Inflict (in-flikt'), v. a. opleggen (on. upon). —er, s. (straf-) oplegger. — ion (--flik'ajun), s. oplegging; straf. —ive, a. (strallopleggend. Infinen ce (in'floe-ens), s. invloed (on. upon. over. with). --ce, v. a. invloed hebben op; bewegen, nopen. -.4 R. invloeiend. —tial, a. —tialiy. ad . (-en'sje I-I, invloedrijk. (-en'ze), s. griep. Influx (in'fluks), —ion (-fluk'sjun), a. toevloed, instromning; ingevinr.
zieh. rir,hten. —er, a. aankleeder; kapper; bereider; aFrichter; keukentafel. —ing, a. aankleeden; toebereiding; verband; —box, kapdoos; —glass, toiletspiegel; —gown, kamerjapon; —room, kleedkamer; —table, kaptafel. —y, a. opzichtig gekleed. Dribble (drib'131), v. n. afdruppelen; kwijnen. —t, a. kleine soul; kladachuld. Drier (draj'ur), a. oparogend Drift (drift'), a. aandrift; ophooping; stream, geweld; atrekking. — of ice, drijfijs. — of sand, bewegend zand. — of snow, sneeuwstor ►n. —wind, stormwind. —wood, drijfhout. —, v. a & n. ophoopen, bijeendrijven. Drill (drill, a. drilboor; voor; greppel, beekje; exereitie; aap. v. a. boren; voortaleepen; aftappen; zaaien (met eon' zaaiploee); dril len; voor den gek houden; v. n. zacht vioeten. —bow, drilboog. —box, zaadstrooier. —plough, zaaiptoeg. Drink (drink'). a. drank. —money, drinkgeld. —offering, drankoffer. Drink (drink') [drank. drunk], v. a. & n. drinken; zuipen; (away. down) weedrinken (verdriet). (in) inzuigen. (off. up) opdrinken. —able, a. drinkbear. —er, s drinker. Drinking (drinkleng), a. (het) drinken; dronkenachap. —bout, —match, drinkpartij. —cup, drinkbeker. —glass, drinkglam. —gossip, drinkdrinklied ster. —horn, driukhoren. Drip (drip'), v. a. bedruppelen; v. n. druipen. —ping, a. braadvet. —ping-pan, braadpan. —pingstone, leksteen. Drive (draj,), s. rit; rijtoertje. Drive (draje), [drove (droov). driven (driv'n)_l, v. a. voortdrijven; rijden, mennen; noodzeken; errv °Igen- (away) wegdrOven. (back) terugdrijven. (in. into) indrijven in. (off) afdrijven; uitatrllen. (on) voortdrijven. (out) uitdrijven. (to) drijven naar; aanzetten tot. —, v. n„ drijven; rijden; beoogen. (against) zich richten naar. (at) van zinc zfin; in het achild voeten. (on) voortsnellen; eprijden. (up) voorrijden. —r, s. Edrijver; voer man; § slavenopzichter. Drivel (driv'v1).... never, kwijl. —, v. n. zabberen, kwijnen. —ler, s, kwijlbaard; dwaaa. Drizsl e (driVz1), s. stofregen. —e, v. a. in fijne droppels doen vallen; v. n. motteren, stofregenen. —y, a. motterig. a. grapDroll (drool'), a. snaaksch, kluchtig. v, n. grappen Timken, penmaker; klucht. schertsen (upon, over). —ery, a. boerterij, seakerij. Dromedary (drum'e-de rih), a. dromedaria. Dross e (droon'), a. hommel; luiaard; gegona. —e, v. n. gonzen; luieren. —ish, a. traag, vadzig. Droop (droop), v. n. nederbangen, kwijnen; bezw ij men. Drop (drop'), a. droppel; oorbel. —serene, zwarte steer. —stone, druipsteen. —, v. a. laten droppelen; beeprenkelen; laten varen; laten vallen. to — anchor, het anker laten vallen. (in) indroppelen. v. n. druipen; calico; vergaan; ophouden; verdwijnen. (in) binnen snellen. (off) vallen; zijn' post verliezen; verminderen; titeryen; etil heengaan. —let (-lit), a. droppeltje. —ping, a. afdruipsel; val. —pingly, ad. in droppelt, -8, a. droppels (artsenW; tabletjes.
hEA League (1leg"), a. verbond; urijl. —, v. n. een verbund aluiten. --r, a. bondgenoot. Leak (liek'), a. lek. —, v. a. laten nitlekken; v. n. lekken. —age, a. lekkage. —y, a. Lek; babbelachtig. Leant (Hem), a. kop: , elband (voorjachthonden). —er, a. lei-, speurhond. Lean (lieu'), a. —ly, ad. wager, schraal; dor; annzalig, —. a. (het) mature (eau vleeach). —netts, a. magerheid, schraalheid. Lean (lien'), v. a. doen leunen; v. n. leunen, ateunen (on, upon)• overhellen, neigen (to). —ingstaff, kruk. —stock, stut, steun. Leap sprong; hespringing. —frog, haasjeover 000). —year, schrikkeljaar. —, v. a. overnpringen, bespringen; v. n. epringen. —er, a. springer, Learn (lurn'), v. a. & n. leeten; vernemen. —eel, a. —edly, ad. geleerd, kundig. —er, a. leerling; —ing, s. geleerdhetd; bedrevenhetd, Leasable (lies'ibl), a. verhuurbaer. Lease (lie a'), a. hour-,pacht contract, huur, pac ht. to let by —, verburen, verpachten. —hold, a. gehutted, gepeeht; s. pachtgoed. —holder, pachter. —, v. a. verpachten, verhuren. Lease (lieu'), v. n. nalezen, inzamelen.—r, s. na• naoogater. Leash (liesno. leis, koppel,riern; drietai. —, v. a. binders, koppelen. Least (lieat), u. kleinste, minute. —,ad.minst. at —, ten minste. not in the —, in het gateel niet. Leather (leth'nr). a. leder. —, a. lederen. —dresser, lederbereider, leertouwer. —seller, lederkooper. —sling, riem. —, v. a. afranselen. —n, a, ledere.- lederachtig, taai. Leave (liev'), a. verlot, vergunning; afecheid. to take French—, tie French. Leave (Hey') [left], v. a. verlaten; laten, nalaten. (off) steken, ophouden; laten varen. (out) nit-, weglaten, verzuinten. —, v. n. ophouden, aflaten. —d, a. gebladerd. Leaven (lev'n), a. zuardeeg. —, v. a. doen rljzen; doordringen, beametten. 1LeavIngs (lievlengz), pl. overblijfsels, uitschot, kliekje. Lecher Ileterur), a. lichtnale, boeleerder. —, v. n. ontuehtig leven. -sue, a. —ously, ad. wellustig, ontuchtig. —ousness, —y, E. geilheid, welluet, ontucht. 1LectIon (lek'ejun), a. lezing; voorlezing. —ary, s. voorleesboeir. Lecture (lekt'joer), a. lezing, voorlezing; etrafpreek. v. a. onderrichten; de lec lezen (for, over); v. n. voorlezingen houden (on). —r, e. yourleZer, lector; hutipprediker. —ship, a, voorlezer-, lectorschap; ambt van hulpprediker. Lecturn (lek'turn), a. leseenaar, lezenaar. Led (led'), part. geleid. —captain, pluitestrijtcer, klaplooper. —horse, handpaard. Ledge (ledzj), a. rand, richel, Nat; laag,schicht; rib, zwalp. Ledger Iledzrur), e. grootboek. Lee (lie'), a. lii, Iowa zijde, —board, liii.waard. —bow, lijboeg- —braces, lijbratoen. —brails,oitouwen aan lij. —leader, veorzeiler under non wind. —lurches, gteringen. —quarters, lijwind-

Drops ical (drop'sikl), —ied aid), a. wate•a. waterzucht. zuchtig. Dross (dros'), a. schuim; roast; uitsehot. a. onzuiverheid. —y, a. onzaiver; slecht. Drought (draut'), —inese, a. droogte; donut. —y, a. droog; dorstig. Drove (droov'), a. kudde, drift. —r, a. veedrijver. Drown (draaun), v. a. verdrinken; overatroomen; overatelpen; smoren; v. n. verdrinken. Drows e (draauzl. v. a. slaperig maken; v. n. elaperig zijn. a. slaperigheid. —ity, ad. —y, a. elaperig; —headed, domme lig, dof; —style, stroeve stij1; —tale, vervelend verhaal. Drub (drub'), a. slag, klap. —, v. a. afrossen. —bing, a. pak elev. Drudg e (drudzr), a. zwoeger, clover. —e, v. n. zwoegen, :sloven. —cry, a. zwaar work. —ingly, ad. zwoegend. Drug (drug'), a. drogerij; prul. —, v. a. met drogerijen bereiden. —get (-git), a. droget. —gist (-gist), a drogist. Druid (droe'id), a. DruTtle. —ical ( id'ikl), a. druidisch. Drum (drum'), a. trom; trommel; trommelvlies; speelgezelschap, —, v. a. tromme!en (up, bijeen); v. n. trommelen. —major, tamboer-majoor. —mer, a. tamboer. --stick, trommelstok. Drunk (drungk'), a. dronken. —ard (-urd), a. dronkaard. —en, R. —only, ad. (dreng'kn.), drossken, beechonken. —enness, a. 1)88CLIOIlkeRheid. Dry (drar), a. droog; dor; doratig; atreng; bijtend. —, v. a. droog makes; lechgen; v. n. tirogen. —eyed, met droge oogen. —goods, atukgoederen. —nurse, a. droge min, v, a. opvoeden zonder to zoogen. —rub, droogsehuren. —salter, koopman in gerookt vleesch. —shod, a. & ad. met droge voeten. —ing, a. (het) dragon. —ing place, o-yard, droogplaats. —ly, ad. droog, droogjea. —ness, a. droogte; derstigheid. Dual (djoe'el), R. twee uitdrukkend. —, a. tweevoud. —:em, s. tweegodenleer. —brae (-ist'ik), a. nit twee bestaand. (el'it-tih), a. tweeheld, dubbelbeid. Dub (dub), v. a. tot ridder elaan; v. n. slaan, klappen. Dubious (tijoe'bi-us), a. —ly, ad. twVelachtig. —nese, a. twijfelachtigheid. Dubita ble a. twijfelachtig. —tion (-tee'sjun), s. twijfeling. Ducal (djoe'kel), a. hertogelijk. Ducat (duk'et), a. dukaat. —eon (-e-teen'), a. dukaton. Duch ess (dutsress). s. hertoein. —y,a.hertogdom. Duck (duk'), s. send; liefje; hoofdknik, duiking; court van zeildoek —coy. lokspijs. —hunting, eendenjacht. —meat, —weed, kroos. —legged, kortbeenig. Duck (duk'), v. a. indompelen; doopen (outlet de Linie); kielhalen; lokken; v. n. duiken; diep buigen, kruipen. —er, a. duiker; kruiper. —ing, s. (het) duiken. —ing-stool, dompelstoel. —ling, a. taling. Duct (dukt), a. galeibuis, OP. Ductil e (duk'til), a. rekbaar, insehikkelijk. —ity (-til'it-tih), —eness, c. rekbaarheid; inschikkelijkheid.


Stook (sleek), s. sehaof; v. R. in schooven binden. Stool (steel'). a. stoeltje, bankje; loot, uitopruitstoeleang. --halt, eteelbel (mt,e1z), pl. moederplanten; voetirig der galerti, runt noon de pardoens. Stoop isteep'), s. (bet) bukken; neerschieten; nederbuhe;en; stoop; Stoep, hordes. —., v. a. buigen; onderwerpen; v. n. htikken; bulge's; op zijcle helm nederstriiken (upon); (to) etch verlagen, — nederbnigen, — onderwerpen, bukken noon, toege".. a. —in/Y/Y, ad. bnkkend.
Coinbase is a all around awesome platform to quickly and swiftly get into the world of crypto assets. Trusted them from day one and so far so good ! The only negative situation I have encountered has been 1 . I bought $25 dollars of bitcoin and was charged twice but only got $25 worth of bitcoin .... contacted coinbase and that very same day got a email back from them saying they knew about the situation and that they where on top of it because it happened to more people that week... a day or two pass and I received another email saying my problem was resolved..... it wasn’t and still hasn’t been resolved! Thank God I only bought $25 and not a lot more ! It’s $25 I’m not going to be after anyone for that little amount of money but it definitely impacted my good experience with coinbase and their over all standing with me , my friends and my family after this situation that has still not been resolved .
Misdoubt ( ► nie-daut'), s. argwaau; twijfel. —, Misnomer (aria-no'mur), s. stuk mat ten' verv. a. verdenken; betwijfalen. keerden naam; vergiseing, abuts. Mimexnploy (mis-ern-plor), v. a. verkeerd fre- 1 ltilsobserve (mis-ob-zurv'), v. a. verkeerd opbruiken. —awe, si verkeerd gebruik. merken. MiAentry (mis-enstrih), a. verkeerde boeking. AlLisogam 1st s. stand van bet Miser (msrzur), a. vrek, gierigaurd. hnwelljk. —y, 8. afkeer van het huwel0. Miser able (naiz'ur-ibl), a. —ably, ad. ellendig, Misogyn 1st (mi-sod'zji-nist), a. vrouwenhater. annzalig.—ableness,s, armzaligheid.—y s s. ellende. —y„ haat tegen de vrouwen. Misestimate (unix-eeti-meet), v. a. onjuist 1111sopInlon (mis-o-pin'jun), s. valsche meaning. schatten. Mispersua de (mis-par-sweedl, v. a. in een' verMisfall (mis-faoIP) [irr.], v. a. wedervaren. keerd en wean brengen. —aion (-swee'zjun), a. Misfare (mis-Peer'), o. ongeluk. —, v. n. kw alijk valsch begrip. vrAn. hion Misplace (mis-pleas'), v. a. misplaatsen. M Misfa fas lalon (m is - fesj'un), v. a. verknoeien. Misplay , a. verkeerd spelen. _ Misfeasance (mis-ti'.3ns), a. ratadriit Misple ading (mis - plied ieng), s.gebrekkiga plelt (mie-forne), v. a. misvorreen. Misform
YOR.—PAL Imperfect Tense or Past Participle. Forgot, i. & p. p. Forgotten, p. p. Forsook, i. Forsaken. p. p. Fought. i. & p. p. Found, 1. & a. p. Fraught, I. & p. p. Froze, i. Frozen, p. p. Gave, I. Galt, I. & p. p. Gilt, 1. & p. p. Girt, & p. p. Given, p. p. Gone,p. p. Got, & p. p. Gotten, p. p. Grew, i. Ground, i. & p. p. Grown. p. p. Had. i. Hes 7d, f. & p. p. Hold. i & p. p. Heipt, & p. p. He Hid,1.& p. p. Hidden, p. p. BUJ. &p.p. Hove, 1. Hovers, P. P. Hung, 1. & p. p. Hurt, 1. & p. p. Xept, i.& p. p. Knelt, i. & p. p. Knew, I. Knit, 1. & p. p. Known, p. p. Laden, p• p. & p. p. Lain, p. p. Lay, 1. Leant, i. & p. p. Leapt, i. & p. p. Learnt, & p. p. Led, 1. & p. p. Left, i. & p. p. Lent, i. & p. p. Lent, 1. & p. P. Copt, 1. & P. P. Let, 1. & p. p. Lift, I. & p. p. Lit, i. & p. p. Leaden. p. P. Lost, i. his p. p, Made,1. & p. p. Meant, I. & p, p. Met. I. & p. p. Might,i. Makes, p. p. Mown, P. P. Must, I. Ought, I. Patd,i. & p. p.

ongevormd. —sakes (-ene'kn), a. niet vemakt, stet verlaten. (-ti-fajd), a. onveraterkt. Unfortunate (un-for'tjoe-net), a. —1y, rd, ongetukkign—nets, a. ongeluk. Unfought (un-faot') a. ongevockten. Unfound (un-feanne) a. niet gevonden. a. ongegrond. Unirst med (un-freemd'), a. ongevormd; sunder Mat. —ternal (-fre-tur'nel), a. onbroederlijk. U frecd I un-fried'), a. onbevrijd. Unfreeze (nn-frter),Y. n. dooten. Unfrequent (un-fri'kwent), a —ly, ad. acidzaem. --ed (-kwent'id), a. onbezocht. Unfriend ed (un-frend'id), a. onbevriend. —linens (-11-neas), a. onvriendeltjkheld. —1y, a. onvrienUnfrozen (un-fro'zn), a. onbevroren. Unfruitful (un-froerfoell, a. —1y, ad. onvruchtbear. —nese, a. onyruchtbaerheld. Unfulfilled (un-toel'illd), a. onvervuld. Unfurl tun-furl'), v. a. uttapreiden, losTr,oien. Unfurnfels (un-far'ntej), v. a. rut., a ontbleoten, berooven. —ed (-niajt), a. el - oorsten, outbloat, onverzorgd; ongemeub ee . d. Ungaged (un-geedzjd'), a. ong ijkt. Ungatn (un-geen'), a. .nk en, lump. —fu:, a. linkschheld, onvoordeelig. —lineei lonspha!d. —ly, a. Z!e Ungain. Ungalled (un.gaold'), a. onbesehedigd, ougs. deerd. Ungar nlizts (nn-gaar'nieJ), v. a. van steraden ontdoen, oqtblooten. —rieoned (-ger'risnd), a. zonder b setting. —tered (-turd), a. fonder Sousebanden. Un7e nernd (un-geth'urd), a. stet verzameld, ingezameld. Ungener rated (un-dzjen'ur-ee-tid), a. ougeboren. —alive (-e-tty), a. onyruchtbaar. —out, a. —oulty, red. onedelmoedig; outdo], Ian. Ungenlal Ittn.dzient-ell, a. stet aangeboren; ongunstig; onvriendeltj k, streng. Urgent eel (un-dzjen-tier ► , a. —eelly„ ad. on wet levend, onbeleotd. —eelneee, s. onwellevend, onbeleefdheld. Ungentle (un-dzjen't1), a. onzacht, ruw; oube leefd. —manlike, —manly. a. onwellevend, onfat toenlijk. —neat, t. onzachthaid, ruwhetd. Ungifted, (un-eift'id ►, a. onbegaafd. Ungli dad (un-gild'id). —t, a. onverguld. UngIrd (un.gurd') [(Yr.], v. a. losgorden. Ungtrt (un-gurr), ongegord, Unglazed (un-gleezd'), a. sander glasen; onverglased. Ungloritled (un-glo'rt-fajd), a. ongeprezen, onyerheelItikt. Ungloved (un-gluvd'), a. fonder handsehoenene Unglue (un-gloe'), v. a. van de lijm:ontdoen, losmakes. —4, a. ovgelikod. Lifland (un-god'), v. a. van de goddeltjkbetd be. rooven. —lily, ad. --/y, a. goddeloos. —linen (-linens), s. goddeloosheid. Ungotten (un-gortn), a. onverkregen; ongeteeld. Unworn, able (un-gneurn-ibl), n. —ably, ad. onitandeltaar, alert is regeeren. —ablate's, a. onhandelbaarhaid, onteW,aarbeld. —ed (-gnu' urnd), a. regeertaglons; toomelooe.
111 FOY. FOR. Foreby (foor-bari, ad. dicht bij. (-kaast"), v. a, & a Foreeatit, s. vooroverleg. vooraf overleggen, beramen. Fore castle, s. voorplecht; bak, vooronder. —channel, s. fokkeruat. Fore chosen (-teju'ln), a. uttveritoren. —cited (•saj'tid), a. voorgemeld. Fore close (-klooz . ), v. a. uiteluiten; beletten; —a mortgage, eene hypotheek vastzetten.—closure ( klo'zjoer, -zjur), a. vastzettlng. —date (-deetr9 v. a. een vroegeren datum geven. Foreeeek, s. voordek. Feredesign (-de-sajn'), v. a. vcornf beramen. Foredo, (foor-doe' ► [eigenlijk Fordo] [irr.], v. a. afxnatten; verdelgen, verdoen. Foredoom, s. voorhesehikking. (-doem'i, v. a voorbeschikken. Fore-drift-rails (foor'drift-reele, s. gen. Fore door, s. voordeur. —end, a. vooreinde. —father, a. voorvader. Forefend (-fend"), v. a. verhoeden• afwendee. a. voorpoot. Fore linger, s. wijevinger. —front, s. voorgevel;Voornjde; voorhoofd. —game, s. vourspel. —gears, a. fokke-kerdeelen. Forego (-go') [im], v. a. opgeven, afstand doen van. —er (-go'ur),. a. voorganger. —ers (-eceure), s. veorvaderen, —my (-goleng), a. vourgaaud. Fore ground, s. voorgrond. —hand, s. gedeeite van het paard v66r den ruiter; voornaamete deal; a. te vroeg gedaan. —handed, a. vroegtijdig; § Welgesteld. —hatchway, s. voorluik. Forehead, s.voorhoofd;onbeschaamiheid. —clot a. voorhoofdbaud. Forehold, a. waterruim. Foreholdings (-hoold'ieng.), a. voorapellingen, Fore hooks, a. boegbanden. —horse, a. voorpaard. Foreign (for'in), a. vreemd, uitheemech. —er,s. vreemdeling, buitenlander. n. vreerndheid; verwijderdheid. Fore imagine (.1m-ed'zjin), v. a. zich voeraf verbeelden. —judge (..dzjudzy), v. a. voorat (te vroeg) oordeelen. —judgment 1• dzjudzY v oorcordeel. Foreknow (-no') [in.] v. a. vooruitweten. —able. (-no'ibl), a. vooraf kenbaar. —ledge (-nol'idzj, s. voorwetenschap. Forel (for'il), boekbinders-perkament. Foreland, a. voorgebergte; kaap. Foreloy ( -lee")[irr.] ,v.a.b elagen; veoruit beramen Foreleech (foor'lietz;,), a. voorlijk. Forelend (-lend') [irr.], v, a. vooruit gevero. Fore hilts, a. fokke-toppenante. —16ck, a. voorate haarlok; to take lime by the —, van de gelegenheid gebruik waken. Forelook (-look'), v. a. vooruit aim Fore magazine, a. voorkruitkamer. —man, s. voorzitter; meeaterknecht; ploegbaas, voorman. —mast, a. fokkemast. Forementioned (-men'ejund), a. voormeld. Fore most, a. voorete; voornaamste. —mother, a. vrouwelijke voorzaat. —named, a. voornoemd. —noon, s. voormiddag,. Forenotlee (-nolis), a. voorafgaande kenni.
Rieder U den, on. w. to rids with A. o. lnedesthepael, o. fellow-creature. Modeschreeuwen, ou. w. to join in a cry. illedeschuidig, by. Zie Bledeplichtig. Medeeleepen, ov. w. to drag (to hurry) away, — along with; to involve; to seduce. Riede:wet en, ov. w. to join in a play; on. w. to play with a. o. —er, m. partner. Modespreken, on. w. to join in the Conversation; to meddle with. Ititedestender, rn. aeeociate, partisan, abettor. Itiedeste ► ns en, on. w. to vote likewise, to be amongst the voters. —iag, v. voting with others. ItledestrUd en, on. w. to join in the combat. —er, m. fellow combatant; competitor. Medevaillen, on. w. to meet with unexpected aucces, to succeed beyond expectance. Medevoeren, on. w. to carry along with, to bring off. inedevongd, m. —et, v. fellow-guardian, jointguardian. —(j, v. —ijschap, v. joint .guardianship. Itiledeveaken, on. w. to watch in company.
(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al, 

cryptogeld t-shirts


RET—RHE. 255 Retrench (re-trentan, v. a. afsntjcien; beanoelen, dee% ommekeer; keerzijde. —e, v. a. omkeereti; vernietigen. —ed, a. —edly, ad. omgekeerd, ave. beperken; verecheneen, v. n. sick bekrimose. rcchts. —eless, a. onomstooteltjk. —ely, ad. om. —meat, a. bcsnoeing, beperking; bekrimpinin gckeerd. —ible, a vernietigbear. —ion (-ajun), verschansing. Retribute (re-trib'joet), v. a. terugbetalen; vers. omkeering; terugvalling, (recht van) opvolging, ionary (-8„ina-e-rih), a. terugkeerend. gelden. —tins (ret-rc-bj e'sju n), a. terugbetaling; vergelding. —tory, a. terugbetalend; ver- Revert (re-vurt'), a. herhaling. —, v. a. veran• deren; omkeeren; terugkaatsen; v. as terugkeeren, geldend. terugvallen. —ible, a. terugvallend, weder over Iletriev able (re-trievlb1), a herstelbaar. —e. te gaan. —lee, a. veranderend, omkeerend. v. a. herstellen; terngbekomen; terugbrengen. Iletroaet (ri'tro-ekt), v. n. terugwerken. —inn Revery (re'vur-rih), a. Zie Reverie. (-ek'sjuu), a. terugwerking. —ive (-ekt'tv), a. te- Revert (re-vest'; , v. a. weder bekleeden. —iary A-e.rthi, a. kieedkamer, aacriatij. rugwerkend. Retrocession (rl-tro-sesrun), a. terugwijking. Reviction (re-vik'sjun), a. herieving. Retrograd alien (ret-ro-gre-dee'sjun). a. tereg - Revictual (ri-vit'1), v. n. wader van levenamiddeleu voorzien. gang, terugwijking —e (reero.greed), a. achterReview (re-vjoel, a. herziening, overzicht; ultgaand; v. n. terugtreden, achterult gaan. wapenschouwing, monstering; beoordeeling, re Retrogression (ret-ro-gresj'un), a. teruggang, cenaie. —, v. a herzien, overzien; in oogenachouw terugwijking. nenen, mouderen; beoordecien. —al, a. recensie. Retrospect (ret'ru-spekt). a. tetugblik. —ion —er., a. onderzoeker; recensent. (-spek'sjor), a. (het) tetugzien. —ive (-spelit'iv), Revile (re-vajle), v. a. amaden, beschimpen.—ment, a. terugziend. a. beschimping. —r, a. schimper, beachimper. Retrude (re-treed'), v. a. terugstooten. Reefs al (ra-vajz'el), a. herziening. —e, a. her. Retund (re-tund'), v. a. stomp waken. ziening; revisie. —e, v. a. herzien; revideeren, Return (re-turn'). a. terugkeer, -komst; terug—er, a. herziener; corrector. —ion (.vizyun), a, geve, zending; overmaking, remise; vergeiding; herziening; revisie. —it (-vieit), v. a. weder be• voordeel; verwiaseling, opvolging; ouzel; terugzoeken. , ailing, instorting; bericht, vets) ag; retourvracht. by — of mail, per ommegaande. in —, daartegen. Rev's, al (re-vajv'el), a. herieving. —e, v. a doen herieeen, verlevendigen; opwekicen; ver. —, v. a. teruegeven, -zenden; beantwoorden; nteuwen; weder in heriunering brengen; v. n. gelden; berichten; — thadcs, dank betuigen. v. n. herlevern tot de vorige gednante terngkeeren. terugkeeren, -komen; ant', .rden. —able, a. —er, a. verlevendiger; opwekker; opwekking. terug te geven, te zenden. —er, a. terugzenRevlsff icate (r•viv'if-i-keet), —y (-raj), v. a. der; oeermaker. doen herleven; verleve•digen. —ication (-kee'Reunion (ri-joeniun), s hereeuiging. ejun), a. wederopwekking. Reunite (ri-joe-najt' e v. a. hereenigen; verzoeRevora ble (rev'o-k1b1), a. herroepelijk. —tienen; v. n, weder bteen komen. nes*, a. herroepeltjk. —te (-keeti, v. a. herrnepen. Reveal (re-viel'), y r a. epenbaren; ontdekken. lion (-kee'sjun), a. herroeping. —er, a. openbaarder, ontdekker. Revel (reel!), a. luidruchtig vermeak. —rout, Revoke (re•voor), v. a herroepen; intrekken, oprozrige hoop; luidruct.tigverneaak (re-vel'), opheffen; afzweren; beteugelen; v. n. verzaken (in 't kaertspel). v. a. terugtrekken. —, v. n. rinkeirooier, bragger, —ler, a. rinkeirooier. —ry, s. luidruchtig Revolt (re-vot ), a steal, opstand, plichtverzuim. —, v. a. in opstand brengen; op de vlucht varmaak; brasserij. slaan; v. n. in opstand komen; afvallen (from). Revelation (rev-e-lee'sjun), a. openbaring. Revenge (re-vender). a. wreak, vergelding —er, a. opatandeling; afvallige. —iag, a,. stuiv. a. wren en (of. on. upon). —ful, a. —fully, ad. tend (to). wraakgietig. —fulness, a. wraakzuctlit, —a, a. llevotation (rev-o ljoe'ejun, s. omdraaling, =loop; omweuteling. —ary, a. omwentelingawreker. Revenue (rev'e-njoe), a, inkomatea. — cutter, gezinci. —lot, a. omwentelingageainde. —ire (-ajz), ee a. omverwerpen; eene omwenteling bewer• a. wachtacbip. Reverberant (re-vueburent), a. weerkaatsend. ken in. —te (-eat), v. a. terugkaatsen; v. n. weerkast- Revoiv e (re-volv'), v. a. &n. omwente1en, omdraMen; overienken; terugvallen, — ency, a. ge. sen; weergalmen. —tion (-ee'sjun), n. terugkaet. durige omwenteling. —er, a. revolver-pistool. sing. —tory (-e-tur-rth), a. terugkaatsend; a. I ilevoinit (ri-vom'it), v. R. weder ultbraken. reverbereeroven. Retails ion (re vul'sjun), a. afvoering, efleiding Revere (re-vier''). v. a. eeren, vereeren. (der rochten). —ive, a. afvoerend, afdrtjvend. Reve•en cc (rev'ur-ens), a. eerbied; eerbetoon; bulging; eerwaardigheid. —ce, v. a. eerbiedigen. Reward (re-waord''), s, belooning. vergeldiug. —, v. a. beloonen, vergelden. —able, a. beloon—car, a. vereerder. —d, a. eerwaardig. —t, a. bear. —er, a. belooner. —fly, ad. —fiat, a. —tially, ad. (-en'ajel-.), earReword (ri-wurd'), v. a. woordelijk herhalen. Hever er (re-vier'ur), s. vereerder. —ie (rev-ur- klibachltis (re-kartiz), a. engelache alekte. lRhapsod Ica' (rep-eod'ikl), a' onsamenhangend, ie'), a. mij ► nerIng, droomerij. saarngeraapt. —y (rep-eo-dih), a. eamenraapael. Revers al (re-vurisel), a. veranderend; vernietlgend; a. veraudering; vernietIging. —e, a. tegen- Rheniab (rien'isj), a. rijirsch. —. a. rijnerijn,
-11‘. A . invoerbaar, - ance (-p ► r'tens), b. Improffileienee (im-pro-timfens), s. sehterlijkren. belaugrijkheid, gewicht.. —ant, a. antly, ad. heid, gebrek aan vooruitgang. ( por'tent.), belaugrkik, gewichtig. —atlas (-pur- Improper (ini-prop'ur), a. —ly, ad. oneigentee'sjun), a. loaner. —er, s. invoerder, lijk; ongepast; onjuiat. Inaportun acy (im-port'joe-ne sih), s. lastig- Impropritt te (im-pro'pri-eat), v. a. aan weheld, dringendheid. —ate, a. —ately, ad. (-net-I, reldlijke irersonert overdragen, —ties (-ee'sjun), dringend. —e (•pur-tjoen'), v. a. lastig a. overdracht aan wereldlijke peraonen. vallen, dringeu. —ity(-pur-tjoe'nit-tih), a.laatig- Impropriety (im-pro-prafe-tih), a. oneigenlij kheist, dringendheid. heid; ongepastheid; onjuistheid. Inept; a le (im-poozl'ol), a, op te leggen (on). Improv able (im-proev'ibll, a. vatbaar voor —e, v. a. opleggen; (on, upon( misleiden, be- verbetering. —ableness, s. vatbaarheid voor seedriegen. —er, a. oplegger; bedrieger. —ing, a. betering. —e, v. a. verbeteren; doen vorderen; indrukwekkeud; stiatig. —ition (-po-zisj'an), s. zich ten nutte waken; v. n. beter warden; voroplogging; last; bedrog. deren; (in) vooruitgaan; (on) verbeteren. —entent,

Wat gebeurt er als alle 21 miljoen Bitcoins worden ontgonnen


N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling. 

Hoe kan ik ruilen cryptogeld voor contant geld


Geoffry (dzjiefIrlh), f. voor Godfrey. Georg • (dzjordzr), in. George, J orig. —ha ( i-e), g. Georgie. —iaa (-i'ae), w. Georgina. Ger aid (dzjer'uld), m. Gerald. —ard ( urd), m. Gerard. German (dzjur-msn), a. Duitsch; I. Duitscher. —in (-mee'nt-e), g. Germania. —ices (-men'i-kus). m. Germanieus. —y (-me-nth), g. Dultash• land. G•r trude (gur'troed), v. Gtertraida. —vat (dzjur'ves), m, Servaas. Gethsemane (gith-sem'e-ni),g. Gethseiane. Ghent (gent),;'. Gent. Gilt (gib), f. voor Gilbert; Govert. —ion (gib'bn), in. Gibbon. Gibraltar (dzjib-reoPtur), g. Gibraltar.
Dab (deb'), s. brolcje; tikje; spat; klets; heilbot; bedreven gest. —chick, waterhoen. a dirty —, een smerige kerel„ fat —, vet stub vleeseh, lekhere beet. —, v. a. streelen; zachtlafwisschen; v. n. met den hengel visschen. Dabble (deb'b1), v. a. beatrijken, besmeren; bemorsen; v., n. plassen; morsel); broddelen. —r, a. broddelaar. Dabster (deb'atur), a. kenner, ervarene. Dace (dees), a. WitVinfil, halfoog. Dactyle (dek'til), a. dactyius (—u u). Dad (ded), Daddy (ded'dih), s. pa, regisseur, handlanger. Daddle (ded'd1), s. hand; soot. —, v. n. waggelen, langzaam gaan. teerling. Dado(da'do), a. slab gedeelte eener Daedal (the'del), —ian (di dee'li-en), a. kronkelend; geschakeerd; kuustig. Daffodil (derfo-dil), a. narcisbloem. Daft (deft). a. dwaas, dots, mal. Dag (deg'), e. dolk; zakpistool; reep, strook. —ger (-gur), a. dolk; kruisje(t)• —gees drawing, vechtpartij. Daggle (deg'al), v. a. beslijken; door het 'slijk aleepen; v. n. plassen, ("oar (irk en dun loopen —tail, a. beslijkt; a. morsebel. Dagguerrotype (de-ger'ro-tajp), daguerreotype. Dahlia (dee'li-e), a. dahlia. Daily (dee'lih), a dagelijksch. —, ad. dagelijks. Daint fly (deen'til-lih), ad. —y a. lekker, keurig; sierlijk; gemaakt. —iness, a. lekkerheid; kenrigheid; gemaaktheid. —y, e. lekkernij. Dairy (dee'rih), s. melkerij, boerderij. —maid, melkmeid. Dais led (dee'zid), a. vol madeliefjes. —y, a. madeliefje. Dale (deel), a. dal. Dail lance (delli-ens), a. gedartel; getalm. —ler (-11-ur), a. stonier; talmer; losbol. —y, v. a. nitstellen; v. n. dartelen; dralen. Dam (dem), a. dam; moan —. v. a. bedijken atuiten; vervulln; (up) afdammen, beperken.
Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.

Zal Stellar ooit bereiken 1000

×