I vuuraanbidder. I Fir a (faje), v. a. afvuren; afateken; in branasteken, aanvuren , aanhitsen (with). —, v- n. vuren, losbranden, (at, upon;. --er, s. afvuurder; brandstiehter. —ing, s. brandstof; (het) vuren; — iron, (fajn'), a. —ly, ad. lijn; seherp; ruiner; fielder; school', fraai; iteurig, net; praehtig,1 brandijzer (der boefsmeden). pronkerig; alien. — fingered, net ikunsiig)bewerkt. Firk (lurk), s. slag, klap. —, v. a. elaan, kas.—shaped,schoon gevormd. —spoken,welbespraakt; tijden. s. tijn- Firkin (fur'kin)„ a. kinnetje; vaatje. manzaarn. -spun, slim .erlegd. held; fraaiheid; loce,heid. —, v. a. vezfijnen, :Firm (furm), a. firma. Firma (fares'), a. --ly, ad. vast, heciata standvaszuiveren, lonteren. tie. ; vastberaden. --, v. a. vaststellen; beveatiFiitetiruw Liar.] v, a. uiteren (laken); gen. s. vastheid, heehtheid, standvasmecca. --er, a. lakenstoppe,; mazer. ; tigheid. Finer (fain'url, s. smelter, 'outer., Finery 9,fajn'ur-rth), s.pronkarij, opsebik; smelt- Firmament (fueme-ment), s. uitspar.sel. —at (-rnent'el), a. hemelsch. oven. First (burst'),ti.eerste,voursterroegste.—,adeeerst, Finesse (tfTes'), s. loosheid; list. ten eeetate. at —, aauvankolijk. —begotten, —born, Villager (fing'gur), a. vinger. to hare a' thing at —bousd,, a. cerstgeboren; a. eermtgeborene. --cost, inone's — s'end, tete. op zijn duimpie keowprn,. —cousin, voile neer nicht). —fruits, eteeravarert. man.a! )Utz cane vittol). reedschap.
Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip. 

cryptogeld kya hai


Gab (geb), a. mond; gesnap, —, v. n. aneppen. Gabardine (geb-er-dien."), a. vilten mantel, regenmantel. Gabble (geb'h1), a. gesnap. gewawel. —, v. n. kakelen, wawelen. —r, s. babbelaar, wawelaar. Gabel (gee'b1), a. accUns, impost. Gabion (gee'bi•un), a. rchanskorf. Gable (geetli), a. (spittle) Revel. baby (gee'bih), a. dwaas, malle vent. Gad (ged'), a. staafje steal; metelen punt; graveeratift. —, v. n. straatslijpen, lanterfanten; (about) ronddrentelen. —bee, horzel. —der, a. straatslijper. —ding, a. rondloopend. —dinggossip, rondgaand praatje, Gaff (ger), a. gaffs]; harpoen. —arm, onderste nok der bezaansroe. —fall, gaffelval. —hauliard, piekeeal. —topsail, gaffeltopze;l. Game (gerftl, s. metalen hasespoor. Gag igeg 1, 5. mondprop. —tooth, boventand. —, v. n. den mond atoppen. Gage (geedzji, a. 'oliderpami . PitdAtrin,;; )l)Popc.
Torpent tor'pent, a. Zie Torpid. 'rorpeac oleo (tar-pes'sene), s. verdooving, verstiplog. -eat. a. verdoovend, verstijvend. Torp Id (tor'pid), A. verdoofd, verstijfd; werkelooa, Snow. -idity (tut-pid'it- Oh). -iduess. -itude (-pi-tjoed), -or ( pot), a. verdoovinfr, vernttjfdheid; werkeloosbeid, traaglteld. -orific (-pur-st'llt), a. verdoovend, bedwelrnend. Torrof action (tor-re-tersjun), a. droging, verzenging. -y (tor're-faj), v. a. drogen, ver-

Wat is Wave portemonnee


Paychoinaney (sayko-men-sih) : a. geeatenbe. Pugh (poe), int. poe! bah! Pugll (pjoe'dzji!), a. handjevol. -ism, a. bet vuistswering. veehten. -ist, a. ratistveehter. Ptarnsigan, (tatter:II-gen), a. aneeuwhaen. Pterodactyl (ter-o-dekstil), s. voorwereldlijke Puguaicl oats (pug-nee'sjus), a. etrijdlustig. -ty a. strOdlustigheiti. hagedis of vledermuis. Pulane (pjoe'nih), a. jonger; Klein, Bering. Zftlean (tiz-en ), a. gerstewater. Ptyernagogue (tiz'me-gog), a. twijlverdrij vend , Patialinn ce (pjoe'ia-sent), a. macht. -t, a. -tly, ad. mach'ig, steel. middel. Puke (pjoek), a. Zia Puce. -, a braakmidde,l; )Puberty (pjoe'hur-tih(, a. buwbaaaheid. braakael. - V. n. brakes. Pteltescen ce (pjoe-bes'aens)„ a. huwbaarwor• Pulchritude (purkri-tjoed), a. sehoonheld. ding. -t, a. huwbaarwordend. v. n. pieces; kraunen. -ing, a. Pul e Public (pubnik), a. algemeen, publiel. in -, 't openbaar. -, a. algomeen, epentaar, publish.; gepiep; gekreun. -debt, staatssebuld. - funds, pl. staatspapteren, Pull (poell'), a. ruk, trek; strijd. -back, beletsel. -, v. a. & n. rukiten, trebles; plukken, scheneffeeten. - good, algemeen welzkin. -hearted, minded, -epirited, bezield met tjver voor het Ten; roeien. (down) neerhalen; aloopen, vernedecent afmatten. (of') aftrekken, uttrukken. (en) algemeene weizijn. - house, tapperij, kroeg. - paper', - prints, nleuwabladen - sate, open- aantrekkett. (out) ultrukken; op de reeds Wes. (up) aptreklen; uitrukken; aitraelen. -er, a. bare verkoop, veiling. - scales, pl. stadswaag. plukker, Welker. Public ass (publi-ken), s. herbergier; tollenaar. -ation (-lies'ajun), a. bekendmaking; uitgave , Pullet (poePlit), a. kuiken. -ist (-slat), a. rubliatat.-ity -nen, Pulley (poerlih), a. katrol, take'. -door, deur met eon gewiehi .-piece,kniestuk(aan eats hulas). a. openbaarheid. 1Pribilab (pub'l(e!), v. a. bakend mabaia; nitgeven. Psalluln to (pul'ijoe leet)„ v. n. kiemen, ultlooe. bekendmaker; uitgever. -ment, a. hapen. -tion (-leefsjun), P. kleming. Pullmoutiry (prilfrnun.e-rib), a. vas de longen; welijksafsondiging. long-. - a. longkruid. Peace (pjoes'), a. donherbruin. -ron (-se rots), a. Pulmonle (pul-mon'ilt), a. van de lougen; long-. bladluts. - a. longrniddel; longlijder. -fist, boviat Puck (puk', a, berggeeat. Pulp (pulp'), a. zaehte mem; merg; vleeech (van (aardawam). vruchten). -ing-mill, moles ter ontbolstering Packer (prileur), a. wijd bleed; kreukje, vouw; der kolliaboonen verlegenheid. -, v. a. & n. plooien, krenken. Pudder (pud'dur), a. oceans, getter. v. a. Pulpit (poelfpit), a. spreekgestoelte, kennel. -tkumper,kanselklopper.-ica/(-pit'ikli,a.kansel-. overbluffen, oversebreeuwen; v, n. razes, tieren. Pudding (poed'dieng), a. podding; beuling, vat POP Wig (pulp'ua), -y,a.weekivieezig.-ousness, hoed. clack bIoedworat. white, - leverneuling.! e. vesekheid; vleezi,gbeid. -bag, -cloth, poddingzak. -fish, (snort van) , Polaat e (puleeet), v. n. kloppec, tikken. -ilg braaem. vleeaebpodding. -sleeve, wijda (-e-til), a. geslagen kunnende warden; a. slagmouw. -stone, poddingsteen. -time, etenstip; ; instrument. -ion (-aee'sjun), a. klopping; palsjoist tijdetip. I slag. -or (-seetur), s. klopper, tikker, houtworm. Puddl c (pud'd1), a. modderpoel. -c, v. a. mod-orY (-e'tetr-r/h), a. kloppend, tikkend. derig ;troebel) makes; met madder diehtetoppen; Pula e (pule), a. pole; polsslaKi schommeling; peulvrue ht. --e, v. a. stooteu, druven; v. n. clean, v. n. plassen, marsen. -y, a. modderig. Puddoek (pudfduk)' a. omheining. -ific (-ink), a. den pole opwekkend. a. ion (purtjun), a. voartatooting. Pad ency (pine'denaith), -icity Pulver able (pervur-ibl), a. vergruisbaar. exhaamaehtigheid, eerbaarheid. (-i-zee'sjun`, a. vergruising, fijnataanP',10,1QUICINV (pjoe'fel-lo),3. Zie Pew-fellow. (-ajz), v. a. fijn (tot poeder) wrkiven e (ploe'e-Ti1) a. kinderaebtig. --ity ping. a. Itinderachtighotd I of stoat.. -u!ence (-varfjoe-lens), a. stotSgtold. P nia rye esti (pjne - ur'pe - Tel), a. kranm , van het - a lent ( -ver'jae- lent), a. stoftig. C. a. met reukbream bed. — fever, zogkoorts. Pcalril (pul'vll(, a. reukpoeder.
Iniquit nun (in-ilt'wi-tun). a. onreehtvaardig ; snood. —y, a. ontechtvaardigheid; anoodheid. InItia 1 (in-isrei), a. beginnund, aanvangend. —, a. hoofd-, voorletter. —ate (-1-et), a. beginnend, onbedreven. —ate (.1 eet), v. o. onderwbgen (in); inwijden (into); v. n. beghnen. —lion (-i-ee'sjun), s. inwtjding, eerate onderricht. —tory (-1-e-turrib), a. inleidend; a,. Welding. Inject (in-dzjekt'), v. a. inwerpen; inspuiten; —ion (-dgjek'sjun), a. inwerping; inspuiting. Injoin (in-dzjojn'), v. a. Zie to Enjoin. injudicable (in-dzjoe'di-ktb1), a. niet ontvankelijk (in recbten). Injudici al (in-dgjoe-disfel), a. onreehtsgeldig. —ace, a. —weak, ad. onoordeelkundig, ondoordacht. —ousness, e. onoordeelkundigheid. Injunction (in. dzjunk'sjun), a. bevehvoorsehrift. Injur a (in'dzjoer), v. a. onrecht doen; kwetsen ; benadeelen. —tr, a. benadeeler. —toes, a. — isusly, ad. (.tigjoer'i-us-1., be;eedigend; nodeeligf, (to). —iousness -dzjoer'i-u.-), a. (het) kwetsende, Lren. kende. —y, s. onrecht , hoon; let.), achade. Injustice (in-dzjuetis), s. onrechtvaardigheid. Ink (inglr'), a. inkt. —blot, inktalek. —bottle, inktkruik. —box. —horn, inktkoker. —ease, sehrijfdoos. —fish, inktvisch. —pot, inktpot. —stand, lnktkoker; echrijfkistje. —stone, in.ktsteen. —, v. a. met inkt bemoraen. —int., ts. inktachtigheid; gwartheid. —y, a. inktaehtig. Inkle (ing'kl), s. smal garen lint. Inkling (ink"lieng), A. weak, bedekte kennisgeving; veriangeu, neiging. Inloce (in-lees'), v. a. invatten, afzetten, vereleren. Inland (inlend), a. binnenlandoch. —town, landatad. s. binnenland. —er, s. binnenlander. Iniapidate (in-lepl-deet), v, a. doen vereteenen. !Maw (in-lao'): v. a. in de burgerrechten herstellen. Inlay (in'lee), a. ingelegd week, inlegsel. [inlaid], v. a. inleggen. Inlay Inlet (innet), +I. thong; inham, gee!. unlock (in-lok'), v. a. insluiten.Italy (inlih), a. SI ad. innerlbk, inwendig, geheim. s. inwoner, Inmate (in'rceet), a. inwonend. huisgenoot, kommensaal. Inmost (in'moost), a. binnenst. Inn (in'), 8. herberg, logement. —s of court, kollegien voor de studenten in de rechten. —keeper, herbergier, logementhouder. —, v. a. inbrengen; herbergen; v. n. logeeren. Innate (in-tweet'), a. — /y, ad. aangeboren. —neon, a. aan•eborenheid. Innayigable (in-nevi-gibl), a. onbevaarbsar. Inner (in'nur), a. inwentilg, binnen. —moat, a. binnenst. misery atios; (in-nur-vee'sjun), s. zenuwaterking. —e (-ntrre'), v. a. kracht geven. Inning (inleng), s. (het) binnenhalen van den oogst. —s (-lengz), pl. aangeslijkte ingedvkte grond; voorband in 't cricket-spel). Inseoceu ce (tn'no-wens), —ey, a. onechuld; onachadelijkheid. —t, a. ---try, ad. onschuldig (of); onsehadeljk. —t , a. onn000ele, —tteday, onozel e- kinderendag.
Tomohawk (tom'e-haok), a, indlaansohe strijdTomb (teem'), a graf; graftombe. —stone, Kra'teen. —, v. s. begraven. Tombne (tom'bek), a. tombek, apinabek. Tombless (teemness), a. solider grafetede, onbegraven. Tome (toom), e. boekdeel, dee'. Tomplon (tom'pl•un),s. w in dpre p. Teen (ton), a. ton; lie Tun. —(ton), a. toon, heorachende meek of mode. Tone (toon'), s, loon, blank; stemgeluid,spanning; veerkraaht. —, v. a. gemaakt voordragen; loon (nadruk) geven aan. —d (toond), a. van Loon; well— we iluidend. ng), e. gesphaakje. —s (tongz), pl, tang; Tong (lo e pair of —, Gene tang. Tongue (tung'), a. tong; teal, spraak. —doughty, anoevend. —pad, lengtong. —Eeraper tongsehra' tong Terper. —shaped, tongvormig. —tie, v. a. de lawmen, doen mijgen. lispend; awakeloos. —, v. a. bektjven; van eene tong voorzlen; v. n. praten, snapped; aanalaan (blaffen). —4

AN. -1,4T. landen. —ed, a. ontsch,ept, gelsnil; landerilen Larceny (laar'se-nih), s. diefetal. bezittend; in landerijen beetaand. —ing, a. len- Larch (leaner), a. —tree, lorkenhoom. ding; boating; landingepleate; rust laata op een Lard (laard'), s. Rpek, va r k, euze i . v. R. trap. —ing-place landingaplaats. —lean, a. zonder vet maken; doerepekken; v. n. vet warden. —accous (ler-dee'sjus), a. spekachtig. —er, a. land. — SenPe (..keep),s.laud.chap. — Ward( - wurd), - provisie-kamer.—erer,e.apkjameeeter; -meesteres. ad. landwaarts. —ing, a. (het) doorspekken; —pin, lardeerpriem. Lane (leen ► , a. lean; steep; doorloop. —on (-un), a. Teeple lardeerspek. Lang'. age (len'greedzii, —el (-grill, a. ketting- Large (laardtf), a. groot, breed; uitgestrekt, kogel; schot met schroot, Language (leug'gwidsj), a. tool, spreak, stgl. ruin; mild. —hand, gray; schrift. at — breedvoerig; vrij. —ly, ad. ruimsehoots; in (t breede. -master, taalmeester. —d, a. vele talen aprekend; —sees, a. grootte, ruimte, wijdte; liespraakt. Larg eta (laar'clsjees), a. gift, gesehenk; mildLanguet (leng'git), a.. tongetje. Languid (leng'gwid), a. —1y, ad. mat, loom, held. —ition (ler-dzjiefun), a. sehenking. kwijnend. —nen, a. matheid,loomheld,rwakheid. Lark (laark'), a. leeuwerik. —spur, ridderspoor.. Languish (leng'orard8.1), a. kwijning, smachtin .g. —er, a. leeuwerikenvanger. —any, s. leeuwertkenvangat. —, v. n. kwijnen, smachten (for). ---er,'. kw,j- raipaebro'rmdi lek. ),.. uitstek (van eene kroonner, smaehter. —ing, a. kwijnend, smaehtend. liAruirmiedni kwijning, smachting. —ment, Languor (leng'gwur), s. kwijning; loomheid, Lacuna (la'rum, ler'nm), e. alarm; wekker. Larva (laarive), a. leirve, pop (van eon insect). matheid. —red (veer-id), a. gemaakerd. Laniard (len'jurd), e. Zie Lanyard. Lanlate (lee'nt-eet), v. a. scheuren,verscheuren. Larynx (ler'inks), s. strottenhoofd. 1Lant (crone lie-nirur-us), —germ. (-nid'tjur-us), Lascivious (leu-sivq-us), a. —ly, ad. wulpsch„ wellustig; uitgelaten. —sees, a. wulpsehheid, a. woldragend, won't?. geitheid; dartelheid. Lank (lengki, a. slap, sluik; tenger, sehrael, 'ank; mat. —, v. n. slap warden; eliaken, nor- Lash (les)), s. sweep; sweep-, riemslag; steek, mageren, afvallen. —ish, —y, a. slap, dun, schraal. scherpe set. —, v. a. zweepen, geeaelen; heke-1y, ad. slap, mat, nigger. —nevi, a. slapheid; ben, vastajorren; v. n. de sweep sweeten; (oat dunheid; eehraalheid. into) zich Overgeven aan. —cr. s. geeeelaar; touw. —ing, a. sjorring, sjortouw. Canner flen'nur), e. oteenvalk. deers. —lore, a. door zijne Lanaquenet (len'ske-net), s. lansknecht; lane14 best: n(ldaes s 'v )er laa. tme quenet (seker kaartepel). Lantern (len'turn), a, lantaren; vuurbank. dark —, Lameitude (leeol-tjoed), e. vermoeidhetd. dievenlantaren.ma le —,tooverlantaren. —bearer, Last (laaat'), a. & ad. laatst, vorig; jongetleden. lentarendrager. —b races, lantarentisera. —crank, — night, giateren avond. at —, ten 'twat°, eindelijk. a. lewd; last. — , r. n. dureu. — age, ijzeren lantarenarm. —fly,lantarendrager (insect). banden om de achterlantaren, —jawed, s. laatgeld; ballast. —ing, a. —ingly, ad. duursewn. —ingness, a. duerzaamheld. —1y. a4. ten mager van gezicht. —wheel, drijfrad. lactate. 1Lanuginous Ile - njoe'dsji - nusl, a. wollig. Lanyard (len'Jurd), s. taliereep. — of the hoop, Latch (iota)'), a. klink. —, v. a. op de blink staarttouw op de ankerboei. — of the guisport, doen; vangen. —et 140,, e. sehoenriem. —ings (.1engt)„ pl. rijglenvers. —key, s. looter, degpoorttaliesehenkel. sieutel. Lap (lap'), a. sehoot; lapje, lelletje. —dog, schoot- bond. —eared, met hangooren. —ful, achootvol. Late Ileet"), a. last; onlangs gebeurd; laatat, ad. last. of—, —side, alagzijde. —stone, klopsteen.—wing, Mena. voormelig, gewezen; —work, vlechtwerk. —, v. a. in-, oinwikkelen, onlangs. —ly, ad. kortelings, onlangs. —seas, a. laatheid. overapreiden; likken; v. n. overhangen, liggen; Lateen (le-tien'), a. —sail, lattinteil. slabben. Lapel (la-gel'), s. opslag, overelag. Laten cy (lee'ten-sih), a. verborgenheid. — t, a. Lnpid ary (lep'i-de-rih), a. in steen gegrift; s. verborgen, verhoien. steensntjder; juwelier.—ation (-dee'sjun), s. stee- Lateral (let'ur.el), a. —ly, ad. sijdelinreli; ziiniging. —eous (le-pid'i-rte), a. eteenaehtig. delings• —escence (-des'sens), a. varsteening. —eecent Lath !loath'), a. lat. —work, latwerk• —, v. a. met fatten voorzien. (-des'eent), —ifie (dif'ikl, a. versteenend, eteen- vormend. —(fication (le-pid-if-iikee'sjun), a. steen- Lathe (leeth), a. draaibank. vorming. —ify (le-pid'i-faj), v. a. & n. veretee- Lather (leth'ur), s. zeepsop. —, v. a. inzeepen; v. n. sehuimen. a. juwelier. nen. --tot, Lap per (lep'pur), a. inwikkelner; lepperjslab- Lathy (laatleih), a. elank. s. Latijn. Latin (let'in), a. latijnech. bar. —pet (-pit), a. slip, tip, pand. Lapse (lepe'), s. val, voortglijdieg; misslag; ver- a, latOnsche spreekwijse. —1st, e. latinist. —its/ overgang. — of time, tijdaverloop. —, v. (le-tin'it•tih), a. euiverheld van latijnschen atijl. —ize (-amt). v. a. can latijnsehen vorm geven; n. voortglijden; een' miselag begsan; vervallen. v. n. latkineehe spreekwkizen gebrniken. Car (laar), a. huisgod; meerv. Laren. Larboard (laar'boord), a. bakboord. —trek, bak- Latish (leet'isj), a. eenigszins last. Latitant (let'i-tent), R. verborgen. bor,dshals. —watch, bekboordewaeht.
Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17
sjeni.), a. schil, dop; leiaarda. Shalt 'glair) [shuidd NO2d.], V. n. zullen; moe- Shave (sjeevi [shaved, shaven.], v. a, eatteren; achanen; dun enijden; nitmergelen. —grass, ten, behooren. schaafstroo. —ling„ a. geschorene; monntk. —r, Shall000 (ajelloen 1 ), a. soot. (-lot'), P.SP110t.. „ a. scheerder; uitzufger; hedneger. slue!). Shall op (sjel-lup), Shallow (sjel'lnl, s. °neap; oppervlakkig, zip- Shaving (ejee'vteng), a. het seheren. — basin,
125 GRA.—G.RE. Gratis (grek,'ti9, ad. am niet, gratis. Gratitude (gret'i-tjeed), a. dankbaerheid. Gratuit ous ();re-tjoe'i-tuto, a. --eles/Y,ad. geschonken; ongegrond. —y, s. lige gift. Gratvila to (grerjoe•leet), v. a. geltskyrenschen. —tion (-lee'sjun), a. gelukwensching. —tory (-lctur.rih), a. gelukwenschend. Grave (greev'), n. graf. —clothes. doodskleederen. —digger, doodgraver. —stone, grafsteen. —yard, begraatplaats. —less. a. onbegraven. —, v. a. begraven, graveeren; kalefateren; v. a. graveeren. —r, a. grave.; graveerstift. ad. ernstig; deftig; stemGrave (greev'), a. mig; swear (van t oon), donkey (van kleur). —teas, a. ernstigheid; deftigheld, stemmigheid. Gravel (grev'il), a. gent zand, grint; graveel. —pit, gandpit. —walk, grintpad. —, v. a. sect kiezelzand hestroolen; verlegen maken. —ly, a. zandig, grintig. Gravid (grev'id), a. zwanger. —ity (gre-vid'it-Ch), a. z wangerheid. Gravimeter (re-viml-turl, e. zwaartemeter. Graving (greev'teng), s. snnwerk;indruk. —dock, droop dok, havendok• —tool, graveerstift. GravIt ate (grey% tart), v. n. zwaarte hebben ; near het middelpunt (van zvraartekracht) hellen. —alion (-tee'sjun). a. zwaaste, zwaartekracht. Gravity (grevit-tih), a. zwaarte, zwaartekraeht; ernstigheid; gewichtigheid.. specific —, soortelnk g ewicht. Gravy (gree'v1h). s. vleeschnat; jus. Gray (gree') s, grijs; grijs tiler (paard; das; a. grip, grauw. veal. —beard, grnattard. —brock, des. —eyed, met graze oogen. —fly, brews. —friar, kapucljner. —ilk, a. grauwachfig. —ling, a. amber (soort van zalos). a. grauwheid. Graze (greet'), v. a. welders, doen grazen; afweiden; strijkelings Taken; v, n. grazen; grasgeven; strijkelings raken. —r, a. grasetend then Grazier (gree'ejur), a. vetweider. Grease (griefs). a. smear, vet; mock. Groan e (griez"),,v. a. merest; omkoopen. —iness, , —y, a. vet, smeriga. omerigheid. —sty groot; gros. by the — in bet Great (greet';, groot, bij massa. — a. groet; aannenliji; swan grout, ger. drachtig, (with); vertrouwelnk, vriendschappelnk, (with), a — deal, veel. —born, van goede afkomet. —coat, °aerials. —grandfather, overgrootvader.—grandaon,achterkjeinzoon.—heerted„ hooghartig; onversehroliken. —horse, mandgepear& —seal, grootsegel. —ly, ad. grootelijks. —nese, a. grootheid, aanzieu. Greaten (greet'n), v. a. vergrooten; v. in grooter warden. Greaves (grlevz), s. beenschenen; drab van ge• smolten talk. Gee clan (gri'Oen), a. grieltse.h; a. Griek. —cism (-sizm), s. griekseh taaleigen. —cize (-salt), v. a. in het Griedkech vertalen; v. n. Griekech spreken. G ree (grie), s. welwiliendheld; gunst; trap, trede. Greed iness (gried'i•ness), a. gretigheId; guta, gretig, gni*. — gift, -ily, ad, s. slok-op.
Amability (em-e-bil'it.tih), a. lieftalligheid. Amadou (em'e-doe), a. zwam. Antaiganta te (e-mellge-meet), v. a. vermengen. —lion (-mee'sjunl, a. vermenging. Amanuensis (e-men-joe-en'sia), a. afschrijver. Amaranth (enee-renth), a, duizendechoon. —ins (-ren'thin), a. amarantben; onverwelkelitjk. Amass (e-maas') V. a. ophoopen. Amatory (em'eAur.rin), a. de liefde betreffend. —potion, minnedrank. Anna. a (e•meez'), v. a. verbazen. —ement, a. verbazing. —ing, a. —injiy, ad, verbazend; § ontzettend. Antezon (em'e-zon), a. amazon.. Ambages (em-bee'dzjiz), a. wijdloopigheid. Ambass ador (em-bea'ae-dur), a. gezant, —y lem'bes-aihl, a. gezantschap. Amber iem"bur), a. amber; a. van amber. yellow—, barnsteen. —prig, ambergrija. Ambidez ter (em-bi-deks'tur), a. iemand, die rechts en links te gelijk is; dubbelhartig mensch. —trous, a. rechts en links zijnde; dubbelhartig. Ambient (em'bi-ent), a. omring-end. Ambiguity (em-bi-gjoe'it-tih), s. dubbelzinnighetd. Ambiguous (em-big'joe us), a. —ly, ad. dubbelzinnig. —nees, a. dubbelzinnigheid. Ambit (emlbit), 8. omtrek. Anabiti on (eitt-bis'ajun), a. eerzucht; I, haat, wrok. § —on, v, a. jagen naar sets. —ous, a. (of), — ouslv, ad. eerzuchtig. Anibi a (em'b1), s. telgang. —e, v. n, den telgang giian. —er, s. telganger. —ingly, ad. in den telgang. Ambrosi a (em-bro'zji-e), a. 'ambrozijn. —al, —an, a. van ambrozijn; kostelijk. Ambry (ein'brih), a. provisiekast. Ambs ace (eenaz'ees), o, dubbel aft.. Ambui ante (ein'bjoe-lens), a. draagbaar hospitaal. —ant, a. rondtrekkend. —ation (-lee'sjun), a. rondtrekking; wandeling. —atory a. wandeleed. Ambuscade (em-bus-keed'),Ambusitlem'boesil, s. hinderlaag. —, v. a. in hinderlaag stellen v. n. iii hinderlaag ligeen. Amber at Ion ( em-bue'tjun), s.branding, schroeiing. Antellorat a (e-miello-reet), v. a. verbeteren. —ion (-ree'sjun), a. verbetering. Atnen tee'men), ad. amen; zoo zij het. Amenability (e-mi-ne-bil'it-tili), a. aartsprakelijkbeid; gezeggeitikheid. A litts'irsable (e-naPnibi), a. aanaprakelijk; gezeggelijk. —neon, u. Zie Amenability. Amend (e-mend'), v. a. verbeteren; v. n. beter worden. —able, a. verbeterkjk. —er, a. verbeterear. —went, a. verbetering; wijziging. —8, a. vergoeding. Amenity (e.men'it-tiix), a. bekoorltjkheid. Amerce (e-mars'), v. a. beboeten. —ascot, s.boete. —r, a. beboeter. ,%.tneihyst (ern'e-:hint), a. amethist. —ins (em-ethistlin), a. amethistkieurig. Amiability (ee-mi-e-bil'it-tih), a. beminnelijkheid.

Hoeveel waren Bitcoins in 2009


Ban (ba), a. geblaat. —, v. n. blaten. Babble (beb'b1), v. a. & n. snappen, babbelen; a. gebabbel. —r, a. babbelaar. murmelen. Ilab e (beeb'), a. kindje. —cry (-be-rih), s. speelgoed. —ish (-bial.), a. kinderachtig. Baboon (be-boen'), a. haviaan. Baby ( bee'bih), s. zuigeling; popje. —hood, (hoed), a. kindschheid. (-ish) kinderachtig. liac (bell), a. veerpont; koelbak. Bacchanal Ian ( be ir-ke-nee'li- en), a. dronkaard; a. zwe)gend. —a bek'ke-nelz), a. zwelgpartijen. llacciferous (bek-sirur-us)., a. bessendragend. Bachelor (betsre-luri, a. jongman; kandidaat. —ship; a. oagehuwde staat. Back (bek), a. rug; aehterboede. —, v. a. bestijgen; op den rug nemen; terugschuiven; orderateunen; viseeren; katten. —, ad. terug, achterwaart8. § and forth, voor- en achterwaarts. —bite, laateren. —biter, lasteraar. —bone, ruggegraat. —door, achterdeur. —friend, iscbijnvriend. —gammon, triktrak. —ground, achtergrond. —house, achterhuis. —part, achtergedeelte. —cozies, achterkamer. —side, achterzijde. —slider, afvallige. —stairs, geheime trap. —stays, pardoens. —sword, slagzwaard. —toota, boekbindersstempel. — yard, achterplaate. Backward (bek'wurd), a. —ly, ad. achterlijk, traag. —ness, s. achterlijkheid. Backward (bek'wurd), Backwards (-wardz), ad. achterwaarts, terug. Backwoods-man (bek'woedz-men), s. boschbewoner in het westen van .A.merika. liSemoin (bee'knl, a. arch. Had ibed), a. eleeht; zeer ziek. —1y, ad. kwalijk, alecht. —nest, a. slechtheid.
—gevaar, desger of war ; —gevangene, prisoner Krippeiltle„ o. little, bit, crumb. of war ; —geweld, force of acme ; —god, god of Krippen, tiv. crepe, war, Mars ; —godin, goddess of war, liellona ; K nts,a.creene. —handet, militaryy art, profession of arms; —heir, Kristina, en. w. to crackle. army, hoot. —h eld, hero, warrior; —heldin, Kriolal, o. cryetat. in — schieten, to crystallize. heroine ; —koofd, —overate, general, military —forming, crystallization. —len, —lig, by cryotal, chief, —leans, chance of war ; —has, military crystalline. o. crystal. — Warn., by, crystal, cheat; —knecht, soldier; —hasten, expenses of crystalline. war; —kunde, military science, tactics; —kundig, Kratlek, be. critical, hazardous. military; —kunst, military art. otrategy; —fasten, 14.roeht, v. crypt; hillock, hill. charges of war, contribution ; —lied, —rang, Krodde, v. weed among oat,, cockle. Watery (wariike) song; —/ieden, soldiere, war- Kroeg, v. tavern, public honer, epuneiog-horise. —hauder, --wooed, ele•houee-keeper, publican. riors; —list, stratagem ; —markt, army, forces ; —looper, —taieg, frequenter of taverns. —en, on. —makker, feliuwesoidier, companion in woe; w. to frequent taverns; to have a treat. -man, soldier, warrior; —munseer, military honor; —mansatand, soldiership, (soldiery ; military Kroep, v. croup. state. —osusieh, military music: —oefening, mili- Krone, m. cup, pot; crucible. tary exorcise; —orde, —nicht, military diecipline; Ks - oes, by. crisp, frizzled, ►raped, woolly ; peevlsh, ill-humored. —hop, woolly-haired heed, — —ordening, military institutions, — law, — rules; person. —plicht, military duty; —plichtig, hourri to nerve, subject to trint'ary service ; —pltchlige, Hemmen, by. w. to crisp, to frizzle, to curl. conscript; —plichtigheid, obligation to military Krok, v. vetch. service; —read, council of wit•, court-martial , Krokodll, in. crocodile. —lentraven, crocodile 's ,:ears, feigned tears. —reek, —wet, martial law; —rocm, military fame, — glory ; —tccht, military expedition ; Krokum, rn. —toerusting, warlike preparation ; —loosed, seat Fivole ce cot, hovel, hut. (theatre) of war; —verrichting, military operation; Kraal inn, on. w. to caterwaul. --ziek, ale Kroger!, achievement, —voile, soldier soldiery; military; bv. with small roams (partitions). —teem, military concerns, — system ; —sword, watch-word ; military term ; —seek, matter of Kroloch, by. ruttish, proud, in heat, lustful. —hem, v. rut, ruttishness, lustfulness w ar. —en, on. w. to war, to make war. Kr (jenn, °v, w. to get, to receive, to obtain ; Krone, by. bent, curved, crooked, wry. —been, crook-shanks. --beenig, bendy-;egged. —boclatig, to reach, to catch. het to kwaad —, to be 'worsted. ein sons, tortroue anfractueue. —gerineerd, with Krijiger, m. warrior. crooked fingers, light-lingered. —hats, w) y-necked Kreigereje, o. - apelen,to play at prison-bars. pereos; retort. --loam, —toren. comet, bugleKreigelbinfellg, be. & bw. warlike, martial (-1y), horn.. —pout, compass. timber, knee; camber. courageous t-ly), valiant (-1y). —heid, a. warlie ahouwer, ecirnitsr; falchion. —/ianig, curvilinear. nese, courage, prowess. —ernes, garden-knife. —neus, person with a crookKrildisets, in. shriek, ',cream, —en, on. w. to shriek, ed nose. —neazig, crook -nwed, —rug., crook-beck; to scream. o. chalk ; crayon ; circus. in het — staan, crook-barked person. —steam, a coin ; --abler, small boar. —etaf,, crook ; crueler. —ateven, to owe. —aurde, cretarteous earth. —berg, chalkcrooked prow. —Mal, gibberish, broken language, hill. —gebergte, cretaceous rocks, —teeltening, —telex. to gibberish. —tang, stammerer. crayon-drawing. --achtig, by, cha I try, cretaceous. to stammer, to speak thick. — tonyig, otarnmerKrigt en, or. & on. w. to cry, to weep. —er, in. log. —roet, club-footed person. —weg, tortuous crier, weeper. —ertje, o. kit. road. achtig, by. somewhat crooked. —heid, v. Krik, tow. crack! crookedness. —men, ov, w. to bow, to bend, to Krikkerntk, v. crab. curse, to crook; rich t. w. to bend, to wind; KrIkkrakken, on w. to crackle. to writhe; to cringe. —veer, m. knee. -.fining, a, Krinip, v. want, scarcity, penury. by. fresh, bending, incervation; sic Krorote. —te, v. live. —en, ov w. to shrink, to make shrink; on. crook, dness, cut vity, sinuosity. beat; horn, w. to shrink, to lessen; to fall (ran den wind) meander. —hose, chilly person. —aeheteieek, fresh whiting. —Hach, fresh fish. —satin, fresh salmon. —erd, m. Kronen, ov. w. to crown. chilly person, shrinker. by. chilly. —ing, Kr.nwngond, o. gold of eighteen citrate. eehr(iver, chronicler, v. shrinking, contraction, gripes. —ster, v. chilly ii.vonlek, v. ch,onlcle. annelist. woman. coronation-dey. Kring, rn. circle, ring; halo; cycle, orb. sphere. Kronleg, Q. coronation. —s; east, coronation-feast. —aplachtigheid, coro—en ender de cogen, wrinkles under the eyes, TIR11011. Crow 's-feet. —normeg, circular. ---treijze, by. & Krankel, rn, rumple, wrinkle; coil; twisting (of bw. circular (-ly), orbicular ( toe guts). --acetig, bv• rumpled wrinkled. —en, Krinkel, tn. curve, eur,ature, bend, wrinkle, ov. & on. w. to rumple, to wrinkle; sick —, t. sinuosity. —en, on. w. tei wind, to curl, to w. to wrinkle, to wind, to bend, to turn, to wrinkle. —kg, a. winding, curling. wrinkling. g ',Leander, —board. rumpled cord --pad, windin KrIoellen, on w. to swarm, to be full of. path, inane. —ig, by. rumpled. wrinkled, elnuous, o. crape.

Kunt u een hoop geld mijnbouw Bitcoins te maken


West (wart'), a. & a.:. west, westelijk. oy north, Whence (wens), ad. vanwaar, 'wattrult. —soever west ten noorden. — by south, west ten maiden. (-se-ev'ur), ad. vanwaar ook. ergene. - a. (bet) Wastes, —grange (-ur-teng), a. west- Where (weer'), ad. waRr, alwaar. any waorte loopend.—erty, a. & ad, wastwaart. —ern every —, overal. —about, —about. (-e.bautz), ad (-urn), a. weeteiijk; weaterseh. —ward, —w4rdly, waarorntrent; waarever; e. verblijrgivta. —at I-wurd•), ad. weetwaarta. (-ez'), ad. rsaardien; tervrtl; dear tech. —at Wet (wet"), a nat, vochttg; regenachtig. —through, (-et), ad. waarop; waarover. —by (-ban, ad. door en door nat. — nurse, mitt. —shod, met waardoor. —fore, ad. wearom, weshalve. —in natte voeten. --, a. oat, vocht; vochttg weer. (-in'), —into (.in-toe'), ad. waarin. —of (-of'), ad. waarvau. —on e-on'), —upon {-up-on'). ad. waarop. —, v. a. nat makes, bevoehtigen. —ness, a. nat. —carver (-so-ev'ur), —o'er (-ev'ur), ad. waar ook. held, voehtigheld. —fish, a. aattig, vochtig. —to (•toe'). —unto (-nn-toe'), ad. waartoe. Vt, ether (weth'ur), s. hamed . —with (-with"), withal (-with aol'), ad. wearWhack (wek'(, a. & v. a. Zte Whop. weds. Whale (weer), a. walvisch. —bone, betels. walvischvaaidar, Wherrut (weerit), a. oorveeg. —, v. a. acne wp.lviachbeard. —fisher. —man, oorveeg geven; lasttg vallen, hinderen. —fishery, walviechvanget. —r,s. walvischvaarder. Wherry (weerth), a. veerachultje. —man, veerWhatne (warm), s paardenv lieg, breme. 'A hap (wopl, s. slag. amok. —, v. a. & n. clam; coon. —, v. a. overzetten, overvaren. neeremakken; (over) om,:aan. —per, a. bona boas, Whet (wet"), t. (het) eeherpen, prtkkel; b.srreltje. —atone. alijp , wetateen. —, a. a & n. elijpen, lets seer groots; leugeu, Wharf (waorr). a• werf, keel, laudinge pleat, wetten; aanzetten; opwakken, verbitteren. v. a. torn wet brengen, 'Whether (wetleur), pr. wie (walk) van beide. —porter, iteatwerkm .... or .... of .... or .... —, ad. of, hetzij. loosen. —age, H. kaafgeld. —finger (in-azjur), a. Wheite, (wet'tur), a. wetter, slljper. kaaiweenter. What (wot), pr. wet, dot; walk; heteeen; hoe- Whey (wee'), a. hal, wei. —ey (-th), —isk, a. veal. — day, op walkers dog; toes. — time, op weiachttg. welken tijd; ten tijde dot. — for, waarom, waar- Which (witsj), pr. walks, walk, wie, watt die, weten to onde, dot, hetwelk. to ksaw — is toe. — of that, woe kornt dot er op aArk? echelden; weten wie of wat. —ever (-rear), ad, (with) deels door. — though, ofechoon. —soever (-eo ev'ur), pr. welke (wie, wat) ook. int. wat ! hoe! — ho, helda! —ever Whiff (wif'), a. hall, trek; geniis, geanor. —, —soever (-so ev'ur), pr. wat oak. v. a. uttbiazer; v. n. blazen; suizen, enorren. Wheat (wiel 1. R. blear, win; puiatje. Whiffle (wit'fl), v. a. & n. blazes, snuivea; Wheat (wiet), a tarwe.bearded turksehe tarwe, mein.—flaer„ tsrwemeel. —grave flatten; been en wear fiadderen; onbestendtg tarwe. zijn; beuzelen. —tree, mange!, —r, e. blazer; kweekgrae. —plwn, witte pruint. sheaf, flatter; voorlooper; benzelaar. school. —en. (wieen), a. tarwen. van torwe. (wie'd3), v. a. & n. flikflooten, be- 'Whig (wig'), a. zure wet; Whig. —gery (-gun—gum (-glom), a. beginselen der NV hi gs. praten. —r, a. flikflooier,baprater. —gash, a. W hig-, van de W hi g-partij. Wheat (oriel'), R. oriel; rad; spiranawiel; scbijf; wages; otriraaling. to break upon the —, rad- W bile (waji), s. wiji, pose, tijd. a good —, eelie broken. —barrow, krutwagen. —boat, raderboot. gerutme poem, in tee mean —, intddelerwul. —cap, naatkap. —carriage, voortuig op wielen. it is not worth —, het is de moalts HIM wanted. v. a, rekken; (away) al then tijd. —drag, remsehoen, rem. —fire. radvuur. —hoop, all this naatband -ring. —horse, Morel pear& —lathe, verbeuzelen; v. n. toeven,talmen. —, ad. terwjjl. radsuoer. --lock, lune van can wiel, —nave. wiel- Whilom (warlum), ad. voorheen, areleer. near. —rope. atuurreep. —shaped, radvormig. Whilst (wajlat), ad. Zie While. —sheave, achijf ;n eon blok. —stone, sitipract, Whim (wira'), a. gril, oak; lokeend; winds.. -steep. —window, rood venater tale ten wiel). —gin, psardenkaapetander. —wham (-went), N. nesterij; klueht. —, v. n. gnillea (nukken) hebben. —work. raderwerk. —weight, wagenmaker. v. a. & n. kruien; rotten, voortrollen; sin-, —per, v. grammes, kreunen, klagen. —sey (-zih), ronddraolen; atwiseelen; zwenken. —ed (wield), a. grit, nuk. wagenmaker; Whimsical (wim'elk1), a. —ly, ad. grillig. —ity a. met .... wielen. er, a. ronddraater; disaelpaerd. --lag, R. vervoer per (-zi-kel'it-tih), —ness, a. grillighetd. as; ronddraating; het rollen; zwenking. —y, a. Whin (Wile), R. brem, priemkruid. —chat, bruinkeeltje.—etone,bazaltsteen; randstean. wielvormig. Whine (wajni, 3• geteem, gekail, gejank. Wheeze (mice, v.. anuivetr, hYge.- "WheP,k (walk'), s. blear, yin; putatje; trompet- v. n. temen, met eene huilende stem apreken. whelp, kinkhoren. —y, a. knobbellea puistig; —r, a. temer, huller, jauker. Whim my (win'nile), a. vol brem of priemkruid. uttpullend, met aerhevenheden. Whelm (webs), a. a. indompeiet; overdekken; —ny, v. n. hinniken. —yard (lard), a. zwaard, xiternem, wornisteker. begraven. Whelp (welp')„ a. wep,jong;jongehond; klamp; Whip (wip'), a. zweep, karwats, geesel; postiln jongen.— iny, a. schelmsch, Jon; staggareaat, klapleoper. -- and Spur, spoorguit, Bengal. slags. —breech, slag op het schterete. —cord, guitig; lichtvaardig. When (wen), ad. wanneer; toes; ale. —ever ( • ev'ur), — lash, zweeptouw. —graft, v. a. —gratilsag, s. zuigen (wljse van enter ).—hand,voorhands—horse, —toner (40.eVar), ad. wanneer ook.
Ma iul II Ion (men-dint:1), s. kapotjas. Mandolin (men'do-fin), a. mandoline Mandr agora (men-dre'go-re), --ake (mert , ,treeh 8. alruin. Mainterel(men'dril), a. spil eener draaibank. Manduca hie (men'djoe-kibl), a. kauwhaar. 1-beet), v. a. kauwen, eten. —lion (•kee'vjurt), v. kauwing. none (meen'), a. maan. —comb,manekam —sheet, vliegennet. —d, a. met manen. Manes (mee'niez), pl. schim. Manful (men'foel), a. —I)', ad. manhaft!g, block. —nest., a. manhaftigheid, kloekheid. Manganese (..meng'ge-niesi, s. bruinsteen. Mangeorn (meng'korn),e. mankzaad, mengkoren. Mang a (ineendir), a. schurft. --er, s kribbe, trog; piabak. —bless, s. schurftigheid. Mangle (meng'gl), a. mange!. rolpers. v. a. mongelert; acheuren; fijnhakken; ha•enen, varminken. —r, a. mangelaar. Mango (meng'go), a. mango. Mangonize (meng'gun-ajz), v. 8. opfiikken (lets suds). Mangrove (meng'groov, a. amandel., wortelboom. —grape, zeedrulf. -- snapper, lipvisch. Mangy (meenidzjih), a. schurftig. Manhood (men'hoed), a. menschheid, mannelOkheld; manhaftigheid. Mania (rnee'ni- e), a. waanzin. —e (-ek , , s. waan,innige. —c (-ek), —cal (me-narikl), a. waanzinnig. razend, Manich can (metr-i-ki'en), a. manicheesch. —eon, —cc (-ki'), a. Manicheer. Manieon(men't-kun), a. boschnachtschade. Manifest (m en'i- feat), a. —ly, ad. openbaar, klatir. v. a. openbaren, —, a. manifest, vrachtbrief. aan den dag leggen. —ation (-tee'sjun), a. openbaarms king. —nest, a. openbaarheid. —a (-feteto), a. bekendrnaking, manifest. Manifold (men'i-foola), a. —ly, s.d. menigvuldig. (me-niPjunz), p1. handvatsels (aan een kanon). mannetje. Manikin Manioc (mee'ni-ok), a. cassava-wortel. Mani pie (men'ipl),a. bandvolt manipel. —pulate (me-nip'joe-leet), v. a. met he handers bewerken. —pulation (me nip-joe-lee'sjun),.. bewerkingmet he hand, behandeling. Mankind (men-lcajnd'), a. menschdom. Man less (men'leaa), a. onhemand. —like (-DO), a. mannelijk. —liness (-1i-nes0, a. mannelijkh. d i manhaftigheid. —ly, a. & ad. mannelijk. Manna (men'ne), a. manna. Manner (men'nur), a. manier, wijze, gew ()mite. in a —, in fekeren nra, eeuigermate. —ed, a. gemanierd. —ism, a. gehechtheld aan tine mauler. a. gekunsteld achilder. —finest(-Ii-nets), a. welgeanierdheid. —ly, a. & ad. welgemanierd. —s (-ours), pl. zeden, gowoonten. Mannish (men'nisj), a mannelijk, kloek. Manoeuvre (me-njoe'vur), s• kriirslist; kunstgreep; be•eging. —, v. n. manceuvreeren, bevvegingen makes. M1111101. (nrien'ur), s. heerlijkheid,landgoed. —house, —seat, heerenhnis. lanagoed. —ial (one-no'ri••el), a . van eene heerlijkheid of een landgoed.
ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111. 

405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114
Geen inmenging in het interne beheer en de klantenrelatie : Veel bedrijfsleiders willen hun klantenrekening veiligstellen en tegelijk de controle behouden over hun commerciële beheer en hun risico van niet-betaling autonoom blijven beheren, zoals ze dat gewoon zijn: zonder extern opgelegde kredietlimieten en zonder externe inmenging in hun relatie met de klanten. tc-re.com
Phoenix (fl'rithe), toy. Phenix. Phrigan (fria'aji-e), g. Phrygte, a. Phrijgiach; 1. Phrygler. Plcnsrdly (pileer.dih), g. Picardie. Piedmont (pied'munt), g. Piemont. —ese (-iez), 1. Premontces. Pilate (paj'let), in. hiatus. Pindar (pin'dur), m. Pindarus. Plantagenet (lien-ted'sje-nit), or. Piantagenat. Plato (plee'ta). m. Plato. Plelad es (plie'e-diez), —a (pli'edz), my. the —, de Pleiades. Pliny (plin'th). Plutarch (pljoetaark), m. Plutarchus. Plymouth (plim'uth), g. Plymouth. Poland (pn'lenclt. g. Poles, —er, 1. Foal, Polak. Pol e (pool), 1. Pool, Polak. —ish, a. Poolsch. Poll (poll?), —y, f. sour Mary; Mietle, Mie. Poly bins (po lib'i-us), tn. Polybius. —carp (pol'i-kaaro), m. Polycarpos. --hymnia (1.1 g. P olymy. Polyhymnia. —nesia nettle. Punreraaafe (oom-e-ree'nl-e), g. Pommeren. —n, a. Pommersch: 1. Pommer. Pomona (po-mo'ne), my. Pomona. Pomp ell (pum•pi'l-aj), g. Pompey m. Pompejua. Pontefract (porefret), g. Pontefract. Pope (poop), ra. Popo. Pontamemomath (poortemuth), g. Portsmouth. Portug al (poortioe-gel) g. Portugal. —um, (-IOW, a. Portugeesch; 1. Portugece, (de; Portugeezen. Potomac (po-to'mek), g. Potomtio. Prague (PraeK), K. Prang. Praxiteiea. Praxiteles (peeks-it'il-lez), Presect (pree'kut), m. Prescot. Peg area (prayera), m. Primus. —or (or), tn. Prior. Prometheus (prom-PtTes), my. Prometheus. Proserpine (pros'nr-pa a), my. Proserpius. Puoteus (pro'tjoes), m. roteue. Pruasia (prusri-e). g. Praisen. —n, a. Pruisisch. 1. Pruitt. Psyche (sarki), Psyche. Ptolemy (tors-mib), no. Ptolemeus. Puglia (pjoella), Pusey (pjoe'zih), in. Piracy. Pylades (pll'e diet), n.. Pilades. Pyren elan (pir-e-nl'en). a. Pyreneesch. —Ho (piee-niez), g. the —, de Pyrenees'. Pythagoras (pi-theg'ur-ea), m. Pythagoras. Pythia (pith'i-e), my. Pythia. Python (parthun), my. Python.

Wat beinvloedt cryptogeld prijs


ter, -sehutter, archer, bow-man. -sckot, bowBoll en, or. w. to fell; to haul, to hale; on. w. shot. -gelling,. arcade. , -verieter, bow-, bayto please. -etje, o. little hall, globule; clever window. -eorrarg, born-shaped, arched. -awns, boy; - hnofloalt, clo'e of garlic. -swijze, by. & bw_. arched; animism. ituInter, or. green shell, hunk, cod, peel; chaff; Boons, m. tree; pole, beam; bar, boom. var. den pillow, bolster. -en, on. W. to shell, to peel. /wages teren, to run through 011tni property. Boon, v. bomb, shell ; bung; whapper. -been. de kat nit den - kijken. to watch an opportuswollen leg. -gat_ bung-hole; pent-hole. -betel, n i -agaat, arbore.scent agate. -bast. bark. mortar. -echuit , fishing-:oat. --erti, bomb- btad, leaf of a tree. -boor. pump-borer. - brand, proof, fire -in a vtood. -eat, graft. -enter, grafter. on. w. to ring. BOCreb&MMelt, - enterii, nursery. -euvel, canker. -gaard, orBombard sander, m. bombardier. -eeren, or. chard. -gaardenier, arborist. -gaardoe/t, fruit, w. to bombard, to IPitt,r, -eergalhot, bombfruits. -pans, breast-goose, barnacle. -geld, ketch. -ernent, o, bombardment. -irr, m. bonaboom-monryi toll. -gewas, shrubs; tree-fruits. hurdler. -godin, -aim!, dryad, hanudryad. -grendel, litornbawle, v. lure. bolt. -hakker. wood-cutter, feller; wood-pecker. liontbrrat, tn. bombast, fustian; humbug. -Lana, -sehuit, canoe. -keener, arborist• -ketetatit0.)A -gldes. e. frutiatt. ver, may-bug, cock-chafer. -kick, boom-bell. Human el, rr, bung, plot. -en, on. w. to sound -kluiper, tree-creeper. -kunde, dendrology. (like an empty barrel). -kweeker, nurseryman, arborist. -kwecker(), Bon, m. voucher, check, ticket. nursery-garden; culture of treas. -has, treeBonbon, o. sweet meat. louse, puceroa. --markt, tree-market. -mos, Bond, in. confederacy. o. Zie Verbond -bock, book of the covenant. -breker, -sehen- tree-moss, -olie, olive-oil, sweet-oil. -soft, der, covenant-breaker. -breuk, violation of a tree-fruit. -paal, prop. -palm, palm-tree. -pikleer, wood-pecker. -planter, planter of trees. eowtrant. -brukig„ violating a covenant faith-rijk, full, of trees. -schender, injurer of trees. lena. ally. confederate. -genoateehap, -ackenderU, damaging trees. -school, nursery. alliance, confederacy. -kW, ark of the covenant - serift „ covenant, bout -zegel , sacrament. -whorl, bark. -8/uiter, boom shutter. -sluicing, boom-shutting. -sandier, ;pruner, to per. -stem, -.lag, diet. -Wad.. federal town, -stroepen, trunk. -sterk, very strong, sturdy. -stronk, federal troops, - army. -svergadering, meeting stump of a tree. -tak, branch (bough) of a tree. of the confederates, diet. -sveating, federal -yak, tree-falcon, hobby. -earn, oak-fern, post ronghold. lypody. -veil, ivy. -vrucht, tree-fruit. -wackter, Et pining, be. & bw. valid (-1y), irrefiagable (-blyl, zie Boonasiniter. -wager., truck. -was, mumconclusive (-Iy), firm (-1y), strong (•1y); concise my, grafting-wax. -tvol, cotton. -main, agaric. (-ly), compact (•4), euccinct (-ly). -held, v. va-acktig, be. arborsous, atborescent. -en, ov. lidity, firmness, strength; conciseness , comw. to push with a pole, to pole. -ig, bv. arboreseaciness. cent; full of trees; zie Eggig t Bonk, in. big pereor..; hob-nal, churl; jade. -, hone.. -en, or. w. to belabor, Boon, v. bean. in de -en rOn, to be mistaken. v. large bit, -akker, -einem. nettle-tree. -ento knock. -ig, to. bony, fall of bones. halm, bean-stalk, straw. -erikruid, aavnry. -enBonnet, v. bonnet. rap; bonnet, small sail. rank, tendril of beans. -enstaak, stick (prop) lions, v. bounce, thump. de - kriigen, to be for beans. -enstroo, bean-straw. -enve:d, beanturned out, - disrnisse,:. field. Bout, by. party-colored, motley, spotted, speckBoo, v. borer, piercer. gimlet., wimble, drill. lcd, variegated; pied, piebald; illgroote -, auger. -bank, boring-lathe. -Over, suited, medley. - en blame, zie Blond. het to bit. -meal, borings, bore-drct. -wive, fore- maken. to go too far. -kleurig, zie Dont. pie roe. -epaan, bore-chip. - ekere, red and white cherry. -ekraai, hooded Boord, m. border, edge, brim; margin, brink, crow, wintsr-crow. --heia, v. piscine.. bank; seam, welt, hem. o. board. aan -, o. fur, -mut, , far-cap. -werk, paltry, aboard. over - tcerpen, to heave over board. furs: -reerker, furrier, -winkel, fuvrier'e shop. clan - liggen, to lie alongside of. nun -korner', -en. bye. furred, fur. to fall aboard. Gan hanger - sijn, to thrive, to elicnzen, or. Ee on. w, to bounce, to knock. enjoy an ample competency. -lint, lace galloon. Hootleetrnp, u. nemntge, errand, call. irmancl -geol., brimful. -evollptje, bumper. -en, ov. w. eene ere, zenden, to send word to a. o. does, to do to go on) an errand. eene iaten to border, to edge, to ladt,to seam, to hem,to skirt. doer, to send on an errand. betide -, glad ti- -eel, o, edging. lace. eines, the Gospe:. Maria -, Annunciation-day. fluorin, v. overflowing of the gall. Manure -, sleeveless errand. -jongen, -1noper, Boon by. & bw. stitked (-1y), bad (1y), evil, ill; angry (op, with. over, at), angrily, in a passion. errand-boy, -goer. -pen, ov. w. to bring vord, -aardig bV. & bw. malicious (-1y). -aardigkeid, to inform of, to announce. -per, m. -ster, v. malice. -doener, m. malefactor. -head, v. wickmessenger, announcer. -ping, v. message. edness, malignity, anger, passion. -teicAd, m. Bong, m. bow; arch; cross-staff; curve,'segment, -brag, arched bridge. -dak, arched roof. -ge- villain, wretch. Boot, T. boat, skin, yowl; lockets gvoote wel f , arched vault. -hout , yoke-elm-wood.
klonteGroin a (groom';, s. klonter. —ous, rig. —.mess, a. klonterigheid. r. knorren. —er, Grunt (grunt'), a. gel:nor. a. knorder; knorvisch. —ing, 8. geknor. —ling, a. jong varken. Gry Igraj), a. beuzeling, GUnial141k1 (gweele•kum), s. pokhout. Guano (gwa'no), e. guano (meststof). Guarantee (ger - en - tie), s. waarborg, borgblijv. a. instaan your, woe, vtng; gewaarborgde. borgen. Guarant or (ger'en-tur), s. borgblijver. —y, 8. &v. a. Zie Guarantee. Guard (gafird'), a. wacht; hoede; beachutting;stootOva (gen een' degen); beugel (over den trekker van geweer); conducteur; boordsel; stootkant. —s 8. Pjfwaeht. to be on —, np wacht On. to put' (throw) one off his —, ie.. and verrr.seen,(overrompelen), zorgel000 waken. —bout, —shipovachtschip. —chamber, —room. wachtkamer. --house, wachthuis. —irons, hentlijzers. Guard Igaard'), v .a. bewaken; beschutten (against. from). —, v. n. op zijne hoede ?Ain, zich burden, (against. from). —aye, a opzitht van voogdes. —ed, a. —edly, ad. behoedzaam. —edness, 8. behocdzaa;nheld. —er, a. wachter, bewaker. —less, r. Weerloos. Guardian (gear'di-en), 8. voogd; cpziener. —, a. bescbermend. —angel, beschertnengel. —ship, 0. voogdijschap. Guberna lion (gjce•bur-hee'sjun), s. bestuur. —tonal (•ne to'ri-e1), a. eenen'gonverneur betro'ffend. Gudgeon !gud'dzjun), s. grondel; loka as; epil; sul • —, v. a. bedriegen. Guerdon igeeduo), a. belooning. Guess (gess"), 8. pissing. to givr a — at, raden near. - v. a. & n. gown, raden, (at). —sr, 8. gisser. ad. op de gta. Gu est (gent'), 8. Bast; diet (aan de kaar8). —chamber, eetzaal. —rite, gastreebt. —rope, boegsrertouw. Guffaw (guf-fao"), a, told, schaterend gelach. Guggle( guegl), v. n. klokken. Guid noble (gajd'ibl), a. volgzeam. loon. —once, s. leading, bestunr. Guide (gold :), a. gids, leidsman; bestuurder.—post. wegwijzer. —less, a. zonder gtds. —, v. a. 'mien, gel eiden; besturen. —r, a. )elder, lostuurder. Guild (gild'), 8. glide. —hall, gildekamer; readhuis. —able, a. belamtbaar, —er, e. gulden. Guile ff(Ejl',, 8. arglist, bedrog, valschheid. —ful, a. —fully, ad. arglietig, bedriegelijk, valsch. fulness, a. bedriegelkjitheid. —less,a. argeloo3, zonder bedrog. —lessness, 8. oprechtheid. diuMenuot (Rifle-mot), s. waterhoen. Guillotine (gin°. tien), 8. guillotine. —, v. 0. onthoonlen (met de guillotine). Guilt (gilt'), a. sehuld; misdeed. —iness, a. schuldigheid. —less,a. —lessly, ad. schuldeloos. —less ness, s. schuldeloosheld. —y, a. —ay, ad. sc huldig; misdadig. Guimp (gimp), 8. zijden ken,. —, v. a. met zijde doorweven. parelhaan. —corn, guinje. Guln glens . —dropper, valsche mpeler. —fowl, ward-
By the time the Erasmus Programme was adopted in June 1987, the European Commission had been supporting pilot student exchanges for 6 years. It proposed the original Erasmus Programme in early 1986, but reaction from the then Member States varied: those with substantial exchange programmes of their own (essentially France, Germany and the United Kingdom) were broadly hostile; the remaining countries were broadly in favour. Exchanges between the Member States and the European Commission deteriorated, and the latter withdrew the proposal in early 1987 to protest against the inadequacy of the triennial budget proposed by some Member States.[1]

Wat is het beste door goud gedekte cryptogeld


Mallo4e, v. metilot. -calf, mehlot-selva. Malach c by, k bw. tender (-Iv, soft (•1y), mellow, mild or taste; sweat (-1y). fluent (-1y). -held, v. tenderkess, mea owcese; sweetness. ltilailatave, Mal no, v. mallow. Matinee U, v. maim' ey. Malin, v. nipple, pap, teat, dug. Mama, v. marinas, mammy, ream. Mecestoring, v. pump- hoae, eenpper-hose. Man, m e man; husband, male. - roar -, one by one. op den - af, stratubtfc:, ward. z.(yn vsnden, to meet with one's match. de gemee, man, tie lower orders, - • Cleo. ann den - brengen, to be trifled with. dl.pooe of. -gat, man hole. -haftig, population; solliv. & bw. manly, manful (-41, courageous ( - y; Wiltaissetrap, v. homage; male diers ; crew. -pen, v W.V. men. brave ( - 1y), valiant ( - 1y) - haftigheid, - ,noedig• of a /lea, manliness, manfulness, conr.ge„ beaveq Mantel, m. cloak, mantle, gown ; town. lemon(' den - witvegen, to take a. o. np valor. -slag, man-slaughter. -viik, men - roW, roundly, to rattle a. O. -jos s cloak. -board, berepaphrodite; virago. -ziek,love Kick., amorous. -ptjpje, lent cape of a cloak. -kraag, gallon. mtn - bate. - nennuti, hospital (a,ylunn pipe. -rerhuurder, letter of mourning-elosks. for men. -nenklooeter, monastery for monks. - zak, portmanteau. - en. or. w. to cloak, to - nee/cour, chorus of men. - nennioed, manly courcover. -int', v. ciuick-set bridge. age. -nenctand. manhood. - nentaal, language of a reap. -sbe.;14, image of a man ; mar nikin. ltiesnutract urea, v. nor. linen-draper '15 wares,
DEJ.—DEM. o Deject (de-dzjekt'), v. a. neerslachtlg maken; be- Deluge (del'joedzj), a. zondvloed; overstrooming. —edly, ad.neerslachtig, bedrukt. —, v. a. everatroomen. droeven. —ednets, —ion (-dzjek'sjun), a. bedruktheid; stool- Dein/ sion (de-ljoezjun),1 a. begoocheling; begang. —ory, a. stoelgang bevorderend. —ure drog. —sive, —sort', a. misleidend, bedriegelijk; hersenschimmig. s. uitwerpsel. Delve (delv), v. a. & n. delven, graven; uitvorschen. Dclapse (de-leps',„ v. n. afvallen; afglijden. Delat e (de-leer'), v. A. aanklagen, verklikken. Demagogue (dem'e-gog), a. volksmenner. —ion 1-lee'sjun), a. aanl:lacht,aanbrenglng. —or, Demain (de•meenl, a. domein, vast goad. Demand (de-maand'), a. each; vraag, on —, op a. verklikker. —ory, a. aanllagend. vertoon. —, v. a. eiochen; vragen. —able, a. Delay (ee-lee'), a. uitstel; oponthoud. —, v. a. eischbaar. —ant, a. eischer. —er, a. vrager; mauitstellen; ophouden; verhinderen; v. n. dralen, nor. talmen. —er, s. uitsteller. Dennarcatton (di-mer-keo'sjun(, a. grenslijn. Debbie (deribl)., a uitwischbaar. Delecta e Ide-ickt'ibl), a. —lily, ad. aange- Demean, Demesne (de-mien'), s. Zie Demain. nem, verukkelijk. —biene8s,s. verrukkelijkheid. Demean (de-mien'), v. a vernederen, verlegen. —tion (del-ek-tee'sjun), s. genot. — one's self, zich gedragen. —or, a. houding; Delega to (del'e-geet).. a. afgevaardigd. —, a. gedrag. argevaardigde. —, v. a. evaardigen; opdragen. Demen cy (di'men-sih), a. krankzinnigheid; —tion Igee'sjun), a. afvaardtging; lastgeving; waanzin. —tate (de-men'tet), —ted, a. waanzinoverdracht; (de) afgevaardigden. nig. —tate (de-men'teet), v. a. kraukzinnig maDele to (de-liet"), v. a uitwieschen. —terious keu. —tation (-tee'sjun), a. krankzinnigmaking. (del-e-Wri-us), a. vernielend; doodelijk. —tins Demerit (de-mer'it)., s. (het) laakbare, °flyerdienstelijke. —, v. u. Jeta laakbaars doen. (lt'sjan). B. uitwitoching; doorkaling. Demi, (dem'ih) [in samenst.), a.; half. —cannonDell (delft, s. oteengroef; aardewerk. Delibern te (de lib'ur-et), a. —tely. ad . be- lowest, 30ponder. —cannon-ordinary, 32ponder; hoedzaam; vastberaden. (-eat), v. a. over- —cannon of de greatest size, 86ponder. —culverin, wegen; v. n. beraadsiagen (on); besluiteloos halve veldLlang; lOponder. —devil, halve duivel. :Ain. —Jewess, a. bedaehtzaantheid; vastberaden- —ditone, kleine tarts. —god, halfgod. —john, heid; overlegging. —lion (-ee'sjunl, s. overwe- veldflesch. —/ance,lichte lane. —/une,halve mean. ging. beraadslaging. —tire, a. —tively, ad. over- —quaver, een 16e noot. —semi-quaver een leggend; beraadalagend. —tar, a. beraadslager. noot. —rep, vronw van verdachte levenswijze. Dellea cy (del'i-ke-sih), a. lekkerheid; lekkernij; wolfahond. kiesehheid: k eurIgheid; teederheid; netheid. —te, Demise (de-majz'), a. overlijden, vcracheiden; overdracht (bij uitereten wil). —, v. a. vermaa. —tely, ad. (-Vet.), lekker; kieseh; keurig; tee- ken; in erfpacht geven. der; net. —tenets, a. teederheid; tijnheid; lekker- Hernias ton (de-mis'sjun), s. ontslas; afdan. held. Delicious (de-lis'sjus), a. —ly, ad. heerlijk, king. —ive, a. —ive/y, ad. onderdanig, gedwee. Democra cy (de.mok're-sih), a. volksregeering. verrukkelijk. - nets, aangenaambeid; genot. —t (dern'o-kret), a. democraat. —tic, —neat. (del-i-gee'sjun), a. verbinding. a. (dem-o-kret'ik.), demoeratisch. Delight (de-Isjt'), R. vermaak; geneugte; verruk- king. —, v. a, verheugen; bekoren; v. n. beha- Desnol ish (de-mol'isj), v. a. afbreken, goo,-en seheppen, genot vinden t iv) .—ful, a. —fully, pen. —isher, a. afbreker, alooper. —ition (demolls'sjun), a. afbreking, stooping. gPnotvol. —fulness, a. vermake- Itikheid; bekoorlijkheid. —some, a. aangenaam. Demon (di'mun), a. booze geest, duivel. Delinen te (de-lin'i-eet), v. a. sehetseu; ant- Demon lac (de-mo'ni-ek), a. bezetene. —Jac, —iacal (dem-un-naj'ikl), —ian, a. duivelach. werpen. —tion (ee'sjun), s. afmaling, schetsing; —ology (di-mun-ol'ud-zjih), a. leer der booze oehetn. —tor, s. sehetser. Deliaquen cy (de-line'kweu-sih), a. vergrijp. geesten. Demonstr able (de-mon'stribl), a. bovijsbaar, —t, a. rehuldig; a. overtreder. leelf.ques ce (del-i-kwes", v. n. smelten; ver- betoogbear. —ably, ad. klaarblijkelijk. —ate (-street), v. a. bewijzen, betoogen. —atson (demvliegen. —cence 1-kwes'sens),s.smelting.vervlie- un-stree'sjun), a. bewijs, betoog. -stive, a. ging. —cent (-kwea'sent), n, smeltend; vervliegend. —ative/y, ad. (-stre- ay.), aanwljzend; betoogend ; Delicate ,, e-larreetl, v. n. Wen, raaskallen. Delhi oars (de-liei-ne), a. ijlhoofdig. —ousneas, klaarblijkelijk. —ator (oak: dem'un-atree-tur), a. betooger; bewijsvoerder. —atory, a. bewij—um, a. ijIhoofdigheid, cond. Deliteseence (del-i-teet'sens), a. teruggetrok- Demoral isation (de•mor-el-i-zeesjun), a. zekenheid. denbederf. —ize (-mor'el-ajz). v. a. zedelocs Deliver, (de liv'ur), v. a. bevriiden; verlossen;
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.
nab ne1.0,, v. a & a. , knabbeleo, I ijten, ephap- Knit, (nit'), s. breisel, —buck, chaleoer., w aalworpen. tel. —work, breiwerk. Knack (nek'), s. speelgoed; slag, kunatje, handig- Knit (nit') [knit'], v. A. & n. breten, knee pen; held. —, v. n. knappen, kraken; gemaakt spreken. (zich) vereenigen, verbinden; fronsen. —ter, s, breier; breister. —ling-needle, breinaald. —tiny. —er, a. speelgoedmaker; paardenvilder. Knar; (neg'), s. kwast (in hoot); pin, plug. —gay sheath, breischede. (-gib) a. kwastig, knoestig; eemelijk. Knittle (nit't1). s. beurikoordje, trekband; siorKnap(nep'), a. knobbel;verhrenheid;top. —bottle, lijn, seizing, knuttel. ' klaproos. —sack, knapzak. —weed, Wilde amber- Knob (nob'), I. knoest; knobbel; knop; kwast. —bed (nobd), —by, a. knoestig;knobbelig.-6iness, bloom. --, v. a. afbijten, kraken, doen afknappen; a. knobbeligheid, knoestigheid. v. n. knappen. Jbnapple (nep'pl), v. n afknappen. Knock (nor), a. slag, tik, geklop. g. a &. n. slum, kloppen. (at) aankloppen. (down) nedervel(naarl'd), Knar (near'), —F,s. knoest, kwast. len; toeslaan (bij veilingen). (its) insiaan. (off) af—0, a. knoestig, kwastig. Knav a (pees'), s. schurk, schelm; hoer; kuaap. slava; afbreken; afdoen. (under) zich onderwer—ish , a. --ishly,ad. s. schurkerij; guiterij. pen. (up) opkloppen; afmatten. —er, s. kloppee. —ery, schurkachtig, guitachtig. —ishnees, i. schurkaching, s. (bet! kloppeo,geklop. tigheid, guitaehtigheid. Knoll (nool'), a. heuveltje; kritin, top. —, v. a. & n. luiden ((do doodsklok)• Knead Ivied'), v. a. kneden. —er, 3. kneder. Knot (not'), a. knoop, strik; hoop; oogje; knoest, trough, bektrog. Knee (nie'),..knickromhout, elleboog. —crooking, kwast; bundel; verbond, troep, gezelschap; trekonderdanig. —deep, tot vn de knieeu. —grace, letter. running—, echuifknoop. —berry, beauty, knoopgras. —pan, kniesehtlf. —string, koueeb and. bee. —grass, varkene-, knoopgrao. —, v. a. knoo—timber, kniehout. —tribute, kniebuiging. v. pen, strikken, verwarren; v. n, knoupen; uitbot ten. —less, a. zonder knoopen of knoesten; zonder a. hnielend snaeeken. —d, a. met knieen of g, e• bezwanr. —ted, a. met knoopen; knoestig. —tines dingen. 1-ti-ness), a. knoestigheid; moeielijkheid. —ty, ad. Kneel (niel') [knelt'], v. n. knielen. --er, a. holeknoestig, kwastig; moeielijk. ler. Knell (nell), s. doodsklok, Knout (naut), a. antoet; knoetstraf. Know (no') [knew (Woe). known (noon)] , v. a. & n. KnIck-knack (nik'nek), a. snuisterij, vodderij. Knife (najr), s. men. —grinder, messenslijper. weten; kennen; erkennen; bekennen. —able, a. kenbaar. —er, s. kenn, r. —ing, a. kundig, erva—rest, --tray, messenbakje. ren; loos. —ingly, ad. met kennis, voorbedachteKnight (unit), s. ridder; ezelshonfd; pavrd (in 't schaakspel; parlementslid. — of the blade, snoe- lijk. ver. — of the post, valsche getuige. — of the road, Knowledge (nol'idzj), i. kerinis,kunde, ervarenstraatroover. —errant, dolende ridder. —errantry, held. to my —, bij mijn weten. dolende ridderschap. —heads, apostels, boegetuk- Knuckle (null'ki), a. knokkel; scharnier; schenken, —marshal, hofmaarschalk. —templar, tern- kel. v. n. bulgen; !deli onderwerpen. peiridder, tempelier. —, v. a. tot Adder Knur (our'), —/, a. knoest, kwast. —led (nurl'd), —ry, a. knoestig, kwastig. —hood,s. ridderschap. —ly, a. ridderlijk.
LIP.—LOM. Lip. v. lip; tenon. de — laten *angel', to pout, to look gruff, — sulky. —klieren, labial glands —kuilfje, dimple in the lip. —letter. labial (letter), —ouch, —vorstig, 'ablated. —penpo-nrade, —petite', lip-salve. 11.2s, v. loop. —koord, covd, twist, loop-lace. Lisob. o. flag, flower-de-luce. —bloom, flowerde-lute. —dodde, —*nap, bulbous root of the flag. —world, iris-root. Llepelen, on. & oa. w. to lisp. Lisp on, or. & on. w. to lisp. —tong, m. & v. —er, m. ]leper. —tag, v. lisping. —.tier, v. lisper. Liman, ov. w. to provide with loops. List, v. artifice, trick, device, craft, cunning; be. dt hw. cunning (•y), sly atratagem. (-ly), artful (-ly), crafty (-11y). —igheid, y. conWing, slyness, artfulness, craftiness. Litteeken, o. soar, cicatrice. Mere', a. livery. —bediende,—knetht,livelyman, lackey. —rok, livery-coat. Lob, v. ruff; cuff; lobe. —nor, shagged dog, ehag. —oorig, shagged, with' shaggy ears, hermit., inoffensive. —oorigheid, shaggedness; inoffenslyenese. "Jobber on, on. w. to wade, to splash. —ig, be. gelatinous. —igheid, v. gelatinous quality, being gelatinous. 1Lobbe.a, in. booby, silly fellow, harmless creature. good-natured fellow. bv. lobate, lobed. Loroanotief, v. locomotive. Lodder, on. lecher, rake. —en. on. w. to ogle, to ernicker to cast a sheep 'a eye —gesicht wanton look. ' —cog, m. & v. one that looks amorously, ogler; o. languishing eye. —oven, to look amorously, to ogle. —aoet, amorous, languishing. —ig, bv. & bw. amorous (-1y), wanton (-1y); drowsy. —igheid, y. amorousness, wanton. neve; drowsinese. Loot', v. loof, lufp, weether•gage. de — afwInnen lafka(ipen), to gain the loft. howlen, to keep the luff. temand de — afeteken, to ottdo (to surpass, to get the of art of) a. o. —balk, outrigger- —braesen, weather-braces. —gierig, griping, leeward. —balk, weather-clew, -tack. —howler, good wind-niter; gripe. —spent, loof-timbers, loof-frame. —otjde, weather ride. —waarte, bw. luffward; — aanhraseen, to brace so as to becalm the sails. Loelson, on. w. to low, to bellow, to roar. Looneeb, by. & bw. squinting (-1y), squint eyed. — kOken, —sin, to squint (at) . —held, v. squinteyedness. Coer, m. clown, doodle, dunce. —, v. spying, watching. op de — liggen, to lie upon the lurch, to be on the catch. de mand eene draftiest, to gull a. o. —en, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to leer, to lurk; to be upon the watch; (op) to spy, to watch. —gut, peep-hole. —huiso, sentrybox. —inoorder, assassin. —oopen, to leer, to peep. —pi.uste, lurking-place. —vogel, falcon, hawk; lurking fellow. Loeres, m. doodle. Loevots, on. w. to loaf, to luff, to ply to windward, to go to the weather-aide. Loover, Loovert (to), bw. Lie Loofwaarti,
Uninouid (un-moold'), v. a. vetvormen. —td, a. a. ongeor6end; niet banterktuigd. —iglsu: (-id'. vervormd, ongevormd. sfl-nel), a. niet oorsproukelijk. U ninon rned (uu-moornd'), a. onbetreurd. Unornament al (un.or-ne-ment'el), a. niet verUninov able (un.moev'ibt), a. etc. Ste Immovsiarend. —ed (-or'ne-meat-id), a. n:et versierd. able, etc. —ed 1-monad'), a. onbewogen. — inn, Unorthodox (nn.orlho-doks) nlet reehtzina. onbewegetijk; ntet bewegend. niet aandoentijk. nig. Unnauffle (un-murit,, o. ontblooten, onthullen. U now wed ;un-oond'), a. zonder &gamin ni4t erUemualeal (an-ngoe'mk1), a. niet muzikaal. bend. Uninuule (un-maz'z1), v. a. van den mutlband Unpaelf In (un.pe. sink), a. Met vreedsaam. —led ontdoen; toonen. (-muz'zld), a. ongemnil(-Peal-fajd), a. onbevredigd, ongsatild. band. Unpack (un- pek'), a, a. nit-, ontpakken. Unman (nu-wel), v. a. van de epijkers ontdoz a. Unpaid (un-peed'), a. onbetaald (for). —ed (-neeld'), a. ongespijkord. Eapaln ed (un-peend'), a. vrij van smart. —fur Unnamed (un-neernd'), a ongenoernd. (-peen'toel), a. niet pijalijk. —ted (-peent'id), a. Unnatural (un-netloe-rel), a. —ty, ad. onnaongeschtlderit. tunrlijk. —ice (-sj.), v. a. onuatuurlijk maken. ?Unpaired (urt•peerdi, a. ongepeard. g. onnatuuriijkheid. Unpalatable (un-pere-tibi), a. onsmakelijk. Unnavige bite (un- nev'l-gibi), a, onbevaarbaar. Unpara Haled Inn-per'el-leid), —gonad (.e-gond), —ted (• gas- tld), a. onbe rare.. a. onvergelijkelijk, weergaloos. Unnecessar Hy (un-nesla-se-r11-11h), ad. —y, Unpardon adt,le (un-paar'dn-1131), a. —ably, ad. a. onnoollg, onnoodzakelijk. —iness (-ri-nete), a. ongergetelijk. —ad (-dund), a. onvergeven, —in1,, onnoodzakelijkheld. a. ntet vergev end, onverzuenlijk. Unneedful (un-nied'foel), a. noodeloos. Unpared (un-pearl')... ongeechild. Uanelghborly (un-nee'bur-Iih), a. & ad. on- Unparliamentary (un-paar-le-ment'e-riit), a. buurechappeltj k, onvriendelijk. etrIjdig met de gebruiken can het parlement. Unnerve (un-nura'), v. a. outzenuwen, verzwak- Unparted (un-paart'id), a. ongeseheiden. ken. Unpas sable (un.paaesibl), a. onbegaanbaar; Unnobi a (un-no'h1), a. ad. onedel, gammen. ongangbaar.—sionate( •uturun•et),,onhartotochVaunt ed (un- no'tid), a. onbemerkt; ongederd. te n ijk, bedaard. —lurid (-guard, -third), a. onge—iced (-Vet), a. onopgemerkt. weld. Unnumbered (nn-num'burd), a. ongeteid, tat- Unpa thed (nn-paathd'), a. ongebaand. —thetic too.. (-pe-thet'ill, a. ntet aandoenlijk. —triotic (-peeUnobeyed (un-o-beed ► , a. niet gekoorzaamd. tri-ot'ikl, a. niet vaderiandelievend. —tronisrd Unobject ed (nn oh dzjektirl.), a, niet tegenge(-pet'run-ajsd), a. oubeschernid. —red (-peevd'), a. wor„en; onweerepr.lken. —ionoble (•dzjek'ejunonbestraat. tb1), a. onverwerpelijk. Unpavuned (un-paoncin, a. onverpand. Unob nouloaa (uu-ob-nok'sjuP.), a. ,.let under. Unpeace able (un-pies'ibi), —fat, a. —ably, ad, hevig; etrafbaar; aanetooteliJk (to). —seared onvreedzaam; woeltg, onruatig. —ableness, s. ma(., akjoerd'), a. onverduisterd. vreedsAstnheid, woeligheid. Unobsequioua (un-ob-81'kwi-us)„ a. ad. Unpeg (un-peg), v. a. van de pinnenlosmaken. ,ngedienetig; niet onderdanig. —rens, a. onge- Unpen (un-pea'),v.a.uit tie boot. drilvinclos-,doordiengigheid; on ehoorzeamhaid. laten. —etrated (-e-tree-tid), a. undoordrongen. Unotbsery able (un.ob•zurv'tb1), a. onbemerk—eluding (-e-tree-tieng), a. Met dooraingend. bear; Met in acht te nemen, —ante, a. onop— rioned (-sjuktd), a. zonderj aarwedde, pensloen. merkzaarchetd, veronachtzamIng. —ant, —ing, a. Unpeople (un-p 4 e'pl), v. a. ontvo!ken. unopmerkzaam, niet acht nemend —ed Upper calved (un-pur.sieve), a. onbe'oterkt. (-zurvd'). a. onopgeutorkt. —forated(-purno.ree-tid),a.ondoorboord.—forned •Unobstrueted (un-oh-strukt'id), a. niet ver- (-fornad'), a. ouverriebt, onvervu:d. —jured (-pueetopt, onbelemmerd. dzioerd), a. ntet meineedig. —mitred Unobtain able (un-ob-teell'ibl), a. onverkrIjga. ougeoorloofd. —pieced (npleket"), a. niet verbear. —ed (-Wad'), a. onverkregen. tem, verward —suaduble (-swee'dtb1), a niet Unob trusive (un- ob-troe'eiv), a. niet indringend te overreden. —carted (-Turt'id), a. onverdorven; (on). —vices (- ob'vi. Ira), a. niet to bat oog vallend. Blest verdra,id. Unoccupied (un-ok'kjoe-pajd), a. unbent; ntet Unpetrilled (nra.pet'rl-fajd), a. Wet versteeud. beztg. Unphilosophical (un-111-0-soriiki), a. --ly, ad. Unutr ending (on .0-fendleng), a. ntet aenstoo- onwtjegeerig, —ners, a. onegsgeerigheld. telijk; onechadelijk; onethutellg. —ered (-orfurdi, Unpicked (uu-piktn, a. ongepikti ongeplukt; ona. oneangeboden. —icial (-titre!), a. Zie blotnitgezoebt; ongereinigd; onargekloven. -oeions (•tig'ui), a. ongedienstig. Uspiercse able (un-piers'ibi), a. ondoordringUnoften (un-ot'n), ad. niet dtkivkjim. bear. —d (-pierst'), a. ondoorboord. Unoll (nu ojn, v. a. van olie zuiveren. —ed (-ojtd"), Unpin (un-pin'), v. a. van spelden ontdoen; losa. ongeolied. spelden. —eked (-pintsjt"), a. ongeknepen, ongeUnopened (in,o'pnd), a. ongeopend. kneld. —ioned (-jund), a. losgemaakt; solider Unopposed (nn-op.poozd'), a. onverbinderd. rondaela. —ked (-pingke), a. zonder gaatjes or Unor der ly (un-or'dur-itb), a.onordelijk.—disary oogjea. (-pind'), a. ongespeld. (-di-ne-rih), a. ongemeen. —gasived (-gen-ajzd), Unplt led (un-pitild), a. onbaklaagd. —Vet, a.
biliut; clog, shackles, fetters; pulley; suit (Wien); block-hesd. -bead, statue. -Au lt, biotichouse, prison. -Overiy , plodding. -lood, piglead. -noes, flat seam. -sehijf, pulley. -tin, block-tin. -wages, truck. -silver, silver in bars, - in wedges. -bennsaker, bloakmaker. Blokk ado, v. blockade. -wen, ov. w. to blockade, to block-up. -tering, v. blockade. -en, on. w. to plod, to toil. -er, m. plodder, toiler. Bland, by flaxen, light, fair. - en Haute class, to letter in black and blue. -harig,light-haired, with flaxen hair. -e, m. & v. fair man, fair woman. -e, v. blond, blond-lace. -je, o. fair
A. A, v. A. H(j kent Been A voor eenB„ he knows not A from B; he is a met, ignoramus. trekken, shutAnisela, bv. awkward, clumsy. —hands, bw. awk•yardly, prefling tricks. posterously. Angt , 7. —appel, short shank apple. cApender. Anien, or. w. to ,tare., to stroke. Atilt, v. boat, long boat, flat-bottomed boat. Anks, v. axe, hatchet. Aral, m. eel. -- , tusk, weir, near, bownet. --peer, ale Eiger. —kaar, eel cant, eel-trunk. --her!. West. —rijk, abounding w ith eels. —schaar, —ipeer, —etcher, eel-spear. —.Auld, —stel,eel- skin —seep, eel-soup. —sleek, eel-fibbing, right of fishing for --riivar„ eel-pond. Aalbett,v.curiant.—eetioom,currant , tree.—sestrnik, currant-bush. —seenat, —icecap, currant-juice. —sesrist, —reetros, bunch of currant.. —sentoUtt, currant-wine. Aslant, en, y. aims, charity. Anlintoenenier, In. almoner. —*hula, almonry, alms-house, asylum for the poor. —.kind, charity-child, foul:edit:4. o. totum. Anna, o. acm, acme. hemorrhoids. Aambeien, v. mv. Aamborstig, bv,astnmatic,short-breathed,sb ortwinded. —held, Y. aathrna, shortness of breath. Ananechtiog, bv. Zie Ansechtlg. Ann, v., Cl; on, upon; to; near, next to; of arrived, burning, lighted (ran your of licht); upon a jar, a-jar (van eene deur), het is — u, it is your turn. er — (berig) Ain, to be at it, van den beginne —, from the beginning. Annotated en, ov, w. to earth up. —ing, v. earthing up. Aanedenten, ov. w. to breathe on (upon). Aanbatiren, or. w.Zie Annbinfiren. Aanbak ken, on. w. to stick (to remain sticking) to the pan, to scorch. --eel, o. what sticks (remains sticking) to the pan. Annbalken, ov.w. to bray at. Aanbaren, on. w. Zie Aanberen. Aanbannen, ov.w. Zie Aanblesffen. Annbedenien, ov. w. to allot, to assign (to). Aanbeelti„ o. anvil, stake. —Wok, anvil-block, anvil-sto zk. Aanbeenen, on. w. to walk at a pretty rate.
In order to attend the Meeting, bearer or dematerialized shareholders shall deposit their shares at the Corporation’s principal place of business register them in an approved establishment, not less than five (5) working days before the date set for the Meeting. Shareholders with registered shares shall be listed in the Corporation’s ledger or registered shares not less than five (5) working days before the date of the meeting and shall notify the Corporation in writing of their intention to attend the Meeting by the same deadline, indicating the number of shares of which they shall avail themselves. solvay.com
EAR.-- KEE. Korkanit, m. neck-Wee, carcanet. Karkaa, v. caroms; wire wound about with silkor thread. Karmollatt, on. carmelite. —enklotater, monastery of carmelites Karnaths, o. carmine. KaremozIttsr, o crimson. —en, by. crimson. Harm. v. churn. —moles, churning-mill. —pots, butter-milk. chura-staff. —spap, batter-milk-porridge. —en, or & on. w. to churn. —er, m. churner. Karnoffelen, or. w. to belabor, to drub, to thrash. KarolUntjo,o. (woman's) cap. Karonjo, v. jade, baggage, hussy., slut. Karoo, v. coach. Korot, v. carrot, roll (of tobacco). --tenfabriet, carrot-manufactory. —tentouw. carrot-rope. —tentrekker,carrot-maker.—tentrekker(i, carrot-house. Karper, m. carp. —coop, carp-broth. Karpet, o. carpet. Karpoete, v. fur cap. !Carrel, y. conger. Karina!, o. kersey. en, hr. kersey. KaratelIng, ru. bun. Martel, in. notch, —en, or. w. to notch; on. w, to curdle, to turn. by. notched; curdled, turn. O. la art eta, v. eartouch. —koget, cartoueh-ball. —achot, case-shot. —vuur, langral-shot. Kerton, o, paste-board. —werker, paste-boardmaker. —neeren, ov. w. to bind in boards. —nen, by. paste-board; in — band, in boards. Kartosaw, v. op:men-royal, great gun. fiertarizer, no & ay. carthusian. Karverel, v, caravel. Karviel, o. bullock- bi ock. —houten,croes-quarters of timber. —navel, belaying-pin. Kerwats, Y. riding-whip. —en, ov..w.. to lash, to whip. Karavel,r.job, f(rsrwl,J, v. caraway. Kate, v. cheat; shrine; ease; socket (non eon land); bezel Ivan een ring); each; pay-office; airs K.keet. btr — sn. n, to have plenty of rash. 60 ienand in de — sun, to be a favorite with a. u. ---beet, cash-book; outside quire of a ream. —geld, current money. —header, cash-keeper, cashier. —ioapier, paper of au outside quire. —rekening, cash-account. Kasselen, or, w. to pave. Krause'', ov. w, to eachase. Kneale, v. cassia. —boom, cassia-tree. Kessler, in. cashier. —striejje, cheque. —skantoor, cashier's counting-house. —skcecht, cashier's man. —erekening, cashier's account; — rule. Kassalig,bv. torn, damaged. haat, v, cupboard, closet. in de — zitten, to be in Prison, to be in quad, —enrnaker, cabinet-maker, joiner. Kaatanja, v. chestnut. —boo , chestnut-tree. —brain, by. & o. chestnut, auburu. Kasteel. u. castle, manor-house; citadel; rook (in 't schcalopel); half-deck. Kastelleln, m. caetellan; landlord. —es, v. land• lady. —sehap,o. office of a castanet].
Infinitive. to Blow to Bear (harem). , (dwen). to Bull to Bind to Breed to Break to Bring to Build to Burn to Burst to Come to Cast to Catch to Chide to Choose to Clothe to Cleave to Climb to Cleave to Cling to Come to Cant Can to Creep to Crow to Cut to Deal to Do to Dip to Do to Drink to Draw to Dream to Draw to Drive to Drink to Dig to Ding to Dare (duxven ). to Dwell to Eat to Fall to Feed to Fall to Feel to Flee to Fly to Fling to Forbid If

Wie heeft Blockchain


West (wart'), a. & a.:. west, westelijk. oy north, Whence (wens), ad. vanwaar, 'wattrult. —soever west ten noorden. — by south, west ten maiden. (-se-ev'ur), ad. vanwaar ook. ergene. - a. (bet) Wastes, —grange (-ur-teng), a. west- Where (weer'), ad. waRr, alwaar. any waorte loopend.—erty, a. & ad, wastwaart. —ern every —, overal. —about, —about. (-e.bautz), ad (-urn), a. weeteiijk; weaterseh. —ward, —w4rdly, waarorntrent; waarever; e. verblijrgivta. —at I-wurd•), ad. weetwaarta. (-ez'), ad. rsaardien; tervrtl; dear tech. —at Wet (wet"), a nat, vochttg; regenachtig. —through, (-et), ad. waarop; waarover. —by (-ban, ad. door en door nat. — nurse, mitt. —shod, met waardoor. —fore, ad. wearom, weshalve. —in natte voeten. --, a. oat, vocht; vochttg weer. (-in'), —into (.in-toe'), ad. waarin. —of (-of'), ad. waarvau. —on e-on'), —upon {-up-on'). ad. waarop. —, v. a. nat makes, bevoehtigen. —ness, a. nat. —carver (-so-ev'ur), —o'er (-ev'ur), ad. waar ook. held, voehtigheld. —fish, a. aattig, vochtig. —to (•toe'). —unto (-nn-toe'), ad. waartoe. Vt, ether (weth'ur), s. hamed . —with (-with"), withal (-with aol'), ad. wearWhack (wek'(, a. & v. a. Zte Whop. weds. Whale (weer), a. walvisch. —bone, betels. walvischvaaidar, Wherrut (weerit), a. oorveeg. —, v. a. acne wp.lviachbeard. —fisher. —man, oorveeg geven; lasttg vallen, hinderen. —fishery, walviechvanget. —r,s. walvischvaarder. Wherry (weerth), a. veerachultje. —man, veerWhatne (warm), s paardenv lieg, breme. 'A hap (wopl, s. slag. amok. —, v. a. & n. clam; coon. —, v. a. overzetten, overvaren. neeremakken; (over) om,:aan. —per, a. bona boas, Whet (wet"), t. (het) eeherpen, prtkkel; b.srreltje. —atone. alijp , wetateen. —, a. a & n. elijpen, lets seer groots; leugeu, Wharf (waorr). a• werf, keel, laudinge pleat, wetten; aanzetten; opwakken, verbitteren. v. a. torn wet brengen, 'Whether (wetleur), pr. wie (walk) van beide. —porter, iteatwerkm .... or .... of .... or .... —, ad. of, hetzij. loosen. —age, H. kaafgeld. —finger (in-azjur), a. Wheite, (wet'tur), a. wetter, slljper. kaaiweenter. What (wot), pr. wet, dot; walk; heteeen; hoe- Whey (wee'), a. hal, wei. —ey (-th), —isk, a. veal. — day, op walkers dog; toes. — time, op weiachttg. welken tijd; ten tijde dot. — for, waarom, waar- Which (witsj), pr. walks, walk, wie, watt die, weten to onde, dot, hetwelk. to ksaw — is toe. — of that, woe kornt dot er op aArk? echelden; weten wie of wat. —ever (-rear), ad, (with) deels door. — though, ofechoon. —soever (-eo ev'ur), pr. welke (wie, wat) ook. int. wat ! hoe! — ho, helda! —ever Whiff (wif'), a. hall, trek; geniis, geanor. —, —soever (-so ev'ur), pr. wat oak. v. a. uttbiazer; v. n. blazen; suizen, enorren. Wheat (wiel 1. R. blear, win; puiatje. Whiffle (wit'fl), v. a. & n. blazes, snuivea; Wheat (wiet), a tarwe.bearded turksehe tarwe, mein.—flaer„ tsrwemeel. —grave flatten; been en wear fiadderen; onbestendtg tarwe. zijn; beuzelen. —tree, mange!, —r, e. blazer; kweekgrae. —plwn, witte pruint. sheaf, flatter; voorlooper; benzelaar. school. —en. (wieen), a. tarwen. van torwe. (wie'd3), v. a. & n. flikflooten, be- 'Whig (wig'), a. zure wet; Whig. —gery (-gun—gum (-glom), a. beginselen der NV hi gs. praten. —r, a. flikflooier,baprater. —gash, a. W hig-, van de W hi g-partij. Wheat (oriel'), R. oriel; rad; spiranawiel; scbijf; wages; otriraaling. to break upon the —, rad- W bile (waji), s. wiji, pose, tijd. a good —, eelie broken. —barrow, krutwagen. —boat, raderboot. gerutme poem, in tee mean —, intddelerwul. —cap, naatkap. —carriage, voortuig op wielen. it is not worth —, het is de moalts HIM wanted. v. a, rekken; (away) al then tijd. —drag, remsehoen, rem. —fire. radvuur. —hoop, all this naatband -ring. —horse, Morel pear& —lathe, verbeuzelen; v. n. toeven,talmen. —, ad. terwjjl. radsuoer. --lock, lune van can wiel, —nave. wiel- Whilom (warlum), ad. voorheen, areleer. near. —rope. atuurreep. —shaped, radvormig. Whilst (wajlat), ad. Zie While. —sheave, achijf ;n eon blok. —stone, sitipract, Whim (wira'), a. gril, oak; lokeend; winds.. -steep. —window, rood venater tale ten wiel). —gin, psardenkaapetander. —wham (-went), N. nesterij; klueht. —, v. n. gnillea (nukken) hebben. —work. raderwerk. —weight, wagenmaker. v. a. & n. kruien; rotten, voortrollen; sin-, —per, v. grammes, kreunen, klagen. —sey (-zih), ronddraolen; atwiseelen; zwenken. —ed (wield), a. grit, nuk. wagenmaker; Whimsical (wim'elk1), a. —ly, ad. grillig. —ity a. met .... wielen. er, a. ronddraater; disaelpaerd. --lag, R. vervoer per (-zi-kel'it-tih), —ness, a. grillighetd. as; ronddraating; het rollen; zwenking. —y, a. Whin (Wile), R. brem, priemkruid. —chat, bruinkeeltje.—etone,bazaltsteen; randstean. wielvormig. Whine (wajni, 3• geteem, gekail, gejank. Wheeze (mice, v.. anuivetr, hYge.- "WheP,k (walk'), s. blear, yin; putatje; trompet- v. n. temen, met eene huilende stem apreken. whelp, kinkhoren. —y, a. knobbellea puistig; —r, a. temer, huller, jauker. Whim my (win'nile), a. vol brem of priemkruid. uttpullend, met aerhevenheden. Whelm (webs), a. a. indompeiet; overdekken; —ny, v. n. hinniken. —yard (lard), a. zwaard, xiternem, wornisteker. begraven. Whelp (welp')„ a. wep,jong;jongehond; klamp; Whip (wip'), a. zweep, karwats, geesel; postiln jongen.— iny, a. schelmsch, Jon; staggareaat, klapleoper. -- and Spur, spoorguit, Bengal. slags. —breech, slag op het schterete. —cord, guitig; lichtvaardig. When (wen), ad. wanneer; toes; ale. —ever ( • ev'ur), — lash, zweeptouw. —graft, v. a. —gratilsag, s. zuigen (wljse van enter ).—hand,voorhands—horse, —toner (40.eVar), ad. wanneer ook.
149 Iii' pt (in•ept'), a. —ly, ad. onges,bikt; dwaaa. (in-domg-tibl , , a. ontetnbaar. —itude (-ti-tjoed), —nest, S. ongeachiktheid ; Indoor (in 'door), a. huts-. dwaasheid. Indors able, Iin.dors'ibly, n. geendoeseerd kun- (in.•e-kwol'it-tih)., a. ongelijkhetd, Inequality (-dornande warden. —e, v, a. erotosa,cren. —ec ale'), a. geendosseerde, —enzent, a. endossennt. I oneffenheid. ; Inequitable (in-ek'wt-tib ►), a. onbiltijk. -er, s. endossant. Inermous (in-er'muz), a. ongewapend. Indraught iin'draaft), s. beat, inFam, ad. oueeilbaar. Indreneln (in-drentsj'), v. a. doorweekev, var. Inerra bale (in•certb1), a. —bly, —bility (-re-bil'it-tih). —bleness, s. unfelt baarheid. ad. traag, loom, werkeIndnbl out (in- djoe'bi-us), a.niettwijfelachtig,lInerl (in-art'). a. —4/,—nest, s. traagheld. loomteker. —table, a. —tally, ad. (-dbl.), ontwijfel- loos. —ion (ur'sjun), heid, werkeloosheid. baar, ongetwijfeld. —tableness (-tibl-), ontwij linemen to (in-es'keet), v. a. door age lokken; verfe I baarbeid. overbalen, nopen, lokken. (-kee'sjun), a. aanlokkiag, verIudne a v. a. aanleiding geven (to); to weeg brengen. —eanent, tokking. a. —bly, ad. ona. aanlelding, drijfveer. —er, e. santeidee, be- Inestima bale (in-esli-mibl), a. of to leiden; to weec t brengen ecbatbaar. wager. InevIdent (in-ev'i-dent), a. onduidelkik, niet Induct (in-dukt.')., a. a. inleideD,installeeren(intn). britkbaar. —ion (•duk'sjun), e. irrle(thng, aanstelling; ge- Inevitn bale (in-evl-tibl), a. —bly, ad. onvervolgtrekking. —ire, a. —lady, ad. 3anleidend, te-bilfit. tab), —bleness, a. onunpend, afleidend; afgeleid. —or. s. hevestiger, vermijdeliikheid. Indian (in-djo,'?, v. a. bekleeden, aandoen. (in-egz-ekt,'), a. onnauwIceurig; onjuist. Indulg; e (in-duldzy), v. a. toegeven, inwilligen. Inexact s. onnauwkeurigheid, onjuisthetd. —nest, zich overage- vergunnen, (in, With). –, v. n. (in-eks-kjoe'zin1), a. —bly, ad. van tan. —ence, s. toegevendhetd, inschikke- lnexensa bale onverschoonbaar„ onvergeeitijk. —bleness, B. onlijkheid; gunst; afiaat. —ent, a. —ently, ad. toe- verschoonbaarheid. ge,end, inachikkelijk. —r. a. toegever, inwil- Inexeeutlon (in•eks-e-kjoe'sjun), a. niet- volbrenging, nlet-volvoertrig. girt:a to (in'djoe-ret), a. gehard; veratokt. —te Inil (-rest). v. a. harden, Nerba•den; v. n. hard —, Inexlia,lalile (in-egn-heeribl), a. onverdampbaar. ed (in-er,z-haost'id), a. onuitgeput. veretokt worden. —tion (-ree'aJun), a. verhar- Inexhaust —ible, a. onuitputtelijk. —ibleness. a. onultputteding; verstokthetd. lijkheid. Industr lal (in-dus'tri-e'0. a, de nijverheid be-InexIsten ee to egz-ist'aus), s. (bet) niet head. nijver, viijtig; treftend. —ious, a. —ioutty, staa.n. —t, ad. niet bestaand. opzettellik. —y, a. vlijt; nijverheid. a. inwoner. —ing, e. Inexora ble (in-eka'ur-rib)), a. —b/y, ad. onIndwell er (-re-bil'it-tih, —Maness, a. verbiddelijk. inwontng; a. inwonend. onverbiddelijkheid. 85 a„ dronkanma- Inebrl ant (in-Pbri-entl. (in-eks-pt'dt-ens), —cy, ongece Inexpedlen (-eet), v. a. drunken (gek) trend rniddel. —ate paetheid, ondienstigheid. —t, a. ongeschikt, a. dronken zijn. —ation maker; ondlenatig, on,oegzaam. —ely (-e-braj'e , tih). a, droukens,hap, be,hon- Inexperience (in-eks-pPri-ens), B. oncrvarenkenheid. held. —d, a, onervaren. Inedtted (in-ed'it-ed), a. onnitgegeven. (in-eks-purl'1, a, o ► bedreven. Inexpert . onnitspre. ad --My. Iran's balsa (in•erfibl), buexpise ble (in.eks'pi-ibi), a. —bly, ad. olive, —blelesg, s. kelijk. —bility zocnlijk. tiprekelijkheid. —bly, ad. onble (in-eks'pli-Istb1), Inelreet lye (in-ef-rekt'iv), —nat.) a. —natty, ad. Inexpllea verklaarbaar. —bility (-ke-bil'it-tih), —bleness, a. Hoe- el-), niets ultwerkertd, vru,hteloos.---ualnesa onvcrkkarbaarheid. (-joe-e1-1, s. gevolgelooaheid, vruchteloroneid, InefiferYeseent (in-ef-fur-vea'sent), a. abet op. iltleXpliCit (in-eks-plis'it), a. onduidelkjk, on-
liVond (wood), a. weede. —, v. a. met weede verven. 'Woe (wo'), a. we,, smart. —begone, door wart (lijden) neergebogen. tot. wee ! —ful, a. —fully, ad. treurig, 1 ammerlijk, ellendig. —fulness, a. treurigheid, el lende. Wold (woold), a. opene viakte; damn. Wolf (woeir) a wolf; kenker. she—, wolvin. —dag, evolfehond. ---fish,seewolf. —hunting, wolvenjacht. —man, weerwoll. —'a-baneovolfswortel. —'s-milk, wolfsmelk (plant). —ish, a. wolfechtig; vraatzuchtig. Woman (woe'men), s. vrouw; kamenier. — of the town, liehtekool, hoer. —child, ineleje. —dwarf, dwergln. —hater, vronwenhater. —saint, vrouwelijke hellige. —servant., dien,tmeld. —'s-tailor, dameskleermaker. —'s-frict, —'s wit.vrouwelist. —, v. a. sacht (gedwee) maken. —hood (-hoed), a. vrouwelijke staat. —ish, a. vrouwelijk; vroewaelittg. —iR (-ajs), v. a. vrouwelljk (verwtird) maken. —kind (-kajnd),s. het vrouwelijkgeelaeht. —like, a. vrouwaehttg. —1y, a. vrouwelijk; manboar, verwijfd. Womb (woem'), s. baarnnoeder; schoot; Ingewand. in the — of night, in het hoist van den naeht. —cake, nagehoorte. —passage, —pipe, moederseheede. v. a. in ziehsluiten. Women (whn'n), a. pl. van Woman. Womm.er (wun'dur), a. wonder; bevreemding, verwondering. in the name of —, in 'is hemeis naam. to make — of, zilch verbazen over. to look all —,rerbaasd ataan. —struck, verbaasd. —,v.n. zich verwonderen (at), nteowsg!erig sijn.—er,e.verwondarde, verbaasele. —ful, a. —fully, ad. Terwonderlijk, wonderbsar. —fulness, a. wonderbaarhetd. Wondrous (wun'drue), a. —ty, ad. verwonderlijk,
523 Lot, tn. praise, commendation. tot — vats, in praise of. God —, thank God. — &mein, —trotspet, trumpet of praise. —dieht, —redo, panegyric. eulogy. —dichter,—redenaar, panegyrist. —gterig, greedy of praise, ambitious. —gieripheid, love of praise, ambition. —Aunkeren, to be greedy of praise. —lied, —tang, hymn, anthem, offertory; panegyric. —emaies,centicie,bymn —epraak, prate. --bitten, to praise, to sound forth the praise of. —hater, flattering prairoar, panegyrist. —tuiter(i, flattering, glosing. —tutting, flattery, praise. —waardip, by. & bw. praise-worthy (-21y), laudable (-Illy). — waardigheid, praise-worthiness, leuda Witty. Lao lijk, by. & bw. praise-worthy ( -11)0,1 ;rude ble ( . —held, v. praise- worth'ness, laudablenese. Log, be. & bw. heavy (-11y) slow (-1y), doll (-y); unwieldy. —gat, bad seller. Log, V. log, —book, log-book. —paten, limberholes. —glas, log-glsee. —lijn, log-line. —plankje, log-plank. —rot, log•wheel. —tafel, log-board. Logarithms., v. logarithm. Logo,r. box; lodge. Logeereo, on. w. Olive, to lodge. Leegesnent, o. hotel, inn. —header, hotel-keeper, inn-keeper. Logen, v. Lie Leugesa. —straffen, to give the lie to, to belle. Loggen ,ov. w. to heave the log. Logger. m. lugger. —seil, lug-sail. Logbeld, v, heaviness, slowness, dullness; unwieldinees. Lsaglea, o. dwelling, lodging. Ledge!), be. logical, discriminating. Lok. v. lock, tress, curl. Lok ken, ov. w. to bait, to decay, to allure; to attract; to entice, to inveigle. —aae, — .144 bait,• decoy. —risen, to bait, to decoy. —brood, bait, paste used as 11, belt..—dust, decoy-pigeon. bird-call, cat-cell. —eend, decoy•duck. —geld, —gift. bribe. —mere, decoy-titmouse. —nsiddel, enticement. --rink, decoy-finch. —vogel, decoy-bird —woord, fawning word, enticing word. —fiend, hi, . alluring, enticing. —her. na. decoy-bird; allurer, enticer, Inveigler. Loki, fg, be. looked, curled in locks. kt.ok king, a, alluring, allurement, enticing, enticement, inveigling. —eel, o decoy, lure, enticement. —stir, v. allures, enticer, inveigler. 1,01, v. fun, frolic, clout, rag. 1,911 cae, on. w. to wawl, to caterwaul, to bray, to brawl; to warm one 's veil on a fire pot. —epot,ltre. pot, warming pan.—er,m.—eter.v.brayer.brawier. Lomburd, Luniberd, m. Lie Lommerd. Lommer, v. eh ade, —r(gc, shady, shadowy. —rijk. held, shadiness. — achtig, bv. shady. Lanimerd, m. lombard, loan-office, pawn-broki peatabliehment. in de--, at the pawn- broker's. —briejje, pawn. broker's duplicate, ticket. —hou• der, pawn-broker. —vrouw, female pawn-broker. —en, on. w. to mire. Lommer en, on. w. to lie (to sit) in the shade. —ig, by. shady, shadowy. Lomp, be. & bw. clumsy ( ily). awkward (-1y), dull (-7); unmannerly, impolite(-!y); big, gross. Lomp, v. rag, tatter; lump-sugar, — ingaarder,
A FS. 390 Afbpoel en, ov. w. to wash (awhy), to rinse; Alsijpelen, en. w. tee trickle down, to distill. to drink down, to drown. —leg, v. leashing Afaeorren,ov. w. to pull (to pluck) off. (away), Afslaan, ov. w. to beat (to knock, to strike, to v. agreement, appointment. cut) off; to beat beck, to repulse; to refute, to Afsprank, deny, to reject; to abate, to loosen the price of; Atepreken, ov. w. to agree (upon), to appoint, to concert, to bespeak. to sell by inch of candle; to drub, to thrash; to Afepringen, on. w. to leap down, to jump off; unbind (era zest), siin water —, to make water. —, to burst (to chip ; to crack, to fly) off; to ramble on. w. to fall, to go down, to abate. from; to put off. Affilag, m. abatement, reduction, decline, fall; Altstann, ay. w. to leave, to abandon, to part eale by inch of candle. —er, m auctioneer. walle t.) yield, to resign, to abdicate; on. w. to Afelaven (z5eh), 0. w. Zie Afeloven. stand off. Afsileepen, ov. w. to drag down. Afstantna ening, m. & v. descendant. —en, on. eifedUp en. ov. w. to grind off; to blunt; to tette w. to descend, to owing from; to desire. —leg, off by grinding, to polish. —er, na. grinder; polish. v. descent; derivation. ;entitling off; polishing. ere —leg, v. A falUt emu, ov. & on. w. to wear out, — off, —ing, Aistanspen, ov. w. to pound off; to wear out by stamping. v. wearing. out, — off, wasting. difference; resAfaihegeren, no. w. to sling (to tots, to hurl) Afstnnd, m. distance; interval; ignation; abdication. — risen van, to give up, off; on. w. to be hurled off. to WaiVa, to reject; sie Mstann. —sw(mer,itinArnie'ix en, or. w. to wear out slovenly, to spoil. erary. —er, to. cloven. —ing, v. wearing out, spoiling. Afeltre vas (Melt), t. w. to drudge, to time, to Afkit apnea, on. w. to step down, — off; to alight; — van, to give up, to leave off, to waive. toil and moll. —er, m. drudge, toiler. —ing, V. Afeteken, ov. w. to cut (to take) off; to cut (the drudging. throat); to rack, to drew off from the lees; to ov. w. to Flint (to lock, to Ler) up, Afelnit mark out, to pitch; to fire. to discharge, to let to bolt; to fence (to hedge) in, to separate by toe! —, to outdo, to get the better of. —, off, do a partition; to close, to settle, to balance. —ing, by. on. w. to go off; to contrast (with). v. locking (barring) up; enclosure, partitioning; strong, glaring. fence; settlement, balance. (fate), o. sitatei is peen —, delay is no neglect, Afestiakken,ov. w. Zie Afeneljt en. omittance is no quittance. Afsasseek en, ov. w. to implore, to deprecate. ov. w. to steal (to rob) from. —er, rn. —tier, v. implorer. —ing, v. imploration. Afetellen,en, ov. w. to put off, to remove; to Aft/weft e,n, or. & no w. to melt off. —ing, v. Afetell dismiss; to abolish, to bring out of use. —itsg,v. melting off; eliquation, fusion. dismissing, 'suppressing. Afsmereee, ev: w. to wipe off; to take off; to Afetenears en, no. w. to vote against, to nagesmear entirely; on. w . to let off grease. tive, to reject. —ing, vr. voting against, rejecAltretvefjten, ov. w. to fling (to hurl) down. tion. Afszsner ee, eve, oe. w. to growl (to snarl) at. —er, Afeteumpel em, ov. w. to stamp; on. w. to finish —ster, v growler, snarler. stamping. —ing, v. stamping. Alenede, v. section, paragraph; taesura. , en, on. w. to die, to expire, to depart Afenitiet en, ov. w. to cut —, to clip (off), to (Eaters this life; to die (to), to withdraw (from); to pare; to curtail. —er, m. cutter. —ing, v. cutting diminish. —en, o. —ing, v. decease, death. off —yet, o. cuttings, clippings, shreds. Aftetla gen, on. ve. to alight; to dismount. Aftintpperen, ov. w. to chip(to snip)off. Afenoel en, cv. w to lop (to prune, to clip) off. fife toffee, ov. w, to dust, to clear from duet. Afatonepen, ov. w. to blunt,to —leg, v. lopping (clipping)off. —eel, o. loppinge, Afetoonien„ on. w. to go down (by steam). clippings. to push down, — off, to Allmon en, ov. w. to take off, to snuff. -esti, Afetoot en, ov. w. thrust off. —ing, v. repulsion. o. snuVings, candle snuff. &Wort 4, 11, no. & on. w. to precipitate; to hull Afepanen,ov.w. to slice (to cut) out. (to tumble) down. —ing, v. tumble, fall. Afeptenn en, ov. w. to unbend; to uncork; to Afetrteff en, ov. w. to chastise, to correct. —er, unyoke, to untearn, to unharness, to take out; m. chastiser. —ing, v. chastisement, correction. to span, to measure by spanning. —ing, v. un- Andra] en, en. w. to beam, to shine, to stream bending; unteate ing, tilting out. down, to irradiate. —ing, v. splendor, Irradiation. Alfeeteeiden, ov, w. to unpin. A fottrUden, ov. w. to wear out by fighting; to A fepralon, on. NV, to play off (out); to tare (een dory, to contest; on. w. to finish fighting. biljartbal, on. er. goed —, to play well one's card. AfatrUKen, ov. w. to strike (to rub, to wipe) off, Ilifngeeterd, ov. w. to take from the spit, off. take down; to strike level; to iron. Ateplegel en, no. w. to reflect. —ing, v. nflee A to fetrooneen, on. w. to stream (to How) down. Afetroop en, ov. w. to strip off. to skin (een Areptd .ten, on. ',v. to finish dinner, — supper. rat); to strip (een keen); to flay (een yes); to unA fleplesneee, ov. w. to spin off. ease (een konijn); to ravage. —er, us. eavager. Afetett tete. iv. w. to take off by digging. Af:;tult en, on. w. to rebound (from), to glance ekreeeiti (lien, on w, 1.o alit (to eplit, to crack) off off; to fall (against), to prove abortive (by). —ing, fife eiSluter en, ov. & ors. w. to eplinter off, v. rebounding, failure. a e — tog, v. divciurimsdloii. t I e
The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]
Motto (saot'to), a. motto zinspreuk. Mortar (moeter), a. mortier,vijzel, mortel. Mortgage (mor'gidzj) - a, kusting, verbena, by- Mould (troold'), a. slot; aseale; schimmel; vorm, mei. —candle, gegoten kaara. —warp, mot. —, potheek. —, v. a. verpanden. —e (-ge-dzjie'), P. v. a. vormen, mallen; v. n. bescbimmelen. —able, hypotheelc-honder. —r, s, verpanden, hypotheeka. vormbaar. —er, a. vormer. —er, v. a. vernemer. Mortis' crone mur-tif'ur-us), a. docdelijk, Ter- brokkelen; v. n. vermolmen. —iness (-i-ness), a. beschirnmeldheid. —ing, a. hollijst; —plane, derfelijk. —ication (mor-tif-i-kee'sjun), a. dooding; greet-, kraalschaaf. —y, a. beschimmeid. kastijd7ing; grievende vernedering; hartzeer ; Moult/let (mool'i-net), a. kruisrad, draadkruis; koudvuar. draaiboom. Moral led (morli-faj-id), a. vernederd, gekweld. Moult (moolt"(. a. ruling. —, v. ruien; verharen. —ier, a. die zijne hartstochten doodt. —y (-faj), v. a. dooden, kastijden; vernederen; krenken; —er, a. ruiende vogel; verharend dier. v. n. murw worden; het koud vane krijgen; Mounch (aaaauntaj), v. a. opachranaen. Mound (maaund), a. wal, dam, verschansing zich kaatijden. v. a. verschansen. Mortise (moritis), P. gat, tapgat. v. a. een Mount (maaunt), a. berg; aardhoogte. —, v. a. gat (tapgat) Timken in; invcegen. bestljgen, heklimmen; versieren, monteeren. Niort main (mort'nueen), a. doode hand, once, — guard, op wacht trekken. she —8 twenty guns, vleemdbear goed. —pry (-pee), a. achteratallige bet achip voert twintig stukten. —, v. u. stij• betaling. gen, klimmen. —able, a. beklimbaar. Mortress (mor'tress), a. ragout, hoendersoep; Mountain (maaun'tin), a. berg. —antelope, blippoespas. Mortuary (mor'tjoe-e-rih), a. lijk-, begrafenis-, grit. —ash, sorbenboom. —arena, bergaujelier. —balm, bergmunt. —bleu, bergblauw. —cat , —, a. begraafplaata; legaat tot een vroom duel. loath, lynx. —cock, berghaan. —cork, (soort van) Mosaic (mo-zee'lk). a. mozaIk, ingelegd werk. ateeovlaa. —crystal, bergkristal. —damson, (snort —, —al, a. ingelegd; mozaIsch. van) bitterhouthoom. —egg, ber g ei. —green, bergMoslem (rnoe'lim), a. muzelmansch. s. Muroen. —heath, steenbreker. —laser-wort, bergzelrnan. omijn. —linnet, gemeene vlaavink. —man, bergMosque (monk), a. naoskee. man. —paper, zie —cork. —pass, bergpas. —pine, Mosquito linus-ki'co), a. mushiet. bergden. —rose, alpenroos.—soap, bergzeep.—wine, Moss (MOSS', a. mos; rnneras. —campion, madebereost. —eer (-ier'), a. bergbewoner; atruikMalaga-wijn. —clad, —grown, tiefje, rearia-roosje. roover. —owl, a. bergaehtig. —ousness, a. bergach—rose, mosroos. —rush, moerasbies. —trooper, struikroover. —, v. a. met mos bedekken. —rims tigheid. (-si-news), a. bemoatheid. —y, a. bemost, moasig. Mountebank (maaun'te-benk), a. kwakzalver. —, v. a. bedotten, bedriegen. Moat (moos0, a. incest. —, ad. meest, men —, s. meest, hoogst. at the —, ten hoogate. for the Mount eel (maaant'id), a. opgeateicen;uitgerust, gewapend; gemonteerd. —er, a. bestijger; bank— part, meesteneleels. —ly, ad. meestat, meetheader. —ing, a. opstijging; uitrusting; het montendeels. teeren. (mos'tilr), a. Zie Mauistlek. Mourn (mcorn'), v. a. betreuran; v. n. treuren; Mote ;moot), a. stofje, ziertje; splinter, •ouwen, (at. for. orer).—er,a. treurder; rouwdraMotet (mo-tet"), a. motet. Moth (moth'), s. mot. —eaten, door de mot ver- ger. —ful, a. —fully, ad. treurig, droevip,—jaitness, teerd. mottenkruid. —wort, St. Jan's a. treurigheid. Mourning (moorn'ieng), a. rouw; rouwgewaad. kruid, irfjvoet. —y, a. vol motten. Mother (muth'ur), a. moeder; moat-, drab. — of first (deep) —, aware rouw. second (half)—, Hate pearl, parelmeer. — of thyme, wilds thym. —. A. rouw. —crape,rouwftoers. —suit, rouwkleeding. (inaua'),eamnis.—bat,vledermuis.—buttock, mot—church, Mouse moeder-, moederlijk; natuurlijk. staartatuk. —color, grijs. —dung, muizenkeutela. derkerk. —clove, motrnagcl. —country, moederland. —fits, mosderkwaal. —in-law, schoon-, —ear, muizenoor. —hawk,muievalk. --hole, muizengat. —hint, muizenjacht; -anger. —tail, mutstiefmoeder. —lobster, groete zeekreeft. —spot, woedervlek. —tongue, meedertaal. —wit, gezond , zenetaart. —trap, muizenval. Mouse (maux'). v. a. verseheuren; sjorren; v. n. verstand. moederkruid. muizen; slim zijn. — r, P. meizenvanger, muiskat. Mother (muth'ur), v. a. ala kind aantemen ; v. n. bezinken; stremmen. —hood, a. murder- Mouth (mouth'), a, mond, mail, bek; monding; Ingang. by word of —, monaeling.from bast/to—, sehap. —less, A. rnoederloos. —like, a. moedervan de hand in de tan d. de=an in the —, neerslachaehtig. —ly, a, & ad. moederlijk. —y, a. drabbig, tig. to make — s, een scheef geziebt trekken. —extroebel. penses, host-, tafelgeld. —friend, sabijnvriend, Mothy (moth'ih), a. vol motten. -vriendin. —ful, a. mondvol. —glue, mondlijm. Motion (mo'sjun), a. beweging; voorstel, matte. —honor, geveinsd eerbetonn. —made, a. met den —, v. a. & n. voorstellen. —er, s. voorsteller mond. —picae, mondotuk; woordvoerder. —less, a. onbewrgelijk. Mouth (n2auth'), v. a. met den mond vatten; haubewegend. —e, a. hew ea. A. Moth' a Inao'tiv), 1 wen; uitbulken; uitacheltlen; v. n. schreauwen, reden. —ity (-tiv"it-tih), s. beweegkracht. laid mpreken. —ed,a.veqz can' mond voorzien. —er, Moti.ay (mot'lib), a. boat, gesehakeerd. s. eehreeuwer. Motor (nto'tur), a, beweger; drgfrad. —y, a. beMot' able (moerlb1), A. beweegbaar. —ableness, wegend, aandrijvand,
0 ezlen„ by. esteemed, in esteem, regarded. Gezift, o. sifting, garbling, sorting. Gezln, o. family, household. GezInd, by. inclined, disposed. —heed, v. inclination, disposition; persuasion. Gezindtes, v. community, church,sect. Gezoetif, by. sought after, desired, beloved, in demand, in request; affected, studied, far fetched. —heid, v. affectedness, artificialness. CIOZOOli, a. seeking, search. Gezenfas, a kissing. Gezond, be. & bw. healthy (-ily); wholesome (-1y), salubrious (-1y); sound (-iy). — snakes, to cure. — worden, to recover. —cerstand, common sense. — clench, live beach, quick. — in bet geloof, orthodox. de cook is —, all is well how. frisch en— , in good health, brave and hearty. Gt. ondlaeld, v. health; wholesomeness, ;salubrity; soundness, erne inetellsn, to drink a health, to give (to propose) a toast. op he — drinkers van, to toast, — the health of. awe —, your health! here's to you! of/icier can —, surgeon. —softest, certificate of health. --abron, wells mineral waters. —abitfer, 'sanative elixir. —spardel, sash, girdle, — steer, hygiene, dietetics. —el oettand, state of health. G ezou ten, by. saltedhowdered, cornered. Gezucint, o. sighting, sighs. ...IP, 0. toping, tippling. Gezut.terte, v. me. sinters. Gezuurd, by. soured, leavened. G ezvvent, o. swaying, wielding, brandishing. Gezwabber, o. swabbing, mopping. Getz wisteere, m, ma. brothers-In-law. Gez wee f, o. sowing, hoverfng. Gez weer, o. rwelling, ulcer, imp osthume. G ez 'sweet, o. aweating, perspiration. Gezwa4,o. swelling, tumor. G ezwetg, o. swallowing; carouse, revelry. Gersveridell, a. swindling. Gezvvenk, is. wielding, brandishing; turning, wheeling about. G ez wet a, o. bragging, swagxering, bluster. (iezwler, s. rioting, revelling. Gezwind. be . & bw. swift (-Iy), quick (-Iy), nimble (-b1y). —held, V. swiftness, quicimees, nimbleness, celerity. Gezwoen, o. drudging, toil, slaving. Gezwollen, be. swollen, blr cited; turgid; bombastic. —heid, v. swelling, bloatednests; turgid. nevi, bombast, born basil y. Gezworen, by. sworn. — a, an. jury-man, member of a jury —en, en. my. jury. & v. guide. Gide, Gleepsnen, on. w. to bray. Glek, v yard, boom. —nil, boom-sail. Geer, m. vulture; swing, turn. —, v. hog's-wash. —arend, bov,e.kite. —calk, gerfalcon. —toolf, ravenous wolf. —motor', martin. fifer to, ov. w. to ;scrape together, to hoard up; on, w. to yaw, to swing, to sway; to stagger; to scream. — bray, flying-bridge. —pont, ferry-boat. Glerig, by. & bw. covetous (-13)„ avaricious (-ly), niggard (-1y). —aard, an. miser, niggard. —heid, v. covetousness, avarice, niggardliness. G tering, v. yaw, twinging.
On February 16, 2018, Coinbase admitted that some customers were overcharged in error for credit and debit purchases of cryptocurrencies. The problem was initiated when banks and card issuers changed the merchant category code (MCC) for cryptocurrency purchases earlier this month. This meant that cryptocurrency payments would now be processed as "cash advances", meaning that banks and credit card issuers could begin charging customers cash-advance fees for cryptocurrency purchases. Any customers who purchased cryptocurrency on their exchange between January 22 and February 11, 2018 could have been affected. At first, Visa blamed Coinbase, telling the Financial Times on February 16 that it had "not made any systems changes that would result in the duplicate transactions cardholders are reporting." However, the latest statement from Visa and Worldpay on the Coinbase blog clarifies: "This issue was not caused by Coinbase."[45]
N, Nab (neb). f. voor Abigail. Nal (eel), f. voor Eleanor; Leentje. Nam (Item), f. roar Araltrosius. Namur (no-rnner'), g. Namen. N*In (nen% rY.•ny, f. voor Ann; Naatje. Nangasski (nen-ge-sa'ki), g. Nagasaki, Napier (nee'pi-ur), m. Napier. Naples (nee' ph). g Napela. Napoleon ,ne-nr:'11-ort), m. Napoleon. Nat (net), f. your Nathaniel. Nathan (nee'then),m. Nathan. —Lel (ne•then'1•1), m. Nathaniel. Nava•re (ne-vear'). g. Navatre. Nazareth (neee•reth), g. Nazareth. Neagh (rtie, ni'e), g. Neagh. Neapolitan (ni-e-poin-ten), a. Napalitaanech; 1. Napolitaan. Nebuchadnezzar (neb-jae ked nez'zur), rxt. Nebukadnezar. f. voor Edu,rd. Ned (nee), Negroland (rit'gro•)enti), g Nehemiah (ni- he-mare), m. Nehemia. Neil (sell'), —y, 1', vane Eleanor 4. Helen. Nelson (-nel'sn), ra. Nelson. Nemeals (nem'e.sis), my. Nemesis. Neptune (ncp'tjoeni, my. Nepturtus. Nerelds (nt'rt-idz), MT, Nertiden. Nestor (nee'tur), in. Nestor. —iant {-to'ri-enz) r. Nestorlaneu.
Torts ouo (rorrjoe-ttn), a. gekrnnkeld, gedraald. -osity -ousness, s.gedraatdheld, kronketing, krocamIng. Torture (torrjoer), 5. ',bulging. tottering. -, v. a. ptjnigen, folteren. -r, s. pijniger. Torvous (tor'vz, 4), a. bench, norseh. Tory (Willi), 5. Tory, koningsgezinde. Tose (too.), v. a. karnmen, kaarden. Toss (toss'), 5. warp, stout, ichndding. -pot, zuiplap. v. a. werpen, smijten., slingeren; solleu; verontresten; overleggen; (about) heel en weer alingeren; (off) leegdrinken; (up) in de boogte werpen; v. n. sich been en weer bewegen (op) opgooien. -el ( - ii), s. Zie Tassel. -er, a. werpen, slingeraar. -Sag, a. gealinger; schudding; gesol.

Wat bedoel je met Bitcoin

×