STO.—STR. Stop (stop'), a. stilstand, (het) ophouden; beletsel, veratuiken; sterk inspannen, overspannen; ove.r• atoornis; elude; klep,toets; leesteeken. to put a — drijven; v. n. zich inspanuen; deorzijpelen. —er, to, stutten, ern eInde waken attn. —cleat, atoottlltreerbak, zijgdoek; vergiettest. —ing, a. spanklamp. —cock, afsluitkraan. —gap, stoplap; nood- s. ning; inepanning; overdrijving; doorzijelng. hulp; hekeluiter. etopklep. —, v. a. dicht- Strait (street'), a. street, zeeengte; verlegenheid. etoppen; staken; etuiten; belemmeren; v. n. op—, a. —ly, ad. recht, atrak; eng, nauw ; stipt; houden; stilhouden, stopper,. —page, e. toertopmoeielijk; gierig. —handed, gierig. —handedness, ping; ophouding; beletsel ; inhouding; besiagleggierigheid. —jacket, dwangbuis. stilt ge ging. —per, u. dIchtetopper; stopper ; stutter; regen; strong, stij I'. —en (street'n), v. a. spaunen; wiekje; stop; v. a. etopprn; met eene stop slutnauw maken; beperkeu; in verlegenheid brew• ten. gen. —nest, s. etrakheid; enete; bekrompenheid; Stopple (stop'pl), a. stop; prop; klep. stiptheld; strengheid; moeieltjkheid; verlegenheid. Storage (sto'ridzj), a. (het) °Wean; pakhuis- Stroke (etreek), a. streep; smalle rand; gang, buur. planken; radIscheeen. Store (stoor'), a. voorraad; overvloed; pakhuis. Stramlneous (etre-mini-us), a. stroottchtig; in voorhanden. —book, pakhuisboek. —bread, van stroo. scheepabeschult. —candles, getrokken kaarsen. Strand (strand), a. strand; vlecht, strong. —house, magazijn. —keeper. magazijumeester. v, a. & n. (doen) etranden. —ship, proviand-, ammunitie-schip. —, v. a. op- Strange (streendzj"), a. —ly, ad. vreemd; slaan; opleggen, ophoopen (up); (with) voorzien heemech; zonderling, wonder!ijk, buitengewoon; van, opvullen met. —r, s. oplegger, ophooper. blonde. —, int. zonderling 1 a. vreemd—a Istoorz), pl. provtand; oorlogsbehoeften. held; wonderlijkheid; bedeesdheid. r,s. vreerndo, Storied (sto'rid , , a. in de geschiedenis vermeld; onbekende; vreemdeling. suet historieche platen versierd.. Strain gle (streng'g1), v. a. worgen, smoren; enStork (stork'), o. ooievaar. —'s.bill, ooievaarsderdrukken. —pier, a. worger. —plea (streng'glz), bek. pl. dross. —gulation (-gjoe-lee'sjun), a. worging. Storm (storm'), s. storm; onweer; aware but; —gury (-gjoe-rih), a. moeielijke waterloortug. bestorming; geraae, gewoel. by —, storrnender- Strap (strep'), a. riem; strop. —, v. a. met een" band. —beat, door den storm geteis terd. —bell, 'gem slaan; aanzetten. —redo (-pee'do), a. (het) stormklok. —finch, stormvogel. —jib, stormkluiwippen (eene straf). —per, a. driedekker (man var. —, v. a. beetormen; v. to. stormen; ra7en, of arouse). —ping, a, grout en sterk, bulderen. —y, a. stormachtig, onetuimig. Strait agent (ntret'e dzjern), s. krijgslist; list. Story (sto'rib 1, a. geschiedenis; vertelling; sprook—egist s. krijeskundige. —egy(-e•dzjih!, je; verdleping. —teller, verteller; sprookjesvera. krljgskunde. —ification (•if-t-kee'ajun), s opteller. —, v. a. yertellen. eenstapeling van lagen. —ify ( i-fej), v. a. in Slot (stet), a. paard; jonge Etter. lagen leggen. —urn (stree'tum), s. time, eehteht• Stoup (staup), wijwatervat; kruik, stoop. Straw (strao"), a. el rooien, van stroo.—,s.streo; Stout (slant% a. ZWARI. bier. —, a. —1y,ad.lijvig; beuzeling. not to care a —, er niets am geven. forsch; sterk, stevig; kloek, dapper; hardnekkig. to be in the —, in het kraambed lIggen. —bed, —hearted, onverschrokken, koen. —neat, s. lijstroobed. — berry, aardbezie. —built, van stroa vigheid; forschheid; stevigheid; kloekheid, dapgernaakt. —color, strcokleur. —colored, etrookleuperheid; herdnet kigheid. rig. —cutter, hakeelbank; atrooanijmes. —hat, Stove (stony'), s. kachel; kachelkamer; stool; stroohoed. —worm, etrooworm. —y, a. strooien; badstoof; broeikas. --, v. a. stoven, broeieu. strooachtig. —r, s. grof hoof, veevoeder. Stray (stree), s. afgedwaald dier. v. n. afdwaStow (sto'), v. a. stouwen, etuwen; plaatsen, in len (from); verdsvalen, ronddolen. order leggen, opleggen (away); optetten (een Ra- Streak (striek"), a. streep; zie Stroke. —, v. a. ker); beslaan (een sell). —age, s.stuwage; bergstrepen, —ed (atrieht). —y, a. gestreept. plants; stuwloon. —er, s. stouwer, stuwer. Stream (atrlem'), a. atroom. —anchor, w orpenker. Strahtsm (stree'bizm), s. het scheelzien. —cable. daagsch touw. v. a. strepen, opeteStraddle (stred'd1), v. u. wijdbeens staan; schrijken (eene boel); v. n. stroomen. —er, a. wimp, 1. lingo loopen. —let (-lit), a. stroompje. —y, a. etrooreend; vol Straggle (streg'g1), v. n. dwalen, zwerven; veretroonen. strooid (aileen) staan; zich verwljderen; to aterk Street (striet') s. strata, —door, voordeur. —to ne, wassen. s. zwerver, landlooper; achterblij• atraatlItul,;e. —walker, straetslitper, etreatheer. vet Wilde loot; alieenstaand Strength (strength'), a. eterkte, kracht; macht. Straight (street'), a. —ly, ad. recht. regeirechi. —en (streng'th), v. a. & n. stork teeken ( war—, ad. terstond, dadelijk. —en (street'n), v. a. den); versterkeu. — ener (streng'thn-ter}, n. verrecht maken. —ener (street'n-ur), s. rechtmaker; sterker. —less, a. krachteleoe. bestuurder. —forward, ad. reehtuit; rued, op- Strenuous (stren'joe us), a. ad. tie, ig.„ recht. --nest, a. rechtheid. —way, ad. onrniddelonverdreten, leak ker; dapper; he vie. —.news,te. lijk, terstond. ijver, depplrheid; hevieheld. Strain (streen'), a. inepanning; verrekking; ver- Stress (stress), S. gelViCht; nadtuk, hlem; draating; attjl, trent, Loon, klank, wijs; aanleg; held, to lay — upon, aaudriugen op. neiging; afkornat; geslacht., ras. —, v. a. sterk Stretch (stretej"), a. uitstrekking, spanning.; nit spannen; person, drukken; dwingen; doorzijgen; gestratheid; luspaening, overspennine; niterste 10
Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.
149 Iii' pt (in•ept'), a. —ly, ad. onges,bikt; dwaaa. (in-domg-tibl , , a. ontetnbaar. —itude (-ti-tjoed), —nest, S. ongeachiktheid ; Indoor (in 'door), a. huts-. dwaasheid. Indors able, Iin.dors'ibly, n. geendoeseerd kun- (in.•e-kwol'it-tih)., a. ongelijkhetd, Inequality (-dornande warden. —e, v, a. erotosa,cren. —ec ale'), a. geendosseerde, —enzent, a. endossennt. I oneffenheid. ; Inequitable (in-ek'wt-tib ►), a. onbiltijk. -er, s. endossant. Inermous (in-er'muz), a. ongewapend. Indraught iin'draaft), s. beat, inFam, ad. oueeilbaar. Indreneln (in-drentsj'), v. a. doorweekev, var. Inerra bale (in•certb1), a. —bly, —bility (-re-bil'it-tih). —bleness, s. unfelt baarheid. ad. traag, loom, werkeIndnbl out (in- djoe'bi-us), a.niettwijfelachtig,lInerl (in-art'). a. —4/,—nest, s. traagheld. loomteker. —table, a. —tally, ad. (-dbl.), ontwijfel- loos. —ion (ur'sjun), heid, werkeloosheid. baar, ongetwijfeld. —tableness (-tibl-), ontwij linemen to (in-es'keet), v. a. door age lokken; verfe I baarbeid. overbalen, nopen, lokken. (-kee'sjun), a. aanlokkiag, verIudne a v. a. aanleiding geven (to); to weeg brengen. —eanent, tokking. a. —bly, ad. ona. aanlelding, drijfveer. —er, e. santeidee, be- Inestima bale (in-esli-mibl), a. of to leiden; to weec t brengen ecbatbaar. wager. InevIdent (in-ev'i-dent), a. onduidelkik, niet Induct (in-dukt.')., a. a. inleideD,installeeren(intn). britkbaar. —ion (•duk'sjun), e. irrle(thng, aanstelling; ge- Inevitn bale (in-evl-tibl), a. —bly, ad. onvervolgtrekking. —ire, a. —lady, ad. 3anleidend, te-bilfit. tab), —bleness, a. onunpend, afleidend; afgeleid. —or. s. hevestiger, vermijdeliikheid. Indian (in-djo,'?, v. a. bekleeden, aandoen. (in-egz-ekt,'), a. onnauwIceurig; onjuist. Indulg; e (in-duldzy), v. a. toegeven, inwilligen. Inexact s. onnauwkeurigheid, onjuisthetd. —nest, zich overage- vergunnen, (in, With). –, v. n. (in-eks-kjoe'zin1), a. —bly, ad. van tan. —ence, s. toegevendhetd, inschikke- lnexensa bale onverschoonbaar„ onvergeeitijk. —bleness, B. onlijkheid; gunst; afiaat. —ent, a. —ently, ad. toe- verschoonbaarheid. ge,end, inachikkelijk. —r. a. toegever, inwil- Inexeeutlon (in•eks-e-kjoe'sjun), a. niet- volbrenging, nlet-volvoertrig. girt:a to (in'djoe-ret), a. gehard; veratokt. —te Inil (-rest). v. a. harden, Nerba•den; v. n. hard —, Inexlia,lalile (in-egn-heeribl), a. onverdampbaar. ed (in-er,z-haost'id), a. onuitgeput. veretokt worden. —tion (-ree'aJun), a. verhar- Inexhaust —ible, a. onuitputtelijk. —ibleness. a. onultputteding; verstokthetd. lijkheid. Industr lal (in-dus'tri-e'0. a, de nijverheid be-InexIsten ee to egz-ist'aus), s. (bet) niet head. nijver, viijtig; treftend. —ious, a. —ioutty, staa.n. —t, ad. niet bestaand. opzettellik. —y, a. vlijt; nijverheid. a. inwoner. —ing, e. Inexora ble (in-eka'ur-rib)), a. —b/y, ad. onIndwell er (-re-bil'it-tih, —Maness, a. verbiddelijk. inwontng; a. inwonend. onverbiddelijkheid. 85 a„ dronkanma- Inebrl ant (in-Pbri-entl. (in-eks-pt'dt-ens), —cy, ongece Inexpedlen (-eet), v. a. drunken (gek) trend rniddel. —ate paetheid, ondienstigheid. —t, a. ongeschikt, a. dronken zijn. —ation maker; ondlenatig, on,oegzaam. —ely (-e-braj'e , tih). a, droukens,hap, be,hon- Inexperience (in-eks-pPri-ens), B. oncrvarenkenheid. held. —d, a, onervaren. Inedtted (in-ed'it-ed), a. onnitgegeven. (in-eks-purl'1, a, o ► bedreven. Inexpert . onnitspre. ad --My. Iran's balsa (in•erfibl), buexpise ble (in.eks'pi-ibi), a. —bly, ad. olive, —blelesg, s. kelijk. —bility zocnlijk. tiprekelijkheid. —bly, ad. onble (in-eks'pli-Istb1), Inelreet lye (in-ef-rekt'iv), —nat.) a. —natty, ad. Inexpllea verklaarbaar. —bility (-ke-bil'it-tih), —bleness, a. Hoe- el-), niets ultwerkertd, vru,hteloos.---ualnesa onvcrkkarbaarheid. (-joe-e1-1, s. gevolgelooaheid, vruchteloroneid, InefiferYeseent (in-ef-fur-vea'sent), a. abet op. iltleXpliCit (in-eks-plis'it), a. onduidelkjk, on-

cryptogeld quora


take into consideration. ..-etreep, ditch. —tsbeeld, idea, chimera, —loos, bv. & bw. thoughtless (-1y), inconsiderate (Ay). —/oosheid, v. thoughtlessness. Gedrichtente, v. memory, remembrance; keepsake. ta ► ger —, of bloused memory. ter — vae, in memory (commerroration) of. —viering, feast in remembrance of. Gerlach( Iss, lay, mindful (of). G e damp, o. steaming, fuming, smoking. (Sedans, 0. dancing. Gedarnste, o. bowels, guts, entrails. G td art el, o. dallying, dalliance, toying, sporting• Getlauwef, o. loitering. GenInver, o. shaking, quaking. Gedeelte„ o. past, portion, share. & by- partial (-1y), partly, in past. Gedegen, by. pure massy. Gedenk en, ov. & on. w. to remember, to recollect, to be mindful of, to bear in mind; to intend. memoran chum, record. —boar, register, memorandum- book, annals. —dap, anniversary. —naald, —null, column, obelisk. —penning, medal. —tchrift, memoir, memorial. —spreuk, apophthegm. —stub, remembrance. —teeken, monument. —waardip, memorable. --waardigheid, memorablenees. G ✓ dicht, o. poem. Gedlebtsel, o. imagination. Gedienstsg, by. & bw. officious (-1y), obliging (-1y). obsequious (-1y). —e geest, servant. —acid, v. officiousness, obligingness, obsequiousness. Gedterte,o animals, besets, vermin. GedUen, on. w. to thrive, to prosper, to succeed. onreektvaardig good gedijt niet, ill gotten, ill spent. Getting., o. lawsuit, action, cause. —betorger, Attorney. —schrideer, clerk. Gedo bb el, o. dice pleying, gambling. adoen, Gedoentc, o. ado, bustle, hubbub. in een poet zilten, to be at one 'a ease. (ae,csainncuaei, o. hum, buzz, mumbling; slumbering. 414 edonder, o. thunder, thundering. eindones en, ov. w. to suffer, to permit, to allow, to tolerate. —.roam, by. Zie Verdraag.11 am. G e d re a f, o. trotting, running. ei edraal ; o. turning; shuttling. o. hesitatton, indecision. ciedrog, o. behavior, conenet, deportment, demeanor. —ti e, line of conduct. —en (rich), t. w. to behove, to conduct (to carry) one 'a self; to refer can. to). —in g , v. Zie G ed rag. (I rclrssnsg, o. crowd, throng, pressure, QS edrentei, o. lounging, loitering. fliedreun, shaking, dunking, vibretion. Gedvibbel, o. tripping. Geeirneht, es. monster. —e/ijk, by. & bw. moot:tin us (-1y), —eliikticid, v. monstrosity. edrongetu,bv.conelee,compaci,close;thIck-set. Gedroppell, o. dropping, dipping, trickling. Gedrnils, o. noise; rattle; rush, raging, roaring, bowling. Geducht, by. & bw. formidable (-bly), terrible (-bli), tremendous (-1y).

Tomohawk (tom'e-haok), a, indlaansohe strijdTomb (teem'), a graf; graftombe. —stone, Kra'teen. —, v. s. begraven. Tombne (tom'bek), a. tombek, apinabek. Tombless (teemness), a. solider grafetede, onbegraven. Tome (toom), e. boekdeel, dee'. Tomplon (tom'pl•un),s. w in dpre p. Teen (ton), a. ton; lie Tun. —(ton), a. toon, heorachende meek of mode. Tone (toon'), s, loon, blank; stemgeluid,spanning; veerkraaht. —, v. a. gemaakt voordragen; loon (nadruk) geven aan. —d (toond), a. van Loon; well— we iluidend. ng), e. gesphaakje. —s (tongz), pl, tang; Tong (lo e pair of —, Gene tang. Tongue (tung'), a. tong; teal, spraak. —doughty, anoevend. —pad, lengtong. —Eeraper tongsehra' tong Terper. —shaped, tongvormig. —tie, v. a. de lawmen, doen mijgen. lispend; awakeloos. —, v. a. bektjven; van eene tong voorzlen; v. n. praten, snapped; aanalaan (blaffen). —4
pose, to contend with; to subdue, to control. ilirkeer der, m. converter. — en, ov. w. to convert; nick w. to be converted, to repent; to change one's mind. —ing, v. conversion. —/ijk, by. convertible —10heirt, v. convertibility— /leg, m. & v. convert. —shoe, v. converter. Brekenet, by. known, public, manifest, notorious: acquainted (wish), intimate. — makets, to snake known, to publish, to proclaim; to acquaint (with). — worden, to become known, — public, — acquainted (with), to get abroad, to be spread about. —e, in. & v. acquaintance. ac• gum/althea; notoriety. —maker, us. publisher, proclsimer; divulger, blazer. —making, v. publication, proclamation; advertisement. Heiken men, on. w. to confess. to avow, to own, to acknowledge; to profess; to dtatinguish; to lie with, to know; /deur —, to follow snit; (gene kleur —, to revoke. —err, m. confessor, prefer.), —tang, v. confession, avowing, owning. y. eoofeseion, acknowledgment, avowel. m. cup, goblet, bowl. no/lei —, bumper. —houten, round timber. —en, en. w. to tipple, to tope, to guzzle. Illy.kear der, m. finer, amereer, —en, or. w. to fine, to amerce, to mulct. —ing, v. arnereement. Ilekijfater,

cryptogeld yahoo finance


Essentially, if you are interested in trading in digital currencies but don't want to get bogged down in the underlying technology, products like Coinbase are a way to begin a foray into a new form of currency speculation and investing. You do, however, lose some of the advantages of trading in a cryptocurrency and through the blockchain. On Coinbase, you have no pseudo anonymity—your name is attached to your Coinbase account and so is your bank account, so transaction history is relatively easy to track down. And if you're not working on the blockchain, there's not much you can do to ensure that the verification of your transaction history or your account is taking place on the blockchain. You are, instead, placing trust in the intermediary, in this case, Coinbase.

Is BTC anoniem


RET—RHE. 255 Retrench (re-trentan, v. a. afsntjcien; beanoelen, dee% ommekeer; keerzijde. —e, v. a. omkeereti; vernietigen. —ed, a. —edly, ad. omgekeerd, ave. beperken; verecheneen, v. n. sick bekrimose. rcchts. —eless, a. onomstooteltjk. —ely, ad. om. —meat, a. bcsnoeing, beperking; bekrimpinin gckeerd. —ible, a vernietigbear. —ion (-ajun), verschansing. Retribute (re-trib'joet), v. a. terugbetalen; vers. omkeering; terugvalling, (recht van) opvolging, ionary (-8„ina-e-rih), a. terugkeerend. gelden. —tins (ret-rc-bj e'sju n), a. terugbetaling; vergelding. —tory, a. terugbetalend; ver- Revert (re-vurt'), a. herhaling. —, v. a. veran• deren; omkeeren; terugkaatsen; v. as terugkeeren, geldend. terugvallen. —ible, a. terugvallend, weder over Iletriev able (re-trievlb1), a herstelbaar. —e. te gaan. —lee, a. veranderend, omkeerend. v. a. herstellen; terngbekomen; terugbrengen. Iletroaet (ri'tro-ekt), v. n. terugwerken. —inn Revery (re'vur-rih), a. Zie Reverie. (-ek'sjuu), a. terugwerking. —ive (-ekt'tv), a. te- Revert (re-vest'; , v. a. weder bekleeden. —iary A-e.rthi, a. kieedkamer, aacriatij. rugwerkend. Retrocession (rl-tro-sesrun), a. terugwijking. Reviction (re-vik'sjun), a. herieving. Retrograd alien (ret-ro-gre-dee'sjun). a. tereg - Revictual (ri-vit'1), v. n. wader van levenamiddeleu voorzien. gang, terugwijking —e (reero.greed), a. achterReview (re-vjoel, a. herziening, overzicht; ultgaand; v. n. terugtreden, achterult gaan. wapenschouwing, monstering; beoordeeling, re Retrogression (ret-ro-gresj'un), a. teruggang, cenaie. —, v. a herzien, overzien; in oogenachouw terugwijking. nenen, mouderen; beoordecien. —al, a. recensie. Retrospect (ret'ru-spekt). a. tetugblik. —ion —er., a. onderzoeker; recensent. (-spek'sjor), a. (het) tetugzien. —ive (-spelit'iv), Revile (re-vajle), v. a. amaden, beschimpen.—ment, a. terugziend. a. beschimping. —r, a. schimper, beachimper. Retrude (re-treed'), v. a. terugstooten. Reefs al (ra-vajz'el), a. herziening. —e, a. her. Retund (re-tund'), v. a. stomp waken. ziening; revisie. —e, v. a. herzien; revideeren, Return (re-turn'). a. terugkeer, -komst; terug—er, a. herziener; corrector. —ion (.vizyun), a, geve, zending; overmaking, remise; vergeiding; herziening; revisie. —it (-vieit), v. a. weder be• voordeel; verwiaseling, opvolging; ouzel; terugzoeken. , ailing, instorting; bericht, vets) ag; retourvracht. by — of mail, per ommegaande. in —, daartegen. Rev's, al (re-vajv'el), a. herieving. —e, v. a doen herieeen, verlevendigen; opwekicen; ver. —, v. a. teruegeven, -zenden; beantwoorden; nteuwen; weder in heriunering brengen; v. n. gelden; berichten; — thadcs, dank betuigen. v. n. herlevern tot de vorige gednante terngkeeren. terugkeeren, -komen; ant', .rden. —able, a. —er, a. verlevendiger; opwekker; opwekking. terug te geven, te zenden. —er, a. terugzenRevlsff icate (r•viv'if-i-keet), —y (-raj), v. a. der; oeermaker. doen herleven; verleve•digen. —ication (-kee'Reunion (ri-joeniun), s hereeuiging. ejun), a. wederopwekking. Reunite (ri-joe-najt' e v. a. hereenigen; verzoeRevora ble (rev'o-k1b1), a. herroepelijk. —tienen; v. n, weder bteen komen. nes*, a. herroepeltjk. —te (-keeti, v. a. herrnepen. Reveal (re-viel'), y r a. epenbaren; ontdekken. lion (-kee'sjun), a. herroeping. —er, a. openbaarder, ontdekker. Revel (reel!), a. luidruchtig vermeak. —rout, Revoke (re•voor), v. a herroepen; intrekken, oprozrige hoop; luidruct.tigverneaak (re-vel'), opheffen; afzweren; beteugelen; v. n. verzaken (in 't kaertspel). v. a. terugtrekken. —, v. n. rinkeirooier, bragger, —ler, a. rinkeirooier. —ry, s. luidruchtig Revolt (re-vot ), a steal, opstand, plichtverzuim. —, v. a. in opstand brengen; op de vlucht varmaak; brasserij. slaan; v. n. in opstand komen; afvallen (from). Revelation (rev-e-lee'sjun), a. openbaring. Revenge (re-vender). a. wreak, vergelding —er, a. opatandeling; afvallige. —iag, a,. stuiv. a. wren en (of. on. upon). —ful, a. —fully, ad. tend (to). wraakgietig. —fulness, a. wraakzuctlit, —a, a. llevotation (rev-o ljoe'ejun, s. omdraaling, =loop; omweuteling. —ary, a. omwentelingawreker. Revenue (rev'e-njoe), a, inkomatea. — cutter, gezinci. —lot, a. omwentelingageainde. —ire (-ajz), ee a. omverwerpen; eene omwenteling bewer• a. wachtacbip. Reverberant (re-vueburent), a. weerkaatsend. ken in. —te (-eat), v. a. terugkaatsen; v. n. weerkast- Revoiv e (re-volv'), v. a. &n. omwente1en, omdraMen; overienken; terugvallen, — ency, a. ge. sen; weergalmen. —tion (-ee'sjun), n. terugkaet. durige omwenteling. —er, a. revolver-pistool. sing. —tory (-e-tur-rth), a. terugkaatsend; a. I ilevoinit (ri-vom'it), v. R. weder ultbraken. reverbereeroven. Retails ion (re vul'sjun), a. afvoering, efleiding Revere (re-vier''). v. a. eeren, vereeren. (der rochten). —ive, a. afvoerend, afdrtjvend. Reve•en cc (rev'ur-ens), a. eerbied; eerbetoon; bulging; eerwaardigheid. —ce, v. a. eerbiedigen. Reward (re-waord''), s, belooning. vergeldiug. —, v. a. beloonen, vergelden. —able, a. beloon—car, a. vereerder. —d, a. eerwaardig. —t, a. bear. —er, a. belooner. —fly, ad. —fiat, a. —tially, ad. (-en'ajel-.), earReword (ri-wurd'), v. a. woordelijk herhalen. Hever er (re-vier'ur), s. vereerder. —ie (rev-ur- klibachltis (re-kartiz), a. engelache alekte. lRhapsod Ica' (rep-eod'ikl), a' onsamenhangend, ie'), a. mij ► nerIng, droomerij. saarngeraapt. —y (rep-eo-dih), a. eamenraapael. Revers al (re-vurisel), a. veranderend; vernietlgend; a. veraudering; vernietIging. —e, a. tegen- Rheniab (rien'isj), a. rijirsch. —. a. rijnerijn,

CHA—CHI dom. —, v. a, bij charter inatellen,hevoorreeh- kooper. —paring, kaaakorst. •—press, kanapers. ten: bevrachten. —land, vrijgood, —party, char- —running. kaaswei. —runnet, —wort, lidkruid. tepartij. —r, a. bevrachter. Cheesy (tajte'zih), a. k 4 ...chtigChary (tsjee'rih), a. zorgvuldig, behoedzaam; Chely ikelih). a. kreePtschaar. zaiuig. Chemic (kem'ik), —al, a. —ally, ad. scheikundig. Chase (tsjees') s, jueht, vervolging; wlldbaan; Chemist (kem'istl, a. scheikundige. —ry, a. acheidracht (van geschat); vorinraam. —. v. a. jagen; kande, vervolging; najagen. —gun. boegstuk. —r, a. ver. Cheque (tajek), a. bon, assignatte. volger. nsjager. Cherish (tajer'isj), v. R. koesteren, verplegen; Chassis (kezml„ a. kloof, afgrond. Itelhebben. —er, s. verzorger; beachermer. Chasselas (sjes'ae-les), a. snort van druif. Cheroot Itsje-roet'), a. sloe, Chaste (tajeest'). a. —1y, ad. kuisch, eerbaar. Cherry (tsjer'rih), a. kers. —, a. kerskleurig. s. kuischheld, zuiverheid. —tree, knisch- —bay, --laurel, laurierkera. —pit, kailtjeaspel. boom. —stone, kersepit. —tree, kerseboom. —checked, Chasten (tmlees'n), v. a. kaatijden, vernedereu. roodwangig. Chastise (tsjes-tajz'). v. R. kastliden, tuchtigen. Chert (tspart,*), a. kwarta. —y, a. kwartaachtig. —meat (tsjes'tiz meat), s. kastijding. —r, a. kas- Cherub (teler'ubl, a. engel, cherub. —ic, —ical, tijder. (taje-roe'hik-), a. entrelachtig. Chastity (tsjes'tit-tih), s. kuischheid. Cherubim (tajer'oe-bim), a. cherubim. Chat (tajet), a. gesnap, gekeuvel; katje (Ran Cherup (tsler'upl, v. n. tjilpen, kweelen. boomen). —, v. n. snappen, keuvelen; (away) Chervil (tajuevill, a. kervel. keuvelend doorbrengeu. Chesible ftsjeeibli, a. kasuifel. Chattel (tsjet'til), a. have en goed; roerend goed. Cheslip (teleslip), a. varkensluia. Chatter (tsjet'tur), a. gesnap, gekakel. v. n. Chess (tsjeal, a. sehaakspel. —board, eclutaksnappen, kakelen; klappertanden (with cold). bord. —man, achrtakflguur. —player, schaakspe-box, snapper, anapater. —ce, a, praatvallr. —ing, ler. —tree, halskl a. geanap, gekakel. Chessosu (tales'sum), a. lame aarde. Chatty (tsjet'tih), a. praatgraag. Chest (isjeat"), a. kist, kart; Borst. —of drawers, ChM WOOd (tajet'woed), a, brandhout. latafel. —foundered, a. dempig. Chavender (tajev'en-tor), a. rivierbaars. Chestnut (tsjes'nut), a, kastanje; -kleur. —, a. Chaw (tsjao), bie Chew. kastartjehruin. —plot, kastanjeboach. —tree, liasCheap (tsjiee,'), a. —ly, ad. goedkoop. dog—, tenjeboom. srhandekoop. —en, v. a. dingen, bteden. —ener, Clievcril (tslev'nr-i1), a, geitje; zeemleder. a. clinger, bieder. —nem, a, goedkoopheid. Chevisance (sjev'i-zens) a. onderneming. Cheat oijietn. a. bedrag, schelmerij. —, v. a. Chevron (sjev'rnr), a. spar; chevron. bedriegen. —er, a, bedriver. —ing/y, ad. Chew (tsjoe), v. a. kanwen;overdenken:v.n.peinzen, bedriegelijk. § Chrwink (taloe'ink), a. roodborslje, Chek (tajek'), a. Faulting, beteugeling; beletsel; Chicane (sji-keen'r, —ry, a. gezocht voorwendtegenspoed, nederiaag; verwijting; geruit bunt; eel, —haarklooverij. —, v. n. haarklooven, vit. contraboek; assignatie; schaalt. to give a — to, ten. —r, a. twiatzoeker, haarkloover. in bedwang houden. clerk of the —, oppercon- Chick (tsjikl, —en, a. kniken. —en-hearted, a. trOleur. —, v. a. stuiten, beteugelen; berispen; lathartig. —en-pox, windpokken. —ling, a. kidcollationeeren; v. n. StlifitRall. —mate. schaakinat. kentje. —pea, sisser. —weed, muurkruid. —roll, staatalijst. —less, a, zonder contrOle.—er. Chide (*.BAN') {chid. chid, chidden], v. a. beknors. beteugelaar, hedwinger. raw v. n. knorren, grommet, —r, s. berisper, Checker (tsjek'ur), a, geruit week. —board, dam- tthorrepot. of schaakbord. —s (-um), a, darn- ofsehaakapel. Chief (tsjier), s. hoofd, Ranvoerder. commander —, v. a. schakeeren, geruit maken, —ed, a. boat, in —, opperbevelhebber. voornaamate, eergesel, a based. —work, ingelegd week. ste. —less, a: zonder aanvoerder. —/y, ad. voorCheek (tt,jiele), a. wang, slooiknie. —8 of a door, namelijk. —fain (-tin), a. opperhoofd. —tainry, deurponten. —8 of a balance, schaar eener ba- —ship, a. aanvoerderachap. — by jole, onder vier oogen. —bone, kake- Chilblain (tslirbleen), a. winter (Han handed been, —hoop, ijzeren band om den hommer. of voetenl. —tooth, baktand. Child (tsjalld'), a. kind. from a —, van kindsbeen Cheer (tajier'), a. onthaal; opgeruimdheid; toe- of. with —, manger. —bearing, baren. —bed, latching; begroeting. to be of good —, opgeruimd kraambed. —birth, bevelling. —hood, ktndschheid. zijn. what —1 hoe gnat bet? a. verheugen, —ish, —like, a. kinderaehtig, kinderlijk. —ishness, vroolijk maken; toejuichen; begroeten; v. n. a. kinderachtigheid. —less, a. kinderloos, vroolijk worden; juicben; (up) moed acheppen. Childer - mas - day (tsjirdur-men-dee), a. onnoo-er, a. opvroolijker. —ful, a. —fully, ad blij- zele-kinderendag. moedig, vroolijk, —fulness. a, blijmoedigheid. Children (tsjirdren), a. kinderen. —less, a. neerslachtig. —ily (•ii-lih). ad. —y, R. Chiliad (kil'i-ed1, e. duizendtal; tien eeuwen. vroolijk, opgeruimd. a. koud, kil; Chill (tajil'), a. koude, huivering. Cheese (tsjiee), a. kelt.. —bow!,kaasnap. —cake, ongevoelig. —, v. a. koud maken; afschrikkeni kaaawronget. —frame, —vat, kaaskoek. v. a. huiveren. —iness, —ness, a. koude, kaaavorm. —lip, kartsleb.,stremeel.—monger,knas —y, a. & ad, kilaehtig; koeltjes.

mcash cryptogeld


Trithe ► sm (trarthi-ism), a. driegodendom; (het) Treowsera (trAu'zurz), a. pl. wijde broek. Troy 1, troY). a. —weight, trootech gewleht. geloof can drie goden. Triton (trej-tun), s. triton (zeegod); tritonsho- Tr ►tant (tros'entl, a. —ly, ad. Jai, leeg(oopertd. —, a. ledigganger, etraatelijper. to ploy the —, ren. —e (-toon)., s. dileklank. Tritura ble Oritloe-rib)), a. vergrufsbaer. —te etuklee draaien, epijbelen. --, v. n. leegloopen, etraatelijpen; equities draaien. —ship, a. ledtg(-rect), v. a. melon, vergruizen. —tion (ree'ejun), gang, luthetd. A. vermaling, vergrutztng. Triumph (trarumf), e. zegeprool, triomf; trod. Truce (troee'), a. wapenatilatand; verpoozing. —, v. n. triomfeeren (in); zegevieren (over). --at —lees, a. onverpooek (-amrel), a. zege-, triomf-; a. zegeteeken. —ant, Trackman (trotermen), a. tolk, a. —ant?y, ad. (-urarent-), zegevierend. —er, a. Trueldattors (troe•ei-dee'ejen), a. alaohting, moord. zegevlerder, overwfonear. Triumvir (traj-um'vir), e, drleman. —ate (-et), Truck (teuk'), a. ruil, ruilhandel; wial; kloot; a. driemanachap. h..andwagen; § hulaelijke behoeften; butaraidTrial,' a (trenoen), a. drieeenig. —is;) (-joenit- deltje. —carriage, blok-, rotwagen. —wan, voerman, karreman. —, v. a. ruilen, verrutlen; op tih), a. drteeenigheld. een' roiwagen vervoeren; v. n. rulthandel drijTrivet (trtv'lt), a. drievoct, treeft. van. —age, a. ruillng, ruilhandet; § vrachtioon. Trivial (trtv'1 , e1), a. — 1y, ad plot, alledeagech; —er, a. miler. onbeduidend, —ity (-el'it-tih), — mess, a. plat held, Truckle (truk'kl), a. rolletje. —bed, rolbed, —, alledaageehheid. v. n. zich onderwerpen, krulpen (to watt). Trost (troot I. v. n. sehreetiwen (vett herten). Tracer (tro'ker), a. trocar (werktutg om het Tructilets re (troeirjee-lens), e. wneatheid, wreedheid; verschrikkel ijk geztcht. — t, a. woeet, water at te tappen), wired; vereehrikkelijk. Trochee (tro'klo), a. trocheit, (-- ---). Trudge (trude)'), v. n. te voet gaan, strompelen, Troglodyte (teoglo-dajt), e. holbeoroner. etch voorteleepen; zich artobben, zwoegen, —max, Troll (trooll'), v. a. rollen, voortrollen, snot bewegen; (been rondgaan; (away) afroffelen; v. n. zie Truchnene, rondrollen f een' rondzang zing.n ; rondgean ; True (troe'), a. wear, eebt; oprecht (to); juist; getrouw (to). —blue, eerlijk, gotrouw, —born, echt. rondelenteren. near anoek hengelen ; (about) —bred, eat, wear; volbloed. —hearted, trouw har—madam, kutltjesepel. tig. —heartedness, a. trouvhartigheid. —lore, Trollop (trollop), a. stet, sioerte. Trombone (trore'boon), s. trombone, achuif- gellefde;wolfebes —love-knot, ltefdestrtk, -knoop. --penny, eerifjke s'el. —ness, a. oprechthetd, setrompet. trouwheid. Tromp (tromp), a. blaaspijp. Truffle (troere, truf'fl),e. truffel. Trtsmeter (tro-nee'tur). a. woleeger. Tramp (troep'), a. troop, drom, bende. —, a, n, Tang (trug), a. bak, kalkbak. troel. wijze gaan (about); (away. off) zich weg - Trulam (troe'flem), s. onrniekenbare waarheld. Trull (trail), a. stet.• et raat hoer. pakken. ---er, e, rotten Truly (troe'lth), ad. waarl ilk, inderdaad. Trope (troop), a. overdrachtelijke uitdrukking. Troph led (trolid), a. met zegeteekenen getoold. Trump (trump'), a. trompet; troef. —ace, troefaas. —, v. a. trocven; (op) verdichten, ameden; -y, a. zegeteeken. v. n. troef apelen. —ery, a. zottekiep, onztn; Tropic (troplk).... keerkring. —al, a. keerkringe-, prullen, vodden; ijdele praal. aroplach; lignunijk, overdrachtelijk. Tropolog left)) (trop-o-lod'zjikl), a. figuurlijk. Trumpet (trumplt), a. trompet; roeper; trompester. —, v. a. met trumpetgeachal bekend ma--Y (tro-poPud-zjth), a. leer der tropen; fignur- ken, rucbtbaar elaken, nitbazuluen (forth). —er, lijke nitdrukking. a. trompetter; uitbazutner. Trot (trot), a. deaf; end wilt. —, v. n. draven. Troth (troth'), a. trouvr. waarheid. —plight. Tresneet te (truneket), a. afgeknot. —te (-keet ' , v. a. verminkeni knotten, arkappen. —tie); (-kee'.. —less, a. trouwelooa. trouwbelofte, vett-loving. ejun), a. verminsing; knotting. efkapping. Trotter (tret'tur), a, Braver; echapepeot. Trouble (trub'l), a. onrunt; moeite. ongemak, Truncheon (trun'sjun), a. knuppet; kommandolane; verwarring; verlegenbeid; kweiling, ver- stet. —, v. a afrossen. --ear (-lea'), a. knuppetdrager. driet. —feast, epelbreker. —state, ruetvereto, der, onruetetoker. —, v. a. troebel maken; vet.. Trundle (trun'd1). a. rot; rolwagen. —beat, rolontrueten; lastig vallen; etoren; kwel!en, gr;even; bed. —tail, rondst hart; -stet. ,—., v. a. & n, rollen, bezommeren; verdrlet aandoen. --r, a. kweller, ronddraalen. verontrueter. —some, a. —comely, ad. laatig, Trunk (trengk'), a. romp; stem; kafer; Ws, koker; emit, blaer,pkj p. —breeches, p1. —hose, *noels/tilt; kwellend. ---,oneness; a. 1 gettie,beid. wijde broek —clips, pl. kofferbesiag. —maker, Trough (trot), a. frog koffermaker. Trout (troo)), v. a. & n. Z ► e to Troll. Trunnel (trun'nil), a. Zle Tree-na 11. Trounce (trattune), v. a. efroseen. Trunnion) (trun'jun), a tap (van seta kanon). Trousers, Zie Trowserx. Trusion (troe'ziun),e. dawiag, stoot. Trout (traut),e. fore; sul. Truss (truss'), a. breukband; bundel,boa;ateunder, Trove' (tro'vur), a. cinch tot teruggave. schooretuk; rak (eener ra). --tackle, rakketalie. Trow (tro), v. u. meenert.vertrouven. —, int, he, —, a. a. inpakken, ophinden, ophalen, upstrooTrowel (tran'11), s, troffel.
Sum (.um'), s. tom; totaal; hoofdinhoud; toppunt; elotenm. in — kortom. —, v. a. opteilen, opeommen (up). —less, a, tattoos. Sammaach (sjoe'mek), s. ;mink. Snentuar y (eurreine-rih), a. --i/y, ad. beknopt, kort. —y, a. kort begrip. Summer (eum'atur), a. zomer, hoofdbaik; opsommer. —bird, kapel. —bonnet, zomerhoed. —cock, joule zomerzalm. —corn, zomerkor an. —fallow, s. zomerbraak; v.a.zomervoren.—freckle 4 zornersproet. —house, zomerverblijf. —savory,kenle, boonenkruld. —snowdrop, teat eneeawklokje. —aolatiee, zomerzonneettistand. —stir, v. a. somervoren. —suit, zomerkleeding. —weather, zomerweder. —, v. n. den zomer dnorbrengen. Suninserget, (suna'niter. ant), a. Zia Somerset. Summit (sum'mitf, a. top. train; to ppunt. Summon (sum'mun), v. a bijeen :roepen (ur); roepen; aanmanen; dogvaarden. —er, a. dagvaarder; aarimaner. —a (-munz ), pl. dagvaarding. Sump (suinlo,e. poet; emeltkroee. Sumpter (sum'tur), a. lastdier,pakpaord. —horse, pakpaard. —mule, pakezet. —saddle, pakzadel. Sunoptei my (sumtioe-e-rih), a. de weelde (nitgaven) batraffeud; — laws, wetten tegen de weelde. —osity tih). —ousness, a. weelde; hostbaarheid. —out, a. —oueiy, ad. prachtig; twatbear. Sun (sun"), a. zon. zonneetraal. —beat, fel door de zoo beschenen. —blink, zonnestraal. —bright, zonneklaar. —burning, verbranding door de zoo. —burnt, door de zoo ver brand. —clad, schitterend, bestraald. —dew, zonnadauw (plant). —dial, zounewijzer. —doten,zonsondergeng. —fish. zonnevisch. —flower, zonnebloem. —light, zoolicht. —tit, door de zoo verlicht. —riae, —rising, zoneopgang. —set. —setting, zonsondergang. —shine, zonneschijn. zonnig, balder. —spurge, zonneepurrie. —stroke, zonnesteek. —, v.. in de zoo zetten Sunday (suu'dee), a. condag. —fetter, zondageletter. —school, zondagesthool. Sounder (outedur), a. in —, in tweeea, doormid. den. —, v, a. scheiden, afzonderen; vaneen echeuren. Sundr les (sun'driez), a. pl. verechttlende Bingen, divereen. —y, a. versehillende, diverse. Sun leas (sun'tese). a. zonder zoo. —like, a. zonachtig. —ny, a. zonnig. Sap (sup), a. elok, zoopje. —, v. a. sturpen; des avonds onthalen; v. n. het avondolen gebruiken. Sopera bit (ejoe'par ibl). a. —Ply, ed. overkoinelijk. --bleness, a. ON erkornelijkheid. Superabound Isjos-pur-e-baaund'). v. n. overvloedlg zijn; ;with) rtjkeliiik voorzten aim n van. Superabundan ae (Noe pur-e-bun'lene), a overvloed. —t, a. —tip, ad. overtloedig. Superadd (e)oe-pur-ed"), v. a. nog bijvoegen. —ition( dial'utu), a. bij uoegIng; toevoegsel. Sosperannua to (sjoe • pur .en'njoe-eet), v. a. door ouderdom ongeschikt waken; op pensioen stetlen; v. n. varoudeten; overjarig worden. —tion veroudering, ongeschiktheid (door euderdom); pensioen. Superb (sjoe-purb*), a. —ly, ad. prachtig, beerprachtlette. grootec h.
DEJ.—DEM. o Deject (de-dzjekt'), v. a. neerslachtlg maken; be- Deluge (del'joedzj), a. zondvloed; overstrooming. —edly, ad.neerslachtig, bedrukt. —, v. a. everatroomen. droeven. —ednets, —ion (-dzjek'sjun), a. bedruktheid; stool- Dein/ sion (de-ljoezjun),1 a. begoocheling; begang. —ory, a. stoelgang bevorderend. —ure drog. —sive, —sort', a. misleidend, bedriegelijk; hersenschimmig. s. uitwerpsel. Delve (delv), v. a. & n. delven, graven; uitvorschen. Dclapse (de-leps',„ v. n. afvallen; afglijden. Delat e (de-leer'), v. A. aanklagen, verklikken. Demagogue (dem'e-gog), a. volksmenner. —ion 1-lee'sjun), a. aanl:lacht,aanbrenglng. —or, Demain (de•meenl, a. domein, vast goad. Demand (de-maand'), a. each; vraag, on —, op a. verklikker. —ory, a. aanllagend. vertoon. —, v. a. eiochen; vragen. —able, a. Delay (ee-lee'), a. uitstel; oponthoud. —, v. a. eischbaar. —ant, a. eischer. —er, a. vrager; mauitstellen; ophouden; verhinderen; v. n. dralen, nor. talmen. —er, s. uitsteller. Dennarcatton (di-mer-keo'sjun(, a. grenslijn. Debbie (deribl)., a uitwischbaar. Delecta e Ide-ickt'ibl), a. —lily, ad. aange- Demean, Demesne (de-mien'), s. Zie Demain. nem, verukkelijk. —biene8s,s. verrukkelijkheid. Demean (de-mien'), v. a vernederen, verlegen. —tion (del-ek-tee'sjun), s. genot. — one's self, zich gedragen. —or, a. houding; Delega to (del'e-geet).. a. afgevaardigd. —, a. gedrag. argevaardigde. —, v. a. evaardigen; opdragen. Demen cy (di'men-sih), a. krankzinnigheid; —tion Igee'sjun), a. afvaardtging; lastgeving; waanzin. —tate (de-men'tet), —ted, a. waanzinoverdracht; (de) afgevaardigden. nig. —tate (de-men'teet), v. a. kraukzinnig maDele to (de-liet"), v. a uitwieschen. —terious keu. —tation (-tee'sjun), a. krankzinnigmaking. (del-e-Wri-us), a. vernielend; doodelijk. —tins Demerit (de-mer'it)., s. (het) laakbare, °flyerdienstelijke. —, v. u. Jeta laakbaars doen. (lt'sjan). B. uitwitoching; doorkaling. Demi, (dem'ih) [in samenst.), a.; half. —cannonDell (delft, s. oteengroef; aardewerk. Delibern te (de lib'ur-et), a. —tely. ad . be- lowest, 30ponder. —cannon-ordinary, 32ponder; hoedzaam; vastberaden. (-eat), v. a. over- —cannon of de greatest size, 86ponder. —culverin, wegen; v. n. beraadsiagen (on); besluiteloos halve veldLlang; lOponder. —devil, halve duivel. :Ain. —Jewess, a. bedaehtzaantheid; vastberaden- —ditone, kleine tarts. —god, halfgod. —john, heid; overlegging. —lion (-ee'sjunl, s. overwe- veldflesch. —/ance,lichte lane. —/une,halve mean. ging. beraadslaging. —tire, a. —tively, ad. over- —quaver, een 16e noot. —semi-quaver een leggend; beraadalagend. —tar, a. beraadslager. noot. —rep, vronw van verdachte levenswijze. Dellea cy (del'i-ke-sih), a. lekkerheid; lekkernij; wolfahond. kiesehheid: k eurIgheid; teederheid; netheid. —te, Demise (de-majz'), a. overlijden, vcracheiden; overdracht (bij uitereten wil). —, v. a. vermaa. —tely, ad. (-Vet.), lekker; kieseh; keurig; tee- ken; in erfpacht geven. der; net. —tenets, a. teederheid; tijnheid; lekker- Hernias ton (de-mis'sjun), s. ontslas; afdan. held. Delicious (de-lis'sjus), a. —ly, ad. heerlijk, king. —ive, a. —ive/y, ad. onderdanig, gedwee. Democra cy (de.mok're-sih), a. volksregeering. verrukkelijk. - nets, aangenaambeid; genot. —t (dern'o-kret), a. democraat. —tic, —neat. (del-i-gee'sjun), a. verbinding. a. (dem-o-kret'ik.), demoeratisch. Delight (de-Isjt'), R. vermaak; geneugte; verruk- king. —, v. a, verheugen; bekoren; v. n. beha- Desnol ish (de-mol'isj), v. a. afbreken, goo,-en seheppen, genot vinden t iv) .—ful, a. —fully, pen. —isher, a. afbreker, alooper. —ition (demolls'sjun), a. afbreking, stooping. gPnotvol. —fulness, a. vermake- Itikheid; bekoorlijkheid. —some, a. aangenaam. Demon (di'mun), a. booze geest, duivel. Delinen te (de-lin'i-eet), v. a. sehetseu; ant- Demon lac (de-mo'ni-ek), a. bezetene. —Jac, —iacal (dem-un-naj'ikl), —ian, a. duivelach. werpen. —tion (ee'sjun), s. afmaling, schetsing; —ology (di-mun-ol'ud-zjih), a. leer der booze oehetn. —tor, s. sehetser. Deliaquen cy (de-line'kweu-sih), a. vergrijp. geesten. Demonstr able (de-mon'stribl), a. bovijsbaar, —t, a. rehuldig; a. overtreder. leelf.ques ce (del-i-kwes", v. n. smelten; ver- betoogbear. —ably, ad. klaarblijkelijk. —ate (-street), v. a. bewijzen, betoogen. —atson (demvliegen. —cence 1-kwes'sens),s.smelting.vervlie- un-stree'sjun), a. bewijs, betoog. -stive, a. ging. —cent (-kwea'sent), n, smeltend; vervliegend. —ative/y, ad. (-stre- ay.), aanwljzend; betoogend ; Delicate ,, e-larreetl, v. n. Wen, raaskallen. Delhi oars (de-liei-ne), a. ijlhoofdig. —ousneas, klaarblijkelijk. —ator (oak: dem'un-atree-tur), a. betooger; bewijsvoerder. —atory, a. bewij—um, a. ijIhoofdigheid, cond. Deliteseence (del-i-teet'sens), a. teruggetrok- Demoral isation (de•mor-el-i-zeesjun), a. zekenheid. denbederf. —ize (-mor'el-ajz). v. a. zedelocs Deliver, (de liv'ur), v. a. bevriiden; verlossen;

Moet je belastingen op Crypto winsten betalen


On 30 May, 2018, the European Commission adopted its proposal for the next Erasmus programme, with a doubling of the budget to 30 billion euros for the period 2021-2027.[14] Further negotiations were expected to take place during the 2019-2024 European parliamentary term with the European Parliament and the European Council before the final programme is adopted.[15]
OLE.—OPI. 202 Oleaginous (3-1i-ed'zji-nun), a. olieachtig. —nese, niemand. —'a self, zich, zich zelven. — another, elkander. the little —a (wunz), de klelnen. —berry, a. olleachtighead. wolfsbes. —blade. eenblad. —eyed, eenoogig. Oleander (o-li-en'dur), s. oleander. —handed, eenhandig. —sided, eenzijdig. Oleaster (o-li•es'tur), wilde olijthoom. Onelrocritle (un-aj-ro-krink), s. droomuitlegolehant (o-lef'i-ent), a. olievormend. ger. —. —al, a. droomuitleggend. —a, pl. droomOleometer (o-ii-om'i-tar), s. oliemeter. uitlegkunde. Oleic (o'li-ik), a. — acid, oliezuur. Oneness (wun'ness), s. eenheld. Oleraceous (o-le-ree'sjus), a. groenteachtig. °Met (ol-fekt'), v. a. raiken. —ory, a. van den Oner ary (on'ur-e-rih), a. lastdragend; last-. reuk; reuk-; —nerves, reukzenuwen. —ate (-net), v. a. beladen; bezwaren. —ation 0 I 'Walnut. (o-lib'e•nam), s, arabische wierook. (-ee'sjun),s. belading; bezwaring. —088,5. zwaar. 0111 (ol'id), —008, a. stinkend. drukkend, lastig. Oligarch at (ol'i-gaaar-kel), —ical (-gaar'kikl), a. Onion (un'jun), s. ui, ajuin. oligatchisch. —y. a. oliegarchie, regeering van Only (oon'lih), a. eenig, enkel„ —, ad. alleen Ononaatopoea (on-o-met-o-pPe), s. klanknaweinigen. bootsing. Olio (o'lio), s. hutspot; mengelmoee. 011tory (ol'i-tur rih), s. moestuin. —, a. van Onset (on'eet), e. amoral; begin. Onslaught (on'slaot), s. aanval. een' moestuin. —sect, tuinzaad. Oliv eiceous (ol-i,ce'ejus), —aster 1-ves'tnr), a Ontolog let (un-tol'ud-zjist), s. bovennatuurkundige. —y, s. bovennatuurkunde. olij ftleurig. Olive (ol'iv), s. ()IV; olijfboom. —color, °HP, Onward (on'wurd), a. voorwaartsch; gevorderd; kleur. —grove olijfboschje. —husks, pl. olijven- vermeerderd. —, —a (-wurdz), ad. voorwaarts, vooruit. droesem; vetklieren. —oil, olijr-. boomolie. —season, 010 venoogst. —tree, olijfboom. —worm, Onyx (o'flikcs) s. onyx. —fish, onyx-visch. —shell, ' blauwe porseleinschelp. oltifworm. —yard, olijvengaard. Olyrapl ad (o - lim'pi - ed), s. olympiade. —an 0oz e (set'), s. molder, OA; runwater; zijpeling. —e, v. u. doorzijpelen. —iness, s. slijke( en), —c, olympisch. righeid, drabbigheid. y, a. slijkerig, drabblg, Omber (oom'hur), 8, ombre (zeker kaartspel). modderig. Onabrometer ( om-brom'i-tur), s. regenmeter. Opac ate (o-pee'keet), v. a. verduieteren. —ity Omega (o-mt'ge,, a. Omega; einde. (-peelt-t111), s. donkerbeid. —orts, a ondoorOmelet lorn'lit), s. eierkoek, -strait. schijnend, duister. Omen (o'men), a. voorteeken. Opake (o-peek'), a. Zie Opaque. Ortui•ntum lo-men'tum) a. darinnet. Ominous (om'i-nun), a. —ly, ad. voorspellend, Opal (o'pel), 0. opaal. voorspellende Opaque (o-peek') a. ondoorscbijnend, dottier. o,heilspellend. —ness, s.(kwaad-) —nese, s. ondoorschijnend, duisterheid. eigenachap Oiniss1 his (o-mis'aibl), a. sit (wet) te laten. Ope (oop), v. a. & 'n. op'nen. —on (-misrun), a. notating, verzuim. —ve (s-iv). Open (o'pn), a. open; blast; openbear; duidelbk; rondborstig; zacht. — air, opene lucht. —eyed, a. uitlatend; nalatend. waakzaam. —handed, mild. —hearted, openhartig. Omit (o-mit'), v. a. weg-, nalaten, verzuimen. Omni bus (om'nt-bas), s. omnibus.—farious(-fee , - —heartednesa, s. openhartigheid. —mouthed, met ri-us), a. allerlei. —ferous (-nitur-us). a. alien open mond; echreeuwend; gulzig. —, v. a. opeyoortbrengend. —fir (-nit'ik), a. alscheppend. nen; ontsluiten; openbaren; v. n. opengaan; ontluiken. —ing, a. opening; begin. —/y, ad. openlijk. - form (-form), a. van alle gedaanten. —.venous —seas, a. openheid; openhartigheid;duldelijkheid. -nid'Lje-nun), a. allerlei. —parity (-peeit-tih), s. algemeene gelijkheid, —percipient (.pu,siplent), Opera (op'e re), a. opera, zangspel. —basket, voeta. all. waarnemend. —potence (-nip's-tuns), s. zak. —glass, tooneelkljker. —house, sehouwburg. —ble (-ribl), a. doenlijk, —nt (-ent), a. werkend. almacht. --potent ( -nip's-tent), a. almachtlg, al- —te (-reet), v. a. te weeg brengen, bewerken; vermogend; a. (de) Almachtige.—presence(-prez'- ens), s. alomtegenwoordigheid. —present (-pre. , v. n. werken; eene operatie doen, (on, upon). ent), a. alomtegenwoordig. —science (-nispi-ens), —Non (-ree(tsjun),s. werking; onderneming; kunst e. aliretendheid. —acient (-nispi-ent),a.alwetend- bewerking. —tire, a. werkend; s. werkman. —tor (-ree-tur), s. bewerker; heelmeester. heid. —voroug (-niv'o-run), a. alles etend. Opercul ate (o-pur'kjoe-let), a. van een deksel Ousoplate (om'o-pleet), s. schouderblad. Omphril ocele (onete-10•siel), s. navelbreuk. voorzten. —urn (-lam), e. deksel. Operose (op-e-roosi, a. moeielijk, bewerkelijk. —optic (-lop'tik), s. lion, linsglas. —neg.?, s. rnoelelijkheid. On (en), ad. snort; verder. — prp. op; aan; te; in; h t( ; tegen. —and so —, en zoo voorts. —high, 0 phicleide (of'i-klajd), s. ophicleie. toil 01 , Ophl Man (o•fid'i-en), s. slang. —ology omhoog. —, int. voort 1 vooruit 1 verder 1 ud-zjih), s. slangenkunde. Olinger (on'e-dzjur), a. woudezel. Ophite (o'fajt), a. slangensteen. Onanism (o'nen-izm), s. zelfbevlekking. Once (wuns), ad. eons, eenmaal. at —, te ge- Ophthalmia is (op-thel'mik), a. voor de sages; lijt; dadelijk. all at —, plotseling. — more, oog-; — infirmary, hospitaal voor ooglijders. —ic, a. oogmiddel. —y (op'thel-mih), a. oogontsteking. nag sans. One (wan). R. een. —, pr. men; iemand. all —, Opiate (o'pi-et), a. & s. bedwelmend, slaapwekonverechillig. some —, any —, ieinand. no —, kend (nniddel).
ststndard. —nteester, assizer. —merk, stamp. --en, or. w. to size, to assize, to stamp. —er, m. assizer. —ing, v. assizing, stamping. La, v. haste, speed. in alter —, hastily, in a hurry, full speed. IJ1, he. thin, flimsy, loosely woven; raving. —hoofd, thoughtless (giddy-headed) person.—hoofdig, hr. thoughtless, raving, delirious. —hoof(Vgheid, thoughtlessness delirium. I.Il•rt i on.w. to hasten, to hurry,to wander,to rave. bw . hastily. IJp, m. elm, elm-tree. —choose, elm-tree. —en/meek, elm-grove. —enloof, elm-leaves. —elaar, m. Zie IJp. IJ9, o. ice. beslagen ten — bonen, to be armed at all pointa. — barn, path on the ice, slide. —beer, white bear, polar bear. —berg, ice-berg, glacier. —breker, ice-bieaker. —dam, ice-dam. —gang, drift of ice. —beget, Icicle. —keider, ice-house. loud, as cold as ice. —schol, —sehots, flake of ice. —sleds, lica-sledge. —spoor, ice-spur. --vogel, king-fisher, halcyon. —see, icy sea, Frozen Sea. Ocean. 1Jselkik, by. & bw. horrible (-bly), dreadful (.ly), ehoeking (-ly), direful (-ly); extremely. —laid, v. horror, dreadfulness; enormity. IJa,ste, en. zeal, Ailigence; ardor. —seat, jealousy. —sucht,g, by. & bw. jealous (-ly). —oar, m. zealot, stickler. —en, on. w. to be zealoue; to stickle (for, egainst). —ig, by. & bw. zealous (-1y), diligent (-1y), assiduous (-ly), eager (-ly); jealous (-Iy). —igheid, • . zealousness, diligence; fervor. —loos, be. without zeal, indifferent, indolent. —loos/old, v. want of zeal, indifference, indolence. lJzsgtelni, m. grumbler, cross fellow, bully. —mig, be. grumbling, boisterous. ro. glazed frost. —en, Grip. w. het sjxet, the rain falls frozen. IJeteae, on. w. to break the ice; to shudder (van, at), to shiver with hooror. cut iron. gestagen o. iron. gegoten wrought iron. --aside, ferruginous earth. —baan, rail-road. —drood, iron-wire, —seta, iron-ore. Pieter, iron-founder. —gieterij, ironfoundery. —grouter, iron-gray. —handel, irontrade. —hard, as hard i.e iron. —hoot, iron-wood. —hut, forge. —Moor, iron-gray color. —kleurig, iron-colored, -gray. --took, water. —kooper,—kramer, iron-monger. — kraarn, iron-monger's stall; iron-ware. —kruid, vervain. —magasion, ironwarehouse. —main, iron-mine. — proef iron-test, fire•ordeal; touch. —pletterij, iron-mill. —roost, rust of iron, —sehnim, dross of iron. —slag, scales (dross) of iron. —stnederij„ forge. —*metterij, iron-foundery. —snot, —vlek, iron-mould. Iron-stain —amid, blackonnith. —steel, iron, as strong as iron. —varken, hedge-hog, urchin. —vOlsel, filings of iron. —eitriool s ferruginous vitriol, —reeler, bully, hector. —scarce, ironwares. —week, iron.work.—winkeLileon-monger's shop. —achtig, by. ferruginous. —en, by. iron. —s, a. me. Ovalle, fetters 1.141g, by. bw. dreadful (-ly), appalling. v. breaking the ice; shudder, shivering. —wekkend,zie IJaig.
—er, m. workman, laborer. —star, v. work-woman. —.am, by. dz bw. laborious (-1y), industrious (-1Y).—saantheid, v. laboriousness. Archlef, o. repository of public records; archives. Architect, m. architect, Artialwarin3, in. archivist. Ardnin, sus. o. free-stone. Arend, m. eagle. —ablik, eagle's eye. —Alai., pounce of an eagle. —anus, aquiline nose. —sateen eagle-stone. —avlucht,an eagle's swiftness. A rgdenkserld, by. suspicious. Argoloos, by. & bw, innocent (Ay), harmless (-ly), inoffensive (-ly). —Ilea, v. harmlessness, inoffensiveness. Argilut, a. malice, craft, artifice. ba, & hat. crafty (-1y), artful (-ly), cunning (-ly). v. craftiness, cunning. Alm wenn. m. ertapicion, umbrage; — ',cedes, to suspect. —wanen, ov. w. to suspect. —wsnend, —wanly, h't. 'suspicious. Aria, v. air. Ark,, v. ark, de — dee verbonde, the ark of the covenant. Arm, m. arm; branch, LAndle; power. —.oder, bracltial vein. —band, bracelet; bandage. —baker, sconce, branched candle-stick. —kussen elbowio n. arm bone, facile. —ring, bracelet. ch us,thir. —scheen, armlet. —enact, bracelet. —doe!, armAran, by. & bw. poor (-1y), indigent (-1y). he --err, the poor. —beetusir, college of overseers of the poor, board of charity. —bus, alms-basket.poor'sbox. —hartig, tie A rsumnlig. —huts, alms-house. asylum for the poor. — , Iciajongen, charity-boy. —kind, c herb y-child. —nteester,—ocreorger, almoner, deacon, guardian. —tuezen, system of the poor-laws. —salty, by. & bw. pitiful (-1y) sorry (-ily). —enapotheek, dispense: y.—entelasting.—engeld, poor-rate, tax for the poor. —enka., fund for the poor. —ensch oot, charity-school. —enwet, poor-law. Arznalijk, bw. poorly, pitifully. Armload a, a, poverty, want, need. —ig, by. & a. poverty, et dhy(l-ii little o—ighhars. ei'1' (-je,)'on.le) tlty).one r — p bowOr pn oe sos. Arszlogin, o. aersenet. Arran, on. w. to sleigh-ride. Arrest, o. arrest; seizure; decision. in — nensen, to take into custody. —ant, m. prisoner. —eeren., ov. w. to arrest, to seize, to take into custody; to rassolve. Ares-nand, o. arsenal. Artikell, o. srtiele, head, clause; line. —brief, instructions, 'statutes. Artillar le, V. artillery, ordnance; lichte —, tying artillery; rijdesde horse-artillery; -.kunst, gunnery; —wester, master of the ordnance; —.park, park of artillery. —tat, m, artillery-man. Artisjok, v. artichoke. —stoat, bottom of an artichoke. nois y m. physician, doctor. Arteenki, v. physic, medicine. —bereider, apothecary. —bereiding, pharmacy. —bereidingskunst, pharmaceutics. —drank, potion, —leinke/, spathecary'a shop.

Is Bitcoin gesteund door iets


AL1.--ALV. 9 (e-lajt'), v. n. nederdalen (on); afatappen Maur e T. a. verlokken. s. (at); uitstijgen Orom). aanloksel. —er, a. verlokker. —ing, a. —ingly, Alike (e-lajkl, ad. gelijk. ad. aanlokkelijk. Alimen4 (el'i-ment), a. voedsel. Allu sion (el.1;oe'zjun), a. zinspeling (to). —sive, Alien 4 al (-men'tel), a. voedzaam. —ary, a. —sort', a. —nicely, ad. zinspelend. voedend. s. verpleegde. —ation (-tee'sjun), 8. Alin vial (el-ljoe'vi-el), a. aangeslibd. —visa voeding; verpleging. (-v;un), a. aanslibbing. aangealtbde grond. Alitnany (el'irinun-nih), a. onderhoud. Ally (el-lay) s. bondgenoot; aanverwant. —, v. a. Alive (e-lajv'), a. in Leven; levendig; (to) geverbinden (with); veewant molten (to). voelig roar, the best man —, de beste man ter Altnanne (aol'me-nek), a. almanak. wereld. Almight iness (aol-maj'a um), a. almacht. Alkal 1 (el'ke-li), a. loogzout. —in (-lin), a. ala. almachtig; a. (The) he Almachtige. kalisch. Almond (a'inund), a. amandel. —s, a. keelklieAli (aol), a. & ad. al, geheel. by — means, in ren leder geval. — at once, — of a sudden. eensklaps. Almon en (eProun-nur), a. aalinoezenier. —ry, — the better, den te beter. — over, geheel en al. s. sal moezeniershuis. § — overish, ad. zoo zoo; each goed nosh alecht, Almost (aormoost), ad. bijna. § — fired, ad. in hooge mate. — fools-day, err- Aims (aaniz), s. aalmoea. —box, armbue. —deed, ate April, on — fours, op handen en voeten. liefdegift. —giving, het geven van aalmoezen. — hail, weed gegroet. — hallows, — saints-day, —house, armbuis. Allerheiligen, § — sorts of, uitstekend. — souls- Alnage (el'nidzj), a. ellemaat. —r, a. el-ijker; day, Allerzielen. § — standing, ad. op staande lakenmeter. voet. § —winsome, a. aangenaatn. a. geheel, Aloe (el'o), s. aloè. alien. once for —, eens voor al. after —, ten Aloft (e-loft"). ad. & pip. in de hoogte, boven. laatate. not at —, in 't geheel niet. — one, vol. Alone (e-loon'), a. & ad. alleen, eenzaam, enkel. mania hetzelfde. when — comes to —, op stuk let me —, mat mil met runt. van taken. — covet —lose, die het onderate uit Along (e-long'), ad. langs. — with, met. all — de kan wil hebben, enz. beatendtg. — side, lenge booed. Allay (el-lee"), v. a. verzachten, temperen. Aloof (eloef'), ad. op ten' afstaud (from). Allegation (el-li-gee'sjun), 8. aanhaling;bewering. Alose (e-looz'i, a. elft. Allege (el-edzj"), v. a. aanhalen; beweren. —able, Aloud (e land'), ad. overlaid. a. aanvoerbaar. Alphabet (elle-bet), 8. alphabet. Allegiance (el-li'dzjens), s. getrouwheid. Alphabetic (el-fe-bet'ik), —al, a, —ally, ad. alAllegoric (el-le-gor'ik), —al, a. —ally. ad . zinphabetiach. nebeeldig. Alpine (el'pin), a. alpisch; hoog. Allevia te (el-li'vl-eet), v. a. verzachten. —lion Already (aol-red'ili), ad. reed.. (-ee'sjun), 8. verzachting. —tive (-e-tiv), a. nor- Also (aol'ao', ad. inegelijke, ook. znchtend. Altar (Koller). a. tattier. —cloth, altaarkleed. Alley (erlih), a. eteeg; lawn; § knikker. altaarechilderij. —age, a. opbrenget van Alliance (el-laj'ens), s. bondgenootachap; aanhet altaar. verwantschap. Alter (aol'tur), v. a. & n. veranderen (from—tot. Alliga te (erli-geet), v. a. verbinden. —tion —able, a. veranderlijk. —atioa (-ee'sjun), a. ver(-gee'sjun), a. verbinding. —tor, a. kaaiman. andering. —alive, a. veranderend. Allislon (el-liz'zjun), s. botaing. Alterca te lePtur-keet), v. n. twisten, krakeeAlliteration (el-lit-ur-ee'sjun), s. letterspeling. len. —tion (kee'djun), a. brakeel. Allocation (el-lo-kee'sjun,, a. bijvoeging; atin- Altern ate (el-tur'net), a. afwisselend, wederwijzing tot battling; goedkeuring; teruggave. zijdsch; a. afwieseling. —ate (-neet), v. a. & n, atAllocution (el-lo-kjoe'ejun), a. toespraak. wisselen. —ately, ad. beurt om beurt. —ation Allodial (el-lo'di-el), a. onleenroerig. (-nee'sjun), a. afwisseling. —atiee (-ne. tin), a. keue; Allopathic (el-lo-peth'ik), a. allopathisch. a. beurtelingech, afwieselend. —atively, ad. hij Allopath 1st a. allopaath. -y hearten. (-thlh), a. gewone geneesvvijze, allopathic. Although (aol-tho'), conj. ofsehoon. Allot v. a. uitdeelen, toekennen. —meat, Altiloquence (el-til'o-kwens), s. hoogdravends. lot; aandeel; uitdeeling. § —, v. n. (upon) het held. voornemen opvatten. Altime ter (el-tim'i.tur), a. boogtemeter. —try, Allow (el-lau'i, v. a. vergunnen; bewilligen; era. hoogtemet;ng. kennen; billijken, (of); wijden; aftrekken; § den- Allison ant (el-tis'o-nent), —sus, a. hoogken, meenen. —able, a. geoorloofd. —ance, a. klinkend. vergunning; toestemming; oogluiking; korting; Altitude (erti-tjoed), a. boogie, verhevenheid. salaris. Altogether (aol-to-getiOur), ad. geheel; gezaAlloy a. allooi, gehalte. —, v. a. alloyeemenlijk. ren, mengelen. —age, a. alloyeering. Aludel (erjoe-del), a. sublimeervat. Allspice (aol'apajs), a. Jamaica peper. Alum (el'um), a. aluin. —salt, eteenzout. —stone, Allude (el-ljoed'), v. n. (to) zinspelen op. n. aluinachaluinsteen. —inous Allutnin ate ((el-ljoe'mi-neat), —e (-min), v. a. tig. —inum (e-ljoe'mi-nium), 8. aluminium. rust kleureg atletten. Alveary (ervi-e-rih), s. bijenkorf; oorholte, Alight
DIS—.D1S. Disconsolate (dis-con'so-leet), a. —ly, ad. mistroostig, troosteloos. —ness, s. troosteloosheid. Discontent (dis-kun-tent'), —ed, a. —edly, ad. misnoegd, ontevreden. —ment, e. misnoegen. —edness, 3. misnoegdheid. —, v. a. misnoegd (ontevreden) maken. Disconti nuance (dis-ken-tin'joe-ens),—nuation (•ee'sjun), s. ophouding, afbreking. —nue (-joe), v. a. staken; v. n. ophonden. —nuer, s. sinker, afbreker. —unity (-njoe'it-tih), s. atbreking. Discord (dis'kord), s. tweedracht; wangeluid. —, v. n. niet overeenstemmen (with). Discordan ce (dis-kor'dens). —cy, s. oneenigheid, wanklank. —t, a. —tly, ad. oneenig, wanluidend. Discount (dis-kaaunt"), a. korting; dieconto. —, v. a. korten; diseonteeren. —enance (-te-nene),.• koele bejegening; v. a. ontmoedigen; uit het veld elaan; misbillijken. —enancer, s. ontmoediger. Discourage (dis-kur'idzj), v. a. ontmoedigen, afechrikken. —ment, s. ontmoediging. —r, s. ontmoediger. Discourse (dis-koors'), s. gesprek, redevoering; verhandeling. —, v. a. bespreken; verhandelen; v. n. redekavelen, —r, e. spreker, redenaar. Disc:our teous Idi.kueti-us), a. —teously, ad. onbelee'td. —tesy (-to-eih), a. onbeleefdheid. Discous (dis'kus), a. breed: schrijfvormig. Discover (dis•kuv'ur), v. a. ontdekken, openbaren. —able, a. ontdekbaar; zichtbaar. —er, s. ontdekker; verkenner. —y, a. ontdekking, openhaarmaking. Discredit oneer; kwade reuk. —, v. a. in minachting brengen; mistrouwen. —able, a. onteerend. Discreet idict.krieV), a. —/y,crad. bescheiden. —nen, s. bescheidenheid. Discrepan ce (dis'kre-pens), s. verschil; tegenstr•digheid. —t, a. (f, om) verschillend, tegenstrijdig. Discret e (dis-kriet'), a. afgescheiden. —ive, a atzonderend. Discretion (dis-kres'sjun), s. bescheidenheid; voorzichtigheid; goedvinden. to surrender at —, rich op genade overgeven. it is at your—, gij zijt er meester van. years of —, jaren des onderscheids. —al, —aril, a. onbepaald. Discrimin able (die•krim'i•nibl),a. onderscheidbear. —ate (-net), a. —ately, ad. onderecheiden, duidelijk. —ale (-nests, v. a. scheiden, onderscheiden. —ation (•nee'sjun), s. onderscheiding. —clays (-ne•tiv), a. onderseheidend. Discrown (dis-kraaun"). v. a. de kroon ontnemen. DIscuipate ∎ dis-kuPpeet,, v. a. rechtvaardigen. Discninbeney (dis-kum'ben-eih), s. nederligging. Discumber (dis•kum'bur), v. a, bevrtjden, ontlasten. Discursion, (dis-kur'sjunl, R. rondzwerving; betoog. —ive, a —ively, ad. vluchtig, ongestadig, bondig, betoogend. — ory, a. beredeneerd. Discuss (dis-kus'), v. a. onderzoeken, uitpluizen; beredeneeren. —er, a. redeneerder. —ion (-sjun), s. beraadslagend onderzosk. —ire, a. verdrijvend, ontbindend.
487 —er,'tn. Importer; pawn-broker. —ihp,v. importation; allegation. —ster, v. female pawn broker. Inbreuk, v. infraction, infringement, transgression, encroachment. — maken op, to infringe upon, to transgress, to encroach upon. Itahrokketem, Inbroliken, ov. w. to break into; to 1040 successively. Inhruln, bv. dark-brown. Iea lortsisen, on w. to rush into. Enbutg en, or. w. to bend inward, to inflect. —leg, v. bending inward, inflection, Ince..eine en, or. w• to collect. —ing, v. collection. Inconsequent, by. & be. inconsoquent (-ly), inconsistent with one 's salt. —ie, v. loconsequense, inconsistence. Indschtig, by. mindful (aan, of). Thaken, to put in mind of. tinting en, ov. w. to summon, to cite. —er, m. summoner. —ing, v. summons. Indarona en, or. w. to dam up. to embank. —ing, v. embankments Indelven, ov. w. to dig into. Indeuken, or. w. to consider. Intrierd wad, bw. indeed, really. Indian, rw. if, in case. ludiets an, ov. w. to deliver in, to present. —ing, v. delivery, presentation. Indigo, v. indigo. indUk en, ov. w. to dike, to embank. —ing, diking, embankment. Indoen, or. w. to put (to get) in, — into, Indonapel en, or. w. to plunge into., to immerge. --ing, v. immersion. Indoop en, or. w. to turn (to twist, to screw) t. w. to intrude. Into; zich Indragen, ov. w. to carry into. Inds...wen, or. w. to enter trotting, — at a trot. IndrUv en, ov. w. to drive i to force) In, — into; to emboss, to enchase; to float into. —ing, v. driving (forcing) in; floating in. Indrillen, ov. w. to pierce. IndrIng en, or. 'or. to push (to mar, to force) in, — into; on w. to penetrate; (op) to press; each t. w. to intrude. —end, by. intrusive. —er, m. —.ter, v. Intruder. —ing, v. penetration; intrusion. IndrInken, or. w. to s callow, to such in. Intirog en, on. w. to shrink in, to dry in, up. —mg , v, drying in, — up, desiccation Indroog, hi. very dry. Indrutpen, on. w. to drop (to trickle) in, — into. Indrultien, on w. to ru'h into. Indruk, m. impression. —ken, ov. w. to press in, w into; to impress, to imprint, to inculcate. —king, v. pressing in, impression. —set, o. stamp, impression. Indruppelen, or. & on. w. to drop in, —Into, to instill. Induiken, ov. & on. w. to plunge (to dip) in, — into; to draw much water. Indewen, ov. w. to push in, — into, to bend inward. Ineen, bw. together, into one another. —groeien, on. w. to grow together. —krimpen, on w. to shrink, to writhe. —Zoom*, on. w. to meet
M M.— Da U T pelen. -Cr, 0. vermomae. —try, a. vermomming, filusesiass (tojoe-sl'uni),s. museum. rettekerade. —ify (-rni-faj), v . a. inbalseraen, als Mushroom (musj'roem), a. paddenstoel; :parVenn. muraie bewares. —y, a. mimic; entwas; to beat Music (mjoe'zik), a. muziek; toonkunst. —master, to a —, boot en blauw slaan. muslekmeester.—pen,muzlektrekpen. —room, eonMunn, (mump'), a. knabbelen; mompelen; bade—shell, Eotenschelp. —stand, muzieklescertzaal. klaplooper, bedelaar. s. —er, len; bedriegen. settaar. —al, a. —ally, ad. (-zik1-1, muzikaal, wel—er's-hall, bedetaarsherberg. —ing, a. bedelaaasluldend. —alness,s.welluidendheid.—ian (-sisj'en), list. —lab, a. gemelijk, morrend• -8, pl. geniea. toonkunatenaar. lijkheid, kw ade ham; klier-, keelgezwel. Musing (mjoez'ieng), s. gepeins, mijmering. Munch (muntsj), v. a. & n. guizig eten. (-dik), Musk (musk', a. nauskua; muskusdier. —apple, Mund ane (mun'deen;„ a. wereldseh. muskadel appel. —ball, muskusballetje. —bearer, a. zwavelkies. mueksarot. —cabbage, bIsamkool. —cat, eivetkat. Mitandif bent lois (mun-dif-i-kee'ejtie), a. reini—cherry, muskadel-kers. —melon, muskus-meloen. - icative (-di?%-ke •tiv), a. & a. reinigend —pear, muska.del-peer. —quash, muskusbever. (miattel). —y (mun'tli-fajl, v. a. reiuigen. —rose, mueltusroos. —seed, bisamkerrels. —iness Mundivagant (mus-div'e-gent), a. door de we(-1.near), s. musk u,geur. —y, a. artskusaehtig. reld zwervend. Mundungass (nittn•dun'gus), a, knief, stinkende Musket (mus'kit), a. musket, anaphaan. —ball, geweerkogel. —basket,echanskorf. —proof ,kogelvx ,.3. tabak. a. musketier, —shot, geweereehot. —eer Muneratry (injoe-ne're-rih), a. als een gemehenk. —oon (-oen'), a. moaketon. Municipal (mjoe-nis'i-pel), a. gemeentelijke, gemeente-, —ity (-pel'it-tilt), s. gerneente; gerneen- Muslin muz'lin), a. mousseline, neteldoek. —, a. s. grofneteldoek. —et (-eV), van neteldoek. tebestuur. Munilicen ce (injoe•niri-aens), a. milddadigheid. §fiasistillash (rnua'kwosj), a muskusrat, -bever. usrol (rnuz'rool), a. neusriem. —t, a. —tly, ad. milddadig. Muni ntent (mjoe"tri-ment), a. 'aterkte, vesting; Muss (muss), a, gegrabbel, wanorde. vent edigin g; oorkonde. —lion (-nisrun),s.sterkte, Mussel (m_us'sl), a. mussel. (mus"aul- men), s. Muselman. vesting; krijgsvoorraad; —bread, kommiesbrood. M 111.14 91 Mur age (atjoe'ridzi), a. muurgeld. —at, a. van Must (must), a. moat. —, v. a. doen besehimmelen; v. n. besebimmelen. eon' muur-; —crown. muurkroon. Murder (nter'dur), .s. sword. —, v. a, vermoorden. Must (must) [must], v. n, moeten. —er, a. moordesaar. —ess, s. rnoordenaarster. Mustach e (mus-taasji, —io (-i-o), a. knevel, —owl, a. —ously, ad. moorddaaig. Muse (ntjoer), a. muur. —, v. a. bemuren; (up) toe- § Mustang (mus'teng), a. wild paard. (rnueturd), a. mosterd. —pot, mosme tselen. terapot. —seed, mosterdsaad. ► uri ate (mjoe'ri-et), a. zoutzuur tout. —atic (-et'ill), a. zoutzuur be atttend; acid, zout•uur. Mustee (mus - tie'), a. treaties. —form, R. ateenachtig. —ne (-gin), a. muisaebtig; Muster (mus'tur), a. monstering; monsterrol; troop. to pass —, gemonsterd warden; goad doormuizen-. komen, geduld warden. --, v. a. monsteren; Murk ;murk'), duisternis. —y,a.dosker,somber. (up) verzamelen; v. n. zich versamelen. —book, Murmur (mur'mute, . gemurmel; gemor. —, v. n. —roll, monaterrol. —maater, k•ijga-kommissaris. tritirmelen; morren (at. against,. —er, s. morder. besehimmeldheid, —ing , s. gam°, —ingly, ad. marrend. -ass, a. Must Ines ;Iniveti - ness), s, mu fheid. —ily, ad. —y, a. besebimmed, mad, gemor verwekkm)d vunzig; log, loom. Murnived Itniteni-vel, ► , a. vier gelijke kaarten. a Mutat his mjoe'tibl), a. veranderlijk, oubesten— of aces, vier stun. —bleness, a. veran-bility Murrain (rauerin), s. veepeat. a — take you, de derlijkheid, onbestendigheid. — iron ( - tse'sJun), drommel host je. a. verandering. Murr e (flour'), s. alk, (snort van) pans. —ey ad. aprakelooa; zwijgend. —1y, (mjoet'), a. a. donke) rood. —ion (-jun), a. Zie Mor!on. —y- Mute —, a. stomme; figurant; atoms. letter; toon• bird, tie Murze. demper; drek (van vogels). drek loners Murth (murth), Ft. overvloed; ruim besehot (van (van 'vogels). —ness, a. sprakeloosbeid; stilgrain). zwitigen. Muscat del (mus'ke-del), —dine (-dajn), —t (-bet), Muttta to (mjoe'ti-leet), v. a. verminken. --tion —tel, H. muakadel (peer en druif;;muekaatwijn. klee'sjun), a. verminking. —/or, a. verminker. Muscle (mus's11, a. NPier , m... 1 Mutineer (mjoe-ti•nier 1, a. rnuiteling. Muscosity (rous - koett - tah), a. movsighead„ a. —ously, ad. opro Muscovado (mus-ko-vee'do), s. ongeraffineerde Martin, ous (mjoe'tt-nus), rig. 2-ousnese, a. oproerigheid. —y, s. muiterij; sulker. opstand. —y. v. n. molten. Muscul air (mus'kjoe-ler), a. gespierd; spier-. v. a. & n. gemompel. —arity (-ler'it-tih), a. gespierdbeid. —ous, a. Mutter (mut'tur), a. elaar; mormorape,len, grommen. —er, s. mOmp spieraehtig; gespierd. her. —zngly, ad. mompelend. Merge (njoez'), a. muse; gepeins, nAjmering. Mutton (mut'tn),s.sehaapAchapen , leeseb.. — chop , v. a. overpeinzen; v. n. to.- up.) Peinzen; seltapenrib. —fist, dikke. grove vuiat. head, dom ren. —ful, a, peinzeut, miimerend. —r, a. painter, hop. nitj m era fir.

Wat is Crypto trading bot


SAN.—SA.V. —fastener, keen. —storm, zandhoos. —atvallow,oaverzwainw. veusterboom. —buckle, eeintuur•gegp. rattalbaag. —walk, zandweg. —wort, zandkruid. —, v. a. met raamalot. —knob, reamknou. —saw, sand b.trooten, op het zand zetten. —window, schuifraam. Sanda 1 (ken'den. 8. sandaal, voetzool; — wood Sassafras (ses'ne-tree), s. sassafras. Satan (see'ten), 8. satan. — ic, — ical, a. — ically, sandelhout — rack ( - de-relcf, a. sandrak. 262
404 Bement en, ov. w. to mast. —ivy, v. meeting; — wonem, to live on the ground-floor. dat is — n,ij, that is on low for me. — den wind. leeward. ma4te. Hamer; bear, be. perceiyaide, observable, — bear, ground•fioo•neltehhor. — einde, lower —en, ov. w. to perceive, to remark, to observe, ena. —hate, ground-floor. — lamer, lower room. to diecover. —Say, v. percept,m, obAervatton, —rood, earth, world. —clad, lower town. — ate, thisensfery, notice taken, by lowest:, undermost. — waarts, boa. downBetneat en, ov. w. to manure, to dung. —ing, wards. 110214.1iVitilli, M. benedictine. v. !canoeing. tater, m. mediator, intercessor, in Besniedkj.tos, on. w. to Wiese. de gebenedijde ',Voogd, the ble , sed Virgin. teepooer. — aarster, snediatrems,mediatrix. —4, by. to easy circumstances, at eaee, warm, well- Ilten2enaster, v. Zie Benemer, to-do, kunst/11,CA. ov. w. to niediete, to fiesseemen, or. w. to deny, to say no to. accomarniate, to come.% to settle. —ivy, v. 11,404111 en, no. w. to deprive ot, to take away toodi3tiou, accommodation, interces,,ion. from. --er, m. deprive, — icy, v. privation. Ileniauct, by. to , ed. beloved. —e, rn. & v. lover, deprivation„ sweetheart, mistress, lady, spouse. licirepen, be. pinched, straitened, perplexed, Heiman Mk, be, & bw,, lovely (-sly), amiable dtatreeeed. —beid, v. straits perplexitylijkheid, v. ioneline,, amiableness. Bessevell d, be. cloudy, foggy, nosy, dim. —en, --nen.. or. w to love, to cherish, to be food of or. w. to cloud, to darken, to dtm, to fuddle. — ing, v. clouding; cloudiness, darkneea. —ne,,e,aurdigr. by. Zie IleanLalkjk. — nenswaar dig ,keid„ v. Zie LienciniUfah,id. —.sr, irs Benevens, vz. besides, together with. Flettgel, cc. bell; naughty boy, sirrah, reacal, lover; amateur. Ben...101er en, ov. w. to bemire, to bedaggla. blackguard. —braid, mercury. — en, ov. w. to ring the bell). —mg, v. bemiring, sijn, to be desirous —, Rousysettig er,ae, ov. w. to encourage, to animate. B.E11411121V d, dw. anxious —, longing (to know, to hear, to see). —icy, v. encour,gement, animation. Benstael at., na. & v.. bury body, do-all, med. —ea ono. sr. het cal — cif, I long to know (I woryier) rinether. dler. — en (zieh), t. w. to ins.ddie (wIth). v. meddling; trouble, etiort. — lkiken, ov. w. to Bentitt en, err. w. to envy, to grudge, to be jealous of —ensamardig, be. enviable. — er, thwart, to cr.., to hinder. — eel, o. bueiness. b-fiat cliff. —ster, v. en tier, envious person. BensuK, m. b flat_ w. to pinch, to squeeze. lienstareven,ov. w to moil, to dirty. illess,ions bear, hv. appointable. — en, no. w. to 111emtest, name, to denominate; to appoint, to nominate. Ben:Asir eon, ov. w. to wall. —tag, v. walling. — er, m. appointer. nominator. --ling, v. denoiniBen, v. basket, scuttle, lienanie., no. w. to sew for. met 6e.c.ssehen en noting; appointment, nomination; --abrief, letter of appointment, diploma. won , ing and sewl ng imcluded. (Wieir), t. w. to plod, to ply, litentstsdiligd, by. wanted, required, necessary, Bessearalig welt — lay, a. close — Ain, to want, to stand in need of. to apply (to exert) 04. rev. necessaries. application, assid,ity. liessotsrelen, vz. on the north side of. neion , estieut, or. w. Zie Netat4ess. lienadreol sess, ay. vv. to wrong, to barm, to Bent, a company, band; corporation, academy. wronger, injurer. — leas, badge of a corporation, —naam, se:OmInjure, to prejudice. —er, kid name, —roye/, member of a corporation. -rag, v. harm-doing, prejudice. kwvt zips, to Benhder en, no. w. to eel., to confiscate; to Beunl, o. conscrou,cess. zijn fr:elaute; Adoption.; approxi- • tan, not to have lost one's wits. peen — fieriest adopt. —bay, v under-tand. *-nation. Beeefen ear, m. student, practitioner. — en, isteinansisig, v. name, denomination, ov. to study., to cultivate; to exercise, to n v. puzzled, perplexed; embareaseed, difficult, etraisenee. —neid, v. perplexity, em- profess, to follow, to practise. --3nd, be. pracbecra,snient„ difficulty, strait. tined. —ing, v, study, cultivation, cultcre; praclienergen, on. w. to puzzle, to embarrasses; to the. Nicol Cilia, no. w. to oil. ', trailers, to put to the lost shift. nctinatliN ci f hv. & bw. narrow (•IY), close (-1y); lieziog sax, .ov. w. to have in view, to aim at. v, aim, Intention, design. sultry, oppressive (Ay.; abort-iireath,d, asthmatic; sort,O.et.ed, trouble -t; bard; afraid, Bermordes► ietee, na. judge, critic. —en, ov. w. to uneasy, anxious (-1y); — waken, to frighten, to jedga, Its criticise. —tny, a. judgment, criticism. terrify. —dheid. v ortirowoes, c!oneness; sot- ilite..ring en, no. w. to make war upon, to wage was against. --inn, v• waging war adunet• trine.; asthma; straits, hardship, oppressiou; unessiness, anxiety. --en, on. w. to oppreRre; to Illeotistsii,yz. on thereon ride of. straiten. to distress, to vex, to banana; to make Depersati, be. & bw. determined, determinate v. oppressolon. (-13), fixed, definite (-3y), povitive (-ly). — heid,v. --ins), oppressor, anxious. —er, de, erminatenees, defini Armee, posStiv eness. it,nthe, v. bond, troop, Lady. gang, Repel en, no. w, t ,. empale, to prop, to limit, elee,e,desa, ha, below, down, down stairs. Y.. under, underneath. naar — , clown, down to bound; to fix, to appoint; to determine, to t. w. (tot) to limit define; to stipulate; zien stairs, ran int.. none —, from top to bottom.
a. & n. kosten. s, zekere appelsoort; kop. monger, fruttventer. Costive (kos'tiv), a. hardlijvig; verstoppend. —ness, a. berdlijvigheid. Costmary (koseme rib), s. reinvaren, wormvaren. Cot, t u me (kus-ljoem'), s. kleederdracht, gewatul. Cot (kot'), s. hut; kot; vingerling: hangmat; wieg; Mettle boot. —land, land WO eene hut. —quean, Jan hen. —'s wold (-would), sehaaps• —
Factotum (fek-to'ttl ►n), a. doe-al, albedril. Faculty, (feleul-tib), s. vermogen; eigenschap; bevoegdheid; faculteit. Fecund (tek'und), a. welbespraakt. —ity (fe-kun' dit-tih), s. welbespraaktheid. Faille (ted'd1), v. n. beuzelen. Fade (feed), v. a. doen verwelken (kwijnen); afmatten; v. n. verwelken; kwijnen, verdwijmen, (away). Fade (fedzj), v. n. passen, voegen; overeenstemmen. Fading (fee'dieng), a. verwelkend; versehietend; vergankeltik. —ness, a. verganletijItheit:. Jag (feg'), a. slover; zondebok; knobbel (in liken). v. a. aandrijven zelfkant; uitschot. (met slagen); v. rt. zwoegen; zieh afeloven. Fagot (feg'ut), a. takkenbos, rijstbos; lorrendrnaier. —, v. a. in bossen hiuden. Fail (feel'), a. fell, font; gemis; verzuim; dood. without zonder mankeeren. —, v. a, begeven, verlaten, in den ateek laten; teleurstellen; v. n. falen, misdoen, te kort schieten, (in); in gebreke bliiven (to); vervallen; ophorden; bankroet gaan. — inf,, a. font, gebrek; (het) bankroet gaan. —ure ( joer) gebrek; verzuim; mialukking; bankroet. Fain (fen), a. blij, verheugd. —, ad. gaarne. Faint (feent'), a. —ly, ad. zwak, mat; moedelooa. —hearted, fla ► whartig. —heartedness, a. flauwv, a. ontmoedigen; v. n. kwijnen; hartlFhel a. —inglfit. ilauwte. —ish, a. bezwijmen. flauw-, zwakachtig. —/ing, a. vreesachtig, —ness, a. matheid, flauwheld. —y, a. zwak, kwijnend. Fair (leer'), a. —ly, ad. achoon, haat; helder; blond; zuiver; gunstig; billtlk; eerlijk; oprecht; gemakkelek; wellevend; minzaam. bedaard;bevallig; gedienatig; beleefd; in goede veratandhouding. —and squarre, ronduit. —and softly, zachtjea aan. to bid —, de hoop geven. to copy —, in het net overschrijven. to keep —, vrlendachap houden. to play —, eeritik te week gaan. to stand —, gunstig staan; trouw blijven. —colored, licht van kleur. -econditioned,goedhartig.—dealing, emit*. held, opechtheid. —play, est./0k spel. § —shake, goede negotia. —spoken, beleefd, innemend, lief. Fair (fate'), a. kermis; (eene) echoone. the —, he, achoone geslaeht.—iag, s. kermisgeschenk. —ish, a. net , lief; tamelijk. —ness, a. fraaiheid; eerigkheid, Fairy (fee'rlh), a. fee-achtig. e. fee, toovernimf. —land, land der toovergodinnen. —like, tooverachtig. Faith (feeth'), a. geloof; geloofsartikeli vertrouwen; trouw; oprechtheld —, int. op Mijn wooed! waarlillt! —breach, trouwbreuk. —tut, a. —fully, ad. geloovig; trouw. —fianess, a. getrouwheid. —less, a. trouweloos. —lessness, s.trouweloosheid. Fake (leek), s. slag van een opgeschoten touw, catch —, klink. Falco te (fel'keet), — ted, a. sikkelvormig. —tion (-kee'sjun), a. kromte. Falchion (faorejun), a. kromme sabel. Falciforsn (fend-form), a. sikkelvormig. (fao'kn). a. vatic. —, —et (faol'kttn.net), a. felconet (zeker gese hut). —er,, s. valkenier. —ry,

DEJ.—DEM. o Deject (de-dzjekt'), v. a. neerslachtlg maken; be- Deluge (del'joedzj), a. zondvloed; overstrooming. —edly, ad.neerslachtig, bedrukt. —, v. a. everatroomen. droeven. —ednets, —ion (-dzjek'sjun), a. bedruktheid; stool- Dein/ sion (de-ljoezjun),1 a. begoocheling; begang. —ory, a. stoelgang bevorderend. —ure drog. —sive, —sort', a. misleidend, bedriegelijk; hersenschimmig. s. uitwerpsel. Delve (delv), v. a. & n. delven, graven; uitvorschen. Dclapse (de-leps',„ v. n. afvallen; afglijden. Delat e (de-leer'), v. A. aanklagen, verklikken. Demagogue (dem'e-gog), a. volksmenner. —ion 1-lee'sjun), a. aanl:lacht,aanbrenglng. —or, Demain (de•meenl, a. domein, vast goad. Demand (de-maand'), a. each; vraag, on —, op a. verklikker. —ory, a. aanllagend. vertoon. —, v. a. eiochen; vragen. —able, a. Delay (ee-lee'), a. uitstel; oponthoud. —, v. a. eischbaar. —ant, a. eischer. —er, a. vrager; mauitstellen; ophouden; verhinderen; v. n. dralen, nor. talmen. —er, s. uitsteller. Dennarcatton (di-mer-keo'sjun(, a. grenslijn. Debbie (deribl)., a uitwischbaar. Delecta e Ide-ickt'ibl), a. —lily, ad. aange- Demean, Demesne (de-mien'), s. Zie Demain. nem, verukkelijk. —biene8s,s. verrukkelijkheid. Demean (de-mien'), v. a vernederen, verlegen. —tion (del-ek-tee'sjun), s. genot. — one's self, zich gedragen. —or, a. houding; Delega to (del'e-geet).. a. afgevaardigd. —, a. gedrag. argevaardigde. —, v. a. evaardigen; opdragen. Demen cy (di'men-sih), a. krankzinnigheid; —tion Igee'sjun), a. afvaardtging; lastgeving; waanzin. —tate (de-men'tet), —ted, a. waanzinoverdracht; (de) afgevaardigden. nig. —tate (de-men'teet), v. a. kraukzinnig maDele to (de-liet"), v. a uitwieschen. —terious keu. —tation (-tee'sjun), a. krankzinnigmaking. (del-e-Wri-us), a. vernielend; doodelijk. —tins Demerit (de-mer'it)., s. (het) laakbare, °flyerdienstelijke. —, v. u. Jeta laakbaars doen. (lt'sjan). B. uitwitoching; doorkaling. Demi, (dem'ih) [in samenst.), a.; half. —cannonDell (delft, s. oteengroef; aardewerk. Delibern te (de lib'ur-et), a. —tely. ad . be- lowest, 30ponder. —cannon-ordinary, 32ponder; hoedzaam; vastberaden. (-eat), v. a. over- —cannon of de greatest size, 86ponder. —culverin, wegen; v. n. beraadsiagen (on); besluiteloos halve veldLlang; lOponder. —devil, halve duivel. :Ain. —Jewess, a. bedaehtzaantheid; vastberaden- —ditone, kleine tarts. —god, halfgod. —john, heid; overlegging. —lion (-ee'sjunl, s. overwe- veldflesch. —/ance,lichte lane. —/une,halve mean. ging. beraadslaging. —tire, a. —tively, ad. over- —quaver, een 16e noot. —semi-quaver een leggend; beraadalagend. —tar, a. beraadslager. noot. —rep, vronw van verdachte levenswijze. Dellea cy (del'i-ke-sih), a. lekkerheid; lekkernij; wolfahond. kiesehheid: k eurIgheid; teederheid; netheid. —te, Demise (de-majz'), a. overlijden, vcracheiden; overdracht (bij uitereten wil). —, v. a. vermaa. —tely, ad. (-Vet.), lekker; kieseh; keurig; tee- ken; in erfpacht geven. der; net. —tenets, a. teederheid; tijnheid; lekker- Hernias ton (de-mis'sjun), s. ontslas; afdan. held. Delicious (de-lis'sjus), a. —ly, ad. heerlijk, king. —ive, a. —ive/y, ad. onderdanig, gedwee. Democra cy (de.mok're-sih), a. volksregeering. verrukkelijk. - nets, aangenaambeid; genot. —t (dern'o-kret), a. democraat. —tic, —neat. (del-i-gee'sjun), a. verbinding. a. (dem-o-kret'ik.), demoeratisch. Delight (de-Isjt'), R. vermaak; geneugte; verruk- king. —, v. a, verheugen; bekoren; v. n. beha- Desnol ish (de-mol'isj), v. a. afbreken, goo,-en seheppen, genot vinden t iv) .—ful, a. —fully, pen. —isher, a. afbreker, alooper. —ition (demolls'sjun), a. afbreking, stooping. gPnotvol. —fulness, a. vermake- Itikheid; bekoorlijkheid. —some, a. aangenaam. Demon (di'mun), a. booze geest, duivel. Delinen te (de-lin'i-eet), v. a. sehetseu; ant- Demon lac (de-mo'ni-ek), a. bezetene. —Jac, —iacal (dem-un-naj'ikl), —ian, a. duivelach. werpen. —tion (ee'sjun), s. afmaling, schetsing; —ology (di-mun-ol'ud-zjih), a. leer der booze oehetn. —tor, s. sehetser. Deliaquen cy (de-line'kweu-sih), a. vergrijp. geesten. Demonstr able (de-mon'stribl), a. bovijsbaar, —t, a. rehuldig; a. overtreder. leelf.ques ce (del-i-kwes", v. n. smelten; ver- betoogbear. —ably, ad. klaarblijkelijk. —ate (-street), v. a. bewijzen, betoogen. —atson (demvliegen. —cence 1-kwes'sens),s.smelting.vervlie- un-stree'sjun), a. bewijs, betoog. -stive, a. ging. —cent (-kwea'sent), n, smeltend; vervliegend. —ative/y, ad. (-stre- ay.), aanwljzend; betoogend ; Delicate ,, e-larreetl, v. n. Wen, raaskallen. Delhi oars (de-liei-ne), a. ijlhoofdig. —ousneas, klaarblijkelijk. —ator (oak: dem'un-atree-tur), a. betooger; bewijsvoerder. —atory, a. bewij—um, a. ijIhoofdigheid, cond. Deliteseence (del-i-teet'sens), a. teruggetrok- Demoral isation (de•mor-el-i-zeesjun), a. zekenheid. denbederf. —ize (-mor'el-ajz). v. a. zedelocs Deliver, (de liv'ur), v. a. bevriiden; verlossen;

Moet je belastingen op Crypto winsten betalen


—er, a. glijder. —ing, a. her glijden; —doer, schuifdear ; —hoot, loo,e *strip; tolachsal. SDDght , alaje,, a. — ly, ad. dust, RCM, zwak, gering, onbeduidand; ,eronaehtv.ainend, achteloos. veromehtzaming, minachting. — , v, a, veronacht zamea, minachten. —er, a, verovaclitzamer, minai!hter. —ingly, ad met minaehting. —vas, a. lie htheid; geringbeid, onbeduidendbeid.

Hoe krijg je de crypto op de Kraken


NUT.-0EN. 199 been. —brown, kastanjebruin. —crackers, noten- Nuzzle (nnez1( v. a. opkweeken, koesteren; r , 21, blauwspecht. j gee; v, n. wroeten, snuffelen; met den kop lenge —hatch. kraker. —gall, galnoot. —hook, noothask; diet. —shell, notedop. —tree, den grond gaan; zich verbergen. v. n. Nyctalop a inirte-lops), a. die beter bij nacht notenboom. —wood, notenboomenhout. noten plukken. den bij dog ziet. —y (-lo-pih), a, nachtzichtig; held. Nutmeg (nut'ineg), a. notemuskaat. (nioe'tri-ent), a. voedend. —ment, s. Nye (naj), s. vlucht, Loom (van jonge fasanteni. Nutrl ant voedeel. —mental (•Thient'ell, a. voedend, voed- Nymph (nime), 0. nimf. —a (-fe), s. pop (van zaam. —tion(-trisj'un), a. voeding; voedsel. —tious inseeten). —can (-i-en), —ish, a. nimf- —like, —ly (-trisfus), —live, a. voedend; voedzaam. —tare' a. ninifachtig(-tjoer), s. voedingskracht.
Eveugoed, bw. (just) as w911,e9,ally well. Evening, v. dog- en nacht—, equinox. lEvestmatig, be. proportional. —held, v. proportionality, proportion. Evenmensch, Evenntrnete, m. fellow-creature. Evennachtellein, v. equinoctial line. Evenoud, be. equally old, COPV011u. Evenredig, be. & bw. proportionate (-Iy).—keid, v. proportion. Eve/Aloe, bw. slightly; just, a little, a moment. Eveneeel, bw. (pat) as nit ch. —tje, o. (a moat of) cake. Even w 1, bw. yet, however, nevertheless.
Cynosure (saj'no-sjoer), a. noordster; kleine Beer; leidster, baken. Cypress (earpress), a. cipres. Cyprus (saj'prus), e. krip; wiin van Cyprus. Cyst (siat'), s. etterzak; zakgezwel. —ic, a. in een' zak bevat. —ocele (-to-siel), a. waterbreuk. —otomy (-tot'um-mih), a. opening van zakgezwellen. s. goudenregen. CytIsus Czar (vier), a. Czar, keizer van Rutland. —ins (za-ri'ne), s. Czarin, keizerin van Rutland. (zaar'o-wits), a. oudste noon des Czaars, erfgrootvorst van Rusiand.
Esau (ie'sao), no. Esau. Esay m. Jezaja. Esquimaux (es'itl-mo), i, the —, de Fikimoos. Esther (etetur), w. Either. Esttionia (es-tho'ni-e), g. Esthen, Esthland, Ethelbert (eth'II-burt), m. Adelbert. Ethiopia, g. A. & Zie /Ethiopia. Eton (iet'n), g. Eton. Etruria (e-troe'rle-e), g. Etrurie, Etruscan (e.truslen), a. Etruriech. Eubeea(joe-bi'e), g. Eubea. Euclid (joe'kIld), m. Euclides.
a. notaris. —tion (-sjun), s, opteekening; i ,eteekenis. Notch (notsji), s. kart, keep, achaard. —wheel, rondsel; eeheprad. —, v. a. kerven, inkepen. Note (noot'i, a. noot; loon; aanteekening;teeken; briefje; berieht, biljet; aanzien. —book, noklad-, ntuziekboek. —press, b r e v en dek k er —worthy, optnerkenswaardig. —,v. a opteekenen; marten; opmerken; betiehten; op noten zetten. —d, a. beroemd; vermaard. —dly, ad. nauwkeurig; inzonderheid. —dness, a. beheadheid. vermaardheld. —leas, a. onopgomerkt, onbekend. —r, a opteekenaar; notensehrijver. Nothing (nuth'imtg), s. niets. — but, niets den. --mess, a. nietigheid. Notice (soo'tiE), a. opmerking; herieht. —, v. a. opmerke, aeht slam) op —able, a. opmerkelijk,
Blissquernsdee (met-kur-eed'), s. utatikerade; verMarried (mer'rid), a. gehuwd, ecittelija. mommilag. Marroon (rner-then'), a. kastanjebrurn. a. menu, hoop; mil- —book, minMarrow imer'ro), s. merg; (het) beste, kern. Manna (mites"), a. boek. —priest, mispriester. groote erwt. -bone, mergpijp. —fat, Massacre (mes'se-kur), s. alachting, bloedhad. zonder merg. —y, a. mergrijk; pittig. v. a. vermoordeo, ombrengen. Marry (meerilt), v. a. uithuwen; v. n. buwen, Maaseber (mes'se-tur), e. kanwspier. zebrr! trouwen. —, int. vvaarlijk 1 Marsh (marsh, a. moeras, noel. —bilberry, woe- Massicot (mes'sl-kot), a. loodgeel. Mans' mess (mes'si-nes), —ittenese, s. rnassiefheid. —crowrood Nijfrietorkruid. rasbee. —cinquefoil, foot, watereppe. —elder, waterviier. —fever, moo- —lye, —y, mas3ief, gedegen, dlcht; stevig, raskoorts. —gentian, longbloem. — ground, moe- zwaar, plomp. (veer rassigegrond. —groundsel, aschkruid. —horsetail, Minot imaast'), a. mast; meat-, bosehvoeder varkeno). head—, groote mast. —beans, zeilbalk. moeratisig land.—mallow, poelkannekruid. den meet. —head, top van maluwroose —marigold, waterhoefblad. —mint, —coat, broeking orn nornmer —hound, masthead. —imp, waterden mast. tuinmunt. —moss, stermos. —pennyworth, navelkruid. —pine, pnelden. —rocket, poel-, van den mast. —ed, a. bemint. jongsheer; opperkoortsklaver. —samphire, gluts— zoutks aid. —tare, Master (maaetur), a. meeater;—of the horse, 'ital. heer. poelwikke. —titmouse, poel-, ',traces. —trefoil, achipper; (mis'tur), de equipage-rnee,,ter, havenmeeater. —attendant, waterklaver. —worm, waterworn', -poliep. —builder, bonwrehipperaboek. —book, Marshal (maar'ejell, a. maarsehalk; opzierter; meeater. kon—gunner; sehippertrhut; —cabin, v. a. 'Toler', rangschikken; leaden. meeater. provoost. naeesterhand. —key, looper. -ler, a. beachlkker, rangschikrzer. —skip, a. stabelmajoor. —hand, —lode, hoofdader (in eeae mijn). —piece, meesmaarschalksahap. terstuk. —pit, looierskuip. —shipbuilder, se'leepsMarshy (maarierth , , a. moerattnig. Marsupial ( mer-sjoe'pl -el), a. buideldragend , bouwmeester. —sin, erfzonde. —sinew, hoofdpees. —string,hoofdanaar.—stroke,nAesterwark.—teeth, a. baideldier. kiezen. —touch. (de) imitate hand. —work, meesMart (maart), a. re.'arkt; vertier; l:ory terwerk. —wort, meesterwortel. ittartmgou (maar'te-gen), o. wilde lelie. Master (maas'tur), v. a. vermeesteren, bedwinMartello (mer-telgo), a. alarers;osen. gen; goad uitvoeren; v. n. uitmunten. rful, a. Mortsn. Marten (maar'in), a. Martial (maaesis1), a. krijohaftig, krijga . —fully, ad. gebiedend, gewelddadig; nteesterlijk. —caurt,krijgsraad.— law, krijearecht. — particles, —less, a. zonder meeater; onhandelbaar. —like, kjzerdeelen. a. meesterachtig, —linen, 0. meesterlkjkheid. — ty, meesteroehap. Martin (maar'tinl, a. /eerier; 11111111,WalUW. a. & ad. meesterlijk. —ship, a. —mc, (-mere, a. St. Maarten. —y. a. heersehappij; rneerderheid; bekwaarnheid. Martinet (maar-ti-net'), a. huiszwaluw; streug Blita:145 (mes'tik), a. mastikboom; -gore. —ate (-ti-kze'ejun), —ation (-ti-beet), v. a. kauwen. bevelvoerder; detnpeording. a. out to Martingale (maar'tin-geel), a. springriem; spaan- a. kauwiag. —atory kauwen, kauw-; s. kauwinithid. ache cutter. —stay, nevelateg. Mart let (maartnit), s. Pie Martin. --nets (-nits), Mastiff (eaaaetif), a. bulliond, bandhond. Mastless (maaseleas), a. zonder marten; zonder pl. nokgordingen, geitouwen. g. a. mar- eikels. Martyr (matuitir), a. martelaar. telen. —dam (••durn), a. rnartelttarsehap, mantel- Masalin (meelin), s. Zie hood. —ology (-ol'ud ajih), a. geachiedenis (hock) Mastoid (meetojd), a. tepetvoemte. Mesattsitsgy (men-tol'ud-zjih), a. natuurlijke hisher martelaren. ver- torte der zoogdieren. Marvel (maaevil), a. wonder. —, v. n. mestvoeder. wonderen (at). —lour, a. —lously, ad. (-las.), Plenty (rnattletili), a. lijk earl wonderbaar- Mat (is -1.V), a. mat. —bed, matraa. —weed, matwonderbaar. —loosneos •v. a. met marten bedekken; vlechten. , bies. lkjkheid. s. matador. Mary (mee'rih), --bud, a. 'die Marigold. --mss Matadore (met-e-door'), Match (metT), a. zwavelstok, lent, wedstrijd; (-mes), a. Maria-boodschap. huwelijk, partij, -weesergade,atel. —box, lueifersMantle (mes'kl), a. cult. —lock, moistzwavelstokkenmeisje. dooa;e. —girl, MikaCtIMIC (meekjoe-liu), a. inanne:ijlt. -fleas, slo. —maker, vervaardiger van lucifero of awes. mannelkikheid. Ighsh (mssr), a. menelmoett; paardendrank; apoe- velstokken; koppelaar. —paper, haneuregister. line. —, v. a. mengen; brouwen. —ing-tub, snout- —tub, kardoeskoker. —, v. a. evenaren; opgekuip. —y. a. gemeugd. wassen ztjrs tepee; ten huwelijk geven; v. n. WHO( (maiskl, s. masker, mom; maskerade; trouwen; overeenkomen. —able, a. vereenigba ,tr, dekmantel, voorwendsel. —, v. a. & n. (zieh) geachikt. —less, a. weergaloos. —lessttess, a. weermaskaren, vermomeaen. —er, a. gemaskerde. galoosheid. Mate (meet'), a. achaakmat. —, a. maat, mak—tap, s. maskerade. MeNlitn (meth"), a. gemengd, half om halt. ker, helper, gade; mannetje, wijfje; etuurman. a. ongepaard; —b; cad, s. masteluin. —, v. a. sehaakmat mitten. —less, Mason (mee'sn), a. metselaar; vrijmetselaar. —ic minder moat of helper. (me-son'ik), a. van he vrijmetselarij, vrkjmetse- Mat ?Oaf (me-ti'ri-el), a. —1y, ad. atoffellik; gewiehtig, wezenlijk. —ism, a. materialismus. —ist, loans . — ry, H. metselwerk ; v rij aretee I arkj. 

diepgang; meat —, v. a. verpanden; meten (eels rehip). Gaggle (geg'g1), v. n. snateren. Gain (geeu'), a. —ly, ad. i handig. —, a. wine, voordeel; keep. —, v. a. winnen; verkrtjgen, bereiken. (into) overhalen tot. (over) overhalen. —, v. n. rijk worden; vooruitgaan. (on. upon) winnen op, invloed krijgen op. —er, a. winner, verwerver. —ful, a. —fully, ad. winstgeveud, —leas, a. onvoordeelig. Gainsay (geen'aee) [ire.], v. a. tegenspreken; ontkennen. —er, a. tegenspreker. Gainstand (geen'atend) [irr.], v. a. wederstaan. Gabel's!, (geeetsj), a. —ly, ad. zwierig, opzicht1g; buitensporig; uitgelaten. —ness, a. zwierigheid; uitgelatenheid. Gait ((eat'), a. gang, tred. heavy—ed, eete zwaren gang hebbend.eow —ed, ten' langzamen gang hebbend. Gaiters (gee turz), a. slopkousen. liallteritiite ige lek'te.11), y. melkmteen.
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring. 

Heeft ethereum een ​​limiet


s. Sab4ath (seb'beth), a. sabbath, rustdag. —breaker : sabbatschend.er. Sabbptle (seb-bet'ik), —al, a. van den sabbat, — year, sabbatjaar. Sablan (see'bi en), a. vuur-, sterrenaanbldder. -iota, a. vereering der hennellicham•n. StaLine (seh'in), s. Zie Savin. Sable (see'b1), a. zwart. sahelbant; sabeddier. Shore (see'bur). a. whet. —, v. it. neeranbelen. Salmi [email protected] Iseh'(oe-lum), a. zsndtg. —osity (-los"it-toh), a. za.ndigbeid. `:arcade (oak-heed';, a. ruk (aan den teugol). Sheet. arlferous (sek-ke-rit'ur-us), a. aw;ker horlend. —amine (s,k'ke•rajn), a muikeraelitig. —elate (sek'ko-let), a. melkratikerzuur. Snee,dotal (seat-ur-do'tel), a. priesterli,jk. Zie Satchel. Se,chek (cetaj'il, Stack (sek'),s. ark; wijd vrouwenklead; siltt wi;a); beg:arming. bearer, zakkendrager,ajon,cr. —but, 711611111.1. fcsl , (een) schuiltrompet. zakvol. —racing, bet zaltlaopen. --, v. a. in zakkea doe.; be.siormen.. —age, —ing. p.. be,,torming, plundering —er,e. beetormer, plunder., Sacratortent (sefere-meat', a. sacrament. —al, a. —ally, ad mentel•), van (alt) een sarrament. —any (-mene.,-rili), s. sacramentenhoek. Sacred (see'i,rid), a. —/y, Ad. being, gelwiligd. gewijd (ill; on,, chentlis,:ar. —rays, a. heiligheid; onschendbaarbeid. Sacrific (se-uririi,), a oiler, —dory a. offerend. Ctincelline e (sek'n-fajz), a. offer, offerando; v. a. ed'eren; opafferen; onthrew:; . an; vernteti;ten.; v. offer., ,—er, ta. offeraar. —,ia! (-11afel1, a. ofreveud; offer-.

Wat is IOST Blockchain


tornadoes*. —lijk,,bw. usually, corrineonly. —te, v. custom, habit, practice; use, usage, fashion. Geworden, on. w. to come to hand. demand latex —, to let a. o. have his own way, to let a. o. alone. Geworante, o. vermin, warms. Geworotell, o. struggling, wreetting, struggle. Gewright, o. joint; (van de hand) wriet; juncture. Gewrogise, by. wrought. o. work, effect. Gewroet, o. poking, raking, rummaging, ransacking, toil, drudging. Gewrok, o. grudging. Gewulf,o. waving, beckoning. Geworan, o. drudging, toiling, plodding. Geznag, o, cawing; scraping, fiddling. Genital, o. sowing. —de, o. what ham been sown; corn fields. Gezabber, o. slavering, drivelling. li ezag, o, authority, command, power; credit, influence. — hebben (coerce) over, to command, to rule. —hebber, —voerder, director, commander; captain, master. Gezalfde, s. anointed, Meesiah. Gezamenderband, bw. together, conjunctively. GezamenllUk, bv. & bw. collective (-1y), aggregate (-1y), joint (-Iy), conjunctive (-1y). Gemming, o. singing; song; hymn; canto. —bock, book of hymns, hymn book. Geznastk, o. eternal repetition, repeating the Fame thing over and over (again); vexation. G ezant, in. envoy, ambassador. paueetijk —, nuncio. —*chap, o. embassy. --sehapseecref aria, secretary of legation. G maid, be. bound, tied. G ezeever, o. slavering, drivelling. Gezegri, by. said, afore•said. --e, o. saying, expression; predicate. Gegemeld, by. sealed. — papier, !stamped paper. Gezeiggen, on. w. tick laten —, to be prevailed upon, to follow advice, to obey. Gezeglitjk, be. tractable, docile, submissive —head, v. traetablencee, docility. Gezel, m. companion, mate, comrade, fellow, partner; journeyman, workmen. — Ely, by. socia • ble, social; familiar, friendly. —ligheid, v. sociability, sociality, familiarity. —Ha ; v. companion. Gezetsefinp,o. company, society, party. Juffrou. van —, companion. ---tkomer, drawing-room. —ailed, social song. — arekening, rule of fel:owship. —toe, social game, round game. Gez et, by. thick-set, corpulent. replete; set, fixed; steady; sedate; (op) tie Geateld. —acid, v. corpulency; steadiness, assiduity; sedatenetzs; inclination. Ger,ur. o. loitering; tie Geznnik. Gezlcbt, o. sight, look; view, aspect, prospect; vision; face. op het eertte —, at fir mt eight. in het — krijgen, to get a eight of. nit het — verlieaen, to lose sight of. in het — saiiktrIten, to laugh in one 's face, can scherp hebben, to be keensighted. —en trek.t.en, to make faces. —cinder, horizon. —kuade, optics. —kundig, optical. —kundigs, optician. —zenuw, visual nerve. —abedrog, optic Illusion, —shock, optic (visual) angle. —string, horizon. —.flaunt, point of view.
(-1'ne), w. Chrisg. Christiania. tina. —opher, (-uf-ttr), re. Chrtstophorue, toffel. Chrysostom. —ostom (-us-turn), Chrys (kria , ), P. noon m. Chryeostomus. Cicero (sts'e-ro), m. Cicero. a. Clasabri (airebri), Cinnbren, Kimbren. Clmbriseb, Kimbrisch. Cincinnati (sin-ein-nail), g. Cincinnati. Circassta (eur-kespl-e), g. Circassie. —n, a.. Ctrenseiscb; 1. Circassler. f voor Cechy. Cis Clara (klee're), w. Clara. Clarence (kleeens), g. Clarence. Clarendon (kleeen-dale,), g. Clarendon. Claudius (klao'di-us), m. Claudius. Clem (klem"). f. voor Clement. —eat, in. Clemens. Cleopatra (kii-o-pee'tre), w. Cleopatra. CiaVer (kltevz), g. Kleet. Clio (klaj'o), my. Otto. Clive (klajv), m. Clive. Clyde (tlajd), g. the —, de Clyde. Cozhrane (kok'ren), in. Cochrane. Coeytus (ko-eartusi, my. Coeytus. Coleridde (kool'ridtj), ns. Coleridge. Cologne lko-loon'), g. Kenien. Cott (kon'), —ny, f. voor Constance. —rad (-red), m. Koenraad. Constan cis (kou'etens), w. Constance; g. Constants. —tina (tt'ne), g. Constantine. —tine ), m. Koustantljn. —tinople (41-no'pl), g. Cons' antinopel. Copenhagen ilco•pn-haegn), R. Kopenhagen. Cordilleras Ikur-dit'le-res, kor-diel jee'-res), g. the --. de Corlitilk.rae. Corinth (koeinth), g. Korinthe. —ian (ko-rinth'ien), Korintiseh; 1. Korinther. Cornell a (kur-nrii e), w. Cornelia. —us, in. Cornelius, Cornelis. Corsica (kor's1..ke), g. Conic*. —a, a. Corsicaanaali)1. Corstcaan. Courtray (koer-tree'), R. Kortrijk. Coatis (koeta), m. Coats. Cowes (keen), g. Cowes. Cowper (kan'eur), m. Cowper. Cracow (kras'ko), g. Krakau. Crecy (kree'slb), g. Crecy. Crate (Wet), p. Crete. Crimea (;trim-re), g. the —, de Krim. Crispin (kriepinl, m. Krispijn. Croat (kro'et),i. tamest. —ia (-ee'aji-e), g. Croatia. Crouse (kroe'iso), m. Gruen.. Culloden (kul-lo'dn), g. Culloden. Cupid (kjos'pid), my. Cupido. Corsica° (koe-re-seop, g. Curacao. Cybele (aib'il-i), my. Cybele. Cyclades (stkle-dice), g. the —, de Cycladen. Cyclops(sarklopal, my. Cyclopen. Cyprian (sin'rt en). m. Cypriaan. CypTus. Cyprus (saj'prus), Cyrus (sarrus), m. Cyrus.

For those of you who have not been paying attention to one of the biggest trends in investing and tech, cryptocurrencies are digital currencies using encryption techniques that regulate the generation of currency and verify the transfer of funds, operating independently of a central bank. Units of currency are created through a process referred to as mining.


c. CabuI (ke-boel'),g. Cabul. Cadiz (kee'diz),g. Cadtx. Caesar (siitur), in. Cesar. —ea (.se.li'e), g. Cesarea. Ca ffrarla Ike free'ri e), g. het Kafferland. Cafire (ketfur), I. Kaffer. Calapha (kee'e-fes), m.Kajaphas. Cain (keen), M Hain. Cairo (karro), g. Caro. Calabria (ke-lee'bri-e), g. Calabrie. Calais (ken*, g. Calais. Cnicutia (kel-kut‘te)., g. Calcutta, Caledonia (kel-e-do'n1-e), g. Caledonie, --n, 1. Caledonier. California (kel f-for'ni-e),g• Californle, Calliope (kat-taro-pi), my. Calliope.

Is litecoin een vork van Bitcoin


Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.
VOL.— —owl, a. —misty, ad. wellustig. —mimes, a. wet. inetigbeid. V olu te (vo-ijoetn, a. krul. —lion (-.)joe'Fjun), 4. spiraalvormige omloop. Vona° (voneik), a. — nut, kraaienoog, brasknoot. -a (-1-ke), a. longsweer. Vomit (voinfit), a. braakael; braakrniddel. black —, gale koorts. —, v. a. & n. braken, overgevan (out. up). —ion (To-intorno), a. braking. —ire, —ory, a. braking yerooraakend; —potion, braakdrank. —ory, a. breakeatddel; uitgang. Voraci one (vo-ree'ejus), a. —oualy, ad. guizig, verslindend. —ounieree, -ty (-res'elt-tih), a. gulzigheld, vraateucht. Voraginous (vo-yed'Iji-nun), a. vol kolken. Vort ex (vort'eks), s. draalkolk; dwarlwind. —teal, a. draaiend, dwarroiend. Voter ess (vole-rem), a. ordezuster; aanbangater, vereerater. —y, a, ten gevolge saner gelofte; tewijd; a. ordebroeder; aanhanger, voreerder. Vote (voot'), a. atom. to put to the —, in stemming brengen. —. v. a. & a. stemmen 07000; — by ballot, balleteeren. —r, a. eteram3r. Votive (voliv), a 'Lie Votary. Vouch (vantaj'), a. getuigente, biwijo. —. v. a. & n. tot getuige roapen; bevestigen, bekrashtigen; getnigen, getulgenta afieggen; (for) inataan (borg blijven) vont. —ec (-je'), a. in vrijwarlag opgeroepene. —er, n. oproeping (oprorper in vrijwaring; getuige; getulgente; bewijeette.k.
AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to
ISED.— BedrInken,' or. w, to fuddle, to make tipcy• rich t. w. to toddle, to get tipsy, — drunk. Bedreastd, bv. & bw. afflicted, said (-1y), sorry (-fly), sorrowful (At ►, pitiful (-ly). het is —, it is a pity. —hid, v. afiliction, sadness, grief, nor. towfulnese, Bedroew en, ov. w. to afflict, to grieve; rich —, to grieve (for), to be grieved (at). —ing, v. grieving, dejecting. Bedrog, o. cheat, deceit, fraud, trick. Bedruppalen, C.V. W. to bedrop. alederAlo, en, ov. w. to drip upon, (met boterj to baste; sick kennen ,to have a competency. —ing, v. dripping; basting. llotirukketa, ov. w. to otiut upon. Bedrukt, by. dejected low-spirited. —Arid, v. lejectednems, dejection. 113f:duellit, by. afraid, apprehensive. —held, v. fear, apprehensiou. ildieduld en, or. w. to moan, to signify, to imply; to explain; to show, to betoken, to porteudi het heeft niets to never mind, it is uu natter. —esti,. v. meaning, significatioo. —ing, v. explication. Beduluael en, or wo to thumb. —lag, v. thurebiug. BeduIvel en, or. W. to confound, to perplex. —ing, v. perplexing. Bedunkese, o. opinion, luting --a, in my opinion, Beduur. tn. b-sharp. —aleutel, b sharp-chff. Bedwang, o. restraint, subjection. Bedwelni d, by. stunned, benumbed. —Wield, giddiness, numbueso. —en, ov. w. to stun, to benumb. -- tog, v. benumbneent, tainting, numbnese. BedwIng Wilier, by. w. restrainable. —en, or. w. to constrain, to restrain, to subdue; to check, to curb. --er, m. —ger, v. constrainer, subduer. Baaedlg d, by. sworn; upon an oath. —en, ov. w. to swear, to put to an oath; to swear to, to confirm by oath. —mg, v. swearing, confirming by oath. Reiernak so. torpedo, cramp-fish. Beek. v. brook, rill, rivulet. —je, o brooklet. Be.id, o. image, figure, statue; type; vision; metaphor; beauty. --vieter„ etatue-founder. —houteen, or. w. to sculpture, to carve. --houwer, Kcal: tor, statuary, —Aonwerie, ecolpture; statuary 'is workshop. —houtalcuttet, sculpture. —hautetverk, sculpture. —rijk, flowery. —roikheid, flowerloose. —echoon, most beautiful. —schrift, hieroglyphics. snijder, carver. —spraak. metaphorical style, figurative lengrage. —eprakig, teetspborical, —stormier, iconoclast. —stornier(i, imagebreaking. —tverk, Imagery. —endienaar, worshipper of idols, iconolater. —endienst, image-worship, iconolatry. —enetorm, image-breakiug, —elUlc, hr. & bw. figurative (-1y). metaphorical ( iy). —en, or. w. to form, to ohape, to fashion —rotor, m. draught, representation. —end, hr. imitative, plastic. —erig, —ig, bye beautiful (-1y), nit*, (-4). —jeskoop. seller of statues. BamItonli i v. image, effigi, portrait. mead, lea, field. skin and Beals, o. bone; leg; shank, eel over bone. gent — tinden in, not to scruple at, op de
ALG.— BAH. Algerl a (el dzjrri-e), g. Algerie• —an, i. Alga. rijn. —ne (el'dzje-rajn), a. Algerijnsch. Algiers (el-dzjierz'), g. Algiers. Al ice (el'in), w. Alice, ElPje. —ick, f. vow. Alexander; Alex, Sander. —icon ( i-sun), w. Eleje. Ails ghany (el-le-gee'n11), g. Allegheny, —stannic (-men'n1111, a. Allemannisch, Afoot (e.lost'), g. Aalst. Alps (elps), g. the—, de Alpen. Alumna (el-zee'sji-e), g. de Eine. —n (-ejen),
This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.
s. eatEsculent (es'kjoe-lent), a. eetbaar. bare waar. Escutcheon (es-kut'sjun), a. wapenschild. Esoteric (es o-ter4k), a. geheim. Espalier (es-pel'jur), a. leiboom. Especial (es-pesj'el), a. bijzonder. —ly, ad. inzonderheid,voornaroell)k. —fleece. bijzonderheid. Espi al (es-par.11), s. bespleding. —er, a. bespieder. Espionage (es'pl•un-needzj), s. bespieding. Esplanade (es-ple-need'), a. esplanade; grasperk. Espous at (es-patezel), a. eene verloving betreffend. —ale, a. verloving; t'ouwbeloften; trouwplechtigheid. —e, v. a huwen; verloven (to); nithuwen (to. with); voorstaan, verdedigen. —er, a. verlover; huwer; verdediger. Espy (es-par), v. a. bespieden, afloeren; v. n. verapteden. Esquire (es-kwalr'), s. schildknaap; zekere titel (op brieven). —, v. a. ala schildkneap dienen. Essay (es'see), s, proeve; proefneming. —ist ook: es-see'ist), s. schrtver van proeven. Essay (es-see), v. a. beproeven; eseayeeren.—er, a. beproever. Essence (ea'senn(, a. 'wenn, kraeht; grondbestanddeel; beste gedeeite; reukwerk; geur. v. a, weiriekend maken. Essenti al (es-sen'sjel), a. wezenlijk, hoofdzakelijk; gezuiverd. —al, a. (bet) wezeultke; card; a. wesenitk; onbeginael; hoofdpunt. a. vezenlijkheld; misbaar, —ality hoofdzaak. Essoin (es-eojn'), s. ,wettige reden (neon nietverschtning. Establish (es-teblisj), v. s. vastatellen; vestigen; oprichten. —er, a. vestiger; insteller. —ment, s. vaststelling; veatiging; opriehting; instelling; gesticht; inkomen; handelahuis. Eatafet (es-te-fet - ), a. renbode. Estate (es-teet"), s. staat; rang; vermogen; bezitting; landgoed. —man's —, manneliike ptren. real —, grondeigendom. personal —, roerende goederen. Esteem (es-tient"), a. achting; waardeering. v. a. achten; oordee1en, meenen; waardeeren; (of) waarde hechten aan. —er, a. hoogachter. Esthetic (es- thet'ik), a. eathetiach. —a, a. sehoonheidsleer. Estima ble (ea'ti-mibl), a. achtenawasrdig. fleas, a. achtenswaardigheid. —te (-met), a. schatting, berekeniog, begrooting. —te (-meet), v. a. schatten. —lion, (-mee'sjun), s. schatting, weardeering, begrooting. —live (-mee-tIv), a. schattend; ingebceld. —tor (-mee-tar), a. sehatter, begranter. Estivas 1 (es'ti-vel), a. zomersch. —te (-vest), v. n. den zomer doorbrengen. —lion (-vee'ejun), a. doorbrenging van den some, Estop (es-top'), v. a. verhinderen. —pel,a.akte, weike een prores belet. Estovers (es-to'vurz), a. levensmiddelen; wettelijk onderhoud. Estrade (es•traad'), a. optrede, estrade. Estrange (es.treend7r), v. a. vervreemden. --meat, a. vervreemding.
a. bedervend. —less, a. onbederfelijk; onamkoopbartr. —1y, ad. bedorven, snood. —ness,: a. bedorvenheld. Corsair (kor'seer), s. zeeroover; roofschip. Corse (kors. bonen), s. lijk. Corselet (kors'itt), a borntharnan. Cornet (kor'sir), s. korset, bears. Cortege (kor'reezj), s, stoet, gevolg. ieal, —irate fort ex (kor'teks), R. sehars. (-ti ket), —irate , / ( ti keet'id), R. 1,ChOrtiRChtig. —ieose ( ti koos'), a. banOg, mehorsig. Coronet' sat (kttr run'kent), a. flikkerend. —te ( beet), v. n. tionkeren, blikkeren. —lion (korus kee'njen), s. flikkering. Corvette (kor vet'), s. korvet. • Corvine (kor'ain), a. raafachtig. Corynab (kor'im), a, bezientros; bloemkroon. —ifei.ous ( Wrier-us), a, tronsen• (bloemkroon ) dragend. — Maus (im'bjoe-lus), a. kleine trosnen hebbend Cosecant ,koesi'kent), s. medesnijlijn. Cosey (ko'zih), a. geborgen, wermpies, beha--its,
BEA.—'.)lilt. snavel vormig*; Beak (hick), a. swivel, nab. gebekt. Beaker (ble'kur), s. beker met tuft. Beam (biem), s.balk,boom, disaelboom; schacht; liehtstraal; hertahoren. —compasses,stangkompas, feathers, s!agpennen. — tree, hmgedoorn. — of an anchor, ankerstok. draw—, windas. —, v. n. stralen. —less, a. zonder stralen. —y, a. gehoornd; stralend. Bean (bien a. boon. french—, kidney—, snijboon. —caper, boonkapper. —cod, booneachil. —trefoil, booneboom, Bear (beer), s. beer. she — , berin, greater —, grants Beer. lesser — , kleine Beer. —baiting, berenjacht. —hind, heerwinde. —dog, bullehijter. —fly,beermot.—gorden,berentuin. —herd, —ward, berenleider. —'s breech, —'s foot, —'s wort, berenklanw, beerwortel. —'s-ear, herenoor (plant). Bear (beer) [bore, bare. born], v. a. bare.. Bear (beer) [bare, bare. borne (boorn)], v. a. dragen; omdragen; overbrengen; dulden; v. n. den; vistehtbaar zijn; zich gedrapen. —(away) wegdragen; behalen. (back) terugdrUven. (down) nederdrukken; beschamen. (off( ontvoeren; ofhouden; rotten van. "(on) aanzetten; rotten op. lout) nitateken (up) volhonden. lip against) het hoofd bieden ann. (with) dulden. --able, a. seedraatthaar. —company, gezelachap hoaden. — the charges, de kosten dragon. — hard, strong behandelen. — a part, deal hebben. —away, gabled voeren. —witness, getulgen. Beard (bierd), s, board; weerhaak. v. a. bij den board trekken; trotseeren. —ed, a. gebaard; met weerhaken. —less, A. baardeloos. Bear er (beer'ur), a. drawer, brenger; houder. —jog, s. dracht; ligging; gedrag, howling. Beast (bleat'), s. boost; § posed. —like, —ly, a. beestachtig. —liness, a. beestachtigheid. Beat (blot), s. slag; nachtronde. —, [heat. beaten, beat], a. a. slain, vershan; kloppen, afrossen; bonen; overtreffen; § overzeilen. (back) terugdrilven. (down) afslaan,verminderen; ned , rslaan. —the hoof, to voet germ. —the iron, het, ij,er sineden. —one's brains (oboist), zijne hersenen kwellen met. —, v. n, slaan, kloppen; wooden. —(about) been en weer slain; alingeren; peinzen (op against) het hoofd bieden aan. (up and down) he. en Weer waggelen. (op for) aanwerven. (upon) werken op; voortdurend spreken van. —er. s. klopper, stamper. ing, s, getrommel gek lop; to get (give) a sound —, duchtig klop krijgen (genes). Beatific (bi e-tirik), —al, a. —ally, ad. zaligmakend. —at%on (-et-i-fi-kee sjun), s. zaligmaking. Beatl fy (bi-etl-faj), V. R. zalig spreken. —tide 1-tjoed), s. gelukzaligheid. Beast (ho), s. pronker, fat. —ish, a. pronkeri ,,,,.., fatachtig. Beau team (biOeti - 11$0, R. —teously, ad. —tiful, a. — tifully, ad .fraai, schoon. —tifulness, s.schoonheld. —tify 1-faj), v. a. verfraaien, versieren. —ty (-tih), s. schoonheid, —ty-spot, sehoonheidsvlekje, moesje. Beaver (bie'vur), A. bever; kastoren hoed; vizier. Becalleo (bek-e-fl'kol, s. vijgeneter. Becalm (he-kaam'), v. a. stillest, tot bedaren brengen.
Geoffry (dzjiefIrlh), f. voor Godfrey. Georg • (dzjordzr), in. George, J orig. —ha ( i-e), g. Georgie. —iaa (-i'ae), w. Georgina. Ger aid (dzjer'uld), m. Gerald. —ard ( urd), m. Gerard. German (dzjur-msn), a. Duitsch; I. Duitscher. —in (-mee'nt-e), g. Germania. —ices (-men'i-kus). m. Germanieus. —y (-me-nth), g. Dultash• land. G•r trude (gur'troed), v. Gtertraida. —vat (dzjur'ves), m, Servaas. Gethsemane (gith-sem'e-ni),g. Gethseiane. Ghent (gent),;'. Gent. Gilt (gib), f. voor Gilbert; Govert. —ion (gib'bn), in. Gibbon. Gibraltar (dzjib-reoPtur), g. Gibraltar.
243 kern, bloom, puik; fljnste of bests van lets. —et 1Quixot is (kwiks'o-tik , , a. avontaurlijk; onge(-tat% s. quintet. —in, s. ateekpaal. rijmd. (kwiks'ot-izm), s. donquiehotterij, belachelijke sada near avonturen. Quintuple (kwin'tjoepl), a, vijfvoudig. 8:1.1eikMettlegheevuet;. steak. —, v. a. & Quiz (kwie), s. raadsel; fopperij; spotvogel. v. a. foppen, voor den gel houden. —zer, s. topper, spotvogel. —izical (-sill), a. apatztek. Quir a (kwaji), a. koor; boek papier. —inter —zing.glass, lorgnet. tkWirls-tar), s. koorzanger. Quirk (k wurk'), s. kwinkslag, net, steek;ultvlucht; Quodlibet (kwocili-bet). a. spitsvondigheid; mengeimoes. a. —let, spitavondigheid, loopje; luchtig liedje. Quoit' (kwojf), s. Zie Coif. sned!g, etekelig; epitsvondig. Quit (kwit), a. vri), ins, ontalagen, (of) to go —, Quoin (kwojn). a hoek; hoekateen; wig; item-, a. afstanddoening; v. ft. afzien stelhout. Zie Coin. loskomen. Quoit (kwojtios. werpschtif. —caster, sehijfwerv. a. yerlaten; opgeven, erfpacht. —rent, van. per. —, T. n. met de werpeabtf spelen. laten varen, afstaan; ontelaan, hevrijden; vergoedin; volduen, kwtten, k al teeren; volbrengen. Quondam (twon'dem), a. voormaltg. — one's self, Rich gedragen —scores, afrekeuen. Quorum (kwo'rum), a. vereiseht (toereikend) getal. Quitcbgrass (kwitargraas), a. hondsgras. Quota (kwo'te). s. sanded. —ble, a. aangehiald Quh'e (kwajt), ad. geheel, get_eel en al. kunnende warden. —lion (-tee'ajun), s. aanhalingi Quits (twits), ad. effen, lamp op, gelkjk. noteering. Quittance (kwit'tens), a. voldoentng; vergelding; Quote (kwcaot.'), v. a. annbalen; noteeren. —r, a. kwitantie. aanhaler, vermelder. Quitter (kwit'tur), a. verlater; hevrijder; etter. Quolb (irwooth, kwuth), v. n. zeide. —bone, kroongezwel (bp paarden). a. Quiver (kvOv'ttrl, a. pijlkoksr. —, a. viug, leven- Quotidian (kwo tid'i-en), a. dagelijksch. alledaagsche koorts; — zaak. n. tliien, aidderen (with). —ed, a. dig. —, Quotient (kwo'ajent), a. uitkomst. van een' pijlkoker voorzien.

cryptogeld o que e


t. w. (op) to advise with one's pillow about. Reotecht en, se, w. to decide, to accommodate, to sett:e. —er, m. —ster, v. decider, , aecororoodator. —leg, v. decision. accommodation. Besliespen, be. sharp, settle. Bee.Witen, or. w. to bemire, to bespatter with mud. Bc.iliperi, of. w. to whet (to grind, to polish) entirely. Branca en. ov. w. to decide. —end, by. AD bw. decisive (-1y), final (•1y), poOtIve (iy). —et., rn. decider. —ing, v. decision. Beeioneuser d, by. Intricate. —en, ov. w« to encumber, to embarrass, to bring into trouble, to entangle, to involve. —my, v. envumbrance, embarrassment, trouble, bustle. Best of en, by. inclosed; walled, blocked up; close, private. by — water, when the water is frozen. koliek, iliac peesion. Beall nit, o. conclusion; end; resolution; decision; decree. tot —, to conclude. —clues, by, irresolute, undecided, WPVelfillg. —eloosheid, v. irresolution, indecielon. —en, ov. w. to :terminate, to conclude; to resolve upon, to decide upon, to decree; to inter; in rich —, to contain; — tot, to resolve upon. Besuteer tier, in. —liter, y. beemeare.r. Hamner en, ov. w. to besmear, to grease, to bedaub. —kg, v. besmearing, bedaubing. ileuraet beer, v. Zie fiessioettier. —telijk, by. contagious, infectious. —telijkheid, v, contagious. flees!, infectioueness. —ten, (ay. w. to stain, to infect, to pollute., to defile. —tiny, v. infection, contagion, pollution. Be...seen, or. w. to string. Be wnnuwen, ov w. to snarl at. Beeneden, by« cut, carved, engraved; circumcised. wet —, finely chiselled, well-favored, comely. Ileaneetemrd,bv. covered with snow.' Hesnijd en, ov. w. to cut, to:carve, to engrave; to clip; to circumcise. --tale, v. circumcision. —et, in. carver, engraver; circumcise, —ing, v. carving. engraving; cutting (clipping) off. Besnoel all, ov. w. to prune, to lop; to clip; to lemon, to curtail, to retrench. — er, ni. pruner, lopper; clipper. —ley, v. pruning, lopping; clipping; curtailment. Beenoet,n, ov. w. to string, to tie. Bean oft, by. snotty. Beent42/eleu, ov. w, to snuffle (to smell), at, to pry into. Recluses der, m. —tier, v. sparer, saver. Bespenuen, ov. w. to put to, to span; to string sic'

153 iin'sti-tjoet). s. instelling, wet, Yours. geinis van dorht. lluoilttut e entry schrift; instituut. —e, v. a. in-, aan-, vaststellen; -On (-Sit4r1111), S. (in). —ion(-tjoe'sjun)., s. in-, aanstel • onderwijzen Inmate (in-sneer'), v. a. Zie 10 ling; verordening; stiebting; onderwijs; inriehInsuhrtet y (in•so-braj'e-tilt), s. onmatigheid, —ionary (-tjoe'sjun-), a. to beginsetin Inane table Itn-so's31-01), ongezell g. len bevattend; verordend. —ist, s. sehruver vat lassola to (in'so-Teat;, v. a. in de son drogen, grondbeginselen. —ire, a. instellend. —or, a. in(-1e.e'sjun), s. (het.) sonnen; — zette n , —tion atelier; onder nxijzer. zonnesteek. littutruet (in-struktl, v. a. onderwijsen (in); van Insofteza cc (in'so.lens), a. onbeschsamdheid, voorschriften voorsien; voorbereiden. onbeschoftheid. —t, a. —.fly, ad. onbeschaarnd, •struk'sjun), a. leerzaam, vatbaar (for). onhesehoft,aann,tigend. onderwijs; aanschrijving, lastgeving. —*re, a. a. onvastheitt. Insulting' —ire/y, ad. onderriclitend, leerrijk. —ireness, a. —bilitY onoplosbaar. Insolu hic (in-solijoehl), a. leerrijkheid. —or, s. on derwijser. —rest, s. on der(-bil'it-till , , e. onoptoRboarbeid, llusoiv able (in-solv'tbi), a. onoplusbaar, cube- i wijzeres. Instrum ent (in'stroe-ment), s. vrerktuig; speeltaalbaar. —envy (-en-silt), v. onvermogen to tuig; gerechtelijk gesehrift. —al, a. —ally, ad, toting. --eat, a, onvermogend nut tebe:alen. (-men'tel-), behulpzaam, dtenstig (in, to, towards); Insomnious instramentaal. —atity —alness (-men' in zoo verre, zoolusescolitek (in-so-muter), conj. te).), s. behulputtinheid; medewerking, tusdat. schenlimnst. Iquipect (in-spekt), V. a. in oogenssitonw nemen, (in-sub-dsjek'sjun), z. ongehoor(-spek'sjan), a. be- InsubJection onderzoekon, nag... saamheid. sichtiging, onderzoek. —or, s. opzichter, inapee- Insuburtillita to (in-sub-oritii-net), s. weerspantear. —orshi , 8. opzichtersehap. uig. —Non (-nee'sjun), s. weerspaunigheid,titehlInnpetetti,a (iri-spur'Ajun), 15. bespronkeling. baar. —ation, teloosheid. lhroptr able (in-spajetW), a. irtadetr. (in-suf'llir-lb1), a. —bly, ad. onlinsulffera (-spi-ree'sjon)„ a. inblazing, iugeving, bezieting. 1, verdragelijk, onuitstaanbaar. -e, v. a. inbiazen, ingeven, inboesemen (into. ) Insufficten cy (in-out-lisfen - sib), s. ontoereiwith); v. n. inademen. —er, s. ingevcr. kendheid. —t, a. ontoereikend. Inspirit (In.-spir'it), v. a. bezielen. verlevendigen. Inxutilfttion (in-suf-fiee'sinn), s. inbiazing. Inspissa to (in.spis'set), a. verdikt. gestreTd. Ittsula r (in'ajoe-ler), a. eilandvormig; van —te (-Beet)., v. a. verdikken, doers stremmen. —lion ten eiland. —r, a. eilander. —to (-leet), v. a. at• ( see'sj tin) , a. verdikking. —lion (-lee'sjuol, s. afsondering. —tor zonderen. —bility Inetta ble (in-steelW, a. onbestendig. (-lee-tar), a. afzonderaar,isoleerbankje. (-ste-bil'it-tih), s. on'oesteildigheid. In cult (in'sult),s. beleediging. hoot, In.stal I (in-stool'). v. a. bevestigen„installeeren. Insult (in-suit'), T. a. beleedigen, hoonen; v. n. —lotion (-stet-lee'sjun), bevestiging,instello.tie. spotters (over;. —er, a. beleediger, hooner. —ing, a. —runt, s. bevestiging, installatie; ternaiin. —inyly, ad. beleedigend, hoonend. Instance (in'atens),s. dringend verzoek,aandrang; insupera ble —bly, ad. onoverinetanlie, aanleg; gelegenheid, ornstandigheid; komelijk, onoverwinnelijk. —bility 1-e-birit-t lb), voorbeeld. —, v. a. als een . voorbeeid aanbalen; —bleness, s. onoverkomelijkheid;onoverwittnelijk, v. n. voorbeelden bijineng ,n. heid. lutanist lin'stent), a. dringend ; tegonwoord ,ig; Insiipporta hie (in-sup-poort'ibl). —My, ad. oowntblik; I oopende rnaand.—ty, mi kideltijk. —, a. onverdragelijk, —bleness, onverdragelijklteid. ad. op staande voet. Insuppress able (in-sup-pres stbl), —ire, a. met —ously,' Instantane oats (in-sten-tee'ni-us), a. te weerhouden of onderdrukkem ad. oogenblikkelljk, onrnitideliijk. —ity (-to-nr laatazar able (in-sjozeibl),,a.verzekerbaar. —awe, it-tilt), —ovsness.s. oogenblikkelijicheid. s. v‘irzekesing,assurantie; —company, assurantieInstate (in-steeti, v. a. plaatsen, et cllen. inaattichainti; —nioney, assurantie-premie. —e, lustours te (in-stao'reet), v. a. herstelien,ver- v. a. verzelteren, aissureeTen. —er,, a. verzekeraar, nieuren. —lion (.ree'nimo), s. herstelling, verassuradeur. nleuwing. —tor (iiestao-ree-tar), n. hersteller, Insurgent (in.suedzjent), a. oproelig. —, m. op. verttleuwer. etandeling. Instead (in-ated . ), ad. (of (in pleats van . Insurinounta ble (in-bur-inttaunt'ibl), v. a. indoopen; weeken. Insteep ad. onoverkomeiijit. eene Instep (in'step), s. wreef. to be high in the Insurrection ;in-sur-rek'sjutil, to. opstand, hooge horst zetten. terij. —at, —ary, a. oproerig, muitziek;oproer-. Instiga to (ltesti-Beet), v. a, aiinsporen,ophitnen Insusceptible (in-ntin , sep'tibil, a. onvatbaar. (to). —lion (gee'sjun), uphitsing. Intact (in- tekt'), a tonaingeroerd,ongedeord. — i blo, —tor, n. aanspooTder, °plats,. ontastbsar. a. (in-still, v. a. indroppelen; inboezemen, Intaglio qn-terio). n. genneden steen. inprenten (into). —lotion (-lee'siun), a. utdroppe- Ind ningl ble (tn-ten'dti ibt), a. ontastbaar. —Linty lint; inhoezeming, inprenting. ontastbaarheid. 1 1.0 'net (inNtirtittl, 8. instinct, natnurdrift. ita- , Intwitithie n- smakeloos. onWillekenrir, std. 1-stinsk'tiv geheel W•tr.1 • s. Inurdrift.
:lot THA.-TEN. Tea Olen, a. thee. - board, -tray, theeblad, Teleecop ca (tel.'s-stoop), a. teleakoop. -ie, -ical (-sitoynk.), a. teleekopisch. -caddy, tteekistje. -canister, theebue. -chest, theettat. -cup, theeltopje. -dish,thaeachoteltje. Tell (tell') [told (tepid)], v, a. & n. Reggen, toolden; vertellen; verklikken; barren; uttwerking -kettle, theeketel. -kitchen, thee-machine. --pot, theepot. -eervies, -set thmss , viss. -spoon, doers, (abroad) bckend maker, (of) am-toren: verwliten. I cannot -, .0, -west Wet- --ftwtnn. theelepeltje. -table,:theetafel. -things, pi. thee- upon the cards, de heart legAen. -tale, A. WOgoad. -voider, waterpot. belachtig, wrklikkend; s. babbelaar; oorblazer. Teach (tiend') [taught (MO], v. a. c nderw(jenn, -er, a. verteller; rekeraar; stentopnerner; be'term-able, a.leersaam. -ableness,s. leersaam- taalmeester. held. -er, e. onderwgzer. -in7, a. onderwije. Teatera rictus (tern• e-ree'i 1-11e), a. v ermeiel, Teague (tteg), a. ler (ale schel dnaern). roekeloos. -ity (te-rner'it-tih), a. vermetelbeld, Teal (tiel), a. taling. Team (Item'), a. span; vlucht. -, v. a. in-, eon- roekeloosheid. Temper (tem'yo,), e. temper„ tempering, men. eptnnen. -*ter (-star), a. voermart. Tear (tear'), a. scholar, torn. ging; nerd; lulm, gemoedsgesteldheld; bed/LardTear (tear' [tore. torn (toots)], v. A. seheuren, held; gehardheid. to de out of -, in eene eleehre verseheuren; (from) ontseheuren; (qff)atmeheuren; luim On. - v. a. temperen, toengen; matigen, (up) openscheuren; opbreken; v. rt. rano, tier., ve aachtert; harden; gesehlkt, (p.send)makcn, in-er, s schearder; raker. flatten; wen. -ament (-e-rnent), a, keistel.; ReTear Olen, a. traan. -falling, -;flat, a, tranen moedagesteldheld; varroengIng. -ante, a. mattfcstortend, weenend. - fey:, a. sonder trafien. held; bedaardhe14. -ate, a. -ately, ad. (-et-). Tease (ties'), v. a. kammen; kaarden; plagen, matig; gematigd, bedaard - ateneet (-et-1. a. matigheld; gematigdheid. -adze (-e-tiv), a. ten, kwellen. -1 W0%0, a. kaardedistel; kaard; v. a. perend, nustigend. -attire (-e Oyer), N. hOoorkammen, kaareen. -1e, (tit'cl-ur), a. kammer; lijke menging; gestyldheid; warmtegraad, ternkaarder. -r, a. kwel ler, plager. peratuur, gematigdkeld. -ed (-wird), a. g.Tent (tiet), e. tiler, tepel. Teed ly (teter11-11h), ad. knorrtg"gemeitjk. atemd, gelnimd; ttomperd, geltard; -er-en -, • gelijkinoedlg. -ness (-i-neon), s. knorrigheid, fiemeliCkheid. Technic al (tek'olkl), a. --ally, ad. kunatmalig, Tempest (tem'pest), a. storm; ontveder.-f, eaten, kunst-, teehnisch. -s, pl. leer der kunaten en -tort, door storm geteisterd, -, v. a. tfit,teren, ambaehten. techntek verontrusten; v. n. stormen. Tempestuous (tans-pese(ne-us), a. --ty, ad . Technology (tek-nol'ud tjth), teehnologie. storm. chtig. --ness, a. atorrnachtigi.eld. Tetchy f,teterlh), a. knorrig, gemelijk. Trusplar (tem'plar), e. tempelter; student_ in de Tectonic (tek-ton'ik), a. bouvvkunatig. reehten. -der, Ted ited), v. a. (gernaald gr.) sprettien. Temple (tem' pl), ciempel;slaitp our' het hoard). a. & v. a. Zia Tether. -t (-pill), a. stuitbout; runt, scut. Todiate& (ti'djue), i. -1y, ad. vervelend; lastig; langdradig, -ness, a. verveiendheld; lang.lra. Temper at (tem'pur-el), a, _ally, ad. iijdelljk, wereldllik; van de alapen. -ality (-el'A•tett), a. digheid. -ale (-ell), pt. -city, a. wereldlijke yruederett Tedium (ti'dI-um), e, verveling, valg. tijTeem (tienin, , a. bares, werpen; voortbrengen; of inkomsten. -arity, ad. -ary, a. (-e-rth-).,ikjaftdelijk; verganke?ijk. -arivtess (-e-ri.), a. 1 v. n. (want) manger -, drachtlg -, vol skin van; wernelen van. -er, a. berende. --Jul, a. swan- lijktteid; verganketbkh ,, id. -ire (At), v. n. tich ger, draehtig; boordevol; a emelend. -ing, a. near den ttjd (de ornstandigheden) s•hikken; vrnehtbasr. -less, a. onvrnehtbar,r. dralen. -Izer (.aj.zur), a. 034v:inner, tamer; Teener (liinas). a. pl. leeftild tuaschen dertien en weerhaan, &eater. Tempt (ternt'), v. a. In verzoektng hrengest; betwintig jaar. Miss in her -. huwbaar meleje. Teeth (tleth), a. pl. van Tooth. to the -, vlak proeven; verlelden; aaneporen. -able, a :tan In het aangesteht. versoeking blootgasteld. -ation (-ee'sjun), it. Teeth (tleth'), v. n. tendon krtjgen. -leg, v. bet versoeking; aunrechting. -cr. a. verzoeker, ver• letder. --leg, a. -ingly, Rd. verleidelijk. -rose, 'Widen kriagen. a. verntekster, verlerdater. Teetotal ti-tole1), a geheel., voikomen. -er, a- matIghe dsman, afechaffer van able geestruke Temse (tense'), a. zee. -. -11(teutst . ), a. hjtt draulten. -ton, a. strange ontatoudlug van she gesitt; - bread, tljn wittebrood. Ten (ten), a. lien. geeetrijka dranken. Tenable (ten'ibl), a. houdbaar. Tex (lex), A. tweelarig reek/tit. Togas tsar (tarjoe-ler), a dakpanvormig. -cent Tense' ems )te-nee'i.jus), a. -ously, ad. eauklevend; tact; vasthoudend (of, eon); hardnek(-meat), a. bekleedael, huidje, viiee. tip'; getrouv; gterle. -ousneis, -ty (.nex'lt-tih,„ Tahoe (te•hr ► , a. gegiehel. -, v. n. giehelen. a, aarikleving; veathoudendheid; bardnekklgbeld; Tell (tiel),.. nude. lindehoom. Telary (trio-rib), a. eptunend; 'web-. -, a. mph, gierigh(td. Tenancy (ten'en-sib)., a. pacht,Pachtl.g. newel). Telegr am (tare-greys), s. telegram. -aph (-Iry at), Tenant (totem), a. yachter, huunler; bewoner, a. telegrant; v. a.telegrafeeren. -aphic (-grerik), pin, lip. -saw, sebrobettag. -, v. n. in hour a. telegransoh. -aphy (to-leg're-flh), a. tele. bobber). -able, a. bunrhaar. -lees, a. onvergrate. huurd. -ry, a. (de) gesamenlitke pachters.
1'1)1, 4•FUR. 239 spelingen overreden; v. n. woordspalingen mapurgeerwinde. —flax, klein vtaskruid. —grain, ken (upon). pergeerkorrels.—nut,purgeernoot.—thorn,echijtPunch (punte)'), 5. priem; stout, stomp; punch basses( ruik. (pone); hansworst; dibsek. —bowl, punch-born PurlUent Ion (pjoe-rif-ikee'sjun ►, a. retniging, —strainer, punch-Reef. —, v. a. doorboren; atoo auivering. —ire, —ory (-rit'i ke-), a. reinigend, ten, stompen. —y, a. knot en dlk. zuiverend. —ory, a. kelkdoek. unch eon (punterun), a. priem. boss; punt- Purl( ler (pjoe'ri-faj-ur), a. reiniger, zuiverear. boor; doorslag; letterstempel; vat. —er, s. goat—y ( -tap, v. a. reinigen, zulveren; louteren; v.n. jesmaker; priem. —inetio (-1-nello), s. hansworst zulver worden. unctated (pungk-teet'id), a. in een —punt ge- Purina (pjoe'rina), s. purtmfeest. trokken; vol gaatjes. Pair Ism (pjoeirizm), s. taalziftertj. —1st, s. tealunctill o (pungk-tillo)., 8. overdreven nanwsifter. gezethed, spitavondigiaeid. —out, a. —oualy, ad. Puritan (pjoeiri-ten), a. Puritein; sehijaheilige. overdreven nauwgezet, stipt, spitavondig, —, —iv, —iC41 ten'ik-), a. puriteineeh. —ouaness,s. overdreven stip theld, spitsvond!ghetd. a. de leer (het stelsel) der PurPeinee. Punctu al (purgkIjoe-e1), a. —ally, ad. stipt, Purity (pjoe'rit-tih), s. reinheid, zuiverheid; nauwgezet. —ality (-el'it-th), —alnees, s. vtipt- onsehuld, kuischheld. held. —ate (-eat), v. a. punctueeren. —ation (-to'. Purl (purl), a, gernurmel, gekabbel; alsembier; gun), s. punetuatle. —re (-tjoer), 0, prikje; v.a. geetIkte rand. —, v. a. stikken; v. n.murmelen, prikken, openprikken, opensteken. kabbelen, Pundle (pued1), a. korte, &like vrouw. Purl leo (pue,joe), e. voorhoat, grens,omtrek. 4 Pung (pang), a. trek-, vraehtelede. —in, a. dwerebalk. —ing, a. gereurinel, gePungen cy (pun'dzjen-eih), a. senerpte; griekabbel, vendheid. —t, a. —tly, ad. stekend, eeherp,teütend. Purloin (pur-lojn'), v. a. eteleen, ontvreemden. Punic (pjoe'nik), 3. puniseh; trouweloos, ver- —er, s. diet. —ing, a. ontvreemding. raderlijk. --eons (ni)'us), a. purperkleurig. ,Purparty (pur'paar-tih), s- aandeel. Puniness (pjoe'ni-neita), a. kleinheid. Purple (pur'pl), a. purperkleurig. PurPer, Punish (puling), v. a. streffen. —able, a, strafpurperkteur. —app'e. purperappel. —cherry, virbear. --'er, a. straTer„ -- meat, a. strut. eint,ehe pruimeboom. —chickweed, rood zandPunic lye (pjoe'ni-tiv), — ory, a. stretfend; straf-, kruid. —emperor, —shades, p1. purperelinder. Punk (pungk). a. lielttekool, slat. purperaluk. —flower, hyacint. —grace, Punster (pun'etur), a lielhebbar van woordroode •eideklaver. hoog purperrood. speltngen. —relvet, dutsendochoon. —whelk, trompetslak. Punt (punt'), a. pont. —, v. n. tegen teen banhier —willow, waterwilg. —, v. a. porparrood verven. epelen. —er, a. pointeur, tegenspeler. (pur'plz), pl. paper-, seharlakenkoorts. Puny (pjoe'nlh). e. a. klein; zwak; gerIng. —, s. Purplish (puripllej), a. purperachttg. nieuweling, onervarene. Purport (pur'poort), s. inboud; ain; strekking. Pup (pup), a. jonge hond. —, v. n. iengen, - v, a. meenen, bedoelen; behelzen. Pupa (pjoe'pe), a. pop (van een Insect). Purpose (puepue), a. oogmerk, doel, elnde; Pupil (pjoe'pil), s. leerling; pupil;oogappel. —a e voornemen; gevolg, uitwerking; voor. a. minderjarigheld; leertijd. —lary, a. van M nbeeid. on —, met ()put. to the —, ter cake. to derjartgen. no —, to vergeefs. —, v. a. beoogen, voornemen ; Puppet (pup'pit). s. draadpop; zot, kweet; nut. v. n. voornemens ztju. —less, a. doelloos. —ly, poppenspel. ad. opzettelijk. Puppy (pup'plh), a. jonge hood; vlegel; lafbek, Purpresture (pur-preat'joer), a. inbreuk. kwast. —, v. n. jongen. s. vlegelachttgheid; Purprlse (pur'prajz), s. omheinde pleats; oinkwasterigheld. heining. Pur rpur), 0. geapin (van katten). v. n. spin- Purr (purr), a. zeeleeuwerik. Lie Pur. nen (ela batten). Purse- (pure, s. beurs. —bearer. betaal-, penningPurblind (nueulejnd), a. bijalend, hortziehtig. meester. —cutter, beurzenentider. —pride, geld—news, a. bijzientlheld. trots. —proud, trotseh op zijn geld. —string, bturNPurchas able (purnejes-ibl), a. koopbaar. —e, koordje. —, v. a. in de beurs steken lop); toehalen, a. hoop, in-, aankoop; spil, tskel; —money, hoopsamentrekken. —r, e. betaal-,vieta die meester. sum. —e, v. a. koopen, aan., inkoopen; verkrkj- PursInesa (pur'et-nasal, s. kortademieheid. on; orvinden; (out) bo•ten. —er, a. kooper. Pueslain (pursnin). a. porselein (groente). —tree, Pure (pjoer'), a. —ly, ad, rein, zuiver; onbevlekt; struikmelde. looter, enkel. —neat. a. reinheid, zuiverheid. Purim able (pur ejoelb!), a. vervolgbaar —ance, Purille (pur'111), Purrie (purfl), a. gRrneerael. a, vervolging; voortzettiog; in — of, tngevolge. Purgation (pur-gee'ejun), a. zutvering. —ont, a. (to) volgens, ingevolge. —e (-ejoe'), v. a. Purgat lye (pur'ge-tiv), a. zuiverend; a. purgeervervolgen, najegen; voort-, doorzetten; navalmtddel. —ory, a. zuiverend; louterend,zevagevuur. gen; v. n. voartgaan; volhouden. —er, a. verPurgat (purde)), s. purgeermiddel. v, a. retvulgar; voortzetter; najager; beoefenaar. nigen !away. off); zulveren (from. of); doen pur- Pursuit (pur-sjoet'), a. vervolging; doorzetting; geeren. —, v. n. zulver worden; purgeeren. I stresen; posing; bealgheld. a. retniger; purgeermtddel. Pursulvant w i-vent), s. staatsbode; onderPurging (puediiieng), sJoal ijvighei d. —bindweed, , beraut; bode.,
D ✓ 11.—DE5„ ting, (-prajv'), v. a, berooven, afzetten, (of). Desert (de-zurt% s. verdienste. —, v. a. verlaten; v. n. deserteeren. —cr, s. verlater, deserteur. --ion —er, s. beroover. Depth (depth), a. diepte; diepzinnigheid. (-zur'sjun), a. verlating; desertie; verlatenheid. D.1111s ion (de-pul'sjun), s. wegstootin,t —ory, —lees, a. verdtenatelooa. Descry a (de-zurv'), v. a. verdienen; v. n. zich a. wegdrijvend; afwendend. Depura te (dep'joe-retl, a. gezuiverd. —te, verdienstelijk maken (of). —edly, ad. naar verdienste. —er, a. verdienstelijk man. —ing, a. (-reet), v. a. zuiveren. --tion, (-ree'sjun), a. zuiverdiensteltk, s. verdienste. vering. —tory, a. zuirerend. Deput ation (dep-joe-tee'sjun), a. afvaardi- Desicca sat (de-sik'kent), a. opdrogend; a. drogend middel. —te, v. a. opdrogen. —tion ging; (de) afgevaardigden. —e (de-pjoet"), § pee-ik-kee'sjun), a. opdretging. —tive, a. op• (depijoe.tajz), v. a. afvaardigen, rnachtigen. drogend. Deputy (dep'jce-tih), s. ofgevaardigde. Lord —, koninklijk atedehouder; onderkoning. —governor, Desiderat a (de-sid'ur-eet), v. a. verlangen; onderstadhouder. wenachen. —um, (-ee-turn), s. (het) begeerde. Design (de-sajn'), s. ontwerp; schets; plan; oop Derneinute (de-res'i-neet), v. a. ontwortelen. Derange (de-reendzn, v. a. store., verwarren; meek. —, v. a. ontwerpen; schetsen, beoogen; bestemmen. —able, a. onderscheidbaar. —ate het verstand krenken; § van de plaats brengen. (des'ig-neet), v. a. onderscheiden; aanwijzen. —meat, a. wanorde; verstandsverbijstering. —alien (des-ig-nee'sjun), s. aanwisjzing, bestemDerelict !der'e-likt), a. verlaten; onbeheerd. —, ming. —edly, ad. voorbedachtelijk. —er, a. outa. onbeheerd goed. —ion (-lik'sjun), a. verlating; werper ; sebetssr. —ing, a. bedriegelijk, valach; onbeheerde toestand. a. teekeekunst. -1e811, a. onopzettelijk. Deride (de-rajd"), v. :a. bespotten.!—r, a. beDesinence (deei-nens), s. slot, uitgang. spatter. Desir able (de.zajr'ibl), a. wen,chelijk. —ableDerision (de-riezjun), s. bespotting. nest. a. wenachelijkheid. —e, 1-zajel, a. venni], Denis lye (de-raysiv), —ory, a. bespottend. Deity able (de-ra)v'tb1), a. of te leiden (from). begeertc; v. a. wenschen, begeeren; verlangen. —er, a. begeerder ; verlanger. —outs, a. wenschend, —ution (der-i.vee'sjun)„ a. afleiding. —alive (deriv'e-tiv), a. afgeleid; a. afgeleid wooed. —atively, begeerig (of). (-riv , ), ad. bij afleiding. —e (-rajvi), v. a. (from) Desist (de-g ist'), v. n. (from) afzien,allaten. —ance, afleiden; verbreiden; outvangen; v. n. afstarna. afzien, aflating. —ire, a. eindigend. Desk (desk), s. lessenaar, § preekstoel; geestemen (from). --er, 0. Rfstammer. Derma (durm'), a. haidvlies. —al, a. de haid beHike stand. —, v. a. wegaluiten. Desola te (des'o-let ► , a. —teiy, ad. 'woest; eentreffend. aaam, troosteloos. —te (-leet), v. a. ontvolken; Deroga te (der'o-get), a. verbaaterd; verlaagd. verwoesten. —ter, a. verwoester. —tion(lee'sjun), —te meet), v. a. verminderen (in kracht, waarde, a. verwoesting; verlatenheid ; troosteloosheid. aanzien); opheffen; te niet doen; v. n. ontaar—tory, a. verwoestend ; bedroevend. den, inbreuk maken., (from). —loon (-gee'sjun), verkorting; inbreuk; nadeel. in (to the) dero- Despair (de-speer'), a. wanhoop, vertwijfeling. —, v. n. wanhopen (of). —er, s. wanhopige.—ingly, otion of, ten nadeele van. —tory (de-rogie-turad. watthopig. rih), a. benadeelend, verkortend. Despatch (de-spets,P), s. aped; depbche; exDervis (dur'vis), s. dervis (turksche monnik). presse. —, v. a. afzenden; anti' verrichten; van Descant Ides'kent), a. hoogste stem; bovenatem; kant maken. —er, a. afvaardiger; dispacheur. gezang; redevoering. — (des-kent'), v. a. suet va—ful, a. voortvarend. niatien zingen; breedvmig uitweiden (upon). Pescen d (de-send'), v. a. nederlaten; afklim- Desperado (des-pe-ree'do), a. dolleman. men; v. n. dalen; atdalen (to); nederdalen (on. Desperat e (des'pur-et), a. —ely, ad. radelooa; upon); afstammen (from); overgaan op (on). —duet, woedend; roekeloos; onherstelbaa:; § in hooge mate. —eness, a. radeloosheid, doldriftigheid. a. afstammeling. —dent, a. afkomend; afstammend. —dible, a. overgankelijk (bij erfenis).—sion, (-ee'sjun), a. wanhoop. s. nederdeling; afneming; vermindering; onder- Despica ble (des'pi-kibl), a. —bly, ad. verachgang. —t, a. hefting; landing; viiandelijkeinval; . telijk. —bleness, a. verachtelijkheid. herkornst, afstamming; nagesiacht; overgang(bij Despis able (de-spajz'ibl), a. verachtelijk. —e erfents). (-spaje), v. a. verachten, verfoeien. —edness,.. veraehtheid. —er, a. verachter. Descr3ID able (de-skrajblb1), a. beRehrijf3lijk. —e. I-skrajb"), v. a. heschrijven. —er, s. be- Despite (de-spajt'), a.hoosaerdigheid; haat; trots eering. in — of, in weerwil van. —, v. a. kwel• schrijver. len, ergeren. prp. in spijt van. —ful, a. —fully, Deserter (de-skrayur), a. ulivorscher, ontdekad. spijOg; booaaardig. -fulness, a. apijtigheid; ker. boosaardigheid. Descrlp Lion (de-skrip'sjun), a. beschri)ving. Despoil (de-spojP), v. a. berooven. a. be , —tire, a. beschrijvend. mover. , Descry (de-akran, s. ontdekking. —, v. a. ult. Despoliation (de-spa-li-ee'sjun), S. bereaving. vorschen. Deseent te ( des'e-kreet), v. a. ontheiligen. —tion, Despond (de-spond'), v. n. moedeloos worden, wanhopen. —envy,, a. kleinmoedigheid; vertwie(-kree'ajun), a, ontheiliging. Desert (dez'urt), a, ree ,, , ; eenTaam feling —cot, a. ad. mQedelons; wan. e. WOE'Shopig. On, wildernis.

rind, by. v. orltily-minded. —agesindheid, v. worldly-mindedness. —rink, slug-, shell-snail. —idang, fieldanake. —spin, Add-, garden-spider. --veil, ground-lay, alehoof. —Woo, ground-flea, springtail. —worm, earth •worm; drudge, toiler. Aarde, v. earth; ground; mould. —n, be, earthea, —n, on. w. to thrive; (naar) to take after. handsome! (-ly), Aardlg, be. & bw. pretty genteel (-1y), nice ( ly), quaint (-1y). — heid, v. prettiness, handsomeness, genteoluees; nicety, quaintness, fun; veer de —, for fun. Aardseb, by. tervestrial, earthly, worldly. Aare, m. arse, anus; bum. bottom. —darns, arsegut. —gat, Lrse-hole. —witch, burn•wiap. Aunts bedrleger, m. arrant cheat. —6isdent, o. archbishopric. —bissehop, m. archbist op. —bieschoppeitk, bv. arehi-ep1scopal. —booswicht, re. —echelv. m. —eckvrk, nt. arch rogue, arrant villain. —deken, m. arch-dean. —diaken, rn. archdeacon. —diaaensehap, o, archdeaconebip. en. archangel. —gek, m. —gekkin, v. arrant fool. —gierigaard, so. arrant niggard. —gait, —schalk, m. archwag. —hertog, rn. archduke. —Aertogdom, o. archdukedom. —hertopelijk, by. erehducal. —hertogin, V. archduchess. —huichelaar, m. arch hy pocrite.—kainerheer,nterchchamher setter, m. archchanceitor. —ketter, inn. heresierch. —/engeneanm arrant liar.—prieeter,m archpriest•, —priesterdom, o. archprlesthood. —priesterlük b Y. arehpresbyteriai.—tader,m.patriareh,—eader AP, by. patryarchal. —vijand,m. mortal (sworn) enemy; orchid-end. Aarzel en, on, w. to hesitate, to waver, to balance. —end, hr. A bw. heeltating (-1y). —lag, v. hesitation. Aas, o. bait, lure; food; carrion; ace; bit. —keter„ —sob, wallet. horee•heetle. Abberdaan, m. Zie Lrebberatann. .1bd(1, v. abbey. Abdlc, v. abbess. AD. o. alphabet. —bank, foam of abecedarians. —leek, horn-book, primer. —bardje, battledoor. —jongen, —kind, abecedarian. Alyea!, tn. asp. —boom, aspen•tree. Abounemant,o, eon Zie inteekening, enz. Abel ko0s,s. apricot. —kosebooin, apricot-tree. Abt, m. abbot. Abuts, o. error, mistake, blunder. — hebben, to be mistaken, Acacia, na. accaeis. Aeadern Ile, Y. aecademy, univereity; —burger, student. —WI, a. accademlcal Accent, o. *cant; stress. Ae ►ept ant, in. acceptor. —atie, v. acceptation; acceptance. —ee7en,ov.w. to accept. Aeolian, na.exolee. —kuntoor, exc/ se-office. —p/ichtir v. excisable. Ace a ard,o. accord; agreement. Anti, tow. oh! all &fait, tar. & v. eight, —dawns, sennight. Aebt, Y. heed, rare, at• entlou. — geren (a/aan) op, to give attention to, to attend to. in — nemen, to take care of, to mind, to observe. Aebtbaar, by. honorable, worshipful, worthy. —keit:, v. honorablenese, respectability. Aebt beantg, by. eight-legged. —bladerig, by.


209 Oz (oks'), s. os; rund. —bane, oseendood (plant). —bill, (soort van) schildpad. —bird,amerikaansehe pellikaan. —bow, oseenjuk. —cheek,ossekinnebak. —eye, ossenoug. —eyed, met ossenoogen. koevlieg. —gall, ossengal. —gang, zooveel land ale een os ban beploegen. —heal, :wart bilzenkruid. —lip, groote sleutelbloem. —stall, ossenstal. —tongue, ossentong (plant). Oxalic loks-el'ik), a, —acid, zuringzuur. Old ate (oks'i-deet), v. a. verzuren, oxydeeren. —ation (-dee'sjun), s. verzuring, —e (-W),s. halfa. verzuren, oxynoun, oxyde. —ire (-id•ajz), deeren. Oxycrate (oks'i-kret), a. azijn-, gorgelwater. Oxygen (oks'i-dzjen), s. zuurelof. —gas, zuurstof-
I threw in some fractals to guess what is going on with LTC. I used a fractal from when the trend reversed at the bottom this year and one for the 2018 ATH. Personally, I believe that fractals are highly subjective. They only reinforce the analysts confirmation bias. There is no set rules or back testing for fractals. So these fractals are here to see how much...
—nets, a. stet, Maxim (meks'im), a. stet-, grondregel. —um felijkbeid; belangrijkiteid, gewieht. —toe (-ajz).1 ( 1-mum), a. (het) hoogste; haogate growl. v. a. stoffelijk makes; als star 1,schouwea. —a May (met), a. Met, bloeimaand. —bloom, Imagedorm. —bug, meikever. —bush, wilde kwee. (-elz), p1. bouwatotren. —day, meidag, aerate dag van Mei. —duke, meiMatern al (me-tur'nel), a. moederlijk. — ity, a. kers. —flower, hagedoorn. —fly, meikaver. —game, moederschap. meispel; apeelbal. —lady, metkoningin. Math (meth), s. suede, mailing. lelie der dalen. —morn, irischheid. —pole, meiMathematic (meth-e-mot'ik), —al, a. —ally, ad. boom. —weed, laondskamille. —worm, meiworm. —ian (-me-tisfen), a. wiskunstenaar. May (nice') [might onajt nJ, v. n. mogen, kunnen. —8, pi. wiskunde. —be, —hap, ad. misschien. Maths (met'in), a. ochtend-, vroeg. — , a. ochtend. Mayhew (mee'him, macs), s. verminking. — 8 (-inc.), p1. metten, (del vroegniia. Mayor (rnee!ur,, s. mayor, burgemesster. —ally Matrass (met'ress), P. distilleerkolf. (-el-tih), a. mayorschap. —ems, a. echtgenoot van Maisie a imet'rial, s. matrijs, vornt; (mee'tris) een' mayor. baarmoeder. —ide (-sajd), a. moedermoord; -moonier. —lees (me-trisrus), tt. van de baar- 1Nlaxard (mez'erd), a. kriek, zwarte kers; kakebeen. mo,der. Matrlcula in (me-trik'joe-let), a. ingeschreven; Mazarine(mez - e - rieu), a. donkerblauw; tussehengerecht; fljne hemdatrook. a. ingeachreven lid. —te (-leet), v. a. ale lid inMit. a (mete), a. doolhof; verlagenheid; oozeechrijven. — tion ( 11e'sjun). s. insebrijving. kernel& —e s v. a. in verlegenheid brengen; vet, Matrinson 'al (met rt-mo'ni-el), a. huwelijks., ateld doen stun. —edit.** a. verwarring; verechtelijk. —y (met'rt-inun-nih), e. huwelijk. baasdheid. —er, a. houten baker. —y, a. verMatrix (meetriks), 8. Zie Matriee. bluft, verward, vol kronkelpadeu. Matron (mee'trun), a. huismoeder, matsone. —al, —like, — 4, a. van (al.) eene huismoeder; be- Mazologle (me-zol'od-zjih), a. kennis der zoogdieren. dsagd; eerhaar, stemmig. Pie (mi), Pr- mij Matrons (tne-tros'), s. handlanger, helper. Itlesteoelt (mi'kok), a. laf, bloode; verwjjfd. —, Matted (met'tid), a. gevlochter., verward. a. janhen, verwede vent. Matter (met'tur), 8. stof, zelfstandigheid; onderwerp; zaak; etter; gewleht. — of fact, feit, Mead {rnied, a. made; vaide. wezenlijkheid. what is the — ? wat is er gaande? Meadow (med'o), a. weide, wetland. —bouts, pl. boterkloem. —bugle, klokbloem. —eampion, is geenazina. it Ran? no such —, wat acheelt er —pinks, pl. koekoekebloera. —grass. weidegrag. no —, het heeft Wets te beduiden. —, v. n. —ground, weidegrond. —iron-ore, weide.oer.—lark, etteren; van belting zijn. —y, a. etterig. grasleeuwerik. —rue, weidetult. —saffron, t ij loos. Mat tings (meetieng.), pl. matwerls; atroodek—sweet, weidebQksbaard. —trefoil, weideklaver. ken. —took (-tuk), 8. spade, houweel. —tress —wort, weidektuid. (-tress), s. matraa. Mature te (met'joe-reet), v. a, & n. Oh) maken Meagre (mi'gur), a. —ly, ad. maser, schraal. —nese, a. msgerheid. (woiden). —tie. (-ree'sjun), a. rtiPmaking; rijP wording; ettering. —tire (-re-tiv), a. rijpina- Ibeak (miek), a. (soon van) aikkel. Mead (mien'), a. meal; meal; maaltijd. —brimstone, kend; ettering bevordeeend. zwavelpoeder. —man, meelkooper. —meat, meet a. —ely, ad. rijp, —e, v. a. & Mestair a (me-goer') nip, —rent, belaating An meal. —sieve, mealn. rijp Timken (warden). — cam, 8. riipheid. sea. —time, etenstijd. —tub, meelton. —worm, — esceot (met - toe - resieent), a. rijpend. — ity, a. nteelworm. —, v. R. met meal bestroolen. —iness rijpheid; vervaltijd. (-i-ness), a. meligheid. Matutissal (met'joe-taj-eel), a. ochtend-, vroeg. Maudlin (maod'Iin) a. dronken, bedwelmd; dom. Mealy (mienih), a. melig; nacelach.tig. —mouthed, bedeesd; verbioemend, huichelachtig. —moutheda. leverkruid. ness, a, bedeesdheid; huichelhchtigheid. Matogre m ao'gur), ad. ondanks, in weertvil van. Maul ,rnaol'), a. houten hamer, beukhamer. —stick, Mean (mien'), v. a. meenen; van zing zijn• beteekenen; v. n. voorne.nens ztjn. —, a. midden; leunstok (bij schilders). —, v. a. beaten; misinii!delmaat; tenor. —, a. —ly, ad. laag, gemeen, handelen. going. —horn, van geringe af komet. —part, midMisused (monad', mooed'), a. mend, handkorf. delstem. —spirited, laag, verachtelijk. —time. —er, v. a. prevelen, mompelen; bedelen. —y, — while, ad. ruiddelerviijl. thurinlay (rnaon'dih-), witte donderdag. Mean der (mi-eredur). s. kronkeling, boeht. —der, Mausoleums (mao-so-li'um), a. praalgraf. 'a. a. & n. kronkelen. —drone (-drug), a. kron , Maw (trtaow'), s. maag, krop. —worn;, spoelkelig. v4orm. made. rillasvyk (maak'), a. made; slat —ingly, ad. alon- Mean lug (mien'ieng), a. meening; beteekenis. —ness, a. laagheid, gemeenheid; geringheid. —s zig, omerig. —ish, a. walgelijk; laf. —ishness, (mien.), s. rniddel, wijze; p1. middelen, inkoma. walgelijkheid; lafhuid. —a, a. slat, slons, sten; by all —, in elk gavel; by no —, in geen moreebel; pl. grillen. geval, geenazins. Maw suet Imao'rnit), a. popje, afgodabeeldje. (mies), a. vighonderdtal Iharingen) . . ;Manse a. izinderachtig; walgelijk. —y (•1e-ritil, a. vr,n de Measles' (rni"z1d), a. vol mazelen; gorttg; maMaxillae zelig, bask, van bet kakebeen. H. materialist. —ity  

nano s cryptogeld wallet


,ieekpaiin.--hork,h,,r1As. Holly r00a. —rose, cistusroosje. —tree, hoist. —wand, apitsroede. Hoists (hoolm), a. rivier-eilandje; ateeneik. 1Poloceinhat (hol'o-kaost), a. brandoffer. Holstet , (hoorstug), a. holster. holy (ho'iih), a. higlig. — cross-day, kruiRverher-day,zielliollitlity. —ghost, fleiligefleest. Heilige Land. —office, Inquisitie. —roodday, kruisverheffing. —rose, wilds sane. —thistle, gezegende distei. —thursday, henielvaartsdag. —water, NcOlvater. —waterpot. —wateratoek, wijwaterbak. —water-sprinkle, wijkwast. ,--week, Hog gerel .(hog'gur-il). —get (-git),.. tweeiarkg lige week (week soot Paschen). — writ, Heilige schaap. —gish, a. —gishly, ad- beestachtig, zwij. Schrift. nig; gulzig, vratig. —gishness, a. beertachtigheid, ',plunge (hom'idtj), a. hulde. a. huldi101, zwijneri,i; eigenbeat; vraatzucht. —r, a. huldiger. Hogshead (hogz'hed), a okshoofd, (hoone), a. hula, wooing, eigen heard; v. Holdcn (hopdul, a. boeroch, lamp, row. —, R. Home to huts; binnen 'a lands. long —, at —, derland. Wilde, rnwe mei* rows kerel, kinkel. —, v. n. (de) laatate woning. —, a. lints.; inheemach; 4101 stoelen, ravotten. duchtig. —, ad. huiswaarts; duchtig, rank, ter Mast (hojst), a. cspheffing, hijsching; broeking suede. —baked, huisbakken. --corn, —bred, in (Pence slag). —, v. a. opheffen, lichten; hijuchen, landsch; aangeboren; eenvoudig. —tuilt, in het ophijsche.n. land gebouwd. —department, department van Holty-t ► lty (ho,ftili-toj-tih), ad. huiterdetult. bInnenlandsche zaken, — driven, goed aangekomen uitgelaten. —, int. wet to drommel I (van eeu' slag). - example, famtlie-voorbeeld. Hold thoold a. vat, greep; houvast; steun; —expression, gepaste uitdrukking. —felt, innig scheepsrniin; bewarin g; hechtenis; sterkte; schazilIlevendigt gevoald. —jest, bijtende acherts. —keepto catch (get, lay, take) — at; hock; ruatpunt. —news, ing, thuiszittend. —made, eigengemaakt. to lay — on, grijpen, aangrijpen, vatten. —back. nieuws van hula; stadsnieuws. —office, mintaterie bcletsel. —fast, houvaat, kram; seek. —, int. van binneulandache zaken. —proof, krachtig behood op heimziek. NI' 8. —reason. gewichtige grond. —sick, Hold (lionld') [held], v. a. houden, hebben; be-, —sickness, heimwee. —speaking, kraehtige tart'. in - , ult. vaathouden; bevatten; 'louden voor; —spun, eigengesponuen, uit de hand geaponnen; ataande 'how:len; weerhoutien; bekleeden (een eenvoudig, lamp, grof. hnisplaats, —water, ambt). — an action, een process voeren-err. —thrust, genadestoot. waterdicht zijn. (back , terug-, aanhouden. (forth) bionic less khoorrtne.), a. zonder Vaderland; sonvoorhouden; aanbieden; voordra,9;en, (in) tegender thniskomen. —liness 1-11-neas), eenvoudig'louden; beteugelen. (oft) afhouden. (on) doorheld, grofheid, ruwheid. —ly, a. eanvoudig, plonip, zetten. (out) uithouden; nitsteken; aanbieden. row. —ward (-wurd), ad. huiswaarts. —ward(up) ophouden; ateunen. —, v. n. op-, stilhoubound, a. near 't vaderland bestemd, op de heden; dares zich staande houden; stand houden; rugreis. watt). (geldig, joist? zijn. — good, — true, ateek e (hom'i - sajd), a. manalag; doodsiager. houden; bewaarheid warden. (back)achterbli,jven, (-sardel), a. moorddadig. standhonden. (forth) preeken, vermauen. (from) Handl e0,Ie —caeca, a. preekend, afatammen; voortapruiten; afhangen; rich weervermanend; onderhoudend. —eties, pl. predik honden. (in) zich bedwingen. (off) afhouden; kunst. —ist `(horan-liat), a. kanselredenaar. —y ont , :cjjken. (on) (Ail houden, voortvaren; aanhou(hom'il-lilt), s. kauselrede. den. (out) dump; volhouden; uithouden. (to) aan- Hominy (horn'in-nib), a. maim-130,j, -pudding. kleven. (up) (Wind boucle(); ophouden. (with) het Ilommock (hom'muk), s. alleenstaande heuvel houden met, aan de zeekust. Hold er (hoold'ur), a. howler; leenberitter.—erlloinceoputh Ic (ho-mi-o-peth'ik), a. hoinceoforth, a. p -reeker; redenaar. —ing, a. pachthoeve; pathisch. —ist (-op'e-thist). a, homceopaath. —y invloed. thih), s. hoinceopathie. Hole {hool), s. gat; hol, kull. Homogene Al (bio-mo-dzji'ni-el). —ass, a. ge(hol'i-dem), a. ooze lieve Yrouw. dons Ilnll lijkaardig. —ity (-dzje-ni'it-tilit, —oneness, a. ge --day, a. heilige lag; feest-,vacantiedag; a. feeslijkaardigheid. a. —nese, telkjk, feest-, vacantie-. — ly, ad. heilig. homologous (ho-moro-gilk), a. evenredig. heiligheid. - nih). s. Zie 1Hlomlny. "Rolla (holne), Iloilo (hol-lo'), int. holla l —, a. homony (hom'un a. gelijkluidend homonym e, v. n. schreeuwen, roepen. geroep. —ass (ho-inon'i-mum), a. gewoord, naamgenoot. Holland (hoPlend), 8. flirt linnen. -a, a. hollandlijkluidend; dubbelzinnig. (ho-monii-mih), s, ache jenever. gelijkluidendheid; dubbelzinnigheid. Holt' tv (hoPlo), a. hol; vaisch. —, a. bolts, hol(boon), a. olieateen. —, v. a. op een' olielighaid; put, greet v. a.nithollen. -, eheeked, Hone steen nanzetten. met bolls wangen. —hearted, geveinsd. —netts, m. tioneut (ou'ist), a. —ly, ad• eerlijk; rechtschapen; holbeid; vfeetzal,, vets. - hen!, zwiipennueder. varkensluis. --pen, 7arkensgtat. —ringer. die varteri , 4 ringt.—'s•beuns,varkensbo , nen. — 's - bread, varkenstirood. --'s-cheek, varkenssnuit. —'s-ear, varkensoor (plant en schelp). — 'a - fennel, wilds venkel. —'s-grease, veuzel. —'s-harslets, varkensomloop. —'s-head, varlrenalcon. —'s-hearing, loos alarm. —'s - mushroom,ganzenclistel. —'s-pud ding, varkensworat. --'s-root, wilde veukel. —'s-akin, varkensteder. —stear, driejarig wild zwijn. —sty, varkenslrot. —wash, drat', spo,
DOW.—BRE. neerslachtig; ter neder geslagen. --, v. a. nedervellen; vernederen. —, ad. & prp. beneden, omlaag, near beneden; af; neder; afgeloopen. —, int. (with) weg met..1 up and —, op en neer upside —, het onderate hoven. to bear afhouden. to lie —, gaan liggen. to pay —, kontant betalen. to set —, neerschrijven. --the stream, met den stroom mede. to go — the wir.d. terutt gaan. § to be — upon, gretig aangrijpen. sam. —east, neerslachtig. —fall, nederatorting; ondergang. —fallen, a. vervallen. —haul, neerhaler, —hearted, moedelooa. a. 'telling; a. hellend. —looked, —looking, neerslachtig, bedrukt. —lying, s. kraambed; rasttijd; a. in de lcraam. —right, a. oprecht, rondborstig; bepaald; rechtstreeksch; ad. lijnrecht; geheel en al; conduit. nederzating; rusttijd. —sleepy. zeer steal. —trodden, vertrapt. —ward (-wurd), a. hellend; neerslachtig. —ward, —wards, ad. nederwaarts. —y, a. donsachtig; zecht. Dowse (dauwe), s. slag; mutlpeer. —, v. a. ore de ooren mlaan. 'Lie Donee. Doxology (duke-ol'ud-dzjih), a. port lofgezang. Dozy (doks'ih), a. bljzit, hoer. Doze (dooz), a. eluimering, dutje. v. a. alaperig maken; verdooven; v. n. dutteu, dommelen; slaapdronken zijn. Dozen (duezn), a. dozijn. Dos Incas (doizi-neas), a. slaperigheid.' —y, a. slaperig. Drab (drab), a. dof bruin. —, e. abet , lichtekooi; grof dof bruin taken. Drachna (deem), a. drachma. Drachma (drek me'), Me ► Drachm. Drano (dree'ko) a. drank (sterrenbeeld). Draft' (draar), a. draf; droesem, uitschot. —tub, spoelingkuip. —ink, —y, a. drabbig; waardeloos. Draft (draaft' , . s. trek; detachement; schetateekentrig; tratte. —'s-man, teekenaar. —, v. a. schetsen; detacheeren. Drag (dreg'), a. dregnet, sleepnet; dreg; alede. —. v. a. It n. langs den grond aleepen. —net, sleepnet. Draggle (dreg41), v. A. & n. door den madder sleepen. —tail, morsebel. ero men), s. tolk. Dragoman (dr Dragon (dreg'un), a. drank. —beam, schoor. —jiy, waterjuffer (vlieg).—'s-blood, dr akenbl oed. —s-tail, drakenstaart. —tree, drakenboom. —wart, drakenkruid. —et, s. draakje. —ish, a. draakachtig, —like, a. woedend, wont. Dragoon (dre-goen'). s. dragonder. v. a. aande woede der soldaten prija geven. —axle (dregoen eed'), a. dwang door krijgslteden; dragonade (neder Lodewi,jk XIV). Drain (dreeni), a. verlaat, afwatering; greppel, slow; riool. —, v. a. droogleggen; v. n. afwateren. —able, a. drooggelegd kunnende warden. —age, —ing, a. drooglegging. Drake (dreek), a. waard (mannetjes-eend). v, Drama (deem), a. drachme; ziertje; borrel. n. borrelen; slokjes drinken. Drama (dree'me, drem'e(, a. tooneelatuk. —tic, —tical, a. —tically, ad. (dre-met'ik), tooneelmatig; dramatisch. —list (drern'e-), a. drama- , sehrilver, tooneeldlahter. —tine (drem'e-tajz), v. a. your het tooneel bewerken. R.
291 STU —SUB. rend; t)verig in; bedacht op. to be —, zich be- Subalmoner (sub-a'mun-ur), a. onderaalmoeiiveren. —ly, ad. aandachtig; zormldig, zanier. —nese, a. leergierigheld; vlijt, tjver. Subaltern (sub'el-turn), a. ondergeachikt. —, a. ondergeschikte. —ate, a. —ately, ad. (-turn'et-), Study (stud'ih), a. studie; nadenken: studeerkabeurtelingsch; bettrtelings. —atm. (-ee'ajun), mer. in a brown —, in diep gepeins; droefgeestig. a. afwisseling; ondergeschiktheid. —, v. a. beetudeeren; navorechen; bepeinzen; v. Subaqueous (sub ee'kwi'us), a. cinder bet water. n. etudeeren• trachtea, zich bellveren. Stuff (stuff'),' f. etof; vulsel; menasel, artseni); Subastral (eub-es'trell, a. aardsch. prullen, vodden, tuig; smeer; gereedechap; hoofd- Pi...tile: ►unter (sub- atjaant'ur), a. ondervoor :anger.. saak. —, v. a. opvullen, volstoppen ((up); v. n. Subcommittee (sub-kom-mit'tie), a. subcomsick vole toppen. —ing, a. opvulling; opvttleel. missie. Stultify (stuPti-faj), v. a. gab dwaas maken. Stum (atom), a. most. —, v. a. laten gluten; ma- Subcutaneous) (sub-kjoe-tea'ni-u0, a. onder de huld aanwezig. velen. Subdeacon (sub-dritn), a. onderdiaken. —ry, Stambi a (etum-bi), a. atrulkeling. —e, v. a. doen atruikelen; belemmeren; aanstoot geven; v. n. —ship, a. onderdiakensehap. struikelen; (at) sich etoren tan, zich ergeren Subdean (sub•dien'), a. onderdeken. —ery, a. over; (upon) aantreffen, bij toeval vindeu. —er, waardIgheid (ambt van onderdeken. u. onderafgevaara. strutkelaar. —ing, a. strulkeling; --block, Subdeagate —stone, eteen des aanstoots; struikelblok. digd. —, a. onderafgevaardigde. (-geet), v. a. voor een ander, afvaardigeu. Stump (stomp'), a. stomp, stronk. —orator, volksredenaar. —, v. a. atknotten; verlegen Subdltitioua (sub-di•tisrus), a. ondergeseboven. maken; v. n. plump stappen; zwetsen. —a, pl. Saabdiversity (sub-cli-vnral-fajl, v. a. btj herhaling veranderen: vermenigvuldigen. beenen. —y, a. vol atronken; kort en dik. Subdivi de (sub-di-vajd'), v. a. & n. in olderat• Stun (stun), v. a. bedwelmen; verdooven. deelingen splitsen (geuplitat zijn). —sion (visj'• Stunt (stunt). v. a. in den groel belemmeren. un), a. onderafdeeling. Stupe (stjoep), a. betdoekja; betting. —, v. a. Subduable (sub-djoe,ibl), a. ten onder to brtnbetten. gen, to onderdrukken. Stupefact loss (etjoe-pe fek'ajuu), a. bedwel. ming, verdooving; Nerbazing; ontsteltenis. —ire, Subdue a (sub-djoes'), —t (-dukt'), v. a. wege nemen, onttrekken; attrekken. —tion (-duk'ejun),. a. bedwelmend, verdoovend; verbazend; a. bes. aft rekking. dwelmend middel. Shape( ler (stoe'pe•faj-ur), a. verdoover; ver- Subdue (sub-djoe'), v. a. tea Louder brengen, bazer; verdoovend middel. —y (-raj), v. a. ver- onderwerpen; bedwingen. —r, a. onderwerper; bedwingee, onderdrukker. douven. bedwelmen; verbazen. (-djoe'p(i-k3t), Stupendous (atjoe•pen'dus), a. —ly, ad. ver- Subdupl e, (sub'djoepl), a half. —e, e. helft. bazend. Stupid (stjoe'pid). a. —ly, ad. dam, but. lotep. Scriber ate (ejoe'bur et), a. karktuutsout. —ic (-ber'ik), a. kurkzuur. —ity (-pid'it-t1h), —nest, 0. domheid, botheid. Stupor (etjoe'per), a. verdooving, gevoelloos- Subhastation (sub-hes-tee'ejun), s. openbare (gerecbtelijke) verkooping. held; verbazing. Stupra to (atjoe'preet). v. a. verkrachten. —tion Subludication (sub-in-dl-kte'sjun), a. (-preetijun), 8. verkrachting. ding door teekens. Sturd ily (atuedil-lih), ad. —y, a. forach, ate- Subitaneous(aub-i-tea'nl-us), a. plotseling. vie; stout, driest; hardnekkig; onbeschaamd. Subjacent (en b. dzjee'sent), a. ouderliggend. —lases (-di-noes), a. forschheld; stoutheid, hard- Subject (sub'dzjekt), a. onderwerpen, onderdantg, onderhevig (to). —, a. onderdasn; ondernekkigheid; onbeschaamdheld. warp. — (-dsjekt"), v. a. onderwerpen, verpiichSturgeon (sturd'zjun), a. steur. ten, blootatellen, (to). —ion (-dajek'sjun). a. onStutter (stut'tur), a. geetotter. —, v. n. stotteren. —er, 0. stotteraar. derwerping. —ire, a. —ively, ad. (-dzjekteiv.), onderw cepa! ij k, subjectisf. Sty, Stye WO, a. varkenshok; zwijnenboel; atrontje aau het oog). —, v. a. in een varkens- Subjoin (sub'dzjojn', v. a. toe-, btjvoegen. Subjuga to (anb'dzjoe-gset). v. a. ten onder kot opsiulten. (onder bet jok) brengen. —Non (-see'sjun), r. Stygian (stid-zjl-en), a. helach. 13tyl a (stajr)., s. ett)1; trant; wijse; titel, benaonderwerping. ming; edit, griffel, natild; — of court. kanselartj- Subjunction (sub.dzjungk'ejun), a. blj-, aan. attli. —e, v. a. noemen, betitelen. —lab, a. pronvoeging. —tire, a. aangeaoegd, aanvoegend, a. aanvoegende wijs. kend, nieuwmodisch, fatterig. Styptic (stip'tikl, a. &s. bloedetelpend (middel). Sublation (sub-lee'ejun), e. wegneming. Sublet (sub-let'; [irr.], v. a. onderverburen. Suable lajoe'ibl), a. vervolgbaar in recbten. Sue elan (aweezjun), a. overreding. --sire (-ale), Sublevation (sub-le vee'ajun1, s. ophetling. Sublieutenant (sub-liv-ten'ent), s. onderint. —sort/ (-cur rib), a. overredend. Suavity (swev'it•tih), a. lielelijkheid. tenant. Sublina able (eub•lejleibl), a. sublimeerbaar. Subacid (sub-send), a. zuurachtig. —ate (ittb'11-met), a. geaublimeerd; a. sublimeet. Substation (sub-ek'eJon), a. (bet) ten onder bran—ate (eubli.meet), v. a. embltineeren; verheffen; gen; smelting.
op het ape( setten. —, v. a. verwedden; v. n. wedden. Wages (wee'dzjiz), a. pl. loon, hunr. Waggery (weg'gur-ib,), s. snake rtj. Waggish (veg'xi-j), a. --ly, ad. sehalkeebtig. —neat, a. echalkachtigheld. Waggle 'weg'gl), v. a. & n. (doen) waggelen. verwikken. Wagon (weg'un), rt. wagen, vrachtwagen. —age, a. voerloou. —er, a. veerman, vraohtrijder; eonducts!' r. Waif (reef), a. onbeheard goad. Wail (reel'), a. jammer-, weekiacht. —, v. a. & n. jammeren weeklagen (over). —ful, a. jamme • rend, droevig. —ing, a. weeklacht. Wain (wean'), a. wagen. Charles's —, de groote Beer. —house, tvagenaehuur. —load, wagenvracht. —rope, wagentouw. —age, a. wagenvracht. Wainscot (ween'skut), a. wagenachot, lambrinearing. —, v. a. (met wegenechot) beklseden, betingelen. —ing, a. wagenschot. Weir (weer), a. etuk timmerhout (6 void lang en 1 voet breed). Waist (weefttl, a. middels midi tidek, kill, —band. broekaband. —cloth, achanakieed. —coat (wee'. knt), a. vest. —rail, rahout. —skirt, halfhemdje. —era (-art), pl. kutigalten.
(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al,
verkieselijk. —eness, s. verkiesbaarheid; verkieselijkheid. Elimina te (e-lim'i-nest), v. a. de deur nitzetten; verdrijven. —lion (-nee'ejun), s. uitdrijving; verstooting. Eliquation (el-i-kwee'sjun), s. seheiding (door :melting). Elision (e-lisrun), a. uitlating. Elixir (e-liks'ir), a. uittrekeel; elixir. Elk (elk), a. eland. Ell s. el. Ellip se (el-lips'). —eis, s. uitlating; eirond. —tic, —tical, a. —tically, ad. uitlatend; ovaal, eirond. Elan (elm'), a. olm. —tree, olmboom. —en, a. olmhouteu. —r, a. vol olmen. Elocution (el-o-kjoe'sjun), a. voordracht. Elogy (el'ud-zjih), s. Zie Eulogy. Eloiu (e-lojn'), v. a. verwijderd .; verbannen. Elonga te (e-long'geet), v. a. verlengen; rekken; v. n. zich verwijderen. —tion (el-ung-gee'sjun), s. verlenging; verwijdering; uitstel. Elope (e-loop'), v. n. heimeltjk weggaan.—rnent, s. weglooping. Eloquen cc (el'o-kwens), s. welsprekendbeid. —t, a. —tly, ad. welsprekend. Else (els'), pr. & ad. enders. —where, elders. Einstein te v. a. ophelderen.—tion (-dee'sjun). a. opheldering, toelichting. Elueldat ive(e-ljoe'si-dee-tiv),—ory(-de-tur-rih), a. ophelderend, toelichtend. —or, a, toelichter, verklaarder. El ucubrate (e-ljoe'koe-bret), a. uitgewerkt. Elu de (e-ljoed), v. a. ontwijken, ontduiken. —dible, a. ontwijkbaar. —sion (-ijoe'zjun), a. outwij king, ontduikir!g. —aive (-1joe'siv),—sory (-ijea' sur-rih), a. ontwukend, ontduikend; bedriegelijk. —soriness (-1joe'sur-ri..), s. sluwb.eid, geslepenheid. Elut e (e-ljoet'), v. a. afwaaschen. —riate (-tri• eel), v. a. doorztjgen. —riation (-tri-ee'sjun), s. doorzijging. Elver (elv ur), a. jonge zee-sal. Elysi trili (e-lizj'i-en), a. elizeesch; verrukkelijk, heerlijk. a. Elysium; (de) Elizeesche velden. Emacia to (e-mee'sji-et), a. nitgeteerd, vermagerd. —te (-eet), v. a. uitmergelen, doen verrnageren; v. n. mager worden, uitteren. —tion (-ee' sjun), a. vermagering. Emanant (em'e-nent), a. voortvloeiend (from). —te (-neet), v. n. ultvloeien,voortkomen (from). lion (-nee'sjun), a. uitvloeiing. —tire, (-ne-tip), a. voortspruitend, nitvloeiend. Emanelpe te (e-men'si-peet), v. a. bevrijden;
drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng- 

cryptogeld 101 podcast


—er, a, scheitser, boerter. —ingly, ad. schertweelkistje. —house, —office, koninklijka achat- karoer. —, v. a. met juweelen versieren. —ler, send. Jole (dzjool), a. wane, koon; kop (van een' visch). n• jawelie'r. juweelen; juwelierevak. Jew C. (dzjoe'ese), a. jodin. —ish, a, joodech, cheek by. —, dichtbij; vertrouweltjk. Joil (dzj ool), v. a. met bet hoafd stooten tegen. —ry, a. (het) joodsche land; jodenbuurt. Jun y (dOol'Iih), a. —ily, ad. vroolijk, lustig. Jezebel (dzjeee-bel), s. onbeachaamd wijf. Jib (dzjib'), a. kluiver (tell); kraanarm. —boom, —iness, —sty, a. vroolijkheid, prat. —y-boat,joh kluiverboom. —guy, bakstag van den kl -alver. Jolt (ctzjoolt'k a. stoot, gehots. —head, botterik. —iron, kluiverring. —stay, boegspriettouw. —, v. a. & n. stooten; hotlen. v. a. 93 de andere zijde van den mast breugen. Jonquille (dzjon'kwi!), s. tijloos, jonquille. Jig (dzjig'), s. hopsa, boerendans. —., v. n. dan- Jordan (dzjor'dn), a, waterpot. sen, huppelen. —ger (-gur). s. huppelaar; staart- Jostle (-dreos's1), v. a. met den elleboog stooten, blok en echijf. --gash (-jos)), a. huppelend. —jog duwen. Jot (dzjot), s. jots, stip. not a --, geen tier. —, (-dzjog), s. stoot, schok. v. a. aanstippen., aanteekenen. Jlgot (dzjig'ut), a. bout, leeidestuk. Jounce (dzjowns'), v. n. schokken, stooten. Jill 'Me Gill. —flirt, slat, sieerie. Jilt (dijilt), s. coquette. —, v. a. misleiden (een' Journal (dzjur'nel), s. dagboek; degblad; jourv- a. naal. —ist, s. dagbladschriover. —ise minnaar); v. n. de coquette spelen. in het dagboek (jaurnaal) schrtven. Jim (dzjim), a. Zie Gin. Journey (dzjuerlih), s, rein, landreis. —chopper, Jingle (dzjing'g1), Zie Gingie. daglooner; gezel, knecht. —man, Job (dzjob'), s. karrewei, gewaagde onderneming; garenkoopman. ernoutwerk. by the —. bij aanneming, bij het —work, dagwerk. —, v. n. reizen. • stuk. —, v, a. steken, stooten; v. n. bij aanne- Joust (dzjust), a. steekspel, toruooi. —,v.u. torming (bij het stub) werken; ejouwen; beunhazen; nooien, een steekspel houden. windhandel drijven. —ber, s. daglooner, sjouwer; Jovial (dz)o'vi-e1), a. —ly, ad. blijgeestig,luimig. —ity —ness, s. blijgeeatigheid, vroobeunhaas; sp , eulant. —bernowl (-bur-nool), a. lijkheid. domkop. Jockey (dzjok'ih), a. rOnecht; paardentuischer; Jowl (dzjool). a. Zie Jove. —er, s. apeurhond. Jowter(dzjau'tur), s. vischjager, -kooper. bedrieger. —, v. a. bedriegen. Jocose (dzjo-koon'), a. —ly, ad. sehertserid, grap- Joy (dzjo('), a. vreugde, blijdschap; gelukwenaching. my —, mijn lief. —, v. a. verheugen; geluk pig. —ness, s. grappigheid. Jocular (dajoldoe-ler), a. —ly, ad. kortswijlig, wenschen; v. n. zich verheugen. s. vroolijkheid, ad.verheugd, blijde. —fulness, a. blijdschap. —less, sneaked'. —ity a. —lessly, ad. vreugdelOoa, --lessnesa. s. vreugsnaakschheid. deloosbeid. —au*, a. —ously, ad. vroolijk„ biijde, Jocund (dejok'und). a. —ly, ad. vroolijk, blijde. beugelijk. —ousness,a. vroolijkheid, blijdschap. —ity (dzjo-kun'dit-tih), —ness, a, vroolijkheid. Jog (dzjog'), s. stootje, achok; bezwaar. —trot, Jubil ant (dzjoe'bi.lent), a. jubelend. —ation (-lee'sjun), a. gejuich, gejubel. —ee (-lie), a. eeuwv. a. a. sukkeldraf; slendergang; a. sukkelend. feast; jubeijaanjubelfeest. horten; aanatooten; v. n. ejokken; (on) voortauk- Juda is (dzjoe.dee'ik), —ical, a. —ically, ad.(-ikl-), kelen. —ger (-gur), s. sukkelaar; stenderaar. Joggle (dzjorgt), v. a. hcliudden, hutselen; v. a. joodseh. —ism (dzjoe'de-izrn), a, het joodschegedrentelen, strompelen; waggeien, nchudden. loot —ize (dzjoe'de-ajz), v n. joodsche gebruiken John (dzjou' ► , 0. Jan; keret, vent,kinkel.—ct-dreams, waarnemen. droomer. —apple, paradijsappel. —bull, het en• Juddoeli (dzjud'duk), s. haarsnip. Judge (dzjudzj'), e. redder; beoordeelaar. — gelsche yolk. nal, strafrechter. — lateral, assessor, bijzitter.—, Join (dzojn'), v. ft. tamenvoegen, verbinden (with); toevoegen (to). — :battle, handgemeen warden. v. a. richten, veroordeelen; beoordeelen; v. n. v. n. be- rechtspreken; oordeelen (be,from, naar. of over). - interest, gemeene zaak maken. —r, s. veroordeelaar, beoordeelaar. —ship, a. rechleaden (to); zich vereenigen; instemmen; (in) dealsemen aan. —der, s. samenvoeging, vereentging. terschap. —er, a. schrijnwerker. --ergs,s.schrijnwerk.—ing, Judgment (dzjudzj'ment), s. oordeel; vonnis. in a. samenvoeging; scharniee; voeg. my —, near mikjn oordeel. —chamber, —hall, racistJoint oizjojnt')., s. gewricht, geld; scharnier; zeal. —seat, rechterstoel. knobbei; bout. out of —. uit het lid. —, a. ver- Judicat awe (dzjoe'di-ke-tiv), a. beoordeelend; — eenigd,gemeenechappelijk.—business,compaguie- faculty, oordeelskracht. —ory, a. rechteriijk, geschap. —heir, mede•rfgenaam. —stock, meat- rechtelijk; a. gerechtshof, rechtbank; gewkisde. schappelijk kapitaal. —stock , company, mast- —ure (-tjoer), s. rechterlijke macht; gerechtshof. schappij in aandeelen. —stool, vouvistoel. —, v. a. Judici al Ictsjoe - dierel), a. —ally, ad. —ary (-i-erih), a. rechterlijk, gereehtelijk. —ary(-1-e-rih), a. tamenvoegen; ontleden. —er, a. ploegsehaaf. ad. gesamenlijk. —ress, rechtertijke macht. —ous, a. ously, ad. oordeela. zonder geiedingen. kundig, verstandig. —ousness, a. oordeel, yens. bezitster van een weduwgoed. —are, (-joer), s. stand. weduwgoed. Joist (dzjojst), a. dwarsbalk, ebb. —, v. a. net Jug (dzjug), a. kruik; nachtegaalsleg. —, v. n. slaan (van den nachtegaal). balker, (ribben) voorzien. Jack a (dzjook), a. scherts, kwinkslage —e' v. a. Juggi a letzjug'gt). a. goocheletnk. —e, v. a. gooAMP.; bPKOochelel); V. u. goocheleu. —er, N. your tea gek ho ► deo, v. in. aches - taco (at. .05),
33fi woordenrijk; anapziek. —osenese (-boos'), —osity. l Vertfistnoub (var-tid'zji-nus), a. drasiend; dui zellg, —nese, a. draining; duizellgheid. (-bois'it-tih)., a. woordenrijkheld, anapaehtigheid. Verd ancy (vueden-sih), a. groenheid. —ant Vicirtlogo (gur-taj'go)-ti'iro),. duizeling. a. groan; bloelend. —ere, (-dur-ur), a. houtvester. Vervain (vur'vin), a. bzerkruld. i Very (ver'ih), a. wear, werkelijk, eeht; de-, hetVerdict (vat'dIkt), a. uitapraak, beelleaing. I zeltde; zelfs, —, ad. zeer. Verdigris (var•d•-gries'), a. kopergroen. Verdur a (vurd'joer, -jar), a. groan. —.8, a. V•sic ate (vea'i-keet), v. a. met eene trekpleta- , ' groenend, groan. ter beleggen. —ation (-kea'ojun), s. blaartrekvereculid (ver'e-kuud), a. be.seheiden, Actium- king. —atury (ve-eire-tur-rit), s. trekplefater. achtig. —ity (-kund"it-tlh), a. beieheidenbeid, —le (-1k1), a. blaoaje. —ular (ye-OW.106,1er), n. blaas-; bl000vnrinig; hot. —Mute (ve-sik'jee n let), echeamachtigheid„ Verge (vurdzf). a. ataf, roede; spit; rand, zoom; a. vol blues)ea grene; reentagebied, —, v. n. neigen, hellen; Vesper (veu'pur), a. wonds , er; avond. —a (•pars), I pl. vesper, avonddienst. —tine (-tajn), R. avant-. overgaan (to). —r„s. statdrager. faj-/b1), a. bewijabliar.—ication Vespiary (veepi•er-rlh), a weepen-, btjenneet. Verifiable (-it-i-kee'sjun), s. onderzoek, waermaking, be- Vessel (vea'Al), a. yeas, kom; vaartuig, schip. krachtiging. —ter (-faj-ur), a. onderzoeker, be- Vest (vest), a. owaid; bole, vent. —, v. a kleekrachtiger. —y v. a. onderzoeken, waar den; bekleeden; in het bezlt atellen; beleggen; v. U. (in) overgaan op. —wry, kleedkamer, geroaken, bekrachtlgen. derobe. ad. voorwaar, waarlijk. Verily ( (ver-i•eim ler), a. waarechijn)tk. Vestal (veeteD, a. vestaalseh, knieele. —, a. vetsVerimmil taalsehe neasscd. s. waarisehijnlijkhe/d. Vern able (verl•tibl), a. —ably, ad. wear; echt. Veat tad (veat'id), a. ten deal gevallen; vastgetteld. —iary (lt-a-rth), a. kleedkarner. (-1-bjoall, —y (-It.tih), a. waarheid. a. voothuie, porteal. —ige ( Ida)), a. voetatap; VerJuice (vur'dzjoea), s. sap van onrijpe appelen spoor. —meat, a. gewaad, kleeding; misgewaad. of druiven, verjuts. Vermicul ar (our milejoe-ter). R. wormvormlg. Vestry (ves'trih), a. sakriutle; kerkeraad. —board, —ate (-leet), v. a. wurmvormig inleggen. —ration —keeper, koater. (-lee'sjun), s. inlegging; kronkeling. —e (vur, Vesture (vest'joer), a. kleedIng, gewaad. milt Joel), a. wormpje. —use (-loots) --out, a. Verb (vetsji, a. wikke. —nag, a. epurrle. —y, a. wikke-; van wackeetroo. wormt g; wormachtig. Vermlf wren (vnym'i-form), a. wormvoratig. Veteran (vet'ur•en), a. beproefd, eriaren. —, a. oud-gediende, beproefd krkjgeman. —age (fieedz,j), a. middel tegea de wo?reee, Verrallion (vur•mil'jun), a. vermiljoen. —, v. a. Vaterinar Ian (vet-ur-i-nee'rl-en), a. veeartc. —y Ivet'ur-i-ne.r:), a. veeartsenij-, — school, rood lerven. Vermin (ruemin) a. ongedierte; gespuis. --ate veearteenijeehool; — surgeon, veearts. I•eet), v. n. ongedterte voortbrengon. —Oki* Veto (vi'co), a. verbod, afkeurende stem. ( ee'ffijun), a. voortbrenging van ongedierte. Vex (vein'), v. a. kwellen, ergeren; verontrusten; v. n. verdrietig zijn; zich ergeren. —ation (-ee• —ous, a. ongedierte voortbrengend. Vernacular (cur-nek 'j oeler), a. inheernsch, va- sjun),akwelling; ergernis; verentrueting.—atious, a. —atiouely, ad. (-ee'sjus.), kwellend; ergarlijk. derlundeeh. — tongue, rnoedertaal. Vern al (vur'nel), a. van de lente, lente-. —ant, moeielijk. —atiotssness (-ea'ajus..), a. kwelling, ergernis, verdrietelijkheld. —er. a. kweller. —ing, a. groenend, bloelend. a. draaibaar) veranderlijk; a. —imply, ad. kwellend, ergerlijk. Versatil a haiwam. —eness, —ity (-tll'it Oh), a. drani- Via (vars), ad. over,langs. Via bin (vaj'ibl), a. tot leven gesehlkt. bitily baarheid; veranderlijklieid; buigtaamheid. Vera a (vane), a. Vera. e, v. a. berijmen, been- (-e-bil'it-tih), thlevensvermogen.—duct(-e-dukt), gen. —ed (Vtl,t) R. ervaren. bedreven (in). a. viaduct. boogbrng. ( -ikl), a. vereje —icolored (-1-kul'urd). a. Vial (vspel)., a. llesebje. veelicieur)t.T. —ificatiou (-if-i kee'sjun!, a. rijo, Viand (varend), a. (vieeseh.), epije), gerecht. kunst; verabauw. —ifier (-i-faj-ur), a. berijtner, Vlatic (vaj et'lk), a. van eene (de) rely —ern. a. verzenrneker. —ify 040), v. a. berijmen; v. n. relegeld, teerpenning; eakrament dee avondmaals (ban een' stervende). verzen nnaken. 'Went • (varbreet), v. a. & n. (taco) erillen, Version (vur'sjun), a. verandering; overzetting. slingeron, sehommelen. — ion (-bree'sjuit), a. Verauto (vur-ejoet'). a. listig, slaw. (-bre-tie), —cry (-bretrilling, slingering. Vert (vurt), a. green; kreueelhout. tur-rih), a. trlilend, slingerend. Vertebra (vur'te- bre), a. wervelbeen. —I, a. war- eel-, gewerveld; ruggegraats, —te (-brat), —ted Vicar (vik'ur), t. plaatsvervanger; hnlpprediker; a. vleartaat; pre( bree.tid), A. gewerveld. —te (-bret), a. gewer- vicarls; dorpapredikant dikantselaats, -wooing. veld Bier. Ver teber (vuete-bur), a. wervelbeen. —tax Vicar int (vi-kee'riel), a. predikanlo-; pleats(-teka), a. top; kruin; toppunt. yervangend. —hate (-et), —ions, a. piaatave rvanVertical (vuetik1). a. —ty, ad. loodreeht. —neat, gent. —fate (-et), a. plaatavervanging. —ship (vileOr.), a. vicartaat. . loodrechtheid. Vartleity (vur-tia'ait-t1h), e. omdraalIng, on, Vice (vale), a. ondeugd; gebrek - gratip; haneworet. v. a. dwingea; verleiden. wenteling; richtingskraeht.
verkieselijk. —eness, s. verkiesbaarheid; verkieselijkheid. Elimina te (e-lim'i-nest), v. a. de deur nitzetten; verdrijven. —lion (-nee'ejun), s. uitdrijving; verstooting. Eliquation (el-i-kwee'sjun), s. seheiding (door :melting). Elision (e-lisrun), a. uitlating. Elixir (e-liks'ir), a. uittrekeel; elixir. Elk (elk), a. eland. Ell s. el. Ellip se (el-lips'). —eis, s. uitlating; eirond. —tic, —tical, a. —tically, ad. uitlatend; ovaal, eirond. Elan (elm'), a. olm. —tree, olmboom. —en, a. olmhouteu. —r, a. vol olmen. Elocution (el-o-kjoe'sjun), a. voordracht. Elogy (el'ud-zjih), s. Zie Eulogy. Eloiu (e-lojn'), v. a. verwijderd .; verbannen. Elonga te (e-long'geet), v. a. verlengen; rekken; v. n. zich verwijderen. —tion (el-ung-gee'sjun), s. verlenging; verwijdering; uitstel. Elope (e-loop'), v. n. heimeltjk weggaan.—rnent, s. weglooping. Eloquen cc (el'o-kwens), s. welsprekendbeid. —t, a. —tly, ad. welsprekend. Else (els'), pr. & ad. enders. —where, elders. Einstein te v. a. ophelderen.—tion (-dee'sjun). a. opheldering, toelichting. Elueldat ive(e-ljoe'si-dee-tiv),—ory(-de-tur-rih), a. ophelderend, toelichtend. —or, a, toelichter, verklaarder. El ucubrate (e-ljoe'koe-bret), a. uitgewerkt. Elu de (e-ljoed), v. a. ontwijken, ontduiken. —dible, a. ontwijkbaar. —sion (-ijoe'zjun), a. outwij king, ontduikir!g. —aive (-1joe'siv),—sory (-ijea' sur-rih), a. ontwukend, ontduikend; bedriegelijk. —soriness (-1joe'sur-ri..), s. sluwb.eid, geslepenheid. Elut e (e-ljoet'), v. a. afwaaschen. —riate (-tri• eel), v. a. doorztjgen. —riation (-tri-ee'sjun), s. doorzijging. Elver (elv ur), a. jonge zee-sal. Elysi trili (e-lizj'i-en), a. elizeesch; verrukkelijk, heerlijk. a. Elysium; (de) Elizeesche velden. Emacia to (e-mee'sji-et), a. nitgeteerd, vermagerd. —te (-eet), v. a. uitmergelen, doen verrnageren; v. n. mager worden, uitteren. —tion (-ee' sjun), a. vermagering. Emanant (em'e-nent), a. voortvloeiend (from). —te (-neet), v. n. ultvloeien,voortkomen (from). lion (-nee'sjun), a. uitvloeiing. —tire, (-ne-tip), a. voortspruitend, nitvloeiend. Emanelpe te (e-men'si-peet), v. a. bevrijden;
AFS.—AFW. 391 Afatutven„ on. w. to fly off; to rush out of. Atvaren, on. w. to break off (by tailing agoinst); Afoturen,ov.w. to steer off; to despatch. on. w. to depart, to go off ; to go down. Afoul/en, on. w. to slide (to slip) down. Along en, ov. w to wipe (off). —er, m. wiper. Alta/Le/en, ov. w. Zie Onttokelen. Afverg en, ov. w. to require to eruct (from! --er, m. exatiter. —ing, v. requiettion, exAfteepp en, ov. w. to draw off; to bottle; to action. tap; to drain ; blued —, to let blood, to bleed. —er, m. tapper. —ing, v. drawing off; tapping; Afverven, ov. w. to paint entirely; on. w, to bloodeletting. lose its color, to lode, to dye, to stain. Afteeken ear, m. delineator, eketcher. —en. on. AfvUt en, ov. W. to file (off). —er„ m. flier. —eel. o. w. to sign; to mark out; to draw, to delineate, on. w. to flay —, to strip (off). to sketch. —into v. signing•; marking; drawing, Atvisechen, ov. w. to empty by fibbing; to Skim. delineation, sketch. Aftellen, on. w. to tell apart, — off, to count out. Afvtelen, on. w. to obtain oy dattery. ArvIllegen, on. w. to fly off, — down. ov. w. to lift (to twice) off. Afvlieten. on. w. to flow (to run) down Aftlppen, ran. w. to point off, to nib. Aftoblben, on. w. to tire out, to harass. sic.% —, Af vtUrnen, ov. w. to cut off, — away. to drudgo, to slave. Afvtoet en, on. w. to flow down. —ing, o. flowing down. Aftocht, m. retreat, marching off. Atvotor, m. conveyance, transport. —en, on. w. Alfloncoen, on. w. to set buoys along. Aftoomen, on. w. to unbridle, to unbit. to carry off, — down, to lead off, — away, to Aftoppen, on. w. to top, to lop. convey; to transport; to abduct; to deterge, to expel. —end, by. detergent, excretory. --ing. v. Aftornen, ov. w. to uniew, to rip off, — up. carrying off, — down; abdocnon; abetereioo. Aftonwen, on. w. to bang, to drub, to rib-roast. Aftrappen, on. w. to kick down, — off. Atvorder en, ov. w. to require —, to exact (from); rekening —, to call to account. —ing, v. demand, m. descent, step. —en, ay. w. to kick exaction. off; to pace, to measure by poesy ; on. w. to descend; to walk (to step) down, to step off, to Atvrag en on. w. to ask (ot ), to Interrogate. —ing, v. interrogation. deviate (from); to leave, to go away, to reatgn, to make one 's exit. —ing, v. pacing; exit; de- At vreten, ov. yr. to eat off, to knapple, to browse. Aterleeen, or. w. to freeze off, to ba bitten off viation; rerigration. by cold. Afreek, m. deduction, abatement; salt, demand. —ken, on. w. to draw (to pull) off; to withdraw; Afvuren, or. w. to fire (off) to discharge. to divert, to turn off; to strip, to day; to deduct; Afvvonlen. ov. & on. w. to blow off, — down. to subtract; to bottle; to infuse, to make an ex Afavaarts, bw. downward. traction of; to discharge: on. w. to go away, to Afweiebt en, on. W. to wait (to stay) to,, to a, lift; to abide. —ing, v. expectation. depart, to withdraw ; to retire, to rotreot, to march off. —ker, m. trigger; eubtracter. —king. Atvitiken (Meta), t. w. to fatigue one 'a self by watching or Rifting up. v. drawing off; deduction; subtraction. —eel, o. Alwatten, on. w. to , wall (to fence) in, to extract, decoction. secure. Aftroeven, ov. w. to trump; to give (R. .) a, tart reply. Alweandelen, on. ay. to walk to the fold of; on. Aftroggelen„ ov. ve. to obtain by coaxing, to w. to come (to walk) down, to descend. Aftveseth en, on. w. to wash. — off, — away. wheedle (a. o.) out of. —ing, v. washing off, lotion, ablution. Aftronornelen, on. w, to proclaim by the beatAfsvietee •-n, ov. w, to drain; on. w. to flow off. ing of drums. y. flowing off; drainage, draining. Aftrompetten, ov. w. to proclaim by sound of Afweok en, , an. W. to loosen by soaking; or. w. trumpet. to fail off. — lag. v. waking. Attroonen, on. w. to obtain by flattery; to draw Afweer der, m. —ster, v. repeller, repulser. off (to divest) from. Afweg, no. by - Way, way about, side way. np — en Aftnigen, ov. w. to unharness. geraken, to take oad cower,. Aftuitnelen, on., Yr. to tumble down. Afwmardig en, ov. w. to deepatch,i.a depute, to Afweg enc, on. w. to weigh; to adjust, to meta.• delegate. —er, m, despatcher, conatituent. —ing, tore. —er, m. weigher. —tog, v, weighing; adjuoting, measuring. v. despatching, delegation. Afweld en, or. w. to grate off, to browse; on. Afvenrt, v. vetting out, departure. w. to digress. v • digression. Afwal, m, falling off, — down; windfall; refuse, waste, trash, rubbish; offal, garbage, giblets; Afevend en, ov. w. to turn off. — *Ode; to avert, shavings, parings, clippingo, orts, dirt ; deflec- to divert; to parry. —ing, v. diversion. tion; forsaking, defection, desertion, Apostasy. Atwell.' en. ov. w. to dieaccuetom --, to deuce /.0m,, to brook of; to wean. --ing, v. diemige, —len, on- w. to fall off, — down; to grow thin, breaking ol; wooing to decay, to decrease, to decline; to deflect; to contrast (with), to differ (from); to apostatize, At wentel nsa, ov. w. to roll off, — dawn. —ing, v. rolling off, — down. (ran) to forsake, to desert. —lig, by. disloyal, unfaithful, apostatical; worden, to turn apos- Afovo,r en, ov. w. to wart off, to parry; to aver), tate. —ige, m. & v. apostate, renegade. big, v. a rAllk; off, por.ying; to prevent. v. disloyalty, apostaey.
A . 1,` rondborstig. —stocks, Wilde gewaes,n. —stone, Frame (freemn, s. bouw, sane enetel; etellaadje; hardsteen. —thinker, vrijdenker.• —warren, vrije antwerp; raam, lijst, vorm; orde, regelinat,g- wil; vrijwilligheid. held; spant, inhout. — of the mind, geinceds- jacht. gesteldheid. —knitter, kouseuwever. —.w, trek- vrije vrouw. Free (frie'), v. a. bevrtjden, vridetellen; vrij mazaag, cpauzaag. —work, raariwerk, lijstwerk. —r Frans :a (freem"), v. a. in eene lijst zetten; van ken. —dont, a. vrijhei4; vrjidom; voorrecht. (frie'ur), a. vrijmaker; bevrijder. —ness, s. vrijpas maken, inriehten, vormen, rnaken; uittlen- heid; openhartigheid. ken, ontwerpeo. —er, a. vervaardiger; ()rawer- per. —ing, a. samenstelling; timmerwerk; om- !Freed (fried') a. vrijgemaakt. —man, vrijgelatene. Free. e (frlez') [froze. frozen (fro l zn)], v. a. trek. doen bevriezen; v. n. vriezen; bevriezen. Frasuposid (frem'poold), a. knozrig, gemelijk. point, vriespunt. Franc (frank), s. frank (geldstnk). vrijdom,,00rrecht, vrij Freight (freer'), a. lading; vrachtprijs. —, v. a. Franchise (fren'tsjiz), beladen, bevrichten. —er. a. bevrachter. terrein (distrikt). —, v.- a. vrijdom verleeuen, French (frentar) a. franseh. — bean, snijboon. vrijatellen; vrij maken. —meat, s. vrijstellikg. cowslip, Franciscan (fren-sieken),s.franciskaner monnik. — chalk, teekenkrbt ; meerechuith — a. breekbaar• aleutelbloem. — disease, — pox, spaausche pokFrangi ken. —horn,waldhoren. —niarigold,fluweelbloern. heid. —ble (fren'dzjibl), a. breekbaar. noneFrank (freak') a. —1y, ad. vrij; mild: openhar- to take — leave. met stille trom (meta.de verfranderzon) vertrekken. —ify (-i•faj), v. tip;; vrti van boaters. —, a. Frank; gefrankeerde schen. brief; varkenakot. —, v. a. fraukeeren; opprop- a. waanzinnig. Frenetic (fre-net'ik). vrij nets e vetmoaten. —(in, a. ►ezitter van Frenzy (fren'zih), a. wan'nzin. goed. -11.11, 8. openhartigheid. Frank - 0111°4n (frenk-el-moja"), a. ker'.;goed. Frequen ce (frie'kwena), a, menigte; omenFrank bc.nk 4 (frenk'benk), a. weduwgoed. loop. —0, s. herhaaldheid, menigvuldigheid; —fee, toevloed. — t, a. gedurig; menigvuldig. —tly, vrij pachtgoed. —chase, vrije jacht. —farm, s,d. gedurig, dikwijls. --tenement, vrij leen. —fold, driftrecht. —incense, equent (fre•kwentl, v. a. dikwijls bezoeken; wierook. —law, vvettig recht. —marriage, geede- verkeeren met. —ation lfri-kwea-tee'sjun), s. (het) ren-substitutie door huwelijksverdrag, —pledge, (•te-tiv), gedurig bezoeken; druk verkeer. borgtocht van ean' vriiburger. a. lterhaleerd; a. werkwoord van berhallag.—ed, razend, -waart- Feetiatic (fren'tik), a. —ly, ad. a, veel bezecht. —er, a. gedurig bezoeker. —nesd, a. razernii. Fresco (freteko), a. frtschheM; donkerheid; Feap (frep), v. a. ajorren. freseo - sehildering. Frappish ifrep'pigp, a. snorrend, kniezerig. Fratern 3.41 (fre - tur'nel), a. —ally, ad. broeder- Fresh (fresj), a. —1y, ad. versch, frisch; (nieuw; onverrnoeid. —blown, bloeiend. —man, nieuwe• —ization broedersehap. li;k. —ity (-nit-till), 3. ling; groen. —warship, a. nieuwelingschap. —new, (tret-nr-niezee'sjuzi),s. verbroederinge—ize (-neje), nieuwbakken; onervaren. —shot, stroom wet v. n. broederiijk leven. water (in zee). —water, s. zoet water; a. onerFratricide (freCri-sajd), 8. broederntoord; brae- dermoorder. Fraud. (traod'), s. bedrog. —ful, a. —fully, ad. Freak (fre , j'), a. zoet water. —, —en, v. a. verfrisscben; v, n. frisch worden. —es, —et, a. bebedriegelijk. --ulence (-joe-lens), a. bedriegelijk- a. frisehheid, venwater, rivierzwelling. heid. —7,:ent, a. —ulently, ad. (-joe-lent-). be- verechheid. driegelijk. tad* re'raught (fraot'), a. bevracht, geladen; vol (with). Fret 'free), s. rioting; ergering; greep; info —age, s. vracht. rijzend week; zeetngte; buikkramp. to put metFray (free), a. gevecht; ruzie; glee (in etoffen). a —, boos maken. —saw, meekzaag. —work, wilting —, v. a. v,echrikken; wrxjven. v. slijten. seiwerk met verhevenbeden. —, v. a. in breugen; ergeren; afslijten; invreten; metselen —, v. a. spikkelen, Freak (ftiek') s. grit, met verhevenheden; v. n. in gletiniezijn; wegvrebout maken• —isn, a. —ishly, ad. grills. t en; zieh ergeren, kniezen. to for anger, toornig -ishaees, a. grilligheid. —fat, a. —folly, ad. gemelijk. —fatness, s. gee zije. Freans (frietn), v. a. brormeerr (al,t een beer). mei)jkheid. —ter, s. kniezer. —ty. a. met verFrecki e (frek'111), s. eproet; vlekje. —e, v. a. heven werk versierd. sproetig reaken; v. n. sproetig vaurden. —ed, IVembility (fraj-e-bil'it-tih), 8. vergruisbaarheid. a. sproetig; vol vlekjes. ad• or)); vrijmoedig, gerneeu- Friabie (frertb1), a. verg,ruisbaar. —ness,s. verFree (frie'), a• zoom; ongebonden; mild (of,. —bench, weduw- gruisbearbeid. slecht afgedrukt proefgoed. —hooter, vrkjbuiter. —booting, vrtjbuiterij. Friar (f,ai'er), a. monnik; brad. white —, domiuskaan. gray—, franciakaan. -bern, vrijgeboreit. —chapel, bijzondere bagel. beriedictijn. —'s-cowl, monnikskap. )slack —cost. vrijdom van onkosten. —denizen, vrij- dwaallicht. —y, a. mounikachtig; a. burger. —footed, onhelemmerd. —hearted, gill; openhartig. —hold, vrij leen. —holder, bezitter monuikerklooster. van een vrij leen. —man, vrijman, poorter. ['ribble (frib'b1), a. —. beuzelaehtig, —r, beuzelaitr, ant. — , v. n. beazelen. -mason. vrijmetselaar. — masonry, vrijmeteelarij. ealsie'); a. ;efruit vleeecb. , —school, Fricassee (frIk• m inded, onbeschroomd; onbekonterd — minded, a, at . fruit ,n, vrijehool, armeneehool. —spoken, —tongued,

Hoe werkt Facebook geld verdienen op Weegschaal


Arbooken, ov. w. to book, to enter. Afboesann, ov. w. to rub Ito scrub, to brush) off; to drive a way., Arbooten,ov. w. toatone for. A fb urgen, or. w. to borrow (from). Afbortatelea,or. w. to brush off, — away. Afbottelen,ov.w. to bottle (off). Afberenk, v. pulling down, demolition; rubbish, materials. voor for dernoliehing, for rubbish. Af bras/den, ov.& ou. w. to burn (down off). Afbrek en, or. w. to break off; to pull down, to demolish, to strike; to interrupt, to stop, v. lireeking off; pulling down; rupture. Afbreuwei.a, or, w. to bring off, — down; to dissuade (to divert) from; to set afloat &pin; to *aye; to coins off. Albs euk, v. wrong, injury, damage, prejudice. -- do., to wrong, to injure, to hurt, to damage, to prejudice, to derogate; to hares. Albrortalafers, or. w. to patch up. All.unkkal en, ov. w. & cat. w. to crumble down, — off, to scale elf. —ing, v. crumbling off. Albs, limber., On. W. to tunable down. Affiltek, o. pent house, pentiee, shed. AfriAll en, on. w. to go (to cone) down, to de. acen.i; to condescend (to). --ing, v. ile,Canf; condeacemion. Afrionineen, or. w. to keep cif by a dike; to datn up, to embank. Afdonnik en, or. w, to discharge. to discard :, to dimnies, to cashier, to diebriol; to ivy up. —tog, v. dnicharge, &emit:Ise!, diebandintr• Afdret *,/11, or. W. to divide, to close, to parcel out. —fog, v. dividing; dieter., section, ;bragraph, head. Afdehxzen, on. w.to withdraw. to retteat. Aidekken, or. w. to uncover; to clear (the table); to helabor,to drab. Aiding en, or. & on. w. to , heapsn, to abate, to beet down the price, to haggle or. —sr, m. —slur, v. c heapener, haggler, bergainer. Arcing., ov. w. to put (to 'strip, to pluck, to tyke) off; to w ipe off, ;o clean; to bring to a cove, to put an end to, to terminate; to rumble; to clear, to pay off, —d, be. derisive. —ing, v. tnking off; eettlement„ clearing, liquidation, trAnnnction. Ald ► kkest, on. w. to come down. Aldermen, cn w. to wither And fail off. Afdranien, ov. w. to turn (to wring) off; to finish on the lathe; on w. to go off. Aldragen, or. w. to carry down; to Wear off, — out. sec* t. w. to cease bearing fruit. AfdrUs, en, ov. w. to drive away, to repulse; to invite. to Anterite, to provoke aciortiou; on. w. to be driven off, to float dotes. —end, by. glisten/tee, abstereent. — ing, v. driving &wily, e'rsterston; floating down. AldrIngea, or. w. to push off, — down. AfdrInken, or. w to drink off; to drown (a quarrel). taut 0718 het —, let Un make it up over a bottle. Aldrrsgen, or. or to wipe off, — dry, to dry up. Afdruipen, on. w. to drop (to drip, to trickle) down. to drop off; to steal (to slink) away. Afdruk, m. copy; print; mark. —ken, ov. w. to 13
don’t use coinbase. They held my funds and I couldn’t use my bitcoins until their value dropped by 1/4. this company is awful. I verified my ID, bank account, email, and everything and they lied and said initially it takes 3-4 days for funds to be available. once the bought the bitcoin they said it will take one week. and that is still a lie because after one week the funds are NOT available. liars !!!!

Is het legaal om de mijne voor Bitcoins

×