II AN. —en nemen, to begin at; to lecture. op — geven, to advance. op de --en dragen, to treat with great regard, to meke much of, ter — *tales, to hand over, to deliver. uit de —, by private contract. nit de eerste—, at (the) first band. uit de — to fall abort of one's expectation. van — tot —, from hand to hand, van de — in den tend, from hand to mouth. voter de — Attest, to be eldest the elder) hand. —bad, hand-bath. —bekken, hand-wash-basin. —bieding, —reiking, assistance. small-sized bible. — Fiji, hatchet. —Idaker, flat candlestick. —boa ; hand-cuff, manacle, --back, manual. hand-bcok. —bong, bow. —boom, lever, band-spike. —boor. gimlet. — bran'lzpuit, portable tire-engine, hand engine. --b,eed, of a hand 'ts breadth. —breedte,h,nd '8 breadth, —dadig, accessory —, instrumental (tn) —, privy (to). — dadige, accompliee,abe ttor.— doek towel.—druOqueeze of the hand. —euvel,—jicht, gout in the hend,chiragra. —gauw, light-fingered. —gaunteid, dexterousness. —gebaar„ gesture, sign with the hand —gelds'', ctapping of the hand., applause. —geld, earnestmoney; press-money, bounty. — genteen, engaged, fighting; toorden, to come to blown, to engage. —getrouw, faithful. —gift, hendits1.—greep, grasp, gripe ; knack, sleight. —haaister, maintainer, protectresta —haven, to maintain, to vindicate. —homer, maintainer, protector. —having, maintenance,aindlcation. —kar, — wagen,tray.—kiiker, —taaarsegger, palmister, chiroanancer; pocketglass. —kvker(j, —waarseggerif, palmistry, chromancy. —kiss, kissing one 'a hand. —longer, assistant, mate, hod-man, Jobber. —leiding, guide, manual; instruction. —limiting, zeleaae. ruffle. —me/en, band nmill. —opening, permission to roommate a clergyman. —oplegging, imposition (laying on) of hands; seizure. — paard, led-horse. —palm, palm of the hand. —pens, hand press. —pisj1„ javelin, dart. —plak, ferule. — reiken, to o nslot. —reiker, assistant. —schoen glove. —echoesmaker. glover. —schrift, manuscript; hand-writing; signature. —schroef, hend screw. —slag, blow (stroke) with the hand, slap, clip. — spook, handepike., lever. —spuit, hand-syringe; hand-engine. —Castelijk, palpable, evident. — tastelijA held, palpableness, evidence. —tasting, shaking of hands; ender ontslaan, to release upon tenet. —teekenen, o. free hand drawing. —teekening, is gnature, sign-mann al. —trouts, fidelity, iaithful ne . --vat, —vateel,hondie. —rerdraai, spraining of th vest , charter, patent, grant. —rat, ha . —tocasching, washing the hands. --water, we to welsh the hands; dot, heeft daar Been bij, that is not to be compared with It —werk, handicraft, profession, trade. --werkman, woikman, craftsman, mechanic, journeyrnan. —wijser, sign-post. —woordenboek, pocket-dictionary. —tank, hands.w. —ewaschkom., trend-weak-basin. —enurbeid, handiwork, manual labor. Utriar4a if, tn. trade, commerce, traffic, business ; proceed`ng. -- en wandel, behavior, conduct. — drikest, tie Drljven. —drijventl, trading, commercial.— maatschapp0 , trading-compauy. —stad, commercial town. —slant?, trading class, --re(je, wijre, iroereding, method, manner (way) of acting. in earn.), commercial, mercantile; —ear&
61 URE.—CRO Croceous (kro'sjus), a. saffraangeel; van saffraall• Cress (kresm), ki kers. Cresset (kres'sit), a. vuurbaak; toorts; bakenvuur. Crock (krok'), a. kruik, pot; potzwart. —butter, gezouten boter. —er, o. roudventer. --y, a. beCrest (krest"), a. kuif; helmpluim, helntsieraad; rookt, roetig, hanekam; fierneid. —ed, a. gekamd, gepluimd, gekuifd. —fallen, a. moedelooa. —less, a. zon- Crockery (krok'ur-rib), a aardewerk. der kam, toot of wapen; gering. Crocodile (krok'o-d11), a. krokodil. Cretaceous (kri-tee'sjus), a. krijtachtig; krijt- Crocus (kro'kus), a. krokus; saffraan. houdend. Croft (kroft), s. besloten veld; erf. Crevice (krevls), a. spleet, scheur. —, v. a. Croises (krorsiz), a. kruisvaarders. Crone (kroon), s. oude not; oud wkif. splijteu, doen bersten. Cronet (kro'nit), s.thaar, dat bij den paardenhoef Crew (kroe), a. scheepsvolk; troep, ploeg. groeit, kroon. Crewel (kroe'il), 8. kluwen. Crib (krib'), a. krib; hut; koestal; § ledekant. Crony (kro'nih), s. oud vriend, oude kennis. —biter, kribbebijter. —faced, pokdalig. —hage Crook (kroek'),s. haak;herdersstatkromte.—back, bochel; buttenaar. —backed, gebocheld. —, v. a. t-bidzi), a. zeker kaartapel. —, v. a. opsluiten; krommen, buigen; v. n. krom zijn. —ed, a. —edly, steles; v. n. op stal staan. CrIbble(kribibl), s. korenzeef; grof meet. —bread,' ad. krom, gebagen, seheef; slinksch. —edneas, s. kronaheid; gebocheldheid; verdorvenheid. grof brood. —, v. a. ziften. Crick (krik), s. gekraak (van eene deur);stijve hats. 1 Croop (kroep), s. keelziekte. Cricket (krik'it), s. krekel; loge stoel; soort Crop (krop'), a. krop; top; stomp; oogst. —, v. inzamelen; maaien. —car, 1 R. afkorten, kappen; van kolfspel. —er, a. cricket-speler 1 kortoor. —eared, met gekapte ooren. —fat, prop. Crier (kraj'ur), 8. omroeper; mchreeuwer. door maagoverlading onCrime (kraim'), s. misdeed. —fat, a. misdatlig.' vol, verzadigd. —sick, maagziekte (door overlading). gesteld. —sickness, -less, a. onschuldig. —time, oogsttijd, —whip, voermanszweep. —per Certain al (krim'i-net), a. —ally, ad. misdadig —al, a. misdadiger. —ality (-nel'it-tih), —alness, (-pun), s. kropper (dolt). a. misdadigheid. —ate, v. a. beschuldigen. —ation Crosier (kro'ziur), s. bieschopestaf. (-nee'sjun), a. beschuldiging. —story, a. beachul- Croslet (kros'lit), a. kruisje; haarband. Cross (krom'). a. kruis; droefheld, lijden. —and digend. pile, kruis en munt. to creep to the —, zieh onCrImosIn (krim'zin), a. Zie Crimson. Crimp (krimp), a. broos, brokkelig; zwak. —, derwerpen. —aisle, zijvleugel (Pener kruiskerk). a. ronselaar; agent voor kolenhandelaars. —, , —armed, met gekruiste armen, werkeloos. —bar, v. a. krullen, friseeren;' krimp snijden; ronselen• dwarahout; kruim (van een venster); zwieping. dwarabalk.—bilt, Crimple (krim'pl), v. a. (taken) krimpen. (up) —bar shot, atangkogel. —beam, —bite, a. valstrik, kronkelen. kruisbek (vogel); tegenklacht. Crimson (krim'zn), a. karmozijn. —, a. karmo- bedrog; v. a. bedriegen..—bow, kruisboog. —bowram. zijnItleurlg. —, v. a. rood verven; v. n. blozen. er, kruisboogschutter. —breed, gekruist —cut, Crincum (krink'um), s. kramp, samentrekking; —bun, kruiskoek. —caper, dwarssprong. nub, grit. dwara doorsnijden. —cut-saw, trekzaag. —day, onderzoek door de Cringe (krindzj'(, a. slaafsche buiging; kruipende ongeluksdag. —examination, tegenpartij to hooren; onderzoek door strikvraonderdanigheid. —, v. n. laaghartig vleien; de tegenpartij in verhoor semen; —examine, gen. —r, 8. kruipende vleier. (to). kruipen Cringle (krin'g1), s. ring; oog van een touw. door strikvragen onderzoeken. § —eye, scheel. oog. —flow, in tegenovergestelde richting vloeien. —a, a. leuvers. —.fortune, tegenapoed, wederwaardigheid. —grain. Crinlgerous (kris-id'zjur-us), s. harig. ed, tegen den dread; stuursch. —jack, bree.fok. Crinite (krarnajt), a. haarachtig. —jack-yard, bagijnera. —lane, kruislaan, dwars. Crinkle (kring'kl), a. kronkel. —, v. a. & n. steeg• —legged, met de beenen kruiselings. —line, kronke?en, rimpelen. kruislijn. —marriage, —match, gemengd buwelijk. Crinbilne (krin'o- lin), a. stijve rob; hoepelrok. § —patch, bullebak. —path, kruisweg. —pawls, Cripple (krip'pl), a. kreupel. —, a. kreupele greenen senten. —piece, tiwarastuk. —piece of —, v. a. kreupel makes. the bitts, bettngbalk. —piece of a cleat, balkjein Crisis (kraj'sis), a. toppunt; crisis. een kruishout. —piece of the head, talkie in 't Crisp (krisp'), a. gekroesd, kronkPlig; broos, brok- galjoen. —pillar, stut . —purpose, mieveretand; kelig, murw; geroost. —, v. a. krullen, vlechten; niet passend antwoord; tegenstrijdig plan; streep bruin roosteni v. n. kronkelen. — a/ion (-pee'sjun), door de rekening —purposes, vraag- en ants.krulling. —ing-iron, —ing-pin, krulijzer. —nes, woordspel. —question, zie —examine. —road, s. kroesheid —y, a. kroes; broos. kruisweg, viersprong. —row, a-b• bock. —seizing, Criterion (kraj-tPri-un), 8. kenteeken, rnamtstaf. kruisbindsel. —staff, graadboog. —tree, dwarmsa. Critic (krit'ik), s. kunstrechter, beoordeelaar; he- —turns, mlagen van kelaar; beoordeeling. —, —a/, a. —ally, Ad. kunst- ling. —trees, kruishouten. —wind, tegenrechterli.jk; zorgvuldig; hoc helijk, netelig. —ise eene kruising. —way, kruisweg. (4-sajz), v. a. & n. beoordeelen; hekelen. —ism wind. —wise, kruiswijze. —wort, kruiswortal. Cross (krom'), a. kruiselingsch, schuinsch,dwars, (-i-shm), a. kritiek, beoordeeling; gimping. averegtsch• tegenstrijdig; eigenzinnig; stuurech. Croak (krook'), a. gekwattk, gekras. —, v. n. kwaken, brasses, rommelen. —er, a. knorrepot; —, v. a. bruiser; met een kruis merken, doorhalen; dwars oversteken; dwareboomen, belemmeongeluksprofeet.
—talk, tate1kout. —, v. a. den boat geven; in tabellen (lijeten) brengen; v. n. In den kost tafelen —r, a. kostganger. -s (tee"blz), pl. zakboekje; *cheek-, dam-, verkeerbord, the —* are urned, de hekken ziju verbangen. Tablet (tebItt), a. tafeltje; zakboekje. Tabor Itee'bur), a. rinkelbom, tamboartin.--. v. n. op de tamboerijn clean. —er, a. ta.nboerijnsiege, —et (teb'ur-et), a. kleine rinkelhom. 'Feb ourlaze (teb-ur-ien'), —ret (teb'elt), a. Zie Taboret. Tabul ax (tebloe-ler), R. tabellariseh ; tafel-, bled-, pleat-. —ate (-left.), v. a. vlak (vierkant) oaken; in tabellen brengen. —ated (-lee tid), a. vlak, vierkant. Tacit (teeit), a. —1y, ad. atilzwijgeud. —urn, (•-turn), a. zeijgeud, sill. —uraity ( 1-turn'ittih), a. atilswijgendheld. Tack (teW), a. spijkertja, atittje; slagboeg; hale duren; (van een zell); gang, vlek. to hold
Iiiierkilez eta, ov. w. to reelect. —ing, v. re- Illorplitats en, Or. W. to replace. —ing, v. reelection. placing. inereknedan, or. w, to knead (to mould) over Illerpimalt en, ov. w. to replant, —ing, v. reagain. plantation. ilerkonepee, ov. w. to button (to tie) again) Herpineg en, 07. w. to plough (to till) again. to recommence, to renew. —ing, v. ploughing over again. Illearekr,k en, or. w. to boil over again; to con- illerOloollen, ov. w. t- plait 110 fold) again. side, again. —ing, v. second heiling, illerpeet en, or. w. —tag, v. Zie Herr,tauten. Ilerkieenees, on. w. to proeeed, to finite; to de- Herearoeven, 07. w. to taste again. mend, to derive. —, o, custoee, rive. Illierrekamtn, ov. w. to reckon (to calculate) over Ildereetrinot, v. deecent,extra-tion, birth; origiu, again. derivation. —ig, by. dcaleended, barn, sprung IfferrUz en, on. w. to rise again, to revive. tit (nom), native (of), originary. den dood --, to rise from the dead. —entie,—ing. literatreop, in. repurrhnve. —en, or. w. to re- T. Yie ...der Verrajnen, purchaee, to buy back again. ilicrepep elUk, by. revocable, repealable. —eNlerkonecen, ov. W. to copper again. ltikheid. v. yeeocableaess, —en, or. no, to recall, llerkrtJg an, or. Ir. to get back (again), to re. to revoke, to retract, to recant, to repeal. —in, cover. —ing, v. recovery. v. recoil, revocation, retraction, recantation, Ileelipsd ette, or. w. to load (to lade) again. —ing, repeal. v. loading (lading) again. nersehatt en, ov. w. to revalue. —er, m. reSEerlieee.n, or. w. to learn (to teach) again, valuator. —ing, V. reealuation. etalelatd i,,,t,P, by. reducible. —baarheid, V. ra- lilieriiebep en, on. w. to reship, to transship. ductbleeese. —en, ov. w. to redace. —ing, v. —ing, v. reshipment, trensshipeneet. reduction. iiliereicisepp en, or. w. to metamorphose, to Henley eon, on, w. to revive; to return to life, treusform ; to regenerate. —er, an. metamorto get a new life ; to renew one's age. —ing, v phocer, transformer; regenerator. —ing, v. metarevIval. morphosis, transfornnttion ; regeneration, lieeriez rot, 07. w. to read over again. --ing, Iliersehkin en,on.w. to chine again; to reappear, v. readiog again, second reading. —ing, v. shining again; reappearance. Illerwttlken, ov. w. to remake, to repair. illersehikk en, or. w. to arrange to regulate) Herts., en, or. w. to grind. again. —fog, v. anew. —ing, v. new arrangement. grinding again. llierEehousw en, ov. w. to inspect (to review) allernsuoiaen, or. iv. to don again. again. —ing, v. new inspection. IlltereneliUma, ro, Pa o. ermine, —en, by. (of) en. IllersehrOven, ov. w. to write over again. mine. Hersen en, v. my. brain, brains, —klier. pineal llilerneengen, we. w. to mix again, gland. —ontsteking, inflammation of the biotin, Illertnerkeera, coo w. to mark (over) again. brain-fever. —pan, skull. —boor trepan. —schim, llcc'enct en. oc. w . to measure (over) again, fancy, chileere. —schimmig, chimerical. ' —Irked-ing„ v. reeasering (over) egnie, eeconei mea, ding, cenrueeion of the brain. —riles, cerebral tiTe men t. membratite, meninge. —rorucht, Productionof the illie;rentant en, en. w. to recoin. —tag, v. re- brain,freit oftheunderetanding.—evoede.freney, e.oicege. delirium. —loos, by. brainless, addle headed. —a, lfiternardetto or. w. to new again. v. me. iv:nand de — insla.2n, to knock out a. o. '8 tlerni,11; Op, 0, W. to take back again, to retake; braille. te relay. -icy., a. recapture, retakiug. lilieralUpen, oe w. to whet (to grind, to polish) ellereda..atiee. an. Moravian brother. over again. GI.Vatitelllif P.,Itr, by. renewable. —en, ov. w. liferaraleden, ov. w. to forge again; to change. to renew. —lug, V. reuenal, le novetion. to reform. 'Werra oornon, ov. vv. to rename, to name again. Illieranyelit en, or. w. to remelt. —leg, 'v. re•

Waar kan ik de handel Crypto met leverage


grumous. —en, on. w. to clot —ighoid, v. clottines*, grumousness. Kiont Ig, by. cloddy, lumpy. —le, o. lump. Kioof, v. cleft, gap, chasm, crevice; chink. — by1, cleaving-axe, —hamar. mallet, wedge. —heat, wood to be cleft. —kin, dimpled chin. —meg, cleaver. je,o. dimple; as Kiocaf. Klooster, o. monastery, cloister, convent, nunnery. —breeder, monk, friar, lay-brother. —ca., cell. —piing, cloister-alley. —garen, nun's thread. —pelof le, monastic vow. —geschtedenie, monastic history. —pewaad, monastic dress; veil. —geed, estate (goods) belonging to a monastery. — yuffor, nun. —kerk, monastery-church, cloister. chapel. —lattin, monk latin. —loves, monastic life. —meeder, —voogdee, prioress. abbess. —orde, monastic order. —repel, monastic rule. —twist, monastic discipline. —coder, —voopd, prior, abbot. —roogd(j, priorship. —wet monastic law. —ouster. nun, lay-sister. —aehtig, be. nionaetle, cloisteral. —en, ov. w. to cloister (up). —ing, v. cloistering (tip). —1(ilc, by. cloisteral, monaetie, conventual. —tiny, m. monk; v. nun. Kloot, na. ball; globe, sphere; testicle; truck. —hoop, cross-bow. —rend, —vormig, globular, spherical. —xak, scrotum. —aektig by. spherical-ye., o. little ball, —globe; —svolk,rabble, mob. —itch, by. spherical. m. Kloov con, or, w. to cleave, to split. cleaver, splitter. —ing, v. cleaving, splitting. Mop, on. knock, stroke, rap; stamp. — krijgen, to be beaten soundly, to be drubbed. —geest, rapping spirit. —geeatertj, spirit-rapping — homer, mallet. —henget, stallion. —hoot, beetle; planer. —jacht, track, hattue. —sckeen, etoorked shin; smoothing-stick; kit, small violin. —steam, stone to beat upon. —see, head-sea. Klop, v. —je, o. begulu. Klopp en, ov. & on. w. to knock, to tap ; to beat; to palpitate ; to fight ; to drub, to trash. m. knocker. —lap, v. knocking, tapping; palpitation, pulsation. Moe, m. bobbin, spindle ; log; chock ; bowl. —baan. bowling-green. —beitel, bat, club. --bengel, —poort, —ring, iron ring, — hoop. —koord, looplase —ten, ov. w . to twist with (to wind upon) bobbins; on. w. to make bobbins ; to play at howls. Klots en, on. w. to beat, to stamp, to dash, — log, v. dashing. Kincht, v. farce, joke. —maker, buffoon, merryAndrew. —epel, farce; —dichter, author of a farce. — epee, comic actor. —ig, by. & bw. comical ( - ty), droll (-inglyi, farcical (-1y), odd (-1yi. — iyheid, v. comicalness, drollery, oddness, oddit y. Klein, v. crevice, chink ; ward, perish. —hear, warden. —predikant, parson of a parish. —work, mast of several pieces. Muir, m. Zoe Mottle. —, v. claw, clutch, talon, pounce; gossip. —fok, fore-sprit-sail. —heist, jibboom. — je, o. bone to pick. —star, • . picker. Kloit, v. hermitage, cell ; vault; hawser. —got, hawse-hole. —bout, hawse-piece. —prop, hawseping. Moister, v. fetter, shackle. —en, ov. w. to fet • ter, to shackle.
Klep, v. flop, valve, shutter, trap-door; sucker (tatter pomp); cover. m. clapper; bill (of a stork). Kleppe!, m. clack, clacker. Kiepp sac , ov. & on, w. to clap, to chime. —er, Tn. clapper, chimer; watchman; steed, courser. Klepper en. on. w. to clap, to clack, to chatter. —man, watchman. —tje, o. death watch. Kiosk, m. clerk. —amat, —sehap, o. clerkship. Kieft, v. lash, slap, clash, clap. —, tow. slap I splash ! —en, OT. W. to fling, to dash; on. w. to lash, to slap, to clash, to clap; to tattle, to —top, scald-head. —oor,long whip.—praaf, ing, tattle. babbling, Klett•sen, on. w. to clatter. to nelt, to patter. K let-am en, on. w. to be benumbed with cold. —mfr. —star, v. chilly person. —set, by. chilly. 1Kleumen, ov, w. to drub, to thrash. Klee's, v. color, hue; blush, complexion. —blind, color-blind. —houdend, keeping color, dyed in grain. —slof, pigment, color. —endruk, colorprinting,c hronnolithograp h y.—en/eer,ehrora atics. —mope!, blending of colors. chetoyment. —der, no. colorer. —en, ov. w. to color; on. w, to blush. —by, by. colored, blooming, rosy, ruddy; gaudy. —igheid, v. colore:iness, ruddiness, gaudiness. —ing, v. coloring, coloration. —ling, m. & • . man (woman) of color. -1008, by. colorless, chromatic. —te ,„o. color. Kleist's, v, little girl, hussy. —verd e small money, change. Kiev en, ov. & on. w, to stick, to cleave, to cling, to adhere. —*rig. by. gluey, glutinous, sticky, viscous. —erigheld, v. glutinousness,stickiness, viscosity. --log, v. sticking, cleaving, adhesion, Klibber, o. gum, glutinous matter. Kliek, v. fleam; clique, set. —oehs'd, trifling debt, driblet. —en, my. scraps, leavings, remnants, odds and ends, rest. —en, on. w. to omit, to expectorate; to leave remnants of victuals. —er, m, snifter. —jet, o. MY. Zie Kileken; —de,, day en which the remnants are eaten. —sfer, v. Zie Klieker. v. gland; kernel; tonsil. —oezteel, glandular swelling, mumps. —ziekte, scrofulous disease. —.hag, by. glonduloue; scrofulous. —en, my. scrofula, scurf. ov, w. to cleave. to split. o. declivity; cliff; brow. K iijf, o. ivy. m butt-eiad (of a bat or club); after-piere of the rudder; clumey fellow; prelude. —ken, ov. & on. w. to tell, to tell tales, to peach, to inform. —klakken, to clack, to clang, to clash. —tpaan, —spillen, to idle, to loiter. —bee, m. --ster,v. tell-tale.
orint (off► , to imprint; to finish printing; to die- I Afgifte, v. handing over, delivery. e.hsrge, to let off. —eel, o. impress, print, im• AfolUden, on. w. to elide (to glide) down, —off, A follppein, on. w. to slip (to slide) down. pression,imeze. Afdrneinolen, on. w. to drop (to drip, to trickle) Afgod, tn. idol. —endienaar, m. idolater. —endlenaree, idolatress. —endienet, idolatry. —abseld, down. idol. —*printer, pagan priest. —ery, v. idolatry. trinaven, °v. w. to push oft Aid yeol en, on. w. to go astray, to stray, to —leek, by. idolatrous. wander, to err; to deviate (from). —illy, v. wan- Af000ten,ov. w. ens. Zie Afwerpen,enz. Afoorden, or. w. to ungird. Foraying; error, deviation. linintr, rs‘fgrauxo en, or. w. to snarl (to growl) at. Aft , wellen, ov. w. to mo;, . Afewlno en, or. w. to extort—, to wrest (from). Algreven, ov. w. to dig off, to separate (by digging). —er, Fn. exiorter. —ing, v. extortion. Afeisch en, or w. to require, to claim, to exact, Atoronen, ov. w. to graze, to browse, A floreppeten, ov. w. to separate by trenches. reowisition, claim. (rrom). Afgrfjpen, ov. w. to snatch from. Afeten, ov. w. to eat (to nibble) off, to hrowae. AWL' sefljk, bv. & hay. horrible (-bly), horrid Anent*, v. eorrioze. von tie — nemen, to dimount. ( - ly), — selijkkeid, v. horribleness, horridness. Afecove, v. Zie Aroeete,o. Alga on, os. n. to welk off, to measure (by steps); —zen, o. horror, abhorrence; een hebbenvancto on. w. to on , lown, to deoeend; to decoy, to abate, abhor. to dim nisi,. to vanish; to go to stool, — to the Afgrond,m. abyss, precipice, gni f. privy; to po off; to start; to reit; to wear oit Afounst, v. envy, grudge, jealousy. --io, be. & jealous (.1y),—igheid,v, envy, bw. envious (• to tad, to blot; (vat,) to leave; to give up, to jealousy. resign, to deport (to deelvte) from; to chenge; to he token off. (op) to to up to, to rush in upon; to Afbnken. ov. w. to unhook, to unclasp. Afhakken, ov. w. to chop off, t, cut away. het gnat o, to confide in; to one tor. trust to, tent goe of, he 11,11 a ger tett. wry of doinw it. —, 0. Afbollen, ov. w. to fetch down; to fetch, to call for; to strip (to pull) off, to Say; to strip )peahen; going Flo wn,riescendine: decay, decrease, decline; woo.; depa:ture, deviation; going oulnevacuation, eec bed); to pick (boonen); to *trip of. laten to nendfor sitool, declivity. A foonnell. by. on the decline, waning; intermit- Afbandel en, or, & on. w. to conclude, to tertent (van boort.); s lucking (van het tij). mieate; to ;settle, to arrange; to treat of. —lug, Algona, rn. excrements, faeces; sale; ole terrier v. termination; treatise. Albondig, by. iemaad jets — makes, to deprive Afgeton, o. (to rid, to ease) any one of. Airoo5eeenken.hv. disjointed, broken; abrupt. Alban genus, m. & v. dependent, retainer. Afnecionio, dw. finishee, dove for. —gets, or. w. to take down; on. w. to hang Algeiclonbt.bv. oroken; tie Afdanken. down; (van) to depend upon. — gent. be . doping, Afgedavoold, be. stray, gone astray. shelving. —ger. tn. dependent. —kelOk. by. deAfonieefd. hv. decrepit. —heid, v. decrepitude. AfteNerton, by. distant, remote, —heitl,v.distance, pendent. —Itelijklzeid, v. dependence. on. w , to lose the hair. , Afhesreo s. eemotene Afgeloliii, be. Zie Atleiden. —woord. derivative. Arhaspelen, °v. w. to reel (to wind) off. Afgetont, by. wearied out, spent. —heid, v. weed- Albebben, or. w. to have done,— finiohed. A fbeffets, ov. w. to take (to heave) off; to cut. nesn. Afbein en, ov. w. to fence (in), to hedge (about). Aroopnet,bv. squared, adjustod; counted (out). --ing, v. fencing in, enclosure. Afgene hottlene, in. et v. dissenter. Afbe II en. on w. to elope, to incline. —ins, v. Afireeleten, bv. worn oft, -- opt, gone. sloping; slope, declivity. Afnoolloofd, by. Zie Afgenunt. Arceeptorven, he. deceased; dead (irsensible) to. Afbelpen, ov. w. to help down; to deliver —, to relieve (front), to rid —, to cure (of). —e, m. we deceased, dead. Afgetrokken, hr. abstract, distracted. —heid, v. Afhinizen, ov. w. to measure by hopping; on. w. abstrActedne?s,abse , re of mind. to comedown (to descend) hopping. Afhljschen, ov. w. to let down by means of a Afteryttordlooeen, m. deputy, delegate, envoy. pulley. Aloes, al terve m. & v. apostate, renegade. Algol, en, ov. w, to deliver, to hand, to give up; Afbouren, ov. w. to hear, to listen to; to — met, t. w. In have arnine,to overhear, toquestion, to confront. (een wine; etch draw to blot, Afhoud en, c.v. w, to keep off,— back, — from; intercourse with; to meddle with; on. w. to to fend off, to detain, to debar, to withhold; to to stRin, trl one that delivers; drawer. —ing, deduct; on. w. to sheer off, to keep aloof, to keep v. giving (hAtvi(ng) over, delivery. off (the shore). —er, na. detainer; guy. —inp, v. Afoonnnied., by. triteotale, hackneyed, common- keeping off, hinderance; deduction. place. Afhonw en. ov. w. to cut (to chop, to hew) off; Atoennett, to. rnmenger, en,y; tie tlenant. ternand het honfil — , to behead a. o. —er, Afe;oz000derd, bv.retired, solitary; seeretitIons. hewer off. —ing, v. hewing off. Afnioren, on. w. to be cant off, to sheer off. Afgket en, or. w. to pour off, to decant, to cast, Afbniebelen, ov. vr.toobtainbyhypocriry from. o found. —er, m. moulder, caster. ---ing, v. /Winer en. ov. w.to hire (from), --ing, v. Afbnur der, tn. —atm v. hirer. eosting...eel, o coot, copy.
42f; BUI.—CAL Buitetssiogel, tn. outer-rampart. —vooge14, castellany. —create, astellan lady. —wal, rampart, canal. Buttensteande, bw. abroad Bulionolsalt en, ov. w. to exclude. —ing, v. Burigenseester,m.burgoniaster,mayor.—serosto, exnusion. mayoress. —10, bv. di bw. like a ourgomaster, Buteenspo , r1g, be. & bw. extravagant (-ly), consular. with authority. —eckap, o. office (digexorbitant (-1y), --hell, v. extravagance. nity) of a burgomaster. Burger, in. citizen, burgess, commoner- —deers, Bun taxisproing, KA. digression; false step. —doehter, —meisje, girl of the middle close. Bultenetston, un. w. to stand witbcut, to withdraw. —desspd, —tin, civic virtue, civism, public spirit. Bultenstakei, v. suburb. —draeht. —kleeding, dress of the middle class. —red, civic oath. —halt, house of a citizen. Bultenste, by, outmost, outermost. —, o. outOde. —jongen, boy of the middle class. —]shrews', wOman of the middle class. —hashes, Bli „rlte.saattlde, bw. out of season. kott, —pot, ordinary fare. —kind, child of the Bultearesel ar, m. gentleman-governor of tits general concerns of an hospital. middle class. —honing, citizen-king. ---tti)g, Bilittillita WILK, o. country-house, -seat. —oor/og, civil (intestine) wry. —kroon, civic Buitenwainria, bw, outward. crowns. —leven, private life. —lieden, citizens, people of the middle clans. —man, man of the filuitenwarbt, y. advanced guard, outguard. Buitensveg, rn. outer-road. middle class. sit, cotnmooer. —pliekt, citizen 'a Bullenwerk, o. outwork; tillage. —en, o. my. duty. —rectal, citizenship, civil law. —regeering, popular government, democracy. —school, cityoutwork,. —a, bw. without the clear. school. —stand, clasa of citizens, middle slats. niteuzUde, v. outside, exterior. Butter, m. freebooter. —trent, common-way. —trots, pride of the middle clays. —trouw, allegiance. —railer, father of aiukk en, on. w. to bow, to stoop; to submit. —log, v. stooping, submission. the citizens. burgomaster. —world, national Butts, V. nil,. —Loom, box, box tree. —kogel, guard, train-bands, —wet, civil law. —soon, son rifle-ball. —ectieter, of a citizen. —achtig, bv. citizenlike. —es, v. eitess. —, v. citizens. —49k, by. & bier. citizenBull, v. ball. like, civil; plain (-ly), common (.1y). —ackap, m. buil. —hood, bull-dog. —katf, bull-calf. v. citizens; o. eitizenabip. —oa, gelded bull, bullock. bug-bear. Burnie, v. barrow, baud-barrow. —lepeee, b til l's-pizz le. Bolder star, nn. blusterer. —en, on. w. to rage, Bus, v. box, urn; barrel, rifle, arquebuse. in de — Oaten, to pry (a fine), to come-down. —bewaarto bluster, to roar. —bast, m. blusterer, swearer, —ig, or. boiat,rous, blustering. —ing, v. raging, der, koeper of a box. —draper, box-carrier.—Pieter, gun-founder. arsenal.—hruit,gun-powder. blustering. —*stetter, reaster-gunner. —sclaieter, musketeer, Bunten, on. w. to low. to bellow. rifle-man. Buluter, v. bolate;, pillow, cushion. Bull, m. bunch, Minors boss, bump. —Popper, Bussed, an. Zie Bundel. —en, ov. w. to bundle ' to tie up into bundles. —rnaar, planisher. —os, bison. —sate, straw-bed. in. hump back, —acht4/, by, hump-backed, crook- But, v. bidon, can Butoasr, In. bittern. ed bv. bunchy, humpy, bonny. Buena', m. neighbor. —dochter,—Ineive,veighboring Hen it, v. trunk, lass. —jongen, neighboring lad. —kind, neighbor's m. bundle, truas; bottle; elleaf, fasces. child. —laeden, neighbors. —man, neighbor. iittudtar,o. hectare. —practje, neighborly chat, gossip. —vroato,neighlaunztrtg, un. bor. —akuis, neighboring house, next-door house unclit , Zie Burg. Buren, on. w. to visit one 's neighbors, to be —echo's, a. neighborhood; hamlet; good intelligence among neighbors. neighbors, to be ne!ghborly. Burg, In. borough, cattle, stronghold. citadel. Ber urrt, v, neigborhood; hamlet; ward, quarter. —bock, register of a ward. —briefje, notice to the —groat, burgrave, si , caunt. —groafeekap, burgravta te, yiscouotahip. —gravin, burg ravine, inhabitants of a ward. --hoer, gentleman of a hamlet. —tneester, warden; head of a hamlet. viacountess. —kook, dental. —mop!, castellsn.
—fellow, slampmakker. —grass, — weed, hands. gram. —, v. a. nederleggen; verberpen; insluiten; yeller, to — an eye, de sitar lighten. to — in writing, in genchrift brengen. v. n. liggen; ken. —ant a. liggend. — ee (koe'sji), s. slaaptijd; last bezoek. —er, a. °ogees; klapper (register); staande bond. — ing - needle, staarnaald. Cough (kof'), s. hoent. —, v. n. hoesten. — er,s. hoester. —ing, a. (het) hoesten. Coulter (koortur), a. kouter. Council (kaaun'sil), s. raadsvergadering. — common — , gemeenteraad. privy —, staatsraad. —board, (de) read. — tor, a. lid eener raadavergadering. Counsel (kaaun'sil), s. rand; overleg; raadsman. to keep —, geheim houden. to take — , rand inwinnen. --keeper, vertrouweling. —keeping, a. geheimhoudend. —, v. R. raden, rand geven. — Sable, a. randzaam. — lor, a. raadsman; randsbeer. — lorship, a. raadsheerschap. Count (kaaunt'), s. graaf; rekening; getal. —, v. a. rekenen, tellen. (up) optellen. (for) houden v. n. rekenen. (on. voor. (to) aanrekenen. upon) staat maken op. —able, a. telbaar. Countenance (knaun'te-nens), s. gelaat, voorkomen; bescherming, ondersteuning. —, v. a. begunstigen, ondersteunen. —r, s. begunatiger. rekenCounter (kaaun'tur), a. toonbank; penning; geld; rekenaar; alt; waif. Counter (kaaun'tur), ad. tegen, verkeerd, (in same natel I ingen). —act, tegenwerken, verijdelen. —action, tegenwerking. —balance, a. tegenwicht; v. a. opwegen tegen. —bass, contra-ban. —battery, s. tegenbatterkj. —bond, tegencontract; renversaal. —buff, s. tegenstoot; v. a. terugstoo—caster,rekeninghouder. — change, ten. —cast] tegenrufl; v. R. ruilen. —charm, s. tegenbetoo• verieg; v. a. onttooveren. —check, a. tegenbeleteel; v. a. verhinderen. — cunning, tegenlist. —carrent, tegenstroom. — deed, tegenbewijs. —draw, nasehetsen (door doorschijnend papier). —evidence, tegengetuigenis. —feit (-$t), a. nagemnakt, valsch; s. namaakeel; bedrog; bedrieger; v. a. namaken; vervalschen; v. n. huichelen, velnzen. —feiter, namaker; vervaischer; nadrukker. —fart, schoor, beer. —guard, bolwerkawering. —lath, dakspar. —light, tegenlicht. —mand, a. tegenbevet; v. R. afzeggen, herroepen. —march, a. terugmarmch; v. n. terug marcheeren,—mark, a. tegenmeek; v. R. van een tegenmerk voorzien. —mine, a. tegenmijn; v. a eene tegenmijn makes; verijdelen. — motion, tegenbeweging. — movement, tegenbeweging. — more, tegenmuvr, atutmuur. —natural, tegennatuurlijk. — order, tegenbevel. —pare,tegetimnatregel. —pane, beddesprei. — part, tegenstuk; duplikaat; tegenstem. —petition, tegenadres. —plea, wederantwoord, repliek. — plot, a. tegenlist; v. R. verijdelen, tegenwerken; v. n. lint net lint te keer gaan. — point, contreptint; gestikte beddedeken. — poise, R. tegenwicht; a. a. opwegen tegen, evenaren. — poison, tegengif. —practice, tegenovergestelde verrichting; heimelijke tegenwerking. — pressure, tegendrukking. —project, tegenontwerp. — reckoning, tegenrekesing. —revolution, tegenomwenteling. —salient, tegennitspringend. — scarp, tegenwal, horatwe-
liVond (wood), a. weede. —, v. a. met weede verven. 'Woe (wo'), a. we,, smart. —begone, door wart (lijden) neergebogen. tot. wee ! —ful, a. —fully, ad. treurig, 1 ammerlijk, ellendig. —fulness, a. treurigheid, el lende. Wold (woold), a. opene viakte; damn. Wolf (woeir) a wolf; kenker. she—, wolvin. —dag, evolfehond. ---fish,seewolf. —hunting, wolvenjacht. —man, weerwoll. —'a-baneovolfswortel. —'s-milk, wolfsmelk (plant). —ish, a. wolfechtig; vraatzuchtig. Woman (woe'men), s. vrouw; kamenier. — of the town, liehtekool, hoer. —child, ineleje. —dwarf, dwergln. —hater, vronwenhater. —saint, vrouwelijke hellige. —servant., dien,tmeld. —'s-tailor, dameskleermaker. —'s-frict, —'s wit.vrouwelist. —, v. a. sacht (gedwee) maken. —hood (-hoed), a. vrouwelijke staat. —ish, a. vrouwelijk; vroewaelittg. —iR (-ajs), v. a. vrouwelljk (verwtird) maken. —kind (-kajnd),s. het vrouwelijkgeelaeht. —like, a. vrouwaehttg. —1y, a. vrouwelijk; manboar, verwijfd. Womb (woem'), s. baarnnoeder; schoot; Ingewand. in the — of night, in het hoist van den naeht. —cake, nagehoorte. —passage, —pipe, moederseheede. v. a. in ziehsluiten. Women (whn'n), a. pl. van Woman. Womm.er (wun'dur), a. wonder; bevreemding, verwondering. in the name of —, in 'is hemeis naam. to make — of, zilch verbazen over. to look all —,rerbaasd ataan. —struck, verbaasd. —,v.n. zich verwonderen (at), nteowsg!erig sijn.—er,e.verwondarde, verbaasele. —ful, a. —fully, ad. Terwonderlijk, wonderbsar. —fulness, a. wonderbaarhetd. Wondrous (wun'drue), a. —ty, ad. verwonderlijk,
COB —I/A.D. 429 Contra! a, v. control. —eeren, ov .w . to co ntro1.1C onisis, v. Brougham, coupt; coupee. —eur, m. controller. Coupeeren, 0V. W. to cut. Conyers att., v. conversation; circle of acquaint. Couplet, o. couplet, stanza. a -ace. —earen, on. w. to converse. Coupon, v. coupon, dividend; cut. COUVOtS10, v. conversion. Courant, by. current. —, v. newspaper, gazette; emperor. by. coquet, coquettish. —te, v. coquette. cu :trency; zit Kraut. —ter, m. gazetteer. —erie. v. coquetry. —.leaven, on. w. to coquet. Courtage, v. brokerage. Cordaat, by. & by. resolute (-1y). —held, v. Couvert, o. cover. resoluteness. Credit, by. & o. credit; Cr. (creditor). in het — Corporals', o. corporal. brengen, to pass (to place) into the credit. —ziide, Corporal'', v. corporation. credit. —egrets, ov. w. to credit, to give credit (met, for). —ear, Dr, creditor. Corpulent, by. corpulent. —ie, v. corpulence. Correct le, v. correction, revbion. by. Creooi, m. creole. corrective, relative to miedemeenors. --or, m. Crimlneel, by. & bw. criminal (-Iyi. rf;rit, caiine , v. crinoline, corrector, reviser. Correspond eeren, on.fe. to correspond. —cot, Criodo, v. crisis. m. & v. correspondent. —entie, v. correspondence. Crit sous, m. eritlte. —iek, v. erit!que; criticism. Corridor, o. corridor. --itch, bY. & bw. critical (-ly), —iaeeren, ov. w. Corrigeeren, ov. w. to correct, to revise. to criticise, to review. Cortes, m. mv. Cortes. Cabo.. m. cube. Coryphee, 02. coryphens, Cuitour,v. culture. Coaneetleik, v. co , Tnetic. Coral eels, v. guardianship; order — steals, to Cosine graphic, v. cosmography, —logie, v. have a guardian. —or, m. guardian, curator; assignee, trustee. cosmology. —pallet, m. cosmopolitan, cosmopolite. —ratite, o. cosmorema. —a, Di. COSMOS. Cornier, by. italic. —,o. italics. b w. in italles. Curios, m. course. Cost) (ft), bw. of (at) your place. Cosios, Oporter; catchword. Costumes. o. costume, dress. Cycloop,rn. Cyclops. Coteiet, Y. cutlet, chop, eteak. Csaar, tr. czar. Coterie, v. coterie, clan, set, circle. CotIllon, ra. cotillon. C earfu, v. czarina. Coollose, v. movable scene, side-scene.

Hoe kan ik aan de slag in cryptogeld


451 Flti0e•Ir en. ov. W. to curl. —Ozer, curling-pin. rvistor, m. hair-dresser. Frommelen, ov. w. to arum*. to fumble. Fro', v. —es, v. frown. wrinkle. —en, on. w. to frown, to wrinkle, to knit (one 'a brows). —61 9, v. frowning. Front, o. front. — makes, to face. to make face. Fruit, v. & o. fruit. —ben, —.mend, fruit-basket. —kandel , fruit-trade. —hider, fruit-cellar. —trooper, —koopeter,, fruiterer, ft ult-monger. —mum', fruit-market. —rijk, fruitful, —schwa, fruit dish. —sadder, fruit-painter. —stuk, fruitpiece. —rroure fruit-woman. —wicket, fruit-shop, fruiter y. Fruit an, ov. w. to fry. —pan, frying-pan. Eulk, v. weel, bow-net. in de — loopen, to fall into the !snare. o. velvet. —en, by. velvet, velvety. m. rogue, rascal, scoundrel. Veenctle, v. function. Fundament, o. Zie Fondement. Fungterrn, qn. w. to officiate. Fast, v. fudge, fiddle-fuddle. —, taw. fudge fiddle. ,stick I Futsell car, in —aareter, v. trifle, idler. —artj, v. trifling, fiddle.faddle. —en, en, w. to trifle, to fiddle-faddle. —werk, tie Futselarkl.
4118 KAK —KitN. —, dandruff- comb. —borate!, comb-brush. —dock, combing-cloth. —hsiaje, comb-case. ...morsel, pectinal —red, cock-wheel, notched wheel. —menmaker, comb maker. m. camel. --driiver, camel-driver. —shear, camel's hair, mohair. —crag, camel's bunch. Kanseleon, o eameleon. Kamelot, o. camlet. Kasten, on. w. to grow mouldy. Kamenler, v. lady's maid, chamber-maid. —es, ov. w. to dress. Kamer, v. room, chamber; court-office; cavity, breech. —behanger, paper-hanger. —behooved, hangings, tapestry. —beuraarder. door-keeper, usher. —besets, hair-broom. —deer. chamberdoor. —dienaar, footman. —dock, cambric, lawn. —gasp, stool. —gereeht, imperial hail, —• court. —geared, undress —beer, chamberlain. —hour, chamber-rent. —juffer„rhanabe ...maid. —kat, kept mistress. —maagd sic Kamenler. —pot, chamber-put. —role, night-gown, ntorning-gown. —steel, close-stool. —stale, swivel-gun, pederero; painting representing a room. Kamera/441,m. comrade, companion. Kanter en, ov. w. to keep (in a room). —ling, in. chamberlain. Kavnfor, v. camphor, camphire. —boom, camphor-tree. —olie, camphor-oil. —poster, pulverized camphire. —sour, be. & o. camphoric (acid). —acktig, be. camphoric. Kantlipc, be. mouldy. r. camomile. Kamtzoul, o. waistcoat, Guernsey shirt. Kantinelling, v. short wool combed out. Kamm en, ov. w. to comb; to card. —er, m. comber; carder. IKentoesleer, o. shammy. Kamp, m. combat, fight, struggle; field, piece of ground. enclosure. —, —op, even, quits. —ge. vecht, —strijd, combat, light; duel, single combat. —plaats, place of combat, field of battle. —vechter, prize-fighter, gladiator; champion. kampauje, v. campaign; poop. Kenspentent, o. encampment. Kamp en, on. W. to fight, to combat, to struggle. -er, m fighter., combatant, struggler. champion. Kamperfoello„ v. honey suckle, woodbine. Kampernoelle, v. mushroom. Kampereteur, m. hard-boiled eggs with a mustard-sauce. Kantploett, tn. champion. K ampetenr. e. Zie Kemper. Karnster, v. Zie Kammer. Kantula leer, o. shammy. —seas, m. fiat note. Ken, v. pot, can, mug, tankard; (nederlaxdaehe) litre —negeluk, what remains in a pot or tankard, pot-luck. —nefid, lid of a pot. —newel/ocher, bottle-brush. Kimmel, co. channel, canal. sit een geed —, from (a) good authority. Kanalje,o, rabble ,Itag-rag, rift-raft; rogue. Kanarle, in canary ( -bird). —si, canary-egg. —kooi,onnary-cage. --sek, canary (•sack) —etdker, canary-sugar. —rolucht, breeding-cage (aviary) for canaries. —toga, canary-bird. —wijs, canary (-wine). —card, can try-seed.

cryptogeld 60 minuten


c. Cab (keh), a. cabriolet. —, v. a. naloopen, pakken. § Cahoot (Ire-hoot"), a. bende; vereeniging. Cabal (ke-bel'), a. kabaal, kuiperij. —, v. n . kui- kee'tif)„ s. schurk. a.snood,schelmachtig. pen. —ler, a. kuiper; intrigant. Cajole (ke-dzjool'), v. a. vleien, liefkoozen. —r. Cabal a (keb'e-le), a. joodsche overlevering; ge- a. victor, pluimatraker. heime wetenschap. —lot, a. kenner der gehei- Cake ikeek), a. kook. —, v. a. & n. tot Ice menleer. —istie , —istical (keb-e-lis'tik-) , a. bakken. —twelfth —, driekoningenkoek. geheim, verhorgen. Calab.ish (kel'e-besj), a. kalabas. Cabbage (keb'bidzj), s. kool; lappen. —, v. a. Calamaneo (kel-e-men'ko), a. kalmink. door hot oog van de sehaar Italen; v. n. tot Calamine (kel'e-majn), s. kalameinsteen. kroppen groeien. —lettuce, kropaalade. —worm, Calamit ous (ke-leml-tus), a. rampspoedig. —y, koolrups, s. onheil, ramp. Cabin (keb'inl, a. hut; kajuit. —, v. a. In eene Cantinas (kel'e-mus), s. kalmus. but opaluiten; v. n. in eene but woven. —boy, Catfish (ke-lesj"), a. hales; gijden kap. kajnitsjongen. —et, a. kabinet; bijzonder ver- Calear (kel'ker), s. calctneeroven. —ious (keltrek. —et-councii,kabinetsraad.—et-maker,schrijn- kee'ri-us), a. kalkachtig. werker. Calceated (kel'sji-ee-tid), a. geschoeid. Cable (kee'bl), o. kabel. to bend the —, den Ica- Calci nate (kersi-neet), v. a. verkalken. —nubel wegnemen. to keckle (serve) the —, den babel tion (-nee'sjunl, a. verkalking. —natary, (-sin'emet slapping bekleeden. to splice the —, den tur-rih), a. calcineervat. —ne (kat-Rain ;., v. a. kabel Rplitsen. to play cheap the —, den' kabel & n. verkalken. —urn, a. kalkmetsal. langzaam nitlaten. to play (veer) more —, meer Calenlat a (kerkjoe-leet)., v. a. berekenen, bekabel vieren. —bitt, kabeibeting. —clinch, anker- grooten; v. n. voorzien; denken, § meenen, gesteek. —lid, splitshoren. kabelslag. —'s- leaven. —ion (-lee'sjun), a. berekening. I, length, kabelitlengte. —tier, kabelgat. —yarn, ha- berekenaar. —ory, a. berekenend. belgaren. —d, a. met een' hotel vastgemaakt. Calculons (leel'kjoe a. steenig, zandig. —t (kee'blit), s. slaglijn , paardelijn. Caldron Ikaol'drun). s. groote ketel. Cabman (keb'men), voerman van eene cab. Cale faction (kel-e-fek'sjun), a. verwarning. Caboose (he-hoes'), a. kombuis. —factive, —factory, a. verwarmend. —fy (kel'eCabriolet a. cabriolet. faj), v. a. & n. verhitten. Cacao (4eekol, a• cacao. Calendar (kel'en - der), s. almanak. Cachalot (ketsre-lot), a. potvisch. Calender (keren-dur), a. 1Rkenpers, wangel; Caebeetie, —al ike-kertik-), a. kwaadsappig. klander. —, v. a. persen, mangelen. Cincheyzy (ke-kok'sih), a. kwaadsapp!gheid. a. Berate dag der maand. Calends Cachinnation (kek-in.nee'sjun), a. echaterlach. At the Greek — op St. Jutmis. Cackle (kek'Acl), a. gekakel. —, v. n.kakelen. —r, Calentnre (kel'en-tjoee), a. heete koorts. a. kakelsar. Caleseenee (ke-lea'sens), a. heetwording. Cacography (ke-kog'rafih), s. wanspelling. Calf , knat), a. half; knit. —skin. kRlfsleder.. Cacophony Ike-korun-nth), s. wangeluid. pluck, kalfsomloop. —'s-foot, kalfsvoet (plant). Cad (keel), a. cenducteur bij eene omnibus. 's-smout, leeuwenbek (plant). Cadavereas ike-dev'ur-usl, s. lijkachtig. Caliber (keri-bur), a. kaliber; gehalte; inhout Caddy s. theekistje. —spoon, theelepeltje. snort; waarde. Cade (heed), s. vaatje. —, a. tam, gedwee. Calico (keri-ko), a. calica, ruw katoen. v. a. opfokken. Calld (kel'id). a. heat. —ity Cadence (kee'dens), warmte, a. toonval. hate. —act, a. verwarmingsbuis. Cadet (ke-det'), s. kadet; jongere zoon of broeder. CallgInons (ke-lid'gji-nus), a. duister. b Cadger iketi'zjur), s. venter; marskramer. Caliph (kee'lif), a. kalif. —ate Cadaelty (ke-djoe-stt-tih), s. afgeleefdheid. kalifaat. drag (keg), 8. vaatje. Caliver Ike'.'i-vur), a. handbus. Cage (keedzj), s. knot, hok, dierpork; gevangenis. Calk (kaok), v. a. kalfaten; § scherp zetten (poor-, v. a. in cone kooi sluaen. —work, doorbroken den). —or, a. kalfater. —ins, a. kalkoenen (win work. de hoefbzer), —ing-iron, breettwijzer.
I threw in some fractals to guess what is going on with LTC. I used a fractal from when the trend reversed at the bottom this year and one for the 2018 ATH. Personally, I believe that fractals are highly subjective. They only reinforce the analysts confirmation bias. There is no set rules or back testing for fractals. So these fractals are here to see how much...
131 gclukkig; tevredeP; ver- I Harmon 1st (hattemun.nist), a. toonzetter, muheld. —ily, ad. y zikant. —ixe 1-najz), v. a. doenovereenstemmen; heugd. v. n. overeenatemmen. —y, a. welluidendheid, Harangue (he-reng"). s. aanspraak. —, v. a. eene harmonic; overeenatemming. aanspraak houden tot. —r, a. redenaar. (httar'ness), a. harnaa; paardetuig. —, Harness Harass (har'ess), e. afmatting; verwoesting. —, v. a. hIrnaseen; beschutten;loptulgen. v. a. afmatten; kwellen; verwoeeten. —er, a. mondharHarp (burp') s. harp; liar. jew's kweller; verwoester. monlea. —player, harpapeler. —string, harpHarbinger (haar'bin-dzjur), a. voorlooper, voorsneer. —, v. n. op de harp apelen; (at) zinspebode; kwartiermaker. sttletaan bij; telkens terug(on. upon) op; len Harbor (haar'bur), a. haven; toevluchtsoord, komen op, malen over. —er, a. harpepeler. —ing, schuilplaats. —master, havenmeester. —pilot, a. harpspel; boeghout; (upon.) geranik over. binnen.loo da —, v. a. huisvesten; beveiligen; —ing-iron, harpoon. —ings, p1. breedte aan den helen; v. n. intrek semen; sclmilen. —age, a. boeg. —ist, a. harpspeler. herberging; achuilplaata. --er, a. huisvester; he- Harpoon (her-poem'), a. harpoon. —, v. a. barlee. —less, a. muter huisvesting. poenen. —er, a. harpoenler. Hard (hoard'), a. & ad. hard; vast; ruw; atreng; Harp sicbord (haarp'si-kord), a. klavier. —y, hardvoehtig; aterk; dringend; karig; alecht; a. harptj; knevelaar, uitzulger. moeilijk. — (by), dicht bij. --baked, veratopt a. oude stet. (van houden). —beam, hagebeuk. —bound, hard- Harridan (heeri-den),hazewind. a. lijvig. —breathing, hijgend. § —cash, —money, Harrier (her'rhur), —, v. a. eggen ; klinkende —earned,zuur verdiend.—favored, Harro w (her'ro), a. eggs; valdeur. uitplunderen; verontrusten; (up) openseheuren; —featured, met grove trekken, leelijk. —favorptjnigen.. —er, egger; soort van valk. edness, leelijkheld. § —fisted, pootig; glerig. Harry (heerih), v. a. kwellen; plunderen. —fought, hevig beatreden. —handed, hardhandig; Harsh ;haaraj'), a. —ly, ad. ruw; hard; barsch, streng. —hearted, hardvochtig. —heartedness, norseh; strong; wrang; wreed. —ness, s. ruw heid; hardvochtigheid. —mouthed, hard in den bek; ruw in den mond. —resin, vioolhars. --coed, barachheitt; strengheld; norachheid. a. Zie Haslet. kuitig. —ware, ijzerwaren. —wareman, ijzerkoo- Harelet (haars'lit), Hart (heart' ► , a. pert. —evil, mondklem, —royal, per. —witted, dom,:onbevattelijk. kruisdoren. hartshoorn. —'s-root, beer'Harden (haar'dn), v. a. harden; verharden; v. 13. —wort, hertekruid. hertatong. wortel. 's-tongue, hard worden. —er, R. harder. a. wild, Hand Mood (Itaard'i-hoed). s. stoutheid, koen- Ilarum n searum (heceum•skeer'um), onbezonnen. held; unbeschaamdheid. —ily, ad. stoutmoedig, Harvest (haaevist), a. oogat; oogsttijd. —fly, koen; streng. —incss, a. stoutheid, koenheid; —lord oogatttjd;-feest; -lied. —home, boomkrekel. driestheid; sterkte. —ly, ad. strong; met moeite; voormaaier. —man, maaier. —queen, herfstkonauwelijks, —ness, s. hardheich ruwheid; strongningin (beeld van Ceree). —woman, bindeter. —., held; umeiltjkheid. —s, pl. hede, werk (ran v. a. oogeter.. —er, a. oogeter, maaier. visa). — skip, s. vermoeienis; ongemak; druk, s. gehakt (vleesch). —, v. a. hlein iegenspoed. —y, a. stout, koen; driest; ate,l, Hash (hear), hakken. forach, gehard. (hes'lit), a. varkensomloop. Hare (heel'), a. ha.. —bell, engelache hyacinth. Haslet (haasp), a. beugel (van een hangelot). brained, onbesuisd. --foot, hazevoet (plant.). Hasp v. a. met eau' beugel sluiten. —hearted, lafhartig. —hound, windhond, jacht. Hassock a. knielmat. hond. —hunting, hazenjacht.--/ip,hazenliP.—mint, Unstated (hes'suk), (heeteet-id), a. speervormig. hazammat, arum. —pipe, hazennet. —ragout, haze. Bast e (heest'), a, haast, apoed. —e, —en (hee'en), peper. —'s-ear, hazenoor (plant). —wool, haven. v. a. haasten; bespoedigen• v. a. deb, haaaten. Mar. —wort, kaaajeskruid, maluwe. apoeden. —ly, ad. haastig. —inns, a. haastigHarem (hee'rem, ha'rem), a. harem. heid; voortvarendheid; liehtgeraaktheid. in x, Haricot (her'i-ko), a. snijboon; hutapot. a. vroege vruchlen; erwten. —y, a. haastig; Hairier (her'i-ur), a. Zie Harrier. liehtgeraakt; —pudding, meelbrij. voortvarend; Hark (haark), int. boor! lnister I Hat (het') a. hoed. —band, hoedeband. —box, Hari (haarl'), a- vezel; iota vezelachtigs. —case, hoededoos, —maker, boedennsaker. —mo. Harlequin (baarle-kin , , a. hanaworat. ney, bedelgeld; kaplaken. Harlock (haar'iuk), a. wilde mcsterd. Hatch (lister), s. broedeel; uttkomen (nit het el); Harlot (haarlut). a. gemeen; dartel.—, a. hoerol et. ontwikkeling; ontdekking; onderdeur; luik.—way, Harm (baarm'), a. Teed, letsel; achade. —, v. a. luikgat. —, v. a. uitbroeien; beramen; krutswijs kwaad doen, benadeelen. —ful, a. —fully, ad. helijnen. leedigend, schadelijk. —fulness, s. schadelijk(hetsril), a, v/ashekel. —. v. a. hekelen. Hatebel onschuldig, zonder held. —less. a. —lessly, ad. --/er, a. hekelaar. erg; onschadelijk; onbeschadigd. —lesaness, Hatchet (hetsrit), s. ht11, 'mimes. —face, leelijk ennoozelheid, argelooaheid. gezieht. —faced, Harmon lc (her-mon'ik), —iced, —ious. Iher-mo' liltdclinaent a. wapenschild. nl-us). a. —ically, —iously, ad. welluidend; sa- Hate (heel'),(hetsfment), s. hs1at. —, v. a. paten. —ful, a. menstemmend. —ica s. harmonica. —ics, —fully, ad, hatelijk; afachuwelijk. —fulness, a. pl. leer der harmonic. —iousness, a. well uidend hateltjltheid. —r, a. hater. held; ovcreensteraming.
WI,O—B OM. Illoasom (blos'sum), 8. bloecem. —, v. n. blocsemen. —y, a. vol bloesem. Blot (blot), s. klad, vlek; nitwissehing. —. v. a. bekladden; doorhalen; (out) uitwisschen. —tingpaper, vloetpapier. Blotch (blood), a. blear. point. —, v. a. met puisten of vlekken hedekken. Mote (bloot). v. a. in den rook drogen. Blouse (bloez), s. kiel. Wow (blo), a. Wag. klap; ramp—pipe, blaaspijp. Blow (blo) [blew (bloe), blown (bloon)], v, a. blazen, aanblazen, doen zwellen; uitbazuinen; smelten; § bespotten, hoorten, (up) in de Incht doen springen; opgeblazen maken. (upon) in verediting brengert. — one's nose, zijn' news snuiten. —, v. n. warden; ademen; bloeien, (over) overwaaien. (up) in de lucht springen, driftig warden. Blown a (bloom), a. boersch ultziend melsje. • —y, a, roodwangig; door de non verbrand. Blubber (blub'bur), a. walvischmpek; zeenetel. —, v. n. achreien, dot de wangen zwellen. Bludgeon (blud'Ijun), a. knuppel. Blue (bloe), s. blauw. bittl:W; beschonken. to look —, verlegen zien. to letter one in black and —, iemand bout en blauw slaan. to look — upon one, iemand ached' aanzien. —bottle, korenbloem; bromvlieg. 4 —skins, (de) Blauwen (scheldnaam voor de Presbyterianen). —stocking, geleerde vrouw. —near, s. blauwheid. Blue (bloc), v. a, blauw verven. Sluff (blot), a, stuurach, norach; breed; wijd; § steil. § —. v. a. afgrauwen. —, a. stelle oeverkant. —ness, a. barschbeid, norachheid. Bluish (bloe'isj), a. blauwachtig, Blunder (bill1I'd1111, 8. missing, dater. —buss, donderbus. —head, domkop, v. a. verwarrea; lout) ultflappen; v. n. bokken molten. —er, s, lomperd. Blunt (blunt), a. —ly, ad, bot; lomp, ongemanierd. —ness, a. botheld; stompheid. —, v. a. bat maken; verstompen; verzwakken. Blur (blur), s. kind, sick. —, 7. a. bekladden. Blurt (blurt), v. a. onbezonnen apreken; (out) uitflnppen. Blush (blubj), a. blos, aehaamrood; onverwacht gezicht. —, v. n. blozen. —ful, a. —fully, ad. blozend. —less, a. onbeschaamd. Bluster (blus'tur). a. getter; geenoef. —, v. n. tieren; anoeven, —er, s. bulderaar. anoever. § --ation, (-ee'sjun ► , s. snoevertj. —ous, a, razend. tierend; blufterig. Boa (bo'e(, s. groote slang; boa. Boar (boor), a. ever. —ish, a. onbeschoft, beestachtig. —pig, wild —, everzvvijn, wild zwijn.
Teredo (te-ri'do),e. paahronn. Tenets (te-riet'1, a. rand, eptterond. Tergenelnone (tar-dzjem'i-nue), a. drIevoudIg. Tergiversa te (tuedsji-sur-seet), a. a. ultvluch • ten soelren. —ties (-Nee'ajnn), a. taitvlucht, &eelerij; veranderlljkh old. Term (turm), a. grena; termijn; term, ultdrnkking; voorwaarde; zittingtijci; etudiethd; =endstonden. to be upon good —a. op een' goeden noel staen. upon any — a, in elk genial. —, v. a. noem RD. Terrnagan cy (tur'me gen-eth), a. onstuimIgheld, woeligheid; twietzucht. —t, a onstuisaig. woelig; twittztek. —t, a. reeks, helleceeg. Tanner (tnrm'ur), a. huurdsr (pachter) vow lien' bepaelden tijd. Tannin able (turm'i-nibl), a. begrenebaar. —at (-nel), a. (Audi etndtgend. —ate (-nest), v. a. (-nee'ejun), a. & n. begrenzen; eindigen. begrenzing; grene; einde, beelutt, ulteang. —afire (-nee'tiv), a. beperkend. —er, a. Zia Oyer. (-nol'ut-zjIh), a. terminol Pee, leer (ken—ology ni s) der kunstwoorden. -ass, a. eindatation. Termite (tnemajt),.. witte mice. Termleme (turm'less), a. onbeperkt, eindelooe. Ternary (tur'ne-rih), a. trietallig. —, a. drietal. Terrace (teeres), a. terra.. Ter repin(ter're-pin), a. (soort van) echildpat. Terraqueons (ter.ree'kwi-ue), a. uit land en water beetaand. Terre one (tur-rien') —stria/ (-rea'tri-el), a. aardsch. —oats (ter'ri-us), a. van aarde; met aarde Termer gd. Terri ble (teeribl), a. —.6iy, ad. yerachrikkelhk. blenees, s. verectrikkelijkheid. Terrier (ter'ri-ur) a. dashond; chneregister; drilhzer, zwikboor. Terrific (tur-rink). a. net rikwekkend. —y (ter% rile)), v. a. vereehrtYken. Territor fel (ter-ri-to'ri-el), a. van het grondgebled. —y (teed-tut-1h), a. grondgebied. Terror (ter'rur), a. schrik, ontateltenis. —struck, met aehrik vervuld. —ism, a. sehrIkbewind. Terse (tore), a. —ly, ad. glad, sierlijk, net. —nese, a. gla.dheid, sierlijkheid, netheld, Tart!, an (tur'ejen), a. derdendasgseh; a. derdendeagache koorta. —ary (-41-e-rth)., a. van de derde vorming. —ate (-sji-eet), v. a. tea derden male does. Tessellate (tes'ail-leet), v. a. met rattan oaken; rultevri;ze inleggen. --d (-id), a. gernit. Test (teat'), a. kapel, stneltkroee; toots; retetief; toet.ing, beproevtng; onderacheid; proefeed. to put to the —, op de proef atellen. — v. a. tactgen; op de proef stele), —able, a. bevoegd am te getuigen. Teettareou (tea-tee'sjue!, a. sehazi-, sehelp-. Teetnanene (tes'te-rnent ► . a. testament. —ary (-ment'e-rib), a. van (volgena) een testament. Testa Sc (tes'te,,t), a. eon testament nalatend. —lion (-tee'sjun), a. getnigents. —tar (-tee'tur), a. oritater. —trix (-tee'triks). a. mile/dater. Teat ed (teet'it), a. getoetat, beproefd. —er, a. ledekanthemel; kopstuk (halve sehelling). (41(1). a. teethe). Testi(' icatlon (tea-ttf-i-kee'ejun), a. betuiging,
bepaald. bruisend. a. —ably, ' s. krachteloos, lnexpress lble (in-eks-pressibil, Ineffiefte Inns (in-ef-fl-tree onnitsprekdijk. —ibles (-iblz), pi. broek. niets ardoend. —iousnets, —y f-ePti-ke-sih), s. a. solider uitdrultking. krachteloosbeld, vruchtelooaheid. (in-eks-pug'nibl). a. ono,erwinIneflielen cy (in-ef•lsj'en-silt), S. krilehtel00s- Inexpugnable onneembaar. , a. krachteloos, wer. nelijk, held wericeloosheid. —t Inextinxulsht.ble (in.eks-ting'gwisj.1 1 01), ,, on' ,s. keloo ultblusehbaar. Inelnlyornte (in e-lebiur-ret), a. ondoorwrocht,Inextirpable (in-eka• tuepibi), a. onnitroetbaar, slordig bewerkt. onverdeigbaar. Inelegan ce (in-ere-gene), R. onbevalligheid. —t,Inextrlea bale (its-eketri•kibl), a. —11y. ad . nlet a. —sly, ad. onbe•allig. to ontwarren; netelig. —bleness, a. verwardheid; a. onverklesbaar , Iiielegi ble —bility
v. a. & n. acildden, (zich) Afton- Sham (84111') it. valsch, voorgewend, verdieht. Sever —fight, isplegelgevecht. —. a. mialetding, klaren jr,n). —al P. verschedene., onber,che:- drop , nb!dwri..g -- airy, e:e:1;evnodozl dene, —ally, ad. afzo,derlijk. • al'a- Sh ,heitt. —once, a. arzande,iPg. ,heide (.depend) s e, e, --ell,, ad. streng, hard,. van. -. -es(sjerrCb!z), pl. vleeschhanken,vleeschhal. —,ng, a. waggelend, alepend; s. waggelende wrced( g yaina'!);stint (in).—enesa,—ity (-ver^it-tih), (slepende, gang, s. st,engheid, l)ardhaid, vreedheid; sliptbcdd. Sew (sjoe), v. a, drong legge, —el (..i1). a. no- S hnro e (aje.ein'), s. schaamte, schonde. for —,foei I fac ed, oao. dae. b—Sre eheteeens;, (Co'), v. 5),. n. naalen, er, a. kietrwa- onteeren; v. n. zich schaani'n. —ful, a. —fully, ker; banister. —ing, a, bet rantcn; —tuuhion, i ad. schandelijk. —fulness, a. schendeltjkheid, naaikussea; —desk. naaiklAtja; —less, a. —lessly, ad. cchaamteloos. —lessneae. j a. schaamtelow.heid. ngald: —silk, naaiziPe. (F,P.M, a. gir, 13cht, lzurine, Ochootn) sekse, ' Shev4:nto er (sjem'mur), a. bedtleger. — jay, a. edrtegelijk, liatig. Sex agetaar tan (aalra a dzje-nee )i-en), a. zes Shammy (9em'rnih), e. game; gemzeleder. tigjltige. —7; (-ed'zj ,,-an,:h), a. zastigjarig. ,41.8.(slim em ' l,.. ps ojee; m ), (,ks-e-dzjea'i-me), a. tweede zoo- :Itimi:in he t Lir:: it°s el hs dog. nom, in Vaatrn, — I., a. zes:igtallig,.. ear warm bad nemen. (,e1rs•en4'gjoe-ler), a. zethoelfig. Shamrock :sjem'rok). a. Mane, zesktrIg. e,Thi.e1), a. zesreRelse vers. — ant, a. Shank (sjengki, s. achenkell beenpljp; pip, Sext t eeed1, (Ti e n gket1),;a1 .tj1; stx,mit. _y e 0. 1,, a. aspect;ou ls, taiciihnt!s g e lat e ntd rzoeeit...—painter. zr.Atig ;ruder. —on (-tun), a. 'ondarkoster, door!. § Shant ee (sjen'tiel, — y, a. hut. foods, hot. 1. P.otte. —uple (.tjneri), a. zes,ondir,. Shape (sjeap'I., a. gedaante. geztalte; v)rm, fat S 47V . AIA1 (.! eks".joe-el . a. geOfiChiS -, torn; aard. wijze; denkbeeld. s. schurft; sehott. —bily. ad. —by, v. a. vormen; (S]eb'), ni ; nve.t% .s pftsszn a. , igffi — e tefik ana ,41t 1,e .wi r _ n. iorrix, hAneloom; armzallg, gemeeu. — biness g —n staiy1:tip —lines (.(ai-nna), a. 'naveloosheid; gemeenbeid. a. welgemaakt. 1 "PP' lveld; zwii'll'nv°"' land- Shard i ,,, ,jasrd'), s. acberf; stuk eters:Anal; vlento,pce. reqhfit ei kd aveiel;ng7i es argrney,agret n im.j ,teka;.. asr. hxh.ii — d rtngee,llogp. Sheckte (jek 7 1,1)„ a. paartring, beugel.—, v. a. -
On February 16, 2018, Coinbase admitted that some customers were overcharged in error for credit and debit purchases of cryptocurrencies. The problem was initiated when banks and card issuers changed the merchant category code (MCC) for cryptocurrency purchases earlier this month. This meant that cryptocurrency payments would now be processed as "cash advances", meaning that banks and credit card issuers could begin charging customers cash-advance fees for cryptocurrency purchases. Any customers who purchased cryptocurrency on their exchange between January 22 and February 11, 2018 could have been affected. At first, Visa blamed Coinbase, telling the Financial Times on February 16 that it had "not made any systems changes that would result in the duplicate transactions cardholders are reporting." However, the latest statement from Visa and Worldpay on the Coinbase blog clarifies: "This issue was not caused by Coinbase."[45]

A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.


Par boil (pear' bojl I, v. a. half gear koken. —break' Parley (paar'lih), s. onderhoud, gesprek, omier(-breek), a. braaksel; v. n. braken. —buckle (- buk1), lmdeling. to beat a —, de overgaafmarach glean. s. schrooltouw. —, v. n. zich onderhouden, sprekeu. Parcel (paar'sil), a. atuk, gedeelte; pakje; partij; P4,1111senlent (paarna-ment), a. parlement. —ary hoop; sarting. m u —, v. a. in ge- (-ment'e-r1h), a. van het parlement. bill of —8, faetur. deelten splitsen; bijeen voegen; met smarting be- Parlor, Parlour (paar'lur), a. spreek-, bezoekk teeden. —ing, s. smarting, presenning. —delivery- kamer. office, a. beatelkantoor. Parlous (pearls's), a. gevaarlijk; slim, sluw. Parcen ary (paar'se-ne-rib), s. gemeenschappe- Parmesan (paar.ine.zen'), a. Parmezan; parmeIt) k bazit. —er (-nur), s. deelgenoot. zaan-kaas. Parch (paartsr), v. a. & n. schroeien, zengen; Parochl at (pe-rolliel), a. van het kerspel, — roosters; (doen) verdrogen. --edneos (-id-ness),... register, kerkeboek; — relief, bedeeling. —an verschroeidheid; verdroogdheid. —ing, a. ter- (-en), a. parochiant. schroeienl. Parod Ic (pe-rod'ik), —ical, a. parodieerend. --y , Parchment (paartsrment),:s.perkement.—maker, (per'ud-dih), a. spottende nabooteing, parodie; perkementmaker. —runner, papierlijuentrekker. v. a. spottend nabootsen, parodieeren. Pard (paard), a. luipaard. Parol (per'ul), a. mondeling. Pardon (partedn), a. vergiffenis. —monger, Omit- Parole (pe-root'), a. woord van eer; wachtwoord. kramer. —, v. a. vergeven; genade verleenen aan. Paronychlaper-o-niei-e),s.vijt. —able, a. —ably, ad. vergefelkjk. —ableness, a. Paronym e per'o-nini), a. gelijkluidend woord. vergefelijkheid. --er, a, vergiffenisschenker; aflaat- —ous (pe-ron' -mus), a. gelljkluidend. gever. ron'i-mih), a. geltjkluidendheid. Pare ( peer), v. a. achillen; uit-, afanijden;areaspen; Paroquet (per'o ket), a. parkiet. besnoeien; verminderen. Parot Id (pe-rot'id), a. van de oorklleren. —is Paregoric(per•e-gor'llt), a. & a. verzachtend, (-rolls), s. oor-, speekselklier. pij natillend (sreiddel). Paroxysm (per'oks-irra), s. verheffing (eener Parembole (pe-rem'bo-lib), a, tusschenvoegsel. ziekte of pijn); vlaag. Parenchyma ,pe-ren'ki.me), a. kllervleesch; eel- Parquetry (paar'kit rib), a. ingelegde vloer; inw eefsel, merg. gelegd houtwerk. Parene ola (pe-ren'ints), a. vermaning. —tie (pe r- Parrel (per'ril), a. rak. to fasten the —,aanrakken. e-net'ilt), a. vermanend. —haliard, ophaler van het rak. —ribs, rakkeslede. Parent (peer'ent), a. vector, moeder; oorzaak, —truck!, rakkeklooten. —truss, rakkatrre, -tulle. bror . --a, pl. °lidera. —ape!ook: ijer'ent-idzi),.. Parricid al (per-ri.aardel), a. vadermeordend; maagschap; afkonist. —al (pe-rent'el), a. ouder- van een' vadermoord. —e (peeri-sajd), a. vaderlijk. mooed; -moorder. Parenthe Ails (pe-ren'shi aim), a. tusscheavoeg- Parrot (per'rut), a. papegaai.diving —, papegaaisel, parenthesis. —tic, —tical, a. —tically, ad. duiker. —fish, zeepapegaai. —weed, boeconia (soort (per en- thet'sk-), tusschengevoegd, ingelaecht; als van heester). parenthesis. Parry (per'fih), v. a. & n. afweren, pareeren. Parent hide (pe-ren'ti-sajd), o. oudermoord; ou- Parse (nears), v. a. taalkundig ontleden. Parsisnon Ions (paar•111-mo'ni-us), a. —Toasty, dermoorder. —less (pee'rent-less), a. ouderloos. Parer (peer'ur), a. afanij der, schil ler; veegmes. ad. zuinig; k &rig. —tousness, —y (paar'el-munnih), Parergl (per'urAlzjiis), a. bijwerk. a. zuinigheid; karigheid. Pargst (paar'dzjit), a, pleisterkalk, gips. —, v. a. Parsley (paaraliha a. peterselie. —fern, druifhepleisteren. varen. —pert, ateeneppe, steenbreke. Parhellon (per-hi'li-un), a. bijz on. Parsnip (paars'nip), a. pastinak. Pariah (pee'ri-e), a. paria, verstooteling. Parson (paar'sn), a. geestelijke, predikant. — age, P algal (pe-raret), s. Zie Pair-royal. s. predikantspl eats; pastorij. Parietea I (pe -rare-tel), a. van den wand. —ry Part (peen), a. deal; aandeel; partij; rol; lid; (-to-rih), a. muurkruid, plicht, dienst. —8, pl. begaafdheden, talenean; Paring (peerneng), a. het afanUden, achillen, af- atreken. — by —, atuk voor atuk. in — of payment, anijdsel, sehil, afoul. —knife, snij mes (bij schoen- op afkorting. for my —; wat inti betreft. for the makers). moat —, meestal. to take a — in, deelnemen aan. Parish ( per'isj), a. kerspel, parochie. —boy, arm- to take in good (ill, —, goad (kvralijk) opnemen. jongen. —church, parochiekerk. —clerk, dorpskos- —owner, medereeder. —, ad. deela, gedeeltelijk. ter. —duty, kerspelbelasting. —priest, geeetelijke Part (paart"), v. a. deafen, of- indeelen; orbitten; scheiden; v. n. scheiden; heengaan, vertrekvan het kerspel. —loner(-un.ur), a. parochiaan. Parlayllable (per-1-sil-leb'ik), —at, a. gelijklet- ken; afdrijven; verzeilen. (from) scheiden van; tergreptg. laten varen. (with) zich ontdoen van; verlaten; Parli or (pergi. tar), a. pedal, bode, gerechtsdie- laten varen. —able, a. deelbaar,scheidbaar. —age, near. —y, a. gelljkheid. a. verdeeling; aandeel. —ed, a. begaafd. —er. 6. Park (plink'', a. park, warande. —flower, mei- verdeoler, scheider; scheidama.a. bloem. —keeper, paskopzichter. —leaves St. Jana- Partak e (per-teek') [ire.], v. a. doen deelen in; kruid. —, v. a. in een perk aluiten; omheinen. —er, v. n. (in, of) deal hebben, deelnemen aan (in). a. parkopzichter. —er, a. deelhebber, deelgenoot. —ing, a. deelParlance (paar'lens), a. geaprek. nerving; komplot.
Ketting, m. chain; warp. —break, continued fraction. —brag, chain-bridge, suspension-bridge. —draad, warp. —garen, warp-yarn. —hand, bandog, mastiff. —hovel, chain-shot, langrel-shot. —repel. chain-rule. —aped, fusee. —stack, chainstitch. Kett, v. cue, billiard-cue. Keuken, v. kitchen. aehrale poor table. —buck, cookery-hook. —gereedschap, kitshen furniture, -utensils. —.fringe*, —kneeht, kitchen-boy, scullion, turn-spit —kae, —kast, pantry, lorder. —ktottwe.., cotquean. —lamp, kitchen-lamp. —ha-ttin, dog 's latin. —menhir, chief cook. —meid, kitchen-maid, cook-maid. —Ines, cook 'a knife. —stsiker, brown sugar. —work, kitchen-work. —tout, coarse salt. Kettle, v. savory. teeter, v. choice, selection ; etendard, stamp, mark ; statute, ordinance. —bende, legion...elect body. —boon, ba Got. —leer, elector, chooser. ---buts, elector house. —tamer, assay-office. —meester, a4eayer ; dean (of a guild); censor. —nterk, —atempel, —treken, assay stamp, -mark ; standard. -.prim:, electoral prince. —steen, touchstone. —gegen, electoral voice, vote. —tin, standard- pewter. —roret, elector. —vorstekik, electoral. —rorstendom. electorate. —voratin, electress. IKeur der, m, examiner; assayer ; censor. —en, ov. W. to examine, to try ; to assay; to etamp ; to think, to deem, to judge. —ig, be. & bw. choice (-1y) ; exquisite (1y) ; nice, penicillin., difficult. —igheid, v. choiceness; nicsty. —ing, v. examination, trying, assaying, stamping. —ltle, by. & bw. choice (-1y), select (-edly), excellent (-ly). —lijkheid, v. choiceness, electness. —lingen, m. mv. select troops. Kene's, v. (pair of) stays, corset; bodice, etomacher. iKetio, v. Zie Ken., Keutel, v. turd, dung. —a, my. crotels, treadles. Keuvel,v. cowl. Keuvel sans, m. chatter. —a-ureter, v. chattering gossip. —arij, v. chattering, chitchat. —en, on. w. to chat. Ket11..., V. choice; selection; election. Kevet, m. gums. —kin; long chin, —en, on. w . Zie Keuveien. Keever, ra. beetle, chafer. may-bug. —Lek, blub• ber-lip; blubber-lipped rayon. Kev le, v. cage. Kibbe" mine, m. —aasrater, v. quarreler, wrangler. v. quarrel. wrangling. —en, on, w to quarrel, to rayil, to wrangle. —kunst, chicane. —ziek,—ig, by. quarrelsome, chicaning . , eaptione. rid, v.quarreleomeneio,capticuinaces. Kibbeting, v. outside parts of soiled fish. Kid, Kldde, v. nag, cob, tit, poney. Klekeboe, tsw. —spOen, to play at bopoep. Kieken, o. chicken. —dtef, kite. —pastel, chicken-pie. Kiel, in. blouse, smock-Frock; wedge. Kiel, v. keeliehip. —gang,garboard-streak.—katen, to keelhaul, to keeihoie. —water, wake, track. —en, ov, w. to careen. Kiem, v. germ. —en, on. w. to germinate. —Nth
Narcissus (ner sis sue), a. narc s. Narcotic (ner-kot'ik), a. Zit s. bedweimend, bleep verwekkend (middel). Nerd (naerd), a. nardua, nardusolie. Ware (leer), a. neasgat. Narra hie (neertb1), a. vertelbaar. —te (-reetl, v. a. verbalen. —nos (-ree'ajug), a. verhaal. —tire (-re-tiv), a. verhalend; e.verhael.—tively ad. verhalenderwUze. —tor (ree'tur), a. verhaler. Narrow (ner'ro), a. engte. —, a. nauw, eng; mai; nauwkeurig; bekrompen, karig. to make a — escape, te nauwernood ontkomen. to bring into a — compass, beknoptelijk namenvatten. —breasted,met eene smalls borst• gierig.—hearted, kleinmoedig. —heeled, met smalls hielen of hoeveu. —minded, kleingeestig. —spirited, van een bekrompen veratand. —, v. a. vernauwen, he. perken; v. n. nauw (amal) worden; inkrimpen. —iv, ad. nauwelijits; te nauwernood; van nabij. —nets, a. nauwhetd; smalheid; kleingeeatigheid; karigheid. Narwhal ( near' wel), s. narwal; zeeeenhoorn. Nasal (nee'zel), a. van den nrus; a. snuifmiddel; newsletter; neusklank. Nascen cy (neesin•sih), a. ontataan. —t, a. ontutaand, wordend, wassend. Newt Ivens (naaleti-ness', a. vuilbeid,morsigheid, —ily, ad. — y, a. null, moraig. Natal (nee'tel), a. van de geboorte; geboorte-. —Mat —itious (nete-Berns), a. van den geboortedag. Nat a nt (neelent), a. drijvend. —tion(ne tee'e)un). a. (het) zwemmen. —tory (-te-tur-rih), a. tot zwemr,aen dienend. (lintels (n , taj), 3. kruia (van een rund); knoopegatechroef. 7

Phoenix (fl'rithe), toy. Phenix. Phrigan (fria'aji-e), g. Phrygte, a. Phrijgiach; 1. Phrygler. Plcnsrdly (pileer.dih), g. Picardie. Piedmont (pied'munt), g. Piemont. —ese (-iez), 1. Premontces. Pilate (paj'let), in. hiatus. Pindar (pin'dur), m. Pindarus. Plantagenet (lien-ted'sje-nit), or. Piantagenat. Plato (plee'ta). m. Plato. Plelad es (plie'e-diez), —a (pli'edz), my. the —, de Pleiades. Pliny (plin'th). Plutarch (pljoetaark), m. Plutarchus. Plymouth (plim'uth), g. Plymouth. Poland (pn'lenclt. g. Poles, —er, 1. Foal, Polak. Pol e (pool), 1. Pool, Polak. —ish, a. Poolsch. Poll (poll?), —y, f. sour Mary; Mietle, Mie. Poly bins (po lib'i-us), tn. Polybius. —carp (pol'i-kaaro), m. Polycarpos. --hymnia (1.1 g. P olymy. Polyhymnia. —nesia nettle. Punreraaafe (oom-e-ree'nl-e), g. Pommeren. —n, a. Pommersch: 1. Pommer. Pomona (po-mo'ne), my. Pomona. Pomp ell (pum•pi'l-aj), g. Pompey m. Pompejua. Pontefract (porefret), g. Pontefract. Pope (poop), ra. Popo. Pontamemomath (poortemuth), g. Portsmouth. Portug al (poortioe-gel) g. Portugal. —um, (-IOW, a. Portugeesch; 1. Portugece, (de; Portugeezen. Potomac (po-to'mek), g. Potomtio. Prague (PraeK), K. Prang. Praxiteiea. Praxiteles (peeks-it'il-lez), Presect (pree'kut), m. Prescot. Peg area (prayera), m. Primus. —or (or), tn. Prior. Prometheus (prom-PtTes), my. Prometheus. Proserpine (pros'nr-pa a), my. Proserpius. Puoteus (pro'tjoes), m. roteue. Pruasia (prusri-e). g. Praisen. —n, a. Pruisisch. 1. Pruitt. Psyche (sarki), Psyche. Ptolemy (tors-mib), no. Ptolemeus. Puglia (pjoella), Pusey (pjoe'zih), in. Piracy. Pylades (pll'e diet), n.. Pilades. Pyren elan (pir-e-nl'en). a. Pyreneesch. —Ho (piee-niez), g. the —, de Pyrenees'. Pythagoras (pi-theg'ur-ea), m. Pythagoras. Pythia (pith'i-e), my. Pythia. Python (parthun), my. Python.

Wat beinvloedt cryptogeld prijs


bery, --jabbing, wirtd handel in effecten, beurstspel. —lock, grendelelet. —market, fondsenmarkt, —shave, sehaalmes. —shears, pl. enoeischaar. —still, doodstii. —, v. a. voorzien (with); opdoen, inslaan; opleggen; in den stab sluiten; (up) nitroeien. Stocking (stok'ieng), s. bows. —breeches, p1. onderbroek net lange pijpen of kousen. —frame, —loom, kousenweefgetouw. —trade, handel in gee breide goederen. —weaver, kousertwever. Stock lab (stok'isj ), a. hard, ongevoelig.—n, pl. veetblek; stapelblokken, stapel; effecten. —y, a. etevig, kort en dik Stoic (sto'ik), o. stoieijn. —, —al, a. etoi.eijnseh, ongeveelig. —alness, s. magevoeligheid. —ism (-1.-eizni),8.1rer der Stoleijnen. Stoker (sto'kur), 8. stoker. Stole ((goof), s. stool, lank bleed. groom of the —, opperkamerheer. Stolid (atorid), a. dam, dwaas. —ity (sto-lid'Ittits), a. doneheid, dwaasheid. Stomach (stum'ek1, e. maag,eetlulit;tret,Deiging ; drift, toorn; hongmoed. v. a. mokken (gebelgd zijn) over; veuluwen; v. D. boos (gemelijk) nun rich ergeren, (at). —ed (-ekt), a. boost, gebelgd. —er (-e-tS)Ur), s. borstlap. —fill, a. mokkend,- etijfhoofd Snow tichic (sto-mek'ik), —al, a.maagvereterkend; maag•. 0. maagversterkend middel. Stone (stoon'(, a. eteenen, vast s•een. s.steen; kern, pit; teelbal; veertiert pond (weal); aeht pond (yleetteh). —alun, bergaluin. —basil, tijm. stekeblind. —blue, emelt. —break,, steenbreke. —cast, steenworp. —check, pluvier, welp. —cholic, greveelpijnen. —coal, tteenkool. —crag, krijfziekte. —crop, steenruit, muerpeper. —curlew, dikpoot (vogel). —cutter, ateenhbuwer. —dead, morsdood. doublet, geaangenis. —duck, kraagrend. —falcon, steenvalk. —fern, steer( v aren. —fly, waterkrekel. --fox, steenvos. —fruit., steenvrueht. —gall, bastas rdvalk. —prig, uteenbiiter. —hawk, sateen valk. —hearted, hardvochti4. —horse, henget. —mason, —squarer, steenhouwer. —pincer, stemmoasel. —pit, —quarry. steengroevo. —pitch, bergpek. zwameteen; versteende plant —plover, poelsnip. —puck, paint; uitslag. —'s-cast, '8throw, etemsworp. —smirk, yekbloem. --still, doottsti I, enbewegeliik. —stud, hoekpijler. —wail, brandmuur. —ware,aardew erk, steengoed. —work, metselwerk. —wort, hertstong. —, v. a. eteenigen; van eteetten of pitten ontdoen (voorzien); verbal. den.

men. —er, s. bealaglegger. ..-t, a. gerechteitia bealag.. Distress (dis-trees'), a. ellende, rampapoed, nood; in-bee.ag•nerrang. v a. in ellende(000d) dompelen; in beslag nemen. —fat, a. —fully, ad. rampspoedig; ellendig. —iny,a. kwellend, treurig. Distribut e (dia-tribloet), v. a. ultdeelen. —er, a. uitdeeler. —ion (-tijoe'ejun), s. uitdeeling. —ire, a. —ively, ad. uitdeelend. District (die'trikt), a. rechtegebitd, distrikt, Distrust (die - trust), a. wantrourven. — , v. a. wantrouwen. —ful, R. —fully, ad. wantrouwig. —fulness, s. wantrouwigheid. Disturb (dis-turb), v. a. verontrusten, storen, verwarren. —ance, a. opschucling; storing; verwarring. —er, a. veratoorder. Disunion (dis-joen'jun), a. reheiding; oneenigheid. Disunit e (dig-Joe-112M, v. a. vaneen seheieten;

eris x cryptogeld


M M.— Da U T pelen. -Cr, 0. vermomae. —try, a. vermomming, filusesiass (tojoe-sl'uni),s. museum. rettekerade. —ify (-rni-faj), v . a. inbalseraen, als Mushroom (musj'roem), a. paddenstoel; :parVenn. muraie bewares. —y, a. mimic; entwas; to beat Music (mjoe'zik), a. muziek; toonkunst. —master, to a —, boot en blauw slaan. muslekmeester.—pen,muzlektrekpen. —room, eonMunn, (mump'), a. knabbelen; mompelen; bade—shell, Eotenschelp. —stand, muzieklescertzaal. klaplooper, bedelaar. s. —er, len; bedriegen. settaar. —al, a. —ally, ad. (-zik1-1, muzikaal, wel—er's-hall, bedetaarsherberg. —ing, a. bedelaaasluldend. —alness,s.welluidendheid.—ian (-sisj'en), list. —lab, a. gemelijk, morrend• -8, pl. geniea. toonkunatenaar. lijkheid, kw ade ham; klier-, keelgezwel. Musing (mjoez'ieng), s. gepeins, mijmering. Munch (muntsj), v. a. & n. guizig eten. (-dik), Musk (musk', a. nauskua; muskusdier. —apple, Mund ane (mun'deen;„ a. wereldseh. muskadel appel. —ball, muskusballetje. —bearer, a. zwavelkies. mueksarot. —cabbage, bIsamkool. —cat, eivetkat. Mitandif bent lois (mun-dif-i-kee'ejtie), a. reini—cherry, muskadel-kers. —melon, muskus-meloen. - icative (-di?%-ke •tiv), a. & a. reinigend —pear, muska.del-peer. —quash, muskusbever. (miattel). —y (mun'tli-fajl, v. a. reiuigen. —rose, mueltusroos. —seed, bisamkerrels. —iness Mundivagant (mus-div'e-gent), a. door de we(-1.near), s. musk u,geur. —y, a. artskusaehtig. reld zwervend. Mundungass (nittn•dun'gus), a, knief, stinkende Musket (mus'kit), a. musket, anaphaan. —ball, geweerkogel. —basket,echanskorf. —proof ,kogelvx ,.3. tabak. a. musketier, —shot, geweereehot. —eer Muneratry (injoe-ne're-rih), a. als een gemehenk. —oon (-oen'), a. moaketon. Municipal (mjoe-nis'i-pel), a. gemeentelijke, gemeente-, —ity (-pel'it-tilt), s. gerneente; gerneen- Muslin muz'lin), a. mousseline, neteldoek. —, a. s. grofneteldoek. —et (-eV), van neteldoek. tebestuur. Munilicen ce (injoe•niri-aens), a. milddadigheid. §fiasistillash (rnua'kwosj), a muskusrat, -bever. usrol (rnuz'rool), a. neusriem. —t, a. —tly, ad. milddadig. Muni ntent (mjoe"tri-ment), a. 'aterkte, vesting; Muss (muss), a, gegrabbel, wanorde. vent edigin g; oorkonde. —lion (-nisrun),s.sterkte, Mussel (m_us'sl), a. mussel. (mus"aul- men), s. Muselman. vesting; krijgsvoorraad; —bread, kommiesbrood. M 111.14 91 Mur age (atjoe'ridzi), a. muurgeld. —at, a. van Must (must), a. moat. —, v. a. doen besehimmelen; v. n. besebimmelen. eon' muur-; —crown. muurkroon. Murder (nter'dur), .s. sword. —, v. a, vermoorden. Must (must) [must], v. n, moeten. —er, a. moordesaar. —ess, s. rnoordenaarster. Mustach e (mus-taasji, —io (-i-o), a. knevel, —owl, a. —ously, ad. moorddaaig. Muse (ntjoer), a. muur. —, v. a. bemuren; (up) toe- § Mustang (mus'teng), a. wild paard. (rnueturd), a. mosterd. —pot, mosme tselen. terapot. —seed, mosterdsaad. ► uri ate (mjoe'ri-et), a. zoutzuur tout. —atic (-et'ill), a. zoutzuur be atttend; acid, zout•uur. Mustee (mus - tie'), a. treaties. —form, R. ateenachtig. —ne (-gin), a. muisaebtig; Muster (mus'tur), a. monstering; monsterrol; troop. to pass —, gemonsterd warden; goad doormuizen-. komen, geduld warden. --, v. a. monsteren; Murk ;murk'), duisternis. —y,a.dosker,somber. (up) verzamelen; v. n. zich versamelen. —book, Murmur (mur'mute, . gemurmel; gemor. —, v. n. —roll, monaterrol. —maater, k•ijga-kommissaris. tritirmelen; morren (at. against,. —er, s. morder. besehimmeldheid, —ing , s. gam°, —ingly, ad. marrend. -ass, a. Must Ines ;Iniveti - ness), s, mu fheid. —ily, ad. —y, a. besebimmed, mad, gemor verwekkm)d vunzig; log, loom. Murnived Itniteni-vel, ► , a. vier gelijke kaarten. a Mutat his mjoe'tibl), a. veranderlijk, oubesten— of aces, vier stun. —bleness, a. veran-bility Murrain (rauerin), s. veepeat. a — take you, de derlijkheid, onbestendigheid. — iron ( - tse'sJun), drommel host je. a. verandering. Murr e (flour'), s. alk, (snort van) pans. —ey ad. aprakelooa; zwijgend. —1y, (mjoet'), a. a. donke) rood. —ion (-jun), a. Zie Mor!on. —y- Mute —, a. stomme; figurant; atoms. letter; toon• bird, tie Murze. demper; drek (van vogels). drek loners Murth (murth), Ft. overvloed; ruim besehot (van (van 'vogels). —ness, a. sprakeloosbeid; stilgrain). zwitigen. Muscat del (mus'ke-del), —dine (-dajn), —t (-bet), Muttta to (mjoe'ti-leet), v. a. verminken. --tion —tel, H. muakadel (peer en druif;;muekaatwijn. klee'sjun), a. verminking. —/or, a. verminker. Muscle (mus's11, a. NPier , m... 1 Mutineer (mjoe-ti•nier 1, a. rnuiteling. Muscosity (rous - koett - tah), a. movsighead„ a. —ously, ad. opro Muscovado (mus-ko-vee'do), s. ongeraffineerde Martin, ous (mjoe'tt-nus), rig. 2-ousnese, a. oproerigheid. —y, s. muiterij; sulker. opstand. —y. v. n. molten. Muscul air (mus'kjoe-ler), a. gespierd; spier-. v. a. & n. gemompel. —arity (-ler'it-tih), a. gespierdbeid. —ous, a. Mutter (mut'tur), a. elaar; mormorape,len, grommen. —er, s. mOmp spieraehtig; gespierd. her. —zngly, ad. mompelend. Merge (njoez'), a. muse; gepeins, nAjmering. Mutton (mut'tn),s.sehaapAchapen , leeseb.. — chop , v. a. overpeinzen; v. n. to.- up.) Peinzen; seltapenrib. —fist, dikke. grove vuiat. head, dom ren. —ful, a, peinzeut, miimerend. —r, a. painter, hop. nitj m era fir.

Wat is Crypto trading bot


—atien (•nee'sjun), 1. everheersching, beslissende etiptheid; nauwgezetheid. —ian (-sizj'en), a. feme- Invloed. laar, zemvlknooper. --ien ( sizrun.), a. stiptheid; juistheid; inlets bepaling. —ive(-saystv), a. nauw- Preeiect (pri-i-leke), v. a. vooraf verktezen. —ion (-2 ,k'sjun), s. voorverklezing. keurtg bepalend. Preclu de (pre-kloed'), v. a. uitelotben, verhin- Preeminence (pri-em'i-nens),s. voorrang,meerderheid, groote voortreffekkheid. —t, a. —t/y, deren, voorkomen. —zion (-kloe'zjun), a. uttslui- ad. (-Moe" ad. hoogat voortreffeltjk, verheven; bij uitnemendOng, verhindering. —rive, a. —sivety, heid. sty.), uitsluitend, verhinderend. Precoci sue (pre-ko'sjusl, a. vroegrijp. —ty Preemption pr I•em'itjun), s.voorkoop. —rigAt, recht van benadering. a. vroegrilpheid. Precogitate (pri-kod'zji-teet), v. a. Tooraf over- Preen (priers), a. gattel (bij lakenbereiders). —, v. a. glad strijken, netten. Pireaeoninition (pri-kug-nierun), s. voorkennts; Preengage (pri-en-geedzj'), v. a. earner verbinden. —ment, a. vroegere verbintenin. voorloopig verhoor. PrecomPose (pri-kum-pooz), v. a. vooraf op- Preestablish (pri-es-teb'llsj), v. a. vooraf vaststellen. —meat, a. vroegere vaststelling. stellen. Precou cell (pri-klin - stet'), a. vooroordeel.—eeire Preexantin a (prf- egz.em'in), v. a. vooraf onderzoeken. —ation (-1-nee'sjun), s. voorafgaand onc•siev'), v. a. vooraf oordeelen. --ception (-sep'- sjun), s. voorat opgevat begrip. —cert (-sort!), d-erzoek, vourloopig verhoor. v, a. vor,".ef beramen. —sign (-sajn'), v. a. vooraf Preexist (pri-egz-tat'), v. n. vroeger bestaan. —ence, s. voorbestaan. —ent, a. vroeger beter hand stelien, — afdoen. erecontrnct (pri•kon'trekt), a. voorafgaand nor- ',Viand. drag. — (-kin-trekt"), v. a. vooraf overeenko- Prefa ce (preres), a. "voorbericht. —ce, v. a. van een voorbericht vootzien; bewimpelen; v. n. voormen, Precurs ive (pre-kneeiv), —ory, a. voorafgaand, loopig ( bij 'nijee van inleiding) zeggen. voorberichtechrijver. —tory (-e-tur-rib), a. inletvoorloopig. —or, a. voorlooper, voorhode. Preds, aeons (pre-clee'bjun), a. van roof levend. dead• —tory (predle-tur-rih), a. roovend, roofzuchtig; Prefect (prilekt), a. prefect, atedebouder, landvoogd. —ure (prerekt-joer), s. prefectschap, pre— excuraion, strooptoclit. fectuur. Predeceased (pri-de-siese), a. vooraf overleden. Predecessor (pred-e-sesiur),s. voorganger; voor- Prefer (pre-fur'), v, a. verkiezen, de voorkeur geven aan (above. before, iv); bevorderen(to);verzaat. heffen; vooretellen;indienen. —able, a. —ably, ad. Peedestinarism (pre-des-ti-nee'ri-en), a, aan- (prerur-), verkielellk (to). —ableness (prer-nr-), hanger van de leer der voorbeschikking. Predestin ate (pre-des'ti-neet), v. a. voorbe- a. verkieselibkheid. —enc, (prerur-ene,„ a. voorkeur. —ment, a, bevordering. —rev, a. voorkeur—ation a. voorbeschtkt. echikken. —ate ( net), r-riee'sjun), s. voorbeechitking. —ator, a. voor- gayer; bevorderaar; indiener. Pretigur e (pre- firjoer), v. a. voorafvooratellen. besehittker. Zie Predestimeirtan. —e —ation (-ree'sjun), a. voorafgaande voorstelling, e. a. vooraf bettemmen, — bepalen. Perdeterinin ate (pri-de-tuemt-net), a. vooraf —alive ( re-tiv), a. vooraf voorstellend. bepaald. —ation (-nee'sjuni, n. voorat bepaling. Prefix (pri'fike), a. voorvoegsel. — (pre-flks'), v. a. voor-aanhechten; vooraf vastatellen. —e (-min), v. a. vooraf bepalen. Prefulgency n pre•furdtien-nth), a. grootere glans Predial (perdi-el), a. landbonw -; boerderij-, of lobster. tithes, yruchttienden. estate, landgoed. Predica h5e (pred'i-kbbl), a. toekenbaar, toe to Pregnan cy (preg'nen.sih), s. zwangerheid; vols. bepaalbaarheid, heid; vruchtbaarheid; vindingrtjkheid. —t, a. kennen.—bitity hevestighaarhetd. —Ole, s. predicaat, universeel; --tly, ad. zwenger, vol (with); vruchtbaar; -wat aan eene zaak ken torgekend worden. —ment dingrijk; gewichtig; nadrukkelijk. pre-dik'e-ment), a. klasse, orde; toeetand. —nt, Pregustation (pri-gus-tee'ejuri), a. (bet) yours. bevestiger; prediker; — friars, predikheeren, proeven; voorsmaak. Doreinikanen. —te i-ket), a, gezegde, predtcaat. Prehcn tine (pre-hen'si1), a. grijpend, tot grijpen —te (-keel). v. a. & n. beveetigen, toekenrien. geechikt. --sion (-ajun). s. (bet) grijpen. rdneee erl,eonirv . . ion (..kee'sjuo), a. bevestiging, toekenning.—tory Prejudg e (pri-dzjudrn, v. a. voorutt o(o k —ment, a. voorafgaand oordeel. (-Ice-tor-rib), a. bevestigend, beelissend. op n Predict (pre-dikt'), v. a. voorzeggen. yoorspellen. Prejudica te (pre-dzjoe'di-ket), (-dik'ejun., a. voorzegging. —ire, a. voor- oardeel gegrond, bevooroordeeld. te a. vooruit oordeelen. —tion (-kee'sjun), a. (het) —or, a. vonrzegger. spellend (of). vooruit oordeelen. PredileetiGn (pri- di- lek'sj un), e. voorl beide (for. Prejudi ce (pred'zjoe-dta), a. vooroordeel; nato). pri-dis-pnoV), v. a. voorberelden; deal. —e, v. a. voortnnemen; benedeelen. —tat, , Predleptes e a. —ial/y, ad. (-dtafel.), nadeelig.sehadelijk (to) roGraf geschntt (geneigd) makeu. — tition (-po- —iabiees (-disj'el-1, a. nadeeligheid. zierun), a. voorberetding; vroegere genegenheid. 1Predoinin ante (pre- donasi-nens)., a. overwieht, Preke (priek), a. Inktvisch. overhand. —ant, a. —ant/y, ad. over wegend., meest Preto cy (prel'e-sih), —teship (-et.), e. prelaat aehap. —te (-et), a. prelaat, kerkvoogd. —tic, heerechend. —ate (-neet)., v. VI. averwicht (de over- —tire/ (pre-let'ik-), a. van een' pretest. —fist band) hebben (over); meant heerechend zi.jn.
Louder bewijs. —tory (-1e-tur-rih), a. verzoekende Portress (poort'reso), a. portierater. Pory (po'rih), a. poreux, sponsachtig. gesteld, aangenomen. —turn (-lee'tuat), s. Zi; Pose (pooz'), v. a. verlegen maken, pal zetten. Postulate. Posture (post'joer), s. toestand; houding, ge—r, s. s. ondervrager, palzetter. Position tpo-zisrun), s.ligging, stand; toestand, atalte. —master, postuurmeester. gesteldheid; stelling. —al, a. betrekkelijk he Posy (po'zih),.s. zinapreuk; ruiker. stalling of gesteldheid, l Pot (pot'), s. pot, kan. —ash, potasch. —bellied, ad. stellig, bepaald; Positive (poz'i-tiv), a. dikbutizig• —b elly, dikbuik. —boiler, hnisvader. volstrekt; wezenlijk; setter; bevesttgend. —ness, —boy, knecht in eene gelalatuntner. —butter, pots. stelligheid, zekerheid. jesboter. —companion, drinkSbroer. —fta, pot-, kanvol. —girl, dienstmeisje in eene gelagkamer. Posnet (poz'nit), a. kommetje bakie. om. FOGS (pass), a. waterval; apoelk —hanger, schoorsteenhaak. —herb, moeskruid, Posse (potezel, a. gewapende macht; gepeupel. groente, —hook, pothengsel; hanepoot. —house, Possess (puz-zess'), v. a. bezitten; (of; in het bierhuis, kroeg. —ladle, polle:vel. —lid. potbezit stellen van. —ed (-zest"), a. bezeten; (of) deksel. —luck, gewone pat of kost. —man, kroegin het bezit van; (with) overladen; begaafd, voor- looper; zie rot-boy. —metal, mengsel van lood zien. —ion (-zesfun), a. bezitting, bezit, eigen- en koper. —pan, kook-, stoofpan. —proof, sterk don, —iz'e, a. bezittend; ease, tweede naamval; drinkend. —sherd, potscherf. —, v. a. in potten — pronoun, bezittelijk voornaamwoord. —or, a. zetten of bewaren; inmaken. hezitter, eigenaar. —ory (ook: poz'zis-sur-rib), a. Potable (po'tibl), a. drinkbaar. —ness,s. drinkbezittend; van het bezit, baarheid. Posnet (pos'eit), s. door wijn gesiremde melk. Potato (po-tee'to), a. aardappel. Poten cy (po'ten-sih), a. macht, vermogen. —t, P0.81 bie (pos'sibl), a. mogelfjk. —bly,ad. a. —tly, ad. machtig. —tate (•test), s. vorst, pogelij k, misschien. —bility (431-bil'it-tib),s.moge- , tentaat. —tial. a. —Nally, ad.(-ten'ajel mogelijkheid. s. mopPost (poost'), a. post; postbode; ambt; peal. to lijk; vermogend. —tiality per post reizen. —boy, postrijder,pos; li.jkhcid; vermogendheid. travel tilion. —chaise, postkoeta.—day,poatdag.—doetor, Pother (potieur), a. gewoel, rumoer. —, v. a. kwatzalver. —haste, groote spoed. —horse, post- kwellen, lastig vallen; v. n. tieren; levenmaken. paa-d. —house, posthuis. —man, potaboae; brie- Potion (po'sjun), a. drank, drankje. venbeateller. —mark, postmerk. —master, post- Pott age (pot'tidsj), s. vleeschsoep,gekookte spijsmeester. —note, postwissel. —office, postkantoor. Potter (pot'tur), a. pottenbakker. —'s-clay, pot-paid, gefrankeerd. —road,rtj- ,03 treat w eg. —stage, aarde,leem. —'s-ore, verglaamsel. —'s.ware, aarde. 1)ostatation werk. —y, a. pottenbakkerij; aardewerk. Post (poost'), v, a. eanplakken (up); op post zet- Pottle (pot'tl), s. kan; vochtmaat van 4 pint. ten; op de post doen; orerboeken; v. n.per post Potulent (pot'joe-lent), a. beneveld, dronken; drinkbaar. reizen. —rye, a. briefport; —stamp, postzegel. Post date (pooat'deet), v. a later dagteekenen. Pouch ;pautsj),s. zak; pens,dikke buik.birding—, —dilution (-di-ljoe'vi-en),a. van na den zondvloed. weitasch. —, v. a. in den zlk steken; opslokPoster (poost'ur), e. renbode, koerier; aanplak- ' ken; v. n. pruilen. Poult (pooh'', a. hoen, kuiken. —erer (-ur-ur), billet. Poster' or (pus-trri-ur), .later, volgend.—ority a. poelier. —ice i-is), s. pappleister; v. a. pappen. s. (het) later zijn. —ors (-urz), pl. —ry,s.tamgevogelte; —house,hoenderhok;—yard, achterste —ty (-ter'it-tih), s. nakomelingschap. hoenderhof. Pounce (paauns'), s. klauw (van een' roofvoPostern (pooetur.), s. achterdeur, poortje. a. grljpen; Postexietence (poost-egz-ietens), e. ,toekom- gel); puimsteenpoeder; sandrak. dcorboren; bestrooien; glad wrijven; v. n. (on) stig bestaar. Postilx (poosefiks), s. aehtervoepel. neerschieten op. —box, —than, stroolbus; sanv. a. achtervoegen. ' drakbusje. —d (paannet), a. met klauwen. Posthumous (post'jo,mus), a, nagelaten. —1Y, Pound (paaund'), a. pond; pond sterling; schutad. na den dood. v. a. lljnstampen; opsluiten (up). —age, hok. PoNtil (posetil), s kantteekening. v. a. van a. pondgeld. —er, a. stamper; ponder;pondepeer. kantteekeningen voorzien; v. n. kantteekeningen Poop eton (poe'pe-ton), s. popje. —ics, pl. ge• mak:In (upon , . —ier, s. uitlegger, acbriiver van recta van reepies kalfa-, schapen- en varkensk,ntteekeningen• eerseh. Postilion (pens trnjun), s. voorrij der, postilion. pvolu (poor',, v. a. gieten- schenken;uitstorten; (in upon. out upon) overfdelpen met; v. n. atrooPost log ,poostleng), s. het reizen per post. —bill, aanplekbitjet. men, vloeien, etorten; (doten) stortregenen; (upon) Postmerldigin (pooet-me neer8chteten op. —er, s. gieter; inschenker. Postpone (poost-p , on'), v. 11, uitstellen, ver poor 'attic (poor-kut't1), a. inktvisch.—pa , ty setiujven; achtermtellen. —meat, s. uttstel. (.paar'tih), s. verdeeling eener erfents. lamprei; steenbolk; berit-, hazelPostacript (pooerskript) a. nasehrift. Pout (pant), Postuin nt (post'ioe-lent), E. aanzoeker, (linger. ' boon; kwade luim. —, v. n. pruilen; vooruitste(-let), s. vereischte; aangenornen staling. ken. —to ( 'Pet,, v. a. varderen, aanzoek doen am; Poverty (pov'ur•tih), a. armoede. stellen —Pion (-lee'sion), o. aanzoek; stealing Powder (pau'dur), a. poeder, poeder, stof; bus-
Pabelar (peb'joe•ler), a. voedend, voedzaam. Padar (ped'ur), s. zemelen, grof meal. —atiun (-lee'sjun), s. voeding. —ous, a. voedend, Paddle (ped'd1), a. pagaai, roeiriem; bled, plat (van een riem, een warren). —board, schepbord. voedzaam. —um, e. voedsel, onderhoud. —box, raderkas. —fish, zeezwlln. —staff, schoffel. Pacation (pe-kee'sjun), s bevrediging, geruat—wheel, scheprad (saner stoomboct), v. a. & stalling. n. roeien, pagaaien, plasgen; betasten, frommePace n peern, 3. pas, atap, trod, schrede; gang; len. R. roeier, pagaater• plasser. telgang. to go a main —, met voile zellen varen. to mend one 'a —, zijne schreden versnellen. —, Paddock (ped'duk), s. park, tamp; padde. —stool, padd enstoel. v. a. of-, doorstappen; lelden; v. n. stappen; den Paddy (ped'dih), a. oneepelde rijst; spotnaam tel gaan. —d (pee.t), a. van gang. —r, s. voetde: leren. ganger; telganger. Padelion (ped-e-lsrun), s. leeuvrenvoet. Pacha (pe-sjaol, s. pacha, Pachydermatous (pek-it-durm'e-tuz), a. d n k- Padlock (pedlok), s. hangsiot. —, v. a. met een hangslot sluiten. huiclig. Pacif is (pe-sif'ik), a. vreedzsam; — ocean, Stille Paean (Wen), a. zegelled, lofted. s. heiden. tuidzee. —ication (pea-if-i-kee'ejun), a. tevredi- Pagan (pee'genl, a, heidensch. —ism, s. heidendom. —ire (-ajz), v. n. heldensch ging. —icator (pes-if-i-kee'tur), s. bevrediger. maken; v. n,-zich ale emu heiden gedragen. —icatory (-e-tun-rth), a. bevredigend. — ier (pes'ifaj-ur), a. bevrediger. —y (pes'i.faj), v. a. bevre- Page (peed.j), s. page, hofjonker; bladsijde. —, v. a. bladztjden nommeren; ale pogo bedlenen. digen. Pack (pek') 0. pak, paket; vracht, last; koppel Pageant (pedzj'ent), a. pralend, prank-. (bcuden); epel kaarten; hoop; bende. —cloth, pair- praal, opschik; poppenspel, pronkvertooning. —ry, a. praalvertooning; achijn. !Innen. —horse, lastpaard. —needle, paknaald. —paper, pakpapier. —saddle, pakzadel. —staff, Paginal (ped'sjinel), a. gepagineerd. draagstok. —thread, pakgaren. —wax, heerwas, Pagod (pee'god), —a (pe-go'de), a. pagoda, afgodstempel, -beeld (in India). geelhaar. —, v. a. inpakken (up); kaken, tonnes; sehudden (kaarten); afspreken; nit partilklige le- Paigle 'peeg'I), s. eleuteibloem. den samenstellen. (away) wegjagen. v. n. Pail 'peel') a. emmer. —ful, (een) emmervol —stake. emmerrek. pakken; zich opeen hoopea. (away off) zich wegpakken. —age, s. pakkage; pakloon. —er, s. Pain (peen'), s. pijn,smart; strut; moeite. to be v. a. pljn ver. in — for, bezorgd ztjn voor. pakker, inpakker. oorzaken; kwellen. —pa, a. —fully, ad. pkjnlijk; Packet (pek'it), s. paket, pakje; paketboot.—boat, moeielijk, land g. —fulneas, a. _an khetd; —ship, paketboot. —mark, postmerk. moeielljitheid. —less, a. art van pip (moeite). Packing (pek'leng), s. het pakken; pakloon; bedrog. —cloth, —needle, —paper, —thread, zie Painim Ipee'nim), a. heiden, ongeloovige. Pains (peen;'), a. moeite, song. —, pl. barenaonder Pack. —stick, pakstek. weeen. —taker, werkztam meafich, werketel. Pact (pekt), —ion (pek'sjun), a. verdrag, boding. —taking, a. werkzaam; 8. werkzaamheiu, alit. —itious (-isj'us), a. bedongen. a. & n. Pad (ped'), s. voetpad; struikroover; kussen; op- Paint (peent'i, a. vent; blanketael. — , schilderen; blanketten. —er, s. 'Wider; yangvuleel, dameszadel; telganger. —, v. a. opvul. —ing ft. bet se hilderen, schliderkunet; schil len; v. n. to voet gaan; atraatroof plegen. —der, (-joer), s. schilderkunet. —ure derstnk; blanketsel. a. struikroover. —nap, s. telganger, klepper.
Westphalia tweet-fee'll-e), g. Westfalen. —n, a. Westfaslech; i. Westfaal. esvel (joe'll), rn. Whewel. Whitehall (wajt'llaolt), g. Whitehall. Wick (wik"), —in, f. coon William; Wm. —life Wickliff. Wight (waft), g.Wight. Wilberforce (wIl'eur-foors), m. Wilherforcc. m. Wilkie. Wilkie Will (will'), f. coot. William; Wire. —Mtn (-jem), m. WI( I em. —oughby (-o-bih),m. Willoughby. —y, r. coon William; Winapje. Wiltshire ( wilt'sjter), g. WItshire. Win (win'). f. your Winifred. --cheater (-tejem•tr),, g. -Winchester. Windsor (wiu'zur), g. Windsor. Windward (wind' wurd) lelgnde, g. Eilanden hoven den wind. '1W 'stir ed (win')-feed), en. WInfried. Wisconsin (wis-kon'sin), g. Wisconsin. Wniga (wol'ge), g. the —, de Wolga. %Voles), (woel'zih), xn. Woleey. Woolwich (woel'itsj), g. Woolwich. Worcester (woes'inr),g. Worcester. Wordsworth (wurdn'wurth), m. 'Wordsworth.
m. fresh-water Jack. —, be. bare, open; here; ready. — eld, ready money, cash. llattrOslU 'Mk, be. & bw. obvious (-ly), evident (-1y). --held, v. obviousness, evidence. Beard, in. beard; whiskers (ran eene tad); wattle (van eec haan); fins, bones (vast 'es tralrinch); down, feather (vas eene pen); bit (ran een aleutel), in den — to:linen, to reproach. —eeheerder, barber. — vron. ft ub. beardless. —iu, be. _ Ba iu 13bearded. tt t, de — e the devil himself. limmeeder, v. womb. Beare, m. perch; addict.. —mull, perch-dinner. —sirs, a. apeeies of monkey. finarviles, o.chorion. Bans, rn. master, fore-wan. timmermannbaal master carpenter. rroolijke merry pig, boon companion. den — epees, to play the master, to lord it. iemand de — zijn, to surpaui a. o. een — vass ern anoek, a large pike Bent, v. profit, gain, advantage, benefit; relief; avail. — vinden, to get (to obtain) relief. to — semen, to avail one's self of. v. selfishness,
illisistest, v. barrier. Hamel, rn. wetter. Eirenteve.r, Rs. hammer, mallet, pick. —bUt, battleaxe. —4:40?e, hammering-mill. — slag, stroke (blow) of a hammer ; scales, dross of iron. —We!, handle of a hammer. —en, no. & on. w. to hammer. Hand, v. hand. — aan — goon, to go hand to hand, — side by side. —over —, more and more, iemand de — bourn let /loofa /louden, to mapeort, to patronize. de — oftrekken von, to withdraw one 'a protection from, de -- greet, to shake hands with. de — in hot spa hebben, to hove a hand in it. de — itclv'en met, to hatoreer (to bungle) op. de leg/yen aan to slue the tintehing stroke loaf ate to. de —en oan het tverk staan, to put the band to -work. de —on cute sieh zelven mean, to lay VIO• teat hands open (to make away with) one 'a self. ann does (omen), to furni,h, to enggest, to intimate. aan de tvinnew de — zijn, to be in to thriving way, to prosper. bij de —, at hand; stirring, visilAe; nemen, to take in hand, to unclever, not to be dertake; — zipt, to be quick, played the fool with. in (le — rotten, to exceed tone's expevt,t , on. ova hebben, to hove to do, under —en hebben, to be at, to be busy with antler
—, a. heaparing; apaarpenning; uitzondering, Scamp (amp"), a. achavuit, deugniet. —er, v. voorbehoud; redding, tiehoud. --s•bank, spear- n. gaan echuiven, op den loop gaan (away, off ) bank. —mess, a. suinigheid. —irk a. achavuittg. Savior, Saviour (seeejur), s. Zaligmaker, fief,- Scan (sken), v. a. onderzoeken, uitpinizen; scanland, Verlosser. deeren. Savor isee'vur), a. smaak; geur. v.a.proeven; Scandal (sken'del), a. aanstoot, ercernie; Behanemaak vinden in; v. n. smaken, ricken (of. naar). dael; echande. —ice (-ajz), v. a. ergeren; helas-ity, ad. —y, a. smake:ijk, geurig; streeleud. teren. —ma, a, —ously, ad. ergerlijk,achaudelijk. —iness a. amakelijkheid; geurigheid. —ousness, a. ergerlijkheid, sehandelijkheid. —less, a. smakeloos; reukeloon. —y, a, boonen- Scan dent (aketedent), a. klimmend. —.ion kruid. (.ajun), a. acandeering. Savoy (ae-vor), a. eavooiekool. Scant (skeet'), a. kartg; achatirach, achraal. Saw ;son'), a. tang, spreuk. —blade. zapgblad. v. a. bekrimpen, beperken; v. n. achralen (van —dust, zaag,,e1. —file, zsas...vijl. —fish, za.ikvisch, den wind). —iness (-1.-nasal.—ness, a. karigheid; zaavmolen. —pit, znagkuil.--wort,schoor- achaarschheld, achrstalbeld. —le (akent%), v. a. ikrutd. —toren, tandzetter. in kieine atukken an'jden, verbrokkeien. —Hag, Saw (sac') [sawed, sawn. (soon)], v. n. zagen; a. kietne hoeveelheid; atukj3; meat; klamp; (down) aan mtukken cages. —. v. n. zagen; nick monster. ad. —y, a. achraal, achaars; laten 3agen. —er, —yer ( - Jur), a. anger. karig; bekrompen. Stmlfrag c (seks'i-freedzj, a. ateenbreke, —ous Scaape (sleep'(, a. ontanapping; cuitenstreek; ape(-irre pia), a. ateenoptossend. Pug; steel. —gallows, talgebrok. —goat, zondenSay (see) a sant; monster, proef; gezegde. bok. —grace, achurk, achobbert. —, v. a. & (sedgy], v. a. & n. zegge.n, opzeg- Zio to Escape. —went, a. eahappement (in oar Say (see') the mass, de min lozen. —ing, s. (last', gen. — the werken) zeggen; gezegde. spreuLt. Scatishander Iskereu•dur), a. zwembuis. Scab (akeb'). a. roar, korst, anhurft; sehoft. —bard Scapula (skep'joe• le), a. achouderblad. —r, —ry (.burd), a scheede. —bed (- hid;, —by, a schurft ig; a. achouder ; van bet schouderblad, a. echouder • Kempen. ermzalig, —bedneqs, kleed, teapulier. s.schurftigheid;gemeenkpid, artnzaiigheid.—ions Scar (skaar), a. litteeken; schrami zeepapegaai. (skee'bi-us), a. schurfttg; s. s. schurttkruid v, a. achrammen; v. n. tot litteeken warden. Scabrous iskee'brua , , a. row, hohbelig: hard, Scans bee taker'e-bie), a. achalebijter, lover. onwelluidend. —nes., a. ruwiteid: hobbeligheid; —mouch (•mautaj), a. hansworat. onwelluidendheid. Scare e (sheera'), a admiral); zeldzaam. —e, Scaffold (akerfuld), a , ateltaadj,-; ateiger; —ely, ad. be nauwernood. —eness, —ity, Vol. —, v. a. van een' steiger vuorzien. —age, schaarschheid; giebrek. —ing, n. stellaadje; a;eiger Scare (skezei, v. a veraehrikken (away). —crow, Scala bias (ekeeribi), a. beklimbaar, —de (eke. molik, vogelveracbrikker. teed') —do n ske lee'do), a. bekiimming met storm- Scarf (skaarfl, a. smalle ornalagrioek; aiera ladder,. —ry (sok; skere-rihk, a. trapawi,jze. 'ascii. —skin, opperhuid —, v. a los kleeden; Scald (skald'(. —er. a. stable. bard, dichter, oinhangen; bestehen ; (up) aluieren. —ing, P. a. van een eicalde. lassching, klinkwetk. Scald (skaold'), a. schurftig; artnzalig. —, a. Scarlf (cation (aker-if-i-kee'alun), a. kopping. schurft; brandwond. --head, ec ► urftkop. v, —icator (akfr'-). —ier, (aker'i faj-ur), a. koppena. hranden, achroeien. zetter. —q (aker'i-faj), v. a. koppen. Seal a (siteer), a. echaal; maatataf; (de) Weeg- Scarlet (akaarlit), a. acharlakenrood. —, a. achaal; schub, achilfer; ladder; —bean, evenaar. schariaken. —bean,scharlakenboon, pronkboon. —e, v. A. bektimmen; wegen; afmeten, afsehub- cardinal flower, 1-oode kardinaaisbioem. —cloth, ben; v. n. achtlferen. —ed !skeeld), n ge6chubd. schartaken. fever,, acharlakelkoorts. —eless, a. ongesehubd. —ene (she-lien"), a.onge- acharlakenbea. —horse, huurknol. horse-chestnut, drlehoek. (-11-ness), a. echille• roodewilde kaatanje. —jasmine, hignonia.—lupin, rikheid. —ing, a. beklimming; —ladder, storm- roode apaansche wtk.—lohnts, broudende liefde ladder. —.es (akeelv, pl. hamersiag. I (plant), —oak, steeneik. Scan ofkaoll), A, haarworm, hoofdzeer.'Scarp (Omar?), achuinte. Scallion (akePjun), a. ajaJot. 'Searcy (skaaerlh), a. vol litteekene. Scaliselakorittpl. a. kammossel; sehulpwerk; Scatch (abets)'), a. kapgebit. —, v. A. remmen tend. —. v. R. uttaehuipen, uittanden. leen rad). —es;,.. (-in). pl. stelten. Stalp (akelp'), a. schedel-. panvlies. — , v. a. State (skeet), a. engelvisch. 'Lie Skate. scalpeeren. —el (Al)) s. er:hrapmesje; sealpeermea. Scat!' (aketW), schade, cadent. —, v. a. bescha—ing iron. achalpeermen, digen. —rid, a. schadelijk, nedeelig. —less, a, Sca:;y fakes'iih), a. schubbig, acbilCerig. onaehadelijk. Scarab' e lakem'h1), v. a. vermInken, veracheu- Scatter (skeetur), v. a. & n. (zich)veratrooien, cell; (away) verkwiaten; v. n, rondzwerven, grab - verspreiden. —brained, verstrooid. —er, a. 'terbelen (for); onhandig to week goals. —er, a klap- strooier. —ing, a —tingly, ad. verstrooid, verlooper. —ing. a. —ingly, ad. woelig, ongestadig,1 apreid. —ling, a. landlooper. indringend; verstrooid. 'See, age (akev'idzj), a. etaangald. —ettger (-inSeammony (akem'mun-nth), a. purgeerwinde. dzjur, a. atraatveger.
crying. —enact, ascension; Meria —s4onel, sherpherd's dog. —that, shepherd's cot. Assumption (-day); —sdag, Holy-Thursday, Ascension—skriaap, shepherd's boy. —about, pastoral diaday. —varier, heavenly loather, —vreugd, joy of logue. —eleven, pastoral life. —shied, pastoral Heaven, heavenly blies. —Wawa, sky-blue. score. song. — lefty', crook; crosier. —stases, pouch, —.tweed, immense —sbreedte, latitude. scrip; shepher d 's-puree. —auurtje, happy (critical) —abroad, manna. —egezind, heavenly-minded. hour, I overre hour. —evolk, pastoral tribe. —szang, —egezindheid, heavenly•mindedneas. —eteeken, pastoral song. sign of the zodiac. —en, on. w. to ascend to Ilerdoen, or. w. to do over again. heaven; to die. —ivy, m. & v. inhabitant of lIerdoop, m. rebaptization. —en, on. w. rebaptize. —er, m. rebaptizer, anabaptist. —ing, v. Heeven, celestial, celestial, heavenly. —watts, bw. heavenwa• d, towards Heaven. rebaptizatlon. Hemmen, ov. & on. w. to hem (After). Het drank, m. reimpresaion; new edition, reprint. Hen, v. hen. —nebezie, raspberry. —negat, helm—ken, or. w. to reprint. —king, v. reprinting. port. —nekleed, shroud, pall. —netaster, zie Ai- II ereenig en, ov. w. to reunite. —er, m. reuniter. befit!. —nenei, heu's egg. --lag, v. reuniting, reunion. lien, vow, them. HereeriEjk en, or. w. to rehabilitate. — ing, v. rehabilitation. bw. Zie IJien. Hang, v. hinge. Herelseh en, ov. w. to redemand, to reclaim. )binge), m. angling-rod; handle. —korf, —mand, —er„ m. reclaimer. —tog, v, redemanding, reclahand-basket. —roede, —etok, angling- rod. —vnoer, mation. —etoof, zie lIengselmtoul. —aar, lifferrenzint, s. anachoret, recluse, hermit. m. anger. —en, on. w. to angle (near, for); to Itl ereent en, ov. w. to regraft, to inoculate Again. —lag, v. regretting. hover;" to sail to and fro leaning on the wind, —ing, v. angling. lierfet, m. autumn. —day, day of autumn. —deaden, gossamier. —hooi. after-math. —lucid, anHengeell, o. hinge; handle. —kart, — mand, hand. tumnai air. —mactnd. September. —naehtevening, basket. —stoat, foot-tetore with a handle. m. stallion, stone• horse, eteee. —rbron, autumnal equinox. —t(jd, harvest time. —vrucht, Hippocrene. —ig, by. lubric, salacious. autumnal fruit, —weer, autumnal weather. —wind, II enker, m. hangman, Jack-Ketch; deuce. autumnal wind. —eon, autumnal tun. —aehtig Itennep, rn. hemp. --abler, hump-field. --broth, by. autumnal. hemp-brake.—braker,hemp- broker, —eraren,hemp- Ilergann, ov. w. to go (to walk) back again, to yarn. —bode, hemp-sernl-rake, —the, hemp-seedretrace. oil. —stok, hemp-stalk. —.ot, hemp-reed- —en, Hergeven, or. w. to give bock, to restore; on. by. (of) hemp. w. to give (to deal) again. Ilex, bw. hence. van ouch Hergleten, ov. w. to refound, to recast. of ola, Il•rndena en, on. w. to breathe again, to re- Itergioelen, ov. w. to neal again, to anneal. spire. — ivy, v. respiration. Hergoolen, ov. w. to recast, to throw again. Illernitt.m herald. Ilergrneen, or. w. to dig again. II erbakken, ov. w. to rebake. Ilergrkjpen, ov. w. to Leila again, to take op Herbaren, ov. w. to regenerate. again, to rename. Herberg, v. inn, ta7ern, public house, hotel. liergroe.leen, on. w. to grow ag —en, ov. & on. w. to lodge, to harbor. —ier, linrgrueneti, on. w. to become green again. m. innkeeper, host. —ierater, v. 'unless. —ins, Illergronden, ov. w. to ground again. v. lodging, halboring. be. hospitable. lierhaniater, v. Zie Herlinter. —aavonheid, v. hospitableness, hospitality. Herbal en, ov. w. to repeat, to reiterate. —er, Illerbinden, or. w. to bind (over) again. m, repeater, —ing, v. repetition, reiteration; Ilerbilaken„ on, w. to !shine again. tautology; bij —, repeatedly. Ilerbloet en, on. w. to flourish again. —ing, v. lierhuren, ov. w. to hire again. flonrishing again. Ilerhuwen, or. w. to remarry. Ilerboren„ be. regenerate. warden, to be new- liertik, no. second astoze, gauging (stamping) born, to be regenerated, to revive. again. —en, or. w, to assize (to gauge, to stamp) Ilerbotten, on. w, to rebud. again. v. Zie Ilerbouw, an. rebuilding. —en, on. w. to re- lien-inner en, Or. W. to remember, to call to build. —er, m. rebui;der. —jay, v. rebuilding. mind (tan) to remind of ; itch w. to reIlierbrongen,ov. w. to bring again. member, to recollect. —ing, v. rememloance, Herbuig en, or. vv. to rebend. — ing, a. rerecollection; —evermogen, memory. bending. Herknuw en, ov. w. to ruminate, to chew the Ilerdngen, ov. w. to summon again; on. w. to cad. --end, by. ruminant; — dier, ruminant. —er, dawn again. m. ruminator. —inr, v. rumination. Hardee' en, or. w. to redistribute. —ing, v. Herken bane, by. recognizable. —nen, ov.w. to redistribution. recognize. —ning, v. recognition; —steeken, mark Herdekken, on, w. to cover again. of recognition, badge. Illeordenk en, ov. w. to remember, to recall to lierkette en, or. w. to reexamine. — ing, v. reexmind. —ing, v. remembrance. amination. Herder, no. shepherd, herdsman; pastor. —Belicht, nitrides/mar, bv. reeligible. hid. v. reelfgipastoral, idyl. —Oat, shepherd's reed, — pipe. bility.
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;

Wat gebeurt er als je dubbel Bitcoin besteden


MAA.—MAK. 527 ginal flower. —enblos t virginal blush. —moiart ore (for). — etaan, to beat the time. in he — heart of a virgin. —enhosig, virgin-honey. —en. 610ves, to keep time. sit he — gaan, to break virgin-milk, Benjamin. —enpalin, periwintime. —gesang, metrical singing. —Mash, prosokle. —caret, chorus of virgins —enroof, rape dy. cadence. —meter metronome. —repel, meas(ravishment) of women. —easehaar, —enstoet, ure. —stet*, seal•, standard, ' proportion, rate; troop of virgins. —ensehenner, &flouter. — en- naar den — van, at the rate of. —atop, measuringschennis, denoration. — ensiles, hymen. —exam, stick. • rod, rule; time-keeper. —streep, bar. virgin wax. -elijk, be. virginal, maiden, maid- —vast, keeping-time. —sang, musical song, air. enl. y —manger, chorister. Min isla dona, m. virginity, maidenhood. Mantle, o. little measure; little man, mate, emu itlearichap, v. kindred, kin, relations. o. rade; main, mammy. —opeer, bergamot•pear. alliance, affinity, cousanguluity. Maatsettop, v. fellowship, partnership —peltik, Moat en, or. w. to mow, to reap, —geld, —loon, by. social. - p(f, v. society; company, partnership. fee for mowing. —land, mowing-field. —tijd, Machin act, be. & bw. mechanical Op. —e, v. mowing-time. —rod, m. & v. one that tarns his machine, engine. —eree, v. machinery. —tat, m. feet outwards. —mates, to turn one 'd feet out- machinist, engine driver. wards. —er, m. mower. —ing, v. mowing. Macht, v. might, power, authority; forees. sit Mack, v. making, fashion. in de —, a-making, alle —, with might and main. —brief, warrant, ordered to be made. —loon, making. —eel. o. power of attorney. —heibeude, —heifer, one that malty, making, fashion; figure, shape; workhas authority, plenipotentiary; ruler. —spresk, manship. —ater, v. maker. decisive sentence, arbitrary decision. —word, Masi, v. time; Mail. o. meal, repeat. —slot, arbitrary word, word of command. padlock. —Nil, meal, repast, dinner; — hOALICA, Maehtelooi, by. powerless, impotent. —held, to dine, to cup. v. impotence. Maalloon, o. miller 's fee. Itinchtig, be, mighty, powerful; able; heaey, rich. Meaieter, v. raving (doting) woman. - worden, to get hold of, to master. het Esgelsch — sijn, to be conversant with tht English lanMaaistroom, m. whirlpool, eddy; bustle, guage. —, bw. very, exceedingly, mightily.—en, Maaltand,m.grinder.iaw-tooth. , Moen, v. moon; satellite. afnemende —., wane of Sc. empower, to authorise. —held, v. to the moon. wassende —, increase of the moon. mightiness, powerfulness, —ing, Y. authorisation. Made. v. maggot. near de —, gone, lost, loop soar de gone, spent, go to the —6esehriaving, se/enography. itindellef, v. —je, o. daisy. —eirkel, lunar circle. —jeer, lunar year. —heart, Mndlg, be. maggot y. seienographtc map. —keeping, lunation. —kop. Slat, be. heavy, sultry; weary, dull. —hatid, heavim. poppy-head; v. & o. poppy. —kring, cycle of ness, sultriness; weariness, dullness. —,1e, o. imitaxel roor het — hoed., to make a fool of a. o. the moon. —kraid, moon-wort. moonshine. -1164.fid, lunar month. —oog, lunatic eye MingeszUn, o, magazine, store-heuse. —meeeter. —oogig, moon-eyed. —stuk, last stave of a cask. store-keeper. —shaken, spots of the moon. —sick, —suchfig, Mager, by. meager, leen, thin; barren ; scanty, lunatic —idea*, lunatic. —sickle, lunacy. —Overpoor. —wild, rascal deer. —man, foretop-bowduistering, eclipse of the moon. line. —held, v. —te, v. meagerness, leanness. MaanbrIef, m. dunning-letter. fps, bw. scantily, poorly. Maand, v. month. —bloeiers, (a kind of) straw- Magletraet, m. magistrate; magistyacy. —eperherder. —brief, —reel, seaman's ticket. —geld, coon, magistrate. monthly pay, — wages, — allowance. —goed, Magneet, lo. magnet, load•stone. —naald, compass-needle. —stern, sie Itlagnest. monthly publications, — bale. —schrift, —werk, monthly paper, — review. —staat, monthly Magnetlis oh, by. magnetic. —acres, or. w. to statement. —tirades, monthly courses, menses. magnetise. —ear, m. magnetizer. —me, o. magflowers. —wijser, hand that shows the months. netism. Maandag, en. Monday. Mauled —, St. (Saint) Illabornadann, m. Mahometan. —.eh, by. MaMonday. een blaawen —, a very short time. —sch, hometan. by. Monday. MahOulehout, cs. —en, by. mahogany. MaandelUk o, bw. monthly, ts .very month. —sch, Male, ci. maize, mills. be. monthly. Med est eit, v. majesty. --sehennia, high treason. Maaneter, v. dunner. /Raj nor, tn. major. —achap, o. majorehip. Maar, we/. but. only. Mak, bv. bw. tame (-1y), gentle OW. Maar, v. news, report, rumor. Itinkelaar, m. broker; pimp. —*loon, brokerage. Maarsehalk, m marshal.—settsf, marshal% staff, v. brokerage. —.chap, o. broker 'a busi—eshap, o. marehalship. ness. —ater, v. match-maker, go-between, proMaart, m. March. —sch, by. of March; —e buien, corm. Aprll-showers. linkelten, ov. w. to procure, to bring about; on. Maas, v. mesh; stitch. —bal, m. ball to ifinedraw. w. to play the broker. Moat, m. mate, comrade, companion, fellow; Maken, on. w. to make, to render, to do ; to sailor. fabricate, to manufacture, to form, to create, Must, v. measure, time, metre. met mete, mailer. to compose; to cause, to produce. Latin —, to ately. iemand de — semen, to take a. o. 'e messhave made, to cause to be made het sleeht —, to
ad. met vertrouwen. Benign ant (be-ni z'nent), a. vriendelijk, goedBelittle (be-lit't1), v• a. verkleinen. verlagen. gunstig. —ity 1-nit-tih), a. goedgunstigheid. Bell (bell), a. blob, schel; bloemkelk. the —s Benison (ben'izn). a. zegen. are ringing, be klokken luiden. to bear the —, Bent (bent), s. kromte, bulging; belling; Iieiging. de belhamel zijn. —clapper, klepel. —fashioned, Benumb (be num'), v. a. verkleumen, verstijklokvormig. —flower, klokje. —founder, blobven. —ed (be-numd'), a. verkleumd. gieter. —man, omroeper. —metal, klokspijm. Benzoln (ben-zojn'), a. benzod (gam). schellekoord. —ringer, klokkeluider. Repaint (be-peent'), v. a. beschilderen. —string, klokketouw. —wether, belhamel. Bepinch (be-pinta)'), v. a. beknijpen. Belladonna (bel-le-don'ne), a. nachtachade. Bepowder (be-paau'dur), v. a. bepoeieren. Belle (bel'le), a. schoone vrouw. Bepraise (be-preez"), v. a. zeer prtjzen. Bellicose (bel-li-koom"), a. aorlogzuchtig. Bequeath I be-kwiethe), v. a. vermaken (ale legaat). Belligerent (bel-lid'zjur-ent), a. oorlogvoerend. —er, s. erflater. Bellow (bello), v. n. bulken, loeien. —e (.ini), Bequest (be-kweat'), a. Iegaat. a. blaasbalg. § Berate (be-reet'), v. a. beknorren, bekijven.
Grecian (grie'ejen), a. Griekecht 1, Griek. Greece (grAer),g. Griekenland. Greek (crick), a grieksch; i. Grtek. Green land (griennend), g. Greenland. —Lander, t. Greenlander. --oak (-uk), g. Greenock. —Leitch (-it,)), g. Greenwich. Gregor Ian (gre-go'ri en), A. Gregorlaansch. —y (grrg'ar-lh), m Gregoor, Jordan. Grenada (gre.na'del, g. Grenada. Grey (gree), m. Grey. Grtir (Vitr). —Oh (-ith), M. Ruffin's. Grisone (gri"zuns,-noon'), g. the —, Grauwbunderiand; 1. de Grauwbunders. Grosvenor (gra'vn-ur), g. Grosvenor. Guatemala (gwa-te-rnele), g. Guatemala. Guelders Igei'darz), g. Gelderland; Gelder, Guelph (go el f), m. & h. Guelf. Guernsey (gurn'elh), h. Guernsey. Guiana (gi-a'ne), g. Gcyena. Guido (gwi'de), in. Guido. g. Guildhall. Gnaltdb all Guinea ((gin'le), g. Guinea. Gulliver gurli-vur),m. Gulliver. Gustavus (gun - tes'aus), m. Gaetavut. Guy (gen, f. roar Guido; Gay, Velt.
Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17

Waar kunt u kopen Bitcoins


ligheid; gebeurlijklteid. —t, a. toevallig; gebeur. Contrast (kun.traast)., V. R. tegenover elkauder stellen; v. n. afsteken bij (with). lijk, --t. s. toeval; aandeel. —tly; ad. bij ge- Contravallation (kon-tre-vel-lee'sjun), s. teval. genverschansing. Connell. al (kun-tin'joe el), a. —ally, ad. aan- houdend, gehtedig- —Ones., s. aanhnudendheid. Contravene (kon.tre.vien'), v. R. weeratreven; belemmeren; o‘ertreden. —r, s. overtreder. —dace, s. onafgebroken opvolging; aanhoudend- heid; voortduur; verblijf; uitstel. —ate (-et), a. Contravention (kon-tre-ven'sjun), s. weer8tresing; overtreding. onafgebroken. —ate (•eet), v. a. nauw verbin- Contr.:version (kon.tre-vur-sjun), a. onikeeriag, den. --ation (-ee'ajun). a. voortzetting. —alive verkeering. (•e-tiv)., a. voortzettend, voortdurend. —ator, a. voortzetter. —e (kun-tin'joe), v. a. von rtzetten ; ('ontrectatioti Ikon- trek. tee'sjun), a. betasting. verschuiven; v. n. voortgaan, solltarden. —ed Contribut ary(kun-trib'joe-te•rib),a belastingschuldig; bijdragend. —e (knn.trib'joet), v. a. & (-joed), a —edly, ad voortdurend, onafgebroken. —ity (kun-tin joe'it-tih), a. samenhang. —ous, a. ' bijdragen, m dewerken (to); helpeu. —ion (kintri-bjoe'sjuu), a. bijdrage; belasting; braudscltat. samenhangend. Ong. —ire. —ory, a. bijdragend, medewerkend. Contort (kun-tort'), v. a. vleeht•n; verdraaien; —or, a. bijdrager; bevorderaar. wringer, —ion (-tor'sjun), 8. verdraai;ng, wrin- Contrista to (kun-tris'teet),v. a. bedroeven. —lion ging. Ikon-trig-tee'sjun), a. bedroeving. Contour (kon-toer'), a. omtrea. Contrabandj(kon'tre-bend), a. verboden. —, a. Contrit e (kon'trajt), a. —ely, ad. verbrijzeld, gebroken van hart; boetvaardtg. —encss s. boetsluikhandel; smokkelwaar. — of war, oorlogs- vaardigheid. —ion (kun-trie'sjun), s. verbrijzeliug; contraband. —ist, R. sluikhandelaar. berouw. Contract (kon'trekt)., a. verdrag; contract; over- Contriv able (kun-trajv'ibl), a. bedenkbaar; eenkomat. doenlijk.—ance,s.uitvindiug;aanalag.—e (.trajv'), Contract (kun-trekt'), v, a. samentrekken; be- korten; overeenkomen; verloven; aanwennen; v. a. uitdenken, beramen; ten uitvoer breitgen; zich op den hale bale. (a disease); aangaan, v. n. een plan beramen. —er, a. uitdenker, antmaken (debts). —, v. n. inkrimpen: een verdrag werper. aluiten. —ed, a. samengetrokken, bekort. —edly, Control (kun-troor), a. tegenregister; toezicht; v. a. order toeztcbtbouden; bedwang; gezag. ad. door saMentreltkiug. —edneu, s. bekortheid; beteugelen; vergelijken. —table, a. aan toezicht bekrompenheid; samentrekking. (i-bil' onderworpen. —ler, s. opziener; toezichthouder; it-Oh). a. samentrekbaarheid. —ible, R. eamen- trekbaar. —i/e (-ii),a. samentrekkend. —ion (-trek' —lership, controleurschap. —went, a. beperking; dwong; opzicht. sjun), s. samentrekking; bekorting. —or, H. Ran- newer; contractant Controversial (kou-tro-vuesjel), a. betwixt worContradance (kon'tre-darns), a. contredans. deed. Contradict (km, tre.dikt,), v. a. tegenspreken. Controver sy(kon'tro-vur-sill),8. twist, geschill tedetwist; geloofsstrijd. —t, v. a. betwisten. —er, a. tegenspreker. —ion (-dik'sjun), a. tegen- spraak; tegenstrijdigheid. —ions (-dik'sjus), a. —table (-vureibl). a. betwiatbaar. —tilt, s. redetegenstrijdig, strijdig; dwarsdrijvend. —iou8ness, twister, twistschrijver. s. tegenstrijdigheid; merit tot tegenspraak. —ive, Contumacious ikon-tjoe-mee'ojua). a. —ly, ad. a. tegenstrijdend, wedersprekend. —orily (-ur-il- weerspannig. —nest, s. weerspannigheid. lth), ad. —ory, a. tegenatrijdig; aandruischend. Contumacy (kon'tjoe-me.sth), s. weerspannigheld; niet-verachijning; scratch. - ary, s. tegenerraak; tegenstellirig. Contradistinct (kon-tre-die-tinkt'), a. tegen- Contumelious (kon-toe-rorli•us), a. —ly, ad. snaadelijk, hoonend; sehnndelijk. —nets, 8. begetoeld, onderscheiden. —ion (-tink'sjun), s. on- leediging; mchandelijkheid. derecheiding door tegenstelling. —ire, a. tegen- Cosvimiselly (kon'tjoe-mi-lib), a. smaad, Noon, gesteld. Contradistinguish (kon tre-dia-ting'gwitej), v. verwijt. a. door tegeuatelling onderscheiden. CODE U N e (kure tjoez'), v. a. kneuzen. —ion (-zjun), Contralndi cant (kon-tre-in'di-kent), s. tegen- a. kneuzing. atrijdig ziekteversehijnsel. —rate, v. a. een af- Conundrunt (ko-nuu'drum), s. raadsel; pots; strikvraag: wtjkend verschijnsel aanwijzen. Contranture (kon'tre-mjoer), a. buitenwal. Conusance of Connusance (kon'joe-zens), s. Contranatural (kon-tre-neejoe-rel), a. tegen- kenniegeving, kennismaking. Cons ales cense (kon-ve-les'aen8), a. heterschap, natuurlijk. Contraposition (kon-tre.po-ziesjun), a. tegen- herstel. —cent, a. betercnd, herstellend. —cent, overgesteldheid; tegenstelling. s. zielte, die herstelt. Contrar les (kon'tre-riez), e. tegenstrijdigheden. Cons-en able (kun-vien'ibl), a. overeenkomend, strookend; voegzaam. —e, v. a. samenroepen; —iety (• raj'e-tih), s. tegenstrijdigheid; oubestaan- (.ril 1:11), ad. strijdig. v. n. bijeenkomen; § passes, gelegen homes. —inert, a. b:tarheid. —ily strijdigheid; tegenstand. —iwise ( ti-wajz), ad. —ieace (-Jens), —iency, s. gemak; geschiktheid. integendeel; omgekeerd; tegenovergesteld. —y, —ient (-jent), a. —iently, ad. geschikt, gemakkelijk; passend, voegzaam; gelegen. a. tegenovergesteld; strudig. —y, s. tegendeel. Convent (kon'vent), a. klooster. — idle (kun - ven' on the — y, integendeel. Contrast Owa'(roaar), a. tcgentoeilinkr, ii!,11. R. heimelijke (godsdienetige) bijec ► konntt.,
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Heb ik een portemonnee als ik Coinbase gebruiken


Respite (rese'pit), a. uitstel; verpeozIng.—, v. a ting. —Aire zumliv), a. hernemend, hervatuitstellen, opachorten; laten ruaten. tend. eeplentien ce (re-splen'ders), —cy, a. glans. Resupina te (re-ajoe'pl-neet), onderste boron luister. —t, a. —tly, ad. schitterend, luisterrijk. gokeerd. —tion (-nee'sjun), a. achteroverligging; Respond (re.spond"), v. n. antwoorden; verant- omgekeerde stand. woordelijk zijn; (to) beantwoorden can. —ent, a. Demur ge (ri-surdsn, v. n. weder opstaan. —rec'to) beantwosrdend aan; a. antwoorder; verweer- tion (rez-ur-rek'sjun), s. opstanding. der, gedaagde. Resurvey (rinsur-vee'), v. a. weder overziera. Respond a (re-spans'), a . antwoord. —ibilitY Resuscitate (re sua'si-teet), v. a. opwekken,doen (-i- l'it-t ih), —ibleneas, a. eerantwoornelljkheld. herleven; v. n. opstaan, herleven. — tion(-tee'sjun), —able, a. verantwoordelijk. —tee, a. antwoordend, a. opwekking; herleving. beartwoordend. —ory, a, antwoordend; borg t- Retail (ri'teel), a. verkoop in het klein. —busbies', —trade. kleinhandel —dealer, kieinhandelaar. 13 (oesntd. (rest'), a. rust; Bleep; ruatpunt; ruetplaats; — (re- tier ), v. a. In 't klein verkoopen; in kleine overschot, rest. at —, ruatig. for the —, voorhet deelen splitsen; netnekeurig (ook: etukswijze) everige. to set up one's —, het uiterete wagon. verhaler. —er, a, winkeller, after. —harrow, oseenkruid. leenatok (bij achil- Retain (re-teen'), v. a. houden, behouden; terugeees). —, v. a. tot rust brengen; leggen; v. n. rue- houden; onthc.aden; in dlenst nemen; afburen; ten; alapen; sterven; overig zijn; blijcen; (on. sehoren. —able, a. terug (in) te houden. a„ pen) leunen, Mennen, berusten op. behouder; aanhanger; huurlakei; honorarium.) Restate (ri-ateot'), v. a. weder in orde brengen; Retake (ri-took') Dm], v. a. hernemen. op nieu ► verkIaren. Retails, te (re-tel i eat), v. a. &n. betsald zetten, Restnuraaon (ree.to-ree'ejun), a. Zia Rests- wedervergelden; met nelijke muntbetalen. —tion ration. (-ee'sjun), s. wedervergelding. —tive (-e.tiv), —torn Bentern (ri-etem'), v. a. tegen den etroom voort- (-e-tur-rih), a. wedervergeldend. stuwen. Retard (re-taard'(, v. a. belemmeren, vertragen. Restful (rest'foel), e. —ly, ad. rustig, stil. —anon (rot-er-dee'ejun), a. oponthoud, vertraging. Bestial' (reetif), a. tie Restive. —er, s. yertrager. Restinction (re-stingk'ajun), e. blussching. Retch (retsj), v. n. kokhalzen. Resting (restleng), a. rust. —place, reetplaats. Retecious (ri-tisrue), a. gevlochten. —stick, zie Beet-stick. Retell (ri-tell') [im], v. a. op niftier vertell en. Tteetitu te (res'ti-tjoet), v. a. teruggeven; herVel-- Retent lean (re-ten'sjun), a. bewaring, onthen. len. —tion (-tioa'ajuu.); a. teruggave, herstelling. ding, terughouding; ge'heugen: gevangenhouding; —tor, a. hersteller. verstopping. —ice, a. behoudend, onthoudend, Restive (res'tiv), a. —ly, ad. stag, koppig, weer- terughoudend. —irenees, a. behoudend (onthouepon-nig. —tiers, a. koppigheid, stugheid. dent) vermogen. Restless (rest' less), R. —ly, ad. rusteloos. —ness, Reticence (ret'i-sens), a. verzwilging. s. rusteloosheid. Reti rye (ret'iki), s. netje; reticule. —.lax (re. !Restos:. able (re-stoor'ibl), a. herstelbaar. —ation tik'joe-ler). —form, a. netvormig. —cute (-i.njoel), (eeeto-ree'sjun), a herstelling; teruggave. —afire o. werkzak, reticule. --ea (-1-ne), s. netvlies. (-e-tiv), a. & a. veesterkend (rniddel). —e, v. a. her Retinue (ret'i-njoe), a. gevolg, (stoat. etellen; teruggeven. —er, a. hersteller. Retire (re-teje). e. a. terugneinen; intrekken ; Restrain (rg-streen'), v. a. weerhouden (from); v. n. zich terugtrekken, — verwijderen(fron); afbedwingen, heteugelen; beperken. —able, a. be- treden; zich begeven (to). —d,a. teruggetrokken; dwingbaar. — edly, a t. met dwang; beperkt. —er, geheim; eenzaam. dnesa (-id-), a. teruggetroks. bedwinger, neteugelaar. —t, s. bedwang,beper- kenheid; afzondering, eenzaamheid. —meat, a. king, verband. terugtrek king; a fkonderIng, esnzaamheid. Restrict (re-strikti, v. a. beperken (to) —son Retort (re.tort'),,e. tegenbeackuldiging; krem(•strils'sjun), a. neperking. —ire, a. beperkend; hale, retort, —, v. a. terugwerpen, -steoten, eamentrekkend, —ively, ad. met beperking. -schuiven; tegenwerpen, antwoorden; v. n. (upon) Restring e (re-strindzj'), v. a. beperken; eamen- eene beschuldiging op den beschuldiger terugtrekken. —eery, a. samentrekkende kracht. —eat, warps). —er, s. tegenwerper, antwoorder. —ion a. & s. samentrekkend (middel.). (-tor'etun), a. temp, tegenwerping. Reety (resitih), a. Zie Restive. Retoss (ri-toe'), v. a. terugwerpen. Resubilme (ri-enb-lejm'), v. a. weder overha- Retouch (ri-tutsj'), v. a. weder aanraken; Yeelen. tijnen. Reendation (ri-sjee-dee'sjun), a. wederuitzwee• Retrace (ri-trees'), v. a. weder sehetsen; — be. ting. treden; — naeporen. Result (re-zult'), a. uitkomat, tilts:lag, gevolg; Retract (re-trekt'), v. a. & n. herroepen, intrek§ beellssing. —, v. n. (from) voortepruiten, voort. ken. —able, a. herroepbaar, in te trekken. —ation vloelen,„ vcelgen; (in) ultioopen op; § beslissen. (-ee'sjun), —ion teirek'sjun), a. herroeping, ina. ultvloeisel; gevolg. —art, a. vereende trekking. —ible, —ale ell), a. intrekbaar. kracht. Retreat (re-triet), a. terugtocht, aftocht; Own. Begun' able (re-zjoem'ibl), a, weder te nemen; dering; wtjkplaats; landgoed. v. n. terugtrekte hervatten. —e, v. a. hervatten; beknopt cameo- ken, wijken; de toevlucht nemen; zich aan to asvatten. —ption (•zum'sjun), a. herneming, hervat- ken onttrekken.
scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer
venkel. — serpent, seeslang. — Service, zeedienet. — shark, bald. — shell. seeschelp.—shore,seeetrand. — sick, seeriek. — sickness, seeztekte. —side, seeboat. —sleeve, zeekat. —snail, zeeslak. —spoon, lepelslak. —spurge, waterspurrie. —star, zeeater. — stores, pl. scheepobeheeften. — sun-crown, meth'. saboofd — surgeon„ echeepeheelmeester. — term, zeemansterm. — thief, zeeroover. — toad, seeped. —tort, door de golven geslingerd. — town, zeestad.. —trade, zeehandel. — turn, zeewind. —unicorn, seeeenhoorn, narwaL — urchin, zees el, — voyage, seereis. —walled, door he zee oingeven. — ware :soutkruid. — water, zeewater. — weed, — wrack, zeegras, wler. — wind, zeewmd, — wolf, zeewolf. — wormwood, zeealerm, — worthiness, v. zeewaar&rile hand. digheid. — worthy, zeewaardig. Seal. late!'), s. zetel; cachet; rub, zeehosid. under hand and —. geteekend en verzegeld. — blubber, rob benspek. —fish, eteur. --nit, treat, --skin, robbevel. — ring, zegelring. —, v. a. zegelen, verzegelen; i.jkea, —er, a. verzegelaar; tker. — ingwax, lat. Seam (stern'), a. zoom, naad; voeg; litteeken; 'Rag; reuse!, talk; meat van g bushels —rent, losgetornde road. —, v. a, acumen. — less, a. zonder toted. — ster, a. kleermaker. — stress, s. naaister. —y, a. met naden. Sear (tier'), a. verdord. — cloth, engeleehe ter ; zie Cercecloth. —, v. a. verschroeien„ sengen; doen verdorren, Search (eurtsp, s. (bet) zoekcn, streven (after, v. a. for); onaerzoeir. in — of, roekend near. seeken; navorsehen; doorzoekeu; peilen; (out) uitvorseben; v. n. (after, for. into) socket, navorsehen. — able, a. to onderzoeken. —er, 8. onder,. eker; lij ttechwawer. — less, a. onnaspeurlljk. Season (etizn), s. jeargesijdei kruiding. for a — , sera' tijd tang. out of — , ten °Iva, —, v. a. gewrnnen; kruiden ; gehard (ge,chikt) doen drogen; does rljpen; v. n. gewoon (z.• setukt ; rijp) warden ; drogen. — able, a. — ably, ad. gesebikt, gelegeu; von pee. — abfeness, a. geschiktheid; gelegen — aro. krulder.—otg, a. het ruiden; kruiderij Seat (siet'), a. zit, bon), stool, zetel; woonplaats, verblijr; sitting. — roll, zitkussen. —, v. a. ne8rtitten; aan-, vaetstellen, van zitpiaatsen (ee,n kruis) voorzien. to be --col, zitten. Seav ea rsievs), s. pl. biezen. —y(sievqh), a. rijk aan biezen Seaward (nte'wurd), a. zeewaarteeh, —, ad. zeeWahrte.
MAA.—MAK. 527 ginal flower. —enblos t virginal blush. —moiart ore (for). — etaan, to beat the time. in he — heart of a virgin. —enhosig, virgin-honey. —en. 610ves, to keep time. sit he — gaan, to break virgin-milk, Benjamin. —enpalin, periwintime. —gesang, metrical singing. —Mash, prosokle. —caret, chorus of virgins —enroof, rape dy. cadence. —meter metronome. —repel, meas(ravishment) of women. —easehaar, —enstoet, ure. —stet*, seal•, standard, ' proportion, rate; troop of virgins. —ensehenner, &flouter. — en- naar den — van, at the rate of. —atop, measuringschennis, denoration. — ensiles, hymen. —exam, stick. • rod, rule; time-keeper. —streep, bar. virgin wax. -elijk, be. virginal, maiden, maid- —vast, keeping-time. —sang, musical song, air. enl. y —manger, chorister. Min isla dona, m. virginity, maidenhood. Mantle, o. little measure; little man, mate, emu itlearichap, v. kindred, kin, relations. o. rade; main, mammy. —opeer, bergamot•pear. alliance, affinity, cousanguluity. Maatsettop, v. fellowship, partnership —peltik, Moat en, or. w. to mow, to reap, —geld, —loon, by. social. - p(f, v. society; company, partnership. fee for mowing. —land, mowing-field. —tijd, Machin act, be. & bw. mechanical Op. —e, v. mowing-time. —rod, m. & v. one that tarns his machine, engine. —eree, v. machinery. —tat, m. feet outwards. —mates, to turn one 'd feet out- machinist, engine driver. wards. —er, m. mower. —ing, v. mowing. Macht, v. might, power, authority; forees. sit Mack, v. making, fashion. in de —, a-making, alle —, with might and main. —brief, warrant, ordered to be made. —loon, making. —eel. o. power of attorney. —heibeude, —heifer, one that malty, making, fashion; figure, shape; workhas authority, plenipotentiary; ruler. —spresk, manship. —ater, v. maker. decisive sentence, arbitrary decision. —word, Masi, v. time; Mail. o. meal, repeat. —slot, arbitrary word, word of command. padlock. —Nil, meal, repast, dinner; — hOALICA, Maehtelooi, by. powerless, impotent. —held, to dine, to cup. v. impotence. Maalloon, o. miller 's fee. Itinchtig, be, mighty, powerful; able; heaey, rich. Meaieter, v. raving (doting) woman. - worden, to get hold of, to master. het Esgelsch — sijn, to be conversant with tht English lanMaaistroom, m. whirlpool, eddy; bustle, guage. —, bw. very, exceedingly, mightily.—en, Maaltand,m.grinder.iaw-tooth. , Moen, v. moon; satellite. afnemende —., wane of Sc. empower, to authorise. —held, v. to the moon. wassende —, increase of the moon. mightiness, powerfulness, —ing, Y. authorisation. Made. v. maggot. near de —, gone, lost, loop soar de gone, spent, go to the —6esehriaving, se/enography. itindellef, v. —je, o. daisy. —eirkel, lunar circle. —jeer, lunar year. —heart, Mndlg, be. maggot y. seienographtc map. —keeping, lunation. —kop. Slat, be. heavy, sultry; weary, dull. —hatid, heavim. poppy-head; v. & o. poppy. —kring, cycle of ness, sultriness; weariness, dullness. —,1e, o. imitaxel roor het — hoed., to make a fool of a. o. the moon. —kraid, moon-wort. moonshine. -1164.fid, lunar month. —oog, lunatic eye MingeszUn, o, magazine, store-heuse. —meeeter. —oogig, moon-eyed. —stuk, last stave of a cask. store-keeper. —shaken, spots of the moon. —sick, —suchfig, Mager, by. meager, leen, thin; barren ; scanty, lunatic —idea*, lunatic. —sickle, lunacy. —Overpoor. —wild, rascal deer. —man, foretop-bowduistering, eclipse of the moon. line. —held, v. —te, v. meagerness, leanness. MaanbrIef, m. dunning-letter. fps, bw. scantily, poorly. Maand, v. month. —bloeiers, (a kind of) straw- Magletraet, m. magistrate; magistyacy. —eperherder. —brief, —reel, seaman's ticket. —geld, coon, magistrate. monthly pay, — wages, — allowance. —goed, Magneet, lo. magnet, load•stone. —naald, compass-needle. —stern, sie Itlagnest. monthly publications, — bale. —schrift, —werk, monthly paper, — review. —staat, monthly Magnetlis oh, by. magnetic. —acres, or. w. to statement. —tirades, monthly courses, menses. magnetise. —ear, m. magnetizer. —me, o. magflowers. —wijser, hand that shows the months. netism. Maandag, en. Monday. Mauled —, St. (Saint) Illabornadann, m. Mahometan. —.eh, by. MaMonday. een blaawen —, a very short time. —sch, hometan. by. Monday. MahOulehout, cs. —en, by. mahogany. MaandelUk o, bw. monthly, ts .very month. —sch, Male, ci. maize, mills. be. monthly. Med est eit, v. majesty. --sehennia, high treason. Maaneter, v. dunner. /Raj nor, tn. major. —achap, o. majorehip. Maar, we/. but. only. Mak, bv. bw. tame (-1y), gentle OW. Maar, v. news, report, rumor. Itinkelaar, m. broker; pimp. —*loon, brokerage. Maarsehalk, m marshal.—settsf, marshal% staff, v. brokerage. —.chap, o. broker 'a busi—eshap, o. marehalship. ness. —ater, v. match-maker, go-between, proMaart, m. March. —sch, by. of March; —e buien, corm. Aprll-showers. linkelten, ov. w. to procure, to bring about; on. Maas, v. mesh; stitch. —bal, m. ball to ifinedraw. w. to play the broker. Moat, m. mate, comrade, companion, fellow; Maken, on. w. to make, to render, to do ; to sailor. fabricate, to manufacture, to form, to create, Must, v. measure, time, metre. met mete, mailer. to compose; to cause, to produce. Latin —, to ately. iemand de — semen, to take a. o. 'e messhave made, to cause to be made het sleeht —, to

sjeni.), a. schil, dop; leiaarda. Shalt 'glair) [shuidd NO2d.], V. n. zullen; moe- Shave (sjeevi [shaved, shaven.], v. a, eatteren; achanen; dun enijden; nitmergelen. —grass, ten, behooren. schaafstroo. —ling„ a. geschorene; monntk. —r, Shall000 (ajelloen 1 ), a. soot. (-lot'), P.SP110t.. „ a. scheerder; uitzufger; hedneger. slue!). Shall op (sjel-lup), Shallow (sjel'lnl, s. °neap; oppervlakkig, zip- Shaving (ejee'vteng), a. het seheren. — basin,
Overprize (-praje), v. a. to hoog schatten. Overtake (-teek') rim], v. a. achterhalen, in. Overprompt (-prompt'), a. voorbarig. —neee Wen; overhalen. (-prompt'), a. veorbarigheid. Overtask (-taask"), v. a. eene to zware taak Overtake (-reek'), v. a. heenelaan (apoelen) over. opleggen. Overrank ( renk), A. to welig. Overtax (-teks'), v. a. te zwaar belasten. Overrate (-reet'),v. a. te hoogstellen; overvragen. Ov erthrow,s.omverwerping;nederlaag.—(-thro'' Overreach (-rietsj), v. a. hooger reiken dan; [irr.], v. a. omverwerpen, omkeeren, verwoesten1 bedriegen, misleiden; aanslaan (van een paard). verslaan. —er (-thro'ur), a. omverwerper; ver-er (-rietsrur), a. bedrieger. Overread (ried') [inn.], v. a. over-, doorlezen; Ove w °64ther. w art (-thwaort'), a. dwars; wonderlijk, door lezen to sterk inspannen. eigenzinnig. —, ad, overdwars. —, prp. dware Override (-rajd') [irr.], v. E. overrijden; afrU- over. —, v. a tegenstreven, dwarsboomen. den, afjagen. Overilre (-aaje), v. a. to zeer vermoeienOverrligged (-rigd'), a. te zwaar takelwerk voe- Overthlle (-taj't1), v. a. to hoog betitelen. rend. Overtop (-top'), v. a. uitsteken boven; in el( Overripe (-rajp'), a. overrijp. —n (-raj'pn), v. a, echaduw stellen; to boven gaan. to rijp maken; v. n. te ri,jp warden. Overtower(-tau'ar),v. n. te hooge vlueht semen, Overroaat (-roost'), v. a. to sterk Braden. Overtrade (-treed',, v. n. to grooten handel Overrule (-root'), v. a. beheerschen; de over- drijven. hand hebben over; verwerpen. —r (-roel'ur), a. Overtrlp (-trip'), v. a. overhuppelen. overheeracher. Overtrust (-trust'), v. a. to 'eel vertrouwen. Overrate (-run') [Ern], v. a. voorbijloopen; over- Overture (o'vur-tjoer), a. opening, inleiding; dekken; verwoeeten; neertrappen; weer overzien; eerste slap; ouverture. overloopen- v. n. overstrooncen. —ner (-ren'nur), OverIure,a omverwerping,,omkeering.—(-turn'), e. verwoester. v. a. omverwerpen, omkeeren; vernielen; to gronde Overscrupulous (-skroe'pjoe-lus), a. al to riehten. —er (-turn'ur),s. omverwerper; vernieler. rauwgezet, at to schroomvallig. Overvalue (-verjoe), v a. to hoog schatten. Oversee, a. overzeosch. Overvell (-veel'), v. a. bedekken. Oversee (-sic') [irr.], v. a. overcien; over het Overvotc (-voot'), v. a. overstemmen. hoofd zien. —r (esi'ur),..opzichter; ermverzorger. Overwatch (-wotay), v. n. te veel waken. —ed Oversell (-sell', Lim], v. a. to dual, verkoopen. (-wotsj -t), a. nitgewaakt, overwaskt. Overact (-set') [sir.], v. a. omverwerpen; v. n. Overweak (-wick'), a. al to zwak. omslaan. Overweasry (-wi"rih), v. a. to sterk vormoeien. Overshade (-sjeed'), v. R. beschaduwen; ver- Overween (-wien'), v. n laatdunkend zijn. —ing„ duisteren. a. —ingly, ad. laatdunkend, verwaand. —ing, a. Overshaduw (-sjed'do), v. a. be-, overschadu- eigenwaan, inbeelding. wen; beschermen. OverweIgh (-wee'), v. a. zwearder zijn dan; Overshoot (-sjoet") [Ern], v. a. voorbijschieten; overtreffen. over....heen vltegen; v. n. to ver schieten. — one's Overweight. a. overwicht. self, te ver goan. Overwhelm (-welm') v. a. overstelpen (with); Oversight, a. overzieht; opzicht; vergissing; on- verpletteren. —ing, a. —ingly, ad. overstelpend; opletteadheid. overweldigeed. Oversize (-sajz'), v. a. bepleisteren, Overwing (-wieng'), v. a. overvieugelen. Overskip (-skip), v. a. overspringen; overslaan; Overwise (-wajz'), a. to wijs, eigenwijs. ontkomen. Overwork (-wurk'), v. a. te veel doen werken, Oversleep (-sliep') [irr.], v. a. verslapen. overwerken. Oversiip (-slip'), v. a. nverelaan, over het hoof,' Overworn (-woorn'), a. afgesleten; uitgepttt. .1.; lat-en doorslippen. Overwrought (-mot"), a. met work overladen; Oversnow (-ano'), v. a. besneenwen. te veel nitgewerkt. Oversold (-soold'), a. to duur verkocht. Overzealous (-zel'us), a. al to ijverig. Oversoon (-soen"), ad. al to vroeg. Owl form (o'vi-form), a. eivormig. —ne (-vaja), Overspeak (-spiek') [lm], v. a. verpraten. a. tot de schapen behoorend. —parnis (-vip'e rus), Overspent (-spent'), a. argemat. a. ei'olezgend. Overspread (-opted') [irr.], v. a. overdekken, Ovoid (o'vojd), a. eivormfg. zich verspretden over. Owe (sow'), v. a. schuldig zijn; te danken (te Overstand (-stend') [irr.], v. a. to vast (stokatijf) wijten hebben. --kg, part. schuldig; toe to blijven staan op. schrijven; -- to, ten gevolge van. Overstate (-steet'), v. a. overdrijven. Owl (Raul' ► , a. uil. to make an — of, voor den gek Overstep (-step'; v. a. overstappen; Gvertreffen. houden. —eyed, met uilenoogen. —glass, ttilenOver stock (-stole), —store (-stoor'), v. a. over- spiegel. —light, schemerlicht. —. v. n. sluiken, laden, to ruin voorzien. smokkelen. —er, a. slutker, smokkelaar, —et Overstrain (-streen'), v. a. overspannen; ver- (it), a. kleine tall. —ing, a. smokkelarij. —ish, rekken; v. n. zich te sterk inspannen. —like, a. uilachtig. Oversway (-swee'), v. a. overneerschen. Own (son'', a. elgen. —, v. a. bezitten; zich toeOverswell (-swell') Lim], v. a. overstroomen. elgeren; erkennen. —er, a. eigenear, reader. Overt (o'vurt), a. —ly, ad. openhaar, openl(jk. —ership, a. eigendomsrecht.

FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,

Wat is de prijs van Monero


Their (cheer), pr. hun, haar. —a, theta.* pr. de (het) hunne, de (het) hare. Theis no (thi'lzm), a. godisterij, tbeisnaue. .-t (-ist), a. godiet, theist. —tic, —tical (-iat'lk.), godiatisch, thelstiech. Them (them), pr. hen, bun, haar. Theme (thlem), a. onderwerp, them ; grond. woord. Themselves (them-selve), pr. rich; z13 zeiven; itch zeiven; het (hun, hear) zeiven. Theu (then), ad. dan; daarop; toen. conj. dan, derholve, daerom. Thence (the.), ad. vandaar, —forth (-foorth"), —forward (for'wurd), ad. van dten tljd af. Theocra cy (thi ok're-eih), s. goderegeering. —tic, —tieal (-o-kret'ik.), a. theoeratiech. Theodolite (thi-od'ul-lajt), a. hoogtemeter. Theogony (thi-og'un.nih), a. afetamming dor heidensehe godheden. Theolog Ian (thi.o.lo , dzji-en), —iet (-ol'ud.rj13t), —ue (thl'o-log), a. godgeleerde. —ie, —iecti, a. —ically, ad. (-led'zjik-), godgeleerd. —y zjih), a, godgeleerdheid. Theorem (thi'o-rem), a. stelling. —atical (-et-ik-), --ie (.rem'ik), a. in atellingen tervat. Theoretic (thi-o-retnic), —al, a. —ally, ad. Met). retiech. Theor lel (thi'o-riot), a. heselegelaar, theoretic.. —ice (rajz), v. it. theorien maken. —y, a. bespiegeling, theorie. Theosophy (chi.os'o-fih), a. goddeltjke wijsheid. Therapeutic (then e-pjoe'tik), a. geneeskundig. —a, a. genecskunde. There (Cheer). ad. dear, er; aldaar. —about, —ebonite , ad. dear omtretit —after (-aaf'tur), ad. daarna;daarnstar. —at (-et'), ad. dear; daaraan; daarover. --by (-bar), ad. daardoor; daarbtj. —fore, ad. daarom, derhaive. —from (.from' ► , ad. daarvan, daaruit. —in (-in'), —tato (-in-toe'), ad. daarin. —of (-ov'), ad. daarvan. —on (-on'). -.upon (.up-on'), ad. daarop. —out (-ant'), ad. daarttit. —to (-toe'), —unto (-on-toe'), ad. deartoe. —under (-un'dur), ad. daaronder. —with (-with' ► , ad. daarmede. —withal (-oat'), ad. dearmode; daarenboven. Therleo (tht'ri.ok, s. tegengif. —al (the-rej'ilti), a, ale tegenglf werkend, Thermal (thur•nael') a. warm. Thermonve ter (tbur-tnom'i-tur), a. warmtemeter, wearglas. —tric, —trivet (-mo-metrrik.), a. van hat wetrgtaa. These (thin), pr. p1. van This, Thesis (thi'ets), a. stalling. Thespian (thes'pl-en), a. dremati,ch, van het treurapel. ognedderrakgr; a its. ei)",urad T Itlu i vveg(rhgh glieiw h6 o oaintew; a pier, r, pees; epierkracht. —ed, a. gewoon, gewend. They (thee), pr. pl. van he, she, it. — say, men seat, Thick (thir), a. (het) dikke; gedrang; dicht ge. boomte. a. & ad. —4., ad. dik; dlcht, vol, gedrongen; troebel; grof; menigvuidig; getneenream; and, to speak —, brouwen. — and threlfold, dabbel an dware. — of hearing, hardhoorend. —bodied. zwaarlijvig. —coated, dik an huid. —head, dikkop; domkop. —head, --headed, dik van


informer. — geneot, --.tether, copartner. —ieg, v. ecownunication, informetien. —.an, by. coinmunieative ; liberal, charitable. —xaamAeid, v. communicativeness ; liberality, charitableness. Itkededienst kneeht, In. --tnaapd, v. fellowservant. NtedeclInig en, on w. to rival, to compete., to stand in competition. —er, m. —..ter, v. rival, competitor. — mg, v. competition. fledednen, or. w. to join in; on. w. to be of the party. Riodedoouen, o. compassion; pity, COMMISetitti on. —d, by. ens. Zee Ivieedoogend,eny. Mededrintlen, ov. vv. to drink with a. o. Irtedei'eftwiei, bv. coeternal. litedeiiiit.it oar, M. —area, v. joint-owner. Itediee'rfgentsam, tn. coheir; v. coheirs.. 19Iettetlit en. on. w. to partake of a dinner (breakfast, supper), to dine (to breakfast, to sup) with a. o. no. guest; fellow-boarder. Mede seen, on. w. to go (along) with a. o., to accompany. —ganger, m. companion. Riletleigenotst„ m. & v. partner, consort. , --..chap, o. partnerehip., consort 4 on. participation. friledegettaag e, rr., & v. fellow-witness. —en, on, W. to bear witness with others. —eats, v. joint evidence. m. & v. fellow-prisoner.. Meet Medegeven, ov. w. to give along with, to send with, to charge with; to give for a portion; on. w. to yield, to give way. Wileedegetroel, o. fellow - feeling (for), sympathy (stitth). Medelnundolastr, m. copartner. Alledeluelp on, on. w. to contribute, to aselst. —er, sn. —..ter ;, v. assistant, help-mate, coadjutor; coadjetrix. ftliedehasip, v. joint assistance, cooperation, coadjuvarmy. Itiledehustrder, m. joint tenant. lelestelugwectence, m. & v. fellow-inhebqaut. ritedekeizer, m. coensperor. Mell!eklezer, tn. fellow- else tor.

prenten. Ingelable (in-dzjel'ibl), a. onbevriesbaar. Inflame (in-flecm'), v. a. doen ontvlammen; ver- Ingemina to (In-dzjero'i-net), a. verdubbeld. —te (-neet), v. a. verdubbelen, herhalen. —lion (-nee , hi t ter, verbitteren, (with); v. n. ontvlammen;vunr sjun), s. yerdubbeling, herhaling. vatten. —r, s. aanhitser; drijfvetlr. Inlilamma hie (in-flem'inibl), a. ontvlarnbaar. Ingenern isle (in-dzjen'ut-ibl), a. onteelbaar. --bility (-me-bil'it-tih), —bleneas, a. ontvlambaar—te (-at), a. aangeboren, ongeboten. —te (eat), v. held. —lion (-mee'sjun), s. ontvlarriming; notateR, verwekk'a, telen.

his equal, he is not equalled. —, o. right. — Ashbee, to be (in the) right. — genes, in Aet — stollen, to agree with, to decide in favor of. — met - rergeiden, to render like Co: like. — zoekt birds of a feather flock ogcher.—.bw. equally. even; without odds.vw. se . GelUkeordig, be. similar, homogeneous. — Acid, v. sim ilarity, homogeneousness. (iel ljlabernt a. isoceles. Gel Ukbln terkenend, be. synonymous. GelkikblIjcen, on, w. to keep pace —, to keep t with up (with). sick selves —, to be consisten one 's self. bw. eqrally. (lolUken, on w. to be Ito took) like, to renew.ble, to have a likeness (resemblance) to. Getlikenle, v. likeness, renosmblance; picture, image. comparison; simile, parable, allegory. teleitiksrvelJet, few. :in the same way (manner). ' likewise. Gotejkkeid, v. ;similarity, likeness, equality, sameneem ; evenness, smoothness, leveleees , sttaightnes, Gel kik hoe klg;bv. equiangular. — e figour, isogon. GelijkJarig, by. of the same age, equal in .sera. Golkikluldend, by. of tke same tenor, true; 11111F0130118; homonymous. --held, N. conformity, similarity ; unisonance. GeRiktrack en, ov. w. to equalize; to make even, to level. —er, En. eptator,evener, leveler. GelUknzatig, be. & bw. proportionable (-hly), proporticnal (-1y), proportioned, regular (.4). —held, a. propo , tionality, regularity. Gel Uktoorcillig, by. de bw.equanInlous(-4).— held, v. equanimity. Geltilananalg. by. homonymous. —held, v. homonymy. G.1111kelachtig, by. homogenial, homogeneous; of the same gender. —held, v. homogeneousness; sameneee of gender. Gotta keoerf Ig, by. similar, homogeneous.-- held, v. tomilarity, bomogeneouoness. (i elUkstntan, on. w. to be equal (met, to). Gelkikalaltig, be. of the same form. —held, v. semeneee of form. GrifjlAstandlg, be. of the same rank. —held, v. sameness of rank. GelUkatall eta, or. w. to equalize. —lag, v. equalization. synbv. & bw. simultaneous chronous, contemporary (-ily), at the same time. —Acid, v. simultaneoueness, synchronism, contemperarinees. Gelkilveloters, bw. level with the ground. (atillIjkvornaig, be. & bee. conformable I-biy), equable (-bly). —held, v. conformity, equableness. G el eliceteanrdlg, be. equivalent. —heid,v.equivalance. GelUkzetten, ov. w, to set (ter uurwerk). G ellikzkirlig, by. equilateral. —heid, y. equilatereineea. Geltikzinnig, be. eynonymous. —keid, v. synonymy. think, o. licking.
slager. 5oved, In goed gevat. coin, louden munt. —dust. stofgoud. —finch, gondviak; rtjkaard. —finder, goudzoeker, eekreetruimer. —,diner, goudscheider. —fish, goudviech. —foil, bladgoud. —hilted, met een gouden gevest. —lace, goudira.. lon. —leaf, bladgoud. —pleasyre, vliegenkruid, vlasdotter.—proof,proefhoudend;ononakoopbaar. —searcher, goudzoeker.—size, goudgrond. —smith, goudsmid. —thread, gouddraad. —weight, gondgewicht. —wire, gouddrattd. —wire-drawer, gonddroadtrekker. Golden (gool'dn), a. gouden, gulden; geel. —age, gouden eeuw. —number, guldengetal. —rule,regel van drieen. —ly, ad. schitterend, heerlijk. holding (goold'ieng), a. reuet. Goldney (goold'nth). a. goudviazhje. Goldy-locks (goold'ih-loks), a. goudhaar, motbraid. Golf (golf"), a. kolfapal. —stick, boll. Golore (go-loor'), s, overvloed. Gorse (goom), a. waffensmeer. Gonsphosis (gom-fo•sis, s. verbinding van een' tand me , de tandkas. Gondol a (gon'dol-le), a. gondel. —ier (-tier'), a. gondelier. Gone (gon), part. & a. gegaan; voorbtj; verdwe. nen, wag; dood, —by, a. verviogen. get you —, echeer je wag. Gonfalon (gon'fe-Inn), a. banter, atandaard. —her (-lee), s. banierdrager. Gong (gong), s. gong (trommel der Indiasien); sekreet.. Gonforde ter (go•nt.om'i-tur), a. hoekmeter. —try (-e-trilt), a. hoekmeting. Gonorrhea (gon•or-ri'e), s zaadvloed. Gdod (goed'), a. & ad. koed, jutmt, geschikt; grant, veal. —, int. goad zoo! for — and all, eens coot alWd. to make vervullen, honden.to think, —, goedvinden. in earnest, in called ernst. in — time, to rechter tijd. a — while, cene geruime pons. —breeding, wellevendheid. —conditioned, in goeden st a at. —fellow, vroolijke baas. —fellow. ship, vroolijk gezelschap. —jar-nothing, A. nutteloos; a. deugniet- —gracious! genadige hemel! —Henry, ganzevoet (plant). —hunter, opgeruimdheld. —humored, opgeruimd, good gelutmd. —lack! have hemel! — liking, goedkeuring. — luck. getub, buitenkansje. —man. bestevaar, hutsvader. —nature, goedaardigheid. —natured, goedaarchg. avondmuziek. — now! lieve tijd1 heere mijn tijd! --sense, gezond verstand. —turn, voorkomendheid. —wife, —wortan,moedertje,buisnaoedor. —will, welwillendheid, gunnt. —liness, a. bevalligheid --ly, a. bevallig; opgeblazenorelukkig. —mess, s. gozdheid —y, ss. moedertje. vrouwtje. Good (goad), n. (het) goede; welziln; nut, cootdeel. —s, (goads), a. goederen; hutsmad; waren. —, v. a. bemesten. G oosan.der (goes-en'dur), a. duiker. Goose (goes') s. gans; peraijzer; kruk; stumper. —berrg, kruisbes. —berrgfool, kruisbessenmoes. —cap, domoor. —foot, gatrzenvoet(plant). —giblets. afvai (van ganzen). —grass, kleefkrutd. —neck, ganzenhals (husk). —pen, onzenhok. —guilt, gan. zenpen. —rash, boretelbies. — skin, gauzevel; kippenvel, —wing, horen van een gegeid sell.
(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al,

cryptogeld t-shirts


notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-
honor. -, gierig, by. & bw. ambitious (-1y). —gterigheid, ambition. —metaat, ale Eerepesining. —naam, title of honor—. mister, —reoeer, defamer, slanderer, back-biter. —root-end, defaming, slandering. —rooting, defamation, slander, detraction. —oergeten. devoid of honor, lost to all sense of honor, infamous. —rot, by. honorable; bw, with honor. ---teaard, —waardig, honorable, venerable, worthy, reverend. —waarde (Use), your reverence. —waardigheid, respectableness, veser, ableness, dignity. —eucht, ambition. —ruchtig, ambitions. —eb/Olc, mark of honor. —eboog, —epoor!, triumphal arch. —edegen, —eeabel, sword of honor. —edientt, (public) 'worship. --egraf, mausoleum, cenotaph. —eketen, chain of honor. —skeane, garland, wreath. —ekroon, crown of honor. —ekeuitt, cross of honor. —*lid, honorary member. --*lint, ribbon. —epenning , medal. —.pleat*, place of honor. —poet, post of honor. —eprije , v. speedwell, fluellin ; m. prize of honor. —etched, salute, discharge. —eteeken, tokee(mark, sign) of honor. —etempel, pantheon —elite!, title of honor. —ewacht, guard of honor. —ewiin wine of honor. —ewoord, word or honor. —eraak, affair of honor. —eretel, Beat of honor. —esuil, obelisk. monument. —bear,. by, & bw. modest (-1y), honest (-Iy) ; chaste (-Iy). —hearken!, v. modesty. honesty; chastity. Eerbled, m. respect, reverence, awe. —toaardig, respectable, venerable. —enie, v. respects, duty. —ip. by. & bw. respectful (-ly). —ig6n ov. w. to respect, to revere. —igheid, v. respectfulness. —fging , v. respecting. —shale., bw. out of respect. Eerder, bw. sooner, before: rather. Eer en, ov. w. to honor, to respect, to reverence. EergIster en, bw. the day before yesterday. Eerlang, bw. erelong, shortly. Eeritik,tbv. & bw. honeat (-ly), fair (-1y), faithful I-1y), decent (-1y), honorable (-bly). duurt hat !angst, honesty is the hest policy. —heid, v. honesty, fairness, fair dealing, faithfulness, integrity. Eerloos, by. & bw. infamous (-1y). —held, V. infamy. Eeraialve, bw. for honor's sake. leernt, by/. first, but, Just; not before, not no sooner than. —, o. in het —, at first; ten —e, first, firstly, in the first place; directly. —bectnstead, beginning; elementary, primitive. —bekin. nende, beginner, novice. —d tags, soon, shortly, in a few days. —geboorte,—geboorterteht. primogeniture. —geborene, first-born. —komesd, next, ensuing, following, to come. —e, by. first, thief, principal; former, that. —cliff,, bw. first, firstly, in the first place. —elitg & v firat-fruit;firetling, first essay. Eertlfds, bw. formerly, in times past, of old,in days (times) of yore. Eerzaam, bv. & bw. honest (-1y), modest ( ly), honorable (-bly). Itoet, m. oust, malt-kiln. en, ov. w. to kiln- dry. Eat bear, be. eatable, edible. —bare waren, eatables,—.boarhefd, v. eatableness. —We eatinghouse. —kisser, —teal, dining-room, refectory. —lope!, table-spoon. —lust, appetite, stomach.
523 Lot, tn. praise, commendation. tot — vats, in praise of. God —, thank God. — &mein, —trotspet, trumpet of praise. —dieht, —redo, panegyric. eulogy. —dichter,—redenaar, panegyrist. —gterig, greedy of praise, ambitious. —gieripheid, love of praise, ambition. —Aunkeren, to be greedy of praise. —lied, —tang, hymn, anthem, offertory; panegyric. —emaies,centicie,bymn —epraak, prate. --bitten, to praise, to sound forth the praise of. —hater, flattering prairoar, panegyrist. —tuiter(i, flattering, glosing. —tutting, flattery, praise. —waardip, by. & bw. praise-worthy (-21y), laudable (-Illy). — waardigheid, praise-worthiness, leuda Witty. Lao lijk, by. & bw. praise-worthy ( -11)0,1 ;rude ble ( . —held, v. praise- worth'ness, laudablenese. Log, be. & bw. heavy (-11y) slow (-1y), doll (-y); unwieldy. —gat, bad seller. Log, V. log, —book, log-book. —paten, limberholes. —glas, log-glsee. —lijn, log-line. —plankje, log-plank. —rot, log•wheel. —tafel, log-board. Logarithms., v. logarithm. Logo,r. box; lodge. Logeereo, on. w. Olive, to lodge. Leegesnent, o. hotel, inn. —header, hotel-keeper, inn-keeper. Logen, v. Lie Leugesa. —straffen, to give the lie to, to belle. Loggen ,ov. w. to heave the log. Logger. m. lugger. —seil, lug-sail. Logbeld, v, heaviness, slowness, dullness; unwieldinees. Lsaglea, o. dwelling, lodging. Ledge!), be. logical, discriminating. Lok. v. lock, tress, curl. Lok ken, ov. w. to bait, to decay, to allure; to attract; to entice, to inveigle. —aae, — .144 bait,• decoy. —risen, to bait, to decoy. —brood, bait, paste used as 11, belt..—dust, decoy-pigeon. bird-call, cat-cell. —eend, decoy•duck. —geld, —gift. bribe. —mere, decoy-titmouse. —nsiddel, enticement. --rink, decoy-finch. —vogel, decoy-bird —woord, fawning word, enticing word. —fiend, hi, . alluring, enticing. —her. na. decoy-bird; allurer, enticer, Inveigler. Loki, fg, be. looked, curled in locks. kt.ok king, a, alluring, allurement, enticing, enticement, inveigling. —eel, o decoy, lure, enticement. —stir, v. allures, enticer, inveigler. 1,01, v. fun, frolic, clout, rag. 1,911 cae, on. w. to wawl, to caterwaul, to bray, to brawl; to warm one 's veil on a fire pot. —epot,ltre. pot, warming pan.—er,m.—eter.v.brayer.brawier. Lomburd, Luniberd, m. Lie Lommerd. Lommer, v. eh ade, —r(gc, shady, shadowy. —rijk. held, shadiness. — achtig, bv. shady. Lanimerd, m. lombard, loan-office, pawn-broki peatabliehment. in de--, at the pawn- broker's. —briejje, pawn. broker's duplicate, ticket. —hou• der, pawn-broker. —vrouw, female pawn-broker. —en, on. w. to mire. Lommer en, on. w. to lie (to sit) in the shade. —ig, by. shady, shadowy. Lomp, be. & bw. clumsy ( ily). awkward (-1y), dull (-7); unmannerly, impolite(-!y); big, gross. Lomp, v. rag, tatter; lump-sugar, — ingaarder,
STA. net. —ing-horse, schietraard. --y, a. bard ale een els. stengel; stokkerig. ment (ate-bil'i-rnent),s.bevegtiging,vast.. Stall (staol Pa, a. stal, kriln etalletje, pothuis, held. —ty (.it-tih), vaetheid, hestendigheid. kraam; koorstoel; bank. —boat, kleiee boot. —fed, Staple (stee.b1), a. beotendig, duurzaam, vast. op stal gemeet. —feed, op stal mesten. —keeper, —mess, s. beatendigheid, ditur,aamheid, vast- stalletjesrnan. —money, s,anrgeld. —worth, ale held. Stalwart. —, v. a. stollen, op stet zetten; v. n. Stehle (stee'hl), a. stet .-boy, steltongen.—kee. op stal Intim; wonen. —age, a. atalgeld; ostaen-, marlitgeld. per, stnlhouder. —man, stalkuecht. —yard, ;nest- s. springhPnTst. werf. —, v. a. stollen; v. n. op stal staan. Staccado (etek-Iree'do), a: panlaerk, stake/eel. Stalwart (staorwurt), x. kloek, dapper. Stack tstek), a. hoop, stelae!, schetr; rij. -ewood, Stamina I eteml-ne), a pl. grondstof; ' ,mete be-
PON —POlt. 227 ad. prachtig, pralend; hoogdravend. --ouenese, (-lee'ajun), a. bevoiking. —ou s, s, oue tad. bevolkt, volkrijk. —ousness, :.u berolithel a. Zie Pomposity. Pond (pond'), a. vijver. —weed, zwemkruid, man- Porcelain (porsleen),s.porselein.—elay,—earth, poraeleinarde. —shell, porseleinechelp. gehrortel. Ponder, (pon'dur), V.A. overwerenoverpeinzen; Porch (poortaj), a. overdekte ingang, voorhof, v. n. peinzen, nadeoken (on). —able, a, weegbaar. portaal. —once, s, gewicht, zwaarte. —er, a. overv,eger, Porcine (por'sajn), a. zwijnachtig; —ousness,s. zwaarte. Porcupine (por kjoe-pajn), s. stekelvarken. peinzer. —salty —owl, a. —ously, ad. zwaar, gewichtig. 1Por e (poor'), s. zweetgaatje, purls. v. a. (on. upon) itch verdtepen in. (over) turen op. —iness Ponent (po'nent), a. westelijk. Pcniatd (pon'jurd), s. dolk. v, a. doorateken 1-i-neas), a. poreusheicl. Pork (poork'), a. varkenivleeseh; varken.-6ateher , (met eon' hulk). spekslager. —chop, varkensrib. —er, s. zwijn. —et, Punk (pungk). a. nachtapook, kabouter. Pontage (pon ttdzj), a. bruggegeld. —ling, o. big, jong varken. Pontee (pun-tie'), a. ileAbhouder (14) glas- Por ous (po'rus), a. poreus. —osity(-ros'it-tih), —ousneu, s. poreusheid. blazers). Pontiff (pon'tif), e. hoogepriester; pans. Porphyry (por'fl-rib), a. porlier. Pontitic !pun-tIfn), —al, a. hoogeprieeterlijk; Porp oboe (por'puu), —us, a. bruinvisch. feestelkjk. —ale (-el.), pl. prlesterlijk ambtsge- Parraceous , par-ree'sjus), a. lookgroen. wand. —ate (-kot), s. hoogepriesterschap; pause- Porret (poen°, s. ajalotte. lijke waardigheid. Porridge (por'rldni), a. soep; pap. —belly. papPontifice (pont'i flog, a. brugwerk. bulk. —dish, soepkom. —pot, soepketel. Pontoon (pun torn'), a. schipbrug; pont. Porringer (por'rin-dzjur), s, diep bord, soepPotty (po'nih), a. hit. bord, nehaaltja; laatbekken. Food (pooh), s. poed, pud (russisch gewicht). Port (poort'), b. haven; poort; ingang, opening; Poodle (poedi), a. poedel. geachutpoort; bakboord; tonnemaat; houding, pooh (poe), fat. pooh! b.111 oho! I voorkomen; portwijr, to clear the —, ultloopen. Pool (poet'), s, poet; inzet. ---ccunters, speel- —admiral. havenadrairaal. —bar, poortlegger. --charges , havengelden—eha8e,jaagoort—clear markjes. --snipe, poelsnip, . p . Poop (poop'), s. achtersteven, hut, kampanje. ing, bet uitloopen. —hinge, poorthengsel. —hole, gesekutpoort. -- last. potdeksel, dolboord. —lid, -.awning, zonnetent. —ladder, kampanjeladder. poortluik. --light, kajuitraana. —man. inwoner —lantern, heklantaren. --royal, bovqnkajuit. Poor (poer'), a. — ly, ad. arm; sehraal, dor; eener havenstad. —mote,havengerecht. —padlock, maser; rileudig, armzalig. (de) Armen. valiesslot. —reeve,sehouteener hevenstad. --rope, —box, armbus. —house, armhuis. —john, atok- poortschinkel.--sait,ballastkleed.—ea/e,spoedige vlseh. —law, armenwet. —man's-pepper,. peper- verkoop der lading (b het binnenloopen). wortel. —rate, armengeld. —spirited, moedeloom. poortdrenipel. —tackle, poorttalle. ---timber, iathartig. --4piritedness, a. laCharttgheid. —ish, poorthout. —town, havenrstad. —vein, poortader. a. armelijk, armzalig. —ly, a, ongesteld, lijdend. windpijp. —wine, portwijn. a. armnedigheid; sehraalheid; magerheid; Port (poort'), v. a. dragea; near bakboord wenden. —able, a. draagbaar. —ability (-e-birit-tih), Pop (pop), a. klap, slag, pof. —gun, a. klakke- —ableness, a. draagbaarkeid, —age, s. (het) drabus. —, v. a. and bewegen. (away) haastig rer- gen; draagloon. s. portaal; poort; ingang. bergen. (into) instoppen. (off)afschieten; afeche- —once, handing, voorkomen. pen. (out) later ontglippen. (out of) ult den zak Portcullis (poort-kuPlis), a. vaideur. kloppen. —, v. n. kioppen, potter; nick echielijk Porten d (pur•tend'), v. a. voorspellen. —t, s. vertoonea. (in) binnenstusven. (into) instoppen. kw aad v-aorteeken, voorbode. a.- onheil(off) nick nit he voeten waken. (on, upon) aantref- spallend. ten. (out) near buiten snetlen. Porter (poor'tur), a. pnrtier; krttier; porter ibier). Pope (poop'), a. pane. —fly b korenworm. —,Joan, —age, s. draag-, kruiloon. z'-ker kaartapel. eye,(net) vet in een' schape- Porifollo (poort•foli-o), a. porteteuille. bout. --'s-head, raagbol. --dom. a. paundom. —ry, Portico (poor'ti-ko), a. nuilengang, portieh. a. paungezindheid. Portion (noor'sjun), s. tkandeel; erfdeel, kindsPopinjay (pop'in-dnjee), s. mogul; boom- gedeelte; huwelijksgoed, uitzet. —, v. a. ultdeespeeht; fat, saletjonker. len; (with) ten huwelijk medrgeven. —er, s. nitPopish (po'pinj), s. —ly. ad. pauegesind, paapsch. denier. —ist, s. deelheb ber (eau zekere ink° oaten). Poplar (pop'ler), a. populier. —galls, populler- Port Illness (poort'll-news), s. deftigheid. —ly, knoppen. —tree, popullerboom. a. deftig; voraarlijvig. Poplin (poplin), a. stof van wol en zijde. Portmanteau (poort-men'to), a. valley, mantelPoppy (pop'plh), a. slag bob. zak, Popo' ace tpoplos les), a. gepeupel, grauw. Por2ofse (poort'is), a. Zie Portlast. —ar. a. —arty, ad. volke-; voor het yolk; hij Portrait (pooetreet), a. portret. —painter, porhet volk gezien. —arity a. votkagunst; tretsehilder. —urn (-joer). a. (het) portretschilgesehlktheid voor het volk. —arize (-ler-ajz), v. deren; portret, afbeelding. a. algemeen bemind maken. —ate (-beet), v. R. Portray (poor-tree'), v. a. portretteeren;afbeelbevolken; v. n. nick vermenigvuldigen. —ation den, afschilderen.
Bury (ber'ih), a. begraven. —ing, a. begrafenis. —log-place, begraafplaats. Bush (boesj), a. atruik; kreupelbosch. —el, a. achepel. s. lommerigheid. —y, a. struikig; mtg. Bus lly (bit'i-Ilh), ad. tjverig, bezig. —iness (bieness), a. bezigheid; berocp; aangelegenheid, zaken; to net up in —, eene sank beginnen. Busk (busk), a. planchet. —et, a. bosachage. —in, a. tooneellaars; tooneelspel. Buss (buss), a. bus; haringbuts. —, v. a. kussen. Bust (bust), a. boratbeeld. § —, v. n. bankroet gaan, —ard (bust'ard), a. trapgans. —er, a. gevaarte; acherts. Bustle (basil), a. rumoer, gewoel. —, v. n. woelen, veel beweging maken. (about) heen en weer dribbelen. (away) nigh wegapoeden. —r, a. bedrijvig mensch. Busy (biz'ih), a. bezig, onruatig. —, v. a. bin* houcien. —body, albe , chik. prp. behalve. But (but), conj. natter, doch. —, ad. slechts. — for, zonder; ware het niet om. But (but), a. grens; ulteinde. —, v. n. aanraken. —sling, topreep. Butcher (boetarur), a. vleeschhonwer. —, v. a. slachten; vermoorden. —bird, negendooder. —row, vleeschbank. —ly, ad. moorddadig. —y,s. vleeschhouwer(j; slachting. Butler (but'iur), a. bottelier, keldermeester. —ship, a. bottelierachap. Butment lbut-ment), a. gedeelte van een gewelf. Butt (but), a. doelwit, mikpunt; stout; vat. —end, stomp einde; geweerkolf. —, v. a. atooten. Butte (but), a. verhevenheld, heuvel. Butter (burtur), s. boter. —, v. a. boteren; den inzet verdubbelen. —bump, roerdomp. —bur, paardeklauw. —crock, boterpot. —cup, kraatevoet. —flower, boterbloem. —fly, vlinder. —milk, karnemelk. —nut, olienoot. 7-pear, boterpeer. —print, boterspaan. —tooth, entjtand. —tub, hoterton, botervlootje. —y, a. aptjakast; a. balerachtig. Buttock (but'tuk), a. bil; spiegel (van een sehipl; kruie (van sett paard). Button (burtn), a. knoop; knop; zee-egel. —, v. a. knoopen. —hole, knoopsgat. 5 --wood,wilde vijgeboom. Buttress (but'tress)„ a. beer; stutmuur; ateun, —, v. a. onderetutten, sehragen. Butwink (burwinkl, a. kievit. Butyraceous (bjoe-ti-ree'sjus), a. boterachtlg. Butyrous (bjoe'tt-rue), a. Zie Butyraceous. Buxom (buks'um), a. —ly, ad. vrooltjk, dartel. —nets, a. vroolijkheid. a. Buy (baj):[bought (baot)], v. a. itoopen.• kooper. Buzz (bun), a. gegons. —, v. a. toefinisteren; in bet geheim verapreiden; v. n. gonzen; fluisteren. —er, a. oorblazer. Buzzard (burzurd), a. havik; domkop. By (baj), prp. door; naast; bij, met; om; voor. —, ad. nabij; tegenwoordig; voorblj; langs. 'Araks. — the —, wat ik zeggen wil. — and dicht bij. — the way, in bet voorbtjgaan. hard to get — heart, van batten leeren. — the boat, per boot. — sea, over zee. —far, varreweg. —bidder,
a. schoolmeestersplak. —er (paam'ur), a. pelgrim; —worm, tramps. —etto (-met'to), s.dwerg-, pruimpalm. —iferous (-nairar-us), a. palmdragend. —iped (-mi-ped), a. met zwemvliezen; a. z w emvogel. —inter( min tur), s. handkij ker. —istry (-min-trih), a. handkijkerij. —y (paam'ih), a. palmrijk; bloeiend, voorspoedlg. Pulp (pelp'), a. voelhoren. —bly, ad. taatbaar, duiPalpa ble (pel'pibl), -bility (-pe-bil'it-tih), —bleness, a. testbaarheid. —ton (--pee'sjun), a. betasting. Palpita te (pel'pt-teen, v. n. kloppen. —tion (-tee'sjun), a. klapping. Palograve (paolegreev), s. paltsgraaf. Pals foal (paol'zikl), —led (-zid), a. door eene beroerte getroffen; verlamd. —y, s. beroerte; verlamtning. —, v. a. verlammen. Pal ter fplortur), v. n. onoprecht handelen, draaien, nit vlucb ten zoeken. —terer, s. arglistige, draaier. (-triness), s. armzaligheid, verachtelijkheid. —try (-trih), a. avn;zaltg, nietig. Pally (pee'lih), a. bleek. Pam (pem), a. klaveren-boar. Pamper (penepur), v. a. vetmesten; vertroetelen. —ed .(-purd), a. overvol; weelderig. —ing, s. 'weelderigheid. Pamphlet (pem'flitl, s. vlugsehrift, brochure. s. schrijver van vlugsehriften. —eer Pan (pen'), 8. pan. ash—,aschpot. —cake, pannehock. —cover, pandekael. —tile, dak-, nok-, gootpan. —, v. a, samenvoegen. Panacea (pen-e-si'e), a. algemeen geneeamiddel; krachtwortel. Panado (pe-nee'do), s. broodpap. Pancart (pen'kaart), s. toltarief. Pancratic , pen-kret'ik), a. uitmuntend in lichaamsoefeningen; vlug, stark. Pancreas (pen'kri-es), s. alvleeseh, zwezerik. —tic (.et'ik), a. den zwezerik betreffend. Pandects (pert'dekta). p1. pandecten. Pandetnic Ipen-dem'ikl, a. een geheel yolk betreffend, algemeen. v. a. kopPander (pen'dur), 8. koppelaar. pelen; v. b. voor koppelaar ospelen. —ism, a. koppelaarscbsp. Pandiculation (pen-dik-joe-lee'sjun), a. rekkerigbeid. Pane (peen'), a. glasruit, ruit. Pauegyr lc (pene-dzjir'ik), a. lofrede. —ie, —iced (-ikl), a. prijzend t lovend. —ist a. lofredenaar. —ice (pen'e-dzjir-ajz), v. a. prijzen, eene lofrede houden op. Panel (pen'il), 8. paneel; rooster (lbst) der gezworenen. —, v. a. met paneelen makers. Paneless (peen'less), a. zonder ruiten. Pang (peng), 8. faltering, benauwdheid. —, v. a. folteren, kwellen, benauwen. Panic (pen'ik), a. plotseling, paniach. —, a. pantache schrik. Panicle (pen'ikl), s. trosje,ristaar. Pannade (pen-need"), s. boogsprong. Pan n age (pen'niciaj), s.zwijnen-, boschvoer; meatrecht. Pannel (pen'nil), a. boerenzadel; krop van een , valk. Pannier (pen'jur), s. pak-, draagmand.
Angola, Benin, Botswana, Cameroon, Ghana , Kenya, Mauritius, Namibia, Rwanda, South Africa, Tunisia, Uganda, Zambia, Armenia, Bahrain, Brunei Darussalam, Hong Kong, India, Indonesia, Jordan, Kazakhstan, Korea, Kuwait, Kyrgyzstan, Macao, Maldives, Mongolia, Nepal, Oman, Philippines, Singapore, Taiwan, Uzbekistan, Australia, New Zealand, Andorra, Austria, Belgium, Bulgaria, Croatia, Cyprus, Czech Republic, Denmark, Estonia, Finland, France, Gibraltar, Greece, Guernsey, Hungary, Iceland, Ireland, Isle of Man, Italy, Jersey, Latvia, Liechtenstein, Lithuania, Luxembourg, Malta, Monaco, Montenegro, Netherlands, Norway, Poland, Portugal, Romania, San Marino, Serbia, Slovakia, Slovenia, Spain, Sweden, Switzerland, Turkey, United Kingdom, Aruba, Bahamas, Barbados, Bermuda, Canada, Cayman Islands, Costa Rica, Curaçao, Dominican Republic, El Salvador, Guatemala, Honduras, Jamaica, Mexico, Nicaragua, Panama, Trinidad and Tobago, United States, British Virgin Islands ,Argentina, Brazil, Chile, Colombia, Ecuador, Paraguay, Peru, Uruguay

E Fat ling (fetlieng), s. jong —ly, ad. Feat:weft (fiet'neee), , behendOteid, knaplieid; vet. —ness, N. vetheid; vettigheid; vrachthaar•1 aardigheid, netheid. held. —ten (fet'tn), v. a. vetmesten; v. n. vet Feature (flet'joeri, 0. gelaatstrek, gelaat; trek. worden (on. upon. with). —tener (fet'tz,ur), a. —d, a. gevormd; met schoone trekker, vetmaker; meat. —ty, a. vettig, olieachtig, F enze (flea), v. a. uitrafelen, rossen, elaan. smerig. (fe-bririk), a. !root teverwekkend. —foge FebTI Fatty lty (fe-tjoa'it-tih), a. dwaaasiteid, onnoozel- (feb'ri•fioedzj), a. koortsverditivend middel. — le held. —ons (fet'joe-us), R. dwaas, dam; —tire. (fi'bril, feb'ril., a. koortsig. dwaallicht.. a. Februari, sprokFebruft ry Faucet (fao'sit), a. zwikje, tap. kelmaand. —tion (-ee's)an), a. reinigingsfeest, l'augh (fao), int. bah! Fecal )fle'kel), a. drab-, drekachtig. — matter, dreketof. Fault (faolt'), s. font, fell; phrek; misslag; achuld. at —, verlegen. to find — with, berispen; Feces (fle'sies), a. droesem, drab; ultwerpaelen. vitten op. —finder, berisper, vitter. —finding, Feculen cc (felejoe-lens), a. drabbighed, mod• berieping. —ily, ad. —y, a. gobrekkig; verkeerd, derigheid. —4, a. drabbig, rnodderig. berispelijk, schuldig. —inese, s. gebrekkighdid; Fecund (felt'und;, a. vruchtbaar. —ate (ook: verkeerdhetd; scbuldigheid. —less, a. zonder feel- fe-kun'dest), v. a. vruchtbaar maken. —otion (-dee'sjun), a. vruchtbaarmaking. ge.kun' len. —iciness, s. feilloosbeid. Faun (faon'), a. faun, eater, boschgod. —itt, c. dl-fajl„ v. a. vruchtbaar maken. —tip (fe-kun' dit-tih), a. vruchtbaarheid. natuuronderzaeker. —a, a. dierbesehrijving. Federa 1 (fed'ur-e1), a. eenen bond betreffend. Fautor (fao'tur), a' begunetlger. lonvIllotre (fe-vinue), a. van aach. —hien:, a. beginselen der federaiisten. —list, n. Favor (fee'vur), a. gunet; ganstbewijs; genegen- lid (vooratnnder) Vain een hondge ► ootschap. —te held; begunstiging; teeken, lens. in — of, ten (-et), A. verbonden. —tion ( ee'sjun).. a. verbond. behoeve van. under —, order verbetering. under —tine ( e•tiv). a. itch vereenigend, verbindend. your —, met uw welmeenen. your —, uwegeeerde Fee (fle'), a. loon; fool; leen. —farm, erfpachtleen. letteren. —. v. a. begunstigen; gelijken op. —able, —simple, vrij leen. —tail, beperkt leen. —. v. n. a. —ably, ad. gunstig. bevorderlijk. —ablenes, beloonen; lbezoldigen; omkoopeai; huren. a. goedgunatigheid. —ed (-vurd), a. begunstigd, Fee ble (ile'h1), u. —bly, ad. zwak. —bleness, a. bedeeld; well—, bevallig; ill—, leelijk. —er, a. ervalcheid. begunetiger. —ite (-it), fl. geliefkoosd; a. gun• Feed (fled), a. voeder, voelsel; maalttid; ateling. —less, a. onbegunatigd. Feed (lied') [fed], v. a. vcederen; onderhouden; koesteren; paaien (with). —, v. n. weiden; zich Fawn (faon'), a, jong hert; pluirnstrijkerij. v. n. image herten werpen, (on. upon) pluirnstrij- voeden met, leven van (on upon). —er, s. voeder, ken; atreelen. —er, a. pluimstrijker; etreeler. pluimgraaf; eter. Feel (tier) a. gevoel. —ing„ a. krniperij. —ingly, ad. flikflooiend. Fay (fee), a. toovernirnf; trouw. —, v. a. voegen, Feel (flel) [felt], v. a. & n. sevoelen, voelen; paaaend maken; v, n. in elkander sluiten, passer. (for) medelijden hebben met. —er, s. voeler; Feaberry (iPber-rih), a. doornbes. voelhoren. —ing. a. —ingly, ad. geroelig. —iny, Weague (flag), v. a. sloan, geeselen. a. gevoel. Fealty (frel-tih), a. hulde, getronwheid (aan Feet (flat'), voeten. --leas, a, condor voeten. den leenheer). Feign (feen'), v. a. veinzen, vuorwenden; re-Fear (tier'), a. \Trees; vogelschrik. --, v. a. & n. zinnen, uitdenken; v. n. veinzen, —ed. a. —ally, vreezen. —fad, a. —fully, ad. bev,reesd; vreese• ad. verdicht, geveinsd. —er,s. veiezer; yerdichter. lijk. —fulness, a. be,reesdheid. —less, R. —lessly, Feint (feent). a. liat; flat; Inane stont; halve toon. ad . unberreesd, onverschrokken. —Letteneu, a. Fellcit ate Ife lien-teet), v. a. g,elukkig waken; stoutmoedigheid. ge:uk wenschen (on). —ation (-tee'sjun). y. eFens! hi/My —bleness (ti'zibl- lukwensching. —ous, a. —ously, ad." voorspoedig; zeer gelokkIte. —y, a. gelukzaligheid. ness), s. doenlijkheid. —ble, a. —bly, ad. doenlijk. Feast (fleet'), s. feast, gastmaal. —day, feeatdag. Feline (felajn), a, katachtig. —family, katien-, v. a. onthalen; v. n. an.ullen. —er, a. gest• geslacht. lacer; gnat, smaller. —ful, a. feestelijk; weelde- Fell (fell'), a. —ly, ad, woest, wreed. —nest, a. rig, braaaend —ing, s. feestelijk onthaal; —money. woestheid, wreedheid. —, a. rel, fluid; heuvel; foettje; —rite, feestgebruik. gal, zwaarmoedigheid. —monger, huidenkeoper. —wort, gentiaan (plant). —, . a. yeller', nederFeat (Bet), a. felt, dead; grail. —, a. behendig, aellen. s. nederveller.'houthakker.' knap; eardig, net. Feather (feth'ur), a. veder, pitiful; snort, slag; Celiac (fello), a. Zie Feily. sieraad; ijdele titel; blew. birdu of a — flock Fallow (ferlo), s. kameraad, mast; vennoot; together, snort zoeht soar!. —bed, veerenbed. lid, rnedelid; weergade; kerel, kwant. to be —, —broom, —duster, vederbezem. —driver, zuiveraar bt,(een behooren, van tin poor sun. —eititen, van bedveeren. —edge, dunne kant eener plank. rnedeburger. —commoner, deelgenoot; student der —edged, dun Han de eene zijde. —grass, veder- hoogere klasse (Cambridge). —creature, modegras. —, v. a. met vederen vullen (tooien); tre• menech. —feeling,, medelijden; gerreenschappe• den. to— one's nest, zijne seltaapjes acheren. —eel, lijk belong, — izar, reede-erfgenaam. —helper, a, gevederd; gevieugeld. ....lean, a. vederlooe- —y, medehelper. —laborer, medearbeider, medewer• a. gevederd. leer. —lodrper, buisgenoot. —maiden, ePe,,,Igenoot.

a. schoolmeestersplak. —er (paam'ur), a. pelgrim; —worm, tramps. —etto (-met'to), s.dwerg-, pruimpalm. —iferous (-nairar-us), a. palmdragend. —iped (-mi-ped), a. met zwemvliezen; a. z w emvogel. —inter( min tur), s. handkij ker. —istry (-min-trih), a. handkijkerij. —y (paam'ih), a. palmrijk; bloeiend, voorspoedlg. Pulp (pelp'), a. voelhoren. —bly, ad. taatbaar, duiPalpa ble (pel'pibl), -bility (-pe-bil'it-tih), —bleness, a. testbaarheid. —ton (--pee'sjun), a. betasting. Palpita te (pel'pt-teen, v. n. kloppen. —tion (-tee'sjun), a. klapping. Palograve (paolegreev), s. paltsgraaf. Pals foal (paol'zikl), —led (-zid), a. door eene beroerte getroffen; verlamd. —y, s. beroerte; verlamtning. —, v. a. verlammen. Pal ter fplortur), v. n. onoprecht handelen, draaien, nit vlucb ten zoeken. —terer, s. arglistige, draaier. (-triness), s. armzaligheid, verachtelijkheid. —try (-trih), a. avn;zaltg, nietig. Pally (pee'lih), a. bleek. Pam (pem), a. klaveren-boar. Pamper (penepur), v. a. vetmesten; vertroetelen. —ed .(-purd), a. overvol; weelderig. —ing, s. 'weelderigheid. Pamphlet (pem'flitl, s. vlugsehrift, brochure. s. schrijver van vlugsehriften. —eer Pan (pen'), 8. pan. ash—,aschpot. —cake, pannehock. —cover, pandekael. —tile, dak-, nok-, gootpan. —, v. a, samenvoegen. Panacea (pen-e-si'e), a. algemeen geneeamiddel; krachtwortel. Panado (pe-nee'do), s. broodpap. Pancart (pen'kaart), s. toltarief. Pancratic , pen-kret'ik), a. uitmuntend in lichaamsoefeningen; vlug, stark. Pancreas (pen'kri-es), s. alvleeseh, zwezerik. —tic (.et'ik), a. den zwezerik betreffend. Pandects (pert'dekta). p1. pandecten. Pandetnic Ipen-dem'ikl, a. een geheel yolk betreffend, algemeen. v. a. kopPander (pen'dur), 8. koppelaar. pelen; v. b. voor koppelaar ospelen. —ism, a. koppelaarscbsp. Pandiculation (pen-dik-joe-lee'sjun), a. rekkerigbeid. Pane (peen'), a. glasruit, ruit. Pauegyr lc (pene-dzjir'ik), a. lofrede. —ie, —iced (-ikl), a. prijzend t lovend. —ist a. lofredenaar. —ice (pen'e-dzjir-ajz), v. a. prijzen, eene lofrede houden op. Panel (pen'il), 8. paneel; rooster (lbst) der gezworenen. —, v. a. met paneelen makers. Paneless (peen'less), a. zonder ruiten. Pang (peng), 8. faltering, benauwdheid. —, v. a. folteren, kwellen, benauwen. Panic (pen'ik), a. plotseling, paniach. —, a. pantache schrik. Panicle (pen'ikl), s. trosje,ristaar. Pannade (pen-need"), s. boogsprong. Pan n age (pen'niciaj), s.zwijnen-, boschvoer; meatrecht. Pannel (pen'nil), a. boerenzadel; krop van een , valk. Pannier (pen'jur), s. pak-, draagmand.

Is Binance sluiten om Amerikaanse burgers


v. n. lath. met hanglippen. —table, klaptafel. — v. a. klap- neer (flier') s. spotternij; VRIRClift ' pen, met een' klap slaan; v.n.klapwleken; lied- spotten, valsch lachen. —er, a. spotter; vleier. derend neerhangen (down). —per, s.klepje;klap; Fleet )111et'), s. vloot; inham, kreek. —. a. —tit, ad. Licht, vlug. —, v. a, afschuimen, afroomen ; waaier: herinneraar. verdrijven (den tijd); v. n. verdwijnen, vervlie• Fare. (deer), s. flikkerliebt. —, v. n. flikkeren, —ing-dish, vlootje; sebitteren; verblind worden. to —into one'sface, gen. —ing, a. weganellend. achuimspaan. —near, s. vlugheid, snelheid. aanzien. (over) voorovervallen. sterlt Flesh (flear),s.aleeach.—broth,vleeschnat.—brus)i , § (up) vleeschkleur. —diet, vleeschhuidborstel. s. flikkering. le1issli (Clear), a. laag, gemeen. spijs. —;fly, vleeschvlieg. —hook, vleeachbaak. ,traal, sebieht; ):lets; klatergoud. —of wit, gees- —monger, vleeschkoaper; koppelaar. —quake, tige local. —, v. a. vlak Taken; doen kletsen, vleeschtrant. tilling. — aide, dean opspatten In her roeien), (on) a erpen e. n. flikkeren; spatten, kletsen; kwink- Flesh (fleer), v. a. inwijden; afriebten, gewennen; Licht). vettnesten. —iness, s. vetheid, logheid. —less, a. slagen doen. (into) ultbareten in; opkomen in. —liness, (-li-ness), a. zinnelijkheld. —ly, mager. ontbranden in. (into) in). (with) uitharsten (nut) a. vleescheliik, zinnelnk. —y, R. vleeztg. klein vernuft; roeier. —ay, —er, s. gezocht Fletcher, (fletsfur), s. bong- en pijlernnaker. d. —y, a. winderig; uppervlakkig; !Flew (floe"), s. dikke snort. —ed, a. dikmuilig. geeatie•. Flex (fieks'), v. o. buigen. Flask (flaaek), a. veldaesch; krnithoren. a. buigzaam van card. —ibility (-i-bil'it-tib), Vl.stect (flaas'kit.), 8. spijsmand; klebrenmand. —iblentess I•ibl-neon), e. bulgzaaesheid. —ible, a. i•rat (flet'), a. —Op. ad. plat, liggend; flauw, butgboar; inschikkelijk. — ile (41), a. buigzaam; versehaald; dor; gedrukt took van prtjzeu); on. s. toeeevend. —ion (.jun), s. bulging. vertonemd. --eottomed,nlathoOmd. —denial,reeht- buigepier. —uous Hoe-us), a. bochtig; onbesten• etreeksche weigering. —and plain,rondua. (-jeer), s. bulging; bocht; bong. —ure, dig. vlak, op ziin plat. —,s. plat; (het) platte; —wise, vilicte; ondiepte; praam; tool in de muziek); Flicker (flik'ur), v. fladderen, klapwieken. mei. —eras, o , platheid: lafheid, smakeloosheid; —mouse. vleermuis. dorheid. —ten (flet'tn), v. a. plat (tint; flauw) Filer (flaj'ur), a. vluchter; onrust; rechte trap. zwerm; dracht (bereik; nu0,en; ,ter neer clean; v. n. inlet vlak; dof) Flight (flajt 1 ► , a. vlucht; —shot, boneschots•afstand. —iness warden. --ter, a. planeerder, pletter. trapvleugel. (-i-ness), a. eluchtigheid; , lichtvaardigheid. (flet'tur), v. a. vleien. —er, s. vleier. vluchtig; waft, lichtvaardig; kjlend. R. —icy, a. —ingly, ad. vleiend. —y, s. vleierij. FIntatten die (flet'joe-lens), —cy, s. winderigheid, Flimflam (ilim'flem), 11. poets, streak, beusenietigheid. —t, a. opgeblasen, winderig. s. dunheid, teederFilms Iness native (tlee'tus), s. wind; adorn. held, zwakheid; geringheid. —y, a. dun, ijl, nnucei stiaant), a. pronk. — , v. n• fladderen; zwak; gering; geesteloos; armzalig. prenken, zich onbeechaamd aanstellen. v. a. Flinch (flints)'), v. n. wijken, terugdelnzen, zich Ulavor (liee'vnr), amakelijkheid, geur. onttrek!ten aan. (from) —er, a. bloodaard; smakelijk (geurle. ) waken. —ed (-curd), —oils, a. woordschender. emakeiijk, geurig. —less, a. smakelons. Flow (flan'), a. berst, beech; vlek)e, gebrek; rnk- Flintier a (flin'durz), s. flenters, Barden. —mouse, v. e• wind; ontroering; oproer; dwangnagel. schimpscheut, set. breken, knakken; schenden. —less, a. vlekkeloos. Fling (fling). s. gaol, smak; Fling (fling') [tiling]. v. a. werpen, smijten (at, —y, a. vol bersten; vlekkig. (clown) nederwerpen; verwoesten. (in) aftrekken. trlawal (bland), a. dronken. van het spoor (off`') rekening brengen. niet in FIOAVVI (!loon), a. vlade. brengen. (out) uitwerpen; verbreiden, anon ongen R n inwter (flao'tur), a. blooten (huiden) v.u. slaan, stollen. (up; ow,, even, laten varen. itsx tfleks'). a. vla, — brake, — break, vies. sehoppen, spartelen. (at) slaan naar; steken frail, — coot, vlashekel. — dresser, vlalhekelaar. rich terugtrekken, weganellen. (away) geven. —raising, vlashouwer..-growing, 9, ,,neee, --raiser, (out) echteruitalaan. —er, s. werper; stekellg vlasle•a, —seed, lijnsaad. —weed, vlaskruid, —eta memch. — y, a. vlaasen, vlassig; blond. rill,. Flint (flint') s. vuurateen, tel. —glass, snort van Viny Iftee'i, v. a. villen, aftrekken. — hearted, a. hardvochtig. —ware, fena. vloo. —bane, — wort, vlooikruid. kristal.aardewerk. —y, a. keiachtig; hardvochtig. gelseb ._ bile, vlooheet. —bitten, door vlooien gebeten; Flip (flip), s) drank van bier, brandewijn en sulker. m e ocbtelijk. (flip'pen-sih), —Ness, s. radheid van IF/EPP.. Vice.14, (tliek)„ vlokje; vlechtje. tong; snaakschheid. —t, a. —fly, ad. rad van 1 , 1,8,1. (111,m), s. laatalijm, lancet. tong; snaeksch. —t tongue, gladde tong. ;Fleck (hole), —er, v. a. be.spikkelen. (flert.'), R. snelle beweging; atreek, poets; be• Flirt v. a. met vederen (110.zj). a. vlugs. haagziek mei*, lichtekoot. —silk, floretAide. —, (vIeugek) voorzien. v. a. anal hewegen (werpen). (out) uitflappen,—., itlie) Medi, v. u. vlieden, vluehten. n. (about) ronddartelen; been en weer dribbenet, e (flies') s. schapevacht; golden —. gul- v. len; steken geven (at); de behaagzieke spelen. den vile'. —e, v. a. scheren; efetreopen; pins- —ation !-tee'sjun). a, +(virile hewegtng; beheagderen. — er, rs, ,eheerder; nifzuiger. — y, R. seeht, coryneiterie.
ter, -sehutter, archer, bow-man. -sckot, bowBoll en, or. w. to fell; to haul, to hale; on. w. shot. -gelling,. arcade. , -verieter, bow-, bayto please. -etje, o. little hall, globule; clever window. -eorrarg, born-shaped, arched. -awns, boy; - hnofloalt, clo'e of garlic. -swijze, by. & bw_. arched; animism. ituInter, or. green shell, hunk, cod, peel; chaff; Boons, m. tree; pole, beam; bar, boom. var. den pillow, bolster. -en, on. W. to shell, to peel. /wages teren, to run through 011tni property. Boon, v. bomb, shell ; bung; whapper. -been. de kat nit den - kijken. to watch an opportuswollen leg. -gat_ bung-hole; pent-hole. -betel, n i -agaat, arbore.scent agate. -bast. bark. mortar. -echuit , fishing-:oat. --erti, bomb- btad, leaf of a tree. -boor. pump-borer. - brand, proof, fire -in a vtood. -eat, graft. -enter, grafter. on. w. to ring. BOCreb&MMelt, - enterii, nursery. -euvel, canker. -gaard, orBombard sander, m. bombardier. -eeren, or. chard. -gaardenier, arborist. -gaardoe/t, fruit, w. to bombard, to IPitt,r, -eergalhot, bombfruits. -pans, breast-goose, barnacle. -geld, ketch. -ernent, o, bombardment. -irr, m. bonaboom-monryi toll. -gewas, shrubs; tree-fruits. hurdler. -godin, -aim!, dryad, hanudryad. -grendel, litornbawle, v. lure. bolt. -hakker. wood-cutter, feller; wood-pecker. liontbrrat, tn. bombast, fustian; humbug. -Lana, -sehuit, canoe. -keener, arborist• -ketetatit0.)A -gldes. e. frutiatt. ver, may-bug, cock-chafer. -kick, boom-bell. Human el, rr, bung, plot. -en, on. w. to sound -kluiper, tree-creeper. -kunde, dendrology. (like an empty barrel). -kweeker, nurseryman, arborist. -kwecker(), Bon, m. voucher, check, ticket. nursery-garden; culture of treas. -has, treeBonbon, o. sweet meat. louse, puceroa. --markt, tree-market. -mos, Bond, in. confederacy. o. Zie Verbond -bock, book of the covenant. -breker, -sehen- tree-moss, -olie, olive-oil, sweet-oil. -soft, der, covenant-breaker. -breuk, violation of a tree-fruit. -paal, prop. -palm, palm-tree. -pikleer, wood-pecker. -planter, planter of trees. eowtrant. -brukig„ violating a covenant faith-rijk, full, of trees. -schender, injurer of trees. lena. ally. confederate. -genoateehap, -ackenderU, damaging trees. -school, nursery. alliance, confederacy. -kW, ark of the covenant - serift „ covenant, bout -zegel , sacrament. -whorl, bark. -8/uiter, boom shutter. -sluicing, boom-shutting. -sandier, ;pruner, to per. -stem, -.lag, diet. -Wad.. federal town, -stroepen, trunk. -sterk, very strong, sturdy. -stronk, federal troops, - army. -svergadering, meeting stump of a tree. -tak, branch (bough) of a tree. of the confederates, diet. -sveating, federal -yak, tree-falcon, hobby. -earn, oak-fern, post ronghold. lypody. -veil, ivy. -vrucht, tree-fruit. -wackter, Et pining, be. & bw. valid (-1y), irrefiagable (-blyl, zie Boonasiniter. -wager., truck. -was, mumconclusive (-Iy), firm (-1y), strong (•1y); concise my, grafting-wax. -tvol, cotton. -main, agaric. (-ly), compact (•4), euccinct (-ly). -held, v. va-acktig, be. arborsous, atborescent. -en, ov. lidity, firmness, strength; conciseness , comw. to push with a pole, to pole. -ig, bv. arboreseaciness. cent; full of trees; zie Eggig t Bonk, in. big pereor..; hob-nal, churl; jade. -, hone.. -en, or. w. to belabor, Boon, v. bean. in de -en rOn, to be mistaken. v. large bit, -akker, -einem. nettle-tree. -ento knock. -ig, to. bony, fall of bones. halm, bean-stalk, straw. -erikruid, aavnry. -enBonnet, v. bonnet. rap; bonnet, small sail. rank, tendril of beans. -enstaak, stick (prop) lions, v. bounce, thump. de - kriigen, to be for beans. -enstroo, bean-straw. -enve:d, beanturned out, - disrnisse,:. field. Bout, by. party-colored, motley, spotted, speckBoo, v. borer, piercer. gimlet., wimble, drill. lcd, variegated; pied, piebald; illgroote -, auger. -bank, boring-lathe. -Over, suited, medley. - en blame, zie Blond. het to bit. -meal, borings, bore-drct. -wive, fore- maken. to go too far. -kleurig, zie Dont. pie roe. -epaan, bore-chip. - ekere, red and white cherry. -ekraai, hooded Boord, m. border, edge, brim; margin, brink, crow, wintsr-crow. --heia, v. piscine.. bank; seam, welt, hem. o. board. aan -, o. fur, -mut, , far-cap. -werk, paltry, aboard. over - tcerpen, to heave over board. furs: -reerker, furrier, -winkel, fuvrier'e shop. clan - liggen, to lie alongside of. nun -korner', -en. bye. furred, fur. to fall aboard. Gan hanger - sijn, to thrive, to elicnzen, or. Ee on. w, to bounce, to knock. enjoy an ample competency. -lint, lace galloon. Hootleetrnp, u. nemntge, errand, call. irmancl -geol., brimful. -evollptje, bumper. -en, ov. w. eene ere, zenden, to send word to a. o. does, to do to go on) an errand. eene iaten to border, to edge, to ladt,to seam, to hem,to skirt. doer, to send on an errand. betide -, glad ti- -eel, o, edging. lace. eines, the Gospe:. Maria -, Annunciation-day. fluorin, v. overflowing of the gall. Manure -, sleeveless errand. -jongen, -1noper, Boon by. & bw. stitked (-1y), bad (1y), evil, ill; angry (op, with. over, at), angrily, in a passion. errand-boy, -goer. -pen, ov. w. to bring vord, -aardig bV. & bw. malicious (-1y). -aardigkeid, to inform of, to announce. -per, m. -ster, v. malice. -doener, m. malefactor. -head, v. wickmessenger, announcer. -ping, v. message. edness, malignity, anger, passion. -teicAd, m. Bong, m. bow; arch; cross-staff; curve,'segment, -brag, arched bridge. -dak, arched roof. -ge- villain, wretch. Boot, T. boat, skin, yowl; lockets gvoote wel f , arched vault. -hout , yoke-elm-wood.
Antekdotte, v. anecdote. Atterrtosru, v. anemone, wind-flower. Angel, m. angle, sting; beard; hook; caltrop. Avogee, m. anguiall„ anxiety, agony. —geselteei, —Icreet, cry of distrees„ lamentable outcry. — tweet, cold sweat. —0., bv. &bw. anxious ( - ly), Fearful (4), uneasy; zieh ',taken, to glow uneasy. —caZlig, by. & bw, anxious (ly), scrupulous (.1y). — valligheid, v. anxiousnets, ecru.pit; ousnesc

Mocht Cryptocurrencies worden beschouwd als een kasequivalent


Stip,' (sof', s, student in net tweede jaar. doen kltnken; blazentuitbazninen; peilen, loggen, sophIs m (sorizmi, s. drogrede, -4, -ter, s. 100ihert; v. rt, klinken, !calm], -ing, tt. kiln. drogredenaar, sophist. bend. s. peiling; -board, klankbord; zangbodem; Sophiatic (so•fietik), -al, a. -ally, ad. spits- dieplood; -line. lootiltin. -legs ft, (-ti-keet), v. ;ter - bediiegelijk. - ate (-lengz), pl. ankergrond; peiling, to loose - . vals,hen. -ate (4t.ket), a. vervalscht. -ation geen grond pellen; to strike grond peilen. (41-k,e'siun), a, N'emilsching. -star(-ti-kee-tur), -less, a. toonloos; peilloos; ondoorvandelijk. a. vervals , her. -71e88,, gaefheldi sterkte; juistheid; zuiverheid; grrondgebled. Sophistry (s0Mo-trill) ; a. valsehe rodeneering; Soup laoep), a. soap. - basin, terrine. aerenieg in de logien. S1,porif erous (sop-o•rit'ur-us), -ic a. slaal, Scour (sane), a. - ly, ad. zuur; bittensmarteltjk; knorrir, gemelijk. verwekkend. - ic, a sloapmiddel. roar. - trout, - krout, zuurkool. -faced, zuurz5lend. -gourd, apenboom. Soprano (su-pra'no), n, soprnon, bovenstem. Sorb (orb'), a. -apple, ,ogelbes. s. -tree, -gun, waterboom, -sop, getakte fle,sehenboom; sorbenboorn. more Appel, zuur stukje. -, V. a. & n. zuur (yeSoccer ez (sor'sur ur), s. toovertaar. -earl, a. melijkl msken !warden). -ish, a. zuurachtig. tooveres. -y, a. tuaaerij. -ress, a. zuurheld; bitterbeid; gerneliakheid. Sordid (snedid), a. -ly, gemeen, Source (Boors), s. bran; oorsprong. vuttheid; laagneld, Seance (Salta), a. petal; zult; neerschieting. -, a. snood. vrekkl, -nevi, v. a. pekelen, inzouten; indompelen; hevig stooeno , dheid; vrekk;glieid. a. demper. Sordine ten; v. n. nederochieten (down). -, ad. senazezr, pijnlijk; hevig; ge- klapr, , piotseiing. Stern- (soar'), a. & zepr; zweer; piP); South (south"), s,zuiden. - by east, raid ten oarvoeliK; ten. - by west, raid ten neaten. -, a. zuid-, vierjping here. -nest, s. pijnlijkheid; hevigheld, colder.- -pole, znider aspunt. -sea, zuldzee. liehtg,,taittheid. Sorner !saor'nur), s. indringer, ongennad gnat. Sotztli-ent.t (eauth-iestii, a. zuidoostsn. - erly, - ern, a. zuidowtclijk. Sororicide olo•rorl•sajd), a. zustermoordi zus- Soalit erly (suill'ur-lita). - ern, a, zuidelkik. termoorder. - ern - wood, everolt. - erner„ s. bewoner van hat Sorrel taor'rill, a. rot, rosachtig. - , s, roskieur; zuiden,•-ing (sauthleng), a. zuidelijke rlchting. vos (psont; wring. Sorel ray (aor'rii-Jih), ad. 'Lie Serry. - ness Sontbword (sauth'viurd), - 8 (•wardz), ad. ellendigheid. zuidwaarts. (-ri-neat'), Sorrow (sor'ro), s. droePh i t, hammer; iced- Soolb•went fsauth-went') a. zuidwesten. v. at. zich hedroeven, leedwemen ge - -ern, s. zuidwestelkjk. wezen. voelen (over). - fat, a. - fully, ad. ',en:1g, be - Sovereign. lauv'ur-ink a. - ly, ad. oppermachtig, s. opperheer. alonbeperkt, opperst, loogst, droetd. -fulness, n. trearigheid, bedroefdheid. leenbeerseher; souverein. - ty, a. oppetniaeht; -less, a. ounekornmerd. onbermrktheld. Sorry (sor'ritt', a. treurig, bedroefd tut. for. oft; ormzoli,:, I any (feel) - for it, het Sow (.11'1, s zeuir; pissehed; klomp, blok; tobbe. ellencir -baby, speenvarkeu. -bane, ganzenvoet !plant). split nail. -bread, varkeesbrood. -gelder, varkenelubber. S ort ,sort',., s.soort; oat* slog; wijze; Masse, rang, ganzendiatel. eenigermate. -pig, zeugbir. stand; rut, parr; Int, in some, S ow (Sc) ' [snared. 80WH, (sooni], v. a. & n. , niet wet ztio;Kellaelii! to be ant cf., zaalen, berseien; uitstrooien, bestrooien. - er, v. a. oncte,en; olcondereo, rorgsehink,n; verbinden; v. u. zich a, zanier; ultstrooier; aanatoker. zoeken, uitkiezen vern7nden, overeenkomen; pt.,sru; gebeuren, uit- Soy (an)), n. soja. vallen, skger, - able, a. to sorteereil. - ante, s. S41.4:7.10 (s0eZt), 8. abet, 810116. gepamtheid. Spnre (specs), e. rotate; tijdsbestek; epacie. s .1 ating. - ition Spit (spoil), u. a!gemeene cram voor bronnen van Sua'i ick miveraal water, bodplants. a. aau,Azing: door bet lot. - anent, S. sorteering, Specious (spee'sjusy, a. - ly, ad. tuba, assorttment. S00.4 (noon;; v. n. aehteloos gaan mitten. uitgestrekt. - ness. s. uitgestrektheid. Sot (sW), s. oat; - , v. a. verdooven.' Spnridle (soed'd1), a. schopje, apatel. vevatornp n; v. at.cieb beauipen. - tisk ,a. Spade (speed' ►, 13. spade, bebop; sehoppen; gead. mot. darn; besehottken. -tidiness, c. zothele.; diet. -bone, sehouderblad -tut, (eeno) be-•chunkentieid. spade-vol. -, v. a. & n. spitten, omspitten. s. onderaardsche waterleiding. Spndle,00s !ape di'j'ua). a. lichtrood. SOUgh Soul s. ziel. -bell, doodklok -eheer:ng„ S1,4.11111, (spe-dir!, s. sehoppenass. s - comforting, hartverheffend. -felt, diep Hat fsped'cji-riotl, s. scheikundige. -mass, zielints; Allerzielen. -sick, zte.. new spehee, Spoilt (spee'hi, spn'hi), S. Spahl, dem great. -trouiile, zielsangst. -ed (soold), a, tarksehe ruiter. bezaeld. -leas, a. zi•lioo3, Spoil Ispaoll), a. sehouder; swum. (sounds', a. -ly, ad. gezond, rata; vast; Spelt (spaolt, a. spalt, steensoort). Malik, span (open'), a• span; ophouder, strop; boric Gtertr, kraehtig, duchtig, grondig. Keltud, toon; inktst..n; thehtuan.; road, zee- duty. -e/ean,kraakzindelijk.-counter,-farthing, engte. -board, klankbord; zangbodern. va.• i kuiltjesspei. -long, eene span lang. -new, splin-

ASS.—ATT. tegenwoordig zijn. —anee, e. bijstand, hulp. Astrut (e-strut' ► , a. zwellend; deftig. —ant, a. behulpzaam; a. helper: cmstander: on- Astute lea-tjoetl. a. loon, slow. Asunder (e-suu'dur), ad. vaneen; in tweeen. dermeester. Assize ies-sajzi. s. vaatstelling van gewicht, prij- Asylum le-sarlum), a. schuilplaats; verpleeggesticht. lunatic —_, krankzinnigengesticht. zen, ens. —, v. a. zetten, bepalen, —r (-saiz'ur), a. zetter. —8 1-sajerz), s. rechtszitting. court of At (et), prp. te. op, b ij, near, on, over. met. —the most, hoogstens. to be — it, er aan zijn. —a, hof van assist's. Associn hie (es-so'sji-ibll. a, gezellig. —te (-et), Atheis m (ee'thi-izin ► , a. godloochening. —t, a. ongodist. —tic, —tical 1-is'tik1-(, a. godverzakeod. s. metgezel, makker; deelgenoot; a. verbonden. —te (-eat), v. a. ve,gezellen, begeleiden; v. n. zich Athirst (e-thurst'), ad. dorstig. verbinden. —lion t-ee'sjuni, s. vereeniging; corn- Athiet e (eth'liet), a. woratelaar. —ic (eth-let'ik), a. zeer sterk. pagnieschap § —tional (ee'sjun-el), a. eene ver- eeniging betreffend. Athwart (e-thwaort'), ad. overdwars. Assonan s. gelijkluidendheid. Atilt (e•tilti ad. met gevelde lens; op den kant• Atlas (et'les), a. atlas, satijn. —t. a. gelijkluidend. Assort (es•sort'), v. a. aorteeren. —meet, s. tor- Atmospher e (et'mos•fier), a. dampkring. —ic, tearing. —ical (et-mos-fer'ik-,, a. van den dampkring. Assuage (es•sweedzy), v. a. lenigen, bedaren; Atom let'unl); s. ondeelbaar stofje. —ic. —ical v. n. korting toestaan. —meat, s. leniging; ver- (e-tom'ik-),, a, atomisch. —ism, a. atonienleer. mindering. —r, a. leniger, enz. Atone (e-toon'), v. a. verzoenen; v. n. (for) boeAssuasive (es-swee'siv), a. lenigend. ten. —meat. a. boete; verzoening. Assum e (ea-sjoern'), v. a. aannemen; zich aan- Atop (e-top'), ad. van boven: in top. matigen; v. n, aanmatigend zijn. —er, a. a.- Atrabil arious (et-re-bi-lee'ri-us), —ions (bit' meager; verwaand mensch. —ing, a. verwaand; juts), a. zwartgallig. aanmatigend. Atrament a1 (et-re-men'tel), —ous, a. inktachAssump sit (es-sum'aitl, a. mondelinge verbin- tig; zwart. tenis. —lion, I. aanneming, onderetelling; he- Atrocious (e-tro'sjus). a. —ly, ad. afgrijselijk. —ness. Atrocity ie-tros'it-itila), s.afgrijselijkheid. melvaart (van Mona). —live, a. aangenomen. Assur sauce (es-sjoer'ens), a. verzekering; ye, Atrophy (eVro•lih), a. .kwijning. troussen; fierheid, driestheid; assurantle. —ance- At tach (et-tett.1"), v. a. vasthechten: in beslag-, office, assurantie-kantoor. —e, v. a, verzekeren; in in hechtenis nemen; gehecht maken. —meat, s. stellen. —edly ad. voorzeker. —edness, herring; verknochtheid. v. a. aanvallen. s. zekerheid. —er, a. verzekeraar; assuradeur. Attack (et-tek'), a. aanval. s. ster- Attain (et-teen'), v. a. verkrijgen; v. n. bereiken Aster ies'tur), s. aterrebloem —isk retie (.). —ism (-1U11), 8. geeternte. (to). —able, a. bereikbaar. —der, a. overtuiging; Astern (e-sturn'), ad. aan het achterschip. schandvlek. —meat, s. verkitging; bezit; belest'rne), a. aamborstigheid. —tic,—tical gaafdheid. —t, v. a. schandvlekken; amaden; (est-met'ik-I, a. aamborstig. van schuld over tuigen. —ture (-tjoer), a. achattdAstonish es-ton'isj), v. a. verwonderen, ver- vlek, beschuldiging. bazen. —ed, a. verwonderd over. (at). —ing, a. Attenaper (et•tein'pur), —ate, v. a. matigen; —ingly, ad. verwonderlijk. —meat, s. verwonde- inrichten. Attempt (et-temt'(, a. poging; onderneming. —, ring, vexbazing. Astound (es•taaund'I, v. a. verbazen, ontzetten. v. a. & n. trachien, beproeven; ondernemen. Astraddle (e-stred'd1), ad. schrtlings. —able, a. onderneembaar. —er, a. ondernemer. Attend (et-tend"), v. a. bedienen, vergezellen; Astragal (es'tre-gel., a. zuilkrans. Astral (ea'trel), a. de aterren betreffend: vol bi)wonen; afwachten; v. n. opmerken, acht gesterren, yen op (to). — to one's devotion, zijnen godsAstray (e-stree'), ad. verdwaald, van den weg dienat waarnemen. --ance (-ens), s. bediening; af. to go — , verdwalen, to lead —, op een dwaal- gevolg; opmerkzaamheid. —ant (-ent), a. bediespoor brengen. nend; vergezellend; a. oppasser; bijwoner. —ants Astrict (e-strikt'), v. a. samentrekken. —ion (es- (-ents), s. gevolg, stoet. trin'sjunl, s. samentrekking. —ive, a. semen- Attest (et-tent'), a. oplettend. —ion, (-ten'sjun), t rekkend. a. oplettendheid. —ive (-tiv), a. —ively, ad. opAstride (e-strajd'), ad. schrijlings. lettend. —iveness, a. oplettendheid. Asir/lige lea-trindzr), v. a. samentrekken. —racy Attenua ut (et-ten'joe-ent), a. verdunnend. —te, (-trin'dzien-sih), a. aamentrekkend vermogen. a. a. verdunnen. —tion (- ee'sjun), s. verdunning. —at (-trin'dzjent), a. sainentrekkend; a. samen- Atter (et'tur), a. ettcr. —ate, v. a. & n. aanslibtrekkend middel. ben. —ation (-ee'sjun), a. aanelibbing. Astrolabe (efetTO-leeb), s, astrolabium. Attest (et-teat'), v. a. getuigen. —ation (-tee'sjun), a. betuiging; getulgschrift. Astrolog er (es-trol'ud-zjur), s, sterrewichelaar. --ical (es-tro-lod'zjikl), a. astrologisch. —y Attic (et'tik), a. vliering; a. attisch. —ions (et'ti(-ud-zjih), a. sterrewichelarij. aim), a. sierlijke uttdrukking. Astronom er lea-tron'o-mur), a. sterreltundige. Attiguous (et-tirjoe•us), a. belendend. —ical (es-tro-nom'ikl), a. sterrekundig. —tze r Attluge (et-tindzp, v. a. aanroeren. —y, a. (-7118iZI, v. n. de sterrekunde beoefenen. Attire (et-tajr'), s. kleeding, opschik. —, v. a. kleeden, uitdossen. sterrekunde.
—tong, zit Flisetn•r. —er, m. —tier, v. coaxer, Fiuksch, be. clever, dexterous, expert. FLUT, Fluteliers, bw. presently, anon, by and by. fawner, wheedler, —er(i, v. coaxing, fawning. Fluureol, o. velvet. —bloem, amaranth. —boon, Floor, v. clot, giglot, dowdy. velvet-tree. —werker,velvet-weAver. —acklier, —en, Fivers, m. flap, blow, slap, be. & bw. phlegmatic be. velvet, velveted, velvety. Flagrone, o, phlegm, —tisch, o. weasel. (-ally). Fnlexen, on. w. Zie Flenters, in. me. Zie Flardera. Flap, v. mallet, infant's cap. non de — si,n, to Fnulk en, ov. w. to clip the wings to, to break, ion given (addicted) to drinking, —pen, no. w. to check, to stop. —big, v. clipping the wings, breaking, stoppage. Lie Fe pen. Footless', n. race. FierecUs, o. gout. Fleacle, v. bottle, flack, flacon. op flessehen trekkers, Foe, tew. fy t for shame ! to bottle. Leidsehe —, Leyden ar. op as — zips, Foel le, v. mace; foil, silvering. —'fa, ov. W. to foliate, to silver (over). to be ruined. —je, o. phial. Fileaseke lbak, ie, o. bottle-tray, -stand. —ebar. Fok, v. fore-tail; spectacles. —bebrav, fore-brace. stet, bottle-brush. —ebiater, —maker, bottle- —bentast, fore-matt. —keret, fore-yard. --barest, maker. —nbeider, bottle-cate. —nrek, bottle-rack, fore chain-wale. —keiehoot, fore-skeet. —kestag, ', Sets, be. faded, pale, pallid. —heid, v. paleness, fore-etey. —ksateng, fore-topmast. Fokit en, ay. w, to breed; on. w. to wear specpalildnses, pallidity. Fleur, m. bloom, prime; flourish; mirth. —, v.. taclee; to drop out, to stink off. —er, m. breeder. fishing-line. —en, on. w. to fish with a tine. —erif, v. breeding' of cattle. —ig, by flourishing, sprightly. —igeeid, v. flour- Foteu, ov. w. to handle, to paw; to vex, to tease, ishing et-ate, sprightliness. Foil nut, m. folio, folio-volume. —eeren, or. w. FIliellool en, ov. w. to cola, to fawn, to to page. —o, v. folio, page. wheedle, to cajole. —er, m. — afar, v. coaxer, Falter ear, in, torturer, tormentor. —en, ov. fawner, wheedler, cajole, —eri), v. coaxing, to torture, to torment. —bank, rack, torture. fawning, whue ;Mug, cajoling, instruments of torture, —jog, v. torture. Flak ken, or. & on. w. to gplees to patch, to Fontwel ee r, m. fumbler, rumple, —en, ov. w. cobble. --er, ra. piecer, pate, er ; caper ; ten — to fumble, to rumple. —ing, v. fumbling, Elwin, to cut capers. rumpling. Filkkoe en, on. w. to glitter, to sparkle, to Fundament, o. foundation, fundament; bum, arse. glare. —leht glittering light. —roar, finch, gilt- tering fire. —ing, v. glittering, eparkiing, glimpse. Fonds, o, fund, stork, capital. —en, ma. stocks. public funds; capital. Fllketer, v. Zie Flakker. Flank, be. & bw. clever (-ly), brisk (-1y), lively; Tonkel en, on. w. to sparkle. —nieuw, bran-new, spick-and•span new. —ing, v. sparkling. very well . Fontein, v. fountain, well. —oder. fountain-head. Fitts, m. dart, arrow. Flodder, in. dirt, mire. —bleed, loose garment. —bask, —Lane, basin of a fountain. —bale, —boo, stacking that hangs down upon the heals; pipe of a fountain. —water, spring-water. sloven, slut. —natie, fougade. —weer, slut. —meta, FonttseCI, v. fontanel., issue. loos cap. --roe, sloven- --en, on. w. to dangle, Fool, v. fee, veils, drink-money. Fop peso, ov. w. to cheat, to mock, to hoax, to to flap; to bungle; to splash trough the mire, quiz. —per, m. —ester, v. cheater, wag. pert), v. Floers, o, crape; veil, shadow. Flonker en, on. w. to sparkle, to twinkle, to cheating, banter. glare. --Licht, sparkling light, luminary, —ater, Fort.l, v. trout. v. sparkling, Formant, o. form, size. —repel, stamp, twinkling star; luminary. Fortune!, be. & bw. formal (-ly). twinkling, glare. o. ferret. —garen, fer- Formeer der, m, former. —en, ov w. to form. Floret, a. foil, floret. —ing, v. formation. ret-thread. —tint, ferret-ribbon. —side, ferret- Forum' e, v. formula. —ier, o. form, formulary; Bilk. fiere•-silk. —ten, be. ferret. —gebed, formulary-prayer. FlorLJn, m. florin, Fornsie, o. furnace; kitchen-range. F10118, v. pretext, shift. Forsch, bv. & bw. robust (-1y), stout (-1y); %tern Flonw, v. snipe -net. Fiala", v. phlegm. —aohtig, be. pltaitous, phleg- (-1y), harsh (-1y). —held, v. robustness, stoutness; sternness-, harshness. made. —en, on. w. to expte.torate. Fluileter tsar, in. —aarster, v. whisperer. —ex, Fore, o. fort, fortress. ov. & on. w. to whisper. —ing, v. whispering, Fortuln, v- & o. fortune. --roeker,fortuue-hunter, adventurer. whisper. foselle. Fl v. fine, de — fawn, Gp de — opelen, to Foselel., by. & o. testa, site. v. forage. —ageeren, on. w. to forage. play the flute —does, •—baker, flute-box, Mite- Four —ier, m, forager, quarter master. case. —olas, long necked glass. --eehle, flute. Font, v. fault, mistake, blunder. sender —, —spa, flutirre. —sprier, flute-player, fluter. —en, & on. W. to clay on t•e flute, to whistle; out, fail. certainly. —ief, bv. faulty. to hiss; to sing (van vogels). —er, m. 'whistler. Frani. by. & bw. handsome (-1y), pretty (-fly), fine (-1y). —had, v. handsomeness, prettiness, —je, o, whistle. beauty, —tjes, be. prettily, nicely. bar. Immediately, quickly.

Wat is de beste e-portemonnee cryptogeld


ilagwr (hee'gur), w. Hagar. Hague (heeg), g the —, 's Gravenhage, den Haag. ilinilibrots(heePhron),g. Heil bron. Hsiesanit (heen'aolt). g Henegouwen. 11 . 1 (hel'), f. voor thnry; Hein. —ifax (-1-fekn), g. Halifax. Clam (hem'). m. Cham. burg (-burg), g. Ha.nalArg. Hanna (hen'ne), w. Hannah. Hanover (hen'o-vur), g. Hanover. —ian (-vi'rien), a. Lionnover,ch; i. Hanovcraon. Manse (hens), h. Henze, Slants (bents), g. Hampp hire. Har dy (hear (1, h), m. Hardy. —man, m. Herman. (her'util), m, Harold. --pies (-pi-lez), my. Harpijen. Harr it (heart-et), --(at (-ri-ut), f. roar Henriette; Jetje. —is, in. Harris. —y, f. roar Henry; Hein. Harvey (haar'vlb),m, Harvey. Harwich (her'itsj),g. Harwich. Hastings (hees'tiengz), g, Hastings. illas'araufth , he-ven'ne), g, Havanna. Havre (haavr), g. Havre. Hawthorne (hao'tburn), m. Hawthorne. Hayti (hee'til,g. Haiti. Het. (hi' bii, my, Hebe. 1114abridei(heb'ri-d.ez). g. the —, de Hebriden. Hecate (hek's-tt, hek'et) s my. Hecate. Cleric (hek'iv,), g. Recta.

cryptogeld-update


COB —I/A.D. 429 Contra! a, v. control. —eeren, ov .w . to co ntro1.1C onisis, v. Brougham, coupt; coupee. —eur, m. controller. Coupeeren, 0V. W. to cut. Conyers att., v. conversation; circle of acquaint. Couplet, o. couplet, stanza. a -ace. —earen, on. w. to converse. Coupon, v. coupon, dividend; cut. COUVOtS10, v. conversion. Courant, by. current. —, v. newspaper, gazette; emperor. by. coquet, coquettish. —te, v. coquette. cu :trency; zit Kraut. —ter, m. gazetteer. —erie. v. coquetry. —.leaven, on. w. to coquet. Courtage, v. brokerage. Cordaat, by. & by. resolute (-1y). —held, v. Couvert, o. cover. resoluteness. Credit, by. & o. credit; Cr. (creditor). in het — Corporals', o. corporal. brengen, to pass (to place) into the credit. —ziide, Corporal'', v. corporation. credit. —egrets, ov. w. to credit, to give credit (met, for). —ear, Dr, creditor. Corpulent, by. corpulent. —ie, v. corpulence. Correct le, v. correction, revbion. by. Creooi, m. creole. corrective, relative to miedemeenors. --or, m. Crimlneel, by. & bw. criminal (-Iyi. rf;rit, caiine , v. crinoline, corrector, reviser. Correspond eeren, on.fe. to correspond. —cot, Criodo, v. crisis. m. & v. correspondent. —entie, v. correspondence. Crit sous, m. eritlte. —iek, v. erit!que; criticism. Corridor, o. corridor. --itch, bY. & bw. critical (-ly), —iaeeren, ov. w. Corrigeeren, ov. w. to correct, to revise. to criticise, to review. Cortes, m. mv. Cortes. Cabo.. m. cube. Coryphee, 02. coryphens, Cuitour,v. culture. Coaneetleik, v. co , Tnetic. Coral eels, v. guardianship; order — steals, to Cosine graphic, v. cosmography, —logie, v. have a guardian. —or, m. guardian, curator; assignee, trustee. cosmology. —pallet, m. cosmopolitan, cosmopolite. —ratite, o. cosmorema. —a, Di. COSMOS. Cornier, by. italic. —,o. italics. b w. in italles. Curios, m. course. Cost) (ft), bw. of (at) your place. Cosios, Oporter; catchword. Costumes. o. costume, dress. Cycloop,rn. Cyclops. Coteiet, Y. cutlet, chop, eteak. Csaar, tr. czar. Coterie, v. coterie, clan, set, circle. CotIllon, ra. cotillon. C earfu, v. czarina. Coollose, v. movable scene, side-scene.

Hoe kan ik aan de slag in cryptogeld


I vuuraanbidder. I Fir a (faje), v. a. afvuren; afateken; in branasteken, aanvuren , aanhitsen (with). —, v- n. vuren, losbranden, (at, upon;. --er, s. afvuurder; brandstiehter. —ing, s. brandstof; (het) vuren; — iron, (fajn'), a. —ly, ad. lijn; seherp; ruiner; fielder; school', fraai; iteurig, net; praehtig,1 brandijzer (der boefsmeden). pronkerig; alien. — fingered, net ikunsiig)bewerkt. Firk (lurk), s. slag, klap. —, v. a. elaan, kas.—shaped,schoon gevormd. —spoken,welbespraakt; tijden. s. tijn- Firkin (fur'kin)„ a. kinnetje; vaatje. manzaarn. -spun, slim .erlegd. held; fraaiheid; loce,heid. —, v. a. vezfijnen, :Firm (furm), a. firma. Firma (fares'), a. --ly, ad. vast, heciata standvaszuiveren, lonteren. tie. ; vastberaden. --, v. a. vaststellen; beveatiFiitetiruw Liar.] v, a. uiteren (laken); gen. s. vastheid, heehtheid, standvasmecca. --er, a. lakenstoppe,; mazer. ; tigheid. Finer (fain'url, s. smelter, 'outer., Finery 9,fajn'ur-rth), s.pronkarij, opsebik; smelt- Firmament (fueme-ment), s. uitspar.sel. —at (-rnent'el), a. hemelsch. oven. First (burst'),ti.eerste,voursterroegste.—,adeeerst, Finesse (tfTes'), s. loosheid; list. ten eeetate. at —, aauvankolijk. —begotten, —born, Villager (fing'gur), a. vinger. to hare a' thing at —bousd,, a. cerstgeboren; a. eermtgeborene. --cost, inone's — s'end, tete. op zijn duimpie keowprn,. —cousin, voile neer nicht). —fruits, eteeravarert. man.a! )Utz cane vittol). reedschap.
NIC•—NOG. 196 derd en tachtig. —teen (-tien),Lnegentien,—teenth Nickel (nil-f1), a. nikkel (zeker metasl). (- tienth), a. negentiende. —tieth (-ti-ith), a. neNick er (nik'ur), e. gauwdief; knikkerkuiltje. -ing, a. het angliseeren (van paardestaarten). gentigste. —ty, a. negentig. a. Ninny (nin'nih), e. —hammer (-hera-mur), a. stof—nack (-nek), a. snutatertj, beuzeling. fel, bloed, cut. spotnaam; v. a. een' spottraam geven. Nicotian (ni-ko'ejen), a. van den tabak, tabaks-; Ninth (najnth'), a. negende. —4, ad. tennegende. Nlp (nip'), a. neep, kneep; beet; steek, schimpa. tabak. a. %let ate (nik'teet), v. n. knipoogen. —ation (-tee'- scheut; verschrompeling (van vruchten). kntjpen, klemmen; bijten; sntjden; een' steak Olin), a. (het) knipoogen. —state (-ti-teet), v. n. ; bederven (door onder water geven; . knipoogen. kende); opseizen, beknjpen. —per, a. nijper; your-, Nide (najd), a. neat, broeisel. melktand (van een paard). —perkin (-pur-kin), Nidget (nid'ejit), a. lafaard; bloed, sul. !Udine& to (nid'if-i-keet), v. n. neaten bouwen, a. kroeeje, wippertje. —pers (-pure), pl. niiptangetje; haartang; seizingen van de kabellaring. nestelen.—tion(-kee'sjun),s. (het)neaten bouwen. —ptngly (pieng.), ad. bljtend, seherp, schamper. nesteling. Nidor (naydur), s. reek; braadlucht. —ous, a. Nipple (niVp1),s.tepel. —sben,napschelp.—tcort, naar gebrand vet emakend (riekend).tepelkruid. NIdula nt (uidloe-lent), a. in dons (wol) liggend. I Nit (nit), s. nest. Nitency (narten-eth), a. glans; poging. —tion (-lee'sjun), a. nest-, broeitijd. Nitid (nit'id), a. bllnkend; levendig. Niece (utes), s. nicht, oomzegster. Nlggnrd (nig'gurd), s. vrek. —, a. —ly, ad. vrek- Nitter (nit'tur), a. bored. inhaiig. —liners (-li-ness), —nese, s. vrek- Nltr ate (naftret), s. salpeterzuor. —e (-tur), a. salpeter; —works, s3lpetergroef. —ic (-trik). a. kigheid, inhaigheid. salpeterzttur. —ify (-triNiggle (nig' l), v. a. voor den gek houden; v. n. salpeterachtig; faj;, v. a. in salpeter veranderen. —ite (-trajt), treuzelen, beuzelen. Nigh (nar), a. ad. & prp. na, naverwant; nabij, a. salpeterzuur tout. —ogen (-tro dzjen), a. etikdtchtbij. well —, btjkans. —4, ad. lAjna. —ness, stof. —ous, —y, a. salpeterachtig. Nitty (nitlih), a. vol neten. a. nabijheid. Night (nait'), s. nacht; avond. at —, in den nacht. Niveous (niv'i-us), a. eneeuwachtig; aneeuwwit. to —, heden avond. last —, gisteren avond. Nixy (nikellt), s. spook. —angling, a. peuren, poeren. —bell, nachtbel. Ntzy (narzih), a. stoffel, stumpert. —bird, nachtvogel. —born, in den nacht gebo- No (no), a. geen. —, ad. neen; niet. ren. —brawl, nachtgerucht. —brawler, nachtloo- Nob (nob), a. hoofd, bol, knikker. —by, a kraper. —butterfly nachtvlinder. —cap, slaapmuts. nig, moot. —cart, drekkar. —crow, nachtraaf, —dew, nacht- Nobili ary (no-bil'i , e-rth), a. adelboek. —tate dauw. —dog, nachthond. —.dress, nachtgewaad. (-teat), v. a. adelen. —tation (.tee'sjun), a. ade-fall, het vallen van den avond. —faring, a. bij ling. —ty (-it-tih), a. adel. adeldom. nacht reirend; s. nachtreis- —fire, nachtvuur, Noble (no'b1), a. Nobly, ad. adellijk; edelAvera. edelman; nobal. —man, edelman. dwaallicht. —fly, mot. —foundered, in den nacht heven. verdwaald. —gown, slaapjapon. —hag, nachtheks. woman, adellidke dame. —nese, a. edelheid. —hawk, groote nscbtuil. —irons, baarrollers. Nobody (no'bu.d-ih), a. niemand. —man, eekreetruimer. —mare, nachtmerrie, Nocent (no'sent), a. schadeltjk; schuldig. —piece, nachtatuk. —raven, nachtraaf. —rest, Noctanabulation (nok-tem-bjoe-lee'ejun), a. (-tem'bjoe.list), a. (het) slaapwand'elen. nachtrust. —revel, nachtvermaak. —reveller, rin- nachtelij k geraas. —shede,nacht- alaapwandelaar. keirooler. schade. —stand, nachttafeltje. —tripping, des Nocti dial (nok-tid'i-e1), a. een etmaal durend. nachts rondwarend. —walker, nachtlooper. —ferous (-tirur-us), a. nachtbrengend. —lucous —wanderer, nachtzwerver. —ward, a. tegen den (•tirjoe-kus), a. des nachts sehtnend. —vagant nacht. —snatch, nachtwacht. —ed, a. donker,.duis- (-tiv-e-gent), a. dee nachts rondswervend; a. ter. —ly, a. nachtelijk; ad. des nachts; elken nacht. nachtloeper. —vagation (-ti-ve-gee'sjun), a. rondNightingale (najt'in-geel), a. nachte,gaal. zwerving bij nacht. N igr encent (naj-gres)sent), a. zwart wordend. Noctu ary (nonjoe-e-rih), a. nacht-rapport. —le • (-tjoel), a. groote vleermuis. —ification (nig-rit-i-kee'sjun), s. zwartmaking. NUM 1sm (naybil-izm), —ity (-hil'it-tih),s. (het) Nocturn (nok'turn), a. naehtdienst. —al ( r , niet; nietigheid. nel), a. nachtsltik; a. nachtkijker, astrola ium. %ill (nill), B. (het) vonken epatten. —, v. n. niet Nod (nod'), s. knik, weak. —, v. n. & n. kni ken, wenken; knikkebollen. —der, v. knikker; bulkwillen. will he, nill he, of bij wil of niet. keboller. Nilometer (naj-lom'i-tur), a. nidlmeter. Nimble (nit 'hi), a. Nimbly, ad. vlug, vaardig. - Nod die (nod'd1), a. kop, bal. — dy (-dih), a. dom. —footed, snel ter been. —witted, vlug van geest; oor, stoffel; witkop (vogel). Node (nood), a. knobbel, lmest. voorbonig. —ness, s. vlugheid. Nodos e; - (no-doos'), a. knebbelig, hnoestig, —sty Nimbus (nim'bus), s. straalkrans. Nincompoop (nin'kum-poep), s. bloed, sukkel, (-doe'it•tih), s. knobbeligheld, knoestigheid. Nodul ar (nocUjoe-ler), a, knoestig. —e (-joel), zotskap. Nine (najn'), a. negen. —fold, a. negenvoudig; a. a. knobbeltje, klompje. negenvoud. —pins, pl. Itegelspel. —score, a. hon- Nog (nee), a• houten drinkkan; bier; :schndstok, 

Doet Coinbase verslag aan IRS Reddit

×