In February 2019, Coinbase announced that it had acquired "blockchain intelligence platform" Neutrino, an Italy-based startup, for an undisclosed price.[33] The acquisition raised concern among some Coinbase users[34] based on Neutrino founders' connection to the Hacking Team, which has been accused of providing internet surveillance technology to governments with poor human rights records.[35] On March 4, 2019, Coinbase CEO Brian Armstrong said his company "did not properly evaluate" the deal from a due diligence perspective and thus any Neutrino staff who previously worked at Hacking Team "will transition out of Coinbase."[36]

4x cryptogeld


WA R.— WAT. Warfare (waorleer), a. kregsdienst; (bet) oartog 'moron; krijr. —, v. n. oorlog voeren. Wart ly (wee'ril-1111), ad. Zia Wary. —neat (-el-nets), s. voorzlchtighetd, behoedzaamheld. War tato (waor'lejk), a, oorlogzuchtig, krijgahattlg; militatr. —lock s. (-Pak), toovenear, heksenmeeeter. Warm (waorm'), —ly, ad. warm; ijrerig, vurig; welgeeteld. —hearted, hartelijk. —heartednest, a. hartelijkhaid. v. a. verwarmen; warm,Tanaken; v. n. warm worden. beddepen. —ing-stone, warmsteen. —nest, —th, a. warmte; ijver, geestdrtit. Warn (waorn'). v. a. waersehuwen (against of); vermanen; dagvaarden; (away) opzeggen; (of) hertnneren tan; eon' wank (tennis) geven van; Off) afhouden. —er, a. waersehower; vermaner. —nig, a waarechuwing; vermening; kennisge/Mug ; optegging Warp (waorp), a. echering, letting; werpiouw, trot. — of shrouds, lengte van het voorete hoedtouw. —, v. a. sennentrekken, Into krirapen; scheren; down aiwi-jken, aferengen; vocation, werpen (ap) v. n. (tram) trekken, Kampen; de aehering maken; afwij•cen; weifeien, wankelen; ronddrealen. Warrant ( wor'rent), a. volmncht; machtiging; bevel tot gevangenueming; bevoegdheld; waarborg; verzekering; getulgenia. —, v. a. machtigen; wearlawmen, inntaan vane; erliwaren; bevestigen, verzekeren. --able, a. to verdedigen; wettig, geoorload. —ableness,,e. verdediebaarbeid;reehtmatteheld. —ably, aa. eens wettige (verdedigeare wijze. —ed, a. gewserborg4, edit —ee (-W), a, gawaarborgde. —er, a volmachtgever; borg. —or ( or') s. waarborggever; borg. —y, a. waarborg; zekerheid; volmaeht.

(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.
ki,,, p') Loepti, v. a. & n. (etch) houden; Kidney , kid'ulh), a. nier; slag, snort; humeur. behouden, bewaren, ondernoudeu, beecheemen; —bean, snijboon. —wort, navelkrutd. (zich) afhouden; vieren; blijven. — bad hours, Ktiderkin (kll'dur-kin), a. vaatje. laat thuis komen. — fair, in goede verstand- KM (kill'), v. a. dooden, elaehten. —er, a. donde, howling zijn. — time, in de moat blijven. (away) Kiln (k11'), s. oven, eest. —dry (-draj), v. a. eesten. e Menden; wegbitj ven. (back) terug-, achterhou- Kilt (kilt), a. korte rok (detellooglandera). den; terugbliiven, (down) zich bedwingen; lenge Kinebo (ktm'bo), a. Zie Akimbo. houden; vernederen. (from) afhnuden; zich oat- Kin (kin), a. verwant. —, a. bloedverwant; maaghonden. (in) inhouden; in toom houden; binnen nehap; verwanteehap. blijven. (on) aaerbouden; voortgaan. (out) buiten Kind (Itajnd'), a. }toed, vriendelijk, 'muscle (tee houden. (blijven). (to)' etch houden aan . (under) —hearted, goedhartig. —,13. wort, gealaeht; card, onderdrukken, (etch) bedwingen. (up) ophouden; wijze. in —, in nature. ophltIven; levendig houden; votharden. (up with) Kindle (ktn'd1), v. a. aaneteken; aauhitsen; et n. bljhouden. —er, s. bewaarder; opziehter; cipier; vtear vatten, ontbranden. —r, s. aansteker; canzegelbewaarder. —erskip, a. opzichterachap. —ing, hittier. P. bewaring; nvereenstemming, voeding; gezel- Kia;d Illness (kajud'li-uses), v. wetwillendheid; sehapekamer. natuurlilke acrd. —4,a. & ad. welwillend, vrienKeepsoke (kiep'seek), th aaudenken. delijk, zachtaardig; natuurlijk; gelijksoortig, verKee•e (khv'), —r, a. koelvat. want. —nets, es. vriendclijkheid, goelheid, heuechKeg (keg), a. vaatje. held. Ken (Yell), a. darninet; pop (eener cups). Kindred (kin'drid), a. verwant, gelijkeoortig. —, Kelp (kelp), e weedaech, soda. a. verwantechap; maagechap. Kelp to (kel'itih), —y, a. spookpae.rd. Tittle (kajn), pl. koeien. Keller (katur), e. gereedhetd. Kil ► g (kiting ► , a. boning; heer; dam. — at arms, Ken (ken), th bereik des gezichts. —, v, a. onder- wapenkoning. —apple, renet.--craft,regeerkunst. ,cheiden; erkenuen; v. n. rondzien. —cup, ranonkel. —fieher, tiavogel. —killer, koKennel (ken't.11), a. howdenhok; koppeljachthon- ningsmoordar.—piece,—post,gevelapite.—'s-bench, den; hol; goat. —stone, gooteteen. —, v. a. in het oppergerechtshof; kroongevangenis. —'s.eva, kebob houden; v. n. hokken, in bet hok liggen. ningszeer. —spear, goudwortel. —'s-plate, koKenning (Yen'nieng), e. Zie Ken. ninklijke prije (h&j wedrcnnen). —stone, angelKentle (ken't1), a. centenaar. vied'. Kentiedge (kentleidej), a. ballasttlzer. King (kleng'), v. a. boning waken; dam balen. Kerb (kerb'), s. Zie Curb. —stone, rendsteeu, —dam (-dam), a. koninkrtjk. —lake, —1y, a. koKerchief (bur'tejif), a. hoofddoek, dock. —ed ninklkik. —chip, a. koningsehap. (-tsjift), a. gedekt, gealuierd. Kink (kingk), a. kink; inval; but. —, v. n. in de Kcrf (kurf), e. beef, insnijding. war geraken; uitbareten. Kermes(kuemiaa), a. scharlakenbezle. Kinn folk (kinzlook),s. maagscbap. —man, —wafter', (knell), s. borsch soldaat; lereche boer; hand- man, a. bloedverwant. molen. —, v. n. korrelen. Kipper (kip'pur), i zalm (na het kuitealeten). Kernel Ikur'nil), a. kern, pit; korrel; knee. —eta- —tame, verboden t drone de zalenvanger. I er, perste°. —wort, bruinwortel. —, v. n. zich tot Kirb (barb), a. Zie erb. korrele zetten. —1y, a. vol barrels (platen). Kirk (York'), a. kerk, echotsche beck. —man, ann. —mere (-mier), th literacy (kar'aili), a. karsaai. hanger dee achotache kerk. Kirtie Ikuet1), a. wambuia; jakje, lijfje. casimir. Retell (ketej), s. kits (zeker vaartuig). Kiss (bias'), s. kes, zoen. —. v. a. kueeen, zacht Ketchup (ketsj'up), a. Zie Catchup. aanraken. to — one's hand to, eene kushand toeKettle (ket't11, a. ketel. —drum, keteltrom. —pins, werpen. —er, a. kusser. —ing-comfit, weiriekend keeels; het kegelepel. tsuikergoed. —ing-cruet. weeke eijde (van een krutFhout. —heads, bolder, Revel (kev'il), a, brood). —me-quick, a. voile, sluice. Key. (ki'), 8, eleetel; toets, blep; katje (aan boo- Kit (kit), a. zakviool; zaltnvaatje; melkee.mer; men), land. —bit, sleuteibaard. — chain, mleutel- grooie beech; katje; schoenmakeregereedschap; bent, menitte. ring. —cold, ijakoud, levenlooe. —hole, eleutel- Kitchen (kitsjiin), a. keuken; kombula. —boy, gat. —alone, eluiteteen. —age, a. kaaigeld. —d, a. rat Vibe (kajb'), a. winter, winterhiel. koksjongen. —furniture , keukengereedsebap. winterhieicu geplaagd. —garden, moestuin. —maid, keukenmeid. —styli', Kick (bib'), a. sehop, trap; stoat. —sole, men- braadvet. —tackling,!eenkengereedsehap. —wench, gel neoes, samenraapsel. —shoe, dancer, springer. vatenwaschster. —work, Iceukeneverk. —, v. a. & n. echoppen; each verzetten, (against. Kite (kat'), m. wouw, kiekenalef; vlieger; schraat), —er, a. ',chopper. I per. -fish, vliegende visch. —'s-foot, havikskruid; Kid (kid'), a. geitee. —fox, jonge YOB. —gloves, ka- ,, gale tabak. bretleeren handachoenen. —skin, geitenleder. —, I Kith (kith), a. bekende. neither — nor kin, geen v. n. geteen werpen. vriend of maag. Idcr (kidgdue), a. opkooper. Kl, Kitten (kIt'tn), s. katje, —, v. n. werpen (van Kidd! c (kid'd1), s. viechweer. —ing, s. joule geitje. batten). itifeinop (6id'neee, v. a. (k"..nderen) oplichten, ate- I Kltck (klik'), v. a. weekapen; v, th klapperen, tiklee . pee, m, kiuderdiel; ciel verkoc.per. ' kou --er, al. werkba tie,
1.11W- BEM' . Oil ablenees, mobility. —grand , —retie* , motive, reason, argument. —kracht, moving (motive) power, impetus. —niiddet, moving power, motive, motor. —*fattish, moving principle, cause. —rad, prime mover. Between so, or. w. to deplore, to mourn for, to lament, to bewail. — er, rn, —stet, v. dep:orer, mourner, bewailer. v. deploring, deploretion, mourning, bewailing. Beweer der, rn. —stet, v. assertor, alleger. —schrift, written aseertion. ltisrveleg etijk, be. & bar. movable (.lily); mobile, sprightly; moving (-ly), effecting (-ly). —el(jkheid, v. movableness .. sprightliness, mobility; moving. nose. —en, or. w, to more, to stir; to affect; to persuade, to prevail on. --er. in. mover, stirrer, motor. —ing, v. movement, motion; emotion; commotion, tumult, bustle, stir, ado; nit gigot. —, of one 's own accord. newer en, or. w. to assert, to allege, to pretend. —ing, v. assertton, allegation. illowerk AWL, by. rewiring a great deal of ishor; feasible. --elifkheid, v. difficulty, feasibilOf. NV. to -work (at); to prepare, to ity. dress, to make up; to till; to effect, to effectuate, to okra. to bring about. er, m. —der, v. workman; agent, operator, author; cause, instrument. —ing, v. working; workmanship; agency; operaor. w. to bring tion. manipulation. — about, to perform, to effectuate, to realize. --atolligiro, v. bringing about, performance, ef. fectuatim e realization. —tuigen, on. w. to organize. —tuiging, v. organization; organism. Bowerpen, ov. w. to east (to throw) as far as; to cover, to rough•cast. Beweetcar, az. on the west elde of. Bewlerook en, ov. w. to incense; to extol, to exalt. —er, m. ineenser; extoller. —iv, v. incensing; extolling. o. proof, evidence; demonetration; warrant, title. ten bewijte van, its support of. —grand, argument. —krarhi, de ►nonstratice quakity. —p/oais, quotation. —schrift, —stuk, document. warrant, deed. —boar, too provable, demonstrable. —betarheid , v. demonstrableness, esincibleoess. —j o, o. a. little, some• newt/ken, ov. w. to prove; to evince, to demonstrate; to show. liswitlig en, ov. w. to grant, in allow, concede; w. (in) to consent (to agree) to. —er, m. granter. —tag, v. grant, allowance,;consent, concretion. OtWiftipel en, ov. iv. to disguise, t. o cloak, to mince, to palliate. —ing, v. disguiee olor, palarms. liation. Dewar en, or. w. to spare, to save, to keep, to Bewirld, o. direction, administratio ► , manageguard, to preserve. — tag, v. sparing, saving; ment, government. —hetber, ,—romitr, director, keeping, preservation; trust, custody, inletrator manager, ---sewn, statesman, ,Ittiamer. litewasetn en, or. w. to cover with vapor. - ing, , v, covering with vapor. Flowizsders, on. w. to wrap up, to wind about, Bewaeeeh en, or. w. to wash for. —kg, v. to swathe. - sel, o. wrapper, bandage, swath. washing. uop. to wind about, lIttsowno , re, et .wtrom)wprianpgup, Bewaseen, on. w. to overgrow, to be overgrown. Bowater en, on. w. to water, to irrigate; to Bewolk en, or. w. to cloud; on. w. to grow pies upon. v. watering, irrigation, cloudy, to become overcast. —t by. cloudy. Beweeg bear, by. movable, —baarheid, v mar Meld, v. eloodiness. Bevoorreebt en, or. w. to privilege. —ieg, privileging, privilege. Bevorder bar, m. —aarater, v. promoter. — en, or. w. to forward, to accelerate; to advance, to promote. —dap, v. promotion, preferment. —10, bv. serviceable, profitable, conducive, (to). Bovoreus,hw.&vw. before. Bevraeht en, ov. w. to freight, to charter. —er, m. freighter. —lag ,v. treightiug , chartering. Bevragen, ov. w. to inquire after. to for particulars apply to. ' Bevredig en, or. w. to pacify, to appease; to satisfy. —er, m. —ster,v pacifier,satiefier. v. pacification; gratifying; satisfaction. Bevreensd en, on. w. to surprise, to amaze. Act bevreemdt to j, I-wonder at it, —ins v. astonishment, surprise, wondering. Bevreesd, br. afraid (oft, tearful, timorous, —held, v. fearfulness, fear, anxiety. Bevriend, be. intimate, befriended. —Acid, v. intimacy, affinity. Bevel.z en, on, w. to freeze, to congeal. —ing, v. freezing up, congelation. Bevrtid en, ov. w. to free, to set free, to deliver, to release, to enfranchise. to emancipate; to rescue, to rid. —v., en. deliverer, liberator, —lag, v. deliverance, release, enfranchisement, liberation, emancipation. Bevroed en, or. w. to conceive, to apprehend, to comprehend. —ing, v. apprehension. Bevrucht en, or. w. to fecundate, to fructify, to impregnate. —ing, v. fecundation; impregnation. Bevullen, on. w. to dirty, to soil. Bewaatan, ov. w. to blow upon, aga:nst, to fan. Bavvaaketer, v. nurse Bewaarder, in. keeper, ward;guardian. Bewaathettten, ov. w. to confine, to prove, to testify, to verify. Bewaar mtddei, o. preservative. —plaats, depository. —school, infant-school, asylum. —ster. v. Zie Bewaarder. Hesvak en, ov. w. to guard; to watch; to tend. —or, m. watch, watcher. —lag, v. watching, nureing. Bewail en, ov. w. to surround with ramparts, to fortify. --iv, V. wailing; compacts. Bevvenctell ear, M. —aarster, v. walker. —en, or. w. to walk (to tread) upon; fo' Pad der deugd •—, to walk in the path of virtue. - ing, v. walking upon. Revirengen, or. w. to fish, to clamp. Bewapenen, ov. w. to arm, to prnvtde with

sterkte; vesting. zonderlingheid, we.nderlijkheid, grilligheid. FesWasy(fen't , -sih),s.inbeelding;vesbeelding,gril. Fastidious (fes-tid'i-us), a. -'ly, ad. minach. tend; trotsch; kieskeurig; waigelijk. —ness, a. ad. ver. afaelegen; aanmerkelijk, Far (fear'', a. veel. by —, op verre na. — and near, naar alle minachting, trotachheid; kieskeurigheid. hasten. — and wide, wijd en zijd. —about, ad. Fastiginted (fes-ti-dzji-eet'id), a. spits, puntig. tangs ee,' osnweg; a. omweg; wijdloopigheid. Fastnous (fest'joe-us). a. trotseh; hoovaardig. —fetch, kunstgreep. —fetched, vergezocht. — in Fat (fee), s. vet: vleezig; dik, vruehtbaar. —brained. years, op j men. — off, ver-af. —most, a. verst. —witted, dom. —, v. a. vetmesten; v. u. vet wordon. a. vat, Itaip. -neon, a. verte, afgelegenheid. Fare c (Nara), s. klueht; kluchtspel; v. a. op- Fatal (tee'tel), a. —ly, ad. onvermijdelijh; nooda. lottig. —sisters; schikgodinnen. vullen, stoppen. —ical, a. —ically, ad, (-ikla), leer des noodlots. —lot, a. voorstander dier leer. kiaehtig, grappig. —y, s. paardenschurft. --itY (fe-terit-tils), —ness, a. noodlottigheid, Vard (faard), v. a. hl :nketten. onvermijdelijkheid. Fordell (faar'dil), a. bundeltje, pakje. Fare (feer), s. vraebt. voerloon; spija, host. bill Fate (feet'), a. noodlot; verderf, dood. —s, a. (de) echikgodinnen. —d, (-id), a. voorbesebikt. spijsdijst. —, v. n. varen, gran, reizen; of schoonva. Father (fallour), a. vader. etas, zich voeden; gebenren; zich bevisiden. vaderland. der. —hood, s. vaderachap. VoweaveGI (feer'well). s. afscheid, vaarwel. —lather, zaeschorpioen. —less, a. vaderloosto bid —, afscheid siemens. —, irt. vaarwel! Farinaceous (fer-inee'sjus), a. meelachtig. —lineas. a. vaderlijkheid. —ly, a. & ad. vader—, v. a. als kind aannemen, (on upon) toeFesimm (fawns"), a. beerderij; pao,hthoeve. —dog, boerensvoning —, v. a. schrijven ann. boerenhoad. verpsahten, pachten; bebouwen. —able. R. pacht- Fathom (feth'um), s. vadem; berelk; begrip. —, pochter. —ery, a. hoer- v. L. omvademen; pellen; doorgronden. —able, )car, bouwhaar. —er, a. peilbaar; doorgrondelijk. —er, s. pellet. —less, Jeri). •-ing, s. landbouw, akkerbouw. a.. grondeloos. VarratCh80;114 (fesared'zji-nus), a. gemergd. Fatielleal (fe-tid'ikl), a. voorzeggend, voorspelFarrago (fer-reeigo), a. nsengelmoes. Farrier, (fer'ri-ur), s. haefsmid; paardenarts. lend. s.beroep van hoef,sid; paardenart,seniikunst. Fattferous (fe•tit'ur-us), a. doodelijk. Fars wav (fer*ro), s. jeng varken; worp bigger. Fatigable (fet'i-gib!), a. vermoeibaar. Fatigue (fe•tieg'), a. vermoeidheid; moeite ;arn. higgan, —, v. a. held. —, v. a. vermocien, afmatten. Fart (fnart), o. wind. -, v. n. arinden laten.
Su-re I tatter (eur-re-but'tur). s quintapilek. Suttee (aut-tie'), e. indtaanscheWeduWe; Verbran. --joinder (-dzjojn'dur), s. tripliek. ding* eener indiaaneche weduwe. ,Surrentier (eur-ren'dur), e. overgaaf. -, v. a. Sniffle (ent't1),a.nettce & n. (z!cli) overgeven. Sut tare (ejoe'tjoer),,a. na g, hechting; naald. vieirept tun (sur..rep'sjun), veracbalkInr, nut- i Swab (swob')., a. dwell. swabber. -, v. a. dwel(-iterne), R. ontfut'eid; in- )en; opzwatteren. -bee, a. dweller; zwabberfuteeling. (AN 'en-), ad kapitem, ecteepsjongen. gestopen; hedriegelijk. Swaddle (ewod, di), a, zwachtel; inter. -, v. a. heirnciijk, steelewijze. zwaehtelen; bakeren; afroseen. e--- nreogat e (aur'w.geet), a plitatevervanger; afgavaardiede; piaatavervaDgend middel.-e. v. a. Swaddling (swod'diteng), a. het zwechtelen; balieren. -band, -cloth, -clout, zwachtel; Wier, 110,e'fiiael, a. yen in de piuts vanging. kinderdoek. S,reoland (sur-raaund', v a. omringon. Swag (sw eg'), v. n. neerhangen (down); slingeStcmtt rt Our-inet'i,e. 0 VEriciA. ren. -belly, hanglittik. -ger (-gur), V. n. razen; v n. bijkomen. t'3a 1-venc enueven, portico. -gerer (-gut-ur), e. anoever„ StaTvey (sur'vee)„ a, overstcht„ opzlcht; opue- porter, wlndbull. -gy(-gilt). a. neerhangend. miag; sehouveing; meting. S wit! n (sweep), s. jangeling, jonge borat; vdjer; Survey (eur-vee'), v. a het opzicht (toe,tcht.) hoc- boeren*,echt, herder. den over; bezicht!gen, echouwen, opnemen; me- Swale (aweel), a. dal, Magic; achaduw. v. a. opgebruiken, variance; schroefen (den vaikea); ten. -ing, R. (het i landmeten. --or. ti.opncliter; lADdeleter. -ors4ip, a. unvbt van opzichter v. n. amelten, aroopen (van kaareen) mete)). Swallet leworliti, a. reijnvrater. Starlit, st , (sur-vaj'vei), -ance, a. overlaying. -e Swallow (-•anta), a. VP1,1111.11 gorge!; allok; (-vajv') v. a. overieven; v. n. tog in 'eve. ztjv,. guizigheid. -fish, knorhaan, zwaluwvisch. -tail, - ar , a I a......gstlevende, -arehip, a. over;evirg. zwaluyetaart. -wort, zwaluwwortel. -, v. a. -ive, a, vattaar Hof) slikken, optlobken; verzv elgen; pans teen; beSuvoapt Stile machtigan; (down) inslikken, Inzwelgen; (up) op-ib:eness a. vatbaat , e;d. slokiren, veralinden, verzwelgen. -er, inIsna-sip'!-en-eih), a. appeming,1 zwelger; s:okop. SuricIp:"en toelating. -1., a. opnemend, aannemend; a. op- Swamp (swomp') a. meeran. -, v. a. doen armor, oaunexer, zinken; in inaellijkheden vikke ►.en. -y, a. S^a ocltn to (;.;s'el-teet), v. a- verwe"" , moer,Off.e.verwekking,ppwekking. Swan (awon'), a. mean. ken. -lion zwanendons; Suspect (sus-pekt'), v. a. verdenken, ',Hecht lammertjesbaai. -ekin, moiton (soort van beef). tou.den; wantrana: en; v, argwean veeden (of). -song, zwanenzang. -eu, a. verdael•. -edness, a. verdachtheld. er, Swap (swop), F. PP v. Zie Swop. -, ad. plots. verienker, die argwaan voedt. R. act, -, int. plot! flap! terdoch,ig, a. entreua, end. Sward (awaord), s. zwoord; grazige oppervlakte, v. a, ophangen (to); °pea°, grasperk. Suspend (sae-pe ten; ophenden; horsen (from). s. °wet°, Swarm (ewaorm), 8 nwerm; gewemel. v. n. ten; Pchorser; tre,Aba,d. --ere ( urz). pl. draag- swermen, wemelen (with). Swart (swaort), A. Zie Syvarth. -, v. a. handen. stisFen, a (spa-peen'), a onsekelheid, zwert (bruin) meken; verdoukeren. a. ban- Swarth (swaorth'), -y, a. -ity„ ad, zwartschtig, looahold; opseb,,ettnr, echorsinx. gend; enz,ker. twijfelachtig: orges,tort; ge- denker, dankerbruln, taankleurig. -inns, a. (•jur0, 8. °plumping; opectocting, rchorst. donkere (bnline) kleur; tuankleur. stoking; stilstand; tchoronc -brid;c, bangbrug. Swamis (sweep), a. gekletter, gernisch; geanoef, twWelachttg. -or;', a ophoudeavd, twij- gezweta. -buckler, -er, a. enoever, zwetaer; eelachtig; a. draagtep0; ly..ddekwa,t. ilzervreter. -, v. n. kletteren, plaetien; anoeven, Sueplel on (sus-pi,fun), R. p.rg•aan, aehter- pochen. dacht. -ow, a. -,only, ed. wantrausig, ach- Swath (swath), a. zwad,atreek, rij; ale Swathe. t4rdoa.ig (of). -nu 7,4, a. wentvouTighetd. Swathe (aueetta), a. zsrachtel., winded:. -, v. Susfilt- at (eun-payre:), e. 1 uchigat; tuts caner a, inzweebtelen, takeren; teperken. waterleiding. -ation (-pi-ree'sjun), n, dieae dem- Swny (.4wee). e. sweat; gezag. macht, heerschappij; v• a. dial, ademea, zuchien. i•vloed; averwicht; lot. -, v. a. zwaalen; re--, Sustain (ova-teen'), v. a. F., hrAgen, dragen, on- geeren, besturen; invioed bebben op; (away up) onderhouden; tualhouden; uitataan, hijvrhen; (down) etrijNen; (from) a'detden van; v. verdure, -arid,, a. houdt,ar; dregelijk. -er, aa, n. zwaa!en, zich nelgen; heerechen; (with) Inondereteuner; vloenl batten op. SID St en smee(sue'te-nens),- khan (ten-tee'sJun), Swr (swiel), v., v. a. & n Zie to Swale. a. onderete -dning, eteun; onderlioud; levenson- Swear (. eel') [wore morn (swoorn)l„ v. a. derhoud. zweren; bezweren; beeedigtn, v. n. zweren (to); Suuner, to (sjoe'owr•reet), v. n. fluisteren; nun slacken. -er, e. zweerder; vloeker. mete', -lion. (-ree , ejun),8 gehilsier; gemermel, Sweat (owes), a. sweet. Sulfite (ajoe'til), a wet da nal!d. vervoordigd. Sweat (met') [sweat.] .v .a. uitzweeten (away. out); Sutter (,ut';ur), zoete!aro:; nv,ketentater, doen zweettn; v. n. no eeten; zutoegen. -el*, a.
Warren (wor'rul, a. konijnenberg; vinthvijver; warande. —er, a. opzichter eener warande. .Warrior (wor'ri-nr), a. krijeamen. Wart (waorl?), a. carat; knont, uttwas. —wart, wolfemelk (plant). —ed, a. vol wratten of knobbele. —y, a. wrattlg. Wary (we'll). R. omzielttlg, behoedzaam; Wont) (woer), a. (het) wassehen; w ,h; vaat, waechwater; watertje; spotting; (bet) aangespotlhe; waterverf; moms, poet; zweem, streek; bled van ten' cleat. —ball, leepbal. —board. zetboord. —kaea-basin, waschkom. —house, waeabhuls. —leather, zeemleer. —stand. waschterel. —tub, waschtobbe. —, v. a. wasschen„ epoelen (away. off. out); bevochtigen; beepoelen; (ever) vtasschen echoonmaken; vernissen. —er, a. wencher. —erwoman, waechvrouw. —ing, a. bet wasschen, epoelen; watch; —day, waschdeg; —tub, waschtobbe. —e. st. vochtig; slap. Wasp (wosp')., a. Wes)).—bah. a. —ishly, ad. genielijk, knorrig, borsch, bite, iiehtgeraakt. —ishneae, a. gense.lijkheid,knorrigheid. Wassail vs os'sil.), a. appal bier; drinkgeleg; drinklied. —, v. a. vroolijk zijn, alenteen. —er, a. drinkehroer, eat per. Waste ( weest'), a. verwontine; v er k w istin g ; lamming; echade; veletas; woestenij, wildernia; onbebouwd land. —, a. wont; onbebouwd; overtaIlig, nuttelooe; ougebruikt. —board, nood.
Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.
Hauleer en, so. w. to handle. —ing, v. handling; ze Tit:a:e. v. Hanseatic league. —stad, Banns-town. Clap, ter. bite, snap; bit, mouthful. —.Maar, catahnoll, 'leper en, on. w, to falter, to stick, to hesitate; to be wanting. —ing, v. faltering, hesitation, hitch ; want. llapp en, ov. & on. w. to snap, to snatch, (ne.. , at). br. & bw. greedy (-11y), eager (-1y). —ighesd, v. greediness, eagerness. Dar, v. hingie. de deur shoat op eene —, the door fa a•jar, — upon LOA, Hord, by. &, bw. hard; strong k -13r), violent (-1y), severe (-1y), harsh (-I ); load (-1y); grievous (-1y), afflicting; (arm) hard up. — brood, stale bread. Mop., to walk (to run) fast. —maken, — worden, to harden. --bekkig, —bittig, hard-mouthed. —draven . to rare, to run (to trot) a race. —drover, race-horse. —draverij, race. —handig,bard- handed., rough. --teandigheid, v. herd-handedness, roughness. --hoop& numekull, blockhead; obstinate person. —hoofdip, stupid; headetrona, heady, obetinate. —h-iofdsgheid, limpidity; headstrongness., headinese, obstinacy. —hoorig, dull ithiek) of heemig. —hoorigheid, hard hearing, thickness of hearing. —teerend, dull (of comprehension). —leerendheid, dullness (of comprehension).—lijvig, coot-lye. coetivenees. —looper, runner, racer. —nekkig, by. at, hw. obstinate (-1y), stubborn (-Iy); Inveterate (-1y). —nekk:gheed, obstinatty, eta b bornne5s; inyeteracya•rijden,o. racing. --eteen,free-stoue.—steenea,(or)free-etone.—vochttg, hard-hearted. —vochtigheid,herd-heartednees. —seilerij, regatta. --seiler, fast-galling vessel. —achtig, be. rather hard. —ebol, ce. obstinate fellow. —ebollen, on. w. to knock the heads against one another; to dispute keenly. —en, ov. w. to harden; to stand, to endure, to bear. —held, v. hardness; strength, severity; harshness, vehemence, grievousneee. —igiseid, v. hardness; hard Revelling, callosity. II rasre^u . b4. hair, made of hair. 'Karen*, ten —, bw. at her house. —halve, hr. on her behalf, far her cake. —wege, as for her. nun — wege„ in her name. om —wit, for her sake. Ilarlg, by. hairy. —Arid, v. 'latrine.. Haring, tn. & v. herring. gerookte —, red herring. —bale, herring-buss. --drover, drier of herrings. —japer, herring-smack.—baleen, o. culing(gutting and pickling) of herrings. --baker, herring-curer. —net, herring-net.—pakker, her ring-packer.—pakkart+, place where herrings are packed, herringshop. —petrel, herring-pickle. —salad, herringsalad. —ttiid, herring-seaeon. —ton, keg. —vangst, her—visookerkj. herring- fishery. —vrouw, ring-woman. —zout, coarse salt. Hark, v. rake. —steel, rake-stick. —en, oc. w. to rake, to harrow. —er,m. --ster, v. niter. llarlekijn,m. harlequin. lIneaaras, o. trinities, entrees, armor. is het — j.gen, to provoke, Harp, v. harp; riddle, copper corn-niece. de — Orlon (bespelen), to play on (upon) the harp. —enact,. harp -string. —spel, harping. —Wier, —speelster, harp -player, harper. —toon, harp-

Hoe ga je kopen rimpel XRP met Coinbase


Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.
UPC.11"111RO. Upeast (up'kaast), e. worp. (ook : -kaavt'),a. in de hoogtegeworpen. Uphand (up-hendl, a. met de hand opgeheven. Upheave (up-MeV), v. a. opheffen. Uphill (up-hill'), a. moeilijk, zwaar; kllmmend. —, ad. bergop. Uphold (up-hoold') [irr.] v. a ophouden; understounen; onderhouden; staande houden. —sr, u onderateuner; ondnrhouder; ondernemer van begrafoniesen. Upholster ar (up-hoonstur-ur), a. kamerbehar, ger, stoffeerder. —y, e.stoffeerderswerk, -beroep; behangoel. Upland (up'lend). a. hooggelagen; ruw, sakeschaard. —, a hoogland. —er,s. hooglander. —ish (-lend'i , j), a. Zie Upland. Uplift (up lift'),v. a. optillen, opheffen. Upmost (up'moost), a. bovenst,boogst. Upon (up -on'), prp. op; blj; over; aan; near, vol. gets; w egens; ten aanz ten van; besig met. —this, hterop. Upper (up'pur), a. boven-, onper-, 1 ...Pt.—hand; overhand, voordeel. —house, Hoogerhute. —leather, bovenleer. —lip, bovenlip. —met, a. bovenet, hooget. Uppish (up'oisj), a. trotach, verwaand. Upraise (up-teen"), v. a. oprichten: verheffen; op. wekken. Uproar (up-rier ► , v, a. oprichten; opkweekeu. Upright (up'rajt), a. —ly, ad. rechtstandinrecht op, overeind; oprecht, reehtschapen. —netts, a. rechtschapenhetd. Uprise (up-rajz') [irr.] , v. n. opataan; rij z en. —a, —lap, e. (het) opgaan, opkomst. Upraise (up'roor), a. oproer; verwarring, geraas. —ions, a. —lowly, id. (-roor'i-us-), oproerig; geram makend, Uproll (up-rooll'), v. a. oprollen. Uproot ( np-roet'), v. a. nntwortel en. Uprouse (up-rant'), v. a. opweklten. Upset (up-set') [ir, ], v. a. outverwerpen; v. n. ornslaan. Upshot (op'ojot), a. besluit; nitkomat, uitslag. Upside (up'sajd), a. bovenzi,jde. — done, ad. het onderate boven. Upspring, Zie Upstart. Upstand (up-stead) [im], v. n. overeind (racht op) tam, Upstart (up'stasrt), s. gelukskInd, parvenu. — (-staart'), v. n. opapringen. Uptear (up-teer') [W.], v. a. nit den grond rukken ; can atukken echeuren. Upturn (up-turn'), v. a. opwoelen ; omploegen. Upward (up'wurd), a. opwanrtech. —a, (•wurds), ad. opwaart, near boven; honor, meet den. Upwind (up-wajnd") [tre ], v. a. opwinden. Uranography (joe-re nog're-ilk), e. hemelbeachrtjving. Urban (ur'ben), a stedelijk. Urban e (ur-been'), a. weitevend,minzattm.—ity (-ben'it-tth), a. wellevendheid, niinzaarnbetd. Urchin (netajin), a. angel; kielue echoic°, deugniet. Ure (joor), a. gewoonte, sleet, gang. Ureter (joe'ri-tur), a. pisleidcr.
Coinbase has lost my money twice now. Once was due to an old account that, thanks to a bug in their verification process, I cannot re-authenticate. I bought 1 bitcoin back when they were only about $50 each with Coinbase. That money is gone forever now. And I acknowledge that it’s my fault that I did not set up a forwarding email with Coinbase, their support just refused to help. The second time was a month ago. I made a trade on Coinbase, and for some reason, the app glitched to think I have 5x more money than I actually… Read more »
EX11 . — EXT. Exptrobrn te (eks pro'breet), v. a, doorhalen, verwijten. —lion (-bree'sjun), s. doorhaling; verwitt. Exproprin te (eks-pr.fpri•eet), v. a. onteigenen, Meta ontdoen van, (from. of ► . —tion (-ee'sjun), a. ontetgening; afvtanddoening. Expugn (eks-pjoen"), v. a. stormenderhand vet , meesteren, veroveren. —able (-pug'nib)), a. te vermeesteren, nternbaar. —ation (-pug.nee'sjun), s. vermeestering. —er, a. verrneesteraar, overweldiger. Expn 1 a (eks-puts'), v. a. uitdrijven. —ion (-sjun), s. ultdrijving. —ive, a. nitdrijvend. Expun ct-ion (eks-nunk'sjun), s. nitwissehing; vernietiging. (-pundi.j'), v. a. nitwissehen, te niet doeu. Expurga to (eks-pur'geet), v. a. zuiveren. —tion •gee'sjun), a. znivering. —tory (-ge-tur-rth), a. zuiverend. Exquisite (eks'kwiz-sit), R. —1y, ad. uitgelezen. keurig, voortrefrelijk. s. keurigheid, vuortreffelijkheid. Exeangulous (eks-seng'gwi•us), a. bloedeloos. Exseind leks-sind'), v. a• nitsnijden. Exseet (eks-sekt'), v. a. uitanijding. —ion (-sek' ejun), a. uftsnijdIng. Exsieea nt (eks-stk'kent), a. opdrogend- —te (-beet), v. a. opdrogen• —tion (-kee'sjun), a. opdroging, —tire (-ire-tiv), a. drogend. Exapultion (eks-spjoe-isrun), s. u:tspnwing. Essuceons (else-suk'kus), a. saptoos, droog. Exsuetion (eks•suk'sjun), s. uitzniging. Exaudation (eks-sjoe-det'ajun), s. uttzweeting, Exsuile (eks-sjoed'), v. a. & n. •..itzweeten. Exautilation (eks-suf-ftee'sjun), a. uttblazing (bij bezweringen). Exaviscita te (eks-sus'si teat), v. a. apwekken. —thin (-tee'ejun), a. opwekking. Eaten cy, (ektrten-sih), a. uitsteking. —1, a. in bet oog vallend; bestaand, aanwezig. Exteinpor of (ekm•terrepur-rel), —aneone (-ree'nito.), —ary (-re-rih), a. onvoorbedaeht, voor de vuist gedaan. —e (-pur-rih), ad. voor de vulet. (-rojz), v. n. onvoorbereid spreken. Extend (els-tend?), v. a. uttstrekken, uitbreiden; v. n. zieb uitstrekken. Extensibility (elts-ten-ei-bil'it-tih), a. uitstrekbaarheid. lr.,xtcns *hie (eks-ten'sibl), a. uitstrekbaar, nitbreidbaar. —ion (-ajun), a. uttbreidlug; uitgestrektheid. —ional (-ajun-e1), —ive, a, ad. nitgestrekt, veelomvattend. —iveness, s.uitgeatrektheid, nitgebreidbeld. —or, a. uitstrekkende spier. Extent (eks-tent'), o. uitgestrekthetd, omvang; exeeutie. Exteputs te (ets-ten'joe•eet), v. a. dean vermageren (verminderen); verr.achten. --tion (-cc' sjnn). a. verzwakking; verzaettling*. Exterior (eks-trri-ur), a. uiterlijk, uttwendig, - a. uite.ritik. Extermina te (eks-tuOmi-neet), v. a. uitroeien, verdelgen. —lion (-nee'sjun), a. nitroeiing. —tor, s. verdelgrr. —tory (-ne•tur-rih), a. verdelgend. Extern (eke-turn'), —al, a. —ally, ad. niterlijk,
AAN. 376 to look (to glance) at; to show one's teeth; on. Anndijken,ov. W. Zie Anudanninen. Anndikken, ov. & on. w. to thieken. w. to dawn, to appear. Aandinarben,ov. w. to serve (to bring) np, Annbilinken,ov. w. to shine at. Aandoen, or. w. to put on; to touch at; to put Aniabod.o.offer, tender, proposal. into (eene haven); to cause, to give; to affect, to Aneaboeken, ov ev. to book. move, to touch; to attack, to snail. den oorlog Annbooten, ov. w. to feed, to stir up. —, to make war upon, to declare war against. een Anoboffen, or. w. to fling (to bump) against; on. prime. —, to enter an action against. —ing, v. w. to fall against. emotion, feeling, sensation. —10h, by. & bw. afAtenbouzers, on. w. to bounce (to bump) at, — fecting (-17), moving (-4). touching (-1y), pathetic against. —lijkheid, v. moaingness, patheticalness. Aanboorden, on. w. to fall aboard of a ship. Aaendrasgceter,v. Zie Aandrager. Anoboettn, ov. & on. w. to bore (on), to broach. Aanbotr eat, on. w. to dash (to knock, tostrike) Anndrnalen, or. 77, to turn to, — closer; to stretch; to fasten upon; on. w. komen to come against. —ing, v. paehing, chock (to approach) turning. Aanbouve, m. raising; construction, building; cultivation. —en, ov. w. to raise; to construct, to /Vanden* en, ov. w. to bring, to carry nearer; to inform of. to make known. —er, m, bringer; inbuild (bij, to); to augment, to enlarge (by buildformer, tell tale, tale-bearer. ing); to cultivate. —er, m. raiser; builder; culAundrang, m. crowd, thronging; pressure, nrtivator. —ing, v. Zie Aanbou w. geney ,rstress. Annbrand en, on. w. to burn, to scorch. ---toy, Aandraven, on. w. to trot, to run fast, — apace, v. burning, scorching_ —eel, o burned part. Aanbrass en, or. W. to brace, to brace in. —ing, to w elk nimbly. Aandeenteleo, on. w. komen —, to come (to v. bracing. Aanbrellen, or. w. to knit to, to new-foot; on. w. approach) sauntering. Aandribbelen, on. w. komen —, to come (to apto knit on. Aanbrek en, o. dawn, day-break; met het — van proach) tripningly. den dap, at daybreak, about sunrise. —en, ov. w. Aandrift, v. impulse; instinct. to begin, to break, to open, to touch. —lag, v. Zie AandrUfater, v. Zie Aandrijver. AandeUv en, or. w. to key up; to press (to push) Aanbrekec, o. an; to impel, to stimulate, to urge, to incite; on. Annbeeng en, or. w. to bring (nearer, on); to w. komen —, to float hither, to be cast onshore. impeach, to inform against, to denounce, to de—er, m. driver, pusher; stimulator. instigator, pose; to produce, to yield. —er, m. —ater, v. abettor. inciter. —ing, v, driving (puebing) on; inbringer; informer, denouncer; tell-tale,tale-bearatigation, incitement. er. —rug, y. bringing nearer; information, denunAandring en, or. w. to push (to press) on. — dal°n. against; to urge, to incite; on. w. to insist (op, Aanbelesehen, or. w. to neigh at; to roar (at). upon). —er, vu. —ater, v. urger, imitater. Antabeovannen, ov. w. to grumble (to grow) at. Aleindr arisen, on. w. to be contrary (to), to clash Aanbruien, ov. & on. an. Zie Artaborten. (with). Aanbruiv en, on. w. to roar, to foam, to rush on; Aandeukk en, ov. w to print to; to press(against. to use one roughly. —kg, v. tegen iemand —, to); on. w. to print on --lag, v. printing to; foaming, rushing. pressing against. Annbrull en, or. w. to roar at. —iny,v . roaring /Cantonal* en, or. w. to bend nearer. —ing, v. Alandssid en, ov. w. to indicate, to denote, to signify, to show, to point to. --mg, v. indication, bending. signification, denotement. Annbuitallen, on. w. to tumble near, to approach Aaadoeven,ov.w. to dare attack. tumbling. Aandoween, ov. w. to push on, — forward; to Annbulderwn, 'iv. w. to roar at. push (against). Aatabulken, or, w. to bellow (to law) at. Aandaeht, v. attention; devotion. —ig, by. & bw. Annelinwellen., ov. w. Zie Dw attentive (-Ty), intent (-Iy); devout -1y), pious Anneen, bw. together; successively. —binden, ov . w. to bind (to tie) together. —binding, v. binding (-1y). —igheict, v. attentiveness. (tying) together, junction. —breien,ov. w. to knit Anodanin3en, ov, w, to dam up. to dike. together. —brengen, or. w. to bring together, to Aantinnsen,on.w. !omen—, to approach dancing. Join. —flames, ov w. to botch (to patch) toAandeet, o. portion, part, contingent, shore. — hebben, to share in, to have a hand in. — nemen, gether. —geachakeld, bv. linked together, concateto take a share, to partieie ate; to take an interest nated, compact, concise. —gesloten, by . close, closely united. —groeiert, on. w. to grow together. (in). —howler, —houdster, shareholder. —groeiing,v.gvowing together,symphysis.—hakes, Anndenken„ o. remembrance, memory; keepsake. ov. w. to hook together. —hangen, on. w. to hang tot — van, in commemoration of. together, to cohere. —hechten, or. w. to fasten Aendlcht en, ov. w. to impute, to charge with. together, to attach. to join, to unite, to connect. —ing 7 • imputation. —hechting, v. joining, connecting. —ketenen, ov. Aandienen or. w. to tall, to announce, to give notice of; to* give In a. o. 'a name to usher in. zich w. to chain (to link) together. —keening, v. linking together. —klampen, or. w. to clamp together. fates —, to send in one's name. —kleven, on. w. to stick together. —klinken, or. Aandlepen, ov. w. to deepen,to make deeper; on. w. to rivet together. —knoopett, or. w. to knot w. to eound (to try) the depth.

Welke cryptogeld is het beste om de mijne


Urethra (jos-rrthrs),e. pisbnis. Urge (urtirn„ v. C. dringen; unseals, asus"o• ten ; stark aandringen op; verbitteren; bespoidigen; opatokeu; opgeven, voorwondan; v. n. dringend zip; morwaarts dringen. —sty (-en-sih), a. drang; dringend verzook. —at, a. —ntly, ad. (-ent-1,dringend. r—, a. dringer; aandrtiver. Urin sal (ies'rin el), a. pleglas. --(try (-e-rih), a. pis-. —retire (-ae-tiv), a. pisdrijvend. —ator (-eetur), s. duikes. —e (-tin), s. pis, urine, v. n. wateren, water low. - OUL. a piaaohtig. Urn (urn), e. urn, yeas, k'uik, lijkbus. —, v. a. in erne urn doen. Us (us), pr. pl. our. U sage (jeed'zidzp, a. gebrutk, gewoonte, behan. deltng. —once (-tens), e. gebrulk, use ; interest worker. Use (foes'), a. gebrulk, gewoonte, °arming; nut, voordeel; bahoette; interest. to put to —, op Interest mitten. — (joeV), v. a. gebrutken; uttoofenen; gewennen (to); bejegenen; besoeken; (up) verbruiken ; — the sea, ter use varen; v. n. plegen, gewoon ziju a. --folly, ad. nuttlg, —fulness, a nuttelooa. e. nuttelooahotd. —r (jose-ur), a. gebruiker. Usher (usj'ur), a. iniaider, ceramonle-meseter ; deur 'reorder; onderzoeker. —, v. a. binnenteiden, aannielden; invoeren; aankondigen. Usquebnugh (us-kwe-boa'), s. kruidenbrande. wijn. Ustuinte (ua'tjoe-let), a. zwartgobrand,gasengd. Usti on luat.'jun), a. (het branders, verbrandtng. Usual (joe'zjoe-ell, a. .—ly, ad. gebruliceltjk, gewoon; gewoonlijk, doorgaans. o, gewoonte, gewoonheid. Ucu caption (joe-zjoe-1,,i'ejun), s. voikrijg flg van eigendom door bet verjaringsrecht. —pact (joe'zjoe-frukt), a. vruchtgebruik, —fructsary (-trukt'joe-or-rih), a. vruchtgebrulker. Usur er (joe'ajoe-rue), a. woekeraar, —loss, a. —iougy, ad. (-zjoe'ri-us), woske.eend. Usurp (joe-zurp'), v. a. overweldigen. (-pee'sjuu), a. overweldlging. —sr. a. overweldiger.. —lonely, ad. door overweldiging. Usury (joe'zjoe-rib), a. cocker. Utensil (joe ten'sil), n. gereedachap, werktuig. Uter ine Ijoe'tur-ajn), a. van de baarmoeder, van mnedersztjde. —ns, a. baarmooder. Util it y (joe-ttl'it-tih), a. nottigheid.; —ise (Joe , til-ajs), v. a. eon nuttig gebruik mitten van. Utmost (ut'moost(, a. & e. ultorst, hoogst. Utopian (joe-to'pi-en), hersenschimmlg, denkbeeldig. Utter (ut'tur), a. —Iy, ad. utterot; gehosi, vol. slags!' v. a. uiten, ui.tepreken; openbaren, var. spreiden; in omloop brengen; verkoopen, —able a. nit to spreken. —ante, a. uttiag. uttspraak; mordraeht. —sr. a. uitsprekor; openbaarder; gayer; verkooper. —most, a. & a. ZIA Utmost. Uveeus (j os' vi.us), a. drutrvormig. —coat, druitvital (van het oog). Uvula (joe'vjoe-le), s. keallelietje, huig. Uxorious (ugs-o'rt-us), u. ztjne Trott,' overdreven bemlnneud. —ly, ad. nit overdreven liefde voor One vrouw. —sees, a. overdreven Herds voor One vrouw.

Kun je ZRX kopen op Coinbase


—genereal,lieutenant-geheral. —eplaate, lieutenancy. Luiame, ov. w. to louse; to drain (a. o.'e puree). —kens, dandruff-comb. —kramer, old-clothes-man. —markt, rag-market, rag-fair. —pleeht, beak-head. —sail, ointment against lousiness, mercurial onguent; idle talk. Lulaig, be. lousy; paltry, mean. —held, v. boostnew paltriness, meanness. Leak, o. luck, chance. — el cask, —raak, bw. hit or miss, at random, at hap-hazard. —Odin, Fortune. --seer, propitious star. —ken, ern. w. Zie Gelukken. Lui, In. fore-stay-sail. —, v. mouth of a pump; bib; eneking-bottle —leman; workman that directs the ripe of a fire-engine; idle talker. —leAlp, hag-pipe. —len, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to drink out of a bib; to prattle, to talk nonsense. Lesusme, v. loin (buttock) of beef. lLunansell, In. simpleton, dolt, lob, lob-sock. —.Fatly, be. & by. clownish (-1y), doltish (-1Y). —achtigkeid, v. clownishness, doltishness. Lumtner korai, ra. —stab, o. Zie Lumme. Lucre, v. linch-pin. Lunzea, ov. w. to put a linch-pin to (a wheel). Curl, v. wooden trap to catch finches. b(j turves pakken, to lay hold of, to collar. Lurk en, on. w. to suck. —er, m. eucker. Lua,v. Zie Lis. Lust, m. desire, fancy, inclination, mind; lost; pleasure, delight. — hebben, to have a mind. —botch, grove, shrubbery. —aof, —warande, pleasure-ground. —huis, country-seat, villa. —prieel, bower. —riak, delightful, charming. —slot, castle of pleasure. Lusteloos, be. listless, heavy, dull, dejected, down-cast. —held, y. fitness':els, heaviness, dullness, dejeetednese. Lusters, ay. on. w. to litre, to have a mind (for), to please. Pearce —., to be a lover !Lustig, by. & ow. merry 1-ilyl, cheerful (-ly), jovial (-1y), lusty (-11Y)i greatly, roundly. --, taw, courage! cheer up! —heid, v. merriness. chserfulnees, joviality, lustiness. 1Lestje, o. little, bit. ILEniteL b.. & be. little, few. Cum', v. Zie Luber. Luis.. hr. sheltered; lee, leeward. —en, on. w. to cease blowieg, to abate. —in, v. shelter; in de —, sheltered. 

Wat voor soort geld is cryptogeld


—, gold-wire. is — waard, he is worth his weight in gold. —aster, vein of gold-ore. --anent:, royal-eagle. —berg, —owl; —niOn„ gold-mine. --bears, purse of (for) gold. —t-tasent, dorado, gold-fish. —delver, gold-seeker. —eucht, thirst for (otter) gold, love of money. —dread, gold-wire.—droadtrekker, goldwire-drawer. —erts, gold-ore. —feel, gold-colored, golden. geld, gold coin, gold. —gewicht, gold-weigh!. —glid, —sc./ruins, litharge of gold. --golden, goldfloriu.—haantje,gold-beetle; golden• crested wren. —handel, gold-trade. —kever, brass-beetle. —kiat, strong box; casket. —kleur,goid-color; orptment —klomp, mass (ingot) of gold, —hornet, grain of gold. —host, gold-inset. —ink, gold-lac. —taken,, brocade. —lakensch, brocaded; —e infant, goldpheataut. — leer, gilt leather. —hijns, chryencol. —looter, gold spangle. --maker, alchemist. —makerij, alchemy. —mere!, witwal. —anent, goldcoin. --plotter, —slaver, gold-beater. —porter, gold-powder. --deAtIal, gold-weights, aseay-balonce. —stmederj„ gold.ernith'e art, — workshop. —smelter, gold-reelter, refiner of gold. —amid, gold-smith. —oteaf, ingot of gold. —*teen, touch.. stone; chryeolite. —itof, gold-duet; brocade, tineel. .old-place. —verf„ gold-color. —vervig, gold- colored, gtelden. —ringer, ring-ft-ger.— yin*, gold-finch. gold-flub, dorado, doree, —vlieg, spanish fly. —riles, '401d-beater's skin. - wasscher, ,gold-waaker. —work, gold-mmith's work, gold. —werksr, gold-amith. —worm, glowworm. —wortel, calanditee, daffodil. —send, soldsaad, gold-dust. —teeter, gold 'searcher; alchemist. —zinger, usurer, extortionsr. —enregen, Ittbarnum. —eiloom, marigold, gold-flower. —en, be. golden. Gon‘v, v. celeodlue. Grnatil, ne. degree; rook. —lock, book of charts. bong, crone-staff, Jacob's-staff. —meter, mettle. Grater, v. spade. —iiser, pick-axe. —weak, digging. Graaf, us. roust; (engelsche) earl. —achap, U. county, shire; earldom. Gmlag, bv. eager, greedy, sharp-set, hungry; in demand; — warden, to get an appetite, to take. - bw, eagerly, willingly, readily, with a good appetite. —heti, v. —te, v. eagerness; appetite, stomach. Grano, o. grain, corn. —bouw, cultivation of corn.—gewas, crop (of corn). —handel, corn-trade. —kooper, nom-merchant. —(sorrel, grain of cora. —moat, corri-measure. —markt, corn-market. —Id/ tear, granary. —vloot, corn-fleet, —sect, cernlaw. —colder, corn-loft. Graftatje, n. dram. ee;,— yikken, to dram. Grant, V. fish-bone. van de — caller, to grow very lean. Gratibbel, v. scramble. te gooien, to throw away (to make scramble for). —eve, scrambling. —oar, m. —aarster, v. scrambler. —en, on. w. to scramble (for). —ing, v. scrambling. G encht, v. canal; ditch, moat. Genf, o. grave, tomb, sepulchre. ten grave dales, to die. ten grave dreg., to bury. tot aan het —, till death. aan den rand van het — clean, to be on the brink of death. —gewelfs vault , catacomb. —heave', tumulus. —kelder, —keit, vault.. —tied,

project x cryptogeld


EN A .— EMP. vrij maken. (-pee'ejun), a. bevrijding ; vrijmaking. —tor, s. bcvrijder; vrijmaker. Emarglnate (e-maar'dzji-neet), v. a. ontranden. Emascula te (e-mesikjae•let), a. ontmand.—te (-leet)., v. a. ontmannen. —tion (-lee'sjun), ontmanning; verwijidheid. Embale (em-bee!'), v. a. inpakken. Embalm (ern-baam'), v. a. inbalsemen. —er, a. balsemer. Embank (em-beck'), v. a. iudijken. —ment, a. indijken; dijk, dam. Embar (em boar'), v. a. insluiten; verhinderen. Embargo (em-baaego), s. beelag op schepen. Embark (em baark'), v. a. inschepen; v. n. aan boord gaan. — in an affair, zich met eene zaak inlaten. —ation (-ber-kee'isjun), s. inscheping. Embarrass (em-ber'ress)„ v. a. verlegen maken, belemmsren. -went, a. verlegenheid; belemmering. Embase (em-been'), v. a. alechter maken. Embassador, die Ambassador. Embassy (em'bes-sih), a. gezantsehnp. Embattle (em-bet't1), v. a. in slagordC echeren. —d, a. van schietgaten voorzien; in slagorde geachaard. Embay (em-bee'), v. a. in eene baai;insluiten. Embed (em-bed'), v. a. in een bed (cone bedding) leggen ; bedelven. Embellish (em-bel'lisj), v. a. verfraeien. —ment, a. verfraaiing. Ember (em'bur), a. quater-temper. —day, aschdag. —goose, adventsvogel; noordache duiker. —week, quatertemperweek. —8, a. heete arch. Embezzle (em bez'z1), v. a. toevertrouwde goederen verduiateren (verbraasen). —went, a. outvreemding. —r, a. ontvreemder. Emblaze (em-bleez'), v. a. versieren; - met wapens versieren. Emblazon (em-blee'zn), v. a. met blazoenen achilderen; opziehtig versieren. —er, a. blazoenachilder; versierder; lofapreker. —ry a. (het) wapenschtideren; de afbeeldingenj (op een wapenschild). Emblem (emiblem), a. zinnebeeld. —atic,—atical, a. atically, ad. (-erik), zinnebeeldig. Embody (em-bod'dih), v. a. inlijven. Embolden (em-boold'n), v. a. stout maken. Embolism (em'bo-lizm), a. tuaschenvoeging; inlassching (van tijd). Emboss (em-bos'), v. a. gedreven werk maken, opwerken. --rent, a. hoogte, verhoogiag; gedreven week. Embottle (em-bot't1), v. a. op flesschen tappen, bottelen. Etnbowel (em.bauwq), v. a. ontweien. Embower (em-bauw'r), v. a. in een prieel plantsen; v. n. in een prieel wonen. Embrace (em-brees'), —meat, a. omhelzing, omarmi-ng. —, v. a. omhelzen; bevatten, instuiten; v. n. elkander omhelzen. —r, s. omhelziug. —ry, a. paging om de rechters of gezworenen om te koopen. Embrasure (em-bree'zjoer), a. schietgat; nitstek. Embroca te (em'bro-keet), v. a. betten; inwrij Yen. —tier (-kee'ejun), a, invvrijvinp:.
M M.— Da U T pelen. -Cr, 0. vermomae. —try, a. vermomming, filusesiass (tojoe-sl'uni),s. museum. rettekerade. —ify (-rni-faj), v . a. inbalseraen, als Mushroom (musj'roem), a. paddenstoel; :parVenn. muraie bewares. —y, a. mimic; entwas; to beat Music (mjoe'zik), a. muziek; toonkunst. —master, to a —, boot en blauw slaan. muslekmeester.—pen,muzlektrekpen. —room, eonMunn, (mump'), a. knabbelen; mompelen; bade—shell, Eotenschelp. —stand, muzieklescertzaal. klaplooper, bedelaar. s. —er, len; bedriegen. settaar. —al, a. —ally, ad. (-zik1-1, muzikaal, wel—er's-hall, bedetaarsherberg. —ing, a. bedelaaasluldend. —alness,s.welluidendheid.—ian (-sisj'en), list. —lab, a. gemelijk, morrend• -8, pl. geniea. toonkunatenaar. lijkheid, kw ade ham; klier-, keelgezwel. Musing (mjoez'ieng), s. gepeins, mijmering. Munch (muntsj), v. a. & n. guizig eten. (-dik), Musk (musk', a. nauskua; muskusdier. —apple, Mund ane (mun'deen;„ a. wereldseh. muskadel appel. —ball, muskusballetje. —bearer, a. zwavelkies. mueksarot. —cabbage, bIsamkool. —cat, eivetkat. Mitandif bent lois (mun-dif-i-kee'ejtie), a. reini—cherry, muskadel-kers. —melon, muskus-meloen. - icative (-di?%-ke •tiv), a. & a. reinigend —pear, muska.del-peer. —quash, muskusbever. (miattel). —y (mun'tli-fajl, v. a. reiuigen. —rose, mueltusroos. —seed, bisamkerrels. —iness Mundivagant (mus-div'e-gent), a. door de we(-1.near), s. musk u,geur. —y, a. artskusaehtig. reld zwervend. Mundungass (nittn•dun'gus), a, knief, stinkende Musket (mus'kit), a. musket, anaphaan. —ball, geweerkogel. —basket,echanskorf. —proof ,kogelvx ,.3. tabak. a. musketier, —shot, geweereehot. —eer Muneratry (injoe-ne're-rih), a. als een gemehenk. —oon (-oen'), a. moaketon. Municipal (mjoe-nis'i-pel), a. gemeentelijke, gemeente-, —ity (-pel'it-tilt), s. gerneente; gerneen- Muslin muz'lin), a. mousseline, neteldoek. —, a. s. grofneteldoek. —et (-eV), van neteldoek. tebestuur. Munilicen ce (injoe•niri-aens), a. milddadigheid. §fiasistillash (rnua'kwosj), a muskusrat, -bever. usrol (rnuz'rool), a. neusriem. —t, a. —tly, ad. milddadig. Muni ntent (mjoe"tri-ment), a. 'aterkte, vesting; Muss (muss), a, gegrabbel, wanorde. vent edigin g; oorkonde. —lion (-nisrun),s.sterkte, Mussel (m_us'sl), a. mussel. (mus"aul- men), s. Muselman. vesting; krijgsvoorraad; —bread, kommiesbrood. M 111.14 91 Mur age (atjoe'ridzi), a. muurgeld. —at, a. van Must (must), a. moat. —, v. a. doen besehimmelen; v. n. besebimmelen. eon' muur-; —crown. muurkroon. Murder (nter'dur), .s. sword. —, v. a, vermoorden. Must (must) [must], v. n, moeten. —er, a. moordesaar. —ess, s. rnoordenaarster. Mustach e (mus-taasji, —io (-i-o), a. knevel, —owl, a. —ously, ad. moorddaaig. Muse (ntjoer), a. muur. —, v. a. bemuren; (up) toe- § Mustang (mus'teng), a. wild paard. (rnueturd), a. mosterd. —pot, mosme tselen. terapot. —seed, mosterdsaad. ► uri ate (mjoe'ri-et), a. zoutzuur tout. —atic (-et'ill), a. zoutzuur be atttend; acid, zout•uur. Mustee (mus - tie'), a. treaties. —form, R. ateenachtig. —ne (-gin), a. muisaebtig; Muster (mus'tur), a. monstering; monsterrol; troop. to pass —, gemonsterd warden; goad doormuizen-. komen, geduld warden. --, v. a. monsteren; Murk ;murk'), duisternis. —y,a.dosker,somber. (up) verzamelen; v. n. zich versamelen. —book, Murmur (mur'mute, . gemurmel; gemor. —, v. n. —roll, monaterrol. —maater, k•ijga-kommissaris. tritirmelen; morren (at. against,. —er, s. morder. besehimmeldheid, —ing , s. gam°, —ingly, ad. marrend. -ass, a. Must Ines ;Iniveti - ness), s, mu fheid. —ily, ad. —y, a. besebimmed, mad, gemor verwekkm)d vunzig; log, loom. Murnived Itniteni-vel, ► , a. vier gelijke kaarten. a Mutat his mjoe'tibl), a. veranderlijk, oubesten— of aces, vier stun. —bleness, a. veran-bility Murrain (rauerin), s. veepeat. a — take you, de derlijkheid, onbestendigheid. — iron ( - tse'sJun), drommel host je. a. verandering. Murr e (flour'), s. alk, (snort van) pans. —ey ad. aprakelooa; zwijgend. —1y, (mjoet'), a. a. donke) rood. —ion (-jun), a. Zie Mor!on. —y- Mute —, a. stomme; figurant; atoms. letter; toon• bird, tie Murze. demper; drek (van vogels). drek loners Murth (murth), Ft. overvloed; ruim besehot (van (van 'vogels). —ness, a. sprakeloosbeid; stilgrain). zwitigen. Muscat del (mus'ke-del), —dine (-dajn), —t (-bet), Muttta to (mjoe'ti-leet), v. a. verminken. --tion —tel, H. muakadel (peer en druif;;muekaatwijn. klee'sjun), a. verminking. —/or, a. verminker. Muscle (mus's11, a. NPier , m... 1 Mutineer (mjoe-ti•nier 1, a. rnuiteling. Muscosity (rous - koett - tah), a. movsighead„ a. —ously, ad. opro Muscovado (mus-ko-vee'do), s. ongeraffineerde Martin, ous (mjoe'tt-nus), rig. 2-ousnese, a. oproerigheid. —y, s. muiterij; sulker. opstand. —y. v. n. molten. Muscul air (mus'kjoe-ler), a. gespierd; spier-. v. a. & n. gemompel. —arity (-ler'it-tih), a. gespierdbeid. —ous, a. Mutter (mut'tur), a. elaar; mormorape,len, grommen. —er, s. mOmp spieraehtig; gespierd. her. —zngly, ad. mompelend. Merge (njoez'), a. muse; gepeins, nAjmering. Mutton (mut'tn),s.sehaapAchapen , leeseb.. — chop , v. a. overpeinzen; v. n. to.- up.) Peinzen; seltapenrib. —fist, dikke. grove vuiat. head, dom ren. —ful, a, peinzeut, miimerend. —r, a. painter, hop. nitj m era fir. 

Wat is Crypto trading bot


honest (Ay), genteel (.1y). —held, v. smartnese; genteelness. Huron, or. w. to hire, to rent ; to freight. Husk, v. op de —en stiles, tie llurken. —cn, on. w. to sewer, to squat, to sit at squat, Slut, v, cottage, cot, hut ; cabin. —bewoner, cottager. —gotten, officers that lodge in the upperroom of a ship. Hnteel noir, m. tosser. —es, ov. w. to tors, to huddle. —beher, dice-box. —ing, v. tossing, huddling. flute en, or. w. Zie Hutselen. —pot, hodgepodge; minh-mash. Hour, v. hire, rent; lease ,• wages; service. to —, to let. —brief, bill to let lodgings. —ceel, —con• tract, lease. —geld, rent, hire; freight. —hale, hired house.—kantoor,register.office (for servants, etc.). —koett, hackney-coach. —keetaler. hockney coachman. —loon, wages, hire. —paard, hockney-horee, livery-horse. —penningen, —prifs, rent. —troepen, mercenary troops. —rraeht, freight, —der, m. hirer, renter ; lodger, tenant, farmer ; freighter. —lisp, m. & v. hireling, mercenary. —tier, v. hirer, renter ; lodger, tenant. linwbaftr, by. marriageable, nubile. —held, v. puberty. HuswelUk, o. marriage, wedlock. matrimony. —taantoek, suit. —aband, nuptial tie. —abed, nuptial bed. —ebelofte, promise of marriage. —contract. marriage-contract. —edicht, marriagesong. epithalamium, —sfeest, wedding-feast. —ageboden, bans of marriage. —vetch, connubial happiness, nuptial bliss. —spilt, marriage-gift. —egad, hymen. —speed, dowry, marriage-portion. —eleven, married life, —sliefde, conjugal love. —splannen, marrying intentions. —splicht, conjugal duty. —strouto, conjugal faith. —suittet, trousseau, —mon/marries, marriage-enrolee. —engin, conjugal blessing. linweltikach, by. nuptial, conjugal, matrimonial. linwen, ov. & on. W. to marry. If unser, mt. hussar. Irisszaren mantel, m. hussar's cloak. --efficier, m. officer of hussars. m. v. & o. hyacinth. H yena, v. hyena. ilypotheek, v. mortgage. vrii ran unmortgaged. II Yf101s, v. hysop, hyssop.
orint (off► , to imprint; to finish printing; to die- I Afgifte, v. handing over, delivery. e.hsrge, to let off. —eel, o. impress, print, im• AfolUden, on. w. to elide (to glide) down, —off, A follppein, on. w. to slip (to slide) down. pression,imeze. Afdrneinolen, on. w. to drop (to drip, to trickle) Afgod, tn. idol. —endienaar, m. idolater. —endlenaree, idolatress. —endienet, idolatry. —abseld, down. idol. —*printer, pagan priest. —ery, v. idolatry. trinaven, °v. w. to push oft Aid yeol en, on. w. to go astray, to stray, to —leek, by. idolatrous. wander, to err; to deviate (from). —illy, v. wan- Af000ten,ov. w. ens. Zie Afwerpen,enz. Afoorden, or. w. to ungird. Foraying; error, deviation. linintr, rs‘fgrauxo en, or. w. to snarl (to growl) at. Aft , wellen, ov. w. to mo;, . Afewlno en, or. w. to extort—, to wrest (from). Algreven, ov. w. to dig off, to separate (by digging). —er, Fn. exiorter. —ing, v. extortion. Afeisch en, or w. to require, to claim, to exact, Atoronen, ov. w. to graze, to browse, A floreppeten, ov. w. to separate by trenches. reowisition, claim. (rrom). Afgrfjpen, ov. w. to snatch from. Afeten, ov. w. to eat (to nibble) off, to hrowae. AWL' sefljk, bv. & hay. horrible (-bly), horrid Anent*, v. eorrioze. von tie — nemen, to dimount. ( - ly), — selijkkeid, v. horribleness, horridness. Afecove, v. Zie Aroeete,o. Alga on, os. n. to welk off, to measure (by steps); —zen, o. horror, abhorrence; een hebbenvancto on. w. to on , lown, to deoeend; to decoy, to abate, abhor. to dim nisi,. to vanish; to go to stool, — to the Afgrond,m. abyss, precipice, gni f. privy; to po off; to start; to reit; to wear oit Afounst, v. envy, grudge, jealousy. --io, be. & jealous (.1y),—igheid,v, envy, bw. envious (• to tad, to blot; (vat,) to leave; to give up, to jealousy. resign, to deport (to deelvte) from; to chenge; to he token off. (op) to to up to, to rush in upon; to Afbnken. ov. w. to unhook, to unclasp. Afhakken, ov. w. to chop off, t, cut away. het gnat o, to confide in; to one tor. trust to, tent goe of, he 11,11 a ger tett. wry of doinw it. —, 0. Afbollen, ov. w. to fetch down; to fetch, to call for; to strip (to pull) off, to Say; to strip )peahen; going Flo wn,riescendine: decay, decrease, decline; woo.; depa:ture, deviation; going oulnevacuation, eec bed); to pick (boonen); to *trip of. laten to nendfor sitool, declivity. A foonnell. by. on the decline, waning; intermit- Afbandel en, or, & on. w. to conclude, to tertent (van boort.); s lucking (van het tij). mieate; to ;settle, to arrange; to treat of. —lug, Algona, rn. excrements, faeces; sale; ole terrier v. termination; treatise. Albondig, by. iemaad jets — makes, to deprive Afgeton, o. (to rid, to ease) any one of. Airoo5eeenken.hv. disjointed, broken; abrupt. Alban genus, m. & v. dependent, retainer. Afnecionio, dw. finishee, dove for. —gets, or. w. to take down; on. w. to hang Algeiclonbt.bv. oroken; tie Afdanken. down; (van) to depend upon. — gent. be . doping, Afgedavoold, be. stray, gone astray. shelving. —ger. tn. dependent. —kelOk. by. deAfonieefd. hv. decrepit. —heid, v. decrepitude. AfteNerton, by. distant, remote, —heitl,v.distance, pendent. —Itelijklzeid, v. dependence. on. w , to lose the hair. , Afhesreo s. eemotene Afgeloliii, be. Zie Atleiden. —woord. derivative. Arhaspelen, °v. w. to reel (to wind) off. Afgetont, by. wearied out, spent. —heid, v. weed- Albebben, or. w. to have done,— finiohed. A fbeffets, ov. w. to take (to heave) off; to cut. nesn. Afbein en, ov. w. to fence (in), to hedge (about). Aroopnet,bv. squared, adjustod; counted (out). --ing, v. fencing in, enclosure. Afgene hottlene, in. et v. dissenter. Afbe II en. on w. to elope, to incline. —ins, v. Afireeleten, bv. worn oft, -- opt, gone. sloping; slope, declivity. Afnoolloofd, by. Zie Afgenunt. Arceeptorven, he. deceased; dead (irsensible) to. Afbelpen, ov. w. to help down; to deliver —, to relieve (front), to rid —, to cure (of). —e, m. we deceased, dead. Afgetrokken, hr. abstract, distracted. —heid, v. Afhinizen, ov. w. to measure by hopping; on. w. abstrActedne?s,abse , re of mind. to comedown (to descend) hopping. Afhljschen, ov. w. to let down by means of a Afteryttordlooeen, m. deputy, delegate, envoy. pulley. Aloes, al terve m. & v. apostate, renegade. Algol, en, ov. w, to deliver, to hand, to give up; Afbouren, ov. w. to hear, to listen to; to — met, t. w. In have arnine,to overhear, toquestion, to confront. (een wine; etch draw to blot, Afhoud en, c.v. w, to keep off,— back, — from; intercourse with; to meddle with; on. w. to to fend off, to detain, to debar, to withhold; to to stRin, trl one that delivers; drawer. —ing, deduct; on. w. to sheer off, to keep aloof, to keep v. giving (hAtvi(ng) over, delivery. off (the shore). —er, na. detainer; guy. —inp, v. Afoonnnied., by. triteotale, hackneyed, common- keeping off, hinderance; deduction. place. Afhonw en. ov. w. to cut (to chop, to hew) off; Atoennett, to. rnmenger, en,y; tie tlenant. ternand het honfil — , to behead a. o. —er, Afe;oz000derd, bv.retired, solitary; seeretitIons. hewer off. —ing, v. hewing off. Afnioren, on. w. to be cant off, to sheer off. Afgket en, or. w. to pour off, to decant, to cast, Afbniebelen, ov. vr.toobtainbyhypocriry from. o found. —er, m. moulder, caster. ---ing, v. /Winer en. ov. w.to hire (from), --ing, v. Afbnur der, tn. —atm v. hirer. eosting...eel, o coot, copy.
verlen4ing, rekking. —wise, ad. in de Lettuce (let'tia), e. latuw, clause'. 'Levant (le-vent' ► , a. oostersch. lengte. —y, a. langdradig. a. Levant. er, a. oosten'wind. —ine (-in), a, levauttch a. & a. vertachtend, lenigend (middel). Levee (lev'te), s. (het) opstaan; ochtendbezoek; avondgezelschap. Lena ly (len't-faj), v. a. verzachten, lenigen.—tive, a. & s. Zie Lenient. —ty(-it-tih),s. zachtheid, Level (lev'il), a. gelijk, nick, waterpas, (with); geevenredigd (to). —, s, vlak, waterpas; paslood; zachttinnigheid. rtchtsnoer, maatstaf, pail. —, v. a. gelijk (sick, Lens (ten;), a. lens, tins, kijkglas. Lent ilent'), a. de Va,ten. —sermon, vastenpreek. waterpas) makes; gelijk stellen , (with); richten (at). —, v. n. (at) mlkken, doelen, streven. (with) —en (len'tn), a. van de Vasten. overeen k•men. —ler, a. gelijkmaker. —ling, a. Lent Icctlar(le,tik'joe-ler),—iform(len'ti-form), nivelleeriag. —mess, a. vlak-, effeaheid, gelijkheid. a. linsvormig. —iginous (-tidtri-nus I, a. tsproetig, vlekkik. —igo (-Virgo), s. levervlek,.sproet. —il Lever (li'vur), a. hefboom. (len'tislo, a. mastikboom. Leveret (lev'ur-it), a. haasje. (len'til), s. linte. Len for (len'tor). H. taaiheld, lijmerigheid; traag- 'Leviable (levq-bi), a. hefbaar. Leviathan (lo-vare-then), a. leviathan. heid. —toes, a. teat, lijmerig. Leo (li'o), a. (de) Leeaw. —nine (najn), a. leeuw- Lealga te (lev'i-Beet), v. A. glad — lenig makes; tot poeder w!ijven. —lion (-gee'sjun), a. (het) achtig. gladmaken, Leopard (lep'urd), a. luipaard. —'s-bane, get.;- zenkruid. Levitation (lev-i-tee'sjun), a. verlichting; lichtheid. Leper (lep'ur), 8. meloatsche. —ous, a. melaatsch. Levit e (levajt), s. Leviet, printer. —ice (leCelli/rine (lap'; r-raja), a. haasaehtig. s. schilferachtigheid. vit'ikl), a. levitisch, priesterljjk. —ices (le-vit'Leprosity 11.epr osy (lep'ro-sih), a. iaelaatschheid. —ous, a. 1-kus), a. Leviticus, deeds boek van Motes. nielaatsch, achurftig. —ousness, a. atelaatsch• Levity (lev'tt-tih). a. lichtheid; lichtzinuigheid, waftheld. held, schurftigheid. a. berisping, uitbrander. Levy (lev.ih), a. werving; heffing. -, v. a- lichten. Larry weevers; heffen. — a war, een' oorlog beginners, "Lesion (li'zjun). s. kwetsing, letsel. Lewd (ljoed'), a. —1y, ad. liederlijk, ontuchtig. Less (less), a. kleiner. — ad. minder. --news, ., s. liederlijkheld, ongebondenheid. 'Lessee (les-sie'). e. hutirder, pachter. Lexie al (lekeikl), a. van een woordenboek. Lessen (les'un), v. a. & n. vermindaren. —ographer (-i-kog're-fur), s. woordenboekschrijLesser (less'or), a. kleiner, minder. — Asia, var. —vgraphic (-1-ko-greflk), a. het schrijven A zit. van eon woordenboek betreffend.—ograyhy(-i-kog% Lasses (les'siz), p1. deck, meatstof. re-till), a. het sehrijven van een woordenboek. u. les; voorlezing; berisping. Lessoia —ology (-i-kol'uct-zjih), a. woordenkennis. —on v. a. criderwijten, les geven. (i-kon), s. woordenboek. Lessor (les'sur), s. verpachter, verhuurder. lLeydets.jtar Ilaai'den-dzjaar)„ a. leidscl.e finch. Lest (lest), eon). o.pdat 11'181. Lies ble (layibl), a. onderhevig, blootgesteld, Let (let), s. beletsel, verhindering. onderworpen, (to);verantwoordelijk (for), —bility L et (let) [let], v. a. bates, toelaten; verhuren, te hour. (..e•bil'it-tih), —lioness, a. onderhevigheid (to); verpachten; verleenen. to —, to be verantwoordelijkhetd, verplichting (for). — alone, laten staan; met vrede bates. — blood, aderlaten.—ja/i,strijken. —loose,loslatert ;upon), Liar (laj'ur), a. leugenaar. (down) of-, neerlaten. (in. into) binnen-, inlaten; 'Libation (laj-bee'sjun), a. pleagoffer. inlasschen. (op afschieten (at); laten gaan. (out) Libel (larbil),s, schot-, schimpschrift, aanklacht. —, v. a. in geschrifte belasteren; schriftelijk verhuren; uitTeenen; uttlaten; — to use, op irate- aanklagen. —ler, a. paskwilschrijver. —loss, a. test zetten. —, v. n. zich onthouden. lasterlijk, eerroovend. Ectels (letsj), a. loogkuip. — v. a. doorzijgen. Llbera I (1113"ur-e1), a. —11v, ad. mild (of, met); L ethal (11'thel), a. doodelkjk. vrtj, vrijzinnig; fatsoenlijk; edel, grotmoedig; Lethar gic (le-thaar'dtjik), a. slaaptuchtig. —y vrtjzinnige be—arts, vrtje kunsten. (leth'er-dzjihl, s. alaapziekte; verdooving. ginselen. —lity (-el'it-tih), a. mildhold, fatsortnLetts a (11'thi), a. Lethe (rivier); vargetelheid. lijkheid; grootmoedigheid. —te (-eet), v. a be -ean (le thi'en), a. vergetelheid veroorzakend. vrtjden. —tion(-ee'sjun),8.bevrijding.—tor(-ee-tur), -iferous (le-thit'ur-us), a. doodelijk. a. bevrijder. Letter (let'tur), s. verhuurder. letter; brief. —s, onafgehaalde Elbert In. Ilib'ur-tin), a. losbandig; vtijdenpl. letterkunde, letteren. dead kend; a. lichtmis, vrtjgeest. —iniss,, a. ongebrief. —bag, brievenzak. —balance, brievenweger. bondenheid; vrijdenkerij. —y, a. vrijheid, vrij-box, brtevenbus. —bearer, —carrier, brievenbe• dom; at —, in vrijheid, vrij. efeller. --case, brIeventasch, -doos, letterka -st. —founder, lettergieter. —learned, Loekgeleerd. Libidin 1st (li-bid'i-nist), s. wellusteltng. —ous, a. —ously, ad. wellustig, ontuchtig. —ousness, —press, letterdruk. boekgeieerdheid• s. wulpachheid, ontuchtigheld. —prt,ser, brievendekker. —sorter, brievenutt- Libra (kai'bre), a. (de) Weegschaal. —/ (-brel), a. coeker. Letter (leVtur), v. a. met letters trerken. —ed, een pond zwaar. —rian Pbree'ri-en), a. bibliothecaris. —ry, a. boekerij, bibliotheek; circulaa. ,eleiterd, goleerd. —tag, s. (het) merken met leosbibllotheek; -keeper, bibltotheekHop ongelperd. lesg A oe 1P:tor..
WA R.— WAT. Warfare (waorleer), a. kregsdienst; (bet) oartog 'moron; krijr. —, v. n. oorlog voeren. Wart ly (wee'ril-1111), ad. Zia Wary. —neat (-el-nets), s. voorzlchtighetd, behoedzaamheld. War tato (waor'lejk), a, oorlogzuchtig, krijgahattlg; militatr. —lock s. (-Pak), toovenear, heksenmeeeter. Warm (waorm'), —ly, ad. warm; ijrerig, vurig; welgeeteld. —hearted, hartelijk. —heartednest, a. hartelijkhaid. v. a. verwarmen; warm,Tanaken; v. n. warm worden. beddepen. —ing-stone, warmsteen. —nest, —th, a. warmte; ijver, geestdrtit. Warn (waorn'). v. a. waersehuwen (against of); vermanen; dagvaarden; (away) opzeggen; (of) hertnneren tan; eon' wank (tennis) geven van; Off) afhouden. —er, a. waersehower; vermaner. —nig, a waarechuwing; vermening; kennisge/Mug ; optegging Warp (waorp), a. echering, letting; werpiouw, trot. — of shrouds, lengte van het voorete hoedtouw. —, v. a. sennentrekken, Into krirapen; scheren; down aiwi-jken, aferengen; vocation, werpen (ap) v. n. (tram) trekken, Kampen; de aehering maken; afwij•cen; weifeien, wankelen; ronddrealen. Warrant ( wor'rent), a. volmncht; machtiging; bevel tot gevangenueming; bevoegdheld; waarborg; verzekering; getulgenia. —, v. a. machtigen; wearlawmen, inntaan vane; erliwaren; bevestigen, verzekeren. --able, a. to verdedigen; wettig, geoorload. —ableness,,e. verdediebaarbeid;reehtmatteheld. —ably, aa. eens wettige (verdedigeare wijze. —ed, a. gewserborg4, edit —ee (-W), a, gawaarborgde. —er, a volmachtgever; borg. —or ( or') s. waarborggever; borg. —y, a. waarborg; zekerheid; volmaeht.
EJ U. --EMS . uiteturting. —dtent, a. uitstootingbrief; uitwerUlulation (ed-zjoe-lee'sjun), s. jammerkreet; gehuil. Eke (ielc,, ad. ook, insgelijks, —, v. a. vermeerderen; uittrekken; uitspinnen. Eking (iek'ieng), s. grooter- (langer•) wording. —piece, verlengatuk. Elabora te (e-leb'ur-ret), a. —tely, ad. doorwrocht. —te (-reel), v. a. met zorg bewerken. s. doorwrochtheid. —tion (-ree'ejun), a. zorgvu!dige bewerking. Elapse (e-leps'). v. n. verloopen, voorbijgaau. Elastic (e-les'tik), —al, a. veerkr achtig. —ity (i-les-tis'it-tih), s. veerkracht. Elat e (c-lest'), a. opgeblazen, trotach. —ed, a. opgeblazen (with). —e, v. a. opgeblazen maken; verheffen. —ion (-lee'sjun), s. opgeblezentkeid. Elbow (el'bo), a. elleboog; bocht. at —, bij de hand. to be always at one's —, steeds om en bi.j iemand —chair, armstoel. —room, ruimte, speling. —scraper, speelman. —shaker, dobbelaar. —, v. a. met den elleboog srootee; (out) uitstooten, V. .n. uitspringen (met een' hoelr). Elder (el'dur), a. ouder. a. ouder persoon; soonest; ouderling; vlierboom. —berry, vlierbe, —ly, a. bejaard. —e, s. oudsten (des yolks). s. ouderlingsehap; eerstgeboorte. Eldest (el'dist), a. oudste. Elecampane (el-e-kem-peen'), s. ala,ntswortel. Elect (e-lekt,'), a. verkozen; uitverkoren. —, v. a. verkiezen. —ion (-lek'ejun), s. verkieziug; voorverkiezing; —law, kieswet. --ioneering (-lek. sjun-ier'ieng), s. stemrnenwerving. —ive, a. —ively, ad. verkiezend; kiesgerechtigd. —or, skiezer; keurvorst. --oral, a. eeue verkiezing betreffend; keurvorstelijk. —orate (-ur- et), s. keurvorstendom. --cress. a. keurvorstin. —orship, s. kiezersehap. Electric (e-lek'trik), —al, a. electrisch, aantrekkend. —ity a. electriciteit. Electrification (e-lek-tri-fl-kee'sjun)," a. electriseering. Electri liable (e-lek'tri.faj-ibl), a. electriseerbear. —fy (-faj), —trite (-trajz), v. a. electriseeren. —fy:mg-machine, electriseer-machine. Elect rometer (i.lek- trourk'i-tur), s. elestrorneter. Electuary (e-lekt'joe-e-rih), s. slikartsen'.j. Eleemosynary (el-i-enoz'i-ne-rili), a. els aalrnoes gegeven. a. the van ealmoezen leeft. Ela.gan cc (el'e gens), —cy, s. sierlijkheid, netheid. —t, a. —tly, ad. sierlijk, keurig. Eleg lac (el-e.cizarek), a, klagend, treurig, elegisch; —poem, treurzang. —last (-est)r —ist (el' e-dzjist), s. treurzangdichter. —y (el'e-dzjih), s. treurzang. Element (el'e-ment), s. hoofdstof; bestanddeel. —at, —ary, (-ment'-), a. hoofdstoffelijk; oorspronkelijk; enkelvoudig; aanvankelijk. Elench (e-lengk', e-lentsy), s. drogrede. Elephant (el'e-Pent), a. olifant; ivoor. —driver, kornak. —iasis (-taj'e-sis), s. schurft. —.ins (-fen' tin), a. olifantachtig; ivoren. Eleva te (el'e-vet), a. verheven. —te (-vest),
Over 98% of cryptocurrency is stored securely offline and the rest is protected by industry-leading online security. Your account is also subject to the same scrupulous safety standards, including multi-stage verification and bank-level security. You can even lock the app with a passcode, or remotely disable your phone’s access to the app if it gets lost or stolen.
a. bitterkoekje; fat, kwast. Macaw (me-kao')„ a. indiaausche papegaai. —tree wnaierpalmboom. Mace (mees'), s. foelie; ataf; knots. —ale, krui erbier. —bearer, stafdrager. —oil, muskaat-olie. —reed, kolfriet. —r, a. pedel, bode; gerechtsdianaar. Macerate (ines'ur-eet), v. a. vermageren; kastijden; werken. —tion (-ee'sjun), a. vermagering; kaatijding; weeking. Machlave' Ian (mek-i-e-vellen), a. machiavelIlatisch, aluw, liatig; a. rnachiavalist. —ism (.'nek'i-e-vel-ittn), 8. mathiavellismus. Machina 1 (mekl-uel), a. werktuigePjlt• —te (-neat', v. a. sazeden, ontwerpen. —ti -n (-nee , ejuni, a. bekuiping; kunstgreep. —tor (-nee-tur), a. t,meder, beramer. Machin e (me-alien"), a. werktuig, machine. —cry, a• machinerte; werktuigkundc. a. machineamaker, machinist. Mackerel (mek'ur-e1), a. makreel; hoerenwaard. —boat, makreelbout. —gals, scherpe wind. —gu.l, lachmeeuw. —line, makreelliju. —mint, vrouwemunt. —sky, blauw an wit gestrePpte lucht. Macro corm (mee'kro-kozm), a. wereld, heelal. —logy (me-kratld-sjih),...wijdloopigheid. —meter (me-krom'i-tur), a. wart van) afstandameter. Mactation (mek-tee'sjun), a. offerelachting. !Uncut a (mek'joe-le), a. vlek. —ate (-let), a. bevlekt. —ate (-lea), v. a. bevlekken. —ation (-lee'sjun), a. bevlekking; smet. —atm res p1. mladruk. —0 ( joel), a. vlek, met. Mad (wed'), a. —ly, ad, gek, dol, uittinnig (with, van); vertoornd (against. at); krankzinnig; verzot (after. for. of. upon). —apple, dol appel. —brain, gek, kranktinnige. —brained, dolzinnig. —butter, harde boter. —cap, dolleman. —fit, vlsag van krankzinnigheid. —flower, steenbloem. —head, dolkop. —headed, dolzinnig. —house, delimits. —man, dolleman, gek. —wort, steenkruid. —, razend maken v. a. & n. dol Madam (med'ern), a. tnevroaw; juffrouvv. razond maMadden (men'dn), v. a. & n. dol

Is Bitcoin belast UK

×