Concede (kun-sied'), v. a. toeotasn, inwilligen, v. a. toegeveu. Conceit (kun-siet, 1 ), a. gedaehte, begrip, inval, rneenIng; wan, inbeeldiug. / am out of — 'with it, tk heb er been behogen meer in. —, v. a. denken; wane.. —ed, a. —clip, ad. gemaakt,ingebeeld. verwaand. —edness, s. gemaaktheid, lic(tdunkendheid. —kris, a. Kedaehteloos, onbezonnen. ConceIv able (kun-aiev'ibl), a. —ably, ad. begrijpelijk, denkbaar. —ableness, a. begrijpelijkheid. —e, v. a. ontvangen; begrijpen, bevroeden, ititdeuken, opvatten; an affection for one, genegenheid voor iemand opvatteu. —, v. a. manger worden; een begrip hebben. Concent (kun-sent'), 8. samenklank; overeenstemming. —rate (-treet), —re, v. a. in een middelpunt samentrekken. —re, v. n. zich in een middelpunt vereenigen. —ration (-tree'sjun), a. bijeentrekking. —ric, —rival, R. eenmiddeipuntie. . —ricity s. eenmiddelpuntigheid. —ual (-joe-el). a. harmonisch. Concept acle (ku,sep'tikl), q. ontvanger, vergaarhak. —ible, a verataanbaar. a. ontvangents; begrip, bevatting; denkbeeld; ontwerp. —ice, a. ontvankelijk; vruchtbaar. Concern (kun-surn'), a. zaak, aangelegenheid; § handelszaak; belong, Kewicht; onrust, zorg. I have . — with it, ik heb er Diet mede te maken. —, v. a. betreffen; aandoen, bekommerd maken. —ed, a. betrokken, gewikkeld, belanghebbend; bezorgd, bekommerd, (about. at. for. in. with). —edly, ad. met belangstelling. prp. aangaande. —meat, 8. zaak; belangstelling, deelneming, bezorgdheid; belang; ijver. Concert (kon'surt), a. overeenstem ming, afapreak; concert by —, eenparig. in —, met gemeen overleg. Concert (kuu-curt'), v. a. beramen, overleggen; v. n. beraadalagen. —ative, a. twistziek. COUCCSS Ion (kun-aes'sjun), a. bewilliging, vergunning. —ionary, a. iugewilligd. —ive, a. —ively, ad. inwilligead. Conch (kongk'), B. zeeschelp. —ite (-kajt), a. verateende aehelp. —aid (-kojd), s. spiraallijn. —oloyy (kun-kol'ud-zjih), a. schelpkunan. ConcIlla te (kun-sil'i-eet), v. a. verzoenen; verwerven. —lion (-i-ee'sjun), a. verzoeuing; verwerving. —tor, a. verzoener. —tory (-je-tur-rib), a. verzoenend, bemiddelend. Concla e (kuu-sajs'), a, —ely, ad. beknopt, bondig. —eness, a. beknoptheid. —ion (kun-siz' zjun), a. afsnijding; bekorting.. ConeltatIon (kon-si-tee'sjun), s. opruiing, aanhitaing. ConclavnatIon (kong-kle-mee'sjun), a. gejuich. Conclave. (kong'kleev), s. afgeeloten kamer; kardinaalsvergadering. Conclude (kun-kloed'), v. a. bepalen, beslissen; eindigen; v. n. afleiden. Conclu dent (kun.kloe'dent), a. beslisaend. —der, a. beslisser, besluiter. —ding, a. beslissend, besluitend. —sion ( zjun), a. besluit, gevolgtrekking; uitkomat. —sive, a. —sively, ad. besluitend, besliasend; afdoend. --siveness, a. bondigheid, beslissenabeid.
291 STU —SUB. rend; t)verig in; bedacht op. to be —, zich be- Subalmoner (sub-a'mun-ur), a. onderaalmoeiiveren. —ly, ad. aandachtig; zormldig, zanier. —nese, a. leergierigheld; vlijt, tjver. Subaltern (sub'el-turn), a. ondergeachikt. —, a. ondergeschikte. —ate, a. —ately, ad. (-turn'et-), Study (stud'ih), a. studie; nadenken: studeerkabeurtelingsch; bettrtelings. —atm. (-ee'ajun), mer. in a brown —, in diep gepeins; droefgeestig. a. afwisseling; ondergeschiktheid. —, v. a. beetudeeren; navorechen; bepeinzen; v. Subaqueous (sub ee'kwi'us), a. cinder bet water. n. etudeeren• trachtea, zich bellveren. Stuff (stuff'),' f. etof; vulsel; menasel, artseni); Subastral (eub-es'trell, a. aardsch. prullen, vodden, tuig; smeer; gereedechap; hoofd- Pi...tile: ►unter (sub- atjaant'ur), a. ondervoor :anger.. saak. —, v. a. opvullen, volstoppen ((up); v. n. Subcommittee (sub-kom-mit'tie), a. subcomsick vole toppen. —ing, a. opvulling; opvttleel. missie. Stultify (stuPti-faj), v. a. gab dwaas maken. Stum (atom), a. most. —, v. a. laten gluten; ma- Subcutaneous) (sub-kjoe-tea'ni-u0, a. onder de huld aanwezig. velen. Subdeacon (sub-dritn), a. onderdiaken. —ry, Stambi a (etum-bi), a. atrulkeling. —e, v. a. doen atruikelen; belemmeren; aanstoot geven; v. n. —ship, a. onderdiakensehap. struikelen; (at) sich etoren tan, zich ergeren Subdean (sub•dien'), a. onderdeken. —ery, a. over; (upon) aantreffen, bij toeval vindeu. —er, waardIgheid (ambt van onderdeken. u. onderafgevaara. strutkelaar. —ing, a. strulkeling; --block, Subdeagate —stone, eteen des aanstoots; struikelblok. digd. —, a. onderafgevaardigde. (-geet), v. a. voor een ander, afvaardigeu. Stump (stomp'), a. stomp, stronk. —orator, volksredenaar. —, v. a. atknotten; verlegen Subdltitioua (sub-di•tisrus), a. ondergeseboven. maken; v. n. plump stappen; zwetsen. —a, pl. Saabdiversity (sub-cli-vnral-fajl, v. a. btj herhaling veranderen: vermenigvuldigen. beenen. —y, a. vol atronken; kort en dik. Subdivi de (sub-di-vajd'), v. a. & n. in olderat• Stun (stun), v. a. bedwelmen; verdooven. deelingen splitsen (geuplitat zijn). —sion (visj'• Stunt (stunt). v. a. in den groel belemmeren. un), a. onderafdeeling. Stupe (stjoep), a. betdoekja; betting. —, v. a. Subduable (sub-djoe,ibl), a. ten onder to brtnbetten. gen, to onderdrukken. Stupefact loss (etjoe-pe fek'ajuu), a. bedwel. ming, verdooving; Nerbazing; ontsteltenis. —ire, Subdue a (sub-djoes'), —t (-dukt'), v. a. wege nemen, onttrekken; attrekken. —tion (-duk'ejun),. a. bedwelmend, verdoovend; verbazend; a. bes. aft rekking. dwelmend middel. Shape( ler (stoe'pe•faj-ur), a. verdoover; ver- Subdue (sub-djoe'), v. a. tea Louder brengen, bazer; verdoovend middel. —y (-raj), v. a. ver- onderwerpen; bedwingen. —r, a. onderwerper; bedwingee, onderdrukker. douven. bedwelmen; verbazen. (-djoe'p(i-k3t), Stupendous (atjoe•pen'dus), a. —ly, ad. ver- Subdupl e, (sub'djoepl), a half. —e, e. helft. bazend. Stupid (stjoe'pid). a. —ly, ad. dam, but. lotep. Scriber ate (ejoe'bur et), a. karktuutsout. —ic (-ber'ik), a. kurkzuur. —ity (-pid'it-t1h), —nest, 0. domheid, botheid. Stupor (etjoe'per), a. verdooving, gevoelloos- Subhastation (sub-hes-tee'ejun), s. openbare (gerecbtelijke) verkooping. held; verbazing. Stupra to (atjoe'preet). v. a. verkrachten. —tion Subludication (sub-in-dl-kte'sjun), a. (-preetijun), 8. verkrachting. ding door teekens. Sturd ily (atuedil-lih), ad. —y, a. forach, ate- Subitaneous(aub-i-tea'nl-us), a. plotseling. vie; stout, driest; hardnekkig; onbeschaamd. Subjacent (en b. dzjee'sent), a. ouderliggend. —lases (-di-noes), a. forschheld; stoutheid, hard- Subject (sub'dzjekt), a. onderwerpen, onderdantg, onderhevig (to). —, a. onderdasn; ondernekkigheid; onbeschaamdheld. warp. — (-dsjekt"), v. a. onderwerpen, verpiichSturgeon (sturd'zjun), a. steur. ten, blootatellen, (to). —ion (-dajek'sjun). a. onStutter (stut'tur), a. geetotter. —, v. n. stotteren. —er, 0. stotteraar. derwerping. —ire, a. —ively, ad. (-dzjekteiv.), onderw cepa! ij k, subjectisf. Sty, Stye WO, a. varkenshok; zwijnenboel; atrontje aau het oog). —, v. a. in een varkens- Subjoin (sub'dzjojn', v. a. toe-, btjvoegen. Subjuga to (anb'dzjoe-gset). v. a. ten onder kot opsiulten. (onder bet jok) brengen. —Non (-see'sjun), r. Stygian (stid-zjl-en), a. helach. 13tyl a (stajr)., s. ett)1; trant; wijse; titel, benaonderwerping. ming; edit, griffel, natild; — of court. kanselartj- Subjunction (sub.dzjungk'ejun), a. blj-, aan. attli. —e, v. a. noemen, betitelen. —lab, a. pronvoeging. —tire, a. aangeaoegd, aanvoegend, a. aanvoegende wijs. kend, nieuwmodisch, fatterig. Styptic (stip'tikl, a. &s. bloedetelpend (middel). Sublation (sub-lee'ejun), e. wegneming. Sublet (sub-let'; [irr.], v. a. onderverburen. Suable lajoe'ibl), a. vervolgbaar in recbten. Sue elan (aweezjun), a. overreding. --sire (-ale), Sublevation (sub-le vee'ajun1, s. ophetling. Sublieutenant (sub-liv-ten'ent), s. onderint. —sort/ (-cur rib), a. overredend. Suavity (swev'it•tih), a. lielelijkheid. tenant. Sublina able (eub•lejleibl), a. sublimeerbaar. Subacid (sub-send), a. zuurachtig. —ate (ittb'11-met), a. geaublimeerd; a. sublimeet. Substation (sub-ek'eJon), a. (bet) ten onder bran—ate (eubli.meet), v. a. embltineeren; verheffen; gen; smelting.
Patti (puff' , a. geblaas; hail; rukwin ,i; poecierpoeder bestroolen. 1,,aat; chef, pot; boyish; opvijzeling, blot', none i Poottce (pjoe'mis), a. pelinsteen. -out (-miar us), — boll, --fist, boviat. —paste, loch gebak. a. puimateena•:htig. T. a. ophYazen, opgeblazen Pomp (pump, '), s. pomp; danssehoen. forcing -, — atone, tutateen. ,aken, np:ijzelen, (op). (away) w,gbiazen, vet persporop. - bolt, pompbout. -bore, hart eenec driven. (up) °darn. -, v. n. blazen, btgen: pomp. --borer, achulpboor. -brake, pompgek. zwellen; vnreven; zeer bedroetd zijn. away. off) ) cistern, pomphak. -dale, pompdaal. -gear, Tomptoentel.. -handle, pomuslinger. -hot,k,poznpweganellen. by) vaorbijituiven. -er, e. blazer, snnever; opjager. -iness, a. opgeblazenheid; win batik. -hose, manilering. -knife, knipmes. -roost,

Hoe krijg je crypto op KuCoin


Om aan de vergadering te kunnen deelnemen, moeten de aandeelhouders, indien hun aandelen aan toonder luiden of het gedematerialiseerde aandelen zijn, deze ten minste vijf werkdagen vóór de voor de vergadering vastgestelde datum deponeren ten maatschappelijken zetel of ze inschrijven op rekening bij een erkende instelling; indien hun aandelen op naam luiden, moeten de aandeelhouders ten minste vijf werkdagen vóór de datum van de vergadering in het register van de aandelen op naam van de vennootschap ingeschreven zijn en, met inachtneming van dezelfde termijn, de vennootschap schriftelijk in kennis stellen van hun voornemen aan die vergadering deel te nemen, met vermelding van het aantal aandelen waarvoor ze opkomen. solvay.com
514 thaw alternately ; to languish, to be sickly ; to gabble. —winter, open (inconstant) winter. —nickte. indisposition. —ig, by. sickly, lingering, languishing. Kwakken, ov. w. to hurl, to dash, to fling; on. w. to plump (down); to spew'. Kveakzalv ere, on. w. to quack. —er, m. quack. —ern, v. quackery. Kneel, s, sea•nettle. Kvvallea, on. w. to whine, to cant. KsvalUk, be. bad, wrong; ill, sick, squeamish. - bw. ill, wrongly; hardly, scarcely. — semen. to take ill, — amiss. —pealed, ill-intentioned. —evert. adversity, misfortune. —Acid, v. sickness, squeamishness Kavnim, pan. thick vapor, smoke, reek. —en, on. w. to smoke, to reek. Kwal ster, m. spawi. —boom, wild ash-tree. —en, on. w. to epawl. Kevensei arm en. —aerate,. v. trucker, barterer. —acAtig, be. fond of trucking —art, v. truck• ing, bartering —en, on. w. to truck. to barter. Kvviteueulle, be. as if, as it were. Kwant, m. fellow, blade, chap. Kweps, be. ill, unwell. Kvvarrel, m. any thing wrinkled together. —achtig, —ig, by. bv. wrinkled. Kwert, o. fourth (part), quarter. —flesch, half a pint. —gulden, fourth part of a graldet. Kwartael, o. quarter. Kwarteel, o. quarter of a hogshead. Kwareel, nit. quail. —.)eentje, —iluitje, bird-call, cat-call. Kwortior, o. quarter (or an hour, etc.); district; lodging, quartering; quarters; peen — gores, to give no quarter, — no mercy. —dap, assembly of a district. —weaker, one that prepares quarters. —tweeter, quarter-master. —svergadering, assembly of a district. Kwartljn, m. quarto. Kawarts, es, quartz. —achtig, by. quartsy. Kevaesiehout, o. quassia. IK waist, m. brush; pencil; knot; tuft, tassel; fop, coxcomb. Kwastorlg, be. foppish. —Acid, v. foppery, foppishness. Kwastig, be. knotty. —Acid, v. knottiness. Kwee, v. quince —appal, quince. —boom, quincetree. —doren, herberry-bush. —peer, quince-pear. Kwesk, v. dog 's grass. —, m. breed. Kwookeling. wn. & v. pupil, Kweek en, or. W. to cherish, to nourish; to foster ; to rear, to raise, to bring up, to cultivate. —hof, —tide, nursery. —school, seminary. -- erg. v. nursery. o. growth. Kweel eta, or. & ow. w. to warble, to chirp; on. w. to languis t, to pine away. —tje, o. little spot, — warbling. litWeeva, v. barren cow ; barren woman ; hermaphrodite. Kress, v. hand-mill, quern. Kuroest on, on. w. to woo. —er, m. wooer. —erij , v. wooing. Kwoken, Kwokkon, on. w. Zia Kwakon. ltiwolnobtag, by, vexatious, annoying.
BUaettesiven, ov, & on. w. to shove to, to approach. m. coition. —, rxi. & v. bed-fallow. —liter, v. bed-fellow, concubine. m. bedlikigiap en, on. w. to copulate. — v. copulation. fellow. BUsteepers, ev. w. to drag to. Ilkj4mank, tn. tang, tinge, aftertaste. HUrtinlitan,ov. w. to throw to, to odd. B Ut10101, y. odd money. Blispreak, v. motto, inscription; metaphor. BUspring en, ov. w. to assist, to aid, to succor. —er, rn. succorer. —lag, v. v. assisting, succoring. 111Ustann, 07. W. to freest, to succor, to support, to hack. Militant% no. aesietance, succor, support, relief. —er, tn. assistant, supporter. IBUsiell en, no. w. to add, to join, —ing, v. adding; apposition. 81,14terf, bv.. confused, troubled, at a loss. het spoor — , out of the way, astray; out, wrong. —, bw. extremely, sadly. —nis,.y. confusion, perplexit y. Dv. crazy. —zinnigkeid, v. craziness. BLit, v. gap. —hatter, gap-maker. nehttg, by. biting, mordacious. —achtigheid, v. mordacity, --en, on w. to bite; op de tandem —, to grind the teeth. —tnidelei, corrosive. —end, by. biting, sharp, acrid, tort, sorcostic; corrosive. —er, in. biter; tooth. de, bw. betimes, timely, in due time. ▪ wind-fall;:approbo1111Jv nil, in. ae.indentol] tiou, applause. --fen, on. w. to fall to, to side

RET—RHE. 255 Retrench (re-trentan, v. a. afsntjcien; beanoelen, dee% ommekeer; keerzijde. —e, v. a. omkeereti; vernietigen. —ed, a. —edly, ad. omgekeerd, ave. beperken; verecheneen, v. n. sick bekrimose. rcchts. —eless, a. onomstooteltjk. —ely, ad. om. —meat, a. bcsnoeing, beperking; bekrimpinin gckeerd. —ible, a vernietigbear. —ion (-ajun), verschansing. Retribute (re-trib'joet), v. a. terugbetalen; vers. omkeering; terugvalling, (recht van) opvolging, ionary (-8„ina-e-rih), a. terugkeerend. gelden. —tins (ret-rc-bj e'sju n), a. terugbetaling; vergelding. —tory, a. terugbetalend; ver- Revert (re-vurt'), a. herhaling. —, v. a. veran• deren; omkeeren; terugkaatsen; v. as terugkeeren, geldend. terugvallen. —ible, a. terugvallend, weder over Iletriev able (re-trievlb1), a herstelbaar. —e. te gaan. —lee, a. veranderend, omkeerend. v. a. herstellen; terngbekomen; terugbrengen. Iletroaet (ri'tro-ekt), v. n. terugwerken. —inn Revery (re'vur-rih), a. Zie Reverie. (-ek'sjuu), a. terugwerking. —ive (-ekt'tv), a. te- Revert (re-vest'; , v. a. weder bekleeden. —iary A-e.rthi, a. kieedkamer, aacriatij. rugwerkend. Retrocession (rl-tro-sesrun), a. terugwijking. Reviction (re-vik'sjun), a. herieving. Retrograd alien (ret-ro-gre-dee'sjun). a. tereg - Revictual (ri-vit'1), v. n. wader van levenamiddeleu voorzien. gang, terugwijking —e (reero.greed), a. achterReview (re-vjoel, a. herziening, overzicht; ultgaand; v. n. terugtreden, achterult gaan. wapenschouwing, monstering; beoordeeling, re Retrogression (ret-ro-gresj'un), a. teruggang, cenaie. —, v. a herzien, overzien; in oogenachouw terugwijking. nenen, mouderen; beoordecien. —al, a. recensie. Retrospect (ret'ru-spekt). a. tetugblik. —ion —er., a. onderzoeker; recensent. (-spek'sjor), a. (het) tetugzien. —ive (-spelit'iv), Revile (re-vajle), v. a. amaden, beschimpen.—ment, a. terugziend. a. beschimping. —r, a. schimper, beachimper. Retrude (re-treed'), v. a. terugstooten. Reefs al (ra-vajz'el), a. herziening. —e, a. her. Retund (re-tund'), v. a. stomp waken. ziening; revisie. —e, v. a. herzien; revideeren, Return (re-turn'). a. terugkeer, -komst; terug—er, a. herziener; corrector. —ion (.vizyun), a, geve, zending; overmaking, remise; vergeiding; herziening; revisie. —it (-vieit), v. a. weder be• voordeel; verwiaseling, opvolging; ouzel; terugzoeken. , ailing, instorting; bericht, vets) ag; retourvracht. by — of mail, per ommegaande. in —, daartegen. Rev's, al (re-vajv'el), a. herieving. —e, v. a doen herieeen, verlevendigen; opwekicen; ver. —, v. a. teruegeven, -zenden; beantwoorden; nteuwen; weder in heriunering brengen; v. n. gelden; berichten; — thadcs, dank betuigen. v. n. herlevern tot de vorige gednante terngkeeren. terugkeeren, -komen; ant', .rden. —able, a. —er, a. verlevendiger; opwekker; opwekking. terug te geven, te zenden. —er, a. terugzenRevlsff icate (r•viv'if-i-keet), —y (-raj), v. a. der; oeermaker. doen herleven; verleve•digen. —ication (-kee'Reunion (ri-joeniun), s hereeuiging. ejun), a. wederopwekking. Reunite (ri-joe-najt' e v. a. hereenigen; verzoeRevora ble (rev'o-k1b1), a. herroepelijk. —tienen; v. n, weder bteen komen. nes*, a. herroepeltjk. —te (-keeti, v. a. herrnepen. Reveal (re-viel'), y r a. epenbaren; ontdekken. lion (-kee'sjun), a. herroeping. —er, a. openbaarder, ontdekker. Revel (reel!), a. luidruchtig vermeak. —rout, Revoke (re•voor), v. a herroepen; intrekken, oprozrige hoop; luidruct.tigverneaak (re-vel'), opheffen; afzweren; beteugelen; v. n. verzaken (in 't kaertspel). v. a. terugtrekken. —, v. n. rinkeirooier, bragger, —ler, a. rinkeirooier. —ry, s. luidruchtig Revolt (re-vot ), a steal, opstand, plichtverzuim. —, v. a. in opstand brengen; op de vlucht varmaak; brasserij. slaan; v. n. in opstand komen; afvallen (from). Revelation (rev-e-lee'sjun), a. openbaring. Revenge (re-vender). a. wreak, vergelding —er, a. opatandeling; afvallige. —iag, a,. stuiv. a. wren en (of. on. upon). —ful, a. —fully, ad. tend (to). wraakgietig. —fulness, a. wraakzuctlit, —a, a. llevotation (rev-o ljoe'ejun, s. omdraaling, =loop; omweuteling. —ary, a. omwentelingawreker. Revenue (rev'e-njoe), a, inkomatea. — cutter, gezinci. —lot, a. omwentelingageainde. —ire (-ajz), ee a. omverwerpen; eene omwenteling bewer• a. wachtacbip. Reverberant (re-vueburent), a. weerkaatsend. ken in. —te (-eat), v. a. terugkaatsen; v. n. weerkast- Revoiv e (re-volv'), v. a. &n. omwente1en, omdraMen; overienken; terugvallen, — ency, a. ge. sen; weergalmen. —tion (-ee'sjun), n. terugkaet. durige omwenteling. —er, a. revolver-pistool. sing. —tory (-e-tur-rth), a. terugkaatsend; a. I ilevoinit (ri-vom'it), v. R. weder ultbraken. reverbereeroven. Retails ion (re vul'sjun), a. afvoering, efleiding Revere (re-vier''). v. a. eeren, vereeren. (der rochten). —ive, a. afvoerend, afdrtjvend. Reve•en cc (rev'ur-ens), a. eerbied; eerbetoon; bulging; eerwaardigheid. —ce, v. a. eerbiedigen. Reward (re-waord''), s, belooning. vergeldiug. —, v. a. beloonen, vergelden. —able, a. beloon—car, a. vereerder. —d, a. eerwaardig. —t, a. bear. —er, a. belooner. —fly, ad. —fiat, a. —tially, ad. (-en'ajel-.), earReword (ri-wurd'), v. a. woordelijk herhalen. Hever er (re-vier'ur), s. vereerder. —ie (rev-ur- klibachltis (re-kartiz), a. engelache alekte. lRhapsod Ica' (rep-eod'ikl), a' onsamenhangend, ie'), a. mij ► nerIng, droomerij. saarngeraapt. —y (rep-eo-dih), a. eamenraapael. Revers al (re-vurisel), a. veranderend; vernietlgend; a. veraudering; vernietIging. —e, a. tegen- Rheniab (rien'isj), a. rijirsch. —. a. rijnerijn,
Panoply (pen'o-plih), a. volledige wapenrusting. Pnracen teals (per.e-sen-ti'sia), s. buiksteek (ter aftapping van het water). —tric ( sen"trik), a. Panorama (pen-o ree'me), a panorama. van het middelpunt afwijkend. Pansy (pen'zill., a. driekleurig viooltje. Pant (paant'), s. hartklvpping. --, v. n. kloppen. Parachronisin (pe rek'ro-nizm), a. misalag in de tijdrekening. beven, hij pen; (after. for) hunkeren, verlangen Parachute (per- e-sjoet.'), a. valscherm. near. Pantaloon (pen.te.loen'), a. hansworst. — 8 Paraclete (per'e-kliet), a. trooater. Parade (ee-reedn, s. praalvertoon, pronk; afwe{-loenz"), pl. (lenge) brook. Pant ar (paant'ur). a. hijger; net. —ess, a. kort- ring; parade; paradeplaats. —, v. a. pronkea met; ademigheid (van valken). parade laten oaken; afweren; v. rt. vertoon maPantile lam (pen'thi-ism ►, F. pan theismus. —ist, ken; optrekken; parade maken. a. pantheist. -on (-thi'un), 8. pantheon, goden. Paradigm tper'e-dim), a. voorbeeld. the fool'. —, Paradis a (per'e-daja), s. paradijs; tempel. Luilekkerland. —kcal (-di-saj'ikl), a. paradijsPanther (pm'thur), a. panter. Pantile (pen'taajl), a. dakpan. Paradox (per'e-doka), s. wonderspreut. —teal, Pantie". (pent'lur). s. hof-, broodmeester. a. —ically, ad. (-doks'ikl.),wonderepreuhig. —ical?mitotic (pen-toefl'), a. pantoffel. Panto graph (pen'to-gref),s.teekenaap. —graphy nets (-dokeikl-), a. achijastr‘jdigheid. s. het gebra iten van den teekenaap. Paradrome (per'e-droorn), a. onovardekte gang. (-tog're —meter (-torn'i-tur), a. almeter. —mime (.Thajg), $, Pa•age (per' sclzj), a. geltj kheid. gebarenspel, pantomime; pantomimist. —mimic Paragog e (per-e-goodzj'), s. woordverlenging. —teal (-god' zjik-), a. woordverlengend. (-mim'ik), a. pantomirnisch Paragon n per'e-gunl, a. model, voorbeeld; matPantom (pen'tun), a. —shoe. pantoffelijzer. ter. —, v. a. vergelijken. evenaren; v. n. wedijvePantry (pen'trilt), a. provisiekamer, -kast. ren. Panurgy (pen'nr-dzjiW, a. bekwaamheid in alles. Paragram (per'e-grem), a. woordspeling. Pap (pep'), s. tepel; pap; vleesch cyan vruehten). Paragraph (per'e•grefi, a, parairraaf; -teeken. —, v. a. met pap voeden —ic, —teal, a. —ically, ad. (-grerik-)., in (bij' paPapa (pe-pa'), a. p , pa, Pap acy (pee'pe-sih), a. patiqdc.m ; psusschap. —a/ rag', fen of afdeelingen. Paraliellon (per-e. Wit un).. a, bijzen. (-Pei), a. pauselijk. Farall poetic (per-el-lek'tik), a. parallactisch. us), R. papavera chug. Papaverouc (pe-pev'ur —ax (per'el-leks , , vorschilzicht (in den stand Papaw (pe pan'), a. meloenhoom; meloen. doe aterren), parallax. Paper (peep), a. pans. a, a. pa- Paraliei (per'et. lel), a. evenwildig, gelijk. Paper (pee'pur), s. papier; nieuvablad. evenwijdice ltjn; gelijkbeid; vergelijking. —, v. a. Pleren; licht, dun. —blurrer, papterverknoeier. evenwtjdig waken; overeenetemmen; vergelijken. book, schrijfboek. —credit, —board, natplank. —ism, a. evenwijdigheid; gelijkbeid. —ogram apier-, wisselkrediet. —currency, omloop van s. parallelogram. —opiped (-o-pay ' andelapapier. —faced, met era, dondsbleek ge- (.1el'o-grem), parallelepipedum. laat. —hanger, hebanger. — hangings, pl. karnerbe. Paralog lam, (p•rel'ud-zjizm), a. drogrede, valvlieger. —knifesvouw. banged!. —kite, (papieren) been. —maker, papier. , ker. —man, koopman in ache sluttrede. —ite(-zjajz), v. n. valsche gevolgtrekiiingen makes. schrijfbehoeften. —manufactory, pa pierfabriek.Parlay slit (pe-rel'i-sis), a. verlamming. —tic, paplermolen; archief van King ' s bench. —tical (per-e-litik.), R. verlamd. --se(per'e-laJ , ), —money, papieren geld. —office, staate-archief. op papier geatoken. —scull. dom. v. a. verlammen. —pins, spelden drukker (verkooper) van g'ekleurd Paramount (per'e-maauut), a. hoogst, opperat. top. —stainer, lord —, opperste leenpapier. —weights, brievendekker. --, v. a. in papier —, a• opperhoofd; leenheer. pakten; bebangen (met papier). hoer. moor (per'e-moeri, a. minnaar. boel; minvlinder. —naceous (-nee , Para Papal() nitres. —nymph (-nimf), a. bruidsjonker; verdedisjus). a vlinderachtlg. gee. —pet (-pet), a. ty.rrativering. PnpIllnry (pep'il-le-riW, a. tepelachtig. ravage. Poraph (per'ef n, 8. naamtrek, naamteeken. —t, (pee'pizrn), a. pausdom. Papis pau'geeind. —try Paraphernalia (per-e-fur-nee'li-e), pl. goetieren, a. zinde. —tical die uttalnitend aan de vrouw toebehooren. (-pie-trih), a. pausdom, paperij. a. pap- Paraphras e (per'e-freez), 8. omschrijving. —e, —y, (pep'pus), a. harig,wollig. OUB Pa pp v. a. omsebrijven; v. n. paraphrasen maken. —t aehtig; week, vieht. —tied (-freetik), a. Papul sac (peploe-li), pl. puistjes, huiduitslag. : (-frest), s. onischrijver. omschrijvend. —ass, a. puistig. Paraaang (per'e-seug), a. perzische mijl. Par (pear), a. gelijke waarde, part to beat (upon a) Paraselene (per-e-se-Iten'), a. bijmaan. gelijlz staan. Paraalt a (per'e-sajt), a. tafelsehuitner; weekerParable (per'ibl), a. gelijkenis. Pnraboll a (pe-reb'n-le), a. kegelanede. —ic, —teal plant. —Sc, ica/ (-sit'ilt.), a. tafelschuimend; — (per-e-bol'it), a. van eene geltkenis; van de plant, wilikernlant. door ge- Parasol (per'e-sol), s, sonnescberm, parasol. tegelanede. —ically (per-e•borik1-), ad.verhalev Paravall (per-e-vee1 1 ), a. achterleenrnertg , tenant B. likjkentesen; ale eene kegelsnede. aehterleenman. van gelijkenissen.
Cosine (ko'sajn), R. cosinus„ Cosmetic (kuz-met'ik), a. schoonheidbevorderend. —, a, sehoonheidsmiddel. Cosnaical (koz'inikl), a. —ly, ad. de wereld betreffend; met de zon op- en ondergaand. COSMO gony (kez-mog'un-nih), s, leer van het ontstaan der wereld. —grapher (ri fur), a. wereldbeschrijver. —graphic, (koz mo-grerik), —graphical, a. we. rel d be•chrij vend. —graphy ( re tih), a. wereldbenchrijvlog. —logy ( moructzjih), s. wereldkunde. —politan (koz mo poriten), —polite ( mop'o lait% s. wereldburger. Cossack (kos'seb), s. kozak. Cosset (kos'mit), s. buislam; !leveling. —. v. a. vertroetel Cost (kost'), s. prijs, kosten; verlies, schade; seheepsrib. — s, s. bastes: proaeskosten. —al,

I vuuraanbidder. I Fir a (faje), v. a. afvuren; afateken; in branasteken, aanvuren , aanhitsen (with). —, v- n. vuren, losbranden, (at, upon;. --er, s. afvuurder; brandstiehter. —ing, s. brandstof; (het) vuren; — iron, (fajn'), a. —ly, ad. lijn; seherp; ruiner; fielder; school', fraai; iteurig, net; praehtig,1 brandijzer (der boefsmeden). pronkerig; alien. — fingered, net ikunsiig)bewerkt. Firk (lurk), s. slag, klap. —, v. a. elaan, kas.—shaped,schoon gevormd. —spoken,welbespraakt; tijden. s. tijn- Firkin (fur'kin)„ a. kinnetje; vaatje. manzaarn. -spun, slim .erlegd. held; fraaiheid; loce,heid. —, v. a. vezfijnen, :Firm (furm), a. firma. Firma (fares'), a. --ly, ad. vast, heciata standvaszuiveren, lonteren. tie. ; vastberaden. --, v. a. vaststellen; beveatiFiitetiruw Liar.] v, a. uiteren (laken); gen. s. vastheid, heehtheid, standvasmecca. --er, a. lakenstoppe,; mazer. ; tigheid. Finer (fain'url, s. smelter, 'outer., Finery 9,fajn'ur-rth), s.pronkarij, opsebik; smelt- Firmament (fueme-ment), s. uitspar.sel. —at (-rnent'el), a. hemelsch. oven. First (burst'),ti.eerste,voursterroegste.—,adeeerst, Finesse (tfTes'), s. loosheid; list. ten eeetate. at —, aauvankolijk. —begotten, —born, Villager (fing'gur), a. vinger. to hare a' thing at —bousd,, a. cerstgeboren; a. eermtgeborene. --cost, inone's — s'end, tete. op zijn duimpie keowprn,. —cousin, voile neer nicht). —fruits, eteeravarert. man.a! )Utz cane vittol). reedschap.
WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Waar kan ik kopen goedkope Bitcoins


BAN.-BED. -brief:P. -coot, hank-note. -break, -breakig, sic Baukrost. -geld, bank-money. -header, banker; pawn-broker. -papier, paper-currency, -en, on. w. to feast; to atey; to gamb!e. lineolket, o. banquet, feast, entertainment; sweetmeats, junkets. -bakker, confectioner. -bakkerswicket, confectioner's shop. -eeren, on, w. to banquet, to feast. liouktrkr, m. booker. -skantoor, banking-house. -croak, banking- businefix. liankroet, o. bankruptcy. -, by. bankrupt. goon, slaan,to turn a bankrupt. Bann 'Hug, no. & v. Zie Belting. -en, ov..w. to banish, to exile; to exorcise; to trump --ing, v. banishment, exile; expulsion. liar, by. barren; rough, severe, nipping. Harok, v. barrack. liarboar. in. barbarian, - seA. by. & b w. barbarous (-ly). -sehheid, v. barbarity. B arbeel, m. barbel. liarbler, on. barber. --sknecht, barber's man. -minket, barber's hop. - en, ow. w. to share. Bard, m. bard, poet. -.gang, song of a bard. liordezaan, m. partisan halberd. Barer), ov. w. to bring forth. to bear; to create, to cause. o. child-birth. -snood, labor. -sweet., throes. nt. barrow, gelded hog. Burnie, v. barge. liargoonych, o. cant, slang, jargon. Hartseld, v. barrenness, roughneas. Baring, v. delivery, bringing forth; causing. Hark, a. bark; boat, lighter.

Wat zijn de belangrijkste cryptogeld beurzen


—er, no person thirty years of age. —jarig,-bv. of thirty years. —mast, bw. thirty times. —ste, bra. thirtieth. —tat, o. (number ot) thirty. Derven, ov. w. to miss, to lack, to be (to do) without. —er, m... deprived, bicker. —ing, v. want, lack, privation. Derwatretn, bw, thither. Dee, 1. of the. —, bw. — to meer, so much the more, the more so. Desirevesolgd, by. competent. Deelbevernot, ho. informed (aware) of it. Desert eaten, on. w. to detect, to run away. —ear, 111- deserter, run•.awsy. Derevelliks, bw. likewise. Desktiodiet, be. expert. —e, m. export.—en,rn. mv. jury of artists. Detenl-st tesgenstaande, —tenth), bw. neverthelees, potwithstsnding, for all that. Desnantln,bw• if need be. Destelant, be. desolate, insolvent; sir Rooth+ knnior. Deepoot., m. despot, tyrant. Ilestecrt, o. dessert bw. at that time. Deevs.ege, bor. therefore, on account of that. Detr iget, v, virtue; good riaskity; good. —liteend, loving virtue., virtuous. —rijk, etch in virtue. virtuous. by. & bw. virtuous (sly); valid I-1y), real (-1y), true, Cdy. —elijkhsid, v. virtuoneness; validity, retOity. —seam, be. virtuous, honamt; good, substantial; bw. virtuously honestly. —en tnihet,i, v. virtuousness, honesty; virtue, good quality. Dents sin, on. w. to be worth, to be good (for) niet —, to be good for nothing, not to do for. — niet, re. rascal, knave, rogue, good-for-nothing fellow. Lesoris, v. dent, bruise. —en, ov. w. to dent, to bruise. Unseat, m. tune, sone. tie, & bw. niggard ( - 1y), stingy ( - IY); close, by, near. —en, on. W. toeing. — h,i(t. v. id • gardline., stinginess. — tje, o. air, tune; het nude —, the on clo - y. bw. nigDaus-, v. doer, Rote. met de — in 't huts to blunder cut. met geenten —en, (in) private. root. de — staan, to be et band, to draw near. —hengsei, hinge. — ketting, door-chain. door-cssc. —klink. latch. —klopper, knocker. --knot', door.handle. —((jot, —roam, do:Jr-frame. —post, —stiff, deor•post, —slot, look of a door. — vleugel, fold. — waarder, usher, shcriff's officer, tits - .staff, bailiff. —wat.tter, porter. door-keeper. Desteekater, in. Chrostmafecake. de —, the deuce! DOUN fie:, tn. bung, spigot. — en, ov. w. to tap, to bung, to drew off. evties• o. device, motto, legend. Deavelke, vnw. who, IV hich, that. vw. bet'auoe, as, since. Daze, vnw. this ; me. these. Dezelfdte, vnw. the same, the very. ['laconic, v. poor's (undo; body of deacons. van vie trekken, to be upon the purl's', —kind, parish. child. Dindeent, m. diadem, tiara.
42f; BUI.—CAL Buitetssiogel, tn. outer-rampart. —vooge14, castellany. —create, astellan lady. —wal, rampart, canal. Buttensteande, bw. abroad Bulionolsalt en, ov. w. to exclude. —ing, v. Burigenseester,m.burgoniaster,mayor.—serosto, exnusion. mayoress. —10, bv. di bw. like a ourgomaster, Buteenspo , r1g, be. & bw. extravagant (-ly), consular. with authority. —eckap, o. office (digexorbitant (-1y), --hell, v. extravagance. nity) of a burgomaster. Burger, in. citizen, burgess, commoner- —deers, Bun taxisproing, KA. digression; false step. —doehter, —meisje, girl of the middle close. Bultenetston, un. w. to stand witbcut, to withdraw. —desspd, —tin, civic virtue, civism, public spirit. Bultenstakei, v. suburb. —draeht. —kleeding, dress of the middle class. —red, civic oath. —halt, house of a citizen. Bultenste, by, outmost, outermost. —, o. outOde. —jongen, boy of the middle class. —]shrews', wOman of the middle class. —hashes, Bli „rlte.saattlde, bw. out of season. kott, —pot, ordinary fare. —kind, child of the Bultearesel ar, m. gentleman-governor of tits general concerns of an hospital. middle class. —honing, citizen-king. ---tti)g, Bilittillita WILK, o. country-house, -seat. —oor/og, civil (intestine) wry. —kroon, civic Buitenwainria, bw, outward. crowns. —leven, private life. —lieden, citizens, people of the middle clans. —man, man of the filuitenwarbt, y. advanced guard, outguard. Buitensveg, rn. outer-road. middle class. sit, cotnmooer. —pliekt, citizen 'a Bullenwerk, o. outwork; tillage. —en, o. my. duty. —rectal, citizenship, civil law. —regeering, popular government, democracy. —school, cityoutwork,. —a, bw. without the clear. school. —stand, clasa of citizens, middle slats. niteuzUde, v. outside, exterior. Butter, m. freebooter. —trent, common-way. —trots, pride of the middle clays. —trouw, allegiance. —railer, father of aiukk en, on. w. to bow, to stoop; to submit. —log, v. stooping, submission. the citizens. burgomaster. —world, national Butts, V. nil,. —Loom, box, box tree. —kogel, guard, train-bands, —wet, civil law. —soon, son rifle-ball. —ectieter, of a citizen. —achtig, bv. citizenlike. —es, v. eitess. —, v. citizens. —49k, by. & bier. citizenBull, v. ball. like, civil; plain (-ly), common (.1y). —ackap, m. buil. —hood, bull-dog. —katf, bull-calf. v. citizens; o. eitizenabip. —oa, gelded bull, bullock. bug-bear. Burnie, v. barrow, baud-barrow. —lepeee, b til l's-pizz le. Bolder star, nn. blusterer. —en, on. w. to rage, Bus, v. box, urn; barrel, rifle, arquebuse. in de — Oaten, to pry (a fine), to come-down. —bewaarto bluster, to roar. —bast, m. blusterer, swearer, —ig, or. boiat,rous, blustering. —ing, v. raging, der, koeper of a box. —draper, box-carrier.—Pieter, gun-founder. arsenal.—hruit,gun-powder. blustering. —*stetter, reaster-gunner. —sclaieter, musketeer, Bunten, on. w. to low. to bellow. rifle-man. Buluter, v. bolate;, pillow, cushion. Bull, m. bunch, Minors boss, bump. —Popper, Bussed, an. Zie Bundel. —en, ov. w. to bundle ' to tie up into bundles. —rnaar, planisher. —os, bison. —sate, straw-bed. in. hump back, —acht4/, by, hump-backed, crook- But, v. bidon, can Butoasr, In. bittern. ed bv. bunchy, humpy, bonny. Buena', m. neighbor. —dochter,—Ineive,veighboring Hen it, v. trunk, lass. —jongen, neighboring lad. —kind, neighbor's m. bundle, truas; bottle; elleaf, fasces. child. —laeden, neighbors. —man, neighbor. iittudtar,o. hectare. —practje, neighborly chat, gossip. —vroato,neighlaunztrtg, un. bor. —akuis, neighboring house, next-door house unclit , Zie Burg. Buren, on. w. to visit one 's neighbors, to be —echo's, a. neighborhood; hamlet; good intelligence among neighbors. neighbors, to be ne!ghborly. Burg, In. borough, cattle, stronghold. citadel. Ber urrt, v, neigborhood; hamlet; ward, quarter. —bock, register of a ward. —briefje, notice to the —groat, burgrave, si , caunt. —groafeekap, burgravta te, yiscouotahip. —gravin, burg ravine, inhabitants of a ward. --hoer, gentleman of a hamlet. —tneester, warden; head of a hamlet. viacountess. —kook, dental. —mop!, castellsn.
SWO. —The. aenduidend; door kenteekenn. sterkste. —man, —amen (soordemen), krtjger, soldaat, —player, nchermer, vechter. —shell, Synagogue (aIn'e-gog), a. synagoge. Synchron al (aing'krun-e1)„ (-kron'ikl), steekblad. —stick, degenatok. —out, a. gelijktbdig. —ism, a. gelijktijdIgheid, Sworn (swoorn), a. betedlgd; gezworen; vet—ice, (-ajz ), v. n. gelijktijdlg zijn. trouwd. Sybaritic (nib.e-rieik), a. sybaritisch, wulpsch. Syucop ate, (sing'kup-eet). —ate, (ajz.)., v. a. Sycamore (sik'e•moor), s. plataanboom, wilde samentrekken. —e (-kup-ih), a. eamentrekking; flauwte. vijgeboorn. Sycophant (sik'o-fautl, a. vIeter, pluimetrtjker. Syndic (sin'dik), a. gemachtlgde; hootdman; Curator, syndikua. —ate, ( di-keet), v. a. veroor—it, (fent'll), a. vleiend, pluimstrtjtend. deelen; berispen. Gyliabite (11-leb-lk), —al, a. —ally, ad. letterSynod (aln'ud), a. kerkvergadering, synode. —al, grepig. —ic, ical (-od'ik-), a. k•inodal. a. 1ettergreep. --busye-bua), Synsx bie Synonym a (sin'o-nim), a. gelijkbeteekenend a. uittreksel, kort begrip. woord. (-on'i-majz), v. a. door synoniemen Syllog Ism (stinud-zjiem), a. aluttrede. —ist:ck, uitdrukken. —outs (•on'i-rcus), a. geltjkbeteeke—ital.?, a. —istically, ad. ( zjist'!k-), nend, aynonien, —y (-on'i-mih), a. geltjkhaid deck. —ire (-zjajz), v. n. sluitredenen maken van beteekenie. Sylph (silt'). a. luehtgeeet, nimt. —id, a. sylphide. Sylvan (eil'ven), a. hoechacht13; bosch•. a. Synop rtls (si nap'els), a. b ✓ knopt overzicht, kort begrip. —tical (Ala, a. aamengevat, een boachgod, eater; bosehbewoner. overzicht gevend. Symbol (atm"bul), a, kenteeken; nebeeld. --ie, —leaf, a. —leant+, ad. (-boi'lk-), zinnebeeldig. Synovy (sin-o'vih), a leawater. a- van de syntaxis (-ajz , , v. a. zinnebeeldig voorstellen; v. n. Sytet actical (tain-teetckl), of woordvoeging. —ado (aln'teks), a. syntax's, (in. with). overecheteknmen woordvoeging. Syaaanetr Ica1 (also-meerik1). a. trelijkmatig, —tic, Synthe Nis (sio'the-sic), a. samenstellIng. evenredig. —y, (aim-met'rik), o. gelijkmatIgheid, —tical a. —tically, ad. (-thet'tk..), eamenetellend, evenredigheid. verbindend. Sympathetic (taim-pa-thet'ik), a. —ally, ad. medegevoalend, deelnemend, in 't gehelm wer- SyrIng e, (eir'indzj), a. spuit. —e, v. a. spuiten„ inspulteu. —otoncy (-1ng•gut'um mih), s. kend. anode. S yan pat h Ire (sinfpe•thajz), v. n. medegevoelen, deelnemen, overeenetemmen. —y. a medegevoel, Syrup (air'up, s. airoop. stroop. System (sietim), a. ste)eel. —atic, —atical, a. dealnaming, verwantechap. —atically, ad. (-et'ik-) stelselmatig. —atist, Symphon lames Isim•fo'ni-ue), a. samenstem(-e-tilt —atiser (-e-taj• zur), a. steleelmaker. —atise mend, weiluidend. —y (aim'fun-ih), a. *amen(-e-tam.), v. a. tot een stelsel brengen, stelaeste mming, sy cn phonie. matig regelen. Symptom (eireturn), a verschijasel, kenteeken, ziektetecken. —atic, atical, a. —atically, ad. 298
ataan (in) ; levee (on, upon){ Wu; v000rtduren. veredale.. —anon (-it-inee'ejun), a. taublimeering; --ease, a. heathen; voortduring; lavemonderhoud. vernefling; 'veredeliog. —e, a. —ely. ad . hoog, —eat, a. beataand, stanwelig; inwonend. verheven; indrukwekkend; verrakt with ). —e, v. a. sublintaeren; opdrijven: veredelen. —tuts, Subsoil is .tin'acql), a. ondergrond. gubstanc• Isub'stans), a. zeltstandigheid; stet; —ity (Iini'it-tih), a. verhevenheid, voortreerelijk(het) wesenliike; t bet) vegan; kern; hootdbaheld. etanddeel; bootdinhaud; midAien, besitttng. Subifneation (sub-lin-i-ee'siun), a. onderatreSubatantt al isub•tensajell. a. —ally, ad. selfstand's; lieharnalijk, atofteliik; wezenlijk; hoardSal,Unwind (sob ling'gwel), a. dab onder de sakelijk; krachtig, vest, degeltic; welgeoteld. tong bevindeud. (•ajl-el'it-tih), —alnete, a. selfstandigheid: Subinner (eub-l aioe'ner), —y (subljoe-ne-rib), a. atoffelijkheld; wesenlijkheld; hoofdlakeltkheid; onderoiaansk. h. kracht, mulched. —ale (•8jels), pl. hootdpunten. Submarine sublne-rien'), a. onderseesoh. —ate (-ejl.eet), v. a. verwezenlijken; bewijien; Subneerise (sub •murdsp), v. a. ouderdompeleu; beveatigen. under water settee; v. n. onderduiken. S ablator.; a (cub mura';,v. a. Zie to Submerge. Substantive (subtaten-tiv), a. —ly, ad Whitendig. —, a. telfetandig naemwoord. — ion( juin), a. onderdorepeiing; overstrooming. Subtlelulls ter Isub-mtn'is-tur), —trate (-treet n, Substitu to, itnib'stigjoeti, a. plastagervanger; v. a. toedieneo; ve 8ehaffen; v. n. dienatig (be- surrogaat. —te, v. a. in de pleats ntellen van; ondereehulven. —Lion (-tjoe'sjun), a. plaataverlinipsatian) ziju. vanring; onderachuiving. S ub Oda& ion (sub-misfun). a. onderwerping, berusting, gelatenhaid. —ive, a. —ively, ad. (-male , S abstract (sub-atrekt'), v. a. Zie to Subtract. osiderdanig, ouderworpen, deernoadig. Subbtr uct ion (sub-struk'sjun), —ere (-strukt . —iveness, a. onderdauigheid, anderworpenheid, joer), a. onderbouw; grondslag. Subunit lye (sub .suit'iv), —ory, a. —ority, ad deemoeds opspringend, huppelend. SuI-AE.1f (sob-salt'), v. a. onderwerpen; overlaten Subtend (sub.tend'(, v. a. zich ultatrekken onder. (1.)); v. n. zich onderwerpen (to). Subordina cy (sub or'di.ne..8ih), a. onderge- Subtenn (oub-tens'), s. boogpeae. noixiktheid, onderhoorightid. —te, a. —tely, ad- Subterflu gat (sub-tarltoe ant), —ous.a. onder(•net-), ondergeszitIkt, onderhoorig. —te (-sect), door stroomend a. a. onderg.esthikt makes. —tins (-nee'sjun), a. Subterfuge (aub'tur-fjoedzj), e. nitvlueht, veerwended'. ondergersehlktheid; onderwerping; afklimming; Subterrane (sub-ter-reen'), a. onderaardsche lagere rang. gang, onderaardech gewelf. —an (-ree'nt-en), Suborn (sub-orn'), v. a. verleiden; ornkoopen. —ono (•rseini-us), a. onderaardsch. —er, (-nee'ejun),E. verleiding; onnkooping. —ation Subtil a (aub'till, a. —ely, ad. Ajn. dun, teeder; a. verleider; omkooper. aeherp. —sty til'it-tih), —*nett, a. iljn held, dunSuboyall (8ttb , o'vel), a. bijna eivormlg. held, teederheld; ae herpte. —ixation (-1-zee'oj an), Subpoena (sub-pine), a. dagreardieg (ceder a. vergunning, (het) vluebtig maken; haarklooetrafbedreiging). —, v. a. dagvaarden (wider verij. —Ise (-ajz), a, a. verdunnen, vittehtig wasteer bedreiging). ken; v. haarkleoven. Subprior (nub-yrarur), a. onder prior. Subtle (aut'tl), a. fljn, loos, slew, Hang; Nehery; S u brect or (su b .rek'ter ), 8. onder-rector. spitarondig. —ty. a. itinheld, loosheld,alnwheid; sibrep t ion (sub •rep'sjun), a. Zia Surreption. oeherpninnigheld. Subealt laub'snolt), a. onuersout. Subscribe (sah-tekrajh'), v. a. onderteekenen; Subtract (sub-treke), v. a. *Welon; wegnemen, (frons). —er, a. aftrakker. —ion (-trek'sjun), teat tiltIsachrijven vuor; v. n. teteekenen (to); aftrekking; wegnem.ing; onthouding. ;;en (to). —r, a. ondeyteekenaar; inteekening. Subscription (nub •skrip'sjurt), a. onderteeke- Suburb (sub'etrb), a. vooratad. —an (-urb'en), a. van (in) de vooratad. uing; lateek ,olIng. Subseso ttilwett (sub-sak'quai, a. onderafdeeling. Subvention (sub- ven'sjun), a. hulp, bijstand. Subver 'Ion (sub-ver'sjun), a. omkeering, om—ufive (Ase-tiv), a. volgend. (auh'se - kwem). a. voiging, ver - verwerping. —rive, a, omkeerend, omverwerpend. Subsequen —I, v. a. omkeeren, onive.werpen. —ter, a. omvolkand, later (to). a. volg. verwarper, vernieler. —title, a, omver te werpen, (Rub-burv'), v. a. theses. behalpsaem Stalw -N.rw te vernielen. a. — iency ( - 1 ziin, bevr,r(leren. S tab worker (sub-wurk'ur), a. helper. ittigheitl, bavoillerhjkheid; of haxkelljkta id. die ❑ Succedaneouo (auk-se .dee'ni-us), a. plaatsver—ient, ( - I - ent), a. dienatig, bevorderlijk; dlenstvangend. boar, (to). (auk-sled'), v. a. opvolgen; doen geSu ► old e (stib•sajd'), a. n. sinker,, zakken; *fee- Succeed lukken; v. n. (to) volgen, opvolgen; alarm (is); Inze; bedaren. —once,—eney, a. (het) zlnken, sakgelukken. —et, a. oprolger. ken; afeeming —iary (.8iri-e.rih), a. helpend, coed geondersteunend, help-. --tee (sub'sid-3j.), v. a. Succla• (auk a. gevolg, uttalag; volg, voorapoed. —fat, a. —fully, ad. voorepoeonderstand veneer... —y (eno'std-ih), o. enderdig. —lianas, a. geode 'them voorapoed. --ion stand, toelage. (-aleyun), a. opvolgtng; erfopvolgtng; volgorde; Suhatgaa (auk - WW), v. a. onderteekenen. nakomelingen. —ire, a. opvolgend, op elkander Subsist (sob-slat'), v. a. onderhouden; v. n. be-

6enlettergrepig. —ble a. woord (mo-relit-tih), e. zedelijkheid; zedenleer. —ice, van One lettergreep. ( Rig), a. a. eene zedeles trekken nit ; v. n. zedenMosiolheisru (mon'o-thi-izin), a. geloof aan I lessen geven, —iser 1-a.;z-ur), s. zedenpreeker. Adnen Sod. (-elz), pl. zeden; zedelijkheid, xedenkunde. Monoton outs (mo-not'un-nus), a. eentoonig. Morass (mo-rena'), a. moeras. --y, a. moerasnig. —y, s. eentoonigheid. ;Nor bid (mor'bid), a. —ly, ad. ziekelijk. —ness, Monsieur (mon-sjoer', mon'sier), a. Monsieur; n. ziekelijkheid. Franaohman. Mork ;tic (mur. —ifical, a. ztekteveroorMonsoon (mun-noen'). s. passaatwind. zakend. —Mous 1-bielus), R. MaZeIRChtig. —use Monster (mon'atur), a. monster, gedrocht. ; (-boos . ), a, ongesteld, ziekelijk. —osity (bos'itMonstrosity (mun.stros'it-tili), s. noonsteraeb- tih), s. ziekelijkheid. gedroehtelijkheid. Mordaci one (mur-dee'sjus), R. b)jtend, schen,. Iilonatroca (mon'Attus), a. —ty, ad. mounter- --ty bijtendheid, seherpte. achtig, gedrnchtelijt, afgrljaelijk. —ness, e. Zie Mord ant (mor'deat), a. hijtend; s. bijtmiddel. rdottatroalty. —icant (-di-kent). S. bijtend, acl;erp. —ication Montanic rt. van de beaten. (-di kee'sjun), s. b'gting, invreting. Montant (mont'ent), s. halve mean; (bet) your- More (moor), a, & ad,. nicer, meerder. once —, nitdringen. nag pens. some (any) —; nog thee, — and —, hoe Montero Imun.tero), s. rtlpet, -mots. "anger hoe meer. the —... the —..., hoe sneer... Monteth Imon'teth, s. spoeivat. des to nicer—. ea march the —. den to meer. no —, Month (month'), R. maand. vurig vernit itanger. never nooit weer. s. grouter large!, —ly, a. msandelijksch ; ad. maandelijks. bedrag; hoogere grand; heuvel. Monument (mon-joe- meet), a. gedenkteekan ; Noreen (mo-rien'), a. moird. gedenkstuk. (-maned% R. gedenk-, graf-. Morel Imo-reP), s. nachtneha de; morel. —berry, —ally (-ment'el-), ad. ale aandenken, ter ge- , —cherry, jodenkers, kriek. daehtenis. More land (moorlendi, a. bergaehtig land. —over Moo (moe , v. n. loeien, spotters. (-o'vur), ad. daarenboven, bovendien. Mood (moefl'), a. aard, wijze, trent; stemming; Maresqne mo-resin, a. nnoorsell, drift. —iness (-i-ne-so), s. gemelijkheid. —ily, ad. Morganatic (mor-ge-neelk), a. morganatiseh. —y. a. gemelijk; treurig. Morigerous (mo-rid'zjur-us), a. gehoorzaam, Moon (moen'), a. mann; maand. man- onderdanig. strata. —calf, wansehagen vru eht; lnmmal. —.eyed, Morton (mo'ri-on), a. stormhoed, helm. bilziende. —fern, maankr,id. —fish, spiegelviseh. Morisco (mo.ris'ko), s. moorsche dons; moorsche —light, maanlicht. —reed, maankraid. — shine, teal. manenehijn;beuzeling,—struek,maanziek.—trefoil, Morkin (•or'kin), a. gestorven wild. maanklever. —wort, zilverblad. —jolt, a. veran- Morliog (mor'lieng), s. steriwol; doode wol. derlijk. —lees, a. zonder mean. —tiny, a. sal, Mormon Imor'mun), s, Mormoon. stoffel. —Y, a. met erne mass ; maanvormig ; Morn Imorn!, a. ochtend, oebtendstond. besehonken. Morning (morn'leng), s. ochtend, morgenstond. Moor (moer'); a moeras, yarn; Moor. —cock, kor- —gown, ochtendjapon. —prayer, morgesgebed. ham —coat, moerkool. —game, moeranvogeln. —print,oehtendblad.—atar,morgender.—twilight. —hen,korhoen. —land, moera , ,veenland.—'s-head, ochte.ndschemering. moorenkep. —stone, tizernteen. —ish, a. moeras- Morocco (mo-rok'ko), a. marolkijn. gig; moorsch. a. moerassig. Morose (rno-roos'), a. —ly, ad. gemelijk, knot• Moor (moer'), v. a. meeren, vastleggen: vertuien; rig. —ness, a. gemelijkheid, knoreigheid. v. n. ten anker komen. — across under sail, al Morphew (inorlioe), a. dauwworm.
HAL. worn out, second-hand, —matte., mid-Lent. —wee, half- way. —tund, side-wind. —luster, half-sister, step-sister. —je. o. halt'. o. do two. hallelujah. Iles rn, halm; strew, stalk, blade. —icecap, joint. —steel —,trod, stalk, stem. Hafts, rn. neck, throat; tack ; simpleton, dance. — over kop, headlong, precipitately. zich op den halen, to incur, to bring upon one's self. zich vats den — scheiven, to rid one's self of. an& — breopen, to kill. ont komen., to perish. am den — — band, vallen, to embrace. —gfs'er, juguler collar. —heel, ohnckie for the neck. —hoord)e, — brekend, perilous, break-neck. — dock, neck-handkerchier, neck-cloth. — peeling, criminal pro,ecution. — gereeht, crimi•al, court, penal judicatnre. — ijser, iron collar, pillory. —hole., neckehein. —klamp. Chesty tree. —klier, jugular gland. kraail, eollar, ruff, partlet,cepe, gorget.—kwane, dew-lep. —misdaad, capital crime. —recht, power over life and deeth. --reciter, criminal judge. — sieraart, neck-ornament, coreanet, ouch, brooch. — starrig, be. & bw. obstinats (-ly), headstrong (-ly).—atarrigheid,obstinacy.stubbornnese.—straf,
Switzerland (switeur-lend),g. Zwitserland. Sybar le (sib'e-rie), g. Sybarle. —its (-rajt), 1. Sybariet. Sydenham (sid'n-hens), g. & m. Sydenham. Sydney (sid'illh), g. Sydney. IgiY I. an toa'veni, —aims (.vee'nue), m. Silvanua. —ia (-vi-e), w. Silvia. Syracuse (sir'e•kjoss), g. Syracuse. Syria (siel-e) g. Syria —c (•1.-ek), 1. Syrisch. —n, a. Syriaeh; I. Syrier.
(de-po'zel), a. afzetting. --e (-pooe, v. a. afzetten; nederleggen; v. n. getuigenis afleggen. —er, a. die afzet. Deposit I (de-pos'it), e a onderpand. —, v. a. nederleggen; in bewaring geven, afieggen. —art!, a. bewaarder. —ion (dep-o-zis'sjun), a. afzetthug; Nerklaring order eede. —or, a. in-bewaring-raver. —ory, a. bewaarplaats. Deprav ation (dep-re-vee'sjan), a. bederving'; ontaardheid. —e ide-preev'), v. a. doen ontaarden. —ity (de-prev'it-tih), s. verdorvenh,id. Depreca be (dep're-keet). v. a. afbidden. —lion, (-kee'ajun), s, afbidding. —hive, —tory, a. afbiddend. —tor, a. afbidder. Deprecla te (de pri'sji-eat), v. a. to laagaehatten; gering achten; v. n. in waarde vermindomen. --lion (-ee'sjun), a. vermindering (van waarde of prijs); minas sting. Depreda te (dep'ru-deet), v. a. plunderen, vetwoesten. —lion (-dee'ajun), a. roof, verwoesting. —tor, a. plunderaar; verwoester. Deprehen d v. a. oaderscheppen; vangen; ontdekken. (-hen'eibl), a. te vatten; begrijpelijk. —sion (-hen'ejun), a. onderachepping; ontdekking. Depress ids-prow), v. a. nederdrukken; ontmoedigen. —ion (-sjun), a. nederdrukking; neerslachtigheid. —iee, a. nederdrukkend; ontmoedigend. --or, a. nederdrukker;neertrekkende spier. Depriv able (de- prajv'ibl ), a. beruofbaar. —ation (dep-ri-vee'sjun), a. berooving; verliem; ontzet.

Is Bitcoin ooit naar terug te krijgen


Aldus moeten de directeuren-generaal en de diensthoofden de redelijke zekerheid verschaffen dat de middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer (efficiëntie, doeltreffendheid en zuinigheid) en dat het systeem van interne controle de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen waarborgt. eur-lex.europa.eu
TER -VV.% Tub lass (to-bares), in. Tubias. -it (to'biti. Tertuillen (tur.tul'ii.en), in. Tertulilanue. (to'bih), f. voor Tobias. Tetuan (tetioe-en), g. Tetuan. Teuton as (tjoe'tun-lez), I, Teutonen. -ie (-ton'. Tokay (to.kee'), g. Tokay. Toledo (to-li'do, to-lee'do), it. Toledo. ik), a. Teutoonerh. Duitoch. Tons (torn'), -ray, f. skier Vivian; Tom. Texas (teks'es), g. Texas. Tony 1,to'nili),f. soar Anthony; Toontje. Texel (tekteil), g. the -.. (bet eiland) Texel. Tourney (toer-neei. g. Doornik. Thelta (the-lars), my. Thalia. Tracy (tree'sih), f. voor Theresa:, Treeeje. Thames (terns), g. the -, de Teems. Trafalgar (tref.el.gaar', tre.tel'aur),g.Trafalgar. Theban (the ben), a. Thebaanscii; i. Th2baan. Tara' au(tree'drjen),-10(tre . cizjee'nuslan.Trajanus. Theben (thlrbz), g. Theta Transylvallia (tree-oil vee'ni•E.), g. Zevenbergen. Thernin (thi'mis). my, T hernia. Theo bald (thi'o-field), m. Theobald. - dore -n, a. 'Leven bergseh; i. Zevenberger. T rev en (trim, trees), g. Trier. (-door), ins. Theodoor. Triers (trierz), g. Trier. Theresa (the- Wile), w. Thereat. Thesve I let (thes-seeli-el, g. Thessalie. -ian, a. Trieste (tri. est% g. Tridst. Thesealisch; i. Thesealler. -y (theese•lih), g. Tripol (trip'ul), -i I- il., K. Tripoli. Triton (traj'tn), my. Triton. Thessalt ii. Tri woo virl (traj-ura'vf-raj), h. Driemannen. Thetis (thrtis), my. Thetis. Trojan (tro'jen), a. Trojeausch; i. Trojaan. Thlb (thibl, -by, C. s oon Theobald. Troy ;troj), K. Troje. Thine'. . Thl bet (ti-bet'), It . (ajbedur), m. Tudor. Tudor. Thom as (tom'es), m. Thomas. -eon (titi.'sn), m. Thornton. Tully (tui'lih), m. Tulliue. Three a (threes), -in (threesji-e), g. Thraeie. Tunis (toe'nis), g. Tunis. Turconsans (toeeko•mens), i. Turcomannan. -ian (th.-ree',Ii-en), a. Thrsciseh; i. Thy acier. Turin (toe'rin) g. Turin. Thule (thjoe'li), g. Thqle, Thuelngla (thjoe-rin'dzji-e), lg. Thuringen. -n, Took (turk' ► , i. Turk. -ey(.111),g. Turk1je. -lab, a. Turkech. as. ThurIngseh; I. Thurioger. Tuscan (tas'ken), a. Teseasmsell; I. Toscani -y, Tib ,t,it'), -old (-el d), -by, f. soar Theobald. , g. Toscane. Tibor (tarbur),g. the -, de Tiber. Tweed (twied), g. the -, de Tweed. ; Theodore. Tid itidis C. soar 'Tito (dm') , -my, f. soon Timothy. -othy (-uth-ih), Tyburn (taf burn). g. Tyburn. 1 Tyler (tajThar), in. Tyler. 'tn. Timotheus. Tyne(tajn), g. the -, de Tyne, , Tit (tit), f. soot Theresa; Treesje. , Tyr e (tajr), g. Tyrus -ion (del. en), a. Tyrisch; I. Titans (tajlenz), my. Titans. Ttilail (tiefi-en), no- Titiaan. y Yrrojel r'(t'eul, ti.rol'), g. the -, Tyrol. -ian (ti; TT Titus (taftus ), m. Titus. I reql.en), a. Tyroolsth; i. Tyroler. Ti volt (tiv'o-11), K. Tivoli.
kuip. —twietovater-, kettinggaren.--xay,boolgat. waterloop.—ways(-weee),pl.watergangen.—wheel. waterred. —willow, waterwilg. —work, teekening in waterverf. —works, pi. waterwerken. liVeater (wao'tur), v. a. besproeien; drenken; materen (etoffen); v. n. waterig warden; water innemen. to make one's mouth —, doen watertanden. —age), echuitenvrecht.—cr i a. beaproeior; (de) Waterman. —tness (.1.-nete), a. waterigheld. —ing, a. besproeling, het drenken, wide. ten. water !linemen; —engine. eProCiPoraP; —pa tee, wed, drenkple.ats; hadplaate; —pot, gieter; —trou:dt, waterhak. —fah, a, watereehtig; vocht:g. —e (-tar.), pl. gezondheidebronnen; for all —, van elte markten that, —y, a. 'water*, vochtig• water-. "Wattle (avot'r)), a. beard van ran' heats; horde. v. a. met horden bezetten; met teentjea bin. den; viechten. W. 0 I (wail), v, n. Zta tea Ca:or -watt' Wave (weev'), [4. golf, hair; holkeel;oneffertheld; weak. —, v. a. gulvend (gevianid) make.; wankel?, wn;ren; efzien va-, apgevert, laten canton; v. e. goiven; zweeen; zwaaten; wutven; weiNen. d, R. geg olyd, gevlarnd. —leo, a. elf., glad; kaltn. Waves- (wee'vur), v. at. wankslen, waggelen; wet-er, a. weifelaar. —ing, a. —ingly, ad. wankeiend, heelutteloos; oneeatendig. Vinarn.o. (weey'aen), a. ceedrift. Wavy (wee'vth), i. golvend; gegolfd. Wax (wake), a. wet; corsmeer;lak. —baby, —doll, wessen pop. —candle, watikeara. —chandler, wa3kooper, wakAraeroenmaker. —end, epinactidraad, —leather, gewaat leer. --light, —taper, waeka•rs. waepit. —wotk, waseen beet& —works, pl. kabinet van yelper' beelden. —, v. a. wain., met was bentrijken. (weks'a), a. van wee, weasel, —y, a. wagaehtig. Wax (weks) [waxed tacxeni, v. n. waseen, toenemen., worden. Way (wee'), v. weg; riehting, loop, voortgong, vaart; rnimte, alotand; rniddel; wijze, gawoontr, gebruTh wit, zin. a great —, ver. any op de sane of endures wijze. oy — of, bij wijze van. by the —, in 't voorbijgaan, ter loepo every —, in leder opzieh.. in the —, voor (bij; he hand, gereed. no —, geenezina. out of the —, nit den weg; batten den regal; buitentiporig: rats, whirls —, waerheen; o welko wijze. to break the halen, u%twljken. to cle, the —, nit den weg goon, plaate MAIM- to fall in one's, — iemand wedervaren, overkween. to give —,wijken; nemen; toe.geven. to have one's —, zij u ' ale volt.. to keep out of the --. 4rbergen; zichsehuil houden. to level the —, voorgettn. to state nit den wag Wean, plants maken. —bill, passogierm-. goederentijet. —bit, emit weegs. —bread, —broad, weegbree. —water, vuneiooper. weganjzer. —passtager, reiziger, die onderweg wordt opgenomert. —thistle, haverdistel. kruiedoom. —warden, opzienter der wegen. —wise, met den weg bekend. —wiser, weg:neter. —worn, door het rotten vermoeld. Way facer (wee'ree -rue), a. relztgor. —faring, R. reizend; —tree, meelboon, wilde wijngaard. —in, a. Ingeng.

OLE.—OPI. 202 Oleaginous (3-1i-ed'zji-nun), a. olieachtig. —nese, niemand. —'a self, zich, zich zelven. — another, elkander. the little —a (wunz), de klelnen. —berry, a. olleachtighead. wolfsbes. —blade. eenblad. —eyed, eenoogig. Oleander (o-li-en'dur), s. oleander. —handed, eenhandig. —sided, eenzijdig. Oleaster (o-li•es'tur), wilde olijthoom. Onelrocritle (un-aj-ro-krink), s. droomuitlegolehant (o-lef'i-ent), a. olievormend. ger. —. —al, a. droomuitleggend. —a, pl. droomOleometer (o-ii-om'i-tar), s. oliemeter. uitlegkunde. Oleic (o'li-ik), a. — acid, oliezuur. Oneness (wun'ness), s. eenheld. Oleraceous (o-le-ree'sjus), a. groenteachtig. °Met (ol-fekt'), v. a. raiken. —ory, a. van den Oner ary (on'ur-e-rih), a. lastdragend; last-. reuk; reuk-; —nerves, reukzenuwen. —ate (-net), v. a. beladen; bezwaren. —ation 0 I 'Walnut. (o-lib'e•nam), s, arabische wierook. (-ee'sjun),s. belading; bezwaring. —088,5. zwaar. 0111 (ol'id), —008, a. stinkend. drukkend, lastig. Oligarch at (ol'i-gaaar-kel), —ical (-gaar'kikl), a. Onion (un'jun), s. ui, ajuin. oligatchisch. —y. a. oliegarchie, regeering van Only (oon'lih), a. eenig, enkel„ —, ad. alleen Ononaatopoea (on-o-met-o-pPe), s. klanknaweinigen. bootsing. Olio (o'lio), s. hutspot; mengelmoee. 011tory (ol'i-tur rih), s. moestuin. —, a. van Onset (on'eet), e. amoral; begin. Onslaught (on'slaot), s. aanval. een' moestuin. —sect, tuinzaad. Oliv eiceous (ol-i,ce'ejus), —aster 1-ves'tnr), a Ontolog let (un-tol'ud-zjist), s. bovennatuurkundige. —y, s. bovennatuurkunde. olij ftleurig. Olive (ol'iv), s. ()IV; olijfboom. —color, °HP, Onward (on'wurd), a. voorwaartsch; gevorderd; kleur. —grove olijfboschje. —husks, pl. olijven- vermeerderd. —, —a (-wurdz), ad. voorwaarts, vooruit. droesem; vetklieren. —oil, olijr-. boomolie. —season, 010 venoogst. —tree, olijfboom. —worm, Onyx (o'flikcs) s. onyx. —fish, onyx-visch. —shell, ' blauwe porseleinschelp. oltifworm. —yard, olijvengaard. Olyrapl ad (o - lim'pi - ed), s. olympiade. —an 0oz e (set'), s. molder, OA; runwater; zijpeling. —e, v. u. doorzijpelen. —iness, s. slijke( en), —c, olympisch. righeid, drabbigheid. y, a. slijkerig, drabblg, Omber (oom'hur), 8, ombre (zeker kaartspel). modderig. Onabrometer ( om-brom'i-tur), s. regenmeter. Opac ate (o-pee'keet), v. a. verduieteren. —ity Omega (o-mt'ge,, a. Omega; einde. (-peelt-t111), s. donkerbeid. —orts, a ondoorOmelet lorn'lit), s. eierkoek, -strait. schijnend, duister. Omen (o'men), a. voorteeken. Opake (o-peek'), a. Zie Opaque. Ortui•ntum lo-men'tum) a. darinnet. Ominous (om'i-nun), a. —ly, ad. voorspellend, Opal (o'pel), 0. opaal. voorspellende Opaque (o-peek') a. ondoorscbijnend, dottier. o,heilspellend. —ness, s.(kwaad-) —nese, s. ondoorschijnend, duisterheid. eigenachap Oiniss1 his (o-mis'aibl), a. sit (wet) te laten. Ope (oop), v. a. & 'n. op'nen. —on (-misrun), a. notating, verzuim. —ve (s-iv). Open (o'pn), a. open; blast; openbear; duidelbk; rondborstig; zacht. — air, opene lucht. —eyed, a. uitlatend; nalatend. waakzaam. —handed, mild. —hearted, openhartig. Omit (o-mit'), v. a. weg-, nalaten, verzuimen. Omni bus (om'nt-bas), s. omnibus.—farious(-fee , - —heartednesa, s. openhartigheid. —mouthed, met ri-us), a. allerlei. —ferous (-nitur-us). a. alien open mond; echreeuwend; gulzig. —, v. a. opeyoortbrengend. —fir (-nit'ik), a. alscheppend. nen; ontsluiten; openbaren; v. n. opengaan; ontluiken. —ing, a. opening; begin. —/y, ad. openlijk. - form (-form), a. van alle gedaanten. —.venous —seas, a. openheid; openhartigheid;duldelijkheid. -nid'Lje-nun), a. allerlei. —parity (-peeit-tih), s. algemeene gelijkheid, —percipient (.pu,siplent), Opera (op'e re), a. opera, zangspel. —basket, voeta. all. waarnemend. —potence (-nip's-tuns), s. zak. —glass, tooneelkljker. —house, sehouwburg. —ble (-ribl), a. doenlijk, —nt (-ent), a. werkend. almacht. --potent ( -nip's-tent), a. almachtlg, al- —te (-reet), v. a. te weeg brengen, bewerken; vermogend; a. (de) Almachtige.—presence(-prez'- ens), s. alomtegenwoordigheid. —present (-pre. , v. n. werken; eene operatie doen, (on, upon). ent), a. alomtegenwoordig. —science (-nispi-ens), —Non (-ree(tsjun),s. werking; onderneming; kunst e. aliretendheid. —acient (-nispi-ent),a.alwetend- bewerking. —tire, a. werkend; s. werkman. —tor (-ree-tur), s. bewerker; heelmeester. heid. —voroug (-niv'o-run), a. alles etend. Opercul ate (o-pur'kjoe-let), a. van een deksel Ousoplate (om'o-pleet), s. schouderblad. Omphril ocele (onete-10•siel), s. navelbreuk. voorzten. —urn (-lam), e. deksel. Operose (op-e-roosi, a. moeielijk, bewerkelijk. —optic (-lop'tik), s. lion, linsglas. —neg.?, s. rnoelelijkheid. On (en), ad. snort; verder. — prp. op; aan; te; in; h t( ; tegen. —and so —, en zoo voorts. —high, 0 phicleide (of'i-klajd), s. ophicleie. toil 01 , Ophl Man (o•fid'i-en), s. slang. —ology omhoog. —, int. voort 1 vooruit 1 verder 1 ud-zjih), s. slangenkunde. Olinger (on'e-dzjur), a. woudezel. Ophite (o'fajt), a. slangensteen. Onanism (o'nen-izm), s. zelfbevlekking. Once (wuns), ad. eons, eenmaal. at —, te ge- Ophthalmia is (op-thel'mik), a. voor de sages; lijt; dadelijk. all at —, plotseling. — more, oog-; — infirmary, hospitaal voor ooglijders. —ic, a. oogmiddel. —y (op'thel-mih), a. oogontsteking. nag sans. One (wan). R. een. —, pr. men; iemand. all —, Opiate (o'pi-et), a. & s. bedwelmend, slaapwekonverechillig. some —, any —, ieinand. no —, kend (nniddel).


Yearn (jien'), a. —ling, a. ong, tam. —, v. n. Jongen, lammeren. . Year (flee), a. jeer. in —s, bejaard. —book, jeerbock. ---ling, a. eenjarig; a. eenjarlg beast. --ly, a. & ad. jaarlijkseh; jaarlijks. Yearn (jurn'), v. a. bedroeven, grleven, v. a, hunkeren, smaehten (for), met deernis *awe dean worden, bewogen zkIn (upon. towards. to). —ing, a. amaelttend verlangeu; opwet:ing des hasten, van teedarheid. Yeast (Pest'), a. gist; sehultn. —y, a. glstend; gistachtig; schaimen.d. Yelk ijelk),s. dooter. Yell (jell), a. gtl, kreet; gehull. v. a. (out) ult., gillen, v. a. gillen; huiten. Yellow (jerk)), a. gee!. —. a. girl; jaloersch. —boy, gondstak. —dun, tzabelle-paard. —fever, gate koorta. —George, auinje. —golds, pl. hoerbled. —gum, geelzucht. —hammer, geelvink. —jaundice. geo)tucht. —lead, good eel. —parsnip, gale knol. — peen. —rattle, gels hanekam, lutakruld. —root, warner's) (plant). —sureory, bitterb braid. —warbler, gels goes. —ware, rooinkleurig ateengoed. —weed, woaw (plant). —, v. a. & n. geel klearen (worden). —ish, a. geelaehtlg. —ithness, a. geelachtigheid. —ness,s. geelheid. -s (-looz), pl. geslzucht. Yelp (jelp'), v. n. keffen, blaffen. —er, a. kefter. Yeomen (jo'men),s. kleine grondbezttter, pathter; gardiat, ltjfwaaht; hotbedlende; opslehter;

Heeft Coinbase hebben rimpel


349 Workman (wuricirnen), s. werkman. —like, —1 1/, a. knap, bekwaam; goed bewerkt. —ship, s. werk; bewerking; bekwagmheid. World (wurhi'), e. wereld; aarde; menachen; 'ts werelds loop; loopbaan; menigte, groot aantal. the great —, de hoogere etanden. not for all the —, voor Mete ter wereld. —lines* (-Ii-neat), a. wereldegezindheid. —ling, a. wereidling. —1y, a. & ad. wereldiijkrwereldech; werelds; —minded, wereldsgezind. Worm (worm'), a. worm; kraeser; moor (van eene sohroef); wroeging. —bark, wormbaet. wormetekig; vermolmd. —grass, wormkrt,id. —kote,wormgaatje. —screw, kraiser. —seed, worm%sad. —spring, epiraalveer. —wood, aisem. v. a. van den worm enijden; aftrekken (de lading van eon kanon); ondermijnen; bekleeden, hen; (out) uitgraven; uitstooien; v. A. knit pen; a. trensing; —thread, wurmen; knew. trensgaren. —like, a. wormachtig. —y, a. wormig; kruipend. Worr tar (wur'ri-ur), s. pleger, kwelgeest. —y, e. verwarring; onrnat, gejaagdheid. v. a. plagen, kwelleu; rukken, scheuren. Worse (wurs), a. & ad. slechter, erger. — and —, hoe langer hoe slechter (erger). Worsh ip e. vereerini, aanbidfing; eerbewijsing; waardigheid, eer; Eerwaarde; Edelachtbare. —, v. a. & n. vereeren, aanbidden. All, a. eerwaardig; achtbaar. —fully, ad. eerbiedig. —per, a. vereerder, aanbidder. Worst (wurat'), a. & ad. slechts, ergot, —, o. (het) ergate. at (the) —, in het ergate geva I. —, v. a. overweldigen; verergeren. to be —ed, het onderspit delven. Worsted (woerst'14, worst'-), a. sajet. a. sajetten, wollen. —needle, etopnaald. Wort (wurt),s. kruld; kool; ortgegiet bier.: Worth (wurth'), a. waarde: prijs; verdienste;waardij. —, a. waard, waardig. — re: ding, lezens. wear dig. — seeing, bezienswaardig. —less, a. zooder waarde; nietewaardig. lessness, a. onwaarde ; onwaardigheld. North liy (wurth'il-lih), ad. —y, a. waardlg (of); eerdienstelijk; edel; voortreffelijk. —iness ( i-ness), s. wagrdigheid; verdiemstelijkheid. —y, s. verdienstelijk (uitstekend) man; held Wot (wot), v. n. weten. God God west het. Would (woed'), v. n. ZIP Wlil; wilds; zoude; weneehte. — to God, gave God. —be, a. gewaand, slab noemend. Wound (woend'), a. woad. —fever, wondkoorte. —wort, wondkruid. —, v. a. wooden, kwetsen. —er,s. verwonder. —less, a. ongekwetet. Woundy (waann'dih), a. seer, uitermate. Wove- (woov')paper, a. velijn-pspier. Wraith (reeth), a. verschtjning, sohim. Wrangle (reng'g1), a. twist, krakeel. —, v. n. twieten, krakeelen (for. on). —r, u. twister, krakeeler; student, die zal promoveeren. —some, a. twietziek. Wrap (rep'), v. a. wikkelen; bevatten; (in) in een' omelag doen; (up) inwikkelen, inpakken, oprollen; in verrukking brengen. —rascal, overJas. —per, a. omelag; pakdoek; omalagdoek; mantel; dekblad (van sigaren). —ping, a. het
Rieder U den, on. w. to rids with A. o. lnedesthepael, o. fellow-creature. Modeschreeuwen, ou. w. to join in a cry. illedeschuidig, by. Zie Bledeplichtig. Medeeleepen, ov. w. to drag (to hurry) away, — along with; to involve; to seduce. Riede:wet en, ov. w. to join in a play; on. w. to play with a. o. —er, m. partner. Modespreken, on. w. to join in the Conversation; to meddle with. Ititedestender, rn. aeeociate, partisan, abettor. Itiedeste ► ns en, on. w. to vote likewise, to be amongst the voters. —iag, v. voting with others. ItledestrUd en, on. w. to join in the combat. —er, m. fellow combatant; competitor. Medevaillen, on. w. to meet with unexpected aucces, to succeed beyond expectance. Medevoeren, on. w. to carry along with, to bring off. inedevongd, m. —et, v. fellow-guardian, jointguardian. —(j, v. —ijschap, v. joint .guardianship. Itiledeveaken, on. w. to watch in company.

Ban (ba), a. geblaat. —, v. n. blaten. Babble (beb'b1), v. a. & n. snappen, babbelen; a. gebabbel. —r, a. babbelaar. murmelen. Ilab e (beeb'), a. kindje. —cry (-be-rih), s. speelgoed. —ish (-bial.), a. kinderachtig. Baboon (be-boen'), a. haviaan. Baby ( bee'bih), s. zuigeling; popje. —hood, (hoed), a. kindschheid. (-ish) kinderachtig. liac (bell), a. veerpont; koelbak. Bacchanal Ian ( be ir-ke-nee'li- en), a. dronkaard; a. zwe)gend. —a bek'ke-nelz), a. zwelgpartijen. llacciferous (bek-sirur-us)., a. bessendragend. Bachelor (betsre-luri, a. jongman; kandidaat. —ship; a. oagehuwde staat. Back (bek), a. rug; aehterboede. —, v. a. bestijgen; op den rug nemen; terugschuiven; orderateunen; viseeren; katten. —, ad. terug, achterwaart8. § and forth, voor- en achterwaarts. —bite, laateren. —biter, lasteraar. —bone, ruggegraat. —door, achterdeur. —friend, iscbijnvriend. —gammon, triktrak. —ground, achtergrond. —house, achterhuis. —part, achtergedeelte. —cozies, achterkamer. —side, achterzijde. —slider, afvallige. —stairs, geheime trap. —stays, pardoens. —sword, slagzwaard. —toota, boekbindersstempel. — yard, achterplaate. Backward (bek'wurd), a. —ly, ad. achterlijk, traag. —ness, s. achterlijkheid. Backward (bek'wurd), Backwards (-wardz), ad. achterwaarts, terug. Backwoods-man (bek'woedz-men), s. boschbewoner in het westen van .A.merika. liSemoin (bee'knl, a. arch. Had ibed), a. eleeht; zeer ziek. —1y, ad. kwalijk, alecht. —nest, a. slechtheid.

DEM,—DEP. (-ridzj), a. liggeld. days of —rage, ligdagen. —rer, a. vertrager; bealuitelooze. Demure (de-mjoer'), a. —1y, ad. atemmig, zedig, bedeesd. —ness, a. zedigheid, bedeesdheid. Den (den), a. hol; apelonk. --, v. n. in een hol women. Denary (den'e-r1h), a. tientallig. a. tiental. Denationalize (de-nes'sjun-el-ajz), v. a. van de nationale rechten berooven. Denaturalize tde-netloe-rel-ajz), v. a. onnatuurl(jk make,,. Dende Its (den'drajt), e. boomsteen. —ologiet (-drol'ud-zjist), a. boomkenner. —o/ogy (-drol' ud-zji•), a boomkunde. —oid. a boomachtig. --olite. a. verateoning eener plant. Deal able (de-naj'ibl), R. loochenbaar. —al, a. ontkenning; weigering; verloocheuing. —er, a. verloochenaar; weigeraar. Denigra• te (den'i-greet), v. a. zwart maken, Lelasteren. —lion (-gree'sjun), a. belastering. Deniz ation (den-i-zee'sjun), a. erkenning ale burger. —en (den'izn), a. vrije burger; genaturalizeerde; v. a. het burgerrecht geven; ale burger erkennen. Denouaina te (de-nomn-nest), v. a. noemen. —lion (-nee'ejun), s. benaming. —tire, a. benoemend. —tor, a. naaingever; noemer (tenor breuk). Denot ation (den-o-tee'sjun), a. aanduiding. -noon, coot'), v. a. aanduiden, aanwtjzen, ken— merken. —anent (de-noot'ment), a. aanduiding; kenteeken. Denounce (de-naaunan, v. a. aankondigen; dreigen; aanklagen. —meat, a. aankondiging; aanklacht. —r, a. aankondiger; aanklager. Dens e (dens'), a. dicht,—enese,—ity, a. dichtheid, vastheld. Dent (dent') a. kerf; tand; deuk. v. a. kervan; uittanden; deuken. —al, a. tot de tanden behoorend; s, tandletter. —ate, —ated 1-teet-idl, a. getand. —ed, R. ingekeept; getand. —icie,—il, a. tandje; uitstekend puntje. —iculated(-tik'joeleet-id), a, getand. —ijorns, a. tandvormig. —ifrice (-ti-frie), a. tandpoeder. —ist, a. tandineester. —Mon (-tis'ejan), a. (het) tanden krijgen. Denud ate (de-njoe'deet), —8 (•njoed'), o.a. ontblooten. — ation (den-joe-dee'sjun), a. ontbloo. ting. Denuncia te (de-nun'sjl-eet), v. a. bekend maken; dreigen; aanklagen. —lion (-ee'sjun), a. bekendmaking; bedreiging; aangifte. —tor, a. aankondiger; aangever. —tory, a. aankondigend; betichtend. Deny (de-nar), v. a. loochenen; ontkenuen; geren. Deobstr uct (di-ob-strukt."), v. a. open maken; belernmeringen wegruimen. —vent (di-ob'atroeent), a. wegruimend; zutverend; a. losmakend middel. Deodand (dPo-dend), a. zoenoffer; godagift. Deoppilative (di-op'pi-le-tiv), a. suiverend. Deoxida te (di-oks'i-deet), v. a. ontzuren. --tion (-dee'sjun), a. ontsuring. Depaint (de-peent'), v. a. afschilderen. Depart (de-paarte), v. a. verlaten; aeheiden (van metalen), — this life, overlkiden. —, v. n. ver-
Litecoin is an open source software project released under the MIT/X11 license which gives you the power to run, modify, and copy the software and to distribute, at your option, modified copies of the software. The software is released in a transparent process that allows for independent verification of binaries and their corresponding source code.
Because the blockchain works by verifying transaction history, and this verification process is labor-intensive and slow, only so many transactions can be verified in a certain timespan. So, if you sell your Bitcoin, but the purchase isn’t confirmed by the blockchain network, and the price of the currency changes, the sale won’t process. You'd have to sell your Bitcoin at whatever the new rate is (if you so choose to sell). Also due to the reality of blockchain, as well as for other reasons thus far unidentified, the Coinbase payout system can sometimes be unreliable. There have been reports of extensively delayed payout periods, and bugs sometimes keep the site from running as efficiently as it could or should. A word to the wise: if you are going to invest in and speculate on cryptocurrencies, do so carefully.​
prenten. Ingelable (in-dzjel'ibl), a. onbevriesbaar. Inflame (in-flecm'), v. a. doen ontvlammen; ver- Ingemina to (In-dzjero'i-net), a. verdubbeld. —te (-neet), v. a. verdubbelen, herhalen. —lion (-nee , hi t ter, verbitteren, (with); v. n. ontvlammen;vunr sjun), s. yerdubbeling, herhaling. vatten. —r, s. aanhitser; drijfvetlr. Inlilamma hie (in-flem'inibl), a. ontvlarnbaar. Ingenern isle (in-dzjen'ut-ibl), a. onteelbaar. --bility (-me-bil'it-tih), —bleneas, a. ontvlambaar—te (-at), a. aangeboren, ongeboten. —te (eat), v. held. —lion (-mee'sjun), s. ontvlarriming; notateR, verwekk'a, telen.
149 Iii' pt (in•ept'), a. —ly, ad. onges,bikt; dwaaa. (in-domg-tibl , , a. ontetnbaar. —itude (-ti-tjoed), —nest, S. ongeachiktheid ; Indoor (in 'door), a. huts-. dwaasheid. Indors able, Iin.dors'ibly, n. geendoeseerd kun- (in.•e-kwol'it-tih)., a. ongelijkhetd, Inequality (-dornande warden. —e, v, a. erotosa,cren. —ec ale'), a. geendosseerde, —enzent, a. endossennt. I oneffenheid. ; Inequitable (in-ek'wt-tib ►), a. onbiltijk. -er, s. endossant. Inermous (in-er'muz), a. ongewapend. Indraught iin'draaft), s. beat, inFam, ad. oueeilbaar. Indreneln (in-drentsj'), v. a. doorweekev, var. Inerra bale (in•certb1), a. —bly, —bility (-re-bil'it-tih). —bleness, s. unfelt baarheid. ad. traag, loom, werkeIndnbl out (in- djoe'bi-us), a.niettwijfelachtig,lInerl (in-art'). a. —4/,—nest, s. traagheld. loomteker. —table, a. —tally, ad. (-dbl.), ontwijfel- loos. —ion (ur'sjun), heid, werkeloosheid. baar, ongetwijfeld. —tableness (-tibl-), ontwij linemen to (in-es'keet), v. a. door age lokken; verfe I baarbeid. overbalen, nopen, lokken. (-kee'sjun), a. aanlokkiag, verIudne a v. a. aanleiding geven (to); to weeg brengen. —eanent, tokking. a. —bly, ad. ona. aanlelding, drijfveer. —er, e. santeidee, be- Inestima bale (in-esli-mibl), a. of to leiden; to weec t brengen ecbatbaar. wager. InevIdent (in-ev'i-dent), a. onduidelkik, niet Induct (in-dukt.')., a. a. inleideD,installeeren(intn). britkbaar. —ion (•duk'sjun), e. irrle(thng, aanstelling; ge- Inevitn bale (in-evl-tibl), a. —bly, ad. onvervolgtrekking. —ire, a. —lady, ad. 3anleidend, te-bilfit. tab), —bleness, a. onunpend, afleidend; afgeleid. —or. s. hevestiger, vermijdeliikheid. Indian (in-djo,'?, v. a. bekleeden, aandoen. (in-egz-ekt,'), a. onnauwIceurig; onjuist. Indulg; e (in-duldzy), v. a. toegeven, inwilligen. Inexact s. onnauwkeurigheid, onjuisthetd. —nest, zich overage- vergunnen, (in, With). –, v. n. (in-eks-kjoe'zin1), a. —bly, ad. van tan. —ence, s. toegevendhetd, inschikke- lnexensa bale onverschoonbaar„ onvergeeitijk. —bleness, B. onlijkheid; gunst; afiaat. —ent, a. —ently, ad. toe- verschoonbaarheid. ge,end, inachikkelijk. —r. a. toegever, inwil- Inexeeutlon (in•eks-e-kjoe'sjun), a. niet- volbrenging, nlet-volvoertrig. girt:a to (in'djoe-ret), a. gehard; veratokt. —te Inil (-rest). v. a. harden, Nerba•den; v. n. hard —, Inexlia,lalile (in-egn-heeribl), a. onverdampbaar. ed (in-er,z-haost'id), a. onuitgeput. veretokt worden. —tion (-ree'aJun), a. verhar- Inexhaust —ible, a. onuitputtelijk. —ibleness. a. onultputteding; verstokthetd. lijkheid. Industr lal (in-dus'tri-e'0. a, de nijverheid be-InexIsten ee to egz-ist'aus), s. (bet) niet head. nijver, viijtig; treftend. —ious, a. —ioutty, staa.n. —t, ad. niet bestaand. opzettellik. —y, a. vlijt; nijverheid. a. inwoner. —ing, e. Inexora ble (in-eka'ur-rib)), a. —b/y, ad. onIndwell er (-re-bil'it-tih, —Maness, a. verbiddelijk. inwontng; a. inwonend. onverbiddelijkheid. 85 a„ dronkanma- Inebrl ant (in-Pbri-entl. (in-eks-pt'dt-ens), —cy, ongece Inexpedlen (-eet), v. a. drunken (gek) trend rniddel. —ate paetheid, ondienstigheid. —t, a. ongeschikt, a. dronken zijn. —ation maker; ondlenatig, on,oegzaam. —ely (-e-braj'e , tih). a, droukens,hap, be,hon- Inexperience (in-eks-pPri-ens), B. oncrvarenkenheid. held. —d, a, onervaren. Inedtted (in-ed'it-ed), a. onnitgegeven. (in-eks-purl'1, a, o ► bedreven. Inexpert . onnitspre. ad --My. Iran's balsa (in•erfibl), buexpise ble (in.eks'pi-ibi), a. —bly, ad. olive, —blelesg, s. kelijk. —bility zocnlijk. tiprekelijkheid. —bly, ad. onble (in-eks'pli-Istb1), Inelreet lye (in-ef-rekt'iv), —nat.) a. —natty, ad. Inexpllea verklaarbaar. —bility (-ke-bil'it-tih), —bleness, a. Hoe- el-), niets ultwerkertd, vru,hteloos.---ualnesa onvcrkkarbaarheid. (-joe-e1-1, s. gevolgelooaheid, vruchteloroneid, InefiferYeseent (in-ef-fur-vea'sent), a. abet op. iltleXpliCit (in-eks-plis'it), a. onduidelkjk, on-

cryptogeld quora


schikking. -ment, a. inrichting; schikking. Arrant (er' rent), a. snood, verdorven. —knave, —rogue. ',arteachurk. Arras (er'rea(, a. tapljtgoed. Array ler-ree'), a. slagorde; kleeding. —, v. a. ordenen; bekleeden. Arrear (er-rice'), a. —age, a. achteratand. Arrest (er-rest'), a. hechtenla; bealag. —, v. a. in hechtenis nemen; stuiten; bealag leggen. —ation (-tee'sjun), s. inhechtenisneming. Arriv al (er-rarvel), a. aankomst. —e, v. n.aankomen; (at) verkrijgen; voorvallen. Arroga nee (er'ro-gens), —ney, a. laatdunkendheid. —nt, a. —ntly, ad. aanmatigend; verwaand. —te, v. a. (to) zich aanmatigen. —lion (-gee'ejun), a. aanmatiging. —tire (-ge-tiv), a. aanmatigend. Arrow (er'ro), a. pijl. —head, pijlpunt; pijikruid. —y (-ih), ft. von pijlen. Arsen al (aer'se-nel), a. tuigheis. —ic, a. rattenkruit. Art (Raft), a. kunst; list. the liberal —a, de vrije kunaten. master of —s, meester in de !tri iv a kunaten. Arter tat (er-ti'ri-el), a. van eene slagader. —y (aar'te-rib), a. slagader. Artful (aart'foel), a. 'Wig. —nesa, s. listigheid. Artichoke laar'ti-tsjook), a. artisjok. Article (aar'tikl), s. lidwoord; bepaling; artikel; tijdatip; gewricht. —, v. a. & n. vastatellen, bepalen.
B. Ilia, tw. poh i pooh ! pshaw red wine. --hal, Heal, v. bay; baize; (roode) magazine of baize. —ranges, to skate nimbly. —ranger, Greenland- rnan;nlinble skater. —tureen, baite.weaver. —rout, bay-silt, —en, bv. (of) baize. —tje, o. tailor "sj %eke; op P.). — ',Oen, to be drubbed. firsftlerd, rn. chaos Beak, v. beacon, buoy. —, geld, bsaconage. Baal, r„ hale, hag. — dark, pack- cloth. Ileum, v. (smooth) path, beaten road, path-way; track, orb) t; rope-walk; breadth. op de lange — achuiven, to delay, to procrastinate. op de — brengen, to raise, to start, to bring upon the carpet. rules — snakes, to make room, to disperse the crowd, to clear the passage. de — Meter neaten, to prepare things beforehand, to break the ice. —geld, path-money. —hoer, common strumpet. —spinner, rope-maker. —veger,scavenger.sweeper. —der, m. rope-maker. —derhser, m. baron,knight, banneret. —der( , v. rope-yard. —tie, o. lucrative place, sinecure. Bear, y. bier, litter; billow, wave; ingot; bar. —,

Wat is de toekomst cryptogeld


Pabelar (peb'joe•ler), a. voedend, voedzaam. Padar (ped'ur), s. zemelen, grof meal. —atiun (-lee'sjun), s. voeding. —ous, a. voedend, Paddle (ped'd1), a. pagaai, roeiriem; bled, plat (van een riem, een warren). —board, schepbord. voedzaam. —um, e. voedsel, onderhoud. —box, raderkas. —fish, zeezwlln. —staff, schoffel. Pacation (pe-kee'sjun), s bevrediging, geruat—wheel, scheprad (saner stoomboct), v. a. & stalling. n. roeien, pagaaien, plasgen; betasten, frommePace n peern, 3. pas, atap, trod, schrede; gang; len. R. roeier, pagaater• plasser. telgang. to go a main —, met voile zellen varen. to mend one 'a —, zijne schreden versnellen. —, Paddock (ped'duk), s. park, tamp; padde. —stool, padd enstoel. v. a. of-, doorstappen; lelden; v. n. stappen; den Paddy (ped'dih), a. oneepelde rijst; spotnaam tel gaan. —d (pee.t), a. van gang. —r, s. voetde: leren. ganger; telganger. Padelion (ped-e-lsrun), s. leeuvrenvoet. Pacha (pe-sjaol, s. pacha, Pachydermatous (pek-it-durm'e-tuz), a. d n k- Padlock (pedlok), s. hangsiot. —, v. a. met een hangslot sluiten. huiclig. Pacif is (pe-sif'ik), a. vreedzsam; — ocean, Stille Paean (Wen), a. zegelled, lofted. s. heiden. tuidzee. —ication (pea-if-i-kee'ejun), a. tevredi- Pagan (pee'genl, a, heidensch. —ism, s. heidendom. —ire (-ajz), v. n. heldensch ging. —icator (pes-if-i-kee'tur), s. bevrediger. maken; v. n,-zich ale emu heiden gedragen. —icatory (-e-tun-rth), a. bevredigend. — ier (pes'ifaj-ur), a. bevrediger. —y (pes'i.faj), v. a. bevre- Page (peed.j), s. page, hofjonker; bladsijde. —, v. a. bladztjden nommeren; ale pogo bedlenen. digen. Pack (pek') 0. pak, paket; vracht, last; koppel Pageant (pedzj'ent), a. pralend, prank-. (bcuden); epel kaarten; hoop; bende. —cloth, pair- praal, opschik; poppenspel, pronkvertooning. —ry, a. praalvertooning; achijn. !Innen. —horse, lastpaard. —needle, paknaald. —paper, pakpapier. —saddle, pakzadel. —staff, Paginal (ped'sjinel), a. gepagineerd. draagstok. —thread, pakgaren. —wax, heerwas, Pagod (pee'god), —a (pe-go'de), a. pagoda, afgodstempel, -beeld (in India). geelhaar. —, v. a. inpakken (up); kaken, tonnes; sehudden (kaarten); afspreken; nit partilklige le- Paigle 'peeg'I), s. eleuteibloem. den samenstellen. (away) wegjagen. v. n. Pail 'peel') a. emmer. —ful, (een) emmervol —stake. emmerrek. pakken; zich opeen hoopea. (away off) zich wegpakken. —age, s. pakkage; pakloon. —er, s. Pain (peen'), s. pijn,smart; strut; moeite. to be v. a. pljn ver. in — for, bezorgd ztjn voor. pakker, inpakker. oorzaken; kwellen. —pa, a. —fully, ad. pkjnlijk; Packet (pek'it), s. paket, pakje; paketboot.—boat, moeielijk, land g. —fulneas, a. _an khetd; —ship, paketboot. —mark, postmerk. moeielljitheid. —less, a. art van pip (moeite). Packing (pek'leng), s. het pakken; pakloon; bedrog. —cloth, —needle, —paper, —thread, zie Painim Ipee'nim), a. heiden, ongeloovige. Pains (peen;'), a. moeite, song. —, pl. barenaonder Pack. —stick, pakstek. weeen. —taker, werkztam meafich, werketel. Pact (pekt), —ion (pek'sjun), a. verdrag, boding. —taking, a. werkzaam; 8. werkzaamheiu, alit. —itious (-isj'us), a. bedongen. a. & n. Pad (ped'), s. voetpad; struikroover; kussen; op- Paint (peent'i, a. vent; blanketael. — , schilderen; blanketten. —er, s. 'Wider; yangvuleel, dameszadel; telganger. —, v. a. opvul. —ing ft. bet se hilderen, schliderkunet; schil len; v. n. to voet gaan; atraatroof plegen. —der, (-joer), s. schilderkunet. —ure derstnk; blanketsel. a. struikroover. —nap, s. telganger, klepper.

Penates (pe-neetiez), pl. huisgoden. Pedicle (ped'ikl), s. steel, atengel. Pedicul ar (pe-dlk'joe-ler), —out, a. luizig. Pence (pens), p1. stulvers. Zie Penny. Pane11 (pen's11), s. penseel; potlood; griffel.—ease, — disease, luisziekte. polloodkoker. —cloth, —rag, penseelPedigree (ped'i-grie),penseel-, s. geslachtsboom. witch. —, v. a. teekenen, achilderea. Pediment (ped'i meat), a. kroonlijet. Pedier (ped'lur), s. rondventer, marskramer. Pendant (pendent), s. oorbel; wimpelhanger. —ess, s. rondventater. —y,s. marskramerth mars- Peuden ce (pen dens), s. helling, overhelling. ktamerswaren. —cy, s. uitstel, opechorting. —t, a. hangend. Pedobapt Ism Ipl-do-bep'tlzm), a. kinderdoop. at-, overhangend. Pend ice (penidls), a, afdak. luifel. —ing, a —let, a. voorstander van den kinderdoop. Pedometer (pc-dot:WI-Mr), s. weg-, achreden- hangend, onbeslist. Pendul on. (pen'djoe-lus), a. hangend; besluimeter. tih), —ousness, a. Pedun cie (pe-dung'kl), a. bloem-, vruchtsteel. teloos, onzeker. —osity a. ginger — cular (-kjoe-ler), a. ran eon' stengel. —culate hangende stoat; onzekerheld. (-kjoe-let), a. geateeld. (eener klok); —ball, —bob, knop aan den clinger; punttang. —pliers, Peel (piel'), s. schil; schietachop (bij bakkers). —clock, slingeruurwerk; —, v. a. pellen, schiller; plunderen; v. n. ver- Penetra ble (pen'e-tribl), a. doordringbaar. a. doordringhaarheid. vellen; afschilferen. s. peller, Wittier; plun- deraar. —ings (-iengz), p1. sehinen. —ncy (-tren-s1h), a. doordringendheid; doorzicht. Peep (piep'), s. (het) to voorschijn komen; blik; —nt (-treat), a. doordringend; acherpzinnlg. —te giurende bilk- aanbreken (van den dog). —hole, (.treet), v. a. doordringen (with); doorgronden; v. n. doordringen (into). —lion (-tree'sjun), a. kijkgat. —, v. n. gluren; te voorschijn komen; doordringirgg; doorgronding; scherpzinnigheid. uitkomen; aanbreken; piepen. (at) begluren. ( forth) roar den dog komen. —er, a. gluurder; —tire (-tree-tiv), a. doordringend; scherpzinnig. kijtglaa; nog; kuiken. —tiveness ( tree-tiv), s. doordringendheid; scherp • zinnigheid. Peer (pier'), s. gelijke, wederga, makker; pair. —, v. a. gelijk steller; v. n. te voorschijn Ito- Penguin (pen'gwin), a. vetgana, pinguin; wilde men; aanbreken; loeren, glares. —age, a. pair- ananas. achap; (engeltehe) rijksadel. —ess, a. gemann Peninsula (pen-in'ajoe-le), a. Echiereiland. --e, a. van een achiereiland. eens pairs. —less, a. —lessly, ad. onvergelijkeltjk, Peniten ce 1pen'i-tens), —cy, a. berouw, boete. weergaloos. —lateness, a. onvergelijkelijkheid. Peevish (pie'visj), o. —ly, ad. knorrig, gemelijk, —t, a. --tly, ad. herouwhebbend, boetvaardig. korzelig. —ness, s. knorrigheid, gemeltjltheid. —t, a. boeteling; biechtkind. —Ha/ (-ten'ajel), a. boetvaardig; boetc-; a. penitentie-boek. —tiara Peg (peg'), a. pin; vioolschroef; stoot. —top, tot. (-ten'sje•rih), a. de boete betreffend; a. boet—, v. a. pinnen, vastpinnen. — priester, hiechtvader; biechtatoei, boeteling; verkersels. Pegasus (peg'e-sus), s. Pegasus. erh hed Pegmatite (peg'me-tajt), s. (so (soonvan),.graniet. Penn ached pen'nesjt), a. bout geatreept. ant (-nent), s. takel, hijschtouw; •impel. —ate (-net), Pekoe (pek'o), s. peceo-thee. Pelagic (pe-led'zjik), a. van de zee. —ated (-neet-id), a. gevleugeld, gevederd. —er, s. Pelf (pelf), a. schatten, rijkdoro; mammon. schrijver; pennenkoker. —Um (-ni-less), a. arm. —non (-nun), a. vaantje. Pell4nan (pel'i-ken), a. pelikaan. Pell et (per lit), a. balletje; prop. —icie(-ikl), o. Penny (pen'nih ► , s. stuiver; penning. —a-liner, vliet, huidje. —itory (-11-tur-rih), a. muurkruid. echrijver. —father, duitendlet. —grass, —weed, (pet-mel'), ad. verward, door elkander. penning-, luiskruid. —post, stuiverapoet. —royal, Fells (peh ► , p1. perkementen molten, clerk of the —, kruizemunt, vlooikruid. —weight, penninggespaarzaam in wicht. —white, zilverwit. boekhouder btj de achatkamer. Pellucid (pel-ljoe'sid), a. doorschijuend. —ness, kleinigheden. —worth, kleinigheid; koopje. Penside (pen's11), a. hangend, zwevend. —ness, a. doorschijnendheid. s.vel,onbereide huid; slag. —monger, s. hangende toeetand. huidenkooper; peltertjhandelaar. —wool, doode Pension (pen'sjun), a. jaarwedde; kostgeld. —, wol, sterfwol. —, v. a. werpen, smijten; v. n. v. a. peneioneeren. —ary, a. gepensioneerd; B. razen, tieren. —er; a. werper, amijter; razende; gepensioneerde; pen,ionaris. —er, a. gepensiovrek. —ing, a, geraaa, getter; a. armzalig. —ry, neerde; gewoon student (te Cambridge); ligtra(trih), a. pelterij, boot. ensive (pen'aiv), a. —ly, ad. peinzend, zwaarPelvis .(pel'vis), s. bekken. Pensive Pen (pen'), a. pen; hoenderhok; Echaapskooi. moedig. —nest, a. stIlheid, ernst; zwasrmoedig-case, pennenkoker. —holder, pennenhouder. held. —knife, pennemes. —man. schrijfmeester; achrij- Pentacapsular (pen- te-kep'sjoe-ler), a. met vijf zaadhuisjes. ver. —manship, s. schrtjfkunst! (het) schrijven. —stock, verlaat, duiker. —wiper, pennenveger. Yenta choral (pen'te-kord), a. vijfanarig speelMtg. — gen ( gon), e. vul'hoek. —gonal (-teg un-, v. a. echrliven; opstellen; opslutten (up). net), a. vijfhoekig. —meter (,tem'i-tur), a. vijfPenal (pi'nel), a. atraffend; straf-. —rode, wet- roetig vers. —njular (-ten'gjoe•ler), a. vijthoektg. bock van etrafvordering. —law, atrafrecht. —ly, --rchy (-aar'kih), s. vtjfmanschap. —oast (-spent), s. straf; boete. s. htjechtoestel met vijf katrol len. ---etie/c (-atik), Penance (pen'ens), a. boete.

Kunt u verkoopt uw ​​Bitcoin voor geld


—fellow, slampmakker. —grass, — weed, hands. gram. —, v. a. nederleggen; verberpen; insluiten; yeller, to — an eye, de sitar lighten. to — in writing, in genchrift brengen. v. n. liggen; ken. —ant a. liggend. — ee (koe'sji), s. slaaptijd; last bezoek. —er, a. °ogees; klapper (register); staande bond. — ing - needle, staarnaald. Cough (kof'), s. hoent. —, v. n. hoesten. — er,s. hoester. —ing, a. (het) hoesten. Coulter (koortur), a. kouter. Council (kaaun'sil), s. raadsvergadering. — common — , gemeenteraad. privy —, staatsraad. —board, (de) read. — tor, a. lid eener raadavergadering. Counsel (kaaun'sil), s. rand; overleg; raadsman. to keep —, geheim houden. to take — , rand inwinnen. --keeper, vertrouweling. —keeping, a. geheimhoudend. —, v. R. raden, rand geven. — Sable, a. randzaam. — lor, a. raadsman; randsbeer. — lorship, a. raadsheerschap. Count (kaaunt'), s. graaf; rekening; getal. —, v. a. rekenen, tellen. (up) optellen. (for) houden v. n. rekenen. (on. voor. (to) aanrekenen. upon) staat maken op. —able, a. telbaar. Countenance (knaun'te-nens), s. gelaat, voorkomen; bescherming, ondersteuning. —, v. a. begunstigen, ondersteunen. —r, s. begunatiger. rekenCounter (kaaun'tur), a. toonbank; penning; geld; rekenaar; alt; waif. Counter (kaaun'tur), ad. tegen, verkeerd, (in same natel I ingen). —act, tegenwerken, verijdelen. —action, tegenwerking. —balance, a. tegenwicht; v. a. opwegen tegen. —bass, contra-ban. —battery, s. tegenbatterkj. —bond, tegencontract; renversaal. —buff, s. tegenstoot; v. a. terugstoo—caster,rekeninghouder. — change, ten. —cast] tegenrufl; v. R. ruilen. —charm, s. tegenbetoo• verieg; v. a. onttooveren. —check, a. tegenbeleteel; v. a. verhinderen. — cunning, tegenlist. —carrent, tegenstroom. — deed, tegenbewijs. —draw, nasehetsen (door doorschijnend papier). —evidence, tegengetuigenis. —feit (-$t), a. nagemnakt, valsch; s. namaakeel; bedrog; bedrieger; v. a. namaken; vervalschen; v. n. huichelen, velnzen. —feiter, namaker; vervaischer; nadrukker. —fart, schoor, beer. —guard, bolwerkawering. —lath, dakspar. —light, tegenlicht. —mand, a. tegenbevet; v. R. afzeggen, herroepen. —march, a. terugmarmch; v. n. terug marcheeren,—mark, a. tegenmeek; v. R. van een tegenmerk voorzien. —mine, a. tegenmijn; v. a eene tegenmijn makes; verijdelen. — motion, tegenbeweging. — movement, tegenbeweging. — more, tegenmuvr, atutmuur. —natural, tegennatuurlijk. — order, tegenbevel. —pare,tegetimnatregel. —pane, beddesprei. — part, tegenstuk; duplikaat; tegenstem. —petition, tegenadres. —plea, wederantwoord, repliek. — plot, a. tegenlist; v. R. verijdelen, tegenwerken; v. n. lint net lint te keer gaan. — point, contreptint; gestikte beddedeken. — poise, R. tegenwicht; a. a. opwegen tegen, evenaren. — poison, tegengif. —practice, tegenovergestelde verrichting; heimelijke tegenwerking. — pressure, tegendrukking. —project, tegenontwerp. — reckoning, tegenrekesing. —revolution, tegenomwenteling. —salient, tegennitspringend. — scarp, tegenwal, horatwe-
klankleer. -oloyical (-no-lod'ziikl), a. van de geluidsleer. -ology (-norud-zjih), a, geluidsleer. Phosphate (foa'fet), a. phosphorzuur zout. Phosphor (fos'fur), -us, a. phosphorus; morgenster. -ate (-eet), v. a. met phosphorus yeabinden. -vice (-eel, v. n. zacht lichten, men. -eseence 'ees'aens), a. ltehting, -esrent (-eesent), a. lichtend, glimmend. cc (-for'ik), a. phosphorisch; -acid, phosphorzuur. -one, a. phosihorachtig. Photograph teto.grefi„ s. llohtbeeld. -, v. a. & n. lichtbeel en vervaardigen. -er (tog're-fur), s. photograaf. -ic (greeik., a. photographisch. - y (tog're-fih), a. kunst om lichtbeelden to vervaardigen, photographie. Photo logy (fo•tol'ud-zjih),.. leer van bet licht. - meter (-tom'i-tur), a. liehtmeter. Phrase (freez), a. ispreekwijse; zinsnedei volzin. - , v. a. uitdrukken, noemen; v. n. bijzondere spreekwijzen gebruiken. -ology a. spreektrant; verzanaeling van spreekwijzen. Phren etic (fre•net'ik), a. waanzinnig, razend. itia (-Aid' tie), a. ontstekisg; waanzin, razernij. Phrenolog 1c (fren-o-lod'zjik), -al, a. van de schedell ear. - y(fre-nol'ud- zjih), a. achedelleer. Phrenzy (fren'zih), a. Zie Frenzy. Phthis ic (tiz'ik), a. tering. -ical, a. teringachtig. -is (tharsis), a. tering. Phylactery (fi-leklur ih), s. amulet, toovercedel. Phyllite kfillajt), a. versteend bled. Physalite (fiee-lajt), s. zwelsteen. Physic (fiz'ik), a. geneeskunde; genees-, purgeerdrankje. middel. to take -. Innemen. - nut, purgeernoot. -pork, amerikaansche kermesbes. -, v. a. geneeskundig behsndelen, doers purgeeren. -al, a. -ally, ad. genees-, natuurkundig; natuurlijk. -ion (fi-zisj'en), a. geneesheer, nets. -s, pl. natuurkunde. Physiognom er (13.z.i.og'no-mur). -jet, a. gslaatkundige. -ic, (-nonfik-), a. van de gelaatkunde. a. gelaatkuude; gelaatsuitdrukking, gelaat. Physiolog er (fiz-i ol'ud-zjur), -tat a. pbysioloog, natuulkundige. -ic, -ical (-o-lodizjik-), a. playsiologisch, natuurkundlg. -y, a. leer der org.ische lichamen, natunrleer, natuurlijke historie. a. grasetend. Phyt Ivorous (fi-tiv'o-rus) - ography (-tog're fib;, s. planlbesehrijving. Phytolog 1st (fi-tol'ud. zjist), s. plantenkenner. - y, a. plantenkunde, plantenleer. Placul gar (paj-erjoe-ler), -ous, a, misdadig; boetend. Pla-neater (paj-e-mee'tur), a. bersenvlies. Plan et (pape-net), s. kleine apecht. ekster. -ist (ook: pi-a'nist), a. pianist. -oforte (pi-a'noforle), a. piano. Plaater (pi eetur), a. piaster. Plbcorn (pib'korn), a. fiuitpijpje. Pibroch (paj'brok), a. kriagsmuziek der Bergachotten. Pica (paj'ke), a. belustheid; ekster; cicero-letter. small -, brevier-letter. Picaroon (pik e roan'), a. zeeroover, vrijbuiter. Piccage (plk'kidzj), v. steangeld.
—sekrOvers, or. & on. w. to Write close. —sehroe• ven, or. w. to screw to —.Mules*, ov. w. to shove (to push) into. —1/aan, ov. w. to strike togetber,to join; de handen —, to act of one accord, to make common cause. —slititen, on. wr. to be fit, to fit in (with), to sntt. —ssit,lten, on. w. to melt, to mingle. —inserting. v. melting, mingling. —vloeien, on. w. to flow together, to meet. —rloeiing, v. conflux, confluence. —voegen, ov. w, to join, to adjust, to dove-tail (with). —voeging, v. joining. Itnent en, or. we to graft. to ingraft. to inoculate; to vaccinate. —er, m. inoculator:vaccinator. —ing, V. grafting, ingritfting, inoculation; vaccination. Inetsen, or. w. to etch in. w. to fester, to grow deeper by Inetterais, suppuration. Infanterle,s. foot, infantry. In finnsen, or. w to throw in carelessly. Intflutt,teran, ov. w. to whisper, to prompt, to suggest. Infreni, by. very fine. Imgaan, on. w, to enter, to go (to walk,to step) in, — into; to begin. Ingnarder, m. collector. Ingaeler en, or. NV. to gather, to collect. —ing, v. gathering, collection. Itagnaig, an. entrance, entry, ingress. —rinden,to take. Ingebseld, bv. Imaginary; self- conseited. Itageboren, by. innate; native, born. Ingeeride, m. & v. landholder. Ingcest en, or. w. to inspire. —kg, v. inspiration. Ingekankerd, hr. inveterate. Ingeleand,m. landholder, freeholder. Ingelegd, hr. laid (put) in; pickled, preserved; inlaid, tessellated, mosaic. I ugenteur, m, engineer. lagenonsen, hr. taken; captivated, prepossessed. —he;d, v. prepossession, affection. Ingeschapen,bv. innate, inborn. Ingesloten„ by. enclosed; inclosive,incl tided. Ingetogein, hr. & bw. continent (.13y); modest (-13, ), composed (.;y), sedate (•1y) —he d, v. continence; roodesty,andateness. Ingevni, vw. in case. loge-v en, or. w. to give in, to adminieter; to present; to prompt, to suggest, to inspire. —ing, v. suggest Ion, inspiration. Ingevolge, bw. pursuant (agreeably) to, in consequence of, in compliance with. 110401,17nntc9, o. entrails, bowels. I,,gewelde,o.intestinee. IngewUde, s. adept, initiated. Ingewikkeld, be. intricate. —held, v. Intricatenese, intricacy. Ingovvorteld„ bv. inveterate. Ingezetene, m. &v. inhabitant. Itasslertg, by, very covetous. Inglet en, or. w. to pour in, to infuse. —ing,v. infusion. lisgUts.nt, ov w. to reeve in. InglUden, on. w. to slide in, — into. InglIppen, on. w to slip in, into.
AFS.—AFW. 391 Afatutven„ on. w. to fly off; to rush out of. Atvaren, on. w. to break off (by tailing agoinst); Afoturen,ov.w. to steer off; to despatch. on. w. to depart, to go off ; to go down. Afoul/en, on. w. to slide (to slip) down. Along en, ov. w to wipe (off). —er, m. wiper. Alta/Le/en, ov. w. Zie Onttokelen. Afverg en, ov. w. to require to eruct (from! --er, m. exatiter. —ing, v. requiettion, exAfteepp en, ov. w. to draw off; to bottle; to action. tap; to drain ; blued —, to let blood, to bleed. —er, m. tapper. —ing, v. drawing off; tapping; Afverven, ov. w. to paint entirely; on. w, to bloodeletting. lose its color, to lode, to dye, to stain. Afteeken ear, m. delineator, eketcher. —en. on. AfvUt en, ov. W. to file (off). —er„ m. flier. —eel. o. w. to sign; to mark out; to draw, to delineate, on. w. to flay —, to strip (off). to sketch. —into v. signing•; marking; drawing, Atvisechen, ov. w. to empty by fibbing; to Skim. delineation, sketch. Aftellen, on. w. to tell apart, — off, to count out. Afvtelen, on. w. to obtain oy dattery. ArvIllegen, on. w. to fly off, — down. ov. w. to lift (to twice) off. Afvlieten. on. w. to flow (to run) down Aftlppen, ran. w. to point off, to nib. Aftoblben, on. w. to tire out, to harass. sic.% —, Af vtUrnen, ov. w. to cut off, — away. to drudgo, to slave. Afvtoet en, on. w. to flow down. —ing, o. flowing down. Aftocht, m. retreat, marching off. Atvotor, m. conveyance, transport. —en, on. w. Alfloncoen, on. w. to set buoys along. Aftoomen, on. w. to unbridle, to unbit. to carry off, — down, to lead off, — away, to Aftoppen, on. w. to top, to lop. convey; to transport; to abduct; to deterge, to expel. —end, by. detergent, excretory. --ing. v. Aftornen, ov. w. to uniew, to rip off, — up. carrying off, — down; abdocnon; abetereioo. Aftonwen, on. w. to bang, to drub, to rib-roast. Aftrappen, on. w. to kick down, — off. Atvorder en, ov. w. to require —, to exact (from); rekening —, to call to account. —ing, v. demand, m. descent, step. —en, ay. w. to kick exaction. off; to pace, to measure by poesy ; on. w. to descend; to walk (to step) down, to step off, to Atvrag en on. w. to ask (ot ), to Interrogate. —ing, v. interrogation. deviate (from); to leave, to go away, to reatgn, to make one 's exit. —ing, v. pacing; exit; de- At vreten, ov. yr. to eat off, to knapple, to browse. Aterleeen, or. w. to freeze off, to ba bitten off viation; rerigration. by cold. Afreek, m. deduction, abatement; salt, demand. —ken, on. w. to draw (to pull) off; to withdraw; Afvuren, or. w. to fire (off) to discharge. to divert, to turn off; to strip, to day; to deduct; Afvvonlen. ov. & on. w. to blow off, — down. to subtract; to bottle; to infuse, to make an ex Afavaarts, bw. downward. traction of; to discharge: on. w. to go away, to Afweiebt en, on. W. to wait (to stay) to,, to a, lift; to abide. —ing, v. expectation. depart, to withdraw ; to retire, to rotreot, to march off. —ker, m. trigger; eubtracter. —king. Atvitiken (Meta), t. w. to fatigue one 'a self by watching or Rifting up. v. drawing off; deduction; subtraction. —eel, o. Alwatten, on. w. to , wall (to fence) in, to extract, decoction. secure. Aftroeven, ov. w. to trump; to give (R. .) a, tart reply. Alweandelen, on. ay. to walk to the fold of; on. Aftroggelen„ ov. ve. to obtain by coaxing, to w. to come (to walk) down, to descend. Aftveseth en, on. w. to wash. — off, — away. wheedle (a. o.) out of. —ing, v. washing off, lotion, ablution. Aftronornelen, on. w, to proclaim by the beatAfsvietee •-n, ov. w, to drain; on. w. to flow off. ing of drums. y. flowing off; drainage, draining. Aftrompetten, ov. w. to proclaim by sound of Afweok en, , an. W. to loosen by soaking; or. w. trumpet. to fail off. — lag. v. waking. Attroonen, on. w. to obtain by flattery; to draw Afweer der, m. —ster, v. repeller, repulser. off (to divest) from. Afweg, no. by - Way, way about, side way. np — en Aftnigen, ov. w. to unharness. geraken, to take oad cower,. Aftuitnelen, on., Yr. to tumble down. Afwmardig en, ov. w. to deepatch,i.a depute, to Afweg enc, on. w. to weigh; to adjust, to meta.• delegate. —er, m, despatcher, conatituent. —ing, tore. —er, m. weigher. —tog, v, weighing; adjuoting, measuring. v. despatching, delegation. Afweld en, or. w. to grate off, to browse; on. Afvenrt, v. vetting out, departure. w. to digress. v • digression. Afwal, m, falling off, — down; windfall; refuse, waste, trash, rubbish; offal, garbage, giblets; Afevend en, ov. w. to turn off. — *Ode; to avert, shavings, parings, clippingo, orts, dirt ; deflec- to divert; to parry. —ing, v. diversion. tion; forsaking, defection, desertion, Apostasy. Atwell.' en. ov. w. to dieaccuetom --, to deuce /.0m,, to brook of; to wean. --ing, v. diemige, —len, on- w. to fall off, — down; to grow thin, breaking ol; wooing to decay, to decrease, to decline; to deflect; to contrast (with), to differ (from); to apostatize, At wentel nsa, ov. w. to roll off, — dawn. —ing, v. rolling off, — down. (ran) to forsake, to desert. —lig, by. disloyal, unfaithful, apostatical; worden, to turn apos- Afovo,r en, ov. w. to wart off, to parry; to aver), tate. —ige, m. & v. apostate, renegade. big, v. a rAllk; off, por.ying; to prevent. v. disloyalty, apostaey.
AAN. 376 to look (to glance) at; to show one's teeth; on. Anndijken,ov. W. Zie Anudanninen. Anndikken, ov. & on. w. to thieken. w. to dawn, to appear. Aandinarben,ov. w. to serve (to bring) np, Annbilinken,ov. w. to shine at. Aandoen, or. w. to put on; to touch at; to put Aniabod.o.offer, tender, proposal. into (eene haven); to cause, to give; to affect, to Aneaboeken, ov ev. to book. move, to touch; to attack, to snail. den oorlog Annbooten, ov. w. to feed, to stir up. —, to make war upon, to declare war against. een Anoboffen, or. w. to fling (to bump) against; on. prime. —, to enter an action against. —ing, v. w. to fall against. emotion, feeling, sensation. —10h, by. & bw. afAtenbouzers, on. w. to bounce (to bump) at, — fecting (-17), moving (-4). touching (-1y), pathetic against. —lijkheid, v. moaingness, patheticalness. Aanboorden, on. w. to fall aboard of a ship. Aaendrasgceter,v. Zie Aandrager. Anoboettn, ov. & on. w. to bore (on), to broach. Aanbotr eat, on. w. to dash (to knock, tostrike) Anndrnalen, or. 77, to turn to, — closer; to stretch; to fasten upon; on. w. komen to come against. —ing, v. paehing, chock (to approach) turning. Aanbouve, m. raising; construction, building; cultivation. —en, ov. w. to raise; to construct, to /Vanden* en, ov. w. to bring, to carry nearer; to inform of. to make known. —er, m, bringer; inbuild (bij, to); to augment, to enlarge (by buildformer, tell tale, tale-bearer. ing); to cultivate. —er, m. raiser; builder; culAundrang, m. crowd, thronging; pressure, nrtivator. —ing, v. Zie Aanbou w. geney ,rstress. Annbrand en, on. w. to burn, to scorch. ---toy, Aandraven, on. w. to trot, to run fast, — apace, v. burning, scorching_ —eel, o burned part. Aanbrass en, or. W. to brace, to brace in. —ing, to w elk nimbly. Aandeenteleo, on. w. komen —, to come (to v. bracing. Aanbrellen, or. w. to knit to, to new-foot; on. w. approach) sauntering. Aandribbelen, on. w. komen —, to come (to apto knit on. Aanbrek en, o. dawn, day-break; met het — van proach) tripningly. den dap, at daybreak, about sunrise. —en, ov. w. Aandrift, v. impulse; instinct. to begin, to break, to open, to touch. —lag, v. Zie AandrUfater, v. Zie Aandrijver. AandeUv en, or. w. to key up; to press (to push) Aanbrekec, o. an; to impel, to stimulate, to urge, to incite; on. Annbeeng en, or. w. to bring (nearer, on); to w. komen —, to float hither, to be cast onshore. impeach, to inform against, to denounce, to de—er, m. driver, pusher; stimulator. instigator, pose; to produce, to yield. —er, m. —ater, v. abettor. inciter. —ing, v, driving (puebing) on; inbringer; informer, denouncer; tell-tale,tale-bearatigation, incitement. er. —rug, y. bringing nearer; information, denunAandring en, or. w. to push (to press) on. — dal°n. against; to urge, to incite; on. w. to insist (op, Aanbelesehen, or. w. to neigh at; to roar (at). upon). —er, vu. —ater, v. urger, imitater. Antabeovannen, ov. w. to grumble (to grow) at. Aleindr arisen, on. w. to be contrary (to), to clash Aanbruien, ov. & on. an. Zie Artaborten. (with). Aanbruiv en, on. w. to roar, to foam, to rush on; Aandeukk en, ov. w to print to; to press(against. to use one roughly. —kg, v. tegen iemand —, to); on. w. to print on --lag, v. printing to; foaming, rushing. pressing against. Annbrull en, or. w. to roar at. —iny,v . roaring /Cantonal* en, or. w. to bend nearer. —ing, v. Alandssid en, ov. w. to indicate, to denote, to signify, to show, to point to. --mg, v. indication, bending. signification, denotement. Annbuitallen, on. w. to tumble near, to approach Aaadoeven,ov.w. to dare attack. tumbling. Aandoween, ov. w. to push on, — forward; to Annbulderwn, 'iv. w. to roar at. push (against). Aatabulken, or, w. to bellow (to law) at. Aandaeht, v. attention; devotion. —ig, by. & bw. Annelinwellen., ov. w. Zie Dw attentive (-Ty), intent (-Iy); devout -1y), pious Anneen, bw. together; successively. —binden, ov . w. to bind (to tie) together. —binding, v. binding (-1y). —igheict, v. attentiveness. (tying) together, junction. —breien,ov. w. to knit Anodanin3en, ov, w, to dam up. to dike. together. —brengen, or. w. to bring together, to Aantinnsen,on.w. !omen—, to approach dancing. Join. —flames, ov w. to botch (to patch) toAandeet, o. portion, part, contingent, shore. — hebben, to share in, to have a hand in. — nemen, gether. —geachakeld, bv. linked together, concateto take a share, to partieie ate; to take an interest nated, compact, concise. —gesloten, by . close, closely united. —groeiert, on. w. to grow together. (in). —howler, —houdster, shareholder. —groeiing,v.gvowing together,symphysis.—hakes, Anndenken„ o. remembrance, memory; keepsake. ov. w. to hook together. —hangen, on. w. to hang tot — van, in commemoration of. together, to cohere. —hechten, or. w. to fasten Aendlcht en, ov. w. to impute, to charge with. together, to attach. to join, to unite, to connect. —ing 7 • imputation. —hechting, v. joining, connecting. —ketenen, ov. Aandienen or. w. to tall, to announce, to give notice of; to* give In a. o. 'a name to usher in. zich w. to chain (to link) together. —keening, v. linking together. —klampen, or. w. to clamp together. fates —, to send in one's name. —kleven, on. w. to stick together. —klinken, or. Aandlepen, ov. w. to deepen,to make deeper; on. w. to rivet together. —knoopett, or. w. to knot w. to eound (to try) the depth.

Hoe kan ik bitcoins in Australie kopen


(: °ripe EA led go r'bel-lid), e. (lit()) utkig. —y, e, G rtliCC (grees'), , genade; 'gun et; bevalligheid; dikbuig. tafelgebad. to say —, bidden, danken (WO den (.or cock (gor'kok), s. korhaan. —crow, efts- maaltijd). days of —, respijtdagen. —cup, laatste kraal. glas, afzakkertja. —, v. a. begunstigen; verGordian (gor'di-en), a. gordiaansch, ingewik- sieren. Graceful (grees'foel), a. —ly, ad. bevallig, beheld. — knot, gerdiaansche knoop. koorlijk. —ness, s. bevalligheid. Gore (gone'), s,geronnen bloed; Beer. —s (goorz), a. zeilgieren. —crow , aaskraai. —. v. a. doorbo- Graceless (greesness), a. —ly, ad. eervergeten, goddeloos; onbevallig. —netts, a. snoodheid; onbe• ren; steken (met Is horens , . valltgbeid. Gorge (gordzj), e. keel, atrot; ingeslikt brok; holkeel; bergkloof. —, v. a. verzwelgen; volprop- Graces (gree'siz), a, Gratien; bevalligheid; gunst. Graell e (gres')l). a. dun, tenger. —ity (gre-sil' pen, verzadigen (with). —, v. n. vreten (upon). it-till), a. rankheid, spichagbeid. Gorgeous (gor'dzjits), a. —ly, ad. prachtig, Gracious (teree'sjus), a. —ly, ad. liefderijk, welweidsch. —ness, a. praeht. willend; deugdzassn; hevallig. —ness, s. liefdeGorget (gor'dzjit), s. ringkraag; balakraag. Gorgon (goegun), s. Medusa, monster. —ian rijkheid, welwillendheid; bevalligheld. Gradation (gre-dee'sjun), a. trapswijze spool(-go'ni-en). a. afmr.huwelijk. G orrnand (gor'mend), a. gulzige-ard, venal. —ism ging. ( -isn't), a. guizigheid. —ize (-dajz), v. n. gulzie; Gradatory (gred'a-tur-rih), a. trapswijze voortgaand. —, a. kerktrap (in kloosters). eteii. —izer (•dajzr), a. vraat. Gra de (greed'), a. greed, rang; aarden spoorGorse (gory), s. steekbrem, priernkruid. baan; v. a. aanleggen, inrichten (eene aarden Gory (go'rib), a. hebloed, bloedig. baan tot speerweg)• 2dicnt (-di-ent), a. wandeGoehawk (gos'haok), a. ganzenarend. lend, stag end; grand van 'dimming en dating. Gosling (gos'lieng), a. jonge gaps; katje (aan Gradual (grecnoe•e1), a. —/k, ad. trap•wijze, bnomen). geleidelijk. —, s. trap; graduaal. Gospel (gos'pill, a. Evangelic; godgele,rdheid. --lee, a. Evangelie•leeraar. —lice, v. a. in het, Graduate (gred'joe-et), a. bezitter van een'acaEvangelic onderwijzen. demischen greed. —(-set), v. a. tot een scadsGossamer (gos'se-mur), re plantendons; herfst- misehen grand bevordersn; in graden verdeelen; v. n. promoveeren; geleidelti k voortgaan, —d dradsn. —y (-mer-ill), a. licht,luchtig; dradertg. Gossip (gos'sip), a. ijdel gesnap, gekeuvel, buur- (-ee-tid), a. gegractueerd, —s ip, a. s'aat (titel praetje; peetoom; peternoei; hebbelkous. —, v. —van gegradueerde• n. bebbelen, keuvelen; vroolijk zijn. —ry, e. Graduation (gred•joe-ee'sjun), a. geleideltjlte (transwijze) voortgang; promotie. peetachap. Graft (graaft) 5. entstek. --, v. a. & n. enten CI 0.41.11 (goy-roen'), a. loopjengen. (on, op). —er, s. enter, boomenter.. Gosling (gos'tieng, a. rneekrap. Gotta (goth'), s. Goth. —waist (goth'em-ist), a. Grail (greet), s. graduaal; gruta. Abderiet, waanwijze, —am:te (-e-majt), s. be- Grain (green), s. gram, koren; korrel; grein; nerf in leder); dread (iu hoot); ',Mug (in stofwon, van New-York. fen); humeur. dyed in —, in de wol geverfd. (Gothic (r,oth'ik), IL gotbisch, barbaarach. —ism rogue in —, doortrapte sc-hurk. —s (greens), a. (-i-aism), a. gothi.sche stijl; barbaarschbeti. buistel (van mouty; droesem. Gouge (gandz,j), P. guts. —, v. a. guinea; het Grain (green') v, a. vlammen, marmeren (ale (mg uttdrukken. Gourd (goerd'), a. pompoen, kauwoerde; beach; hoot). —ed (greend), a. ruig; geverfd; in de wol geverfd; als hoot geschilderd. —er, a. nabontser valsche dobbeisteen. -mesa, a. sehenkelgezwel, van houtsoorten ‘schildar). —y, a. vol koren; —y, a., dikgootig, getwollen. korrelig. Goot (gout') a. jicht; mask; droppel. — swo//e•, door dejicht gezwollen. —wort, glidkruid. —him, Graiiic (grellik), a. langbeenig (van vogele). jichtigheid. —y, a.jichtig. Gramercy (grem-muesila), hit. hartelljk dank! a. Clove (goov), a. hoop, acheaf (hoof of koren). —, Greenal,rie al (gre-min'i-el), —tees, a. graaachtig. v. n. inhalen, ophoopen. Gratninivorons (grem-i-niv'o-rue), e.grasetend. Govern (guv'rn,, v. a. Sc n. a egeeren. —able, a. Grammar (grem'rner), a. spraakkunst, —school, regeerbaar„ handelbaar. —once. a. bebeer, lei- latijuache school, —ian (-mee'ri-en), a. spraakkunstenaar. ding; gedrage ---ens, s. regentes; gouvernante, onderniperee. —went, s. rcgeering; bewind; be- Gramsnat testi (;;rem-met'ikl), a. —ically, ad. spraakkunstig. —icaster (-i-kes-tor), —lad (grew' eeereching. —or, a. landvoogd; bewindvoerder; me-tiet), s. woord,enzifter, echoolvos. —icize ..t.. gouverneur; maehineedrijver. sajz).,v. a. spriagkunatig waken; v. n.den epraelc(4 OW11 (gaann'r, s. japon; tabberd, toga. —ed, a. cen' tabberd dragend. — woo, --soon, getlb - hunstensar uithsngen. Grainple ±grem'pl,, s. krab. herd man; reebter; student. , Grampus (grem'pus), a. noordkeper. Gowt (gaut), a. tluic. 1 Granary (gren'e-rl-h), a. koreneehutir. Gozzard (goz'iurd), a. ganzenbeeder. Grab (greb), a. malabaarsch vaartuig. —, T. a.' Grand (grendl, —ty, ad. greet; grootsch; voorplotaeling grijpen; v. n. plukharen. ' maim. —child, gleinkind. —cross, grootkruis. Grabble (greh'bi), v. n. grahbelen, sparteleu,' —davghter, kleindochter. —day, feestdag. —duke, ta.ten groothertog. --dukegoni, groothertogdom. --Of.
loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
—, a. heaparing; apaarpenning; uitzondering, Scamp (amp"), a. achavuit, deugniet. —er, v. voorbehoud; redding, tiehoud. --s•bank, spear- n. gaan echuiven, op den loop gaan (away, off ) bank. —mess, a. suinigheid. —irk a. achavuittg. Savior, Saviour (seeejur), s. Zaligmaker, fief,- Scan (sken), v. a. onderzoeken, uitpinizen; scanland, Verlosser. deeren. Savor isee'vur), a. smaak; geur. v.a.proeven; Scandal (sken'del), a. aanstoot, ercernie; Behanemaak vinden in; v. n. smaken, ricken (of. naar). dael; echande. —ice (-ajz), v. a. ergeren; helas-ity, ad. —y, a. smake:ijk, geurig; streeleud. teren. —ma, a, —ously, ad. ergerlijk,achaudelijk. —iness a. amakelijkheid; geurigheid. —ousness, a. ergerlijkheid, sehandelijkheid. —less, a. smakeloos; reukeloon. —y, a, boonen- Scan dent (aketedent), a. klimmend. —.ion kruid. (.ajun), a. acandeering. Savoy (ae-vor), a. eavooiekool. Scant (skeet'), a. kartg; achatirach, achraal. Saw ;son'), a. tang, spreuk. —blade. zapgblad. v. a. bekrimpen, beperken; v. n. achralen (van —dust, zaag,,e1. —file, zsas...vijl. —fish, za.ikvisch, den wind). —iness (-1.-nasal.—ness, a. karigheid; zaavmolen. —pit, znagkuil.--wort,schoor- achaarschheld, achrstalbeld. —le (akent%), v. a. ikrutd. —toren, tandzetter. in kieine atukken an'jden, verbrokkeien. —Hag, Saw (sac') [sawed, sawn. (soon)], v. n. zagen; a. kietne hoeveelheid; atukj3; meat; klamp; (down) aan mtukken cages. —. v. n. zagen; nick monster. ad. —y, a. achraal, achaars; laten 3agen. —er, —yer ( - Jur), a. anger. karig; bekrompen. Stmlfrag c (seks'i-freedzj, a. ateenbreke, —ous Scaape (sleep'(, a. ontanapping; cuitenstreek; ape(-irre pia), a. ateenoptossend. Pug; steel. —gallows, talgebrok. —goat, zondenSay (see) a sant; monster, proef; gezegde. bok. —grace, achurk, achobbert. —, v. a. & (sedgy], v. a. & n. zegge.n, opzeg- Zio to Escape. —went, a. eahappement (in oar Say (see') the mass, de min lozen. —ing, s. (last', gen. — the werken) zeggen; gezegde. spreuLt. Scatishander Iskereu•dur), a. zwembuis. Scab (akeb'). a. roar, korst, anhurft; sehoft. —bard Scapula (skep'joe• le), a. achouderblad. —r, —ry (.burd), a scheede. —bed (- hid;, —by, a schurft ig; a. achouder ; van bet schouderblad, a. echouder • Kempen. ermzalig, —bedneqs, kleed, teapulier. s.schurftigheid;gemeenkpid, artnzaiigheid.—ions Scar (skaar), a. litteeken; schrami zeepapegaai. (skee'bi-us), a. schurfttg; s. s. schurttkruid v, a. achrammen; v. n. tot litteeken warden. Scabrous iskee'brua , , a. row, hohbelig: hard, Scans bee taker'e-bie), a. achalebijter, lover. onwelluidend. —nes., a. ruwiteid: hobbeligheid; —mouch (•mautaj), a. hansworat. onwelluidendheid. Scare e (sheera'), a admiral); zeldzaam. —e, Scaffold (akerfuld), a , ateltaadj,-; ateiger; —ely, ad. be nauwernood. —eness, —ity, Vol. —, v. a. van een' steiger vuorzien. —age, schaarschheid; giebrek. —ing, n. stellaadje; a;eiger Scare (skezei, v. a veraehrikken (away). —crow, Scala bias (ekeeribi), a. beklimbaar, —de (eke. molik, vogelveracbrikker. teed') —do n ske lee'do), a. bekiimming met storm- Scarf (skaarfl, a. smalle ornalagrioek; aiera ladder,. —ry (sok; skere-rihk, a. trapawi,jze. 'ascii. —skin, opperhuid —, v. a los kleeden; Scald (skald'(. —er. a. stable. bard, dichter, oinhangen; bestehen ; (up) aluieren. —ing, P. a. van een eicalde. lassching, klinkwetk. Scald (skaold'), a. schurftig; artnzalig. —, a. Scarlf (cation (aker-if-i-kee'alun), a. kopping. schurft; brandwond. --head, ec ► urftkop. v, —icator (akfr'-). —ier, (aker'i faj-ur), a. koppena. hranden, achroeien. zetter. —q (aker'i-faj), v. a. koppen. Seal a (siteer), a. echaal; maatataf; (de) Weeg- Scarlet (akaarlit), a. acharlakenrood. —, a. achaal; schub, achilfer; ladder; —bean, evenaar. schariaken. —bean,scharlakenboon, pronkboon. —e, v. A. bektimmen; wegen; afmeten, afsehub- cardinal flower, 1-oode kardinaaisbioem. —cloth, ben; v. n. achtlferen. —ed !skeeld), n ge6chubd. schartaken. fever,, acharlakelkoorts. —eless, a. ongesehubd. —ene (she-lien"), a.onge- acharlakenbea. —horse, huurknol. horse-chestnut, drlehoek. (-11-ness), a. echille• roodewilde kaatanje. —jasmine, hignonia.—lupin, rikheid. —ing, a. beklimming; —ladder, storm- roode apaansche wtk.—lohnts, broudende liefde ladder. —.es (akeelv, pl. hamersiag. I (plant), —oak, steeneik. Scan ofkaoll), A, haarworm, hoofdzeer.'Scarp (Omar?), achuinte. Scallion (akePjun), a. ajaJot. 'Searcy (skaaerlh), a. vol litteekene. Scaliselakorittpl. a. kammossel; sehulpwerk; Scatch (abets)'), a. kapgebit. —, v. A. remmen tend. —. v. R. uttaehuipen, uittanden. leen rad). —es;,.. (-in). pl. stelten. Stalp (akelp'), a. schedel-. panvlies. — , v. a. State (skeet), a. engelvisch. 'Lie Skate. scalpeeren. —el (Al)) s. er:hrapmesje; sealpeermea. Scat!' (aketW), schade, cadent. —, v. a. bescha—ing iron. achalpeermen, digen. —rid, a. schadelijk, nedeelig. —less, a, Sca:;y fakes'iih), a. schubbig, acbilCerig. onaehadelijk. Scarab' e lakem'h1), v. a. vermInken, veracheu- Scatter (skeetur), v. a. & n. (zich)veratrooien, cell; (away) verkwiaten; v. n, rondzwerven, grab - verspreiden. —brained, verstrooid. —er, a. 'terbelen (for); onhandig to week goals. —er, a klap- strooier. —ing, a —tingly, ad. verstrooid, verlooper. —ing. a. —ingly, ad. woelig, ongestadig,1 apreid. —ling, a. landlooper. indringend; verstrooid. 'See, age (akev'idzj), a. etaangald. —ettger (-inSeammony (akem'mun-nth), a. purgeerwinde. dzjur, a. atraatveger.
Infinitive. to Blow to Bear (harem). , (dwen). to Bull to Bind to Breed to Break to Bring to Build to Burn to Burst to Come to Cast to Catch to Chide to Choose to Clothe to Cleave to Climb to Cleave to Cling to Come to Cant Can to Creep to Crow to Cut to Deal to Do to Dip to Do to Drink to Draw to Dream to Draw to Drive to Drink to Dig to Ding to Dare (duxven ). to Dwell to Eat to Fall to Feed to Fall to Feel to Flee to Fly to Fling to Forbid If
Thorough (thur'o) a. -ly, ad. geheel. volledig, volkomen, door en door. -base, generale bait. - bred, wel opgeaoed; volbloed. -fare, doorgang; doorvaart. doortiatend, recht door zee. -paced, -sped, volkomen, doorkneed. -stitch, Ad. door en door, geheel en al. -toll, doorgangtol (voor yea). -wax, hazenoor (plant). -wort. leverkruld. Those (thooz). pr. pl. van That. Thou (thou), pr. glt. v. a. op gemeenzamen Loon spreken tot; v. n. to thee and -, jijen en jouen. Though (Cho), conj. ofechoon, hoewei; tech; tamer, as -, aloof. Thought (thaotn, a. bet denken, gedaehte; nadenken, overlegging; meaning, oognzerk; beaargdheid; welnigje. to take -, draergeeetig wordeo, bebumnierd Oa. mijmerend. -jut, a. -fully, ad. peinnend; bedachtzaara; opmerk. zaam; bezorgd. -fulness, a. nadenken' bedaehtzaantheid; bezorgdheii. - lea., a. -lessiy, ad. onbedachtzaaeo, zorgeloos. -lemon., a. onbedecks aa mheld, gedaehtelooaheld. Thousand (ihan'zen.d), a. dnizend. e. duizendtal. -th, a. duizendete. Thowl (than!), a. Zie Thole. Thraldom (thraordum), a. elavernij. Thrall (thraoll), a. elaaf; elavernij. -, v. a. tot deaf maker. Thrapple (threp'pl), a. etrot itichtptip. Thrash (threaj'). v. a. doreehen; afroasen; v. n. dorschen; awoegen, slab aftobben. -er, e. dorseher. dorsehvioer. Tbrasonleal (thre.scn'iki)„ a. -1y, ad. snoevend, zwetsend. Throve (three‘'), a. kudde, drift. Thread (threC) a. dread; gluten. -tare, keelgee;eten. -bareness, kaalheld, -bobbin, goresklas -housewife, garenzakje. -lace, garenkant. -paper, papteren garenkloeje. -shaped,. druidVOtalig, -tape, garenband. -, v. a. (een' draad) lasteken; aanrijgen; doorgaan. (threern), a. van dread. -y, a. dradig; tenger. Threat (tbret;'), a. bedreiging. Threaten (thret'n), v. a. dreigen, bedreigen. -er, s. dreiger. -lag, a. dreigend; e. het dreigen, bNlreiging. Throe (thri'), a. & -cornered, driekant. --decker, driedekker. -edged, driekantig. -fold, drlevoudig. -.footed, drievoatig. -forked, gedrietend. -Aeculea.. driehootallg. -leek, -inched, driedub.• ; nietig, onbedaidend. leaved, drlebladerig. -legged, driebeenig. -.nerved, drleribbig. -pence, driestuiversetukje. -pennorth, year drie etuivers. -penny, drie etutvera wattni; gemen... gering. -sccre, zeatig. -sided, drleztldig. -square, driekant. -tailed van drie imardetaarten. -valved, driekleppig. Threnody (thren'ad-dih), a. klaagzang. Thresh (three)), v. & n. Zie 'annals. Threshold (threaruld), a. drempel. v, Thrino (thraja), ad. driemaal. (theid), v. a. doorsinipen, duortrekken. die to Thread. Thrlfallow (thrarfel-lo)„ v. a. driebraken. Thrift (thrift'), a. geluk, voorepoed; voorda*J;
Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.
PRE. a. (jveraar voor de booge geeatelijkheid. —lure (-tjoer), 8. waardigheid van prelaat. Prefect (pre-lekt'). v. n. eene voorlezing houden (upon). —ion (-lek'ajun), a. voorlezing, — or, B. voorlezer, lector. Prelibation (pre-laj-bee'ajun), a. voorsmaak. Preliminary (pre-lirn'i-ne-rih), a. voorafgaand, inleidend. a. voorloopig punt, voorloopige stap, PreIts de (prel'joed), a. voorapel; inleiding. —de. (Pre-ljoe.1), v. a. & n. preludeeren; iuleiden; voor berei den. —dial,—sive,—sory, a. (-pre-Joe'-) inleidend; voorbereidend. Pr emniur a (pri-me•tjoer'), a. —ely, ad te vroeg rijp; ontijd;g, voorbarig. —sty, a. ontijdiaheld, voorbarigheid. Premedita to (prented'i-tet),..—teiy,ad.vooraf overlegd; voorbedachtelijk, —te(-teet), v. a, & n. vooraf overleggen. —tion (-tee.sjun), a. voordacha, voorafgaand overleg. Premices tprem'ia-lz), pi. eeratelingen. Premier (pri'mjur), a. eerate minister. Premise (pre-maje), v. a. voorop stellen. vooraf ala praemitsen stellen. —a. (peeinilaten 18-'.!2), pl. voorop gezette atellingen, praemissen; htitt hula en erve. P,etnium (pri'mi urn), a. premie; belooning. premonl 811 pri-mon'isj), v. a. voorat waarschuwen. —shinent. —Con (-mo-nisrun). a. voorafgaande waarachuwing. —tare ,,.(-i-tur-rth), a. voorat vvartrschu wend. Premunstrate (pri•mon'street), v, a. vooraf toonen en bewijzen. P,eatorse (pri-more), a. getand, aftebeten. PrenaDtkon (pre.mosejun), a. aandrift. Prom4ini re (pram-joe-narrih), a. verbeurdver,larin•; misdeed, die met verbeurdverklaring pri..:estraft wordt; uiterste verlegenheld mjoe-nisrun), a. voorkoming cener tegenwerrdnif-tory (p •a-rnjle'ni-tur-rih), a. eene geldboete vastatellend. Pr ...Ult. to (pri-nom'i-neet), v. a. vooraf lenoeraen. —tion (-nee'sjan(, a. ,.voorstgeanae henoeming. Prenotion (pri.no'sjun,, a. voorkennia; voorsmaak. P ,ene lee (pratetts), a. [& v. a. Lie Apprentice P eeobtain (pH-ob.-teen'', a. a. vooraf verkrijgen. Preoccup ancy (pri-olt'kJoe-pen-sih), a. 'roegere In-bezit-neming. —ate (greet), v• a. die to Preoccupy, —ation vroegere in-bezit-rzemIng; vroeger bezit; vooringenoneenheld. —y (-paj), v. a. vroeger in bezit neaten, voorinne rnen. Preorninate (pri-om'i neat), v. a. voorapellen. I.reopinCon (pri-o-pin'jun), a. veroordeel. Preoption (pri-op'e)un), a. voorkeur. Preordain (pri-ur-deen'), v. a. vooraf beachikken. — verordauen. Preurdina nce (prt-or'di newt), —lion (-net, qua), s. vroegere beachlkking of verordening. —te (-net), a. vooraf betchikt. Preparat ion (prep-e.rees'ajun), N. berelding; voorbereiding; toebereldsel; voorbereidbeid, (for;. a. —ively, ad. (pre-pers tiv-), —ory, a. --oray, ,td. (pre-per'e-tur.), voorberetdend, voorloopig (to). —iv* (pre-per'e-tiv), a. toebereidael
REA.—REO• Rebut (re-but.'), v. a. terugalaan, -stooten; atRenegue (ri•el'ger), a. rood arsenicum. weren; v. n. op de tripliek antwoorden. Realm (relm). s. rijk, koninktijk. Recall (rs keel% s. herroeping. —, v. a. herReam lriera), a riein (papier). Reaninza te (ri-ee'-i-meet), v. a. wader bezielen. roepen; terugroepen. Recant (re-kent'), v. a. herroepen; v. n. terug—tion (-mee'sjun), a. wederbezieling. Reannew (ri-en-neks"), v. a. wader aanhechten. treden. —ation (ri-ken.tee'sjun), a. herroeping. —er, 8. herroeper. Reap (riep), v. a. & n. inoogsten, oogeten. —er, s. maaier. —ing- kook, sikkel. --ing-time,00esttijd. I Recinpit ula te (ri-ke-pit'joe-leet)„ v. a. in het Reap pear (rl•ep-pier';, v. n. winter versclikjnen.kort herhalen. —tion (-lee'sjun), a. korte herha-pearance,s.wenerverschijaing. —paint (.pojnt'i, ling. —tory (-le-tar-rile), a kortelijk herhalend. v. a. wader benoemsn. —pointment (-point'-) e. hernerser. —are (-tjoer), s. herneming, heroveherbenoeming. heroverde bait; v. a. hernemen, heroveren. Rear (rier , ),.s.achterhoede;achtergrond.—eubniral,, Recast (ri-kaast") [im], v. a. op nieuw werpen; schout•bij-nacht. —guard, achterhoede. —mouse, — gieten; berekenen. vieérmuis. —rank, achterste gelid.—ward(-waord), , Recede (re-sied'e v. n. wijken. terugtreden; v. a. op- I (from) terugkomen op; afstand down van. a. achterhcede; ad. achterwaarts. heffeu; oprichten; opkweeken; opvoedea, groat- Receipt (re-siet'), a. ontvangat; kwitantie; rectal recept. brengen, opbeuren; verheffen; opjagen; verwer- Reedy able (re-siev'ibl), a. aannemelijk. —e, yen; v. n. eteigeren. Bleaseend (ri-es-send'), v. a. weder beklimrnen; v. a. ontvangen; onthalen; aannemen; beg ripen; helen. —er, a. ontvanger; haler; vergahrbak. v. n. weder opritijgeo. Reason (Wm), a. rede, veretand; reden, grond- Receiebtate (riesel'e-breet), v. a. weder vieren. oorzaak; rekenechap; billijkheid. by — of, we- Recency (ri'sen-sib), s. nieuwheid. grins. to do —, bescheid doen; racist laten weder- Recension (re-sen'sjun), a. beoordeeling, recensie; hertellibg. varen. —, v. a. & n. onderzoeken, redeneeren. —able, a. —ably, ad. redelijk, billijk; veretandig; Recent (regent), a. nieuw, versch; onlangs tre beard. —ly, ad. onlangs. —ness, a. nieuwheid, middelmatig, dragelijk. —ablenes, s. redelejkheid, verechheld. billijkheid; matigheid. —er, a. redeneerder. a. redeneering. —less, a. redeem, a. onver- Receptacle (re-sept'ik1), a. ontvanger, vergaferbak; ochuilhoek. atandig. Itenseeneble(ri-es •sem'b1), v. a. weder verzeme- accept ion (re-sep'sjun), v. ontvangst; onthaal len; v. n. wader bijeenkomen. aanneming; wederopneming; bevatting; algemeen 11,asert (riees-suin ► , v. a. wader beweran. —ion attagenomen begrip. —ire, a. ontvankeljjk. —ory (-sur'ejan), a. herhaelde bewering. (oak: (res'ip-tar-rth), a. algeineen aangenomen. Helmet/en (ri-es-eajn"), v. K. weder aanwijzen. Fteeess (re-sass';, a. terugtreding, evejking; ver- afataan, I trek;:afgezonderdheld, eenzaamheitl; nes, alkoof, R4,118811111 e (ri-es-ajoem), v. a. weder fianvaar. inhann schuilhoek; achoraing, vacantie. —ian den, —ption (-aum'sjun), a. wedereanvaerding, (-sesrun), a. terugtreding, (het) afstand doen hervatting. (from). Renesor ance (ri-es-sjoer'ens), s. herverzeke- Recbange (ri-tsjeendz'), a. herwissel. —, v. a. ring. —e, v. a. wedergerustmtelien; herverzekeren. op nieuw veranderen; herwissel nernen. Recharge (ri-tsjaardzr), v. a. op nieuw aanvalitensty iriesitih), a. ranzig. Reattempt (ri-et-temt'l, v. a. weder beproeven. len; wader beechuldigen; herladen. Recbnrter (ri-tajaaetur), v. a. op nieuw beHeave (eiev), v. a. rooven; berooven (of ). vrachten. Itebeiptie ation (ri-bep-ti-zee'sjun), 8. hordao- ping. — e (•tajz'n v. a. herdoopen. —er (-taje- Recheat (re-tre;iet',, v. n. den tarugroep blazen. Rechoose (re-tejoez') [em], v. a. herkiezen. urn a. wederdooper. Rebate (re-beet'), ts. spooning; verminderIng; Recipe (reeip-pi), a. recept, voorscbeift. korting. —, v. a. etomp waken; eroeven; ver- Recipient (re-gip';-eat), a. ontvanger, Reciproc al (re-aip'ro-kel), a, —ally, ad. waderrninderen; korten, keerig; wederzejdsch. —alness, --sty (res-11.-pros'. "'Xebec (ri'bek), a. driesnarige visor Rebel (reed), s. oproerig, muitend. —, a. op- it-titt), s. wederkeerigheid. —ate (-keel), v. e• beantwoorden; e. n. wederkeerig handelen. roerling, inuiter, —ation (-kee'sjun), a. beautwoording, weaseling., Rebel (re-ben), v. n. opataan, muitea. —Zion, wedervergelding. opetend, muster)). —lions, a. —liously, (-jun.), Reel:slur. (re-elzfun), a afsnijding. ad. (-jes•, oproerig, muitend. •-liousness Recit at (re-sajt'e.n., —alien (res i-tee'sjun), e. a. oproerigheid. herhaling; opzegging; optelling; vertelling; ver. v, Rebound (re•baaund'), s. terugsprong, a. terugkiteteen; v' n. terugspringen. heal. — alive (res-i-te•tiev"); a. ieeitatief, verha• Rebuff (re-buff '), s. terugstoot; wederatand; af- lende eaugwijs. —e, v. a. herhalen; opzeggen; wijeing. —, v. a. terugstooten; afwijzeri. optellen; verbalen. —er, a. opzegger; verhaler. Rerkietts (rek'lees), a. —1y, ad. onbekommerd, v, a. herbouwen. Rebuild lri-bild') zorgeloos, — neat, a. zorgeloosheid. Rebuk bible (re-bjoetkibl), a, berispelijk. —e, s. berisping. —c, v. a. berispeu. —er, a. berisper. Reckon (rek'kn), v. a. rekenen, berekenen; ach• ten. (over) overrekenen. (up) berekenen, optela. op nieuw begraveu. Rebury (ri-her'ih)„ v. len. —, v. n. rekenen; afrekenen. (for) boeten Rebus (rebus), a. figuurraadsel.
This content is being provided to you for informational purposes only. The content has been prepared by third parties not affiliated with Coinbase Inc or any of its affiliates and Coinbase is not responsible for its content. This content and any information contained therein, does not constitute a recommendation by Coinbase to buy, sell or hold any security, financial product or instrument referenced in the content.
ABS.—ACC. Abstrus e (eb-stroes'), a. —ely, ad. diepzinnig, duister. —mess, —ity, a. dulaterheid, onverstaanbaarheid. Absume (eb-sjoem'), v. a. langzaam verteren. Absurd (eb-surd'), a. ongerijmd. —ity, —ness, s. ongerijmdheid. Abundan ce (e-bun'dena), a. overvloed. —t, a. —tly. ad. overvloedig. Abus a (e-bjoez'). a. misbruik; mlaleiding; beleediging. —e (-bjoezi, v. a. misbruiken; bedriegen; beleedigen. —er (-bjoea'ur), a. miabruiker, enz. —ive, a —ive/y, ad. miabruikend; verkeerd; bedriegelijk ; beleedigend. , a. lasterzucht. Abut (e-but'), v. n. (on. upon) aangrenzen, belenden. —meat, a. bruggehoofd; belanding. —tat. 140, a. aanpaling; grena. Abysmal (e-biemell„ a. grondelooa. Abyss fe-ble"), a. atgrond; hel; oak Abysm. Acacia (e-kee'sji-e), a. acacia; german —, gleedoorn. Acadeim lal (ek-e-di'mi-e1),—ic (-dem'ik), —ical (-dem'ikl), a. akademiach, --aan, —ic, a. student; bezoeker eener hoogeachool; academicas. —ician (mie'ejen), —itt (e-ked'i-mist), a. akademist; lid van een geleerd genootschap. —y (e-ked'i-mih), a. akademiel school noon wijsbegeerte; geleerden-vereeniging; speelhuis. Acajou (ek'ed-zjoe), a, mahoniehout; mahonieboom. —nut, a. cachou. Acanaccous (ek-e-nee'ejue), a. doornig. Acantha (e-ken'thel, a. doom, stekel. Acanthus (e-ken'thua), a. berenklauw; lofwerk van een kapiteel. Acatalap sy (e-ket-e-lep'sih), a. onbegrtjpelijkheld. —tic, a. onbegrijpelijk. Accede (ek-sied'), v. n. (to), toetreden tot; toestemmen in. Accelerate (ek-eel'ur-eet), v. a. beepoedigen, (ee'sjun), a. bespoediging. —ive veranellen. (-er tiv), —ory (-e-tur-ih), a. verenellend.; Accen at lek-sen.cr ► , v. a. aanateken, in vim zetten. —debility (-di-bil'it-tih), s. ontvlambaarheld. —dible, a. ontvlambaar. —aeon (sen'sjun), a. sansteking. Accent (ek'sent), a. accent. klemtoon; uitepraak; etembuiging. —a, a. klanken, tonen. Accent (ek-sent' ►, —uate (-joe-eet), v. a. accentueeren; den klemtoon geven; uitspreken: —or, a. aerate discant. —uation 1-joe-ee'sjun),-a. accentuatie, apraakkunatige uitspraak. Accept (ek sept'), v. a. aannemen; (of) genoegen nemen met. —ability 1-te-bil'it-tih), —ablenees (ibl-ness), a. aannemelijkheld. —able, a. (to) aannemelijk; aangenaam. —ance (-tens), a. cantleming. goedkeuring. —ation 1-tee'ejun), —ion (sep'sjun). a. ontvangst; goedkeuring; aangenomen beteekents van een woord. —er, —or, a. aannemer; goedkeurder. Access (ek-sea'), a. toegang; aanwaa; ziektevlaag. —ible, a. toegankelijk, genaakbaar. —ion, a. hornet. nadering; aanwaa. —orily, ad. daarenbovan. —oriness, a. medeplichtigheid. —ory, a. bijkomend. bijgevoegd: medeplichtig. —ory. a. medeplichtige: aanhangsel , toegift. Accident (Wei-dent), a. toeval; ongeiuk.
rechtschapen, oneerlijk. —Cy, a. trouweloosheid; onrechtechapenheid. eel, dekmantet. —, v. a. vermommen, bewim- Dismal (diemel), a. —ly, ad. akelig, naar, sompelen. —a, a. vermommar. ber; droevig. —, a. begraver van pestlijken. —8, Disgust tdiz-guat' ► , a. afkeer, walging. —, v. a. a. droefgeestigheid. —near, a. akeligheid,, nearwalgen; ergeren. —ful, —ing, a. —ingly, ad. wal- heid. Dismantle, (diz-men't1), v. a. onimantelmontgelijk. blooten. Dish Idler), a. achotel, eehaal; gerecht. —, v. a. opdisschen (up); 4 verijdelen; vernietigen; arm Dismask (diz-maasit'), v. a. ontmaskeren. vaatdoek. —ful, a. (een) Dismast (diz-maast'), v. a. ontmasten. maken. —cloth, —clout, schotel vol. —stand, tafelkomfoor; tafelmatje. Distnay (diz-mee"), —edness, a. verslagenbeid; —water, vaatwater. achrik; angst. —, v. a. beangstigen, moedelooa idis-e-bil'i, a. ochtendp;ewaad. maken. Dishearten (dies haar'tn), v. a. ontmoedigen. Diame (diem), a. tiende. fiend. Dishevel (dis-sjev'v1), v. a. het hear in wanorde Dismember (diz-mem'bur), v. a. verbrokkelen; verminken. —ment, a. verbrokkeling; verminking. brengen. —led, a. met verwarde haren. Dishing idisriengl., a. holrond. Dismiss (diz-mis'), v. a. wegzenden (tc); afdanDishonest -dit-on'est), a. —ly, ad. oneerlijk; ken (front). —al (-sel), —ion (-mierun), a. afdanoneerhaar; trouweloos. —y, a. oneerlijkheid, onking; ontalag. —ice, a. afdankend. eerbaarheid; ontrouw. Dismortgage (diz- mort'gidzj), v. a. liftmen (een Dishonor !dit-ou'ur), a. oneer. —, v. a. ontpand). eeren. —able, a. —ably, ad. onteerend; eerloos. Dismount (cliz-maaunt"), v. a. nit den zadel Dishumor (diz-joe'muri, a. kwade luim. werpen; demonteeren (geschut); v. n. afstijgen. Disimprovement (dit-im-proev'ment), a. ach- Dlsnatur aline (diz-net'joe-rel-ajz), v. a. het teruitgang; verergering. burgerrecht ontnemen. —ed (-nee'tjoerd), a. ontaard. . Distincarcerate (die-in-kaar'sur-eet), v. a. op Disob, edience (dis-o-bi'di-ens), s. ongehoorvrije voeten stellen. a. ongezaamheid. —edient, a. —ediently, ad. ongehoorBlainelin *Mon (•klajn'), v. a. afkeerig (onge(-bee'), v. a. niet gehoorzamen, overzaam. —ey neigdheid. —e treden. negen) maken. Disinfect idit-in-fekt'1, v. a. zuiveren (van be- Disohligation (die-ob-li-gee'sjun), a. ondienat; ametting). — ing, a. besmetting wegnemend. —ion,' beleediging. Disoblig e (die-o-blajdzji, v. a. ondienst doen; (-fek'sjun), a. zuivering (van besmetting). beleedigen. —ing, a. —ingki, ad. ongedienatig, Disingenuous (die-in-dzjen'joe-us), a. —iy,ad.ononvriendelijk. —ingness, a. onbeleefdheid, ongeoprecht, valach. —near, a. onoprechtheid, valschheid. dienstigheid. Dislober tenon a. onterving. Disorbed (diz'orbds), a. nit zijnen kring ge—it, v. a. onterven. worpen. Disinter (die-in-tur'), v. a. opgraven. —meat, a. Disorder (diz-or'dur), a. wanorde, ongeregeld. opgraving. heid; ontsteltenis; storingiongeeteldheid. —, v. a. Disinterested (diz-in'tur-eat-id), a. —ly, ad. verwatren; doen ontsteillSn; atoren; ongeateld belangeloos. —nese, a. belangeloosheid. maken. —ed, a. onregelmatig; losbandlg; on esteld. —edness, s. ongeregeldheid, losbandigheid. Disinthrall (dis-in-thrao0), v. a. bevrijden. a. bevrijding. —1y, a. & ad. ongeregeld; wanordelijk. —meat, Disinvit ation (dis-in-vi-tee'sjun), s. afeegging Disordinate (diz-or'di-net), a. —1y, ad. ongereeen-r uitnoodiging. —e (.vaj0), v. a. eene nitgeld; buitensporig. noodiging afeeggen. Disorganiz ation (diz-or-gen-i-zee'ejun), a. ontbinding; storing van orde en aamenhang. —e Disinvolve (die-in-volv"), v. a. outwikkelen, ont warren. (-or'gen-ajz), v. a. ontbinden; den aamenhang Disjoin (diz-dzjojn'), v. a. seheiden. —t, v. a. veratoren. ontwriehten; v. n. uiteen vallen. Disown (diz-non'), v. a. niet erkennen; verlooDittlunct (diz-dzjunkt'), a. afgezenderd, gescheichenen; verzaken. den. —ion (-djzunk'sjun), a. afachelding. —ire, Dispair (die-peer' ►, v. a. een pear scheiden. a. —ively, ad. afacheidend, afzonderlijk. Dispansion (die-pen'sjun), a. uitspreiding. Disk (disk), sehijf; werpschijf. Disparage (die-per'idz), v. a. verkleinen, minachting brengen. verguizen; ongelijk verbinDislike (diz-lajk',, a. afkeer; weerzin. —, v. a. niet houden van. —n, v. a. ongelijkend maken. den. —merit, a. verlaging, verguizing; ongelijke vereeniging; aehade. —ness, a. ongelijitheid. Dislimb idit-Inn',, v. a. verminken. Dispar ate (dis'pe-ret), a. ongelijk. —ates (-recta). v. a. uitwiss-chen. a. 'Alt digheden; ongel)jke groothf,den.—ity ( -per' Disilynn it-tih), a. ongelijkheid; strk)digheid. Disloca to (dislo-keet), v. a. ontwrichten; verstuiken. —tine (-kee'sjun), a. verplaataing; ont- Dispark (dia-paark'), v. a. eene omheinde plaits wrichting. open stollen. Dislodge (diz-Iodtj . ), v. a. verdrOvan, does Dispart (dia-paarti, v. a. aeheiden; riehten verLirVven; v. n. vethuizen. (gesehut). 11;isguise (diz'gajzi, a. vermomming; voorwend-
eenkomst, verdrag. —al, —ary, a. overeengeko- 4 Coon (koen'), a. scheldnaain nose de Whigs. —ery, a. Whig-drijverij. men, bedongen. Conventual (kun-venejoe-el), a. kloosterlijk• —, Coop (burp), a. kuip, vat; hoenderhok of -kart; s. kloosteri ing. overdekte kar. v a. opsluiten. —er, a. kuiConverge (kun-vurdzY), v. n. in édn punt Emmen- per. —erage, a. kuiploon. Coopera te (ko-op'ur-eet), v. a. medewerken. looping. —nt, a samenloopend. —tion (-ee'sjun), a. medewerkIng. —live (-e-tiv), a. Conyers able (kun-vur'sibl), a. —ably, ad. ge- medevna.kend. —tor, a. medewerker. zellig. —ableness, s. gezelligheid. —ant (kou'vur• sent), a, omgang hebbend; (in) bedreven, erva- Cooptation (ko-op-tee'sjun), a. kens; aanneming. Coordinate (ko-or'di-net), a. —/y, ad. gelijk (kon-vur-see' (with) bekend met. —Gaon in; ren in rang. —ness, a. gelijkheid van rang. sjun), s. verkeer; gesprek. —alive, a. gezellig. —e (kon'vurs), a. oragekeerd; a. onderhoud, ver- Coot (koet), a. meerkoet; § stotfel. beer, tegendeel. — e, v. n. verkeeren, aprcken Cop (kop), a. top; kuif. (with); zich onderhouden (about. on). —ely, ad. om- Copal (ko'pel), a. kopalhars. gekeerd;wederkeerig.—ion(-sjunl,s onskeer;bekee- Coparcen ary (ko-paar'se-ne-rih), s. mede-erving. —er, a. mede-erfgenaam. —y, a. gelijk erfdeel. ring; verw isseling. —ire, a. gezellig, spraakzaam. Copartner (ko-paart'nur), a. deelgenoot; maat. Convert (kon'vurt), s. bekeerling. s. vennootschap. Convert (kun-vure), v. a. verwisselen: bekeeren. —, v. n. veranderen. —ability (-i-bil'it-tih), a. Cope (koo ), A. koorkleed• slitter; verwulfsel. veranderbaarheid. —ible, a. veranderbaar. —ibly, the — of heaven, het heme gewelf. —, v. a. bead. omgekeerd. dekken; bestrijden; beloonen; v. n. strijden, s. wedijveren, (with). Convex (kon'veks), a. —ly, ad. bolrond. bolrond lichaam. (kun-veka'it-tih), —ness Copier (kopl-ur), a. afschrijver; naaper. Coping (ko'pieng), s. top, kap (van ern gebouw). (kun-veks'ness), s. bolrondheid. Convey (kun-vee'), v. a. vervoeren; overzenden; Copious (ko'pi-us), a. —ly,ad. overvloedig. — ness, ter hand stellen; mededeelen; uitdrukken. —once, a. overvloed; wijdloopigheid. s. vervoer; voertuig; akte van overdracht; letter Copped (kop'pid, kopt), a. gekuifd; spits toeloopend. of —, vritelithrief. —ancer, a. notaris. —er, s. Copper (kop'pur), a. koper; kopermunt; cent; overbrenger; hedge bedrieger. koperwerk. —, a. koperen. —, v. R. koperen. Convict (kon'vikt, , , a. misdadiger; veroordeelde. —as, koperrood. —colored, koperkleurig. —nose, (-vik' Convict Ikon-vike), v. a. overtuigen. —ion roode neus. —plate, koperplaat. —ernith, koper. sjtin), a. overtuiging. —ive, a. overtuigend. Convinc e (kun-vins'1, v. a. overtuigen. — ement slager. — wire, koperdraad. —works, koperpletterij. —worm, houtworm (in schepen); mot. — ed, a. overtuiging. —er, a. overtuiger. —ible, a. over- R. gekoperd. —y, a. koperachtig. tuigbaar. —inyly, ad. overtuigend. —ingness, a. Coppice (kop'pia), a. kreupelbosch; hakhout. overtuieingskrapht. Convivial (kun-viv'i-el), a. feestelijk. —ity (-el' Copse (kope), a. Zie Coppice. Copula (kop'joe-le), a. koppelteeken; koppel -it-tih), s. feestelijkheid. woord. —te (feet), v. a. vereenigen; koppelen; Convocat e (kon'vo-keet), v. a, bijeenroepen. v. n. paren, zich koppelen. —tion (-lee'sjun), a. —ion (kee'sjun), s. oproeping; bijeeukomst. verbinding; paring. —tire, a. verbindend; a. ver Convoke (kun-souk'), v. a bijeenroepen. Cony olu ted (kon'vo-ljoe-tid), a. opeengerold., bludend voegwoord. Copy (kop-pih), a. afschrift; achrijfvoorbeeld; —tion (-Ijoe'sjun), a. oprolling. handachrift; exemplaar. —, v. a. afschrijven; Convolve (kun-volv'), v. R. samenrollen. nabootsen. —book, kopie-boek. —hold, leen; erfConvoy (kon'voj), a. geleide, bedekking. pacht. —holder. leenbedtter. —ing-machine, ko• Con voy (kun-voy), v. a. begeleiden. ) a. afschrijver. —paper, conceptpieer-pees. —W, Convuls e (kun vuls'). v. a. stuiptrekkingen papier. —right. kopierecht. , veroorzaken; schokken beroeren. —ion (-sjun), s. stuiptrekking; schoi. —ions, a. 8tuipen. —ive, Coquet (ko-ket'), v. a. & n. zoeken te behagen. —ry, 8. behoagzucht. — le (ko-ket'), a. behaagR. —ively, ad. stuiptrekkend, krampachtig. Cony (ko'nih, kun'oih), s. konijn. —burrow, konij- zieke vrouw. —fish, a. behaagziek. nenberg. —catch, v. a. beet hebben, aedriegen. Coral (kor'el), s. koraal. —, a. koralen. —diver, koraalvisscher. —line (-lajn), a. koralen; a. ko—catcher, bedrieger. —warren, konijnenperk. raalgewas. —laid (-lojd), a. koraalachtig. —mots, Coo (toe), v. n. kirren. koraalmoa. Cood iCt4 (koed'iez). a. zekere federalistisehe partij Cook (bock'), a. kok. —, v. a. koken, bereiden; Corb (korb), a. kolenmand. Corbanii(kor'ben), a. armbua; aalmoes. —maid; (-or.rih), 8. kookkunat. (up) (nrichten. —ery keukenmeid. —room, scheepskombuis. — 's - shop, Corbel, (kor'bel), a. schansiorf Corbel (kor'bil), a. bloemkorf; nits. gaarkeuken. Cool (koel'), a. —ly, ad. koel; onverschillig; § on- , Corby (kor'bih), a. raaf, kraal. beschaamd. —, a. koelte. —, v. a. verkoelen; Cord (kord'), a. koord, anoer. — of wood, vadem doen bedaren; v. n. afkoelen. — er, a. koeldrank; , hout. — of twine, streng garen. —, v. a. binden; koelvat. —ish, a. koeltjes, — ness, k, koelheid. epvb.men. — maker, touwslager. — wood, brandhoot. — age, a. tottwwerk; tuigage. —ed, a. van 4 —wort, urine- afdrtivend middel. touw gemaakt; gestreept; gebonden. C00111 ► (koem), a. ovenroet; wagenameer.
Lel au(egr al (in'te.g..'1), a. —ally, ad. geheel, volledig. —ant, a. aanvullend, tot het geheel behoorend. —ate (-greet), v. a. g.eheel maken. —ation (-gree'sjun), a. volledig-, geheelmaking. —ity (-tee'rit-tih), a. volledigheid, gehealheid; rechtochapenheid; zuiverheid; echtheid. Integument (:n-teg'joe-ment), s.bekleedsel, huleel; vlies, }raid. intellect (in-til-lekt'), a. veratand; verstandelijk vermogen. —ion (-lek'sjun), a. (het) verstaen. —ive, a. verstandelijk. —ual, a. —ually, ad. (-joe-el.), verstandelijk, denkbeeldig. —uals (-joe-etz), pl. verstandelijk vermogen. Intellig dice a. verstand, Inzicht; berieht, naricht; verstandhouding; —office, adreakantoor. —eneer, a. berichtgever; nieawsbled. —ant, a. —catty, ad. verstandig, ervaren. —ential (-zjen'sjel), a. ventandelijk, geestelijk. —zbility (-zji-bil'it-tih). —ibleness, s. verstaanbaarheid. —ible, a. —ibly„ ad. verstaanbaar. Intemper aliment ( in-tem'pur-e-ment), s. ongesteldheid. —ante, s. onmatigheid. —ate, a. —ately, ad. (-et- onmatig, overmatig (oak van het wader). —ateness (-et-), —ature (-e-tjoer), a. onmatigheid; overmatigheid (ook van het weder). Intenable (in-ten'ibl), a. onnoudbaar. Intend (in-tend'), v. a. beoogen, bedoelen, voorhebben: bestemmen (far). —, v. n. van plan zijn. —ant, a. opzichter. —edly, ad. voorbedachtelijk. —meat, a, voornemen, oogmerk. Intenera te (in-ten'ar-eet), v. a. verzichten; verteederea. —lion (-ee'sjuu), s, verzachting; verteedering. Intens a (in-tens'), a. —Ply, ad. gespannen, aterk, }wig; ingespannen. —eness, —ity, a. hevigheid; inspanning. —ion (-sjun), a. innerlijke kracht; spanning; hooge greed. —ive, a. —ively, ed. gespannen, werkzaam; ingespannen; versterkend. Intent (in-tent'), a. bedacht, geepannen, gretig. (on. upon). —, a. oogmerk, voornemen; to all —a and purposes, in alien deele. —ion ( -ten'sjun), a. bedoeling, oogmerk; inspanning- --ional, a, —ionally, ad. (-ten'sjun-el.), opzettelijk. —ive, a. —ivaly, ad. aandachtig, oplettend. —ness, s. icagespannenheid. Inter (in-tur'), v. a. begraven. inter. (in'tur) [in eamenst.j, tusschen. Waar, in de volgende sarnenstellingen, de uitepraak niet is aangewezen, daar heeft in den kleintoon. Interact, a. tusschenbedrijf. Intercala r (in-tur'ke-ler), —ry, a. ingelaacht. —te (-leet), v. a. inlasschen. —lion (-lee'sjun), s. inlasaching. Intercede (-sled'), v. n. tuaachenbeide komen, ‘oorspreken ((with for). •—nt, a. bemiddelend. —r, a. berniddelaar. Intercept (wept'), v. a. onderscheppen, afenijden. —ion (-sep'sjun , , a. onderachepping, afsnijding. Intereess lust (-seslun)', s. tusschenkomst, bemiddeling. —or (-sesisure. s. bemiddelaar, voorspraak. —ory (-mes'sur-rih), a. bemiddelend. Interchain (-tejeen'). v, a. aaneen schakelen. Interchange, s. ver-, afwieseling; railing; ruilhandel; verkeer,
Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.
—tong, zit Flisetn•r. —er, m. —tier, v. coaxer, Fiuksch, be. clever, dexterous, expert. FLUT, Fluteliers, bw. presently, anon, by and by. fawner, wheedler, —er(i, v. coaxing, fawning. Fluureol, o. velvet. —bloem, amaranth. —boon, Floor, v. clot, giglot, dowdy. velvet-tree. —werker,velvet-weAver. —acklier, —en, Fivers, m. flap, blow, slap, be. & bw. phlegmatic be. velvet, velveted, velvety. Flagrone, o, phlegm, —tisch, o. weasel. (-ally). Fnlexen, on. w. Zie Flenters, in. me. Zie Flardera. Flap, v. mallet, infant's cap. non de — si,n, to Fnulk en, ov. w. to clip the wings to, to break, ion given (addicted) to drinking, —pen, no. w. to check, to stop. —big, v. clipping the wings, breaking, stoppage. Lie Fe pen. Footless', n. race. FierecUs, o. gout. Fleacle, v. bottle, flack, flacon. op flessehen trekkers, Foe, tew. fy t for shame ! to bottle. Leidsehe —, Leyden ar. op as — zips, Foel le, v. mace; foil, silvering. —'fa, ov. W. to foliate, to silver (over). to be ruined. —je, o. phial. Fileaseke lbak, ie, o. bottle-tray, -stand. —ebar. Fok, v. fore-tail; spectacles. —bebrav, fore-brace. stet, bottle-brush. —ebiater, —maker, bottle- —bentast, fore-matt. —keret, fore-yard. --barest, maker. —nbeider, bottle-cate. —nrek, bottle-rack, fore chain-wale. —keiehoot, fore-skeet. —kestag, ', Sets, be. faded, pale, pallid. —heid, v. paleness, fore-etey. —ksateng, fore-topmast. Fokit en, ay. w, to breed; on. w. to wear specpalildnses, pallidity. Fleur, m. bloom, prime; flourish; mirth. —, v.. taclee; to drop out, to stink off. —er, m. breeder. fishing-line. —en, on. w. to fish with a tine. —erif, v. breeding' of cattle. —ig, by flourishing, sprightly. —igeeid, v. flour- Foteu, ov. w. to handle, to paw; to vex, to tease, ishing et-ate, sprightliness. Foil nut, m. folio, folio-volume. —eeren, or. w. FIliellool en, ov. w. to cola, to fawn, to to page. —o, v. folio, page. wheedle, to cajole. —er, m. — afar, v. coaxer, Falter ear, in, torturer, tormentor. —en, ov. fawner, wheedler, cajole, —eri), v. coaxing, to torture, to torment. —bank, rack, torture. fawning, whue ;Mug, cajoling, instruments of torture, —jog, v. torture. Flak ken, or. & on. w. to gplees to patch, to Fontwel ee r, m. fumbler, rumple, —en, ov. w. cobble. --er, ra. piecer, pate, er ; caper ; ten — to fumble, to rumple. —ing, v. fumbling, Elwin, to cut capers. rumpling. Filkkoe en, on. w. to glitter, to sparkle, to Fundament, o. foundation, fundament; bum, arse. glare. —leht glittering light. —roar, finch, gilt- tering fire. —ing, v. glittering, eparkiing, glimpse. Fonds, o, fund, stork, capital. —en, ma. stocks. public funds; capital. Fllketer, v. Zie Flakker. Flank, be. & bw. clever (-ly), brisk (-1y), lively; Tonkel en, on. w. to sparkle. —nieuw, bran-new, spick-and•span new. —ing, v. sparkling. very well . Fontein, v. fountain, well. —oder. fountain-head. Fitts, m. dart, arrow. Flodder, in. dirt, mire. —bleed, loose garment. —bask, —Lane, basin of a fountain. —bale, —boo, stacking that hangs down upon the heals; pipe of a fountain. —water, spring-water. sloven, slut. —natie, fougade. —weer, slut. —meta, FonttseCI, v. fontanel., issue. loos cap. --roe, sloven- --en, on. w. to dangle, Fool, v. fee, veils, drink-money. Fop peso, ov. w. to cheat, to mock, to hoax, to to flap; to bungle; to splash trough the mire, quiz. —per, m. —ester, v. cheater, wag. pert), v. Floers, o, crape; veil, shadow. Flonker en, on. w. to sparkle, to twinkle, to cheating, banter. glare. --Licht, sparkling light, luminary, —ater, Fort.l, v. trout. v. sparkling, Formant, o. form, size. —repel, stamp, twinkling star; luminary. Fortune!, be. & bw. formal (-ly). twinkling, glare. o. ferret. —garen, fer- Formeer der, m, former. —en, ov w. to form. Floret, a. foil, floret. —ing, v. formation. ret-thread. —tint, ferret-ribbon. —side, ferret- Forum' e, v. formula. —ier, o. form, formulary; Bilk. fiere•-silk. —ten, be. ferret. —gebed, formulary-prayer. FlorLJn, m. florin, Fornsie, o. furnace; kitchen-range. F10118, v. pretext, shift. Forsch, bv. & bw. robust (-1y), stout (-1y); %tern Flonw, v. snipe -net. Fiala", v. phlegm. —aohtig, be. pltaitous, phleg- (-1y), harsh (-1y). —held, v. robustness, stoutness; sternness-, harshness. made. —en, on. w. to expte.torate. Fluileter tsar, in. —aarster, v. whisperer. —ex, Fore, o. fort, fortress. ov. & on. w. to whisper. —ing, v. whispering, Fortuln, v- & o. fortune. --roeker,fortuue-hunter, adventurer. whisper. foselle. Fl v. fine, de — fawn, Gp de — opelen, to Foselel., by. & o. testa, site. v. forage. —ageeren, on. w. to forage. play the flute —does, •—baker, flute-box, Mite- Four —ier, m, forager, quarter master. case. —olas, long necked glass. --eehle, flute. Font, v. fault, mistake, blunder. sender —, —spa, flutirre. —sprier, flute-player, fluter. —en, & on. W. to clay on t•e flute, to whistle; out, fail. certainly. —ief, bv. faulty. to hiss; to sing (van vogels). —er, m. 'whistler. Frani. by. & bw. handsome (-1y), pretty (-fly), fine (-1y). —had, v. handsomeness, prettiness, —je, o, whistle. beauty, —tjes, be. prettily, nicely. bar. Immediately, quickly.
Mallo4e, v. metilot. -calf, mehlot-selva. Malach c by, k bw. tender (-Iv, soft (•1y), mellow, mild or taste; sweat (-1y). fluent (-1y). -held, v. tenderkess, mea owcese; sweetness. ltilailatave, Mal no, v. mallow. Matinee U, v. maim' ey. Malin, v. nipple, pap, teat, dug. Mama, v. marinas, mammy, ream. Mecestoring, v. pump- hoae, eenpper-hose. Man, m e man; husband, male. - roar -, one by one. op den - af, stratubtfc:, ward. z.(yn vsnden, to meet with one's match. de gemee, man, tie lower orders, - • Cleo. ann den - brengen, to be trifled with. dl.pooe of. -gat, man hole. -haftig, population; solliv. & bw. manly, manful (-41, courageous ( - y; Wiltaissetrap, v. homage; male diers ; crew. -pen, v W.V. men. brave ( - 1y), valiant ( - 1y) - haftigheid, - ,noedig• of a /lea, manliness, manfulness, conr.ge„ beaveq Mantel, m. cloak, mantle, gown ; town. lemon(' den - witvegen, to take a. o. np valor. -slag, man-slaughter. -viik, men - roW, roundly, to rattle a. O. -jos s cloak. -board, berepaphrodite; virago. -ziek,love Kick., amorous. -ptjpje, lent cape of a cloak. -kraag, gallon. mtn - bate. - nennuti, hospital (a,ylunn pipe. -rerhuurder, letter of mourning-elosks. for men. -nenklooeter, monastery for monks. - zak, portmanteau. - en. or. w. to cloak, to - nee/cour, chorus of men. - nennioed, manly courcover. -int', v. ciuick-set bridge. age. -nenctand. manhood. - nentaal, language of a reap. -sbe.;14, image of a man ; mar nikin. ltiesnutract urea, v. nor. linen-draper '15 wares,
BYE—CAL. wer. —street, achteratraat. —view, bijoogmerk. opjager lin eene veiling.). —dist, tusschengereeht. —way, geheime weg. —wipe, steek onder water. —end, bijo3gmesk. —gains, buitenkaneje; vernal. —word, spreekwijze. —gone, verleden. tear. —name, bijnaam. —path, bijpad. —place, eenzame pleats. —road, Bye ibaj), good —, gaeden dog; vaarwel. (Oorspronkel.: good of Gcd be with ye.) btweg. —room, aciaterkamer. —stander, toeschou-
LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Is cryptogeld legaal in Kenia


Bury (ber'ih), a. begraven. —ing, a. begrafenis. —log-place, begraafplaats. Bush (boesj), a. atruik; kreupelbosch. —el, a. achepel. s. lommerigheid. —y, a. struikig; mtg. Bus lly (bit'i-Ilh), ad. tjverig, bezig. —iness (bieness), a. bezigheid; berocp; aangelegenheid, zaken; to net up in —, eene sank beginnen. Busk (busk), a. planchet. —et, a. bosachage. —in, a. tooneellaars; tooneelspel. Buss (buss), a. bus; haringbuts. —, v. a. kussen. Bust (bust), a. boratbeeld. § —, v. n. bankroet gaan, —ard (bust'ard), a. trapgans. —er, a. gevaarte; acherts. Bustle (basil), a. rumoer, gewoel. —, v. n. woelen, veel beweging maken. (about) heen en weer dribbelen. (away) nigh wegapoeden. —r, a. bedrijvig mensch. Busy (biz'ih), a. bezig, onruatig. —, v. a. bin* houcien. —body, albe , chik. prp. behalve. But (but), conj. natter, doch. —, ad. slechts. — for, zonder; ware het niet om. But (but), a. grens; ulteinde. —, v. n. aanraken. —sling, topreep. Butcher (boetarur), a. vleeschhonwer. —, v. a. slachten; vermoorden. —bird, negendooder. —row, vleeschbank. —ly, ad. moorddadig. —y,s. vleeschhouwer(j; slachting. Butler (but'iur), a. bottelier, keldermeester. —ship, a. bottelierachap. Butment lbut-ment), a. gedeelte van een gewelf. Butt (but), a. doelwit, mikpunt; stout; vat. —end, stomp einde; geweerkolf. —, v. a. atooten. Butte (but), a. verhevenheld, heuvel. Butter (burtur), s. boter. —, v. a. boteren; den inzet verdubbelen. —bump, roerdomp. —bur, paardeklauw. —crock, boterpot. —cup, kraatevoet. —flower, boterbloem. —fly, vlinder. —milk, karnemelk. —nut, olienoot. 7-pear, boterpeer. —print, boterspaan. —tooth, entjtand. —tub, hoterton, botervlootje. —y, a. aptjakast; a. balerachtig. Buttock (but'tuk), a. bil; spiegel (van een sehipl; kruie (van sett paard). Button (burtn), a. knoop; knop; zee-egel. —, v. a. knoopen. —hole, knoopsgat. 5 --wood,wilde vijgeboom. Buttress (but'tress)„ a. beer; stutmuur; ateun, —, v. a. onderetutten, sehragen. Butwink (burwinkl, a. kievit. Butyraceous (bjoe-ti-ree'sjus), a. boterachtlg. Butyrous (bjoe'tt-rue), a. Zie Butyraceous. Buxom (buks'um), a. —ly, ad. vrooltjk, dartel. —nets, a. vroolijkheid. a. Buy (baj):[bought (baot)], v. a. itoopen.• kooper. Buzz (bun), a. gegons. —, v. a. toefinisteren; in bet geheim verapreiden; v. n. gonzen; fluisteren. —er, a. oorblazer. Buzzard (burzurd), a. havik; domkop. By (baj), prp. door; naast; bij, met; om; voor. —, ad. nabij; tegenwoordig; voorblj; langs. 'Araks. — the —, wat ik zeggen wil. — and dicht bij. — the way, in bet voorbtjgaan. hard to get — heart, van batten leeren. — the boat, per boot. — sea, over zee. —far, varreweg. —bidder,

Switzerland (switeur-lend),g. Zwitserland. Sybar le (sib'e-rie), g. Sybarle. —its (-rajt), 1. Sybariet. Sydenham (sid'n-hens), g. & m. Sydenham. Sydney (sid'illh), g. Sydney. IgiY I. an toa'veni, —aims (.vee'nue), m. Silvanua. —ia (-vi-e), w. Silvia. Syracuse (sir'e•kjoss), g. Syracuse. Syria (siel-e) g. Syria —c (•1.-ek), 1. Syrisch. —n, a. Syriaeh; I. Syrier.

In order to reduce expenses and increase mobility, many students also use the European Commission-supported accommodation network, CasaSwap, FlatClub, Erasmusinn, Eurasmus,[25] Erasmate or Student Mundial, which are free websites where students and young people can rent, sublet, offer and swap accommodation – on a national and international basis. A derived benefit is that students can share knowledge and exchange tips and hints with each other before and after going abroad.

Urethra (jos-rrthrs),e. pisbnis. Urge (urtirn„ v. C. dringen; unseals, asus"o• ten ; stark aandringen op; verbitteren; bespoidigen; opatokeu; opgeven, voorwondan; v. n. dringend zip; morwaarts dringen. —sty (-en-sih), a. drang; dringend verzook. —at, a. —ntly, ad. (-ent-1,dringend. r—, a. dringer; aandrtiver. Urin sal (ies'rin el), a. pleglas. --(try (-e-rih), a. pis-. —retire (-ae-tiv), a. pisdrijvend. —ator (-eetur), s. duikes. —e (-tin), s. pis, urine, v. n. wateren, water low. - OUL. a piaaohtig. Urn (urn), e. urn, yeas, k'uik, lijkbus. —, v. a. in erne urn doen. Us (us), pr. pl. our. U sage (jeed'zidzp, a. gebrutk, gewoonte, behan. deltng. —once (-tens), e. gebrulk, use ; interest worker. Use (foes'), a. gebrulk, gewoonte, °arming; nut, voordeel; bahoette; interest. to put to —, op Interest mitten. — (joeV), v. a. gebrutken; uttoofenen; gewennen (to); bejegenen; besoeken; (up) verbruiken ; — the sea, ter use varen; v. n. plegen, gewoon ziju a. --folly, ad. nuttlg, —fulness, a nuttelooa. e. nuttelooahotd. —r (jose-ur), a. gebruiker. Usher (usj'ur), a. iniaider, ceramonle-meseter ; deur 'reorder; onderzoeker. —, v. a. binnenteiden, aannielden; invoeren; aankondigen. Usquebnugh (us-kwe-boa'), s. kruidenbrande. wijn. Ustuinte (ua'tjoe-let), a. zwartgobrand,gasengd. Usti on luat.'jun), a. (het branders, verbrandtng. Usual (joe'zjoe-ell, a. .—ly, ad. gebruliceltjk, gewoon; gewoonlijk, doorgaans. o, gewoonte, gewoonheid. Ucu caption (joe-zjoe-1,,i'ejun), s. voikrijg flg van eigendom door bet verjaringsrecht. —pact (joe'zjoe-frukt), a. vruchtgebruik, —fructsary (-trukt'joe-or-rih), a. vruchtgebrulker. Usur er (joe'ajoe-rue), a. woekeraar, —loss, a. —iougy, ad. (-zjoe'ri-us), woske.eend. Usurp (joe-zurp'), v. a. overweldigen. (-pee'sjuu), a. overweldlging. —sr. a. overweldiger.. —lonely, ad. door overweldiging. Usury (joe'zjoe-rib), a. cocker. Utensil (joe ten'sil), n. gereedachap, werktuig. Uter ine Ijoe'tur-ajn), a. van de baarmoeder, van mnedersztjde. —ns, a. baarmooder. Util it y (joe-ttl'it-tih), a. nottigheid.; —ise (Joe , til-ajs), v. a. eon nuttig gebruik mitten van. Utmost (ut'moost(, a. & e. ultorst, hoogst. Utopian (joe-to'pi-en), hersenschimmlg, denkbeeldig. Utter (ut'tur), a. —Iy, ad. utterot; gehosi, vol. slags!' v. a. uiten, ui.tepreken; openbaren, var. spreiden; in omloop brengen; verkoopen, —able a. nit to spreken. —ante, a. uttiag. uttspraak; mordraeht. —sr. a. uitsprekor; openbaarder; gayer; verkooper. —most, a. & a. ZIA Utmost. Uveeus (j os' vi.us), a. drutrvormig. —coat, druitvital (van het oog). Uvula (joe'vjoe-le), s. keallelietje, huig. Uxorious (ugs-o'rt-us), u. ztjne Trott,' overdreven bemlnneud. —ly, ad. nit overdreven liefde voor One vrouw. —sees, a. overdreven Herds voor One vrouw.
Litecoin was released via an open-source client on GitHub on October 7, 2011 by Charlie Lee, a Google employee and former Engineering Director at Coinbase.[2][3] The Litecoin network went live on October 13, 2011. It was a fork of the Bitcoin Core client, differing primarily by having a decreased block generation time (2.5 minutes), increased maximum number of coins, different hashing algorithm (scrypt, instead of SHA-256), and a slightly modified GUI.
Concede (kun-sied'), v. a. toeotasn, inwilligen, v. a. toegeveu. Conceit (kun-siet, 1 ), a. gedaehte, begrip, inval, rneenIng; wan, inbeeldiug. / am out of — 'with it, tk heb er been behogen meer in. —, v. a. denken; wane.. —ed, a. —clip, ad. gemaakt,ingebeeld. verwaand. —edness, s. gemaaktheid, lic(tdunkendheid. —kris, a. Kedaehteloos, onbezonnen. ConceIv able (kun-aiev'ibl), a. —ably, ad. begrijpelijk, denkbaar. —ableness, a. begrijpelijkheid. —e, v. a. ontvangen; begrijpen, bevroeden, ititdeuken, opvatten; an affection for one, genegenheid voor iemand opvatteu. —, v. a. manger worden; een begrip hebben. Concent (kun-sent'), 8. samenklank; overeenstemming. —rate (-treet), —re, v. a. in een middelpunt samentrekken. —re, v. n. zich in een middelpunt vereenigen. —ration (-tree'sjun), a. bijeentrekking. —ric, —rival, R. eenmiddeipuntie. . —ricity s. eenmiddelpuntigheid. —ual (-joe-el). a. harmonisch. Concept acle (ku,sep'tikl), q. ontvanger, vergaarhak. —ible, a verataanbaar. a. ontvangents; begrip, bevatting; denkbeeld; ontwerp. —ice, a. ontvankelijk; vruchtbaar. Concern (kun-surn'), a. zaak, aangelegenheid; § handelszaak; belong, Kewicht; onrust, zorg. I have . — with it, ik heb er Diet mede te maken. —, v. a. betreffen; aandoen, bekommerd maken. —ed, a. betrokken, gewikkeld, belanghebbend; bezorgd, bekommerd, (about. at. for. in. with). —edly, ad. met belangstelling. prp. aangaande. —meat, 8. zaak; belangstelling, deelneming, bezorgdheid; belang; ijver. Concert (kon'surt), a. overeenstem ming, afapreak; concert by —, eenparig. in —, met gemeen overleg. Concert (kuu-curt'), v. a. beramen, overleggen; v. n. beraadalagen. —ative, a. twistziek. COUCCSS Ion (kun-aes'sjun), a. bewilliging, vergunning. —ionary, a. iugewilligd. —ive, a. —ively, ad. inwilligead. Conch (kongk'), B. zeeschelp. —ite (-kajt), a. verateende aehelp. —aid (-kojd), s. spiraallijn. —oloyy (kun-kol'ud-zjih), a. schelpkunan. ConcIlla te (kun-sil'i-eet), v. a. verzoenen; verwerven. —lion (-i-ee'sjun), a. verzoeuing; verwerving. —tor, a. verzoener. —tory (-je-tur-rib), a. verzoenend, bemiddelend. Concla e (kuu-sajs'), a, —ely, ad. beknopt, bondig. —eness, a. beknoptheid. —ion (kun-siz' zjun), a. afsnijding; bekorting.. ConeltatIon (kon-si-tee'sjun), s. opruiing, aanhitaing. ConclavnatIon (kong-kle-mee'sjun), a. gejuich. Conclave. (kong'kleev), s. afgeeloten kamer; kardinaalsvergadering. Conclude (kun-kloed'), v. a. bepalen, beslissen; eindigen; v. n. afleiden. Conclu dent (kun.kloe'dent), a. beslisaend. —der, a. beslisser, besluiter. —ding, a. beslissend, besluitend. —sion ( zjun), a. besluit, gevolgtrekking; uitkomat. —sive, a. —sively, ad. besluitend, besliasend; afdoend. --siveness, a. bondigheid, beslissenabeid.
—fellow, slampmakker. —grass, — weed, hands. gram. —, v. a. nederleggen; verberpen; insluiten; yeller, to — an eye, de sitar lighten. to — in writing, in genchrift brengen. v. n. liggen; ken. —ant a. liggend. — ee (koe'sji), s. slaaptijd; last bezoek. —er, a. °ogees; klapper (register); staande bond. — ing - needle, staarnaald. Cough (kof'), s. hoent. —, v. n. hoesten. — er,s. hoester. —ing, a. (het) hoesten. Coulter (koortur), a. kouter. Council (kaaun'sil), s. raadsvergadering. — common — , gemeenteraad. privy —, staatsraad. —board, (de) read. — tor, a. lid eener raadavergadering. Counsel (kaaun'sil), s. rand; overleg; raadsman. to keep —, geheim houden. to take — , rand inwinnen. --keeper, vertrouweling. —keeping, a. geheimhoudend. —, v. R. raden, rand geven. — Sable, a. randzaam. — lor, a. raadsman; randsbeer. — lorship, a. raadsheerschap. Count (kaaunt'), s. graaf; rekening; getal. —, v. a. rekenen, tellen. (up) optellen. (for) houden v. n. rekenen. (on. voor. (to) aanrekenen. upon) staat maken op. —able, a. telbaar. Countenance (knaun'te-nens), s. gelaat, voorkomen; bescherming, ondersteuning. —, v. a. begunstigen, ondersteunen. —r, s. begunatiger. rekenCounter (kaaun'tur), a. toonbank; penning; geld; rekenaar; alt; waif. Counter (kaaun'tur), ad. tegen, verkeerd, (in same natel I ingen). —act, tegenwerken, verijdelen. —action, tegenwerking. —balance, a. tegenwicht; v. a. opwegen tegen. —bass, contra-ban. —battery, s. tegenbatterkj. —bond, tegencontract; renversaal. —buff, s. tegenstoot; v. a. terugstoo—caster,rekeninghouder. — change, ten. —cast] tegenrufl; v. R. ruilen. —charm, s. tegenbetoo• verieg; v. a. onttooveren. —check, a. tegenbeleteel; v. a. verhinderen. — cunning, tegenlist. —carrent, tegenstroom. — deed, tegenbewijs. —draw, nasehetsen (door doorschijnend papier). —evidence, tegengetuigenis. —feit (-$t), a. nagemnakt, valsch; s. namaakeel; bedrog; bedrieger; v. a. namaken; vervalschen; v. n. huichelen, velnzen. —feiter, namaker; vervaischer; nadrukker. —fart, schoor, beer. —guard, bolwerkawering. —lath, dakspar. —light, tegenlicht. —mand, a. tegenbevet; v. R. afzeggen, herroepen. —march, a. terugmarmch; v. n. terug marcheeren,—mark, a. tegenmeek; v. R. van een tegenmerk voorzien. —mine, a. tegenmijn; v. a eene tegenmijn makes; verijdelen. — motion, tegenbeweging. — movement, tegenbeweging. — more, tegenmuvr, atutmuur. —natural, tegennatuurlijk. — order, tegenbevel. —pare,tegetimnatregel. —pane, beddesprei. — part, tegenstuk; duplikaat; tegenstem. —petition, tegenadres. —plea, wederantwoord, repliek. — plot, a. tegenlist; v. R. verijdelen, tegenwerken; v. n. lint net lint te keer gaan. — point, contreptint; gestikte beddedeken. — poise, R. tegenwicht; a. a. opwegen tegen, evenaren. — poison, tegengif. —practice, tegenovergestelde verrichting; heimelijke tegenwerking. — pressure, tegendrukking. —project, tegenontwerp. — reckoning, tegenrekesing. —revolution, tegenomwenteling. —salient, tegennitspringend. — scarp, tegenwal, horatwe-
tone, sound of the harp. —en, ov. w. to riddle, to sift. —enaar, m. Zie 111111,pti , v. harpy, vixen, shrew., scold. Ilse lssio, o. tow. Illerpoen, m. harpoon. —en, °v. gyp'. to harpoon. —ier, to. harpooner. Ilwrpni a;, o. stuff to pay a thip'e bottom, resin. —eon ov. w. to pay, to great. lilikarreveAr der, m. wrangler. --ran, on. w. to weaegle ; to squabble. —reril, v. wrangle, wrangling, jarring. Hare, v. & a. resin. —boom, pine-tree. —achtig, by. eeeinous. Inered, m. loin of beef, .sirloin. o. heart; breast, boeolc; mind, spirit, c ourage, mettle; affection, core: dead, midst. het — hebben, to dare. can het — (ler —e) 9,..an, to give concern, to have at heart. ter —e ',cozen, to take to heart. van — e, sincerely. von ganecher —e, with all one 'a heart. —ader, great artery, aorta; nerve. —brekend, heart-breaking. —grondig, be. heart-felt, sincere; be. !coin the bottom of the heart, sincerely. —learner, ventricle. —klopping, palpitation, heart-beating. — kolk, —putjr, pit of the heart. —kruid, nrther-wort. —humid disease of the heart. —lap. darling. —coerced, affecting, pathetic. —sterkend, —eterking, cardiac/O., cordial. —yang, fainting-fit, qualm,syncope. --ye ...hefted. heart-stirring. --verseheuren,d, heartrending. —vinger, middle. finger. —sakje, heart'spurse, perizardium. —seer, ;;clef, sorrow, heartache. —.senate, heart-ntri ► g. —ebloed, heart'ablood. —edief, darling. —eleed, heart-break, sorrow. —elect. heart's desire; near to heart's —evlies, pericardium. —ep(in, coutent. heart-ache. grief. —etaal, WOM8 from the hart. — evrienci, bosoms-friend. —ewer, grief, Borrow. —eweneeh, heart's dee:re. —eyeheim, secret of the heart. lone-secret. --stotht, nasaiori. —stoehtelijk, & bw. paaoloncte (-Iy). --stochtelijkheid, pessionate... —manger, hanger, dagger. —avriendin. eiveet•heart. etbk, by. aL bw. hearty (-ily), cordial (-ly), —elijitheid, v. heartinrea, cordiality. —eloos, be. & heartleea (-ly). —el000livid, v. heartieseeesa. Herten, o. me. heart, -- seven, sevea of heerts. —arts, ace of hearts. —boar, knave of hearts. —beer, Ides of heavta. —vrouw, quota of hearts. linpttsg, be. stout, robust, hearty; saeory, reiish-laid, v. heartiness; savorinees. o. heart, middle; dear. --snag, day for rabbit- hunting. Hasped, na. reel, windie; wir dim; turn-atile; eound-post; entangler, dolt. --oar, en. —.refer, tr, reeler, eoinaer, benglar, dolt. -en, 0, & on. c. to reel, to wind; to eheille, to bunale; to wrangle (over, on). --comae, roe!. —werk, bungling, bungle. —ling., v. reeling; wrangling. Illeasetattes en, on. w. to wrangle, to jangle, (on). eri,;', v. wrangling„ jangling. bv. & ow. hateful (-1y), odioue (-1y). —held, ;:aterulness, odionenems. lint eta, sac. w. to hate. —er, en hater. lints, v. good, property, fortune. varende (tilbare) —, reoveelea, pereonat property. levende rattle. --love, be. & bw. indigent; ragged (-Iy),
Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.

Wat is IOST cryptogeld


v. a. & n. acildden, (zich) Afton- Sham (84111') it. valsch, voorgewend, verdieht. Sever —fight, isplegelgevecht. —. a. mialetding, klaren jr,n). —al P. verschedene., onber,che:- drop , nb!dwri..g -- airy, e:e:1;evnodozl dene, —ally, ad. afzo,derlijk. • al'a- Sh ,heitt. —once, a. arzande,iPg. ,heide (.depend) s e, e, --ell,, ad. streng, hard,. van. -. -es(sjerrCb!z), pl. vleeschhanken,vleeschhal. —,ng, a. waggelend, alepend; s. waggelende wrced( g yaina'!);stint (in).—enesa,—ity (-ver^it-tih), (slepende, gang, s. st,engheid, l)ardhaid, vreedheid; sliptbcdd. Sew (sjoe), v. a, drong legge, —el (..i1). a. no- S hnro e (aje.ein'), s. schaamte, schonde. for —,foei I fac ed, oao. dae. b—Sre eheteeens;, (Co'), v. 5),. n. naalen, er, a. kietrwa- onteeren; v. n. zich schaani'n. —ful, a. —fully, ker; banister. —ing, a, bet rantcn; —tuuhion, i ad. schandelijk. —fulness, a. schendeltjkheid, naaikussea; —desk. naaiklAtja; —less, a. —lessly, ad. cchaamteloos. —lessneae. j a. schaamtelow.heid. ngald: —silk, naaiziPe. (F,P.M, a. gir, 13cht, lzurine, Ochootn) sekse, ' Shev4:nto er (sjem'mur), a. bedtleger. — jay, a. edrtegelijk, liatig. Sex agetaar tan (aalra a dzje-nee )i-en), a. zes Shammy (9em'rnih), e. game; gemzeleder. tigjltige. —7; (-ed'zj ,,-an,:h), a. zastigjarig. ,41.8.(slim em ' l,.. ps ojee; m ), (,ks-e-dzjea'i-me), a. tweede zoo- :Itimi:in he t Lir:: it°s el hs dog. nom, in Vaatrn, — I., a. zes:igtallig,.. ear warm bad nemen. (,e1rs•en4'gjoe-ler), a. zethoelfig. Shamrock :sjem'rok). a. Mane, zesktrIg. e,Thi.e1), a. zesreRelse vers. — ant, a. Shank (sjengki, s. achenkell beenpljp; pip, Sext t eeed1, (Ti e n gket1),;a1 .tj1; stx,mit. _y e 0. 1,, a. aspect;ou ls, taiciihnt!s g e lat e ntd rzoeeit...—painter. zr.Atig ;ruder. —on (-tun), a. 'ondarkoster, door!. § Shant ee (sjen'tiel, — y, a. hut. foods, hot. 1. P.otte. —uple (.tjneri), a. zes,ondir,. Shape (sjeap'I., a. gedaante. geztalte; v)rm, fat S 47V . AIA1 (.! eks".joe-el . a. geOfiChiS -, torn; aard. wijze; denkbeeld. s. schurft; sehott. —bily. ad. —by, v. a. vormen; (S]eb'), ni ; nve.t% .s pftsszn a. , igffi — e tefik ana ,41t 1,e .wi r _ n. iorrix, hAneloom; armzallg, gemeeu. — biness g —n staiy1:tip —lines (.(ai-nna), a. 'naveloosheid; gemeenbeid. a. welgemaakt. 1 "PP' lveld; zwii'll'nv°"' land- Shard i ,,, ,jasrd'), s. acberf; stuk eters:Anal; vlento,pce. reqhfit ei kd aveiel;ng7i es argrney,agret n im.j ,teka;.. asr. hxh.ii — d rtngee,llogp. Sheckte (jek 7 1,1)„ a. paartring, beugel.—, v. a. -
v. a. met Urn (kalk) bestrijken; verstrikken. —r, a. speurhond. Limit s. guns. —, v. a. begrenzen; beperken (to). —able, a. begrensbaar; te beperken. —ary, a. aan de grenzen gelegen;s. grensplaats. —anon (-tee'sjun), a. beperking, bepaling. —less, a. grenzenlooe,onbeperkt. Lime. (Jim',, v. a. teekenen, kleuren, schilderen, portretleeren. —er (-our), -a. schilder, portretschilder.' —iny (-nieng), a. hetLschilderen met waterverf. Limous (laj'mus), a. reodderig. Lamp (limp'), a. zacht, lenig, slap. —, a. hompeling, gehink. —, v. n. hompelen, hieken, mank gaan. e. homrelaar, mauke. —inyly, ad. hinkend, mank. Limpet (lim'pit), a. morsel. Limpid (lim'pid), a. klaar. helder. —ity(-pid'-ittih), —nes*, s. helderheid. Linty ilaj'rnih), a. kleverig; kalkachtig. Linftment (lin'e-ment), a. wiek, verband.
—, gold-wire. is — waard, he is worth his weight in gold. —aster, vein of gold-ore. --anent:, royal-eagle. —berg, —owl; —niOn„ gold-mine. --bears, purse of (for) gold. —t-tasent, dorado, gold-fish. —delver, gold-seeker. —eucht, thirst for (otter) gold, love of money. —dread, gold-wire.—droadtrekker, goldwire-drawer. —erts, gold-ore. —feel, gold-colored, golden. geld, gold coin, gold. —gewicht, gold-weigh!. —glid, —sc./ruins, litharge of gold. --golden, goldfloriu.—haantje,gold-beetle; golden• crested wren. —handel, gold-trade. —kever, brass-beetle. —kiat, strong box; casket. —kleur,goid-color; orptment —klomp, mass (ingot) of gold, —hornet, grain of gold. —host, gold-inset. —ink, gold-lac. —taken,, brocade. —lakensch, brocaded; —e infant, goldpheataut. — leer, gilt leather. —hijns, chryencol. —looter, gold spangle. --maker, alchemist. —makerij, alchemy. —mere!, witwal. —anent, goldcoin. --plotter, —slaver, gold-beater. —porter, gold-powder. --deAtIal, gold-weights, aseay-balonce. —stmederj„ gold.ernith'e art, — workshop. —smelter, gold-reelter, refiner of gold. —amid, gold-smith. —oteaf, ingot of gold. —*teen, touch.. stone; chryeolite. —itof, gold-duet; brocade, tineel. .old-place. —verf„ gold-color. —vervig, gold- colored, gtelden. —ringer, ring-ft-ger.— yin*, gold-finch. gold-flub, dorado, doree, —vlieg, spanish fly. —riles, '401d-beater's skin. - wasscher, ,gold-waaker. —work, gold-mmith's work, gold. —werksr, gold-amith. —worm, glowworm. —wortel, calanditee, daffodil. —send, soldsaad, gold-dust. —teeter, gold 'searcher; alchemist. —zinger, usurer, extortionsr. —enregen, Ittbarnum. —eiloom, marigold, gold-flower. —en, be. golden. Gon‘v, v. celeodlue. Grnatil, ne. degree; rook. —lock, book of charts. bong, crone-staff, Jacob's-staff. —meter, mettle. Grater, v. spade. —iiser, pick-axe. —weak, digging. Graaf, us. roust; (engelsche) earl. —achap, U. county, shire; earldom. Gmlag, bv. eager, greedy, sharp-set, hungry; in demand; — warden, to get an appetite, to take. - bw, eagerly, willingly, readily, with a good appetite. —heti, v. —te, v. eagerness; appetite, stomach. Grano, o. grain, corn. —bouw, cultivation of corn.—gewas, crop (of corn). —handel, corn-trade. —kooper, nom-merchant. —(sorrel, grain of cora. —moat, corri-measure. —markt, corn-market. —Id/ tear, granary. —vloot, corn-fleet, —sect, cernlaw. —colder, corn-loft. Graftatje, n. dram. ee;,— yikken, to dram. Grant, V. fish-bone. van de — caller, to grow very lean. Gratibbel, v. scramble. te gooien, to throw away (to make scramble for). —eve, scrambling. —oar, m. —aarster, v. scrambler. —en, on. w. to scramble (for). —ing, v. scrambling. G encht, v. canal; ditch, moat. Genf, o. grave, tomb, sepulchre. ten grave dales, to die. ten grave dreg., to bury. tot aan het —, till death. aan den rand van het — clean, to be on the brink of death. —gewelfs vault , catacomb. —heave', tumulus. —kelder, —keit, vault.. —tied,

I3 7.M. —HI 1 4; 13 , 1 illens2ock (hernlok), s. dolls kernel. Hermaphodrite (her-merro.dajt), s. manwi.jf, kwee, hermaphrodiet. llemor rhaFe (hem'ur-ridzj), s. bloedstorting. Hermetic (her-met'ik), —al, a. —ally, ad. lucht—rhoids (-rojdz), p1. aambeien. dicht, hermetisch. Hemp (hemp'). a. hennep. —beater, hennepklop—dreoser, hennepbehennephekel. Hermit Ihuenalt), s. kluizenaar. —age, s. per. —comb, —cos, s. kluizenares. reider. —plot, hennepveld. —stalk, hennepstok. —seed, hennepzaad. —en (hem'pn), a. von hennep. Herni a (hueni-e), s. break. —at, a. eene break betreffend. —ous, a. met eene break. Alen (hen'), s. hen, hoen; wijfje. —hone, bilzenbraid. --coop, hoenderkorf; kippenhok. —driver. Hero khi'ro , , s. held. —ic, —ical, a. —ically, ad. heldhaftig. heroic poem, heldendicht. —harrier, hoendervalk, kiekendief. —hearted, lat. —in, —pecked, onder den kippenhok. (her-o'in), s. heldin. —ism (her'o-izm), s. Lartig. —house, heldhaftigheid. pantoffel. —roost, hoenderrek, -meat. Hence (hens'), ad. van hier; van nu af; hieruit. Heron (her'un), s. reiger. —ry, —Maw, s. reigernest, reigerboseh. —forth, —forwa,d, ad. voortaan. Herm,► boy (hentsj'boj), —man, s. wapendrager, Ilorp es(huepiez),a.huiduitslag.—efic(her-pet'ik), a. vurig, uitslagachtig. page; volgeling. Ifferring (heerieng)., a. haring. fresh ilendecagon (hen-dek'e-gon); s. elfheek. panharing. pick-led —, pekelharing. red bokking. limp (hap), s. rozebottel. —base, haringbuis. —gutted, langlijvig. —hang, Ileppen (hep'pn), a. net , geschikt. bokkinghang,. —season, haringtijd. —smack, halleptree (hep'trie), s. eglantier. ringjager. Hepatic (he-pet'ik), —al, a. van de lever. Clepta chord (hople-kord). s. zevensnarig speel- Hers (hare), pr. de (het) hare. de heron. tuig; stelae! der grandtonen. —go;; (-con), s. Cleric (hare), a. lijkkoets; valpoort. zevenhoek. —gonal (•teg‘on-nel), a. zevenhoekig. Herself ihur-sell';, p.m- zij (zich, Naar) hlsnit ancy (hez'i-ten-alh), s. aarzeling, beslui—rchy (-taar-kih). a. zevenhoofdige revering. Her (hur), pr. hear, hare, haren. teloosheid. ;—ate, v. n. aarzelen; haperen. —ation, Herald (her'eld), a. heraut; wapenkoning; voor(-tee'sjim), a. aarzeling, hapering. looper,bode. —,v.a.aankondigen. —ic(he-rei'dik), lileaperlan (hespi'ri-en), a. westeltik, westersch. a. do wapenkunde betreffend. —ry, a. heraldiek, Hest (hest), s. bevel.. Hetero elite (het'e-ro-klajt), a. & a. onregelwapenkunde. matig (woord). —elitic, a. herb (urb'), a. braid. —of grece, wijnruit. —8, onregelmatig. —dux, a. onrechtzinnig. —dozy, s. a. p1. groenten. sweet —8, welriekende kruiden. onrechtzinnigheid. —yeneal, —geneous, (dzji'ni-); —market, groenmarkt. —porridge, warmoee,greena. ongelijksoortig. —geneity, (-dzje-nrit-tih), a. tesoep. —woman, groenvrouw. Herbaceous (her-bee'sjus), a. kruiden betrefongelijksoortigheid. Clew (joe') [hewed, hewn'], v. a. hakken, houwen; fen d; kruideneterid. Herb age (hurb:idzj), a. kruiden; groente; weide- vellen. —er, s. hakker, houwer. recht. —al, s. kruiden betreffend; s. kruidboek. Hexagon (hekee-gon), a. zeshoek. —alist, —arist, e. kruidkundige. —arium, (her- il exes goual (hegz-eg'un.nel),a.zeahoekig. —meter (•ern'i-tur), e. zesvoetig vers. —regular (-engloebee'rium), e. verzarneling van gedroogde planler), a. zeshoekig. ten. —ary, a. kruidtuin. —escent (her•bes'aent), a. als kruid groeiend, plantasrdig. —tvorous Hey (heel, int. ei! ha! he? —day, int. heisa! e. vroolijkheld; nchsone tgd. (ber-biv'ur-us), a. kruidenetend. —oe'ization (-uri-zee'sjun), s. plantenafdruksel in steenen. —orize Hiatus (haj-ee'tus), s. gaping, lecmte, hiatus. (-or-azj), v. n. kruiden zoeken. --one, —y (urblhl, Hiberna I (h&j-buena), a. wintersch. —tion, (-ber-nee'sjun), s. overwintering. ruttier]; kruidaehtig. a, vol 1iv. n. hIkken. Hiccoagh (hik'kof), a. hik. herculean (her'kjoe'li-en), a. hereulisch. herd (hued'), a. kudde (van groat nee), troel); Hickup (hik'kup), s. Zie Hiccough. herder. —sman, veehoeder. —, v. R. tot eene Hide (hajd'), s, huid, vel. —bound, a. atrak, vastzitter. I; gierig. kudde verzarnelen; v. n. in kudden weiden. Here (hier'), ad. hier. —about. —abouts, ad. bier- Hide (hajd') [hid, hid, hidden], v. a. verborgen (in de voigende met here samen. ornstreeks. f, one, year); § afranselen; v. n. verborgen run. —and-seek, schuilevinkje. —r, a. verberger. gestelde bijwoorden heeft het voorzetsel den klenatoon). —after, ad. & s. hierna; hiernamaala. Hideous (hid'i-ui,), a. —ly, ad. afschuwelijk, a fziehteljjk. —nese, a. afschuwelijkheid. hierop. —by. hierdoar. —ice, —into. Merin. —of, hiervan. --an, --upon, hierop. —out. hieruit. Hiding (hajd'ieng). s. (bet) verbergen; pak alaag. —place, schuilplaats. —to, —unto, hiertoc. —tolore, voorheen, eertijds. Hie (hap, v. n. zich haasten, nick reppen. —ter t h, hierrnede. :11,,,retlita Isle (he-red'i-tibl), a. erfelijk. —meat, Hierarch (haj'e-raark), a. geestelijk opperhoofd. —ical ( rattekikl), a. de priesterheerschappt be(her-e-dit'e-went). s. erfeals. ad —ry, a. treffend. —y, s. priesterregeering. erfelijk. Hier° glyph (haye-ro-glif). —gly/phic liereslarelt (he-ri'zji-aark), s. aartsketter. s. ketterij. —tie, s. better. s. beeldschrift. --glyphic, —glyphical, Mere sy a. beeldaprakig, zinneheeldig. —graphy (-rog're—t;eat, a. —tically, ad. (lie•rerikl•), kettersch. flh), a. heilig schrift. —pliant (-fent), a. priester, Claret able (heel-CIA), a. erfbaar, —age, (-tidzj), a. erfd,e1, erfenis.

Is Blockchain legaal in India


291 STU —SUB. rend; t)verig in; bedacht op. to be —, zich be- Subalmoner (sub-a'mun-ur), a. onderaalmoeiiveren. —ly, ad. aandachtig; zormldig, zanier. —nese, a. leergierigheld; vlijt, tjver. Subaltern (sub'el-turn), a. ondergeachikt. —, a. ondergeschikte. —ate, a. —ately, ad. (-turn'et-), Study (stud'ih), a. studie; nadenken: studeerkabeurtelingsch; bettrtelings. —atm. (-ee'ajun), mer. in a brown —, in diep gepeins; droefgeestig. a. afwisseling; ondergeschiktheid. —, v. a. beetudeeren; navorechen; bepeinzen; v. Subaqueous (sub ee'kwi'us), a. cinder bet water. n. etudeeren• trachtea, zich bellveren. Stuff (stuff'),' f. etof; vulsel; menasel, artseni); Subastral (eub-es'trell, a. aardsch. prullen, vodden, tuig; smeer; gereedechap; hoofd- Pi...tile: ►unter (sub- atjaant'ur), a. ondervoor :anger.. saak. —, v. a. opvullen, volstoppen ((up); v. n. Subcommittee (sub-kom-mit'tie), a. subcomsick vole toppen. —ing, a. opvulling; opvttleel. missie. Stultify (stuPti-faj), v. a. gab dwaas maken. Stum (atom), a. most. —, v. a. laten gluten; ma- Subcutaneous) (sub-kjoe-tea'ni-u0, a. onder de huld aanwezig. velen. Subdeacon (sub-dritn), a. onderdiaken. —ry, Stambi a (etum-bi), a. atrulkeling. —e, v. a. doen atruikelen; belemmeren; aanstoot geven; v. n. —ship, a. onderdiakensehap. struikelen; (at) sich etoren tan, zich ergeren Subdean (sub•dien'), a. onderdeken. —ery, a. over; (upon) aantreffen, bij toeval vindeu. —er, waardIgheid (ambt van onderdeken. u. onderafgevaara. strutkelaar. —ing, a. strulkeling; --block, Subdeagate —stone, eteen des aanstoots; struikelblok. digd. —, a. onderafgevaardigde. (-geet), v. a. voor een ander, afvaardigeu. Stump (stomp'), a. stomp, stronk. —orator, volksredenaar. —, v. a. atknotten; verlegen Subdltitioua (sub-di•tisrus), a. ondergeseboven. maken; v. n. plump stappen; zwetsen. —a, pl. Saabdiversity (sub-cli-vnral-fajl, v. a. btj herhaling veranderen: vermenigvuldigen. beenen. —y, a. vol atronken; kort en dik. Subdivi de (sub-di-vajd'), v. a. & n. in olderat• Stun (stun), v. a. bedwelmen; verdooven. deelingen splitsen (geuplitat zijn). —sion (visj'• Stunt (stunt). v. a. in den groel belemmeren. un), a. onderafdeeling. Stupe (stjoep), a. betdoekja; betting. —, v. a. Subduable (sub-djoe,ibl), a. ten onder to brtnbetten. gen, to onderdrukken. Stupefact loss (etjoe-pe fek'ajuu), a. bedwel. ming, verdooving; Nerbazing; ontsteltenis. —ire, Subdue a (sub-djoes'), —t (-dukt'), v. a. wege nemen, onttrekken; attrekken. —tion (-duk'ejun),. a. bedwelmend, verdoovend; verbazend; a. bes. aft rekking. dwelmend middel. Shape( ler (stoe'pe•faj-ur), a. verdoover; ver- Subdue (sub-djoe'), v. a. tea Louder brengen, bazer; verdoovend middel. —y (-raj), v. a. ver- onderwerpen; bedwingen. —r, a. onderwerper; bedwingee, onderdrukker. douven. bedwelmen; verbazen. (-djoe'p(i-k3t), Stupendous (atjoe•pen'dus), a. —ly, ad. ver- Subdupl e, (sub'djoepl), a half. —e, e. helft. bazend. Stupid (stjoe'pid). a. —ly, ad. dam, but. lotep. Scriber ate (ejoe'bur et), a. karktuutsout. —ic (-ber'ik), a. kurkzuur. —ity (-pid'it-t1h), —nest, 0. domheid, botheid. Stupor (etjoe'per), a. verdooving, gevoelloos- Subhastation (sub-hes-tee'ejun), s. openbare (gerecbtelijke) verkooping. held; verbazing. Stupra to (atjoe'preet). v. a. verkrachten. —tion Subludication (sub-in-dl-kte'sjun), a. (-preetijun), 8. verkrachting. ding door teekens. Sturd ily (atuedil-lih), ad. —y, a. forach, ate- Subitaneous(aub-i-tea'nl-us), a. plotseling. vie; stout, driest; hardnekkig; onbeschaamd. Subjacent (en b. dzjee'sent), a. ouderliggend. —lases (-di-noes), a. forschheld; stoutheid, hard- Subject (sub'dzjekt), a. onderwerpen, onderdantg, onderhevig (to). —, a. onderdasn; ondernekkigheid; onbeschaamdheld. warp. — (-dsjekt"), v. a. onderwerpen, verpiichSturgeon (sturd'zjun), a. steur. ten, blootatellen, (to). —ion (-dajek'sjun). a. onStutter (stut'tur), a. geetotter. —, v. n. stotteren. —er, 0. stotteraar. derwerping. —ire, a. —ively, ad. (-dzjekteiv.), onderw cepa! ij k, subjectisf. Sty, Stye WO, a. varkenshok; zwijnenboel; atrontje aau het oog). —, v. a. in een varkens- Subjoin (sub'dzjojn', v. a. toe-, btjvoegen. Subjuga to (anb'dzjoe-gset). v. a. ten onder kot opsiulten. (onder bet jok) brengen. —Non (-see'sjun), r. Stygian (stid-zjl-en), a. helach. 13tyl a (stajr)., s. ett)1; trant; wijse; titel, benaonderwerping. ming; edit, griffel, natild; — of court. kanselartj- Subjunction (sub.dzjungk'ejun), a. blj-, aan. attli. —e, v. a. noemen, betitelen. —lab, a. pronvoeging. —tire, a. aangeaoegd, aanvoegend, a. aanvoegende wijs. kend, nieuwmodisch, fatterig. Styptic (stip'tikl, a. &s. bloedetelpend (middel). Sublation (sub-lee'ejun), e. wegneming. Sublet (sub-let'; [irr.], v. a. onderverburen. Suable lajoe'ibl), a. vervolgbaar in recbten. Sue elan (aweezjun), a. overreding. --sire (-ale), Sublevation (sub-le vee'ajun1, s. ophetling. Sublieutenant (sub-liv-ten'ent), s. onderint. —sort/ (-cur rib), a. overredend. Suavity (swev'it•tih), a. lielelijkheid. tenant. Sublina able (eub•lejleibl), a. sublimeerbaar. Subacid (sub-send), a. zuurachtig. —ate (ittb'11-met), a. geaublimeerd; a. sublimeet. Substation (sub-ek'eJon), a. (bet) ten onder bran—ate (eubli.meet), v. a. embltineeren; verheffen; gen; smelting.
EX11 . — EXT. Exptrobrn te (eks pro'breet), v. a, doorhalen, verwijten. —lion (-bree'sjun), s. doorhaling; verwitt. Exproprin te (eks-pr.fpri•eet), v. a. onteigenen, Meta ontdoen van, (from. of ► . —tion (-ee'sjun), a. ontetgening; afvtanddoening. Expugn (eks-pjoen"), v. a. stormenderhand vet , meesteren, veroveren. —able (-pug'nib)), a. te vermeesteren, nternbaar. —ation (-pug.nee'sjun), s. vermeestering. —er, a. verrneesteraar, overweldiger. Expn 1 a (eks-puts'), v. a. uitdrijven. —ion (-sjun), s. ultdrijving. —ive, a. nitdrijvend. Expun ct-ion (eks-nunk'sjun), s. nitwissehing; vernietiging. (-pundi.j'), v. a. nitwissehen, te niet doeu. Expurga to (eks-pur'geet), v. a. zuiveren. —tion •gee'sjun), a. znivering. —tory (-ge-tur-rth), a. zuiverend. Exquisite (eks'kwiz-sit), R. —1y, ad. uitgelezen. keurig, voortrefrelijk. s. keurigheid, vuortreffelijkheid. Exeangulous (eks-seng'gwi•us), a. bloedeloos. Exseind leks-sind'), v. a• nitsnijden. Exseet (eks-sekt'), v. a. uitanijding. —ion (-sek' ejun), a. uftsnijdIng. Exsieea nt (eks-stk'kent), a. opdrogend- —te (-beet), v. a. opdrogen• —tion (-kee'sjun), a. opdroging, —tire (-ire-tiv), a. drogend. Exapultion (eks-spjoe-isrun), s. u:tspnwing. Essuceons (else-suk'kus), a. saptoos, droog. Exsuetion (eks•suk'sjun), s. uitzniging. Exaudation (eks-sjoe-det'ajun), s. uttzweeting, Exsuile (eks-sjoed'), v. a. & n. •..itzweeten. Exautilation (eks-suf-ftee'sjun), a. uttblazing (bij bezweringen). Exaviscita te (eks-sus'si teat), v. a. apwekken. —thin (-tee'ejun), a. opwekking. Eaten cy, (ektrten-sih), a. uitsteking. —1, a. in bet oog vallend; bestaand, aanwezig. Exteinpor of (ekm•terrepur-rel), —aneone (-ree'nito.), —ary (-re-rih), a. onvoorbedaeht, voor de vuist gedaan. —e (-pur-rih), ad. voor de vulet. (-rojz), v. n. onvoorbereid spreken. Extend (els-tend?), v. a. uttstrekken, uitbreiden; v. n. zieb uitstrekken. Extensibility (elts-ten-ei-bil'it-tih), a. uitstrekbaarheid. lr.,xtcns *hie (eks-ten'sibl), a. uitstrekbaar, nitbreidbaar. —ion (-ajun), a. uttbreidlug; uitgestrektheid. —ional (-ajun-e1), —ive, a, ad. nitgestrekt, veelomvattend. —iveness, s.uitgeatrektheid, nitgebreidbeld. —or, a. uitstrekkende spier. Extent (eks-tent'), o. uitgestrekthetd, omvang; exeeutie. Exteputs te (ets-ten'joe•eet), v. a. dean vermageren (verminderen); verr.achten. --tion (-cc' sjnn). a. verzwakking; verzaettling*. Exterior (eks-trri-ur), a. uiterlijk, uttwendig, - a. uite.ritik. Extermina te (eks-tuOmi-neet), v. a. uitroeien, verdelgen. —lion (-nee'sjun), a. nitroeiing. —tor, s. verdelgrr. —tory (-ne•tur-rih), a. verdelgend. Extern (eke-turn'), —al, a. —ally, ad. niterlijk,
a. heesterachtig. —et (-ret,), a. boompje. —ist (-rist), a. boomkweeker; boomkenner. Arbuscle (ear'bus1), a. heeater, struik. Arbute (aar'bjoet), a. aardbezieboom. Arcade (er-keed'), booggaanderij. Arcanum ler-kee'num), a. geheim. Arch (aartsj), a. boog; gewelf. —, v. a. welven. , a. —ly, ad. snaaksch, achalkach. —new, a. snaakschheid; sluwheid. —er, a. boogschutter. —ery, a. (het) boogschieten. —wise, a. boogswijze. In samenstellingen voornaamste, eerate. —angel (aark ern'dzjel), aartseneel. —bishop, aertabia. eche!, —bishopric, aartsbisdom. —deacon, aartsdeken. —duchess, aartshertogin. —duchy, aartshertogdom. —duke, aartshertog. —fiend, aortavijand. —heretic, aartsketter. —priest, aartspriester. --rogue, aartegebelm. Archaism (aar'ke-izm), a. verouderde spreekwijze. Archeoliog !cal (ear-hi o-lod'zjikl), a. oudheidkunde betreltend. —y (-ol'ud-zjih), a. oudheidheidkunde. Archetype (aar'ki-tajp), 8, oorspronkelijk modal. Archiepiscopal (aar-kje-pia'ko-pel), a. aartsbisschoppelijk. Archl pelago (aar-ki-pere-go), s. archipel. —tect (aar'ki-tekt), a. bouwkundige. —tectonic (-tek-ton'ik), a. bouwkunatig. —tecture (aar'kitek-tjoer), a. bouwkunde. —trove (aar'ki-treev), a. hoofdbalk. —yea (aar'kajvz), a. archieven. —vist (aaeki-vist), a. archivarius. Arctic (aark'tik), a. noordelijk. —pole. noordpool. Arcuat e (aar'kjoe-et), a. boo gvormig. —ion (-ee'sjun), a. bulging; kromte. Arden cy (aar'den-isih), a. hitte;1 bye, —t, a. —tly, ad. gloeiend; ijverig. Arders (aar-ders), a. braakgrond. Ardor laar-dur), a. hitte; ijver. Arduous (aar'djoe-us), a. eteil; moeielijk. —nes., 8. hoogte; moeielijkheid. Area (ee'ri-e), a. vlakte, opene ruimte; vlakteinhoud , Aref action (er-i-fek'sjun), a. droging. —y (er'ifaj), v. a. drogen. Arena (er-i'ne), a. atrljd- of renperk; vlakte. Aren nceous (er-i-nee'sjua), —ous (er'i-nus). a. zandig. Argent (aar'dzjent), a. zilveren; —ation 1-tee'sjun), a. verzilvering. —ine (- tajn), a. zilverkleurig; zilverkliukend. Argil (aar'dzjil), a. potaarde. —lout, a. leemen, van potaarde. Argu e taaegjoe), v. a. bewijie,n; betwisten; v. n. redekavelen. —er, a. bewijavoerdvr, wederlegger. § —fy (-fai), v. n. gewicht hehben; ten bewijze strekken. —went, 8. bewijsgrond; onderwerp. —mental (-ment'al) , —mentative (ment'e-tiv), a. betoogend. —mentation (-tee' ajun), a. bewijsvoering; gevolgtrekking. Argutc laar-gjoet'l, a. achrander, spItseondig. Aria (a'ri-e), a. aria, lied. Arid (er'id), a. droop, dor. —ity (e-rid'it.tih), —news, s. droogte; dorheid. Aries lee'ri-iez), a. ram (in den dierenriem). Aright (e-rajt'), ad. rechtop; terecht, in orde.

nab ne1.0,, v. a & a. , knabbeleo, I ijten, ephap- Knit, (nit'), s. breisel, —buck, chaleoer., w aalworpen. tel. —work, breiwerk. Knack (nek'), s. speelgoed; slag, kunatje, handig- Knit (nit') [knit'], v. A. & n. breten, knee pen; held. —, v. n. knappen, kraken; gemaakt spreken. (zich) vereenigen, verbinden; fronsen. —ter, s, breier; breister. —ling-needle, breinaald. —tiny. —er, a. speelgoedmaker; paardenvilder. Knar; (neg'), s. kwast (in hoot); pin, plug. —gay sheath, breischede. (-gib) a. kwastig, knoestig; eemelijk. Knittle (nit't1). s. beurikoordje, trekband; siorKnap(nep'), a. knobbel;verhrenheid;top. —bottle, lijn, seizing, knuttel. ' klaproos. —sack, knapzak. —weed, Wilde amber- Knob (nob'), I. knoest; knobbel; knop; kwast. —bed (nobd), —by, a. knoestig;knobbelig.-6iness, bloom. --, v. a. afbijten, kraken, doen afknappen; a. knobbeligheid, knoestigheid. v. n. knappen. Jbnapple (nep'pl), v. n afknappen. Knock (nor), a. slag, tik, geklop. g. a &. n. slum, kloppen. (at) aankloppen. (down) nedervel(naarl'd), Knar (near'), —F,s. knoest, kwast. len; toeslaan (bij veilingen). (its) insiaan. (off) af—0, a. knoestig, kwastig. Knav a (pees'), s. schurk, schelm; hoer; kuaap. slava; afbreken; afdoen. (under) zich onderwer—ish , a. --ishly,ad. s. schurkerij; guiterij. pen. (up) opkloppen; afmatten. —er, s. kloppee. —ery, schurkachtig, guitachtig. —ishnees, i. schurkaching, s. (bet! kloppeo,geklop. tigheid, guitaehtigheid. Knoll (nool'), a. heuveltje; kritin, top. —, v. a. & n. luiden ((do doodsklok)• Knead Ivied'), v. a. kneden. —er, 3. kneder. Knot (not'), a. knoop, strik; hoop; oogje; knoest, trough, bektrog. Knee (nie'),..knickromhout, elleboog. —crooking, kwast; bundel; verbond, troep, gezelschap; trekonderdanig. —deep, tot vn de knieeu. —grace, letter. running—, echuifknoop. —berry, beauty, knoopgras. —pan, kniesehtlf. —string, koueeb and. bee. —grass, varkene-, knoopgrao. —, v. a. knoo—timber, kniehout. —tribute, kniebuiging. v. pen, strikken, verwarren; v. n, knoupen; uitbot ten. —less, a. zonder knoopen of knoesten; zonder a. hnielend snaeeken. —d, a. met knieen of g, e• bezwanr. —ted, a. met knoopen; knoestig. —tines dingen. 1-ti-ness), a. knoestigheid; moeielijkheid. —ty, ad. Kneel (niel') [knelt'], v. n. knielen. --er, a. holeknoestig, kwastig; moeielijk. ler. Knell (nell), s. doodsklok, Knout (naut), a. antoet; knoetstraf. Know (no') [knew (Woe). known (noon)] , v. a. & n. KnIck-knack (nik'nek), a. snuisterij, vodderij. Knife (najr), s. men. —grinder, messenslijper. weten; kennen; erkennen; bekennen. —able, a. kenbaar. —er, s. kenn, r. —ing, a. kundig, erva—rest, --tray, messenbakje. ren; loos. —ingly, ad. met kennis, voorbedachteKnight (unit), s. ridder; ezelshonfd; pavrd (in 't schaakspel; parlementslid. — of the blade, snoe- lijk. ver. — of the post, valsche getuige. — of the road, Knowledge (nol'idzj), i. kerinis,kunde, ervarenstraatroover. —errant, dolende ridder. —errantry, held. to my —, bij mijn weten. dolende ridderschap. —heads, apostels, boegetuk- Knuckle (null'ki), a. knokkel; scharnier; schenken, —marshal, hofmaarschalk. —templar, tern- kel. v. n. bulgen; !deli onderwerpen. peiridder, tempelier. —, v. a. tot Adder Knur (our'), —/, a. knoest, kwast. —led (nurl'd), —ry, a. knoestig, kwastig. —hood,s. ridderschap. —ly, a. ridderlijk.


T1P.—TON. Tipsy (tip'elh), a. dronken, besehonken. Tire (tab.), s. tool, opechik; gewsad; velg van een rad); gereedschap. —woman, hoeden-, mutmenmaaketer; kamenier. toolen, opsehikken; yermoeten, afmatten, vervelen, (out); v. 11. moede worden. —d (tajrd), a. moede; (of. with) zat. —does. (tajrdc), s. vermetelhed; zatheid. —some, a. vermoeien 4 ; vervelend. —somenele, a. vermoeldheld; verveling. Tiring (taj'rieng), e. bet opschikken; het vermoeien. —house, —room, kleedkamer. Tirwit (tuewit),.. kievit. Tisane (ti-zaan'), e. geretewater. 'Tick (tiz'ik), s. —al, a. Zie Phthisic. Tissue (tieroe), s, good., zliverlaken; we efsel. —, v. a. weven,doorweven. Tit (tit' ► , a. wijrje, vrouwmenech; klein nest; moos. —for that, leer om leer. —bit, lekkor beetje. — lark, veidieettweelk. —mouse, meee. Tit h chic (tejth'1131), a. tiendplichtig. Tith e a. timid; tiende gedeelte; — collector, —gatherer. —proctor, tiendheffer; —free, tiendvrij. —e v. a. It n. vertienden; tienden geven. —er, s. tiendheffer. —ing, s. verttending; tiered; aantul van tien huiegezinnen; —man, headmen van eon Centel Easi n nen, Titilia te (tit'll-feet), v. n. kittelen. —lion (-lee , 'dun), s, kitteling. Title (tart)), s. titel; aanspraak, reeht. —dead, bewije van eigendom. —leaf, —page, titelblad. - v. a. betitelen, noemen. —d, a. gettteld. a. condor titel, naamloos. Titter (tit'tur), s, geg!chel. —, v. n. gichelen. Tittle (tit11), e. stipje, tIttel, jots. te a —, tip eon hair, ten stiptste. —tattle (-tot-Mt e.gebabbel, gekleta; v. n. babbelen. TItubnaora (tit jee-bee'ejun), e. wankeling, ntrulkeling. Titular (tit'joe-ler), a. —ly, ad. slechts den titel voeread, titulair. (-le-rib), a. in een' titel beetaand; s, die een' titel (een reeht) heeft; titularis. ast, anti. Thy (ttelh), ad. met groote To (toe), ad. tk prp. near; tot; te, ter, ten; aan; op; jegene; tegen; bpi; In vergelijking van; om te. brother — the king, brooder des konings. as — that, wet dat aengaat.— andfro,— and again, heen en weer, over on weer. —day (-dee"), ad. heden. —do (-doe'), s. beweging, drakte, ophef. —morrow (-mor'ro), ad, morgen. —night (-najt), ad. van avoid; dozen nacht. Toed (toad'), a. pad. —eater, dte genadebrood eel; vleler. fish, zeepadde. —flax, viaskruld. gate waterlelie. —rash,paddenbies. madder. —stone, paddensteen. —stool, paddenstool. —ish, a. pedachtig, vergiftig. —let (-lit), s. kleine padde. —y, s. tafelschuimer. Tenet (toost' ► , a. geroosterd aneedje brood; feestdronk, toast. —, v. a. roosten, roosteren; op de gezondheid drinken van. —er, a. die coostart; rooster; die fen' toast tnstelt. Tobacco (to-bek'ko), e. tabak. —box, tebakedoes. —pipe, tabakeinjp. --pipe-jowl, pijpekop. —pouch, tabakazsk. —stopper, pfjpetoppertje. —Met, s, tabaksverkooper. Tocsin (toit'slu), B. alarmklok.
Dorser (dor'eur), s. draagkorf. Dose ((loos), a, arteenljmaat, dosie. —, v. a. artsenij afpassen (toedienen). v. a. atippen. Dot (dot), a. stip, punt. Dota ge (do'tidzI), s. sufferigheid; verzothetd. —/, a, tot de buwelijksgift behoorend. —rd (-turd), a. suffer, oude gek. notation (do-tee'sjun).8. begiftiging; bruldachat. Dot a (doot'). v. n. stiffen. (upon) verzot Ain op. —er, a. suffer; verliefde gek. —tog, a. —ittgly, ad. mal verliefd. Dottard (doeturd), s. dwergboom. Dotterel (dot-tur'll), s. piuvier (vogel). Douaneer ;doe-e-nier'), a. tolbesenbte. Double (dub'b1), a. dubbel; bedriegelilk. —,s.dukbel; duplikaaat; . kunstgreep. —barreled, met dubbelen loop. —biting, —edged, tweesnijdend.--btock, tweeschijfsblok. —buttoned, met twee rijen knoopen. —capatern, dubbele seal. —charge, v. a. dubbel voorzien. —chin onderkin. —dealer, valachaard. —dealing, valachbeid, bedrog. —diamondknot, dubbele valreepsknoop. —eyed, bedriege10 uitziende. —faced, huichelachtig, —handed, dubbelhandig; bedriegelijk. —headed, dubbele headed-shot, kneppelkogel. bloemen dragend. —hearted, dnbbelhartig. —laid, kabelelag. —leaf, tweeblad. —lock, op het nachtslet sluiten. —meaning. a. dubbelzinnig; s. dubbelzinnigheid. —minded, dubbelhartig; bealuitelooe. —mouthed, —tongued, valach, arglistig. —natured, van sane dubbele natuur. —plea, dubbele verdediging. — quarrel, klacht over den blsschop bij den aarts bisschop. —rope, waarlooze schoothoren. —tack, dubbele halo. Double (dub'b11, v. a. verdubbelen; horhalen; omvouwen; omatevenen; v. n. dubbel warden; wenden; loopjes gebruiken. —nese, a. dubbelheid. —r, a. verdubbelaar. —t (-lit), a. borstrok; warngevangents. sues, dubbelworr twee; atone Doubling' (dub'l eng), a. verdubbeling; draaiett. — of the bitt, betinglap. — of a sail, stootlap cp een nil. —nails, huidspijkers. Doubloon (dub-loen'), a. dubloen. Doubly (dub'lih), ad. dubbel; valach. Doubt (daut'(, s. twijfel; weifeIlng; aehroom; v. a. betwijfelen; mistrouwen; v. n. err, aan. twijfelen; weifelen. —er, a. twijfelaar. —ful, a. —fully, ad, twijfelachtig; °tinker. —fatness, twijfelachtigheid; oneetierheid. —ing/y, ad. twijfelend. —leas, a. —levity, ad. ongetwejfeld. Dough (do"), a. deeg; 4geld. —baked, halfgebakken. —y, a. deegachtig, pappig. Doughtiness (dau'ti-ness), s. kloekheid. —y, a. kloek, onverschrokken. Douse (daus), v. a. & n. in bet water plompen. Dove (day'), s. duif. —cot, —house, duivenkot. —like, zachtmoedig. —tail, a. zwalawstaart; v. a. met zwaluwstaarten waken. Dowager (daaw'e-dzjur), a. adellijke weduwe; deuartere. Dowdy (dauw'dih), a. slat. —, a. slonsig. Dower (dauw'ur) —y, a. bruidechat; weduwgoed. —ed, a. met weduwgoed (huweNkegift) beschonken. —less, a. zonder ulteet (fortutn). Dowlas (dauwnes), a. soort van pot linnen. Down (daatue), a. dons; duin; opens vlakte.
juich. --, v. a. net vieugdegejuiell ontvangen; v, n, haezee roepen. Hyacinth (hare - sinth), a. hyacint. —int, (-sin' thin), a. van (ala) hyacinten. Dyads (haredz), pl. zevengesternte. Hyaline (hare•lin). a. glasachtig, kristallen. Hybrid (harbrid, hib'rid), a. & s. baataard. —one, a. lostaard. Ilydrn (haj'dre), a. waterslang; hydra. WO, Hydraulic (ha). drao'lik). a. waterleiding. terwerkAn betreffend. —s, pl. waterwerkkunde. Hydro cele (hardro-siel), a. waterbrenk. (-daj•nem'iks). pl. waterkrachtkuude. —yen (-dzjen), a. waterstof. —grapher (-drog'refur), a. waterbsechrkiver ; zeekaartenmaker. —graphy (-droere-fih), a. waterbeschrijving. —mel el), a. mede, honigwater. --meter (• drum'. i-tur), a, watermeter. —patty (-drop i e-thihi, a. —phoby watergeneeskunde. —phobia (-fo-bile) a. watervrees. —pica! ( drop'ik-), a. waterzuchtig. —scope (-akoop',, a. wateruurwerk. —static, —statical (-stet'ik-). a. water vveegkundig. —statics (-steeiks), a. wuterweegkunde. —tic (-drotik), s. zweetmiddel. Dye'. eel (haj-i'me1), a. wintersch. —ation (-mee'sjun). a. overwintering. Hyena (haj-i'ne), s. hyena. Uyg elan (haj-dzji'en), e. de gezondheid betreffend. —iene (haj'dzji-ien), a. gezondheidsleer. —ienic (,en'ilr), a. gezondheida.. Ilygro meter (haj-grom'i-tar). —scope (hargroKkoopl, a. vochtmeter. Hymen (liarmin), a. buweliikagod; huwelijk. —eal (-ni'el). —ean (-ni'en), a. bruilofts-; s. bruitoftslied.

Wat is de prijs van Zcash

×