During this initial registration phase, you will be able to sign up for a Binance.US account and select the tier of verification required to achieve your desired withdrawal limits. Once verified, you will be able to make deposits across the initial selection of digital assets. Shortly after registration opens, we will provide an update detailing when trading will go live for specific pairs.
ataan (in) ; levee (on, upon){ Wu; v000rtduren. veredale.. —anon (-it-inee'ejun), a. taublimeering; --ease, a. heathen; voortduring; lavemonderhoud. vernefling; 'veredeliog. —e, a. —ely. ad . hoog, —eat, a. beataand, stanwelig; inwonend. verheven; indrukwekkend; verrakt with ). —e, v. a. sublintaeren; opdrijven: veredelen. —tuts, Subsoil is .tin'acql), a. ondergrond. gubstanc• Isub'stans), a. zeltstandigheid; stet; —ity (Iini'it-tih), a. verhevenheid, voortreerelijk(het) wesenliike; t bet) vegan; kern; hootdbaheld. etanddeel; bootdinhaud; midAien, besitttng. Subifneation (sub-lin-i-ee'siun), a. onderatreSubatantt al isub•tensajell. a. —ally, ad. selfstand's; lieharnalijk, atofteliik; wezenlijk; hoardSal,Unwind (sob ling'gwel), a. dab onder de sakelijk; krachtig, vest, degeltic; welgeoteld. tong bevindeud. (•ajl-el'it-tih), —alnete, a. selfstandigheid: Subinner (eub-l aioe'ner), —y (subljoe-ne-rib), a. atoffelijkheld; wesenlijkheld; hoofdlakeltkheid; onderoiaansk. h. kracht, mulched. —ale (•8jels), pl. hootdpunten. Submarine sublne-rien'), a. onderseesoh. —ate (-ejl.eet), v. a. verwezenlijken; bewijien; Subneerise (sub •murdsp), v. a. ouderdompeleu; beveatigen. under water settee; v. n. onderduiken. S ablator.; a (cub mura';,v. a. Zie to Submerge. Substantive (subtaten-tiv), a. —ly, ad Whitendig. —, a. telfetandig naemwoord. — ion( juin), a. onderdorepeiing; overstrooming. Subtlelulls ter Isub-mtn'is-tur), —trate (-treet n, Substitu to, itnib'stigjoeti, a. plastagervanger; v. a. toedieneo; ve 8ehaffen; v. n. dienatig (be- surrogaat. —te, v. a. in de pleats ntellen van; ondereehulven. —Lion (-tjoe'sjun), a. plaataverlinipsatian) ziju. vanring; onderachuiving. S ub Oda& ion (sub-misfun). a. onderwerping, berusting, gelatenhaid. —ive, a. —ively, ad. (-male , S abstract (sub-atrekt'), v. a. Zie to Subtract. osiderdanig, ouderworpen, deernoadig. Subbtr uct ion (sub-struk'sjun), —ere (-strukt . —iveness, a. onderdauigheid, anderworpenheid, joer), a. onderbouw; grondslag. Subunit lye (sub .suit'iv), —ory, a. —ority, ad deemoeds opspringend, huppelend. SuI-AE.1f (sob-salt'), v. a. onderwerpen; overlaten Subtend (sub.tend'(, v. a. zich ultatrekken onder. (1.)); v. n. zich onderwerpen (to). Subordina cy (sub or'di.ne..8ih), a. onderge- Subtenn (oub-tens'), s. boogpeae. noixiktheid, onderhoorightid. —te, a. —tely, ad- Subterflu gat (sub-tarltoe ant), —ous.a. onder(•net-), ondergeszitIkt, onderhoorig. —te (-sect), door stroomend a. a. onderg.esthikt makes. —tins (-nee'sjun), a. Subterfuge (aub'tur-fjoedzj), e. nitvlueht, veerwended'. ondergersehlktheid; onderwerping; afklimming; Subterrane (sub-ter-reen'), a. onderaardsche lagere rang. gang, onderaardech gewelf. —an (-ree'nt-en), Suborn (sub-orn'), v. a. verleiden; ornkoopen. —ono (•rseini-us), a. onderaardsch. —er, (-nee'ejun),E. verleiding; onnkooping. —ation Subtil a (aub'till, a. —ely, ad. Ajn. dun, teeder; a. verleider; omkooper. aeherp. —sty til'it-tih), —*nett, a. iljn held, dunSuboyall (8ttb , o'vel), a. bijna eivormlg. held, teederheld; ae herpte. —ixation (-1-zee'oj an), Subpoena (sub-pine), a. dagreardieg (ceder a. vergunning, (het) vluebtig maken; haarklooetrafbedreiging). —, v. a. dagvaarden (wider verij. —Ise (-ajz), a, a. verdunnen, vittehtig wasteer bedreiging). ken; v. haarkleoven. Subprior (nub-yrarur), a. onder prior. Subtle (aut'tl), a. fljn, loos, slew, Hang; Nehery; S u brect or (su b .rek'ter ), 8. onder-rector. spitarondig. —ty. a. itinheld, loosheld,alnwheid; sibrep t ion (sub •rep'sjun), a. Zia Surreption. oeherpninnigheld. Subealt laub'snolt), a. onuersout. Subscribe (sah-tekrajh'), v. a. onderteekenen; Subtract (sub-treke), v. a. *Welon; wegnemen, (frons). —er, a. aftrakker. —ion (-trek'sjun), teat tiltIsachrijven vuor; v. n. teteekenen (to); aftrekking; wegnem.ing; onthouding. ;;en (to). —r, a. ondeyteekenaar; inteekening. Subscription (nub •skrip'sjurt), a. onderteeke- Suburb (sub'etrb), a. vooratad. —an (-urb'en), a. van (in) de vooratad. uing; lateek ,olIng. Subseso ttilwett (sub-sak'quai, a. onderafdeeling. Subvention (sub- ven'sjun), a. hulp, bijstand. Subver 'Ion (sub-ver'sjun), a. omkeering, om—ufive (Ase-tiv), a. volgend. (auh'se - kwem). a. voiging, ver - verwerping. —rive, a, omkeerend, omverwerpend. Subsequen —I, v. a. omkeeren, onive.werpen. —ter, a. omvolkand, later (to). a. volg. verwarper, vernieler. —title, a, omver te werpen, (Rub-burv'), v. a. theses. behalpsaem Stalw -N.rw te vernielen. a. — iency ( - 1 ziin, bevr,r(leren. S tab worker (sub-wurk'ur), a. helper. ittigheitl, bavoillerhjkheid; of haxkelljkta id. die ❑ Succedaneouo (auk-se .dee'ni-us), a. plaatsver—ient, ( - I - ent), a. dienatig, bevorderlijk; dlenstvangend. boar, (to). (auk-sled'), v. a. opvolgen; doen geSu ► old e (stib•sajd'), a. n. sinker,, zakken; *fee- Succeed lukken; v. n. (to) volgen, opvolgen; alarm (is); Inze; bedaren. —once,—eney, a. (het) zlnken, sakgelukken. —et, a. oprolger. ken; afeeming —iary (.8iri-e.rih), a. helpend, coed geondersteunend, help-. --tee (sub'sid-3j.), v. a. Succla• (auk a. gevolg, uttalag; volg, voorapoed. —fat, a. —fully, ad. voorepoeonderstand veneer... —y (eno'std-ih), o. enderdig. —lianas, a. geode 'them voorapoed. --ion stand, toelage. (-aleyun), a. opvolgtng; erfopvolgtng; volgorde; Suhatgaa (auk - WW), v. a. onderteekenen. nakomelingen. —ire, a. opvolgend, op elkander Subsist (sob-slat'), v. a. onderhouden; v. n. be-
PRO. voornaamwoordelijk. -noun (.naaun'), s. voor- Propugn (pro-pjoen'), v. a. verdedlgen. -ation naamwoord. (prop-ug-nee'sjun), a. verdediging. -er, s. verdePronounce (pro-naaune), v. a. uitspreken, voor- I diger. dragen; v. n. uttsprask doen. -r, a. ultspreker. Propulsi on Ipro-pul'sjun), a. voortdrijving. Pronunciation (pro-nun-sji.ee'sjun), a. nit- I -ivs ( sty), a. voortdrijvend. spraak. Prore (proor), a. voorsteven. Proof (proef'), a. bewija, blijk; proef; beproeving; Prorog atlon (pro-ro-gee'sjun), a. opachorting, bestandheld, ondoordringbaarheid. -print, proef- verdaging, -ue (-roog . ), v. a. opschorten, verdedruk. -sheet, proef bled. - a. bestand, proefhou- I gen. dend, vast, vrij, (against.to).-rees, a. onbewezen. P rorupt Ion (pro-rup'ejun), e. nitbarsting. Prop (prop;, a. atut, achoor, ateun. -, v. a. atut- Prose lo (pro-zee'ik), a. -(tally, ad. prozaisch. ten, schragen, achoren. -ist, s. prozaschrijver. Popaga ble (prop'e-gibll, a. verbreidbaar. -te Proscarab (pro- sker'eb), a. meikever. I- geet), v. a. verbreiden, voortplanten; v. n. zich Proscr lb• pro akrajb'). v. a. verbannen; vogetvoortplanten. -lion (•gee'sjun), a. verbreiding, I yob' verklaren. -iber, a. verbanner. -ipt (pr3'voortplanaing. -tor (-gee-tor), a. verbreider, akript), a. bailing, vogelvrtj-verklaarde. -;ption voortpianter. I (-skrip'sjun), a. verbanning, vogelvrij-verklaring. Propel (pro-per), v. a. voortdrtlyen, voortatu- Prose (prooz), a. in proza. a. proza, ongebonwen. I den stijl. -, v. n. in proza schrilven; langdradig Propend (pro-pend'), v. n. neigen, overhellen. verhalen. - ency, s. neiging, overhelling. Prosecu is (proa'e-kjoet), v. a. voortzetten; verPropens a (pro-pews"), a. (to) geneigd. voigen. -tion(-kjoe'sjun),s. voortzetting; vervol-ity, a. geneigdhetd, overhelling. I gir.g. vetvoiger; slather. Proper 'prop'ur), a. -ly, ad. elgen, btjzonder; Proselyt e (pros'e-lajt , , a. bekeerling, proaeli et. &gen) ijk; joist; degelijk; geschikr, gepast, be- I -e, v. a. bekeeren, overhalen, (to). -Urn (-11- Um), hoorlijk; sierlijk. -neea, a. gepastheid, juistheid; I a. proselietenmakerij. -ise (-11- tajz), v. a. bekeerijzige gestalts. -ty, a. eigenschap, eigenaardig- ren; v. n. proselieten maken. held: eigen dom. Proseminritlon (pro-eem-i-nee'sjun), a. voortProphe cy (prose-sih), a. voorzegging. -.tier planting door toad. (-sal-ur), a. voorspeller. -sy C-sih), v. R. voor- Pros er (pro'zur), a. prozaschrijver; langdradig spellen; v. n.profeteeren. -t (• 8. profeet, voor- vertelier. -ing, a. langdradigyerhaal. zegger. -tesa (-it-ess), a. profetea, voorzegster. Prosod lel (pro. so'di-e1),--scal(-sod'ikl), a. van -tic, -tical, a. -tically, ad. (pro-fet'ik-), profe- de prosodie. -tan, -iat (pros'ud-diet), a. kenner tiach, voorepellen d. der prosodic+. -y (pros'ud-dih), s. lettergreepme. Prophy lactic (prof- i-lek'tik), a. voorbehoedend. ting, prosodie. - s. voorbeheedmiddal. Prospect (proa'pekt), 0. ultzieht, verechiet; roc,Propinquity (pro•ping'kwit-tih), a. nabijheid; uitsicht; ferwaehting. bloedverwantechap. Prospect ion (pro-epek'sjun), a. (het) vooruitzien; Propitl able (pro.pbri-ibl), a. verzoenbaar.-ate, voorzorg. -ire, a. vooruitzlend; voorziehtig (in); -set ► , v. a. verzoenen; gunstig stemmen; v, n. boe- - glass, verrektjker. -us, s. plan, prospectus. ten (for). -ation (.ee'sjun), a. verzoening; zoen- Prosper (proa'pur), v. a. begunstIgen, doen also ffer. -afar (-ee-tur), a. verzoener. -atory (-1-e- gen; v. n.ged(jen, gelukken; bloeien. -ity (- per , tar. rih), a. verzoenend; a. verzoendeksel. -ous, a. it- tih), a. voorapoed, welvaart. -one, a. -oualy, -ously, ad. gunatig, genadig. -ousness, a, gun- ad. voorspoedig, gelukkig. -ousness, a. voorspoestigheid. digheid. Proplasin (pro'plesm), s. gietvorm. Prospiclence (pros-pierens), a. (bet) vooruitPropolls (pro'po-lis ► , a. etopwas (der btjon). I zlen. Proponent (pro-po'nent), a. voorateller. Prosternat Ion (pros-tor nee'sjun), a. nederwerProportion (pro-poor'sjun), s. evenredigheld, I ping; neerslachtigheid. verhouding; gedaante; gedeeite. rule of -, regal Prnetitts te (pros'ti- tjoet), a. veil, eerlooe. -te, van drieen. -, v. a. evenredig waken, regelen, af- a. huurling; hoer. -te, v. a. veil hebben, prijs meten, (to). -able, -al, -ate, a. -ably, -ally, gev en; miabruiken; aan ontucht orergeven. -tion -ately, ad. evenredig, near evenredigheid. -ality (-tjoe'sjun), a. vellheid; onteering; ontucht. -tor, -ateness (-et-), a. gebvenredigdheid. tih), a. onteerder, verleider. - ate (-set), v. a. evenredig maken. Prostra te (proetret), a. neergeatrekt, nederge. Propos al (pro-po'sel), a. voorstel; aanbod. -e worpen; ootmoedig, to fall -, een' voetval doen. (pooe), v. a. vooretellen; aanbieden. -er, e. Ivor- - ie (-treeti, v. a. nederwerpen, omverwerpen. omverwerping; voet%teller. -ition (prop-o•zisrun), a. voorstel; atel- -tion (-tree'sjun),s. ling. -itional (prop- o.dsrun.), a. als een voorstel val; verootmoediging; neerelac htigheid. Prostyle (pro'staji), a. zuilenpoort, -ingang. beschouwd. Propound (pro-paaund'), v. a. voorstellen; aan- Prosy (pro'zih), a. prozat , ch, iangdradig. bieden. -er, a. voorsteller; aanbteder. Prota sls (proVe-sis), a. hoofdvoorstel, voorzinPropriet ary (pro-prare-te-rih), a. eigendom- deal; inleiding (van sen tooneelspel). -tic(pro. rnelijk. -ary, -or, s. eigenaar. -rests, s. eigena- tet'ik), a. inleidend, openend. res. -y, a. esgendom; geschiktheid, gepastheid; Protect (pro-tekt'), v. a. beschermen (against), juistheid. behoeden 1from), -ton (-tek'sjun), a. bescherming,

Accidental (ek-si-den'tell, a, (to) toevallig. —ly, ad. bij toeval. —news, a. toevalligheid. Accite (ek-sajt'), v. a. oproepen, dagvaarden. 4ccialm (ek-kleem'), v. a. toejuichen. —. e. toejuiching. Acclamation (ek-kle-mee'ejun), a. toejuiching, Acelimat e (ek-klarmeet), ise (me-tajz), v. a. aan vreemde lucht gewennen. ion ( kii-mee'ejun), a. gewenning aan vreemde luchtstreek. Accilv(ek-kittjv"), a. steil glooiend, —ity (klivnt-tih), s. schuinte, ateile helling. —out a. steal. Aceioy (ek-klor), v. a. overladen, volproppen. Accoil lek-koji"), v. n. debrdringen; levee maken. Accolade (ek-ko-leed'i, s. omhelzing; verbindingshaakje; ridderelag, Accolent (ek'kolent), a. grensbewoner. Accommoda ble (ek-kom'nno dibl). a- (to) geschikt, bruikbaar. —bleness, 4. geschiktheld. —te (-deet), v. a. bijleggen; (to) bruikbaar maken.. nrichten; (with) voorzien; gerieven; v. n. passend (geschikt) zijn, —te (-det), a. —tely. ad. pasaend, overeenkomstig. s. geschiktheld. —tion (-dee'sjun), a. minnelijke schikking; gemak; —bill, proforma-wissel. —tions (-dee'sjuns), a. geriefelijkheden. —tor (dee-tar), a. lelder; bemiddelaar. Accompan lee (ek-kum'pe-ni-ur), a. metgezel, begeleider. —iment, a. begelelding. —y, v. a, vergezelleu; v. n. (with( omgang hebben met. Accomplice (ek-kom'plis), a. (to. with madeplichtige. —ity (-plis'it-tih), s. medeplichtigheld. Accomplish (ek-kom'plisj), v. a. volvoeren, vol. brengen; verfraaien. —ed, a. wel opgevoed. —er, s. voltooier. --meat, a. voltooling, vervulling. —mints, a. begaafdheden. Accord (ek.kord'), a. overeenstemining• akkoord; schikking, of one 'a own —, uit eigen beweging. v. a. tot overeenetemming brengen (to): vanelfenen; v. n. (with) overeenatemmen. —ance (-dens), a. overeenstemming (in —to or with). —ant, a. overeenetemmend; goedgeluimd. —ar, a. begunstiger, helper. —ing. prp. (to) volgene; naar; (as) :liar mate. —ingly, ad. bij gevolg, dienovereenkomstig. Accorporat a (ek.kor'po-reet), v. a. inlijven. —ion I-ree'-ejun), a. inlijving. Accost (ek-kost'), v. a. aanspreken. —able. a. toegankelijk, gemeenzaam. Account (ek-kaaunt'), e. rekening; bericht; verging; achting• belangrijkheld. Old, New —, Oude, Nieuwe Stijl. to call to —, ter verantwoording roepen. —current, rekening-courant. —sales, verkooprekening. Chamber of —a, rekenkamer. upon all —a. in leder geval. on — of, wegens. of no —, onbeduid end. to make voornemens zijn, to turn to —, rekening geven. —, v. a. in rekening brengen; van oordeel nun: (of) bericht geven van; in achting houden; v. n. rekenen; dienstig zip; (for) reden geven van; (to) nonvoijaen ; ( -math) afrekenen met. § (-e-bib' it-ih), a. verantwoordelijkheid. —able, a. rekenplichtig: (for. to) verantwoordelijk. —ablenek, a, verantwoordeltjkheld. —ant (-mit), a. rekebmeeeter; rsntmeester; boekhouder.

Wat is cryptogeld en Blockchain


the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.

Welke cryptogeld wordt het meest gebruikt


honest (Ay), genteel (.1y). —held, v. smartnese; genteelness. Huron, or. w. to hire, to rent ; to freight. Husk, v. op de —en stiles, tie llurken. —cn, on. w. to sewer, to squat, to sit at squat, Slut, v, cottage, cot, hut ; cabin. —bewoner, cottager. —gotten, officers that lodge in the upperroom of a ship. Hnteel noir, m. tosser. —es, ov. w. to tors, to huddle. —beher, dice-box. —ing, v. tossing, huddling. flute en, or. w. Zie Hutselen. —pot, hodgepodge; minh-mash. Hour, v. hire, rent; lease ,• wages; service. to —, to let. —brief, bill to let lodgings. —ceel, —con• tract, lease. —geld, rent, hire; freight. —hale, hired house.—kantoor,register.office (for servants, etc.). —koett, hackney-coach. —keetaler. hockney coachman. —loon, wages, hire. —paard, hockney-horee, livery-horse. —penningen, —prifs, rent. —troepen, mercenary troops. —rraeht, freight, —der, m. hirer, renter ; lodger, tenant, farmer ; freighter. —lisp, m. & v. hireling, mercenary. —tier, v. hirer, renter ; lodger, tenant. linwbaftr, by. marriageable, nubile. —held, v. puberty. HuswelUk, o. marriage, wedlock. matrimony. —taantoek, suit. —aband, nuptial tie. —abed, nuptial bed. —ebelofte, promise of marriage. —contract. marriage-contract. —edicht, marriagesong. epithalamium, —sfeest, wedding-feast. —ageboden, bans of marriage. —vetch, connubial happiness, nuptial bliss. —spilt, marriage-gift. —egad, hymen. —speed, dowry, marriage-portion. —eleven, married life, —sliefde, conjugal love. —splannen, marrying intentions. —splicht, conjugal duty. —strouto, conjugal faith. —suittet, trousseau, —mon/marries, marriage-enrolee. —engin, conjugal blessing. linweltikach, by. nuptial, conjugal, matrimonial. linwen, ov. & on. W. to marry. If unser, mt. hussar. Irisszaren mantel, m. hussar's cloak. --efficier, m. officer of hussars. m. v. & o. hyacinth. H yena, v. hyena. ilypotheek, v. mortgage. vrii ran unmortgaged. II Yf101s, v. hysop, hyssop.
11leasier (haoa'jur), a. aleeptouw. a. halt; geHalt (haolt'), a. wank, kreupel. v. n, hinken, mank gaan; stil houden; hink. welfelen. —ing, a. —ingly, ad. hinkend; aarzelend. Halter (haolt'ur), a. manke, kreupele; balster; strop. —sick, rijp voor de galg. —strap, haleterriem. —, v. a. met een touw !Auden; een' halster (een strop) omdoen. (haav') v. a. halveeren, in tweetu deelen. —a, e. pl. helften; half-vondst, half-part. to go —s with one, met 'emend halfdoen. 11am them'), s. ham; knieboog. —adryad (e-draj ed), a. boschnimf. —ate (-et), a. verward, ineengehaakt. —ated (-ee-tid), a. gehaakt, met baleen. llama (heem), s. haam (voor paarden). Hamlet (hemlit), s. gehucht. Hammer (hem'mur), a. hamer. clinch—, klinkhauler. set—, moker. —cloth, bokkieed (aan eene koeta). —hard, —hardened, met den hamer ge , hard. —head, kop van den hamer; hamervisch. —man, hameraar. —wort, hamerkrnid. —, v. a. & n. haineren, smeden; werken. —er, s. haineraar. litotramock (hem'muk), a. hangmat. —line, scheerWit. —rack, kooilat. Ilamons (hee'mua), a. haakvormig. Hamper (hem'pur), a. sluitmand; boot. top—, bovenlast. —, v. a. verwarren, veratrikken; in eene 'nand doen. Hamstring (henestrieng), a. kniepees. — [irr.], v. a. de kniepees doorenbden. ilanaper (hen'e-pur), a. schatkist. Hances (hen'aiz), a. p1. einden van elliptische bogen; gtllingen der regeltngen op de lichens van het roer. Hand (bend'), a. hand; schrijfhand; handbreedte; wijzor; kant, zijde; voordeel, overhand; wedstrijd. p1. menr.en (helpers, werklieden, enz ). -
389 AFL Afsekenken, ov. w. to pour off, to decant; to Afrepelen, ov. w. to ripple, to pill. weaken. Are*eh ten, ov. w. to train, to fit, to teach: to dress; to break (ten paard); to man (ten milk). Afsehep an, on, w. to chip (off), to despatch; afgericht r(in op, to bare a knack at, to be to put (to shift) oft. —er, m. deepatcher. —ing, qualified for. —er, m. —vier, v. trainer, —ing, v. v. shipping, despatching. Atecheppen, ov. w. to scum (to stoop) off; to training, dressing. skim. Afristdon, or. w. to override, to founder, to jade, Alleheren, on. w. to shave (to shear) off. on w. to rids (to drive) down, — away, — off. Afsehets en, ov. w. to sketch (out), to delineov. w. to unlace to unstring. ate, to describe. —er, m. sketcher, delineator, Arrifigsn, ov. w. Zie Afechourers. describer. —ing, v. sketch, delineation, descrip/Uric, in. riding away, startingtion. Afroelen,on.w.to row away. — off, (from). Angell:ear en, on. w. to tear off; to tear —, to Afroep en, or w to call down, — away from; Fever (from); rich —, to separate (from). —leg, v. to oro,)aim, to publish; to call over. —er, tearing off; separation; schism. v. proclamation. proclaimPr. Atoehlet en, on. w. to shoot —, to fire (off). to Arroenten, on. w. to runt away. — of discharge, to let off; to separate by a partitionAfrofrelen, ov w. to plane rouahly, to Title; to wall; on w. to slip, to slide. —cc, .0. shooter, bungle (to hammer) up. discharger. —ing, v. firing, discharge; partition, Arroll en, ov. w. to rot). down; to unroll, to unfold; on. w. to roll (to tickle) down. —ing, separation. Afeehljn en, on. w. to shine. —set, o. resplenv. roiling down; unrolling. dency, Image. Afrond en. ov. w. to round off, to make round; Afechildwr en, on. w. to depaint, to depict; to to thithil. —ing, v. rounding (off;; finish. Arroons en. ov. w. to cream, to skim, to fleet off. represent, to describe. —ing, v. delineation, description, picture. —ing, v. creaming, skimmin a, fleeting. Afrosa en, ov. w to curry; to override; to hang, Aisehlifer en, on. w. to scale (to peel) off, to exto drub, to rib-roast, to thrash. —er, m. rib- foliate. —ing, v. exfoliation. Alochillen, ov. w. to peel, to pare, to shell, to roaster. blanch. Afrott en, on, w. to rot away, — off. —ing, v. Afschoppen, ov. w. to kick down, — off. rotting. Afgehrap pen, on. w. to scrape off; to mark Arrulten,on. w. to get by trucking. with a dash. —eel, e'. scrapings. Afrulik en, on. W. to snatch away, to pluck off. Arachrlft, o. copy, duplicate. ee* — nettle*, to —sr, m. snatcher. —lag, v. pulling off. draw k copy. Arseharfsel,o.shavings. Arnehndunv en, ov. w. to portray l•y the shade, Allsehrkif loon, o. copy-money. —ster, v. Zie ArselbrIjwer. to shadow out, to adumbrate, to typify. , m. painter of silhouets. —ing, v. shadowing, adum ArsehrUe en, ov. w. to copy, to transcribe; to write off; to countermand, to blunt (eens pen); oration, soiagraphy; silhouet. to finish writing. —er, to. copier, copyist. Afsehnff en, ov. w. to abolish, to abrogate, to v. copying; writing off; counter-order. ' repeal; to dismiss, to part with. —er, m. abolisher; abolitionist; temperance man. —ing, v. abo- Afsehr1111, m. horror, abhorrence. ten — hebben Tan, to abhor. —ken, ov. w. to scare away; to lition, abrogation; dismission. —ingsgenootechap, intimidate, to discourage, to deter. —Tend, by. temperance.society. warning. —king, v. intimidation, deterring. Arochamp en, on. w. to slip off, to touch lightly, Afeehrlknve"Akt nd, by. terrifying, dreadful. to glance (to graze) upon. —er, m. —ing, v. sl)pAlsehrobben,ov. w. to scrub (to scour) off. ping off, glancing (grazing) upon. Areohnnsen, on. w. to intrench, to fence Afeehroelen, on. w. to scorch (to sing.) off. Afeehroeven,ov. w. to unscrew,to strew off. about. Afechaven, ov. w. to plane (to scrape, to shave, Araehudden, ov. w.to shake off. Arseihnier en,ov. w. to brush off, — away. to rub) off, to chafe, to fret. Araelsuifeter, v. Zie Afachulver. Afoehoerder,m. shearer. Afecheld, o. leave, departure; discharge, dismiss- Met/huhu en, ov. W. to scum, to skim. —lathy. strumming, skimming. al. — genes, to dismiss, to send awoy. semen van, to take leave of, to bid adieu (farewell) to. Afeehuiv ass, on. w. to shove (to, pualt) off; to come down; van tick —, to rid ones self of, to —sberoek, farewell-visit. --scironk, parting-cup. shift ore. to get one's self excused. —tsr, m. —*feat, —spartii, parting-treat. —rgedicht, valeis een atecht —, he is very alone-fisted. dictory poem. —egezang, parting-song. —sgroet, parting-kiss. —souse, f arew ell- Aleeir.. en, ov. w. to scour (to wear) off. farewell. Arschut sari, o, partition, fence, so; een. --ten, ov . dinner. —spreek, valedictory sercr,on. w. to partition (off). to fence, to screen; to stop by valedictory speech. —boor, —.1(j1e, by. separable. a dike. —ting, v. partitioning, enclosure. —en, on. w. to separate, to sever from, t9 disjoin, to put asunder; to secrete; rich — van, to Afsehuw, in. abhorrence, horror. — hebben van. to abhor, to hold in abhorrence. —elipk, by. & leave, to part company with, to part from. — bw. horrible (-bly), abominable (-bly) odious t-ly); separation, m. separator. —ing, T. 'with. —sr, black (van ease daad). v. horribleness, secretion. —cel,o. partition. ahominableness.—en, o. Zie Afsehaw. Afsekellen, ov. w. to ring for.

Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.
The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age

Hoe verkoop ik Crypto op Robinhood


Hut liuleJe, 0. small house, cottage; shell, case; scale (van eene weefitchaal); privy. —acolytes, night-man. —stick, shell-anail. II Wavy/saris, bw. homeward. Minivan, ov. w. to hood, to put a cop on. Heaver en, on. w. to shiver, to be chilly ; to shudder; to ' hesitate. —ig, by. shivering, chilly; hesitating. —igheid, v. chilliness; hesitation. —ing, v. shivering ; shudder ; reluctance. 111117 en, ov. & on. w. to lodge; to live. —ing, v. lodging ; habitation. dwelling. Ilukken, on. w. Zie liul, v. cep. Hulde, v. homage, respect ; fealty. —gift, a Heileman 'a present to his lord. Huldlg en, ov. w. to do homage (to swear allegiance) to to install, to instate; to embrace. —ing, v. homage; investiture ; —toed, oath of allegiance. Hulk, v. hulk, hop. II ull en. or. w. to cover (with a cap), to wrap up; to veil, to disguise; to adorn. —lag, v. covering; veiling, d!sguising; adorning. Hull., v. help, aid, assistance, succor, relief. to — *omen, to assist, to succor. —beloevend, wanting assistance, indigent. —benden, —troepen, suet. arias. —intact, aesietence. —kantdor, auxiliary office. —kerk, chapel of ease. —middel. remedy. onderwiger, assistant s. eacher. —prediker, vicar, (assistant) curate. —raardio, willing (ready) to help, officious. —raardigheid, readiness to help, officioloness. —wrrkwoord, auxiliary verb. iluipeloom, be. helpless. —held, v. helplessness. linlael, o. head-dress, head-gear. .et, m. hol;y. —boom, holly-tree. ilulater, v. tire-woman. Sluice. v. god, cod. Hum, tow. Zie liens. Shin, sow. Tto) them, their. Ilunelbed, o. Celtic monument. Hunker en, on. w. to hanker (after), to long !for). —ing, v. hankering, longing. Hunnent. tea bw. at their house. —halve, bw. on their behalf, for their woke. —wege,tbw. as for them. ran —wege, in their names. on — soil, for their sake. llupisel tsar, —aarster, v. hopper, skipper. en, on, w. to hop, to skip, to frisk. —lag, v. hopping, skipping. Ilupoch, by. & bw. pretty (-11y), smart (4y);
Misdoubt ( ► nie-daut'), s. argwaau; twijfel. —, Misnomer (aria-no'mur), s. stuk mat ten' verv. a. verdenken; betwijfalen. keerden naam; vergiseing, abuts. Mimexnploy (mis-ern-plor), v. a. verkeerd fre- 1 ltilsobserve (mis-ob-zurv'), v. a. verkeerd opbruiken. —awe, si verkeerd gebruik. merken. MiAentry (mis-enstrih), a. verkeerde boeking. AlLisogam 1st s. stand van bet Miser (msrzur), a. vrek, gierigaurd. hnwelljk. —y, 8. afkeer van het huwel0. Miser able (naiz'ur-ibl), a. —ably, ad. ellendig, Misogyn 1st (mi-sod'zji-nist), a. vrouwenhater. annzalig.—ableness,s, armzaligheid.—y s s. ellende. —y„ haat tegen de vrouwen. Misestimate (unix-eeti-meet), v. a. onjuist 1111sopInlon (mis-o-pin'jun), s. valsche meaning. schatten. Mispersua de (mis-par-sweedl, v. a. in een' verMisfall (mis-faoIP) [irr.], v. a. wedervaren. keerd en wean brengen. —aion (-swee'zjun), a. Misfare (mis-Peer'), o. ongeluk. —, v. n. kw alijk valsch begrip. vrAn. hion Misplace (mis-pleas'), v. a. misplaatsen. M Misfa fas lalon (m is - fesj'un), v. a. verknoeien. Misplay , a. verkeerd spelen. _ Misfeasance (mis-ti'.3ns), a. ratadriit Misple ading (mis - plied ieng), s.gebrekkiga plelt (mie-forne), v. a. misvorreen. Misform
Fabrile (feb'ril), a, van timmcrman, metselaar Facillt ate (fe-sil'i-teet), v. a. gemakkelijk maken. —ation (-tee'sjun),verliehting,,, bevordering. of amid. —y, s. gemakkelijkheid, vaardigheid,; heusehheid ; labial tat (feb'joe-list), a. fabeldiehter. —osity insehikkelijkheid. (-los'it-tih), —ousress, s. fabelaehtigheid. —ous. Facing (fee'sieng), s. voorzijde; belegsel; ornboord a. --(may, ad. fabelachtig. sel; sieraad. Façade (fe-seed'), 8. voorgevel. Face (fees'), 8. gelaat, aangezieht: voorkomen, Facinorous (fe-sin'o-rus). a. aehurkachtig, snood. —ness, a. snoodheid. nitzieht; toeetand; voorzijde; stoutmoedtgbeid. inderdaad, werunder vier sages. to laugh in one's —, Fact (fekt), s. dead, felt. in keltjk. matter of —, wezenlijke zaak. temand in zijn geziela nitlachen. brazen —, onherehaanid re en seh. sour zuur gezieht. to make Faction, (fek'sjun), s. part;j; partijschap, arr. deeldheid. —ist, s. onruststoker, partijman. —s, geziebten trekken. —ague, aangeziehtspijn. —cloth, lijkdoek. —less, a. zonder geleat; onbe- Factious (fek'aju8), a. —1y, ad. partijznehtig; arnststokend.—ness,a partijzucht; oproerigheid. schemed. —painter, portretsebilder. Face (fees), v. a. in het gelaat zien; gekeerd zijn Factitious, (fek-lisfus), a. nagemaakt. 'mar; ceder de oegen sten; omboorden„ omslaan; Factor, (fek'tur), a. agent; factor. —age, a. coiny, a, faemiesie-loon. —ship, s. faetorsehop. versieren, bekieeden. (down) overbluffen, cubetorie; fabriek. seheamd siteende houden. (out) onbesehaamd
illidetnni Ideation (in-dern•ni•tl-kee'sjun), a. m. verontwaardiging. —ity, s. mehandelijkheid; s.th(ateloosstelling,schadevergoedtng.—fy(-dem , hlon, beachiniping. ni-faj), v. R. schadeloosstelien.—ty (-dem'nit.tib), Indigo (in'lli.go), a. indigo. m.e , hadeloosstelling, vergoeding; straffeloosheid. Indirect (in-di- rekt'), a. —ly, ad. middellijk Indemonstrable (in-de-mon'stribl), a. onbe- adelingseh, zijdelings; slinkseh; niet rechtwijabaar. streeks. —ion (-rek'sjun), a. slinkaehheid, dranierij. —netts, s. achuinsehheid; slinksehheid. Ind•nt (in-dent'), v. a. kartelen, Retai' maken; bij verdrag verbinden; in de leer doen (to); v. n• Indlacerni ble (in-diz-zuenibl). a. —bly, ad. zieh slingerend bewegen. I onbespeurbaar, niet te onderscheiden. —blencss, een verdrag —anon (-tee'sjun), a. nittandig; getandheid; a. onbemerkbaarheid. keep. —are •oer), s. verdrag, leerbrief; v. a. bij Indiscerpil ble (in-dis surp'tibl), R. onoploseontract verbinden. boar., onvernielbaar. —bility (-ti-bil'it-tih), s. onlindependen (in-de-peredeus), s. onafhan- vernielbaerheid. kelijkbeid. —t, R. —fly, ad. onafhankelijk (of). lndisciplinable (in-dis'si-plin-ib1), a. onhanindeptil► ensible (in-dep-ri-hen'sibl), a. onuit- delbaar. vormehbaar. Indiscoverable lin-dja-kuv'ur-ibl), a. niet te indeprivable (in-de-prajv'ibl), a. onroofbaar. ontdekken, onzie:tbaar. I wieseribable (in-de-skrajb'ibl), a. onbeschrij. Indiscre et (in-die-kriet'), R. —etly, ad. onbeseheifeNk. den; onbezonnen. —tion (-kresrun),a. onbeseheiIndesert a. verdiensteloosheid, denheid; onbezonnenheid. Indestr•ucti hie (ln - de•struklibl), a. onver - Indiscrimina to a. — tely, nielbaar. —Linty ( ti.bil'it-tih), s. onverniel- ad. niet onderscheiden, zonder onderseheid. baarheld. —lion (-nee'ajun), a. gebrek aan onderseheiding. Indetermina tale (in-de-tur'ml-nibl), a. onbe- Indispensa hie —bly, ad. onpaalbaar. a. —tely, ad. (-net-), onbepaald. verrnildelkjk, noodzakelijk (to). —bility (•se-bil' —teness (-net-), —lion (-nee'sjun), s. onbepaald- it-tih), s. onvermijdelijke noodzakeheid; besluiteloosbeid. lijkheid. Indev otion (in-de-vo'sjun), a. ongodsdienstig- Indispos e v. a. ongeschikt held. —out, a. —outly, ad. (-vaut , ), ongods- (ongesteld,ongenegeW maken (to. towards). —ed, dienstig. R. ongesteld; ongesehikt; ongengen. —edness, Zredex (in'deks), a. handwijzer; wijavinger; bled- a, ongeschiktheid; ongezindheid. —ition (-pa. wijzer; exponent. zisj'un), s. ongesehiktheid; ongesteldheid; ongeIndoxterity (in-deks-terit-tih), a, oahandig- negenheid. heid. Indisputa Me (in-dis-pjoe'tibl), a. —bly, ad. 11cdin lin'di-e), a. Indii!„ kantoor der onbetwisthaar. —6leness, s. onbetwistbaarlteid. onstindiache Coropagnie (in Lnnden). —wan, Indisso:u bls (in - dis'ao - ljoeb1), a. —bly, ad. ooatindievaarder. —rubber, gong-elastiek. onoplosbaar. (.1joe-bil'it-tib), —breness, Indian (in-djen), s. Indii4r; IndiRan; a. indiseh, a. onoplowbaarheid. onoplosbaar; indiaanseh. — corn, turkaCie tar•e, mazy, — ink, Indissolvable oostindisehe inkt. onverbreekbaar. Indicts: nt (ju'dj.keut), a. aanwijzend. (-keel), Indistinct (in.dia-tinIct 1 ), a. —ly, ad. onduidev. R. aanwijzen, aanduiden. —tion (-kee'sjun), lijk, verward. —nets, a. onduidelijkheid, vers. aanwijzing; kenteeken. —five, R. —tively, ad. wardheid. (-dik'e-tiv), aantoonend (of). —tor (in'di-kee-tur), Indistinguishable (in - dis - ting'rwisj.ibl), a. a. aanwijzer. —tory (iu'di.ke-tur-rfh), a. am- niet te onderscheiden. wljzend. Indisturbance (in.dis - tuebens), a. kalmte, on;Indict (in - daft'), v. a. sehriftelijk aanklagen; in gestoordheid. rechten betrekken. — able, a. beschuldigbaar. Indite (tn•dajtl, v. a. opstelien; vbOrzeggen, —er, a. aanklager. —ion (-dikajun), a. verklaring; dieteeren. — a, a. opateller; dicteerder. aankondiging; indictie. —ment.s. aanklacht, akte Individu ial (in-di-vidloe-el), a. enkel 'wean, van beschuldiging. individu. —al, a. —ally, ad. ondeellg; bljzonder, 1-nditicren cc (in-dit'fur-ens), F. onverachillig- persoonlilk. —ality (-el'it-tib), a. ondeeiigheid; held; onpartijdigheid. —t, a. —fly, ad. onver- persoonlijkheid. —alize (•ajz), —ate (-eet), v. a. sehillig (to); onpartijdig; middelmatig. onderscheiden; ala individu voorstelIen of beIndigent ee (in'di-dzjens), —cy, s. behoeftigheid, sehonwen. nooddruft. —e (-Ozjien), a. inboorling. —ous Indivisi ble (In-di-vieibl),, a. —bly, ad. ondeel ( - didzre.nus, a. inheemsch. —t, a. behoeftig, baar. —bility (-i-bil'it-tib), —bleness, a. ondeel noodlildendW). ' baarbeid. Indigest ed a. ouverteerd; on - Indoci le (in-dos'11), —ble (-ibl), R. onleerrijp, onbekockt. —ible, a. onverteerbaar. —ion zaant; ongezeggelijk. —lity (•do - ail'it - tih), a. on(-jun), a. sleehte aptjavertering; onbakooktheici. leerzaamheid, eagezeggelijkheid. Indigita te (in.didzj'i.teet), v. a. met den via - Indoctrina to (in - dok'tri - neet),v. a. onderwkjger aanwijzen. —lion (-teeN1111), R. duidelijke zen (in). —lion (-nee'sjun), s. ontierwija, leeaanwtizing. ring. Indigli an* (in•dig'n,nt), a. ad, ver- Indolen aye (in'do-lens), a, traagheid, VadRigortiwaitrdiol, (at). told. -4, a. --Hy, id. trang, vadmiK• (-nee'mjnn),
GEW. Geoleast, sp. braiding. Gevleeed, by. incarnate. Gavle!, o. flattering, wheedling. evlekt, by. spotted, speckled; stained. Gowlerkt, by. winged, wingy. Gevleuggeld. by. pinioned, winged. o. flying. Gevloek, o. cursing, swearing. Gevoed, by. etrong,lusty, (lemon, o. sijn — does, to go to stool, to do one's needs. Gevoeiglfdlk, by. & bw. proper (-ly), convenient (-ly), suitable (--bly), —heid, v. propriety, convenience, suitableness,. (sieves's!, o. feeling; touch, tact; senee,sentimert, ?mulatto's. —en or. & on. w. to feel, to be sensible, to conceive, to apprehend. —en, o. opinion, idea, thought, sentiment. —ig, by. feeling, Beatable, impressionable; sensitive, tender-hearted; touchy; severe; blv. severely. —igheid, v. sensibility; impressibility; seessitiv ewe.; touch. iness, resentment; severity. —Zoos by. unfeeling, insensible; senseless; bw. insensibly. —loosheid, v. insensibility; !senselessness. —en', by. feeling, sensible, affectionate. G evorelte, o. birds; fowls, poultry. Gevolg, o. consequence; train, retinue; conclusion. — genes aan, to effect, to fulfil. een trekken nit, to draw a coaclusiou from. ten —e van, in consequence of. —trekking, consequence, deduction, inference. —10, by. consequently. evolessaehtlgde, m. plenipotentiary, prexy. G evonkel, o. sparkling. G eworderd, by. asked, required, requisite; advances:in late. Gevrang, o. asking, inquiring; demand. G ev rfj, o. wooing. litwand, 0. gAratent, dress, garb, attire. Gewand, by. hazardous. —herd, v.hazardousnees. 44 !marsh, o. watching. Gewaand, by. pretended, feigned, false. Gesvagrword en, ov. w. to perceive, to discover, to become a Nara of. —ing, v. perception, sensation. Gewag, o. mention; barking. — maken von, to mention. —en, on. w. to make mention, (van) to mention. Gewaggel, o. staggering. tottering, waddling. Gessialsre, o. smoking, !steaming. fl e w andel, o, walking. Gewangd, by. cheeked. Gewapend, by, armed. de —e macht, the militia. —erhand, bw. arms in hand. G wapper, o. swinging, flying, dangling. (lawns, o. crop; growth; vegetable, plant, shrub; excrescence. eweet, by. waxed. Gewaterd, by. watered. Gewauwell, o. twaddle, gibble gabble, nonsense. tiewe.r, o. weaving. Geween, o. weeping, trying, crier. (teweer, o. gun, musket; arms, weapons. getrokin (under) ken —, rifle. ire 't —, to arms I in het shoulder arms i is den arse arms. schouder 't 't —, support arms! presenteer 't —, present arms! —fabriek, manufactory ground arms! set af 't

Elgenen, or. w. to appropriate to one's self; to dedicate. lEigengebakken, by. home-made. Eigengemaakt, by. home-made, home-spun. Eigenhandig, by. autographic bw. with (into) one's own hands. — geechreren otuk, autography. Eigening. v. appropriation; dedication. Eigenliefrie, v. self-love. lElgenikik, by. proper, true. —, bw. properly, properly speaking. Elgenlof, m. self-praiseElgenmachilg, by. & bw. arbitrary (-Hy) . Elgennaane, m. proper name; proper noun. Elgenschap, y. property, propriety, attribute, peculiar (inherent) quality. Elgenste, be. very, same, (the) very same. Eigenawaan, m. presumption, arrogance, selfsufficiency. Elgenwije, by. self-conceited. —held, v. selfconceit. Elgenavillig, bv. arbitrary, self-willed. bw. arbitrarily. —Acid, v. arbitrariness. EigenainnAg, by. '& bw. capricious (-ly), way. ward (-ly ), wilful (-137), headstrong. —Acid, v. caprice, waywardness, wilfulness, headstrongness. Elk, m. oak. —eboom, oak-tree. —ekrans, oakgarland, wreath of oak-leaves. —ekroon, oakcrown. —estam, oak-trunk. —etak, oak-branch. —enappet,oak appl e, gall-nut. —ee,est, —catchers, oak-h irk. —enblad, oak-leaf. —enboeth, oak-wood. —.shout, oak, oak-wood. —enhoisten, oaken. —enloof, oak-leaves. Eikel, in. acorn; gland. —dap, acorn-cup. —cfragenci, glencliferoup. —000st, mastage. —rarken, scorned pig, —ear, m. oak, oak-tree. Eiker, m. a. kind of boat. Minas, taw. alas ! Ellend, o. island, isle. —er, m. islander. Mlle.., taw. prey I Elloof, o. ivy. Eind, o. end, bit, piece. — geed at pocd, All'S welt that ends well.— besluit, final conclusion. —klank, final sound. —klinker, final vowel. —letter, final letter. —lettergreep, final syllable. —medeklinker, final consonant. —oog merit, final view,,— purpose, aim. —ooressak„ final cause. —pant, limit, bound, goal. —Tian, final rhyme. —venni', final (decisive) sentence. Elude, o. eod, extremity;termination, conclusion, issue; death; purpose, aim. ten — Orenoen,to finish, to terminate. ten — loopen, to end. sender —, endless. ten in order to, in order that. —bjk, be. final; bw. finally, at last, at length, to conclude. —loot, by. endless, infinite; bw. infinitely, without end. —lootheid, v. endlessness, infinity. F,Indlg, be. finite. —en, on. & on. w. to end, to finish, to close, to terminate. —held, v. finiteness. —lag, v. ending, termination. Etsoh, m. demand, claim. near den —, as required, properly. —en, ay. w. to demand, to require, to claim; to ask (een prije), to challenge —er, m. —eres, v. claimer; requirer; demandbnt. plaintiff. —lay, v. claiming, requiring, demanding; challenging.


Ineckenren, ov. & on. w. to tear, to rend, to ' Incase'ten, ov. w. to melt in, — among; to grow less by melting. burnt. Inschleten, ov. w. to shoot in; to destroy by Inemeren, ov. w. to grease, to smear. shooting; to shove Into on. w. to enter suddenly, InemUten, ov. w. to throw (to dash) in, —. into; to break. to weal (to rush) into; to go in ; to come to one 's mind, to occur to memory. er bti to InenUd en, on. w. to cut into, to make an inloss by, cision; to crotch, to carve; to indent: to scarify. —ing, v. incision; notch, engraving; eoarilictition. leischUnen. on. w. to thine in. Inac ► ikk ellijk, be. yielding,compliant, sienna- Inenolv en, ov. w. to snuff up, to inhCe. v. snuffing up, inhalation. modating, indulgent. v. yieldingnese, compliance, indulgence. —en. ov. w. to excuse, Its solven t, be. insolvent. —tie, v. insolvency. to bear (to comply) with, to indulge (in. to); inionppen, or w. to dip in, to sop. on. w. to make place, to sit (to stand) close; Inspann en, ov. w. to put to (the carriage) to exert; later —, to order the coach. —tag, v. to yield, to come down. —ing, v. bearing with, putting to exertion. compliance. indulging (in. to). Heap cot t en, on. w. to spatter in, to bounce in. Inschoon,bv. very beautiful. Inachoppen, ov. w. to kick in, — into; — down. Inibisttkeren, ov. w. to nail in. Inepfltes, on. w. to dig tn. Inechenp en, on. w. to scrape in. —er, la ►spoelen, ov. & on. w. to wash to swim, to scraps Pennystream) io, — into. Inschrkplers. on. w. to stalk (to stride) in, — into. Itusptrersk, v. dictate, suggestion, inspiration, Inschrkifeter, v. subscriber. Inschrtjv ess, ov. w. to ineeribe; to note, to regisinstinct; objection. ter, to enroll; to subscribe. —er, m. registrar; Inspreken, on. w. to inspire (with); (mold) to subscriber. —ing, v. inscription; enrollment; encourage; on. w. to meddle with. subscription. litaspring an, on. w. to leap (to jump) in, — into; to stand back. Inachroeven, ov. w. to screw in. Inschrokken, ov. w. to swallow, to gulp Inaptitit au, ov. w. to inject. —dip, v. injection. down. Inapuoven, on. w. to spit in. — iuto. 'Rackoff hind, o. leaf (of a table). —Wel, v. Inatitan, on. w. to answer (for). Instal, in. barn. table with lengthening-pieces, — with leaves. Issocitulven, ov. w. to shove (to push) in, — "waving, by. in a bad repute. —makers, to cry Into; to edge in, to interpolate. down. lhasettuld, v active debt. —.oar, rn. creditor. Instrmip en, ov. w. to ram (to drive, to force) insect, o. insect. —enloinde, entomology. in, — into; to inculcate. —illy, v. ramming (forcing) in; inculcation. bw. likewise, too, also. lissUpellen, on. w. to trickle in, — into, to ooze. Itsstraudb.outting, v. maintenance. Inaltsen, on. to beat (to drive, to ram) in; to Instappeu, ov. w. to overtake; on. w. to step in. — Into, to enter. knock out; to break (open); to lay in, to boy; to take (to turn) in; to AWallOW, to gulp down; insteek 'tamer, v. entresol, mezzanine. —eel, on. w. to fall in (van den bliksenz); to take (een o. that which is inserted, — tucked in, iseatek deo, ov. w. to put (to push, to stick) in, weg). — into; to sow together; to intompt, to euggeet; "luting, to. lsying in, purchase, supply; tuck. (ern drawl) to thread a needle; sick t. w. to overcast; woof. —boet, book of purchases. —eeel, meddle (with). —er, m. prompter, suggester. permit. —draad, thread of the woof. —sport, —ing, v. insertion; suggestion, instigation. shuttle. Inalapen, on w. to fall asleep. Instell en, ov. w. to institute, to establish; to Isseleeperat, on. w. to drag (to tag) in, into. give, to propose (ern toast) (rear vervalging) Ittellemteiress, on w. to enter sauntering. enter a lawsuit; leen onderzoek) to make an enHaelltipen, ov. w. to grind in. quiry, — inquest; sick t. w. to begin. —sr, in. institutor. —ing, v. institution. lisstllkk en, on. w. to swallow. —ing, v. swallowing. Inatensm en, on. , to consent; on. w. to agree 'lief tippets, on. w. to slip in, — into. to fall in) with. ing , v. agreement, Intelokk son, on. w. to swallow (down), to devour; [tastes, wan, on. w. to sett in, — into. to usurp.—ittg, y. swallowing, devoration; usurpa- Itsatiligen, on. w. to step in. tion. ov. w. to stitch in Iiseiores ere, one NV. to sip; to absorb. —ing, v, Instinct, o. instinct. toj —matig, instinctively. sipping; absorption. Inatippen, ov. w. to dipin. Inaluitneren, on. w. to fell into a slumber. Ioetovaanelen, on. w. to come in with a great bustle, Inaluip en, on. w. to steal (to sneak) into. Inatoornen, on. w. to enter steaming, to enter — ing, v. moiling (sneaking) in. (by railway, by steamer). Inatuft en, ov. w. to lock in; to enclose, to include, to comprehend; to block up, to invest; linstisotets, ov. w. to push (to thrust) its; — into. on. w. to fit in. —ing, v. enclosure; inclusion; Ioatop Lion, ov. w. to cram in, — into. Inctorrnen, on. w. to rush in, — into. blockade. investment; —stetken, parenthesis. Inatort en, ov. w. to throw (to poor) in, — into: Inslurpen,ov.w. Zielinsissrpen. to infuse; to inspire with; on. w. to fall (to Inansnkkerv, en. to hurl in, — into.
A. A (apr. ala de toonlooze e in del; an (-en), art. eon, eerie, eenen. Aback (e-bek'), ad. rugwaarts; tegen den mast. Abaci tion (e-bek'sjunl, a. veeroof. —tor, a. veedief. Abacus (eb'e-kus), a. rekentafel; dekstuk van een kapiteel. Abaft (e-baaft'), ad. naar den achtersteven. Alvaitem% te (eb-eePjen-eet). v. a. vervreemden, afkeertg maken. —tion (-ee'sjun), s. vervreemding. Abanlon (e-ben'dun), v. a. opgeven; verlaten; laten varen, (to). —ed, a. opgegeven, verlaten, (by. of); verdorven. —ed wretch, volslagen schurk. —meet, a. verlating, verlatenheld. Abannitlon (eb-en•nis'slun),a. uitbanning (voor den jeer). Abnptiston (ee-bep-tietunl, a. sehedelboor. Abarticulation (eb-er-tik-joe-lee'sjun), a. geletting. Abase (e-bees'), v. a. verlagen, lager maken; vernederen. — the flag, de vlag strijken. —meet, a. verlaging; vernedering; neeralachticheid. Abash le-bear), v. a. beschamen, verlegen maken. —ed, a. (at) verlegen (over). Abate (e•beet'), v. a. en n.verminderen,afslaan, korten (from, of)• ontzeggen; ontmoedlgen.—, v. n. afnemen, minder warden (of. in , . —went, a. vermindering, korting, enz. —r, a. verminderaar. Abature (eb'e-tjoer), e. spoor van een hert. Abb lob), a. gareu van de schering. Abb acy a. waardigheid eons abts. —em (ebnis), a. abdis. —ey (eb'bih), a. abdij; —lubber, s. kloosterzwn, amulpaap. —et lob' but), a. abt; —ship, a. abtschap. Abbrevin te (eb-bri'vi-eet), v. a. verkorten. (•ee'sjun), a. verkorting. —tor, a. verkorter. —tory (e-tur-rih), a. verkottend. —ture 1-e-tjoer), a. verkortingsteeken. ABC (ee-bi-st), a. het alphabet; a-b•boek. Abdica te (eb'di-keet), v. a. afstand doers van. —,v. n. de regeering nederleggen.—tion (-kee'sjun), a. afstand; nederlegging der regeering. —live, a. afstand veroorzakend. Abdit ive, (eb'dt-tiv), a. verbergend. —cry, e. geheirne bergplaats. Abdom en (eb-do'men), a. onderbulk. —inal (-doml-nel), a. onderbuika-. —inous (-dom'i-nue), a. onderbuns•; dikbuikig. Abduce (eb-djoes"), v. a. aflelden; wegtrekken. —nt, a. aftrekkend. Abduct ion (eb-duk'sjun), a. aftrekking; wegvoering; gevolgtrekking. —or, a. wegvoerder; aftrekkende spier.
10.. --, uoia, %no vlekte , (ruimte).— sport, veldvermaak (Jacht, vischvanget, vunzigheid. i wedrennen). —stuff; lontstok. —work, veldschaum. Fellieroue Ill-tif'er-ua), a. jongen werpend. i Fiend (fiend'), a. doodvijand; booze gee,t; (de) Fetlock (fet'lok), s. hoe.fhaar. 1 Booze. —ful, a. boa,aardig. --ish, a. duivelsch, Fetor (fi'tor), a. stack. helach. —like, a. duivelachtig. Fetter (feetur), a. kluister, boei. —, v. a. kluis- , Fierce tilers'), a. —iy, ad. bevig; fei; woest; teren, bocien. j grimmig. —ness, s. wildheid, woe theid; vinnigFettle (fct't1), v. n. beuzelwerk verrichten. held. Fetus (Irtus), o. ongeboreu vrucht. )ness (farur-i.nese), a. vurighcid, drift, —g, Feud (fjoed'), s. veete; leen. —al, a. leenroerig. Fier a. vurig, dratig. —alism (-el-ient), a. leenstelsel. —ality (- el'it-tih), a. leenroerigheid. —ary (-e-rih), —story (-e-tur- Fife (fajt'), s. pip, dwarsfluitje. —, v. u. pijpen. —r, e. puper. rih), a. leenroerig. —story (-e-te-rile), a.ieenman. Fifteen (fliqien), a. vkjftien. —th (tienth), a. vijf. —ist, a. schrijver over het leenrecbt. tiende. Feuillage (foel.jaazr), a. loiwerk; bladerwerk. Fifth (fifth'), a. vijfde. —ty, ad. ten vijfde. Feuille-suorte (foel.,;e-mort.'), a. bruingeel. —ty, rt. vijftig. Fever (fi'vur), a. koorts. —, v. a. koortsig maker. Fir steels (firti-ithi, a. vijftigste. a. vijg;vijgeboorn. I don't care a —for it, —few, moederkruid, —sick, de koorta hebbend. Fic(ilit'), g eef er Keen tier om. —apple, vijgappel. —gnat, —isle, a. koortsig; koortsachtig; onbestendig; vtjgc—marigold, vijgeblad. vijgen boorde r. —leaf, brandend. —ishnese, a. koortsuchtigheid. plant. —pecker, vijgeneter, vijgensnip. —tree, eij—y, a. koortsachtig. geboom. —wort, epeenkruid. —, v. a. hoonen —Yew tfjoe'l, a. weinige. a — eenige. in —, knot(door eon zeker hendgebaar). um. —ness, a. gering aantal. schanakleed. Fewel (fjoe'il), a. brandatof. —, v. a. met brand- Fight (fajt), a. geveeht; duel; etrijd; naval —, zeegevecht. running —, vervolging °neer stof voeden, opstoken. nd vuren. Fewmet (fjoe'mit), a. drek (adelijke reuk) van aanhoude Fight (NO [fought (faot)j, v. a. bestrijden, bewild. vechten; v. n. vechten. — hand to Acted, man Fey (fee), v. a. uitbaggeren. tegen man vechten. —er, a. Yachter, btrijder. Flat (fdret), a. toestemrning; bevel. —, int. het —trig, P. gevecht. gesehiede 1 toegestaan I Fib (fib'), 9. leugentje, floss. --, v. n. jokken. Figment (flg'ment), s. verdichtsaj. Figulate (ligloe.let), a. leetnen. —ber, a. jokkenaar. t-bril), a. yen!. —ous (-brus), Figurability (flg-joe-re-bil'it.tih), ts. vormbaar'Flbr e (faj'bur), heid. a. vezelachtig. (-rel), Figura bias tfiejoe-ribl), a. vorinbaar. Fibula (fibloe-le), s. kuitbeen. a. door lijnen afgebeeld. —te (-ret), a. ten' voren Fickl e (fik'kl)., a. —y, ad. veranderlijk, onbe(-ree'sjun), a. vorming, afbeel—lion hebbend. onbeetendigheid, e. etendig, wiopelturig. diag. —tive, a..-tively, ad. (-re-tiY-)., flplutlkik, • wispelturigbeid. zinnebeeldig; bloemrijk. • nettle (lik'til), a. aarden, leemen; gevormd. Figure (fiejoer), a. gedaante, gestalte, flour; Fiction (lik'sjun), a. verdichttng; verdiehtsel. voorstelling; cijferletter; zinnebeeld; horoscoop; Fictitious (iik-tierus), a. —ly, ad. verdicht, na§ bedrag eener rekening. to cut a —, liguur moeemaakt. —ness, a. verdichte voorstelling. lten, front glean. —caster, —flinger, planeettezer. Fictive (fIk'tiv), a. verdicht, heraenschimmig. FM (Mr), a. stenge-slothout. splicing—, splits- —, v. a. vor..*,en; verateren; afbeelden;tozinne— to marlpriew. setting—, houten beeldig voorutellen; (out) voorstellen. bores. Iron one's self, etch verbeelden. —, v. n. eene priem. Fiddle (Ild'al), a. viool, vedel. (addle (-fed-dl), epelen. Filaceoiss (fl-lee'sjus), a. dradig. s. beuzeling. —stick, a. etrijkatok; let. gekheid! mallepraat I —string, vioulanaar. —, v. n. fiede- Filament (fire-ment),s. vezeltje.—ous (-nen'tus), a. draderig, vczelig. len. —r, a. vioolkrasser. Filet ory (111'e-tur-rib).,, a. draadspinmachine. Fidelity (11-del'it-tih), s. getrouwheid. —ure (-tjoer), s. spinner)); (het) spinner, Fidget (fict'dzjit), a. onrustigheid, ge;aagdheid. Filbert (111'burtt, e. hazelnoot. —hedge, bazelheg. rustsa. —, v. n. hewl en weer dribbeien. —y, —tree, hazelaar. Filch (flits)'), v, a, briezelen, katen. —er, s. diet, Fiducia I (fl-djoe'sjel), a. --//v, ail. —ry wegkaper. a. toevertrouwd; a. bewaarder van toeverFile (fay), a. liaa; rij; riot; rol, naamlijet; gelid, trouwd goed. rot; vi 1. a rank and —, eon onderofleer ,fret Fie (faj), int. foei! zijne manechappen. —cutter, vijlsmid. — dust, Fief )lief), a. leen, leengoed. Field (field'), s. veld; slagveld. to take the —, te vvjloel. —leader, vleugelman. —stroke, villstreek. voids trekken. wilde basilieum. —bed, —, v. a. flan eene has rijgen; bezoedelen; vijlen; veldbed. —book, landmetersboek. —colors, veld- v. n. deflleeten; rich wegmakeo. —r, s. vijler. vaan. —cricket, veldkrekel. —day, inspectie-dag. Fllenzot (faji'mut,), s. braIngeel. —le (-i-vet), v. a —fare, kramsvogel, noordsche Water. —gate, bek, ralita I (fil'jel , a. kinderlijk. alagboom. —marshal, veidmaarschalk. -7)101411e, ale kind ainnemen. —lion (-i.ee'ejun), a, zoosscbap; afatamming. veldmuia. —officer, etafofficier. —piece, veldstak. 1.4' ET r —FIL • 

benoodigdheld; eekreet; bestekamer. sjun), s. verleening (verkrijging) van bet burgerrecht. —ize (-aja), v. a. het recht van inboorling Neceaslt ate (ne-ses'si-teet), v. a. noodzakelijk maken. —ation (-tee'ejun). s. voodzakIng, —ous, verleenen. a. behoeftig„ noodlijdend. —ousness, s. behoefNature (neet'joe,), s. natuur; aard.from near tigheid. —ude (-tined), a. behoefte; vriendschap. de natuur, neat het leven. —y, s. noodzakelijkheid; noodwendigheid; beNaught (pout'), a. slecht, nietswaardig. s. hoeftigheid; of —, noodwendig, from —, nit noodniets. —iness, s ondeugendheid; nietswaardigNeck (net'), 0. bale, net; halsstuk. — of land, held, —ily, ad. —y, a. ondeugend, stout. landengte. on the — of, onmiddellijk na. —band, N n 111111 achy (nao'me-kih),s.spiegelgevecht ter zee. halsboard. —beef, nekvieeseh (van een rund). Nausea (nao'shi•e), a. misselbkheid, walging; bslsdoek, das. —handkerchief, haladoek. zeeziekte. —te (-eel), v. a. mieselijk waken, doers —lace, halssnoer. —land, landtong,-engte.—piece, walgen; v. n. misse/ijk worden, waigen. halsstuk (van sea harries). —verse, galgepsalm. Nauseous (nao'sjus), a, —1y,ad. w algeli.jk. —nets, —weed, hennen. s. vralgelbkheid. (nao'tik), —cal, a van de zeevaart, zee-. Neckercbier(nek'ur tsjif), a. halsdoek. Necrolog let (ue-krol'ud-zjist), a. berichigever s. nehippertje (schelpdier). van sterfgevallen. —y, a. sterflijst; levensbeNaval (nee'vel), a. see-, scheepa-. —army, oorischrijving van overledenen. logsvloot. —battle, zecslag. — forces, seemaeht. — officer, zee-ofticier. —s (-velz). pl. zeewezen. Necroman cer (nek'ro-men-sur), s. toovenaar. —cy, a. zwarte kunst; geeetenbezwering. —tic Navarch (neev'aark), a. vlootvoogd. (-men'tik), a. van de zwarte kunst; toover-; a. Nave (neev"), a. naaf; schip (eener kerk). —line, betoovering, bezwering. rakketalie. Navel (nee'v1)., s. navel. —gall, navelgal. —string, Necrosis (ne-kro'sis), a. beenvreting. navelstreng.—timber,kremhout,buikstuk.—woods, Nectar (nek'tur). s. nektar, godendrank. —eal, —emu, —eons (nek-tee'ri- ► , —ine (-in), a. nekton.kluishouten. —wort, navelkruid. achtig; heerlijk. —ine (-in), s. nektarperzik. —y, Navew (nee'vjoe , „ s. kleine knot, pootraap. a. honigkelk (eener bloem). Navictslar (ne-vik'joe lee), a. bootvormig; van Need (vied'), s. nood; noodzakelijkheid; behoefte. "000ten of echeepjes. if — be, in geval van nood. you had —, gij beNaviga ble (nev)i-gib1)., a. bevaarbaar. —bleness, hoordet. to stand in — of, van nooden hebben. a. bevaarbaarheid. —te (-geet), v. a bevaren; —, v. a. behoeven, noodig hebben; v. n. noodig stuns; v. n. varen, stevenen. —tion ( gee'sjun.), a. seheepvaart; zeevaar(kunde; inland —. binzijn. —ful, a. —fully, ad. noodig; noodzakelipt; vereischt. —fulness, a. noodzakatijkheid. —sly, ueflvaart. —tor (-gee-tue), a. seeman, zeevaerder. ad. hehoeftig. —iness (-i-nest), a. hehoeftigheid. Navy (neevih), s. zeernacht, vloot. — board, col—leas, a. —lessly, ad. onnoodig, noodeloos. legie van civiele ambtensren der marine. —office_ —/essness, a. noodeloosheld. —a (niedz), ad. noodwendig, onvermkidelijk. —y, a. behoeftig. Nay(nee'), ad. neen; wat mear is; ja zelfe• — neen; weigei ing. —word, weigerend antwoord; Needle (ni'd1), s. naald. —case, naaldenkoker, —fish, naaldviecb. —ful, dread gsren. —furze, schirnpscheut; feu, prieinkruid. —gun, a. naaldgeweer. —maker , Nazar een +nez-e s Nazarenes. —ite (nez' naaldenmaker. —ore, naalderts. —stone, naalde-rajt), a. Nazireer. steen. --tin, naaldtinerts. —weed, naaldkervel. Naze (neez), s. kaap, uithoek. —work, naaiwerk. —, v. a. & n. naaldvormig Near (nief), s. vaist. maken (worden). —r, s, z,aaldenmaker. Neal Oriel). v. a. & n. temperen, gloeien. Neap (nirp), a. laag. — tide, dood ttj. a. eh. Ne'er (seer). ad. Zie Never. Neesewort (niez'wurt), s. nieskruid. —ed, a. vastzittend, niet vlot. Near (flier), a. nabijzijnd, DRIVW verwant: dier- Nefandous (n,fen'due), a. verfoetelijk, gruwelijk. oar; nauwkeurig; vrekktg; —, ad. nader, nailj, dichtbij. prp. dieht bij, naast. —, v. a. NefArlous (ne-fee'ri-us), a. —ly, ad. snood, sci , andelijk, afachuwelijk. & a. eaderen. —/y, ad. ongeveer, bijna; gierig. --ness, s, nabijheid; nauw verwantsehap; gie- Negation (ne-gee'sjun), s. ontkenning, righeid. Negative (tteg"ettv, s ontkennend woord; wei-
sjeni.), a. schil, dop; leiaarda. Shalt 'glair) [shuidd NO2d.], V. n. zullen; moe- Shave (sjeevi [shaved, shaven.], v. a, eatteren; achanen; dun enijden; nitmergelen. —grass, ten, behooren. schaafstroo. —ling„ a. geschorene; monntk. —r, Shall000 (ajelloen 1 ), a. soot. (-lot'), P.SP110t.. „ a. scheerder; uitzufger; hedneger. slue!). Shall op (sjel-lup), Shallow (sjel'lnl, s. °neap; oppervlakkig, zip- Shaving (ejee'vteng), a. het seheren. — basin,

(-11t), w. Janette. Juliana. ecutdiate (dzjir-un-dienz'), h. Girondtinen. GlIaagoaw ,gles'go), g. Glactgow. Gie.do -ever (glen-dau'ar), rn. Glendower. Gloceeter, Gloucester (gioetur), g. Glocenter. Gnesen (gnee'zn), g. Oneeen. Gni dun Inar dug), my Gnidue. Gnostics (no8',11/.), r, iluostieken. Gott fret' (god'frih), m. Godfrled. —win (-win), Godewiin. Gold coast (goolekoost), g. Goudkust. —smith, m. Cioldsmith. Golgot he (gorgo.the), g. Golgotha. Goliath (gn-lareth), in. Goliath. Gerd inn ;gor'dji-en), a. Gardiaansch; tn. Gordian,. —nn(gor'dn) m Gordon. (go'the, go'ta), I. Goth, Goth G ,tha. —ard (.urd), g. St. --, St. Got hard. (go'thi•e), —land, g. Gothland. Genre's] (grek'kaj), h the —, de GraNthen. Grace igreee), w. Gratis. g. Geertz. eraillskrt (gre G rn lit re (gree'em), in. Graham. Granada (gre.nede), g. Grenade.


W Waldenses (waol-den'eiez), r. Waldenzen. Wales (weelz), g. Wallis. Walker (waok'ur), en. Walker. Wall ace (wol'las), ne Wallace. Wallachia (wel-lee'ki-e), g. Wailachije. —n, a. wallachi.jsch; i. Wallachijer. Walloon ('eel-loon'), a. Waal/sell; Weal. Wnlpole(waol'pool),g._ & m, W cipole. Walter (waol'inr), m. Wouter. Warren (wor'rn). no. Warrea. Warsaw (waor",ao), g. Wench, a. Warwlek (weor'ikl, g. Warwick. INashIngten (wasfleng-tn)„g & m. P1ashinglon. Wat (not'), — 1y, f. voor Wetter; W.nt. Waterloo (wao'tut-loc), g. Waterloo. Waverly (wee'vur-Ilhl,m. Ws.cerley. Wedgewood (wedzywoed), m. Wedgewood. Wellesley (welznilt), m. Wellesley. Wellingt ,an (wel'Ilenc-tn), Welsh tweld!), a. Wallach. —mos., Wesel (WW1), g. Wezel. Wetter (wiser), g. Wezer. Weetero lwest'rn)Litands, g. (de) Hebriden. West-ludics (west-in'silz), g. the — West-lo,te. Westminster (wetit'min-stur), g. Weetrunnster.

Hoe kan ik XRP met GBP kopen


pose, to contend with; to subdue, to control. ilirkeer der, m. converter. — en, ov. w. to convert; nick w. to be converted, to repent; to change one's mind. —ing, v. conversion. —/ijk, by. convertible —10heirt, v. convertibility— /leg, m. & v. convert. —shoe, v. converter. Brekenet, by. known, public, manifest, notorious: acquainted (wish), intimate. — makets, to snake known, to publish, to proclaim; to acquaint (with). — worden, to become known, — public, — acquainted (with), to get abroad, to be spread about. —e, in. & v. acquaintance. ac• gum/althea; notoriety. —maker, us. publisher, proclsimer; divulger, blazer. —making, v. publication, proclamation; advertisement. Heiken men, on. w. to confess. to avow, to own, to acknowledge; to profess; to dtatinguish; to lie with, to know; /deur —, to follow snit; (gene kleur —, to revoke. —err, m. confessor, prefer.), —tang, v. confession, avowing, owning. y. eoofeseion, acknowledgment, avowel. m. cup, goblet, bowl. no/lei —, bumper. —houten, round timber. —en, en. w. to tipple, to tope, to guzzle. Illy.kear der, m. finer, amereer, —en, or. w. to fine, to amerce, to mulct. —ing, v. arnereement. Ilekijfater,

cryptogeld yahoo finance


Beal on, ov. w. to knock, to strike; to tirtow; to tease, to rex; on. w. to foil, to tumble. wet bruit het rail ? what is that to me ? final dean, begone ! —er, In. teaser, vexer. —erij, v. vexation, trouble. Brulk boor, bv. fit for use, serviceable. —beariteid, v. usefulness, serviceableness. —er, no. teo. loan. nant; farm. Bruitutt, v. _wedding, -feast. gond,* —; fiftieth anniversary of a marriage. silveren t wentyflfth anniversary of a marriage. —adag, weddingday. —sdiekt, nuptial poem. tch, —metal, wedding-meal. -OM, wedding-feast. —toast, wedding-guest. —shed, nuptial song, epithalamium. Bruin, by. brown; bay; sunburnt. —gee!, filernot. —kleurig, brown- colored. —Imo!, brown coal. —weir,. brown-eyed —rood, brown red, Indian red. —steam, manganese.—vieckporpoise.—acbtig, by. brownish. Brulneer der, en. burnisher. —en, ov. w, to burnish. —ijser, burnishing-iron —steal, burnishing-steel.—tand, tooth for burnishing,w oil'stooth'. —se?, o. burnishing-stuff. —ing, v. burnishing. Bruin en, ov. & on. w. to make (to grow) brown. —et, Y. brunette, brown girl. —held, v. brownnese. —hi, be. brownish. —igheid, v. brownishness. —tje, o. bay horse. Bruits, v. foam, froth. —en, on. w. to foam ;van, with); to low; to sail. *greaten, on w. to roar, to bellow. by. & bw. brusque, abrupt (-1y), blunt (-1y)„ gruff (-41, sudden (-1y). Brute's', by. & law. Zie Oubesehoft. Brutes, be. gross. Buffe ► ., tn. buffalo, buffie; boor, churl. —hoe, female buffalo. —.Amid, —aryl. buffalo-hide, buffskin. —steer. buff. —achtig, by. & bw. rude (-1y), churlish (.1y). —achtigheid, v. rudeness, churlfellness. Bulret, o. buffet; bar. —jvivrouto, bar-maid. —keeje, buffet. Elul, v. shower; At; freak, humor, cue. /ogee —, flying cloud. 66 —en, by fits. —achtig, be. Zie sg. Buldel, m. bag, scrip, pouch, parse. —rat, opossuin. Buten, on. w. to be unsettled weather, to rain, to storm. Bulg boar, b v. pliant, flexible; declinable.— boar. held, v. pliantness, flexibility. —en, ov. w. to bend, to bow; to decline; on. w. to bend; to yield, to submit, to stoop. plier. —spier, Rector. —tang, pliers. —er, m. bower. stonpar. —ing, v. bending; bow, courtesy; declination. sales, be. pliant, supple; docile. tractable, submiseive. saansheid, v. pliantness, suppleness; docility, traatableness, submissiveness. lilallg, by. showery, squally, unsettled. Bulk. m. belly, paunch, nave; bunt (ran ten sell); bulging (van ten muur). —band* —gordel, bellyband. —break, gastrocele. —dienaar, glutton. —doorboring —opening, patracentesis. —gerdinge, broils. —holte, abdominal cavity. —loop, flux, diarrhoea, loorenese.—loopig,loose.—tosing,eva c n&Owl. —raced, gastroraphy. —Ain, belly-ache.

Hoe kan ik investeren in Bitcoin UK


Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen.

Kan een Bitcoin portemonnee worden getraceerd


notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Wat cryptogeld is het makkelijkst te mijnen


Penates (pe-neetiez), pl. huisgoden. Pedicle (ped'ikl), s. steel, atengel. Pedicul ar (pe-dlk'joe-ler), —out, a. luizig. Pence (pens), p1. stulvers. Zie Penny. Pane11 (pen's11), s. penseel; potlood; griffel.—ease, — disease, luisziekte. polloodkoker. —cloth, —rag, penseelPedigree (ped'i-grie),penseel-, s. geslachtsboom. witch. —, v. a. teekenen, achilderea. Pediment (ped'i meat), a. kroonlijet. Pedier (ped'lur), s. rondventer, marskramer. Pendant (pendent), s. oorbel; wimpelhanger. —ess, s. rondventater. —y,s. marskramerth mars- Peuden ce (pen dens), s. helling, overhelling. ktamerswaren. —cy, s. uitstel, opechorting. —t, a. hangend. Pedobapt Ism Ipl-do-bep'tlzm), a. kinderdoop. at-, overhangend. Pend ice (penidls), a, afdak. luifel. —ing, a —let, a. voorstander van den kinderdoop. Pedometer (pc-dot:WI-Mr), s. weg-, achreden- hangend, onbeslist. Pendul on. (pen'djoe-lus), a. hangend; besluimeter. tih), —ousness, a. Pedun cie (pe-dung'kl), a. bloem-, vruchtsteel. teloos, onzeker. —osity a. ginger — cular (-kjoe-ler), a. ran eon' stengel. —culate hangende stoat; onzekerheld. (-kjoe-let), a. geateeld. (eener klok); —ball, —bob, knop aan den clinger; punttang. —pliers, Peel (piel'), s. schil; schietachop (bij bakkers). —clock, slingeruurwerk; —, v. a. pellen, schiller; plunderen; v. n. ver- Penetra ble (pen'e-tribl), a. doordringbaar. a. doordringhaarheid. vellen; afschilferen. s. peller, Wittier; plun- deraar. —ings (-iengz), p1. sehinen. —ncy (-tren-s1h), a. doordringendheid; doorzicht. Peep (piep'), s. (het) to voorschijn komen; blik; —nt (-treat), a. doordringend; acherpzinnlg. —te giurende bilk- aanbreken (van den dog). —hole, (.treet), v. a. doordringen (with); doorgronden; v. n. doordringen (into). —lion (-tree'sjun), a. kijkgat. —, v. n. gluren; te voorschijn komen; doordringirgg; doorgronding; scherpzinnigheid. uitkomen; aanbreken; piepen. (at) begluren. ( forth) roar den dog komen. —er, a. gluurder; —tire (-tree-tiv), a. doordringend; scherpzinnig. kijtglaa; nog; kuiken. —tiveness ( tree-tiv), s. doordringendheid; scherp • zinnigheid. Peer (pier'), s. gelijke, wederga, makker; pair. —, v. a. gelijk steller; v. n. te voorschijn Ito- Penguin (pen'gwin), a. vetgana, pinguin; wilde men; aanbreken; loeren, glares. —age, a. pair- ananas. achap; (engeltehe) rijksadel. —ess, a. gemann Peninsula (pen-in'ajoe-le), a. Echiereiland. --e, a. van een achiereiland. eens pairs. —less, a. —lessly, ad. onvergelijkeltjk, Peniten ce 1pen'i-tens), —cy, a. berouw, boete. weergaloos. —lateness, a. onvergelijkelijkheid. Peevish (pie'visj), o. —ly, ad. knorrig, gemelijk, —t, a. --tly, ad. herouwhebbend, boetvaardig. korzelig. —ness, s. knorrigheid, gemeltjltheid. —t, a. boeteling; biechtkind. —Ha/ (-ten'ajel), a. boetvaardig; boetc-; a. penitentie-boek. —tiara Peg (peg'), a. pin; vioolschroef; stoot. —top, tot. (-ten'sje•rih), a. de boete betreffend; a. boet—, v. a. pinnen, vastpinnen. — priester, hiechtvader; biechtatoei, boeteling; verkersels. Pegasus (peg'e-sus), s. Pegasus. erh hed Pegmatite (peg'me-tajt), s. (so (soonvan),.graniet. Penn ached pen'nesjt), a. bout geatreept. ant (-nent), s. takel, hijschtouw; •impel. —ate (-net), Pekoe (pek'o), s. peceo-thee. Pelagic (pe-led'zjik), a. van de zee. —ated (-neet-id), a. gevleugeld, gevederd. —er, s. Pelf (pelf), a. schatten, rijkdoro; mammon. schrijver; pennenkoker. —Um (-ni-less), a. arm. —non (-nun), a. vaantje. Pell4nan (pel'i-ken), a. pelikaan. Pell et (per lit), a. balletje; prop. —icie(-ikl), o. Penny (pen'nih ► , s. stuiver; penning. —a-liner, vliet, huidje. —itory (-11-tur-rih), a. muurkruid. echrijver. —father, duitendlet. —grass, —weed, (pet-mel'), ad. verward, door elkander. penning-, luiskruid. —post, stuiverapoet. —royal, Fells (peh ► , p1. perkementen molten, clerk of the —, kruizemunt, vlooikruid. —weight, penninggespaarzaam in wicht. —white, zilverwit. boekhouder btj de achatkamer. Pellucid (pel-ljoe'sid), a. doorschijuend. —ness, kleinigheden. —worth, kleinigheid; koopje. Penside (pen's11), a. hangend, zwevend. —ness, a. doorschijnendheid. s.vel,onbereide huid; slag. —monger, s. hangende toeetand. huidenkooper; peltertjhandelaar. —wool, doode Pension (pen'sjun), a. jaarwedde; kostgeld. —, wol, sterfwol. —, v. a. werpen, smijten; v. n. v. a. peneioneeren. —ary, a. gepensioneerd; B. razen, tieren. —er; a. werper, amijter; razende; gepensioneerde; pen,ionaris. —er, a. gepensiovrek. —ing, a, geraaa, getter; a. armzalig. —ry, neerde; gewoon student (te Cambridge); ligtra(trih), a. pelterij, boot. ensive (pen'aiv), a. —ly, ad. peinzend, zwaarPelvis .(pel'vis), s. bekken. Pensive Pen (pen'), a. pen; hoenderhok; Echaapskooi. moedig. —nest, a. stIlheid, ernst; zwasrmoedig-case, pennenkoker. —holder, pennenhouder. held. —knife, pennemes. —man. schrijfmeester; achrij- Pentacapsular (pen- te-kep'sjoe-ler), a. met vijf zaadhuisjes. ver. —manship, s. schrtjfkunst! (het) schrijven. —stock, verlaat, duiker. —wiper, pennenveger. Yenta choral (pen'te-kord), a. vijfanarig speelMtg. — gen ( gon), e. vul'hoek. —gonal (-teg un-, v. a. echrliven; opstellen; opslutten (up). net), a. vijfhoekig. —meter (,tem'i-tur), a. vijfPenal (pi'nel), a. atraffend; straf-. —rode, wet- roetig vers. —njular (-ten'gjoe•ler), a. vijthoektg. bock van etrafvordering. —law, atrafrecht. —ly, --rchy (-aar'kih), s. vtjfmanschap. —oast (-spent), s. straf; boete. s. htjechtoestel met vijf katrol len. ---etie/c (-atik), Penance (pen'ens), a. boete.
427 Centerboor, 7. centre-bit. Corecnoni a, v. ceremony; —meester, mister of the Germanism. —eel, by. cermonial; o ceremonies. Ceroesa, o. seroon. CertIlicaat. o. certificate. Cereals, o. ceruse, white-lead. Cervelaet-worst„ v. Bologna eauaage. Cassie, v. cession. Ceautar, v. centre. Chaim, v. chalee. Chaos, rn. chaos. Charter, a. charter. Chef, m. chief, head, leader, superior. Chertepartij, v. charter•party. Cherub. Chercab(ln, m. cherub. Chtil, v. chyls —makend,—vormend, chylifsetlee. —achtiy, by. obylous. Chirur gie, v. surgery. —y(tn, us. enrgeon. Chloor, o. chlorine. —balk, chloride of lime. Chocolade, v. chocolate —ban, —hetet, chocolate-pot. —keekje, chocolate-drop. Chriet bw. christian (-(y). —en, In• —in, v. cbristian, —endons, O. e,r2stendom. —enheid , v. c brie tandom. chrietianity. —se, on. Christ; --beeld, image of Christ. Chronisch, by. chrontcal. Chronolog le, v. chonoloey. —itch, by. chronological. Chrysollet, m. chrysolite. Cichorel, v. succory, Cider, m. cider. CUifer, o cipher, digit. in —I echrijven, to write In (by) cyphers. acne not in het — Om, to rtar.d for a cipher. —bock, book of arithmetic. —kunst. arithmetic. —letter, cipher. —wester, arithmetician, ciphering-master. —schrift, cipher; Meganography. —car, tn. accountant, reckoner, arithmetician. —en, on. w. to cipher, to cast accounts. CUns, no. tribute: cense. —recht, light of Aeoylng a tribute. —boar, —plichtig, by. tributary, Clilnder, m. cylincier.Lhoriopa, cylinder-, leverwatch. —lamp, argand-la*np. —vernag, cylindric. Cinsbaal, Cinsbel, v. cymbal. Cipler, m. jailor, keeper. Capron, m. cypreso. —seboons, cypress-tree. Circa, bw. abaft. Wren* afire, v. circular (letter). —atie, v. circulation. —eeren, on. w. to circulate. Carter!, m. circle. --hoop, arch. —roe /nig, circular. —elate, surface surrounded b ij a circle. Citadel, v. citadel, fortress. Citer, v. aithern, guitar. —drand„ brush-wite. —spa, guitar-playing. —*peter, guitar-player. Cito, bw. quickly. Citroen, in. lemon, citron. —boom, lemon-tree. —peel, be. citrine. —hout, candle-wood. —kleur, lemon-color. —kruid, coin:non balm. —sop, lemon. , lemma. juice, lemonade. —schil,lamon peel.• custard. --zuur, lemon-field ; zest, citrate. Civet, o. cleet. —kat, civet-cit. Civiel, be. civil; reasonable, chap. Classicaal. by, class , simultaneous. — onderteijsen, to teach in classes. Classiek, by. & bm► . classical (-ly).
BEE.— DEI. zinnig. —nab, s. diepte, grondigheid; scherpzturtigheid. Deer (dier), a. roodwild; ree. fallow —,damhert. red —, hert. —stalking, a. hertenjacbt. Deface (de-fees'), v. a. vernietigen; ultwieschen, misvormen. —meat, s. vernietiging; misvorming. vernietiger; misvormer. De falca te (de-fel'keet), v. a. afsnijdenoseoeleh; at knrten. —tion (def-el-kee'sjun), a, afanijding; vermindering; korting. Delano melon (def-e-mee'sjun), a, lastering, boon, eerrooving. —atory (de-femee tur-rib), a. lasterend, eerroovend. —e (de-form . ), v. a. hoonen; lasteren; te sehande waken. —er, (defeem'ur), a. lastertong; eerroover. Default (de-faolt.'), s. verzuim; nalntigheid; ge• brek; ontstentents. —, v. n. in gebreke blijven; niet verschijnen. —er, s. woordbreker; nlet-versc ► ijner. Defeo,. :once (de-fiez'ente, a. vernietiging (eener overeenkomst.); nederlaag. —ible, a. vernietigbaar. Defeat (de-flea'), a. nederlaag; verijdeling. — v. a. verstaan; te nlet doen; verijdelen. Defect. te (de'fe-set), a. gezuiverd. —te (-beet), v. a. zuiveren. —lion (-kee-sjun), s. zuivering. Defect (de-fekt"), a,gebrek, onvolkomenhei d.—ible, a. gebrekkig; onvolkomen. —on, (.fek'sjun), a. gebrek; ontbreking; atvalligheid; opstand. —ire, a. —ireiy, ad. gebrekkig; onvolledig. —iveneas, a. gebrekkigheid. Defence (de-fens"), a. bescherming; verwerving; wederstand; rechtvaardiging; verbod. —less, a. weerloos. Defend (de-fend"), v. a. verdedigen; (from) be. sehutten tegen; verweren; verbieden. —fate, a, verdedigbaar, —ant, a. verweerder. —er, a. verdediger; advokaat. Defens alive (de-fens'e-tiv), a. verdedigend; a, behoedmiddel; verband, —ible. a. verdedigbaar. —ire, a. —ire/y, ad. verdedigend, verwerend. —ire, s. verweermtddel; verdedigende houding. on the —ire, verdedigenderwijze. Defer (de-far'), v. a. uttetellen; verschuiven; overtaten; v, n. dralen, talmen; (to) Mei houden aan, etch voegen near. —race (derur•ene), a. inschikkelijkheid; oaderwerping; eerbied (for). out of —ence to, uit boogaehting voor. —ent (derur-ent), a. leidend, voerend; a. geleider; vochthuis. —ential (def-ur-en'sjel), a. eerbiedig. —meat, a. nitatel. —rer, s. nitateller. Defiance (de-ferens), a. uitdaging; tarting; weigering. to bid — to, trotseeren. in— of, ten seijt yen. Deficience (de•fla'sjene). —cy, a. gebrekkigheid; ontoereikendheid. —t, a. —tly, ad, ontoereikend; onvolkomen; geb.ekkig. Defier, (de-farur), a. nitdnger, tarter. Defile, (de-fail'), a, rage pas. —, v, a. bezoedelen; onteeren; bederven; v. n. deflleeren. a. bezoedeling; onteering; bederving. —r, a, be. zoedelaar; onteerder; bederver. DOfin able (de.fajn'ibl), a. hepaalbaar. —e, v. a. bepalen; verklaren, omachrijven. —er, e. bepaler; verklaarder.: Defini to (def'i-ntt), a. —tely, ad. bepaald; vast. geeteld. —te, a. juist bepaald begrip. — fences.
829 Unseasun able (un-st'zn-ibl), a. —ably, ad. onttjdig, ongelegen. —ablenese, e. ontijdigheitt, ongeschittheid. —ed (-Wm!), a. ongekruld, ongezouten; niet geweud. Unseat tun-stet), v. a. van zijue zitplaats (nit den zadel) werpen, —eel, a. ongeseten. Unseaworth Incas (an-al'wurth-l.neas), a. onzeswaardlgheld. --y, a. onzeewaardig. Uuseconded (un-sek'und-id), a. ntet widersteund. Unsaduced (un-se-djoest'), a. onverleld. Unseetni these (un-sieneli-nesa), a. onbetameItjkheid. —y, a. & ad. onbetatnelijk, Unseen (un-sien'), a. ODESZien; onziehtbaar. Unselsed (un-rtezd'). a. niet in bezit genomen. Unselfish (un-seit'isj), a. —4/, ad. onoaatzucbtig. —nese, a. onbaatzuchtigheid. Unsent (un-sent'), a. niet gezonden. — for, ntet ontboden. Unsep emitted (un-sep'e-ree-tid), a. ongeschelden. —ulckered (-al- kurd), a. onbegraven. Unsery a (un-suiv'), v. a. ontkleeden (een touw). —ed, a. nlet gedlend; onbediend. —iceable, g. —ieeablY, ad. (-114•b1-), ondienstig. —iceablenese (-is-ibl-), s. ondienstigheld. —tte (-if), a. niet slantseh, Unmet (uti-set'), a. ongezet; ongeplant; ongeregeld; niet ondergegaan. Unsettle (un-set'tI), v. a. van gine pleats brangen; omverwerpen; in de war brengeu; down wankelen, onzeker rnaken; v. n. in de war (van One plants) geraken; wankelen. —d, a. ongeregeld, ongevestigd; onbestendlg, weitelend; onvereffend. —dness,e. ongeregeldheid; onzekerheid, onbestendigheld. Unsevered (un-sev'ttrd), a. niet geseheiden. Unsew (un•tto'), v. a. lostornen. Unsex (un- seks'), v. a. van geslacht veranderen. Unshackle (an-sjerkl), v. a. ontkluisteren. Unsha dad (un-ejee'dtd). —do:oed (-ejed'ood), a. onbesehaattwd, onverdnisterd. —kable (-klb1), a. ouwrikbaar. —hen (-ajee'kn), a. ongesehokt; onwrikbaar. —med(-sjetenad'), a. Wet baechanmal. Unehatnefaccd (urt-sjeem'feest), a. onbeschaarad, sehaamteloos, —nets, 5. onbesehaamd. held, sehaamteloosheld. Unshaven (un-ejee'pn), a. Plievermd. Unshaved (un-ejeerd'), a. ongedeeld. Unshaven (ua-sjee'vn), a. ongeschoren. Unsheathe (an-ejleth'), a. a. nit de atheede trekken. Unshed (un•ated'), a. ongestort. Unsheltered (un-sjer,nrd), a. enbesehut. Unshielded (un-aj ield'id), a. onbeachermd. Unship (un-ajip'), v. a. ontschapen, uitsahieten; flatten. Unshod (un.ejod'), a. ongeselioeid; enbealagen. 1J Hello e (un-sjoe') [(cr.], v. a. ontechoeten. Unshorn (utt-sjoorn'), a. ongesehoren. Unshot (un-sjot'), a. niet afgesehoten; niet getroffen. Unshrinking (unqdrinkleng), a. niet terugdeinsend, onvereaagd. Unshut (nn-ajut'), a. ongesioten. Unslfted (an•eift'id), a. ongeztft; niet anderzoeht.
ALG.— BAH. Algerl a (el dzjrri-e), g. Algerie• —an, i. Alga. rijn. —ne (el'dzje-rajn), a. Algerijnsch. Algiers (el-dzjierz'), g. Algiers. Al ice (el'in), w. Alice, ElPje. —ick, f. vow. Alexander; Alex, Sander. —icon ( i-sun), w. Eleje. Ails ghany (el-le-gee'n11), g. Allegheny, —stannic (-men'n1111, a. Allemannisch, Afoot (e.lost'), g. Aalst. Alps (elps), g. the—, de Alpen. Alumna (el-zee'sji-e), g. de Eine. —n (-ejen),
--tine, ( - ee'sjun), a. sehatting; waardeering. - ter Vaean cy (vet'ken-all,), a. leagte; ledige ruimte, (-ee-tut), a. echatter; watudeerder. ledige tajd; itenate; opngevallen betrekking; -. v. a. achatve,cantie; gedaehtenloosheld„ -t, a. ledig, onbe• Value (verjoe), a. waarde, ten, Iv aardeeren: aehten; in waarde evenaren; vetzee; onvervuid, vacant; geduchtenloos. gelijken. - one's self upon, zich laten voerstaan Vaea th (ves'keet), v. a. a:Amin:en; opgeven; to op. -, v. a. (on upon) trekken, afgeven op. &Jet doen. -action (ve-keb'ejun), a. aitchaffing; -less, a. zonder waerde. -r (-ur), a. echatter. Tusttiltl • vaeantie. (-it), V neciu ate (vek'sin-nee*.), v. a, inenten -ation Valor e (velv'), a. klep: deurvleugel. -et-sitar -ule (-joel), a. klepje; kleine vouwdeur. (-ee'Pjun), a. koepokinenting. -ator, a. Zie Vac•os•er), a. kiep-. chilst. -e (ook : -vain), a. koe-, van de Icon; harnas. -- inoculation, koepokinenenting; - infection, Vatnbraeo (vem'breeti), a. armplaat, Vamp (vamp'), a. overlear. -, v. a. lappen, eer-, matter, koepokstot. -ist, e. inenter atellen (up). - er, s. tapper, verateller. -ire (-sir), Vaellita any (ves'eil.len - sik), a. wankellAg; a. vampier, bloedzulger. -te (-feet)., v. n. wankel.; weafelen.. Van (wen') a. wan; waxier; vleugel, wink; hail--tion (-lee'sjnn), v. wankeling; weifeling. kar, voorhoede. -courier ( - kosei - nr), a. Ivor%Taco. ity (ve.kjoe'it- tih), e. ledigheli; 'Adige looper, voorbode. --guard, a. voorhaede. -, v. a. -um (oak"(•eit'joe-ns), a. Wttouen. joe-um), a. ledige rulmte. Vandal In (yen-dank), a. barbaarech, vernlelend. Vade-mecum (vee-de-ani'kurn), a, zakboekje ; (ven'del-lzm), a. barbaarschheid, vernielhandboek. zucbt. Verrone, (ve'frus), a. loos, schalksch. a. l and- Vat, d yk* (yen-dajk'), a. ultgetaude haiskraag. iraga bond, (veg'e.bond), a. zwervend. (ven), a vaantje, w eerhaan; vizier; windlooper. -age, -lel), n. landlooperij. vieugel, maker. Vagary (a e-gee'rih), a. grit, knur. Va,.;Ina (ve-dzjayne), a. ocheede. -/ (oak ; ved , Vsng (yang), ...lel (in eene penneschacht); geard. Vanilla (ve nille), a. vanitle. zji-nel), a. von de scheeae. V agran cy (vee'gren-s:h), a. rondzwerving„ -e, Van lab (ven'isj), v. rt. verdwtjneu (away.fron). -ity, a. ijdelheid. a. zwervend, 8, river , . landtuoper V a_outte(veeg'),a. --ly, HA. °nem ervend; onbepaaid, Vanquish (veng'kwisj), v. a. overwinnen. -er, a. overwinnaar. Vali (veal'), a. 8c v. a. Zle Veil. Vantage (nen'tit14), a. unaided, winat. -groaaci, Valle (vaelz), a. pl. fooien, vernal. meerderheid; gun:stip stand. Vain (even'), a. -ly, ad. vergeefech, vrtichteloos: Vapid (vep'id), a. t aum, dnf, verscbaald. -ity to vergeefa; to take in kidel (of); vergeefsch• in -ness, a. ft/Inv/held, verschaaldrnisbrniken. -glorious, a. --gloriously, ad. verwaand; snoevend. -glory (-gin' held. e. vermaandheith grootspraak, snoeverij Vapor (vee'pur), a. damp, wapem. -, v. a. vet.dampen (away. out); V. n. dampen, uitdampen; -ness, s. ijdelheld; raietigheid. suoeven, pocky -er, a. anoever, pocher. -orb, Valiant° (vel'ens), a< valletjo (non bedgordtjnen). a. dampig; grill . -out, a. (tamale. ; opgeblazen. Valle ( veal), a. dal, vallei. -a (-pure), pl. , ampen, winden, opetijgioaen. Valecilet ton (vel-e-dik'elun), a. vaarwel, aflab. a. ZieVai etheidegroet. -cry, a. afscheidsen. Valentine (vel'en-tajn), s. St. Velten's liefje; Varee Iver'k), a Vail able (vee'rt. :bp, a. -ably, ad. veranderlijk. St. Velten's minnr brierje. -ability (-e-bil'it-tih), -ableness, s. veranderltik• Valerian (ve-li'rl-en), a. valeriaan. held. -anca (-ens), a. versehil, oneenigheld, to Valet (vent)... kneeht. hediende. set at -, oneenig maken (-ee'sjun), e. V aletutlinar inn (vel-eajoe-dianae'ri-en), -y veran˚ veracbillendheld; afoijkine. -cot' ), R. ziekelijk; as. ziekelijk mensah. (verl-koos), -roue (reel-kn.), a. aderspattlg. Vallnat (vellent).. a. -1y, ad. dapper. -netts, s. -epate (-e-geet), v. a. bespikkelen, kakelbont dapperheid. • sehak, eren. -egation (-e- gee'sjuh), a. yeel.kisurig • Valid (vel'id), a. -ly, ad. clerk, bondig, gadig. heid; schakeering. -ety (ve.rare-tih), a. afwiese. -ity -ness, a. ktacbt, bondigheid, ling, verandering; versebeldenheld, -clout (vs. gelatighetd. raro-lus)., a. pokachtig. -one, a. -nicely, ed. Valium (ve-liez'), a. valley, mantelzak. verecheiden; veranderlijk. Visitation (vel - lee'sinn), v. verschauaing. Varix (vee'rike), e. adergerwel. Valley (vel'lth),n. dal, valley. Valor (va,"ur), v. dapperheid, -one, a. -oualy, Varlet (vaaelit), a. knecht, page; achurk, Kebobbejak. ad. dapper. Value blew (verioe-iial), a. kostbaar. -Maness, a. Varuytsh (wtenixi), a. vents, lak; verglaaseel; -, V. a. vernissen, verlakken; vereeizen; kostbaarheid. -tiles (-111z), pl. kostbaarheden.
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Heb ik een portemonnee als ik Coinbase gebruiken


153 iin'sti-tjoet). s. instelling, wet, Yours. geinis van dorht. lluoilttut e entry schrift; instituut. —e, v. a. in-, aan-, vaststellen; -On (-Sit4r1111), S. (in). —ion(-tjoe'sjun)., s. in-, aanstel • onderwijzen Inmate (in-sneer'), v. a. Zie 10 ling; verordening; stiebting; onderwijs; inriehInsuhrtet y (in•so-braj'e-tilt), s. onmatigheid, —ionary (-tjoe'sjun-), a. to beginsetin Inane table Itn-so's31-01), ongezell g. len bevattend; verordend. —ist, s. sehruver vat lassola to (in'so-Teat;, v. a. in de son drogen, grondbeginselen. —ire, a. instellend. —or, a. in(-1e.e'sjun), s. (het.) sonnen; — zette n , —tion atelier; onder nxijzer. zonnesteek. littutruet (in-struktl, v. a. onderwijsen (in); van Insofteza cc (in'so.lens), a. onbeschsamdheid, voorschriften voorsien; voorbereiden. onbeschoftheid. —t, a. —.fly, ad. onbeschaarnd, •struk'sjun), a. leerzaam, vatbaar (for). onhesehoft,aann,tigend. onderwijs; aanschrijving, lastgeving. —*re, a. a. onvastheitt. Insulting' —ire/y, ad. onderriclitend, leerrijk. —ireness, a. —bilitY onoplosbaar. Insolu hic (in-solijoehl), a. leerrijkheid. —or, s. on derwijser. —rest, s. on der(-bil'it-till , , e. onoptoRboarbeid, llusoiv able (in-solv'tbi), a. onoplusbaar, cube- i wijzeres. Instrum ent (in'stroe-ment), s. vrerktuig; speeltaalbaar. —envy (-en-silt), v. onvermogen to tuig; gerechtelijk gesehrift. —al, a. —ally, ad, toting. --eat, a, onvermogend nut tebe:alen. (-men'tel-), behulpzaam, dtenstig (in, to, towards); Insomnious instramentaal. —atity —alness (-men' in zoo verre, zoolusescolitek (in-so-muter), conj. te).), s. behulputtinheid; medewerking, tusdat. schenlimnst. Iquipect (in-spekt), V. a. in oogenssitonw nemen, (in-sub-dsjek'sjun), z. ongehoor(-spek'sjan), a. be- InsubJection onderzoekon, nag... saamheid. sichtiging, onderzoek. —or, s. opzichter, inapee- Insuburtillita to (in-sub-oritii-net), s. weerspantear. —orshi , 8. opzichtersehap. uig. —Non (-nee'sjun), s. weerspaunigheid,titehlInnpetetti,a (iri-spur'Ajun), 15. bespronkeling. baar. —ation, teloosheid. lhroptr able (in-spajetW), a. irtadetr. (in-suf'llir-lb1), a. —bly, ad. onlinsulffera (-spi-ree'sjon)„ a. inblazing, iugeving, bezieting. 1, verdragelijk, onuitstaanbaar. -e, v. a. inbiazen, ingeven, inboesemen (into. ) Insufficten cy (in-out-lisfen - sib), s. ontoereiwith); v. n. inademen. —er, s. ingevcr. kendheid. —t, a. ontoereikend. Inspirit (In.-spir'it), v. a. bezielen. verlevendigen. Inxutilfttion (in-suf-fiee'sinn), s. inbiazing. Inspissa to (in.spis'set), a. verdikt. gestreTd. Ittsula r (in'ajoe-ler), a. eilandvormig; van —te (-Beet)., v. a. verdikken, doers stremmen. —lion ten eiland. —r, a. eilander. —to (-leet), v. a. at• ( see'sj tin) , a. verdikking. —lion (-lee'sjuol, s. afsondering. —tor zonderen. —bility Inetta ble (in-steelW, a. onbestendig. (-lee-tar), a. afzonderaar,isoleerbankje. (-ste-bil'it-tih), s. on'oesteildigheid. In cult (in'sult),s. beleediging. hoot, In.stal I (in-stool'). v. a. bevestigen„installeeren. Insult (in-suit'), T. a. beleedigen, hoonen; v. n. —lotion (-stet-lee'sjun), bevestiging,instello.tie. spotters (over;. —er, a. beleediger, hooner. —ing, a. —runt, s. bevestiging, installatie; ternaiin. —inyly, ad. beleedigend, hoonend. Instance (in'atens),s. dringend verzoek,aandrang; insupera ble —bly, ad. onoverinetanlie, aanleg; gelegenheid, ornstandigheid; komelijk, onoverwinnelijk. —bility 1-e-birit-t lb), voorbeeld. —, v. a. als een . voorbeeid aanbalen; —bleness, s. onoverkomelijkheid;onoverwittnelijk, v. n. voorbeelden bijineng ,n. heid. lutanist lin'stent), a. dringend ; tegonwoord ,ig; Insiipporta hie (in-sup-poort'ibl). —My, ad. oowntblik; I oopende rnaand.—ty, mi kideltijk. —, a. onverdragelijk, —bleness, onverdragelijklteid. ad. op staande voet. Insuppress able (in-sup-pres stbl), —ire, a. met —ously,' Instantane oats (in-sten-tee'ni-us), a. te weerhouden of onderdrukkem ad. oogenblikkelljk, onrnitideliijk. —ity (-to-nr laatazar able (in-sjozeibl),,a.verzekerbaar. —awe, it-tilt), —ovsness.s. oogenblikkelijicheid. s. v‘irzekesing,assurantie; —company, assurantieInstate (in-steeti, v. a. plaatsen, et cllen. inaattichainti; —nioney, assurantie-premie. —e, lustours te (in-stao'reet), v. a. herstelien,ver- v. a. verzelteren, aissureeTen. —er,, a. verzekeraar, nieuren. —lion (.ree'nimo), s. herstelling, verassuradeur. nleuwing. —tor (iiestao-ree-tar), n. hersteller, Insurgent (in.suedzjent), a. oproelig. —, m. op. verttleuwer. etandeling. Instead (in-ated . ), ad. (of (in pleats van . Insurinounta ble (in-bur-inttaunt'ibl), v. a. indoopen; weeken. Insteep ad. onoverkomeiijit. eene Instep (in'step), s. wreef. to be high in the Insurrection ;in-sur-rek'sjutil, to. opstand, hooge horst zetten. terij. —at, —ary, a. oproerig, muitziek;oproer-. Instiga to (ltesti-Beet), v. a, aiinsporen,ophitnen Insusceptible (in-ntin , sep'tibil, a. onvatbaar. (to). —lion (gee'sjun), uphitsing. Intact (in- tekt'), a tonaingeroerd,ongedeord. — i blo, —tor, n. aanspooTder, °plats,. ontastbsar. a. (in-still, v. a. indroppelen; inboezemen, Intaglio qn-terio). n. genneden steen. inprenten (into). —lotion (-lee'siun), a. utdroppe- Ind ningl ble (tn-ten'dti ibt), a. ontastbaar. —Linty lint; inhoezeming, inprenting. ontastbaarheid. 1 1.0 'net (inNtirtittl, 8. instinct, natnurdrift. ita- , Intwitithie n- smakeloos. onWillekenrir, std. 1-stinsk'tiv geheel W•tr.1 • s. Inurdrift.
SLA.—Si.O. mans) au, (tooth,' ag. — house, 31achthuls. —man, slachter. v. a, vermoorden,ramalen, alaeht,u. --er, a. slaehter, naoordenaar. —ous, a. moorddadir,. Stave (Aeo,0), 3. Waal% slavin. — holder, ,, lavenhou dee. — ship, air,enhaalder. — trade., slaveuLandel. v. n. z•oegen. —r, a. slover,zwocger; slavenschip. Slower (siev'ur), 0. kvii,j1, apeokool. —, v. a.bekw ijlen; v. n. — er, a. kmijI Slav ery ad.Filaarso, —;shness, a. els.afue Wield. Slay (,le,') [slaw (s1,). slain (sh.tenrj, v. a. dodders, v.,rinoorden, olachten. --er, a. moordenaar, sla0ter. Sienve (sti,v;, a, verwarde, onv,,,twijnde 7,13de; strew"; zikie; knoop. —, v. a. op w inden, haspalen; bereiden. — d, a. ongespohnen, raw. Sleazy (strziti), a. dun, l;clst van mtoffen). Sled (ale , i), c, mlede. —, v. a. strict,. Sledge (14lectr.j), a. arnidshamer,,cde. (stiek' i a. glad, blinkend. — stone, ilk-, wrlifsteen. —, v. a, glad rnaken, polipte.n.—ness, a. giadheid; gian°. SI,ep (alic,p), s. sloop. Sian a (aliepl [slept], v. n. alapen. (away) veralapen. (upon , zieh beslape.n op. — er. a. ',lapel.; druiloar; tiNV:t est t)fti k. -iegger. —ity, ad. —y, a. siaperiR; slaapvermekkenl. — iness 0-nessj, a. slaperigheid. --ing, sa. slaps; .,d; — partner, stille vennoOt; — chamber, — room, alaapkamer, — lees, a. dopeloom. — lessnes,, a. alapolougheid. SI,e1 ( jachtsueenw. —„ v n. atofhagelen, ljzele . —y, a. fijn sneeumend, mottend. Siteeve ts. now. to laugh in one's — , ztja vuistje laehen. -- band, manwlvlordsel, — board, persphnk. —knot, mnuwmtrik, —d, a. mat mouwer, — less, a zonder imouwen;ongertjald i zot, iv Id (aleed n ., v. a. 'hie to Step. (s lee' a. sled, —iwg, a, vervoer op al ,?,den; 81,de,art; Sie4;10 (mlhjt,' a. bedriegelijk, misleilend, —, a. kuosturvep, ),ehendigheid. —y, a,. —ity, ad. listig, slum. Sle,ndier (sien'dur), ft, — to, ad. dun; rank, clank; optchtig; eels cast; gering. — ness, a. dunheid; rankheid, apiehtIghei4; sehraalheid; geringheid. Sley (mieej, a. weverskarn. —, v. a. in draden seheiden, haP Weft. Shea; tilajt4), s. aneedje, schijf.le, moot; epatel;

Students who join the Erasmus Programme study at least 3 months or do an internship for a period of at least 2 months to an academic year in another European country. The former case is called a Student Mobility for Studies or SMS, while the latter case is called a Student Mobility of Placement or SMP.[22][23] The Erasmus Programme guarantees that the period spent abroad is recognised by their university when they come back, as long as they abide by terms previously agreed. Switzerland has been suspended as a participant in the Erasmus programme as of 2015, following the popular vote to limit the immigration of EU citizens into Switzerland. As a consequence, Swiss students will not be able to apply for the programme and European students will not be able to spend time at a Swiss university under that programme.[24]

Inflict (in-flikt'), v. a. opleggen (on. upon). —er, s. (straf-) oplegger. — ion (--flik'ajun), s. oplegging; straf. —ive, a. (strallopleggend. Infinen ce (in'floe-ens), s. invloed (on. upon. over. with). --ce, v. a. invloed hebben op; bewegen, nopen. -.4 R. invloeiend. —tial, a. —tialiy. ad . (-en'sje I-I, invloedrijk. (-en'ze), s. griep. Influx (in'fluks), —ion (-fluk'sjun), a. toevloed, instromning; ingevinr.

Hoe krijg ik gratis Coinbase Xlm


vessel, ship. den - insktas, to frustrate, to foil. op effen riist, to be without debts. -41.4. -sick, bottom-piece. -trekker, turiel. -en, ov. w. to bottotit. v. bottootry; -brief, letter of bottocnry. -toot, bv. bottomless. Roden, my. domestics, servants. -brood, -loos, wages, hire; messenger's fee. -kaiser, servant's hall; beadle's room. Bodoschap, o. office (functions) of a messenger, - of k beadle. Bodin, Y. (female) messenger. Hoe, tow. whew! Ajj yeti - nods ba, he didn't say a word. -man, bug-bear. Heeded, m. estate, property, possession; inheritance; hoasehold-gcods, lumber. -besorgsr, aschild. Bloo, Moo d, by. & bw. bashful (-1y), timid signee, admtnIetrator. -besorgster, sdministra(-1y1 timorous (-1y), coy (-1y) --chard, m. cow- l•ix. -beschrOving, inventory.-houder,-koadster, be (she) that remains possessor of the estate after ard. -Aortic, by. & bw. faint-hearted (-ly). -hartigkeid, v. faint-heartedness. -heid, v. his wife 's (her husband' s) death. -hubs, house of public sales. -banter. desolate -boner, office bashfulness, timorousness, coyness. Moot, by. naked, bare; mere. *set -e voeten, of the COMIllitiii0111.113 for bankruptcies. -Wet. bare foot, bare-footed. ender den -ea Hemel, in inventory. -redder, -selseider, executor, adminthe open air. -leggen, to lay open, to propose. istrator. -redding, -seheiding, liquidation, division of an estate. -state-, to be exposed (to). -skill., to expose (to). -sidling, exposure. -shvgfds, bare-headed. Beef, m, knave, rogue, villain, convict. -aelstig, -sch, br. & bw. knavish (-Iy), roguish ( 4 1y). bare-foot. -, w. merely, barely, -aehtigiseid, v. knaviehneas, knavery, villiaey. only. -en, ov. w. to clear; to tires., to strip of the wool, to pluck off the wool from. -tool, Bteeg, m. bow, prow. over den - mien, to keep the coarse; to go on the old rate, to continue in fell-wool, carrion-wool. -er, m. skin-dresser. one's old path. het over ten anderen wendyn,to -held, v. nakedness, baseness. Bios, an. blush. tack about; to turn over a new leaf, to sing anBlots w el, m. brake. -en, ov.w.to brake,to dress. other tune. bet over all. -en menden, to try every Bion ass, on. w. to blush; doss -, to put to thing, to leave no cone unturned. iesstsnddwars the blush. -end, by. blushing; blushy, rosy. vow. den - bosses, to cross to thwart) a. o. op den -ing, v. blushing. -, all at once. -tinker. bow-anchor, streamBlur, nt, brag. - oilcan, to make display, to anchor. -bandes, breast-hooks. -bruises, to go boast, to brag. -fen, on. w to boast, to brag near the wind, to tack about. -lam, shoulderehotten, splayed. -legger, vessel in turn. -Wit, inset, of. of). for, in. braggart. -ferij, v. braggardlem. bow-line. -slag, tacking about. -.4Priei, bowMunch mereedschap, o. utensils for quenchsprit. -eprietstag, bob•stay. -stnk, bow-piece; ing a fire. -midde/, means to quench. -toestel, gun on the forecastle. -en, on. w. to steer the engine (apparatus) for quenching. -vat, vessel course. -seerlOn, v. halter, -scores, ov. w. to tow, to take in tow. to quench. litoeschen. ov. w. to quench, to extinguish; Noel, v. buoy, shackle, fetter. -bora, side-plank. to slack (Lek), to gratify. -er, in. quencher. -plank, gunwale-board. -reep, buoy-rope. -en -ing, v. quenching. ov. w. to fetter, to chefs; to captivate, 4o fasBlots, be. hard up, out of cash. -, v. bruise, cinate; to plank. Aooggeboeid &sip, deep -waisted contusion. -snorts, purples, spotted fever. -en, ship. -end, by. capti•ating, fascinating, -er„ ov. w. to bruise. m. yacht, pleasure-boat. -set, o. upper plankHobbit!, an. bubble; bump, pimple. -en, on. w. ing. to bubble. -tg, by. with buboles, - bumps. Boek. o. book; quire. is - stellen, to set ,to write) down, to record. to staan roar, to pass -kg, v. bubbling. Boitstjn, v. bobbin, spool. -en, ov. vr. to wind for, tibia - opendoen, to divulge one 's own se on a bobbin, to spool. crets. *tine -en besweren, to take an oath upon hunch, hunch back. -aar, hump, The truth of one 's accounts. -band, binding. Bochel, m. -beoordeelaar,oritie.-teoordieling,-beschouning, m. --amulet, v. hump-back; plodder. -en, ev. w. to plot. critic. -beelatl, clasps. -blades, book-bindBocht, o. trash, stuff, scum, refuse. -, v. brut, ing; bookbinder's trade. -binder, bookbinder; turning, winding, coil; bay, gulf. voor -slcnecht, journeyman-bookbinder; -aeltiet.. bookbinder's paste; -sploep, plough; knife. -bisder(ii in de - springen, to take (to embrace) a. o. 's bookbinding; bookbinder' shop. -sdeelooltime. cause. -ig,, by. crooked, sinuous. -igheid, v. -drukken, printing. -drubber, printer; --ejongen, crookedness, sinuosity. printer's devil; -.0knecht, journeyman-printer. Hod, o offer. bidding. Bode, on & v. messenger, beadle, apparitor; -drukkerii, printing-office. -drisakunst, art of agent's man, roaster. printing, typography. -gesekenk present of a book. -Handel, book-trade. -handelaar, in. bottom; ground, soil, territory,
349 Workman (wuricirnen), s. werkman. —like, —1 1/, a. knap, bekwaam; goed bewerkt. —ship, s. werk; bewerking; bekwagmheid. World (wurhi'), e. wereld; aarde; menachen; 'ts werelds loop; loopbaan; menigte, groot aantal. the great —, de hoogere etanden. not for all the —, voor Mete ter wereld. —lines* (-Ii-neat), a. wereldegezindheid. —ling, a. wereidling. —1y, a. & ad. wereldiijkrwereldech; werelds; —minded, wereldsgezind. Worm (worm'), a. worm; kraeser; moor (van eene sohroef); wroeging. —bark, wormbaet. wormetekig; vermolmd. —grass, wormkrt,id. —kote,wormgaatje. —screw, kraiser. —seed, worm%sad. —spring, epiraalveer. —wood, aisem. v. a. van den worm enijden; aftrekken (de lading van eon kanon); ondermijnen; bekleeden, hen; (out) uitgraven; uitstooien; v. A. knit pen; a. trensing; —thread, wurmen; knew. trensgaren. —like, a. wormachtig. —y, a. wormig; kruipend. Worr tar (wur'ri-ur), s. pleger, kwelgeest. —y, e. verwarring; onrnat, gejaagdheid. v. a. plagen, kwelleu; rukken, scheuren. Worse (wurs), a. & ad. slechter, erger. — and —, hoe langer hoe slechter (erger). Worsh ip e. vereerini, aanbidfing; eerbewijsing; waardigheid, eer; Eerwaarde; Edelachtbare. —, v. a. & n. vereeren, aanbidden. All, a. eerwaardig; achtbaar. —fully, ad. eerbiedig. —per, a. vereerder, aanbidder. Worst (wurat'), a. & ad. slechts, ergot, —, o. (het) ergate. at (the) —, in het ergate geva I. —, v. a. overweldigen; verergeren. to be —ed, het onderspit delven. Worsted (woerst'14, worst'-), a. sajet. a. sajetten, wollen. —needle, etopnaald. Wort (wurt),s. kruld; kool; ortgegiet bier.: Worth (wurth'), a. waarde: prijs; verdienste;waardij. —, a. waard, waardig. — re: ding, lezens. wear dig. — seeing, bezienswaardig. —less, a. zooder waarde; nietewaardig. lessness, a. onwaarde ; onwaardigheld. North liy (wurth'il-lih), ad. —y, a. waardlg (of); eerdienstelijk; edel; voortreffelijk. —iness ( i-ness), s. wagrdigheid; verdiemstelijkheid. —y, s. verdienstelijk (uitstekend) man; held Wot (wot), v. n. weten. God God west het. Would (woed'), v. n. ZIP Wlil; wilds; zoude; weneehte. — to God, gave God. —be, a. gewaand, slab noemend. Wound (woend'), a. woad. —fever, wondkoorte. —wort, wondkruid. —, v. a. wooden, kwetsen. —er,s. verwonder. —less, a. ongekwetet. Woundy (waann'dih), a. seer, uitermate. Wove- (woov')paper, a. velijn-pspier. Wraith (reeth), a. verschtjning, sohim. Wrangle (reng'g1), a. twist, krakeel. —, v. n. twieten, krakeelen (for. on). —r, u. twister, krakeeler; student, die zal promoveeren. —some, a. twietziek. Wrap (rep'), v. a. wikkelen; bevatten; (in) in een' omelag doen; (up) inwikkelen, inpakken, oprollen; in verrukking brengen. —rascal, overJas. —per, a. omelag; pakdoek; omalagdoek; mantel; dekblad (van sigaren). —ping, a. het
W IN —taster, wiinprneeer. —cooper, wijukutpe r. Nv guess. —grower, wijubouwer --lees, pi. IVOTImode. —merchant, weinkeover. —press, wijnpers• —shop, wijnhuls. —stone, wijnateen, —trade, wijnhandel. Wing ('vine), a. vlevgel, wlek, vlerk; bank; zlde; eijetuk; vluaht. to be upon the —, op het punt Man om to vertrekken. to late —, op-, weevily ;en. —case, —shell, vleugelechild. —cleft, gevederd. —footed, viug. —sail, gaffelzeil. —transom, hekbalk. —, v. a. van vleueels yoorzion; v. n. vilegen. —ed (wingd), —y (-gib); a. gevlengeld; noel. —less, a. ongevleugeld. —let ('it), s. vieugeltje. Wink (wingk'), s. (het) knipoogen; weak. not to sleep a —, geen oar toedoen (iulken), v. n. knipoogen; wrnken; (at) toewenken; door de vingers den. —er, a. lonker; wenher; oogklep. —hilly, ad. knipoogend. Winn er (wIn'nur), s. winner. —ing, a. winnend, innemend,aauvailig; s. het winnen; whist; —post, eindpaal. Winnow (wlnino), v. a. wannen, ziftea; bewaaien; ooderzoeken, overwegen; aftonderen; v. n, wannen. —er, o. wanner. Winsome (win'eurn), a. vroolijk; innemend. Winter (wIn'tur), a. winter. —barley. wintergerst. —beaten, door den winter beschndied. —cherry. jodenkers, roode naohtschade. —citron, wintercitroenpeer. —crop, winterrruebt, -graan. —fallow, v. r. somervoren —green, meagdenpaltn, —ground, v. a. overwinteren (van bloemen), —kill, v. a. doen doodvriezen. —quarters, p1. winterkwartieren. —seaeon, —time, wintertijd. —solstice, wintersonnestand —. v. a. & n. overwiuteren. --ly, a. winterachtig; winter-. Wintry (win'trih), a. Lie Wintery. Whey (warnib), a. wenazhtlg. Wipe (wajp'1, a. (hat) vegen, afvegen; veeg, steek. nitbrander. —, v. a. vegen, afvegen, afwieschen: (of) afzetten. —r, a. veger; winch, vaatdoek; achimpsehent, veeg. Wire (wajr"), a. dread. —draw [fry.], v. R. tot dread trekken; rekken, slepende houden; verdraitien. —drawer, draadtrekker. —drawing, het draadtrekken; draadmolen, —drawn. getrokken; gerekt. fender, stolp van dread. —gage, draadmaat. —grate, drawl tralie, traliehek. —mark, vormdraad, JO in bet papier). —mill, dreadmien. —pliers, pl. dread-, butgtang. antwoord per telegtaaf. —tack, draadstift —work, dread-, trallewerk. —, v. a. met dread vastmaken; tralidn. Wiry (wayrth), a. van dread; draadachtig. Wie (win), twist], v. a. weten, onderstellen. Wisdom; (wis'dum), s. wijehe!d, Wise (waje), a. wlize, mauler. in no —, in geen KeVal, geeneztne. —, a. —ly. ad. wije, veretan. Ingetogen. —acre, waanwtj te; zotekap. —man, wtjze; waarzegger, toovenaar. —woman, w aar. zegster, Woven's. —limp, e. waanwitize. WWI (whin 11. wenach, verlangen. v. a. & n. weaachen, verlangen (for, near). — joy of tat), geluk worm:then met. —er, a. wenacher. —fat, a. —fully, ad. wenachend, veriangend. Wliby-washy (wierth-woaj-th), a. benzelach• tig, Meth'. —, e. wiejewasje, 'mutating.

This active collaboration between AEGEE and the European Commission and especially Domenico Lenarduzzi, Ministry of Public Education, allowed the approval of the Erasmus program in 1987. It became an integral part of the Socrates I (1994-1999) and Socrates programs II (2000-2006). Since 2007 it has become one of the elements of the Lifelong Learning Program (2007-2013).

Wat is Weegschaal Facebooks nieuwe digitale munt


E,xuation (egz-ust'juu), a. verbranding. Exuwlne (egz-joe'vi ee), e. pl. afwerpsels, overblij fsels, roast lidn, Ey,. (ayes), a. nestvalk. Eye (aj'), a. oog; gezieht, aanblik; oplettendheld; gat; maas; steek; knop. with an —to, met het oog op. with the naked —, met hat hloote cog. —, r. a. beziehtigen; naoogen, —ball, oogappel. —bec;,m, blik. —bite, v. a. met den blik bedwingen. —bright, oogentroost. — brow, wenkbrauw. —drop, tenon. —flap, oogklep. —glance, blik. honk. —glass, oogglar; lorgnet. --hole, oogholte. —lash, ooghaartje, crimper. —let, oogje; liebtgat. neetelgat. —lid, ooglid, —offending, oorkwetsend. —pleasing, oogbekoread. —salve, oogralt. —servant, oogendienear. —service, oogendienst. —shot, bilk. —sight. gezieht. --sore, oogzeer; doorn in bet oog. —spotted, met sages geteekend. —string, oogzenuw. —tooth, oogtand. —wales', oogwater. —wink, oogwenk. —witness, ooggetuige. —less, R. blind. —r, s. naooger, toelonker. —a, a. bell. • Eyot. Zie Alt. Eyre (ter), a. rondtrekkend gereehtshof. Eyry (ee rib), a. nest (van roofvogela).
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

Heeft ethereum een ​​limiet


266 ken. the narrow — a, het engeleche kennel. — action, zeegevecht. — anemone, zsenetel. — bunk, zeeoever; seedjjk.—bar,zeezwaluw. — battle, zeeclog. — bathed, dour de zee beepoeld. — beast, seernormer. — beat, — beaten, door de zee geteisterd — bee., zeebrems •—belt, seegrhs. — bind-weed, zeewinde. — blubber, seenetei, kwal. — board, a. zeekust; ad, zeewaarts. — boat, zeesehip. — born, door he are voortgeb racht;op zee geboren —bound, door ele zee begrened. — boy scheepsjongen. — breach, inbreking van he zee. — bread, scheepsbesehult. — breaks, El. branding. — breeze, zeewind. — brief, zeebrief. — built, voor de zee gebound, — burning, (hit) doen stranden (van eon echip). — cabbage, — cafe, gladde zeetooi. — calf, zeekalf, rob. — campion, zeelijmkruid. — cap, schippersmuts. — captain, seheepskepitein — card, windrooe. — carp, zeekarper — cask, zoeton. — cat, hondsbaai. — celandine. sehelkruid. — chart, zee kaart. — circled. door he zee ingesloten . —coal, ateenkool. — coast, zeekast — rob, seemeruw. — cork, zeehaan. — cock - roach,; zeeduizendbeer. —co/ewort, zeekool. —compass, zeekompaa. — coot, zeedulyel. — cow, seeker, we1rus. — cot, zeespin. — daffodil, zeelelie. —damaged, door zeewater heschedied. — dog, zeehoed rob. — dotterel, zeeklerit. — drag, zeebeslog (ttan echepen). — dragon, zee iraak --drake, zee kra ai seedend. — eagle. zeeurend. — ear, zeeeor, —eel, zeeeal — egg, zeedi. ,engagement, zeegevecht. —expression, ze,mansnitdrukking. —fairy, zeenimf. —fans, pi. zee. mos — facer, zeevaarder. — faring, zeevarend, —fencible, kustw achter. —fennel , zeevenkel seetileg. —fish, zeevtvch. —forces, p1. seemacht. —fowl, zeevogel — gage, — gauge„diepganie. — garland, zeebloem. — gate, hoite tussekea twee golves. — girdle, seespons. — girt, door he zee onrringd. —god, zeegod. —gown, sehipperept. — grape, zeebies. —grass. zeeeres. — green, a. zeegenes; a. steenbreke. —gudgeoa,seegrnudel. gull, zeemeee w. — hare, kieuw worm. — hedge - hog, zeeeget. — hen, zen corn. — hog, bruinvisch. —holly, hraakdiatel. onbewoond eilond. — horse, zee-, nijtpaard. --lacee, pl. zeedreden. —/ampeg, geoote zuiger. — langazge, zeenaanstaal. — lead, dieplood. — leek, seeajuin. — legs, p1. zee'eoeten. — letter, seheepspaapoort. — latucee, wolfernelk. seel•euw, — loach, nijlerondel. —tongs, pi. seeachutm, zeelong. — loom, boutvleueel. — maid , Ineermie. —man , woman ; matrons. — manship, zeevaartkunde.—map,zeekaart.—niark, zeebaken. — martin, zees wal uw. — mew, zeenaeeuw. — monster, seeeionster. —moon, zeeeter, -mean — mos, koraelplant. — needle, zeen.ild• — nettle, seen•rei. —nymph, zeenimf. —oak, .teeelk , —officer, zeeolficier. —onion, zeeejuin. — ooze, zeemodder. — otter, zeeotter. —pad, zeester. --panther, zeepouter. --parrot, zee papeerai. — partridge, seepatrijs; tong. — pheasant, zeefezaat. —pie, zeeekster, -anip. — piece, zeestuk. — pool, zoui,e. — port, zeshaven —pudding, zeenetel. seeheurn. — purslain , etriakrnelde. — quadrant. Jaeobestaf. — quince, zeebal. — risk, zeegevaer, — robber, zeeiuover. --rocket, zeere.ket. — room, ratite zee, — rover, zeeroover. — ruff. zeebrasem. — rush, zeebies. — salt, zeezout. — samphire, zee-
crumble) down; to rush in upon; to relapse, I esvlecht en, ov. w. to interlace, to intertwine. Invliegen, on. w. to fly in, — into. —ing, v. crumbling down; downfall; relapse. lnWilatten, on. w. to flow in, — into. Instonwen, ov. w. to stow to, — into. 'natalMen, or. w. to stroke in, — into; on. w. InvlUen, ov. w. to arrange in. Invioed,m. influence; credit, interest. to sneak into. Insilco,' em, on. w. to flow in, — into; Wes —, Iostrnolon, ov. w. to strew in. to mention, to insert. —ing, v. flowing in, influx. Inetroomen, on. w. to stream in. Invluebten, on. w. to flee in, — into. Instructle, v. instruction, direction. Instrument, o. instrument, tool, engine; writ, Invoego, vw. so that. Invoeg en, ov. w. to add, to insert, to interwriting, deed. —maker, instrument-maker. calate. —leg, v. insertion, intercalation. —eel, Instulven, on. w. to rush (to fly, to bounce) in, o. addition, insertion; clause. — into. linvozr, m. importation, import. —kande!, imInsturen, on„ & on. w. to steer in, — into, port-trade. —recht, import-dury. —der, m. imInettswen, on. w, Zielnstemween. porter; introducer. —en, ov. w. to; import; to Insullen, on. v. to side in.— into. introduce. —ing, v. importation; introduction. Intend en, ov. & on. w. to indent: to catch, Invoig en, ov. w. to follow, to comply with, to tooth (in), —ing, v. indentation; catching. to gratify. —log, v compliance, indulgence. Intappen, or. w, to draw (to pour) in. Inteeken mar, m. —minter, v. subscriber. —en, Invorder ear, m. claimer, dunner. —Dna, by. on. w. to subscribe (op, to). — IVO, list of sub- due, claimable. — en, or. w. to demand, to claim; to gather, to collect. v. demanding. scription. —prije, price of subscription. —ing. a. subscription. Incv laoirnuiw nganco, lolevc. twio.% fold in — inward. Integendoel, vw. on the contrary . Interen, on. w. to spend, to love; on. w. to fret, luvret en. on w. to corrode, to fret, to eat in. — log, v. corrosion. to waste away, to be consumed, to diminish; to Invuli en, or. w. to fill up ; to insert, —tag, v. be in a declining; way in one 's affairs. Interest, m. interest. op — eetten, to put out at filling up ; insertion ; —slap, intercalary day. Inwaaien, ov. & on. w. to blow In, — into. interest. — op—, interest upon interest. Inwsturts, bw. inward, inwardly. —eh, hr. Intougel en , ov. w. die Nato omen. Inward. IntUds,bw. in (due) titre, timely. Inursteha en, ov. w. to welt for, to expect. Intillen, ov. w. to lift in, — into. —ing, v. waiting (for), expectation. Into/Alit, m. entrance, entry. Intoom an. on. w. to bridle, curb, to restrain. Inwarm, bv. very warm. Inwes3en, on. w. to grow in. —leg, v. bridling, curbing-, restraining Iv:waiter en, on. w. to be penetrated by water. Intotweren, or. w. to get in by witchcraft. to soak (to leak) through. --fog, v. soaking Intrappen, or. w. to break by treading (tram(leaking) through. pling) upon, Hatred a, v. entrance, entry; beginning. —en, Inweelksi, o. woof ; parenthesis. ov. w. to break by treading upon; on. w. to lnweeken, ov„ w. to soak. In wendlg, by. & bw. interior (-1y)„ internal (-Iy), enter; to begin. 'nitres', v. die Intrede. —Oiljef,—kaartje, ticket. inward (-Iy). —e, o, interior. Inswentei en, ov. w. to roll in, into, to involve. —prOs, entrance-money. lntrek, m. muching in; lodging. zijn semen, —ing, v. rolling in, involution. to put up (at). —ken, ov. w. to draw (to pun) InweTK en, on. w. to get (to work) in, — into. —lag, v. working in ; influence. in, — into; to involve (in); to Imbibe; to contract, to narrow; to revoke, to retract, to Inwerp en, or. w. to throw (to cast) in. — into; to break by throwing against ; to object. —kg, repeal, on. w. to march in, — Into, to enter; v. throwing in;• breaking; objection. —eel, 0. to shrink. —king, v. pulling in; imbibition; revwhat is thrown in; objection. ocation, retractation. Invitee, en, ov. w. to weave in, to interweave; Intulsorelen, on. w. to tumble in, — into. to insert. —ing, v. interweaving ; insertion. Intuesehen, hv. meanwhile. Inwkid en, ov. w. to inaugurate, to consecrate; Inveart, v. entrance. Invel. in. falling in, fall; irruption, inroad, to initiate. —ing. v. inauguration, consecration; Initiation ; —srede, inaugural epineh. invasion; thought, sally of wit, fancy, conceit. —fen, on. w. to fat! in; to rush in, to invade, Inwkik, v. inlet, creek, hithe, bay. —en, on, w. to bend inward ; to take shelter in. —lag, V. to make an inroad; to crumble down; to join; bending inward; retreating inwards. to fade, to rink, to occur to one 'a mind. Inveren, ov. w. to overtake; on. w. to sail in, Inwikkel en, on. w. to wrap up ; to involve; to entangle. --ing. v. wrapping up ; Involution, — into, to enter. involving ; entangling. Invaten, on. w. die Inkutpon, Inwfillig en, ov. w. to consent to, to acquiesce Invetten, on. w. to set, to enthuse. is ; to indulge with ; to grant. —ing, v. consent, Invegen, ov. w. to sweep in, — into. acquiescence, indulgence. Inventerls, m. inventory, list. —eeren, or. & Inwind en or. w. to wind (to wrap) up, to on. w. to inventory; to take an inventory. envelop. —leg, v. winding (wrapping) np, envelInvijlen, on. w. to file iu. opment. —eel, o. cover, envelope. Inviammen, ov. w. to damask, to damaskeen.
Bois-le-Doc (bat ah-!e-doek'), g. 's Hertogenbosch. Bologn a (bo-loon'ja), g. Boulogne. —ear (-jtez'), i. the —, de Bolognaezen. Bombay (bum-bee'),g, Bombay. Boniface (bon-i-fes'), m. Bonifacius, Boreas(bo'ri-ea), my. Boreas. Bosnia (boeni-e.), rt. Bosnie. Bosphorus (bos'fo-rus), g. the —, de Botphorus, Boston (bos'tun), g. Boston. Botany (bot'e-nih) Bay. g. Botany-baai. Bothnia (bath'ili et. g. Bothnie. Bouillon (boel-jong'), g. Bourbon (boer'hong, -bun), g. Bourbon. Brabant (breb'ent), g. Brabant. Brazil (bre-zIer), g. Brazilie, —ion (-zillen), a. Brazilisch. Bridget (brithrit), w. ;irigitta. Brighton (brajt'n), g. Brighton. Briagau g. Breiegau. Bristol (brislul), g. Bristol. Brit ain (brit'n).k. Brittanje. (-ten'ni-e), K. Brittannie. —annic (-en'nik), —isle, a. Brittannisch, Britsch; — Sea, Noordzee. —on ( - on), i. Brit. —tany (-to-nth), g. Bretagne. Brough (brut), g.Bcough. Brougham (broom, broom), m. Brougham. Bruges (hyoe'dzjIz), fr, Brugge. Brunawlek (brunewik), g. Brunswijk. Brussels (brus'idlz), g. Brusael. Brutus (broe'tus), m. Brutus. Buccieugh m. ljuccleugh. Buchanan (bjoe-ken'en), m. Buchanan. Bucharest (boe-ke-rest'), g. Bucharest. Buenos-Ayres (bwee'nus-arris), g. BuenosAyres. Bulgaria (bul-gee'ri-e). g, Bulgarije. Buivver (hoer w ttr), m. Bulwer. Bur gund lass (bur-gun'di.-en), a. Bourgondisch; I. Bourgondier. —y (buegun-dih), g. Bourgondie. Dural& bufsji-e), g. Bulgarkje. Byron (baj'urn), ut. Byron. By zanti an (biz en'sji-en), —ne (-lain), a. Byzan• g. Byzantium. tisch.
nought, coward, dastard. During, v. lasting, duration. Dark, na. sink, well. Darven, on. w. to dare. Das, bw. thus, in that way. —, aw. so, therefore. —danig, by. such; bw. thus, in such a manner. Dar, in. nap; slumber. vit den — helpen, to undeceive. een —je doers, to take a nap. —ten, on. w. to take a nap; to dote, to mope. —ter, in. doter, mope, reopus. Dour, m. duration, continuance, op den —, st the long run. Dour, by. dear, costly, expensive; solemn (ran een bw. dear, at a high price. —koop, be. eed). dear. —te, v. dearness, high price, dearth. Drsurznam, be. durable, lasting; strong; that wears well. —heid, v. durablenete, durability, lastingness. Dew, m. push, jog. —en, ov. w, to push, to jog. to press; to slip (into a. o. 's hand. Dweal,v. towel; shroud. — begrip, erroneous idea. —geest, wandering spirit; follower of erroneous opinions. —grend, Wee ground* —leer, false doctrine. —licht, ignis tattoos, jack-with-a•lantern, Will-o'-the-wisp. —pad, —spoor, —weg, wrong (erroneous) Neu; on een brengen, to lead astray, to lead into error, —eter, planet. —twin, labyrinth, maze. —§annig, erroneous, erring. —sinnigheld, erroneousness. Dwane, be. foolish (-ly), silly (-ily). m. fool. —hoofd, fool. —held, v. folly, foolishness. DwnI en, on. w. to err, to stray. to wander; to be mistaken. —er, m. wanderer. —kg, v. w and r ring; error, mintak.i. D Wang., m. constraint, compulsion, coercion. —arbe,d, compulsory labor; the galleys, penal servitude. —bevel, -warrant, writ. —bale, jacket.
Stip,' (sof', s, student in net tweede jaar. doen kltnken; blazentuitbazninen; peilen, loggen, sophIs m (sorizmi, s. drogrede, -4, -ter, s. 100ihert; v. rt, klinken, !calm], -ing, tt. kiln. drogredenaar, sophist. bend. s. peiling; -board, klankbord; zangbodem; Sophiatic (so•fietik), -al, a. -ally, ad. spits- dieplood; -line. lootiltin. -legs ft, (-ti-keet), v. ;ter - bediiegelijk. - ate (-lengz), pl. ankergrond; peiling, to loose - . vals,hen. -ate (4t.ket), a. vervalscht. -ation geen grond pellen; to strike grond peilen. (41-k,e'siun), a, N'emilsching. -star(-ti-kee-tur), -less, a. toonloos; peilloos; ondoorvandelijk. a. vervals , her. -71e88,, gaefheldi sterkte; juistheid; zuiverheid; grrondgebled. Sophistry (s0Mo-trill) ; a. valsehe rodeneering; Soup laoep), a. soap. - basin, terrine. aerenieg in de logien. S1,porif erous (sop-o•rit'ur-us), -ic a. slaal, Scour (sane), a. - ly, ad. zuur; bittensmarteltjk; knorrir, gemelijk. verwekkend. - ic, a sloapmiddel. roar. - trout, - krout, zuurkool. -faced, zuurz5lend. -gourd, apenboom. Soprano (su-pra'no), n, soprnon, bovenstem. Sorb (orb'), a. -apple, ,ogelbes. s. -tree, -gun, waterboom, -sop, getakte fle,sehenboom; sorbenboorn. more Appel, zuur stukje. -, V. a. & n. zuur (yeSoccer ez (sor'sur ur), s. toovertaar. -earl, a. melijkl msken !warden). -ish, a. zuurachtig. tooveres. -y, a. tuaaerij. -ress, a. zuurheld; bitterbeid; gerneliakheid. Sordid (snedid), a. -ly, gemeen, Source (Boors), s. bran; oorsprong. vuttheid; laagneld, Seance (Salta), a. petal; zult; neerschieting. -, a. snood. vrekkl, -nevi, v. a. pekelen, inzouten; indompelen; hevig stooeno , dheid; vrekk;glieid. a. demper. Sordine ten; v. n. nederochieten (down). -, ad. senazezr, pijnlijk; hevig; ge- klapr, , piotseiing. Stern- (soar'), a. & zepr; zweer; piP); South (south"), s,zuiden. - by east, raid ten oarvoeliK; ten. - by west, raid ten neaten. -, a. zuid-, vierjping here. -nest, s. pijnlijkheid; hevigheld, colder.- -pole, znider aspunt. -sea, zuldzee. liehtg,,taittheid. Sorner !saor'nur), s. indringer, ongennad gnat. Sotztli-ent.t (eauth-iestii, a. zuidoostsn. - erly, - ern, a. zuidowtclijk. Sororicide olo•rorl•sajd), a. zustermoordi zus- Soalit erly (suill'ur-lita). - ern, a, zuidelkik. termoorder. - ern - wood, everolt. - erner„ s. bewoner van hat Sorrel taor'rill, a. rot, rosachtig. - , s, roskieur; zuiden,•-ing (sauthleng), a. zuidelijke rlchting. vos (psont; wring. Sorel ray (aor'rii-Jih), ad. 'Lie Serry. - ness Sontbword (sauth'viurd), - 8 (•wardz), ad. ellendigheid. zuidwaarts. (-ri-neat'), Sorrow (sor'ro), s. droePh i t, hammer; iced- Soolb•went fsauth-went') a. zuidwesten. v. at. zich hedroeven, leedwemen ge - -ern, s. zuidwestelkjk. wezen. voelen (over). - fat, a. - fully, ad. ',en:1g, be - Sovereign. lauv'ur-ink a. - ly, ad. oppermachtig, s. opperheer. alonbeperkt, opperst, loogst, droetd. -fulness, n. trearigheid, bedroefdheid. leenbeerseher; souverein. - ty, a. oppetniaeht; -less, a. ounekornmerd. onbermrktheld. Sorry (sor'ritt', a. treurig, bedroefd tut. for. oft; ormzoli,:, I any (feel) - for it, het Sow (.11'1, s zeuir; pissehed; klomp, blok; tobbe. ellencir -baby, speenvarkeu. -bane, ganzenvoet !plant). split nail. -bread, varkeesbrood. -gelder, varkenelubber. S ort ,sort',., s.soort; oat* slog; wijze; Masse, rang, ganzendiatel. eenigermate. -pig, zeugbir. stand; rut, parr; Int, in some, S ow (Sc) ' [snared. 80WH, (sooni], v. a. & n. , niet wet ztio;Kellaelii! to be ant cf., zaalen, berseien; uitstrooien, bestrooien. - er, v. a. oncte,en; olcondereo, rorgsehink,n; verbinden; v. u. zich a, zanier; ultstrooier; aanatoker. zoeken, uitkiezen vern7nden, overeenkomen; pt.,sru; gebeuren, uit- Soy (an)), n. soja. vallen, skger, - able, a. to sorteereil. - ante, s. S41.4:7.10 (s0eZt), 8. abet, 810116. gepamtheid. Spnre (specs), e. rotate; tijdsbestek; epacie. s .1 ating. - ition Spit (spoil), u. a!gemeene cram voor bronnen van Sua'i ick miveraal water, bodplants. a. aau,Azing: door bet lot. - anent, S. sorteering, Specious (spee'sjusy, a. - ly, ad. tuba, assorttment. S00.4 (noon;; v. n. aehteloos gaan mitten. uitgestrekt. - ness. s. uitgestrektheid. Sot (sW), s. oat; - , v. a. verdooven.' Spnridle (soed'd1), a. schopje, apatel. vevatornp n; v. at.cieb beauipen. - tisk ,a. Spade (speed' ►, 13. spade, bebop; sehoppen; gead. mot. darn; besehottken. -tidiness, c. zothele.; diet. -bone, sehouderblad -tut, (eeno) be-•chunkentieid. spade-vol. -, v. a. & n. spitten, omspitten. s. onderaardsche waterleiding. Spndle,00s !ape di'j'ua). a. lichtrood. SOUgh Soul s. ziel. -bell, doodklok -eheer:ng„ S1,4.11111, (spe-dir!, s. sehoppenass. s - comforting, hartverheffend. -felt, diep Hat fsped'cji-riotl, s. scheikundige. -mass, zielints; Allerzielen. -sick, zte.. new spehee, Spoilt (spee'hi, spn'hi), S. Spahl, dem great. -trouiile, zielsangst. -ed (soold), a, tarksehe ruiter. bezaeld. -leas, a. zi•lioo3, Spoil Ispaoll), a. sehouder; swum. (sounds', a. -ly, ad. gezond, rata; vast; Spelt (spaolt, a. spalt, steensoort). Malik, span (open'), a• span; ophouder, strop; boric Gtertr, kraehtig, duchtig, grondig. Keltud, toon; inktst..n; thehtuan.; road, zee- duty. -e/ean,kraakzindelijk.-counter,-farthing, engte. -board, klankbord; zangbodern. va.• i kuiltjesspei. -long, eene span lang. -new, splin-
breet), (• hicet-td), a. Irasci ble (aj- tes'sibl), a, op toopend, opvliegend. Invertebrate ongew erveld. —bility ( si-bil'it-tih), —bleneaa, 8. oploopendheid. Invest (in-vest' ► . v. a. kleeden, tooien; bevesti- Ire (ajr'), s. thorn, gramachap. fat , a. —fully, gen; bekleeden (with); berennen; beleggen(geld). ad. toornig, verbolgen. Iris (aj'ris). a. regenboog; zwaardlelie; ring om (-i-gib!), a. naspeurlijk. den oogappel. v. a. namporen, onderzoeken. —igation(-i-gee'sjun), s. nasporing; onderzoek. —igatire ( i-gee-tiv), Irk(iiirk"),v.a.ergeren,verdrieten.—some,a.-8,mtlY. a. nasporend, onderzoekend. —igator:(-i-gee-tur), ergerlijk, hlnderlijk. —sameness, s. ergerlijkheld, binderlijkheid. navorecher, onderzoeker. --tture (-i-tjoer), s. staafin-bezit-3telling, belecning. —ice, a. omringend, Iron (aj'urn), s. ijzer; strijkijzer. ijzer. cast —, giotijzer. smoothing —, plettjzer. insluitend. —meat, s. bleeding; bokleeding; be- sheet—, plaatijzer. white —, bilk, wrought —, renning; belegging; panel. gealagen user. —bar, ijzeren staaf. —bound, met Invetera cy ;in-vet'ur-e-sih), —teness (-et-I, a. ingeworteldheid. —te (-et), a. verouderd, inge• ijzeren banden. —chest, ijzeren geldkist. —clad, worteld. —tion (-ee'sjun), a. inworteling. met ijzer beslagen. —crow, breekijzer. —dross, —ly, ad. nijdig, slakken, ijzerechutm. —foundery, ijzergieterij. of Iavidiou5 (in-vidl-us), a. gunstig; ni,jd- (haat-) vtrwekkend. —nos, s. ha- —gape, draadmitat. —glimmer, ijzerglimmer• telkjisheid. — glue, ateenlijm. —grey, ijzerk1eurig. —hearted, Invigliance (in-vid'zji-lens), n. onwaakzaamheid. hardvochtig. —liquor, opgelost Uzerroest. —mill, Invignra te (in-vig'ureet), v. a, sterken, ver- ijzerhut. —monger, ijzerkooper. —mould, ijzersmet. —ore, ijzererts. —pin, spleetveer. —plate, (-ree'sjun), s. versterking. sterben. InvLnci ble (in-vin'aibl), a. —bly, ad. onover- plaattjzer, blik. —rod, rondijzer. —safe, brandbast. —sick, met verroest ijzerwerk. —stave, staaf—bleness, s. winnelijk. —bility onoverwinnelijkheid. ijzer. —ware, ijzerwaren. —wire, ijzerdraad. Invilola tile. (in-va•o.libl), a. --bly, ad. onschend- —work, ijzerwerk. —works, ijzergieterij. —wort, bane. —bility ( —bleness, s. on- ijzer-, glidkruid. —, a. ijzeren. v. a. strijken; boelen; met ijzer beslaan. —8, pl. boeiea. —y, schandbalrheid. —te (-let), a. ongeschouden. a. ijzerachtig; ijzeren. Invious (in'vi-us), a. ongehaand. —ness, s. onge- Iron teal (aj-ron'ikl), a. —ically, ad. ironisch, baandheid. niet lijm bestrijken. spottend. —y (arrun-ih), a. horde, spottermj. Invlscate (in-vis'sur-eet), v. a. voeden. Irradin nee (ir-ree'di-ens), —ncy,s.uitstraling; Inviscerate glans. —te (-et). a. bestraald, prijkend (with). Invimi bin (in-vig'ibl), a. —b/y, ad. ouzichtbaar. —te (-set), v. a. bestraien; versieren; v. n. stra—WW2/ (-i-bil'it tih), s. onzichtbaarheid. len. —tion (-ee'sjun), s. straling; b„estraling; verInvitation (in-vi-tee'sjun), n. uitnoodiging. lichting. Invit story (in-varte-tur-rih), a. uitnoodigend; s. ochtendzang. --e (-vajt'). v. a. & n. uitnoo- Irrational (ir-resrun-el), a. —ly, ad. otireielijk, digen (to); verlokkeu. —er, s. uitnoodigen• —in , onverstandig. —ity (-el'it-tih), s. onredelijkheid, onverstand. a. --jag/y, ad. uitnoodigend; (fig.) aanlokkehj• . Invoca te (in'vo-beet), v, a. in-, aanroepen. —tion Irreclaitna ble (ir-re-klrem'ib1), a. —bly, ad. onherroepelijk, onherstelbaar. (-kee'sjun), x. aanroeping; arneekbedo. Invoice (in'vojs), s, factuur, inkooprekening.Irreconcil able (ir-rek-un-sajl'ibl), a. —ably, —book, factuur-boek. —, v. a. factureeron, in I ad. onverzoenlijk; onvereenigbaar (to. with). —ableness s. onverzoenlkjkheid, onvereenigbaarfactuur brengen. held. —eel-saild), a. onverzoend. —iation Invoke (in-nook'), v. a. Rau-, inroepen. (-sii-i-ee'sjun), s. niet-verzoening. Involuutar y (in-vol'un-te-rili), a, —ily, ad. (•i-neas), a. Irrecovera ble (iY-re-kuv'ur-ibl), a. —bly, ad. ouvrijwillig, onwillekeurig. niet te herkrkjgen; onberstelbaar- —bleness, s. onvrij n ill igheid, onwillekeurigheid. Involu ted (in' vo-ljoe-tid), n. spiraalvormig naar onherstelbaarheid. binnen gerold. —tion (1joe-sjun), s. in•ikkeling; Irrecusablear-re-kjoe'zibil, a. ontegenzeggelijk. ombleedsel; verwikkeling; maehtsverheffing. Irvedeensable (tr-re-diem'ibl), a. —bly, ad. onInvolve (in-volv'), v. a. inwikkelen; in zich ahosbaar; niet vrij te koopen. irreducible (er-redjoe'sibl), a. onherleidbaar, sluiten; verwlkkelen. Invulnera ble (in-vurne-•ibl)," a. onkwPtabaar. onherstelbaar. —bility (-re-bil'it-tib), --bleness, s.oukwetsbaar- irrefraga bin Or-rei•re-gibl), a. —bly, ad. on-

ongehan de zuster. —speech, eerste redevoering. ftletjor (mee'dzjur). a. grooter; meerderjarig. s. grootere, oudere; meerderjarige; majoor. —sword, ongebruikt zwaard. —wort, maagden- ( do'mo), a. opperhofmeester. — general, krnid. —head, --hood, 8. ntaagdom, maagdelijk- generattl-majoor. —ity (me dzjor'it-tilt), a. meerhe'd. —like, —1Y, a, ma agdelijk; zedig. derheid; meerderjarigheid; mejoorsehap. (-1i-ness), a. maagdelijkheid; zedigheid. Mali (steel'), a. pantser, mane; brievenmaal, -post; Make meek'), a. vorm, gedaante, maaksel. —bate, twietstoker. —peace, vredeatiehter.—shiff, hulp;Tote; vlek. —coach, pootkar. —day, postdag• middel, uitweg. —weight, toetrift, doorelag. -, v. a. bepantseren. —able, a. per post to see- zenden. —ed, a. gevlekt. Make (meek) [made], v. a. maken, vervaardigen; s. verminking, verlamming; bedoen; bereiken; winnen; dragon. —account, stoat, (rceem'), Maim na(leeling, letoel, gebrekkigheid. v. a. ver- maken. — the best of', zich ten nutte maken; zich sehikken in. — a boast ef, poehen op. minken. —edness, a. verminktheid. — a fool of, vase den gek houden. — good, ver. Males (mien), a. (het) voornaaroste, hoofddeel; maoot; geweld; oceaan, •ereldzee; vaeteland; goeden; vervulljen. head, het hoefd bieden. pakmand; worp; weddensehap. in the —, over — land, land zlen. — a roes, een verlies lijden. het geheel. upon the —, ten laatste, ten elotte. — love, vrtjen. — war, oorlogen, (away) uit. den Main (meen'), a. voornaamete, hoofd-, —bedy, weir mime], (out) ultmsken; verklaren; uitvaargros (van een leger). —boom, zeilboom, giek. digen. (over) overdragen (up) vergoeden; op-, —bowline, grants boeglijn. —braces, groote bras- uitmaken; vol waken; aanvullen; toevouwen; sen. —business, hoofdzaak, .vak. —channel, groot- sluiten; beelechten; — one's mind, eon beeluit rust. —deck, hoofddek. —fear, groot kardeel. semen. v. n. gaan, zich begeven; zich aan-guard, hoofdw seta, —hatchway, groat luik. stellen. — light of, liebt tellen, gering achten. —keel, vaste keel, —land, vasteland. —lifts, — merry, zich vermaken. muchof, veel ophebgroote toppenant, —mast, gyrate mast. —post, ben met, week waken van. (after) volgen; seeachtersteven. —preventer- stay, groote loom 'gag. volgen. (against) tegen. nsdeelig zijn.(at) —sail, sehooverzeil, groot zeil. —sheet, groote gaan op. away) zich wegmaken. (away with) doorschool. —shrouds, pl. groot want. —slide, groote brengen; zich ontdoen van. (for) Melt begeven roar. sehulfepter. groote spriet. —stay, groote (op Melt wegpakken. (on) voortmaten. (up for) vergoeden, heretellen; inhalen.!(up to) toetreden stag, —stay-sail, groat stenge-stagzeil. —tack, groote hale. —tackle-pendent, hanger aan den (afgaan) op, naderen. (with) overeensternmen; zich bemoeien met. grooten moat. --top, groote mars. Zie beneden. Make less (meek'lesa), a. zonder wederga; zender —yard, groote ra. echtgenoat of vriend. —r, s. molter; sehepper. Main 1y (meenqih), ad. hoofdzakelijk, grooten- deels. —pernable (.pur.nibl), a. ale borg toe to Making (meek'ieng), s. (het) maken; rnaaksel. —iron, kalfaatijzer. laten. --pernor (-par.-our), 8. horg, borgtoeht. --prise (-prajz), a. vrijlating tegen borgeteiling; Malachite imere-keji,), a. malachiet. v, a. tegen borgstelling doen onts!aan. —swear Malady (mel'e-dill), s. ziekte. (-s weer) Bra], v. n. valech zweren. Malaga (mere-ee), a, Malaga-au ijn. /11 airlift-du (men-teen', v. a. handhaven, in stand ittlalandera (meren•durz), pl. kniegezwellen. houden; onderhauden; staande houden. —able, Malapert (mere-purt), a. —1y, ad. onbesehaamd, a. houdbaar, verdedigbaar. —er, a. handhaver; onbeeehoft. —ness, a. unbeechasmdheid. Malaxate ( me•leks'eet I, v. a. zeeht (week) maken. onderhouder; beweerder. Maintenanre (trieen'tn-ens), a. onderhoud; hand- Male (meel), a. mannelijk. —. a. mann etje. having, verdedigine. . Male (met - ) administration, a. slecht beheer. Maintop (meen'top), a. groote mars. —content (mel'-), a. mienoegde, ontevredene. —content (mel'.), —contented (-kun-tent'id), a. Maintop-gallant igerlent-), —mast, a. groote misnoegd, ontevreden. —contentedness, s. misleramsteng. —royal-mast s. groote bovenbram- noegdheid, ontevredenheid. sieng. —royal-sail, a grout bovenbramzeil. —royal- shrouds, pl. groot bovenbvarnstengewant, —royal- Male diction (mel•e•dik'sjon), a. vervloeking. yard, s, groote bovenbramra. —sail, a. groot —faction (-fek'sjun), a. wanbedrijf. —factor (-fekt'ur), 8. booadoener. bramzeil. — shrouds, pi. groat bramsteligewent. Male leaswace (mel-tle'zens), s. misdrijf, wan• —yard, a. groote bramra. bedr ijf. —formation (-fur-mee'sjun), s. slechte vorMaintop-mast (meen-top'mast), a. groote stews;. - shrouds, pl. grout stengewant. —stay-sail, s. ming. —practice (-prek'tis), s. kwade praktijk, groot stengeetagzell. onwettige daad. Maintop (tateen-top , ), —sail, a. grant n ► arszeil. Mftlevolen ce (me-lev'o-lens), a. I, waadwillig-suit-yard, a. groote topzeilra. —yard, groote heid, boosaardigheid. —t, a. —tly, ad.kwaadwilmarszeilra. lig, boosaardig. Main - try-Rmeen - traY - ) sail - gaff, a. etormgaf• Malice (merle), a. boos-, kwaadaardigheid, boos fel aan den grooten mast. opzet. to bear —, wrok koesteren. Main-yard (meen'jaard), a. groote ra. Malicious (me-lisj'us), a. —1y, ad. boosaardig, valseh. -ness, a. booaaardigheid. Maize (meet!, a. mays, backache tarwe. Majest is (me•dzjes'tik), —ical, a. —ically, ad. Malign (me-lajn"), a. —1y, ad, boosaardig,nijdig. majestueus, verheven. —lea/tress, a. (het) ma- —, v. a. benijden, benadeelen. jestucuse, verhevene. —y (medzres tih), a. ma• Malign aney Ime-lig'nen•sih), —ity, a, boos, jesteit, verhevenheid. kwaadatadIgheid, valsehheid, —ant, a. —antiy,

—tong, zit Flisetn•r. —er, m. —tier, v. coaxer, Fiuksch, be. clever, dexterous, expert. FLUT, Fluteliers, bw. presently, anon, by and by. fawner, wheedler, —er(i, v. coaxing, fawning. Fluureol, o. velvet. —bloem, amaranth. —boon, Floor, v. clot, giglot, dowdy. velvet-tree. —werker,velvet-weAver. —acklier, —en, Fivers, m. flap, blow, slap, be. & bw. phlegmatic be. velvet, velveted, velvety. Flagrone, o, phlegm, —tisch, o. weasel. (-ally). Fnlexen, on. w. Zie Flenters, in. me. Zie Flardera. Flap, v. mallet, infant's cap. non de — si,n, to Fnulk en, ov. w. to clip the wings to, to break, ion given (addicted) to drinking, —pen, no. w. to check, to stop. —big, v. clipping the wings, breaking, stoppage. Lie Fe pen. Footless', n. race. FierecUs, o. gout. Fleacle, v. bottle, flack, flacon. op flessehen trekkers, Foe, tew. fy t for shame ! to bottle. Leidsehe —, Leyden ar. op as — zips, Foel le, v. mace; foil, silvering. —'fa, ov. W. to foliate, to silver (over). to be ruined. —je, o. phial. Fileaseke lbak, ie, o. bottle-tray, -stand. —ebar. Fok, v. fore-tail; spectacles. —bebrav, fore-brace. stet, bottle-brush. —ebiater, —maker, bottle- —bentast, fore-matt. —keret, fore-yard. --barest, maker. —nbeider, bottle-cate. —nrek, bottle-rack, fore chain-wale. —keiehoot, fore-skeet. —kestag, ', Sets, be. faded, pale, pallid. —heid, v. paleness, fore-etey. —ksateng, fore-topmast. Fokit en, ay. w, to breed; on. w. to wear specpalildnses, pallidity. Fleur, m. bloom, prime; flourish; mirth. —, v.. taclee; to drop out, to stink off. —er, m. breeder. fishing-line. —en, on. w. to fish with a tine. —erif, v. breeding' of cattle. —ig, by flourishing, sprightly. —igeeid, v. flour- Foteu, ov. w. to handle, to paw; to vex, to tease, ishing et-ate, sprightliness. Foil nut, m. folio, folio-volume. —eeren, or. w. FIliellool en, ov. w. to cola, to fawn, to to page. —o, v. folio, page. wheedle, to cajole. —er, m. — afar, v. coaxer, Falter ear, in, torturer, tormentor. —en, ov. fawner, wheedler, cajole, —eri), v. coaxing, to torture, to torment. —bank, rack, torture. fawning, whue ;Mug, cajoling, instruments of torture, —jog, v. torture. Flak ken, or. & on. w. to gplees to patch, to Fontwel ee r, m. fumbler, rumple, —en, ov. w. cobble. --er, ra. piecer, pate, er ; caper ; ten — to fumble, to rumple. —ing, v. fumbling, Elwin, to cut capers. rumpling. Filkkoe en, on. w. to glitter, to sparkle, to Fundament, o. foundation, fundament; bum, arse. glare. —leht glittering light. —roar, finch, gilt- tering fire. —ing, v. glittering, eparkiing, glimpse. Fonds, o, fund, stork, capital. —en, ma. stocks. public funds; capital. Fllketer, v. Zie Flakker. Flank, be. & bw. clever (-ly), brisk (-1y), lively; Tonkel en, on. w. to sparkle. —nieuw, bran-new, spick-and•span new. —ing, v. sparkling. very well . Fontein, v. fountain, well. —oder. fountain-head. Fitts, m. dart, arrow. Flodder, in. dirt, mire. —bleed, loose garment. —bask, —Lane, basin of a fountain. —bale, —boo, stacking that hangs down upon the heals; pipe of a fountain. —water, spring-water. sloven, slut. —natie, fougade. —weer, slut. —meta, FonttseCI, v. fontanel., issue. loos cap. --roe, sloven- --en, on. w. to dangle, Fool, v. fee, veils, drink-money. Fop peso, ov. w. to cheat, to mock, to hoax, to to flap; to bungle; to splash trough the mire, quiz. —per, m. —ester, v. cheater, wag. pert), v. Floers, o, crape; veil, shadow. Flonker en, on. w. to sparkle, to twinkle, to cheating, banter. glare. --Licht, sparkling light, luminary, —ater, Fort.l, v. trout. v. sparkling, Formant, o. form, size. —repel, stamp, twinkling star; luminary. Fortune!, be. & bw. formal (-ly). twinkling, glare. o. ferret. —garen, fer- Formeer der, m, former. —en, ov w. to form. Floret, a. foil, floret. —ing, v. formation. ret-thread. —tint, ferret-ribbon. —side, ferret- Forum' e, v. formula. —ier, o. form, formulary; Bilk. fiere•-silk. —ten, be. ferret. —gebed, formulary-prayer. FlorLJn, m. florin, Fornsie, o. furnace; kitchen-range. F10118, v. pretext, shift. Forsch, bv. & bw. robust (-1y), stout (-1y); %tern Flonw, v. snipe -net. Fiala", v. phlegm. —aohtig, be. pltaitous, phleg- (-1y), harsh (-1y). —held, v. robustness, stoutness; sternness-, harshness. made. —en, on. w. to expte.torate. Fluileter tsar, in. —aarster, v. whisperer. —ex, Fore, o. fort, fortress. ov. & on. w. to whisper. —ing, v. whispering, Fortuln, v- & o. fortune. --roeker,fortuue-hunter, adventurer. whisper. foselle. Fl v. fine, de — fawn, Gp de — opelen, to Foselel., by. & o. testa, site. v. forage. —ageeren, on. w. to forage. play the flute —does, •—baker, flute-box, Mite- Four —ier, m, forager, quarter master. case. —olas, long necked glass. --eehle, flute. Font, v. fault, mistake, blunder. sender —, —spa, flutirre. —sprier, flute-player, fluter. —en, & on. W. to clay on t•e flute, to whistle; out, fail. certainly. —ief, bv. faulty. to hiss; to sing (van vogels). —er, m. 'whistler. Frani. by. & bw. handsome (-1y), pretty (-fly), fine (-1y). —had, v. handsomeness, prettiness, —je, o, whistle. beauty, —tjes, be. prettily, nicely. bar. Immediately, quickly.  

Hoe kan je de mijne Monero op een laptop


EXC —EXO. Excommunica to (eks-kurn-Injoe'ni-keet), v. a. In den ban doen. —tion (-kee'sjun), s. ultbanning; kerkban. Excorin te (eks-ko'ri-eet), v. a. ontvellen. —tion (-ee'sjun), 8. ontvelling. Excorticati on (eks-kor-ti-kee'sjun), a. ontbasting. Excreate (eks'kri eel), v. a. uitrochelen, opgeven. Excrement (ekalre-ment), s, uitwerpsel, drekatof. —al (-ment'el), —itious (-tisj'us), a. drekachtig. Exerescen cn (eks kres'aens), a. uitwas, knobbel. —t, a. uitgroeiend. Exert te (eks-kriet'), v. a. ontlasten,afscheiden. —tion (-krbe'sjun), s. ontlasting; uitwernsel. —tive (eka"kre-) —tory (eks'kre ), s. afscheidend, out lastend. Exeruela to (eks-kroe'sji-cet), v. a. folteren. (-ee'eju•), a. foltering. Exeubation (eks-kjoe-bee'sjun), a. (het) nachtbroken, nachtwaking. Exeu1pa ble (eks-kurpibl), a. verschoonbaar. —te (-pect), v. a. rechtvaardigen. —tion (- pee'sj an), a. reehtvaardiging. —tory ( pe-tur-rih), a. reekvaardigend. Excu4s Ion (eks-kur'ajun), e, uitstapje; uitweiding, etrooptocht. —ive, a. —ively, ad, zwer vend, afwtlkend. Excus able (eks-kjoez'ibl), a. —ably, ad. verschoonbaar. --ableness. a. verschoonbaarheid. —atory (-ze-tur-rih), a. verontschuldigend. —e •kjoes'), s. verontschuldiging, verschooning, —e -kloer), v. e. ontschuldigen; verscLoonen, outleffen, (from). —elms, (-kjoes'less), a. ouveruehoonlijk. —cr, a, verontachuldiger. Excels') (eks-kus'), v. h. in beslag nemen. —ien (-sjun), a. gerechtelijk beslag. Execra bin (eks'e-kribl), a. —Up, ad. verfoeielijk. —te (-kreet), v. a. verfoeien; vervloeken. —tion (-kree'sjun), s. vervloeking. Esteem te (eks'e-kjoet), v. a. verrichten, uitvoeren; ter dood brengen. —ter, s. uitvoerder. —lion(kjoe' ajun), a. verrichting, uitvoering; strafoefening. —tioner (-kjoe'sjun.ur), e. scherprechter. Execut lye (egz-ek'joe-tiv), a. uitvoerend; s. ult. voerend bewind. —or, 43. bocdelredder. —orship, s. executeurschap. —ory, a. uitvoerbaar, Exego sis s. uitlegging, verkIaring. —tical(-ctsjet'ikl) a. uitleggend, verklarend t Exempl ar (egz-em'pler), 8, voorbeeld. (egz'em-ple-r11-11h), ad. —ary (egz'em-ple-rib), a. voorbeeldig. —ariness (ege'em-ple-ri-ness), a. voorbeeldIgheld. Hfication (-p)i-fi -kee'sjun), 8. ophelderIng (door voorbeeld); afschrift; navolging. —ifier (•pli-faj-ur), s. verklaarder (door voorbeeld; afsehrijver. — ify (- pli-faj), v. a. door voorbeelden verklaren; afechrilven. Exempt (egz emt'), a. ontheven, vrijgesteld, v. a. ontheffen, vrijstellen, (front). —ion (-em'sjun), s. vrijetelling, vrijdom. Exequi al (egz-F-kwI-el, a. eene lijkplechtigheid betreffend. --en (eks'e-kwiez), 8. lijkplechtigheid. Exercise (eks'ur-sajz), 8. oefening, uitoefening; lichasms- krijgo-, godsdienstoefening. v. a. g oefenen; beoefenen; uitoefenen; gebruiken; v. 8. etch oefenen. — r, ts. oefevinar; uitoefenen,
a. schoolmeestersplak. —er (paam'ur), a. pelgrim; —worm, tramps. —etto (-met'to), s.dwerg-, pruimpalm. —iferous (-nairar-us), a. palmdragend. —iped (-mi-ped), a. met zwemvliezen; a. z w emvogel. —inter( min tur), s. handkij ker. —istry (-min-trih), a. handkijkerij. —y (paam'ih), a. palmrijk; bloeiend, voorspoedlg. Pulp (pelp'), a. voelhoren. —bly, ad. taatbaar, duiPalpa ble (pel'pibl), -bility (-pe-bil'it-tih), —bleness, a. testbaarheid. —ton (--pee'sjun), a. betasting. Palpita te (pel'pt-teen, v. n. kloppen. —tion (-tee'sjun), a. klapping. Palograve (paolegreev), s. paltsgraaf. Pals foal (paol'zikl), —led (-zid), a. door eene beroerte getroffen; verlamd. —y, s. beroerte; verlamtning. —, v. a. verlammen. Pal ter fplortur), v. n. onoprecht handelen, draaien, nit vlucb ten zoeken. —terer, s. arglistige, draaier. (-triness), s. armzaligheid, verachtelijkheid. —try (-trih), a. avn;zaltg, nietig. Pally (pee'lih), a. bleek. Pam (pem), a. klaveren-boar. Pamper (penepur), v. a. vetmesten; vertroetelen. —ed .(-purd), a. overvol; weelderig. —ing, s. 'weelderigheid. Pamphlet (pem'flitl, s. vlugsehrift, brochure. s. schrijver van vlugsehriften. —eer Pan (pen'), 8. pan. ash—,aschpot. —cake, pannehock. —cover, pandekael. —tile, dak-, nok-, gootpan. —, v. a, samenvoegen. Panacea (pen-e-si'e), a. algemeen geneeamiddel; krachtwortel. Panado (pe-nee'do), s. broodpap. Pancart (pen'kaart), s. toltarief. Pancratic , pen-kret'ik), a. uitmuntend in lichaamsoefeningen; vlug, stark. Pancreas (pen'kri-es), s. alvleeseh, zwezerik. —tic (.et'ik), a. den zwezerik betreffend. Pandects (pert'dekta). p1. pandecten. Pandetnic Ipen-dem'ikl, a. een geheel yolk betreffend, algemeen. v. a. kopPander (pen'dur), 8. koppelaar. pelen; v. b. voor koppelaar ospelen. —ism, a. koppelaarscbsp. Pandiculation (pen-dik-joe-lee'sjun), a. rekkerigbeid. Pane (peen'), a. glasruit, ruit. Pauegyr lc (pene-dzjir'ik), a. lofrede. —ie, —iced (-ikl), a. prijzend t lovend. —ist a. lofredenaar. —ice (pen'e-dzjir-ajz), v. a. prijzen, eene lofrede houden op. Panel (pen'il), 8. paneel; rooster (lbst) der gezworenen. —, v. a. met paneelen makers. Paneless (peen'less), a. zonder ruiten. Pang (peng), 8. faltering, benauwdheid. —, v. a. folteren, kwellen, benauwen. Panic (pen'ik), a. plotseling, paniach. —, a. pantache schrik. Panicle (pen'ikl), s. trosje,ristaar. Pannade (pen-need"), s. boogsprong. Pan n age (pen'niciaj), s.zwijnen-, boschvoer; meatrecht. Pannel (pen'nil), a. boerenzadel; krop van een , valk. Pannier (pen'jur), s. pak-, draagmand.
'67 'tering. —ship, echip aan lij. —shore, la)5crwal. —side, lijbotard. —tackle, ziggijn. —tide, tij order den wind. —way, wreak, availing. L.zech (lleter), a. bloedraiger; arts; zeilli)k; zie Leach. —craft, heelkunde. —line, noklordiee. —tining, stootlap . —owl, schuifuit. —rope, e tea nd lijk. —worm, bloedzaiger. Leek (liet), E. look. Leer (lier), a. look, glaring. —, v. a. toelc.nken; v. n. lonken, gluren (on, upon). Lees (lies), pl. droasem, moer, grondsop. • (liet'), a. ondergereehtshof. —, —day, melts dig. Leeward (lielwurd), e,. & ad. aan lij, to lijwaart. Left (left'), a. linkerzijde. —, a. linkseh, linker-. —handed, a. linksch, onhandig.. Leg (leg), a. been; poot; boutje; bulging. Legacy (leg'e-eih), a. legaat. —hunting, a. (hen vleien in de hoop op een legaat. Legal (lrgel), a. —ly, ad. wettelijk, wetttfc.—ity (le gerit-tih), —ness, a. wettigheid. (-ajc), v. a. wettigen, bekrachtigen. Legat ary (leg'e-te-rih), —ea (- lie'), s. legataris, —e (-etl, s. gezant; afgezaut van den haul, legaat. —eship (-et.), a. legaatsehap. —ins (-tajn), a. vets, een' legaat of gezant. —ion (le-gee'ejun), e. gezantschap. —or (le• gee'tur), e. erflater. Legend rt. legende, eprookje; otn-, randsehrift. —ory (led'zjin.de.rih), a. fabeiachtig; a. legendeuboek; -verteller, L eger (ledzeur), a. blijvend, vast. —, e. grantbook; legger. grootboek. —demean (-demeen'), a. goochelarij. —ity (le-dzjer'it•tih), a. vlugheid, behendigheid. Legg ed (le, ,a1), a, met beenen of ponies. —ing (leg'gieng) s. beenlakleeding. Lag! Isle (ledzjnbl), ' a. —bly, ad. leeebaar. —bility (-i-bil'it-tih), —bleness,s.leesbaarheid. Legion (li'dzjun), a. legioen. —ary, a. van een legioen; talrljk; a. legioenasoldaat. Leglsla te (ledzria-leet), v, n. wetter ;;even. —lion (-lee'sjun), s. wetgeving. —tire, so. wetga'vend. —tor, s. wetgever. —lure (-liver), a. wetgevende macht. LegItImft cy a. wettigheid, echtheid. —te, a. —tely, ad.(-met-), wettig,cebt. —te (-meet), v. a. wettigen, eehten. —lion (-wee , sjun), s, wettiging, echting. Legunt a (lerjoem), a. peulvrucht. —ittous gjoe'mi-nu. ․ ), a. peulendragend, van peulvruchten. Leisure (li'zjoer, a, ledige tijd. at —, op zijn gemak. —hours., sdpperuren. —ly, a. & ad. betlaard (langzaam) verricht; op zijn gemak. Leman (li'men), s. liefste, beminde. Lemming (lem'miengl, s. sabeldier. Lemon (lem'un), R. citroen; citroenboom. --peel, citroenschll. —squeezers, citroenpers. —tree, citroenhoom. —adc (.eed'), s. limonade. Lend (lend') [lent], v. a. leer en; verleenen. —able, a. leenbasr; Nerleenhaar, --er, s leeeer; uitleener; verleener. Length (lengths'), a. lettere; afetAnd. full —, levensgrootte. at —, eindelkjk. in — e!f time, met der tijd. --en, v, a. verlengen; v, t,. lenge, omen.
The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed] 

r cryptogeld memes


BIJ Y.—BIN. with; to occur (to), to come into one 's mind. —lathes, o. my. by profits, perquisites, rails. 1lUvoeg en, ov. w. to add, to join, to subjoin, to annex. —end, by. adding, annexing; subjunctive, conjunctive. —ing , v. addition. ha. additional, conjunctive; — naamwoord,a , Ijective —eel, o, annex, supplement, appendix. H&lVoet, m. mug-wort. BUwegen, m. by-coach, extra-coach. BUweg, m. by-road, by-path. BUwerk.o. by-work, by-job; orr t. Bliworpen, or. w. to throw to, to odd. HU wenen, o prevents. HU vs, kjf, o concubine. —*chap, o. concubinage. 1113w1J1en, bw. Fometinite, now end then. Illiwon en, ov. w. to cohabit (to lie) with; to be present at, to assist at, to attend. —ee. m. neighbor.. inmate; stander-by, person present. --tag, v, cohabitation; presence. & bw. adIlkiwoord, o. adverb. verbial (-1y). 111,1znak v. by -matter, secondary thing, incident. BUzet, m. stake. —geld, stake. —ten, ov. w. to place (to put) near; to stake; to inter, to _en(tile zetten tomb; to heave out, to unfurl fern —, to clap on all the vale, to enOrrd Pell; to do one's utmost, to leave no stone unturned. Illanlend, by. mope-eyed, purblind. —held, v. myopy, nurblindnees. BUzUn, o. presence. 11,J.Itt, v. concubine, mistress. —ten. on. w, to sit near, — next to. —ter, m. ,weever. —tersehap, o. aasessorship. BUzon, v. mock-sun, parheli on. BUzunder, by. & bw. separate (-1y); particular (-1y), peculiar (-1y). special (-iv); private (-(y); singular (-Iy), eminent (-1y). la het —, particularly, especially; privately. —held, v. parti. cularity. Bikkel, m. cockal, hnekle-bone. —en, on. w. to play at cockals, — at buckle bones. —spa, game at huckle-bones. Ink ken, ov. w. to pick; to eat. —homer, pick. —*teen, brick-dust, grit. nil, v. buttock; ramp. —naad, perineum. —naadsleek, puncture. —stub, round of beet. —len, v. my. buttocks, bum; door de — lappen, to spend wantonly, to squander. 1311Jert, o. eene portij —, a game of billiards. —6a,t, billiard-ball. -longer, marker. —*pet, billiard.. —stok, stiet, cue. —cab, hazard. —en, on. w. to ploy at billiards. 11111Jet, o. bill, billet, note, handbill, ticket; billet for quarter. BI1Joen,o. base coin. B11 len, ov. w. to notch, to sharpen. —homer, —fixer, pick. by. & bw, equitable (-bly), just (-Iy); reasonable (-bly). —en, ov. w. to approve, to justify. —erte4ee, bw. Zie 1131111Jk. v equity; reasonableness. —he'debatre, bw. for equity's sake. —ing, v. approbation. 111111oen,o. billion. 1111zenUruld, 0. hen-bane. Bind en, ov. w, to hind, to tie. —garen, —tome,

Waar kan ik ruilen Bitcoins voor contant geld

×