DOW.—BRE. neerslachtig; ter neder geslagen. --, v. a. nedervellen; vernederen. —, ad. & prp. beneden, omlaag, near beneden; af; neder; afgeloopen. —, int. (with) weg met..1 up and —, op en neer upside —, het onderate hoven. to bear afhouden. to lie —, gaan liggen. to pay —, kontant betalen. to set —, neerschrijven. --the stream, met den stroom mede. to go — the wir.d. terutt gaan. § to be — upon, gretig aangrijpen. sam. —east, neerslachtig. —fall, nederatorting; ondergang. —fallen, a. vervallen. —haul, neerhaler, —hearted, moedelooa. a. 'telling; a. hellend. —looked, —looking, neerslachtig, bedrukt. —lying, s. kraambed; rasttijd; a. in de lcraam. —right, a. oprecht, rondborstig; bepaald; rechtstreeksch; ad. lijnrecht; geheel en al; conduit. nederzating; rusttijd. —sleepy. zeer steal. —trodden, vertrapt. —ward (-wurd), a. hellend; neerslachtig. —ward, —wards, ad. nederwaarts. —y, a. donsachtig; zecht. Dowse (dauwe), s. slag; mutlpeer. —, v. a. ore de ooren mlaan. 'Lie Donee. Doxology (duke-ol'ud-dzjih), a. port lofgezang. Dozy (doks'ih), a. bljzit, hoer. Doze (dooz), a. eluimering, dutje. v. a. alaperig maken; verdooven; v. n. dutteu, dommelen; slaapdronken zijn. Dozen (duezn), a. dozijn. Dos Incas (doizi-neas), a. slaperigheid.' —y, a. slaperig. Drab (drab), a. dof bruin. —, e. abet , lichtekooi; grof dof bruin taken. Drachna (deem), a. drachma. Drachma (drek me'), Me ► Drachm. Drano (dree'ko) a. drank (sterrenbeeld). Draft' (draar), a. draf; droesem, uitschot. —tub, spoelingkuip. —ink, —y, a. drabbig; waardeloos. Draft (draaft' , . s. trek; detachement; schetateekentrig; tratte. —'s-man, teekenaar. —, v. a. schetsen; detacheeren. Drag (dreg'), a. dregnet, sleepnet; dreg; alede. —. v. a. It n. langs den grond aleepen. —net, sleepnet. Draggle (dreg41), v. A. & n. door den madder sleepen. —tail, morsebel. ero men), s. tolk. Dragoman (dr Dragon (dreg'un), a. drank. —beam, schoor. —jiy, waterjuffer (vlieg).—'s-blood, dr akenbl oed. —s-tail, drakenstaart. —tree, drakenboom. —wart, drakenkruid. —et, s. draakje. —ish, a. draakachtig, —like, a. woedend, wont. Dragoon (dre-goen'). s. dragonder. v. a. aande woede der soldaten prija geven. —axle (dregoen eed'), a. dwang door krijgslteden; dragonade (neder Lodewi,jk XIV). Drain (dreeni), a. verlaat, afwatering; greppel, slow; riool. —, v. a. droogleggen; v. n. afwateren. —able, a. drooggelegd kunnende warden. —age, —ing, a. drooglegging. Drake (dreek), a. waard (mannetjes-eend). v, Drama (deem), a. drachme; ziertje; borrel. n. borrelen; slokjes drinken. Drama (dree'me, drem'e(, a. tooneelatuk. —tic, —tical, a. —tically, ad. (dre-met'ik), tooneelmatig; dramatisch. —list (drern'e-), a. drama- , sehrilver, tooneeldlahter. —tine (drem'e-tajz), v. a. your het tooneel bewerken. R.
vocd,terkind. —dam, voed• zoogbroeder. titer, mln. —daughter, pleegdochter. —earth, kweekaarde. —father, voedstervader. --land, land tot onderhou.d. —ling, a. voedsterling. —mother, —nurse, voedstermoeder. zoogmuster. —son, pleegzoon. Fattier (foth'ur), s. gewicht van 2400 pond. —, v. a. een lek atoppen. Foul (faun, a. —1y, ad. vuil, morsig; ennuiver; leelijk, slecht; snood; grof; verward; onklear. to make — water, op den grond stooten. to run — of, aanzeilen. —paper, klatipapier. —play, bedriegelijke bandelwijze. —spoken, E. kwaadspreicend. — wind, tegenwind. —ness, a. vuilheid. Foul (faul), v. a. bevuilen, bemorsen, v. n. onMaar worden. Foainsart (fou'mert), s. bunsing. Found (faaund), v. a. gronden, stichten; gieten. —ation (-dee'sjun), s. grond; grondslag ; grandvesting, atiehthig. Founder (faaund'ur), a. gieter; stichter; bevangenheld (bij paarden). —, v. a. kreupel rijdsn; v. n. zinken; mislukken. —ass, a. grondelooe, gevaarlijk. —y, a. gletert. Foundling (fa aund'lieng), a. vondeling.—hospital, vondelingshuis. Foundress (faaund'ress), a. stichtster. Four taln (faaunt'in), s. fontein. bron; oaraprong. —head, hoofdbron, oorsprong. Four tfoor') s. vier. on all —a, op handen en voeten. —cornered, vierhoekig. —fold, viervoudig. —footed, viervoetig. —ling, a. vierling. —score, tachtig. -square, vierkant. —teen, a. veertien. —tecnth, a. veertiende. —th, a. vierde. —thly, ad. ten vierde. —wheeled, vierwielig. Fowl (faauP), a. vogel, govogelte. —, v. a. vogels schieter, —er, a. vogelaar. Fowling (faauPieng), a. vogeljacht. —piece, vogelroer. —shot, ganzenbagel. Vox (foils"), a. v.; eluwert. —es, a. foksjes. —case, vossevel. --chase, —hunt, —hunting, voesenjaeht —evil, vosaenkwaal. —glove, vingerhoedskruld. —hunter, vossenjager. —tail, vossestaart (plant). —trap, vossenval. —ink, —y, a. vosachtig; siw(v, ltstig. Foy (Poj), a, trouw; afscheidsfeest. Fract tfrekt), v. a. breken, schenden. Fraction (frek'sjun), a. bteking, breuk; gebroken getal. — al, —ary, a. eene breuk betreffend. Fractious (frek'sjus). a. —1y, ad. gemelijk, kribbig. —ness, s. kribbigheid. Fracture (frekt'joer), a. break; beenbrezIk. —, v. a. breken. Fragil e (fred'zjil), a. broos, —ity (fre'dzjil'ittih), s. broosheid. Fragiatent (freg'ment), a. atuk, brok, overbliljfact. a. uit brokstukken bestaand. Fragor (free'gor), a. gekraak. Fragran ce (free'gretas), —cy, s.geuriheid. —t, a. —tly, ad. welriekend. Frail (free!'), a, biezen korfje. —, a. broos; swak, onstandvastig. —races, —ty, a. broocheid; zwakheld. Fralse (freez), e. apekkoek ; spaansche miter, rij stormpalen.
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-

Hoe crypto harde portefeuilles werken

×