasure-ground. —huis, country-seat, villa. —prieel, bower. —riak, delightful, charming. —slot, castle of pleasure. Lusteloos, be. listless, heavy, dull, dejected, down-cast. —held, y. fitness':els, heaviness, dullness, dejeetednese. Lusters, ay. on. w. to litre, to have a mind (for), to please. Pearce —., to be a lover !Lustig, by. & ow. merry 1-ilyl, cheerful (-ly), jovial (-1y), lusty (-11Y)i greatly, roundly. --, taw, courage! cheer up! —heid, v. merriness. chserfulnees, joviality, lustiness. 1Lestje, o. little, bit. ILEniteL b.. & be. little, few. Cum', v. Zie Luber. Luis.. hr. sheltered; lee, leeward. —en, on. w. to cease blowieg, to abate. —in, v. shelter; in de —, sheltered.


men. —er, s. bealaglegger. ..-t, a. gerechteitia bealag.. Distress (dis-trees'), a. ellende, rampapoed, nood; in-bee.ag•nerrang. v a. in ellende(000d) dompelen; in beslag nemen. —fat, a. —fully, ad. rampspoedig; ellendig. —iny,a. kwellend, treurig. Distribut e (dia-tribloet), v. a. ultdeelen. —er, a. uitdeeler. —ion (-tijoe'ejun), s. uitdeeling. —ire, a. —ively, ad. uitdeelend. District (die'trikt), a. rechtegebitd, distrikt, Distrust (die - trust), a. wantrourven. — , v. a. wantrouwen. —ful, R. —fully, ad. wantrouwig. —fulness, s. wantrouwigheid. Disturb (dis-turb), v. a. verontrusten, storen, verwarren. —ance, a. opschucling; storing; verwarring. —er, a. veratoorder. Disunion (dis-joen'jun), a. reheiding; oneenigheid. Disunit e (dig-Joe-112M, v. a. vaneen seheieten; 

eris x cryptogeld


Glimp„ m. color, veil, gloss, pretext, glimpse. --lash, hypocritical mile. —lachen, to smile hyoocritieeliy. —ig, by. epecious, plausible. eiltuster, as. glittering, sparkle. —en, on. w. to glitter, to glister, to sparkle. —worm, glowworm. — ig, by. & — ins, v. rlittaring, glisterhg, sparkling. G Hating., v. trellis, espalier, G lip, tn. sGt. —pen, ov. w. to slit; on. w. to slip, to steal away. —per, nt. deserter. —ping, v. slitting; slipping. Gin bra, v. globe. —Coal, on the avevage, rough. teloed, ro. glow, glowing heat, — embers, flame; ardor, gloss. Gieeet saes , ay. w. to make red-hot ; on. w. to glow, to be red-hot. —Mite, Blowing-heat, ignition. —oven. annealing (ealcineting) filen/kite, Meer. —etaat, state of being red-het —end, by. glowing, burning, red-hot. —ing, v. glowing; burning. Gloiell en, on. w. to slope. —cad., be. sloping. —lase, v. slope, elopement. (hoar, in. lustre, glow; glory. o. entail alley, lane; gap. Giverete, on. ve„ to shine, to glimmer, to glitter. Georle, v. glory, fame, lustre, splendor; nimbus. —TO, glorious. —zucht, ambition. —zuchtig, ambitious. Woe, Glosse, v. gloss, marginal note. —sera makes op, to gloss Upon. G istip, Y. trap, suave. de efeur stoat op et. -. the door is ajar. ter —a, eteOthily. —en, on w, to peep, to leer, to sueak along. —en, m. —end, rn. sneaking fellow, 'sneaker. —itch, be, false, eneaking• litter eta, on. w. to leer, to eye, to peep. —jag, v. leerieg, peeping, ,4pyleg. Giant- der, m. —ster, v. peeper, eye:, spy. Geed. m. God, god, em wit, for God's eske, for God a mercy. —dank, tow. — 10j, tow. thank God ! God ha praised ! —geleerd, theological. —geleerde, iheologiet. divine. —geleerdheid, theology, divinity. --sewifti, sacred,, hallowed. —lievend, pious. --loochenuar, —looehening, at helm. —nonseh,God-roan.—spraak, oracle. —rergeten, igepious, reprobate, desperately wicked. —verzaker, atheist. —vereoting, arheiena. ---rreezend,—vruchtig, pious'(-ly), devout (-Iy). •--vreeeendheiel, —rruchtigheid, piety, devotion, --vaig, godly, blessed, pious (-ly), devout (.1y). —talighed, godliness, blentdeese, devotion —e. behaagtilik, pious (-lye —ewoardig, worthy of God, godly, —endrank, me net.. —engedacht, race of god,. —euleer, mythology. —ensp)jI, ambrosia. —abode, divine messenger. —edienai, religion ; —haat, religious hatred ; ra;lgiouo zeal; —lecraa,„ clergyman, neiniater of religion; —onderwijzer, teacher of religion ; —eefening, dteine service; —.Hog, religion-war; —vrijaeid, religions lieerty. —sdienstig, religious (-ly), devout religiouenese. —8dracht, (-4). —edienetigheict procession,. —agave, gift of God. —ageriekt, —oordee, ordeal. —speeant, divite messenger. —.We, hospital, asylum; house of God, temple. —earteraar,, blasphemer. —slastering, blasphemy, —alusterlijk, blasphemoue (-ly), —mooed, (Weide.
Arbooken, ov. w. to book, to enter. Afboesann, ov. w. to rub Ito scrub, to brush) off; to drive a way., Arbooten,ov. w. toatone for. A fb urgen, or. w. to borrow (from). Afbortatelea,or. w. to brush off, — away. Afbottelen,ov.w. to bottle (off). Afberenk, v. pulling down, demolition; rubbish, materials. voor for dernoliehing, for rubbish. Af bras/den, ov.& ou. w. to burn (down off). Afbrek en, or. w. to break off; to pull down, to demolish, to strike; to interrupt, to stop, v. lireeking off; pulling down; rupture. Afbreuwei.a, or, w. to bring off, — down; to dissuade (to divert) from; to set afloat &pin; to *aye; to coins off. Albs euk, v. wrong, injury, damage, prejudice. -- do., to wrong, to injure, to hurt, to damage, to prejudice, to derogate; to hares. Albrortalafers, or. w. to patch up. All.unkkal en, ov. w. & cat. w. to crumble down, — off, to scale elf. —ing, v. crumbling off. Albs, limber., On. W. to tunable down. Affiltek, o. pent house, pentiee, shed. AfriAll en, on. w. to go (to cone) down, to de. acen.i; to condescend (to). --ing, v. ile,Canf; condeacemion. Afrionineen, or. w. to keep cif by a dike; to datn up, to embank. Afdonnik en, or. w, to discharge. to discard :, to dimnies, to cashier, to diebriol; to ivy up. —tog, v. dnicharge, &emit:Ise!, diebandintr• Afdret *,/11, or. W. to divide, to close, to parcel out. —fog, v. dividing; dieter., section, ;bragraph, head. Afdehxzen, on. w.to withdraw. to retteat. Aidekken, or. w. to uncover; to clear (the table); to helabor,to drab. Aiding en, or. & on. w. to , heapsn, to abate, to beet down the price, to haggle or. —sr, m. —slur, v. c heapener, haggler, bergainer. Arcing., ov. w. to put (to 'strip, to pluck, to tyke) off; to w ipe off, ;o clean; to bring to a cove, to put an end to, to terminate; to rumble; to clear, to pay off, —d, be. derisive. —ing, v. tnking off; eettlement„ clearing, liquidation, trAnnnction. Ald ► kkest, on. w. to come down. Aldermen, cn w. to wither And fail off. Afdranien, ov. w. to turn (to wring) off; to finish on the lathe; on w. to go off. Aldragen, or. w. to carry down; to Wear off, — out. sec* t. w. to cease bearing fruit. AfdrUs, en, ov. w. to drive away, to repulse; to invite. to Anterite, to provoke aciortiou; on. w. to be driven off, to float dotes. —end, by. glisten/tee, abstereent. — ing, v. driving &wily, e'rsterston; floating down. AldrIngea, or. w. to push off, — down. AfdrInken, or. w to drink off; to drown (a quarrel). taut 0718 het —, let Un make it up over a bottle. Aldrrsgen, or. or to wipe off, — dry, to dry up. Afdruipen, on. w. to drop (to drip, to trickle) down. to drop off; to steal (to slink) away. Afdruk, m. copy; print; mark. —ken, ov. w. to 13
Coinbase has lost my money twice now. Once was due to an old account that, thanks to a bug in their verification process, I cannot re-authenticate. I bought 1 bitcoin back when they were only about $50 each with Coinbase. That money is gone forever now. And I acknowledge that it’s my fault that I did not set up a forwarding email with Coinbase, their support just refused to help. The second time was a month ago. I made a trade on Coinbase, and for some reason, the app glitched to think I have 5x more money than I actually… Read more »

Heeft Coinbase gebruiken Blockchain


Undated! (un'dee-tid), a. gelvend. f-deelid), Underground, a. ondereardech, —, a, (Mere. ongedateerd. zorder degteekening. aardsche rultzte, hot. Undaunted (un-daant'id), a. ad. onveraaagd, Undergrowth, s kreupele, hakhont. onverschrokken. —nese, a. onvereaagdheid, on- Underhand (-hand'), —ed, a. onderhand,ch, betverachrokkenheld. neelijk, elinkscb. —, ad. ondershandm, heinnelkik, Uedazzlnai (un-dez'zld), a. osaverblind. ter elnik. Undebanehed (un.de-baotsjti, a. onverleid. Underfeed (un-de-rajvd'), a. onefgeleid. Undeengon (uredere-gon), a. elfheek. Under:law, a. onderkaak. Uncle cayed (un-de-keed'e a. niet vervallen; Underkeeper (-Ittep , ur!, s, nnderopzichter. verwe(kt. --caging (-kee'ieng), a dnurzeam. Underiaborer (-lee'bur-tar)„ a. handlanger. —ceire (•ploy'), v. a. uit de dwating helper, —tided letnetriay (-lee') [err.]. v. a. onderleggen; stutten, (-ear-did), a. onl, ealist.—cipherable seeNgen. —er, a. onderlasg, stutbalk. a. net ate outcijfeten, Undarlease, as. onderpacht, onderhuur. Undteck (un-dek'), v. a. von sieraad berooven. Underleatitee (-leth-ur), a. onderleder. Undecorated (un-tlek'ur-ae-tid), a. ouversterd. (Jndorlat (-let') [ire.], v. a. onder de waarde Undedicated (uneted'i-kee-tid), a, niet opge- verhuren; onderverhuren, —ter, a. onderverdragen, niet toegerijd. huurder. Unde faced (uu-de-teest.')., a. enveeminkt; niet Underline (-lajn'), v. a. onderatrepen. vernietigd. —fended (-fend'id), a. onverdedigd. Underling, a. ondergeschikte; zee akkeling. —filed (-tajld'), a. onemlekt. —fined (-fajad.'), a. Underlip, a,. anderlip. onbepaald. —flaurd (-flartrd'). a. ongerept; onver- Undermastur (-maasnur), s. ondermeNster. welkt. —formed (-formd'), a. ntet rnismaekt. Undermine (-main'). v. a. ondermijneu. —r, a. —frayed (-freed'), a. onbetaald„ niet gedekt. ondermijne.r. —graded (-gree'did), a. onverlaagd. —jected Undermost, a. onderat. (dzje.kt'id). a. niet neerelachtig. --liberated (lib'- Underneeth (-ntetti'). ad. & pap. ender, bens den. s. onderofticier; enderur-ee- tide. a. onoverlegd, ondoordatht, —lighted Underollicer (lajt'id), a. niet verheugd. —tiehteea (-lajt'foel), ambtenaar. a. onaaegeneam enbekoollijk. —monstrable Underogatory (un-de-rog'e-tur-r1h), a. nlet ma(-mon'stribl),ea.onbewijebaar. --viable, a. — niably. deelrg, onschadeltik (to). ad. (-naj'ibl), onloochenbaa, ---elered(-nloord'), Underpart, e. ondete7n1; cedergeschikte rot; a. onbeweend. —graved (-precvd'), a. onnedorven. ineschenbedrijf, Underpelticoat (-pet'ti-koet) a. onderrok.. —lorived (-prajvd"), a. onbereofd, Under (un'dur), ad & pru. onder, beneden, min- Underpin (-WV), v. a nutter), schragen. —rang, a. onderbouw, fondament. der dan. — age, 11,htderjarig.- color, onder veor- wendeel. far-or, onder verbetering. — pain, op Underplot, a. tueschenbedrijf; heimelijke aandog. straffe. —, a, onder, beneden, onderreechikt. Wear. in de volgende eamenatellineen. de uit- Undeirpralae (-preez"), v. a. niet genoeg prijzen. spraak niet is aangewezen, clear heeft or. den Underprice, s. apotprijs. Underprize (-prajz"), v. a. to laag tschatten. kierntoon. Underattion (4It'ejun), a. ondergeschikte hen- Underprop (-prop'), v. a. stutters, schragen. deling. Underproportioned (-pro-poot'sjund), a. onevenredig. Underage, a. minderjarigheld. Underbear (-beer') [ire,], v. a. verdregen; voe- Underrate, a. paija onder de waarde. —(-reet'), yen. —er, a. lijkdra-er. v. a. ender de waarde aehatten. Underbid (-bid') [ter.], v. a, minder bieden don. Underrun (-run') [ire ], v. a. onder can tore Underbind (-bajnd.') [ille], v. a. van onderen halen; lesmaken en in orde brengen. Underscore ( eknor'), v. a, onderettepen. Undersell (-sell') [irr.], v. a. ender de waarde Underbred (-bred'), a. elecht opitevoed. verkoopen; lager verkoopen dan. Underbru9h, a. kreupel-. helchout. Undereeryeent (-surv'ent), a. onderbediende, Underbutier (•butlur), a. lrelderkne,ht. Underbtry (-baj') [err ], v. a (tinder de It aarde aandrager. e. onderzeeache etroom. —(-set'), v. a. konpen; voor minder koopen data. stutten. sehragen. —ter (-set-tur). a etut, echoer. Underciennter (.tejeenfur), a. onderztenger. Undersherill (-aJeelf), a. onder-sherit. Underelerk, a. onderklerk. Undershot, a. met onderalag. Undertook a, ouderkek. Underchrub, a. lege strulk. Undercrial, s. onderaardsch gewelf. Undercut, -nt (-Ituereet). aa. benedenetroom. Undersign (sajn'), v. a. onderteekenen. (-doe') [ire.], v. n. to weinig doen. Undersized essjzd'),a.teklein. ► Under dr Undersong, s. koorgezang —done ( dun'), a half gedaan, nlet gaar. Underdrstin, e. onderaardsche waterleiding. — Understand (-stead') [ire.], v. a. & n. verstaan, (-dare..'), v. a. droogleggen. begrijpen; vememen. to give to to kennen Underfeilrew (-fele), a. gemeene keret; ender- geven. —leg, a. verstandig, oordealkitudig; s. geschtkte, handleneer. verstend; veretandhouding. Undergo (-go') [ire.], v. a. ondergean, verduren. Understrapper (-strep'pur), a. ondergeschikte. Undergraduate (-gred'joe-et); a. student zonder handlaztger. Undertak • (-teak') [tar.], v, a. ondernemen; greed.
men. —er, s. bealaglegger. ..-t, a. gerechteitia bealag.. Distress (dis-trees'), a. ellende, rampapoed, nood; in-bee.ag•nerrang. v a. in ellende(000d) dompelen; in beslag nemen. —fat, a. —fully, ad. rampspoedig; ellendig. —iny,a. kwellend, treurig. Distribut e (dia-tribloet), v. a. ultdeelen. —er, a. uitdeeler. —ion (-tijoe'ejun), s. uitdeeling. —ire, a. —ively, ad. uitdeelend. District (die'trikt), a. rechtegebitd, distrikt, Distrust (die - trust), a. wantrourven. — , v. a. wantrouwen. —ful, R. —fully, ad. wantrouwig. —fulness, s. wantrouwigheid. Disturb (dis-turb), v. a. verontrusten, storen, verwarren. —ance, a. opschucling; storing; verwarring. —er, a. veratoorder. Disunion (dis-joen'jun), a. reheiding; oneenigheid. Disunit e (dig-Joe-112M, v. a. vaneen seheieten;

eris x cryptogeld


teas, ticklishness. —tonoig, delicate. —ig, be. Kireitdinatee, v. cuetrm. m. sound; accent; noise; reputation. — ticklish. —igheid, v. ticklishness. Wittig, be. spruce, smart, brisk. —heid,v. spruce- &vex, to mound, to resound. —bard, sound-board. —mast, prosody, rhythm, meesure.—naboottend, net., emartnees, briskness. Klangeschtleg, be. plaintive, lamentable, quern—wooed —.bootaing, onomatopoeia, —When, Recent. —eerdoover, sardine, mute. ions. —held, v. plaintiveness, queralousness. Kiang hula, o. houteofmourntrg. —lied,—rang, KInut, m. customer; boon companion, chap, mourning song, dirge, lamentation, monody. blade, —psalm, penetentiary psaloa. —cede, complaint, Map, m. blow; stroke, elan, snap; idle talk, lamentation. —schrift, complaint, remonstrance. chat; clapper; tie Klep. op den — loopen, to —stem, plaintive voice. —tours, lamenting (plain- go a-spooning. —beentjes, —hostjee, castenete. —bee, goose berry. —brug, draw•beidge. —geld, tire) tone. —vroute, mourner. Kiang Mk, be. & bw. plaintive (-1y)., larnan. watchman's chattei. —hek, gate that shuts of itself. —host, gave.. —looper, smell-feast, spun• table (-bly). —tier, v. Zee Wager. Klanr, bv. clear, plain, evident, manifest; ready. ger. —mute, riding-cap; Nailer '13 cap; corner in - bw. clearly, evidently. —blUkel(jk, bv. & bw. a draw beat. —ore, clap, venereal tumor. —race, wild poppy, corn -peppy. —ape., mill-clack; evident (-ly), obvious (-1y). dense, obviouesees. —leggen, —makes, to set (to informer, tell-tale. —stok e farater's calendar. put) in rename., •to make ready, to prepare. —tofel, folding table. —tour°. whip-cord. —rites, —steer, to be ready. —sehilnend, bright, shining, valve, tractile. —waker, watchman. —wicket., to luminous. —eieade,eleas-eightea.—heid,v.ei6ar- clap the wings, to flap. —acktig, be. talkative, garrulous, nese, evideece. K lappet, v. gossip. —en, on. W. to gossip. Klee*, tn. ninny, dolt; w ooden mug. Kleelst, v. complaint. lamentation; commitoion Kteppen, so. & on. w. to clap, to smack; to to hear complaints. eene — inbrengen tegers, chatter, to prattle, to prate; to blob (out), to to complain of, to lodge a complaint against. conies.; to inform, to peach, to impeach. in de —ig, be. complaining; — rotten over, ti, sum- handen —, to clap the hands. Ktnpper, m. clapper; tattler, prattler, blabber; plain of. Kind, v. stain, spot, blot; roagh-draught, sketch, informer, tell-tale, peacher. —boom, asp, aspenminute; calumny, espersion; dirty slut. de — tree; cocoa-nut-tree. —.tan, watchman. —soot, trenyen in, to undersell, to depress the market cocoa-not. —olie,poppy-trii,coeoa -nut-oil. —tanof to bring down the value of. bij de —den den, does —, to make one 'al teeth chatter. AU krifgele, to get by the ears. —den, ov. & on. w. klappertandt, his teeth chatter. —en, on. w, to to 'stain, to spot, to blot, to coil; to scribble, rattle, to chatter. —ing, v. rattling, chattering. to scrawl; to undersell. --bock, waste-book, —4, v. chitchat, babbling. memorandum. —papier, blotting-paper. —schil- Klerers, ov. w. to clear; to settle, to wind up; der, dauber, scrawler. —schilderes, to daub, to bring about, to manage. to scrawl. —schilderil, daub. coarse painting, Klerigheld, v. readiness, preparations. —. makes, —seArkiver, scribbler. —schnld, driblet, petty to get ready, to prepare. debt. —werk, dawning. —debater, spoiled butter; Kleirinet, v. clarinet. Marling, v. clearing; clarifying, clarification. slut. Kladder, in. dauber, screwier; underseller. —ip, Kinroeni,v.clarion. be. Zie Kieaddtg. —0, v. daubing, scrawling; Kinsale, v. clam Kiefer, v. rattle. —en, on. w. to rattle, to clatundersallivg. Iiteddig, be. stained, blotted; nasty, sluttish; ter. Ktatergottd, o. tinsel, Dutch gold. dirty. —hid, v. nastiness, dirtiness. lli.losater sear, m. climber, clamberer. —en, on. Kindster, v. Zie Madder. King en, ov. & od. w. to complain (of); to la• w. to climb, to clamber. —Taal, combing pole. : o discover —lag, v.1011mbing, clambering'. meat; to sue at law; sign pond one 's distress, — one 's heart. —end, be. corn- Klanw, M. clew, clutch; pew, pounce, talon; planting, plrinti te. —es, me complainer; lamenter; hook (vane. ariker), weeding-hook; scratch. —en, ov. w. to claw, to scratch, —er, m. chimer, yeatntiff. scratcher.—lag, v. clawing, seratching. Kink, v. spot; crack; opera-but. —kebue, cracker, pog eun. —kelooa, be. & bw. oudden (-iy), unex- Kleivantobnerter, in. calking-hammer. pettedly; week (-1y), coward (-1y); witeout h itittveetros .seal, v. —bel, v. harpsichord. sufficient reason. —ken, ov. & on. w. to spot, to Klawcer, v. clover, trefoil; clubs. —tied, cloverleaf; trio; card of clubs. —dock, canvaes. —Aooi, blot, to dirty; to grove dirty; to crack. dried clover. —jaelen, to roll in the grass. IK.teloro, be. clammy, moist, Kinmafti, m. horsing-lion, calking-iron. en, clovered. —veld, —weide, clover-field. —sand, clover-seed. ov. w. to calk. Rhine &tattle', be. rather clammy, — moist. Kinsmress, v. me. clubs. —zeven, seven of clubs. —held, v. ellitriglille361, --ate. ace of clubs. —Goer, knave ofclubs.—Aeer, K le rep, m. clamp; cleat; heap. —en, ow. W. to king of clube. —vrouw, queen of clubs. —, on. w. clamp; on. w. to cleave, to 'stick; non beord —, to clamber; to grate in clover. to grapple and board, to fall foul upon; to Kiervierig,bv. elovered, cloeery. Klnyleg, o key-board; harpsichord, piano. accost.
nt, a. opEdema loos (e-dem'e-tua), - lose, a. gezwollen, len. —nee (-lens), a. opbruitiet. bruisend; ziedend. zuchtig. Effete (ef-ilet")., a. afgeleefd; onvruchtbaar. Eden (le'dn), e. Eden. lusthof. ad. kracht—ly. Efficacious lef-fi.kee'sjus), a. (-te—ions (-test-id), Edenta te (e- den'tet), —led dadig; afdoend. —near, a. krachtdadigheid. lus). a. tancleloos. —tion (i-den-tee'sjun), s. nitEfficacy (efli-ke-ath), a. krachtdadigheid; aftrekking der tendril. doendheid. Edge (edzj'), a. scberpe kant, rand, zoom: anede; hevig verlangen; vinnigheid. to set the teeth on —, Efficien ce (ef-ffsrens), —cy, a. werking, krachtdadigheid; werkende kn.cht. —t, a. —tly, ad. de tanden eggig maken. to put to the — of the uitwerkend. —t, a. uitwerker; werkende oorzaak. sword, over de kling jagen. —tool, snijdend werktuig. v. a. acherpen; women, omboorden; Effigy (ef-fld-zjth), s. beeltenis; afbeeldsel. aanzetten. (in) Ineehuiven. (off) den acherpen Efflate (ef-fleet'), v. a. ophlazen. kant benemen. (on) ophitsen. v. n. zijdelinge Ellioroncen ce (ef-flo.res'sene), a. uitbotting, bloeiing; huidontsteking. —t, a. bloeiend; uitvoortdringen. (assay. off) afhouden. (in) with a bottend. ship, langzaam afvaren op. (over) to shore, de knot volgen. —d. a. acherp; gerand. a. Efllueu ce (al:toe-ens), a. uitvloeiing; voortvloeiing. —t, a. uitvloeiend; voortvloeiend. sot. —long, —ways, —wise, ad. op den kant Effluvium (ef-floe'vi-um ► . a. uitvloetael. *chub.; van ter zijde. Edging (edzjleng), s. zoom, boordsel. —skirt, Efflux ‘ef'fluks), a. —ion (fluktejun), a. uitvloeilag; uitwatteming. zoom van een zeal. — of the land, kromming Effort lef'foott), a. poging; inapanning. der kust. Effossion (ef-fosj . ua), a. uitgraving. Edible (ed'ibl), a. eetbaar. Effrontery (ef frun'te-rih), a. onbeschaamdbeid. Edict (i'dikt), a. gebod, atkondiging, edict. Edification (ed-i..fl-kee'sjwa), a. stichtiug; onder- Effulge(ef-fuldzy), v. n. glinsteren.—nce (.dzjena), s. glinatering. —nt (-dzjent), a. glinsterend, richting. blinkend Edif icatory (ed'i-fl-ke-tur-rih), a. stichtend. (410'6), a. tot Effus e (ef-fjoezi, v. a. uitgieten, uitstorten . —ice (-lis), s. gebouw. —ion (-zjua), a. ultatorting; kwietigheid; onteen gebouw behoorend. —ier (-faj•ur), s. boobumming. —ire (-sty), a. uitetortend. wer; stickler. —y (-faj), v. a. opbouwen; stichten. —ying, a. atichting, onderrichting; —ying, a. Eft (eft'), a. hagedia. —, ad. vervolgena. —soont, ad. spoedtg daarna. —yingly, ad. stachtelijk, leerrijk. Egad (e-ged'!, int. zeker! Edile (Pdajl), s. bouv,Iteer; aedilis. Edit (ed'it), v. a. uitgeven (boekworken), —ion Eger (ie'gur), a. springvloed. Egestion (e-dzjea'tj , in), a. uitwerping; lazing. —or, s. uitgever. (e-disrun), a. uitgave; druk. —shell, eier—octal (-to'ri-e1). a. eene uitgave (een' uitgever) Egg (egg') a. ei. —cup, eierdopje. oud el. wind —, schaal. addle —, vuil ei. stale betreffend- —orship, a. uitgeversehap. windel. —, v. a. aanzetten, ophitsen. Educat e (edloe-keet), v. a. opvoeden. —ion (-kee'sjun), a. opvoeding. —ional (-kee'sjun-e1), Eglantine (eg'len-tajn), a. egelantier. Ego tism (ie'go-tizm), a. zelaucht, eigenbaat. a. opvoeding betreffend. —or, a. opvoeder. —list, a. zelfzuchtige. —tiatic, —tistical, (-list' Educ e (e-djoes'1, v. a. uitbrengen; uittrekkeu ik-I, a. zelfzuchtig. —list (-tajz), v. n. veel van (from). —tion (-duk'sjun), a. uitbrenging; uitzich zelven apreken. trekking. Edulcora te (e- durkur-reet), v. a. zoet maken; Egregious (e-gri'dzjue), a. —4, ad. voortreffelijk; ongemeen. —nest, N. uitnemendheid; ongezuiveren. —lion (-ree'sjan), a. zoetmaking; zuimeenheid. vering. Eel (tel') a. aal. § —grass, zeegras. —pie, aal- Egress (Pgrese, e-green'), —ion (e-gresrun), a. uitgang. putt. —pout, puitaal. —spear. elger. Egret (Pgrit), a. reiger; reigerveer; dons (van Elfable (erlibl), a, ultsprekelijk. diatels). Efface (ef-feet'), v. a. ultwleschen; wegvagen. Effect (ef-fekt"), a. uitwerksel, gevolg; bedoe- Egriot (i'gri-ut), 3. morel. ling; wezenlijkheid. in —, inderdaad. of no —, Eider (ardur), a. —duck, eidergans. —down, eiderdons. zonder gevolg. to take —, slagen, werking doen. to this —, tot dit einde, —a, s. goederen. —, Eigh (eej), int. he! hal v. a. bewerken, te weeg brengen. —isle, a. nit- Eight leet'), a. acht, —een (ee'tien), a. achttien. eenth (-tienth), a. achttiende. —fold, a. achtvoerbaar. —ion (-feleelun), a. gevolgtrekking; voudig. —h (eettfo), a. achtste. —hly, ad. ten probleem. —ire, a. —irely, ad. krachtdadig; achtste. —ieth (-ti-ith), a. tachtigatc. —y, a. werkelijk; bruikbpar. —less, a. zonder uitwertachtig. king; krachteloos. —or, a. bewerker. —ual. a. —ashy, ad. (-tjoe-e1), krachtdadig; afdoend. Either li'thur, arthur), pr. een van beide; ieder. - conj. — ..., or..., Of.— Of.... —uate (-tjoe-set), v. a. uitvoeren, te weeg E.lacula to (e-dzjek'joe-leet), v. a. ttitstooten; brengen. plotseling uitroepen. —lion (-lee'sjuni, a. Effemlna cy (ef-fem'i-ne-siii), a. verwtjfdheid. —te, a. —tely, ad. (-net-), verwijfd. —te (-fleet), val, uitroep; schietgebedje. —tory (.1e-tue.rili), v. a. at n. verwijfd maken (warden). — tenets a. uitroepend; plotseling. Eject (e-dzjekt') v. a. ttitwerpen, ultstooten, (-net.), •st verwfjfdheid. (from. out of). —ion (•cizjersjuu), a. uitwerping, Effervesce (et-fur-veal, v. n. glaten; opbrul-

pride one's self on. Boueneatakor, m. bow-maker. Bohm, m. hubbub, bustle. Bok, m. he-goat, buck ; box (eener koet.); crab, jock, trestle ; andiron ; blunder ; booby, uncivil fellow. ten— nation,, to commit a blonder. —sta. vast, leap-frog. —kesprong, caper, capriole; —en waken, to cot capers. —.shear, goat's hair. —en. leder, —envel, buck-skin. ...mimes. buck-skin. —aboard, goat 's beard. —eb/ok, tackle of paints. —sboon, lupine. —edam, goat 's-thorn. —shores, goat's born; fenugreek; hook. —spout, goat's foot; (the God) Pan. Bokaall, v. bumper, large ,risking-glass. Wok oebtlg, hr. & bw. lewd (-;y), lascivious 1-ly); ale Bokkig. je, o. kid; stool. —hip, by. & bbw. uncivil 1-11y;, surly (-)y), rude (-1y), dogged (.1y). —hicksid, v. rudeness, doggedness. Bokklog, m. red herring; kry jest, rebuke, lecture. --droger, curer of red herrings. --hang, herring-hangs. Baku, v. breeches. Bolas co, on. w. to box. —er, m. boxer. Bog, bv. bloated, puffy, bulbous, globular, convex. —, m. ball, globs ; bulb ; roll ; crown (van *es hoed); bead,' pate ; clever fellow. —Peas, bowlir.ggreen. —geese's, bulbous tplant. —rend, globulous, convex, spherical. —rondheid, globoeity, convexness, apheriralnees. —vormig, globular. —wank, bulwark, bastion, rampart. —werken, to fortify; to manage, to bring about. -ten , n6 maggot ; whim, freak. —!'enbakkir, roll-baksr, —aehtig, by. globulous, bulbous ; somewhat —aehtigheid, v. globuloasness, bulbousBolder, v. mildew; roll of which Manua Is Made. ...11040811. (a kind of) stage•/ ageon. Holhold, v. bloatedness, puffiness, convexity.


Bijloop, m. concourse; assistance. —en. on. W. to run along with; komen —, to run (to flock) to. er, In, assistant, supernumerary, scullion. HU We, o. little axe; ship-wright; sapper. Bijnanen, Y. mock-r000n, aratelene. Hijntengen, or. w. to intermix, to admix, to intermingle. — lag, v. intermixture, aaratAturs. admixtion. BUnit, bw. almost, nearly, about. BILInnarat, m. surname, nick-name. BUnernen, ov. W. to take with, — over and at , ove. Blpitvgraterk, o. by-end, by-view, private view. Ilijoorznak, v. by-reoson, secundary canes. IllIjeettard,o. relay-horse, led-horse, Iltiaptatt, o. by-path, by-way. 11Upakken, ov. w. to pack by. 131,jitte.sen, ov. w. to pay in addItioa, to supplyIleipbaneet, v. Ratellite. 1111kjeeteenen, ov, w. to reckon (to count) to. Ellireeepen, or. w. to call to. iiiklieellay en, ov, w. to plane a little, Ittieeliteten, ov. w. to contribute, to supply, to pay one 'is shore; on. w. to come into the mind, to occur, to rtrike. BUschikken, or. w. to range with; nu. V. to draw near, to approach. BUschtlderen, or. w. to pfiint a little. Ilkisehotitelen, or. w. to hoe P. little. HUsehotell, rre. by-ditch. BUsehelft, o. device, motto, inscription, marginal note, explanatory text
—kar0, v. printing-office. —king, v. precsare. —sea, o. 1. rage, stamp, copy. —te, v, hurry of business; bustle. Drop, m. Zie Drop. —pen, on, vv. Zie Druipen. Oruppel, m. —se, on. w. ZicanderDroppel. Dubbel, be. & bw. doable (-bly). —e deur, foldine-doors.o. double; copy. —Aartig, by. & ed, double-hearted, false (-Iy), bw. double-fac treacherous I-1y). —hartiyheid, double-dealing, duplicity, falseness. —schadusoigen, amphiscii. —tongig, he. & bw. Zie Dubbpibarvig. —zinnig, essiblguous , equivocal, double-minded. —zin,ssighefa, ambiguity, equivocalness —en, ov. w. to doable; to sheathe (eta schip). —ing, v. doubling; sheathing. —tje, o. two-pence, piece (If two ethers. Dubb en, on. w. to doubt, to hesitate. --er, m. doubter. —ing, v. doubting; heeitailou. Dubloen, m. doubloon. Ducht °v. w. to fear, to dread, to apprehend. —ig, be. & bw. strong (-1y), sound (.1y). —jag, v. fear, dread appreheneion. Duel, a. duel, single coinbat. —leeren, on. W. to duel, to light a single combat. —let, m. dueller, duellist Dol. by. fusty, musty. Dult'el, o duftle -:ech, be. duffel. Duiffig, be. fusty, musty. —held, v. fustiness, M1181.113.d.
Quab (kwob), s. kwabaal. Quack (kwer), s. gekwaak;kwakzalver;snoever; knoeier. —doctor, —salver, e. kwakzalver. —, v. n. kwaken; kwakzalveren; snoeven. —ery, s. kwakzalverij. a. kwakzalverachtIg. Quackie (kwek'kl), v. a. & n. bijn a (doen) stikken. Quadragenarious (kwod-re-dzje-nee'ri-us), a. veertigjarig. Quadragesima (kwod-re-dzjes'i-me), s. vasten. - (-mel), a. van de vasten. Quadrang le (kwod'rengl, s. vierkant vierhoek. —ajar (kwod-ren'gjoe-ler , a. vierhostig Quadrant (kwoVrent), s. wart-eirkel; quadrant, hoogtemeter. Qaadrat (kwod'ret), a. kwadraatje. —e (-ret), a. vierkant; geschikt; billijk; a. vierkant, kwadraat. —e (reet), v. n. passen, geeehitt zijn. —ic (kwedret'ik), a. vierkant. —are (-re-tjoer), s. vierkantmaking, kwadratuur; vierkant; kwartier (der =an. Quadrennial (kwed-reteni-e1), a. vierjarig; vierjaarltjtsch. Quadri ble (twod'ribl), a. vierkant te maken. —fid (-rigid), a. gevierendeeld, vierepouwIg. —lateral (-let'ur-ei), a. vierzijdig. —latoralnest let'ur-el -), a. vierzkjdigheid. —literal (-lit'ur -el), a. van de vier letters. Quadrille (ke-dril'), e. cinaddlle (snel en dans). Quadri nonclal (kwod•ri-no.mi-e1), a. viernamig. —partite (kwe-drip'er-tajt), a. vierdeelig. —reuse (kwod'ri-riem).s.galei met vier roeibanken. —syllabe s. vierlettergrepig woord. —valve (-velv), a. vierkleppig. —valves (-velvz), pl. deur met vier vleugels.—via/(kwe-driv'i-e1), a. viereprongs, Quadroon (kwod'roen), a. quateron (nit eon' blanks en can mulattin geboren. Quadruman a (kwod-roe'me-ne), pl. vierhazdige dieren. —out, a. vierhandig. Quadru ped (kwod'roe-ped), a. viervuetig. —pie, a. —ply, ad. viervoulig. pie, —plicate (-roe'plikeet), v. a. verviervondigen. —plication (-plikee'sjun), s. verviervoudiging. Quaere (kwrrih), v. a vrage. Quaff (kwer), v. a. & n. zuipen; (off) near binnen slam —er, s. zuiper, zuiplap. Quag (kweg'), —mire (-majr), a. moerasgrond; mere, —pp (-gih), a. moerassig. Quail (kweel), a. kyvartel. —, v. a. ter neder slaan, den moed benemen; v. n. verkwijnen; den moed laten zlnken. Quaint (kweent'), a. —ly, ad. net, keurig; fljn ultgedacht; slaw; gemaakt, gekunsteld; vreemd, wonderlt) k. —nese, a. netheid; gemaaktheid; wonderitjitheid: Quake (tweet), a. schudding, siddering. —, v.

Factotum (fek-to'ttl ►n), a. doe-al, albedril. Faculty, (feleul-tib), s. vermogen; eigenschap; bevoegdheid; faculteit. Fecund (tek'und), a. welbespraakt. —ity (fe-kun' dit-tih), s. welbespraaktheid. Faille (ted'd1), v. n. beuzelen. Fade (feed), v. a. doen verwelken (kwijnen); afmatten; v. n. verwelken; kwijnen, verdwijmen, (away). Fade (fedzj), v. n. passen, voegen; overeenstemmen. Fading (fee'dieng), a. verwelkend; versehietend; vergankeltik. —ness, a. verganletijItheit:. Jag (feg'), a. slover; zondebok; knobbel (in liken). v. a. aandrijven zelfkant; uitschot. (met slagen); v. rt. zwoegen; zieh afeloven. Fagot (feg'ut), a. takkenbos, rijstbos; lorrendrnaier. —, v. a. in bossen hiuden. Fail (feel'), a. fell, font; gemis; verzuim; dood. without zonder mankeeren. —, v. a, begeven, verlaten, in den ateek laten; teleurstellen; v. n. falen, misdoen, te kort schieten, (in); in gebreke bliiven (to); vervallen; ophorden; bankroet gaan. — inf,, a. font, gebrek; (het) bankroet gaan. —ure ( joer) gebrek; verzuim; mialukking; bankroet. Fain (fen), a. blij, verheugd. —, ad. gaarne. Faint (feent'), a. —ly, ad. zwak, mat; moedelooa. —hearted, fla ► whartig. —heartedness, a. flauwv, a. ontmoedigen; v. n. kwijnen; hartlFhel a. —inglfit. ilauwte. —ish, a. bezwijmen. flauw-, zwakachtig. —/ing, a. vreesachtig, —ness, a. matheid, flauwheld. —y, a. zwak, kwijnend. Fair (leer'), a. —ly, ad. achoon, haat; helder; blond; zuiver; gunstig; billtlk; eerlijk; oprecht; gemakkelek; wellevend; minzaam. bedaard;bevallig; gedienatig; beleefd; in goede veratandhouding. —and squarre, ronduit. —and softly, zachtjea aan. to bid —, de hoop geven. to copy —, in het net overschrijven. to keep —, vrlendachap houden. to play —, eeritik te week gaan. to stand —, gunstig staan; trouw blijven. —colored, licht van kleur. -econditioned,goedhartig.—dealing, emit*. held, opechtheid. —play, est./0k spel. § —shake, goede negotia. —spoken, beleefd, innemend, lief. Fair (fate'), a. kermis; (eene) echoone. the —, he, achoone geslaeht.—iag, s. kermisgeschenk. —ish, a. net , lief; tamelijk. —ness, a. fraaiheid; eerigkheid, Fairy (fee'rlh), a. fee-achtig. e. fee, toovernimf. —land, land der toovergodinnen. —like, tooverachtig. Faith (feeth'), a. geloof; geloofsartikeli vertrouwen; trouw; oprechtheld —, int. op Mijn wooed! waarlillt! —breach, trouwbreuk. —tut, a. —fully, ad. geloovig; trouw. —fianess, a. getrouwheid. —less, a. trouweloos. —lessness, s.trouweloosheid. Fake (leek), s. slag van een opgeschoten touw, catch —, klink. Falco te (fel'keet), — ted, a. sikkelvormig. —tion (-kee'sjun), a. kromte. Falchion (faorejun), a. kromme sabel. Falciforsn (fend-form), a. sikkelvormig. (fao'kn). a. vatic. —, —et (faol'kttn.net), a. felconet (zeker gese hut). —er,, s. valkenier. —ry,

Wat is Bitcoin maas in de wet VAE


(ren-diel'un), a. overgave. Reneged e (ren'e-geed), —o (-gee'do), a. afvellige, renegaat. Renew (re-njoel, v. a. vernieuwen. —able, a. vernieuwhaar. —al, e. vernteuwing. —edly, ad. op —er, a. vernieuwer. Reniten ce (re-nartens), —cvj, a. tegenetand. —t a. tegenstandbiedend. Rennet (ren'nit), a. renee; kaaaleb. Renounce (re-naanns'), v. a. verloochenen; afstand doen van, laten varen; verzaken. --r, a. verloorbenanr; verzaker. Renown te (ren'o-veet), v. a. vernleawen. --tion ( vee'ejun , , a. vernienwing. —tor, a. vernieuwer. Renown (re-nanun'), a. vermaardheid, team. —ed —edly (-naaund'), a. vermaard, beroemd ad. met roem. —leas, a. roereloos. Rent (rent'), s. huur, pachtv, rente; aeheur. —charge, erfpacht. —roll, renteboek. —service, leendienst. —stock, pacht in nature. —warden, rentmeester. —, v. a. verhnren, verpechten; • pachten; v. n. verhuurd (verpacht) worden. —able, R. vorbuurbear, verpachtbaar. —al, a. rentenboek. —er, a. huurder; pachter; rentenier. Renter (ren'tur), v. a. uiteren (een' nand). —(np, a. ulternaad. Ren un ciation (re-nun.sji-ee'sjun),s. verzaking, afstand. Renbtain (ri ob teen'), v. n. weder verkrtigen. —able, a. weder to verkrijgen. Ileord tan (ri-or-deen ► , v. a. op nieuw wijden. —ination (-di-nee'sjun), a. wederinwijding. Ileorgan faction (ri-or-gen-i-zee'ajun), a. vernieuwde inricht ing,hervorming.—ize (-or'gen-ajz), v. a. op nieuw fnrichten. Repacify (ri-pea'i-faj), v. a. weder be7redigen. Hepatic (ri-pek'), v. a. vermeken. R•pandous (ri-pend'us), a. gekruld, gebogen. Repair (re-peer';, a. verstelling, herateiling, reperatie; verblijfplaats, leger, hol. out of —, v. a. verstellen, heretellen; v. a. bouvrvellig. rich begeven; etch vervoegen. (to). — able, a. Zie Reparable. —er, a. eerateller. Repnre bit (rep's-ribl), a. herstelbaar. (-ree'ejun), a. herstelang: vergoeding. —tine (reper'e-tiv), a. heratellend; vergoedend; a. her' telling; vergoeding. e. tnedig antwoord. Re ► art ee —ation (tisrun), a. verdeeling. Repass (r1-paas'), v. a. & n. weder voorbijkomen. — voorbtjgaan, overateken. Repast (re-paast'), a. maaltUd.
Acu leate (e-kjoe'li-et), a. stekelig, puntig. —men, Adit (ed'it), a. toegang; mijnWaterleiding. Adjacen cy led-zjee'sena-sih), a. nabijheid. —t, s. scherpe punt; acherpzinnigheid. —minate a. aangrenzend, belendeud. fleet!, v. a. wetten, acherpen. —mination (-mi- nee'sjunl, a. scherping. —te (e-kjoet'), a. scherp; Adject led'-zjekt'),v.a.bijvoegen.—ion(-ziek'sjun), hevig; scherpzinnig; —angle, scherphoek. —tenets, a. bijvoeging. —itious (-tis'sjus), a. bijgevoegd, —ive (ed-zjek-tiv), s. bijvoegelijk naamwoord. (e-kjoet'ness), s. scherpheid; hevigheid; s,herp- Adjoin (ed zjojn'), v. a. bijvoegen; v. n. aanzinnigheid. grenzen. Adage (ed'idij), a. spreekwilze; apreuk. Adamant (ed'e-ment), a. zeilsteeu. —ine (-men' Adjourn (ed-amuen'), v. a. verdagen, uitstellen. —meat, s. verdaging, uitstel. tin), a. hard els diamant; onverbreekbaar. Adapt (e-dept'), v. a. (to) toepassen; geschikt Adjudg a (ed-zjudzj'), v. a. uitwijzen; toewijzen, veroordeelen (to). —meat, a. toewijzing, maken. —ability s. dienstigheid, vonnia. bruikbaarheid. —able, a. dienstig, bruikbaar. —ation(ed-ep-tee'sjun),—ion(-dep'sjun),s.toepas- Adjudicat o led-zjoe'di-keet), v. a. toewijzen. —ion (-kee' slim), 8, toewijzing; vounis. sing; gesehiktmaking, —edness, —nese, a. aan- Adjunct (ed'zjunkt), a, helper; bijvoegsel. —, wendhaatheid; geschiktheid. Add led), v. a. bijvcegen (to); (up) optellen. —, a. verbonden; ,toegevoegd. —ion C-zjunk'ejunl, a. bijvoeging, —ive (-zjunk'tiv), a. bijvoegend, v. n. vermeerderen. —ible, a. vermeerderbaar. Adder (ed'dur), a. adder. —fly, korenbout. —'s. verbindend. grass,—'s-tongue, —'s•wort, adderkruid, slaugen- Adjur nation led-zjoe-ree'sjun), a. bezwering; beeediging; eedsformulier, —e (-zjoer'i, v. a. wortel. Addice (ed'diml, a. dissel. bezweren (by); beeedigen, —er, a. bezweerder, Addict led-dikt' ►, v. a. toewijden; overgeven(to). beeediger. —edness, s. verslaafdheid. —ion (-dik'sjun), a. Adjust led-zjust"), v. a. regelen, in orde brenovergegevenheid, neiging, verslaving, Ito). gen; vereffenen, (to. with). —er, a. hij, die regeit, Addit anient (ed-dit'e-ment), s. bijvoegsel, enz, --meat, a. regelingt vereffening; schikking. —ion (-dis'sjun), s. bijvoeging; toevoegsel; op- Adjut ant (ed'zjoe-tent), a. helper; adjudant. —or telling. ional (-dis'ejan el), a. bijgevoegd. —ive izjoe'tur), a. helper. —ary (-tur-rihl, a. helpend, (ed'di-tiv), a. bijvoegend. —ory (ed'di-tur-rih), behulpzaam. —rix (zjoe'triks), a. helpater. a. vermeerderend, vergrootend. Adjuva nt (ed'zjoe-vent), s. helper; a. behulpAddle (ed'd1), a. wijnmoer, loon, verdienste. zaam. —te, v. a. bevorderen; helpen. a. ledig, onvruchtbaar. —egg, windei. —brained, Adyneasurement (ed-mez'zjoer-ment), a. toe- beaded, —pated, dom, ijlhoordig —plot, spel- meting; afmeting. bederver. —, v. a. onvruchtbaar maken; bent- Adanensuration (ed-men.sjoe-ree'sjun), a. toevelen, groeien. deeling. Address led-dress'), a. toespraak; verzoekschrift; Administ er (ed-min'is-tur), v. a. beheeren; voorkomen; bedrevenheid; adres. —es, a. lief- toedienen; —an oath, ten' eed afnemen; v. n. desverklaring. —, v. a. aanspreken; het hof ma- bijdtagen (to). --ration (-tree'sjun), a beheer; bewind; toediening. —rative (-tre-tiv).a.beheerend; ken; toezenden; (to) wendeu tot. —ed-bill, gedo- micilieerde bedienend. —rator (-tree'tur), s. beheerder; boeAdduc e (ed-djoes' , v. a. bijbrengen; aanvoe- delredder; toedeeler. —ratorship, s. ambt van ren. —eat, a. aantrekkend. —ible, a. aanhaalbaar. beheerder, enz. —ratrix (-tree'trika), s. beheerderes, enz. -tion 1-duk'sjun), s. aantrekking; aanvoering. —tor (-duk'tur), s. aantrekkende spier. Admiral Lonny (ed-mi-re-bil'it-tih), a. bewonAdemptIon (e-dem'sjun), s. ontneming; be- derenswaardigheid. —ble (ed'mi-ribl), a. bewonderenswaardig. rooving. Adenology (ed-i noPud-zjih), a. klierenleer. a. admiraal; admiraalschip. Admir al Adept (e-dept'), a. ingewijde; goudmaker. —, a. rear —al, schout-bij-nacht. —al-ship, a. admiraalachap. —alty, a. admiraliteit. —ation (-ree"ingewijd, ervaren. Adequa cy (ed'i-kwe-sih), a. ge evenredigdheid sjun), e. bewondering. taken up with —ation, vol bewoudering. (to). —te ( kwet). a. —tely, ad. evenredig, over- eenkornatig, (to). —tenets, a. gee‘enredigdheid; Adinir a (ed-majr'1, v. a. bewonderen; beminnen; juistheid. v. n. (at) verbaasd staan. —er, s. vereerder, beAdher a (ed-hier'), v. n. aanhangen; (to) blijven wonderaar. —ingly, ad. bewonderend; met vet.bij, zich houden aan. —ence, —carp, a. aankleving; wondering. toegedaauheid. —cat, a. aankleveud. —er, a. Admissibility (ed-mia-si-bil'it-tih), s. aannemelijkheid; geldigheid. aanhanger. Adlae sion (ed-hi'zjun), s. aankleving. —sive, a. Admin. ibie (ed-mis'sibl), a. aannemelijk, geldig. —ion s. toelatinj (to); toegang; opaanklevend. —sive plaster, hechtpleister. —sive- name (into); aanneming. nests. aanhankelijkheid. Adhibit (ed-inh'it), v. a. aanwenden. —ion (-hi- Admit (ed-mit'1, v. a. toelaten (to); opnemen biesjun), a. aanwending. (into); toegeven; laten gelden (of). —table, a. Adhortatory (ed•hoete-tur-rih), a, vermanend. aanuemelijk, geldig. --tance, a. toelating. no Adieu (e-djoe'), 8. & ad. vaarwel. —tance, verboden toegang. Adipo were (ed-i-po.8ier'), 8. vetwas. —se Admix (ed-miks"), v. a. bijmengen. — tion (-tjun), s. bijmenging. —ture (-tjuer), s meng8el. (-pooz'), a. vet.
held. onbuigzaamheid. Stubby (etub'bih), a. vol stronken• tie Stubbed. Stucco (stuk'ko), a. stukadoorskalk. —, a. a. stukadoren. Stuckle Isturk1), a. hoop schooven. Stud (stud'), s. post, still; knopje; hemdtknoopje; stocterij. —book, register van volbloed paarden. —groom, pikeur. —horse, henget. —, v. a. met knopjes heslaart of versieren. —ding, a. bet be-

Wie ontwikkelde Bitcoin


Accouple tek-kupli, v. a. paren, koppelen. Acolyte (ek'o-lajt), a. altaardienaar. Aconite (ek'o-najt), s. wolfawortel; zwaar vergif. —meet, a. koppelitag; samenvoeging. Accoutre lek-koetur), v. a. uitrusten, opschik- Acorn (ee'kurn), a. eikel. —ed, a. met eikels gevoed. ken. —meet, s. uitrusting, opschik. Accredit (ek-krid'it), v. a. in aanzien brengen. Acorns (ek'o-rus), s. kalmus. —ation 1-tee'sjutf, a. (het) geven van aanzien of Acoustics (e-kaus'tiks), s. klankleer; gehoorkunde. vertrouwen. letters of —ation, geloofsbrieven. Acquaint (ek-kweent'), v. a. bekend maken met Accrescent (ek-kres'Kent), a. aanwassend. (with); onderrichten van (of). —once, a. bekendAccre lion (ek-kri'sjunt, s. aanwas. —tive, a. held; bekende. —ed, a. bekend. —edness, a. betoenemend. Acerimination (ek-kri-mi-nee'sjun), s. verweit. kendheid. Accroa ch ek.krootsr), v. a. aanktampen; zich Acquest (ek-kwest'), verworven goad. —, v. a. verworven, meester maken van, —meet, a. inbreuk. Accrue (ek-kroe'), v. n. voortspruiten; aan- Acqulesc e (ek-kwi-es'), v. n. (in to) berusten; instemmen. —ence, s. inetemming. ni.ent (.ek-kum'bentl, a leutland,liggend. Acquir able (ek-kwajetb1), a. verkrijgbaar. —e, Ac grenLien v a. verkrijgen. —ement, a. verkrijging; Accumulat e (ek-kjoe'moe-leet), v. a. ophoopen; kwaambeid. —er, s. verkrijger. (-1ee'sjuni, a. ophooping —ion n. toenennen. v. —ire (-le-tivl, a. ophoopend. —or, a. ophooper. Acquisi lion (ek-kwi-zis'ejun), ook Acquist, verwotving; aankoop. —tive (-kwiel-tiv), a verAccura cy (ek'kjee re-sib), —tenet. (-ret-ness), s. kregen. nauwkeurigheid. —te (-rm, a. nattwkeurig, stint. (-burst"), Acquit (ek-kwit'), v. a. kwiteeren; ontslaan, vrijAccurse (ek-burs' , v. a. vervloeken. epreken !from. of). —nient,—tal. s. kwijting; once. verwenscht: afsehuwelijk. slag, vriuspraak. —Lance, s. kwijting- kwitantte. Accus able (ek-kjoe'zibi), a. lsakbaar (of) we- gent(, —ation (-zee'sjun), s. aanklacht, beschul- Acre lee'kur)., a. morgen lands. — of rupees, (eon) iak (100.0001 ropijen. —tax, akkerbelasting. —d, dicing. —afire (ze-tiv). s. accusativus. —atory a. we)gesteld. (-ze-tar-rib), a. beschuldigend. —e, v. a. aan- d (ek'ridi, a. scherp, wrang. —monious (-riklagen. heschuldigen, berispen,(for. of). --er, s. beschuldier, mo'ni-us), a. scherp; vinuig. —mony (-ri-mun-ih), Accustom (ek-kus'tum), v. a. (to) gewennen aan. s. scherpheid; vinnigheid. --tude, —ty, a. wrang-able. —ary, —ed, a. gewend, gewoon. a shop held. Acroatic (ek-ro-et'ik), a. diepzinnig.' wel —ed, een good beklante winkel. op een Adrobate (ek'ro-beet), s. koorddanser, kunstenAce (ees), 8. ass; On; groin. within an maker. i.aar na. not an —, gren zier. Acropolis (e-krop'o-lis), s. bovenstad; citadel. Aceplkalous (-e-sere-lus), a. hoofdeloos. Acerb (e-surh'), a. wrong, scherp; streng. —ate, Acrospire (ek'ro-spajr), s. apiertje, uitspruitseltje. v. a. wrang maken; verbitteren. —ity, a. wrang- Across (e-kros'), ad. kruiselings, dwars over. it held; strengheid. Acervat c ( e-sur'veet), v. a. ophoopen. —ion came — my mind, het schoot tnij in de gedachten. with arms —, met over elkander geelagen (es-sur-vee'sjun), s, oehoopiug. semen Acescen cy (e-ses'sen-sih), s. zuurheid. —t, a. Acrostic (e-kros'tik), a. naamdieht. zuurachtisr. Act (ekt), s. daad, handeling, bedrijf; raadsbeAcetic (e-set'ilil, a. zuurhoudend. Acet ose (es-i-tooz'), a. zuurhoudend. —csity aluit; akte. in —, werkelijk; he was taken in the very —, hij ward (-toszit-tih), a. zuurachtigheid. heater daad betr.apt. by — s. wijn- of Parliament, bij Parlementsakte. to put into Acetous (e-sPtus), a. zuurachtig. —, ten uttvoer brengen. Acts of the Apostles, azijn. v. a. leiden; — Ache leek), a. pijn. —, v. n. zeer doen. —bone, Handelingen dee. Apoatelen. heupbeen. a part, eene rol spelen; v. n. handelen; rich geAchlev able (e-tsjiev'ibl), a. uitvoerbaar. —e, dragen. —ing, a. vermogen. —ing, a. waarnev. a. uitvoeren, volbrengen. —enient, a. uitvoe- mend, bestureud. ring, beldenfeit. —er, a. verrichter. Action lek'sjunl, a. handeling, daad; gehaar; Ache, lee'kur), a. hoofdzeer. peaces; aanklacht; gevecirt. —able a. in rechten Achromatic (ek-ro-met'ilil. a kleurloos. vervolgbaar. —ary, —ist, s. aandeeihouder. Acid !e,'id), a. & s. zuur. —iferous 1-irur-usl, a Act Owe (ek'tiv), a. tverig, bedrijvig; werkelijk. —deaf, uitstaande echuld. —iveness, —ivity (-tiv' zuurhoudend. —ity le-sid'it-tih), —ness, s. zuur- heid. —u/ae(e-sid'joe-lie),s. zuurbronnen. —slate it till), s. werkzaamheid, bedriivigheid. a. (e-sid'joe-leet), v. a. zuur makes. —u/ous (e-sid.' bedrijver; tooneelspeler. —ress, s. bedrijfeter; joe-inie, a. zurig. tooneelspeolster. (es-i-noos'), a. korrelig, gekorreld. Actu al (ek'tjoe-el), a. werkelijk; tegenwoordig. Aelnous (es'i-nut), a. Zie Aclnose. —ality (-el'it-tih), s. werkelijkheid. —ally, ad. Acknowledg e (ek-nol'idzj), v. a. erkennen, werkelijk; than!. .—ary grither• — ate , --the corn, zich gevangen geven, v. a. in werking brengen; aanaporen. bekannen. 4 door de ben Yellen. —meat, s. erkenuing, dank- Acuate (ek'joe-eet.), v. a. scherpen. Addition (ek-joe-i'sjun), a. verscherping, .verbaarbeid. ACIike (ek'nti), a. toppunt. sterkiug.

Hoe zet ik mijn Bitcoins in cash


benoodigdheld; eekreet; bestekamer. sjun), s. verleening (verkrijging) van bet burgerrecht. —ize (-aja), v. a. het recht van inboorling Neceaslt ate (ne-ses'si-teet), v. a. noodzakelijk maken. —ation (-tee'ejun). s. voodzakIng, —ous, verleenen. a. behoeftig„ noodlijdend. —ousness, s. behoefNature (neet'joe,), s. natuur; aard.from near tigheid. —ude (-tined), a. behoefte; vriendschap. de natuur, neat het leven. —y, s. noodzakelijkheid; noodwendigheid; beNaught (pout'), a. slecht, nietswaardig. s. hoeftigheid; of —, noodwendig, from —, nit noodniets. —iness, s ondeugendheid; nietswaardigNeck (net'), 0. bale, net; halsstuk. — of land, held, —ily, ad. —y, a. ondeugend, stout. landengte. on the — of, onmiddellijk na. —band, N n 111111 achy (nao'me-kih),s.spiegelgevecht ter zee. halsboard. —beef, nekvieeseh (van een rund). Nausea (nao'shi•e), a. misselbkheid, walging; bslsdoek, das. —handkerchief, haladoek. zeeziekte. —te (-eel), v. a. mieselijk waken, doers —lace, halssnoer. —land, landtong,-engte.—piece, walgen; v. n. misse/ijk worden, waigen. halsstuk (van sea harries). —verse, galgepsalm. Nauseous (nao'sjus), a, —1y,ad. w algeli.jk. —nets, —weed, hennen. s. vralgelbkheid. (nao'tik), —cal, a van de zeevaart, zee-. Neckercbier(nek'ur tsjif), a. halsdoek. Necrolog let (ue-krol'ud-zjist), a. berichigever s. nehippertje (schelpdier). van sterfgevallen. —y, a. sterflijst; levensbeNaval (nee'vel), a. see-, scheepa-. —army, oorischrijving van overledenen. logsvloot. —battle, zecslag. — forces, seemaeht. — officer, zee-ofticier. —s (-velz). pl. zeewezen. Necroman cer (nek'ro-men-sur), s. toovenaar. —cy, a. zwarte kunst; geeetenbezwering. —tic Navarch (neev'aark), a. vlootvoogd. (-men'tik), a. van de zwarte kunst; toover-; a. Nave (neev"), a. naaf; schip (eener kerk). —line, betoovering, bezwering. rakketalie. Navel (nee'v1)., s. navel. —gall, navelgal. —string, Necrosis (ne-kro'sis), a. beenvreting. navelstreng.—timber,kremhout,buikstuk.—woods, Nectar (nek'tur). s. nektar, godendrank. —eal, —emu, —eons (nek-tee'ri- ► , —ine (-in), a. nekton.kluishouten. —wort, navelkruid. achtig; heerlijk. —ine (-in), s. nektarperzik. —y, Navew (nee'vjoe , „ s. kleine knot, pootraap. a. honigkelk (eener bloem). Navictslar (ne-vik'joe lee), a. bootvormig; van Need (vied'), s. nood; noodzakelijkheid; behoefte. "000ten of echeepjes. if — be, in geval van nood. you had —, gij beNaviga ble (nev)i-gib1)., a. bevaarbaar. —bleness, hoordet. to stand in — of, van nooden hebben. a. bevaarbaarheid. —te (-geet), v. a bevaren; —, v. a. behoeven, noodig hebben; v. n. noodig stuns; v. n. varen, stevenen. —tion ( gee'sjun.), a. seheepvaart; zeevaar(kunde; inland —. binzijn. —ful, a. —fully, ad. noodig; noodzakelipt; vereischt. —fulness, a. noodzakatijkheid. —sly, ueflvaart. —tor (-gee-tue), a. seeman, zeevaerder. ad. hehoeftig. —iness (-i-nest), a. hehoeftigheid. Navy (neevih), s. zeernacht, vloot. — board, col—leas, a. —lessly, ad. onnoodig, noodeloos. legie van civiele ambtensren der marine. —office_ —/essness, a. noodeloosheld. —a (niedz), ad. noodwendig, onvermkidelijk. —y, a. behoeftig. Nay(nee'), ad. neen; wat mear is; ja zelfe• — neen; weigei ing. —word, weigerend antwoord; Needle (ni'd1), s. naald. —case, naaldenkoker, —fish, naaldviecb. —ful, dread gsren. —furze, schirnpscheut; feu, prieinkruid. —gun, a. naaldgeweer. —maker , Nazar een +nez-e s Nazarenes. —ite (nez' naaldenmaker. —ore, naalderts. —stone, naalde-rajt), a. Nazireer. steen. --tin, naaldtinerts. —weed, naaldkervel. Naze (neez), s. kaap, uithoek. —work, naaiwerk. —, v. a. & n. naaldvormig Near (nief), s. vaist. maken (worden). —r, s, z,aaldenmaker. Neal Oriel). v. a. & n. temperen, gloeien. Neap (nirp), a. laag. — tide, dood ttj. a. eh. Ne'er (seer). ad. Zie Never. Neesewort (niez'wurt), s. nieskruid. —ed, a. vastzittend, niet vlot. Near (flier), a. nabijzijnd, DRIVW verwant: dier- Nefandous (n,fen'due), a. verfoetelijk, gruwelijk. oar; nauwkeurig; vrekktg; —, ad. nader, nailj, dichtbij. prp. dieht bij, naast. —, v. a. NefArlous (ne-fee'ri-us), a. —ly, ad. snood, sci , andelijk, afachuwelijk. & a. eaderen. —/y, ad. ongeveer, bijna; gierig. --ness, s, nabijheid; nauw verwantsehap; gie- Negation (ne-gee'sjun), s. ontkenning, righeid. Negative (tteg"ettv, s ontkennend woord; wei-

Kun je geld verdienen aan cryptogeld


onvermidcluk. a. —ately, (214..8 o. omerzadelukheid. --ety Insaturabie (in - sei.'joe - ribl), a. onverzadeliik, Inscribe (in - skrajb'), v. a. in-, opschrijven (in. on. with); opdragen Ito). loseript ion (in - skrip'sjun), s. opsehrift; titel; opdracht. —ire, a. met ten opschrift. Inscroll (in-skrool'), v. a. op eene rot zetten. Inscruta ble an - skroe'tibl), a. — bly, ad. ondoorgrondelijk —bility —bleness, a. ondoorgroiadelijkheid. Insculp (in - skulp'), v. a. insnijden, graveeren. —ture (-tjoer), a. ingesneden schrift, anijwerk. Inseam (in-aiem"1„ v. a. merken (mot een' naad of lltteeken). Insect (in'sekt), s. insect. —ile (-sek'till, a. inaectachtig. —ion •sek'sjun), a. insnljding. —ivoroue (-iv'ur-us), a. lnsectenetend. lnsecur a (in - se - kjoer'), a. --ely, ad, ouzeker, onveilig. —ity, s. onzekerheid, onveiligheid. Insemina te (in-semi-neet), v. a. bezaaien. (-nee'sjun), a. bezaaiing. Insensate (in-sen'set), a. zinnekpa, stomp. lessens& ble (in-sen'sibl), a. —bly. ad. oagevoelig, gevottioos (of. to). —bility —bleness, a. ongevoeligheid, gevoelloosheid. Insentient (in - sen'sjent), a. gevoelloos. Insepara ble (in-aep'e-ribl), a. —bly, ad. onseheidbaar. —6itiiy —bleneu, onscheidbaarheid. Insert (in-curt' ► , v. a. inplaatsen, inlasschen. —ion (-sur'sjun), a. invoeging, inlassching; invoegsel. Inshnded (in - sjeed'id), a. geschaduwd. Insheil (in-sjell"), v. a, in eene achaal of schelp sluiten. InNhei:er (in- sjel'tur), v. a. beschutten. Insh•ine (in - sjraln' ►, v, a. Lie to Enshrine. s.binInside (in'esajel!, a. inwendig, binnen-. nenzijde. luridi ate (in - sid'i - eet), v. a. belagen, beloereu. ously. ad . arglisa. — a. belager. —ona, —ator, tig, belageud. —ousness, s. arglistigheid, verraderlijkheid. Insight (in'sajt), a. insicht. Insigssit. (in-sig'ui-e), pl. eere-, onderscheidingsteekenen. Insignifica nee (in-Sig - niPi - keno), — ey, a. onbeduidendheid. —t, a. —tly, ad. onbeduidend, nietig. Insincer e (in-ein-sier'), a. —ely, ad. onoprecht. a. oprechtheid. —ity Int;inew (in-sin'(oe), v. a. 7ersterken. Insinua nt (in-sin'joe-ent), a. indringend. — le 1-net), v. a. in-, opdringen, ingang verschaffen, (into); te verstaan geven; v. n. rich indringen; CCU' weak geven —'ion (-ee'sjun), a. bud-ringing; overreding; wenk. —tire (-e tiv), a. indringend; overhalend. Iublpld (in-cip'id), a. — ly, ad. smakeloos. laf. s. smakeloosheid. —ity (-si-pid'it-tih), lafheid. Insipl•nce (in-sip't-ens), s. yerstandeloosheid. Insist tin-sist'), v. a. aanhouden, aandringen, ataan op. (on. upon). — ent. a. our into rustend. —urn (-joer), a. standvaatigheid.
Nog lengen tljd na het versehtjuen wet de Grondhegintelen der Nederl.indsche Spelling, door Dr. Ta WINKEL in het !Mit gegevea, echeen de „nienwe epelting" niet dien Wei te vinden, dien vii later 'verwiert. De Plederlandsche teket van het aerate gedeelte van dit Woordenboek weed tins bewerkt volgens In algemeen gevolgde spelling. Inmiddels verklaarde such het Iqederlandeeh Onderwijzersgenootschap op de Algemeene Vergadering te Zierikzee noon eene spoedige invoering der verbeterde spelling op de seholen. Dose omstandigheid get den Uitgever aenleiding om het stuk der epelling in nadere overweging te nemen. Na rijp boned werd bseloten, bet tweeds ge. deelte van dit werkje (het eerste wan nagenoeg geheel atgedrnkt) in teriehten •olgene de spelling, aangenomen voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal. 3ledear de reden van de oegelijkvormigheid in de spelling der beide gedeelten. De Woordonlijnt van de Ileeren DE VRIES en TE WINKEL heett namelijk tot grondelag gediend. Dkjna al de woordon, die ztj bevat, zijn in dtt werkje opgenomen en bovendien can vooral eamengestelde, weike z mint en die oak in andere woordenboeken filet wooden aangetreffen. Men vergeltike eleehte, Vat dit laatete punt betreft, de eamenstellingen van half, handel, en.. en de woorden ontealekeurig, °Weyer., opyneting, oproerling, optreden, overlievolking, Po.lwia.ol • poet . **gel, stsalplaat, tante, toeschowteer, topstalar, toe, alien en vele ondere, die in goon woordenbost mopes ontbreken. Veor het beredeneerde gedeelte heert BOMHOFF'S Nieew •grout Woordenhoek der Nederlandeche Taal, eanbevoien door Dr. in WINKEL, uitetekende dienstert beworen. T. P. Xi den tweeden drnk is ook in het eeeete gedeelte voor do Nederlandsche •wobrden de spatting gevnlgd van na Vitus en TE WINKEL • H. W.
wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.

Wat is de meest winstgevende cryptogeld de mijne


nought, coward, dastard. During, v. lasting, duration. Dark, na. sink, well. Darven, on. w. to dare. Das, bw. thus, in that way. —, aw. so, therefore. —danig, by. such; bw. thus, in such a manner. Dar, in. nap; slumber. vit den — helpen, to undeceive. een —je doers, to take a nap. —ten, on. w. to take a nap; to dote, to mope. —ter, in. doter, mope, reopus. Dour, m. duration, continuance, op den —, st the long run. Dour, by. dear, costly, expensive; solemn (ran een bw. dear, at a high price. —koop, be. eed). dear. —te, v. dearness, high price, dearth. Drsurznam, be. durable, lasting; strong; that wears well. —heid, v. durablenete, durability, lastingness. Dew, m. push, jog. —en, ov. w, to push, to jog. to press; to slip (into a. o. 's hand. Dweal,v. towel; shroud. — begrip, erroneous idea. —geest, wandering spirit; follower of erroneous opinions. —grend, Wee ground* —leer, false doctrine. —licht, ignis tattoos, jack-with-a•lantern, Will-o'-the-wisp. —pad, —spoor, —weg, wrong (erroneous) Neu; on een brengen, to lead astray, to lead into error, —eter, planet. —twin, labyrinth, maze. —§annig, erroneous, erring. —sinnigheld, erroneousness. Dwane, be. foolish (-ly), silly (-ily). m. fool. —hoofd, fool. —held, v. folly, foolishness. DwnI en, on. w. to err, to stray. to wander; to be mistaken. —er, m. wanderer. —kg, v. w and r ring; error, mintak.i. D Wang., m. constraint, compulsion, coercion. —arbe,d, compulsory labor; the galleys, penal servitude. —bevel, -warrant, writ. —bale, jacket.


ki,,, p') Loepti, v. a. & n. (etch) houden; Kidney , kid'ulh), a. nier; slag, snort; humeur. behouden, bewaren, ondernoudeu, beecheemen; —bean, snijboon. —wort, navelkrutd. (zich) afhouden; vieren; blijven. — bad hours, Ktiderkin (kll'dur-kin), a. vaatje. laat thuis komen. — fair, in goede verstand- KM (kill'), v. a. dooden, elaehten. —er, a. donde, howling zijn. — time, in de moat blijven. (away) Kiln (k11'), s. oven, eest. —dry (-draj), v. a. eesten. e Menden; wegbitj ven. (back) terug-, achterhou- Kilt (kilt), a. korte rok (detellooglandera). den; terugbliiven, (down) zich bedwingen; lenge Kinebo (ktm'bo), a. Zie Akimbo. houden; vernederen. (from) afhnuden; zich oat- Kin (kin), a. verwant. —, a. bloedverwant; maaghonden. (in) inhouden; in toom houden; binnen nehap; verwanteehap. blijven. (on) aaerbouden; voortgaan. (out) buiten Kind (Itajnd'), a. }toed, vriendelijk, 'muscle (tee houden. (blijven). (to)' etch houden aan . (under) —hearted, goedhartig. —,13. wort, gealaeht; card, onderdrukken, (etch) bedwingen. (up) ophouden; wijze. in —, in nature. ophltIven; levendig houden; votharden. (up with) Kindle (ktn'd1), v. a. aaneteken; aauhitsen; et n. bljhouden. —er, s. bewaarder; opziehter; cipier; vtear vatten, ontbranden. —r, s. aansteker; canzegelbewaarder. —erskip, a. opzichterachap. —ing, hittier. P. bewaring; nvereenstemming, voeding; gezel- Kia;d Illness (kajud'li-uses), v. wetwillendheid; sehapekamer. natuurlilke acrd. —4,a. & ad. welwillend, vrienKeepsoke (kiep'seek), th aaudenken. delijk, zachtaardig; natuurlijk; gelijksoortig, verKee•e (khv'), —r, a. koelvat. want. —nets, es. vriendclijkheid, goelheid, heuechKeg (keg), a. vaatje. held. Ken (Yell), a. darninet; pop (eener cups). Kindred (kin'drid), a. verwant, gelijkeoortig. —, Kelp (kelp), e weedaech, soda. a. verwantechap; maagechap. Kelp to (kel'itih), —y, a. spookpae.rd. Tittle (kajn), pl. koeien. Keller (katur), e. gereedhetd. Kil ► g (kiting ► , a. boning; heer; dam. — at arms, Ken (ken), th bereik des gezichts. —, v, a. onder- wapenkoning. —apple, renet.--craft,regeerkunst. ,cheiden; erkenuen; v. n. rondzien. —cup, ranonkel. —fieher, tiavogel. —killer, koKennel (ken't.11), a. howdenhok; koppeljachthon- ningsmoordar.—piece,—post,gevelapite.—'s-bench, den; hol; goat. —stone, gooteteen. —, v. a. in het oppergerechtshof; kroongevangenis. —'s.eva, kebob houden; v. n. hokken, in bet hok liggen. ningszeer. —spear, goudwortel. —'s-plate, koKenning (Yen'nieng), e. Zie Ken. ninklijke prije (h&j wedrcnnen). —stone, angelKentle (ken't1), a. centenaar. vied'. Kentiedge (kentleidej), a. ballasttlzer. King (kleng'), v. a. boning waken; dam balen. Kerb (kerb'), s. Zie Curb. —stone, rendsteeu, —dam (-dam), a. koninkrtjk. —lake, —1y, a. koKerchief (bur'tejif), a. hoofddoek, dock. —ed ninklkik. —chip, a. koningsehap. (-tsjift), a. gedekt, gealuierd. Kink (kingk), a. kink; inval; but. —, v. n. in de Kcrf (kurf), e. beef, insnijding. war geraken; uitbareten. Kermes(kuemiaa), a. scharlakenbezle. Kinn folk (kinzlook),s. maagscbap. —man, —wafter', (knell), s. borsch soldaat; lereche boer; hand- man, a. bloedverwant. molen. —, v. n. korrelen. Kipper (kip'pur), i zalm (na het kuitealeten). Kernel Ikur'nil), a. kern, pit; korrel; knee. —eta- —tame, verboden t drone de zalenvanger. I er, perste°. —wort, bruinwortel. —, v. n. zich tot Kirb (barb), a. Zie erb. korrele zetten. —1y, a. vol barrels (platen). Kirk (York'), a. kerk, echotsche beck. —man, ann. —mere (-mier), th literacy (kar'aili), a. karsaai. hanger dee achotache kerk. Kirtie Ikuet1), a. wambuia; jakje, lijfje. casimir. Retell (ketej), s. kits (zeker vaartuig). Kiss (bias'), s. kes, zoen. —. v. a. kueeen, zacht Ketchup (ketsj'up), a. Zie Catchup. aanraken. to — one's hand to, eene kushand toeKettle (ket't11, a. ketel. —drum, keteltrom. —pins, werpen. —er, a. kusser. —ing-comfit, weiriekend keeels; het kegelepel. tsuikergoed. —ing-cruet. weeke eijde (van een krutFhout. —heads, bolder, Revel (kev'il), a, brood). —me-quick, a. voile, sluice. Key. (ki'), 8, eleetel; toets, blep; katje (aan boo- Kit (kit), a. zakviool; zaltnvaatje; melkee.mer; men), land. —bit, sleuteibaard. — chain, mleutel- grooie beech; katje; schoenmakeregereedschap; bent, menitte. ring. —cold, ijakoud, levenlooe. —hole, eleutel- Kitchen (kitsjiin), a. keuken; kombula. —boy, gat. —alone, eluiteteen. —age, a. kaaigeld. —d, a. rat Vibe (kajb'), a. winter, winterhiel. koksjongen. —furniture , keukengereedsebap. winterhieicu geplaagd. —garden, moestuin. —maid, keukenmeid. —styli', Kick (bib'), a. sehop, trap; stoat. —sole, men- braadvet. —tackling,!eenkengereedsehap. —wench, gel neoes, samenraapsel. —shoe, dancer, springer. vatenwaschster. —work, Iceukeneverk. —, v. a. & n. echoppen; each verzetten, (against. Kite (kat'), m. wouw, kiekenalef; vlieger; schraat), —er, a. ',chopper. I per. -fish, vliegende visch. —'s-foot, havikskruid; Kid (kid'), a. geitee. —fox, jonge YOB. —gloves, ka- ,, gale tabak. bretleeren handachoenen. —skin, geitenleder. —, I Kith (kith), a. bekende. neither — nor kin, geen v. n. geteen werpen. vriend of maag. Idcr (kidgdue), a. opkooper. Kl, Kitten (kIt'tn), s. katje, —, v. n. werpen (van Kidd! c (kid'd1), s. viechweer. —ing, s. joule geitje. batten). itifeinop (6id'neee, v. a. (k"..nderen) oplichten, ate- I Kltck (klik'), v. a. weekapen; v, th klapperen, tiklee . pee, m, kiuderdiel; ciel verkoc.per. ' kou --er, al. werkba tie,
aanvoeren. —leader, belhamel. —plate, zorgket- Rooms (room';, v. A. d0OrnrerVAll; v. n. omzwertine. —rope, touwatopper. —streaked, met Rein- ven. —er, a. omzwerver. a, roode sehimmel. gen geteekend. — tail, ringelvalk; giekzell, brood- Roan (roan), a. roodgrije. winder. —toil-boom (-tee!'-), broodwinderepter. Roar (roar'), a. gebral; getter; gehulr'er; geechater. —. v. n. brullen; tieren; bulderen. —y, a. -thimble, neairing. —worm, datiwwortn. —, v. R. -ringen; van rtogen voorzien. danwaehtig. Ring (rine') [rang. rung;, v. a. & n- luiden; Roast (roost'), a. gebradert. a. gebraad; spat. (doen) klinkeu (of with). --er. a. belier; kiokeen. to rule the — , beorgetien, — , v. a. braden, rootten; beet maken; bespotten. — er, a, bender; Wider. —let ( lit), H. ringetje; oral. roover; apeenvarken. (rins'), v. a. ornspoelen. —e, a. onispoeler. Riot (rarnt), o. uitepatting, zwelgerij; oproer, Rob (rob';, a. vruehtenstroop, gelei. —, v. a.13emulterij. to ran — upon, uttenatten, zieh to but. : retie.; bevrOden, (of); rooven, atelen. — bar, a. ten gaan in. —, v. n. geweld (oproer) makes;', mover, diet —beep (-bur-ih), a. rooverij, diefuitspatten (in); zweigen; (on) verbrassen. eta!. zwelger; oproerneaker. -0148, a. —ouslu, act, 1... 1 Robe (rook), s, ttibbaard,staatsiemantel. master of the -a, kamerheer. —, v. R. den tabbaard baudtg; oproerig. —ouanesa, s. losbandigheid; orahangen; kleeden. oproerigheid. Rip (rip), a. acbeur; viechmsnd; prul; rude tool. Robin (robln), s. —redbreast, roodboretje. v. a. oprijten; openseheuren; lostornen, non Roboront (rob'ur.ent), a. & ts. versterkend (rrintriel). den dog brengen. (from) wegrukken. (off) afstrooRobust (miter), a. sterk, geoplerd, atevig, pen. (up) openrijten; opbreken, slooprn. a. sterkte, forechheid. formeh. Ripe (rain') a. — ly, ad, rijp —ness, a. rijpiteid. Roebet (roteit), a. koorhemd, minkleed. Ripen (rarpn;., v. a. & n. (doen) Ripp er (rip'pur), a. openk,ebeurder; elooper. Rock (rot'). a. rots; 8pinrokken lurking—, blinde klip. --alum, bergaluin. —bound, door rotarn a. het openseheuren; steekbeitel; higesloten. —cork, bergkurk. —cress, isteenkers. —iron, breekeizer. —crystal, bergkristal. —doe, gems, klipgeit.—milk, Ripple (rip'pl), a. gekabbel; virasrepel. —, v, a. bergmelk.—mots,rotamoc—oil,steenolle.—pigeon, doen rimpelen; repelen; v. n. kabbelen. leiednif — ray, steenrog.—rose,steenroos.—rube, floe (rsjo, a. (hoe) opstaan; opgong; opkomst; mode granaatsteen. —salt, kitpzout, —shell, kilt,verheffing, r jztng , stijging; ooreprone,,ontataan. echelvisch. — wood, hoot-asbest. —work, grotto give — to, aanletding geven tot, doen ontmtattn. weak. Rise (rajz') from (root). risen (ria'zn)], v. n. op- Rock (rok'),v.a. schudden; schommelen; wiegen; eine. ; °pea., opkomen; stijeen, ri.jzrn; zwellen; v. n. slingerett; waggelen. —er, a. wiener. —et (-it), a. raket, vuurptjt; raketten-kruit. —bless zich verbeffen; (from) ontstaan, vonrkomen. -in arms, de wapenen opvatten. —r, a. opataander; (-i-ness), s. rotsachtigheid. —ing, a. het sehomearly —, iervand, die voceg opstaet. melen, wiegen; — chair, schommelstoel; —horse, flail hie (rtz'ibil, a. belacheF.jk. hobbelpaard. —less, a. zonder klippen. —y, a. (-i-bil'ittih), a. belecheitikheid. roteachtig; hard. Rising (raj'zteng), a. (het) opstaan; opgaan; ge- Rod irod), a. roede, stang, vitae. knangdier. ewel; Gpstanding; opatand. Rodent (ro'dent), a. knagend. Risk (risk'), a. gevaar; waagstuk; kens; rieico. Rodomontade (rod-o•mun-teed ), a. enoeeertj. —, v. n. pochen, snoeven. —, v. a. wagen, op 't spot zetten. —er, a. wager. Rite (rajt), a. kerkgebrutit; elechtigiteid. Rogation (ro gee8jun), F. bode, titanic. —dope, kruisdaeen. —week, benielvaartsweek. Ritornello (ri-tor-neFlo), s. ritornel. Ritual (rit'joe-el), a. ad. volgens het ler:, Rogue (rong'i, e. echnirk, tlelt, sritsboet sehelk. gebruik; plechtstatig. — in grain, aartaacbelm. —, v. n. rondzwerven; rituaal. sehurken- of guitenstreken uitvoeren. a. Rival (revel), a. tnededingend, wedijverend —, sehurkertj; gutterij. a. merledinger; medeminnaar. v. a. wedijvelavigtelsta (ro'gisj), a. —ly, ad. sehurk-, Behalkren, mededingen met. —ivy (-vel'it-tih), —ship, a. wedijver, mededinging; merierninnarij. achtig. —nests, a. achurkaeletigheid; echalkaehRive Irajv'i [rived (rajvd). riven (riv'e)], v. a. & tigheid. epltjten, setieurete —r, spititer. Roister (rojs'turl, v. n. Leven maken, tieren, snoeven. —er. a. levenmaker, windbuil; tonoever. Rivet (riv't). v. rt. doen rimpelen, versehroeien. River (riv'ttr), a, rioter. —dragon, krokodil. Roil (mall'), a. rot; rolbloe; atrijkbout; Itist, register; neamrol; oorkonde, jaaranek; roffel; §. — driver, houtvlotter. —god, viviergnd, —4orse, broodje; velitoed; hoofrivvrong. master of the —s, rivierpaard. — et (-it). s. rivinriiP• Rivet (riv'it), s. klinknagel. —, v. a. vastklinken; oorkondenhewearder, eriffier. —brimstone, pijpInp renten, zwavel. — calling.. appal. —, v. a. tact -en rolWok gellek maken; inrollen, inwikkelen; oprolRivulet (riv'joe-let),, a. riviertje; beak. len (up); v. n. rotten, wentclent roffeien. — er, Rixdollar (riks-dolner). a. rilkedaalder. Roach (rootsj'), e. roller; rot; rolstok; valhoed; zwachtel; wrong. voren; nitgelling (van eon sell). —leech, mastlijk. —ing, a. bet rotten, elingeren. —board, rolplank; Road (rood'), s. weg, atraatweg; reede, dagreis; —mill, pletmolen; —pin, rolstok; —press, roltonal, strooptocht. enkerplaata. — way, pers; —tackle, stoottalie. straatweg,ripreg• —ster,a. ter reedeliggend acid p. Homage (rumndzj),.s. Zie Rutwinsage.
In the case of Bitcoin, miners run computer programs to verify the data that creates a complete transaction history of all Bitcoin. A technology known as the blockchain, which is used to create irreversible and traceable transactions, makes the process of verification possible. Once a miner has verified the data (which comes in a block, hence, blockchain), they are rewarded with some amount of digital currency, the same currency for which they were verifying the transaction history. So mining Bitcoin, for example, would earn you Bitcoin.
PAR.—PAS. 213 fine —, ik Len er mnoi aan toe. —book, klanParterre (paar-teer'), a. bloemperk; parterre. tenboek. —key, hoofdsleutel, looper. —parole, Partial (paar'ejel), a. —1y, ad. gedeeltelijk; een—word, wachtwoord. —rose. anemoon. zijdig, partijdig (to). to be — to, voorliefde heb• ben voor. —ity (-sji-el'it-tih), s. eenzijdigheid, Pass (peas), v. a. gaan (door, over); doorbrengen; doorlatIn; overzenden, te "uoven komen; overpartt digheid. treffen; boeken. — to account, in rekening bren Parti batty (paar-ti-bil'it-tih), a. deel-, echeidgen. — a ball, ten' bal maken. — a bill, cent baarheid. —ble (paart'ibl), a. deelbaar, Beheldbill aannemen. — a business, eene zaak uitmabear. ken. — a draft upon, een' wince! afgeven op. Participa ft (per-tiel-pent), a. deelnemend; — a jeer upon, bespotten. — a muster, gemon• deeihebben.i; a. deelnemer, deelhebber, aterd warden. — a sentence (judgment) on, vonv. a. & n. deelachtig zijn. deel hebben, deelnenis vellen over. — a Revere test, een etreng ondermen !in. of). —lion (-pee'sjun), a. deelneming, zoek cloorstaan. — a trick upon, eene poets apelen. deelachtigheid, verdeeling. —tor (-pee-tur), s, — one's verdict, sijn gevoelen zeggen. — one's Lie Participant. word, zijn wooed geven, instaan (for). (away) Partici plat (paar-ti-sip'i-e1), a. —piably, ad. doorbrengen. (by) over 't hoofd gen; overelaan. deelwoordelijk. —pie (paar'ti-sipl), s. deelwoord. (over) overleveren; ovarzetten; overelaan, over Particle (paar'tikl), a. deeltje; greintje; onver't hoofd (door de vingers) den; voorbijgaan. —, anderlijk rededeel. Particuiar (per-tikloc-ler), a. bijzonder; nauwv. n. gaan, voorbij-, overgaan; verloopen; er het oog loo. to make — in made door kunnen; pleats grijgen; ultiallen; keurig; zonderling. a. bijzonderheid; btzender perpaesen. to come to —, voorvallen, gebeuren. to — pend maken. into law, tot wet worden. (away) overgaan. (by) soon. in —, in 't bijzonder. —ity (-ler'it-tih), a. Mizouderhaid; nauwkeurigheid; zonderlingheid. voorbijgaan. (for) doorgaan voor. on voortgaan; vervolgen. (over) voorbij-, overgaan, overepringen. —are (-ajz), v. a. in al de Vzonderheden verbalen of opgeven; v. n. in bijzonderheden treden. Passa ble (paas'sibl), A. —bly, ad. begaanbaar, toegankelijk ; gangbaar • tamelijk , dragelijk, —1y, ad. in 't bijzonder, voornamelijk. Parting (paart'ieng), a. verdeeling; scheiding; —bleness, a. dragelijkheid. het driftig worden. —, a. afscheids-; ten einde Passado (pes-see'do), s. uitval, atoot. loopend. —breath, laato'e ademtocht. —cup, af- Passage (pes'sidzj), a. doorgang, goat; doorrein; veergeld: voorval; pleats (nit een boek). scheidsdronk. —kite, afscheidskus. —money, kletn bird of —, trekvogel. —boat, veerschuit. —money, geld. passagters-vracht. Partisan (paar'ti-zen), s. aanhanger; partijgan. ger; bardezaan; bevelhebber; commando-staf. Passant (pes'eent), a. gaand, etappend. Passftree (pes-se-rie'), a. hullentouw. Partite (paar'tajt), a. verdeeld. Partition (per-tierun), s. deeling, verdeeling; Passenger peesen-dzjur), a. passagier., reiziger. —hawk, zwerfvalk. —room, wachtkamer. —train, scheiding, beechot; vak; partituur. —wati,scheidspassagiers-train. muur. —, v. a. verdeelen; afechutten. Passer (paas'eur), a. voorbij ganger, reiziger, —hy,, Partitive (paar'ti-tiv), a. —1y, ad. deelend. a. voorbUganger. Part let (paart'lit), e. halskraag. —ly, ad. gePasserine (pee'se-rin), a. van de mueschen. deeltelijk. Partner (paart'nur), a. mairker, meat; deelge- Paint lie ipea'aibl), a. ltjdbaar, gevoelig. —bility (-si-bil'it-tih!, —bleness, a. lijdbaarheid, gevoe moot, vennoot; mededanser; viseching. —ship, a. maatschap; vennootschap; maatschappij. ligheid. Partridge (partetridzj', a. petits. —call, voge- Passing (paas'sieng), a. voortreffelijk. —, ad. uitermate, neer. in —, in het vooriagaen. laaretleitje. —shell, veder-, patrtp,horen. doodklok. —note, overgangsnoot. —place, nitPartite ent (per-tjoe'ri-ent), a. barend. —lion wkikplaate. (paar-tjoe-risrun), s. baring. Party (paar'tih), 8. partii; gezelechap; deelnemer. Paasion (pearuft), a. drift, haetstocht; lijden. to (fly) into a —, zich driftig maken. —flower, fall deal hebben. deelnemen aan to be a — in (to). passiebloem. —week, lijdensweek. —ary, s. book betrokken zijn bij. — in contempt, in gebreke der martelaren. —ate, a. —ately, ad. (-et-), blijvende parti,j. —colored, bout. —jury, gemengde hartstochtelijk; opvliegend. —less. a. ozgevoelig, jury. —man, parttiman. —rape, partawoede. be acrd, kalm. —spirit, partijgeest. —wall, tueschenmuur. Peony a (peesiv), a. —ely, ad. lijdelijk, lijdend. Parvis (paaevis), a. voorhof, kerkportaal. —cam, —ity a. lijdelijkheid; geduld; Pas (pa), a. pas, schrede; voorrang. 11jdende toestand. Paschal, (pee'kel), a. paasch-, van het paunchPassover (paas'o-vur), s. paaschfeest;paasohlam. feest. — lamb, paaachlam. Past (peep, a. hoofd; slag, etoot. —, v. a. stoo- Passport (paas'poort), s. pas, paspoort. Past (pewit"), a. verleden; geleden; voorbij. a. ten, kneuzen. (bet) veeleden. prp. over, buiZen, meet dan. Pasha. Pashaw (pe-sjao'), a. Lie Pacha. Pasque-flower (peak'fianw-ur), a. paaschbloem, a quarter — seven, iwart over seven. — a child, geen kiati meer. — cure, — recovery, onkerstelanemoon. bear. — dispute, on•etwistbear. — doubt. zonder Pasquinade (peeki-neect, a. schotschrift, pastwijfe. — hope, hopeloos. — marrying, te cud v. a. hekelen, doorhalen. kwil. om te huwen. — shame, sehaamteloos. Pass (peas'), a. pan, engte, toegang, doorgang; pas, paspoort; etoot; etaat, toestand. 1 am at a Paste (peest'), a. deeg, pap, beelag; valsche edel-
STE.—STI. 287 ter sluik. —ily, ad. eteelswjjze. —y, a. heimelijk. caste letter last; v. R. stereotypeeren, met vekte Steam (atiemi), a. stoom, damp. —bath, damp- druk en. bad. —boat, atoomboot. —boiler, stoomketel. Stern (stWII), a. onvruchtbaar. —ity (ete-r11 9 ,1t-earriage,stoomwagen.—enetneottoomweretnig. tih),, s. onvruchtbaarheid. —ire ajz), v. a. on-navigation, ttoomvaert. —racket, stoompeket- vruchtbaar meken. boot. —press, snalpers. —snip, —vessel, atoom- Sterling istuelieng)., a. eeht,proefhoudand,Wiehtig. 'whip. —tug, sleepboot. —valve, stoomk Lep, —whistle, etoemflnitje. —, v. a. uitstoornen; v. Stern (sturn'), a. eehtersclatp,, -eteven. —chases n. etoomen, dampen; — with heat, mien, tieren pl. jagers aehtemit. booteleper. —frame, (van toorn). —er, s, stoornhoot. —y, a. dam- I achterwerk. —gallery, weetergang. —part, achterpig, vol etoom of wasem. poort. —post, achtersteven. —seats, pl. doften, Stearine kajuit. —sheets. roertalies, etuurrepen. —sidea. etearine. talkstof. Stesinte (sti'e-tajt), 8- spekateen. timber, windveer. —timber, hekettjl. —transom, Steed katied), a. etrijdros, her.gmt, bekbalk. —way, 'heti deinzen. hielen. Steel (mien, a. staler,, van steal. —, a. staid; Stern (scum'), a. —ly. ad. strong; stroef; hard; onstaalmidde.). —yard, nosier. v. R. harden, verleuttrzaam. —most, a. achterate. —ness, s. strengstalen; (against) verharden; ophitsen. —er, bed; etroetheld; hardvochtigheid. —on, —ton a. boratheen. , spatgang. —Y., R. ataien, bard; hardnekkig. Steep (ettep'), ad. steti. a. eteilte. Sternuta lion (etur-njoe tee'ejun), a. (het) nte—, v. a. indoopen; weaken- reuten. sen. —live, —tory 1.ejoe'tst-,, a. bet niezen bevor• Steepl e Istle'pl), a. toren, ktokketoren. —chase, derend of verwekkend. —tory (.njoe'te-), s. wedren met hindernissen. --d, a. van torens voormiddel , nieskrutd. ales, Stew (stjee'e s. bedstoof, geatoofd vIeesch; visehvit jver; bordee ; ; °artist, verwareing. —panottoof.. Steep nee% (attep'ness), s. stellte. —y, a. stet'. Steer (shire), P. jonge atter. v. a. & n. etapm, —, v. a. & n. stoves. ren. —age, a. (het( sturen; beatuur, beheer; tug- Steward (stjoe'tirdl, a. opziehter ; rerttmeester; echen• de ktevooronder —er, —sman (stierz'men), a. hofmeesr. er. —ship, a. opzichterschap; eentmeemettrarman. —ing, a. het sturen; — wheel, etnurrad. terschap; hormeesterschap Steeve (stiev), v. a. (den boegspriet platen mprin- Sties ∎ staj'ent, a. otrontje teas het ongitd). gen. ten . zekeren hoek raven; peraen (kateen); v.n. SOliti sal istib'i-ei), R. spiesg .anettehtig. . stall stean. (.piesglans. Siegonography (steg.e-nog're-fihl, a. gehetm- Stich (atilt), s. vers (van den BiJbel). schrijfkunet. Stick (ntik), a. stok; etaafje, POP. str (stellar), —Cry, a. aterre, —ate (-let), Stick (stilt') [stuck], v. a. stelten; besteken; coata. atervormig, els etrelen. —iter—ated, steken; plekken, (on) aanetelter; aanp'akken; v. D. ates P -!lf'ur-ua), R. met sterren hezet. (-jun), s. sinker, hlijven sicken; kleven, zich hechten. (at) sterhagedis. zilch bekteunen otn, ontzten. (by, bijetaen; bij hitt. Stelography (ate-lc/ere-1'1h), s. pilaer,chrift. ven. (out) niteteken; Melt onttregken. (to) eanhar, Stens (stem'), s. atom; stance!; voorste en. —, v. a, ge.n, aankleven; vol harden in. ,upferl de partij opstutter, tegenhouden. the tide, het tij dead. zelnemen van. (up.) b(ijven h&j, stain op. —Incas len. —less,a. stengel loos. et-ness), a. kleverigheid. Stench (sterns), a, stank. Stickle (atik'kl), v. n pang) trekker (for); liveren Stencil (sten'ell), s, petroon (tear bebangeelpafor. in); hardnekkig tvvisten; (between) wenkelert pier); merkplaet. —, v. a. met een patroon (eene tusechen. —back, stekel hears. —r, s. getuige, ijver. merkplsat) drukken. aer; voorvechter. St,nogropla er (ate-nog're-fur), —jet, a. anel- Sticky (stilethi, a. klevertg. sehriper. —y, a. anelechrijfkunet. Still (star!. a —ly, ad. stijf; sterk; hardnekkig; onStentorian (sten-to'ri-en), a. atentora-, luidklinbuigzaam. —hearted, —necked, halestarrlg. kend. Stiffen (stirrn), v. R. & u. (doen, veretijven; (rich) Step (step'), a. step, teed; trade, trap; etoep; epori; vetharden. —er, a. kravatje. maatspoor; e noorstak; vordering. —brother, stieflinens( (etiff'nesel a ettifheid; hardnekkigheid. hroeder. —child, stiefkind. —dame, —mother,stief- Stifle (Stmrtil., kIllefithijf (van een peard). v. monder. —daughter, stteidochter. —father, atiefR. verstikken,emoren; onderdrukken. under. —sister. etiefzueter. —soft, etiefzoort, v. St inane (atig•rne), a. brandmerk, schandvlek.—ttc, a. met stappen nieten; spores; v. n. etappen, lea—Heal (..ntet'ilt1, R. genisndmerkt; geschandvlekt. den; (after) nagaan; (asp to) toetre.len op. —ping—tire )-tojz), v R. brandmerken; echandvlekken. alone, treeeteer; middel. —s, pl. stappen ;flight of Stile (etajli, a. hek, overloop; st41; naald (van een' —, hordes, hooge stoep. ronner Stereoru crons (atur-ko-ree'ajna), a. drekbig; Stiletto (sti-let'tol, a. stilet, dolk. meat-. —ry (stueko-re- eih), a. mestvealt. —lion Still iatill'i, a. st(lte, rout; distilleerkolf.--6em, 1-sjun). a. harvesting. v. a. yerbranden (door distillatie). —house,stokerij. Stereo graphy i-og're-flh), a. afbeeldtng —, a. —ly, ad. cot;; halm. —horn, doodgeboren, van saute lichemen op een slat, —metry (-om'e—life, stillever. —stood, stilstand. —, v. a. etillen; trib), a. meting van caste licharven. distilleeren. ad, nog, steeds; toeh. —aficions Stereo 'mope (et - W• o•skoop(, a, steroescoop. (-e-ttarne), a. druppelend. —atory (-e-tur-rih), s. —type (•ta)p), a, geetereetypeerd; a. stereotype, dietilleerkolf; et nkerij, —er,a. stiller; distill atell r.
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.

cryptogeld regelgeving pdf


428 Break bear, by. fragile, brittle. —bacirkeid, 11. fragility, brittleness. —beitel., —User, iron-crow, crow-bar. —spel, trouble-feast. mar-joy. —tuts, breaking-tools. Breetinv en, so. w, to calk; to bring about. —kisser, calking-hammer. —veer, —men, calkingiron, ealkin. —.tort, calking-Pox, —er, m. calker; —sknecht, calker's hel pin Ate. Breidel, m. bridle, curb; check, restraint. —ex, ov. W. to bridle, to curb, to check, to restrain. —loot, bv. Zie Tengelloos. Brat en, ov. w. to knit. —garen. knitting-yarn. —geld —loon, knittage, money paid for knitting. knitt , ng-sheath. —katoen, knitting-rotton. —kind. child that learns knittiag. —Aloe, knitting-bobbin. —koker, knitting-needle-ease. —kous, stocking being knitted. —metres, —rrouw, woman that teaches knitting. —rreisje, knittinggirl. —naead. knittiog-needle. —school, knittingschool. —stock, knitting-stitch. —werk, knitting-tool, knitting-wool, -worsted. —oak, knittingbag. —er, ster, v. knitter. Brain, o. brain. —onlateking, brain-fever. —flies, meninge. —loos, bv. brAinlees. Reek *beim, 112. & v. bengler, nobler. —ers.oe. w. to break; to reti t; to violate; on. w . to break, to snap; to glow dial ;ran de owe); het Os —, to break the ice. to pave the way; reel woordon den halt —, to talk e great deal to no purpose; sick Aet hoofd — met, to break one's head stout. —er, m. breaker. —ing, v. breaking; refraction. Brew. v. pickle, brine; broom, geniota, farce. gentsta. Bre ws, v. gorse fly, gad fly. ilrenig en, ov. w. to bring, to carry, to convey, to conduct; tide laten —, to take a carriage; het ter —, to have great success, to cork one 's way up; tot iets, to induce (to engage), to something. —or, in. —ster, V. lo Inger, carrier; hearer. Bras, v. build". sehieten, to breach, to batter in breach. in de — sprinpen roar, to intervene for, to defend. Bretelc, v. me. gallowses, straps, suspenders, 13treuk, v. break, breskin,r, fracture, rupture; traction; hernia. —band, tr,:sis; —.akar, Untomaker. —tneester, hernia-carer. Drover, o. patent, brevet, warrant. ['reviler, o. breviary; brevier. Brief, ;n. letter, epistle; flake (aan de kr.ars). 1hr —, by letter. — speldon, pin card, raper of pins. rondgaande eircu,ar. —draper, letter-carrier. —loon, — pert, postage. —sehrijeer. writer of a letter, correspondent. — afiji, epi.tolaty ely.e. —wisseliwg, correspondence. —le, o. note, letter; ticket, billet. Brier, v. breeze. Briesch en, on w. to Leigh; to roar. —ing, 0. neighing; rearing. Brieven. m. mv . open. —, letters patent. —bestiller, letter-carrier, postman. —bock, letterbook; letter-copy-book. —hue, letter-box. —dohker, —drekker. letter-presser, letter-clasp. —geld, postage. —maul, mail. —osolag, wrapper, envelop. —post, mail; postman. —tank, letter-case; rocket-book, portfolio. —.rah, letter bag.
505 o. (slipping% , cuttings. —err, v. Zie Kodde, a. —rijtje, o. drollery, fan. K.driebeter, rn. game-keeper. Snippet.. Kotleig. b7. & bw. droll (-hotly), odd (-13), Knitteren, on. W. Zits Knetteren. funny oily). —held, v. drollery, oddness, oddity, Knobbel, tn. knob, knot ; tubercle. —achtig, comicalneee. —ig, by. knobby, knotty. —igheid, y. knotti• *rase, v. cow ; bad sailor. —Leest, cow. —brag, nest. orlop-deck. —dief, cow-etealer, ebactor. —date, Kuod, Knodde, v. knob. —destok, club, cudgel. wild camomile. —dokter, cow-leech. —drek. Knoet en, ov. & on. w. to bungle ; to intrigue. —mist, cow-dung, cow-quakes. —deljver, cuw• —work, bungling, clumsy work, —er, m. bungler, paltry workman. —erv, v. bungling, clamsy held. —hoar, cow-hair. — boom, cow 'o horn. cow-bide, cow 'a skin. —kanap, —weide, work intrigue. —ster, v. bungler. pasture-ground, meadow. - -melk, cow 'a milk. m. boot, knob. —gezwel, ecirrhosity. —milker, cow-milker. —pokken, cow-pox. —pokby . knotty, knobby. —erig—acktig, —erig, inenting, vaccination. —pokstof, vaccine matter. held, —igheid, v. knottiness, knobbiness. stoart, COW 'a tail. —Oaf, cow-house. —Oleg, Knoat, m. boor, clown ; knout. —achlig, —ig, os-fly. —voet, (iron) crow, lever, liand-epike. bv. boorish, clownish. —debars. cow-cheese. —iekop, cow 4 s head. -ivKnotroten, ov. w. Zits Knuffelen, braid, cow-weed. —ievieesck, cow-beef, --ienuter., lino:took, o. gaalick. cow 'a udder. Kook, re. bone. Knokkel, tn. knuckle; clown. —olie, —sop. drub- Ktrek, m. cake. —, v. gingerbread. --1.akkey, gingerbread-baker. pastrycook, confect loner. bing, stirrup oil. —aelitig, by. clownish; clumsy. —bakkerij. trade (horse) of a pastry-cook. —deeg.. Knol, m. turnip; hack., jade. —akker, —laud , dough for cakes, gingerbread-prate, —kraani, turnip-field. —rabi, cole-ropa. —radj;s, turnipgingerbread-stall. —kromey, gingerbread-seller, radish. —rend, spheroidical. —seldersj, celo ►tac. —embakker, zie Koekbekkor. —enpan, frying—.gad, rape-seed. —achtig, be. like turnips, pan, tuberous. Kvackeilosoress, on. w. to stare, to peep, to ogle; Knook, in. bone. to loiter., to idle. Knoop. in, knot, knob; *nail; node; button; tie. —doekje, small neck-handkerchief. --eras, dog 'e- Ilicrekock, szo. eockoo ; sky-light ; cuckold. —ecockoo•tlower. —.brood, wild sorrel. gress, outton-weed. —koord,flettifilt-string.—Lorm ;,loens button mould —nude, twisted silk. —endraoler, —stook, hare-foot. —.ono, cuckoo's note. —eowaoker, button-maker. —enfabriek, button- Kole I, be. & bw. cool (-1y), cold (-ly). —6lotdig, by. manufactory. —spat, button-hole. — en, or. w. to cold, lodiffarent; bw. in told blood. —6Ioedigheid. cold (cool) blood. —soristrg, be. & bw. cool (-1y), net, to knit ; to knot, to tie ; to button. —er, composed (-1y). — zineogkeid, coolneert, comm. netter; knotter. —ig, be. knotty. —ing, v. netting; knotting, tying ; buttoning. —titer', a. posure. Koel en, ov. w. to cool; to satisfy, to gratify; on. Zie Knooper. w. to cool. —6ak, miner, —ketet, —kitip, —eat, Knots, in. knob, head, stud; button; pommel, cooler, cooling-vat, —drank, julep, rerrigeraet. cascabel, truck ; bud. --speld, large pin, —achtly, be. knotty ; full of buds. --pen, on. w . to bud. —kelder, cooling-cellar. —oven„ cooling oven. Knor, m. knot, knob; gristle, cartilage. —vleesch, —zeit, wind-sail. —held, v. coolness, coldnese. gristle meat. —ing, v. cooling. --be, v. coolnekor, freehneato Knurl, in. knot. breeze. --gale. —tjes, bw. coolly, coldly. Knor ren, on. w. to growl, to grumble, to snarl; loan, by. & bw. bold (-1), daring (-1y). —held, v. boldnees, daringnees. (op) to scold. —haan, gurnet, francolin; —repot, grumbler, snarler. —rig, be. grumbling, 114.trepe t, m. dome, cupola; enminer-house. —dab, arched roof, dome, cupola. —beck, dome-church. peevish, surly. —righeid, v. peevishness, au dines.. Knot, v. tuft, bunch, knot; need cod. g, dome-shaped. Knioto, v. club, cudgel. Knees, m. vv.-order of a tower (steeple). Knot ten, ov. w. to tie into `knots (bunches); —toren, watch-tower. to lop, to prune; to quell, to repress. Knerrn, o n. w. to ,00. pollard-willow. —ter, m. lopper, pruner ; (melt- Koerter, m. courier. honden, — er, represser. —tang, v. lopping, pruning; quelling, Koerai, m. course; currency; rate. repression. sett., to steer, to proceed. —en, or. & on. w. KnutTellen s on. w. to handle roughly, to rube, to steer. --ing, v. steering. Koester nor, m. cherisher. —en, ov. av, to to fumble, to pucker. cherish, to cocker, to pumper; to oultivate; to Knntst, m. fist, clutch. paw. t. w. to Knot, m. fellow, ninny-hammer, dunce. favor, to protect; to entertftin; nick bask, to nurse one's 'self up. —Ong, v. cherishKnuppel, m. cudgel, club. —en, ov. W. to cudgel. Koutscl oar, m. —aars/er, v. one that makes ing, pampering; cultivation; protection. all manner of trifles. --ar(j, v. (making of) trifles. Koet, v. moor-ben, coot. —en. or. & on. w. to make (to contrive) by Koeter seer, m. —aura/er, v. jabberer, person that talks gibberish. —en, on. w. to jabber, to way of pastime. —lag, v. making of Utiles. talk gibberish, to gibberish. —want, sic KosKnuttel. v. knittle. laniottorijo be. pleasant, amusing. teener. —waaleo/,, by. & o. gibberish. —wafers, Kobelt, o. cobalt. tie Koetarem,
Aldus moeten de directeuren-generaal en de diensthoofden de redelijke zekerheid verschaffen dat de middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer (efficiëntie, doeltreffendheid en zuinigheid) en dat het systeem van interne controle de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen waarborgt. eur-lex.europa.eu
Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.
illisistest, v. barrier. Hamel, rn. wetter. Eirenteve.r, Rs. hammer, mallet, pick. —bUt, battleaxe. —4:40?e, hammering-mill. — slag, stroke (blow) of a hammer ; scales, dross of iron. —We!, handle of a hammer. —en, no. & on. w. to hammer. Hand, v. hand. — aan — goon, to go hand to hand, — side by side. —over —, more and more, iemand de — bourn let /loofa /louden, to mapeort, to patronize. de — oftrekken von, to withdraw one 'a protection from, de -- greet, to shake hands with. de — in hot spa hebben, to hove a hand in it. de — itclv'en met, to hatoreer (to bungle) op. de leg/yen aan to slue the tintehing stroke loaf ate to. de —en oan het tverk staan, to put the band to -work. de —on cute sieh zelven mean, to lay VIO• teat hands open (to make away with) one 'a self. ann does (omen), to furni,h, to enggest, to intimate. aan de tvinnew de — zijn, to be in to thriving way, to prosper. bij de —, at hand; stirring, visilAe; nemen, to take in hand, to unclever, not to be dertake; — zipt, to be quick, played the fool with. in (le — rotten, to exceed tone's expevt,t , on. ova hebben, to hove to do, under —en hebben, to be at, to be busy with antler

Kan Bitcoins worden gehackt


Enchafe (en-Weer), v. a. tergen. Employ (ea -plot'), s. ambt, werk,bezlgheid.—, Enchain (en-tsjeen't, v. a. ketenen. —er; a. v. a. bezigen, aanwenden; gebruiken; in dienat Enchant (en-tsjaant'), v. a. betooveren. ad. verrukkelijk. —meat, a. hebben. —able, a. bruikbaar. —er, a. gebruiker; toovenaar. —ingly, baas, patroon; lastgever. —ment, a. bezigheid; betoovering. —ress, a. toovenarea. Enchase (en-tsjees'), v. a. invatten; indrijven, ambt, bediening. graveeren; grofachilderen. Empoison (em-porzn), v. a. vergittigen. —er, Encircle (en-suekl), v. a. omringen. s. vergiftiger. —meat, a. vergiftiging. Emporium (em-po'ri-um), s. markt, stapel- Enclos a (en-klooz') v. a. insluiten; omheinen. —mire (-zjoer), a. omhelning; besloten veld; ingeplaate. eloten brief of stub. Empoverish (em-pov'ur-isj), v. a. verarmen. Encoml sat (en-ko'mi-est), a. lofredenaar. —mint, s. verarming. —antic, —astical, (-ea'tik.), a. prijzend, lof toeEmpower (em-pauwittr), v. a. maehtigen. zwaaiend. —um, a. lofted.. Empress (em'press), a. keizerin. inEmprise (em-prajz), a. gewaagde onderneming, Encompass (en-kum'pes), v. a. omringen, sluiten; omwandelen; omzeilen. —meat, a. instout bestaan. sluiting; uitweiding. Empt ter (em'ti-ur), s. lediger. —iness, a. ledir heid; ijdelheid, nietigheid. —ion (em'sjun), a. Encore (eng-koor't, ad. nog tens; bid Encounter (en-ksaun'tur), a. ontmoeting; koop. echermutieling, gevecht. —, v. a. ontmoeten; Empty (em tilt), a. ledig: ijdel; onwetend. —hanhet hoofd bieden; aanvallen; v. n. elkander ontded, met leege handen. —headed, dom. —heart- moeten; handgemeen worden. —er, a. tegened, ongevoelig. —, v. a. ledigen; '(of) bevrijden stander. (berooven) vt.n. to — one's self into, uitloopen Encurage (en-kuri ► dz)), v. a. aanmoedigen, (.iengz), a. bezinksel, grondsop. in. —ings aansporen. —anent a. aanmoediging, aansporing. Empurple (em pur'pl), v. a. purperkieurig ma—r, a. aanmoediger. ken; (with) versieren met. aanmatigen; Empuzzie (e.m-puz'zi), v. a. inl verwarring Encroach ;ea krootert v. n. itch(on. upon). —er, indringen; inbreuk waken op. brengen. a. overweldiger; die inbreuk maakt. —meat, a. Emapyre al (em-pir'i-el),'—an (ook: em-pie-ri'en), inbreukmaking; aanrnatiging. a. hemelsch; zuiver. (ook: ri'en), a. hoogEncumber (en-kumibur), v. a. belemmeren; ete hernel. bezwaren. —brance (-bream), a. belemmering; Emula to (emloe-leet), v. a. wedijveren met; beslommering; overtollig bijvoegsel. nastreven, nabontsen. —tion (-lee'ajun), a. wedijvering, nastreving. (-le-tiv ), R. wedijve- Encyclical (en-siklikl), a. rondgaand. —epistle, rondgAande brief. rend, naatrevend. —tor, s. mededinger. nastrever. Encyciope ella (en-saj-klo-pi'di- e), a. algemeen Emutgent (e murdzjent), uitmelkend. Emulous (em'joe-lus), a. naijverig (of, op). — ly, woordenboek; encyclopedia. —dian (-pi'di-e.), —die, —dical, (-ped'ik-), a. eneyelopedisch. ad. naijveng. Emulsion (e mursjun), s. olieachtige, ver- Encyhted (en-sist'id), a. in een' zak bealoten. to zachtende drank. —sive, a. verzacbtend, melk- End (end'), s. einde; oogmerk, doel. to no—,ten vergeefa. on —, overeind. to the — that, achtig. einde; opdat. to be at one's wit's —, ten einde Ensuuctory (e-munk'tur-rih), a. afseheidingssteeds op , — rand zijn. to be all for one's Omen klier. eigen voordeel bedacht zijn. to make both —s Enable (en-eebl'), v. a. in stoat stellen. meet, de tering near de nering zetten. —all, a. Enact (en-ekt'), v. a. verordenen, vaststellen. besluit. —, v. a. & n. eindigen. all is well that —went, s. verordening. —or, a. wetsuitvaardiger. —s well, eind goed, al goed. Enallage (en-el'iidzj), woordverandering. besehadigen. Enambush (en-em'boesj), v. a. in hinderlaag Endaniago (en-dem'idzp, v. a.a, Endanger (en deen!dsjur), v. in gevaar brenleggen. gen. Enamel (en-em'el), a. brandverf; brandschllEndear (en-diet') v. a. bemind maken. —meat, derv.- erk; vergiaassel; 6mail. —, v. a. branda. geheehtheid; lief boozing. schilderen, 6 ► ailleeren. —ler, a. brandschilder. v. a. beEnamour, Enamor (en-em'ur), v. a. verliefd Endeavor (en-dev'ur), a. posing. —,naar). —er, proeven; v. n. pages, traehten (after, maken. s. beproever; trachter. ]narration (en-er-ree'sjun), a. omstandig verEndecagou (en-dek'e-gon), e. elf hoek. heal. —ices( -demlk-), Endem ial (en die'mi-el), Ennrthrosis (en-er-thru'ais), a. gelidvoeging. a. inheemach. Enatation (en-e-tee'sjen), a. ontzwemming. Endenizen (en-den'itn), v. a. naturaliseeren. Enate (e-neet'), a. uitgroeiend. Ending (endleng), a. besluit, Encage (en-keetizr), v. a. opeluiten. Endive (en'div), a. andijvie. Encamp (en-kemp'), v. a. & n. Iegeren. —anent, Endless (endless), a. —ly, ad. eindeloos. —ness, s. legering; legerplaats. s. eindeloosheid. a. Encaustic (en-kaos'tik), a. ingebrand. End long (endlong), ad. reehtuit, overlangs, (bet) brand- (was-) acbilderen. —most, (-moost), a. verat, niterat. Enenve (en-keev') v. a. in een' boil verbergen; Endow (en-dauw'), v. a. begiftigen: toerusten. it een' keleer bergen.
v atsnnbly, corslo'aciun Cfaustrle. v. clause. Client, m. client. Clint Ink, v. clinics. —isct, by. & bw. clinic, clinical (- y). Coeagne-mast, r ► . greasy (climbing-) pole. Cochenille, v. cochineal. Codicil, o. codicil. Cognac, m. cognac-brandy. Cognossement, o. bill of lading. Collette, v. collation. Collation, v. collation. Collationeeren, ov. w. to collate, to check. Collect eat, —eur, in. collector, gatherer. —e, v. colection, gathering..—eeren, ov. w. to collect, to gather. v. collection. —ief, be. & bw, collective ( ly). College, m. colleague. College, o. college; board, club; lecture, course. Collin, o. package; bale, bag, barrel, cask, etc. Colonede, v. colonnade. Consedle, v. comedy, play. Coentek,m.comie author, buffoon, clown; comic writer. CornIsch, by. do bw. comic, comical (-ly). Cosnite, o. ecnimittet.. Commensaal. In. mess-mate, boarder. Commies, m. clerk. C011111211PS aria, in. commisssry, commissioner. —ie, v. commission; committee; —handel, COnt• misstcn-business. —ionair, m. agent, factor., Counroittent, ran. constituent; coinmitter. Commode, v. chest of drawers. Contviciunle, v. communion. —deers, to take the communion. Compagnie, v. company. —schap, v. partnership, aseoclation. Compegnon, CD. partner, associate. Contains. ant, m. appearer. —eerie, on. w. to appear. —Ode, v. appearance; meeting. Constrieet, by. fall, entire, complete. Consplinnent, a. compliment. semand sips — makes, to pay one's compliment to a. 0. (over, on). —maker, complimenter. —eeren, ov. w. to compliment. Comport etre., ov. w. to compose. —let, m. composer. Conspositle, v. competition. Comprons is, o. compromise. —ifteeren, ov.w to compromise, to commit. Coanptebtlitett, v. accounts, book-keeping; ac-
schrift. in —,, schrittell,jk. cchrigboek. nadeelig. —less, a. —leanly, ad. arge:oos, niet —desk, schtijfleeseaaar. —diamond, glazenn: Akersbeleedtgend. —ness„ B. verkeerdheid. diamant. —master, s hrbjfmaeat.er. —paper.,echrijf- Wroth (roth'), a ongeluk; loom—, a. vertoornd papier. —stand, nnktkoker, sehrijtkietje. —ttible, (at, over. with, op). —Jul, A. Zie Wrathful. schrbftafel. Wrought (mat), a. bevverkt; gewrocht. — iron, Wrong (rang'), a. ongelijk; dwalingt onreeht, geslagen bier. high —, aitstekend uitgevoerd kwaad. to be in the —, ongelijk hebben. neer ontroerd; hoog gespannen. luvaaddoenet; verongelij ker. —doing, onrecht,ver- Wry (raj') a. seheef; verdraaid, verwrongen. ongelijking. —, a. & ad. —ly, ad, verkeerd, on—legged, met kromme beenen. —necked, met eon' juist. to be —, ongetijk (mis) hebben; zich verglascheeven nek. v. a. veYdraaten, verwringen; mt. —head, dwarehoofd —headed, verkeerd, onv. n, scheef zjjn. —nese, a. scheetheld, vets, rongertinid. —, v. a. verongelijken; benadeelen. —er, genheid. a. verongelijker. —tut, a. —fully, ad. onbillijk,
Ellernift cone-nee era, ay. iv. to renu mtpr i to number melting. again —fag, v. renumbering. illerisnaer en, ov. w. to smear (to grace, to ilr.vrou,i, tan, ov. w. to reopen. —kg, v, re- blacken) egain, — anew. — ing, 7. scrizarilg o 1ieuta4;•. (aresaine, blackening) again. atiroreever rear, on. reconeuerer. —en, or, W. to ileeepeldien, ov. we to pin again. IlitrepePen, ov. w. to ploy over again. eeeongeee, — lag, v. reco,que,t• gliererbeht Cat, err. w. to for. (to hire, t0 rent) laseeepeiticat, 07. W. to spell over again. again. — jag, a. 'Owning (hiring) again ; renerol illerspeten, or. w. to spit over again. 23,,,philtvo, 07. 7V. to dig over again. vi a leave. Uersegeal k 10, 0 , . W. to pack 07, aga‘n. —tag.. lii,..fot..,k,s, rev. w. to prick (to eting) again. e plcicng over 111;0, 111,E"liii el, 0.3(enrerY; restoratiom; remedy, redresS. 03er;,...irein, on. W. to eblipi9 again. —bear, bv. reparable, reatorable, retrievable; alierteateeeo, ov. w. to lay (over) again. curable. --lea. cm . w. to replace; to ree,tablisii; Ilierpeell era, ov. W. 1,0 gauge (to eoend) ago.n.,1 tm repair, to restore, to retrieve; on. w. to re —lag, v. gaagiee (fa-reeding , egain. I co , er. --tee-, I, resto er. —ling, v. replacing;
523 Lot, tn. praise, commendation. tot — vats, in praise of. God —, thank God. — &mein, —trotspet, trumpet of praise. —dieht, —redo, panegyric. eulogy. —dichter,—redenaar, panegyrist. —gterig, greedy of praise, ambitious. —gieripheid, love of praise, ambition. —Aunkeren, to be greedy of praise. —lied, —tang, hymn, anthem, offertory; panegyric. —emaies,centicie,bymn —epraak, prate. --bitten, to praise, to sound forth the praise of. —hater, flattering prairoar, panegyrist. —tuiter(i, flattering, glosing. —tutting, flattery, praise. —waardip, by. & bw. praise-worthy (-21y), laudable (-Illy). — waardigheid, praise-worthiness, leuda Witty. Lao lijk, by. & bw. praise-worthy ( -11)0,1 ;rude ble ( . —held, v. praise- worth'ness, laudablenese. Log, be. & bw. heavy (-11y) slow (-1y), doll (-y); unwieldy. —gat, bad seller. Log, V. log, —book, log-book. —paten, limberholes. —glas, log-glsee. —lijn, log-line. —plankje, log-plank. —rot, log•wheel. —tafel, log-board. Logarithms., v. logarithm. Logo,r. box; lodge. Logeereo, on. w. Olive, to lodge. Leegesnent, o. hotel, inn. —header, hotel-keeper, inn-keeper. Logen, v. Lie Leugesa. —straffen, to give the lie to, to belle. Loggen ,ov. w. to heave the log. Logger. m. lugger. —seil, lug-sail. Logbeld, v, heaviness, slowness, dullness; unwieldinees. Lsaglea, o. dwelling, lodging. Ledge!), be. logical, discriminating. Lok. v. lock, tress, curl. Lok ken, ov. w. to bait, to decay, to allure; to attract; to entice, to inveigle. —aae, — .144 bait,• decoy. —risen, to bait, to decoy. —brood, bait, paste used as 11, belt..—dust, decoy-pigeon. bird-call, cat-cell. —eend, decoy•duck. —geld, —gift. bribe. —mere, decoy-titmouse. —nsiddel, enticement. --rink, decoy-finch. —vogel, decoy-bird —woord, fawning word, enticing word. —fiend, hi, . alluring, enticing. —her. na. decoy-bird; allurer, enticer, Inveigler. Loki, fg, be. looked, curled in locks. kt.ok king, a, alluring, allurement, enticing, enticement, inveigling. —eel, o decoy, lure, enticement. —stir, v. allures, enticer, inveigler. 1,01, v. fun, frolic, clout, rag. 1,911 cae, on. w. to wawl, to caterwaul, to bray, to brawl; to warm one 's veil on a fire pot. —epot,ltre. pot, warming pan.—er,m.—eter.v.brayer.brawier. Lomburd, Luniberd, m. Lie Lommerd. Lommer, v. eh ade, —r(gc, shady, shadowy. —rijk. held, shadiness. — achtig, bv. shady. Lanimerd, m. lombard, loan-office, pawn-broki peatabliehment. in de--, at the pawn- broker's. —briejje, pawn. broker's duplicate, ticket. —hou• der, pawn-broker. —vrouw, female pawn-broker. —en, on. w. to mire. Lommer en, on. w. to lie (to sit) in the shade. —ig, by. shady, shadowy. Lomp, be. & bw. clumsy ( ily). awkward (-1y), dull (-7); unmannerly, impolite(-!y); big, gross. Lomp, v. rag, tatter; lump-sugar, — ingaarder,
ALL.—AND. different ; common-place, trite. —held, e. commonness, indifference; triteness, Aileen, by. alone, by one 's aelf, single, teat. tended. —, bw, only, singly, nothing but. —handel, monopoly. —heersetiapp(i, rponarchy. —hemtcher, moneren., autocrat, —heereching, monarchy, an'ocrncy. —sprelak, soliloquy. --zaligmakend, only-raving. —sang, monody. Alle *neer, b.s. Zits Altageder. — gaartje, o. mishmash, hodge-podge, medley. Allernars, vow. every body. —evriend, friend of every body. Allenge, bw• try degrees, gradually. Al lent waive, ow. every where. Allerbeet, by. A bw. beet of all, very beet, very well, capital (-1y,, excellent (-1y). Allerclirletelljket, be. most thrletien. Allereerst, by. & bw. first or all. elleehnvitcle, by. Zic Alter lei, & o. All-saints'(-day), All-hallo•tide, All-hallow". Allerbooget, hr. most high, supreme. —e, en. (the) Most High. Allerkinde, revidnig, zr. Innotente-day. Allerlel, by. ell Porte (manner) of, various. Alierl Wet, by. & be. most charming (-1y), roost beloved, dearest; by preference. Allermeasst, by, A bw. most, most part, moat of all. Allervinnst, ho. next, next door, very nearest.. bw. hard by. Allerwenen, bw. every where. AdlerAO en, tn. A o. —dog All-aeuis , day. o. all. every thing. any hIng. AI feeolne. bw. in sorry respect, in all respects. o Lie Gehniie. ,111ipincht, v. omnipotence. —19, by almighty, omnipotent. —ige, m. (the) Almighty. —igheid, v. almightiness. ,Thaannak, m. almanac, calendar. Altuiregend. hv. Zie Almachtlg. %log, v. //foal —plant, yloe.-pl.int. bw, every where. —tegenwaordig. omnipresent. —tegenwoordigheid, omnipresence. Aloud . , bv. an cient. e. antiquity. Altalinhet, o. alphabet, index. —itch, by. & bw. alphabetical (-1 y). Atreede, Alreedm, bw. already. Virally, v. mandrake Aim, vw. an , like; when; if; as if. — ware het, an te st were. — wanneer, when. at which time. Almdan, bw. then, at that time. Alsem, m, worm-wood; bitternete. —bier, purl. purl royal. —acAtig, be. absinthian. Alemicde, bw. as also, too, besides. Alenog, bw. as yet. bw. now. at this time. Alsof, vw. as it. Atmtoren, bw. then, at that time. Alt, v. cornter-tenor; alto. —stuk, altar piece. Alltanr, o. altar. —Oa —dier.aar, altarist, acolyte. —dienst, office, mass, —dock, altar cloth, corporal. —gewaad, climb* Alltegnder, AltemaaN,bv.altegether. Atte:inset, bw. sometimes, mayhap. All bane, bw, at least.

!Visible a (um'b11), o. pl. Ingewanden (van can hert), Umbria plot (ngo'bridaj), a. lommer; achiju; achterdocht; beleedtging. —genus (bree'dzjus), a. la:r.merrijk. —geoueness (-bree'dzja•), a. lammerrijkbeid, —tic, (-hret'ik-), a. aim,. beeldig, achadttwig, hulazittend. Umbrella (urn brei'le), a. regen zonnescherm. Umpir age (urn'pir-idzj), a. acheidarechterlijke be3ltasing. —e (pajr), a. acheidaman. Unabashed (can-e-besje), a. onbeaehaarnd. Unabated (c.n-e-bee'ttd, a. onverminderd, onveritauwd. (tin-ee'bi.), a. onbekraam, buiten ataat, Unat onvermogend ( for. to). Una.bollehed (una-bol'iajt), a. ntet afge,,chatt. Unabridged (on e-bridzjd"), a. onvetkort. Unabaolved (un-ab-zoivcr), a. ulet vtijgesproken. Unaczented (ran-ek-aent'id), a. zonder to ► nteeten. Uusteeepi sable (an.-ek-eept'ibl),, a. n 7iiieuneui lijk; onatngenaarn, (to). —ablenees, a. nuaannemelijkheid. —ed. a. nlet aengenomen. Unaccommodat aol (un-ek-kom'mod-ee-tid). a. niet ingericht.; onbruikbaar (to); niet bijgelegd, —log, a. niet iuschikkelijk. Umaccom panted (utt-ek-kam'pe-nid), a. onverzeld. —pliahed (-kom'pliejt), a. onvolbraeht; onvoltooid. Unaccounta ble (an-ek.irsauat;b1), a. —WY, ad. enverantwoordelijk; onverklaarbaar, (In). —Neuss, a. ouverantwaordelijkheid; onverklaarbaerheid.


Its nr:nranta, ov. w. to gain back, to regain. inHeating. —‘ to take Worn ations. Irevelpprn, ov. w. to throw in, — into; on. w. to skip in ; to look in ur on. w. to gain by usury ; to relionvoviatrenr, gain ; on. w. to gain ground, to spread. Ilnvesseten, ov. w. to wrap up, to envelop. Inwon en, on. w. to dwell, to live, to board (with). —er, m. lodger ; inhabitant. —lag, v. hobitat:on, abode. nanvoconnaer, v. Zie Inw ostler, Fruwortel wee, on. w. to root, to take (to strike) root, to inveterate. — lag, v. rooting, taking root, inveteration. Invertiv era, ov. w. to rub in, — into. — ing, v.

404 Bement en, ov. w. to mast. —ivy, v. meeting; — wonem, to live on the ground-floor. dat is — n,ij, that is on low for me. — den wind. leeward. ma4te. Hamer; bear, be. perceiyaide, observable, — bear, ground•fioo•neltehhor. — einde, lower —en, ov. w. to perceive, to remark, to observe, ena. —hate, ground-floor. — lamer, lower room. to diecover. —Say, v. percept,m, obAervatton, —rood, earth, world. —clad, lower town. — ate, thisensfery, notice taken, by lowest:, undermost. — waarts, boa. downBetneat en, ov. w. to manure, to dung. —ing, wards. 110214.1iVitilli, M. benedictine. v. !canoeing. tater, m. mediator, intercessor, in Besniedkj.tos, on. w. to Wiese. de gebenedijde ',Voogd, the ble , sed Virgin. teepooer. — aarster, snediatrems,mediatrix. —4, by. to easy circumstances, at eaee, warm, well- Ilten2enaster, v. Zie Benemer, to-do, kunst/11,CA. ov. w. to niediete, to fiesseemen, or. w. to deny, to say no to. accomarniate, to come.% to settle. —ivy, v. 11,404111 en, no. w. to deprive ot, to take away toodi3tiou, accommodation, interces,,ion. from. --er, m. deprive, — icy, v. privation. Ileniauct, by. to , ed. beloved. —e, rn. & v. lover, deprivation„ sweetheart, mistress, lady, spouse. licirepen, be. pinched, straitened, perplexed, Heiman Mk, be, & bw,, lovely (-sly), amiable dtatreeeed. —beid, v. straits perplexitylijkheid, v. ioneline,, amiableness. Bessevell d, be. cloudy, foggy, nosy, dim. —en, --nen.. or. w to love, to cherish, to be food of or. w. to cloud, to darken, to dtm, to fuddle. — ing, v. clouding; cloudiness, darkneea. —ne,,e,aurdigr. by. Zie IleanLalkjk. — nenswaar dig ,keid„ v. Zie LienciniUfah,id. —.sr, irs Benevens, vz. besides, together with. Flettgel, cc. bell; naughty boy, sirrah, reacal, lover; amateur. Ben...101er en, ov. w. to bemire, to bedaggla. blackguard. —braid, mercury. — en, ov. w. to ring the bell). —mg, v. bemiring, sijn, to be desirous —, Rousysettig er,ae, ov. w. to encourage, to animate. B.E11411121V d, dw. anxious —, longing (to know, to hear, to see). —icy, v. encour,gement, animation. Benstael at., na. & v.. bury body, do-all, med. —ea ono. sr. het cal — cif, I long to know (I woryier) rinether. dler. — en (zieh), t. w. to ins.ddie (wIth). v. meddling; trouble, etiort. — lkiken, ov. w. to Bentitt en, err. w. to envy, to grudge, to be jealous of —ensamardig, be. enviable. — er, thwart, to cr.., to hinder. — eel, o. bueiness. b-fiat cliff. —ster, v. en tier, envious person. BensuK, m. b flat_ w. to pinch, to squeeze. lienstareven,ov. w to moil, to dirty. illess,ions bear, hv. appointable. — en, no. w. to 111emtest, name, to denominate; to appoint, to nominate. Ben:Asir eon, ov. w. to wall. —tag, v. walling. — er, m. appointer. nominator. --ling, v. denoiniBen, v. basket, scuttle, lienanie., no. w. to sew for. met 6e.c.ssehen en noting; appointment, nomination; --abrief, letter of appointment, diploma. won , ing and sewl ng imcluded. (Wieir), t. w. to plod, to ply, litentstsdiligd, by. wanted, required, necessary, Bessearalig welt — lay, a. close — Ain, to want, to stand in need of. to apply (to exert) 04. rev. necessaries. application, assid,ity. liessotsrelen, vz. on the north side of. neion , estieut, or. w. Zie Netat4ess. lienadreol sess, ay. vv. to wrong, to barm, to Bent, a company, band; corporation, academy. wronger, injurer. — leas, badge of a corporation, —naam, se:OmInjure, to prejudice. —er, kid name, —roye/, member of a corporation. -rag, v. harm-doing, prejudice. kwvt zips, to Benhder en, no. w. to eel., to confiscate; to Beunl, o. conscrou,cess. zijn fr:elaute; Adoption.; approxi- • tan, not to have lost one's wits. peen — fieriest adopt. —bay, v under-tand. *-nation. Beeefen ear, m. student, practitioner. — en, isteinansisig, v. name, denomination, ov. to study., to cultivate; to exercise, to n v. puzzled, perplexed; embareaseed, difficult, etraisenee. —neid, v. perplexity, em- profess, to follow, to practise. --3nd, be. pracbecra,snient„ difficulty, strait. tined. —ing, v, study, cultivation, cultcre; praclienergen, on. w. to puzzle, to embarrasses; to the. Nicol Cilia, no. w. to oil. ', trailers, to put to the lost shift. nctinatliN ci f hv. & bw. narrow (•IY), close (-1y); lieziog sax, .ov. w. to have in view, to aim at. v, aim, Intention, design. sultry, oppressive (Ay.; abort-iireath,d, asthmatic; sort,O.et.ed, trouble -t; bard; afraid, Bermordes► ietee, na. judge, critic. —en, ov. w. to uneasy, anxious (-1y); — waken, to frighten, to jedga, Its criticise. —tny, a. judgment, criticism. terrify. —dheid. v ortirowoes, c!oneness; sot- ilite..ring en, no. w. to make war upon, to wage was against. --inn, v• waging war adunet• trine.; asthma; straits, hardship, oppressiou; unessiness, anxiety. --en, on. w. to oppreRre; to Illeotistsii,yz. on thereon ride of. straiten. to distress, to vex, to banana; to make Depersati, be. & bw. determined, determinate v. oppressolon. (-13), fixed, definite (-3y), povitive (-ly). — heid,v. --ins), oppressor, anxious. —er, de, erminatenees, defini Armee, posStiv eness. it,nthe, v. bond, troop, Lady. gang, Repel en, no. w, t ,. empale, to prop, to limit, elee,e,desa, ha, below, down, down stairs. Y.. under, underneath. naar — , clown, down to bound; to fix, to appoint; to determine, to t. w. (tot) to limit define; to stipulate; zien stairs, ran int.. none —, from top to bottom.

Wat is Bitcoin hoogste prijs


Acu leate (e-kjoe'li-et), a. stekelig, puntig. —men, Adit (ed'it), a. toegang; mijnWaterleiding. Adjacen cy led-zjee'sena-sih), a. nabijheid. —t, s. scherpe punt; acherpzinnigheid. —minate a. aangrenzend, belendeud. fleet!, v. a. wetten, acherpen. —mination (-mi- nee'sjunl, a. scherping. —te (e-kjoet'), a. scherp; Adject led'-zjekt'),v.a.bijvoegen.—ion(-ziek'sjun), hevig; scherpzinnig; —angle, scherphoek. —tenets, a. bijvoeging. —itious (-tis'sjus), a. bijgevoegd, —ive (ed-zjek-tiv), s. bijvoegelijk naamwoord. (e-kjoet'ness), s. scherpheid; hevigheid; s,herp- Adjoin (ed zjojn'), v. a. bijvoegen; v. n. aanzinnigheid. grenzen. Adage (ed'idij), a. spreekwilze; apreuk. Adamant (ed'e-ment), a. zeilsteeu. —ine (-men' Adjourn (ed-amuen'), v. a. verdagen, uitstellen. —meat, s. verdaging, uitstel. tin), a. hard els diamant; onverbreekbaar. Adapt (e-dept'), v. a. (to) toepassen; geschikt Adjudg a (ed-zjudzj'), v. a. uitwijzen; toewijzen, veroordeelen (to). —meat, a. toewijzing, maken. —ability s. dienstigheid, vonnia. bruikbaarheid. —able, a. dienstig, bruikbaar. —ation(ed-ep-tee'sjun),—ion(-dep'sjun),s.toepas- Adjudicat o led-zjoe'di-keet), v. a. toewijzen. —ion (-kee' slim), 8, toewijzing; vounis. sing; gesehiktmaking, —edness, —nese, a. aan- Adjunct (ed'zjunkt), a, helper; bijvoegsel. —, wendhaatheid; geschiktheid. Add led), v. a. bijvcegen (to); (up) optellen. —, a. verbonden; ,toegevoegd. —ion C-zjunk'ejunl, a. bijvoeging, —ive (-zjunk'tiv), a. bijvoegend, v. n. vermeerderen. —ible, a. vermeerderbaar. Adder (ed'dur), a. adder. —fly, korenbout. —'s. verbindend. grass,—'s-tongue, —'s•wort, adderkruid, slaugen- Adjur nation led-zjoe-ree'sjun), a. bezwering; beeediging; eedsformulier, —e (-zjoer'i, v. a. wortel. Addice (ed'diml, a. dissel. bezweren (by); beeedigen, —er, a. bezweerder, Addict led-dikt' ►, v. a. toewijden; overgeven(to). beeediger. —edness, s. verslaafdheid. —ion (-dik'sjun), a. Adjust led-zjust"), v. a. regelen, in orde brenovergegevenheid, neiging, verslaving, Ito). gen; vereffenen, (to. with). —er, a. hij, die regeit, Addit anient (ed-dit'e-ment), s. bijvoegsel, enz, --meat, a. regelingt vereffening; schikking. —ion (-dis'sjun), s. bijvoeging; toevoegsel; op- Adjut ant (ed'zjoe-tent), a. helper; adjudant. —or telling. ional (-dis'ejan el), a. bijgevoegd. —ive izjoe'tur), a. helper. —ary (-tur-rihl, a. helpend, (ed'di-tiv), a. bijvoegend. —ory (ed'di-tur-rih), behulpzaam. —rix (zjoe'triks), a. helpater. a. vermeerderend, vergrootend. Adjuva nt (ed'zjoe-vent), s. helper; a. behulpAddle (ed'd1), a. wijnmoer, loon, verdienste. zaam. —te, v. a. bevorderen; helpen. a. ledig, onvruchtbaar. —egg, windei. —brained, Adyneasurement (ed-mez'zjoer-ment), a. toe- beaded, —pated, dom, ijlhoordig —plot, spel- meting; afmeting. bederver. —, v. a. onvruchtbaar maken; bent- Adanensuration (ed-men.sjoe-ree'sjun), a. toevelen, groeien. deeling. Address led-dress'), a. toespraak; verzoekschrift; Administ er (ed-min'is-tur), v. a. beheeren; voorkomen; bedrevenheid; adres. —es, a. lief- toedienen; —an oath, ten' eed afnemen; v. n. desverklaring. —, v. a. aanspreken; het hof ma- bijdtagen (to). --ration (-tree'sjun), a beheer; bewind; toediening. —rative (-tre-tiv).a.beheerend; ken; toezenden; (to) wendeu tot. —ed-bill, gedo- micilieerde bedienend. —rator (-tree'tur), s. beheerder; boeAdduc e (ed-djoes' , v. a. bijbrengen; aanvoe- delredder; toedeeler. —ratorship, s. ambt van ren. —eat, a. aantrekkend. —ible, a. aanhaalbaar. beheerder, enz. —ratrix (-tree'trika), s. beheerderes, enz. -tion 1-duk'sjun), s. aantrekking; aanvoering. —tor (-duk'tur), s. aantrekkende spier. Admiral Lonny (ed-mi-re-bil'it-tih), a. bewonAdemptIon (e-dem'sjun), s. ontneming; be- derenswaardigheid. —ble (ed'mi-ribl), a. bewonderenswaardig. rooving. Adenology (ed-i noPud-zjih), a. klierenleer. a. admiraal; admiraalschip. Admir al Adept (e-dept'), a. ingewijde; goudmaker. —, a. rear —al, schout-bij-nacht. —al-ship, a. admiraalachap. —alty, a. admiraliteit. —ation (-ree"ingewijd, ervaren. Adequa cy (ed'i-kwe-sih), a. ge evenredigdheid sjun), e. bewondering. taken up with —ation, vol bewoudering. (to). —te ( kwet). a. —tely, ad. evenredig, over- eenkornatig, (to). —tenets, a. gee‘enredigdheid; Adinir a (ed-majr'1, v. a. bewonderen; beminnen; juistheid. v. n. (at) verbaasd staan. —er, s. vereerder, beAdher a (ed-hier'), v. n. aanhangen; (to) blijven wonderaar. —ingly, ad. bewonderend; met vet.bij, zich houden aan. —ence, —carp, a. aankleving; wondering. toegedaauheid. —cat, a. aankleveud. —er, a. Admissibility (ed-mia-si-bil'it-tih), s. aannemelijkheid; geldigheid. aanhanger. Adlae sion (ed-hi'zjun), s. aankleving. —sive, a. Admin. ibie (ed-mis'sibl), a. aannemelijk, geldig. —ion s. toelatinj (to); toegang; opaanklevend. —sive plaster, hechtpleister. —sive- name (into); aanneming. nests. aanhankelijkheid. Adhibit (ed-inh'it), v. a. aanwenden. —ion (-hi- Admit (ed-mit'1, v. a. toelaten (to); opnemen biesjun), a. aanwending. (into); toegeven; laten gelden (of). —table, a. Adhortatory (ed•hoete-tur-rih), a, vermanend. aanuemelijk, geldig. --tance, a. toelating. no Adieu (e-djoe'), 8. & ad. vaarwel. —tance, verboden toegang. Adipo were (ed-i-po.8ier'), 8. vetwas. —se Admix (ed-miks"), v. a. bijmengen. — tion (-tjun), s. bijmenging. —ture (-tjuer), s meng8el. (-pooz'), a. vet.
EV. Dinsfini to (dis'si-peat), v. a. verstrooien, verkwisten. —ted, a. losbandig. . —tion (-pee'sjun), a. verstrooitug, verkwisting. Dissitscits —/ (-el), a. ongezellig. —te (•eet), v. a. ontbinden, scheiden. (-ee'ejun), s. ontbinding (van ten genootechap). Dissolu ble (dia'eo-ljoebl), a. oplosbaar, ontbindbaar. —te, a. —tely, ad. ongebonden, losbanchg. —teness, a. ongebondenheid. —tion (-ljoe' sjun), s. ontbinding; vernietiging; dood. Dims°iv able (die-solv'ibt), a. oplosbaar, emeltbear. —e, v. a. op;ossen, ontbinden; scheiden; te niet dote; opbreken; v. n. smelten. —ent, a. ontbindend; s. oplessend middel. DissAtman ce (dis'so-nens), a. wanklank. —t, A. wanluidend; strijdig. Dissua de (dia-sweed'), v. a. afraden (from). —der, a. afrader. --sion (-swee'zjun), a. afrading. —tire, a. —sively, ad. afradend. —sive, a. ontreding. Lissyila bic (dis•eil-leb'Ac), a. tweelettergrepig. —ble a. woord van twee lettergre pen. Distaff (dis'taat), s. apinrokken; (het) vrouwelijk geslacht. —thistle, gele distel. Distain (dis-teen'), v. a. bezoedelen; schandvIekken. Distan ce (dis'tens), a. afstand; terughoudend• heid; eerbied; v. a. aehter zich laten, overtreften. —t, a. (from) verwijderd, tang geleden; niet duidelijk; bede.d; achterhoudend. Distaste dis• t( eat'), s. tegenzin, afkeer. —, v. a. tegenstaen; ergeren. —ful, a. —fully, ad. walgelijk, stuitend. —fulness, a. wansmakelijkheid. Distemper (dis tem'pute, a. ongelijkmatig mengeel; ongesteldheid; kwade loin; wenord.e. v. a. oLgesteld maken; storen; verontrusten. --azure (-e-tjoeri, s onmatigheidl; verstoordheid. Distest d dis-tend'), v. a. uitspannen. —tible (-ten'eibil, —sire. a. uitrekbiar. —t, a. uitgerekt; (with) opgeblazen. —lion (-ten'sjun), a. uitrelating; uitspreiding. te idie-tuemi-neet), v. a. afseheiOen. —lion (-nee'sjun), a. afscheiding. Digtich (dis'tik), s. tweeregelig versje. Distil (dis•til';, v. a. overhalen; v. n. afdruiden. —lotion 1-lee'sjun), s. overhaling, afstoking. —ter, s. brander; (jenever-) stoker. —lery, A. atokerij. (dis-tinkt'), a, onderschealen. —ion (•tink'ejun), s. onderscheiding; oordeel; aanzien. —ive, a. —ively, ad. onderscireidend. —ly, ad. onderecheiden, duidelijk. —nest, a. duidelijkiteid. Distinguish (dis-timegwisj), v. a onderscheiden. —able, a. te ondersrheiden. --ed, a. wink. —er, a. onderacheider. —ingly, ad. onderseheidenlijk. —ment, a. onderscheichug. Distort (dis - tort')., v. a. verwrirgen. —ion (-tor' civic), s. verdraaiing; verdorvenheid. Distract (dis-trek'), v. a. aftrekken; kwellen; ontroeren; verbijsteren. —ed, a. —edly, ad. vvaanzinnig. —editess, a. waanzin. —ion (-trek'sjun), s. attrekking; afgetrokkenheid; versrtandsverbijstering. —ire, a. verbijsterend. Distrain (dig-treen'), v. a. & n. in beslag ne-
—atien (•nee'sjun), 1. everheersching, beslissende etiptheid; nauwgezetheid. —ian (-sizj'en), a. feme- Invloed. laar, zemvlknooper. --ien ( sizrun.), a. stiptheid; juistheid; inlets bepaling. —ive(-saystv), a. nauw- Preeiect (pri-i-leke), v. a. vooraf verktezen. —ion (-2 ,k'sjun), s. voorverklezing. keurtg bepalend. Preclu de (pre-kloed'), v. a. uitelotben, verhin- Preeminence (pri-em'i-nens),s. voorrang,meerderheid, groote voortreffekkheid. —t, a. —t/y, deren, voorkomen. —zion (-kloe'zjun), a. uttslui- ad. (-Moe" ad. hoogat voortreffeltjk, verheven; bij uitnemendOng, verhindering. —rive, a. —sivety, heid. sty.), uitsluitend, verhinderend. Precoci sue (pre-ko'sjusl, a. vroegrijp. —ty Preemption pr I•em'itjun), s.voorkoop. —rigAt, recht van benadering. a. vroegrilpheid. Precogitate (pri-kod'zji-teet), v. a. Tooraf over- Preen (priers), a. gattel (bij lakenbereiders). —, v. a. glad strijken, netten. Pireaeoninition (pri-kug-nierun), s. voorkennts; Preengage (pri-en-geedzj'), v. a. earner verbinden. —ment, a. vroegere verbintenin. voorloopig verhoor. PrecomPose (pri-kum-pooz), v. a. vooraf op- Preestablish (pri-es-teb'llsj), v. a. vooraf vaststellen. —meat, a. vroegere vaststelling. stellen. Precou cell (pri-klin - stet'), a. vooroordeel.—eeire Preexantin a (prf- egz.em'in), v. a. vooraf onderzoeken. —ation (-1-nee'sjun), s. voorafgaand onc•siev'), v. a. vooraf oordeelen. --ception (-sep'- sjun), s. voorat opgevat begrip. —cert (-sort!), d-erzoek, vourloopig verhoor. v, a. vor,".ef beramen. —sign (-sajn'), v. a. vooraf Preexist (pri-egz-tat'), v. n. vroeger bestaan. —ence, s. voorbestaan. —ent, a. vroeger beter hand stelien, — afdoen. erecontrnct (pri•kon'trekt), a. voorafgaand nor- ',Viand. drag. — (-kin-trekt"), v. a. vooraf overeenko- Prefa ce (preres), a. "voorbericht. —ce, v. a. van een voorbericht vootzien; bewimpelen; v. n. voormen, Precurs ive (pre-kneeiv), —ory, a. voorafgaand, loopig ( bij 'nijee van inleiding) zeggen. voorberichtechrijver. —tory (-e-tur-rib), a. inletvoorloopig. —or, a. voorlooper, voorhode. Preds, aeons (pre-clee'bjun), a. van roof levend. dead• —tory (predle-tur-rih), a. roovend, roofzuchtig; Prefect (prilekt), a. prefect, atedebouder, landvoogd. —ure (prerekt-joer), s. prefectschap, pre— excuraion, strooptoclit. fectuur. Predeceased (pri-de-siese), a. vooraf overleden. Predecessor (pred-e-sesiur),s. voorganger; voor- Prefer (pre-fur'), v, a. verkiezen, de voorkeur geven aan (above. before, iv); bevorderen(to);verzaat. heffen; vooretellen;indienen. —able, a. —ably, ad. Peedestinarism (pre-des-ti-nee'ri-en), a, aan- (prerur-), verkielellk (to). —ableness (prer-nr-), hanger van de leer der voorbeschikking. Predestin ate (pre-des'ti-neet), v. a. voorbe- a. verkieselibkheid. —enc, (prerur-ene,„ a. voorkeur. —ment, a, bevordering. —rev, a. voorkeur—ation a. voorbeschtkt. echikken. —ate ( net), r-riee'sjun), s. voorbeechitking. —ator, a. voor- gayer; bevorderaar; indiener. Pretigur e (pre- firjoer), v. a. voorafvooratellen. besehittker. Zie Predestimeirtan. —e —ation (-ree'sjun), a. voorafgaande voorstelling, e. a. vooraf bettemmen, — bepalen. Perdeterinin ate (pri-de-tuemt-net), a. vooraf —alive ( re-tiv), a. vooraf voorstellend. bepaald. —ation (-nee'sjuni, n. voorat bepaling. Prefix (pri'fike), a. voorvoegsel. — (pre-flks'), v. a. voor-aanhechten; vooraf vastatellen. —e (-min), v. a. vooraf bepalen. Prefulgency n pre•furdtien-nth), a. grootere glans Predial (perdi-el), a. landbonw -; boerderij-, of lobster. tithes, yruchttienden. estate, landgoed. Predica h5e (pred'i-kbbl), a. toekenbaar, toe to Pregnan cy (preg'nen.sih), s. zwangerheid; vols. bepaalbaarheid, heid; vruchtbaarheid; vindingrtjkheid. —t, a. kennen.—bitity hevestighaarhetd. —Ole, s. predicaat, universeel; --tly, ad. zwenger, vol (with); vruchtbaar; -wat aan eene zaak ken torgekend worden. —ment dingrijk; gewichtig; nadrukkelijk. pre-dik'e-ment), a. klasse, orde; toeetand. —nt, Pregustation (pri-gus-tee'ejuri), a. (bet) yours. bevestiger; prediker; — friars, predikheeren, proeven; voorsmaak. Doreinikanen. —te i-ket), a, gezegde, predtcaat. Prehcn tine (pre-hen'si1), a. grijpend, tot grijpen —te (-keel). v. a. & n. beveetigen, toekenrien. geechikt. --sion (-ajun). s. (bet) grijpen. rdneee erl,eonirv . . ion (..kee'sjuo), a. bevestiging, toekenning.—tory Prejudg e (pri-dzjudrn, v. a. voorutt o(o k —ment, a. voorafgaand oordeel. (-Ice-tor-rib), a. bevestigend, beelissend. op n Predict (pre-dikt'), v. a. voorzeggen. yoorspellen. Prejudica te (pre-dzjoe'di-ket), (-dik'ejun., a. voorzegging. —ire, a. voor- oardeel gegrond, bevooroordeeld. te a. vooruit oordeelen. —tion (-kee'sjun), a. (het) —or, a. vonrzegger. spellend (of). vooruit oordeelen. PredileetiGn (pri- di- lek'sj un), e. voorl beide (for. Prejudi ce (pred'zjoe-dta), a. vooroordeel; nato). pri-dis-pnoV), v. a. voorberelden; deal. —e, v. a. voortnnemen; benedeelen. —tat, , Predleptes e a. —ial/y, ad. (-dtafel.), nadeelig.sehadelijk (to) roGraf geschntt (geneigd) makeu. — tition (-po- —iabiees (-disj'el-1, a. nadeeligheid. zierun), a. voorberetding; vroegere genegenheid. 1Predoinin ante (pre- donasi-nens)., a. overwieht, Preke (priek), a. Inktvisch. overhand. —ant, a. —ant/y, ad. over wegend., meest Preto cy (prel'e-sih), —teship (-et.), e. prelaat aehap. —te (-et), a. prelaat, kerkvoogd. —tic, heerechend. —ate (-neet)., v. VI. averwicht (de over- —tire/ (pre-let'ik-), a. van een' pretest. —fist band) hebben (over); meant heerechend zi.jn.

Hoe kan u kopen Bitcoin

×