Sprout (sprout), p1. koolspruitjes. I Squn ► noun (skwee'mus), a. schubbig; gesehubd. --, v. n. opruiteu, nitspruiten. ! Squ (altwon'dur), v. a. verkwisten, doorSp•uce (sproes% S. pekden. —beer, jopentier. brengen (away). —er, a. verkwister. —leather. pritiaiseh leder. —yarn, ruw garen. Square (sit we,r'), a. vierkant, kwadraat; carte, a. — ly, ad net, helder; opaeschikt. —, v. a. & n, vierhoek, ruit,vinkelhaak; kwalraatfxetal; plain; (rich) opschink., opdirken. —ness, s. netheid, ' regelmaatiposheid; eelijkheld; overeen%temming; opf4es2litkri,id. oprerhtheid. a. vierkant, reeh.thoekla, hoekig; Spew, isproc)„ 8 , spru, pas, juist, vor.dborstig, oprrcht. —cap, tittp, tapdek ploy.. —collar, staand2 kraag. —eross,v;ernant (!"Pr 11 ... , !.. a. bedrkivig; itrachtig, levendig. a. atompje. kruim. --frame-saw, schulpzaag. —meas.re, vier.. a. levoldig, hante s at. Spey (spr,t;, . vierkante —number,kwa• s. kart mos; wiedioe,je. Sped draatgetal. —rigged, razeilen voerend. —root, Spullier (spulluri, a. tpoel:roest, -, lvadraatwortel, razell. breetuk. —aterned, a, sehuini. --e. v. a. athuimen. Slurp!, e me, ten' plattan spiegel. racht. spant. a. sehn4. -riOloid; bchuming. —toe, ouderwetsch men. --tack, platte --escence 8011.1iI,Pd —yard, ra, the rechthoekig eon den mast hangt. Spur, (spun'), a. gesponnen. --- ;are, schiemano- —, v. a. vierkant waken, brassen; in 't vierkant Karen. brengen; atmeten, inrichten. PR8 maken,!to); v. n. lan Sc..ouge, Spinal e (splindzil. gel link.; (to) paved. hi); (with) overeen stemmen, Speo.n.r.rog-locoetacr. strooken met; twIsten. —ness,e. vierkantheid, Spunk (,,,,nglo",, zwriin, tor d,r;cermolind bout; s. twister. levenoghei d; irmrd. —g, a. lovendtg; moedig. Sytararrotie (skwer-rocs';), a. gekarteld, getand, vur , g. prikkel; span; slag. Spoor epur') R. Proor —gall, Squash (akwosj), a. lets zaehts of weeks; points. spoorwond: v. a. r•et de sparer kwetsen, po•n; onrijpe rrucht; groene aehil; ernak; kneu-leather,spoor!eder.—,,,I.”eorradertjc,--way, —, v. a. plat rolaan, — drunken, kneuzen, a. de ,poreti got.; aansporen (on); Squat (skwot'), a. hurkend; kort en dik. —, a. hurv. n. met speed re; zee. king; smak, vat: tinspaath. —, v. a. neersnukken; H. Spurge (ap,rdzi'). spriugkruid, wolfamelk, v. n. nverhurken, op de.hurken zitten; neersrnak-flax, —lance!. lirlder1,1, —row`, spurriewortel. ken; bezit ne.reen van peas Finders grond. —ter, a. —wart. zwa,rdlelle r.at.rilnrker; onbevoegd ontginner. a. --Vg„ ad. oueelit, Ter- § Squaw 'aiman), a. indiaanachs vrouw. sittpu•tou,4 (sp'joe'ri vaiseht, nglerna,kt.. ---,less, a. oneehtheid. Squeuk ('kwiek';, a. ail. acheeeuw; geknars„ geSpurting ,puelieng. ), v. n. gillen, sebreeuwen; knarsen, piePleP• pen, arpasen, —er, a. eller. Spur. (8 intrn"), act , . p,striad elli ke behandeling. —, v. a. rehopper, verechoppen: met veraehting Squeal a. gegil, geschreeuw. —, v. n, versmaden: v. a. schoppen, trappen; len. schreeuwen; kerinen. versmaden (at:; rich Nerzotten; achteruitslaau. Squenntlab (iiikwiatn'isj), a. licht misselljk, walgmis-er, s. achopper ; versznader. aehtig; overdreven gevoelig, keurig. lru^ real a. ge , peord, van cronn too, aelijkheld, walgachtigheid; overdreven geroeligbeid. zien. Spats c: P, (a pireritr), a. sporendrager. —ier (•ri-ur), Stgueeze (akwier'), a. drunking, persing••knenzinK• . a. spontinaker —y, A. RoUrTi., —, v. a. drukken, pars., kneuren; onderdrukSpurt (spurt), P. & v, r4ie Spi•t. ken; (up) aamenpecaen; v n. dringen, doordringen. -Ill (-11 , 71, pl. kneurer; pera; sehroef. Spi4i ter (spilt111r), a, spop:lael; ge.puw; Retie], —, v, a. uttspuwer; uttstootrn; v. n. spuweit: spat- Squib (sloyib), a. voetzneker.flikkerinaopotternij, ten; rsmrne:en. a. spu wee; rarnmelaar (in het g%hveo nt.s,chrift. —, v. n. atekelig zijn, scherpe zetten apreken). Spy (apai'), a. bespieder, Pylon. --, v. a. beWeden, Squall )ekwill), seeajuin; garnaal, krab; wslvischverspl,den; (out) u. tvorr- ellen; v. n. spieden, loc- , luta. Soullutrecy n altwin'en.sib), a. Zie Quinsy. ri, o; !intM ilitvor,chen. —1,0,adviesjacht. Squint (alswint'), a. ache. (loenschel MM.—, a. vevrenisi ker. save], lornach. — eyed, seheelsiand; sfgunstic Sflot rah islorob'), s. geulde zitting, kns en;jonge ruenseh. —shirker, Jong hors. —, v. e. ached zien. —ing, a. —ingiy, al. wheel, dull'; dik. nd.vnet eon' smak. gevuldeploei,cluivelipa , tei. met loensche blikken. Stoir,re Fil,ti•ajr), a. schildknaan; landjonker; ---,—bish,•-67. R. vat, (Ilk, k•alAlg, aed,lous. Stputtibt), :e s. twist; kloppartij. --, v. grondbezitter. —, v. n.• begeleiden, vergere1a. twiater; n t,isten, rlukhatca. S0'011•1111 (eliwurrn),, v. n. schuirelen;ziehkronkeder. Sw,d (mkwod') r s. rot, troer --inn (-ear) ; a, eska. ! len iala een tab , ; klauteren. drool; ekskader, arnaldoel. Squirrel (samieril), a.eekhorentje. — fish,blan.wkop can reehaara , . Swittild ,,slvol'0.), a. vuil, inorsig. —Rye (skwe- v.a. Squirt (skwurt'), a. spoilt; wateratraal. tilt , —nest, a. vuil held, niorsigheict. Squall (skwitoll'), s. gil; rukwind. —, v. n. gillen.. spuit,n; v. n. buikloop hebben; snateren, babbea stormachtig,butig. --or,, a. gil!er. inn. ---,I., a. spoiler; spuitgast. v. a, daorste(ht.'', s.,toototee)f, wood. morsighe,id. *f. Squalor isnwee'lor). e.

Wat is Bitcoin in het Engels


trotsch zijn (in). Gloss (glos'), s. ophelderende aanteekening; (uiterlijke) glans. —, v. a. toelichtcn; bewimpelen• glanzig makes; v. n. aanteekezingen (glossen) maken (upon). —finial a. opheiderend, toellchtend. —artst (-se-rist) s. glosmensehriper (-maker). —ary, s. verklarende Mat van duistere woorden. —er, s. erklaarder, toelichter; glanzer. a. glanzigheld. —y, a. glanzig. Glottis (glot'tis). s. atemspleet. Glout (giant), v. n. prullen, mokken. Glove (gluv ►, s. handachoen. to be hand and —, onafscheidelijke vrienden zijn. —, v. a. van handschoenen voorzien. —r a, handsehoenmaker. Glow (glo'), s. gloeiing; rum. drift. —worm, glimworm, v. a. gloeien; v. n. gloeien, blaken (with). —ing, a. ad. gloeiend, vurig. Gismo (gleoz" ► , a. vleieru. —, V. n. vleien. —r, s. vleier. Glue (gloe'), a. lijrn. lijmkoker. ,v, a. lijmen. —r (gloe'ur), 8. Ajmer. —y, a. lljmig, kleverig. Glum (ghtto), a. stuurach, Dorsch. Glut (glut), a. overlading, zutheld. overvolheid; verstopping; § wig. — , v. a. inzwelgen; overladen, tat maken; overvoeren. Gluten (gloe'tn), a kleeiatof. Glutin ate (gloe'ti-neet), v. a. vastlii.e.• —, tio, (-nee'sjun), s. vastlijming—ous, a. lijmig, kleverig. —ousness, s. kleverigheld. Gluiton (glut'tn), a. vraat, gulzigaard. —ize (Az), v. n. gulzig eten, zwalgen. —cue, a. —ously, ad. gulzig, schrokkig. —y, a.gulzigheid. Glyph (gar), s. kerf.; uitholling• Glyptles (glip'tiks), a. steensnijkunst. Gnar (naar), s. basest. Gnarl (naarl'), v. n. grommen, brommen; knoll ig zijn. —ed, —y, a. knoestig. Gnash (near), v. a. knarsen; v. n. knarsetanden. a. glimworm. ar dgajgelo"burd), n —ing, s. tandengeknars. on). G 'ito 'pb (-bee•tid),a. bolvormig. Gnat Globate (glo'bet), —d (nee), s.mug.—flower,standelkruid.—snapper, Glo;se (Moog'), a.. Lol; aardbol; globe; bring. vliegeuvanger. —strainer, muggenzifter. celestial —, hemelglobe.1 terrestrial aardglobe. Gnaw (nao), v. a. afenagen; bijten; v. n. kna—animal, kogeldiertje. —fish, kogelvisch —flower. gen. —er (naow'ur), s. hunger. bolranon'kel, knolbloem. — thistle, kogeldistel, Goon e (noom'), a. aardmannetje; kernsprenk. —ical (-ikl), a. gedenksp.reukig; kernachtig. —, v. a. tot een' bol (in een' bring) verzamelen. Glob ose (glo'boos'), a. bolvormig. —osity (-boa' Gnomon (no'men), a. still van een' zonnewijzer. —ice (-mon'ilcs), a. zonnewijzerkunde. it-tih), a, bolvormigheid. ar (gleb'joe-ler),a. bolvornaig. —e (joel), Go (go). a. gang; twang, mode. it is no —, dat goat Diet. —between., middelaar, - -by, lOopje. a. bolletje. —sus, a. bolvorrnig. Glom. (gloom), s. rondachtige bloemtop. —cart, loopwagen. —down, sal; teug. gaan; beenGlower ate Grlorn'ur-eC, —ous, :a. tot een" bol Go (go) [went, gone (g..1], a. gelden. —docverzameld. —ate (-eet), v. a. tot een' bol samengaan; voorbijgaan; gangbaar pakken; ophoopen. —ation (-ee'sjun), s. amentor, dokter worden. —mad, gek wofden. -;by) ophooping. halves, halveeren. —shares, deelnemen aan. —by the worse, aan het slechte eind zijn. down the Gloom (gloom'), s. somberheid; droefgeestigheid. wind, achteruit gaan in de wereld. —to law, een —, v. a. tt n. somber (droefgeestig) maken (worprom; beginnen. — to! , komi toe maar! — upon den). —iness, a. somberheid; zwaarmoedtgheid. tick, op den pof koopen. — with child, zw anger —ily, ad. —y, a. somber; zwaarmoedig. Glorl etl (glo'rid), a. doorluchtig, roeirrijk. zijn. — with young, drachtig zijn. (about) rondgaan ; —fieation (-ri-fl-kee'sjun), a. verbeerlijking. —fy mnloopen; ondernemen; wettden. (abroad) batten
Draper (dree'pur), a. lakenkooper. --y, a. Lakenhandel; wollen atoffen; draperie. Drastic (dreetik), a. krachtig, enelwerkend. Draught (draaft'), a. teug; heal; tocht; luchtstroom; schetsteekening; kopie; daraschijf; traite; uitelag; detachement; riool; sekreet. a good —, drukke nering. —board, dambord. —horse, trekpaard. —ox, trekos. —a. a. damspel. —'a -man, damechijf; teekenaar. Draw (drao) [drew (droe). drawn (draon)1, v. a. trekken, toe-, nit-, aftrekken; spannen; deepen; znigen; tappen; putten: teekenen; schetsen; opstellen; diep gaan. —breath, adem halen. (along) voortaleepen. (from) ontleenen van, (in) intrekken; verdraaien; overhalen. (off) aftrekken; afbrengen; aftappen. (on) to weeg brengen, veroorzaken; trekker) op. (out) uitzoeken; plaatsen; ontwikkelen. (over) dietilleeren. (up) oprichten; opetellen; in alagorde stellen. v, n. trekken; van leer trekken; eenr kaart trekken; een lot trekken; zich sarnentrekken. —near, —nigh, naderen. — back, zich terugtrekken. (of) aftrekken. (on) naderen. (up) zicb in slagorde stellen. — to a head, puntig (rijp) worden (v. zweren), — to a close, het einde naderen. Draw (drao') a, trekking; trek; lot. —bark, terugbetaalde accijns; terug.toot (v. een kanon); premie van uitvoer. —beam, wind.. —bridge, ophaelbrug. —well, waterput. —ee (draow-ie'). 0. betrokkene. —er, a. trekker; putter; teekenaar; lade. chest of —era, ladetafel. —era, a. onderbroek. Drawing (draow'teng), s. teekening. —bucket, alloputs, —hound, speurhond. —master, teekenmeeeter. —school, teekenschool. —room, gezelschapakamer. Drawl (draol), s. temerige toon. v. n. temend apreken. Drrywn (draon), a. getrokken; onbeslist. Dray (dree'), a. cart. sleeperswagen, rolwagen. —horse, sleeperepaard. —man, sleeper. Dread (.iced'), a. vreeselijk, ontzagwekkend; eerbledwaardig. e. vreem, angst. ontzetting. —, v. a. & n. vreezen, duch;en. —fat, a.—fully, ad. ijselijk; ontzaggelijk. —fulness, a. vreeselijkheld. —488, a. onbevreesd. —/essness, e. onversehrok , kenlieid. —naught (-cant), a. onbevreeede; snort van duffel. Dream (drlem'),s. droom. [dreamt. (dremt)], v. a. & n. droomen. —er, e. droomer. —ingly, ad. droomerig, slordig. —y, a. vol droomen. Drear (drier"), —y, a. ad. treurlg, naar, akelig. —iness, a, akeligheid, naarheid. Dredg a (dredsr), a. oesternet; mengkoren (haver en gerat). —e, v. a. met meal bestrooten; uitbaggerem —er, a. oesterviescher; strooibus. —ing-, machine, moddermolen. Dress (drie), a. langdradig. Dregg Incas (dreg'gi-ness), a. drabbigheld. —y, a drabbig, troebel; grof. Dregs (dregz), s. drab, droesem; uitschot. Drench (drentaj), a. teug, dronk; paardendranhje; greppel. —, v. a. drenken; drankje tuedienen (aan vie); doorweeken. Dress (dress') [drestin, v. a. kleeden„ ultdosaen; kappen; afriehten; roskammen; verbinden; opstellen; bereiden; bebouwen; v. n. Melt kleeden;
Hauleer en, so. w. to handle. —ing, v. handling; ze Tit:a:e. v. Hanseatic league. —stad, Banns-town. Clap, ter. bite, snap; bit, mouthful. —.Maar, catahnoll, 'leper en, on. w, to falter, to stick, to hesitate; to be wanting. —ing, v. faltering, hesitation, hitch ; want. llapp en, ov. & on. w. to snap, to snatch, (ne.. , at). br. & bw. greedy (-11y), eager (-1y). —ighesd, v. greediness, eagerness. Dar, v. hingie. de deur shoat op eene —, the door fa a•jar, — upon LOA, Hord, by. &, bw. hard; strong k -13r), violent (-1y), severe (-1y), harsh (-I ); load (-1y); grievous (-1y), afflicting; (arm) hard up. — brood, stale bread. Mop., to walk (to run) fast. —maken, — worden, to harden. --bekkig, —bittig, hard-mouthed. —draven . to rare, to run (to trot) a race. —drover, race-horse. —draverij, race. —handig,bard- handed., rough. --teandigheid, v. herd-handedness, roughness. --hoop& numekull, blockhead; obstinate person. —hoofdip, stupid; headetrona, heady, obetinate. —h-iofdsgheid, limpidity; headstrongness., headinese, obstinacy. —hoorig, dull ithiek) of heemig. —hoorigheid, hard hearing, thickness of hearing. —teerend, dull (of comprehension). —leerendheid, dullness (of comprehension).—lijvig, coot-lye. coetivenees. —looper, runner, racer. —nekkig, by. at, hw. obstinate (-1y), stubborn (-Iy); Inveterate (-1y). —nekk:gheed, obstinatty, eta b bornne5s; inyeteracya•rijden,o. racing. --eteen,free-stoue.—steenea,(or)free-etone.—vochttg, hard-hearted. —vochtigheid,herd-heartednees. —seilerij, regatta. --seiler, fast-galling vessel. —achtig, be. rather hard. —ebol, ce. obstinate fellow. —ebollen, on. w. to knock the heads against one another; to dispute keenly. —en, ov. w. to harden; to stand, to endure, to bear. —held, v. hardness; strength, severity; harshness, vehemence, grievousneee. —igiseid, v. hardness; hard Revelling, callosity. II rasre^u . b4. hair, made of hair. 'Karen*, ten —, bw. at her house. —halve, hr. on her behalf, far her cake. —wege, as for her. nun — wege„ in her name. om —wit, for her sake. Ilarlg, by. hairy. —Arid, v. 'latrine.. Haring, tn. & v. herring. gerookte —, red herring. —bale, herring-buss. --drover, drier of herrings. —japer, herring-smack.—baleen, o. culing(gutting and pickling) of herrings. --baker, herring-curer. —net, herring-net.—pakker, her ring-packer.—pakkart+, place where herrings are packed, herringshop. —petrel, herring-pickle. —salad, herringsalad. —ttiid, herring-seaeon. —ton, keg. —vangst, her—visookerkj. herring- fishery. —vrouw, ring-woman. —zout, coarse salt. Hark, v. rake. —steel, rake-stick. —en, oc. w. to rake, to harrow. —er,m. --ster, v. niter. llarlekijn,m. harlequin. lIneaaras, o. trinities, entrees, armor. is het — j.gen, to provoke, Harp, v. harp; riddle, copper corn-niece. de — Orlon (bespelen), to play on (upon) the harp. —enact,. harp -string. —spel, harping. —Wier, —speelster, harp -player, harper. —toon, harp-

BUN.—BY. flunyon (burejun), a. voetgezwel. Buoy (ban)), a. ankerboei, bakenton. to stream the —, het anker latet vallen. —. v. R. vlothouden; v. n. drijven. — up a cable, een' babel opboelen. —age, a. tonn2ngeld. —aney. e. drijvende toestand. —ant, a. drijvend, dobberend; luebthartig. Bur (bur), a. UN. Burbot (bur'but), a. stekelbaars. Burden (bur'dn), a. last, vracht; lading; smart; refrein. —beast of lastdier. v. a. beladen, beswaren. —er, s. leder; verdrukker. —some (-sum), a. zwaar, drukkend, lastig. Burdock (bur'dok), a. kliskruid. Bureau (hjoe-ro"), 8. schrijftafel; latafel. Burgage (buegidzj), a. atadsleen. Burganet (buege-net), a. stormhoed. Burgess (bur'dzjta), B. ook Burgher, poorter; vertegenwoordiger. —ship, s. poorterschap. Burgh (burg), a. marktvlek. —er,s. burger, —ership, a. burgerachap. —mote, a. gemeenteraad. Burglar (bur'gler), a. inbreker. —y, a. tnbraak. Burgomaster (buego-maaa-turl,s.burgemeeater. Hargrave, (bur'greev), a. burggraaf. Burgundy tbur"gun-dihl, a. bourgonjewijn. Burial (ber'i-el), a. begrafenie; lijkplechtigheid. —ground, —place, begraafplaats. Hurler (ber'i-ur), a. doodgraver. Burin (bjoe-rin), a. graveeratift. Burke (burk), v. a. vermoorden (om het Rib te ontleden. Burl (burl), v. a. noppen. —, a. lakennopper. —sag-iron, nopijzer. Burlesque (bur-leek"), s. boertig dichtatuk, a. boertig. —, v. a. parodieeren. Barletta (bur•lerte), a. vaudeville. , Burl y (burnih), a. dik, opgeblazen; luidruchtig. —iness, a. grootte, omvang; geraas. Burn (burn), s. brandwond. Burn (burn) [burnt , v. a. verhranden; (down) afbranden. — one's fingers, de handen branden. — v. a. branden; aanbranden; (with.) gloeieu a. brand; van. —able, a. verbrandbaar. branding. —ing-glass. a. brandglaa. Burnet (buenitl, s. pimpernel. Burnish (burinisj), a. glen, —, v. a. bruineeren, polijaten; v. n. gianzig worden. —er, s. politoerder; bruineerateen. Burr ( bur), a. oorlel; kalfszwezerik; (het) brouwen. Barrel (bueril), a. boterpeer. fly, paardenvlieg. —shot, a chroot. 11• ,wrock (bur'ruk), a. viscbdam. Burrow (bur'ro)., e. konijnenhol. —, v. a. omwroeten; v. n. in een hol wonen. Bursar (bur'ser), a. schatmeester; student, die nit eenc bears studeert. —y, a. bears eener hoogesehool. Busse (burs), a. handelabeura. Burst (burst), a. beast, acheur. Burst (burst) [burst], v. a. doen beraten; v. beraten. (cwayi wegsnellen. (forth) schtelijk te voorechijn komen. (into), (out into) uitbersten in. (upon) zich plotseling vertoonen tan. (with) verteren van. Burt (hurt), s. tarbot. —on (buetn), a. takel. Bury (bjoe'rih), a. boterpeer.

Extrinsic (eks-trin'silc), —at, a. —ally, ad. niterlijk, uitwendig. Extruct (eks•truke), v. a. bouwen, oprichten. —inn (-atruk'sjun), a. bouwing; gebnuw• —ate, a. bouwend, oprichtend. —or, a. bouwer, opriehter. Extru de (eks-troed'), v. a. uitdrijven. —Pion (-troe'zjun), s. uitdrijving. Extuberwn ce (eka-tjoe'bur-ens), a. gezwel, knobbel. —t, a. gezwollen, uitstekend. Extumescence (eks-tjoe-mes'sens), s. gezwel. Exubern nee (egz joe'bnr-ens), —ncy, s. overvloedigheid, overtolligheid; weelderigheid. —nt, a. —ally, ad. overvloedig. overtollig; weeiderig. —te (-eet), v. n. zeer overvloedig zijn. Exudation, a. Zie Exsudation. Exuicera te (egz-nlisur eet), v. a. doen zweten; verbtotteren; v. n. zweren. —tion (-ee'sjun), s. verzwering; verbittering. Exult (egz-ult,'), v. ri. jaiehen, opgetogen zijn (at. in). —once, —ation(-ui-tee'sjun),s. l evendige blijdsehap, opgetogenheid; gejuich. —ant, a. juichend; ten hcogste verhengd, Exunditt on (eice-un-dee'sjun), a. overstrooming.


houten navel. —, v. a. vastnagelen. —gin (-gin), a. Nonpayment (non-pee'rnent), a. wanbetaling. puts, houten nap. —ging (-gieng), s. richelmuur. Nonperformance (non-pur-form'ene), a. nietvervulling, niet-volbrenging. Noise (nojz'), a. geluid, gerucht, geraae. —, v. a. ruchtbaar maker"; v. n. gereas maken. —ful, a. Nonplus (non'plus), a. verlegenheid, klem. —, v. a. in verleltenheid brengen. luidraehtlg. —less, a. stil. —maker, levenmaker. Nuts Ily (noj'zil-lih), ad. —y, a. luidruchtig, ge- Nonretetlen ce (non-reel-dens), s. afwertgherd. —t, a. afwezig, niet woonachtig. raasmakend. —key! (-zi-ness),s. luidruehtigheid. Noisome (napalm), a. —ly, ad. nadeelig, onge- Nonresistan en (non-re-siseens), a. onderworpenheld. —t, a. onderworpen. sond; walgelijk. —ness, s. schadeiijkheid; walNonsens e (non'aens), s. onzin-. —ical, gelijkheid. ad. (-zen'sikl-), zot, ongerijmd. —icalness (-een'Nolition (no-liorun), a. onwil. siki.), a. ongertjrndheid. —ie (no -rn ed'ik), Nomad (nom'ed), a. nomade. zwervend, rondtrekkend; woeet. —ism, a. zwer - Nonsolution (non-so-ljoe'ojun), a. niet-oplossing. vend leven. Notables (num'blz), p1. ingewanden van een hart. Nonsparing (non-spee'rieng), a. onbarmhartig. Nombril (num'bril), a. navel (van een schild). Nonsuit (non'sjoet), a. (het) afzien van eene rechtsvordering. —, v. a. afwijzen, gee,rs rechtsNome (noom), a. lid, deel (in de algebra). prong verleenen. Nomenclat or (no'men-kles-tur), a. naarngever. -kenner; naamlijetmaker. —are (-tjoer), a. naam- Nonterm (non'turm), a. vacantie. Nonuser (non joe'zut), a. ambtsverzuim. Wet; woordenlijat. Nomi nal (nonri nel), a. —ally, ad. in naam; Noodle (nee'd1), a. etoffel, etumpert. nominaal. —alist, s. nominalist. —ate (-neet), v. Nook (noek'), a. hook, hoe*. —shetten, scheef a. benoemen. —anon (-nee'sjun), s. benoeming. I (van een' muur). —ed (noekt), a. met ten' nek. —ative (ne-tiv), a. noemend, benoemend; a. eerete Noon (noen'), a. middag. — day, —tide, middag. —rest, middagruet. —trig, a. middsgmaal; midnaamval, nominativus. —ator (-nee-tur), e. bedagelaapje. noemer. —ee (nie'), a. benoemde. Nomo graphy (no-mog're-lh). s. verhandeling Noose (noes), a. etrik, strop. —. v. a. vaststrikken; vangen. over wetten. —thetic (-mo-thet'ik), a. wergevend. indische qgeboom. Nonability (non-e-bil'it-tih), s. onvermogen; on- ,Nopal (no'nel), I Nor (nor), conj. noch, ook niet. Zie Neither. bevoegdheid. Nonacceptance (non-ek-seplens), a. niet-aan- Normal (nor'mel), a. loodreeht; volgens regelen of begineelen. —school, kweekscheol voor widernaming, non-acceptatie. a. Nonage (non'Idzj), a. minderjarigheid. Noorraan; minderjarig, onmondig. —narian (-e-dzje-nee'ri- Norman (nor'men), a. noorsch. (de) noorsche teal; kattekop (aan het braadspil). en), a. negentigjarige. —simal (-e-dajes'i-mel), North (north'), s. noorden. — by east, noord ten a. negenttgste. oosten. — by west, noord ten weeten. —, a. noord-, Nonagon (non'e-gon), a. negenhoek. noorder-. —cape, noordkaap. noorderNonappearance (non.ep-pier'ens), a. niet-verlicht. —pole, noorden aepunt. —sea, noordzee. schljning. —star, noord-, poolater. --wind, noordenwind. Nonce (none), e. doel, oogmrrk. North n east (north-test'), a. noordooeten. —, Nonclaim (ncrn'kleem), s. verzuirnde eisch. -- erly, —ern, a. noordoosteltk. Noncompliance (non-kum-plaj'ens), a. welgeNorth erly (north'ur-lib), —ern, a. noordelijk. ring. —erner (-urn-ur), a. bewener an het noorden. Nonconductor (non-kun-dukeur), a. niet-ge—lag, a. noordeltjke richting. leider. Noncon form' st(non-kon-form'ist)icafgeschei- Northward (nornh'n urd),--8 (-wurdz),ad. noordwaarts. dene (van de engeleche kerk). —ty, a. afwtjking. Nondelivery (non-de-liv'ur-ih), a. niet-uitleve- Northwest (north-west'), esnoordweeten.— erly, —ern, a. noordwesteltjk. ring. Nondescript (non'de-skript). a. onbeschreven. Nose (noon'), a. neue. —bag, voederaak. —band, neusrlem. neusbioeding; duizendbiad, a. nog onbeschreven voorwerp. v, a. snuffeien: net heofd gerf, —gay, ruiker. None (nun), a. & pr.geen; niemand. bieden. —lees, a. zonder nem Nonelect (non-e-leke), a. niet-verkome. Nonentity (non-en'tit-tih), a. (het) niet-zijn; Nosle (noel), s. Zie Nozie. Nosolog 1st, (no-sol'ud-zjist), o. ziektes.kenner. onding. —y, a. ziektenleer. Nonesuch (nun'sutsp, a. lets (iemand) zonder Nostalgia (nos-terdrjf.e), e. heimwee. wederga; nonpareil (appal). (noetril), e. neusgat. —um, R. geheim. Nonexistence (non-egz-ist'ens), a. ntet- bestaan. Nostr - algemeen geneesmiddel. Nonluror (non-dzjoe'rur), a. eedweigeraar. Nonnaturals (non-neejoa-relz), p1. niet natuur. Not (not), pd. niet. —at all, in het getaeel niet. Nota ble (not'ibl), a. —bly, ad. naarstig, bedrijltIke dingen. vig; huishoudelijk. —blenees, a. naarstigheid, beNonny (n011'11111), a. Zie Ninny. drijvighetd; huishoudeijkheid. Nonobservance (non-ob-zurv'ens), a. niet-inNota tale (not'ibl), a. — bly, ad. aanzienlk)11; rnerkaehtnemlng, verzuim. waardig; s. aanzienlijk burger. —bleneta, a. voorNonpareil (non-pc-rel'), a. onvergelijkelijk. —, naarnheid, Tr erkwaardigheid. It. nonpareil (letter- en appeleoort).
Volit ion (vo-lisfun), a. wil, wilskracht. (vol'i-tiv), a. willend; — faculty, wilvermogen. Volley (vol'lih), e. vlueht; salvo; losbarating; stortvloed. —, v. a & n. uttatooten; /own; (doen) losbaretan; zich ontlasten. Volt (voolt), a. zwenkinr,v o 1 l e. Voles: ble (vol'joeb1), a. —bly, ad. rolbaar; rotlend; beweralijk; rad van tong, woerdenrijk; aloe, vloeiend. — bilify ( - birit - tih), a. drattiing, roiling; bewegelljkheid; radheid van tang; woosdenrijkheld; vlotheld. Volume (vol'joem), a. rot; omvang, mesas; boekdeel; go:f. Voluminous (vo-)joe'mi-nus). a. —ly, ad. to vele rollen (boekdeelen); uitgebreid; dik. —nest, a. ultgebreidbeid; omvang, grootte. V &cant arily (vol'un-te-rli-iih), ad. —ary, a. —arinesa (-ri.ness), a. vrijwilligheid. —ary, a. phantom's (in de muziek); vrijwilliger. —ter (-tier"), a. vrijwilliger. --ear (-tier'), v. a. veijveillig aanbieden; verriehten; v. n. ids dianen. Voluptu easy (co-lueljoe-e-rib),s. wellasteling.

Welke cryptogeld is onvindbaar

×