220 Phaeton ffee'i-tun), a. phaeton (rijtuig). Phalanx Ifee'lengks, tel'engka), s. phalanx, gesloten krOgsbende, lidheentje der vingcrs en teenen. Phantasm (fen'tezm), -a (-tes'ine), s. droombeeld, heraenachim. -aftoria (-go'ri-e), a. vertooning van geestverschuningen. Phantom (fen'tum), 8. spook, droombeeld. pharis ale (fer-i-seelk), -aical, -ean (-si'en), a. farizeesch, schtinhoilig. -aiim (fer'l-see-itm), a. leer der Farizten; sebijnheiligheld. -ee (fee1 ale), a. Farizeer; achijnheilige. Pharsnac antic (faar-me-ejoe'tik), a. van de artseniamengkunde. -entice. pl . -y (faaeme-sih), artaenijmengkunde. -opceta (-ko-pi'e), s. arteenijboek. -opoliet (-kop'o-list), a. artsenijbe;elder. Pharos (fee'ros), s. vuurtoren. Pharyn gotonoy (fer-in-got'um•mih), a. luchtpbpsnede. -x it fer'ingks), a. strottenhoofd. plans e (feez), -is (fee'ais), a. schijngestalte. pheasant (fez'ont), a. fazant. painted -, gondlekensche fazant. pencilled -, zilverlakensche fazant. -poet, fazantkuiken. -walk, -ry, a. fazantentuin. Phees e ;fiez')., a. kwade luim. -e, v. a. hammen, rossen; mishandelen; verminderen. -y. a. elecht geluimd. Phenix (11'niks), a. tenths. Phenomenon (fe-nom"e-non), a. versehijnsel. Phial (faj'el), R. &genie. -, v. a. in can fieschje bewaren. Philanthrop ic (111-en- throp'ik) , -ical, a. menschlievead.-ist(fl-len'thro-pist),s.menschenvriend. -y (f1-!en'thro-pih), a. menschenliefde. Philippic (11-lip'pik), a. smaadrede. Philolog ar (ti-loVud• zjur) -int, e. taalgeleerde, philoloog. -ic, -ical (fil-o-lnd'zjik-), a. taalkundig, taalgeleerd. -y, s, taalwetenmchap, taalgeleerdheid. Philont nth (111'0-meth), a. beminnaar der geleerdheid. -el, -ela (-mi'le), a. nachtegaal, filomeel. Philonoph er (11-los'o-fur). s. wijageer. -ic, -ical, (fil-o-zorik-), a. wijageerig. . (-fizm), a. valsche wijsbegeerte.-ist,s.schunaqze,schijnphilosoof. -ice (-fajz). v. n. philosofeeren. -y, s. wijabegeerte; natural natuurkunde. Philter ilPturi, a. minnedrenk. -, v. a. door een' minnedrank betooveren. Phi. (fiz), s. gezicht, tronie. Phlebotom fat (fle-bot'o.mist , , 8. aderlater. -ice ( majz), v. a. aderlaten. -y, a. aderlating. Phlegm (flem), a. slijm, waterig yacht; coverschilligheid, kcelheid, bcdaardheid. Phlegm agogue (fleg'me-gog), a. slijmafdrijvend middel. -atic, a. -atically, ad. (metlk•)., alijrnig; onverschillig, koel, bedaard. -on (-mun), a. bloedzweer; ontsteking. -canoe ( - mun-ua), a. ontstoken. Phleme (fiiem), s. Zie Fleam. Ohloglst lc (fio-dzjisqik), a. brandstofhoudend -on (-tun , , z. brandatof. Platen", (fl Zie Phenix. Phon etic (fo-net'ik), a. van den klank; blankaanduidend. -etics, pl. -ice (fon'iks), a. geluid..

Circumvent (our-bum vent'), v. a. misleiden, I v. a. doen kletteren; v. n. kletteren. —or (kleng' verstrikken. —ion (-ven'sjen), a. onderkruiping,I gun), a. gekletter. misleiding. —ive, a. verschalkend, bedriegelijk. I Clank (bleak), a. goratel, gekletter. —, v. n. ratelen, kletteren. etrenttivetti tsur-bum Nest'), v. a. random be- Clap (klep'), a. slag, kraal; donderslag; handgekteeden. Circ nonvolation (Bur bum vu lee'sjun), s. om- kiap; ontsteking. at one —, eensklaps. —board, i maanstuk, duig. --bread, krakeliug. —dish, houvtieging. Circn ut volution (our kum.vo ljue'sjun), a. , ten bard. —net, Blagnet. —trap, kunstgreep. I Clap (klep), v. a. toejuichen: sanhechten, bijrondomwenteling. Clreutinvolve (stir kum-volvi), v. a. rondom. voegen (to); toestaan (to); beametten. —spurs, de ' aporen geven. (into) opsluiteu. (on) aandoen; roller. Circus (sur'kus), a. circus, renbaan. — all sails, alio zeilen bijzetten. (up) noel tot Cisalpine (sis-el'pin), a. aan deze zijde van! stand brengen; vaatzetten. (up together) inpakde Alpen. I ken. (upon) zetten op. — a trick upon one, remand Cistercian (sis.tur'sjen), s. cistereiewer,monnik. I eene poets spelen. —, v. a. in he handen klapCistern (sis'turn), a. waterbak, ppen; knallen. (in) beginnen. —per, a. toejuicher; lepel; klopper. Clsttnta (sisAus), a. steenroos. Clapperclaw (klep'pur-klao), V. a. bekijven, Cit (sit), epitaburger, stee-aap. uitschelden. Citadel (alt.'s del), s. citadel; vesting. Cit al (sartel), a. dagvaarding; aan haling, —ation, Claret (klar'it), a. roode wiji, (-tee'sjun), s. dagvaarding; aanhaling. —atory, Claricord (kle'ri-kord), s. claveeimbaal. (-te.tur rill), a. dagvaardend. —e (aajt), v. a. aan- Clarif ication (kler.i-fi-kee'sjun), a. klaring, zuivering. —y (kler'i faj), v, a. zulvering; v. n. balen; dagvaarden. —er, s.aanhaler; dagvaarder. klaar warden. Cite. (ait'est), a. atedelinge. Clarinet (kler'i-net), a. klarinet. Citliern (sith'urn), a. harp, citer. Citizen (sit - izn), s. burger; stadsbewoner. ¢ —ire Clarion (kler'i-un), a. klaroen. (-ajz), v. a. burger waken. —ship, s. burgerrecht. Clarity (kler'it-tib), a. helderheid. Citrine (eit'rin), a. donkergeel. —, B. citroen- Clary (klee'rih), s. scharlei. Ciarty (klert'ib), a. sliikerig. kleurig kriatal. Citron (eterua), a. Citroen; citroenboom. —wa. Clash (klesr), a kleto, stoat; tegenaprauk, tegenstand. —, v. a. stooten; doen kletsen; v. n. ter, citroenbrandewijn. klinken, kletaen. (with) strijden tegen, aandruiCitriti (sit'rul), a. watermeloeu. schen tegen. —illy, a. botsing, kletsing; aandruiClty (sit'tih), a. (bisechoppelijke) stad. —, a. aching. stedelijk, steedsch. Clasp (klaasp), a. haak, brain, klamp, gesp; Civet (siv'it), a. civet. --cat, civetkat. orshelzing. —, v. a. toehaken, vastklampen; Civic (siv'ik), a. burgerlijk. —crown, burgerkroon. omhelzen. —arm (of an iron knee), tab (eener Civil (siv•il), a. —ly, ad. burgerlijk; minzaam; ijzeren kale). —headed-nail, —nail, duiker. beseliaafd. —list. civiele lijst. —law, burgerlijke wet. —inn (si-virjen), a. burgerlijk ambtenaar; —hoop. spijlband (om den mast). —knee, knit beoefenaar van het burgerlijk recht. —ity (si-vil'it- met lijf en tab. —knife, knipmes. —er, a. haakje; tib), s. wellevendheid; minzaamheid. —izution rank (eener plant). (-i-zee'sjun), a. beachaving. —ize (-ajz), v. a. Class (klaas), a. klasse. —, v. A. rangschikken. beschaveu. Classic (ictes'sik), —al, a. klassiek. —, a. klasChian) (siv-izm), s. burgerachap, -zin, -deugd; aiek schrijver of week. Classif 'coition (kles-si-ii-kee'sjun), a. indeeling vaderlandsliefde. in klassen. —y (liles'ei-faj), v. a. rangachikken Clack (klek), a. geklep; klap; gekakel. —, v. n. kleppen; babbelen. to — wool, het meek nit de (in klaocen). (klet'tur). a. gekletter, gerammel, geraas. Clatter schapenwol snijden. —, v. a. doen kletteren; v. n. rammelen, klateClad (bled), a gekleed. ren; babbelen. —er, s. levetunaker, babbeloar. Claim (kleem'), a. eiach, aanspraak (to). —, v. a. eischen. —able, a. vorderbaar. —ant, —er, a. Claudicat a (klao'di-keet), v. n. hinken, mank eiseher. roan. —ion (-kee'sjun), a. (het) mank loopen. Clara (klem), v. a. vastlijnien; v. n. vastkleven. Clause (klaoz), a. volzin; zinspreuk; voorwaarde. —miness (mi'ness), s. kleverigheid. —my, a. kle- Clanstral (klaos'trel), a. kloosterlijk. Clausure (klao'zjoer), s. opsluiting. verist, vochtig. Clavated (klev'eet-id), a. knoeatig. Clamant (kIee'rnent), a. emeekend. Clavicle (klev'ikl), s. sleutelheen. Clanibar (klem'bur), v. n. klauteren. (Mao), a. blown; schaar; beak (eener dreg). Chow Clamor (kleninr), s. geachreeuw, getier. —, —, v. a. krabben, klauwen. (away) doorhalen); v. it. schreettwen, tieren. —ous, a. —.sly, ad. afdoen. (off) afscheuren; bekelen, afrossen. schreeuweud, tiereed. (out) uttldeeden (kmands geld aftrochelen). Clamp (kiemp), s. klamp; atapel; aware teed. —, v. a. vhstklampen, lasschen; v. n. zwaar loopen., Clay (klee'), a. klei, Teem. —, v. a. met klei Clan (klen), s. stain; geslacht. 1 bedekkeu, - zuiveren. —cold, a. ijskoud. levenloos. Clandestine (iden•clem'tin), a. —ly. ad. heiinc- I —ground, kleigrond. —land, kleiland. —marl, lijk, steelswijze. —trade, sluikliandel. 1 kleimergel. —pat. leemput. —stone, kalksteen, let:ulster' , --ey (klee'ilt), —ish, a. kleiachtig. Clank (kleng'), s. schelJe klank, gekletter. —,
121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;
(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al,

cryptogeld t-shirts


dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.
(-egt), v. a. verscheureu. —lion (-ee'sjun), e. ver- iLnity s. (de) leeken, ;eekenstand. l.taIL e (leek"), a. meer; poel; karmozijn. —elet (-lit), Seiteuring. —tire (-e tiN), R. veracheurend. e.neerta (le-Feete), s. hagedis. a. meertje. —y, a. van een meer. ii.nchry ma I (lek'ri-niel), a. tranen verwekkend; Lamb (1cm'), e. lam; lamsvleesch. —ale, sae., feest. —'s-lettuce, vel.daalade. —'s-quarters, wilde traan-; — glands, trannklieren. --ry (-m' -rib), a. melde. —'a skin, lemsvel. 's-stone, lamanier. —'atranea bevattend. —tion mee'sjun ), e. ihet) wee- tongue, lamstong. nen. —tory (-me-tur-rih), s. traanflexch, tram- lame•ol; appelbier. Lamb alive (lern'be-tiv), a. dat likkend ingenokruik. Lack' fat e (le-ein'i-et), —d (-eet.id), a. met fran- men wordt; lik-• a. likartsenij. —eat, a, likkend; je, gezoomd; uitgetand. glijdend, spelend; a. getongde ► eeuw. Lack (lek"), o. gebrek, geniis; Ink (100.000 ropijen). Lamb kin (lem'kin), a. lammetje. —like,a. zachtnardig, gedwee. -, V. a. ontberen, Mi SEEM; v. n. ontbreken. —a-day,. int. helaan ! lieve keine!! —adainical Lame (leem'), a. —ly, ad. lam, kreupel; gebrek(-e.dee'ziki), a. sentimenteel, gemaakt treurig, kelijk. —, v. a. veriammen, verminken. —nest, —brain,domoor. —land, ton- melkmuil. a. lamheid; gebrekkelijkheld. —beard, her land. —linen, tender hemd. —lustre, glans- Lamed (-leet-id), a. bladderig, schilferig. loon. —wit, domkop. Lack., Ilek'ur), s. b,hoeftige; goudlak. —, v. a. Lament (le-ment'), s. weeklacht; treurzang. met goudlak verniseen. v. a. bejammeren, beklagen; v. n. jammeren. —able, a. —ably, ad. Lackey (lek'ih), s. lake), livereiknecht. —, v. a.:& beklagenswanrdig, jammerlijk. —ation (lem-en-tee'sjun), n. als Iakei dienen. n, wee - , jamrnerklacht. 19.8 eon in (le-kon'ik), — ical, a. — ically, ad. kort, o. weeklager. bondig, Jal,onisch. —ism (tek'o•nizm), s. korte, Crevealrsa (lemq-ne), e. dunne plant, bladschilfer. —Ole (-nibl)., a. rek-, pletbnar. —r, —ry, —ted borolige epreekwijze. (-neet•id), a. nit dunne bladen beetaand,schilferig. Lacquer (lek'ar), s. kit Lacher. Lace ary (leic'te-rih), a. melkachtig; R. melkhuis. Laaaesaaan (lem'mes), a. St. Pieter's banden (1 Aug.) (-tee'ajun), s. ranging. —cal (-ti-el), a. at latter —, op St. Junius, nimmer. melkaehtig; de chill overbrengend; —fever, tog- Lamp (lamp'), a. lamp; HOU. —black, lampzwart. —coca (-ti-us), a. —lighter, lantarenopsteker. —stand, lampevoet. boons; a. melkvat. —can Zie Lacteal. —eseence (-tes'sens), s. melkachtig- —waster, nachtbraker. held. —escent (-tes'eent), a. melkgevend. —ic, a. Lampoon ilem-peen'), a. sehimpschrift. —, v. nit enelk verkreken; — acid, melkzuur. --iferous a. hekelen. —er, a. paskwilschrUver. (-tirur-us), a. melkyoerend. Lamprey (lem'prih), a. lamprei. (le-kus'trel, —trier), a. bij of in Lana ry (leegne-rih), s. wolpakhuis. --te ( - net), Lacustr het water groeiend, water—. a. wollig. Lance (laant'), a. lens, apeer. —knight, —man, Lad (led), s, knaap, jongen. Ladder (led'dur), a. accommodation—, staataletrap. lansknecht. —, v. a. doorsteken, met een last. mesje opener, —r, s. lansier. —ropes. valreepstouwen. —way, trapeat. Lade (leed) [laded, laden], v. a. laden, beladeu; Lanceolate (3en'si-o-leet), a. lansvormig. acbeppen.—r. K. leder, belader. Lancet (len'sit), a. lancet, laatvlijm; spitsboogvenster. style, spitsboogatijl. Lading Ileed'ieng), a. lading, vracht. bill of —; vracbtb,ief. eognosse ment. Lanch (laantsj), v. a. Zie to Launch, s. pollepel; schopberd. Ladle Lamina to (len'ai-neet), v. o. scbeuren. —tion Lindy (lee'dih), a. Lady, mevrouw; dame; gale; (•nee'ajun), a, acheuring, veeracheurtng. MU, lieve Vrouw. —bed straw, Land (lend'), IL land, grand. by —, over land. meesteres. our walstroo. —bird, —bug, —caw,—fly,11.even beers- —beef, oosetong (plant). —bred, inlandsch.—breeze, hear tie. —day, Maria-boodschap. —fowl, zekere landwind. —carrel:7k, kustvaarder. —carriage, veteend. —love, liefste, minnares. —mantle, zilver- veer over land. —chain, meetketting. —cod, kakruid, leeuwenveet. —'s-bower,winde. —'a-comb, beljauw. —fall, erfenis van landerijen; eerste land, naaldkervei. —'s-cushion, naveikruid. —'s-finger, dat in 't gezicht komt. —fish, landrot. —flood,overwond-.1idkruid.—'s-fesc-g/oee,waikruid.—'s-glore, strooming. —faeces, landmaeht. —gable, rerponding. grave, landgraat. —graviate (-gre'vi-et), longkruid. —'s-hair, vronwenhaar. —'v-laces, vlankruid —'s-milk, --'s-thistle, vrouwendistel. lendgraarsclap. —holder, grondbezitter. —jobber, —'s-rose, kricho-roes. —'s-seal, stikwortel. —'e- apeculant in landerijen. --lady, grondbezitster; slipper, vrouwenschoen (plant). —'s-smock, water- waardin. —locked, door land ingesloten. —loper, lubber, landrot. —lord, landheer; huisheem award. kers. —like, a. damesachtig, bevallig. —ship, s. —man. landsoldaat. dyscbap. grenspaal; baken. Lag (leg' ► , ft- echterst, laatst; langzaam, traag. —, —mate, landbrurman. —measuring, landmeting. a. (hat) achterste, andante, laatete; heft; achter- —rail, wachtelkoning. —raker, Jandlooper. —rat, bli i ver. —, v. IL talmen, achteraan komen. —gard landrot. —rent, landpaeht. —slide, —slip, aardstarting. --snian, landrot. —spaniel, wachtelhond. ( Kurd), a. achterblijvend, traag. --ger (-gear), a. talmer, aehterblijver. —steward, rentmeester van landerijen. —strait, Laic (leen), —at, a. tot den leekenstand hehoe- Jandengte. —tax, grondbel fisting. —tenant, grandrend. —, a. leek. bezitter. —turn, landwind. —waiter, tolbediende. —wind, landwind. —worker, landbouwer. Lair (leer), s. leger (van een wild dier). linird (heard), s. heer, ambachtsheer. Land (lend'), v, a. ontsshepen. loosen; v. n.
Cork (knack'), a. zorg, bekommering. —, v. n. zieb Cary a (kaarn, v. a. beeldanijden, graveeren; bekommeren. —sag care, knagende zorg. voorsnuden. —er, a. beeldaznjder; vooranijder. Carle (kaarl), s. kerel; soort van hennep. —ing, s. snijwerk. —ing-knife, voasnijmes. Canine (kaarlin), a. everdistel. Cascade (kes-keed), a. waterval. Castings (kaar'liengz), a. sluitklossen. i Case (kees'), a. dons; kart; last; koker; overtrek; Carmelite (kaar'inel-ait), a. karmeliet. geval, omstandigheid; naamval. v. a. in eene Cornsinative (ker-min'e-try), a. verwarmend; kilt of dons sluiten; arstroopen. —harden, windenverdrijvend. v. a. hardon. —knife, acheedemea. —shot, schroot. — worm, etrooworm. Carmine (kaar'main), a. karmozijn. Cairn age (kaarinidz) , , a. bloedbad. —al, a. —ally. Casemate (kees'meet), a, kazemat. ad . vleeschelijk. —alist. a. wellusteling. —ality Casement (keez'ment), a. draairaam. zinnelijkheid. —at ion (ker-nee" Caseous (Itee'si-us), a. kaasachtig. sjun), a. vleescbkleur; nnjelier. —eous (kaaent- Caserta (kee'surn), a. kazerne. us), —ous, a. vleescheliik. —ifieation (kaar-nif-i. Cash (kes)'), a. gerund geld, kas. v. a. tegen kee'sjun), a. vleeechwording. —ify (-ni-fai), v. n. specie verwisselen. —book, kasboek. —ier Ikevleeech worden. —iv/a (-ni-vel), a. karneval. ajler'), s. —keeper, kashouder, kaasier. —ivorous (ker-niv'o rues). a. vleeachetend. -salty Cashier (ke-sjier'j, v. a. afdanken. a. wild vleeach (in eene woad), Cashmere (kesfmiery, s. kazimier, Carob (ker'ub), a. St. .lanabrood. Casing (keea'ieng), a. foudraal, omkleedsel; Carol (keen!), a. lofzang. —, v. a. bezingen; koker. —paper, pakpapier. v. n. lofzingen. Cask (kaaak';, a. vat, ion. —, v. a. in vaten don'. Carotid (ke-rot'id), a, halsader. —et, a. kietje, kotfertje. Carol's sal (ke-rau'zel). s. zwelgpartij. —e (ke- Casio° (kesic), a. helm, stormhoed. rauz'), v. n. zwelgen, slempen. —er, a. zweiger. Caseation (kes-see'sjun), s. vernietiging; canCarp (kaarpn, a. karper. —, v. n. vitten, —er, a, satin. bediller, vitter. —ing, ia. scherp, hekelachtig. Cassia (kes'aji-e), a. cassia. Canteen ter (kaar'pen•tur), a. timmerman. —try Cassldony (kes'sid.dun-nih), s. lavendel. s. timmerwerk. Cassock tkes'suk1, s. priesterlijk onderkleed. Carpet (kaar'pit), s. vloerkleed. —, v. a, met ta- Cassowary (kes'so-wee-rih), s. kasuaris. pi(jten beleggen. —knight, saletionker. —ing, a. Cassweed tkes'ivied), s. herderstasch (plant). tap(jtwerk. Cast (kaast'), s. worp, slag; vorm; gedaante; Carriage (keeridzj), s. rijtuig; vervo,r; wagen- gietsel; bonding, uiterlijk; blik. —away, s.verstel; affuit; hooding; gedrag. worpeling. Carrier (ker'ri-ur), S. voerman; brcnger, bode. Cast )kaast) [cast], v. a. werpen, strooien; neder-, Carrion (ker'ri-un), a. ass, kreng. —, a. rottend, at-, uit-, ontwerpen; gieten; berekenen. afdan• stinkend, op kreng azend. ken; vcroordeelen. — (away) te gronde riehten. Carrot (ker'rut). s. gele wortel. —y, a.•roodach- (by) situ ggen; verwerpen. (down) ter neder slaan. tig; roodharig. (forth) verbreiden. (off) of-, verwerpen; loslaten; Carrow (ker'ro), a. rondreizende speler. vooruitsnellen. (out) wegjagen; uiten. (up) opCarry (keerih), v. a. dragen; brengen; vervoe- rekenen; opsiaan; braken. (upon) werpen op; run; vseren; erlangen; bewerken; bevatten; overlaten. —, v. n. (krom) trekken, werken; v. n. § dweepen, jubelen. —one's self, Melt gedra• overleggen. (about) zich ronddraalen; overleggen. gee. — the day, de zege behalen. — it, Ain doel Castanet (kes'te-net), s. klaphoutje. bereiken. — at high, eene hooge horst zetten. Casteil an (kesitel-len), a. slotvoogd. —any (-lenih), s. slotvoogdij —ated, a. kasteelachtig. -(away) wegvoeren. (forth) vertoonen. (off) ten grave alepen; behalen. (on) voortzetten; bevor- Caster (kaast'ur, a. werper; gieter; berekenaar; deren. (out) te berde brengen; tot stand brengen, rol; strooibus. (through) doorhelpeu; volvoeren. Casters (kaast'ers), a. Wit- en azijnatel, Carry-ail (keerib-aol), s. familiewagen. karaffen. Cart (knart'), a. kar, wagen. —, v. a. in eene Icon Castigat a Ikesiti-geet), v. a. kasttjden. —ion (-gee vervoeren. —grease, wagensmeer. —horse, kar- ejun), s. kastijding. paard. —house, wag,enschuur. - load, wagen- Casting (kaastleng),. s. gietsel. —house, ieterij. vracht. —rut, wagenspoor. —way, wagenweg. —net, werpnet. —voice, —vote, beslisseride stem. —wright, wagenmaker. —age, s. karloon. —or, Castle (kaasq), a. kasteel. — in the air,luehtkaas. voerman. tees. —, v. a. rokkeeren fin 't achaakspel). —d, Cartel (kaar-tel'), a. verdrag tot uitwisseIing van a. met kasteelen voorzien. —builder, plannengevangenen; uitclaging. maker. —ry, a. alotvoogd. Carthusian (ker-thjoe'zjen), a. karthuizer mon- Castling (kaastlieng), a. ontijdige vrucht. nil. Castor (kaas'tur). a, Lever; kaetoren hoed. —nut, Cartllag a (kaar'ti-lidzi), a. kraakbeen. —moue purgeernoot. —oil, rIcinus-olie. —cunt (kes-to'ri(-led'zii-nua), a. kraakbeenig. um, s. bevergeil. Cartoon (ker-toen'), s, schets voor muureehil- Castrat e )kes)treet), v. A. ontmannen, snUden dering, kaftan. (kes-tree'sjun), a. ontmanning. Cartouch (ker-toetsj'), a. kardoes. i Casual Ikez'joe-el), a. —ly, ad. toevallig. —ty, Cartridge (kaaetrldzj), a. patroon. toevalligheld. patroontasch. 1 Casuist (keejoe-ist), a. gewetenarechter. —ica
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den

cryptogeld voor beginners


n gooseshooter.—ajoeht, goose-Shooting. —merkf, market. —.pools goose-pond, —nroer, fowlingpiece. —noel, game of goose. ti turneries., an. silver-weed, wild tansy. Gap en on. w. to gape, to yawn, —er,m. gaper, yawner. —ins, y. gaping, yawning; gap; blank. Gard, y. twig., wicker; rod. Garde, v. guard, life-guard; tie Gard. Gardlann,m.gu4rdian,superior. Gnireel, a traces, harness, team; conjugal tie. Garen, o. yarn, thread. getto(ind —, twine. teatlen —, worsted. —bleeker, yarn-bleacher. —fabri elk, thread-manufactory. —hasp et, —winder, reel, yarn-windle. —Stopper, mallet to beat thread with. —Mos, bobbin. —spinner, yarn-spinner. —ttc(inder, yarn-twister. —teinkel, thread-shop. Garen.oy. to gather, to collect; to save. Geri*, v. sheaf. Garment, v. shrimp, prawn. Gar/Anion markt, v. shrime-market. —vanget, shrimp-fishery. —trouts, shrimp-woman. Garnizoen, O. garrison. —.Floats, garrison. Garnituur, o. set; trimming; furniture. Garottg, by. rancid, rusty; misty, rank. —held, rancidnees; nastiness. Gerven, en. w. to sheaf, to make sheaves. Gest, o. gas. —bck, burner. —beretding, gas-burning. —fabriek, gas-works. --light, gals-light. —megas-pipe. —verter, gas-holder, gaeometer. tic/thug, gars-lighting. —vorming, gainflestion. blast, m. guest, visitor; stranger; customer; jourjolly fellow, boon neyman; nag. vrooliake companion. slecht to — goon, to meet with as bad reception. —Seer, host. —holder, inn-keeper, landlord. —hula, hospital; —knecht, hospitalattendant; —meester, —ceder, director (governor) of an hospital; —moeder, matron (directress) of an hospital. —meal, banquet. —recht, right of hospitality. —rol, part performed by a stranger, starring-part. —rotten green, to star it. —mi.. by. & bw. hospitable (-bly) —vrijheid, hospitality. —crusts, hostess. —ereeren, —reeren, on. w. to feast, to banquet. —erij, v. feast banquet. Gat, o. hole, opening, gap, wound; den, burrow; month; !prison: bum, back side, buttocks. ken, to coax. —likker, coaxer. —tikkerii, coming. ov. w. to —enpetiel, —enplateel, colander. Tierce. Gausw, by. & bw. quick (-Iy), swift (-1y), speedy (-1 1 Y) , nimble (-biy); dexterous (-1y). —lief, rogue, rascal, knave, blade; thief, pick-pocket. —dievertj, (roguery, knavery; theft. --end, tn. dexterous Verson, juggler. —Acid, —igheid, v. quickness, iver furless, 'speediness; address, knack, trick, dexterity. Gave, v. 'lie Genf, v. Gazel, v. gazel. Gegen, by. gauze, gauzy. sle1 renter et, by. natured. —held, v. disposItion, nature. Gearnsd, by. & bw. in arm. Gebaar,o. gesture; action; noise, clamor. G aebelard, bv. bearded. Gebabbel., o. babbling, tattle, prattle. GeNti, o. barking, yelping. GI ebtek, o. pastry, sweet-meats.

Wat werd Bitcoins startprijs


W Zit (weet'), s. leer, hinderiaag. to lay — for, —tag, a. — ingiv, ad. zwervend, ronddolend; on;ItaPn Jeggen, strikken apannen. v. a. & 12, zsker, onbeatendig. waeltten, verwachten; vergezellen; volgen. (at) Wane (ween), a. (het) afnemen; vernal. —, v. n. bedl , nen• (for) wachten op. (on. upon) bedienen., afnemen, vervallen. tan dlenste etaen; zijne opwachting rneken bij; Wan mass (won'neie), a. bleekheld, ftetahald. begeleiden; volgen, —er, s. fan (bediende); Op. —nick, a. een weinig bleek, net., ► ammitr; preeenteerblad. a. het wachten. Want (wont), e. behoefte, gebrek, gents; mob. to egeleiden, bedienen; in —, dtenetdoend; —boy, be in — of, noodtg hebben. for — of, bij gebrek loop'Ingen; --gentleman, kamerdtenser; —maid, van. —, v. a. nnodig hebben, behoeven, gebrele —woman, oppasster; kamermeisje; kanienter. —s, hebben *RIO: ontbreken; wenechen, veriangen pi. stadsmurikanten, kerszangers. (van); v. n. gebrek hebben (for, in, lien), rnissen, (weev),.. verstootene. v. a. verlaten;buf- ontbreken; in gebreke blijven; to kort komen ten de beecherming der wetetellen.Zie toWnves. (in), moetim; veriangen1 'ilk, van). —ed, a. noodig, Wreke (week'), 8. (het) waken; nachtwake; kerk- gevrasgd; you are —. !Len vraagt near n. —ing, wijdingsfeeet; kietwater, zog. —robin, arons- a. & part. ontbrekend; behoevend; u1tgezonderd; wortel. v weklren; v. n. waken ., ontwa- s. gebrek, behoefte. —less, a. gegood, welgesteld ken --;uf, a. —fully, ad. weakzaam; wakend. Wanton, (won'tun), a. —/y,ad•wellustig,wuipsch, —fulness, s. waakettamheid; stapeloosheid. weelderig; uitgelaten, dartel, balddadig; vroolijk, (wee'ku), v. a. waken; v. n. ontwaken. echaikachtig; low. —, 8. lichtmle; liehtekooil —er, n. wekker; opwekker. beuzelaar. —, v. n. dartelen, uitgelaten rijn• sitoeien, mallen. —nest, a. wulpechheid, weelWeaver (wee'kur), 8. wekker; welter. derigheid; uitgelatenheid, dartelheid; eehalksch%Val (weal), s. striem, !greet); berghout. held. Walk (want'), n, wandeling; wandelpteats, loon; gang, tred; ruimte. to take a —, eene wandel', ► g Wamentake (wep'n-teek), a. distrikt, kanton; ho nde p rdtael. (teen. —, v. ar. bewendeten, doorloopen; doen etappen; Wet., — the rounds, de rondo doer, (wop'pnd), a. neerelachtig, bedroefd; —, v. n. wandelen, ;roan; etappen; spoken. (about) verwelkt, afgeleefd. rondloopen. (in) bienentreden. (off) rieh wegina- War (v, aor'), s. oaring, keijg; wapenen; legermacht; vijandetUkheid. to be at —, in oorlog On. ken (on) voortwandelon. (out) uttgaan. —er, e. to make (on, upon), den oorlog aandoen. wandelaer, voetgenger; voider; boachwachter. —beat, —beaten, —worn, door oorlogen uttgeout. ---ing het wandel en; —cane., —staff, —stick. wandelstok; --fire, dwaa I ileht; —place, wandei- —cry, oerlogskreet. —horse —steed, strijdros. —effiee, minieterie van oorlog. —proof, tegen een' pleats. %Vail (wao!P ► , rt. moor, wand; wal, veetingwerk. to S•L , A1 beetand; s. beproefde dapperheid. —rocket, give (to take) the—, de hnorer and late n (nemen). congreeische vutriti,j1. —scot, oorlogabelesting. —time, oorlogettid. v. a. beoorlogen; v. n. —creeper, muurepecht. —eye, eroene etAar, glee • oorlog voeren, etrOden (against. upon. with). oog. —eyed,Oaloogic —fern, muur veren. —flower, muurbtoene. —fruit, spalterooft. —gun. --piece, Wart)! to (waor'b1), a. lowing; gekweel; ealtgehaekbus. —hook , muurhaak. --knot, 8childknoop. -e, a. a. & n. kwellen, zingers, kwinke—louse, wandlute. —moss, eikenmoh. —nail, epeleeren; (doen) trillen, —er, e. kweeler; ranger; liernagel. —pepper, muurpeper huistook. —rue, eangvogel. —ing, s. gekweel, moor-,, et eenrnit. --3ided,atijf, met rethte zijden. Ward (waned'), o. wscht, bewaking, hdeeherming; —tree, leiboom. —wert, wilds viler. —, v. A. met afwering; voogdkj; pleegkind; siterkte, vesting; Pe't' moor oenr, en; verstarken; (up) diahtmetsebesetting; gekeneaal; etadswbk, kanton; hech• 1 - a. —ing, s. beuuring; metsetwerk, tents; week lin een slot); eleutelbaard. —mote, NiVallet (waorlit), 8. rei,eak, knepzak; avijkvergadering, eltting van het kantongeeecht. —penni„waakloon. —robs, kleerkas. -room, groote kwebbe. kajnit. --., v. a. bewaken; (from) bewaren, be• (wol'iup), s. horde slag; klomp. v. sebermen voor; (off) ofweren, atwenden; v. n. a. afrossen; v. n- Medea), koken. woken, op eijue hoede zijn; rich dckken. —en, Wallow (w WIG), o. waggeing, draaiende gang; (weord'n), a. oprlener, bestuurder, hooldnnan; wenteling. —, v. a. & n. (etch) rotten, wentelon. rector; voogd; opsiener der out zeehavens; ponds—er s. ear viw entelalr; rondsel. a. voxpeer. —ens ,iip (waord'n-), a. opeienerschap; reeseheald, smakelooe. ithneu, a. verechaaldheid ; torachap; voogdijschap. —er, s. wachter, be smekeloosheitt. aarder; herautestaf. s. voogdij; minderWn Inuit (witornut), a. okkernoot; notehootn. iarigheid• —husk, --peel. noteboleter. —tree, nntebnorn, Ware (went'), s, wear. koopwaar, Dutch —, Vot con (waerrus), —Iron (-ttun),s. walrus. dalftsch aar dewerk, plateelwerk. small —e, emitsWit!tr (wawte), se Walk -, v, n. waleen. terijen; Mein liner- en etaalwerk. —house, pak• Welly (weetih), R. vol. ateeteen, etrepen. huts, magazijn; —book, pakhuisboek; —charges, 1%nm:bite (worn'hi)., v n. mietelijk rijn, draaien. pakhulaonkosten, —hour; —clerk, pekhuimbedien 'Wan (won), a, bleek, fletr. de; keeper, —man, mactazijn., pakhuiemeester; Waled ( wood), a. staf f, roede; teoverstef. grotsier; —vent, pakhuishuur. —house, v. a. op Wander (won'etur). v. n. ewerven, ronddolen; slaan. —housing. a. (het) opelaan, opslag. reeskallen; (fro)n) afdwalen, afwijken van. —er , e. ronddoler, ewerveling; landlooper; ardwitier. Warl (wrer'), ar,. Zit Aware. —, a. n. Zie to itewatre. —lees, a. onvoorzicktig, —ing, es onerwerving; afetweling; verhijetering.
(-1y). —livid, v. faithfulness, fidelity, loyalty, trustiness; exactness, accuracy. Getufple, m. & v. witness, evidence. —nverhoor, hearing of witnesses. Getuig en, ov. & on. W. to testify, to witness, to bear witness, to give evidence. —schrift, certificate, testimonial. —etas, v. & o. testimony, evidence. character; — dragen van, to bear evidence to. G etulanel, o. tumbling. G etut t, o. tingling. Get sal band, hr. turbaned. Getwejfel, o. doubting. Gaul. v. trench,, oily. Geur, m. scent, sweet smell, odor, flavor, perfume, fragrance. —ig, hr. sweet-scented, odorirerons, fragrant. —igheid, v. sweet smell, fit. vorednees, fragrance. G etre, m. beggar, Protestant; jack. --etch, jackstaff. G eentar, o. navigation; dengee, peril, risk, hazard. —eat, perilous, haettielous. loopen, to run the risk. in — brengee, to endanger. —Wit, be. & bw. dangerous (-iy). perilous (-1y). —10 heid, v. daugeroneneas, perilousness. Gevnarte, o. colossus, monster, huge pile. G evader, m. godfather. epousor. —schap, 0. comp eternity, sponsorship. Getvfti, o. case, chance, eccident, adventure. in at all events, at any rate. alien —le, in elk —len, o. pleasure, liking. —len. on. w. to please; rich oaten —, to content one's serif with, to put up with. —lig, hr. & bw. casual (-Iy), accidental (-1y), fortuitous (-1y); by chance. —Upheld. v, casualty, aceidentelneee. G everegen, bv. caught, arrested, captive. —bewarrder, jailer. —geven (sielt) to surrender one's self a prieener; to surrender, to submit. —ne'nen, to take prisoner, to arrest, to apprehend. —nea.ing, arrestation. —.lien, to imprison. —titten, to be imprisoned. —e, m. & v. prisoner, captive. —le, v. prison, jail. —scrap, v. captivity. G evrenkellej k, by. captive, as a prisoner. G 'vet, Irv, quick, clever, smart. — op, prepared for. —held, v. quickness, cleverness, smartness. Gevecht, o. fight, combat, action, engagement. Gewederd, by. feathered. tee eyeing, o. dissembling, dissimulation. Geveintsd, be. dissembling, hypocritical; feigned, false. —, 113W. hypocritically. —e, m. & v. dissembler, hypocrite. —held, v. dissimulation, hyposrivy. Gevel, ni. front. --Wet, frame of the front, —top, gable. —rormig, formed like a gatie. G It5V en, ov. W. to give, to hand, to teach, to deliver, to afford, to procure; to grant, to bestow upon; to produce, to yield; to let go (koopwear); to deal (kaarten). er niet oni —, not to care for it. God peer, would to Gad. —er, m. giver. Gravest, o. hilt. G (regard. he. celebrated. te Wind, by. finned, finny. G evingerd, by. fingered. Goya, o. cavil, cavilling, carping. G eviasnd, by, marbled, watered, undulated.
In the case of Bitcoin, miners run computer programs to verify the data that creates a complete transaction history of all Bitcoin. A technology known as the blockchain, which is used to create irreversible and traceable transactions, makes the process of verification possible. Once a miner has verified the data (which comes in a block, hence, blockchain), they are rewarded with some amount of digital currency, the same currency for which they were verifying the transaction history. So mining Bitcoin, for example, would earn you Bitcoin.
121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v
Mettle (met't1), s. woad, yaw:, 13vendiglield; etof. Messieurs (meaj'urz), p1. (de) ',waren. —d, —some, R. —somely, ad. moedig, vurig, Messuage (mea'swidzj). e. hula en erve. ijverig. 10∎estizo (mes.trzo), s. Mestiee. zij pasMew (injoe), e. kooi; omheining; meenw. —, v. a. Met (met), part. ontmoet. they are well —, sen goed bij elkander. I op-, insluiten; v. it. ruien; mauwen. —s (mjoez) Meta halls (me.teb'e-eie), a. overgang. —carpus pi yaardenatallen, stoeterti. (met- e-kaar'pue), s. middelhand. —chrontsm (-telt - Mewl (mjeel'), v. n. jankeu, grimmen. — er, a. grimmer, echreeuwer. ro-nizm), s. laterstelling( van datum of j aartal). Mezzotint° ;met-zo-tin'to), s. zwarte kunst. Meinge (mPtidzj), 5. (kolen-) meting; meetloon. Metal (metql), s. *etaal. —lie (me- telnik), a. Minaret (marezin), s. echadeltrte uitdamping. —atic met'ik), a. verpestend. metaal-; metalen; metaalachtig. (-lif'ur-us), a. metaal voortbrengend. —line (-lain), Mica (marke), s. glimmer, mica. —ceous (-kee'sjus), a. glirnmerachtig. a. metalen; metaalaehtig. —list, a. metaalwerker. a. metaalbeschrijving. Mice (mrja), pl. wuizen. —lography —harpist (me-tellur-dejist), a. bergwerkkundige. Michaelmas (mik'eI-mes). a. St. Michiel. llllckle (mik'kl). a. veal. bergwerkkunde. —lurgy Metalep els (met-e-lep'slii, a. neamverwiseeling. Micro 008M (maykro-kozm), a. wereld in bet klein; naensch. —meter (-krom'i-tur), s. vverktuig —tic, a. omgezet. —heal y (-tik1-1111), ad. oor tot het meten van kleineruimten. —scope (-akooik), naamverwieseling. a. mikrosko,p. —acopic,—seopical, a. --scop;catly, Metamorphos m (met-e-mor'foos), v. a. v ervorad. (-skoplit-), van (met) bet mikroskoop. men (into), van gedaante doen v lranderen. —is, a. Mid (mid'), a. middeu, micidelat; middelbaar. —age, gednanteverwiseeling. middelbare leeftijd; lieden van middelbaren beefMetaphor (met'-e.littr),s. overdrachtelijke spreek—course, halfweg. —day, a. middag; a. van tijd. ad. (-forik.), over—ical, a. —acally, wijze. —ic, den middag. —heaven, middelhemel. —land, a. draehtelijk, beeldaprakig. binuen in het land, tniddellandsch. --leg, midMetaphres e (met - e-frets), a. letter/Ake vertadeq van het been. —lent., haltvasten. —night, a. ling. —tic (-fres'tik), a. letterlijk, woordelijk. middernacht; a. middernachteltjk. —rib, mnidelMetaphysic (met-e-fleik), —al.. a. —ally, ad. rib (in een bled). —riff, middelrif. —sea, midboventiatuurkundig. —ian (-fi-zisj'en), a. bovendellandsche zee. —ship, midde sichip. —ship-beam, natuurkundige. -a, a. bovennatuurkunde. zeilbalk. —ship- frame, groot spent. —shipman, Metaplasni (raet'e-plezm), a. letterverelastaing. adelboret, vlaggejonker. —strips, a. midscheeps„ Metastasis (me-teete.sts), s. ziekteverplaateing. —stream, midden van den stroom. —summer, zuMetatarsus (rnet-e-taar'sus), a. middelvoet. merzonneetand. —summer-day, St. J ansdag. —way, Metathesis (rat-teth'i-sis), a. letterverplaatsing. a. halfweg; a. in hat midden gelegen; ad. hal—wand, meat—stick, Mete (miet'),s. meat; pens. verwege. —wife, vroedvrouw. —wifery, a. vroedstoic —. v. a. meten, afpassen. kunde. —winter, winterzonneatand. Metempsychosis (ine-temp•si-ko s sis) , a. zielsMiddle (mid'd1), a. middea. —, a. midden, midverheizing. delet; middelbaar. —aged, van middelbaren beefMeteor (mrti-ur),s.luchtverschijneel.—ic (-or'ik), tijd. —ages, middeleeuwen. —man, tueschenpera. van lechtverechtnselen; helder; kortstondig. soon. —sired, van niiddelbare grootte. —most, a. —elite (-or'o-/ajt), a. inehtsteen. —oligical middelet. (•er-o-lod'zjikl),s.. van luchtverschijnaelen; weer. Middling (mid'inieng), a. —ly, ad. middelniakundig. Meteorolog ist(mi-ti-o-rol'ud-zjist),Fs.weerkun - tig, tamelijk. Midi le (midzj), a. mug. dige, —y, a. beasts ran den dampkring; weerkunde. midMeteornseope (mi-ti-or'o-skoop), a. afstands- Mkt moat (mid'moost); a. middelst. —at, a. de.lst; a. midden; prp. to midden van. —ward meter ( , 00r hemellichamen). (-word), a. midden-; ad. in bet midden. Meter (miet'ur), a. meter. Mien (mien), a. voorkomen, utteritjk; blik. Metheglin (me-theglin), s. mede (drank). Miff (mif'), a. kwade luim, misnoegdheid. —, Methinks (mi-thinks'), v. i. anti duukt. v. a. kwetaen, kreuken. —y, a. gemelijk. Method (meth'ud), a. wijze, leerwijze, orde. —ac, Might (malt'), a. rnacht, gezag, kraeht. with — —ical, a. —ically, ad. (me.thod'ik-), etelaelmatig, (-i-need, a. machand main, met elle maeht. gele'deltik. —ism, a, leer der Methodisten. —ist, ad. y, a. machtig, var. tigheid; hoogheid. s. Methodist. —ire (-ajz), v. a. stelselmatig inmogend; voortreffelijk; gewichtig. —y, ad. zee, richten; rangschikken. Migniard (rniniurd), a. 'Lie Miniard. ltilethought (mi-thaoti„ v. i. mij dacht. Meton Jc (me-ton'lk), a. van den maateirkel. Mignonette (min-Jo-net"), s. reseda. —lion —ymicat (met-o-nim'ikl), a. beeldsprakig. —ynty Migra to (maygreet), v. n. verhuizen. (-gree'ejun), a. verhuizing. —tory (-gre-tur-rih), a, (-im-in1h), a. woordverwiseeling. Metop e (met'o-pit), a. tuseehendiepte. —oscOPY verhuizend• zwervend. Mich (miltej), a. meikgevend. (-poi'ko-pih), a. gelaatkunde. a. —/y, ad. zacht; zachtzinnige, Metr a (mi'tur), a. voet ► aat, metrum. —ical, a. Mild (reajld"), toegevend. —noes, e. zachtbeid; zachtaardig. —ically, ad. (meerikl-), in dichtmaat. Metropoll s (me-trop'o-lie), a, hoofdetad. —tan held. v. a. met hoofdstad betreffend; Mildew (mil•djoe), a. bonigdauw. (met-ro-pori-ten), a. Bert bie.abar. hnnivi.11, besmetten• aartsbisechoppelijk; s.

Aehtergebanw, o. back-house, out-house: Aehtergevel, m. back , iront. Aehtergraeht, tr. back-canal, back-moat. Achtergrond, m. back-brounde deepening (in eene achilderi)); Bat scene (van het tooneell. Aehterbal sell, ov. w. to overtake, to reach, to Come op with; to discover, to catch; to overreach. —er,, m. overtaken —ing, v. overtaking; catching. Aehterls ale. tn. nape of the neck . Aehterkand, v. back of the bend; hind-quarters (van een petard); yonngeet hand (it, let kaartspel). Aebtarboeds, v, rear. Aehterboofd, o. occIput. Aehterboud en, ov. w. to keep back, to lay aside; to withhold; to conceal; to spare. —end, be. reserved, close. —endheid, v. reserve, resery. y. withholding, concealment. edne4e. Achterhuls,o. beck-house, out-house. iikehtorbut, a. stern•cabin. Aehtertjaer, o hind-elioe. Achterto,bw. behind. Aehterkabel., en. stern•cable. Achtorkasisor. a. back-room. Achterkasteell, o. stern, poop; bum.
TES - —T111. getuigenitt. —lee (tes'ti-faj-ur), n. getuige. —y (tes'ti-faj), v. a. & n. betulgen, getuigen. Testily (teretillih), ad. Zie Testy. Teatlmon lei (tes-ti-mo'ni el), a. getutgsebrift. —y s. getuhrenis; to bear —, getulgenia geven. Test Ines' (tes'ti-ness), a. genaelijkheid, knorrigheid. —y, a, gemalijk, kacrrig. 'Tether (teth'ur), a. span-, looptenw, lel:esp. —, v. a. vastbinden; baperken. Tetrachürd (tet're-kord), a. vieranarige iter; keen an de ranziek). Tetrad (tetgred),s. viertal. Tetragon (tet're gon), s. vierhoek. —al (te-treg' un-el), a. vierhoekig. Tetrahedron (tet-re-hi'drun), a viervlak. Tetrameter (te-trenei-tur), a. viercoatig vera. Tetrarch (ti'traark), a. viervorst. —ate (tetraerk'et)., —y (tet'rer-kih , a. viervorstendom. Tatrestich(te-treslik),.. vierregelig veraje. Tetrasylla bic (tet-re-ail.leb'tk), —Neal, a. vierlettergrepig. —ble a. woord van vier lettergrepen. Totter (tet'tur), a. deuwworm —worm, paardere'Meg. —wort, zwaluwkruld. —, v. a. met dauwworm (uitslag) beemetten. Tew Woe'), a. stof, bouwstof; ijzeren ketting. —, v. A. kloppen; braken, zwingelen; elagen; rukken, trekken. --el (41), e. blaaabalgok1P. Test (teket'). a. tekat. —book, tekatboek; hand. book. —hand, staand schrift, ruiddelsoort. — letter, hoofdletter. —man, teketenkenner. —ice (-it), a. weefbaar; geweven. —ual (-joe-el) --wary •oee-rih), a. in den teket vervat; overeenkomstig met den tekst. —ualist (-joe-el-jet), wary (-joee.rih), a, tekatenkeoner. —ure (jour,-jar), a. weetsel, (bet) weven; eanaenstel. Than (then'), conj. dan. Thane Itheen') e. vrijheer, t b a 0. —ship, a. waardighetd van eau t h a n, vrijheerechen. Thauk (thenkn s v. a. danken, bedanken. —offering, dankoffer. —worthy, dankenewaaAdig, verdienatelijk. —fal, a. — fully, ad. dankbaar. —less, a. —feisty, ad. ondankbaar. —Jenne's, a. ondankbaarheid. Thanks (thenka'), a pl. dank. to give (return) daakzeggen. —giver, daukzegger. dankzegging. Tharns (thaarm), a. darmen; darmanaar. That (the), pt. die, dat, gene; walk, hetwelk. —, conj. dal; opdat. Thatch (thetvj'), a, dekstroo; rleten dek. —stack, aehelf dakatroo. v. a. met riet dekken. —er, a. rietdekker. Thaumat urgy (thao'me tur-dzjih), a. (het) wondenen dean, goochelarij. Thaw (thao), a. dooi. —, v. a. & n. dooien, oatdou len . The (the), art. de., den, het. — more — better, hoe nicer hoe bitter. — more so, to meer; den ter MAT. Theatr e (thi'e-tur), a. ochouwburg; teoneel. —ie, —teal, a. —ically, ad. ( et'rlk.), van het tooneel, theatraal. Thee (tW), pr. u. aan Theft (theft), a. diefstal.

Kan ik Bitcoin op Blockchain


203 OPL•ORD. Opnice (op'i-11s), a. handenarbeid. —r (o-piPi- Oracle (or'ikl), s. orakel, godspraak. au?), s. handwerkstran; kunstenaar. Oracul ar (o-rek'joe-ler), a. —arty, ad. -a 148, OpIn able (o-pajn'ibl), a. denkbaar. —ation (op• a. orakeiachtig; beslisrend; raadselachtig, dabi•nee'sjun), s. meeaing. —ator (-pin'ee-tur), a. belzinnig, sttjfkop. — e, v. n. meenen. --iative i-e tiv Oval (airs!), a. —ly, ed. mondelins. a. stiff boofdig, eigenwijs. Orange (or'indzj), a. oranje-. a. oraoje; -boom, Opinion (o-pin' un), a. meening, gevoelen. —ated -appal; sinaasappel. —chip, echijfjevan eon' (•eet-id), —afire (-e-tie), —ed (-jund), o. stijfsinaasappel —flower, oranje-blotesem. —house, hoofdig, eigenzinnig. —ist, a. stijtkop; eigenoranjerie. —lily, oranje-lelle.—man,sintees-appelzinnige. verkooper..—musk, oranje-peer. —oil, oranje-olie. Opiparous (o-pip'e-rue), a. prachtig. —peel, oranje-schil. —anuff,oranje,enuif.—tawny, Opines (o'pl-um), a. opium. oranje-bruin. —tree, oranje-boom. —water, Opietree (o'pl-trie), a. watervlier, sneeuwbaloranje.bloesemwater. —woman, sinaas-appelverboom. koopeter. —ade (-eed'), a. oranje-ilmonade. —ry Opo balsam (op-o-baol'sum), x. balsum van (-er-ih), s. oranjerie. Gilead. —deldoc (-del'duk), a. opodeldok. Oration (o-ree'sjun), e. redevoering. Opossum (o-pos'hum), s. buideirat. Orator (or'e-tur), a. redenaar, apreker; ether, Oppldan (op'pi-den), a. stedeling. sant. --ial (-to'ri-e1), —ical (-tor'lk1), a. wetOppignerate (up-pig'nur-eet), v. a. verpenden. sprekend; redenaars-. —io (-to'ri-0), a. oratoriu m. Oppila te (op'pi-leaf), v. a. verstoppen —tion —y, a. welsprekendheid; bidkapel, -vertrek. (-lee'ejun), a. veratopping. (-le-tiv), a. ver- Orate ess (or'e-tress).. —ix (treks), a. redenaarstoppend. ster, epreekater, woordvoerdater. Opponen ey (op-po'nen-sile), s. tegenwerptng, Orb (orb'), s. bol; ioopbaan; omloop; krinK• kogelvisch. —, v. a. ronden, tot eon' cirbestrtding. —t, a. tegenstrevend; s. tegenetrever, bestrijder. kel vormen. —ate (-et), a. beroofd, varier-. kinOpportun e (op-par-tioen"), a. —ely, ad. sunderloos. —ation (-bee'sjun), s. beroofdheed (von sets, geschikt; ter gelegener tijd. —sty, s. galeoudera of kinderen). —ed 1,-14, orbd), a. cord, genheid; gunstig oofeenblik. cirkelvormig. Oppose (op.pooz"), v. a. tegenstellen ( Ca); we- Orbicula r (or-birjoe-ler), a. —rly, ad. —te derstaan; beetrijden; te keer germ; v. n. zieh I-let ) , a. bolrond, eirkelvormig. —tion verzetten, tegenwerpingeo maken , (against)—less, ( -lee'sjun), a, bolrondheid, ctrkelvormigheid. a. onweder8taanbaar. —r, a. tegenatrever. Orbit (or'bit). a. loopbaan; oogholte, —al, —ual (-bitioe-e1), a. van eon' kring of eene loopbaan. Opposi te (orpo-zit), a. —tely, ad. tegenovergeMeld; strOdig; tegenover (to). —teness, a. tegen—ude 1-tjoed), —y, a. ouder-, kinderloosheid. gesteldheid; tegenatrijdigheid. —tion (-zisj'un), Ore (ork), a. noordkaper. a. tegenstend: tegenspraak; tegenstelling; tegen- Orebanet (or'ke-net), a. roode ossentong (plant). 'Nutt. —tionist (-zisrun-ist), a. oppositee-man. Orchard (or'tajurd), s. boomsaard. —tire (-pozl-tiv), a. tegen te etellen. Oreheste al (or'kes-trel), a. van het orchest. Oppress (op-pres'), v. a. drukken, onderdruk--tre (-tut), s. °reheat. ken. —ion ( preeyun), s. druk, verdrukking. —eve, Orchis (or'kis), a. standelkruid. a. drnkkend, verdrukkend. —ivenese, s. (het) druk- Ordain (or-dean'), v. a. afln-, inatelles; verordenen, bepalen; ordenen. —er, a. die verordant, kende. —or, a. verdrukker. Opprobri one (op-pro'bri-us), a. —mealy, ad. instelt, ardent. achandeltk. —ousness, s. schandelijkheid. —um, Ordeal (or'di-et), e. godscordeel. fire —, s. schande, sneer. proef. water —, waterproef. Oppugn (op-pjoen'), v. a. beetrt den.—ancyl- pug , Order (or'dur), a. ovde; rang; order; bevel, last; nen-sih), s. bestrijding. —er, a. beatrijder. bestelling; maatregel. in —, ten elude, —. v. s. regelen, inrichten; verorden en; bevelen; bestelOpsimathy (opositn'e-thih), te. late opvoeding, len; ordenen; v. n. bevel seven. —er, a. echikaanleering. Opta ble iopttibI), a. wenschelijk. —tion (tee , ker, inrichter. —less, a. ordeloos. —lineal i-li sjun), s. wensch, begeerte. —Cave (-te-tiv), a. nets), a. ordelijkheid —ly, a. & ad. ordeltik, wennchend; — mood, wenschende wijze. geregeld. —a ((durz), pl. geesteltke stand; to take —, de wijding ontvaneen. Optic (op'tik), e. geziehtswerktuig. —, —al, a. gezichts-; gezIchtkundig. —ian (-tipj'en), a. ge- Ordin al (or'di-nel), a. rangazhikk'nd; a. ordebook. rituaal; rangachikkend telwoord. —ance ziehtkundige. —a, pl. gezichtkunde. (-nens), a. verordening, voorschrift, regal. —arily, optim acy (op'ti-me-sih), a. adel. -inns (-mizm), ad. —any, a. (.ne-rih-), gewoon, middelrnatis. a. optimiamus. —eat, a. optimist. —sty it-tih), a. uitnemendheid. —ary (-ne-rlh), s. geestelijk rechter; bisachop; gevangenisprediker; gewoonle; gewoon ambt; Option (op'ejun), a. kens, verkiezing. —al, a. gaarkeukeh; maaltijd;prija van can maal;physician van kens afhangend. Optonneter lop tonri-tur), s. gezichtmeter., in Warts; professor in —, gewoou leeraar; ship in opgelegd rchip. —ate (-net), a regelOpulen ee (oploe-lens), —cy, a. rijkdorn. —t, matig; a. ordinaat (lijn). —ate (-neet), v. a. vera. —Hy, ad. ?Ilk, welgesteld; overvioedig. ordenen, bepalen. —ation (-nee'sjun), s verorOpuscule lo-pus'kjoel), a. werkje. dening, bepaling; ordenina. , wijdInT. —ative Or (or), conj. of. — else, enders, of wel. (-ne-tiv), verordenend, bevelend. Oracle (or'ek), a. melde.
Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,

Infinitive. to Blow to Bear (harem). , (dwen). to Bull to Bind to Breed to Break to Bring to Build to Burn to Burst to Come to Cast to Catch to Chide to Choose to Clothe to Cleave to Climb to Cleave to Cling to Come to Cant Can to Creep to Crow to Cut to Deal to Do to Dip to Do to Drink to Draw to Dream to Draw to Drive to Drink to Dig to Ding to Dare (duxven ). to Dwell to Eat to Fall to Feed to Fall to Feel to Flee to Fly to Fling to Forbid If
Gekorcela, by. notched, jagged. — diertfe,tasect . Gekout, o, talk, chitchat. o. crowing, boasting. Gskroak, o. cracking. G ekrabbel, o. scratching. scribbling. ekrae, o. !scratching fi idling; croaking. Gekreun, 5. groaning, moan. Gekriebel, o. itching, tingling, tickling, scribbling. Gakele10 swarming, crowding. Gokrienwel, o. Z:e Gekal. o. babbling, jabberment. Gekantd,bv. combed; crested. GekrUsch, o,, shriek, shrieking, screeching. Gokatnerd, by. kept in a chamber. — meicje, Gekrtjt, 0, weeping. kept mistress. ekrioef ,o. swarming, crowding, throng. Gekef, o. barking, yelpin. T . Gellironad, by. crisp,crispy, frizzled, woolly. Gokoperd, by. twilled. Gekrol, o. caterwaul. Get/Arm, o lamentation, groaning. Gekronkel,o. coiling. rum piing , wrinkl ing. Gekrookt, he. bruited, broken. Gekenvoll, o. chitchat. G ekheid, v. folly, foolishness', madness. Gekrinfirnel, o. crumbling. Gekibbel,o.quareelling, b. , kering. ekuch, o. coughing. Gekleskauw, o. G ektufid,bv. crested, tutted. wrangle. GekUlt, o squabble, scolding, tiekuip, o. intriguing; intrigues. elklik, c . looking, gazing, gaping. Gekuischt, by. pure, piirirind. Gektr, o. cooing. akunateldi s by. studied, affected, formal, stiff. Gekittel,o. tickling, titillation. 46,ekua, o kissing. Gekje, o. fop. Gekwaak, Gekwak, o. croaking; Cackling. Gekkeiljk, be. & bw. foolish (-1y), silly (-ily). Gekwallster, o. spawling. —heid, v. fonliahness, Gekwanteell.o. bartering, truck. Gekk en, on. w. to :lest. to banter; yonder —, Gekwittoil, o. warbling, singing. In good earnest, seriously. —er, m. jsater, joker. Gekwell,o. vexation. — ernii, v. joke, jest, —in, v. fool, foolish woman. G.kwezel, o. telling, iol.te,Ing; playing the Geklasag, o. complaints, lamentation. hypocrite. Gokind,o. dtubing, blurring; scribbling. ekw1,21, o. drl telling, salivation. Gekwiepea, o. wagging. Geklom,o. Zie Gekleax. Geklarik,o. sounding,clang. bv. boot,d. staseklap, o. prattle, tattle; clapping; cracking. Galant, o. iface, countenance. — kenner„—kuodige, smacking; banging. physiognomist. —kunde, physiognomy. —kundig, Geklapper, o. rattling; banging; clack. physiogaosical. —akleur, complexion. —atrek, Gaklator, o. clatter,rettling. feature. Geklautar.o. clambering. Gelarfa, o. laughter, laughing. Gakiep, o. tuning; peal of bells; clang. Gelag, o. club, drinking - bout; share, score, scot. clack; call (of storks). Geklopper, o. —en zetten, to keep a tavern. het — betaten, to Goklets, o smacking, clashing; chatter. he the sufferer. era hard —, a hard pinch. Gekletter, o clang, clash, clattering. litsittoA, o. near — ran, in proportion to, accordGeklikklak, o. clashing (clang) of arms. ing to. Geinot en, or. w, to order, to commend„ to GeklIngel, 0. tinkling, ringing. Gatii,tsk,o. chink, clink„jingle. charge. —igde, m. & v. mandatory, delegate, Gokiok, o. clucking. proxy, agent . GciAtea4 (itch), t. w. to feign, to pretend, to Geklop,o. knocking.' seem, to do as if. Galt I ots, o. beating (of the waves). Geklowen, by. cloven. met — vocten, cloven- Gelsateas, bv. & bw. calm ( - ly), resigned ( - 1y). — held, v . resignation. footed., bisulcnns. ready money, cash. Geid, o, money. gereed Geknabbel, o. nibbling, munching. prof — , large money. klein —, small money, Gel, mars. o. grIndnzig,gnashingnthriekincja.rring, change. siecht —, base coin. to —e waken, to Geknotter, o crackling. make money of, to turn Into cash. — bki be Gekcibbei,o. bargainirtn, higgling. reach germ, to pay down upon the nail. — tdoknlete, o. fretting. to coin, to stamp coin. —aristocratic, moneyed Geknilk, o.nodding, nod. interest. —beers, purse. —boete, tins, mulct. —MUCloknoel,o. bungling, botching; intrigues. det, — tak,money - bag. — bus, money•box. — aorta, Geknor, o. grumbling, scolding. thirst for money. — gebrek, want of money, penufiokauffel, o. puckering. ry. — gierig . covetous, scraping. — gierigheid, G veknntoef, o. trifl ng. covetousness, avarice. —kat, strong-box, safe. Gekocter, o. jabber, gibberish.

Waar kan ik kopen cryptogeld UK


W IN —taster, wiinprneeer. —cooper, wijukutpe r. Nv guess. —grower, wijubouwer --lees, pi. IVOTImode. —merchant, weinkeover. —press, wijnpers• —shop, wijnhuls. —stone, wijnateen, —trade, wijnhandel. Wing ('vine), a. vlevgel, wlek, vlerk; bank; zlde; eijetuk; vluaht. to be upon the —, op het punt Man om to vertrekken. to late —, op-, weevily ;en. —case, —shell, vleugelechild. —cleft, gevederd. —footed, viug. —sail, gaffelzeil. —transom, hekbalk. —, v. a. van vleueels yoorzion; v. n. vilegen. —ed (wingd), —y (-gib); a. gevlengeld; noel. —less, a. ongevleugeld. —let ('it), s. vieugeltje. Wink (wingk'), s. (het) knipoogen; weak. not to sleep a —, geen oar toedoen (iulken), v. n. knipoogen; wrnken; (at) toewenken; door de vingers den. —er, a. lonker; wenher; oogklep. —hilly, ad. knipoogend. Winn er (wIn'nur), s. winner. —ing, a. winnend, innemend,aauvailig; s. het winnen; whist; —post, eindpaal. Winnow (wlnino), v. a. wannen, ziftea; bewaaien; ooderzoeken, overwegen; aftonderen; v. n, wannen. —er, o. wanner. Winsome (win'eurn), a. vroolijk; innemend. Winter (wIn'tur), a. winter. —barley. wintergerst. —beaten, door den winter beschndied. —cherry. jodenkers, roode naohtschade. —citron, wintercitroenpeer. —crop, winterrruebt, -graan. —fallow, v. r. somervoren —green, meagdenpaltn, —ground, v. a. overwinteren (van bloemen), —kill, v. a. doen doodvriezen. —quarters, p1. winterkwartieren. —seaeon, —time, wintertijd. —solstice, wintersonnestand —. v. a. & n. overwiuteren. --ly, a. winterachtig; winter-. Wintry (win'trih), a. Lie Wintery. Whey (warnib), a. wenazhtlg. Wipe (wajp'1, a. (hat) vegen, afvegen; veeg, steek. nitbrander. —, v. a. vegen, afvegen, afwieschen: (of) afzetten. —r, a. veger; winch, vaatdoek; achimpsehent, veeg. Wire (wajr"), a. dread. —draw [fry.], v. R. tot dread trekken; rekken, slepende houden; verdraitien. —drawer, draadtrekker. —drawing, het draadtrekken; draadmolen, —drawn. getrokken; gerekt. fender, stolp van dread. —gage, draadmaat. —grate, drawl tralie, traliehek. —mark, vormdraad, JO in bet papier). —mill, dreadmien. —pliers, pl. dread-, butgtang. antwoord per telegtaaf. —tack, draadstift —work, dread-, trallewerk. —, v. a. met dread vastmaken; tralidn. Wiry (wayrth), a. van dread; draadachtig. Wie (win), twist], v. a. weten, onderstellen. Wisdom; (wis'dum), s. wijehe!d, Wise (waje), a. wlize, mauler. in no —, in geen KeVal, geeneztne. —, a. —ly. ad. wije, veretan. Ingetogen. —acre, waanwtj te; zotekap. —man, wtjze; waarzegger, toovenaar. —woman, w aar. zegster, Woven's. —limp, e. waanwitize. WWI (whin 11. wenach, verlangen. v. a. & n. weaachen, verlangen (for, near). — joy of tat), geluk worm:then met. —er, a. wenacher. —fat, a. —fully, ad. wenachend, veriangend. Wliby-washy (wierth-woaj-th), a. benzelach• tig, Meth'. —, e. wiejewasje, 'mutating.

C A T. —CEL. a. his (-is'tikl), a. casuistisch. —ry, a. wetenachap der I Cathedral (ke-thi'drel), s. domkerk. schoppelljk• easuisten. katholiek. Cat (ket'), s. kat; katschip; dubbele drievoet. § to Catholic (keth'o-lik). a. algemeen, (ke-thon-sizm), be made a — of, als werktuig gebruikt worden. a. roomsch-katholiek. —ism —beam, balk, waarop het schot van de luizeplecht a. katholicismus. (aan planten). staat. —block, katblok. —eall,tooneelfluitje (van Catkin (ket'kin), a. katje a ontleedmea; mos; darmCalling (ket'lieng), of keuring). —fall, katlooper. —fish, zeekat.—gut, darmenaar;marling.—harpings,zwichtings.—head, sneer. kraanbalk. —holes, kluizen. —hook, haak van het Catoptrics (ke-top'triks), a. leer der straalbrekatblok. —mint, kattenkruid.—o'nine-tails,zweep king. van negen toe.wen. —'s-eye, katoog(edelgesteente). Cattle (ket't1), s. vet. § —range, veepark. —show, tentoonstelling van vee. —'s-foot, aardveil. —silver, kattenzilver. , § Caucus lkao'kus), s. vergadering tot het atelzuchtje ; geveinsde vriendelijkheid. len van' kandidaten. katteataart (plant). —tackle, kattakel. —in-pan, overlooper. —a-mountain, pardelkat. —he, kater. Caudate (kao'det), a. geataart. Caudle (kao'd1), s. kandeel. —to her kind, Boort zoekt snort. Cauf Omit), a. visehkaar. Cat (ket), v. a. katten. Catachresis (ket-e-kri'sis), a. verkeerd gebruik Caul (kaol), a. darmnet; pruiknet; helm. Cauliflower (kao'll.flau-ur), s. bloemkool. van ten woord. Calla comb (ket'e koom), a. katacombe. —logue Cans able (kao'zibl), a. mogelijk. —al, a. oorzakelijk. —ality (-zel'it-tih), s. oorzakelijkheid. (-loog), a. lijst; katalogus. —logue, v. a. eene —ation (-zee'sjun), a. veroorzaking. —ative (-zehist maken van. § —maran (-mer-en'), a. viol voor schipbreukelingen. —plasm (-plezm), s. tiv), a. veroorzakend. —ator (-zee'tur), a. veroortaker. pappleister. —pult (-putt), a. werptuig her ouden. —ract, (-rekt), s waterval; steer ,op het oog). Cause (kaoz'), a. oorzaak; reden; zaak; proves. Catarrh (ke-taar), a. zinking. —al, —ous, a. —, v. a. veroorzaken. —less, a. zonder oorzaak. zinkingachtig. —r, a. veroorzaker. Catastrophe (ke-tes'tro-fl), a. noodlottige ge- Causeway (keoz'wee), a. straatweg. Causey (kao'zih). s. Zie Causeway. beurtenis; groote ramp; ontknooping. a. bran Catch iketsp, s• vangst, creep, bolt; voordeel; Caustic (kaos'tik), s. bijtmiddel. (tis'it-tih), s. bijtendheid; dead; bijtend. hinderlaag; hank; radtand; pauze; beurtzang; scherpte. —bit, gekat anker. zweem; besmetting. —anchor, (kao'te-lull, a. behoedzaam, liatig. tafelschuimer. —fake, kink (in ten touw). —fly, Cftutei0i. schroeiijzer. —fixation (-i-zee' vliegenvanger (plant). —line, sluitregel. —penny, Canter (kao'tur), s. —ite (•ajz), v. a. branden. —y, ajun), s. branding. oplichter; blauwboekje. —poll, dievenleider. a. brandmiddel. —word, custos, klapper (bij drukkers`. Catch (ketsyl [caught tkaotl], v. a. atten (at); Caution (kao'sjun), a. omzichtigheid; waarschuvangen, betrappen (in); bekomen. — a cold, eene wing; zekerheid, borgtocht. v. a. waarschukowie vatten. —, v. n. besmettelijk zijn. —upon wen. —ary, a. verpand, ad. zorgvuidig, words, op woorden vitten. —able, a. dat gegre- Cautious (kao'sjus), a. s. voorzichtigheid. Pen , en , kan worden. —er, a. vanger, grijper. voorzichtig. —ness, Caval cads (kev'el.keed), s. optocht to paard. —ing, a. besmettelijk. —y, a. inhalig. —ier, a. —wilt, (-e-tier'), a. cutter, ridder. —ier Catchup n ketsrup), s. champignonsaus. ad. ridderlijk, trotsch. —ry (kev'el-rih), s.ruiterv. —a/, a. —ally, ad. Catecheile v. a.uithollen; v.n. Cave (keev), a. hol, grot. vraagswijze. (in) inzakken. Cateehis e (ket'e-kajz), v. a. vragend onder- w'ijzen. —er, s, godsdienstonderwijzer; onder Caveat (kee'vi-et), s. rechterlijke waarschuwing. Cavern (kev'urn), a. spelonk, hol. —ed, —ous, vrager. Cateehis an (ket'e-kizm), a. katechismus. —t, a. vol apelonken. Caviare (key-jeer'), s. kaviaar. s. godsdienstonderwijzer. Catechumen (ket-e-kjoe'men), a. godsdienst- Cavil (kev111, 0. haarklooverij. —, v. a. bedillen; v. n. vitten. —lation (-lee'sjun), s. vitterij. leerling. a. haarkloover. —loss, a. kibbelachtig. —ically, ad. stel- Categor ical ( ket- e-gor'ikl), a. lig, uitdrukkelijk, —y (ket'e-go-rih), s. klasse, Cavil% (kev'in), n. holle weg. Cavity (kev'it-tih), a. holte. ordeaoort. Catenation (ket-e-nee'sjun), s. aaneenachake- Caw (kao), v. n. krassen (ala raven). Cayman (kee'men), a. kaaiman. ling. —less, Cater (kee'tur), S. (de) vier (in het spel). —, v. Cease (sits'), v. a. & n. ophouden,staken. a. onophoudelijk. a. proviandeeren. —cousin, tafeivriend. —er, a. Cecity (sea'it-tih), s. blindheid. spijsverzorger. Cedar (si'der), a. ceder. —n, a. cederhouten. Caterpillar (ket'ur-pil-ier), s. rups. Caterwaul (ket'ur-waol), v. n. krollen, mau- Cede (sled), v. a. afataan; v. n. toegeven. Cell (ellen, v. R. met eene zoldering bedekken. wen. —ing, a. kattengekrol; nachtgetier. —ing, a. zoldering. Cates (keeta), lekkernijeu. Celandlne (sel'en-dajn), a. sehelkruid, swaluwCathartic (ke-tnaer'tik), s. zuiverend middel. krutd. -al, a. zuiverend.


ataan (in) ; levee (on, upon){ Wu; v000rtduren. veredale.. —anon (-it-inee'ejun), a. taublimeering; --ease, a. heathen; voortduring; lavemonderhoud. vernefling; 'veredeliog. —e, a. —ely. ad . hoog, —eat, a. beataand, stanwelig; inwonend. verheven; indrukwekkend; verrakt with ). —e, v. a. sublintaeren; opdrijven: veredelen. —tuts, Subsoil is .tin'acql), a. ondergrond. gubstanc• Isub'stans), a. zeltstandigheid; stet; —ity (Iini'it-tih), a. verhevenheid, voortreerelijk(het) wesenliike; t bet) vegan; kern; hootdbaheld. etanddeel; bootdinhaud; midAien, besitttng. Subifneation (sub-lin-i-ee'siun), a. onderatreSubatantt al isub•tensajell. a. —ally, ad. selfstand's; lieharnalijk, atofteliik; wezenlijk; hoardSal,Unwind (sob ling'gwel), a. dab onder de sakelijk; krachtig, vest, degeltic; welgeoteld. tong bevindeud. (•ajl-el'it-tih), —alnete, a. selfstandigheid: Subinner (eub-l aioe'ner), —y (subljoe-ne-rib), a. atoffelijkheld; wesenlijkheld; hoofdlakeltkheid; onderoiaansk. h. kracht, mulched. —ale (•8jels), pl. hootdpunten. Submarine sublne-rien'), a. onderseesoh. —ate (-ejl.eet), v. a. verwezenlijken; bewijien; Subneerise (sub •murdsp), v. a. ouderdompeleu; beveatigen. under water settee; v. n. onderduiken. S ablator.; a (cub mura';,v. a. Zie to Submerge. Substantive (subtaten-tiv), a. —ly, ad Whitendig. —, a. telfetandig naemwoord. — ion( juin), a. onderdorepeiing; overstrooming. Subtlelulls ter Isub-mtn'is-tur), —trate (-treet n, Substitu to, itnib'stigjoeti, a. plastagervanger; v. a. toedieneo; ve 8ehaffen; v. n. dienatig (be- surrogaat. —te, v. a. in de pleats ntellen van; ondereehulven. —Lion (-tjoe'sjun), a. plaataverlinipsatian) ziju. vanring; onderachuiving. S ub Oda& ion (sub-misfun). a. onderwerping, berusting, gelatenhaid. —ive, a. —ively, ad. (-male , S abstract (sub-atrekt'), v. a. Zie to Subtract. osiderdanig, ouderworpen, deernoadig. Subbtr uct ion (sub-struk'sjun), —ere (-strukt . —iveness, a. onderdauigheid, anderworpenheid, joer), a. onderbouw; grondslag. Subunit lye (sub .suit'iv), —ory, a. —ority, ad deemoeds opspringend, huppelend. SuI-AE.1f (sob-salt'), v. a. onderwerpen; overlaten Subtend (sub.tend'(, v. a. zich ultatrekken onder. (1.)); v. n. zich onderwerpen (to). Subordina cy (sub or'di.ne..8ih), a. onderge- Subtenn (oub-tens'), s. boogpeae. noixiktheid, onderhoorightid. —te, a. —tely, ad- Subterflu gat (sub-tarltoe ant), —ous.a. onder(•net-), ondergeszitIkt, onderhoorig. —te (-sect), door stroomend a. a. onderg.esthikt makes. —tins (-nee'sjun), a. Subterfuge (aub'tur-fjoedzj), e. nitvlueht, veerwended'. ondergersehlktheid; onderwerping; afklimming; Subterrane (sub-ter-reen'), a. onderaardsche lagere rang. gang, onderaardech gewelf. —an (-ree'nt-en), Suborn (sub-orn'), v. a. verleiden; ornkoopen. —ono (•rseini-us), a. onderaardsch. —er, (-nee'ejun),E. verleiding; onnkooping. —ation Subtil a (aub'till, a. —ely, ad. Ajn. dun, teeder; a. verleider; omkooper. aeherp. —sty til'it-tih), —*nett, a. iljn held, dunSuboyall (8ttb , o'vel), a. bijna eivormlg. held, teederheld; ae herpte. —ixation (-1-zee'oj an), Subpoena (sub-pine), a. dagreardieg (ceder a. vergunning, (het) vluebtig maken; haarklooetrafbedreiging). —, v. a. dagvaarden (wider verij. —Ise (-ajz), a, a. verdunnen, vittehtig wasteer bedreiging). ken; v. haarkleoven. Subprior (nub-yrarur), a. onder prior. Subtle (aut'tl), a. fljn, loos, slew, Hang; Nehery; S u brect or (su b .rek'ter ), 8. onder-rector. spitarondig. —ty. a. itinheld, loosheld,alnwheid; sibrep t ion (sub •rep'sjun), a. Zia Surreption. oeherpninnigheld. Subealt laub'snolt), a. onuersout. Subscribe (sah-tekrajh'), v. a. onderteekenen; Subtract (sub-treke), v. a. *Welon; wegnemen, (frons). —er, a. aftrakker. —ion (-trek'sjun), teat tiltIsachrijven vuor; v. n. teteekenen (to); aftrekking; wegnem.ing; onthouding. ;;en (to). —r, a. ondeyteekenaar; inteekening. Subscription (nub •skrip'sjurt), a. onderteeke- Suburb (sub'etrb), a. vooratad. —an (-urb'en), a. van (in) de vooratad. uing; lateek ,olIng. Subseso ttilwett (sub-sak'quai, a. onderafdeeling. Subvention (sub- ven'sjun), a. hulp, bijstand. Subver 'Ion (sub-ver'sjun), a. omkeering, om—ufive (Ase-tiv), a. volgend. (auh'se - kwem). a. voiging, ver - verwerping. —rive, a, omkeerend, omverwerpend. Subsequen —I, v. a. omkeeren, onive.werpen. —ter, a. omvolkand, later (to). a. volg. verwarper, vernieler. —title, a, omver te werpen, (Rub-burv'), v. a. theses. behalpsaem Stalw -N.rw te vernielen. a. — iency ( - 1 ziin, bevr,r(leren. S tab worker (sub-wurk'ur), a. helper. ittigheitl, bavoillerhjkheid; of haxkelljkta id. die ❑ Succedaneouo (auk-se .dee'ni-us), a. plaatsver—ient, ( - I - ent), a. dienatig, bevorderlijk; dlenstvangend. boar, (to). (auk-sled'), v. a. opvolgen; doen geSu ► old e (stib•sajd'), a. n. sinker,, zakken; *fee- Succeed lukken; v. n. (to) volgen, opvolgen; alarm (is); Inze; bedaren. —once,—eney, a. (het) zlnken, sakgelukken. —et, a. oprolger. ken; afeeming —iary (.8iri-e.rih), a. helpend, coed geondersteunend, help-. --tee (sub'sid-3j.), v. a. Succla• (auk a. gevolg, uttalag; volg, voorapoed. —fat, a. —fully, ad. voorepoeonderstand veneer... —y (eno'std-ih), o. enderdig. —lianas, a. geode 'them voorapoed. --ion stand, toelage. (-aleyun), a. opvolgtng; erfopvolgtng; volgorde; Suhatgaa (auk - WW), v. a. onderteekenen. nakomelingen. —ire, a. opvolgend, op elkander Subsist (sob-slat'), v. a. onderhouden; v. n. be-

( 4)8.0, 8. toch; e, uitstapje. —, v. n. brook, matrooe. —a-dandy, fat, kwaot. —a-tantern,' Jaunt uttstap'es waken, rondzwerven. dwaalhcht e. —a-teat, mikpop; stumpert. —anall-trades, Jantje van Javel ( zjev'il), a. landlocper. —, v. a. bemorsen, apes, asp; fat, kwast. bespatten; bezoedelen. alles. —in-a• box, ledepop, springpop. Javelin (dzjev'lin), s. •erpspies. noodhulp, brooddief. Jaw (dzjao"), s. kakebeen, kaak. —bone, kinne6ak. Jackal (dzeraol), s. jakhals. —fallen, neerslachtig. —tooth, kies. 1—teork, kauJacket (dzjek'itl, s. buis, wambuis, wing. —, v. a. schelden, beschimpen. van Jacob (dzjee'kobl. s. —'s-staff, pelgrims,taf; hat kakebeen. degenstok; Kraadboog. Jay (dzjee), s. mcerkol. Jacobin Iduek'o-bin), s. jacobijner monnik; Ja- JD'. el (dzjee'zil s. jazel (hemeisblauwe edelsteen). cobijn; kapptatje (duff). —ic 1-bin'tk), a. ja(dzjel'us), a. —ly, ad. jaloorach, nai,jvecobijnsch. —tarn, s. leer (stelsel) der Jacabijnen. Jealous rig, achtardochtie• (of ). —nest, —y, a. jalaerschJacobite (azjek'o-bajt), s. Jacobiet. heid, naijver; achterdocht. Jaoonet (dzjek'un-nete, s. (snort van) neteldoek. Jeer (dzjier'), a. spotternij, beschir ;ping; kardeel. Jactitation (dzjek-ti-teoNjun), e. woeling, on—, v. a. bespotten, echimpen op; v. 11. spotten, rust; gesnoef; oirrechtmatige aanspraak (op een schimpen (atl. —er, s. 8potteronhimi.r. —tngly, huwelijk). ad. spotachtig. Jacula to (dzjek'joe-leet), v. a. werpen, schieten. —Goa s. (het) werpen of achie- Jehovah (dzje-ho've), s. Jehovah. (dzje-dzjoen'), a. — ly, ad. nuchter; mager, ten. —tory (-1e-tur'rih), a. werpend, elingerentl; Jejune schraal, droog. —nest, s. nuchterheid; achraal—prayer, schietgebedheld, dorheid. Jisd a (dzjeed'), s. knot (paard); slot; niersteen. Jell fell (dzjellid), a. gestu,i, geleiachtig. — y, —e, v. a. afjakkeren, afmatten; v. n. inoedeloos a. gelei. —broth, gestold vlee,..ehnat. warden. --ery, s. slechte strelsen; onkuischheid. Jemmy (djzem'nith), a. net, ktedelijk. —ish, a. slecht, onkuisch. lien. t. —ing,t. snort Jar; Idzjeg"), 8 , tend, keep. —, v. a. uittanden, Jeesnet (dzjen'nit), a. Zie vau vrooge appel. inkepen. --ganees, 8. getaudheid. —gy, a. ye- Jenny (dzjen'nih), s. spiumachin, karteld, getand. s. vergiesing (in rechten). Jaguar (dzjeg'oe-aar), s. amerikaansche panter. Jeofaill(dzjefel), (dzjep'urd), —ire (-am.), v. a. op het spel Jail (dzieen, a. gevangents. —bird. tuchthuieboef. Jeopard zetten. — nun, a. gewaagd, gevaarlij — y, s. waag—fever, gevanger,:skoorte. —, v. a. kerkeren. s tub, gevaar. —er, s. doter. Jerk (dzjurle), s. slag, rub, stoat, 'work), steels. Jakes (dzjeeks), a. sekreet. at one —, in eene. by —8, mat rukken. —, v. a. Jalap dzel'up), s. jalap (plant). slaan, aretten, rukken, stooten; v. n. toe,,rinJam (dzjem), a. consort; steenlaag,; kinderjurkje. gen; (out) uitslaan (van paarden). —ed , a. in sehij—, v. a. klemmen, person Nen gesneden en gedroogd. —er, s. atuoter, werJamb (dzjem), a. post, etijl. per; tolbeambte. Jangle (dzjensegl), s. geklbbel; gekrijsch. —,, v. P. Jer kin (dzjur'kin), s. jab; wambuie; vaik. --deY valsch doen klinken; v, n. kibbelen; krijschen. (-zih), s. fljne saaiet. —r, s. kibbelaar. (dzjess), a. werpriem (aan de poot..it der Jess Janitor 1,1E4'1'i-tut). a. decrwachter, pottier. valken). Janizary (dzjen'i-ze-rih), s. Janitsaar. Jessamine (dzjes'se-min), s. Jeouttock (dzjen-nuk), a. haverbrood. (dzjes'se), a. kerkkroon. Jaut (dzjaant), zie Jaunt. —ineas, H. luchtig- Jesse boert, gray, klucht. in held, dartelheid, zwierigheid. —y, a. lochtig, Jest (dzjest'), a. acherte, (for) —, schertsend. to break a --, schertsen. to Bartel, zwiarig. at — upon, voor den gek houden. to take a —, January (dzjen'joe-e-rih), s. mealier', Wow - put scherts kunnen verdragen. —, v. n. echertsen, maand. kortswijlen (at. on). —cr, s. spotvogel; hofnar. lakwerk. —, Japan (dzje-pen'), a. verlakt. —ing, s. (het) schertsen. —ingly, ad. schertsend, v. a. verlakken, peeteen. —nor, a. verlakker; voor de gray. (eehoen-) poetser. (dzjez'oe-10 5 a. Jezu'it. —ic,—ical, a. Jape (dzjeep), v. a. foppen, bedotten; v. n. schert- Jesuit ad. (.1eik-), jeztatiech; Hotly, slow. —lam, s. leer sen, kortswtjlen. (rnanier) der Jezuiten. —'s-bark, kinabast. Jar (dzjaar), s. geklapper, gekuare, getik; dcccli, v, n. (dzjet), s. git; waterstraal; vloeiing. kruik; oneenigheid, a-jar, op een' kier. v. e• Jet uitschieten; uttsteken; eene bongo bona zetten echudden; doen klapperen, — knareen; v. n. (upon) inbreuk makes op. klapperen, knareen, tikkeen krakeelen; (with) (-ti-sun), —tison Jet sum (dzjet'sem), —son etreiden met. s. (het) over board werpen; strandvond. —tee (-ti), Jardes (dzjaardz), pl. horde knobhels ;aan de —ty, a. uitstek; havendam. —ty, a. van git, als aehterpooten van paarden). —ty-head, haveohoofd. git. Jargon (dzjaar'gun), a. brabbeltaal. Jew (dtjoe'), s. jood. —'s-ear,judasoor. —'-a frankJasbawk (dzjee'haok), s. jonge volt. incense, jodenwierook, (plant). — 'a - harp, mondJasmine (dzjes'min), 5. jasmijn. trammel. jodenmaluw. —'8-pitekjoJasper (dzjes'pur), a. jasple. dealtim, -pek. —'s-stone, jodensteen. a. icet Jaundice (d1j8811 7 di8), s. geelzucht. FS. juweel, kleinood. —box, ju. Jewel de geelzucht behebt; 1,vooroardoeld.
For those of you who have not been paying attention to one of the biggest trends in investing and tech, cryptocurrencies are digital currencies using encryption techniques that regulate the generation of currency and verify the transfer of funds, operating independently of a central bank. Units of currency are created through a process referred to as mining.
231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;

Hoe worden crypto-uitwisseling geregeld


n. beven, sidderen, trillen (with). —r, s. boyar, sidderaar; kwaker. a. leer der kwakers. Qualif labia (kwol'i-fej ibl), a. vatbear voor wijsiging. —ication (-if-i-kee'sjun), s. bevoegdheld; bevoegdmakiny; benoeming; wljziging, beperking; eigensehap. —fed (-fajd) a. bevoegd, gesahikt (for); gewijagd, beperkt. —ier, a. bevoegdmaker, ijziger. —y (-faj), v. a. gesehitt (bevoegd) maken (for); benoemen; wijzigeu, beperken, matigen. Quality a. hoedanigheid; aard, inborst; snort; amnion, rang. Qualm (kwaare., kwaom'), s. misselijkheid. —isk, a. mieselijk. —iohness, a. mieeeltjtheid. Quaudary (k won- dee'rihi, e.twijfelivet legenheid. Quantlt Mice (kwon'ti-te-tiv), —ire, a. voleens de hoeveelheid te echatten. —y, s. heeveelheld; menigte.; grootte; lengte. Quantum (kwon'tum), a. hoeveelheid; bedrag. Quarantine (kwor-en-tien), a. quarantaino. —, v. a. aan quarantaine onderworpen. Quarrel (kwor'r11), a. twist, krakeel; diamant; glasruit. —picker, twistzoeker. —, v. n. twiaten, krakeelen (about, for). —ler, a. twister. —lout —some, a. twietziek. —sameness, s. twistzucht. Quarry (kwor'rih), s. steengroeve; aan, grout; vierkant, cult. —man, steengraver. —stone, ruwe steep. —, v. a. uitgraven, opdelven. Quart (kwaort'g, a. vierendeel, kwart; vierde; kwartier. —an (-en), a. derdendaagseh. —at ion (-tee'sjun), a. vierendeeling. Quarter (lzwaur'tur), a. vierdeUel, vierendeel; vierde; kwartier; kwartaal; gewest, streak, wijk; veld• legerplaats; verbitjf, lijfsgenade; hieletuk; wlndvering. on the balketagswijze. —of mutton, sebapebont. —badge, valeehe Ejgalern. —bill, geschutrol. —cloth, achanskleed. —day, eerste dag van elk kwartaal; betaaidag, —deck, halfdek. —gallery, zijgallerij. —gaskets, pl. beelagseizingen. —gunner, konstabelsmaat. —ladder, stormladder. —lantern, bnieliehter. —master, kwartiermeester; schietnan, —netting, vinkenet van het achterdek. —piece, hieletuk;etaatshout. —rails, pl. regelingen der versehansing van het halidek. —ranger, beschwachter. —round, kwarttekeliog. —cessions, driemaandestet. ltjksebe reehtszitting. —staff, vechtknuppei. —tackle, handtalie. —wage, vierendeeljutrahuur. —wind, bakstagswind. Quarter (kwaor'tur), v. a. vierendeelen; intwartieren; voeren (in het wapen); v. n. in kwartier liggen; verblijf houden. —age, s. kwartaalgeld. —ing, a. viezendeeling; inkwartiering. —ly, a. driemaandelijksch; ad. driemaandelijks; s. driemaandeltjkseh tijdsehrift. Quart ern (kwaoeturn), a. kwert pint. —et
Ml 1t-- MID. 533 Merei, V. blalthird. Itliet000r, rn. meteor. ov. w. to moor, to belay, Meter, ..triluthef• 111ialrg , u. marrow; pith, qui ntwoience. —been,—pitp, Rile ter, tn. meantrer,gativr; meter.—ertje \ o.ruler. marrow-bone. —houdend, marzowy. —Pepel„ Mei- gametal, m. --lin, v. companion. —trekker, marrow-lade. —achtig, by. marrow- not twig, v. measuringomeaentement; gauging. like, inarrowy. Met r tell, v. metrics. —itrh, by. nintrierl. m. marl —aorde, rattily earth. —graver., Meteet ear, us. mason, bricklayer; —*Oak, bed; marier. —hail, steen, marl-r.tone. —sknecht. journernati-mvon. v. masonry. —acAtig, be. like marl, marly. —en, DC. W. to —ett, ov. w. to to niche,, to MM., on. w. manure with marl. to to ina,on 's work. — homer, reason 's hot-nicer. lilleiriettaass, in. meridian. —talk, mortar. —steen, brick. —week, masonry, /Reek, o, mark; sign, token. brick-w•rk. Mcrkbatar, be. & bw. perceptible (-oly), visible Olsettnn, v. me. matins. torte — molten, to make ( - bly), obvious Hr. no ceronorty. "emend de -- learn, to chide (to MerkvalUk, be. & bor. Zie Aftnan.ekelltik. ret..uke, to i.,:cture) a. o. neck co, or. w. to 'nark; tie lie•nterken itleAter (toad, be'. indeed, rtally.. in fact. —fiyd, —User, oiarking-iron, — jab', .may kinK-tols. —ha- ow. in time. Ire procetos of time. —woos, biv. torn, marking-cotton, —lop, nampler. —letter, rich --restigen, to fix one 'a abode, to pill up. eignature. —90aald, marking-n

cryptogeld India nieuws


wakker, op zOne hoede. —ly, ad, wijd; in de Wimple (wim'pl), a. kap, an der; wimpel. v, e , eluieren; onndoen; neertrekken. verte; (seer) ver; veal. —a, v. a. & n. (zich) verwOden, uitzetten. s. breedte; wijd te; nit- Will (win) [won (wun)], v. a. winnen, verkrijgen; geetrektheid. veroveren; overhalen. overreden (to); (over) overWidgeon (wid'ojun(, s. spekeend, taling. haien; v. n. zegevieren; vorderen. 'idow (wid'o), s. weduere. —bench, weduwen- Wince (wins), v. te, eehoppen, trappen; achteraandeel. —hunter, weduwenjager. —wail, dwergnit slean; -- denizen; wOken; Cell wringer, olijfboom. —, v. s. tot weduwe maken; (of) be- Winch (winttP, s. schop; hanpel; handvateel. .rooven van. —ed (•ood), a. tot den weduwstaat kruk. —, v. n. Zie to Wince. gebraeht; beroofd. --er, s. weduwnaar. —hood, s. Wind (wind'), s. wind; nicht; adem. in the —, weduwttsat. op tit, gaanda. upon a—, ashen) bij den wind. Width (width)• s. hreedte, wijdte. to get (take) —, in vernal geraken. to have in Wield (wield'), v. a. hanteeren, zwaeien; bego down the —, uniekken, ruehtbaar warden. to heerachen —able, —y, a. te hanteeren, the —, in den noun hebben, de lutist hebben van. Wile (wajf') s. vrouw. huievronw. —hood,a. staat to take the — of, de loaf krijgen op; afateken. van getrouwde vrouw. —less, a. mender vrouw. — beam, wind-, kielbalk. —bound, deer tegen—ly, a. van eene vrouw. wind opgehouden. —Irroken, kortademig. —cheat, Wig (wiz'), a. pruik. —stoker, pruikmaker. —truck, windlade, blaasbalg. —egg, windei. —fall. efgewaald ooft; buitenkaneje. —fallen, Wight (waft), s. keret. vent, wczen. § Wigwam (wig'wem), a. but (der indienen). afgewaaid. —flower. anemoon. —gage, windmeter. —gall, gal (Ai paarden). —gun, •indroer. (wajl V), a wildernie, woestenkj. —, a. —Cy, —harp, Loins-harp. --instrument, bl eas-inetruad. wild; woest; onstuimig; woedeud; dot, onmeat. —lass, hempen braadsptl. —mill, zinnig; zonderling; losbandig, buiteneporig; verwindmolen. —month, windmaand (November). anderlijk. —boor. everzwijn. —briar hondsrooe. —pipe, luchtptjp. tuchtpomp. —row, ge(--eat bank, oneolide bank. --fire, griekseh vane, spreid gram. —sail, koci)zetl e —shock, windseheur. darewworm, coos. —fowl. wild gevogelte. —goat, —swift. noel ale de wind. —thrush, zingneeerle. gems. —goose, wilds gans; —chase, wilde-trantight, Ineht&ichtt tegen den wind besehut. —, zenjaeht; ijdele poging. —parsnip, suikerwortel. —plum, eleepruirn. —radish, wilde mosterd. v. a. inchten, sass den wind blootstellen; buiten (wild'ur). v. a, verwairen, verbijeteren. adem brengen; de lucht hebben van, op den reek volgen. --nen, s. wildernis, woettenij. Wild ing (wajld'iang), a. haogappel. —nese, s. Wind (wajnd) [wound (waaund)], v. a. winden; wildheid, woestheid; onquimigheid, onzinnigdraftier', wenden; wikkelen; omeiniten; indringen (into); veranderext; blazes. (off) afwinden, atheld; zonderlingheith lortbandigheid. haspelen. (out) loswinden, lestvikkelen. (up) opWile (wail), a. list, kunetereep, bedrog• winden; in orde brengen; bestutten, afsiniten; Wilful (wil'foel), a. —ly, ad. gewillie; eigen§ tot reijgen brengen. —, v. n. slob winder], — zinnig, halmetarrig; opzettelijk. —netts, e- gewitkronkeien draaien. (out) slob lotwinden, — losligheid; eigenzinnigheld; helestarrigheid; opzet• wikkelen. telijkheid. Will ly (wartil-lih), ad. Zie Wily. —nest (-li- Windage ,wind'INI„ a. speetruimte, meeting.. Winder (wajnd'ur), s. winder, opwinder; haspen ne., a. lietigheld, sluwheid. Wilk (wilk), e. trompetiehelp, -slak. winde, elingerplant. willekenr; veriangen; testa- Windiness (wind'l-ness),e. winderigheid; windWill (will), s. near btlieren. to open a --, een nicht; opgeblazenireld. ment. at testament openen. good—, toenenegenheid; no- Winding lwajnd'ieng), s. kromming, kronkelieg. —, a. draalend, kronkelend. —butt, boeghont. ring, klandizie. ill—, afkeer. wrok; kwasiwil—curve, golvende lijn. —horn, waldhoren. —sheet. Beheld. —, v. a. wilier': wseeseben; bevelen; lijkkleed. —staircase, —stairs, pl. wenteltrap. vermaken; bij testament bepalen; v. n. een tes—tackle, zOgijn. tament mitten; bepalen, Will (will') [would (weed)], v. n. wilien, zulle.n. 'mud le (vvind'i), s. haspel, Moe, —less, a. stil, sander wind, ademloos. — he nill he, of bij wit of niet. —ed (wild), a. Winslow (win'do), s. vertster, raam; opening. geneied, genind. —er, s. wilier. Willing (will'ieng), a. gewillir, vrijwillig, be—bench, —8111, v enete thank . onnebli d, seherm. —frame, vensterraem, kezijn, —clutter, reidwillig; genelgd, veriangend. — or unwilling. willens of onwillems. God —, zoo God wit. —/y, vensterlutk, -blind. —tax, velietergeld. —, v. a. ad. vrijwillig; gaerne. —neas, a. gewilligheid; van venatore (openIngen) voorzien; Kan bast veinier plastics. —ed (-flood), a. met venstere; met s. wily, to wear the —, een oPent.gen• —Y, a. ale een venater; met knitsblanwtje loopen, —gall, wiigenroos. —herb, weeg- fitrepen, netvormig. brae. - -plot, wilgenbos, hie. —shavings, pl. wit- Wind ward (wind'ward ► , a. near de wlndzijde eelegen; ad, near den wind, loefwaarte; e, wind, esspanes- —sheets, pl. vleehtwerk van wilgenast ( voor hoeden —weed, vlooikruid. —ed (-load), loefzijde; —to —, bovenwinds, te bearer. —y, a. —y, a. vol wilgen. —CM, a. wiigaehtig. wtntierig; ijdel, nietig; opgeblazen. Wily (warliii), a. list*, loos, eluw. Wine (wajn'), st, wijn. —libber,wijnzuiper. —bottle, fretboor. —, v. a Wirnble (wim'bi), a. wijnfieseh. —broker, makelaar in wijnen. —cask, boron. wijnvat. —cellar, —vault, wOnkeider. —eonner,
Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.
DOL.-1/0W. —somely, ad. treurig, droevig. —fula. ness, --someness. s. droevigheid. h ell (dol), s. pop; speelpop. Dollar (dol'ler), s. dollar; daalder. Dolor (do'lur)_ a. pijn, smart, kommer. —ific (dot irik). a. smart verwekkend. -0148, a. —ously, ad. (dol'or.), smartelijk, droevig. Dolphita (dol'fin), a. dolfljn. Dolt (doolti, s. lomperd, botmuil. —ish, a. bot, dom. —ishness, a. dornheid. Domain (do-meen'), a. gebied; staatsgrond; heer chap pij. Douse (doom), a. dom, koepel. Domestic (dam mee'tik), a. huisbediende. —, a. huiselijk, ituiehoudelijk; inlandsch, tem. —ate, v. a. buiselijk (tam) maker, Domicil o (dorn'i-s11), s. woonstede. —e, —late, ( eet), v. a. vast verblijf kiezen of aanwijzen. —iary (-sil'i e-rah), a. tot eene wooing behoorend. huiszoeking. nomin ant (don-el-neat), a. heerachend; a. oote kwint. —ate, v. a. beheerschen. v. n. heerschen. —ation (-nee'ejunl, S. beersehappij. —alive. a. heerscb end. —afar, a. heerscher. —err (-nier'), v. n. heerschen, den baas spelen, (over). Domini cal (dum-min'ikl), a. zondagach. —cal letter, zondagoletser. —can (-i-ken), a. dorninikaansch; a. dominikaner monnik. —on (-jun), a. heerschoppij„ gebied. Don (don) Ito do on], v. a. aantrekken, aandoen. Dont_ ry (do'ne-rah), s. gave, offer. —te(do'neet), v. a. eehenken, vermaken. —lion (dun-neeNun), —tire (don'e-tiv), a. getiehenk, gift; schenking. --tive (don'.), a. door schenking verkregen ( ver. leend). Done (dun), part. gedaan; gear; gefopt. int, flat! top! Donee (dun-nee'), s. begiftigde. Donjon, zie Dungeon. Donkey dong'kih'), s. ezel. Donor (do'nor), a. gever, sehenker. Doodle ( doe'dle, a. beuzelaar. Doom (doem"), a. vonnie. roodlot; verderf; jongate oordeel. —, v. a. veroorneelen; doemen; echatten. —'a-day, oordeelsdag. —'a-day-book, Icadaster (von Willem den Veroveraar). —'a-man, rechter. —age, s. geldboete. Door (door'), a. deur, next — to, vlak naaat; grenrend aan. out of —a, buitenshuis. within — a, binrienshuis. — bar, deurboom. —case, deurkozljn. — cheek, — post, deurpost.— keeper, portier.—handle, knob, deurknop. — stead, — way, deuringang. Her (do*), a. tor. Dor ado (do-ree'do), a. goudviech; pronker. — ee (.rie'e, s. goudviech, zonneviorh. —ic (dor'ik), a. dortech. Dorman cy (dofmen-sih), se rust, sleep. —t, a. slapend; liggend; werkeloos; —partner, stille veonoot; — tree, or —t. a. olaper (hoofdbalk). Dorakter (.l.or'mur), a. balk; venster. — window, dakvenster. normit lye (dor'mi-tiv), a. slaapmiedel. —ory, a. staapvertrek. Dormouse (dor'maua), a. bergrat; marmot. Dorn (dorn"), a. rag. —hound. doornbaai. Dorsal ( doesel), a. den rug betreffend.

Penates (pe-neetiez), pl. huisgoden. Pedicle (ped'ikl), s. steel, atengel. Pedicul ar (pe-dlk'joe-ler), —out, a. luizig. Pence (pens), p1. stulvers. Zie Penny. Pane11 (pen's11), s. penseel; potlood; griffel.—ease, — disease, luisziekte. polloodkoker. —cloth, —rag, penseelPedigree (ped'i-grie),penseel-, s. geslachtsboom. witch. —, v. a. teekenen, achilderea. Pediment (ped'i meat), a. kroonlijet. Pedier (ped'lur), s. rondventer, marskramer. Pendant (pendent), s. oorbel; wimpelhanger. —ess, s. rondventater. —y,s. marskramerth mars- Peuden ce (pen dens), s. helling, overhelling. ktamerswaren. —cy, s. uitstel, opechorting. —t, a. hangend. Pedobapt Ism Ipl-do-bep'tlzm), a. kinderdoop. at-, overhangend. Pend ice (penidls), a, afdak. luifel. —ing, a —let, a. voorstander van den kinderdoop. Pedometer (pc-dot:WI-Mr), s. weg-, achreden- hangend, onbeslist. Pendul on. (pen'djoe-lus), a. hangend; besluimeter. tih), —ousness, a. Pedun cie (pe-dung'kl), a. bloem-, vruchtsteel. teloos, onzeker. —osity a. ginger — cular (-kjoe-ler), a. ran eon' stengel. —culate hangende stoat; onzekerheld. (-kjoe-let), a. geateeld. (eener klok); —ball, —bob, knop aan den clinger; punttang. —pliers, Peel (piel'), s. schil; schietachop (bij bakkers). —clock, slingeruurwerk; —, v. a. pellen, schiller; plunderen; v. n. ver- Penetra ble (pen'e-tribl), a. doordringbaar. a. doordringhaarheid. vellen; afschilferen. s. peller, Wittier; plun- deraar. —ings (-iengz), p1. sehinen. —ncy (-tren-s1h), a. doordringendheid; doorzicht. Peep (piep'), s. (het) to voorschijn komen; blik; —nt (-treat), a. doordringend; acherpzinnlg. —te giurende bilk- aanbreken (van den dog). —hole, (.treet), v. a. doordringen (with); doorgronden; v. n. doordringen (into). —lion (-tree'sjun), a. kijkgat. —, v. n. gluren; te voorschijn komen; doordringirgg; doorgronding; scherpzinnigheid. uitkomen; aanbreken; piepen. (at) begluren. ( forth) roar den dog komen. —er, a. gluurder; —tire (-tree-tiv), a. doordringend; scherpzinnig. kijtglaa; nog; kuiken. —tiveness ( tree-tiv), s. doordringendheid; scherp • zinnigheid. Peer (pier'), s. gelijke, wederga, makker; pair. —, v. a. gelijk steller; v. n. te voorschijn Ito- Penguin (pen'gwin), a. vetgana, pinguin; wilde men; aanbreken; loeren, glares. —age, a. pair- ananas. achap; (engeltehe) rijksadel. —ess, a. gemann Peninsula (pen-in'ajoe-le), a. Echiereiland. --e, a. van een achiereiland. eens pairs. —less, a. —lessly, ad. onvergelijkeltjk, Peniten ce 1pen'i-tens), —cy, a. berouw, boete. weergaloos. —lateness, a. onvergelijkelijkheid. Peevish (pie'visj), o. —ly, ad. knorrig, gemelijk, —t, a. --tly, ad. herouwhebbend, boetvaardig. korzelig. —ness, s. knorrigheid, gemeltjltheid. —t, a. boeteling; biechtkind. —Ha/ (-ten'ajel), a. boetvaardig; boetc-; a. penitentie-boek. —tiara Peg (peg'), a. pin; vioolschroef; stoot. —top, tot. (-ten'sje•rih), a. de boete betreffend; a. boet—, v. a. pinnen, vastpinnen. — priester, hiechtvader; biechtatoei, boeteling; verkersels. Pegasus (peg'e-sus), s. Pegasus. erh hed Pegmatite (peg'me-tajt), s. (so (soonvan),.graniet. Penn ached pen'nesjt), a. bout geatreept. ant (-nent), s. takel, hijschtouw; •impel. —ate (-net), Pekoe (pek'o), s. peceo-thee. Pelagic (pe-led'zjik), a. van de zee. —ated (-neet-id), a. gevleugeld, gevederd. —er, s. Pelf (pelf), a. schatten, rijkdoro; mammon. schrijver; pennenkoker. —Um (-ni-less), a. arm. —non (-nun), a. vaantje. Pell4nan (pel'i-ken), a. pelikaan. Pell et (per lit), a. balletje; prop. —icie(-ikl), o. Penny (pen'nih ► , s. stuiver; penning. —a-liner, vliet, huidje. —itory (-11-tur-rih), a. muurkruid. echrijver. —father, duitendlet. —grass, —weed, (pet-mel'), ad. verward, door elkander. penning-, luiskruid. —post, stuiverapoet. —royal, Fells (peh ► , p1. perkementen molten, clerk of the —, kruizemunt, vlooikruid. —weight, penninggespaarzaam in wicht. —white, zilverwit. boekhouder btj de achatkamer. Pellucid (pel-ljoe'sid), a. doorschijuend. —ness, kleinigheden. —worth, kleinigheid; koopje. Penside (pen's11), a. hangend, zwevend. —ness, a. doorschijnendheid. s.vel,onbereide huid; slag. —monger, s. hangende toeetand. huidenkooper; peltertjhandelaar. —wool, doode Pension (pen'sjun), a. jaarwedde; kostgeld. —, wol, sterfwol. —, v. a. werpen, smijten; v. n. v. a. peneioneeren. —ary, a. gepensioneerd; B. razen, tieren. —er; a. werper, amijter; razende; gepensioneerde; pen,ionaris. —er, a. gepensiovrek. —ing, a, geraaa, getter; a. armzalig. —ry, neerde; gewoon student (te Cambridge); ligtra(trih), a. pelterij, boot. ensive (pen'aiv), a. —ly, ad. peinzend, zwaarPelvis .(pel'vis), s. bekken. Pensive Pen (pen'), a. pen; hoenderhok; Echaapskooi. moedig. —nest, a. stIlheid, ernst; zwasrmoedig-case, pennenkoker. —holder, pennenhouder. held. —knife, pennemes. —man. schrijfmeester; achrij- Pentacapsular (pen- te-kep'sjoe-ler), a. met vijf zaadhuisjes. ver. —manship, s. schrtjfkunst! (het) schrijven. —stock, verlaat, duiker. —wiper, pennenveger. Yenta choral (pen'te-kord), a. vijfanarig speelMtg. — gen ( gon), e. vul'hoek. —gonal (-teg un-, v. a. echrliven; opstellen; opslutten (up). net), a. vijfhoekig. —meter (,tem'i-tur), a. vijfPenal (pi'nel), a. atraffend; straf-. —rode, wet- roetig vers. —njular (-ten'gjoe•ler), a. vijthoektg. bock van etrafvordering. —law, atrafrecht. —ly, --rchy (-aar'kih), s. vtjfmanschap. —oast (-spent), s. straf; boete. s. htjechtoestel met vijf katrol len. ---etie/c (-atik), Penance (pen'ens), a. boete.
VOlgend. —lively ad. aohtereenvolgeue.—iveness peed. —an, s. wiNseehop. (-geet), v. n. a. on , 00repoedig, misiukt. stenimen; (with) tnstemmen met. —e ( trid.j), —or, a. opvolger; nazaat. stem,goedkeuring; voor beds. Sucelduous (auk.sidlne-ut), a. wagerieud. Suiffuntists to (eaf-fjos'inl.geet), v. a. berooken. Succiferoue )auk-alf'ur.us), a. saprijk. —tion a. berooking. Succinct (auk elugke), a. —4, ad. bekuopt. Saints a (suf.fjoez'), v. a. overgieten, oveedeks. beknoptheld. ken (wit/a). —ion (-tjos'aiun), a. overgieting„ overSuccor (euk'kur), a. hulp. bijstand. —, v. a. dekkiug; waas, schaaturood. helpen, bjjataan. —er, s. helper, —is a. hub- Suga- (sjoe'gur). a — of lead ,lboclauiktr. pelooe. —y, elehoree. baker, suikerbakker. —barley, aerate:mike, Stsece.bus (euk'kjoe-bus), a. dronnbee nacht. —basin, sulkerpot. —boiler. eulkorketel. —box, merrie. —dieh, enikerdoos. --candy, kaudijaulker. —cane, Succalen ce (suk'kjoe-leng), --cy, a. a. pigheid. autPerrlet. —house, suikerkokerti. —ladle, schen-t, a. eappig. lepel. —loaf, snikerbrood. —maple, auiker aStaeeumb (suk-kumb'), v. n. bezwijken .). horn. —mill, euikerinolen. sulkervorm. Succueva Lion (auk.kus-see'Njun), a. d at. —ion —nipper., —tongs, pl. Nuikertang. —pan, sulker(-kuerun), echudding, eehok. pan. —pea, suikererwt. —plum, Mein sulkergeSuch (anttj), a. & pr. sulk, zoo, — a ball (mutejes, bruidaulkers, one, die en die. — an, zij die. — are, bijcoor- riet. —refiner, suikerralinadadr. —refinery, mutbeeld. — like, dergelijke. kereatinadertj. —shell, yrouwentnunt. —sifter, Suck (euk'), a. (het) zutgen; zog, itnik. to give sulkeratr-offer. —trade, suikerhandel. —works, —, de burnt seven. —fiek„ zutgvisen. —, v. a. pl, suikerfabriek. —, v. a. suikeren, —y, a. suizuigen, inzulgen. —er, a. zuiger: zulgpijp; kerachtig, euikerzoet; van sulker houdend. viseh; echent, ultspruktael; onervarene, coon; Suggest (ang-dzjen'), v. a. ingeven, aangeven, suiplap. —er. v. n. van scheutjes ontdoen. —et Inblazen, aan de hand geven, vooralaan. —er, a. (.1t), a. bulletin, klontje (van saluerwerk). — jag. ingever, inblazer, aanrader. (-fun), a. ins• het zalgen; —bop, zulgpopje; —bottle, :tag- blazing, wenk. —ive, a. (of) inblazend, eon' wenk iiesch; —pig, speenvarken; inhoudend. zubCP..P• Sueki a (suk'kl), v. a. zogen. —lag, a. zuigeting; tataleld 1.11 (sjoe-i-eafdel), a. van den selfinoord. znigendiong. —e (sjoe'i said), a. zelftnoordizelfmoordenaar. Suction (suk'ejun),a. untiring. Stilt (sioet)), a. stel; pak kleeren; reeks; kleur, Sudat ion (tine-dee'ajun), a. zweetinst. —ory roam (In 't kaertepell; gevoig, Wet; verzoek, (siotede-tur•rih), a. zweetend; meet•; s. zn- set- verzoekachrift; aanzoek; recbtsgedlrg, prates, bad; broeikas. —, v. a. (doen) pawn; kleeden; voegen, betaSudden (and'dn), a. plotaeling, onverwacht. —, men; gelegen komew inrIchten, schikken, (to); a. on (of) a —, ploteeling. eenaklapN. —1y, ad. v. n. overeenkomen, panen (fo);overeehatemmen plotsellng. eensklaps. --neat, a. (het) ploteelinge, (with). —able, a. —ably, ad. paseend, voegzaana; on verwachte. overeenkometig, (to). —Ableness, a. gepaetheid, geSudorific (sjoe•dur-it'lk), a. zweetdrijvend. schiktheid. a. zweetmiddel. Suite (ewiet), a. gevoig,stoet; reeks, rtj. Scads (eadz),.. pl. zeepeop. in the —, in do klem, Suit or (sioet'ur), a. Nerzoeker; vrijer. —rena in het nauw. (-resal,s. verzoeltster. Sue (ajoe'), v. a. in reehten vervolgen; (out) uit Sulcate (eul'ket), (-kee-tid), a. net 'loran, werken, verkrkjgen; v. n. verzoeken, aauhouden gsgroefd. (for, ow). Sulk (sulk'). v. n. mokken, pruilen. —ily, ad. Suet (sjoe'it)„ a. niervet, reuzel, talk. —y, a. reu- —y, a, ge,eelijk, pruilend, mokkend. -tacos (-Izelig, tilkachtig. noun), a. gemeltjlcheid, pruiling, mokking. —e, pl. Suffer (armor), v. a. lijden (§y. from. with); uit- kwade luim. staan, dalden, verdragen, toelecan; v. r Itiden; Sullen (sul'In), a. --ty, ad. gernelijk, kuorrig, (for) boeten 'tool% —able, a. — ably, ad. dratel(jk, norech; boosaardIg; somber; treurig. droevig; —ablenese, a. lfjdelijkheid. ---ance, s. weerbarstig. —nest, a. knorrigheld, norschheld; Iiiden; geduld; toelating. — er,e, ilider; gedonger. eomberneid; weerbaretigheid. —1 (eul'inz), pl. toelater. — lag, e. Alden, pUn; Ilidtaamheid; toe - gemelkjkheld., kwadeluira. bating. Sally (suriih), a. smut, vlek. v. 8,. bevlekken, Suffice ieuf-fajz), v. a. voldoen, bevredtgen; (with) besoedelen. verechaffen; v. n. voldoende(toerelkend) zij a ( for) Sulphate (turret), a. zwavelzuur zout, Sufilletera Cy Ieuftisr-en-sib,, a. genoegzeateheld, Sulphur (sullur), a. aware!. —ate (-eat), v. a. toereikendheid; geachlittheid; eigenwaau. —t, a zwavelen. --ution (-ee'Njun), a. zeaveling. —eoue —fly, ad. genoegzaam, toereikend (for); geAchikt. (-fioe'ri-us), —one, —y, a. zwAvelig; zwavelachtig. bevcegd (for. to). —soueaese (•fjoel-ri-ue.), e. zwaveligheid; zwaStafflx (Nutlike), a. achtervoegsel. (-tike'), v. a. vrlachtigheid. —e (•fjoar), —et (-fjoe.ret),s. zwaachter aanhechteu. Tel verbinding. —is acid, z wavalrener. Sultana t• (autlo.keet), v. a, doen stikken.rno , Sultan (toti'teu), a. sultan. —a (-tee'ne), —ach e. ran. —lion (-kee'ejun), a. veratikking. —five, a eultane. veratikkend. loess (turtri-neaa), a. zwosIbeld; moor. einerrag am (3yr/re gen), A. ondergeschihi, he Suite. hitte. —y, a. renal, brandend heat. a. opvolging. —lets,
ship. —er, m. loader; gunner; charger. —kg, Y. loading; lading, charging, chipping; load, charge, cargo, freight. Laf, by. & bw. fiat (-Iv), tasteless, insipid (.1y); dal (-71, silly (-ily), cowardly. —tek, beardless boy, greenhorn, jack-an-apes. —hartig, by. & bw. coward (-1y), pusillanimous (-1y). —hartigheid, v. cowardice, pusillanimity. —card, ut. coward, poltroon. —herd,' v. dittoes., unsavoriness, iffilipidityi dullness, silliness, pusillanimity. Larger, by. lower, inferior. —hand left hand, left. —h uffs, house of Uommons. —teal, lee-shore, Lak, m, blemish, stain. o. sealing-wse, lee. —noes, lamas, litmus, turnsol, Dutch blue. —work, laquered work, japan , japanned goods. Label, m. lackey, footman, donkey. Laken, o. cloth; &beet. —bee-eider, cloth-dresser. —fabrisk, cloth manufactory. —labriekant, clothier. —handel, cloth-trade. —Aandelaar, --trooper, draper, sloth-merchant, —copper, mapper. —pens, cloth-press. —roam, cloth-frame. —serge, clothserge. —.cheer, cloth-shears —seheerder, shearman. —veneer, cloth-dyer. —voider, fuller. —teeter, cloth-weaver. —toeverii, cloth-weaving. —winkel, draper 's shop. Laken, ov. w. to blame. —swaardrg, by. & bw. blamable (-bly). Eakensch, by. (of) sloth. Lak er, m. blamer. —dug, v. blaming. Lakk en, or w. to lacquer, to lacker, to Japan to seal. —er, m. japanner; sealer. lbakool, v. stock•frilly-Bower. Leics.)), o. Zie Lakurerk. I. by. lame, paralytic. Lana, o. lamb. —sbeoldje, &gnus Del. —Moat, leg of mutton, —tgebraad, roasted lamb. ...stet, lamb's fat. —avleeech, lamb —stool, lamb's wool. CambrIxeering., v. wainscot. Carafes', m. mourning-hat-band, crape. Lambeld, v. lameness. Lausnastkera, o. lambkin. —soon, orval. Cammaran, on. w. to yean, to lamb. ilaam ►er en, o. my. lambs. —pier, lamb's vulture, gritfon,---etarkt, iamb-market. —soot, as meek as a lamb. —tjesbaai, soft baize. —tjespap, porridge of wheat-flour and milk. Lananaartsnoot, v. filbert. Lammleteid,y. 1 Aramaean, palsy. Lawmen, o. ZielLensoseu. Lamp, v. lamp. —light, Iamp light, —olie, lampoil. —eglee, lamp-glass. —chap, glass-shade. —ekleedje, lamp-rug, lamp-stand. —ekousje, —epic, wick. —estoart, lamp-black. —enfabriek, lamp. manufactory. —enkatoen, candlewick. — enaraker, lamp-maker. —enopsteker, lamp-lighter. Canapet, o. ewer, 1s7er. —lean, ewer. —host, wash-hand-basin, bowl. Laseproll, v. lamprey. —, o. young rabbit. Lancet, o. lancet. —hiker, lancet-case.

Coinbase has lost my money twice now. Once was due to an old account that, thanks to a bug in their verification process, I cannot re-authenticate. I bought 1 bitcoin back when they were only about $50 each with Coinbase. That money is gone forever now. And I acknowledge that it’s my fault that I did not set up a forwarding email with Coinbase, their support just refused to help. The second time was a month ago. I made a trade on Coinbase, and for some reason, the app glitched to think I have 5x more money than I actually… Read more »


LIP.—LOM. Lip. v. lip; tenon. de — laten *angel', to pout, to look gruff, — sulky. —klieren, labial glands —kuilfje, dimple in the lip. —letter. labial (letter), —ouch, —vorstig, 'ablated. —penpo-nrade, —petite', lip-salve. 11.2s, v. loop. —koord, covd, twist, loop-lace. Lisob. o. flag, flower-de-luce. —bloom, flowerde-lute. —dodde, —*nap, bulbous root of the flag. —world, iris-root. Llepelen, on. & oa. w. to lisp. Lisp on, or. & on. w. to lisp. —tong, m. & v. —er, m. ]leper. —tag, v. lisping. —.tier, v. lisper. Liman, ov. w. to provide with loops. List, v. artifice, trick, device, craft, cunning; be. dt hw. cunning (•y), sly atratagem. (-ly), artful (-ly), crafty (-11y). —igheid, y. conWing, slyness, artfulness, craftiness. Litteeken, o. soar, cicatrice. Mere', a. livery. —bediende,—knetht,livelyman, lackey. —rok, livery-coat. Lob, v. ruff; cuff; lobe. —nor, shagged dog, ehag. —oorig, shagged, with' shaggy ears, hermit., inoffensive. —oorigheid, shaggedness; inoffenslyenese. "Jobber on, on. w. to wade, to splash. —ig, be. gelatinous. —igheid, v. gelatinous quality, being gelatinous. 1Lobbe.a, in. booby, silly fellow, harmless creature. good-natured fellow. bv. lobate, lobed. Loroanotief, v. locomotive. Lodder, on. lecher, rake. —en. on. w. to ogle, to ernicker to cast a sheep 'a eye —gesicht wanton look. ' —cog, m. & v. one that looks amorously, ogler; o. languishing eye. —oven, to look amorously, to ogle. —aoet, amorous, languishing. —ig, bv. & bw. amorous (-1y), wanton (-1y); drowsy. —igheid, y. amorousness, wanton. neve; drowsinese. Loot', v. loof, lufp, weether•gage. de — afwInnen lafka(ipen), to gain the loft. howlen, to keep the luff. temand de — afeteken, to ottdo (to surpass, to get the of art of) a. o. —balk, outrigger- —braesen, weather-braces. —gierig, griping, leeward. —balk, weather-clew, -tack. —howler, good wind-niter; gripe. —spent, loof-timbers, loof-frame. —otjde, weather ride. —waarte, bw. luffward; — aanhraseen, to brace so as to becalm the sails. Loelson, on. w. to low, to bellow, to roar. Looneeb, by. & bw. squinting (-1y), squint eyed. — kOken, —sin, to squint (at) . —held, v. squinteyedness. Coer, m. clown, doodle, dunce. —, v. spying, watching. op de — liggen, to lie upon the lurch, to be on the catch. de mand eene draftiest, to gull a. o. —en, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to leer, to lurk; to be upon the watch; (op) to spy, to watch. —gut, peep-hole. —huiso, sentrybox. —inoorder, assassin. —oopen, to leer, to peep. —pi.uste, lurking-place. —vogel, falcon, hawk; lurking fellow. Loeres, m. doodle. Loevots, on. w. to loaf, to luff, to ply to windward, to go to the weather-aide. Loover, Loovert (to), bw. Lie Loofwaarti,

Patti (puff' , a. geblaas; hail; rukwin ,i; poecierpoeder bestroolen. 1,,aat; chef, pot; boyish; opvijzeling, blot', none i Poottce (pjoe'mis), a. pelinsteen. -out (-miar us), — boll, --fist, boviat. —paste, loch gebak. a. puimateena•:htig. T. a. ophYazen, opgeblazen Pomp (pump, '), s. pomp; danssehoen. forcing -, — atone, tutateen. ,aken, np:ijzelen, (op). (away) w,gbiazen, vet persporop. - bolt, pompbout. -bore, hart eenec driven. (up) °darn. -, v. n. blazen, btgen: pomp. --borer, achulpboor. -brake, pompgek. zwellen; vnreven; zeer bedroetd zijn. away. off) ) cistern, pomphak. -dale, pompdaal. -gear, Tomptoentel.. -handle, pomuslinger. -hot,k,poznpweganellen. by) vaorbijituiven. -er, e. blazer, snnever; opjager. -iness, a. opgeblazenheid; win batik. -hose, manilering. -knife, knipmes. -roost,
loosely; carelessly ; wantonly. —bandit', by. &I time of unloading. —ter, in. unloads,. lighterbw. disorderly, (limonite (-Iy), licentioue (-ly). man ; redeemer. —sing, v. unloading, discharge. —bandigheid, dissolutanese, licentioueness, —bar- redemption. rtes, to burst, to break out. —barsting. explo- Lot, o. fate, destiny; lot; chance; ticket. sehot en sion. —betten, to loosen by bathing. —bitten, to —, scot and lot, —genteen, Involved hi the same untie to undo) with one 's teeth. — binder, to fate: —genoot, companion In distress) adventure. —spat, frame at hazard, lottery. —auntie, to undo, to loosen. —bol, wild spark, —branden, to fire bedeeling,--sbestel, destiny. —overtetseeling, vicis libertine. —bollerU, mitade. off, to discharge. —branding, tiring, diocitarge. —brekett, to break lone, —l.reking, breaking loose. Lotellug, ea. conscript . --(lawmen, to undam. —dunien, to got loose by Lot en, on. w. to draw (to east) lots. —er, m. thawing. —draaien, to untwist, to Iwist off, to one that draws lots. Loteirell , v. lottery. --Lrieffe, lottery-ticket. turn loore.—drulreen,ele loosebrnewoor, --kontoor, lottery-office. —man, dealer in lotteryto get loose, to loosen, to unloose; lop) to fall upon, to attack. —gropes, to unbuckle. —grende- tickets lea, to unbolt. —haken, to unhook —hasten, to Tooting, v. drawing of (casting) lots; conseription. hang loose, to flee to dangle. — helpen, to fission in getting boor —hoofd, wild follow, giddy Looter. bv. pare, fine, massy; mere, bare. —, headed person. —hoofing, by. & b oo thoughtless bw. merely, barely. —aar, m. refiner. —es, ov, (-)y), giddy headed, githoly.—hoofdigheid,thouR,ht- w. to purify, to refine. --pan, clarifying-pan. knoopen., to —stat, etrangcry in horses, difficulty of staling. leseneso. —tionimen, to comb out. —heid, v. purity, flneress, maesiness, —lag, v. unbutton, to untie. —konten, to get boons, to be purifying, refining. released. —hoopen, to boy off. to ransom. to 11..ouw, a, Ze Zeiat. redeem. —looping. ransoming redemption. nen, to get tease; to release. --Eaten, to let loose; La•nvwl...11 4, s. January. to let alone, to let go; to release. —toting, release Low en. us. w. to praise, to commend, to glorify; to ask; — en bieden, to bargain. —er, m. praises; —twig, loose, lax. —!ijvioheid, looseness, laxity. walk loose, to be at liberty. —makes, one that asks a price. —loosen, to make loose, to b000en; to open, to untie; to Lub. Lubbe, v, cuff, ruff. deliver, to enfranchise. --makino, loosening Lubb on, ov. w. to geld, to castrate. —er, In. seller. —ing, v. gelding, castrations. opening, untying; liberation. —panken, to unpack. —protein to release (to liberaie) by erguing, — Lucht, v. air ; sky ; atinosphere ; wind, breeze; germ* aan, to give vent; tnnell, iment; match. by persuasion, —rakes, to set loose, to unloose, to open, to get off; to be released. —rijgen, to vent (relief) to. stta hart — peren, to open (to disclose) one 'a heart. de — hebben (kr(fgen) ran, unlace. —rijten, tie Longo/so:trots. —rotten, to unroll. —rukken, to pull loose, — open; ,rieh — to have in the wind, to get titan; (wind) of, to aounnige sam.), aerial. ethereal. smell out. — van, to disengage one 'n self by force. — orhero. case•inot. —scheuren, to tear off; .3 beck off; —oder, artery. —beachrtivinv.aerograg14. —bleatsick — van, to ;separate from. —.hearing ,t4, ariaa je, bubble, —bol, balloon, —rolis, air-pipe —dieht, (breaking) off ; separation. —schieten, sic Los- air-tight: be, & bw, hermetic (-ally). —dichtheid, sprIngen. —aehroeven, to unscrew. —sloe., to air-tightness. —got, air-hole, spiracle, —gesteldstrike off. --tosiiden, to cut loose, aeunder, held, climate, temperature of the air. — mita. off. —opelden, to unpin. —ispringen, to spring aerial spirit, sylph. —gesicht., slew of the air. (to get) loose, to unloose,. —otaan, to stand loose. --hartig, light-beerted, jolly. —hartigheid, lightstokes, to cut (to dig) off —tomes, to unsew, heartcdnees, jollity. —kastrel, castle in the alr; to unetiteh, to rip (opera;, to undo. —topnlig, —kande, pneumatics. —Odic, by. void of air ; o. ens Zie Los000ndiet, ea, —trekken, to pull vacuum. —leer, aerology. —meetkntide, aeroone(to tear) loose, —woaten, to blow (to be blown) try. —meter, aerometer. —pomp, air-pump• —An, off —weeken, to loosen by soakint. —weaken, to wind-pipe. —reit, aero•tatic voyage. —reiriger, —.hipper, aeronso.t. atmospheres. —sprinwork off, to mAke loose, to untie; rich —, to get ger, vaulter, tumbler, ceperer —sprung, caper, loose. —teinden, to untwist, to wrench off, to gambol. —etreek, climate, zone. —rerheeeling, urovrap.•to wring (to 'wrest, to wrench) --terschiinsel, troteor, phenomenon. —rormio, off. --xinnil, ent. Zie lotreboofeng. ens. —sit- aeriform —weegkoncle, oero4tatics. —wey,, glottis. ten, to be loose, —twacatelen, to unewaddle, to —welter, barometer. —en, ov, vv. to air; to match; unowethe. to bear, to suffer ; on, w. to ornell, to scent the 7, ,oetstonr, by. redeemable, game. —ig, by. & bw. airy (-Lyn light (-13"), clear iLorshold, v. looseness; uncertainty fickleness, inconstancy ; carelessness ; freeneso, easiness; (-Iy), thin (-1y); careless (-1y), jolly (-11y). —igArid, v. airiness, ilehtoese„ cleerness, thinness; dissoluteness. ILossies, bw. loosely, (molly; lightly, cursorily. carelessness, jollity. o. soft gale; can — Los son, ov. w. to loose, to loosen, to slacken; *chirps., to take the air, to air one 's self; on to release, to unload; to discharge, (to fire (A), ems gaan, to perish, to be lost. socket. —dug, day Lucifer, m. (phosphorisal) match. —ordoogie, Lox to redeem, to ransom. —prils, ransom. —ploate, for matches. for unloading. place for unloading, wharf; destination. —resale, Lull, by. & by. lazy (-ily), sluggish (.1y), idle, redeemable rent. —rentebrief, obligation. —10, idly, slothful (-1y). —aard, —bak —buff, —seem'

SPE Spell (spell') [spell s ], v. PI, speiten; betooveren; Spilt Ater (tipin'nur), s. apinuer; spin. —.sting, s. het SPintle" , .Pinfflachlue; — wheel, spin attossen. er, B. speller.—ing, r. spelling; —book, newiel. speiboek. Spin sue (spni'nus), —ose(-ItoOs'), —y, a, doornig; Spelt (Epele), a. spelt. —er, a„ spiauter. netelig„ moeielijk. —osity (-nos'it.tih), s. doornigbesteden, uitgeven; R. [spent], v. Spend (spend') heid nzteligheid. verkwisten; afmatten; v. n. uitgaven doen; verlo ern goon. --er, s. hesteder, uitgever; verkwistee. SpIti tiler (splrflitts:), a. spinster;jonge doehter. —stry (-strip), s. spinsel. —thrift, a. doorbren ger, verkweSter. I Spiracle (spir'ikl e. luehtgat. Spare (spier), a. R. vragen, uit-, nevorechen. Sperm (spurm).s. dteriijk zaad. —aceti(-e-st-tih)„ Spiral (eparrs1), a, —ally. ad . sehreervormig, spi(-etsik-), ! relit —alness, s. spiraalvorm. —e, a. sehroef-, n, wa)sehot, spermaceti. —atic, slakke-, spiraelliin; spits; torenspits; v1( ebt. —e, —atocele uit nod beeteend; v. n. spits opse , ,eten. —ed (epajrd), a. spits toea. toad-, zekbreuk. Spew (spjoe), v. a. uItspuwen, uitbraken; v. n.1 loopend Spirit (splr'it), a. geeet; zie1; gemoed, aard, stemspuwen, broken. Sphecel ate isfes'e-leet), v. e. doen veraterven; I niing; vroolij kheid ; sour, ipier,rnoed, geeetkracht; neiging; gevoelen, begrip; genie. —a, pl. levensv. n het keudvuur kriigen. —us, s.koudvuur. geeeten; stemming; geestrijke drankea ; to be in t4 ph Egn inns ,sfeg'nern), s. veenmos. (high) —, opgeruiind zijn; in tow —, neer elachtlgSpleen. ,stien), s. wig; titaniet. v a. hesielen; bemoedigen, aansposen, (up); Sphere (slier'), a. efeer, bol; loopbaan;kring. (away) door list wegvoeren. —ed, a. —edly, ad. • f. a road.; in eene steer plaativn. levendig, moedig, vurig, geestrijk. high— id, opal!y, ad. bolrond.—alnees, Spheric !ster . ik), neerslaehtig. —ednesp„ a. gegeruirnd. a. bolvormigheid. -ity moedegeeteldheid; levendigheid, vurigheid —less, der sfsren, afeerkeenis, a. levers loos: ,eesteloos; meedeloos. --ous, a. onSpher old (sti'rojd), s. spheroide. —n/e(sfer'-joel), etoffelijk eerlijnd; levendig, vurig. s. sf,ertje. kietne be!. Spiritual (so)eit-joe- el), a. —4, ad. geestelijk. Sphlre trrOtIngk'tur), s s. sluitspier. a. spiritualismus. —ist, s. spiritualist. Spic a- iepajs') s.specerj, kru'derij; smask;zweem; —ity (-el'it-tih), a. geestelijk held, onstoffeiijk—apple, anijsappel; —gingerbread, pepe , keek, haid; godevruebt. —ization (-i-zee'sjun)., a. ter-nut, pepernoot. —e, v. a, kru.iden. —er, a. ban- geeetelij king. —ice tajz), v. a. vergeestelijken; delaar in specerijen; kruidenier. —cry, S. speeerij; overhalen. —ty, e. geestelijkbeid. bergplaata van epeeertjen. —iness (-i-ness), a. Spirituous (spir'it-toe-us), R. geestrijk; levendig, krui:tigh•id,gekruidheid. vurig. —seas, s. geeetrijkheid. Spick ispik"), —end span, R. kersverReh. spick-and- Spirt (sport'.,a. uitspuiting; straal; ijver. —, v. R. spannew, splinternieuw. & n. smuts,: (up) (apspuiten. Spicknel (spik'nii). a. dills. vol aces; Spirtle (apur'tl), v. a. wegspuiten; verstroeien. Spleo as (spa) boos':, —us (spark.), R. puntig. --sites (-kos'it-tih), a. volheid van aeon; S'piry (sparribl, a. spits tneloopend; kronkeiend. Spasm sited (epie'see•tid), a. verdikt. —itude ( alsinntigheid, splteheid. -tjoed),.. dikte. Splcul sir Ispthloe-ter), a. printig, spits. —ate Spit (spit% a. speeksel; braadepit. —box, spuw(-leet), v. a. puntig maken. bakje, —fire, heel hoofd. —pin, lardeerpt.nopeetie. S picy imparsi It). a. kruieig, gekruid. Spider (spafdur), a. spin. —catcher, spinnenvan- —, v. a spates; aan het spit ateken. n. spuwen. ger. —shanked, spillebeenig. —web, spin noweb. Spit (spit', [spit], a. hospitaal, ziekenhuis. Spatial spinnekog Islak). —wort, spinnekruW. Spiteliccock ispitsrkok), a. gebakken paling. —, Spigot 1,spleat),s.spte,zwikje. v. a. (paling) bakken. Split e (spajk."), s. oar; groote spiiker; houten pin; spijt, wrevel, weak, nijd. in — of, pent: spije; —nard (-nurd),spiikhalsem. —e, v. a. Spite (spa) to weerw il van. out of — , tut spit t. —, v. R. krenspilkeren; vernagelen (vp); van punters voorzien. ken, ergeren; vertoorneu. —fat, a. —fully, ad. -y, a. puntig. epijtig, wrevelig; booliaardig. —fulness, a. week; Spill (spill), s. pin, spijltje, spie; spaantje,strookje boosnardigheid. pepier. 13. Spill (spill') [spilt*], a. a. worsen, stort,i; ver- Spit ter (sint'tur), a. spawer; jong hert. bet spuwen; —box, epuwbakje, kwispedoor —11e nielan. —age, a. (het) getitorte; verlies. —er, a. (epit't1), a. specked]. —to. (-toen'), a. spuw n storteribeneelroede. —ing.linee, noodgordingen. bakje. Spin (pin') [spun], v. a. spinnen; does draelen; uitrekken inotp inut) rak ken, op de lenge bean Splash (splesY), a, gespat slijk. — board, spatbord. v. a. bespatten; v. a. spatter, —y, a. beepat, echui von; v. n, spinnen; draaien; viieteo. slijkerig. Spin web (spin'itsj), --age, s. epinazie. —fasted, Spinal (spernel), e.. ruggegraats-. —marrow, rug- Splay (splee'), a. sehuinsehe verwtding. met kromme voeteu. —mouth, wijcie mond. —, v. prernerg. a. de schoft verrekken. Spindle (spixed1), s. spil i ttengelistander. —lags, v. n. stengele sehteten. Spleen (splien"),.. milt; miltzucht; zwatirmoedigspillebeenen. —sick, miltSpin e (spajn'), a. ru,geg..aat ; dorm.—el (-11), a. heed; grit, kwade luim; weak; slug. zuehtig; zwaarmoedig. —met, miltkruid. —ful, bleekroode robije. —et (spin'it, spinet'), s. —y, a. nailtzueltig; zwatirmoedig;gemelijk. spinet.
CHA—CHI dom. —, v. a, bij charter inatellen,hevoorreeh- kooper. —paring, kaaakorst. •—press, kanapers. ten: bevrachten. —land, vrijgood, —party, char- —running. kaaswei. —runnet, —wort, lidkruid. tepartij. —r, a. bevrachter. Cheesy (tajte'zih), a. k 4 ...chtigChary (tsjee'rih), a. zorgvuldig, behoedzaam; Chely ikelih). a. kreePtschaar. zaiuig. Chemic (kem'ik), —al, a. —ally, ad. scheikundig. Chase (tsjees') s, jueht, vervolging; wlldbaan; Chemist (kem'istl, a. scheikundige. —ry, a. acheidracht (van geschat); vorinraam. —. v. a. jagen; kande, vervolging; najagen. —gun. boegstuk. —r, a. ver. Cheque (tajek), a. bon, assignatte. volger. nsjager. Cherish (tajer'isj), v. R. koesteren, verplegen; Chassis (kezml„ a. kloof, afgrond. Itelhebben. —er, s. verzorger; beachermer. Chasselas (sjes'ae-les), a. snort van druif. Cheroot Itsje-roet'), a. sloe, Chaste (tajeest'). a. —1y, ad. kuisch, eerbaar. Cherry (tsjer'rih), a. kers. —, a. kerskleurig. s. kuischheld, zuiverheid. —tree, knisch- —bay, --laurel, laurierkera. —pit, kailtjeaspel. boom. —stone, kersepit. —tree, kerseboom. —checked, Chasten (tmlees'n), v. a. kaatijden, vernedereu. roodwangig. Chastise (tsjes-tajz'). v. R. kastliden, tuchtigen. Chert (tspart,*), a. kwarta. —y, a. kwartaachtig. —meat (tsjes'tiz meat), s. kastijding. —r, a. kas- Cherub (teler'ubl, a. engel, cherub. —ic, —ical, tijder. (taje-roe'hik-), a. entrelachtig. Chastity (tsjes'tit-tih), s. kuischheid. Cherubim (tajer'oe-bim), a. cherubim. Chat (tajet), a. gesnap, gekeuvel; katje (Ran Cherup (tsler'upl, v. n. tjilpen, kweelen. boomen). —, v. n. snappen, keuvelen; (away) Chervil (tajuevill, a. kervel. keuvelend doorbrengeu. Chesible ftsjeeibli, a. kasuifel. Chattel (tsjet'til), a. have en goed; roerend goed. Cheslip (teleslip), a. varkensluia. Chatter (tsjet'tur), a. gesnap, gekakel. v. n. Chess (tsjeal, a. sehaakspel. —board, eclutaksnappen, kakelen; klappertanden (with cold). bord. —man, achrtakflguur. —player, schaakspe-box, snapper, anapater. —ce, a, praatvallr. —ing, ler. —tree, halskl a. geanap, gekakel. Chessosu (tales'sum), a. lame aarde. Chatty (tsjet'tih), a. praatgraag. Chest (isjeat"), a. kist, kart; Borst. —of drawers, ChM WOOd (tajet'woed), a, brandhout. latafel. —foundered, a. dempig. Chavender (tajev'en-tor), a. rivierbaars. Chestnut (tsjes'nut), a, kastanje; -kleur. —, a. Chaw (tsjao), bie Chew. kastartjehruin. —plot, kastanjeboach. —tree, liasCheap (tsjiee,'), a. —ly, ad. goedkoop. dog—, tenjeboom. srhandekoop. —en, v. a. dingen, bteden. —ener, Clievcril (tslev'nr-i1), a, geitje; zeemleder. a. clinger, bieder. —nem, a, goedkoopheid. Chevisance (sjev'i-zens) a. onderneming. Cheat oijietn. a. bedrag, schelmerij. —, v. a. Chevron (sjev'rnr), a. spar; chevron. bedriegen. —er, a, bedriver. —ing/y, ad. Chew (tsjoe), v. a. kanwen;overdenken:v.n.peinzen, bedriegelijk. § Chrwink (taloe'ink), a. roodborslje, Chek (tajek'), a. Faulting, beteugeling; beletsel; Chicane (sji-keen'r, —ry, a. gezocht voorwendtegenspoed, nederiaag; verwijting; geruit bunt; eel, —haarklooverij. —, v. n. haarklooven, vit. contraboek; assignatie; schaalt. to give a — to, ten. —r, a. twiatzoeker, haarkloover. in bedwang houden. clerk of the —, oppercon- Chick (tsjikl, —en, a. kniken. —en-hearted, a. trOleur. —, v. a. stuiten, beteugelen; berispen; lathartig. —en-pox, windpokken. —ling, a. kidcollationeeren; v. n. StlifitRall. —mate. schaakinat. kentje. —pea, sisser. —weed, muurkruid. —roll, staatalijst. —less, a, zonder contrOle.—er. Chide (*.BAN') {chid. chid, chidden], v. a. beknors. beteugelaar, hedwinger. raw v. n. knorren, grommet, —r, s. berisper, Checker (tsjek'ur), a, geruit week. —board, dam- tthorrepot. of schaakbord. —s (-um), a, darn- ofsehaakapel. Chief (tsjier), s. hoofd, Ranvoerder. commander —, v. a. schakeeren, geruit maken, —ed, a. boat, in —, opperbevelhebber. voornaamate, eergesel, a based. —work, ingelegd week. ste. —less, a: zonder aanvoerder. —/y, ad. voorCheek (tt,jiele), a. wang, slooiknie. —8 of a door, namelijk. —fain (-tin), a. opperhoofd. —tainry, deurponten. —8 of a balance, schaar eener ba- —ship, a. aanvoerderachap. — by jole, onder vier oogen. —bone, kake- Chilblain (tslirbleen), a. winter (Han handed been, —hoop, ijzeren band om den hommer. of voetenl. —tooth, baktand. Child (tsjalld'), a. kind. from a —, van kindsbeen Cheer (tajier'), a. onthaal; opgeruimdheid; toe- of. with —, manger. —bearing, baren. —bed, latching; begroeting. to be of good —, opgeruimd kraambed. —birth, bevelling. —hood, ktndschheid. zijn. what —1 hoe gnat bet? a. verheugen, —ish, —like, a. kinderaehtig, kinderlijk. —ishness, vroolijk maken; toejuichen; begroeten; v. n. a. kinderachtigheid. —less, a. kinderloos, vroolijk worden; juicben; (up) moed acheppen. Childer - mas - day (tsjirdur-men-dee), a. onnoo-er, a. opvroolijker. —ful, a. —fully, ad blij- zele-kinderendag. moedig, vroolijk, —fulness. a, blijmoedigheid. Children (tsjirdren), a. kinderen. —less, a. neerslachtig. —ily (•ii-lih). ad. —y, R. Chiliad (kil'i-ed1, e. duizendtal; tien eeuwen. vroolijk, opgeruimd. a. koud, kil; Chill (tajil'), a. koude, huivering. Cheese (tsjiee), a. kelt.. —bow!,kaasnap. —cake, ongevoelig. —, v. a. koud maken; afschrikkeni kaaawronget. —frame, —vat, kaaskoek. v. a. huiveren. —iness, —ness, a. koude, kaaavorm. —lip, kartsleb.,stremeel.—monger,knas —y, a. & ad, kilaehtig; koeltjes.

Hoe koop ik 0x

×