Geen inmenging in het interne beheer en de klantenrelatie : Veel bedrijfsleiders willen hun klantenrekening veiligstellen en tegelijk de controle behouden over hun commerciële beheer en hun risico van niet-betaling autonoom blijven beheren, zoals ze dat gewoon zijn: zonder extern opgelegde kredietlimieten en zonder externe inmenging in hun relatie met de klanten. tc-re.com

top 6 cryptogeld


On 30 May, 2018, the European Commission adopted its proposal for the next Erasmus programme, with a doubling of the budget to 30 billion euros for the period 2021-2027.[14] Further negotiations were expected to take place during the 2019-2024 European parliamentary term with the European Parliament and the European Council before the final programme is adopted.[15]

EV. Dinsfini to (dis'si-peat), v. a. verstrooien, verkwisten. —ted, a. losbandig. . —tion (-pee'sjun), a. verstrooitug, verkwisting. Dissitscits —/ (-el), a. ongezellig. —te (•eet), v. a. ontbinden, scheiden. (-ee'ejun), s. ontbinding (van ten genootechap). Dissolu ble (dia'eo-ljoebl), a. oplosbaar, ontbindbaar. —te, a. —tely, ad. ongebonden, losbanchg. —teness, a. ongebondenheid. —tion (-ljoe' sjun), s. ontbinding; vernietiging; dood. Dims°iv able (die-solv'ibt), a. oplosbaar, emeltbear. —e, v. a. op;ossen, ontbinden; scheiden; te niet dote; opbreken; v. n. smelten. —ent, a. ontbindend; s. oplessend middel. DissAtman ce (dis'so-nens), a. wanklank. —t, A. wanluidend; strijdig. Dissua de (dia-sweed'), v. a. afraden (from). —der, a. afrader. --sion (-swee'zjun), a. afrading. —tire, a. —sively, ad. afradend. —sive, a. ontreding. Lissyila bic (dis•eil-leb'Ac), a. tweelettergrepig. —ble a. woord van twee lettergre pen. Distaff (dis'taat), s. apinrokken; (het) vrouwelijk geslacht. —thistle, gele distel. Distain (dis-teen'), v. a. bezoedelen; schandvIekken. Distan ce (dis'tens), a. afstand; terughoudend• heid; eerbied; v. a. aehter zich laten, overtreften. —t, a. (from) verwijderd, tang geleden; niet duidelijk; bede.d; achterhoudend. Distaste dis• t( eat'), s. tegenzin, afkeer. —, v. a. tegenstaen; ergeren. —ful, a. —fully, ad. walgelijk, stuitend. —fulness, a. wansmakelijkheid. Distemper (dis tem'pute, a. ongelijkmatig mengeel; ongesteldheid; kwade loin; wenord.e. v. a. oLgesteld maken; storen; verontrusten. --azure (-e-tjoeri, s onmatigheidl; verstoordheid. Distest d dis-tend'), v. a. uitspannen. —tible (-ten'eibil, —sire. a. uitrekbiar. —t, a. uitgerekt; (with) opgeblazen. —lion (-ten'sjun), a. uitrelating; uitspreiding. te idie-tuemi-neet), v. a. afseheiOen. —lion (-nee'sjun), a. afscheiding. Digtich (dis'tik), s. tweeregelig versje. Distil (dis•til';, v. a. overhalen; v. n. afdruiden. —lotion 1-lee'sjun), s. overhaling, afstoking. —ter, s. brander; (jenever-) stoker. —lery, A. atokerij. (dis-tinkt'), a, onderschealen. —ion (•tink'ejun), s. onderscheiding; oordeel; aanzien. —ive, a. —ively, ad. onderscireidend. —ly, ad. onderecheiden, duidelijk. —nest, a. duidelijkiteid. Distinguish (dis-timegwisj), v. a onderscheiden. —able, a. te ondersrheiden. --ed, a. wink. —er, a. onderacheider. —ingly, ad. onderseheidenlijk. —ment, a. onderscheichug. Distort (dis - tort')., v. a. verwrirgen. —ion (-tor' civic), s. verdraaiing; verdorvenheid. Distract (dis-trek'), v. a. aftrekken; kwellen; ontroeren; verbijsteren. —ed, a. —edly, ad. vvaanzinnig. —editess, a. waanzin. —ion (-trek'sjun), s. attrekking; afgetrokkenheid; versrtandsverbijstering. —ire, a. verbijsterend. Distrain (dig-treen'), v. a. & n. in beslag ne-
sterkte; vesting. zonderlingheid, we.nderlijkheid, grilligheid. FesWasy(fen't , -sih),s.inbeelding;vesbeelding,gril. Fastidious (fes-tid'i-us), a. -'ly, ad. minach. tend; trotsch; kieskeurig; waigelijk. —ness, a. ad. ver. afaelegen; aanmerkelijk, Far (fear'', a. veel. by —, op verre na. — and near, naar alle minachting, trotachheid; kieskeurigheid. hasten. — and wide, wijd en zijd. —about, ad. Fastiginted (fes-ti-dzji-eet'id), a. spits, puntig. tangs ee,' osnweg; a. omweg; wijdloopigheid. Fastnous (fest'joe-us). a. trotseh; hoovaardig. —fetch, kunstgreep. —fetched, vergezocht. — in Fat (fee), s. vet: vleezig; dik, vruehtbaar. —brained. years, op j men. — off, ver-af. —most, a. verst. —witted, dom. —, v. a. vetmesten; v. u. vet wordon. a. vat, Itaip. -neon, a. verte, afgelegenheid. Fare c (Nara), s. klueht; kluchtspel; v. a. op- Fatal (tee'tel), a. —ly, ad. onvermijdelijh; nooda. lottig. —sisters; schikgodinnen. vullen, stoppen. —ical, a. —ically, ad, (-ikla), leer des noodlots. —lot, a. voorstander dier leer. kiaehtig, grappig. —y, s. paardenschurft. --itY (fe-terit-tils), —ness, a. noodlottigheid, Vard (faard), v. a. hl :nketten. onvermijdelijkheid. Fordell (faar'dil), a. bundeltje, pakje. Fare (feer), s. vraebt. voerloon; spija, host. bill Fate (feet'), a. noodlot; verderf, dood. —s, a. (de) echikgodinnen. —d, (-id), a. voorbesebikt. spijsdijst. —, v. n. varen, gran, reizen; of schoonva. Father (fallour), a. vader. etas, zich voeden; gebenren; zich bevisiden. vaderland. der. —hood, s. vaderachap. VoweaveGI (feer'well). s. afscheid, vaarwel. —lather, zaeschorpioen. —less, a. vaderloosto bid —, afscheid siemens. —, irt. vaarwel! Farinaceous (fer-inee'sjus), a. meelachtig. —lineas. a. vaderlijkheid. —ly, a. & ad. vader—, v. a. als kind aannemen, (on upon) toeFesimm (fawns"), a. beerderij; pao,hthoeve. —dog, boerensvoning —, v. a. schrijven ann. boerenhoad. verpsahten, pachten; bebouwen. —able. R. pacht- Fathom (feth'um), s. vadem; berelk; begrip. —, pochter. —ery, a. hoer- v. L. omvademen; pellen; doorgronden. —able, )car, bouwhaar. —er, a. peilbaar; doorgrondelijk. —er, s. pellet. —less, Jeri). •-ing, s. landbouw, akkerbouw. a.. grondeloos. VarratCh80;114 (fesared'zji-nus), a. gemergd. Fatielleal (fe-tid'ikl), a. voorzeggend, voorspelFarrago (fer-reeigo), a. nsengelmoes. Farrier, (fer'ri-ur), s. haefsmid; paardenarts. lend. s.beroep van hoef,sid; paardenart,seniikunst. Fattferous (fe•tit'ur-us), a. doodelijk. Fars wav (fer*ro), s. jeng varken; worp bigger. Fatigable (fet'i-gib!), a. vermoeibaar. Fatigue (fe•tieg'), a. vermoeidheid; moeite ;arn. higgan, —, v. a. held. —, v. a. vermocien, afmatten. Fart (fnart), o. wind. -, v. n. arinden laten.
CAN.-01rIt. Canute, (ke-njoet'), m. Kanut, Knoet. Cape (koce). g. the —, 4e Keep (do Goede Hoop). town, p. Kaapeted. Cardiff (kaar'diff), fr. Cardiff. —ee (-bie'). a. ca. Carribb can rabisch.. —en bide), g. Carelbisehe etianden, Carinthia (ke,r n'thi-e). p. Carinthia. Carlisle (kaarlajt), g. Carmel (kear'inil), Et. Kernel. —ite (-ajt),r. Karneater monnik. Carona a (ker-o-lk'ne), —e (keeo-iajn), w. Carolina. Carpathian (kaar-peethi-en) Mountains, g. (hat) Carpathtsche gebergte. Carpentaria (kaar-pen-teeri-e), g. Carpentersland. Cartealana (katr-ti'zji-enz), ph. Cartesianen. Carthage (kaar'thidzj), g. )Carthago. g. Cashmere. Cavhinere tkesj-mien", Caspian (kes'pi-en) Sea p. Caspische zee. Caeeiope tkes-sq'o-ptl, w. Cassiope. (4111en, a. Castilla. Castli e Castiliaansch; I. Castiltaau. Castleton (kaasq tun), g. Caatleen. Catalonia (ket-e-lo'nt-e), g. Catalonia. —n, a. Cataionisch; t. Cataionter. Catherine (kethiar-ajn), w. Catherine. Catilina (ket-ii-arne), Tn. Catilina. Cato (kee'to). m. Cato. Caucasus (kao'ke.susl, p. CAUCASUS. Cavendish (kev'n-disj).. in. Cavendish. Cayenne (kaj-en'), g. Cayenne. —y, w. Cecilia. Cecil (seal!), m. Celt lc (seit'lk), a. Ceitlsch. —a. 1. Celten. Cephalonia (sef-e.lo'ni.e), .Cepalonia. Cerbeeus (eur'hur-us), my. Csrberus. Ceres (srriez), nay. Ceres. Cevennes (see-ven'). g. the —, de Cevennen. p. Ceylon. Ceylon (si-loon', Chaidea (kel-di'e), p. Chaldea. —n, a. Chaldeenwech. Champaign (sjen-peen'), g. Champagne. Channel (tsjeienti), g. the —. het Kennel. Charlemagne (sjaar'le-meen), ut. Karel de Oroote. Char! as (tajeade), m. Keret. —otte (ejaar'lutt), w. Charlotte. —y, f. voor Charles; Kareltje. Charon (kee'run), my. Charon. Chatham (tsjot'em, g. Chatham. Chaucer (tsjao'sur), in. Chaucer. Cherub (tsjer'ab), r. cherub, cherubijn. Chesapeake (tejes'e-pick), g. Chesapeake. CbesLire (tsjeerter), p. Cheshire. Chiettgo (sji-kao'go), g. Chicago. p. Chill. Chili Chimborazo (tslim-bo-re'so), g. Chimborazo. Chin a ltsjarne), g. Chine. --ese (-niez'), a. chineeeeh; i. Chinese; (de) Chineezeu. Chris (kris), f. voor Christian; Kiln, Christ (krajtt), r. Christus. Christ Ian (kristlen), m. Christiania. —iania
HEA. HEM. 133 v. a. heat melon; verldtten; aanvuren. —er, achterlappen; v. a. dansen; overhellen. —a-port, heater; ijzeren bout. near bakboord overhellen. — a stroke, een' gang Heath (hieth'), a. heidekruid; heide. —cock, koroverwinden. — er, a. bean, die goed met de spobean. —hen, korhoen. —pea, vogelwikke. —pout, ren werkt. —ing, s. (het) overhellea; hitting. berkbaan. —rose, heidcroosje. —y, a. met beide- Ilea (heft), s. hecht, handvatsel; gewicht; inbraid begroeld. spanning. § a. a. oplichten, tillen. Heathen (hie'thn), a. heidensch. a. heiden. Hegira (he-dzjarre), a. Hegira (tijdrekening der —ish, a. —ishly, ad. heidenech ; ruw., —ism, a. Mohatnmedanen). heidendom. Sheller (hew), a. veers. Heave (hiev') 0. opheffing, -lichti.g; zwelling; Heigh - ho (haj'ho), int. add hallo! achok ; poging tot broken. —raring, hefuffer. Sleight (hajt), a. hoagie, verhevenheid; toppunt; Heave (Mev) [hone.. haven'], v. a. opheffen tap)) hoogate grand; crials. werpen ; doen zweilen, rijzen; lozen. (down) Heighten (haj'tn), v. a. verhoogen; vermeerdekielbalen. (out) bijzetten. v. n. hijgen; rijzen; ren; verfraaien. —er, a. verhooger. a. koken, misselijk zijn. (to) bijdraaien. in sight, verhooging; 'tented. in 't gezicht komen. Heinous iliee'nus), a. —1y, ad. afschuwelijk, Heaven (Liev'n), a. hemel. —born, van den hemel snood. —ness, s. snoodheld. neergedaald. —inspired, door den hemel bezield. Heir (see), a. erfgenaam. —apparent. zekere erf—linen, a. goddelijkheid. —1y. a. & ad. hemelsch. gonaam. —presumptive, vermoedelijke erfgenaarn. —ward, ad. hemelwaarts. —, v. a. erven. —dont, a. ertgoed. —ass, a. eelHefty er lii.ev'ur), a. oplichter, hefboom. —ing, gename. —less, a. zonder erfgenaam. —loom, a. e. (het) wind. ; zwellinb , rijeing. erfatuk. —ship, a. erfgeneumschap. Ileav y (hev'ih), a. —ity, ad. zwaar ; zwaarmoe- lletical (hel'ikl(, a. schroefvormig, spiraal. —line, dig; vervelend; loom. —y-headed, dom, onbevatschroef-, spiraallijn. telijk. —iness; s. zwaarte; zwaarrnoedigheid ; Hello meter (hi-li-orn'i-tur), m. zonnemeter. trnagheid. —scope (hi'li-o-ekoop), a. zonnekijker. —trope Ilebdomad nl (heb-dom'e-del), —ary, a. wake(hi'li-o-troop), a. eonnebloein. lijksch. Helix (hi'liks), a. Rchroet-, spiraallijn. Ilebet ate (heb'e-teet), v. a. verstompen.—ation Igen (hell'), a. Lel. —black, helsch-. pikdonker„ (-tee'sjun), a. verstornping ; stonapheid. —ude —bred, in de hel geteeld, holsch. —broth. hese). (-tjoed), a. stomp-, dornhaid. kooksel. —cat, heka. —doomed, ter belle geHebraic (he-bree'ilt).. a. hebreeuwsch. doemd. —hound. helhond. —kite, hellegier. ilebr. Inca (Li'bre•izmI, a. hebreeuwsch teal- Hellebore (helle-boor), a. nieskruid. eigen. —ist, 8. kenner der hebreenwasehe teal. Hellen lam ,herle-nizm), a. grieksch taaleigen. Hebrew (hroroe), a. hebreeuvvoch. —, a. Hebreer; —ist, a. kenner van het Griekeeh; grieksche Jood. Hebreettwsch. —era, a. Jodin. —ice (-neje), v. n. Griekach ap.rekcn. Hecatomb (hek'e - toera), 8, hecatombs, offer Helller (helni-ur), rz, leidekker. vrn houderd ossen. h elfish (herliej), a. —/y, ad. heiach, snood. Sleek (h.ek), a. ruff; deurklink; net. —ness, a. snoodheid, afschuwelijkheid. Heckle (hek'kl), zie Hackle. Helm (helm'), a. race; helm. —sman, man aan Hectic (liek'tik), a. teringkoorts. —at, a. 't roer. v. a. sturen, besturen. teringechtig, kwijuend. Helmet (hel'mit), s. helm, stormhoed. —flower. Hector (Itek'tur), a. bloaakaak, enoever, —, helmvormige bloem. —pigeon, kappertje (duifi. v. a. & n. enoeven, zwetsen ; dreigen. —/y, ad. —shell, zeehelm. saoevend, zwetaend. Helmintlite (hel-min'thik), a. wormen heti, (Sledge (hedzj'), s. beg, haag. snoeimes. fend. —, a, middel tegen de wormen. deugniet. —born, laaggeboren. —creeper, Helot lhel'ut), a. Heloot; landlooper. —hog. atekelvarkan, egel. —marriage, Help (help'), a. help; behulp ; helper, helpater. heimelijk huwelijk. —note, atrilatdeun. —pig, —. a. a. & n, helpen, bijataan, ondersteune, jong atekelvarken. —row, haag. —sparrow, boomnalaten. (on) voorthelpen. (over) doorhelpen. Ito( musch. aanretken, dienen. —mate, helper; helpater. lIedg e (hedzj'), v. a. omheinen; v. n. wegkruia. helper, noodhulp. —ful, a. behulpzaam; hellpen. —er, a. haagmaker.—iny-bill,zieilledge-16111. zaam; dionsttg. —less, a. —lessly, ad. hulpelooa. Heed (bled'), a. oplettendheid, behoedzaamheid. —/essness, a. hulpeloosheld. to give opletten (to). to take —, op alias boede Ilelter - skelter (hertur-skel-tur), ad. in 't honzijn; oppassen, (of. to). —, v. a. acht geven op ; deed, overhoop. v. n. bedenken; oppassen. a. —fully, ad. Helve (helv), o. steel, hecht. v, a. met ecri% oplettend, behoedzaam; zorgyuldig. —fulness, e. steel voorzien. hehoedzaamheid, oplettendheld. —less, a. —lessly, Hem (hem), a. zoom; hem (buck). —, v. A. zoead. onachtzeam, zorgeloos. —tessness, a. onachtmen, ern boorden; (in) oursingel en; v. n. hamar li, zaamheld. kuehen. —, int. hem! ton ! Heel (hien, a. hiel; ha i r; spoor; afvalling; hie- Hematite (hem'e-tajt), a, ble,edsteen. ling; ondereind. to take to once —s, het hazenpad Hentleyele (hem'i-eajkl), a. halve clrkel. kiezen. —piece, 0. aehterlap; v. a. achterlappen Ilentisplae• e thenCt - stier), a. 11 4/frolul. ic, (schoenen). — ieal ( - afeetk - ), a. halftone.. Heel (hien, v. a. v,i1 kuustaporen voorhien; (hein'i,tilV, a. hall vers.
be. & bw. easy (-11y) ; comfortable (-bly), coinmodious (-Iy). —keiejkheid, v. easiness, facility ; comfortableriese, commodioutiness, —shelve, by. for easiness' sake. tetanal, o. foolery, apart, fun. Geanalin , v. consort, lady, spouse. lioneangel, o. mangling. G oroarsterd, hv.. mannerly, well-bred. —held, v. mannerliness, good breeding. Gentling o. tarrying, lingering. Go mantel. o. tormenting, torturing. Gemarkond, be, masked, covered. — bal, masquerade. Gentestigd„ bv. & he, moderate (-Iy), temperate ( ly). —held, v. moderation, temperance. Genenuesv, o. mewing. Gember, v ginger. emaress, by. & bey. common:(-1y), ordinary (-Hy), usual (-ly); vulgar (Ay). low (-ly), mean (-1y). hebben met, to have -- soidaat, private sotdier. in common with. —, o. vulgar, mob, populace, —making, publishing. —plaate, common-place. —elachtig, common, —matt tribune. Genseettelbost, o. republic, commonwealth. —pesinde, republican. G onesonitile, bw. commonly, usually. Gentrensetbap, v. c :immunity, relation, connection ; intercourse, communication ; society. .--pelkik, by. common, joint; bw. in common, jointly. Goenotente, v. commonalty, community; commune, parieh, church; congregation. Ws der —n, horse of Commons. —besteur,, municipality. —grond, commune, parish ground. —keit, common-hall. cherges of a commune. —lid., member of a community. —road, common-council. —recht, right of common, privilege of the pariah, —school, parish-school. —welds, common. —wet, law regulating the management of the affairs of a commune. Gentrenzaane. be. & bw. familiar (-ly), intimate (-1y). —held, v. familiarity, intimacy. Gemmed, be. mentioned, said. Goneeifik, by. & bw. cross (-1y), peevish (-ly), morose (-1y). —held, v. croseress, peevishness, moroseness. le omorkt, v. w. whereas, since, seeing that, in consideration of, (acme*, O. acre, Gentetsel, o. building. Geneiddold, by. average. — genomen, upon an average. GexnUenter, o. revery, doting, dotage. tionsijteerd, bv. mitred. Genets, o. want, absence (ran. of). Gowned, o. mind, conscience. en —e, in conscience. — saandoening, —sbetoeging, emotion, —saard, —egoteldheid, disposition, temper, turn of mind.,—eruct, tranquillity of mind. —satemming, dispotsition,frame of mind. —el(jk, by. & bw. conscientious (-ly). —elOkheid, v. conecientioustess. Genuseederan„ o. mv. minds, hearts, opinions. Gerneeedlie, be, meek, snit; supple. G ennont (to), be, — gams, to go to meet. — tomes, to inset ; to indulge; to assist. — Toms, to object, xien, to expect.

Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,

gen z cryptogeld


writing, opteewaerlijk. court of —, rechtbank voor kleine trouvven; consigneeren; (in). — tohet stilzwljgen kenen, opschrijven. — to silence, selauldverderiagen. —smitten, door het geweten opleggen. —ee (kon-sin-nte ), a. ngertt, geeonsig gekweld. neerde. —er, a. overdrager, toevertrouwer; at , Conecle,ntioue (kon-sji-en'sjus), a. —ly, ad. ge- moedelijk, nauwgezet. —ness, s. gemoedelijk- tender. —ment, a. overdracht, overmaking; consignatie. held. Consciona ble (kon'sjun ibl), a. —bly, ad. re- Consimil ar (kun-sim'i-ler), a. gelijk. (kon-si-mil'i-tjoed), a. gelijkheid. delijk, billijk. (kun-mist'), v. n. bestaan. (in, in; of, oil); Conscious (kon r sJus), e• bewust (of); bekend Consist strooken met (with). —ence, —envy, s. bestendig• (to). —ly, ad. met bewumtheid. —ness, s. bewust- heid; bestaanbaarheid; overeenstemming; toeheld. stand; dichtheid, vastheid. —eat, a. vast, dicht; Coneccipt (kon'script), a. ingeachreven. —, a. hestaanbaar, overeenstemmend (with) loteling, rekruut. —ion (kun-skrip'ajun), a. in- Consistor 'al (kon-sta-to'ri- el), a. een' kerkeraad echrijving, opschrijving. betreffend. —y (kon'ais-tur-rih), a. kerkeraad. Consecra te (kon'se-kreet), a. ingezegend, ge- (kun-so'ajt-et), a. deelgenoot, me—te, v. a. inzegenen, wijden. —tion(-krec' Consocia to—te (-eel), v, a. vereenigen, verbindeplichtige. s. inzegening, wijding. —tor,s : inzegenaar, • den; v. n. zich verbinden. —lion (-ee'sjun), a. toewijder. —tory, a. inzegenend, wijdend. vereenigtug; omgang. Consectary (kon'sek-te•rih), a. afleidbaar, voort• Consol able (kun-solibl), a, troosthaar. —ation s gevolgtrekktug vloeiend. (kon-so-lee'sjun), a. troost.—ator (kon'ao-lee-tnr), Conseen tion (kon-se-kjoe'sjun), a. opvolging. a. trooster. —atory (kun-sol'e tur-rih), a. ver—tire (kun-sek'joe-tiv), a. —tively, ad. acitter- troostend. —atory, s. troostrede; troosthrief. eenvolgend. —e (kon'sool). a. sluitiignur; console. —e (kunConsent (bun sent'), a. be•illiging; toestemming. Boor), v. a. trooeten, epicures. —er, a. trooster. overeenstemming medewerking. —, v. n. toe- stemmen, bewilligen; medewerken (to). —er, a. Consolid ant (kun-sort-dent), a. verbindend, toeheelend. —ant, a. heelmiddel. —ate, a. dicta, toestemmer, inwilliger. —ate, v. a. vast (dicht, hecht) makes; verConsentaneous (kon-een-tee'ni-us), a. —ly, ad. vast. etnigen; heelen; v. n. vast (dicht) warden. —ation s. overeenkomst. overeenkomstig. s. dicht- (hecht-, vast-) making; beConsentient (kun-sen'sjent), a. eenstemmig; in- (-dee'sjun), vestiging; vereeniging; toebee.ling. —atire, a. stemmend. Consequen ce (kon'se-kwens), a. gevolg; ge- dicht- (vast-) makend; bevestigend; heelend. volgtrekking; invloed; gewicht; beteekenis. in — Consols (kon'solz). s. consols (engelsche effect.). a. getijkluice (hon'tsa.sens), of; ten gevolge van. by —, Kevolgelijk. matter Conaonnu a. —fly, ad. geovereenstemming. of —, sank van aanbelang. —t, a. volgend (nn); dendheid, lijkluitiend; overeenkomatig; bestaanbanr. itch gelijkblijvend. —I, ta. gevolg; gevolgtrek- I. overeenstemming, beking. —fly, ad. bij gevolg, dienavolgens. —tness, a. medeklinker. —tnesa, aan tick sel- staanbaarheid. s. underling verband; Consonous (kon'so•nus), a. gelijkstemmig; welVeil. Consequential (kon-se-kwen'sjel). a. juist af- luidend. geleid, volgend; gewlchtig; laatdunkend. —ly, Consort (kon'sort), a. makker; echtgenoot. in — ad. naar volgorde; gevolgelijk. —ness, a. juist- with, vereenigd met. —ship, s. deelgenootschaP, maatschap. held van afleiding; gewicht; ingebeeldheid. (kun-sort), v. a. verhinden (to); huwen; Consery able (kun-aurv'ibi), R. bewaarbaar. Consort vergezellen; v. n. itch vereenigen; samenleven; —wiry (en-sih), —ation •vee'sjun), a. bewaring, °Inge.; (with). instandhouding. —atism (-e•tizm), s. (de) partij s. waalwortri. van het behond. —afire (•e-tiv), —atory, a. be- Consound (kon'sa-aund), warend; behoudend. —alive, a. beboudsman. Conspicuous (bun spik'joe•us), a. —,/y , ad. s. zictitzichtbaar, dttidelijk; uitstekend. —ator (kon'sur-vee-tur), a. bewaarder, opzichter. baarheid, duidelijitheid; uitstekendbeid, —atnry (-e-tur-rih), a. bewaarplaats; broeikas; —ation (kon-spiconeervatorium. —e, s. convert'. —e, v. a. bewa- Cons it acy (kiln-spir'eeaih), ree'sjun), a. samenzwering, s,tmenspanning. ren; inmaken• —er, s. bevvaarder; conserfmaker. v. n. Consider (kun-sid'ur), v. a. overwegen; achten, —ator, s. samenzweerder. —e (kun-spaje), orkennen; v. n. nadenken over (0) —able, A. samenzweren, eon' Ranging sweden. —er (bunspajr'ur), a. aamenzweerder. -ably, ad. aanzienlijk, aanmerkelijk. —ableness, , a. nanzientijkheid; gewichtigheid. —anee,s. over- Constable (kun'steb1), s. konstabel; trerechte dienaar. —ship, s, konstabelschap. —wick, wijk weging. —ate (-et), a. --ately ( et-lih), ad. he- van een' konatabel of gerechtsdiennar. lioedzAa., omzichtig. —ateness (-et-ness), a. be- (kon'aten sih), s. standvnstigheid; Constan cy daard averleg. —ation (-ee'sjun), a. overweging; verechconing; achting; beweeggrond; vergoeding, bestendigheid, —t, a. —till, ad. vast; bestendig; beiooning; in — of, uit overweging van; to take standvastig. § —ts, s. vaststaande (titgentaakte) zaken. into —, in aanmerking semen. —er, a. beschou-Constella te (kun•stel'leet.), v. n. met sterren prp. aangetien; wer, in overweging•nemer. tooien; v. n. te zamen ar.htjnen. --tion (hon. in nnsmerking nemend. -big me, woe mil be- stel-tee'ajun), a gterresiopid; vereeniging van t reft. volmaaktItedes . tsPv, Consign Or. ',On). v, a
DRO..-DRU. on. w. to drink; to be given (addicted) to &linking. —Oak, watering-trough. —bakje, (bird's) trough. —baker, sup, goblet. —vela", drinkingbout, company of tipplers; —en retest, to keep an ale-house. —geld. —penning, drink-money, vails. —gesel, pot-companion. -seas, drinkingglass, tumbler. —*ore*, drinking.horn. —Auto, ale-house, gin-shop. —ken, jug, tankard. —lied, catch,drinking-song —schael,drinking cup, bowl. —vat, drinking-vessel. --seater, drinkable water. —sea, tap-room. —eOroer. pot-companion; toper, tippler. —er, m. —.ter, v. drinker; toper, tippler. v drinking. Drool', by. sad, afflicted. — te ssoede, sad, cast down, in low spirits. —enis. v. Zie Drotellteld. —geestig, by. & bw. sorrowful (-1y), depreased, dejected., gloomy 1-fly), melancholic. —geestighid, v. sorrowfulness, dejectedness, gloorninese, melancholy, —heed, v. sadness, morrow, affliction. Droes, m. strangles; deuce, devil. de —, the deuce I Droneene, m. dregs i lees.—ig,137.dreggish,dretgy. Drosvit4, by. & bw.;sad (-ly),affileted,Porrowful (-1y); gloomy (-11y), dismal (-1y); pitiful miserable (-bly). Droesig, by. having the strangles, glanderea, —Acid, v. strangles, glanders. Dross a, o. dry land, z(jae schaapos op het he3ben, to have a retiracy, to have feathered one'. nest. —en, ov. & on. w. t o dry; to wipe. —eriJ, v. drying-place. —erOen, v. my. drugs. —Art, m. druggist. Drogreden, v. sophism. —aar,m. sophist. Dr ok, bv. ens. Zie Druk, ens. Droll, M. turd; fun, drollery, droll, merry Andrew; thick-est fellow. —lig, by. funny; droll (-iegfy), drollich, merry (-ily), fecetioue (-1y). —ligheid, v. humor, merriment, facetiousness. Dram, m. troop, crowd, throng; woof. Dromodarts„ m. dromedary. Dromtuel, m. deuce, devil. wat the deuce at den —, all, the whole load. ores den — niet, by no means. —a, tow. the deuce! dickens! —sch, by. & bw. devilish (Ay). Dronk, m.draught; drinking. eenktnoulen— *ebbs*, to be quarrelsome to one 's cups. —card, m. drunkard, toper. —en, by. drunk, drunken, fuddled, tipsy. intoxitated (van, with), — waken, to wake drank, to intoxicate; — soorden,to get drunk —enacktig, by. half-seas-over. —enschap, v. drunk entitles, inebriety. Droog, bv. dry, arid; dull. —dock, towel. —korner, drying-room. —tat —stole, drying•itick. —oaten, to drain. —legging, —making, draining. —1(in, drying-rope. —pleat., drying-place. —ream, eiothes-horse, drying-frame. —seheerder, clot ki-sbearer. —ochre's, cloth-shearing. —rehuur, drying-shed. —roots, dryerhod. —solder, dryingloft, garret. — aehtig, by. rather dry. —kerb, v. dryness, aridity; dullness. —ing, v. drying. —je, o. op see sitten, to have nothing to drink. —08, bw. dryly. —te, v. dryness; drought, dry weather, shoal, shallow. Droom, m. dream. tit den — *elven, to undeceive. —beeld, vision, chimera. —gespuis, visions, phantoms, spectres. —gesicht, vision. —uitleggcr, oneirooritic. oneirocrities. —en, ov. &
held. onbuigzaamheid. Stubby (etub'bih), a. vol stronken• tie Stubbed. Stucco (stuk'ko), a. stukadoorskalk. —, a. a. stukadoren. Stuckle Isturk1), a. hoop schooven. Stud (stud'), s. post, still; knopje; hemdtknoopje; stocterij. —book, register van volbloed paarden. —groom, pikeur. —horse, henget. —, v. a. met knopjes heslaart of versieren. —ding, a. bet be-
Klatt. V. lump., clad. an On —en glwassen, tall, Kn.', v. gin, spring, snare; pinch, scrape. spanking. —bong, sling-bow. —achtii„ — 'g, by. Or. w. to pinch. to squeeze; to oppreas. —len, cloddy. v. pinch, squeezing. 114.9ulv en, ov. to pick, to gnaw, to nibble. —er, Kmiec:run, on. w. eon. Zie Knarsen, in. picker; —, —boom, jib, jib-town. —ing, V. Knetter en, en. w. to crackle. —tag, v. crackpicking, gnawing, ntboltng. ling. on. w. Co live nolltariiy, — like a her- Knent, v. linnet. —beam sparing-puree. —*sat, mit; to run hollow. —oar, m. herwit ; —eleven, linnet ''s'nest; hoard of money. —penning, hoardlife of a hermit ; solitary life. ed money. FiZungesii, v. slut, aloven; rag; trifle. —en, on. w. Kneukett, m. ens. Zie KisokliCer, enz. to tulle, to idle; to bungle; (end) to throw awry Kneuter, v. linnet. —oar, in. '-aarster, v. stamm. cudgel., clun. —en, on w. to cudgel. merer; mutterer. —en, on. w. to chirp, to war—horn, gingerbread. —vet, game of cudgelling. hie; to stammer; to mutter, to grumble. —ig,bv. —men, doggerel. muttering, grumbling; ruffled. --ing, v. chirping, Kissta, v. de — kwijt zUn, to be at olio '8 wit 'a warbling; stammering; muttering. end, to be out or acme. —en, ov. w. to beat up. Knells en, on. w. to bruise. —tag, v. bruise, —ei, battered cog. contuslc... K.111,11 C:12, o. clew. —en, ov. w. to wind on (to Knievel, m. cudgel; lever; toggle; paoking.stiek; make into) clews. gag ; mustachio; whisker (van ern (liar); droll; Knaeg dice, O. rodent. —ster. v. Zie Kneger. blade. Kehep, m. boy, lad, youth, yoLngscer; fellow, Knrvei oar, m. —aareter; v. extortioner. —ar(), chop; jack. —jeskruid, orchis. v. extortion. —en, ay. w. to bind, to pinion; llinabbell ear, in. —aarster, v. nibbler. —en, or. to extort, to exact ; to oppress. —board, true& on. w. to nibble. --ing, v. nibbling. tat...hes; whisker, —band, fetter; muzzle. —kg, v. lkirtftir en, ov. en. w. to gnaw, to fret. —er, m. binding; extort.. —ing, V. gnawing; remorse. rangs. Knibliel ease', m. —.rater, v. caviller; haggler, it;. crack, snap; injury, damage. --, be, higgler. —achtig, —ig, --air/c, be. captious, given offended, angry, (at). —, taw. crack I —ken, ov. to cavilling; hard in a bargain. —aektiAkeid, w. to crack ; to ininre. to impair; on. w. to enap. —.Mt, v. caption...8; being hard in a bargain. crecking-hamater. --king, v. cracking, —or;), v. cavilling; haggilng, higgling. —en,on. snapping; injuring, impairing, w. to cavil ; to haggle, to higgle. —ipel, bones. kernel, m. clap; detonation, report. --/en, on. w. --ing, V. Zie Knikbbelarkl• to clap, to thunder, to give a report. Knit, v. knee. —band, knes•string. —bank, has. m. crack; reap ; eating, sock. —bong, ham. gennftexion. —host, Komi), by. St bw. stnatt, clone; handaorne (-1y) ; knee. —lap, leather to keel upon. —achy!, kneesmart (-1y), dec'nt I-1y); clever Hy), able, ably, pan. —sink, pulley-piece; balf-length-pieture. nimble (-WY). —handig, he. & bw. handy ;-ityi, Kniei en, on. w. to kneel. —er, m. kneeler. dexterouo (Ay , . nimble bly). —handigheid, hand—ing, v. kneeling. inegs„ dexterity. —held, v. clevernesa, ability, ifin;ettoor, m.. & v. (ratter. abilities. —fey, bw. Zie Kum, Kolez en, on. w. to fret. to pins. —er, m. Keznp pen, ov. w. to awry; to catch; to crush, by. fretful. —lap. Y. fretting. to kill to pick, to munch; on. w. tin snap, to KnUlf, o. —nos, clasp-knife. clack. —bus, pop gun. —kers, hard cheery. --koek, Kni,lp, V. pinch. —en, ov. w. to pinch, to nip; to crisp gingerbread. —ail, fib, —sok, knapsack, oppress; or. w. to trim sharp. —rok, tight coat. —per, M. crisp gingerbread; lib. —perd, m. clever —tong, (a pair of) pincers. —er, m. pincher; fellow. claw; pinch-penny. —ing, V. pincher, nipping. Known en, on. w. to gnash —been, —clean, gris—ster, v, pincher; Plaoh - OanitY• tle, carttlare. —beenig, gristly, cartilaginous. Knilten., on. w. enz. Zie Knaexen, ens. —etanden, to gnarl, (to grind) one 'a teeth. —ing, Knik, nt. nod; crack. —stag, stay of the topv. gnashing. gallant-mast. —ken, on. w. to nod; to crack, to Kiss,ater, m. caniaier. snap. —kebsenen, to walk with bent knees. —keKnauw, na. gnaw, bite. —en, on. w. to gnaw, tones, to not with dozinetis. to enew, to munch. —or, In, gnawer, chewer, Knikker, m. entire; marble. —en, on. sr. to v, goawlot, chewing, munching. —eel, o. ploy at marbles; van de boon —, to supplant. any thing gnawed, — chewed. —spel, marbles. Knecht. ni. (man-) tern/ml, man, footman, wait- Knip, in fillip, tint; clip, cut. —, V. trap, gin, er ; asaistant, joarneymau. —skamer, servants' snare; hpring, wisp; bawdy. house. o. purse halL —slim-ei, servant'a livery. —Orion, servant's with a snap). —pen, ov. w. to fillip; to clip, to war;ea. —seh, by, bw. servile (-1y). eut ; to entrap, to catch ; to erect, to kill; on. o. little bry. —se/tap, o. servitude. w. to spring, to wrap., —betigel, snap (spring) of karol en, ov. w. to knead. —er, in. kneader. a purse —bears,. piece (with a allap), ciasp—ing. v. kneading. knife. —mats, xie Knoacepnanis. —nog, m. V. Kneesisiter, v. Ituerder. blinkatd, blinker. —angers, to blink, to twinkle. ilisseiris, V. pint,h, nip fold, plait ; waist ; trick. —oogje, blink ; twinkle. —sekoar, sciators. —slay. —mute, cap with a folded lace. fillip. —clot, lock with a spring (snap), spring. Knekeihuis, o. charnel-hou:e. latch. —per, m clipper, cotter; catcher; cracker.
Studies have discussed issues related to the selection into the programme and the representativeness of the participants. Some studies have raised doubts about the inclusiveness of the programme, by socio-economic background, level of study, or academic performance. Thus, one study analyses the financial issues and family background of Erasmus students, showing that despite the fact that access to the programme has been moderately widened, there are still important socio-economic barriers to participation in the programme.[19] Another study uncovered what seems to be an adverse self-selection of Erasmus students based on their prior academic performance, with higher-performing students less likely to participate than lower-performing ones. However, this case was based on a number of four hundred graduates in a Spanish university only.[20] Inversely, one study looking in details at French and Italian students found that the primary predictor of participation to Erasmus was students' prior academic records, not the occupation of their parents.[21]
II AN. —en nemen, to begin at; to lecture. op — geven, to advance. op de --en dragen, to treat with great regard, to meke much of, ter — *tales, to hand over, to deliver. uit de —, by private contract. nit de eerste—, at (the) first band. uit de — to fall abort of one's expectation. van — tot —, from hand to hand, van de — in den tend, from hand to mouth. voter de — Attest, to be eldest the elder) hand. —bad, hand-bath. —bekken, hand-wash-basin. —bieding, —reiking, assistance. small-sized bible. — Fiji, hatchet. —Idaker, flat candlestick. —boa ; hand-cuff, manacle, --back, manual. hand-bcok. —bong, bow. —boom, lever, band-spike. —boor. gimlet. — bran'lzpuit, portable tire-engine, hand engine. --b,eed, of a hand 'ts breadth. —breedte,h,nd '8 breadth, —dadig, accessory —, instrumental (tn) —, privy (to). — dadige, accompliee,abe ttor.— doek towel.—druOqueeze of the hand. —euvel,—jicht, gout in the hend,chiragra. —gauw, light-fingered. —gaunteid, dexterousness. —gebaar„ gesture, sign with the hand —gelds'', ctapping of the hand., applause. —geld, earnestmoney; press-money, bounty. — genteen, engaged, fighting; toorden, to come to blown, to engage. —getrouw, faithful. —gift, hendits1.—greep, grasp, gripe ; knack, sleight. —haaister, maintainer, protectresta —haven, to maintain, to vindicate. —homer, maintainer, protector. —having, maintenance,aindlcation. —kar, — wagen,tray.—kiiker, —taaarsegger, palmister, chiroanancer; pocketglass. —kvker(j, —waarseggerif, palmistry, chromancy. —kiss, kissing one 'a hand. —longer, assistant, mate, hod-man, Jobber. —leiding, guide, manual; instruction. —limiting, zeleaae. ruffle. —me/en, band nmill. —opening, permission to roommate a clergyman. —oplegging, imposition (laying on) of hands; seizure. — paard, led-horse. —palm, palm of the hand. —pens, hand press. —pisj1„ javelin, dart. —plak, ferule. — reiken, to o nslot. —reiker, assistant. —schoen glove. —echoesmaker. glover. —schrift, manuscript; hand-writing; signature. —schroef, hend screw. —slag, blow (stroke) with the hand, slap, clip. — spook, handepike., lever. —spuit, hand-syringe; hand-engine. —Castelijk, palpable, evident. — tastelijA held, palpableness, evidence. —tasting, shaking of hands; ender ontslaan, to release upon tenet. —teekenen, o. free hand drawing. —teekening, is gnature, sign-mann al. —trouts, fidelity, iaithful ne . --vat, —vateel,hondie. —rerdraai, spraining of th vest , charter, patent, grant. —rat, ha . —tocasching, washing the hands. --water, we to welsh the hands; dot, heeft daar Been bij, that is not to be compared with It —werk, handicraft, profession, trade. --werkman, woikman, craftsman, mechanic, journeyrnan. —wijser, sign-post. —woordenboek, pocket-dictionary. —tank, hands.w. —ewaschkom., trend-weak-basin. —enurbeid, handiwork, manual labor. Utriar4a if, tn. trade, commerce, traffic, business ; proceed`ng. -- en wandel, behavior, conduct. — drikest, tie Drljven. —drijventl, trading, commercial.— maatschapp0 , trading-compauy. —stad, commercial town. —slant?, trading class, --re(je, wijre, iroereding, method, manner (way) of acting. in earn.), commercial, mercantile; —ear&

Is crypto gokken illegaal


Torpent tor'pent, a. Zie Torpid. 'rorpeac oleo (tar-pes'sene), s. verdooving, verstiplog. -eat. a. verdoovend, verstijvend. Torp Id (tor'pid), A. verdoofd, verstijfd; werkelooa, Snow. -idity (tut-pid'it- Oh). -iduess. -itude (-pi-tjoed), -or ( pot), a. verdoovinfr, vernttjfdheid; werkeloosbeid, traaglteld. -orific (-pur-st'llt), a. verdoovend, bedwelrnend. Torrof action (tor-re-tersjun), a. droging, verzenging. -y (tor're-faj), v. a. drogen, ver-
Js Jack (dzjek% —y, f. toot John; Jantje, Hans. Jacob (dzjee'kub), ni. Jacob Jacob In (dzjek'ttb-in), h. Jacobljn. —ine (-ajn). w. Jacobins. —ite (-ajt), h. Jacobletoianhanger van Jacobus II. Jatnalca (dzje-mee'ks), g. Jamaica. James ((lzjeemz), m. Jacobus, Jacob. Jane (dzj Ben), ',Johanna, Jaantje. Janeiro (dzje nee'ro), g. Janelro. Jou,. (dzje pale), g. Japan —eee (dziep-en-lez'), a. Japansch; 1. Japannees; the —, de Japanneezen. Jason (dzjee'sun), m. Jovon. Jan) (dzjesp'), nt. Kaspar, Jasper. Java (dzjea'-, dzja' ve), g Java. Jef (dziet'), —ery, —frey (4,1h), f. toot Geoffry. .lens ((Wens"), t. v /or James; Koos. Jenn ci (dzjen'nit), —y, f. toot Joan; JAnsje. Jeweils ish (dzjer•e-maj'e), —y (dzjer'e-mih), m. J eremia, Jeremics. Jerlaho (dzjer') g. Jericho. Jerome (dzjer'um), f your Hoeronymus. Jerry (dzj ,.r rib), f. toot Jeremy. Jersey ((War% g. Jersey. Jerusalem (dzje-roe'ae-lam), a. Joruzalern
Accidental (ek-si-den'tell, a, (to) toevallig. —ly, ad. bij toeval. —news, a. toevalligheid. Accite (ek-sajt'), v. a. oproepen, dagvaarden. 4ccialm (ek-kleem'), v. a. toejuichen. —. e. toejuiching. Acclamation (ek-kle-mee'ejun), a. toejuiching, Acelimat e (ek-klarmeet), ise (me-tajz), v. a. aan vreemde lucht gewennen. ion ( kii-mee'ejun), a. gewenning aan vreemde luchtstreek. Accilv(ek-kittjv"), a. steil glooiend, —ity (klivnt-tih), s. schuinte, ateile helling. —out a. steal. Aceioy (ek-klor), v. a. overladen, volproppen. Accoil lek-koji"), v. n. debrdringen; levee maken. Accolade (ek-ko-leed'i, s. omhelzing; verbindingshaakje; ridderelag, Accolent (ek'kolent), a. grensbewoner. Accommoda ble (ek-kom'nno dibl). a- (to) geschikt, bruikbaar. —bleness, 4. geschiktheld. —te (-deet), v. a. bijleggen; (to) bruikbaar maken.. nrichten; (with) voorzien; gerieven; v. n. passend (geschikt) zijn, —te (-det), a. —tely. ad. pasaend, overeenkomstig. s. geschiktheld. —tion (-dee'sjun), a. minnelijke schikking; gemak; —bill, proforma-wissel. —tions (-dee'sjuns), a. geriefelijkheden. —tor (dee-tar), a. lelder; bemiddelaar. Accompan lee (ek-kum'pe-ni-ur), a. metgezel, begeleider. —iment, a. begelelding. —y, v. a, vergezelleu; v. n. (with( omgang hebben met. Accomplice (ek-kom'plis), a. (to. with madeplichtige. —ity (-plis'it-tih), s. medeplichtigheld. Accomplish (ek-kom'plisj), v. a. volvoeren, vol. brengen; verfraaien. —ed, a. wel opgevoed. —er, s. voltooier. --meat, a. voltooling, vervulling. —mints, a. begaafdheden. Accord (ek.kord'), a. overeenstemining• akkoord; schikking, of one 'a own —, uit eigen beweging. v. a. tot overeenetemming brengen (to): vanelfenen; v. n. (with) overeenatemmen. —ance (-dens), a. overeenstemming (in —to or with). —ant, a. overeenetemmend; goedgeluimd. —ar, a. begunstiger, helper. —ing. prp. (to) volgene; naar; (as) :liar mate. —ingly, ad. bij gevolg, dienovereenkomstig. Accorporat a (ek.kor'po-reet), v. a. inlijven. —ion I-ree'-ejun), a. inlijving. Accost (ek-kost'), v. a. aanspreken. —able. a. toegankelijk, gemeenzaam. Account (ek-kaaunt'), e. rekening; bericht; verging; achting• belangrijkheld. Old, New —, Oude, Nieuwe Stijl. to call to —, ter verantwoording roepen. —current, rekening-courant. —sales, verkooprekening. Chamber of —a, rekenkamer. upon all —a. in leder geval. on — of, wegens. of no —, onbeduid end. to make voornemens zijn, to turn to —, rekening geven. —, v. a. in rekening brengen; van oordeel nun: (of) bericht geven van; in achting houden; v. n. rekenen; dienstig zip; (for) reden geven van; (to) nonvoijaen ; ( -math) afrekenen met. § (-e-bib' it-ih), a. verantwoordelijkheid. —able, a. rekenplichtig: (for. to) verantwoordelijk. —ablenek, a, verantwoordeltjkheld. —ant (-mit), a. rekebmeeeter; rsntmeester; boekhouder.
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde. 

cryptogeld regelgeving pdf


20 LT: U. --assder, -said, Contriver of faleeho.ods. -teal, ILeveudig, by. lively, brick, quick, Sprightly, rnett:egome; bright. -Arid, v. Avellness, brieklie, ?los. --oar, m. -aareter, v. liar. -achtig, by. false, lying:, deceitfal.. -acktigheid, v. false- neon, sprightliness, vivactty; brightness. ibeivenioni, by. lifeleas. -held, v. /ifeleesnees. ness.deceitfuiness. Lever, v. liver. -oder, hepatic vein. -healing, Lank,. be. & bw. lukewarm (-1y); cool (Ay), in-scored, liver-pudding. -Vow, liver-color. -lacenocent (-Iy). -laid, v. Initswarinneae; coolness, rig, liver-colored. -braid. liter-wori. -kwad, innoeence. -.reeat, dinette of the liver, er-comConn ten. on. vv. to lean. -steel, arm-chair, ae.y hepatie diceaFe. -loop. -efoed. heoette chair. -atokje, maul-stick. Learning v. leaning., reit, banister., baluster; back Max. -ontstekina, inflammation of the liver. -puisten, pimples In the face. -Alan. hepatite. (of a chair). -stoat, ale Leussetocs. -traan, cod-liver-oil. -veretopping. obstruction •• lure, appearance, chow; rag, shred; of the liver. -zuchtig, hepatic. etellen, to diseptie 1LettrwUn. oint, to fruatrete. ---kramer, petty merchant. Loyeran r, M. deliverer, furnisher, purveyor. -oerk, clumsy thangled) work. --gAns, A kind of Levernchtig, by .hapatic. wine obtained by peesoing the KrApite A second Leverancier, m. furnisher, purveyor, contractor. time. -achtig, -ig, be. worthless, trilling. Lens, v. aign, signal, watchword, war-cry; word, lfissaingarst le, v. delivery, purveyance, supply. Leverbcsar, ho. fit to be delivered, saleable. 'motto, device. roar de -. for show. era, or. w. to deliver, to tarnish, to purLevc v. lingerer, loiterer, -.rater, Lontar ante, en. to give (to Jain) battle. -ing, v. trifter; river. - en, on. w. to wobble, to waddle;) vey; slag to linger. to loiter, to trifle; to waver; to rave. delivery, furniehirg. -hol, fool. -knit, nentense. -werk, bangle, Leviet, in. Levity. -itch, be. levitical. bunged work, loitering work. -ig, by. wab- Leas on, ov, .% on. w . to read; to reap, to pick, to gather, to glean. --fr, M. -era, v. reader; tiling; loitering; wavering. -tog, v. waddling; gleaner. --lug, Y. reading; lectare; version; galingering, loitering, trifling; wavering; raving. thering. gicening. ILesniver. tn . erlogle of the bowline. Liao, v. tile. ;Watt. • Levant qa, m. leranter. --ins, v. leventine, Leven, tr. lire; delight; noise, hubbub, ado, rack- Mohnen). o. body; solid. load :-, corpse. -Abeet; quick. t(j zijn -, when living, in (van) mien weging, exercise. -show), stature. -tdeel, limb, ivy lite-time, in all my born days. near member. -wetted, eonetitution, franc of body. -aketitjdieg, mortifloation, --ekracht, bodily het -, from (to) the life. tin Aet brengen, to take the Idle of. to kill. om het - komen, tlyst - etrength, vigor.-soefeeieg, exercise. gymnastivi. latex, to lose one's life, to expire. op - en LIcharnellik, bv. bodily. cerporeat, corporal. keid, v. corporeality, corporaiity, corporeiiy. stood, for life and death. -gerend, life giving. o. light; candle; luminary can het vital. -maker, nol..e-msker. -wekker, brengen. to bring to light, to reveal, to divulge. -Aron, fountain of life. -ebegintel, her can het - hasten, to come to light. pr inciple of life. -ebehousi, preservation of life. wren to publish, to put fort. -, by, light, -4benoodigolheden, nerenvartes of 1:fe. -ebeschrip bright, clear. -Mateo, bright-blue. -b: sic. lighterr, btoicravher. --abeschriyv;ng, biography, life. light-bearer, candle-holder; -drager, brown. - sdoel, end of °nee life. -sdraad, thread of lir k-man. -gat, loop-hole. -gal, bright-yellow. --endear, the time, duration of life. -.gees-gevend, luminous. -grOs, pale gray. -gratin. fen,c hit) spirits. -vgenot, enjoyment of life l'.•glit-green. -bout, lunamous wood. - leer, optien. sgesehiedenichlography.-ageroar, danger (peril) -meter, photometer. -lain, -Candlemas of life. -sgeset„ -sfesellin, companion of (for) life. -sgroot, full length. -tgrootte,taa(who!e) libertine. -stillest, to riot, to revel. -rninery, size. -kiwi?, year of (ape's) life. --akracht„ vital revelry, debauchery. -punt, luminous point. —rood, bright-red. -whom, !Wean. -sehijneld, power. -slang, livelong, for life, everlasting. blight, luminous. -schwa, shunning left; het - eanachouteen, to be born. the light. -stem phosphoric etone -stof -sloop, course of life, career. -slucht, vital air. nous matter- -straal, ray :beam) of light. live. —dltatig, loving life. -s- ONO, love of -stroont. Itreival of light. -tea, sea (acct.) of 3ticidelen, previsions, victuals. -sonderhoud, livelight. -.Ude, lo.minoue (favorable, fair) ride. lihood, sustenance. -.react, moral role, rale --sires; -ertaai, bv, -e all in blue. of life. -estrar, eep:tal punishment. -etijd,life time -erereekering (-maattehappijk life- into. Licht, , & bw. light ( envy ( - 117); Wight (Ay), nimble (-bly); tive., (very) likely, possibly. rance (-eo.eantr). -erraag, matter of life and ntatrooe, apprentice seanihn; heir-pay sailor. death. vital question. -monde,. course of life, -e miters), light-horns. -anker, heave-anchor. conduct. -stearnite. ,vital warmth. -.meg, path of life. -suije, -volt., way of Me, manner of -geloorig, by. & bw. erednlons (-ly). -gelootigliving. -seat, tired of life, -seatheid, satiety of heid, credulity. -geraakt, touchy, irritable. -geragAtheid, ebuebineie, irritableness -kart, m. & life, v. light-hearted (nervy; person. -hartig, lightLevon, 611. w. to live (van, upon), to exist; to beerted, merry. -hartigheid, light-heartednese, behave, t,evnnd, he. alive, living; quick. de -en en de gaiety. -hoofed, m. & v. light-beaded (melee.) dooden, the quick and the dead. - maken, to person. -hoofing, light-headed, careless; giddy, dizzy. -hoofdigheid, light-heededness, carelersvivifi,:aie, to vivify. -making, 'vivification.

cryptogeld widget windows 7


Labrador (leb-re-door'). g. Labrador. de LakediIinecredivee (lek'e-41aj cz), g. the cleche eilanden. Laced minion (lee-e-di'tnutt). g. Lacedaetcon. —emenian (-de-mo'nLen)., a. Lacedemoniech ; i. Laeedeinaniir. Litcontit 11e. tro'ni-e), g. Ladrones (1e-droonz'), g. the —, de Dieveneilanden. iLiterten (lee-ur'tiez), m. LaMes. w. Lain .11,nrnb (taco'), tn. Lamb. —ert (-bart),m.Lambertu,, Lambert. Cauca Whirr (lEnekesj-ten), g. Lancashire. at, kea-tun), g. Lane,etrr. 1Langueduc(1eng-ge•doki, 0. La.nguedoe. ',raucous' (le-ok'e,tin), my. Laocoon. L npl ander. Lapland (101)112M). K. Cares (iee'ciez), try. Laren. LatInsor (let'i-tour). m. Latimer. Luzar a (laor'e), w. Laura. —ence,na, Laurentius, Laurens. /Lazarus (lez'e-rue), m.. Lazarus. 1Leasc- (lter),m. Lear. Cebanon (1ab'e-nun). g. Lihanon. ',envy/1'rd (11tewurd) /stands, g. Etlanden on :ler den wind. g. Livorno. Leghorn (lee-, Leicester (lee'tur), g. Leicester. Leigh (11), g. Leigh. 11...fotraster (lin'atur), g. Leinater. Leipsic (lajp'elk), g. Leipzig. Leith tlietb), g. Leith. Leonard (len'uri), m.Leonara. Lesllie (lee'll), an. Leelle. Let (let), f. voor Lethire; Latin. Ceiba (11"thij, my. Lethe. g. Lett ice (letitle), vv. Letitia —onto Lettland, Lettenland. —y, f. coon Letttee;Ietle.
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;
keen, eertijds. when — Omit come, in vervolg; met der tkjd. —enough, vroeg genon. —6ezeoeted, vergaen van ouderdom. —enduring, standboudend, duurzaam. zandlooper. —keeper, —piece, chronometer, aurwerk. —pleaser,—server, weerhaan, hut chilies, —serving, she knit naar den wind baegend. —tables, pl. Wet der uren van vertrek en aankomat. -warns, door ouderdom vergaan. —, v. a. near den tijd regeien; den rashten tijd kiezen voor. —fat, a. —futtp, ati. Zis Timely. —less, a. —leanly, ad. ontijdtg, voorbarig. —linens (-ii-ness), S. tijdislheid, gepastheid. a. tijdig, gepaat. Timid (tim'id), a. —ly, ad. schroomvallig, bedeesd. blonde. —ity (-id'it- fib), a. nchroomvalligheld, bedeeadheid. Tiralst (tajm'ist), a. maathouder; tie Timeserver. TinaGineer (tim-un-ter'), s. roerouger, man aan 't mom TImoroue (tim'ur-us), a. —ly, ad. vreesaehtig. —ness, s. vressachtigheid. Ten (tin'), a. tin; bilk. —foil, bladtin. —glees, bismuth. —man, tinnegieter; bliksiager. vertind plaatiizer. tinmijn. —ore, tinerts. v. a. vertinnen. —tack, tinnea spijkertje. Thema' (ting'kel), a. rowe borax. s. kleur; tint; Timet (tingkt'), a. gekieurd. viek.—,v. a. kieureu, 'craven. —are (-joer, -jur), s. kleur; sehkjn, zweem; tinctuur, aftreksel; vat. verven; eon' zo eam (eene tint) geven. Tinder I tIn'dttr), s. louder. —box, tonderdoos. 'rise (tajal, s. tone; verlegenheid, nowt. —, v. a. in brand steken; inslaiten; v. a. lijden; woeden. — man, hoschwachter. v. a. & n. Thug (dug) s. klank, geklingel. (down) klingeten, Tinge Rind*, a. kleartje; geurtje, smaakje; zweena; viek. —, v. a. kleuren; eon' zweena teens tint) geven. Ting)) a (ting'g1), v. u. Clinton; buiten; tintelen, jeaken. —ing, s. tutting, gesuts; getintel. (tingle), v. n. Lie to Tinkle. T v. a. & n. Tinker (ting'knr), a. ketellapper. lappen, opiappen (up). Tlnkl (tinekil, v. a. & a. (doom) Minton, ritts. gerinkel; getnit. kelen; tuiten. tingraver. Trims ed (dud), a. vertind. —er, —ing, e. het vertinnen; vertined. —y (tin'ulh), a. tinhoudend; tinachtig. Tinsel (tin's11), a. klatergoud. —, a. schijnbaar, oppervlakkig. —, v. a. met klatergoud venter.. Tint (tint), 8. tint, kleur. —, v. a. Oaten, kieuren. Tiny (tarnih), a. klein, nietig, goring. Tip (tip'), s. top, punt, uiteinde, slag, worp;stofkolfje. —staff, dienderastok; gerechtsdienaar. —toe, top de, teenen; to stand on —, op de teenen stain. —top, a. hoog, boogst; uitstekend; a. hoogste greed, bests, voornaamste. —, v. a. beslats; lieht aenraken; omverpen (down. eeer);v. n (off; valleu; (off. over) uittntjpen, ster,vea. —pet s. halskraag. Tippl e (tIp'pl), s. drank. —e, v. a. & n. pimpelen, zuipen. —ed (tip'pid), a. drunken. —sr, a. drinkebroer,pimpelaar.—ing-honse,kroes.
ship. —er, m. loader; gunner; charger. —kg, Y. loading; lading, charging, chipping; load, charge, cargo, freight. Laf, by. & bw. fiat (-Iv), tasteless, insipid (.1y); dal (-71, silly (-ily), cowardly. —tek, beardless boy, greenhorn, jack-an-apes. —hartig, by. & bw. coward (-1y), pusillanimous (-1y). —hartigheid, v. cowardice, pusillanimity. —card, ut. coward, poltroon. —herd,' v. dittoes., unsavoriness, iffilipidityi dullness, silliness, pusillanimity. Larger, by. lower, inferior. —hand left hand, left. —h uffs, house of Uommons. —teal, lee-shore, Lak, m, blemish, stain. o. sealing-wse, lee. —noes, lamas, litmus, turnsol, Dutch blue. —work, laquered work, japan , japanned goods. Label, m. lackey, footman, donkey. Laken, o. cloth; &beet. —bee-eider, cloth-dresser. —fabrisk, cloth manufactory. —labriekant, clothier. —handel, cloth-trade. —Aandelaar, --trooper, draper, sloth-merchant, —copper, mapper. —pens, cloth-press. —roam, cloth-frame. —serge, clothserge. —.cheer, cloth-shears —seheerder, shearman. —veneer, cloth-dyer. —voider, fuller. —teeter, cloth-weaver. —toeverii, cloth-weaving. —winkel, draper 's shop. Laken, ov. w. to blame. —swaardrg, by. & bw. blamable (-bly). Eakensch, by. (of) sloth. Lak er, m. blamer. —dug, v. blaming. Lakk en, or w. to lacquer, to lacker, to Japan to seal. —er, m. japanner; sealer. lbakool, v. stock•frilly-Bower. Leics.)), o. Zie Lakurerk. I. by. lame, paralytic. Lana, o. lamb. —sbeoldje, &gnus Del. —Moat, leg of mutton, —tgebraad, roasted lamb. ...stet, lamb's fat. —avleeech, lamb —stool, lamb's wool. CambrIxeering., v. wainscot. Carafes', m. mourning-hat-band, crape. Lambeld, v. lameness. Lausnastkera, o. lambkin. —soon, orval. Cammaran, on. w. to yean, to lamb. ilaam ►er en, o. my. lambs. —pier, lamb's vulture, gritfon,---etarkt, iamb-market. —soot, as meek as a lamb. —tjesbaai, soft baize. —tjespap, porridge of wheat-flour and milk. Lananaartsnoot, v. filbert. Lammleteid,y. 1 Aramaean, palsy. Lawmen, o. ZielLensoseu. Lamp, v. lamp. —light, Iamp light, —olie, lampoil. —eglee, lamp-glass. —chap, glass-shade. —ekleedje, lamp-rug, lamp-stand. —ekousje, —epic, wick. —estoart, lamp-black. —enfabriek, lamp. manufactory. —enkatoen, candlewick. — enaraker, lamp-maker. —enopsteker, lamp-lighter. Canapet, o. ewer, 1s7er. —lean, ewer. —host, wash-hand-basin, bowl. Laseproll, v. lamprey. —, o. young rabbit. Lancet, o. lancet. —hiker, lancet-case.
N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling.
(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere
Eveugoed, bw. (just) as w911,e9,ally well. Evening, v. dog- en nacht—, equinox. lEvestmatig, be. proportional. —held, v. proportionality, proportion. Evenmensch, Evenntrnete, m. fellow-creature. Evennachtellein, v. equinoctial line. Evenoud, be. equally old, COPV011u. Evenredig, be. & bw. proportionate (-Iy).—keid, v. proportion. Eve/Aloe, bw. slightly; just, a little, a moment. Eveneeel, bw. (pat) as nit ch. —tje, o. (a moat of) cake. Even w 1, bw. yet, however, nevertheless.
a. (het) luchten. —less, a. bedompt. —ling, s. —ion (-neesjun), s. afstamming in de inanne- windbuil. —pump, luchtpomp. —threads, herfstlijke lijn. Agnorn en (eg-no'men), a. bijnaam. —inate draden. —tight, luchtdicht. —y, a. luchtig; (-nom'i-need, v. a. sere bijnaam geven. —ination dartel. Aisle (0), a. vleugel, koorgang. (nom-i-nee'sjun), a. bijnaam, zinspeling. Agnua-eastus (eg'nus-kes'tus), a. kuischboom, Alt (set ), a. eilandje. Ajar (e-dzjaar',, ad. op een' kier. Ago le-go'), ad. geleden. Agog (e-gog',., a. vurig begeerend. to set —, be- Ajutage (ed'zjoe•tidzj), a. verlengpijp. Akimbo (e-kim'bo), ad. gekromd. with arms —, lust waken ( for. onl• met de handen in de zijde. Agoing (e-go'ieng), ad. in gong. Agonis to (et'o nizm), a. prijsgevecht. —t, s. Akin (e-kin'), a. vermaagschapt., verwant. Alabaster (cal-e-baatetur), a. albast. —, a. van prijsvechter. Agon ice (eg'o-najz), v. n. zieltogen; doodsangst albast. uitstaan. v. a. folteren. —y (-nih), s. dood- Atari( (e lek'), int. helaas ! ach I —a-day, int. o wee I o jerum! strijd; zieleangst. Alacrity (e-lek , rit-tih, s. opgeruimdheid, vrooAgouti (e goed'), ad. in ernst. lijkheid. Agrarian le-gree'ri-en), R. —law, akkerwet. Alamode (el-e-mood"), ad. naar de mode. —. s. Agree (e-grie'), v. a. vereffenen; verzoenen. v. n. overeenstemmen (with), (on. upon) eena zijn sonrt van tar. over. (with) lijken, peas.. (to) toestemmen in. Aland (e-lend'), ad. aan land. —able, a. —ably, ad, aangenaam; overeenkom- Alarna ( e-laarm'), a. rumoer; noodkreet; wapenatig (to. with.) —ableness, s. aangenaamheid; over- kreet; achrik ; wekker. —, v. a. to wapen roepen; eenkomstigheid. —d, a. overeengekomen; int. verontrusten. —ed. a. (at) ongerust over. —ing, top! afgesproken! dot blijft zoo! —sent, 8. over- a. verontrustend. —bell, alarmklok. —post, loopeenstemming; overeenkomst; schikking, verge- pleats. lijk. Alas ( e lame), int. helaas! Agrestic (e-gres'tik), —al, a.landelijk, boersch. Alb (elb), a. koorkleed. —atrosa (erbe-tros), s. Agricult or (eeri-kul-tur), s. landbouwer, —ural stormvogel. (-kuPtjoe-rel), a. den landbouw I etreffend. —era § Albany-beef (erbe-nih-bief), a. steer. (-kul-tjoer), a. landbouw; iandbouwkunde. —urist Albeit (aol-bi'it), ad. alhoewel. Albeocent (el-bes'sent), a. wit wordend. (-kurtjoe-rist), s. landbouwkundige. Albino (el-barno), a. witte neger. Agrimony (eg'ri-mun-nih), a. leverkruid. Albugo (el-bjoe'go), s. witte steer. Agronomy (e-gron'o-mih), a. akkerbouw. Agronnd e-granund'), ad. Ran den grond, ge- Alchem ical (el-kem'ikl) a. alchymistisch. —ist strand. to run —, non den grond rakes. to run a (erki-mist), 8. goudmaker. —y (ellki-mih), a. ship —, in den grond zeilen; op het droge zet- goudmakenj. Alcohol (el-ko-hol), a. alkohol. ten. to be —, in de them zijn; bedorven zijn. heete koorts. Aicoran (el'ko-ren), 8, (de) Koran. Ague (ee'gjoe), 8. koorts. burring Alcove (el-koov'), a. alkove. —jit, aanval van koorts. Aguise (e.ghajs'), a. bleeding. Alder (aol'dur), a. els. —man, a. schepen. —n, a. van elzenhout. Aguish' (ee'gjoe-isj , , a. koortsig. —new, a. koorts- achttgheid. Ale (eel), a. ,engelsch bier. —berry, biersoep. —conner, —taster, bierkeurder. —hoof, aardvell, 4 Agy (eg'ih), a. koude koorts. —house, bierhuis. —stake, uithangbord. —wife, Ah (aa), int. ach I ha I —me, orb he ) tapster; § elft. Ahead (e-hed"), ad. vooraan, hale over kop. Alee (e-lie'i, ad. aan lij. Ahold (e-hoold'), ad. dicht bij den wind. Ahoy (e-hof), int. heiho I all hands —, alle man Alembic (e-lem'bik), s. distilleerkolf. Alength (e-length), ad. overhangs. op dek. Alert #e-lurt'), a. wakker, slug. —new, a. wairAbull (e hul'), ad. soar top en take). Aid (eed), v. R. helpen, ondersteunen. a. hulp, kerheid, vlugheid. bijstand; onderstand; helper. —de-camp, adju- Alexandrine (el.egv.-aan'drin), a. twaalfletterdant. —er, a. helper. —less, a. hulpeloos. —s, a grepig vers. in- en uitgaande rechten en accijnsen. court of Algebra terdzji-bre), s, stelkunst. Algebra Ic (el-dzji-bree'ik), —ical (-11c1), a. stelaids, accij nsk.ntoor. Alguemarine (ee'gjoe-me-rien), a. berilsteen. kunstig. —ist, a. atelkundige. all (eel,, v. R. deren, pijn veroorzaken; v. n. pijn Aig or (e!'gor), a. hevige koude. —ous, a. vol hebben; onpasselijk zijn —ing,a.ziekelijk,—meat, zeewier. s. onpasselijkheid; smart. Alias (ee'li-eat, ad. anders gezegd. Aim (eem), 8. doelwit; oogmcrk. —, v, a, rich:ten; Alibi (el'i-baj), a. tegenwoordtgheid elders. Allen (eel-j en), a. vreemd,—.s. vreemdeling.—office, v. n. (at) mikken, doelen op. Air leer), a. lucht, hunting; lied. to take the —, paapoortenbureau. —able, a. vervreemdbaar, een luchtje acheppen. to take airs, zich aanzien —ate (-eet), v. a. (from) vervreemden. -ate (-et), geven. —, v. a. luchten. —balloon, luehtbol. a. (from) vervreemd van. § —age, a. vreemdheid, —built-castles, luchtkasteelen. —current, lucht- vreemdelingschap. —anon (-ee'sjun), a. vervreemstreom, —gun, windroer. —hole, luchtgat. —i/y, ding; — of mind, verstandeverbkistering. a, luehtig, vroolijk. —iness, a, luchtigheid. —ing, Allform (eri-form), a. vleugelvormtg.

Wat is het doel van Binance munt


atoffelijk. —punishment, liiistraf. —,s. korporaal; Cordelier (kor-de tier), s minilerbroede, Cordial (kor'di. el), a. harisierkund, tiartelijk. i iniadoek. —ity (kor-po-rel%), s. lichamelijklield; e.' stoffelijkheid. —, hartsterkend raiddet. —ity (-6'11 hartelbkheid. —ly, ad. on harte. --ness, B. bar- Corpora te (kor'po-ret), a. —tety, ad. ingelijrd. —teness, a. saamverbondenheid. —tion (-ree'ajun), telijkbeid. a. genootachap; gild; gemeenteraad. Cordon (kor'don), a. munrweik, cordon. Corpore al (kor-po'ri-el), a. —ally, ad. lichameCordovan (kor'do-ven), a. Zie Cordwain. liehamelijklijk, stoifelipc. —ity —road, Corduroy (kor'djoe-roj), a. bombazijn. § held, stoffelijkheid. weg van blokjes hoot. Cordwaln (kord'ween), a. spaansch leder. —er, Corposant (kor'po-zent), a. St. Elmusvuur. Corps (koor), a. bende; korps. a. lederbereider; schoenrnaker. Core (koor), R. binnenste, kern; blokhuts; etter. Corpse (korps), a. lijk; romp. Conscious (ko-ri-ee'sjus), a. lederachtig; taai. Corpulen ce (kor'pjoe lens), —cy, s. zwaarlkjvigheid. --C, a. zwaarlijvig. Coriander (ko-ri-en'dur), s. koriander. Corinthian (ko-rtn'thi-en), a. korinthisch. —or- Corpus cie (kor'pua-s1), a. lichaampje; stofa. losbandig deeltje.—etaar(kor-puti'kjoe - ler), —cutortan(-kjoeder, korinthische bouworde. lee'ri-en). a. stofdeeltjes betreffend. menseh. Cork (korle), a. kurkboom; kurk; § kalkoen (aan CorradiatIon(kor-ree-dt-ee'sjun),s. vereeniging eon haeflzer). —, v. a. dichtkurkent § van kal- van atralen in 66n punt. koenen voorzien, scherp zetten. —ing-pin, ha- Correct (kur-rekt'), a. —ly, ad. nauwkeurig, kerspeld; paknaald. —screw, kurketrekker. —tree, joist. —, v. a. verbeteren; kastijdpn. —ion (-rek' t,jun), a. verbetering ; berisping; kastijding. kurkboom. —y, a. kurkachtig; kurken. —tone, a. verbeterend. --ice, a. verbeterengi; s. Cormorant (kor'mo-rent), a. zeeraaf; vraat. Corn (korn'), a. koren, groan; korrel; likdoorn; verbeteringsmiddel. —ness, a. juistheid, nauwmats. —, v. a. korrelen; pekelen. —beef, pekel- keurigheid. —or, a. verbeteraar; tuchtiger; corvleesch. akkerwinde. —bottle, koreribloem. rector. —chandler, korenkooper. 4 —cracker, scheld»aarn Correia te (kor-re-feet'), v. n. eene wederkeerige your Kentuckter. —cutter, likdoornsnUder.§ —dad- betrekking hebben. —tion elee'sjuni, 8. wederger, soort van koek. —factor, korenmakelaar. zijdsehe betrekking. —field, korenakker. —flag, zwaardlelie. —floor, Correintive (kur-rere-tic), a. —ly, Rd. wederdorschvloer. —flower, korenbloorn. § —juice, bran- 10.4 betrekkelijk. —ness, s. wederkeerige bedcwijn. —loft, korenzolder. —merchant. koren- trekking. kooper. korenmolen. —poppy, klaproos. Correapon d (kor-re-spond'), v, on. briefwisite-rocket, berth. —salad, veidsaiade. —trade, graan- sing voeren; overeenkomen met, beantwoorden ran, (to. with). —deuce, —dency, s. briefwtsseling; handel. korenwaRg- overeenstemming. —dent, a. —dimity, ad. overCornea (koeni-e), s. hoornvlies. eenstemmend —dent, a. correspondent. —sire., Cornel (kor'n11), a. kornoeljeboom. a. overeenkomstig. Cornelian (kor-nle'li en), a. kornalijn. Corridor (kor'ri-door), s. gang, galerij. Cornernuse (korn'mjoes), a. herdersfluit, Corrigible (kor'rid-zjibl), a- verbeterlijk, straf. Corneous (kor'ni-us), a. hoornachtig. Corner (kor'nur), a. hook. —house, hoekli uis. —tile, boar. noknan. —tooth, hoektand. —wise, overhoeks. Corrival (kor-raj'vel), a. mededinger, -minnaar. —ed, a. gehoekt. 4 — , v. a. in het nauw brengen. —ry, s. raededinging. Cornet (kor'nit), a. boron; peperhuis; vaandrig; Corrivation (kor-r-vee'sjun), s. samenvloeiing. Corrobora nt (kor-rob'o-rent), R. versterkend. hoof. —cy, s. rang van kornet. (-ree' Cornice (koenis), a. kroonlijst. —te, v. a. veraterken, bevestigen. sjun), a. bevestiging; versterking. —tire, a. verCornicie (koentkl), a. horentje. Corniculaie (kor-nik'joe-let), a. horenvormig; sterkend; bevestigend. Corro de (kor.rood'), v. a. wegknagen; invregehoornd. Corniforni (kor'ni-form), a. horenvormtg. ten. —dent, a. wegknogend; invretend; a. bkitmiddel. -dibilily (kor-ro-di-bil'-), 8. vatbaarheid Cornigerous (koe.nid'zjur.ue), a, gehorend. voor invrettng. --dible (kor-ro'dibl), a. vatbaRr Corona te (kor-njoet'), v. a. horens opzetten, tot voor invrettng —sion (. ro'sjun), s, wegvreting. horendrager maken. —to (-njoe' to), H. horengl rager. —sive, a. —nicely, ad. (-ro'etv-), wretend; kwelCorny (kor'nih), a. horenachtig; gekorreld; groan- rijk; sterk, koppig. lend. —sive, a. bijtmiddel. --saneness, a. bijtendCorolla (ko-rolle), a. kreontje (eener bloem). heid, scherpheid. Corollary (koeul-le-rih), a. gevolgtrekking; toe- Comma nt (kor'rjoe gent), a. rimpelend. —te gift. (-get), R. gerirnpeld. —te (-:feet), v. a. rimpelen. Corona (ko-ro'ne), a. kroonlijst. —I, a. kroon, —tion (-gee'sjun), a. rimpeling. v. a, krona; R. tot de kruin hehoorend. --ry (kor'o- Corrupt (kor-rupt'), a. beglorven, snood. bederven; omkoopen; v. n. bederven, no-rib), a. eene kroon betreffend. —ry-vein, R. kroonader. —ry-artery, kroonslagader. —tion (kor- bederver; omkooper. a. kroning. ness, a. vatbasrheid voor bederf, voor omkooad. aan bederf onderheCoroner (koeo-nor), 8. lijkschouwer. ping, Coronet (kor'n-net). a. kraontje; hoofdsieraad. vig; voor omkooping vatbaar. —ion ( rup'sjun), Corporal (kor'pa-rel), a. —ly, ad. liehamelijk, s. bederf; verdorvenheid; omkooping; ettering.

481 Ifoovesaaor. m. farmer. 11114eetewei I, v w. though, although. Floozee, tow. huzzah! humeri Ilicsozoor, hw. bow much. —, vw. though, although. o. court. zijn — liof. in. yard, court-yard. snakes bed, to pay (to make) one 's court to, to court. open—, open table.—arte,eourt-phyeician. —borAier, barber in ordinary. —hediende, officer (servant) at court. —dame, lauy of honor. —dienst, cottrt•serviee.—gebruik, court-etiquette.— perecht, —kanser, superior court of justice. —gezin, courtiers. —howl, mestiff, watch-dee. —heeding. court; state. —jonker, page. —jeer., maid of honor. —kaneelier, court-chancellor. —kapel, coart-chapel.—kapelann.—prediker,court-chaplain. —komijn, caraway. —deem, court-life. --wester, steward. —meesterschap, stewardship. —nor, court-jester, fool, —road, privy council; privy councellor. —roan, court-mourning. —,tad, rendence. —etede, farm, country-seat; —anker, sheet-anchor.--atoet, retinue of a prince. —svocht, guard of the court. —Igoe/der, yeoman of the guard; watch-dog. —vesper, courteeineer. Hvelfollik, be. & bw. courteous (-1y), genteel (-1y). —held, v. courteousness, courtesy, genteelness. IIssfje, o. establishment for o'td people. Hok, o. pen, kennel, 'sty; dungeon; dock. —duif, tame pigeon. —itentin, tame rabbit. —rest, homekeeping. Hokkeling, m. & v. calf one year old; overgrown soy. — girl. Hokken, on. w. to squat, to crouch; to renounce 't kaartspel), Aet kohl, there's some obstacle; it. won 't do. o. hole, hollow, cavity; don, cave, cavern; dead (ran den noelet). cc — rakes, to take fright. to run away; to take bad courses; to be wend,ing, to go a wool-gathering, to be perplexed. — over bol, helter-skelter; head over heeds, precipitately. lloi, hr. hollow, empty, deep, concave. —ader, vena CSC!, —beitel, —ijser. gouge. —blok, wooden shoe. —60/140, faeetioue, comical, droll. —boa, glutton. —buikig. empty-bellied, gluttonous. —keel, chamfer; glutton. —oogig, hollow-eyed. —rend, concave. —rearbleid,concavtty.—wangt(g, hollow-checked. -WOrt41, hart-wort, birch-wort. —achtig, be. somewhat hollow. vy., head over lioldordebolder, bw. topsy-turvy, heels. Holheld, v. hollow nese. 11 ollav, tow. bode! hold Holies, on. w. (to take fright and; run away; to wander, to rove, to riot. to revel. Holligheld, v. hollowness, cavity. Holster. tn. holster, rate. Hone, v. hollow, cavity; pit . Horn, v. milt, soft roe I trill. —bears, renter, uott•roed perch. —bokking, soft•roed real herring. Houttntl, m. drone, humble-bee. Hommel en, on. w. to ham, to beet. —lag, v. humming, buzzing. Hammer, nt. milts,. —gat, sheave-hole. Hong), v. lump, lunch. Hompel ear, ra. limper, hobbler —en, on. w.
bee in een" gemeentegrond; student van den Compass (kum'pes), a. omtrek, kring, omvang; rnimte; bereik; kompas. to keep within —, binnen tweeden rang (te Oxford). —ly, ad. gemeenlijk. —ness, s. gerneenheid. de palen houden. —blijven. corrected —, reehtwij Commons (kom'munz), s. de mindere man; (het) tend kompas. dipping miswijzend kompas. —box, kompasdoos„ —card, kompamroos. —needle, Lagerlatis; dagelijksche pot. ce (kom'mo-rens), a. verblijf, wo- kompasnaald. —saw, iijneznag. —stuff, boeghout. Co ► mor kromhout. —timber, —es, s, passer. a pair of —es, ning. — t, R. *woonhchtig. Commotion (kum-mo'sjun), a. beweging, op- een passer. schudding; ontroering. —er, s. onrustzaaier, Compass (kum'pes), v. a. omvatten, insluiten; beoogen; erlangen, bereiken. rustverstoorder. Commove (kum-moer), v. a. beroeren, veront- Compassion (kum-pes'ajun), a.inedelijden. —ate, a. —ately, ad. medelijdend. —ate, v, n. beklagen, rusten. deernis hebben met. COMID111/111 e (kum-mjoert'), v. n. zich onderhou- ke- tin), Compatibility kum-pet-i-bil'it-tih),a.bestaan-den, overleggen baarheid, vereenigbaarheid. s. mededeelbaarheid. —icabt e, a. mededeelbaar (to). --cant, s. A von d maalg anger ; Communi- Compatibl e(kurn-pet'ibi), a. bestaanbaar, atrookend. —eness, a. bestaanbaarheid; vereenigbaarcant. —irate. v, R. mededeelen (to); v. n. ge- heid. —, ad. gepast. meenschap hebben (will); ten Avondmaal, ter Cornmunie gum —ication (-ni kee'sjun), s. me- Compatriot (kum-pee'tri-ut), a. landgenoot, — , a. van hetzelfde land. detecting; beraad3laging; verkeer, gemeenschap. s. makker. —,v.a.evenaren. —icative ( ni-ke-tiv), a. mededeelzaam, spraak- Corapeer(kum• mina. —icativenesi (-ni-ke-tiv' ness), a, mededeel- Compel (knm-pel'). v. a. noodzaken; afdwingen onderwerpen. —lable, a. dwingbaar. —lation (lee' zaamheid, spraakzaamheid. —icatory, a. merle- sjun), a. wijze van aanspreken. —ler, s. dwinger. deelzaam. —ion (-njun). s. gemeenschap: A•ond- maal. —ion-cup, Avondmaelsbeker. —ion-table, Compered (kom'pend), a. kort begrip. (kom'mjoe-nizm), R. ge- Compendi ems (kum-peredi-usl, R. —ously, ad. Avondmaalstafel. beknopt, bekort. —ousness, a. bekuoptheid. —um, meenschap van eigendona. —ist (koni'mjoe•nist), s. kort begrip. a. communist. --ity, a. rnaatschappij; vereeniging; Comperes ate (kum-pen'seet), v. a vergoeden; (het) volk; gemeenschap. vergelden. —ation (kom-pen•see'ejun), R. vergoeCommutability (kurn•mjoe-te-bil'it-tih), a. vat- ding; vergelding. —ative, —story, a. vergoedend. baarheid om veranderd to worden. Commut aisle (lcum-mjoe'tibl), a. verwisselbanr. Compete (kum-plet'), v. n. mededingen; werlijveren (with). -ation (-teeajtin), s. verwisseling, verandering. —ative, a. verwisseling hetreffend. —e, v. a. ver- Compet enee (kom'pi-tens). —ency, a. genoegzaamheid; bevoegdheid; toereikend inkomen.—ent, wisselen, veranderen: afkoopen; v. n. boeten. a, —catty, ad, voegzaam, gepast; toerelkende be(-4joe el), a. wederzijdsch. voegd. —ition (kom-pe•ti•sjun), a. mededi ❑ ging Compact (kom'pekt), R. —/g, ad. dlcht, vast, a. verdreg, bedieg. saamgedrongen. Compact (kum-pekt'), v. R. nauw verbinden, Conpeti for (kum-pet'i-tirr), s. mededinger. s eni e nvoegee; v. e. etch snow verbinden. —edness„ —tress, —trix, a. mededingster. —ness, s. dichtheid, vastheid. —ure (-tjoer), a. Compilation (kom-pi-lee-sjun,) s. verzameling; samenflansing. bouw, samenstel, weefsel. Compile (kum-pajl'), v. a. verzamelen. —r, s. (bum. pee•dzjiz), a. samenstel uit Compages verzamelaar; opsteller. onderscheidene deeien. Companion (kum•pen'jtin), s. metgezel, mak- Coanpiacen ce (kum-plee'sens). — cy. a. voldoening, genoegen; inschikkelijkbeid; heuschker, here'. kaplutk; Bettor Itij den kajuitstrap; heid. —t. a. —tly, ad. aangenaam; vriendelijk; lantaarn. boon —, vroolijke kwant. —able, a, inschikkelijk. —ably, ad. gezellig. —ob/enees, s. gezenigheid. Complain (kum-pleen'), v. a. betreuren; v. n. —ship. s. vereettiging: kameraadschap. (of) klagen over. —able, a. beklagenswaard. —ant, Company (kum'pe-eih)), s. gezelschap, genoot- a. eischer, eischeres, —er. s. klager, klaagster, schen, maatechsppij, venpootschap; gilde; corn- pagnie; troep. to bear —, gezeischap houden, Complaint (kum•pleent.), s. klacht; beklag; kweal; ongesteldheid. to keep —, gezelschappen bezooken. —, v. a. ver- Co ► plaisan ce (kurn-ple-tens'), R. gedienstiggrueller; v. n. omgang hebben (with). heid; beleefdheid; heusch held. —t a. —tly, ad. Compara ble (kom'pe-rib'), a, vergelijkbaar (to) gedienstig; voorkome ❑ d, beleefd. —tness, a. wel—bly, ad. vergeliiketiderivijze. levendlieid; gedienetigheid, beleefdheid. Comp ► rative (kum-per'e-tiv), a. vergeliikend. s. vergrootende trap. —ly, ad. in vergelijkieg. Complain site (kum- plee'neet). —e, v. a. gelijk (effen, vlak) maken. (kum-peer ). s. vergelnking; gelnkents. Compare —, v. a. vergelijken (to. with). —, v. n. (with) Complement (kom'ple-ment), s. aanvulling; vol getal; volkomenbeid; voorr.d. —al (lcom-plewedijveren. ment'el), a. aanvullend. Comparison (ktim-perl sun), a. vergelijking; Complete (kum-pliet'), a. —1y, ad. volledig, vol. verhouding. gelijkenis. Compart (kern-pearl), v. a. afdeelee,verdeelen. homes. —, v. a. volledig, volkomen maken. —nets, a. volkomenheld, volledigheid. —intent, —meat, a, afdeeling., yak. —ition, (kom- Comple tion (kum-plesjun), a. voltooling; per-tis'sjun), s. afdeeling, afperking.
Louder bewijs. —tory (-1e-tur-rih), a. verzoekende Portress (poort'reso), a. portierater. Pory (po'rih), a. poreux, sponsachtig. gesteld, aangenomen. —turn (-lee'tuat), s. Zi; Pose (pooz'), v. a. verlegen maken, pal zetten. Postulate. Posture (post'joer), s. toestand; houding, ge—r, s. s. ondervrager, palzetter. Position tpo-zisrun), s.ligging, stand; toestand, atalte. —master, postuurmeester. gesteldheid; stelling. —al, a. betrekkelijk he Posy (po'zih),.s. zinapreuk; ruiker. stalling of gesteldheid, l Pot (pot'), s. pot, kan. —ash, potasch. —bellied, ad. stellig, bepaald; Positive (poz'i-tiv), a. dikbutizig• —b elly, dikbuik. —boiler, hnisvader. volstrekt; wezenlijk; setter; bevesttgend. —ness, —boy, knecht in eene gelalatuntner. —butter, pots. stelligheid, zekerheid. jesboter. —companion, drinkSbroer. —fta, pot-, kanvol. —girl, dienstmeisje in eene gelagkamer. Posnet (poz'nit), a. kommetje bakie. om. FOGS (pass), a. waterval; apoelk —hanger, schoorsteenhaak. —herb, moeskruid, Posse (potezel, a. gewapende macht; gepeupel. groente, —hook, pothengsel; hanepoot. —house, Possess (puz-zess'), v. a. bezitten; (of; in het bierhuis, kroeg. —ladle, polle:vel. —lid. potbezit stellen van. —ed (-zest"), a. bezeten; (of) deksel. —luck, gewone pat of kost. —man, kroegin het bezit van; (with) overladen; begaafd, voor- looper; zie rot-boy. —metal, mengsel van lood zien. —ion (-zesfun), a. bezitting, bezit, eigen- en koper. —pan, kook-, stoofpan. —proof, sterk don, —iz'e, a. bezittend; ease, tweede naamval; drinkend. —sherd, potscherf. —, v. a. in potten — pronoun, bezittelijk voornaamwoord. —or, a. zetten of bewaren; inmaken. hezitter, eigenaar. —ory (ook: poz'zis-sur-rib), a. Potable (po'tibl), a. drinkbaar. —ness,s. drinkbezittend; van het bezit, baarheid. Posnet (pos'eit), s. door wijn gesiremde melk. Potato (po-tee'to), a. aardappel. Poten cy (po'ten-sih), a. macht, vermogen. —t, P0.81 bie (pos'sibl), a. mogelfjk. —bly,ad. a. —tly, ad. machtig. —tate (•test), s. vorst, pogelij k, misschien. —bility (431-bil'it-tib),s.moge- , tentaat. —tial. a. —Nally, ad.(-ten'ajel mogelijkheid. s. mopPost (poost'), a. post; postbode; ambt; peal. to lijk; vermogend. —tiality per post reizen. —boy, postrijder,pos; li.jkhcid; vermogendheid. travel tilion. —chaise, postkoeta.—day,poatdag.—doetor, Pother (potieur), a. gewoel, rumoer. —, v. a. kwatzalver. —haste, groote spoed. —horse, post- kwellen, lastig vallen; v. n. tieren; levenmaken. paa-d. —house, posthuis. —man, potaboae; brie- Potion (po'sjun), a. drank, drankje. venbeateller. —mark, postmerk. —master, post- Pott age (pot'tidsj), s. vleeschsoep,gekookte spijsmeester. —note, postwissel. —office, postkantoor. Potter (pot'tur), a. pottenbakker. —'s-clay, pot-paid, gefrankeerd. —road,rtj- ,03 treat w eg. —stage, aarde,leem. —'s-ore, verglaamsel. —'s.ware, aarde. 1)ostatation werk. —y, a. pottenbakkerij; aardewerk. Post (poost'), v, a. eanplakken (up); op post zet- Pottle (pot'tl), s. kan; vochtmaat van 4 pint. ten; op de post doen; orerboeken; v. n.per post Potulent (pot'joe-lent), a. beneveld, dronken; drinkbaar. reizen. —rye, a. briefport; —stamp, postzegel. Post date (pooat'deet), v. a later dagteekenen. Pouch ;pautsj),s. zak; pens,dikke buik.birding—, —dilution (-di-ljoe'vi-en),a. van na den zondvloed. weitasch. —, v. a. in den zlk steken; opslokPoster (poost'ur), e. renbode, koerier; aanplak- ' ken; v. n. pruilen. Poult (pooh'', a. hoen, kuiken. —erer (-ur-ur), billet. Poster' or (pus-trri-ur), .later, volgend.—ority a. poelier. —ice i-is), s. pappleister; v. a. pappen. s. (het) later zijn. —ors (-urz), pl. —ry,s.tamgevogelte; —house,hoenderhok;—yard, achterste —ty (-ter'it-tih), s. nakomelingschap. hoenderhof. Pounce (paauns'), s. klauw (van een' roofvoPostern (pooetur.), s. achterdeur, poortje. a. grljpen; Postexietence (poost-egz-ietens), e. ,toekom- gel); puimsteenpoeder; sandrak. dcorboren; bestrooien; glad wrijven; v. n. (on) stig bestaar. Postilx (poosefiks), s. aehtervoepel. neerschieten op. —box, —than, stroolbus; sanv. a. achtervoegen. ' drakbusje. —d (paannet), a. met klauwen. Posthumous (post'jo,mus), a, nagelaten. —1Y, Pound (paaund'), a. pond; pond sterling; schutad. na den dood. v. a. lljnstampen; opsluiten (up). —age, hok. PoNtil (posetil), s kantteekening. v. a. van a. pondgeld. —er, a. stamper; ponder;pondepeer. kantteekeningen voorzien; v. n. kantteekeningen Poop eton (poe'pe-ton), s. popje. —ics, pl. ge• mak:In (upon , . —ier, s. uitlegger, acbriiver van recta van reepies kalfa-, schapen- en varkensk,ntteekeningen• eerseh. Postilion (pens trnjun), s. voorrij der, postilion. pvolu (poor',, v. a. gieten- schenken;uitstorten; (in upon. out upon) overfdelpen met; v. n. atrooPost log ,poostleng), s. het reizen per post. —bill, aanplekbitjet. men, vloeien, etorten; (doten) stortregenen; (upon) Postmerldigin (pooet-me neer8chteten op. —er, s. gieter; inschenker. Postpone (poost-p , on'), v. 11, uitstellen, ver poor 'attic (poor-kut't1), a. inktvisch.—pa , ty setiujven; achtermtellen. —meat, s. uttstel. (.paar'tih), s. verdeeling eener erfents. lamprei; steenbolk; berit-, hazelPostacript (pooerskript) a. nasehrift. Pout (pant), Postuin nt (post'ioe-lent), E. aanzoeker, (linger. ' boon; kwade luim. —, v. n. pruilen; vooruitste(-let), s. vereischte; aangenornen staling. ken. —to ( 'Pet,, v. a. varderen, aanzoek doen am; Poverty (pov'ur•tih), a. armoede. stellen —Pion (-lee'sion), o. aanzoek; stealing Powder (pau'dur), a. poeder, poeder, stof; bus-

WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Betaalt u belasting over Bitcoin winst


AFS.—AFW. 391 Afatutven„ on. w. to fly off; to rush out of. Atvaren, on. w. to break off (by tailing agoinst); Afoturen,ov.w. to steer off; to despatch. on. w. to depart, to go off ; to go down. Afoul/en, on. w. to slide (to slip) down. Along en, ov. w to wipe (off). —er, m. wiper. Alta/Le/en, ov. w. Zie Onttokelen. Afverg en, ov. w. to require to eruct (from! --er, m. exatiter. —ing, v. requiettion, exAfteepp en, ov. w. to draw off; to bottle; to action. tap; to drain ; blued —, to let blood, to bleed. —er, m. tapper. —ing, v. drawing off; tapping; Afverven, ov. w. to paint entirely; on. w, to bloodeletting. lose its color, to lode, to dye, to stain. Afteeken ear, m. delineator, eketcher. —en. on. AfvUt en, ov. W. to file (off). —er„ m. flier. —eel. o. w. to sign; to mark out; to draw, to delineate, on. w. to flay —, to strip (off). to sketch. —into v. signing•; marking; drawing, Atvisechen, ov. w. to empty by fibbing; to Skim. delineation, sketch. Aftellen, on. w. to tell apart, — off, to count out. Afvtelen, on. w. to obtain oy dattery. ArvIllegen, on. w. to fly off, — down. ov. w. to lift (to twice) off. Afvlieten. on. w. to flow (to run) down Aftlppen, ran. w. to point off, to nib. Aftoblben, on. w. to tire out, to harass. sic.% —, Af vtUrnen, ov. w. to cut off, — away. to drudgo, to slave. Afvtoet en, on. w. to flow down. —ing, o. flowing down. Aftocht, m. retreat, marching off. Atvotor, m. conveyance, transport. —en, on. w. Alfloncoen, on. w. to set buoys along. Aftoomen, on. w. to unbridle, to unbit. to carry off, — down, to lead off, — away, to Aftoppen, on. w. to top, to lop. convey; to transport; to abduct; to deterge, to expel. —end, by. detergent, excretory. --ing. v. Aftornen, ov. w. to uniew, to rip off, — up. carrying off, — down; abdocnon; abetereioo. Aftonwen, on. w. to bang, to drub, to rib-roast. Aftrappen, on. w. to kick down, — off. Atvorder en, ov. w. to require —, to exact (from); rekening —, to call to account. —ing, v. demand, m. descent, step. —en, ay. w. to kick exaction. off; to pace, to measure by poesy ; on. w. to descend; to walk (to step) down, to step off, to Atvrag en on. w. to ask (ot ), to Interrogate. —ing, v. interrogation. deviate (from); to leave, to go away, to reatgn, to make one 's exit. —ing, v. pacing; exit; de- At vreten, ov. yr. to eat off, to knapple, to browse. Aterleeen, or. w. to freeze off, to ba bitten off viation; rerigration. by cold. Afreek, m. deduction, abatement; salt, demand. —ken, on. w. to draw (to pull) off; to withdraw; Afvuren, or. w. to fire (off) to discharge. to divert, to turn off; to strip, to day; to deduct; Afvvonlen. ov. & on. w. to blow off, — down. to subtract; to bottle; to infuse, to make an ex Afavaarts, bw. downward. traction of; to discharge: on. w. to go away, to Afweiebt en, on. W. to wait (to stay) to,, to a, lift; to abide. —ing, v. expectation. depart, to withdraw ; to retire, to rotreot, to march off. —ker, m. trigger; eubtracter. —king. Atvitiken (Meta), t. w. to fatigue one 'a self by watching or Rifting up. v. drawing off; deduction; subtraction. —eel, o. Alwatten, on. w. to , wall (to fence) in, to extract, decoction. secure. Aftroeven, ov. w. to trump; to give (R. .) a, tart reply. Alweandelen, on. ay. to walk to the fold of; on. Aftroggelen„ ov. ve. to obtain by coaxing, to w. to come (to walk) down, to descend. Aftveseth en, on. w. to wash. — off, — away. wheedle (a. o.) out of. —ing, v. washing off, lotion, ablution. Aftronornelen, on. w, to proclaim by the beatAfsvietee •-n, ov. w, to drain; on. w. to flow off. ing of drums. y. flowing off; drainage, draining. Aftrompetten, ov. w. to proclaim by sound of Afweok en, , an. W. to loosen by soaking; or. w. trumpet. to fail off. — lag. v. waking. Attroonen, on. w. to obtain by flattery; to draw Afweer der, m. —ster, v. repeller, repulser. off (to divest) from. Afweg, no. by - Way, way about, side way. np — en Aftnigen, ov. w. to unharness. geraken, to take oad cower,. Aftuitnelen, on., Yr. to tumble down. Afwmardig en, ov. w. to deepatch,i.a depute, to Afweg enc, on. w. to weigh; to adjust, to meta.• delegate. —er, m, despatcher, conatituent. —ing, tore. —er, m. weigher. —tog, v, weighing; adjuoting, measuring. v. despatching, delegation. Afweld en, or. w. to grate off, to browse; on. Afvenrt, v. vetting out, departure. w. to digress. v • digression. Afwal, m, falling off, — down; windfall; refuse, waste, trash, rubbish; offal, garbage, giblets; Afevend en, ov. w. to turn off. — *Ode; to avert, shavings, parings, clippingo, orts, dirt ; deflec- to divert; to parry. —ing, v. diversion. tion; forsaking, defection, desertion, Apostasy. Atwell.' en. ov. w. to dieaccuetom --, to deuce /.0m,, to brook of; to wean. --ing, v. diemige, —len, on- w. to fall off, — down; to grow thin, breaking ol; wooing to decay, to decrease, to decline; to deflect; to contrast (with), to differ (from); to apostatize, At wentel nsa, ov. w. to roll off, — dawn. —ing, v. rolling off, — down. (ran) to forsake, to desert. —lig, by. disloyal, unfaithful, apostatical; worden, to turn apos- Afovo,r en, ov. w. to wart off, to parry; to aver), tate. —ige, m. & v. apostate, renegade. big, v. a rAllk; off, por.ying; to prevent. v. disloyalty, apostaey.
11,R1.—INN Ingenious (in- dzji'ni.uo), a. —ty, ad. geeatiti, vernuftig, vindingrijk. —ness, r„ geestigheid, vernuftigheid. Ingen it (in-dzjen'it), a. aangeboren, ingeeehapen. —uity (•dgje-njoe'it-tih), s. verneftigheid, bekwaantheid, genie. —uses -joe-us), a. —uously, openhartig„ ongeveinsd; rechtschapen. —uousness, s. openhartigheid, ongeveinsdheld. Ingest (in-dzjeat'), v. a. inalikken. —ion (•(un), a. insl(kking. Inglorious (in-glo'ri-us), a. —ly, ad. roemloos, schandelijk. —nets, e. roemlooaheid, sehandelijkheid. Ingot (Ing'got), a. boar, Rotel'. Ingraft (in-graaft'),v.a.inenten;inprenten, ((n.on). —meat, a. elating; ent. Ingrain (in-green'), v. a. in de wol verveu. —ed. a. in de wol geverfd; diep ingeworteld. Ingrate (in-greet'), a. ondankbaar. —iate skeet), v. a. in gunst tirengen (tol; — one's self with, zich in dringen, bemind waken bij. —itude (-gretl-tjoed), a. ondankbaarheid. Ingrawkinite (in-grev'i-deet), v. a. bezwangeren. Ingredient (in-gri'di-ant), a. bestanddeel. 'agrees (In'gres), —ion (-grew nn), a. ingang, toegang. Inguinai (ing'gwi-nel), a. van de lies. —gland, liesklier. Inguif (in-gulf'), v. a. verzwelgen; in een' afgrond etorten. Ingurgita to (in-guedzji-teet(4 v. a. inzwelgen; v. n. zwelgen, zuipen. —tion (-tee'ejun), Is. ingwelging; zwelgerij. Ingustable (in-gus'tibl), a. emakeloos. Inhabit (in-heb'it,) v. 'a. bewonen; a... wonen. —aney, 0. woonable, a. bewconbaar. -pleat s, woning. —ant,—er, s. betvoner; inwoner. —ation(-tee'sjun),s.woriing; bew °fling; bevolking. Inhale (in-heel'), v. a. Wedeln.. Inharmoni e (in-hcr.mon'ik), —cal, —ous (-mo' ni-us), a onw2Iluidend. Inhearse (in-hers';, v. a. bt;zetten, begraven. Joiner e (in-hier'), v., n. inkleven, aanhangen. —race, —ency, a. inwoning, oonkleving. --eat. a. —ently, ad. aanklevend, onafscheidelbk; (in) aangeboren; (to) inwonend. Inherit (in-her'it), v. a. erven. —able, a. erfelijk. —anee, s. erfenis, crfgoed. —or, —real, —rix, a. erfgeuaarn. Inhesion (in-bi'zjun), s. aankleving, onafscheidelijkheid. Inhibit (inhibIt.), v. a. verhinderen, verbieden. —ion (-bisj'un), a. verhindering, verbod. Inhoaop (in-hoep'), v. P. inkulpen; iusluiten. Inhospita hie (in-hos'pl-tibl), a. —6/y, ad. OAherbergzaam. —bleness, —lily (-tel'it-tib), a. onherbergzaamheid, 'ohm's an (in-joe men), a. —only, ad. onmensehelijk, barbaarseh. —unity (-rnen'it-tih), a. onmenschelijkheid. —ate, ;—e (• om"), v. a. begraven. —alien (•mce'sjun), a. begraving. Inimical (in-im'ikI), a. —ly, ad. vijandeltk strijdig (to). Inlmita tale (In-iml-tibl), a. —bly, ad. onnavolgbaar. (-te-bil'it-tih), a. onnavolgbaarheld,
487 —er,'tn. Importer; pawn-broker. —ihp,v. importation; allegation. —ster, v. female pawn broker. Inbreuk, v. infraction, infringement, transgression, encroachment. — maken op, to infringe upon, to transgress, to encroach upon. Itahrokketem, Inbroliken, ov. w. to break into; to 1040 successively. Inhruln, bv. dark-brown. Iea lortsisen, on w. to rush into. Enbutg en, or. w. to bend inward, to inflect. —leg, v. bending inward, inflection, Ince..eine en, or. w• to collect. —ing, v. collection. Inconsequent, by. & be. inconsoquent (-ly), inconsistent with one 's salt. —ie, v. loconsequense, inconsistence. Indschtig, by. mindful (aan, of). Thaken, to put in mind of. tinting en, ov. w. to summon, to cite. —er, m. summoner. —ing, v. summons. Indarona en, or. w. to dam up. to embank. —ing, v. embankments Indelven, ov. w. to dig into. Indeuken, or. w. to consider. Intrierd wad, bw. indeed, really. Indian, rw. if, in case. ludiets an, ov. w. to deliver in, to present. —ing, v. delivery, presentation. Indigo, v. indigo. indUk en, ov. w. to dike, to embank. —ing, diking, embankment. Indoen, or. w. to put (to get) in, — into, Indonapel en, or. w. to plunge into., to immerge. --ing, v. immersion. Indoop en, or. w. to turn (to twist, to screw) t. w. to intrude. Into; zich Indragen, ov. w. to carry into. Inds...wen, or. w. to enter trotting, — at a trot. IndrUv en, ov. w. to drive i to force) In, — into; to emboss, to enchase; to float into. —ing, v. driving (forcing) in; floating in. Indrillen, ov. w. to pierce. IndrIng en, or. 'or. to push (to mar, to force) in, — into; on w. to penetrate; (op) to press; each t. w. to intrude. —end, by. intrusive. —er, m. —.ter, v. Intruder. —ing, v. penetration; intrusion. IndrInken, or. w. to s callow, to such in. Intirog en, on. w. to shrink in, to dry in, up. —mg , v, drying in, — up, desiccation Indroog, hi. very dry. Indrutpen, on. w. to drop (to trickle) in, — into. Indrultien, on w. to ru'h into. Indruk, m. impression. —ken, ov. w. to press in, w into; to impress, to imprint, to inculcate. —king, v. pressing in, impression. —set, o. stamp, impression. Indruppelen, or. & on. w. to drop in, —Into, to instill. Induiken, ov. & on. w. to plunge (to dip) in, — into; to draw much water. Indewen, ov. w. to push in, — into, to bend inward. Ineen, bw. together, into one another. —groeien, on. w. to grow together. —krimpen, on w. to shrink, to writhe. —Zoom*, on. w. to meet

Arabia (e-ree'bi-e), g. Arable. —n, a. Arabisch; Arabier. Aragon (er'e-gon), g. Arragon. Arcadia (aar-kee'di- el, g. Arcadia. Archangel (aark-een'dzjull, g. Archangel. Archibald (aar'tsji. held), m. Archibald. Archimedes (aar-kim-rdiez), m. Archimedes. Archipelago (aar-ki-pere-go), g. Arc hipel. Ardennes (aar-den'),g. the de Ardennen. Areopagus lee-ri-op'e-gus), h. Areopagus. Argyle (aar'dzjajl), g. Argyle. Arian (ee'ri.en), r. Arleen. Aristotle (er'is•tot1),m. Aristoteles. Arkansas (aar-ken'ses), g. Arkansas. Armenia (aar-mrni-e), g. Armenia. —n, a. Arnienisch; i. Armenier. Arnold (aar'nuld), m. Arnold, Arnoud. Arrnean (er-re-ken'), g. Arrakan. Arras (er'res), g. Atrecht. Arthur (asethur),m. Arthur. Aefa (ee'sji-e), g. Azii. —Minor, Lesser—, KleinAzle. —tic (-zi- erik), a. Aziatisch; i. Aziaat. A sphaltites les-fel-taptiez) Lake, g.1)00de zee. Assy (es'sih), f. voor Alice; Lisette, Liesje. Assyria g. Assyria. —n, a. Assyrisch; 1. Assyrian Astoria (es-toe'ri-e), g. Asturie. Athenian (e.thrni- en), a. Atheensch; i. Athener. Athena (eth'enz), g. Athena. Athlone (eth-loon'i, g. Athlone. Atlantic (et-lent'ik), a, Atianttsch; g. Atlantisehe oceaau. Attic (et'tik), a. Attisch. —a ( ke), g. Attica. Attila (erti-le), m. Attila. Aubry (ao'brih), m. Alberik. Augsburg (aoge'lirg), g. Augsburg. August a (ao-gust'e), w. Augusta. —in, —we (-in), m. Auguetinus, A ugustijn. Aurell a (so-1111.e), w. Aurelia. —an, m. Aurelianue. —us, m. Aurelius. Aurora (ao-ro're), my. Aurora. Austin (aos'tin), f. voor Augustin; A ngust. Australia (aos- tree'l 14), g. Australia. Austria (aos'tri-e), g. Oostenrtjk. —n, a. Oosten• rijkech; i. Oostenrjjker. Avon (ev'un), g. the —, de Avon. Azof (ez'uf), g. Azof. Azores (e-zo'riez), g. the —, de Azoriache eilarden,
Damage (dena'idd), a. schade, nadeel; sehadevergoeding; § prija, bedrag. —, v. a. beachadigen; v. n. schade lijden. —able, besehadigbaar. —feasant, besehadIgtng. —r, a. heschadigee. Demascene (dem'zu), a. darnastpruirn. Damask (dem'esk), a. damaat; rood. —blade, damaseener kling. —plum, damastpruim. —rose, damastroos. —een (-kien), v. a. ale damast weven; schakeeren, bloemen inwerken, —in, a. damascene!. zw Hard. Dame deeml, s.dame, vrouwe; huisvrouw;schoolmeeateres. —'s-riolet, nachtviooltje. Damn ;dem), v. a. verdoemen, vloeken; veroordeelen; afkeuren; uitjouwen. —, int. verdoemdl Damn able (denenibl), a. —ably, ad. verdeemeWk. —ableness, a. verdoemelijkheid; anoodheid. (-nee'sjun), a. verdoements. —atory (-netur-rih), a. verdoemend. —ed (-nid, dernd), a. verwenscht. (-rank), a. schadeltjk. —ify (-ni-faj), v. a. beschadigen. —ingness, a. doemwaardigheid. Dampdemi?), a, vochtig; nee rel achtig. s.vochtigheid; navel; neeralachtigheid. —8, a. nehadelijke dampen. —, v. a. voehtig maken; moedeloos maken. —en, v. a. vochtig maker!. —er, a. klep; damper. —ish, a. dampig, vochtig. —ishness, s. dompigheid, vochtigheid. —y a. vochtie; neerslachtig. Damsel (dem'zil), s.juffer; kamenier;jonge deern. Damson (dem'zn). a. damastpruiro. Dance (deans'', a. dana. —, v. a. dansen; doen dansen. to — attendance, staan blauwbekken. —, v. n. dansen. —r, a. denser, danseres. Dancing (daan'aieng), a. gedans. —master, dansmeester. —room, danazaal. —school, dansschool. Dandelion(den-de-larun),a.lecuwentand(bloem); mol-salade. Dandiprat (den'di-pret), e. dreumee. Dandle (den-di), v. a. wiegelen; liefkoozen; uitstellen. —r, a. kindergek. Dandruff (den'druf), s. hoofdzeer; oak Dander. Dandy (den'dih), a. fat, modegek. —ish, a. fattig, pronkerig. s. manteren van cell' fat. a
composing•stick; clasp; rent; square. hates rn oogen, hooks and eyes; quarrels, broils. in den —, right, niet in den —, not right. not as it should be. in den — brengen, to square; to arrange. —beentje, —nook', —pen, crotchet. —bus, arquebume. —boekje, crotchet- n orb-hook. —v.rmig. hooked, crooked. --werk, crotchet-work ; tambor- •it. —swijze, hooked, crooked, —aehtig • siellaskvounnig. Drinks, losn. linakecb, be. squared,with hooks, — crooks. Matti, m. draught, pull; dash, stroke. —, v. pothook. —b er, beer bought, by:retail. —boom, beam of a pot-hook. —ban, pot to fetch beer In. —kettiny, pot-chain. —over, fresh-water-n[1,a% —tvint, wine bought by retail. Henna, o. hams, harness. Banta, re. cock; weather-cock; lighted match. den gebreden epelen, to lord it. — mart leonine kraaien, he is a cock-a-hoop. den rooden laten kraaien, to sat on fire. to set fire to, daar geen noar kraaien. it will pass unobserved. —knuppelen„ cock-throwing. —tje., o, young cock; bold fellow. Haander, m. fruit-basket. Haar, TIM. her; them; their. Haar, o. hair. geen —, not a bit, not a pin. — breed, a hair's breadth. op een —, to a hair. elkander in bet — titter', to felt together by the ears. nut de handen in bet — silica, to be greatly at a loss. — op de tand.en hebben„ to have blood in one 'a veins. met de Karen er b(j steepen, to force in, to drag in by the head aid shoulders. —band, —snoer, -lace —tiles, look of hair, fore-lock. —borstal, —Rehaier, hair-brush. — boa, tuft of hair. —tuieje, hair-tube, capillary (tube). —dock, hair-cloth. tolting-cloth.--fijn, by. as fine as a hair; subtle. — fijn —klein, bw, to a hair, minutely.in detail. —aieufeter,—klooter. caviller, quibbler. —/r/ooven., to cavil, to quibble. —klooverij, cavil, cavilling, quibbling. —knipper,—entider hair - cotter.— fok,i ock.—nactld, —epeld, hair-pin, bodkin. —set, hair-net. —pluis, flue, nap. —poeier, hair-powder. (pair of) hair-scissors. —coaliden, co. hair•cutting. —stir, hairy cornet. —tang, —trekker, (pair of) tweezers. tcoisel, hair-dress. —vlecht, plait (braid) of hair. —werk, ornamental hair, hair-plait. —werker, worker In hair. —worn, hairworm, ring-worm. —toortel, root of the heir; fibre. —oak. hair bag.— zeefhair-sieve.—acktf g,bv.hatry. m. hearth, flre-plAce, grate, abyss; fireside. ripen — is goad waard, home is tome, be it ever so homely. —each. ashes. —geld, chimneymoney, fumage. -- goden, ate Buts at rdetr. --(jeer, grate, lire-dog, fender. —plaat, iron plate of a hearth, hob. —set op. fire-shovel. —.We, hearth, tire-place. —tang, (pair of) fire-tongs. —vuur, chimney-fire. lissom loon, by. hairless, bald. —looskeid, v. baldness. —tje, o. small hair, fibre. slams, m. hare; inside of a eurioin of beet, chine, fillet. —je, o. leveret; —over spelen, to pay at leap-frog. bw. soon, shorty; nearly, almost, —, v. baste, speed, horsy. — hebten, to be in a hurry.
a. schoolmeestersplak. —er (paam'ur), a. pelgrim; —worm, tramps. —etto (-met'to), s.dwerg-, pruimpalm. —iferous (-nairar-us), a. palmdragend. —iped (-mi-ped), a. met zwemvliezen; a. z w emvogel. —inter( min tur), s. handkij ker. —istry (-min-trih), a. handkijkerij. —y (paam'ih), a. palmrijk; bloeiend, voorspoedlg. Pulp (pelp'), a. voelhoren. —bly, ad. taatbaar, duiPalpa ble (pel'pibl), -bility (-pe-bil'it-tih), —bleness, a. testbaarheid. —ton (--pee'sjun), a. betasting. Palpita te (pel'pt-teen, v. n. kloppen. —tion (-tee'sjun), a. klapping. Palograve (paolegreev), s. paltsgraaf. Pals foal (paol'zikl), —led (-zid), a. door eene beroerte getroffen; verlamd. —y, s. beroerte; verlamtning. —, v. a. verlammen. Pal ter fplortur), v. n. onoprecht handelen, draaien, nit vlucb ten zoeken. —terer, s. arglistige, draaier. (-triness), s. armzaligheid, verachtelijkheid. —try (-trih), a. avn;zaltg, nietig. Pally (pee'lih), a. bleek. Pam (pem), a. klaveren-boar. Pamper (penepur), v. a. vetmesten; vertroetelen. —ed .(-purd), a. overvol; weelderig. —ing, s. 'weelderigheid. Pamphlet (pem'flitl, s. vlugsehrift, brochure. s. schrijver van vlugsehriften. —eer Pan (pen'), 8. pan. ash—,aschpot. —cake, pannehock. —cover, pandekael. —tile, dak-, nok-, gootpan. —, v. a, samenvoegen. Panacea (pen-e-si'e), a. algemeen geneeamiddel; krachtwortel. Panado (pe-nee'do), s. broodpap. Pancart (pen'kaart), s. toltarief. Pancratic , pen-kret'ik), a. uitmuntend in lichaamsoefeningen; vlug, stark. Pancreas (pen'kri-es), s. alvleeseh, zwezerik. —tic (.et'ik), a. den zwezerik betreffend. Pandects (pert'dekta). p1. pandecten. Pandetnic Ipen-dem'ikl, a. een geheel yolk betreffend, algemeen. v. a. kopPander (pen'dur), 8. koppelaar. pelen; v. b. voor koppelaar ospelen. —ism, a. koppelaarscbsp. Pandiculation (pen-dik-joe-lee'sjun), a. rekkerigbeid. Pane (peen'), a. glasruit, ruit. Pauegyr lc (pene-dzjir'ik), a. lofrede. —ie, —iced (-ikl), a. prijzend t lovend. —ist a. lofredenaar. —ice (pen'e-dzjir-ajz), v. a. prijzen, eene lofrede houden op. Panel (pen'il), 8. paneel; rooster (lbst) der gezworenen. —, v. a. met paneelen makers. Paneless (peen'less), a. zonder ruiten. Pang (peng), 8. faltering, benauwdheid. —, v. a. folteren, kwellen, benauwen. Panic (pen'ik), a. plotseling, paniach. —, a. pantache schrik. Panicle (pen'ikl), s. trosje,ristaar. Pannade (pen-need"), s. boogsprong. Pan n age (pen'niciaj), s.zwijnen-, boschvoer; meatrecht. Pannel (pen'nil), a. boerenzadel; krop van een , valk. Pannier (pen'jur), s. pak-, draagmand.

Is Binance sluiten om Amerikaanse burgers


s. Sab4ath (seb'beth), a. sabbath, rustdag. —breaker : sabbatschend.er. Sabbptle (seb-bet'ik), —al, a. van den sabbat, — year, sabbatjaar. Sablan (see'bi en), a. vuur-, sterrenaanbldder. -iota, a. vereering der hennellicham•n. StaLine (seh'in), s. Zie Savin. Sable (see'b1), a. zwart. sahelbant; sabeddier. Shore (see'bur). a. whet. —, v. it. neeranbelen. Salmi [email protected] Iseh'(oe-lum), a. zsndtg. —osity (-los"it-toh), a. za.ndigbeid. `:arcade (oak-heed';, a. ruk (aan den teugol). Sheet. arlferous (sek-ke-rit'ur-us), a. aw;ker horlend. —amine (s,k'ke•rajn), a muikeraelitig. —elate (sek'ko-let), a. melkratikerzuur. Snee,dotal (seat-ur-do'tel), a. priesterli,jk. Zie Satchel. Se,chek (cetaj'il, Stack (sek'),s. ark; wijd vrouwenklead; siltt wi;a); beg:arming. bearer, zakkendrager,ajon,cr. —but, 711611111.1. fcsl , (een) schuiltrompet. zakvol. —racing, bet zaltlaopen. --, v. a. in zakkea doe.; be.siormen.. —age, —ing. p.. be,,torming, plundering —er,e. beetormer, plunder., Sacratortent (sefere-meat', a. sacrament. —al, a. —ally, ad mentel•), van (alt) een sarrament. —any (-mene.,-rili), s. sacramentenhoek. Sacred (see'i,rid), a. —/y, Ad. being, gelwiligd. gewijd (ill; on,, chentlis,:ar. —rays, a. heiligheid; onschendbaarbeid. Sacrific (se-uririi,), a oiler, —dory a. offerend. Ctincelline e (sek'n-fajz), a. offer, offerando; v. a. ed'eren; opafferen; onthrew:; . an; vernteti;ten.; v. offer., ,—er, ta. offeraar. —,ia! (-11afel1, a. ofreveud; offer-.

Aombegin,o. beginning. Ann!. boo/rep, on. w. to belong ta. Aftobelanden, on. w. Zie Belanden. A alb belong, o. importance, consequence, weight, moment. ---en, ov. t v. to regard, to coucern. Annb ellen , on. w. toying. Amber en, on, w. to crowd aail, to clap on all the sails; to come on board; to land. —ing. v. clapping on all the sails; landing. Aenbe steden, ov. w. to mak, a contract (to m. contract) for; to let (to farm) cut. contractor, bargainer. —sterling, v. contract, bargain, agreement. —steed, by. contracted for. --steedster s v. contractress, bargainer. Aaubtstervere, on. vv. to devolve upon (by succession). Aanbetrouwen, on. w. to give in trust, to con lids to, to commit to the care of. Aanitteveit en, or. w. to recommend; to commend, to commit. —enstoaardig,bv. recommendable. —er, m. recommender. —tag, v. recommendation. —ingeerief, m. letter of recommendation. Aftrobtd dellik, hr. & bw. adorable (-bly). —delijkhtid. v. adorableness. —den, or w. to worship; to adore. —denswaardig, by. Lie Annbidde —der, m. —ster, v. worshipper; adorer. —ding, v. orship, worshipping; adoration. Annbled en, or. w, to offer, to proffer, to tender, to present. —er, rn. —seer, v. rreeenter. —ing, v. offering, presenting; sie Aenbod. Annbliten, or. a . to bite at, to take a bit of; on. w. to take the bait. Aanbind en, or. w. to tie on, to bind (to fasten) to; to tether; to moor; to promote, to urge. —er, en. —ster, v. binder, fastener; promoter. —isp, v. tying to, binding, fastening. —set, a. binding. Aanblaantoter, v. Zie Aanblazer. Aanbiaffen, ov.w. to bark (to yelp) at; to bay. Aanblaten, or. w. to bleat at.) Annibilan en, ov. Iv. to blow at; to blow up, to kindle by blowing; to incite; to inspire. —et', m. blower, kin dler; inciter, incendtary,firv-brand. ing, v. blowing, kindling; incitement; inspiration. AanblUven, on. w. to remain, to stay, to continue. —d, by. remaining.: m. glance, sight, aspect. —ken. or. w .
Ml 1t-- MID. 533 Merei, V. blalthird. Itliet000r, rn. meteor. ov. w. to moor, to belay, Meter, ..triluthef• 111ialrg , u. marrow; pith, qui ntwoience. —been,—pitp, Rile ter, tn. meantrer,gativr; meter.—ertje \ o.ruler. marrow-bone. —houdend, marzowy. —Pepel„ Mei- gametal, m. --lin, v. companion. —trekker, marrow-lade. —achtig, by. marrow- not twig, v. measuringomeaentement; gauging. like, inarrowy. Met r tell, v. metrics. —itrh, by. nintrierl. m. marl —aorde, rattily earth. —graver., Meteet ear, us. mason, bricklayer; —*Oak, bed; marier. —hail, steen, marl-r.tone. —sknecht. journernati-mvon. v. masonry. —acAtig, be. like marl, marly. —en, DC. W. to —ett, ov. w. to to niche,, to MM., on. w. manure with marl. to to ina,on 's work. — homer, reason 's hot-nicer. lilleiriettaass, in. meridian. —talk, mortar. —steen, brick. —week, masonry, /Reek, o, mark; sign, token. brick-w•rk. Mcrkbatar, be. & bw. perceptible (-oly), visible Olsettnn, v. me. matins. torte — molten, to make ( - bly), obvious Hr. no ceronorty. "emend de -- learn, to chide (to MerkvalUk, be. & bor. Zie Aftnan.ekelltik. ret..uke, to i.,:cture) a. o. neck co, or. w. to 'nark; tie lie•nterken itleAter (toad, be'. indeed, rtally.. in fact. —fiyd, —User, oiarking-iron, — jab', .may kinK-tols. —ha- ow. in time. Ire procetos of time. —woos, biv. torn, marking-cotton, —lop, nampler. —letter, rich --restigen, to fix one 'a abode, to pill up. eignature. —90aald, marking-n

cryptogeld India nieuws


For miners and enthusiasts though, litecoin holds a much more important difference to bitcoin, and that is its different proof of work algorithm. Bitcoin uses the SHA-256 hashing algorithm, which involves calculations that can be greatly accelerated in parallel processing. It is this characteristic that has given rise to the intense race in ASIC technology, and has caused an exponential increase in bitcoin’s difficulty level.
bw. some, any. —ermate„ bw. aonlewhat, in some measure, in some degree. —snot's, —erte(fee, bw. (in) any way. —Acid, v. singleness, singularity; loneliness, solitude, solitariness; unanimity, harmony. bar. Lie Eunig. —seine, bw. somewhat, rather, in some degree. Eenjarig, be. of one year, one year old. Eeiskennig, be. eby. —Acid, v. shyness. Eeniettereepig, Ibv. monoaillableal. —woord, monosyllable. Eenl.nbbig, be. monocotyledonous. Eenioop end„ be. unmarried, single. E.ntranal, by. once. Eennilddelpuntlg, be. concentric. Eenrisoedig, be. & bw. unanimous (-ly). Eenoog, m. & v. one-eyed person. —ig, be. oneeyed, monocular. Eenarlg, be. & by. unanimous (-ly); uniform (-ly). —held, v. unanimity; uniformity. Cans, lr.v. one°, one day, once upon a time; of one accord. niet —, not even. het — (tearden), to agree. Eeneehedirwlg, be. heteroscian. —en m. me. heter °ult. Eeinschallg, be. univalve. Eensdeele„ bw. partly. EenegezInd, be. unanimous, of one mind.:—hsitl, v. unanimity, concord, harmony, Eensklape, bw. suddenly, on a sudden, all at once. Eeneloldend, bv. of the same tenor, similar; ale GeliJkluldend. voor — afechrift, a true copy. —heid, v. conformity. Eeneteinntlg, be. & by. unanimous (-1y), barmoutons (-ly), of one consent. —heid, v. unanimity, concord, harmony. Eentnt, o. unit. Etntonlg. bv. & bw. monotonous (-1y), tedious (-1y) —held, v. monotony, tediousness. Eenvervig, be. of one color, plain, Eenvoranig, be. uniform. —held, v. uniformity. Eenvond, in. singular number; sie Eenvou% diglecid. --ip, be. & bw. singular; uneomposed; sim els (-ply), plain (- I y), candid (-ly), ingenuous ( - )y), credulous (-ly); snare (-13r). —igheid, v. simplicity, plainness; candor, ingenuousness, credulousness. Earswerf, Pm. once. Eenznem, be, solitary, lonely, retired. — bw. solitarily, in solitude. —held, v. solitariness, solitude, retirement. Eanaelwrg, be. identical; manotonoua. —Arid, v. identicalness, sameness; monotony. EenzUdig, be. & by. partial (-ly). —held, v. partiality. Ear., bw. sooner. hoe — hoe liever, the sooner the better. —, nw. before, ere. Ear, v. honor; glory. bed van —, field of honor. pant ran —, point of honor. op ni(ra wooed . van —, upon my honor. ismand he /textile — beseirsen, to perform the last duties to a. o. in cUe — en deugd, in all decency. in —e holden, to have reward res. ter —e van, in honor of. eerie — atelier: in, to be proud of, to pride one 'a self on. —ambt, trust (post) of honor, —bewile, —kw( zing, respect, bono", homage. —gevoel, sense Of
1.11W- BEM' . Oil ablenees, mobility. —grand , —retie* , motive, reason, argument. —kracht, moving (motive) power, impetus. —niiddet, moving power, motive, motor. —*fattish, moving principle, cause. —rad, prime mover. Between so, or. w. to deplore, to mourn for, to lament, to bewail. — er, rn, —stet, v. dep:orer, mourner, bewailer. v. deploring, deploretion, mourning, bewailing. Beweer der, rn. —stet, v. assertor, alleger. —schrift, written aseertion. ltisrveleg etijk, be. & bar. movable (.lily); mobile, sprightly; moving (-ly), effecting (-ly). —el(jkheid, v. movableness .. sprightliness, mobility; moving. nose. —en, or. w, to more, to stir; to affect; to persuade, to prevail on. --er. in. mover, stirrer, motor. —ing, v. movement, motion; emotion; commotion, tumult, bustle, stir, ado; nit gigot. —, of one 's own accord. newer en, or. w. to assert, to allege, to pretend. —ing, v. assertton, allegation. illowerk AWL, by. rewiring a great deal of ishor; feasible. --elifkheid, v. difficulty, feasibilOf. NV. to -work (at); to prepare, to ity. dress, to make up; to till; to effect, to effectuate, to okra. to bring about. er, m. —der, v. workman; agent, operator, author; cause, instrument. —ing, v. working; workmanship; agency; operaor. w. to bring tion. manipulation. — about, to perform, to effectuate, to realize. --atolligiro, v. bringing about, performance, ef. fectuatim e realization. —tuigen, on. w. to organize. —tuiging, v. organization; organism. Bowerpen, ov. w. to east (to throw) as far as; to cover, to rough•cast. Beweetcar, az. on the west elde of. Bewlerook en, ov. w. to incense; to extol, to exalt. —er, m. ineenser; extoller. —iv, v. incensing; extolling. o. proof, evidence; demonetration; warrant, title. ten bewijte van, its support of. —grand, argument. —krarhi, de ►nonstratice quakity. —p/oais, quotation. —schrift, —stuk, document. warrant, deed. —boar, too provable, demonstrable. —betarheid , v. demonstrableness, esincibleoess. —j o, o. a. little, some• newt/ken, ov. w. to prove; to evince, to demonstrate; to show. liswitlig en, ov. w. to grant, in allow, concede; w. (in) to consent (to agree) to. —er, m. granter. —tag, v. grant, allowance,;consent, concretion. OtWiftipel en, ov. iv. to disguise, t. o cloak, to mince, to palliate. —ing, v. disguiee olor, palarms. liation. Dewar en, or. w. to spare, to save, to keep, to Bewirld, o. direction, administratio ► , manageguard, to preserve. — tag, v. sparing, saving; ment, government. —hetber, ,—romitr, director, keeping, preservation; trust, custody, inletrator manager, ---sewn, statesman, ,Ittiamer. litewasetn en, or. w. to cover with vapor. - ing, , v, covering with vapor. Flowizsders, on. w. to wrap up, to wind about, Bewaeeeh en, or. w. to wash for. —kg, v. to swathe. - sel, o. wrapper, bandage, swath. washing. uop. to wind about, lIttsowno , re, et .wtrom)wprianpgup, Bewaseen, on. w. to overgrow, to be overgrown. Bowater en, on. w. to water, to irrigate; to Bewolk en, or. w. to cloud; on. w. to grow pies upon. v. watering, irrigation, cloudy, to become overcast. —t by. cloudy. Beweeg bear, by. movable, —baarheid, v mar Meld, v. eloodiness. Bevoorreebt en, or. w. to privilege. —ieg, privileging, privilege. Bevorder bar, m. —aarater, v. promoter. — en, or. w. to forward, to accelerate; to advance, to promote. —dap, v. promotion, preferment. —10, bv. serviceable, profitable, conducive, (to). Bovoreus,hw.&vw. before. Bevraeht en, ov. w. to freight, to charter. —er, m. freighter. —lag ,v. treightiug , chartering. Bevragen, ov. w. to inquire after. to for particulars apply to. ' Bevredig en, or. w. to pacify, to appease; to satisfy. —er, m. —ster,v pacifier,satiefier. v. pacification; gratifying; satisfaction. Bevreensd en, on. w. to surprise, to amaze. Act bevreemdt to j, I-wonder at it, —ins v. astonishment, surprise, wondering. Bevreesd, br. afraid (oft, tearful, timorous, —held, v. fearfulness, fear, anxiety. Bevriend, be. intimate, befriended. —Acid, v. intimacy, affinity. Bevel.z en, on, w. to freeze, to congeal. —ing, v. freezing up, congelation. Bevrtid en, ov. w. to free, to set free, to deliver, to release, to enfranchise. to emancipate; to rescue, to rid. —v., en. deliverer, liberator, —lag, v. deliverance, release, enfranchisement, liberation, emancipation. Bevroed en, or. w. to conceive, to apprehend, to comprehend. —ing, v. apprehension. Bevrucht en, or. w. to fecundate, to fructify, to impregnate. —ing, v. fecundation; impregnation. Bevullen, on. w. to dirty, to soil. Bewaatan, ov. w. to blow upon, aga:nst, to fan. Bavvaaketer, v. nurse Bewaarder, in. keeper, ward;guardian. Bewaathettten, ov. w. to confine, to prove, to testify, to verify. Bewaar mtddei, o. preservative. —plaats, depository. —school, infant-school, asylum. —ster. v. Zie Bewaarder. Hesvak en, ov. w. to guard; to watch; to tend. —or, m. watch, watcher. —lag, v. watching, nureing. Bewail en, ov. w. to surround with ramparts, to fortify. --iv, V. wailing; compacts. Bevvenctell ear, M. —aarster, v. walker. —en, or. w. to walk (to tread) upon; fo' Pad der deugd •—, to walk in the path of virtue. - ing, v. walking upon. Revirengen, or. w. to fish, to clamp. Bewapenen, ov. w. to arm, to prnvtde with

—wash, —wax, ververebrem. —yard, houtwerf, -tuba. —, v. a. van hoot voorzien; v. n. hoot opdoen.—ed, a. houtrijk, bosehrtik. —en (wned'n), a. houten; — shoe, klomp. —mess (4-ness), a. houtriikheid; houtaebtigheid. —y, a. boeehrijk; houtrijk; houtaehtle; houteu. '11woossr veoe . ur), a. vrijer. Vt•oof (woe!), a. inalag, weefeel. Wooing (wee'vang), a. het vrijen. —ly, ad. vrilend; innemend , aanlokkelijk. Wool (woel'), a. will. bag, —bale, wolbaal. —ball, haarbal. —bearing, woldragend. — blade, wolkruid. —breaking, het aorteeren van wol. —business, wolvak, wolbandel. —card, wolkaarde. —comber, wolkammer. —cotton, boomwol, )(Moen. —dresser, wolbereider. —driver,opkoopar van wet. sehapevacht. —felt, vlit; vilten hoed. —gathering, versttooid van gedaehten. —grower, eehapenfokker. —loft, wolzolder, -pakhuts. —market, wolmarkt. —pack, —sack, wolzak, -heal. —pated, met wollig haar. —spinner, wolapinner, -spinster. —staple, wolatapel, -markt. —stapler, wolhandelaar. —trade, wolhandel. —winder, wolpakker. Would (woeld'), v. a. bewoelen. —er, a. Snap(bij touwslagers). —ing, a. woeling. Wool (woeld'), a. met... wol. Wooll an (woeinin), a. wollen; s. wollen atom'; —draper, lakenkooper. —iness (•11•ness), a. wolligheid. —y, a. wollig. oop (woep), a. roodborstje. Woos (woes), a. zeegrae. Wootz (woetz), a. (soort van) bengaalseh staal. Word (ward'), a. woord; bericht; bevel. at (in) a —, in 66n woord, kortom. by — (of mouth),mondeling. to seed doen weten, maiden. —bask, wooirdenboek, -Wet. —catcher, woordenzifter. —catching, woordensifterij. —, v. a. ultdrukken, in woorden brengen. —iness ( 1-ness), a. woordenrijkheid, wijdloopigheid. —tag, s. inkleeding. —y, a. woordenrijk, wijdloopig. Work (wurk!)„ a. week. arbeid; handeling,daad; behandeling; stiksel. at (on. to) —, aan den gang; aan bet week. —bag, werkzak. —basket, weekmandje. —box,werkdoos. —day, werkdag. —fellow, k ame read, workmakker. —house, werkhuis. —man, werkman. Lie oek beneden. —master, workmeester. —shop, werkplaats, winkel. —table, wericta• fel. —woman, werkater; Work (work') [wrought• (rant)]. v. a. bewerken; uttwerken; tot stand brengen; in beweging brengen; doen werken (gisten); behandeien; manoeuvreeren met; borduren, etikkeu. (off) verwerken; loaworken; uitstrijken; afdrukken. (out) ultwerken; bewerken; tot eland brengen, volbrengen; uitwisechen; vernietigen. (up) opwerken, omhoog werken; verwerken; verbruiken; aanvuren„ prik• kelen. —, v. n. werken, arbeiden; in beweging On; stampen, alingeren; eaten; (upon) treffen, indruk maken op. —able, a. te bewerken; In stoat am te werken. —ed (wurkt), a. gewerkt; geborduurd, gentlkt. —er, a. werker; bewerker; werkman. —ing, a. het werke n; werking; be-, nitwerking, glating; —barrel, pompbnis; — brain, werkzame gent; —day, a. alledeagech; a. werkdag, people, werkiteden.
(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.

Hoe krijg ik een Bitcoin-account


(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.

cryptogeld veiligheid


ABS.—ACC. Abstrus e (eb-stroes'), a. —ely, ad. diepzinnig, duister. —mess, —ity, a. dulaterheid, onverstaanbaarheid. Absume (eb-sjoem'), v. a. langzaam verteren. Absurd (eb-surd'), a. ongerijmd. —ity, —ness, s. ongerijmdheid. Abundan ce (e-bun'dena), a. overvloed. —t, a. —tly. ad. overvloedig. Abus a (e-bjoez'). a. misbruik; mlaleiding; beleediging. —e (-bjoezi, v. a. misbruiken; bedriegen; beleedigen. —er (-bjoea'ur), a. miabruiker, enz. —ive, a —ive/y, ad. miabruikend; verkeerd; bedriegelijk ; beleedigend. , a. lasterzucht. Abut (e-but'), v. n. (on. upon) aangrenzen, belenden. —meat, a. bruggehoofd; belanding. —tat. 140, a. aanpaling; grena. Abysmal (e-biemell„ a. grondelooa. Abyss fe-ble"), a. atgrond; hel; oak Abysm. Acacia (e-kee'sji-e), a. acacia; german —, gleedoorn. Acadeim lal (ek-e-di'mi-e1),—ic (-dem'ik), —ical (-dem'ikl), a. akademiach, --aan, —ic, a. student; bezoeker eener hoogeachool; academicas. —ician (mie'ejen), —itt (e-ked'i-mist), a. akademist; lid van een geleerd genootschap. —y (e-ked'i-mih), a. akademiel school noon wijsbegeerte; geleerden-vereeniging; speelhuis. Acajou (ek'ed-zjoe), a, mahoniehout; mahonieboom. —nut, a. cachou. Acanaccous (ek-e-nee'ejue), a. doornig. Acantha (e-ken'thel, a. doom, stekel. Acanthus (e-ken'thua), a. berenklauw; lofwerk van een kapiteel. Acatalap sy (e-ket-e-lep'sih), a. onbegrtjpelijkheld. —tic, a. onbegrijpelijk. Accede (ek-sied'), v. n. (to), toetreden tot; toestemmen in. Accelerate (ek-eel'ur-eet), v. a. beepoedigen, (ee'sjun), a. bespoediging. —ive veranellen. (-er tiv), —ory (-e-tur-ih), a. verenellend.; Accen at lek-sen.cr ► , v. a. aanateken, in vim zetten. —debility (-di-bil'it-tih), s. ontvlambaarheld. —dible, a. ontvlambaar. —aeon (sen'sjun), a. sansteking. Accent (ek'sent), a. accent. klemtoon; uitepraak; etembuiging. —a, a. klanken, tonen. Accent (ek-sent' ►, —uate (-joe-eet), v. a. accentueeren; den klemtoon geven; uitspreken: —or, a. aerate discant. —uation 1-joe-ee'sjun),-a. accentuatie, apraakkunatige uitspraak. Accept (ek sept'), v. a. aannemen; (of) genoegen nemen met. —ability 1-te-bil'it-tih), —ablenees (ibl-ness), a. aannemelijkheld. —able, a. (to) aannemelijk; aangenaam. —ance (-tens), a. cantleming. goedkeuring. —ation 1-tee'ejun), —ion (sep'sjun). a. ontvangst; goedkeuring; aangenomen beteekents van een woord. —er, —or, a. aannemer; goedkeurder. Access (ek-sea'), a. toegang; aanwaa; ziektevlaag. —ible, a. toegankelijk, genaakbaar. —ion, a. hornet. nadering; aanwaa. —orily, ad. daarenbovan. —oriness, a. medeplichtigheid. —ory, a. bijkomend. bijgevoegd: medeplichtig. —ory. a. medeplichtige: aanhangsel , toegift. Accident (Wei-dent), a. toeval; ongeiuk.
be. & bw. easy (-11y) ; comfortable (-bly), coinmodious (-Iy). —keiejkheid, v. easiness, facility ; comfortableriese, commodioutiness, —shelve, by. for easiness' sake. tetanal, o. foolery, apart, fun. Geanalin , v. consort, lady, spouse. lioneangel, o. mangling. G oroarsterd, hv.. mannerly, well-bred. —held, v. mannerliness, good breeding. Gentling o. tarrying, lingering. Go mantel. o. tormenting, torturing. Gemarkond, be, masked, covered. — bal, masquerade. Gentestigd„ bv. & he, moderate (-Iy), temperate ( ly). —held, v. moderation, temperance. Genenuesv, o. mewing. Gember, v ginger. emaress, by. & bey. common:(-1y), ordinary (-Hy), usual (-ly); vulgar (Ay). low (-ly), mean (-1y). hebben met, to have -- soidaat, private sotdier. in common with. —, o. vulgar, mob, populace, —making, publishing. —plaate, common-place. —elachtig, common, —matt tribune. Genseettelbost, o. republic, commonwealth. —pesinde, republican. G onesonitile, bw. commonly, usually. Gentrensetbap, v. c :immunity, relation, connection ; intercourse, communication ; society. .--pelkik, by. common, joint; bw. in common, jointly. Goenotente, v. commonalty, community; commune, parieh, church; congregation. Ws der —n, horse of Commons. —besteur,, municipality. —grond, commune, parish ground. —keit, common-hall. cherges of a commune. —lid., member of a community. —road, common-council. —recht, right of common, privilege of the pariah, —school, parish-school. —welds, common. —wet, law regulating the management of the affairs of a commune. Gentrenzaane. be. & bw. familiar (-ly), intimate (-1y). —held, v. familiarity, intimacy. Gemmed, be. mentioned, said. Goneeifik, by. & bw. cross (-1y), peevish (-ly), morose (-1y). —held, v. croseress, peevishness, moroseness. le omorkt, v. w. whereas, since, seeing that, in consideration of, (acme*, O. acre, Gentetsel, o. building. Geneiddold, by. average. — genomen, upon an average. GexnUenter, o. revery, doting, dotage. tionsijteerd, bv. mitred. Genets, o. want, absence (ran. of). Gowned, o. mind, conscience. en —e, in conscience. — saandoening, —sbetoeging, emotion, —saard, —egoteldheid, disposition, temper, turn of mind.,—eruct, tranquillity of mind. —satemming, dispotsition,frame of mind. —el(jk, by. & bw. conscientious (-ly). —elOkheid, v. conecientioustess. Genuseederan„ o. mv. minds, hearts, opinions. Gerneeedlie, be, meek, snit; supple. G ennont (to), be, — gams, to go to meet. — tomes, to inset ; to indulge; to assist. — Toms, to object, xien, to expect.

pack-thread. —rat, osier. —spies, ligament, —er, na, —ater, v, binder. —set, o. band, bandage, tie, stein t. Bingelkruld,e. mercury. m. bungler. Binnen, by. (in San.) inner, inward. —, hw, within, :within door,. eau —, inwardly, on the — door, by inland navigation, by a shorter cut. to brengen, to recollect, to remember, to call to mind. to — tehieten„ to occur to the mind. — hart, shortly. —, Ye. within, in. Binnennchtevet even, m. inner-pest. Hitinenbessil, an. private-executioner. BInnenbeure, v. fob. BInnenbryngen, or. w. to bring (to carry) into; to pilot (to steer) Into the harbor. Binneneicur, v. inner-door. illnwssadkik, m. inner-dike. —a, bw. on the inside of a dike. IlInnendring on, 0•. & on. w. to enter by force, to break in, to invade. —or, m. Invader. Illneentienn, or. & on. w. to enter, to go (to walk) in, —into. lillnwengataito, bw. in the fate-toy ore annel, at the entrance of a harbor. Illinnengs.ng, tn. inner pasaaxe. BInnengracht, v. inner canal. 111nnenhalen,or. w. to take (to Moil) iiirmenhaven, v. basin of a port. hithe 111nneohof, o. inner-court. Binnenknnser, v. inner-room. BInnenttent,m. inside. Ilitnnenksts, v. inner-care. lititanasnkiell, v. keelson.carline. Blunenkomen., ov. & on. w. to enter, to come (to walk) in, — into; t o arrive. BInnenknorts, v. internel (slow) fever. BInnenlend, o. interior. —.eh, bv. inland, domestic, home; civil, intestine; —vaxrder, riverboat; master of a river-boat. BInnenloode, m. river-pilot. —en, ov. W. to pilot (to steer)into the harbor. BInnenloopen, cv. & on. w. to put into (a harbor). 131nneninoeder, v. directre's of the domentic business of an hospital. BInneasinuur, m. inner-wall. Blunennfted, in. inner-seam. Bann...pad, o. by-path. IlInnenplente, v. inner-court. court-yml. BInnenrukken, ov. & on. w. to enter, to march into. Binneneehens, v. inter-bastion. Bannenshuis, bw. within doors, at home .. BInnenskamere, bw. within doors, in privr.te. BInneneleepen, Or. W. to drag in, — into. Illunoonemonde, bw. muttering;y, mumblingly. BInnenatatirt, v. inner part of a town. BInnenste, by. & o. inmost, innermost, inside. 11InneneWds, bw. withut the time appointed. 'Nineteen Ituivent, on. w. to flounce into.... IlInnentreden, or. & on w. to enter, to step in, — into, to tread into. IlInnenweart, v. inland navigation; canal. Filnnenveder, m. director of the domestic businese of an hospital.
!Visible a (um'b11), o. pl. Ingewanden (van can hert), Umbria plot (ngo'bridaj), a. lommer; achiju; achterdocht; beleedtging. —genus (bree'dzjus), a. la:r.merrijk. —geoueness (-bree'dzja•), a. lammerrijkbeid, —tic, (-hret'ik-), a. aim,. beeldig, achadttwig, hulazittend. Umbrella (urn brei'le), a. regen zonnescherm. Umpir age (urn'pir-idzj), a. acheidarechterlijke be3ltasing. —e (pajr), a. acheidaman. Unabashed (can-e-besje), a. onbeaehaarnd. Unabated (c.n-e-bee'ttd, a. onverminderd, onveritauwd. (tin-ee'bi.), a. onbekraam, buiten ataat, Unat onvermogend ( for. to). Una.bollehed (una-bol'iajt), a. ntet afge,,chatt. Unabridged (on e-bridzjd"), a. onvetkort. Unabaolved (un-ab-zoivcr), a. ulet vtijgesproken. Unaczented (ran-ek-aent'id), a. zonder to ► nteeten. Uusteeepi sable (an.-ek-eept'ibl),, a. n 7iiieuneui lijk; onatngenaarn, (to). —ablenees, a. nuaannemelijkheid. —ed. a. nlet aengenomen. Unaccommodat aol (un-ek-kom'mod-ee-tid). a. niet ingericht.; onbruikbaar (to); niet bijgelegd, —log, a. niet iuschikkelijk. Umaccom panted (utt-ek-kam'pe-nid), a. onverzeld. —pliahed (-kom'pliejt), a. onvolbraeht; onvoltooid. Unaccounta ble (an-ek.irsauat;b1), a. —WY, ad. enverantwoordelijk; onverklaarbaar, (In). —Neuss, a. ouverantwaordelijkheid; onverklaarbaerheid.
sioned by drinking too freely. --intik, trap-door. —meecter, butler. —roam, —venster, cellar-window. —rat, cellar-rat; excise-man. —trap, cellarstairs. —verdieping. eellarage. crane. --en, ov. w. to lay up in a cellar. —lie, o. bottle rose. ov. w. to kill, to cat the throat or. m. cup, glees, chalice; calyx. —dark, pu , rificatory. comrennton-wine. —achtig, hv. —vormig, like in the shape of) a cub-, — calyx Kernel, m. camel. —spares, —shaver, —Mares, mohair. Kternplinnn, an. fighting-cock, game-cock, curlew; quarreller. Kenbear, bv, to be known, knowable, recognizable, manifest. — Timken, to niche known. --held, a. belt recognizable, evidence. KeRen, otn . w. to chop, to split ; to shoot ; to begin, to dawn, to bant forte'. Kenikik, Kentrelkjk, by. known, knowable,
klank; tegenstrthlig ► eid. a. wanluideuil;;Inculcft te (iu-kuPkeet), v. a. inpreuten (o?, tegenatrijdtg. upon). —lion (-kee'sjun), a. inprenting. Inconspicuous (tn-kun-spik'joe-us), a. onmerk- Inculpa ble (in-kuPp151), a. —lily, ad. onsehulbear; onasnsienlijk. dig, onberlspelijk. —Meness, s. onberispelijklteid. lnconstan cy (in-kon'sten-sih), a. onstandvas—te (-peet), v. n. betichten, berispen. —lion tigheid. —t, a. —try, ad. onstandvastig; onbe• (-pee'sjun), s. hetichting, berisping. —tory (-pastendig. tur.rih), a. betichtend, berispemi. Inconsumable (in-kun-sjoem'ibl), a. °nye, Inc/anthem, cy (in-kum'ben-sth), s. (het) ltF;gen teerbaar. op lets; verplichting; bezit (yen een ambt, een Inconsonttnate (in-kun-mun'inet ), a. onvoltooid. kerkeitjk goed,; —f, a. o!)liggend, rustend; Ye, plichtend, opgelegd (on. •pon), a. bezitter van Incont est', hie (in•kun. tes'tibl), a.—bly, ad. on een kerkelijk coed. betwistbaar. Incontignons (in•kun-tig'joe-us), a. niet aan- Incur (in-kur'), v. a. beloopen, zich op den halo Wen. . grenzend, niet belendend. Inconitnen ce (in-kon'ti-nene), —ey, u. onto- Uncut' able (in.kjoe'ribn, a. —ably, ad. onge• neeelkjk. —able, a. nngeneeslijke. —ability (-regetogenheid; onkuirschheid. --t, a. —tly, ad. oningetogen; onkuisch. -ableness, s. ongeneeslijitheid. Incontrov ► rti blc(in-kon-tro,urt'ibl), a.—bly, a. —tautly, ad. onoplettend, achteloos. —iousness, ad. onbetwistbaar. s. onoplettendbeid, achteloosheid. Incouvenlen ce (In-kun.vienlens), incursion ('n-kur'sjun), s. inval. genheid, ongemak. a. a. lastig vallen, on- Incury ate (in-knevet), a. ingebogen, gekromd. gelegenileid veroorzaken. --t, a. —tly, ad. on. —ate (.vert), —c.v. a. buigen, krommen. —ation gelegen, lastig. (-vee'ajun), a. inbuiging; gebogenheid. —ity, a. Inconversable (in-kun-vurs'ibl), a. ongezeIltg. kromte, hocht. Inconverttble (in.kun-vutt'ibl), a. onveran- Indegftt ion (in-de-gee'sjuft), a, ultvoraching. derlijk, onverwisselbaar. —or tingde-gee.tur), s. uttvorscher. Incontinsi ble (in-kurt-vitesibl), a. —bly, ad. Indart (in-daart'), v, a. Inwerpen, intmbieten. onovertuigbaar. Indebted (in-derld), a. echuldig; verpl'cht; verIncorpor ate fin.kor'po-ret), a. ingelijfd; verschuldigd (to). —neon, s. (het) verschuldtgd zijn, bonden. (re,t), v. a. /i6 n. (zich) inlOven; verplichting. verbinien, vereenigen (tot Oen lichaam). —ation Indecen cy s. onw,lvoeglijk(..ree'sjun), a. inlljving; vereeniging. —eat, a. heid, —t, a. —tly, ad. onwelvoegelijk. —eallg, ad. (-po'ri-e1-1, onfichamelijk, onstoffe- Indeciduous tin-do-sid'Joe-:is}, a. nict afval lijk. —city (ri'it-tih), s. onlichameltjkbeid, onlend, altijd groan. stoffelijkheid. Indecianable (in-des'i-mibl), a. tiendvt, . Incorrect Iin.kur-rekt'), a. —1y, ad. onnauw- Indecia ion (in-de-sizyttn), a. besluitel , ..tsheid. keurig, onjuist. —nese, a. onnauwkeurigheid, —ive, a. —ivtly, ad. (-sarmiv-), hesluitel-os. onjuistheid. --iteness a. besluiteloosheld. Incorrigl ble (in-kor'rid-zjbl), a. —bly, ad. on- Indeclinable (In -de-klajn'ibl)) a. onver) utgbaat. verbeterlijk. —bleness. a. ortverbeteriWthel•). Indecor ours (in-de-ko'rus), a. —nasty, ad, onIncorrodible (in-kor.rcod'ibl), a. °nye' teerbetamelijk, onvoegzaam. —oneness, —uw, a. onbaar. betamelijkheid, ongemanierdheid. Incorrupt (in-kor-rupr), —ed, a. onbedorven. Indeed (in-died'), ad. inderdaad, werkelijk. (-i-bWit-tib), —ibleness, a. onbederfe- Indefatfga ble (In-de-fet'i•gibl), a. —Oly, ad. lijkheid; onomkoophaarheid. —ible, —ive, a. onvermoetbaar; ouvermoeid. —bleness, s. waveronbederfbaar; onomkoopbaar. —ion (-rup'sjun), moeibaarheid; onverm oeid bet J. Indefensible (in-de-ti'zib1), a. onherroepelijk. —nevi, s. onbedorvenheld. (in-kres'seet), v. a. & n. verdikken. Indefecti ble (in-de-fek'tibl), a. onbederfeltjk; Incrassa te —lien (-see'sjan), e. verdraking. onvergankelijk. —bility a. onbea. verdlkkend. derfelijkbetd; onvergankelijkheid. —re, a. ongeIncrease (in.kries'), a. ranw aa, toeneming, verschonden, vodledig. meerderitv. —, v. a. vermeerderen, vergrooten; Indefensl ble an-de-fenleibl), a. onverdedigbasr. v. n. aanwassen, toenemen. —r, a. vermeerde—ve, a. onverdedigd, c ► besehut. rear, vergrooter. Indeticten cy (in-de-flaren-aih), s, volkomertIncreat-e C,, zekri-eet), —d, a. ongeschapen. held. a. volkoneen, Incred ible ((n-kred'ibl), a. —ibly, ad. ongeloo- Indefin able (In•de.fajn'tb t), a. ouverkiaarbaar. felijk. —ibility --ibleocas, a. ongea. —itely, ad. (.deri-nit.), onbepaald, on. loorelijkheid.—n/ity(-kre-djoe'lit-tiit),—nlonsneas, begrensd. —itenees (-deli-nit-), a. cnbepaaldheid, a. ongeloovigheid. —lavas (-joe-lus), a. ongeonbegrensdheid. loovia. Indellberate (in-de-lileur-et)„ a. —/y, ad. onIncrement (in'kre-ment), s. aanwaa, toenemtng. voorbedacht. Increscent (in-kres'sent), a. toenemend.. Indell ble (in-del'ibl), a. —51p, ad. onuttwischIncrust (in-kruse), --ate, v. a. overkorsten; be- bear onvernietighaar. (-i-hil'it-tih), a. plehteren. —ation (-tee'sjun), a. overkorating. onuitwischbaaTheid. Jacub ate (!n'kjoe-beet), v. n. broeiing. —ation Indellett cy (in-deli-Ite.sih), a. onkieFehhetd. (-bee'ajun), a. uitbroeiting. —us, a. nachtmerrie. —te, a. —tely, ad. (-ket-), onkiesett.

tlkarnulit, m. comrade, companion. Koroester. v. Dutch oyster. Korporned, tn. coeuoreti. Korpo, o. corps, 'oody. Koree., v. oyster-net. Korrel, v. grain. —en, or. & on. W. to break into grains, to granulate. —ig, by. grainy, granAar. K orren, ov. w. to halo (for oysters) with a dragnet; on 'a. to coo. Koraet, o. pols of stays. corset. K.ornt, v. crust, —achtig, be. ornety. —en, on. W. to cruet, to gather a crust. —ig, by. crusty. —igheed, be, cruetiness. Kart, be'. & bw. short (-Iy), brief (-Iy); tender. — begrip, rbridgmeut, compendium. —s inkaude eummory, epitome. in het —, shortly. in —, warden, in a few words. Cnnen —, shortly. — en toed, in short, ha brief, to be short. em to goon, to be (to cut) short, to be brief. — en bandit, snip-snap. — ran stof, of few words, pert, irritable. to wanting. te komen NJ, to fall (to CO•ne) fi'.0yt of, to fail in, to be a loner by. — en kl , in slaan„ to beat into a jelly, to make root- and brariert-work, —ademig, short-breathed, -winded, aettonatic. —ademigheid, shortness of breath, short-windedneee. asthma. —bondig, b7. & bw. brief (-.13O, concise (-)y), laconic (•ally). —jan, sword. knife, cutlass. —nagelen, to cut (to pare) the nails of. —our, crop-ear. —cores, to crop the ears of. —siaart, bob-tail, curtail•dok, -horse, docked Horse. —staarten, to curtail., to dock. —voer. strong (spirituous) liquors. —wieken, to clip the wings of. —ziebt, short date. —*hag, near-1**We,', short-sighted, purblind; narrow. —zichtigheid, short-aightedneee, myopy. —aehtig, by. rather short. —of, bw. flatly, plainly, abruptly, in a few words. Kortio e, v. brokerage. Kerrie gaited, v. watch .house. --lad, v. cutlaas. Kori1,11 Uk, bw. shortly, briefly. m. small stick (need as fuel). —loge, bw, lately, not long ego. Korien, on. & on. w. to shorten; to clip, to crop; to pant; to abate, to deduct. Korelield, v. shortness, brevity; tenderness. — &halve, bw. for briefuese' sake, for the sake of b. erity. tiortUd, ru„ oyster-season, Knortiog, v. deduction, abatement, allowance, discount. K02101/4 bw. in short, in a word. Koriewekji, v. pastime, fun, jest, sport. —en, on. w. to fan, to jest, to snort. —ig, bv. funny, facetioue, sportive. —igheid, v. funniness, facetiousneon. sport leeriest. ov. W. to put into a basket (hamper). leor O. coroat. Karsoe:„ be. & bw. fretful (-1y). poenish (-ly), haty (-iiy). —hoofd, peevish (hasty) person. —hoofdig, zie 1Roraert. —hoofdigteeid, zie Korr eithelel.—heist, v. pee vishnese, hastiness, touchiness. —ig, be. Zie Kea tier. Kissistelts. en. dewlap. K'ee'i, tn. food, 'victuale, meat; board; livelihood, aubsleterte; cost, expense. in den —


tornadoes*. —lijk,,bw. usually, corrineonly. —te, v. custom, habit, practice; use, usage, fashion. Geworden, on. w. to come to hand. demand latex —, to let a. o. have his own way, to let a. o. alone. Geworante, o. vermin, warms. Geworotell, o. struggling, wreetting, struggle. Gewright, o. joint; (van de hand) wriet; juncture. Gewrogise, by. wrought. o. work, effect. Gewroet, o. poking, raking, rummaging, ransacking, toil, drudging. Gewrok, o. grudging. Gewulf,o. waving, beckoning. Geworan, o. drudging, toiling, plodding. Geznag, o, cawing; scraping, fiddling. Genital, o. sowing. —de, o. what ham been sown; corn fields. Gezabber, o. slavering, drivelling. li ezag, o, authority, command, power; credit, influence. — hebben (coerce) over, to command, to rule. —hebber, —voerder, director, commander; captain, master. Gezalfde, s. anointed, Meesiah. Gezamenderband, bw. together, conjunctively. GezamenllUk, bv. & bw. collective (-1y), aggregate (-1y), joint (-Iy), conjunctive (-1y). Gemming, o. singing; song; hymn; canto. —bock, book of hymns, hymn book. Geznastk, o. eternal repetition, repeating the Fame thing over and over (again); vexation. G ezant, in. envoy, ambassador. paueetijk —, nuncio. —*chap, o. embassy. --sehapseecref aria, secretary of legation. G maid, be. bound, tied. G ezeever, o. slavering, drivelling. Gezegri, by. said, afore•said. --e, o. saying, expression; predicate. Gegemeld, by. sealed. — papier, !stamped paper. Gezeiggen, on. w. tick laten —, to be prevailed upon, to follow advice, to obey. Gezeglitjk, be. tractable, docile, submissive —head, v. traetablencee, docility. Gezel, m. companion, mate, comrade, fellow, partner; journeyman, workmen. — Ely, by. socia • ble, social; familiar, friendly. —ligheid, v. sociability, sociality, familiarity. —Ha ; v. companion. Gezetsefinp,o. company, society, party. Juffrou. van —, companion. ---tkomer, drawing-room. —ailed, social song. — arekening, rule of fel:owship. —toe, social game, round game. Gez et, by. thick-set, corpulent. replete; set, fixed; steady; sedate; (op) tie Geateld. —acid, v. corpulency; steadiness, assiduity; sedatenetzs; inclination. Ger,ur. o. loitering; tie Geznnik. Gezlcbt, o. sight, look; view, aspect, prospect; vision; face. op het eertte —, at fir mt eight. in het — krijgen, to get a eight of. nit het — verlieaen, to lose sight of. in het — saiiktrIten, to laugh in one 's face, can scherp hebben, to be keensighted. —en trek.t.en, to make faces. —cinder, horizon. —kuade, optics. —kundig, optical. —kundigs, optician. —zenuw, visual nerve. —abedrog, optic Illusion, —shock, optic (visual) angle. —string, horizon. —.flaunt, point of view.
Kali. Kale (keel), a. krulkool. lieelay (kek'sih), a. scheerling, done kervel. binleidoscope(ke-laj'do-skoop),..kaleldoskoop, Kedge (ked*, —r, a. weep-, boegseeranker. —, schoonheidskij ker. v. n. boegseeren. Kalendar (kel'en-der)„ s. Zie Calendar. Keel (kieln, s. (echeeps-) kiel. —, v. a. vtur.en; Kali (kee'lih), s. kali; weedaseh. I kielen; verkoelen. —boat, platboomd vaartuig. KftlElklit (kermi-e), s. amorikaansche Wirier. —fat, koelvat. —man, schuitevoerder. --age, a. Kangaroo (ken-ge-roe'), a. kangaroe. havengeld. —er, a. Zie Keelman. Kaoline (kee'o-lin), s. porseleinaarde. Keel Lisle (Iticl'heeU, —haul ( haol), —rake Kaw (kao), a. gekras (van raven). —, v. n. kras-! (-reek), v. a. kielhalen. —ing, s. kleine kabelsen (alit raven). 1 jauw. —son (-sun), a. zaadhvut, kolsern. Kayla (keel), a. kegel. —a, pl. kegel-, kuiltjea- 'Keen (WO, a. —ly, ad. scherp; hecig; vinnig, apel. 1 hits; vurig, gretig; seberpzinnIg. —ness, a. scherpKeck (kek), v, n. kokhalzen; (at) walgen van. I held, hevlgheid, vinnighe:d. Keckl e (kek'id), v. a. met smarting lsekleeden Keep (kiep), s. hoede, bewaring; onderhoud (een' babel). - icy, a. smarting. I toesland; slottoren. ri
zellende vertuien. —age, a. ankerplaats. —togs Morplon (mor'pl•un), a. platluis. (-iengz), pl. havenankers, rneertouwen. Morris (mor'ris), a, —dance, moorsche dan*, heti Moose Imes), s. eland. tendons. Moot Itnoet'), a. oefenpleidnot. —case. —point, Morrow (mor'ro), a. morgen. to —, morgen, after opgeworpen reWsvraak. —hall, —house, dispu- to —, overmorgen. to — morning, morgen ochtend. teerzaal, roadhuis. v, a. & n. hepleiten, plei- Morse (moral, s. zeekoe, walrus. ten, disputeeren (tot oefening(. —ed, a. net den Mz)esel (rnor's11), a. beet, hap, brokje. wortel uitgerukt. a. redetwister; nagel. Mort (mort'), s. hallalt (der jagers), both, romp. Mope stomp; driejarige zalm. —al, a. sterfelijk, men. Mop (mop), a. stokdweil; teerkwast; scheef ge- ' schelbk; doodeltik. — enemy, doodvijand. —al, a. zioht. —, v. a. dweilen; v. r.. ern scheggezicht sterveling. —a/ity r. sterfellak. trekken. held; &011ie; bill of —, sterffilst. —ally. ad . doo. Mop e (moop'), R. droomer, druiloor. —e, v. n.
(bep-tis' mel(, a. tot den doop behoorend. —t, a. deeper; doopsgezinde. —tery (bep'tis-ter-ib), a. doopvont• Baptize (bep-tajz"), v. a. doopen. —r (-ur), a. dooper. Bar (bear), a. bout, ataaf; sluitboom, elagboom; toonbank; balie; maatstreep; sandbank; hinderpeal. —iron, staafijzer. —keeper, tapper. —room, gelagkamer. § mosquito —, muskietennet. —,v. a. afsluiten, versperren; verhinderen; uitaluiten. Barb (baarb), a. beard; weerhaak; paardetutg; barbarijsch paard —, v. a. aeheren; optuigen; met weerhaken voorzien. Barbacan (baar'be-ken), a. schietgat; bruggehoofd. Harbar Ian (ber-bee'ri-en), a. barbaar; a. barbaarach. —ie (ber•berlic), a. woest, onbeechaafd. —ism (baar'be-rism), s. woestheid, onbeschaafdheid; barbarierne. —ity (ber-ber'it-tih), s. barbaarschheid. —ice (baariber-ajz), v. a. & n. woest, wreed maken of worden. —ous (baseberus), a. —ously, ad. barbaarach, wreed. —oneness, a. wre , dbeid. Barbecue (baar"be-Irjoe), a. een in ztjn geheel gebraden varken. Barbed (baarbld), a. gebaard; opgetuigd; met weerhaken. Barbel (baar'b1), a. barbeel. Barber (baar'bur), a. barbier. v. a. & n. echeren en kleeden. —monger, fat. Barberry (baar'ber-rihi, a. berberia. Barbet (baar'bit(. a. poedel. Bard (beard), a. bard, dichter, Bare (beer), a. bloat, ongedekt, kaal; arm; onkel. —. v. a. ontblooten, ontdekken. —bone, levend geraamte. —boned, seer mager. —faced, onbeschaamd. — facedness, a. onbeschaamdheid. —foot, a. & ad. barrevoets. —headed, a. & ad. blootshoofds. —of money, zonder geld. —ly, ad. bloot, enkel. — ness, a. naaktheid. Bargain (baaegin), a. koop, beding; voordeel. into the —, op den koop toe. —, v. n. een' koop eluiten, ding en, overeenkomen, (for). —ee(baargin-iel, a. kaoper, aannemer. —er, a. verkooper. Barge (baardzj), a. vracht- of trekachuit. — man, a. schuttevoerder.
honor. -, gierig, by. & bw. ambitious (-1y). —gterigheid, ambition. —metaat, ale Eerepesining. —naam, title of honor—. mister, —reoeer, defamer, slanderer, back-biter. —root-end, defaming, slandering. —rooting, defamation, slander, detraction. —oergeten. devoid of honor, lost to all sense of honor, infamous. —rot, by. honorable; bw, with honor. ---teaard, —waardig, honorable, venerable, worthy, reverend. —waarde (Use), your reverence. —waardigheid, respectableness, veser, ableness, dignity. —eucht, ambition. —ruchtig, ambitions. —eb/Olc, mark of honor. —eboog, —epoor!, triumphal arch. —edegen, —eeabel, sword of honor. —edientt, (public) 'worship. --egraf, mausoleum, cenotaph. —eketen, chain of honor. —skeane, garland, wreath. —ekroon, crown of honor. —ekeuitt, cross of honor. —*lid, honorary member. --*lint, ribbon. —epenning , medal. —.pleat*, place of honor. —poet, post of honor. —eprije , v. speedwell, fluellin ; m. prize of honor. —etched, salute, discharge. —eteeken, tokee(mark, sign) of honor. —etempel, pantheon —elite!, title of honor. —ewacht, guard of honor. —ewiin wine of honor. —ewoord, word or honor. —eraak, affair of honor. —eretel, Beat of honor. —esuil, obelisk. monument. —bear,. by, & bw. modest (-1y), honest (-Iy) ; chaste (-Iy). —hearken!, v. modesty. honesty; chastity. Eerbled, m. respect, reverence, awe. —toaardig, respectable, venerable. —enie, v. respects, duty. —ip. by. & bw. respectful (-ly). —ig6n ov. w. to respect, to revere. —igheid, v. respectfulness. —fging , v. respecting. —shale., bw. out of respect. Eerder, bw. sooner, before: rather. Eer en, ov. w. to honor, to respect, to reverence. EergIster en, bw. the day before yesterday. Eerlang, bw. erelong, shortly. Eeritik,tbv. & bw. honeat (-ly), fair (-1y), faithful I-1y), decent (-1y), honorable (-bly). duurt hat !angst, honesty is the hest policy. —heid, v. honesty, fairness, fair dealing, faithfulness, integrity. Eerloos, by. & bw. infamous (-1y). —held, V. infamy. Eeraialve, bw. for honor's sake. leernt, by/. first, but, Just; not before, not no sooner than. —, o. in het —, at first; ten —e, first, firstly, in the first place; directly. —bectnstead, beginning; elementary, primitive. —bekin. nende, beginner, novice. —d tags, soon, shortly, in a few days. —geboorte,—geboorterteht. primogeniture. —geborene, first-born. —komesd, next, ensuing, following, to come. —e, by. first, thief, principal; former, that. —cliff,, bw. first, firstly, in the first place. —elitg & v firat-fruit;firetling, first essay. Eertlfds, bw. formerly, in times past, of old,in days (times) of yore. Eerzaam, bv. & bw. honest (-1y), modest ( ly), honorable (-bly). Itoet, m. oust, malt-kiln. en, ov. w. to kiln- dry. Eat bear, be. eatable, edible. —bare waren, eatables,—.boarhefd, v. eatableness. —We eatinghouse. —kisser, —teal, dining-room, refectory. —lope!, table-spoon. —lust, appetite, stomach.
Par boil (pear' bojl I, v. a. half gear koken. —break' Parley (paar'lih), s. onderhoud, gesprek, omier(-breek), a. braaksel; v. n. braken. —buckle (- buk1), lmdeling. to beat a —, de overgaafmarach glean. s. schrooltouw. —, v. n. zich onderhouden, sprekeu. Parcel (paar'sil), a. atuk, gedeelte; pakje; partij; P4,1111senlent (paarna-ment), a. parlement. —ary hoop; sarting. m u —, v. a. in ge- (-ment'e-r1h), a. van het parlement. bill of —8, faetur. deelten splitsen; bijeen voegen; met smarting be- Parlor, Parlour (paar'lur), a. spreek-, bezoekk teeden. —ing, s. smarting, presenning. —delivery- kamer. office, a. beatelkantoor. Parlous (pearls's), a. gevaarlijk; slim, sluw. Parcen ary (paar'se-ne-rib), s. gemeenschappe- Parmesan (paar.ine.zen'), a. Parmezan; parmeIt) k bazit. —er (-nur), s. deelgenoot. zaan-kaas. Parch (paartsr), v. a. & n. schroeien, zengen; Parochl at (pe-rolliel), a. van het kerspel, — roosters; (doen) verdrogen. --edneos (-id-ness),... register, kerkeboek; — relief, bedeeling. —an verschroeidheid; verdroogdheid. —ing, a. ter- (-en), a. parochiant. schroeienl. Parod Ic (pe-rod'ik), —ical, a. parodieerend. --y , Parchment (paartsrment),:s.perkement.—maker, (per'ud-dih), a. spottende nabooteing, parodie; perkementmaker. —runner, papierlijuentrekker. v. a. spottend nabootsen, parodieeren. Pard (paard), a. luipaard. Parol (per'ul), a. mondeling. Pardon (partedn), a. vergiffenis. —monger, Omit- Parole (pe-root'), a. woord van eer; wachtwoord. kramer. —, v. a. vergeven; genade verleenen aan. Paronychlaper-o-niei-e),s.vijt. —able, a. —ably, ad. vergefelkjk. —ableness, a. Paronym e per'o-nini), a. gelijkluidend woord. vergefelijkheid. --er, a, vergiffenisschenker; aflaat- —ous (pe-ron' -mus), a. gelljkluidend. gever. ron'i-mih), a. geltjkluidendheid. Pare ( peer), v. a. achillen; uit-, afanijden;areaspen; Paroquet (per'o ket), a. parkiet. besnoeien; verminderen. Parot Id (pe-rot'id), a. van de oorklleren. —is Paregoric(per•e-gor'llt), a. & a. verzachtend, (-rolls), s. oor-, speekselklier. pij natillend (sreiddel). Paroxysm (per'oks-irra), s. verheffing (eener Parembole (pe-rem'bo-lib), a, tusschenvoegsel. ziekte of pijn); vlaag. Parenchyma ,pe-ren'ki.me), a. kllervleesch; eel- Parquetry (paar'kit rib), a. ingelegde vloer; inw eefsel, merg. gelegd houtwerk. Parene ola (pe-ren'ints), a. vermaning. —tie (pe r- Parrel (per'ril), a. rak. to fasten the —,aanrakken. e-net'ilt), a. vermanend. —haliard, ophaler van het rak. —ribs, rakkeslede. Parent (peer'ent), a. vector, moeder; oorzaak, —truck!, rakkeklooten. —truss, rakkatrre, -tulle. bror . --a, pl. °lidera. —ape!ook: ijer'ent-idzi),.. Parricid al (per-ri.aardel), a. vadermeordend; maagschap; afkonist. —al (pe-rent'el), a. ouder- van een' vadermoord. —e (peeri-sajd), a. vaderlijk. mooed; -moorder. Parenthe Ails (pe-ren'shi aim), a. tusscheavoeg- Parrot (per'rut), a. papegaai.diving —, papegaaisel, parenthesis. —tic, —tical, a. —tically, ad. duiker. —fish, zeepapegaai. —weed, boeconia (soort (per en- thet'sk-), tusschengevoegd, ingelaecht; als van heester). parenthesis. Parry (per'fih), v. a. & n. afweren, pareeren. Parent hide (pe-ren'ti-sajd), o. oudermoord; ou- Parse (nears), v. a. taalkundig ontleden. Parsisnon Ions (paar•111-mo'ni-us), a. —Toasty, dermoorder. —less (pee'rent-less), a. ouderloos. Parer (peer'ur), a. afanij der, schil ler; veegmes. ad. zuinig; k &rig. —tousness, —y (paar'el-munnih), Parergl (per'urAlzjiis), a. bijwerk. a. zuinigheid; karigheid. Pargst (paar'dzjit), a, pleisterkalk, gips. —, v. a. Parsley (paaraliha a. peterselie. —fern, druifhepleisteren. varen. —pert, ateeneppe, steenbreke. Parhellon (per-hi'li-un), a. bijz on. Parsnip (paars'nip), a. pastinak. Pariah (pee'ri-e), a. paria, verstooteling. Parson (paar'sn), a. geestelijke, predikant. — age, P algal (pe-raret), s. Zie Pair-royal. s. predikantspl eats; pastorij. Parietea I (pe -rare-tel), a. van den wand. —ry Part (peen), a. deal; aandeel; partij; rol; lid; (-to-rih), a. muurkruid, plicht, dienst. —8, pl. begaafdheden, talenean; Paring (peerneng), a. het afanUden, achillen, af- atreken. — by —, atuk voor atuk. in — of payment, anijdsel, sehil, afoul. —knife, snij mes (bij schoen- op afkorting. for my —; wat inti betreft. for the makers). moat —, meestal. to take a — in, deelnemen aan. Parish ( per'isj), a. kerspel, parochie. —boy, arm- to take in good (ill, —, goad (kvralijk) opnemen. jongen. —church, parochiekerk. —clerk, dorpskos- —owner, medereeder. —, ad. deela, gedeeltelijk. ter. —duty, kerspelbelasting. —priest, geeetelijke Part (paart"), v. a. deafen, of- indeelen; orbitten; scheiden; v. n. scheiden; heengaan, vertrekvan het kerspel. —loner(-un.ur), a. parochiaan. Parlayllable (per-1-sil-leb'ik), —at, a. gelijklet- ken; afdrijven; verzeilen. (from) scheiden van; tergreptg. laten varen. (with) zich ontdoen van; verlaten; Parli or (pergi. tar), a. pedal, bode, gerechtsdie- laten varen. —able, a. deelbaar,scheidbaar. —age, near. —y, a. gelljkheid. a. verdeeling; aandeel. —ed, a. begaafd. —er. 6. Park (plink'', a. park, warande. —flower, mei- verdeoler, scheider; scheidama.a. bloem. —keeper, paskopzichter. —leaves St. Jana- Partak e (per-teek') [ire.], v. a. doen deelen in; kruid. —, v. a. in een perk aluiten; omheinen. —er, v. n. (in, of) deal hebben, deelnemen aan (in). a. parkopzichter. —er, a. deelhebber, deelgenoot. —ing, a. deelParlance (paar'lens), a. geaprek. nerving; komplot.
boar. —sion (-misrun), a. intending, inlating; inspuiting. (im-mit'), v. a. inzenden; inspuiten.—igable (-i-gibl), a. niet to verzaehten; onvermurwboar. Immix (im-mika'), v. a. in. vermengen. —able, a. onvermengbaar. Immobility (im-mo-bifit-tib), a. onbewegelijkheld. Ininitodera te (im-mod'ur-et), R. —tely, ad. ontnatig, overmatig. —twee, —tion en'ajun, e. onmatigheid. Immodest (im-mod'est), a. —ly, ad. onbeseheiden, onbetamelijk; onzedig, onkuiseh. —y, e. onbeseheidenheid, onbetamelijkheid; onsedIgheld, onkuischheid. lfinxnole te (im'mo-leet), v. a. offeren; opofferen. —lion (- lee'sjun), s.offering; opoffering;offer.—tor, a. offeraar. Immomenstous (im•mo•men'tus), a. onbeduidend, nnbelangrijk. Immoral (im-mor'el), a. —ly, ad. zedelooa; onzedelijk. —ity (-mo-rel'it-tib), a. zedeloosheid, onzedelijkheid. Immortal (im-mor'tel), a. —ly, ad. onsterfeliik. —ity (-mur-tel'it-tik), a. onsterfelijkheid. —ire (-ajz), v. a. onaterfelijk maken, vereeuwigan. Immova ble (im-moev'ibl), a. —bly, ad. onbeweegbaar, onwrikbaar. —bleneas, a. onbeweegbaarheld. —61es (-iblz), pl. vaste goederen. Immunity (im-nsjoe'nit.-tih), N. vrijdom; etelling, ontheffing; voorreeht. immure (irn-n!oer'), v. a. ommuren; in-, opalui-ten. (im-mjoe'zikl), a. Zie Unmusical. Immuta ble am-trijoe'tibl), a. —bly, ad. onveranderlijk. —blenese, s. onveranderlij kheid. Imp (imp), s. entrijs; apruit; guit; duiveltje, nikker. —, v. a. enten; vergrooten. Impact (im-pekt), a. indruk, atoot. Impair (ini-peer') v. a. verergeren; besehadigen, benadeelen, verzwakken; v. n. verminderen, afnemen. —er, e. bederver. Impalpable (im-perpibl), a. onvoelbaar. Impalsy (im-paol'zie), v. a. verlammen. Impana te (im-peen'et), a. in't broodstanwezig. —tion (-pe-nee'sjun),.. aanwezigheid in het brood. Impanel (Im-pen'el), v. e. benoemen, oproepen (ala gezworene). v eonofesli ;Vet I it i(c) rakaevnli set (;,mg:poenrg'ee4 fig), dv; na .e h 11111n. It
Lel au(egr al (in'te.g..'1), a. —ally, ad. geheel, volledig. —ant, a. aanvullend, tot het geheel behoorend. —ate (-greet), v. a. g.eheel maken. —ation (-gree'sjun), a. volledig-, geheelmaking. —ity (-tee'rit-tih), a. volledigheid, gehealheid; rechtochapenheid; zuiverheid; echtheid. Integument (:n-teg'joe-ment), s.bekleedsel, huleel; vlies, }raid. intellect (in-til-lekt'), a. veratand; verstandelijk vermogen. —ion (-lek'sjun), a. (het) verstaen. —ive, a. verstandelijk. —ual, a. —ually, ad. (-joe-el.), verstandelijk, denkbeeldig. —uals (-joe-etz), pl. verstandelijk vermogen. Intellig dice a. verstand, Inzicht; berieht, naricht; verstandhouding; —office, adreakantoor. —eneer, a. berichtgever; nieawsbled. —ant, a. —catty, ad. verstandig, ervaren. —ential (-zjen'sjel), a. ventandelijk, geestelijk. —zbility (-zji-bil'it-tih). —ibleness, s. verstaanbaarheid. —ible, a. —ibly„ ad. verstaanbaar. Intemper aliment ( in-tem'pur-e-ment), s. ongesteldheid. —ante, s. onmatigheid. —ate, a. —ately, ad. (-et- onmatig, overmatig (oak van het wader). —ateness (-et-), —ature (-e-tjoer), a. onmatigheid; overmatigheid (ook van het weder). Intenable (in-ten'ibl), a. onnoudbaar. Intend (in-tend'), v. a. beoogen, bedoelen, voorhebben: bestemmen (far). —, v. n. van plan zijn. —ant, a. opzichter. —edly, ad. voorbedachtelijk. —meat, a, voornemen, oogmerk. Intenera te (in-ten'ar-eet), v. a. verzichten; verteederea. —lion (-ee'sjuu), s, verzachting; verteedering. Intens a (in-tens'), a. —Ply, ad. gespannen, aterk, }wig; ingespannen. —eness, —ity, a. hevigheid; inspanning. —ion (-sjun), a. innerlijke kracht; spanning; hooge greed. —ive, a. —ively, ed. gespannen, werkzaam; ingespannen; versterkend. Intent (in-tent'), a. bedacht, geepannen, gretig. (on. upon). —, a. oogmerk, voornemen; to all —a and purposes, in alien deele. —ion ( -ten'sjun), a. bedoeling, oogmerk; inspanning- --ional, a, —ionally, ad. (-ten'sjun-el.), opzettelijk. —ive, a. —ivaly, ad. aandachtig, oplettend. —ness, s. icagespannenheid. Inter (in-tur'), v. a. begraven. inter. (in'tur) [in eamenst.j, tusschen. Waar, in de volgende sarnenstellingen, de uitepraak niet is aangewezen, daar heeft in den kleintoon. Interact, a. tusschenbedrijf. Intercala r (in-tur'ke-ler), —ry, a. ingelaacht. —te (-leet), v. a. inlasschen. —lion (-lee'sjun), s. inlasaching. Intercede (-sled'), v. n. tuaachenbeide komen, ‘oorspreken ((with for). •—nt, a. bemiddelend. —r, a. berniddelaar. Intercept (wept'), v. a. onderscheppen, afenijden. —ion (-sep'sjun , , a. onderachepping, afsnijding. Intereess lust (-seslun)', s. tusschenkomst, bemiddeling. —or (-sesisure. s. bemiddelaar, voorspraak. —ory (-mes'sur-rih), a. bemiddelend. Interchain (-tejeen'). v, a. aaneen schakelen. Interchange, s. ver-, afwieseling; railing; ruilhandel; verkeer,
to Grind to Grow to Have to Hear to Hold to Help to Hew to Hide to Hit to Heave to Hang to Hurt to Keep to Kneel to Know to Knit to Know to Lade zo Lay to Lie (lIggen). ,/ II II to Lean to Leap to Learn to Lead to Leave to Lean to Lend to Leap to Let to Lift to Light (a&nsteken). to Load to Lose to Make to Mean to Meet May to Melt to Mow Must Ought to Pay
I threw in some fractals to guess what is going on with LTC. I used a fractal from when the trend reversed at the bottom this year and one for the 2018 ATH. Personally, I believe that fractals are highly subjective. They only reinforce the analysts confirmation bias. There is no set rules or back testing for fractals. So these fractals are here to see how much...

Ineckenren, ov. & on. w. to tear, to rend, to ' Incase'ten, ov. w. to melt in, — among; to grow less by melting. burnt. Inschleten, ov. w. to shoot in; to destroy by Inemeren, ov. w. to grease, to smear. shooting; to shove Into on. w. to enter suddenly, InemUten, ov. w. to throw (to dash) in, —. into; to break. to weal (to rush) into; to go in ; to come to one 's mind, to occur to memory. er bti to InenUd en, on. w. to cut into, to make an inloss by, cision; to crotch, to carve; to indent: to scarify. —ing, v. incision; notch, engraving; eoarilictition. leischUnen. on. w. to thine in. Inac ► ikk ellijk, be. yielding,compliant, sienna- Inenolv en, ov. w. to snuff up, to inhCe. v. snuffing up, inhalation. modating, indulgent. v. yieldingnese, compliance, indulgence. —en. ov. w. to excuse, Its solven t, be. insolvent. —tie, v. insolvency. to bear (to comply) with, to indulge (in. to); inionppen, or w. to dip in, to sop. on. w. to make place, to sit (to stand) close; Inspann en, ov. w. to put to (the carriage) to exert; later —, to order the coach. —tag, v. to yield, to come down. —ing, v. bearing with, putting to exertion. compliance. indulging (in. to). Heap cot t en, on. w. to spatter in, to bounce in. Inschoon,bv. very beautiful. Inachoppen, ov. w. to kick in, — into; — down. Inibisttkeren, ov. w. to nail in. Inepfltes, on. w. to dig tn. Inechenp en, on. w. to scrape in. —er, la ►spoelen, ov. & on. w. to wash to swim, to scraps Pennystream) io, — into. Inschrkplers. on. w. to stalk (to stride) in, — into. Itusptrersk, v. dictate, suggestion, inspiration, Inschrkifeter, v. subscriber. Inschrtjv ess, ov. w. to ineeribe; to note, to regisinstinct; objection. ter, to enroll; to subscribe. —er, m. registrar; Inspreken, on. w. to inspire (with); (mold) to subscriber. —ing, v. inscription; enrollment; encourage; on. w. to meddle with. subscription. litaspring an, on. w. to leap (to jump) in, — into; to stand back. Inachroeven, ov. w. to screw in. Inschrokken, ov. w. to swallow, to gulp Inaptitit au, ov. w. to inject. —dip, v. injection. down. Inapuoven, on. w. to spit in. — iuto. 'Rackoff hind, o. leaf (of a table). —Wel, v. Inatitan, on. w. to answer (for). Instal, in. barn. table with lengthening-pieces, — with leaves. Issocitulven, ov. w. to shove (to push) in, — "waving, by. in a bad repute. —makers, to cry Into; to edge in, to interpolate. down. lhasettuld, v active debt. —.oar, rn. creditor. Instrmip en, ov. w. to ram (to drive, to force) insect, o. insect. —enloinde, entomology. in, — into; to inculcate. —illy, v. ramming (forcing) in; inculcation. bw. likewise, too, also. lissUpellen, on. w. to trickle in, — into, to ooze. Itsstraudb.outting, v. maintenance. Inaltsen, on. to beat (to drive, to ram) in; to Instappeu, ov. w. to overtake; on. w. to step in. — Into, to enter. knock out; to break (open); to lay in, to boy; to take (to turn) in; to AWallOW, to gulp down; insteek 'tamer, v. entresol, mezzanine. —eel, on. w. to fall in (van den bliksenz); to take (een o. that which is inserted, — tucked in, iseatek deo, ov. w. to put (to push, to stick) in, weg). — into; to sow together; to intompt, to euggeet; "luting, to. lsying in, purchase, supply; tuck. (ern drawl) to thread a needle; sick t. w. to overcast; woof. —boet, book of purchases. —eeel, meddle (with). —er, m. prompter, suggester. permit. —draad, thread of the woof. —sport, —ing, v. insertion; suggestion, instigation. shuttle. Inalapen, on w. to fall asleep. Instell en, ov. w. to institute, to establish; to Isseleeperat, on. w. to drag (to tag) in, into. give, to propose (ern toast) (rear vervalging) Ittellemteiress, on w. to enter sauntering. enter a lawsuit; leen onderzoek) to make an enHaelltipen, ov. w. to grind in. quiry, — inquest; sick t. w. to begin. —sr, in. institutor. —ing, v. institution. lisstllkk en, on. w. to swallow. —ing, v. swallowing. Inatensm en, on. , to consent; on. w. to agree 'lief tippets, on. w. to slip in, — into. to fall in) with. ing , v. agreement, Intelokk son, on. w. to swallow (down), to devour; [tastes, wan, on. w. to sett in, — into. to usurp.—ittg, y. swallowing, devoration; usurpa- Itsatiligen, on. w. to step in. tion. ov. w. to stitch in Iiseiores ere, one NV. to sip; to absorb. —ing, v, Instinct, o. instinct. toj —matig, instinctively. sipping; absorption. Inatippen, ov. w. to dipin. Inaluitneren, on. w. to fell into a slumber. Ioetovaanelen, on. w. to come in with a great bustle, Inaluip en, on. w. to steal (to sneak) into. Inatoornen, on. w. to enter steaming, to enter — ing, v. moiling (sneaking) in. (by railway, by steamer). Inatuft en, ov. w. to lock in; to enclose, to include, to comprehend; to block up, to invest; linstisotets, ov. w. to push (to thrust) its; — into. on. w. to fit in. —ing, v. enclosure; inclusion; Ioatop Lion, ov. w. to cram in, — into. Inctorrnen, on. w. to rush in, — into. blockade. investment; —stetken, parenthesis. Inatort en, ov. w. to throw (to poor) in, — into: Inslurpen,ov.w. Zielinsissrpen. to infuse; to inspire with; on. w. to fall (to Inansnkkerv, en. to hurl in, — into.


WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Betaalt u belasting over Bitcoin winst


Litecoin has been beaten down for the last 3 months, from a high of over $140 USD to a current price of just shy of $55 USD. The question is where to from here? The current near-term low of $50 USD will be a crucial, line in the sand for the altcoin moving forward. After quite a violent prior week down, it is unclear whether or not this is the capitulation of...

Wat is een Blockchain databank


bery, --jabbing, wirtd handel in effecten, beurstspel. —lock, grendelelet. —market, fondsenmarkt, —shave, sehaalmes. —shears, pl. enoeischaar. —still, doodstii. —, v. a. voorzien (with); opdoen, inslaan; opleggen; in den stab sluiten; (up) nitroeien. Stocking (stok'ieng), s. bows. —breeches, p1. onderbroek net lange pijpen of kousen. —frame, —loom, kousenweefgetouw. —trade, handel in gee breide goederen. —weaver, kousertwever. Stock lab (stok'isj ), a. hard, ongevoelig.—n, pl. veetblek; stapelblokken, stapel; effecten. —y, a. etevig, kort en dik Stoic (sto'ik), o. stoieijn. —, —al, a. etoi.eijnseh, ongeveelig. —alness, s. magevoeligheid. —ism (-1.-eizni),8.1rer der Stoleijnen. Stoker (sto'kur), 8. stoker. Stole ((goof), s. stool, lank bleed. groom of the —, opperkamerheer. Stolid (atorid), a. dam, dwaas. —ity (sto-lid'Ittits), a. doneheid, dwaasheid. Stomach (stum'ek1, e. maag,eetlulit;tret,Deiging ; drift, toorn; hongmoed. v. a. mokken (gebelgd zijn) over; veuluwen; v. D. boos (gemelijk) nun rich ergeren, (at). —ed (-ekt), a. boost, gebelgd. —er (-e-tS)Ur), s. borstlap. —fill, a. mokkend,- etijfhoofd Snow tichic (sto-mek'ik), —al, a.maagvereterkend; maag•. 0. maagversterkend middel. Stone (stoon'(, a. eteenen, vast s•een. s.steen; kern, pit; teelbal; veertiert pond (weal); aeht pond (yleetteh). —alun, bergaluin. —basil, tijm. stekeblind. —blue, emelt. —break,, steenbreke. —cast, steenworp. —check, pluvier, welp. —cholic, greveelpijnen. —coal, tteenkool. —crag, krijfziekte. —crop, steenruit, muerpeper. —curlew, dikpoot (vogel). —cutter, ateenhbuwer. —dead, morsdood. doublet, geaangenis. —duck, kraagrend. —falcon, steenvalk. —fern, steer( v aren. —fly, waterkrekel. --fox, steenvos. —fruit., steenvrueht. —gall, bastas rdvalk. —prig, uteenbiiter. —hawk, sateen valk. —hearted, hardvochti4. —horse, henget. —mason, —squarer, steenhouwer. —pincer, stemmoasel. —pit, —quarry. steengroevo. —pitch, bergpek. zwameteen; versteende plant —plover, poelsnip. —puck, paint; uitslag. —'s-cast, '8throw, etemsworp. —smirk, yekbloem. --still, doottsti I, enbewegeliik. —stud, hoekpijler. —wail, brandmuur. —ware,aardew erk, steengoed. —work, metselwerk. —wort, hertstong. —, v. a. eteenigen; van eteetten of pitten ontdoen (voorzien); verbal. den. 

Wat bepaalt de prijs van Bitcoin


Although there are some similarities between BTC and LTC, you can’t define Litecoin without pointing out some key differences, such as instant and near-zero cost transactions, increased speed of adding a new block into the Blockchain (2.5 minutes against 10 in the Bitcoin network) and a scrypt usage in its Proof-of-Work process to make it easier for regular PC users to mine new blocks against ASIC miners. It is also one of the first cryptocurrencies that adopted SegWit.

ad. —y, A. ongereed; onbereidleillIg. —inese Unreplenlebed (un-re-plen'iejt), a. onaangevoid. (4-neas), a. ongereedheid; onbereldwilligheid. (un-rep-re-zent'id), a. niet voorUnreal (un-ri'et), a. ouwezenljjk.—ity (-ellte-tih), Unrepresented gesteid; niet Yertegenw oordigd. e. onwezenlijkheid. —Iced (-ajzd), a. niet Yerwe- Unre prievable (an-re-prier'thl), a. niet zentijkt. a. ongeooget. voor uttstel (kwijtethelding) vatbaar. —prieeed Unit...sped (un-rtept'), a. ntet ultgesteld; onhegehadigd. Unreason abbe (m-W=4bl), a. —bay, ad. onto- (-prievd'), (-prootejt'), a. onbeript. —provable delijk. —bleneas. a. euredelijkhetd. —proached —proved (-proevd'), Unre biakablo (un-re-bjce'kibl), a. onberisp, (-proeu'ibl), a. onntrispelijk. —baked (-bjoekt'), a. onberiapt. —callable a. onberlept. —pugnatst (-pug'nent), a. niet at-
melk. het rerband —, to unbandage, ionand een eed —, to swear a, o., to pnt ta. o to his oath. irwal(jk —, to take Rothe tested —, to overcharge. —, on. w. to abate, to lessen, to decrease, to decline, to d ,, car, to fall; to wane, to lie on the wane —end, bv. declining, diminishing; waning; fainting. —er, m. taker: customer. —ing, v. taking down, — off, — from — away; descent; decrease, decline, decay. wane. Aftp, omen, on. w. Zie A ['Olken. A fnijpen, on. w. to pinch off, —from. Aforigen„ on. w. Zie AfkU ken. Afoogetten, on. w. to get in the crop, to reap. Afpneltten, on. w. to farm, to rent, Afpnkken, on. w. to unpack. to pack off, to unload; to snatch sway, — from. Afpnlen, on, w. to mark (to fence off) with pales, to limit, to incloseAfprissen, on. w, to equt.re, to proportion, to Fytitist; to count out a fixed sum of money. Afuelleta, ov w to sound, to gauge. Arpeinzen (etch), t. w. to rank ,,ne'sbrAin. Arnell•n, on. w. to peel (off), to husk. to "hell. Afperk en, av, w. to impark, to fence in, to fold, to mark out. --ing, v. enclosure, marking oat. Afperu en, ov. w, to extort (to exact, to wrest, to wrist) from. —er, ir. extorter. extortioner. —asp.. v extortion, exaction, wresting from, AFyikken, on. w, to peck to pick) off. Afplatxen, ov w, to flatten, to level. —big, v. flattening, levelling; oblate for. AlpbeRten, ov. w. to save by pleading. Afpinegen, on.w. to plough off. Afplist! 'sell, o. arts pickings• —ten, o•. w. to pick off. —rer, no. picker —.vino, v. picking. At pltikk en, on. w. to plunk off, to gather. —er, in. plucker. —ing, v. plu•cing, gathering. Alpoenoen. ov. w. to wipe off, to clean. Afprnehen, ov. w. spineta by coaxing. Afpraiton, on. w. to prevent by talking; to diseuade to arrange. A fpun to,n, zv.w. to paint off,to nib. Airtsadailer, v. Zie Meader. Afraid en, ov. w. to dissuade, to dehort (a. 0. horn); to advise (a. o. against). —er, In. dissuader. —ing,v. dissuasion. Afrnfelen, ON. & on. Iv. to ravel oat, to unravel. Afrageta, on. w. to clear from cobwebs, to dust. Afraken, on. w. to get off', — down; to get rid of. t in den iveg —, to go astray, to lose one's way. Afranden, on. a'. to take off the border (the margin) from Afroneelen, ov.w. to rib-roast, to drub, to thrash . Altrap ea, ov. a'. to rasp off. —er, rn. reaper. —ing, v. rasping. —set, o. raspinga. Afrotgenen, on. w. to lie beaten (worn) tiff by the rein. Afreikets,on. w. to reach down; to deliver. Afrei a, v. departure, netting out —sens on, w. to traoel over; on. w to depart, to net out. Ala- ricers on, on. w. to deduct, to abate; on. w. to settle (to cli ar) aecounts, to liquidate, to account with. —ing, v. deduction, eat tang (clear. ing) of accounts. liquidation; —harden ; to balance accounts; op —, on accoont.
DEJ.—DEM. o Deject (de-dzjekt'), v. a. neerslachtlg maken; be- Deluge (del'joedzj), a. zondvloed; overstrooming. —edly, ad.neerslachtig, bedrukt. —, v. a. everatroomen. droeven. —ednets, —ion (-dzjek'sjun), a. bedruktheid; stool- Dein/ sion (de-ljoezjun),1 a. begoocheling; begang. —ory, a. stoelgang bevorderend. —ure drog. —sive, —sort', a. misleidend, bedriegelijk; hersenschimmig. s. uitwerpsel. Delve (delv), v. a. & n. delven, graven; uitvorschen. Dclapse (de-leps',„ v. n. afvallen; afglijden. Delat e (de-leer'), v. A. aanklagen, verklikken. Demagogue (dem'e-gog), a. volksmenner. —ion 1-lee'sjun), a. aanl:lacht,aanbrenglng. —or, Demain (de•meenl, a. domein, vast goad. Demand (de-maand'), a. each; vraag, on —, op a. verklikker. —ory, a. aanllagend. vertoon. —, v. a. eiochen; vragen. —able, a. Delay (ee-lee'), a. uitstel; oponthoud. —, v. a. eischbaar. —ant, a. eischer. —er, a. vrager; mauitstellen; ophouden; verhinderen; v. n. dralen, nor. talmen. —er, s. uitsteller. Dennarcatton (di-mer-keo'sjun(, a. grenslijn. Debbie (deribl)., a uitwischbaar. Delecta e Ide-ickt'ibl), a. —lily, ad. aange- Demean, Demesne (de-mien'), s. Zie Demain. nem, verukkelijk. —biene8s,s. verrukkelijkheid. Demean (de-mien'), v. a vernederen, verlegen. —tion (del-ek-tee'sjun), s. genot. — one's self, zich gedragen. —or, a. houding; Delega to (del'e-geet).. a. afgevaardigd. —, a. gedrag. argevaardigde. —, v. a. evaardigen; opdragen. Demen cy (di'men-sih), a. krankzinnigheid; —tion Igee'sjun), a. afvaardtging; lastgeving; waanzin. —tate (de-men'tet), —ted, a. waanzinoverdracht; (de) afgevaardigden. nig. —tate (de-men'teet), v. a. kraukzinnig maDele to (de-liet"), v. a uitwieschen. —terious keu. —tation (-tee'sjun), a. krankzinnigmaking. (del-e-Wri-us), a. vernielend; doodelijk. —tins Demerit (de-mer'it)., s. (het) laakbare, °flyerdienstelijke. —, v. u. Jeta laakbaars doen. (lt'sjan). B. uitwitoching; doorkaling. Demi, (dem'ih) [in samenst.), a.; half. —cannonDell (delft, s. oteengroef; aardewerk. Delibern te (de lib'ur-et), a. —tely. ad . be- lowest, 30ponder. —cannon-ordinary, 32ponder; hoedzaam; vastberaden. (-eat), v. a. over- —cannon of de greatest size, 86ponder. —culverin, wegen; v. n. beraadsiagen (on); besluiteloos halve veldLlang; lOponder. —devil, halve duivel. :Ain. —Jewess, a. bedaehtzaantheid; vastberaden- —ditone, kleine tarts. —god, halfgod. —john, heid; overlegging. —lion (-ee'sjunl, s. overwe- veldflesch. —/ance,lichte lane. —/une,halve mean. ging. beraadslaging. —tire, a. —tively, ad. over- —quaver, een 16e noot. —semi-quaver een leggend; beraadalagend. —tar, a. beraadslager. noot. —rep, vronw van verdachte levenswijze. Dellea cy (del'i-ke-sih), a. lekkerheid; lekkernij; wolfahond. kiesehheid: k eurIgheid; teederheid; netheid. —te, Demise (de-majz'), a. overlijden, vcracheiden; overdracht (bij uitereten wil). —, v. a. vermaa. —tely, ad. (-Vet.), lekker; kieseh; keurig; tee- ken; in erfpacht geven. der; net. —tenets, a. teederheid; tijnheid; lekker- Hernias ton (de-mis'sjun), s. ontslas; afdan. held. Delicious (de-lis'sjus), a. —ly, ad. heerlijk, king. —ive, a. —ive/y, ad. onderdanig, gedwee. Democra cy (de.mok're-sih), a. volksregeering. verrukkelijk. - nets, aangenaambeid; genot. —t (dern'o-kret), a. democraat. —tic, —neat. (del-i-gee'sjun), a. verbinding. a. (dem-o-kret'ik.), demoeratisch. Delight (de-Isjt'), R. vermaak; geneugte; verruk- king. —, v. a, verheugen; bekoren; v. n. beha- Desnol ish (de-mol'isj), v. a. afbreken, goo,-en seheppen, genot vinden t iv) .—ful, a. —fully, pen. —isher, a. afbreker, alooper. —ition (demolls'sjun), a. afbreking, stooping. gPnotvol. —fulness, a. vermake- Itikheid; bekoorlijkheid. —some, a. aangenaam. Demon (di'mun), a. booze geest, duivel. Delinen te (de-lin'i-eet), v. a. sehetseu; ant- Demon lac (de-mo'ni-ek), a. bezetene. —Jac, —iacal (dem-un-naj'ikl), —ian, a. duivelach. werpen. —tion (ee'sjun), s. afmaling, schetsing; —ology (di-mun-ol'ud-zjih), a. leer der booze oehetn. —tor, s. sehetser. Deliaquen cy (de-line'kweu-sih), a. vergrijp. geesten. Demonstr able (de-mon'stribl), a. bovijsbaar, —t, a. rehuldig; a. overtreder. leelf.ques ce (del-i-kwes", v. n. smelten; ver- betoogbear. —ably, ad. klaarblijkelijk. —ate (-street), v. a. bewijzen, betoogen. —atson (demvliegen. —cence 1-kwes'sens),s.smelting.vervlie- un-stree'sjun), a. bewijs, betoog. -stive, a. ging. —cent (-kwea'sent), n, smeltend; vervliegend. —ative/y, ad. (-stre- ay.), aanwljzend; betoogend ; Delicate ,, e-larreetl, v. n. Wen, raaskallen. Delhi oars (de-liei-ne), a. ijlhoofdig. —ousneas, klaarblijkelijk. —ator (oak: dem'un-atree-tur), a. betooger; bewijsvoerder. —atory, a. bewij—um, a. ijIhoofdigheid, cond. Deliteseence (del-i-teet'sens), a. teruggetrok- Demoral isation (de•mor-el-i-zeesjun), a. zekenheid. denbederf. —ize (-mor'el-ajz). v. a. zedelocs Deliver, (de liv'ur), v. a. bevriiden; verlossen;

Moet je belastingen op Crypto winsten betalen

×