Disbowel (dis baaul'), v. a. ontweien. Disbranch (dig-braantsr), v. a. onttakken. Disburden (dis-buedu), v. a. ontlasten. Disburse (diz-burs' ► , v. a. uitschieten, uitgeven. —r, a. voorschieter. —meat, s. verachot. Discard (dis-kaard'), v. a. afdanken; wegwerpen, uitscliieten; ecarteeren. Disease (dis-kees' ► , v. a. ontkleeden. Discepta tion (din-sep-tee'sjun), a. geschil. — tor (dia'8ep.), s. acheidsman. Discern (diz-zurn'), v. a. & n. ontdekken, onderscheiden. —er, s. opmerker, ondersebeider. —ible, a. —ibly. ad. zichtbaar, onderscheidbaar. —ing, a. —ingly, ad. oordeelkuniig. —ing, —meet, s. schranderheid, doorzicht. Discerp (dis.surp'), v. a. in stukken scheuren; breken. —title, a. breekbaar, scheidbaar. —tion. a. vaneenacheuring. Discession (dis-ses'sjun), s. vertrek. Discharge (dia-tajaardzj'), s. leasing; ontlasting; afvuring; salvo; losgeld; vrijspreking; kwijting; uitetrooming. —, v. a. lossen. ontlasten, ontheflen (from); afschieten; vrijstellen; afdanken; ' vervullen; kwijten; v. n. zieh ontlasten; ontploffen. —r, a. lesser; vrijsteller; betaler. Disciple (dis sajp1'), a. leerling. v. a. onderrichten. —ship, a. leerlineorhap. Disciplin able (dis'si-plin-ibl), a. leerzaam, gezeggel;jk. —ableness, a. leerzaamheid; gezeggelijkheid. —ant, a. tuchtiger (monnik van eene strange orde). — arian (-nee'ri-en), —ary, a. tot eene goede tucht behoorend. —arian (-nee'ri-en), a. voorstander van goede tucht. —e (-plinl, a. tucht. krijgstucht; kastijding; v. a. onderwijzen; opvoeden; onder tucht houden. D itn (dis.kleem'), v. a. ontkennen; herroepen. —er, ontkenner; iherroeping. Dlscios e (dis klooz'), v. a. onthullen, ontdekken, openbaren; v. n. zieh openers. ontluiken. —er, s. ontdekker, onthuller. —are(• loer),s. onthulling, ontdekking. Discolor (dis-kul'ur) v. a. doen verkleuren. —fiction lee'sjun), s. verkleuring. Discomfit (dis-kum'fit), —ure (-tjoer). a. nederlaag. —' v. a. verslaan. Discomfort idis-kumlurt), a. miatrooatigheid; leed. v. a. bedroeven. Discommend (die-kum.mend'), v. a. berispen, mioprijzen. —able, a. laakbaar. —alien (kom mendee'sjun), s. berisping; baking. —er, s.misprijzer. Discommod e (dis-kum-mood'), v. a. lastig vallen, belet doen. —ions, a. lastig, hinderlijk. —iousness, —ity (mod'it-tih), a. overlast; hinderlijkheid. Discon000ion (dis-kom'mun), v. a. van gemeenterechten berooven. Discompos e (dis-kum-pooz"), v. a. verontrusten• ergeren. —ure, (-zjoer) verwarring; ontateltenia. Disconcert (dis-kun-surt'), v. a. uit het veld slaan; verijdelen. Disconformity (dis-kuu-form'it-tih), a. ongelijlevormigheid. Discongruity (dis-kiln-groe'it-tih), a. onbestaanbaarheid, aandruisching. Disconnect (dis kun-nekt'), v. R. scheiden.
Gabriel (gee'bri 11), m. Gabriel. Galatia Gb.latt6. —a, i. Galatier. Galicia (ge-liaj'i-e), g. Gailicit. Galatz (ge-lets'), g. Galati. Gall lean (ge1-11-1i'en), i. Galli ee ?. —lee (gel'. il-lie), g. fiancee, —leo 1.1Vokm. Galileo. Gallia (gei'll-e), g. Game. Galvesten (gePvis-tun), g. Galveston. Ganges (geir dzj fez), g. the —, de Ganges. Garrick (ger'rlit), en. Garrick. Gascon (ges'kun), I. Gaseonjer. —y, g. Gasconje. Gaul (gaol), g. Genie; i. Galilee. G e If (dzjef'), —cry. ry, f. vo,r Godfrey. G.nev. (dzje-ni've), g. Geneve, Gent) a (.1zjen'o-e), g. Genoa. —roe (-( Cc), a, ge• sneeseb; i. Genoeee.

Hoe kan ik geld opnemen van mijn grootboek Nano S


PRO. voornaamwoordelijk. -noun (.naaun'), s. voor- Propugn (pro-pjoen'), v. a. verdedlgen. -ation naamwoord. (prop-ug-nee'sjun), a. verdediging. -er, s. verdePronounce (pro-naaune), v. a. uitspreken, voor- I diger. dragen; v. n. uttsprask doen. -r, a. ultspreker. Propulsi on Ipro-pul'sjun), a. voortdrijving. Pronunciation (pro-nun-sji.ee'sjun), a. nit- I -ivs ( sty), a. voortdrijvend. spraak. Prore (proor), a. voorsteven. Proof (proef'), a. bewija, blijk; proef; beproeving; Prorog atlon (pro-ro-gee'sjun), a. opachorting, bestandheld, ondoordringbaarheid. -print, proef- verdaging, -ue (-roog . ), v. a. opschorten, verdedruk. -sheet, proef bled. - a. bestand, proefhou- I gen. dend, vast, vrij, (against.to).-rees, a. onbewezen. P rorupt Ion (pro-rup'ejun), e. nitbarsting. Prop (prop;, a. atut, achoor, ateun. -, v. a. atut- Prose lo (pro-zee'ik), a. -(tally, ad. prozaisch. ten, schragen, achoren. -ist, s. prozaschrijver. Popaga ble (prop'e-gibll, a. verbreidbaar. -te Proscarab (pro- sker'eb), a. meikever. I- geet), v. a. verbreiden, voortplanten; v. n. zich Proscr lb• pro akrajb'). v. a. verbannen; vogetvoortplanten. -lion (•gee'sjun), a. verbreiding, I yob' verklaren. -iber, a. verbanner. -ipt (pr3'voortplanaing. -tor (-gee-tor), a. verbreider, akript), a. bailing, vogelvrtj-verklaarde. -;ption voortpianter. I (-skrip'sjun), a. verbanning, vogelvrij-verklaring. Propel (pro-per), v. a. voortdrtlyen, voortatu- Prose (prooz), a. in proza. a. proza, ongebonwen. I den stijl. -, v. n. in proza schrilven; langdradig Propend (pro-pend'), v. n. neigen, overhellen. verhalen. - ency, s. neiging, overhelling. Prosecu is (proa'e-kjoet), v. a. voortzetten; verPropens a (pro-pews"), a. (to) geneigd. voigen. -tion(-kjoe'sjun),s. voortzetting; vervol-ity, a. geneigdhetd, overhelling. I gir.g. vetvoiger; slather. Proper 'prop'ur), a. -ly, ad. elgen, btjzonder; Proselyt e (pros'e-lajt , , a. bekeerling, proaeli et. &gen) ijk; joist; degelijk; geschikr, gepast, be- I -e, v. a. bekeeren, overhalen, (to). -Urn (-11- Um), hoorlijk; sierlijk. -neea, a. gepastheid, juistheid; I a. proselietenmakerij. -ise (-11- tajz), v. a. bekeerijzige gestalts. -ty, a. eigenschap, eigenaardig- ren; v. n. proselieten maken. held: eigen dom. Proseminritlon (pro-eem-i-nee'sjun), a. voortProphe cy (prose-sih), a. voorzegging. -.tier planting door toad. (-sal-ur), a. voorspeller. -sy C-sih), v. R. voor- Pros er (pro'zur), a. prozaschrijver; langdradig spellen; v. n.profeteeren. -t (• 8. profeet, voor- vertelier. -ing, a. langdradigyerhaal. zegger. -tesa (-it-ess), a. profetea, voorzegster. Prosod lel (pro. so'di-e1),--scal(-sod'ikl), a. van -tic, -tical, a. -tically, ad. (pro-fet'ik-), profe- de prosodie. -tan, -iat (pros'ud-diet), a. kenner tiach, voorepellen d. der prosodic+. -y (pros'ud-dih), s. lettergreepme. Prophy lactic (prof- i-lek'tik), a. voorbehoedend. ting, prosodie. - s. voorbeheedmiddal. Prospect (proa'pekt), 0. ultzieht, verechiet; roc,Propinquity (pro•ping'kwit-tih), a. nabijheid; uitsicht; ferwaehting. bloedverwantechap. Prospect ion (pro-epek'sjun), a. (het) vooruitzien; Propitl able (pro.pbri-ibl), a. verzoenbaar.-ate, voorzorg. -ire, a. vooruitzlend; voorziehtig (in); -set ► , v. a. verzoenen; gunstig stemmen; v, n. boe- - glass, verrektjker. -us, s. plan, prospectus. ten (for). -ation (.ee'sjun), a. verzoening; zoen- Prosper (proa'pur), v. a. begunstIgen, doen also ffer. -afar (-ee-tur), a. verzoener. -atory (-1-e- gen; v. n.ged(jen, gelukken; bloeien. -ity (- per , tar. rih), a. verzoenend; a. verzoendeksel. -ous, a. it- tih), a. voorapoed, welvaart. -one, a. -oualy, -ously, ad. gunatig, genadig. -ousness, a, gun- ad. voorspoedig, gelukkig. -ousness, a. voorspoestigheid. digheid. Proplasin (pro'plesm), s. gietvorm. Prospiclence (pros-pierens), a. (bet) vooruitPropolls (pro'po-lis ► , a. etopwas (der btjon). I zlen. Proponent (pro-po'nent), a. voorateller. Prosternat Ion (pros-tor nee'sjun), a. nederwerProportion (pro-poor'sjun), s. evenredigheld, I ping; neerslachtigheid. verhouding; gedaante; gedeeite. rule of -, regal Prnetitts te (pros'ti- tjoet), a. veil, eerlooe. -te, van drieen. -, v. a. evenredig waken, regelen, af- a. huurling; hoer. -te, v. a. veil hebben, prijs meten, (to). -able, -al, -ate, a. -ably, -ally, gev en; miabruiken; aan ontucht orergeven. -tion -ately, ad. evenredig, near evenredigheid. -ality (-tjoe'sjun), a. vellheid; onteering; ontucht. -tor, -ateness (-et-), a. gebvenredigdheid. tih), a. onteerder, verleider. - ate (-set), v. a. evenredig maken. Prostra te (proetret), a. neergeatrekt, nederge. Propos al (pro-po'sel), a. voorstel; aanbod. -e worpen; ootmoedig, to fall -, een' voetval doen. (pooe), v. a. vooretellen; aanbieden. -er, e. Ivor- - ie (-treeti, v. a. nederwerpen, omverwerpen. omverwerping; voet%teller. -ition (prop-o•zisrun), a. voorstel; atel- -tion (-tree'sjun),s. ling. -itional (prop- o.dsrun.), a. als een voorstel val; verootmoediging; neerelac htigheid. Prostyle (pro'staji), a. zuilenpoort, -ingang. beschouwd. Propound (pro-paaund'), v. a. voorstellen; aan- Prosy (pro'zih), a. prozat , ch, iangdradig. bieden. -er, a. voorsteller; aanbteder. Prota sls (proVe-sis), a. hoofdvoorstel, voorzinPropriet ary (pro-prare-te-rih), a. eigendom- deal; inleiding (van sen tooneelspel). -tic(pro. rnelijk. -ary, -or, s. eigenaar. -rests, s. eigena- tet'ik), a. inleidend, openend. res. -y, a. esgendom; geschiktheid, gepastheid; Protect (pro-tekt'), v. a. beschermen (against), juistheid. behoeden 1from), -ton (-tek'sjun), a. bescherming,
481 Ifoovesaaor. m. farmer. 11114eetewei I, v w. though, although. Floozee, tow. huzzah! humeri Ilicsozoor, hw. bow much. —, vw. though, although. o. court. zijn — liof. in. yard, court-yard. snakes bed, to pay (to make) one 's court to, to court. open—, open table.—arte,eourt-phyeician. —borAier, barber in ordinary. —hediende, officer (servant) at court. —dame, lauy of honor. —dienst, cottrt•serviee.—gebruik, court-etiquette.— perecht, —kanser, superior court of justice. —gezin, courtiers. —howl, mestiff, watch-dee. —heeding. court; state. —jonker, page. —jeer., maid of honor. —kaneelier, court-chancellor. —kapel, coart-chapel.—kapelann.—prediker,court-chaplain. —komijn, caraway. —deem, court-life. --wester, steward. —meesterschap, stewardship. —nor, court-jester, fool, —road, privy council; privy councellor. —roan, court-mourning. —,tad, rendence. —etede, farm, country-seat; —anker, sheet-anchor.--atoet, retinue of a prince. —svocht, guard of the court. —Igoe/der, yeoman of the guard; watch-dog. —vesper, courteeineer. Hvelfollik, be. & bw. courteous (-1y), genteel (-1y). —held, v. courteousness, courtesy, genteelness. IIssfje, o. establishment for o'td people. Hok, o. pen, kennel, 'sty; dungeon; dock. —duif, tame pigeon. —itentin, tame rabbit. —rest, homekeeping. Hokkeling, m. & v. calf one year old; overgrown soy. — girl. Hokken, on. w. to squat, to crouch; to renounce 't kaartspel), Aet kohl, there's some obstacle; it. won 't do. o. hole, hollow, cavity; don, cave, cavern; dead (ran den noelet). cc — rakes, to take fright. to run away; to take bad courses; to be wend,ing, to go a wool-gathering, to be perplexed. — over bol, helter-skelter; head over heeds, precipitately. lloi, hr. hollow, empty, deep, concave. —ader, vena CSC!, —beitel, —ijser. gouge. —blok, wooden shoe. —60/140, faeetioue, comical, droll. —boa, glutton. —buikig. empty-bellied, gluttonous. —keel, chamfer; glutton. —oogig, hollow-eyed. —rend, concave. —rearbleid,concavtty.—wangt(g, hollow-checked. -WOrt41, hart-wort, birch-wort. —achtig, be. somewhat hollow. vy., head over lioldordebolder, bw. topsy-turvy, heels. Holheld, v. hollow nese. 11 ollav, tow. bode! hold Holies, on. w. (to take fright and; run away; to wander, to rove, to riot. to revel. Holligheld, v. hollowness, cavity. Holster. tn. holster, rate. Hone, v. hollow, cavity; pit . Horn, v. milt, soft roe I trill. —bears, renter, uott•roed perch. —bokking, soft•roed real herring. Houttntl, m. drone, humble-bee. Hommel en, on. w. to ham, to beet. —lag, v. humming, buzzing. Hammer, nt. milts,. —gat, sheave-hole. Hong), v. lump, lunch. Hompel ear, ra. limper, hobbler —en, on. w.
'Won't (woont, wont), voor will not. Wont (wontl, a. gewoonte, ed, a. gewoongewend (to). —, v. n. gewoon (tewend) zijn. —ednesa, a. gewoonheid, gewendheld. oo (woe), v. a. vrijeb; dingen, eterk verlangen near: dringend veenoeken urn. Wood (woad"), a. hoot; bosch. —ashes, p1. hontwolkruid emelt. —bins, kamperfoolie. —car,er, houtgraveur. earring, huntsnijmerk. —chopper, houtbii/. --cleaver, —cutter, houthakker. —coal, houtskool. —cock, houteotp. —craft, hot jegen; Jae htvermaak. —cutter, houtdra. —cut, —engraving. houtsnede —fritter, —worm, boutworm. --fuel, brandhout —god, boachgod, eater. —grouse. korhaaa, haselhoen. —house, —shed, houtloods, -sehuur. —knife, hartavanor. —land, boeehland. —lark, bosebleenwerlk. —/ock,sluitheLt. van het roer. hootiuiv; plasebed, —,..an, boeehwaehter; hotzthakker; Jager. —merchant, —monger, hoatkooper. —mote. bosshgerenitt. —note, wilde muziekov o udgesan g.—nymph boachnimf. —pea, ''elide erwt. —pecker, specht. —pigeon, houtduif. —pile, —stake, houtmOt. —reeve, houtvester. —roof, —ruff, melerkruid. —row, --rowel, eterrekruid. —sage, Wilde melte. —screw, houtschroef. —shocks, pl. rnarmotvellen. —soot, roetzwart. ---sorrel, 'elide oaring. --spite, —wall, meerkol. —stand, boutkist. —vinegar, houtazijn. bosebwaehter ; houtveater.

Zijn Bitcoin belastbare winst


voile neef. Cove (koov), a. kreek; afdak, schuilplaats. v. a. welven, overdekken. Covenant (kuv'e neat), a. verdreg, verbond. —, v. a. overeenkomen, bepalen; v, n. een verdrag sluiten. —ee (-nen tie'), a. verbondene. —er, s. verbondmaker. Covenous (kuv'e nun), a. arglistig, bedriegelijk. Cover (kuv'ur), a. deksel, omelag; schuitplaitts; voorwendsel. 4 —clip, achol. apreideken. —, v. a. bedekken; dekken; bewimpelen; beschermen; bespringen. —ing, a. deksel, bedekking. Covert (kuv'urt), a. beschutting; schuilhoek; kreupelbosch. —, a. —ly, ad. beschermend, gedekt; argllatig. —ure ( tjoer). s. bedekking, bescherming. —way, bedekte weg. Covet (kuv'it), v. a. begeereu; (after) haken (ja. gen) near, all —, all lose, die 't onderste nit It ban wil hebben, enz. —able, a. begeerlijk. —ous, a. —ously, ad. begeerig, gierig. —mine., a. hebzucht. Covey (kuv'ih), a broedsel, vlucht; troep. Coypu (kus'in), a. kabaal. —one, a. bedriegelijk. Cowing (koov'ieng), a. laifel. Cow (kau'), a. boo. milch melkkoe. —blokes, gedroogde koemeat. —herd, koedrijver, § —hide, zweep, tuchtroede. —house, koeatal. —itch, stink, boom. —keeper, koehouder. —leech, a. koedoctor; v. n. koedoctor zijn. —parsnip, heelkruid. —pen, koeienhok. —pox, koepokken. —quake, koedrek. —shed, mergel. —'s-wort, koekruid. —weed, ker. vel. —wheat, koetarwe. —, v. a- bang maken. Coward (kauw'urd), a. —ly, ad. lafhartig. — , s. bloodaard. —ice (-din), —liness, a. lafbartigheid. Cower (kauw'ur), v. a. koesteren. v. n.neerhurken. Cowish (kauw-iaj), a. bevreesd. Cowl (kaaul), a. monnikskap; gab (op een' schoorsteen); watertob. Cowry (kau'rih), a. zeeschele. Coxcomb (koka'koom), a. fat, modegek; hanekern. —ry, a. verwaandheid; kwasterjgheid.

497 Kastelenij, v. castetlany, manor. Kasttjd ass, ov. w. to Mistime. —er, m. —tiler, v. chastiser. —ing, v. chastisement. haat oor, m. & o. castor, beaver. —ore*, by. heaver. Mastro!, v. stewing-pan. Kat, v. oat; pink, fly-boat; battery, plattmm; cavalier, battering-ram; bailer& grapnel; vixen, bag, whore. — in den zak koopen, to buy the pig in a poke. de — nit den boom kijken, to watch an opportunity. a oaf, Keg. —aas, bait fur cats; good-for-nothing fellow, vixen. —tinker, kedgeanchor, backing-anchor, grapnel. —blot, oatblock. —halters, on. w. to drudge in vain —sop, cat 's eye. —eclair. fly-boat. —nil, screech-owl. —Tisch, small fry. —zwijra. swoon, fainting fit. —tet,k, cat's trough. —fetish, cat- block.—leaarni, cat-gut. —tedrek, cat's dung. —tegat, cat's hole. —tekop, cat's head; norman. —tekruid, cat-mint. —tehwaad, naughty (waggish) tricks. —temsf, catakin muff. —te.:poor, rider. —teetaart, cat'e tall, home-tail. —tent, cat's akin; termagant. —tenpetrol, —tengesehreeuw, catIrwatillng. —tingemaim, mewing of cats. —tengeslacht, feline race. —tenhaar, cat's hair. —tenntuziek, mock-music, rough music, mock-serenade. —tenypet, tough play, quarrel. —aelitig, br. catlike; vixenly. m. male cat, he-eat, tom-cat; tenant of a little farm. —stede,little farm. Materna T. & o. quire. Katholiek, be. & no Zie !AMU's, is, by. miserable, calamitous. —Arid, v. misery, hardship, calamity. Katie, o. kitten, catkin, gosling. K affects, v. & o. cotton; calico. —boat, bale (bag) of cotton. —boons, cotton-tree. —dragger, calicoprinter. —drukkerij, canco-printingefectory. —wercr, calico-weaver. —en, by. cotton. atrul, v. pulley. eheace. —loan, pulleyrope. Katt an, or. vv. to back (the anchor); to decline; on. w. to kitten. —ig, by. eatlike,vixenly. Kamm, y. jack-dew. Keuw en, or & on. w. to chew, to masticate. —middel, masticetory. —spier, masticatory mus cle. —land, grinder. —er, m. chewer, masticator. —log, v. chewing, In asticatIon. Kauwearde, v. gourd, pumpkin. KIRUNNOMi, o. chewed muff. Kavalje, o.j ade, old rip; old (paltry) house. naval, m. lot, parcel. —en, ov. w . to parcel oat, to divide into Iota ; to compute; on. w. to Cast lots. —itea, v. parcelling out, lot, parcel. linalaar, v. caviare. wane?, v. come sort of tortolse•shell. linnesswat, v. caaemate. Kamen, on. ay. to curdle. hazernae, la barracks, cement. Kazeilfel, v. chasuble. Kr, e1, v. throat, gullet; voice; long narrow piece of a board. verheerde —, wind pipe. eene groote opsetten, to shriek (to scream) out. —ader, jugular vein. —band, string of a cap. —cat, g ollet. —geluid, guttural sound. —gezwel, core throat, quinsy. —knohbel. Adam's apple. —Alice, tonsil, jugular gland. —kruid, privet, —letter, guttural
lead. —1(ist,—stuk, abacus,—mantel, cloak, mask, degnise, pretext. —riot, —stroo, hawm, thatch. — schild, wing-shell. --stem, ledger, coping-brick. —stet, woes- pillar, stanchion. —cart, body-color, opaque color. Mikan, v. blanket, qr lit, coverlet. —, ra dean; master. —achap, o, deanship, deanery. pek ken, ov. w. to cover; to clothe; to slate prat islet), to thatch (mat shoo), to tile (net pantsex), to shingle (met harden); to Wend, to protect; to shade teens teaming); to leap, to line; to answer (eon wised), to make good, to reimburse. de !apt - to lay the cloth. gedekt ace, to have security. —tar, in. coverer. —king, v. covering; security, reimbursement. —eel, u. cover, covering; lid; raiment; cloak. Del. v. dale. D•ltitof, v. mineral. —fel0k, by. mineral; HA, mineral kingdom. DeIg an, or. w. to eradicate; to pay, to sliek. —kg, v. eradication; payment, sinking; —.fonds, einking-fund. Delling,v. Pie Del. Doluw, bv. livid. Deli/ en, ov. w. to dig, to delve; Male de aarde —, to bury. —or, in. digger, delver. —big, v. digging, delving. Damp en, ov. w. to extinguish, to quench; to smother, to quell, to euppreso; to deaden (the sound ot); to fill up; to haul up (stn m. extinguisher, quencher; queller, suppteseor; mute. —ig, by. pursy, broken-winded. —20464 v. pursineee. —isg, v. extinguishment, extinction; suppression; filling up. Den,I. the; to the. Den, m. fir. fir-tree. —neboom,11r-tree. —nenboseh, forest of fir-trees. —nershost, sir-wood. —nen, by. of fir. Dank biter, by. imaginable, conceivable. bearacid, a. conceivableness. —el0k, by. probable; bw. probably, likely. — en, ov. & on. w. to think (of); (arm) to remember; to consider, to reflect, to muse, to ponder; to believe. to suppose, to imagine. to fancy ;• to judge, to intend, —beeld, idea, notion. teeldig, imaginary, ideal. —kraeht, —vernsogen, faculty of thinking, intellectual power. —mijse, manner of thinking; opinion.—end, by. thinking, rational. —er, m. —ster, v. thinker, reaeoner. speculator. Dior, 1. of the; to the. Deed*, by. third. —, m. third person, umpire. - v. tierce. o. third (part). —deer, third part. bv. two and a half. —ndaapsch, ha. tertian. Doren, or. w. to hurt, to injure, to harm, to ail; to give concern, to mike sorry. seal deert x ? what ails you? what is the matter with you? Dergeilik„bv. such, such like, similar. Derkelvo, bw. therefore, conaequently. Dermate, bw. is such a manner. so mush. Dorsi*, v. stratum of clay below the mud. Dart/en, tw. thirteen. —de, by. thirteeath. —dehalf, bw. twelve and a half. —tarsal, bw. thirteen times. —tai,o. (number ef) thirteen. Dertig, tw. thirty. —deep, by. of thirty days.

Hoe bereken je cryptogeld winst


T. Tabard (telt'urd), a. tabbaard; wapenrok, Tallsby (tab-bihl, a. geetreept, ge,vlamd, gewaa. gewaterd tat. tabijn. —, v. a. wateren. teed. fitti011 (teb-e-fek'sjun), a. tattering. qab'e-taj), v. n. uitteren, wegkwijnen. Tribeliion (te-berjun), s. dorpanotatis. 'Iraberoncle (teb'ur-nikl), a. tent; loothut; hostiekasje; tabernakel. —, v. u. verblijf houden. Tab.id (teb'id), a, uitgeteerd.teringachtlg. -nets, a. uittering. Tevbritvaure ‘ tebile-tjoer), s. moureahildering ; scheiding van het bckkeneel ; saadulAing der tonen door teekens. Table (tee'b1), a. tabel; diech; bled pleat; dischgezelschap; knot; tabel. register; vlakke hand. —basket, tafeimandje. —leer, tafe'bier. —book, achrijtboekie. —clock, pendule. —cloth, tafeliaken. --jaattner, schuss aan eene tafel. —land, vlak laud. —man, otuk, schicif. —money, tafslgeld. - »toying, tafeldans. —plate, tafeliliver,-saivies.
a. heesterachtig. —et (-ret,), a. boompje. —ist (-rist), a. boomkweeker; boomkenner. Arbuscle (ear'bus1), a. heeater, struik. Arbute (aar'bjoet), a. aardbezieboom. Arcade (er-keed'), booggaanderij. Arcanum ler-kee'num), a. geheim. Arch (aartsj), a. boog; gewelf. —, v. a. welven. , a. —ly, ad. snaaksch, achalkach. —new, a. snaakschheid; sluwheid. —er, a. boogschutter. —ery, a. (het) boogschieten. —wise, a. boogswijze. In samenstellingen voornaamste, eerate. —angel (aark ern'dzjel), aartseneel. —bishop, aertabia. eche!, —bishopric, aartsbisdom. —deacon, aartsdeken. —duchess, aartshertogin. —duchy, aartshertogdom. —duke, aartshertog. —fiend, aortavijand. —heretic, aartsketter. —priest, aartspriester. --rogue, aartegebelm. Archaism (aar'ke-izm), a. verouderde spreekwijze. Archeoliog !cal (ear-hi o-lod'zjikl), a. oudheidkunde betreltend. —y (-ol'ud-zjih), a. oudheidheidkunde. Archetype (aar'ki-tajp), 8, oorspronkelijk modal. Archiepiscopal (aar-kje-pia'ko-pel), a. aartsbisschoppelijk. Archl pelago (aar-ki-pere-go), s. archipel. —tect (aar'ki-tekt), a. bouwkundige. —tectonic (-tek-ton'ik), a. bouwkunatig. —tecture (aar'kitek-tjoer), a. bouwkunde. —trove (aar'ki-treev), a. hoofdbalk. —yea (aar'kajvz), a. archieven. —vist (aaeki-vist), a. archivarius. Arctic (aark'tik), a. noordelijk. —pole. noordpool. Arcuat e (aar'kjoe-et), a. boo gvormig. —ion (-ee'sjun), a. bulging; kromte. Arden cy (aar'den-isih), a. hitte;1 bye, —t, a. —tly, ad. gloeiend; ijverig. Arders (aar-ders), a. braakgrond. Ardor laar-dur), a. hitte; ijver. Arduous (aar'djoe-us), a. eteil; moeielijk. —nes., 8. hoogte; moeielijkheid. Area (ee'ri-e), a. vlakte, opene ruimte; vlakteinhoud , Aref action (er-i-fek'sjun), a. droging. —y (er'ifaj), v. a. drogen. Arena (er-i'ne), a. atrljd- of renperk; vlakte. Aren nceous (er-i-nee'sjua), —ous (er'i-nus). a. zandig. Argent (aar'dzjent), a. zilveren; —ation 1-tee'sjun), a. verzilvering. —ine (- tajn), a. zilverkleurig; zilverkliukend. Argil (aar'dzjil), a. potaarde. —lout, a. leemen, van potaarde. Argu e taaegjoe), v. a. bewijie,n; betwisten; v. n. redekavelen. —er, a. bewijavoerdvr, wederlegger. § —fy (-fai), v. n. gewicht hehben; ten bewijze strekken. —went, 8. bewijsgrond; onderwerp. —mental (-ment'al) , —mentative (ment'e-tiv), a. betoogend. —mentation (-tee' ajun), a. bewijsvoering; gevolgtrekking. Argutc laar-gjoet'l, a. achrander, spItseondig. Aria (a'ri-e), a. aria, lied. Arid (er'id), a. droop, dor. —ity (e-rid'it.tih), —news, s. droogte; dorheid. Aries lee'ri-iez), a. ram (in den dierenriem). Aright (e-rajt'), ad. rechtop; terecht, in orde.

Waar is de beste plek om Bitcoins kopen


Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.

Wat is cryptogeld Wikipedia


Frontier (fron't'ier) a. aangtenzend. s.greits, grensschelding. Fronting (fruntleng), pr p. tegenover. Frontispiece (fron'tis-pie,), a. voorgevel; titelplant. Front less Ifrunt'lessl, a. schaamteloos. (-lit), a. voorhoofdband. Frost (frost'), a. mat, glared white —, rijp. —bitten, door da voret beschadigd.—bound, vastgevroren. —nail, ijsnagel (Ran een hoefkjzer). —work, rata werk (ale met nip bedekt), —, v. a. wit bestrooien; glaceeren; damasceeren. —ed, a. met rtjp bedekt; bevroten.—iness,s.vorstigheid, vrieskoa. ad. — p, a. rijpachtig; vriezend; loud. Froth (froth'), s. schuim; bombast. —, v. a. doen schuirnen; v. n. schuimen. —iness, a. schuimigheid; zinledigheid. —sly, ad. —y, a. rc ► uimig; Fro:ince (fraanns'). a. plooi, krul, nimpel. —, v. a. fronsen; plooien, rimpelen. —less, R. mtge. rimpeld. Frouzy (frau'aik), a. vans, muffig; dof. Frowy.rd (fro , wurd), a. --ly, ad. gemelijk; elgenzinnig. —near, a. gemelijkheid; ondeugendheld. Frower (fro'ur), s. kloofhamer. Frown trraftun', a. gefronsd gelaat; knorrige bilk. —, v. a. Aschrikken; v. n. het voorhoofd fronsen; titer zlen (at. upon). —ingly, ed. zuur ziend. Frow y (frmeth). —zy, a. Zia Frouzy. Fruct ed (frukt'id‘, a. vruch ten dragend. —iferous (-trur-us), a. vruchtdragend. sfun), s. vruchtbaarmaking; vruchtvorming. —ify (-ti•faj), v. a, vruchtbaar makes); v. n. vruciat dragen, —anus (-joe-us), a. vruchtbaar. Frugal (froe'gel), a. —ly, ad. sober; spaarzaam. —ity a. matigheld; spaarzgamheid. Frog! ferous (froe-dzjiPur-us),a.vruchtdragend. —roma (-dzjiv'o-rus), a. van •vrttchten levend, Fruggin (frurgin), s. pook. Fruit (front'), a. vrucht; ooft. —wearer, dragende boom. —tearing, vruchtdragend. —grove, boomguard. —house, —shop, fruitwinkcl. —time, fruittijd. —tree, vruchtboorn. —age, a. Gott. —erer (-ur-uv), a. fruitverkooper. —ery, a. fruitzolder. —fed, a. —fully, ad. vruchtbaar, —fulness. a. vruchtbaarheid. —less, a. onvruchthanr; vruchteloos. Fruition (froe-isrun), a. genieting. Frumenta ceous (fron•men-ter'sjIts), a. van grain —lion, a. uitdegling van groan. Frumenty (froe'men-tih), e. rneelbrij (met Inept). Frump (trump'), s. leeks; epotternij. —, v. a. bespotten. —ish, a. knorrig; auderwetscb. Frusta (frusj), s. straal (in den paardenhoef). v. a. verbridzelen Frutztra to (frus'tret), a. ,kidel, mislukt. —to (-treet), v. a. verijdelen. teleurstellen. --time (-trec'sjun), s. tcleurstelling. —tory (-ire-tar-rib), a. vertdelend. Frutescent (frOe-feeent), a. beeSteraChtig wordead. Frutie and (froe'ti kent), a. vol latent; uitloovend. —ono, a. heeeterachtig.

T. Tabard (telt'urd), a. tabbaard; wapenrok, Tallsby (tab-bihl, a. geetreept, ge,vlamd, gewaa. gewaterd tat. tabijn. —, v. a. wateren. teed. fitti011 (teb-e-fek'sjun), a. tattering. qab'e-taj), v. n. uitteren, wegkwijnen. Tribeliion (te-berjun), s. dorpanotatis. 'Iraberoncle (teb'ur-nikl), a. tent; loothut; hostiekasje; tabernakel. —, v. u. verblijf houden. Tab.id (teb'id), a, uitgeteerd.teringachtlg. -nets, a. uittering. Tevbritvaure ‘ tebile-tjoer), s. moureahildering ; scheiding van het bckkeneel ; saadulAing der tonen door teekens. Table (tee'b1), a. tabel; diech; bled pleat; dischgezelschap; knot; tabel. register; vlakke hand. —basket, tafeimandje. —leer, tafe'bier. —book, achrijtboekie. —clock, pendule. —cloth, tafeliaken. --jaattner, schuss aan eene tafel. —land, vlak laud. —man, otuk, schicif. —money, tafslgeld. - »toying, tafeldans. —plate, tafeliliver,-saivies.


—atien (•nee'sjun), 1. everheersching, beslissende etiptheid; nauwgezetheid. —ian (-sizj'en), a. feme- Invloed. laar, zemvlknooper. --ien ( sizrun.), a. stiptheid; juistheid; inlets bepaling. —ive(-saystv), a. nauw- Preeiect (pri-i-leke), v. a. vooraf verktezen. —ion (-2 ,k'sjun), s. voorverklezing. keurtg bepalend. Preclu de (pre-kloed'), v. a. uitelotben, verhin- Preeminence (pri-em'i-nens),s. voorrang,meerderheid, groote voortreffekkheid. —t, a. —t/y, deren, voorkomen. —zion (-kloe'zjun), a. uttslui- ad. (-Moe" ad. hoogat voortreffeltjk, verheven; bij uitnemendOng, verhindering. —rive, a. —sivety, heid. sty.), uitsluitend, verhinderend. Precoci sue (pre-ko'sjusl, a. vroegrijp. —ty Preemption pr I•em'itjun), s.voorkoop. —rigAt, recht van benadering. a. vroegrilpheid. Precogitate (pri-kod'zji-teet), v. a. Tooraf over- Preen (priers), a. gattel (bij lakenbereiders). —, v. a. glad strijken, netten. Pireaeoninition (pri-kug-nierun), s. voorkennts; Preengage (pri-en-geedzj'), v. a. earner verbinden. —ment, a. vroegere verbintenin. voorloopig verhoor. PrecomPose (pri-kum-pooz), v. a. vooraf op- Preestablish (pri-es-teb'llsj), v. a. vooraf vaststellen. —meat, a. vroegere vaststelling. stellen. Precou cell (pri-klin - stet'), a. vooroordeel.—eeire Preexantin a (prf- egz.em'in), v. a. vooraf onderzoeken. —ation (-1-nee'sjun), s. voorafgaand onc•siev'), v. a. vooraf oordeelen. --ception (-sep'- sjun), s. voorat opgevat begrip. —cert (-sort!), d-erzoek, vourloopig verhoor. v, a. vor,".ef beramen. —sign (-sajn'), v. a. vooraf Preexist (pri-egz-tat'), v. n. vroeger bestaan. —ence, s. voorbestaan. —ent, a. vroeger beter hand stelien, — afdoen. erecontrnct (pri•kon'trekt), a. voorafgaand nor- ',Viand. drag. — (-kin-trekt"), v. a. vooraf overeenko- Prefa ce (preres), a. "voorbericht. —ce, v. a. van een voorbericht vootzien; bewimpelen; v. n. voormen, Precurs ive (pre-kneeiv), —ory, a. voorafgaand, loopig ( bij 'nijee van inleiding) zeggen. voorberichtechrijver. —tory (-e-tur-rib), a. inletvoorloopig. —or, a. voorlooper, voorhode. Preds, aeons (pre-clee'bjun), a. van roof levend. dead• —tory (predle-tur-rih), a. roovend, roofzuchtig; Prefect (prilekt), a. prefect, atedebouder, landvoogd. —ure (prerekt-joer), s. prefectschap, pre— excuraion, strooptoclit. fectuur. Predeceased (pri-de-siese), a. vooraf overleden. Predecessor (pred-e-sesiur),s. voorganger; voor- Prefer (pre-fur'), v, a. verkiezen, de voorkeur geven aan (above. before, iv); bevorderen(to);verzaat. heffen; vooretellen;indienen. —able, a. —ably, ad. Peedestinarism (pre-des-ti-nee'ri-en), a, aan- (prerur-), verkielellk (to). —ableness (prer-nr-), hanger van de leer der voorbeschikking. Predestin ate (pre-des'ti-neet), v. a. voorbe- a. verkieselibkheid. —enc, (prerur-ene,„ a. voorkeur. —ment, a, bevordering. —rev, a. voorkeur—ation a. voorbeschtkt. echikken. —ate ( net), r-riee'sjun), s. voorbeechitking. —ator, a. voor- gayer; bevorderaar; indiener. Pretigur e (pre- firjoer), v. a. voorafvooratellen. besehittker. Zie Predestimeirtan. —e —ation (-ree'sjun), a. voorafgaande voorstelling, e. a. vooraf bettemmen, — bepalen. Perdeterinin ate (pri-de-tuemt-net), a. vooraf —alive ( re-tiv), a. vooraf voorstellend. bepaald. —ation (-nee'sjuni, n. voorat bepaling. Prefix (pri'fike), a. voorvoegsel. — (pre-flks'), v. a. voor-aanhechten; vooraf vastatellen. —e (-min), v. a. vooraf bepalen. Prefulgency n pre•furdtien-nth), a. grootere glans Predial (perdi-el), a. landbonw -; boerderij-, of lobster. tithes, yruchttienden. estate, landgoed. Predica h5e (pred'i-kbbl), a. toekenbaar, toe to Pregnan cy (preg'nen.sih), s. zwangerheid; vols. bepaalbaarheid, heid; vruchtbaarheid; vindingrtjkheid. —t, a. kennen.—bitity hevestighaarhetd. —Ole, s. predicaat, universeel; --tly, ad. zwenger, vol (with); vruchtbaar; -wat aan eene zaak ken torgekend worden. —ment dingrijk; gewichtig; nadrukkelijk. pre-dik'e-ment), a. klasse, orde; toeetand. —nt, Pregustation (pri-gus-tee'ejuri), a. (bet) yours. bevestiger; prediker; — friars, predikheeren, proeven; voorsmaak. Doreinikanen. —te i-ket), a, gezegde, predtcaat. Prehcn tine (pre-hen'si1), a. grijpend, tot grijpen —te (-keel). v. a. & n. beveetigen, toekenrien. geechikt. --sion (-ajun). s. (bet) grijpen. rdneee erl,eonirv . . ion (..kee'sjuo), a. bevestiging, toekenning.—tory Prejudg e (pri-dzjudrn, v. a. voorutt o(o k —ment, a. voorafgaand oordeel. (-Ice-tor-rib), a. bevestigend, beelissend. op n Predict (pre-dikt'), v. a. voorzeggen. yoorspellen. Prejudica te (pre-dzjoe'di-ket), (-dik'ejun., a. voorzegging. —ire, a. voor- oardeel gegrond, bevooroordeeld. te a. vooruit oordeelen. —tion (-kee'sjun), a. (het) —or, a. vonrzegger. spellend (of). vooruit oordeelen. PredileetiGn (pri- di- lek'sj un), e. voorl beide (for. Prejudi ce (pred'zjoe-dta), a. vooroordeel; nato). pri-dis-pnoV), v. a. voorberelden; deal. —e, v. a. voortnnemen; benedeelen. —tat, , Predleptes e a. —ial/y, ad. (-dtafel.), nadeelig.sehadelijk (to) roGraf geschntt (geneigd) makeu. — tition (-po- —iabiees (-disj'el-1, a. nadeeligheid. zierun), a. voorberetding; vroegere genegenheid. 1Predoinin ante (pre- donasi-nens)., a. overwieht, Preke (priek), a. Inktvisch. overhand. —ant, a. —ant/y, ad. over wegend., meest Preto cy (prel'e-sih), —teship (-et.), e. prelaat aehap. —te (-et), a. prelaat, kerkvoogd. —tic, heerechend. —ate (-neet)., v. VI. averwicht (de over- —tire/ (pre-let'ik-), a. van een' pretest. —fist band) hebben (over); meant heerechend zi.jn.
nab ne1.0,, v. a & a. , knabbeleo, I ijten, ephap- Knit, (nit'), s. breisel, —buck, chaleoer., w aalworpen. tel. —work, breiwerk. Knack (nek'), s. speelgoed; slag, kunatje, handig- Knit (nit') [knit'], v. A. & n. breten, knee pen; held. —, v. n. knappen, kraken; gemaakt spreken. (zich) vereenigen, verbinden; fronsen. —ter, s, breier; breister. —ling-needle, breinaald. —tiny. —er, a. speelgoedmaker; paardenvilder. Knar; (neg'), s. kwast (in hoot); pin, plug. —gay sheath, breischede. (-gib) a. kwastig, knoestig; eemelijk. Knittle (nit't1). s. beurikoordje, trekband; siorKnap(nep'), a. knobbel;verhrenheid;top. —bottle, lijn, seizing, knuttel. ' klaproos. —sack, knapzak. —weed, Wilde amber- Knob (nob'), I. knoest; knobbel; knop; kwast. —bed (nobd), —by, a. knoestig;knobbelig.-6iness, bloom. --, v. a. afbijten, kraken, doen afknappen; a. knobbeligheid, knoestigheid. v. n. knappen. Jbnapple (nep'pl), v. n afknappen. Knock (nor), a. slag, tik, geklop. g. a &. n. slum, kloppen. (at) aankloppen. (down) nedervel(naarl'd), Knar (near'), —F,s. knoest, kwast. len; toeslaan (bij veilingen). (its) insiaan. (off) af—0, a. knoestig, kwastig. Knav a (pees'), s. schurk, schelm; hoer; kuaap. slava; afbreken; afdoen. (under) zich onderwer—ish , a. --ishly,ad. s. schurkerij; guiterij. pen. (up) opkloppen; afmatten. —er, s. kloppee. —ery, schurkachtig, guitachtig. —ishnees, i. schurkaching, s. (bet! kloppeo,geklop. tigheid, guitaehtigheid. Knoll (nool'), a. heuveltje; kritin, top. —, v. a. & n. luiden ((do doodsklok)• Knead Ivied'), v. a. kneden. —er, 3. kneder. Knot (not'), a. knoop, strik; hoop; oogje; knoest, trough, bektrog. Knee (nie'),..knickromhout, elleboog. —crooking, kwast; bundel; verbond, troep, gezelschap; trekonderdanig. —deep, tot vn de knieeu. —grace, letter. running—, echuifknoop. —berry, beauty, knoopgras. —pan, kniesehtlf. —string, koueeb and. bee. —grass, varkene-, knoopgrao. —, v. a. knoo—timber, kniehout. —tribute, kniebuiging. v. pen, strikken, verwarren; v. n, knoupen; uitbot ten. —less, a. zonder knoopen of knoesten; zonder a. hnielend snaeeken. —d, a. met knieen of g, e• bezwanr. —ted, a. met knoopen; knoestig. —tines dingen. 1-ti-ness), a. knoestigheid; moeielijkheid. —ty, ad. Kneel (niel') [knelt'], v. n. knielen. --er, a. holeknoestig, kwastig; moeielijk. ler. Knell (nell), s. doodsklok, Knout (naut), a. antoet; knoetstraf. Know (no') [knew (Woe). known (noon)] , v. a. & n. KnIck-knack (nik'nek), a. snuisterij, vodderij. Knife (najr), s. men. —grinder, messenslijper. weten; kennen; erkennen; bekennen. —able, a. kenbaar. —er, s. kenn, r. —ing, a. kundig, erva—rest, --tray, messenbakje. ren; loos. —ingly, ad. met kennis, voorbedachteKnight (unit), s. ridder; ezelshonfd; pavrd (in 't schaakspel; parlementslid. — of the blade, snoe- lijk. ver. — of the post, valsche getuige. — of the road, Knowledge (nol'idzj), i. kerinis,kunde, ervarenstraatroover. —errant, dolende ridder. —errantry, held. to my —, bij mijn weten. dolende ridderschap. —heads, apostels, boegetuk- Knuckle (null'ki), a. knokkel; scharnier; schenken, —marshal, hofmaarschalk. —templar, tern- kel. v. n. bulgen; !deli onderwerpen. peiridder, tempelier. —, v. a. tot Adder Knur (our'), —/, a. knoest, kwast. —led (nurl'd), —ry, a. knoestig, kwastig. —hood,s. ridderschap. —ly, a. ridderlijk.
GEW. Geoleast, sp. braiding. Gevleeed, by. incarnate. Gavle!, o. flattering, wheedling. evlekt, by. spotted, speckled; stained. Gowlerkt, by. winged, wingy. Gevleuggeld. by. pinioned, winged. o. flying. Gevloek, o. cursing, swearing. Gevoed, by. etrong,lusty, (lemon, o. sijn — does, to go to stool, to do one's needs. Gevoeiglfdlk, by. & bw. proper (-ly), convenient (-ly), suitable (--bly), —heid, v. propriety, convenience, suitableness,. (sieves's!, o. feeling; touch, tact; senee,sentimert, ?mulatto's. —en or. & on. w. to feel, to be sensible, to conceive, to apprehend. —en, o. opinion, idea, thought, sentiment. —ig, by. feeling, Beatable, impressionable; sensitive, tender-hearted; touchy; severe; blv. severely. —igheid, v. sensibility; impressibility; seessitiv ewe.; touch. iness, resentment; severity. —Zoos by. unfeeling, insensible; senseless; bw. insensibly. —loosheid, v. insensibility; !senselessness. —en', by. feeling, sensible, affectionate. G evorelte, o. birds; fowls, poultry. Gevolg, o. consequence; train, retinue; conclusion. — genes aan, to effect, to fulfil. een trekken nit, to draw a coaclusiou from. ten —e van, in consequence of. —trekking, consequence, deduction, inference. —10, by. consequently. evolessaehtlgde, m. plenipotentiary, prexy. G evonkel, o. sparkling. G eworderd, by. asked, required, requisite; advances:in late. Gevrang, o. asking, inquiring; demand. G ev rfj, o. wooing. litwand, 0. gAratent, dress, garb, attire. Gewand, by. hazardous. —herd, v.hazardousnees. 44 !marsh, o. watching. Gewaand, by. pretended, feigned, false. Gesvagrword en, ov. w. to perceive, to discover, to become a Nara of. —ing, v. perception, sensation. Gewag, o. mention; barking. — maken von, to mention. —en, on. w. to make mention, (van) to mention. Gewaggel, o. staggering. tottering, waddling. Gessialsre, o. smoking, !steaming. fl e w andel, o, walking. Gewangd, by. cheeked. Gewapend, by, armed. de —e macht, the militia. —erhand, bw. arms in hand. G wapper, o. swinging, flying, dangling. (lawns, o. crop; growth; vegetable, plant, shrub; excrescence. eweet, by. waxed. Gewaterd, by. watered. Gewauwell, o. twaddle, gibble gabble, nonsense. tiewe.r, o. weaving. Geween, o. weeping, trying, crier. (teweer, o. gun, musket; arms, weapons. getrokin (under) ken —, rifle. ire 't —, to arms I in het shoulder arms i is den arse arms. schouder 't 't —, support arms! presenteer 't —, present arms! —fabriek, manufactory ground arms! set af 't
Conconguln te (kong-ko-eiejoe.leet), v. a. to zanier,' doen stollen. —lion (-lee'sjun), a. samenstolling. Concoct (kun-kokt'), v. a. verteren; tot rjjpheid brengen; door hitte zuiveren. —ion (-kok'Njun), a. vertering; rijping; zuivering. —ire. a. verterend; rijpend; zutverend. Concont Unit cc (kum-kotu'i-tens), —cy. R. 8amenbestaan. —t, R. —fly, ad. vergezellend, samengaand. —t, a. metgezel. Concord (kong'kord), a. overeenstemming, eendracht; accoord. Concord ance (kun.kord'ens), a. overeenstemwing) index op den hijbel. —ant, a. overeenstemmend. —at (-det), a. verdrag, overeenkomst. Concorpora te (kun-kor'po-reet), v. a. vereenzelvigen, inlijven; v. u. tot den lichaam worden. —lion (ree'idun), a. vereeniging tot een lichaam. Concourse (kong'koors), a. aamenloop; toevloed; menigte, vereeniging. Concre anent (kong'kri-meat;, a. samengroeisel. —licence (kun-kres'sens), a. ineengroeiing. — te (kong'kriet), a. Mani, lichaam. Concret e (kun-kriet'), v. a. & n. (tot eerie Inas.) brengen, worden; ineen groeien. —e, a. —ely, ad. ineengegroeid; concreet. —eness, a. gestoldheid. —ion (-1cri'sjun), a. samengroeiing, verdlkking, massa. —ive (-tit), R. verdikkend, atollend. Concubin age (kun-lijoe'bi-tid*, a. onechtelijke aamenleving. —ary, a. onechtelijk. —e (kong' kjoe-bajn), a. bijzit. Conculcate (kun-kurkeet), v. a. vertrappen, vertreden. Concuplsc ence (kun-kjoe'pis-sens), a. begeerte; wellustigheid. —eat, a. wellustig. —ible, a. begeerend, wellustig. Concur (kun-kur'), v. n. samenloopen; medewerken (to); iustemmen (with); overeensternmen omtrent (in); mededingen. —retire, a. samenloop; medewerking; inatemming; mededinging; medeaanspraak. —rent, a. —neatly, ad. samenwerkend, mededingend. —rent, a. mededinger. Colic:us slot. (kun.kus'tijun), a. achokking, botsing; knevelarij. —sive, a. schokkend, schuddend. Gond (bond), v. a. loodsen; sturen. Condetnn (kun-dem'i, v. a. veroordeelen, afkeuren; verbeurd verklareia. Condem 'table (kun-dem'nibl), a. strsfbaar, laakbaar. —nation ( nee'ajun), a. veroordeeling. —.tory (-ne-tur-rih), a. veroordeelend. —ner, s. veroordeelaar. Condens able (kun-den'sibl), a. verdikbaar. —ate, —e, v. a. verdikken; samenpergen; v. n. verdikken. —ation ,•Ree'sjun), a. verdikking; samenperming. —alive, a. verdikkend. —e, a. verdikt; samengepergt. —er, a. verdichtingawerktuig. —ity, a. dichtheid. Conifer (kon'dur), a. geleider der haringvisscheras. Condescen d (kon-de-send'), v. n. zich ver.waardigen; nebrbuigend (inschikkelijk) zijn; zich laten welgevallen. —dence, —sion (-ojun), e. verwaardiging; voorkomendheid. —ding, a. —dingly, ad. zich veewaardigend, voorkomend. Condign (kun-ditju'), a. welverdiend. —ity (mu-
WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Betaalt u belasting over Bitcoin winst


385 Adasin, or. w. to nobilitate; to ennoble. Adel bv. noble; smelling, high. Aden', in. breath. in. Oise* —, without atopplrg. van iatsge.a —, requiring time, tedious. —tocht, breathing, gasp. —en, or. & on. w. to breathe. —liaise, on. w. to breathe. —haling, —ing, v. breathing, respiration. Ader, r. vein; course; streak. —break, phlebor• rhage. —gestate!, — spat, eerie. — rijk, full of vtint —slag, pulsation. —vlies, chorion. —achtig, be. ov. w. to vein. —lie, by. veiny, veined. vetny, --tutee, ov. w. to bleed. —lating,v.bleedlnx. Adjudant a nt, a•judant. —splaats. edjutreory. Admirals!. m. admiral. —roceip, admiral —stela°, Admiral's-flag. —.thew, a. admirainhip; to oat' in company. Atha's...Melt, v. admiralty. —shot, court of admiralty. Attires, a. direction; card; address, petition. —trek, directory. —.smart. address-curd. —letter°, iutelligence-offiee. —semen, or. w. to direct; oiea — aan, to apply to. Adverteutio, r. advertisement. —b!ad, advertiser, ---hosten, advertising. Advertearen, ov. & on w. to adrertime. Adwies, o, advice. —trief, letter of advice. —jacht, 'a. advice-bola. Adviseeren,ov. w. to counsel, to tacit.. Ads/mutt, M. advocate, la wyer, barrister (at law). —generaol. attorney-general. Alf, bw. off, down, — en van, to and fro, —, by. finished, done; exhausted, up. Afbaken ess, or. w. to mark (to trace) out; to mark with beacon.; to delineate. --ing , v, tracing (marking) out; delineation. Aibedeless, or. w to beg of, to get (to obtetn) by begging. Afrsotaid en, ov. w. to paint, to draw, to portray; to represent; to delineate, to typify. —Cr. in. painter; drawer; rcprraeoter, typifier —lag, v. painting, drawing, portraying; cture; representation; delineation. —se', o. pitture, portrait, portraiture; figure. imaeo. Arbeitelen, or. w. to take off with a chief'. Afftersidon, on. w. to burnt to crock) off. Afbestell en, or. w. to countermand. -hip, v. counter-order. Arbetal an, ov. w. to pay off. —fog, v. paying off; full payment. Albetten, or. w. to bathe, to wash. Afbevilen, ov. w. A rich t. w. to overdrive;to harass (oue'e f). Afbeureu, ay. w, to lift off. Afbidd en, or w. to implore; to deprecate. —er, tn. deprecator. —ing, v. deprecation. AftsIgtaiess, oat. w . to trickle down, AlbUten, or. w. to bite (to nip) off, de spite —, to etude the first shock (brunt). Afbtk.ken, ov. w. to pick off. Arblastian, °v. w. to tittle; to laud off, to etring. Afbiaderen, or. ve_ to strip 4,ff ,theleave*). Afbiazen, or. w. to blow off; to scale; on. w. to round the retreat. Afbilivon, on. w. van. to keep off.froin, to let alone, to leave untouched, not to meddie with; to stay away from.
TRA. etederwitzen, oefenen, drillen, africhten (up); (on) Transfix (trens•iiks% v. a. doorsteken, doorvoorttrekken. —able, a. op to voeden, at te rich- boren. Transform ',trans-form'), v. a. vervornen (into); ten. —er, s. africhter, drilmeester. v. n. van gedaante veranderen. —ation (- furTraipse (treeps), v. n. rondo' enteren. neeetsjun), a. vervorming, gednanteverwisseling. Trait (tree, treat), s. trek. Traitor (tree'tur), s. verrader. —out, a. —oualy, —er, s.vervormer. Transfus a (trentefjoezi, v. a. overgieten. —ible, Rd. verraderitjk, trouweloos. a. over te gieten. —ion (-fjoe'zjun), a. overgieting. Traitress (treelt•est), a. vetraderes. Transgress (trent gresal, v. a. overschrijden; Traject(tred'zjekt), a. overvnort, veer. dzjekt'), v. a. werpen, doorwerpen. overtreden, echenden; v. n. zich vergrupen. TraJect — ion (-dzjek'ejun), s. doorwerptng; doorleting, —ion (-grear i on), a. overtreding; misting. —ire, R overtredend, strafbaar. —or, s. overtreder. overvoering; uitstrooming; verschieting, omzet- Transient (tren'sjent)„ a. —ly, ad. voorbtjgaand, ring. —ory, s. loopbaRn. kortetoudig, vergenkelijk. —neat, a. kortstondigTralineate (tre-Itn'i-eet), v. n. afwijken. held, vergankelijitheicl. doorechijnend. a. Trollstenilt (tre-ijoe'eent), Tram (tram'), a. hoeren-, kotenwetren. —, —rail, Transit (tren'sit), s. doorgang; doorvoer. —duty. gleuf,s poor( voor wielen).—road,—way,spoorbe sn, doorvoerrecht. —ion (- sizrun), a. overgeng. Trammel (trenemil), a. echakelnet; heugel, (-mizynn.), a. overgange, —ive, a. overgeand. schoorsteenhaRk; spRnriem. —, v. a. vangen, —ority, ad. —ery, a. (-ur-ih-), zie Transient. opvangen (up); belemmeren, tegenhouden, ver- —oriness (-ur-i-ness), a. Zie Tranalentneem. Transits te (trent-leet'l, v. a. verptaateen; overbeaten, (up). Trrnnontem (tre-mon'teen), R. Ran gene Ode der brengen, overdragen (to); veranderen; vertalen (-lee'sitm), a. verplaatsing; (into); verklaren. a. vreenedeling, bar- bergea gelegen ; vreemd overbrenging; vertaling. —tor, a. vertaler. boar. Tramp (tramp'), a. voetre:s; rondzwerving; land- Transiocation (teens-lo-kee'sjun), s, v erplaattemper. —, v. a. trapper', betted.; (dour) ver- sing. treden; v. n. te voet retzen,ronezwerven. — out/ Tclnasin cent (trene-ljoe'eent), —cid (-aid), a. doorschijnend. eeheerje weg! —er, a. zwerver, iendlooper. Trample (trem'pl), v. a. met voeten treden, ver- Transmarlue (trens-me-rieni, a. overneetch. trappen; v. n. stampvoeten; (on,upon) met voeten Transtulgra ant (trens'mi-great), a. wt-, egtrekkend; overgaand; a. landverhuizer.—te(- greet), treden. —r, s. trapper; vertrspper. Trance (traftn4) , a. 7errukking. —, v. a. verrukken. v. n. verhuizen, uittrekken; overgaan. —lion (-gree'sjun), a. verhui zing, uittocht; zlelererhut—d (treanst). a. verrukt. zing. —tor (-gree-tur, a. Zie Trattsmigrant. Te arsine. (tren'nil ), eti ft, houten pin. Tranquil (treng'kw11), a. --ly, ad. sill, ruetig. Traumatism Mile (teens-miesibl)., a. over te norden (waken, ley siren). —ion (-misf dn), s. ov. rzen-lity (.kwil'llt tih), —near, a stilts, gerustheid. ding, overlevering. -fite ( - Injs), v. a mitten, gerultstellen, Trnitonet (teens-ekt'), v. a. benendelen, verhan- Transmit (trens-reitl, v. a. overzenden, overmatalon, verrichten; v. n. onderhondelen. —ion ken, overleveren (to). —tat (-tel), s. Zia Treas. (- ek'sjun), a. wide rhandeling; 13,11 ,, ndeling; ver- intearon. —ter, s. overzender. —tibia, a. Z le drag; hendelszaak. —or, a. onderhandelnar; nit- Tranumissible. Transient able (teens-mjoelibl), a. verwitsel.. voerder, bewerker. Trans alpine (trens.el , pin), a. Ran gene zijde boor, te veranderen. —ation (-tee'sjine), a. verr, I ering. —e (-mjoet'), v. a. verwisselen, versade". Alpen gelegen. —atlantic (-et-len'tik), a. over- deren (into). —er, s. veranderaar. zeesch, Transcend (teen-send"), v. a. overtreffen, te boren Transom (tren'aum), a. bovendrempel; dwaYsgattn. —ence, --racy, a. voortrelfelijkheid, over hour; worp, bekbalk. stern—, wing—, hekbalk. tretr•n. —eat, a. —ently, ad. voortreffelijk, over- —knees, hub, worpknieen. trettend. —ental ( - den'tel), a, allesovertreffend, Transparen cy (teens-pee'ren-elh), a. doorechijnendheld. —t, a. —tly, ad. doorechtinend. nitmunten d; hovenzinneli) it. s. doorschijne.edheld. Transcola te (trene'ko-leet), v. a. doorzijgen. Tracts vacuous (trens-pik i joe-us), R. doorachtj. —lion (-lee'sjun), a. doorstiging. Trenoser 'be (tren-ekrejb'), v. a, overschrijven. nend. —pierce (-piers'), v. a. doorboren. —ibex, e. overrehrijver. —ipt (tren'skript), s. Transpir able (teens-pafribl),a. ultwasembaar. —anon (-pi-ree'sjun), a. uitwaseming• —e, v. a. afschrift. —iptioa (-ekrin'I‘Jun), a, overechruving. Transfer (arena-kur'), v. n. b eel' en weer loopen, uitwasemen; v. n. nitwesemen; ruchtbaar worzwerven. — oion ( - Njun), a. (het) been en weer den; vcorvallen. Transplace (trens-pltes'), v. a. vet plaatsen loopen; afdwalinr, atviijking. Transplant (trens-plent'), v. a.verplanten.—ation Transept (tren'sept), a kruisvl eugel. ( - ee'sjun), a. verplanting. —er, s. verplanter. Transfer (trenefiar), a. overdrocht. Transfer (trees-fur'), v. a. overdragen, over- Transport (trens'poort), s. overvoet, verzending; brengen (to. upon). — able, a. over te dragen. —se traneportschlp; balling; vlaag; verrukking, geestvervoering. (-ce'), a. ceesionarts. —rer, s. overdragen. Transtigur ation (tree -rig-joe.reeojun), e. go- Transport (teens-poort'), v. a. vervoeren, overbrengen (to); verbannen; verrukken (with). —able, daanteveraneering; verheerlij king, —e (-11ejoer), ge4aante veranderen; verhserlijken. a. verveerbaar. —ation (-pur•tee'e)un), a. ver. v. a. Mt 810
TRA. etederwitzen, oefenen, drillen, africhten (up); (on) Transfix (trens•iiks% v. a. doorsteken, doorvoorttrekken. —able, a. op to voeden, at te rich- boren. Transform ',trans-form'), v. a. vervornen (into); ten. —er, s. africhter, drilmeester. v. n. van gedaante veranderen. —ation (- furTraipse (treeps), v. n. rondo' enteren. neeetsjun), a. vervorming, gednanteverwisseling. Trait (tree, treat), s. trek. Traitor (tree'tur), s. verrader. —out, a. —oualy, —er, s.vervormer. Transfus a (trentefjoezi, v. a. overgieten. —ible, Rd. verraderitjk, trouweloos. a. over te gieten. —ion (-fjoe'zjun), a. overgieting. Traitress (treelt•est), a. vetraderes. Transgress (trent gresal, v. a. overschrijden; Traject(tred'zjekt), a. overvnort, veer. dzjekt'), v. a. werpen, doorwerpen. overtreden, echenden; v. n. zich vergrupen. TraJect — ion (-dzjek'ejun), s. doorwerptng; doorleting, —ion (-grear i on), a. overtreding; misting. —ire, R overtredend, strafbaar. —or, s. overtreder. overvoering; uitstrooming; verschieting, omzet- Transient (tren'sjent)„ a. —ly, ad. voorbtjgaand, ring. —ory, s. loopbaRn. kortetoudig, vergenkelijk. —neat, a. kortstondigTralineate (tre-Itn'i-eet), v. n. afwijken. held, vergankelijitheicl. doorechijnend. a. Trollstenilt (tre-ijoe'eent), Tram (tram'), a. hoeren-, kotenwetren. —, —rail, Transit (tren'sit), s. doorgang; doorvoer. —duty. gleuf,s poor( voor wielen).—road,—way,spoorbe sn, doorvoerrecht. —ion (- sizrun), a. overgeng. Trammel (trenemil), a. echakelnet; heugel, (-mizynn.), a. overgange, —ive, a. overgeand. schoorsteenhaRk; spRnriem. —, v. a. vangen, —ority, ad. —ery, a. (-ur-ih-), zie Transient. opvangen (up); belemmeren, tegenhouden, ver- —oriness (-ur-i-ness), a. Zie Tranalentneem. Transits te (trent-leet'l, v. a. verptaateen; overbeaten, (up). Trrnnontem (tre-mon'teen), R. Ran gene Ode der brengen, overdragen (to); veranderen; vertalen (-lee'sitm), a. verplaatsing; (into); verklaren. a. vreenedeling, bar- bergea gelegen ; vreemd overbrenging; vertaling. —tor, a. vertaler. boar. Tramp (tramp'), a. voetre:s; rondzwerving; land- Transiocation (teens-lo-kee'sjun), s, v erplaattemper. —, v. a. trapper', betted.; (dour) ver- sing. treden; v. n. te voet retzen,ronezwerven. — out/ Tclnasin cent (trene-ljoe'eent), —cid (-aid), a. doorschijnend. eeheerje weg! —er, a. zwerver, iendlooper. Trample (trem'pl), v. a. met voeten treden, ver- Transmarlue (trens-me-rieni, a. overneetch. trappen; v. n. stampvoeten; (on,upon) met voeten Transtulgra ant (trens'mi-great), a. wt-, egtrekkend; overgaand; a. landverhuizer.—te(- greet), treden. —r, s. trapper; vertrspper. Trance (traftn4) , a. 7errukking. —, v. a. verrukken. v. n. verhuizen, uittrekken; overgaan. —lion (-gree'sjun), a. verhui zing, uittocht; zlelererhut—d (treanst). a. verrukt. zing. —tor (-gree-tur, a. Zie Trattsmigrant. Te arsine. (tren'nil ), eti ft, houten pin. Tranquil (treng'kw11), a. --ly, ad. sill, ruetig. Traumatism Mile (teens-miesibl)., a. over te norden (waken, ley siren). —ion (-misf dn), s. ov. rzen-lity (.kwil'llt tih), —near, a stilts, gerustheid. ding, overlevering. -fite ( - Injs), v. a mitten, gerultstellen, Trnitonet (teens-ekt'), v. a. benendelen, verhan- Transmit (trens-reitl, v. a. overzenden, overmatalon, verrichten; v. n. onderhondelen. —ion ken, overleveren (to). —tat (-tel), s. Zia Treas. (- ek'sjun), a. wide rhandeling; 13,11 ,, ndeling; ver- intearon. —ter, s. overzender. —tibia, a. Z le drag; hendelszaak. —or, a. onderhandelnar; nit- Tranumissible. Transient able (teens-mjoelibl), a. verwitsel.. voerder, bewerker. Trans alpine (trens.el , pin), a. Ran gene zijde boor, te veranderen. —ation (-tee'sjine), a. verr, I ering. —e (-mjoet'), v. a. verwisselen, versade". Alpen gelegen. —atlantic (-et-len'tik), a. over- deren (into). —er, s. veranderaar. zeesch, Transcend (teen-send"), v. a. overtreffen, te boren Transom (tren'aum), a. bovendrempel; dwaYsgattn. —ence, --racy, a. voortrelfelijkheid, over hour; worp, bekbalk. stern—, wing—, hekbalk. tretr•n. —eat, a. —ently, ad. voortreffelijk, over- —knees, hub, worpknieen. trettend. —ental ( - den'tel), a, allesovertreffend, Transparen cy (teens-pee'ren-elh), a. doorechijnendheld. —t, a. —tly, ad. doorechtinend. nitmunten d; hovenzinneli) it. s. doorschijne.edheld. Transcola te (trene'ko-leet), v. a. doorzijgen. Tracts vacuous (trens-pik i joe-us), R. doorachtj. —lion (-lee'sjun), a. doorstiging. Trenoser 'be (tren-ekrejb'), v. a, overschrijven. nend. —pierce (-piers'), v. a. doorboren. —ibex, e. overrehrijver. —ipt (tren'skript), s. Transpir able (teens-pafribl),a. ultwasembaar. —anon (-pi-ree'sjun), a. uitwaseming• —e, v. a. afschrift. —iptioa (-ekrin'I‘Jun), a, overechruving. Transfer (arena-kur'), v. n. b eel' en weer loopen, uitwasemen; v. n. nitwesemen; ruchtbaar worzwerven. — oion ( - Njun), a. (het) been en weer den; vcorvallen. Transplace (trens-pltes'), v. a. vet plaatsen loopen; afdwalinr, atviijking. Transplant (trens-plent'), v. a.verplanten.—ation Transept (tren'sept), a kruisvl eugel. ( - ee'sjun), a. verplanting. —er, s. verplanter. Transfer (trenefiar), a. overdrocht. Transfer (trees-fur'), v. a. overdragen, over- Transport (trens'poort), s. overvoet, verzending; brengen (to. upon). — able, a. over te dragen. —se traneportschlp; balling; vlaag; verrukking, geestvervoering. (-ce'), a. ceesionarts. —rer, s. overdragen. Transtigur ation (tree -rig-joe.reeojun), e. go- Transport (teens-poort'), v. a. vervoeren, overbrengen (to); verbannen; verrukken (with). —able, daanteveraneering; verheerlij king, —e (-11ejoer), ge4aante veranderen; verhserlijken. a. verveerbaar. —ation (-pur•tee'e)un), a. ver. v. a. Mt 810
96 Evita ble (ev'i-tibl), a. vermijdelijk. —te (-teed, Excarn ate (eks-kaar'neet), v. a. ontvleezen. —ification (-ni-fi-kee'sjun), es. ontvleezing. v. a. vermijden. —tion (-tee'sjun), s. verrnijding. Evocation (ev-o-kee'sjun), s. oproeping; weg- Excava te (eks'ke-veet. eks-kee'veet), v. a. nithollen . —tion (-ke-vee'sjun), a. uitholling; holte. roeping. —tor, a. uitholler. Evoke (e-vookn, v. a. oproepen; § uittarten. Excecation (eks-si-kee'ajttn), a. verblinding. Evolallon (ev-o-lee'sjun), a. wegvlieging. Evolution (ev-o.ljoe'sjun), a. ontvouwing, out- Exceed (eks-sied'), v. a. overtreffen; overzchrijden; v. n. te ver glom. —log, a. —ingly. ad, onworteltrekking; beweging (van trot. gemeen, bu;tengewoon. pen). Evolve (e-volv'), v. a. ontvouwen, ontwikkelen; Excel (eks.eel'), v. a. overtreffen; v. n. uitmunten; —sior, a. booger. v. n. zich ontvouwen lopeneo)• Evotnition (ev-o-misrun), a. braking, opgeving. Excellen ce (ells'ael-lens), —cy, a. voortreffelijkheid, uitmuntendheid. —cy, a. excellentie Evulga te (e-vurgeet). v. a. ruchtimar maken, (titel). —t, a. —tly, ad. voortreffelkjk, uitmunverspreiden. —tion l ev-ul.gee'sjun‘, e.verbreiding. tend. Evulsion (e-vursjun), a. uitrukking. (eke-wept'), v. a. uitzonderen, ultsluiExcept Ewe (joe'), a. ooi. —Iamb, ooilam. —, v. n. lamten; v. n. tegenwerpingen maken (against. to). meren. prp. uitgezonderd, behalve. —ing, prp. ult. Ewer ijoe'ur), a. waschkom; lampetkan. genomen, met uitzondering van. —ion (-sep'vjunl, Ewry (joe'rih), s. koninklijke-tafeldekkersambt. a. uitzondering; tegenwerping. —ionable (-se? Exacerb ate (egz-es'ne-beet), v. a. verbitteren, sjun-ih1), a. betwistbaar. (-sep'sjus), a. —ation (-bee'sjun), a. verbatering. —ation (-bee' gemelijk, lichtgeraakt. —ire, a. uitzonderend. ajun), —escence (-bes'eens) a. hoogete punt (eener —less, a zonder uitzondering. —or, a. tegenziekte). strever, gisper. Exacervation (egz-es-ur-vee'sjun), a. ophaoExcern (eks-surnl, v. a. uitpersen; klenzen, afping. zonderen. Exact (egz-ekt'), a. —ly, ad. nauwkeurig, zorgvuldig, etipt. —ness, a. nauwkeurigheid, atipt- Excerpt (eke-surpt'), a. uittrekael. v. a. uitzoeken, uitkippen. —ion (-surp'sjun), a. uitheid. v. a. vorderen, eischen, afpersen; kipping. —or, a. uitkipper. v. n. (upon) te veel afnemen; drukken. —er, —or, a. eiacher; knevelaar. —ion (-ek'sjun), a. af- Execs* eks-ses')., a. overdaad;* overtolligheid; buitenaporigheid. —ire, a. —iveiy, ad. overmaverging. tig; verregaand; buitensporig. Exaggera te (egz-ed'zjur-eet), v. a. overdrij• Nen, vergrooten. —tion (-ee'sjun). a. overdrijving. Exchange (eks-tsjeendzy,, a. roil, wisseling; wissel; wieselkoers; beura. in —, in roil; dear—tory (-a tut...1. th), a. overdrijvend. entegen. till of —, wisselbrief. —broker. wisselExagita te tegz-ed'zji-teetj, v. a. bewegen; echudmakelaar. —, v. a. verruilen. wisselen. —able, den; beroeren; berispen. —lion (-tee'sjun, a. a. verwisselbaar. —r, s. wisselaar. beweging; beroering. Exalt (egz-aolt'), v. a. verheffen, prijzen; in ver- Exchequer (eks•tsjek'ar), a. (engelsche) schatkiet, rekenkamer. court of —, aleerneene rekenvoering brengen; zuireren. — at ion (.el - tee'sjun), kamer. —60/8, schatkisthiljetten. a. verhefilng; vervoering; zuivering. —edness, s. Excis able (eks-sajz,'ibl), a. onderbevig aan verheve,nhetd; trotschheid. aecijna. —e (-sajz"1„ a. accijns; —man, kommiee; Examin able (egz-em'i-nibl), a. dat onderzocht —office, accijuskantoar. —e, v. a. met acans ken warden. —ation (-nee'sjur), a. onderzoebelasten. king; examen; verhoor. —e (-in), v. a. underzoeken; navorschen; verhooren. —ee (-nie"), a. Excision leks-sizrun), s. uitenijding, uitroeiing. Excit ability (eks-saj-te•birit-tib), s. prikkela. onderzoeker, ondervrageexamineerde. —er, brierheid; lichtgeraaktheid. ger; Nerhoorder. Excit able (eks•sartibl), a. prikkelbaar, lichtExample (egz-aam'pll, s. voorbeeld. geraakt. —ant, a. opaekkend middel. —ation Exanim ate (egz-en'i-met), a. ontzield, leven(-si-tee'sjunk a. opwekking. —atise 1-te-ttv), loos; droomerig. —ate (-meet), v, a, ontzielen. —atory (-te-tur.), a. opwekkend, aansporend; —ation (-mee'sjun), a. ontzieling. —ous, a. leopwindend, —e (-slajt'1, a. a. aansporen, opwekvenloos. ken; opwinden. —ement (-sajt'ment), a. opgeExanthem (egz-en'them), a. huiduitslag..—atous wekt held; opgewondenheid. —er, a. opwekker. (-them'e-tus), a. uitslaand; vol uitslag. Exarch (eks'aark), s. onderkoning; landeoogd. Exclaim (eks kleem% v. n. uitroepen; (against) schreeuwen tegen. —er, a. schreeuwer. —ate (-er-keet,, a. onderkoningschap; landvoogdij. Exarticulation (ego -aar-ttk-joe-lee'sj un) , s. Exciama taw) i(eks-kle•mee'sjun), a. uitroepingsteeken. —ory (-klem'e•tur-rth), a. uitontwrtchting. roepend. lExaspera te (egz-es'pur-eet), v. a. verbitteren; tergen; verergeren. —lion (-ee'sjun), a. verbit- Exclu de (eks-kloed"), v. a. uiteluiten (front). —sign (-kloe'zjun), s. uitsluiting. —sive (-kloe'siv), tering; terging; woede. Excandescen cie (eks-ken-des'sens), a. gloei- a. uitsluitend; (of) met uiteluiting van. —*it'd!, (-kloe'siv-), ad. bij uttsluiting. ing; gloeihitte; toorn. —t, a. gloeiend; gloeiExcogita te (eks-kod'zji-teet), v. a. uttdenken; end heet. Excautation (eks-ken-tee.sjrn), a. ontt °mt. verzinnen; v. n. nadenken. —lion (-tee'sjun), s. denlr.ing, verzinnieg. ring.
Angustation (eng-guts-tee'sjun), a. vernauwin. Anhei ation (en-hi-leesjun), s. bijging, —ose (en-hi-looz), a. hijgend. AnIght (e-najt,'), Anights, ad. bij nacht. Anil (en'il), a. indigoplant. Anil a (en'ajl), a. oudwijfsch, auffend. —eness, —ity, (e-nint-tih), a. oudwijfschheid. Animable (en'i-mibl), a. bezielbaar. Aniunadver sion (en-t-med-vuezjun), a. opmerking; berisping (on. upon). —t (-vurt'), v. a. & n. opmerken; beriapen (on. upon). —ter, a. berisper, bestraffer. Anirnsai (en'i-mel), a, dier; a. dieriijk. —cute (en-i-mel'kjoel), a. diertje. —ity (mel'it-tih), a. dienlijk bestaan. Aniniat a (enl-met), a. levend; levendig. (-meet), v. a. bezielen; aansporen. —ed (meetid), a. levendig, vol your. —ion (en-i-mee'mjun), a. bezieling; opgewektheid. —ire, a. bezielend. Animosity (en-i-mos'It-tih), a. verbittering, haat, wrok. Anise (en'is), a. anijs. Indian —, ateranijs. Anker (enk'ur), a. anker (vochtmaat). Ankle (en'kl), a. enkel. Annal let (en'nehist), a. jaarboekschrijver. —s (en'nelz), s. jaarboeken. Anneal (en-niel'), v. a. gloeien, harden (van glas(. Annex (en-neks"), v. a. aanhechten (to). —ation (ee'sjum, —ion, —cent, a. aanhechting. Anniiillat e (en-naj'hi•leet), v. a. vernietigen. - ion (lee'sjun), a. vernietiging. Anniversary (en-ni-vuese-rih), a. verjaardag. —, a. jaarlijkach. Annotat a (en'no-teet), v. a. aanteekeningen maken. —ion (-tee'sjun), s. aanteekening. —or, a. aanteekenaar. Announce (en-naanna"), v. a. aankondigen. —cent, a. aankondiging, —r, a. aankondiger. Annoy (en-noj% v. a. kwellen; verontruaten. —once, a. kwelling, lastigheid. —er, a. plager. —ing, a. kwellend, lastig. Annual (en'njoe-el), a. jaarlijkach. —ly, jaarlijks. Annuit nut (en-njoe'l- tent), a. lijfrentenier.—y, s. lijfrente. Annul (en-nut'), v. a. vernietigen. —ar (en'njoeler), a. ringvormig. —meat, a. vernietiging.. Annutrserat e (en-njoe'mur-eet), v. a. bijteilen. —ion (-ee'ajun), a. bijtelling. Annuncia to (en-nun'sji-eet), v. a. aankondigen. --lion I- ee'sjun), a. aankoudiging. —tion-day. Maria-boodschap. a. pijnAnodyne (en'o-dajn), a. pijnstillend. stillend middel. Anoint (e-noint% v. a. zalven.—ed, s. The Lord's —, de gezalfde des Beeren. --cent, a. zalving. Anoirnal one (e-nom'e-lus), a. afwijkenq, onregelmatig. —y. s. afwijking; onregelmatigheid. Anon, (e-non'), ad. aanstonds. ever and —, gestadig. Anonymous (e-non'i-mud), a. naainloos. —/y. ad. zonder naam. Another (en-uth'ur), pr. een ander; nog een. one —, elkancler. Anointed (en'see-tid), a. gebengaeld.
419 Boat ♦, v. penitence, penance; penalty, fine, mulct, forfeit; — does, to do penance. is — be. skean, to fine; op — van, under penance of, m. & v. penitent. —en, ov. w. to mend; to feed, to kindle; to gratify, to indulge; on. w. to atone to suffer, to pay, (roar) to expiate. —gewaad; —kleed, penitential robe. — predikatie, sermon on repentance. —prediker admonisher to penitence. —psalm, penitential'psalm. —er, na. tnes. der, tinker. —imp, v. atonement, expiation. Boetaeer der, tn. modeller, embosser (tu wax). —en, ow. w. to model, to emboss. ...kunst, art of emboaaing. —werk,—sel, o. emboasment. —bag, v. embossing. Boetvaardig. bv. dk bw. penitent (.1y). —held, v. penitence, repentance. Boos, eojaeht, v. pursuit of thieves. —exklok. bell that Is rung st the opening of a fair. —enact, quarter-nettings. —enpraat, al sag, cant. —esstresk, —enatuk, roguish trick, —.At, v. villany,
(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.
So the app is pretty great when it comes to buying crypto, they can give you the funds immediately at the current price of the crypto, so high purchasing fees and selling it on a quick time line are virtually non existent when you are making small orders, most likely biggers as well. Not so fast... if you purchased it through your bank, because the allowance is higher on it than 25$ for a new card, your funds are basically frozen for 2 weeks. You can not cash out, nor you can send crypto to another wallet, so if you are looking for something to transaction with this isn’t the greatest app to do it with. I’m stuck with funds frozen for already 10 days, and now I have to wait another 5 for the banks to clear it, when on the card is faster, but you are stuck with the same high cost for selling it which comes out to bite you in the but for the fees. Yes, I can sell it and wait at usd wallet so the price doesn’t fluctuate, but again, if you want to get the funds out they are the power delay and have no intention to speed the process and again, you are in lala land waiting for it! Before, it’s not used be this bad but seems like delays and restrictions will expand. For the high cost of buying, and buying always at a higher price than it actually is, it makes even more worthless, even waisting time and resources just on trying to obtain some btc. There are better apps and cheaper apps that don’t cause you such issues. Good luck crypto fans
w. to prepare, to drees; nick —, t. w. to prepare one 'a self, to snake one 'a self ready. -or, m. —liter, v. preparer, dresser. —ing, v. preparation, dressing. 11,erelde, bw. already. Bereld eel, o. thifig prepared; 'single.. —vaardig,—willig, tcv. tlti bw. ready (•fly), —vaardigheid, —willigheid, v. rex-mese, Weroalk, o. reach; power. binnen fonder) het —, within t; e reach. buiten het —, beyond (out of) the reach. borers taiyn , beyond say sphere. —haar, by. attainable. —en, ON NV, to Moth, to attain Ito) to come to; tijn duet —, to get one 's aim. Beret/ ad, be. travelled. ov. w. to travel over, to frequent. Bes•.ken war, m. calculator, computer. —baar, b7. calculable. —en, ov. w. to celculete, to compute; to charge; to put to ova 's aerouut. —ing, v. calculotion, computettoo ; charging in sicconet. Bes-en kleauvw, TH. acanthus, beer's-foot. —huid, v. bear 's-sitin. —leider, to bear-ward. —oor, 0. . ouricela, bear's-ear —vet, o bear's-gresse Berecass en, ov. w. to invest, to block up, to blockade. —or, sn. b'vieger. —mg, v. investment, blocking up, blockade. Berg , rat. mountain, mount ; ditflcrllty. to — e rijnen, to stand on ,nd, to 'start up. gouden —en helocen, to promise wonders. —aarde, mountaine .rth. —bewoner , niountaineor highlander. —blauw, ultraruarine, mountain-blue. —eagle, parse, neck. --peel, yellow ochre. —peel, mountain-goblin, gnome. --pelt, chamois, wild goat. —gereoht, bergrnote, court of minas —gevaarte, huge mountain. —glee , sock-cristal. —god, mountain-deity. —podia, oread. —grace. moantain- green, chryso.colla —hart, bitumen. —belling, elope of a mountain — liven, ood-cork, inane-cook, wild hen. --hat, ocelo t.. —keten, range of mountains. —kloo f, charm eough, um:Intern-rift. —land, highlatid, upland. —man, mountaineer, highlander, miner. --mule, lemming, dorroo,e. — oZie, petroleum. —pad, mountain-oath. —rat, —rot, mountain-rot, marmot. —eerie, sermon on the mountain. —rug, ridge of a hill. —schot, Highlander. —spits, peek. —stet, miners!. —storting, land slide. —alcoves, moontoiu-stream. —lop. mountain-top —weg, mountain-rood. —werk, mine. —werker, miner. —east, rock-salt. —achtig, be. rnountaduous, hilly. —af, bw. down hill. Bergamot, v. bergamot. —boons, bergamot-tree. bergamot essence. Berg en, ov. w. to sieve; to put by, to lock no, to secure; nick t. w. to wage, to abscond. to get out of the way, berg ye, beware ! take care! —hout, wale, a at — loon, salvage. —pleats, depotitory, store-houee, magazine; refuge. —er, tn. salvor. —lag, v. salvage. bw, up hill. Bericht, o. account, report, Intelligence, notice. information; advice; aevertistment. —veer; sic Beriehter. —schrift, report. —en, ov. w. to let know, to send word to report, to cernmunteate,
Qs lissif, v. gift, present, donation; talent, endowme at. Gnat', bv. sornd, whole, undamaged. —. bw. readily, entirely. —held, v. soundnetes, good condition; readineas. Gant tee, ov. & on. w. to unite, to couple. —ing, v. coupling. CI stalky, linaiken, 0 , mate. Goal v. thread-bare stripe. Gann, on. w, to go, to walk, to he going; to move; to do; to COI:int/lint (naar) to be bound for. besoekenl to go to visit, to call on. — hales, to fetch, to go for. — loopen, to run off, to take to one's heels. wandelen, to take a w elk. ran elkander --, to go asunder, to separate, hoe cal het mi?. nog — ? what will become of me? loot list :moose het wit, conic what may; at all events. hoe goat het? how are you? hoe gaunt het met ow been? how ie your leg? hoe — de oaken? how go squarer ? het gird hem goed, he is doing very well, things go well with him. de cakes wet, things are in a fair way. dot cal that will do. het goat niet in de doe., the box cannot hold it. op een pond rterlinp twintig shillings, a pound is worth twenty shillings. op eat bock papier — vserentwintag eel, a quire of paper contains twenty-four chests. toes ging het aan een daueen, then they fell a-dancing. —, o, going. een our --a, an hour's walk.
Unturned (uu-tuned'), a. ongekeerd, ongedraaid. I Unwbipped. Unwhipt (un-wipt ► , a. °agapegeld, ongekasttjd. Untutored (un tjoe'turd), a Met onderwezen. Untwine(na-twai0), Untwist (un-twist'),Y. a. Unwholesome (un-hool'sum), a. ongezond, losdraaien, uitratelen, loseoaken. echadelijk. —news, s. ongezondheld. Unwind fly (nn-wield'11-11h), ad. —y, a. log, Unurged (un-urdzjd"), a onaangedreven. . Unnee d(un-pezd'), a ongebrulkt; ongewend (to). zwaar, moeleljjk te hantetren. —ittess, a. logheld, —ful (-joesitoel), a. onnuttig. zwaarte. Unusual (an-joe'zjoe el), a. —dy, ad. ougewoon. Unwilling (un-will'iengl, a. —ly, ad. ono•lltIC, —nese, s. ongewoonheld, ongeneigd, ongaarne. —nest, a. ongeneigdheid, tegenzin. Unutterable (un-nt'tur-lb1), a. onuitsprekelijk. Unvalued (un-verjoed), a. niet geschat; enge- Unwind (nn-wajnd') [irr.] , v. a. loswinden; v. acht. n. losgaan. Unvanquished (un-v eng'kwiejt), a. onoveravon- Unwinged (nn-wingd'), a ongevleugeld. nett. Unwiped(un-wajpt'), a. slat afgewiecht. Unvar led (un-vee'rid;, a. onveranderd. —nished Unwise (tth-wajz'), a. —ty, ad. onverstandig. (-vaaenlejt), a. ongevernist; onopgesierd. — ying Unwiabed (un-wiajt'), a. ongewenscht (for). (-ri-ieng), a. niet veranderend. Unwither ed (un-witteurd), a. onnerwelkt. Unveil (un-veer), v. a, ontsluieren. —ing, a onverwelkelijk. Unven dible ( an-v ea'di,b1), a. onverkonpbaar. Unwithstood (un-with-stoed"), a. niet weder—erutle (-nr.11)1), a. Met ee: waardig. staan , Unversed (-un- vurst'), a. on hedre , en (in). Unwit neaeed (nn-wIt'nest), a. zonder getuige; Unvexed (un-ekst' ), a. ongekvveld. nooit beheld, niet bijgewoond. —tily, ad. —ty, Unviolated (MI- VAY111-ee- Lid), R. ongesehonden a. ouverstandig, dwaas, geesteloos. —ling, a. —tingly, ad. onwetend. Uwe irtnons (un-vurtioe-ua), a, ondeugdzaam. Unwomanly (un-woe-rnen-lih), a. onvrouwelijk. Unvisittad (un- vit'it-id,, a. onbezocht. Unwonted (un-wunt'id), a. ongewoon (to). —nests, Unvitiated lun-vispi-ee tid), a. onbedorven. Unvote (un-voot'), v, a, bij nienwe stemming te s. ongewoonheid. niet deen. UWAVVOOtti (un- woed'). n. ongezocht, ongevrijd. Unworded (nn-wurd'id), a. Met onder woorden Unvulgar (en-vul'ger), a, niet gemeen. Unwsaited (un-weet!id), a. — on, oabediend; zon- gebracht. der gevnIg. Unworldly (un-wurld'lih), a, onwereldsch. Unworn (un-wonrn , ), a. ongedragen ;onvereleten. Unwnkened (un-week'nd), a. ongewekt. Unworshipped (un-wur'shipi), a. onaangebeUnwal/ed (un- waold'), a onbemunrd. den. U. Wrir Ily (un-wee'ril•lth). ad. Zie 'Unwary —hies,' (-ri-ness), .s. oroehoedzaamheid. —like Unworrtb fly (un•wurth'il-lih), ad. —y, a. onwaard,g (of). —inset (-i-ness), a. onwaardtgheid. (-waor'13jk), a. onkr(jgehattig. --Ined (-w aurnad'), a. ongewarmd; ongeroerd, —ned(-waornd'), a. on Unwound (un-waaund"), a. los-, at-, ongewongewaarsehuwd. den. Unweerant able (un-wor'rent-ibl), a. —ably, Unwounded (un-woend'id),a, orgewond. ad . onverantwocrdelijk, niet te reehtvaardigen. Unwoven (un-wo'vn), a. ongeweven. — (Menem a. onverantw 001r ; elijkheid, —ed, a. niet Unwrap (un-lep'1, v. a. loswinden.ontvonwen. Unwreathe (un-rietih'), v. a. losdraaien. —d, a. gerechtvaardIgd; ongewaarborgd. ongevlochten. Unwary,un-wee'rih). a cnbeheedzaam. Unwring(un-ring') [im], v. a. loswringen. Unwashed (un- wosjt'), a. ongewa.sechen. Unveset ed (un- weest'id), a. onverspild; onver- Unwrinkle (un-ri ►.'lg'kl),v. a. ontrimpelen. —d, a. ontrimpeld; ongerimpeld. teerd. —leg, a. islet vespillend; niet verminde- Unwritten (un-rit'tn), a. ongeschreven. rend. Unwrought (un-raot'), a. onbewerkt. Unwat rbed (un-wotait'), a. onbewaakt. Utrawatered (un-•aot'avd), a. niet, hegoten. Unwrung (un-rung'), a. onverwrongen; onoUnvveakene d (on- vriek'nd), a oraverzwakt. kneld. Unyleld ed (un-jield'id), a. niet opgegeven; niet Unweaithy (en-weith'ih), a onbemiddeld. ingewilligd. —ing, a. ontoegevend; onverzetteUnweaned lun-wiend'1, R. ongeopeend. Unwer, led (en-wier'id), a. —tedly, ad. onvsrr- lhjk; niet winstgevend. —ingness, s. ontoegevendmoeld. —ierineas, n. onvermocidbeid. —y, a. on- held. if ennoeid. —y, v. a. Yerkwikken (d.00r rust). —ying Unyoke (un-jook% v. a. afspannen; van het juk bevrijden. —d, a. ultgeopannen; onbedwongen; (-1-ieng), a. niet vermoeiend. Unweave (un-wiev") Dm], v. a. losreaken, ultra- toomeloos. Unzonsed (un- zoond'): a. ongegord. felen. Up (up) ad. & prp. op; boven; hoog; in opatand; Unwedded (un-wed'didl, a ongehuwd. gehindigd. — to, tot aan; volgens; nerekend voor; Unweeded (un-wied'idl„ a ongew led. Unweigh ed (un-weed'), a. ongewogen; onover- op de hoogte van. - with, opgewassen tegen. to come — with, inhat en. wogen. —ing (-weeleng), a. onbezonnen. UMIWeleame (un-werkum), a. onwelkom. —d, a. Upbear (up-beer') [lrr.1, v. a. schragen; opheffen. Upbraid (up-breed'), v. a. verwijten. betispen onverwelkorsad. (for. with). -ir, s. verwijter, •berisper. —beg, a. Unwell (un- well'), a. Met wel, ongesteld, verwijt, berisping. —iney, ad. verwi,jtend. Unwept (nn-wept'), a. osabeweend.
tamheid, makheld; ged, ±heid; moedeloosheid; Tarnish (tarteniaj), v. a, dot reaken; bezoedelen; v. n. dor worden, beelaan. Tans lay (tem'in-ih), tamkja, —kin, a. Tarpaulin (ter-pao'lin), Tarpawling, a. preHenning; pekbroek. prop; stow]; zle Tornplon. Tamper (tcrn'pur), v. n. Wilsmtddeltjes gehrui- Terragon (ter're-gon), P. dragon. ken (with, vote); (in. with) zich inlaten met; in Tart ter (ter'ri.ur), a. dreier, vertrager. —y, v. n. dralen, toeven, 'tgeheim werkenl oinkoopen. Tarry (taafriti), a. teeraehtig, t. ateerd. Tampion (tem'pl- -ar), s, Zje Tramktn. Van (ten'), a. run. —.bed, runbed. —house, —yard, 'fart (taart'), a. taartje. —, a. —ly, ad. wrang, seberp; vinnik bits. loolerkj. — pit. —vat, lootheip. —, v. a. looien; Tartan (taarlen),8. tartan; tariaan. taankleurig waken. Tandenno (ten'diro), a. rijtuig met twee paarden Tartar (meet.), wijnsteen; onderwertld; triernorech me' sell. —tan, —eats (ter-tee'ri-), (v66r elkarader gespannen). Tang (teng),e. nasmAak, zeeKras. a. van wijneteen; helseh. —ie (ter-tear'ik), a. Tangent (ten'ajent), 8.4angena,raatrAjn. - ,acid, wijnateenzrur. —vas, a. wijnsteen ► ouTangl bittly (ten-diji-bil'it-tih). 0. tatabaarheid. dend; wijnereenr:chrtz. — hie (ton'dzjibl), a, taatbaar. Tartness (taart'ness), a. wrangheld, acherpte; Tangle (teng'gl), a,. venvikkeling, verwarring biteheid. knoop. Task (taask"), a. teak. —master, tsakgever; weekv a, Zte to Err tangle. 'rank (tergk'), a. watertmk. —aid (-ur,1), a. kin?, opsiehter. —, v. a. eene task opleggen.—er, ban (met een dekseil. a. Zie Taskmaster. 'rnn tlr.ag (ten'lieng), a. door de zoo verbrande. Tassel (tes'ail), a. kwast; lintje (in eon boek). -net-, a. looter, leertouwer. —nery, a. loolorij. —ed (-311d), a. met liwaaten versierd. —yin, a. lonintof. Airy. a. hot. looter. . Tastes (tee'els), a. pl. dtietukkon (van ten harnaa). Tiont.y iten'zih). retwaren, wormkruid. Te.stable(tee8Vibl), a. ernakelijk. Tnnto2 tacit (Xeretf.-ii..1), a. terging, Tan' a (teest'), s. (het) proeven; emaak; proef. --ize (-lajz), v. a. kw ellen, tergen. —, a. a. proeven; awaken, gen!etriv.; beproeven; v. n. awaken (of, near); proeven. —d, a. rimeTantaraosint (ten'te-tnaaunt), a, var. gelijke was rde. kend. —fat, a. —fully, ad. mnakelijk; amaakvol. —fulness, a. umakelijkheid. —less. a. —lesaly,ad. Tent ITy (ten-tiv'th, ten'tiv-ih), ad, worriaga. 'antrums (ten'trares), o, pl. gril'en e, booze tsmakeloos. —Ugliness, a. emakelooaheid. —r, a. Wiry , proever; voorproever; proef-, borrel alas. 'rap tikje, Halle; tap, zwlk, nouten Tasty (tem.' lb.), a. lekker; arnaakvol. v. a. tan kraan; tapperij. --Corer, sebroefboor. —droppings., Tatter (tet'tur), a. lump, vod, flarde. Harden seheuren. —deviation (-de-mellun), s. vap1. lek.i. —hole, uitloop. --house, tapperij. ',Write bier, elecht bier. —roan, roboni, havelooze kerel. gelailkarner. —root, hart. ortel. v. a. & n. Tattle (tetql), a. gesnap, gekakel. —, a. a. snappen, kakelen, —r, 8. snapper. dooreteken: aftappen. tikken; (teep'), n. band, —tore, garcokant. —worm, Tattoo (tet-toe'), a. taptoe; huidbeprikking. • a. a. tfitOterAlit. arm, Tatter (tee'prrj, at. witskaara; toort, Taught (taut), a. atrak, gespannen. —ing, spite toeioope.id, vormig. —, v. R. spite Taunt (taart'(, a. seer !wog. —, a. echimp, hoot'. hemehimpen, hoonen. —er, a. beeehirrper. waken; v. n. ,belt, tooloopen. —nets, kegelvormiabetd —ingly, ad. hoonend. 'rap,it a. holiangAel. —, a, a be- Taurus jtao'rus),s. (de) Stier. (tap' hat,gen. Tantolog le (tan-to-lod'zjik), —teal, a. herb*. Tripir (tee'pir), a. tapir. lead, herkauwend. —ice ( n tol'ud-zjajz), v. a hero halen,herkauwen. —y (-tol'ud-zjih), e. (onnood;ge) • grz.oct (tep'pt , ),.. rok, kle!ne hpfboom. (Lep' a. het tikkeo; ftappirg; herhalin•, tmik.lteek; ut!:o•,p. --bar, laatijzer. — hole, nit- T twe.rn (tev'arn), a. wijnhuis, kroeg; herberg. (nip. - pipe, a v!oel ingspijp. —haunter. —man, kroeglooper. —keeper, —er, a. Tape.ter (ten', tar), Ft. sitaver, , ch , nker. kroeghouder, herbergier. Tar (tate), B. pektrook. —, v. A, teren, met Taw (tao), a. knikker; knikkerspel. —, v. a. teemtonwen. ten hearne , e• terg.n, n,hituen. Tawdr fly (tao'dril-ith), ad. —y, a. opgeachikt, Tavaninia (t ,.ren'tjoe-le), tp.rantula. pronkerlg. —inees (-dri• rm.), a. opsehik; opgeTeardut Con (t, r-dee',,juto, a. vertraging. rchlktlield, --y, ae, opseisik. Tart ity (ta tr'dil-1111), ad. --y, a. langsaam, traag; lesion rend; roils fig. —iAess (-iii-near,), a. Tower (taow'ur), a. seerntouvrer. —p, a. seemtouwerij. traasheid; nal ∎ tlsbeid. Tavvuy (tao'nth), rt. taankleurig; donkergeel. Tare (teen), a. ';tike; toit;; larra• Target (tamr'gq), e, vittiii; sehte.techkjr. — ed, e. Tax (teke'), a. sehatting, belgating; bertepIng, (•ler), a. schfidniet een mch).1,. l owan,i/d. — gatherer., ontvanger der belaetingen. —payer, belastingeehuldige. --.. v. A. belasten; (with) bedrager. achuldigen van, verwijten. —ahte a. achatbaar. (to!-) tarter. —, v. a. in een 'farstr —ation (-ee'aiun), a. bearding; eel:rotting. —er, a. tariefbrengen h,et aceilne trelasten. belanter, 'chatter. mom,. Tarn (taonn), a. saaihetd. — r, a. temmer,
Cobalt (ko'baolt), s. kobalt. —it (ko-baollik), —ence, a. gelijktijdig bestaan. —eat, a. gelijktijdig bestaand. a. kobaltachtig. v, a. op- Coexten d (ko-eke-tend'), v. a. even ver uitCobble (kob'b1), a. visschersboot. strekken. —sion (-ten'sjun), a. gelijke omvang. lappen, knoeien. —r, a. knoeier, schoenlapper. Coeciferous (kok-sirur-us), a. bessendragend. I —sive (-ten'siv), a. gelijk ultgestrekt. Coffee (kof'fle), a. koffle. —berry, koffieboon. Cochineal (kotsre-niel), a. cochenille. —biggin, Illtreerpot. —cup, koftlekopje. —house. Cott'teary (kok'll-e-rits), a. schroefvormig. kofCochlettted (kokli-eet-id), a. Zie CochleorY• koffiehuis. —kitchen, kofflebranderij. Cock (kok'), a. haan; mennetje; kraan; kerf; ha- fiemolen. —pot, kofflekan. nengekraai, hooiopper; boot; optoomael; wkizer, Coffer (korfur), a. koffer, geldkist; achat; geeveriaar. —, v. a. opzetten, opsteken;optoomen, deelte van een kroonwerk; bedekte gang. —, apannen; v. n. cone hooge horst zetten. v, a. in een' koffer sluiten; opgaren; (up) potten. —dam, kistdam, —er, a. schatmeester; potter. hoop, haantje de voorste. —boat, kleine sloop.Coffin (korfln), a. doodkist; hoer; peperhuisje; —brained, onbezonnen, wuft. —bread, scheeps beachuit. —chafer, meikever. —crowing, hanen- taartvorm. —maker, doodkistenmaker. —, v. a. gekraai. —fight, —match, banengevecht. —loft, in eene doodkist leggen. zolderkamertje, vliering. —pigeon, duffer. —pit. Cog (bog'), a. tand (van een rad); kleine boot; v. a. van tanden voorhanenmat. —'s.comb, haneeam; fat. —shut, oche- fact. —wheel, kamrad. —,to — the dice, valsch meravond. —spur, hanespoor. —sure, a. zeer ze• Men; misleiden, vleien. liegen. —ger ker. —'s-tread, hanetred. —swain, bootsman. dobbelen. v. n. flikflooien; (-gur), a. bedrieger; flikflooier. —fiery, a. bedrie—throwing, haanknuppelen. —weed, hanekruid. gerij. —ging, a. bedriegelijk. —ging, a. bedrog. Cockade (kok-eed'), s. kokarde. Cogen cy (ko'dzjen-sih), 0. kracht, vermogen. Cockatrice (kok'e traj8), s. baziliskus. Cocker (kok'ur), a. hanenfokker. —, v. a. ver- —t, a. —tly, ad. krachtig, dringend. Coggle-stone (kog'gl-stoon), a. kiezelsteentie. troetelen. —el (-il), s. jonge haan. Cogita ble (kod'zji tibl), a. denkbaar. —te (•teet), Cocket (kok'it), a. tolbriefje. v. n. deniren. —tion (-tee'ajun), a. overdenking. Cockle (kok'kl), s. kammossel; korenroos. —, v. —tire (-tee-tiv), a. denkend. a. & n. kronkelen, plooien, krutIen. Cockney (kok'nih), a. bewoner van Londen;bot- Cogna te (kog'neet), a. verwant. —tion (kugnee'siun), a. verwant8chap. muil, ploert. Cocoa (balm), s. cacaoboom. —nut. Itokosnoot. Cognition (kug-nis'sjun), a. kennis. kenCocoon (ko-koen'), a. cocoa (van zijeewormen). Cognizable (kog'ni-z1b11, a. aan gerechteltike nisneming onderworpen. —zance (-zens), a. rechCoctile (kok'til), a. gehakken (van eteen). terlijke kennianeming, onderzoek; wapenteeken, CoctIon (kok'ajun), a, koking, verterin'g. onderscheidingateeken. Cod (kod'), e. schil, peul; kabeljauw. —fish, stok- visch, kabeljauw. —liver oil, levertraan. —pep- Cognomin al (kug-nom's-nel), a. tot den toeper, piment, —ware, peulvruchten. —dy, a. naam behooreod. —ation (-nee'sjun), a. toenaam; (net) geven van een' toet.aam. settling. Cognosc ence' (kug-nos'sens), a. kennia. —ible, Coddle (kod'd1), a. a. stoven, zacht koken. a. kennelijk, —ire, a. kennend. —ire faculty, kenCode (bond), a. wetboek. vermogen. Codger (kod'dzjur), a. verb. Codicil (kod'i-s11), s. aanhangeel (op een tes- Coguardlan (ko-gaard'jen), a. toeziend voogd. tament). Cohabit (ko-lieb'it), v. n. samenwonen. —ant, Codling (kod'lleng), a. jonge kabeljauw; etoof- a. medebewoner. —ation (-tee'sjun), s. 8amenwooing. appel. Coheir (ko-eer'), s.. mede-erfgenaam. —ess, s. Coeftleacy (ko.erfl-ke-sih), a. or. Coefticien cy (ko-ef-fis'sjen-sih), a. medewer- mede-erfgename. samenhangen, overeenking. —t, a, medewerker; a. niedewerkend, sa- Cohere (ko-bier), v. a. samenhang. —nt, a. —ntly, stemmen. —ace, —ncy, lnenwerkend. ek), a. onderbuiks-. passion, bulk- ad. samenhangend. Coeliac Cube sion (ko-hrzjun), a. samenhang; aantrekloop. kingskracht. —sire ( air), a. —sively (-sly-lib), ad. Coempflon (ko-emp'sjun), a opkooping. samenhangend. —siveness (-air-ness), rs. semenCoequal (ko-i'kwel), a. gelijk. —ity hangende eigenschap it-tih), a. gelijkheid. Cohort (ko'hort). a. krtigsbende. Coerc e (ko-urs'), v. a. bedwingen. —ible, a. bekap, bait. —ed, a. een kap dwingbaar, —ion (ko-neeitin), e. betellgeling. Coif (kojn, a. kepsel, dragend. —fare (kojefjoer), a. kapael, hoofdtooi. dwang. —ire (-siv), a. bedwingend. Coessenflall (ko-es-sen'ojel), a. —ty, ad. van gelijk Coil (kojl), a. opgeschoten kabet; rumoer, gev. a. (up) opachteten (den babe!). raaa. a. geflikheid van wezen. wezen. —ity Coetaneous (ko.i-tee'ni-us), a. gelijk van ja- Coln (kojn'), s. mnnt; muntstempel; hock; wig. v. a. muntee; current —, gangbare munt. ren, gelijktijdig, (to. with), verdichten, verzinnen. —age, a. mnnting; muntCoetern al (ko i tur'nel), a. --ally, ad. mede loon; atempel; verdichting. eeuvvig. —ity, a. mede-eeuwigheid. Coev al (ko-i'vel), a. gelijkjarige; tijdgenoot. Coincide (ko-in-sajd'), v. n. samenloopen; sementreffen; overeenkomen (in with). —ace (koal, —ous, R. gelijktijdig, even and, (to. with). fn'si-dens), s. eamenloop, overeenstemming. —nt Coexist (ko-egz-let'), v. n. gelijktijdig zije.
men. —er, s. bealaglegger. ..-t, a. gerechteitia bealag.. Distress (dis-trees'), a. ellende, rampapoed, nood; in-bee.ag•nerrang. v a. in ellende(000d) dompelen; in beslag nemen. —fat, a. —fully, ad. rampspoedig; ellendig. —iny,a. kwellend, treurig. Distribut e (dia-tribloet), v. a. ultdeelen. —er, a. uitdeeler. —ion (-tijoe'ejun), s. uitdeeling. —ire, a. —ively, ad. uitdeelend. District (die'trikt), a. rechtegebitd, distrikt, Distrust (die - trust), a. wantrourven. — , v. a. wantrouwen. —ful, R. —fully, ad. wantrouwig. —fulness, s. wantrouwigheid. Disturb (dis-turb), v. a. verontrusten, storen, verwarren. —ance, a. opschucling; storing; verwarring. —er, a. veratoorder. Disunion (dis-joen'jun), a. reheiding; oneenigheid. Disunit e (dig-Joe-112M, v. a. vaneen seheieten;

(sektip 0 p s4e ienn (skip'), o rozia wij:ioevues,;.sp,rtirinveg ri,mu ; zuster. --in - law, s e hoonzuster Skip Sister t u r v. a. zusterschsp. — ly, a. zustertbk. , — hood overelsAn, (o,eri; v. n. springen, huppelen. —per, Slit (sit) [sat], v. a. zetten; v. n. zitten; bi.Geden. (down) gaan zitten, zich vergenoegen. lout) znndrr a. springer; wildzang; sehIpper. --ping .rope, opzlicren, zich orichtert;ophluven.1 springtonw. work On. (up) Skirmish iskuemixj). seliermutseling,— v. n. Site laajt). s. ligging; pleirje• sehermntselen. — er, schermutselaar. Sithe (KOTA), a. coin. IsSkk re tre(t.du (,skrit, r;r i . ), po itnd aili,ker B , rizittiels. lip, rand, zoom, Slit er (mit'tur), a. titter; broeietide vogel. a. a. hot zitten; broeiNg; zitting. a. gclegen,; grens; id), v. a. boorden, omzoomen; zijn ( e't Slit.. to (sttloe-et)„ ,gasn) op den k'ot van. Itggend. — lion (-ee'sjun), 8. 11 , r4ing; toestand. Shix (mike), a. zoo. —fold, • 7,4“ntdi2,.. — pence., a.' Skit (skit' r, s. liehtekoolu scbitr, pacbent; gel; von, \vendee'. — tish, a. —tiably, art. sehn w,sehichtig; zesstuivermuk. --score, a. !,on.ierdtwintig. — teen waft; wispett.urig, grillig. — tiehness, a. schuw(-tien), R. zestien. — teenth ( tienth), a, lestiende. hold; a. hnid; •iepelturigheld; wonderillkheid. -th. R. — this, ad. (ten) zesde. —60,1 Skill les (skietiz), s. pl. kegels; kegelepel2 zestig. zestIgste. St. note (risfzibl), a. van beltnprlilke (aarrzien- Skulk (skolk), v. n. — er, s. Zie t0 — er. lijke; grrotte. —or (-er), a. gering student. —e Skull (skull"), s. sehedel. —cap, iraiotje, stormhoed. Zie Scull. (sajz), a. grootte., ornvang; formaat, !ralther; Ce - etalte; mast; oandcel; geaeldheid; lijrn-, gam- Skunk (skunk), s, stinkdier. water; kaikmelk. — e (aajz),c . a op d,jutRie ,n Rat Sky (rskan, a. lueht, oitspansel. —color, a. —colored, R. hemeisblanw.--lark, veldleenwerik. men; met kalknwik branzen; ijken; gommen, itt ,ry , matrozenpret. — light, vallicht; dakraarn, (sajid), a. von—. grootte. bestrijken, (ontaren. — rocket, vilurpij — seraper, — sail.klap— el (mar& , a. arval van zilveren muntplaten. mots —ey (-Au, P. heinelmeh, etherisch. -iness ( zi-ness), a. lijmigheid, SI.5) (e1t,e' , ,, a. pleat; steenen Out; huitenplank. a. lijmig, kleverig. --line, hanepoot. --bar, a. R. bekwij ten, bernorsen; a. 11. si,sen. Sizzle v n. kwii I en, slobberen. --beret (-bur-r• r), a kwijiSkein iskeenl, a, Zie Skein. b,s;.oelttar; domkop, Sknte (skeet'), s mchaots; rtsg. —, v. n.schaatsen (-biness). lueverigheld; niorsigheid; vechtighetd. — by, a. rijden. —r, s. seharasenrij der. kleverig; morsir,; vochtig. Skean (skien), a. long men, dour. Slack !slog'), a, —1y, Ad, slap, ion; traag. — en Skeel (skiet), s. melkhak, koelhak. tslek'n), v. a. & it, tvatsten; (door) yerniappen, Skeet (skiet), a. seheepmgieter. a. kjeine yveorrfizauiffi weenTr: ,,, ,e,r,,,m‘ ierhid,rn ereorn a; ikv,e.rt_rangese.,,u; ay.erszlaa;lh,teehnt 'keg (skeg'), R. aleepruim. —per calm. lashed traagheld; Achteloosheid. Skein (sheen), a. kluwen, strong. Shag (slew, metsalschnim. Skeleton (skere. tun), s. geraarnte. a. klap, !slant.Shake (sleek). v. o. le ,,chen; blueschen; data be Skelp ti,r,n. Sketch (sketsj),m.schets, —, v. a. selsetser (out). Skew iskjoe'1, a. scheef, schuirmeh. —, v, a. Slam (stem), s. cleat, clam (in 't whistspell. v R. d ielitsmi) ten, -- erslaaii; brent trinkets. schuinm atinzien; v. n. scneergsan. —er,s• Shanties' (alsan';tur). a. looter; sehande. v, a, pen. —er, v. A. met pennon vuusteken. belosteren; beschimpen. e. latteraar. —ous, Skid (skid), a. remkettiwg; wrijfhout. jam,riuk. Skiff (skiff), a. hootje. —, v. a. in een bootje over Slang (along), s. dieventsol. settee. a. 'flank. Skilful (skilloel), a. —/v, ad. ervven. bedre7en Shank (slengk), s. zeegras. Slant (slaant'), —ing, sehui,,,h; &rare; Lel. tat. in). — ness, a. ervarenheid, bedre venheid. lend. v . a. & n. schninsch !ached, ltellend) Skill (skill!), 8. ervarenheld, hennim.bedr , ve.nheid. R. on- makers Iworden). —wise, ad. schuirs, scheef„ — ed (Akii(1), a. ervar,n, bedreven (in). --ran, overdwars. ervaren, onbedreven. Slap (slap'), s. Map, slag. —,ad. & int, flap ! Skitlet (shir111), a. ketelija. v. rt. Ma.. —dash, ad. censklsps. Skim (alttrri'l, v. r.. afsehuirrien; ofroomen; si, cliep- pen; ,n r iike Dn, arthraken; V. n. voorbijzweven; Slash (RieElb, R. tin,fte, joap; seheur. —, v. a. an jiafgeroomde me!.k. den, hGuwen; v. n. om sick been sloan. (orer) overheen glfidets. minas Sintris (sletej), a. bocht in een totem, ; viattg; korte — m. arschnimer; sehitimspaan. — neer, brie, 'el. — pencil., griffel. --quarry,leiSl(allielrifitn)7),Ps1-.h'ueildTv11..—ba//,drulikersbal.—d.rep, Sterie groef. —roof, leien risk. v a. met leien dekken. — flint, vrek, woekerissr —wool, opperilakkig. —r, m. leidekker. doode \vol. —, v. a. villen; net eene hold bedek- Slat ter (slet i tur), v. n. slordig (monlg) gekleed (over) ken; v. n. eene htlid bekomen goAn. Skink Is:ring's), 8. drsnk.—. v. a. inachenken. Stilts less ,slanness), R. zonder (den von) hold. Slattern (sleeturn). s. slons, morsebel. —, v. a. veralnusen; verwaarloozen. y, t. & ad. slordig, —fled (skind), R. gevild; met ease,— held; leder- morsig; aubteloos. achtlg. --nor, a. viller; velieukooper. — nineae a.leirtehtlg. (-ni-ness), s. velligheid; mager:iet.t. --op, R. vel- Sinty Slaughter (slan'tnr),m.slaehting,bloedbad,man—, lig; mager.
Overprize (-praje), v. a. to hoog schatten. Overtake (-teek') rim], v. a. achterhalen, in. Overprompt (-prompt'), a. voorbarig. —neee Wen; overhalen. (-prompt'), a. veorbarigheid. Overtask (-taask"), v. a. eene to zware taak Overtake (-reek'), v. a. heenelaan (apoelen) over. opleggen. Overrank ( renk), A. to welig. Overtax (-teks'), v. a. te zwaar belasten. Overrate (-reet'),v. a. te hoogstellen; overvragen. Ov erthrow,s.omverwerping;nederlaag.—(-thro'' Overreach (-rietsj), v. a. hooger reiken dan; [irr.], v. a. omverwerpen, omkeeren, verwoesten1 bedriegen, misleiden; aanslaan (van een paard). verslaan. —er (-thro'ur), a. omverwerper; ver-er (-rietsrur), a. bedrieger. Overread (ried') [inn.], v. a. over-, doorlezen; Ove w °64ther. w art (-thwaort'), a. dwars; wonderlijk, door lezen to sterk inspannen. eigenzinnig. —, ad, overdwars. —, prp. dware Override (-rajd') [irr.], v. E. overrijden; afrU- over. —, v. a tegenstreven, dwarsboomen. den, afjagen. Overilre (-aaje), v. a. to zeer vermoeienOverrligged (-rigd'), a. te zwaar takelwerk voe- Overthlle (-taj't1), v. a. to hoog betitelen. rend. Overtop (-top'), v. a. uitsteken boven; in el( Overripe (-rajp'), a. overrijp. —n (-raj'pn), v. a, echaduw stellen; to boven gaan. to rijp maken; v. n. te ri,jp warden. Overtower(-tau'ar),v. n. te hooge vlueht semen, Overroaat (-roost'), v. a. to sterk Braden. Overtrade (-treed',, v. n. to grooten handel Overrule (-root'), v. a. beheerschen; de over- drijven. hand hebben over; verwerpen. —r (-roel'ur), a. Overtrlp (-trip'), v. a. overhuppelen. overheeracher. Overtrust (-trust'), v. a. to 'eel vertrouwen. Overrate (-run') [Ern], v. a. voorbijloopen; over- Overture (o'vur-tjoer), a. opening, inleiding; dekken; verwoeeten; neertrappen; weer overzien; eerste slap; ouverture. overloopen- v. n. overstrooncen. —ner (-ren'nur), OverIure,a omverwerping,,omkeering.—(-turn'), e. verwoester. v. a. omverwerpen, omkeeren; vernielen; to gronde Overscrupulous (-skroe'pjoe-lus), a. al to riehten. —er (-turn'ur),s. omverwerper; vernieler. rauwgezet, at to schroomvallig. Overvalue (-verjoe), v a. to hoog schatten. Oversee, a. overzeosch. Overvell (-veel'), v. a. bedekken. Oversee (-sic') [irr.], v. a. overcien; over het Overvotc (-voot'), v. a. overstemmen. hoofd zien. —r (esi'ur),..opzichter; ermverzorger. Overwatch (-wotay), v. n. te veel waken. —ed Oversell (-sell', Lim], v. a. to dual, verkoopen. (-wotsj -t), a. nitgewaakt, overwaskt. Overact (-set') [sir.], v. a. omverwerpen; v. n. Overweak (-wick'), a. al to zwak. omslaan. Overweasry (-wi"rih), v. a. to sterk vormoeien. Overshade (-sjeed'), v. R. beschaduwen; ver- Overween (-wien'), v. n laatdunkend zijn. —ing„ duisteren. a. —ingly, ad. laatdunkend, verwaand. —ing, a. Overshaduw (-sjed'do), v. a. be-, overschadu- eigenwaan, inbeelding. wen; beschermen. OverweIgh (-wee'), v. a. zwearder zijn dan; Overshoot (-sjoet") [Ern], v. a. voorbijschieten; overtreffen. over....heen vltegen; v. n. to ver schieten. — one's Overweight. a. overwicht. self, te ver goan. Overwhelm (-welm') v. a. overstelpen (with); Oversight, a. overzieht; opzicht; vergissing; on- verpletteren. —ing, a. —ingly, ad. overstelpend; opletteadheid. overweldigeed. Oversize (-sajz'), v. a. bepleisteren, Overwing (-wieng'), v. a. overvieugelen. Overskip (-skip), v. a. overspringen; overslaan; Overwise (-wajz'), a. to wijs, eigenwijs. ontkomen. Overwork (-wurk'), v. a. te veel doen werken, Oversleep (-sliep') [irr.], v. a. verslapen. overwerken. Oversiip (-slip'), v. a. nverelaan, over het hoof,' Overworn (-woorn'), a. afgesleten; uitgepttt. .1.; lat-en doorslippen. Overwrought (-mot"), a. met work overladen; Oversnow (-ano'), v. a. besneenwen. te veel nitgewerkt. Oversold (-soold'), a. to duur verkocht. Overzealous (-zel'us), a. al to ijverig. Oversoon (-soen"), ad. al to vroeg. Owl form (o'vi-form), a. eivormig. —ne (-vaja), Overspeak (-spiek') [lm], v. a. verpraten. a. tot de schapen behoorend. —parnis (-vip'e rus), Overspent (-spent'), a. argemat. a. ei'olezgend. Overspread (-opted') [irr.], v. a. overdekken, Ovoid (o'vojd), a. eivormfg. zich verspretden over. Owe (sow'), v. a. schuldig zijn; te danken (te Overstand (-stend') [irr.], v. a. to vast (stokatijf) wijten hebben. --kg, part. schuldig; toe to blijven staan op. schrijven; -- to, ten gevolge van. Overstate (-steet'), v. a. overdrijven. Owl (Raul' ► , a. uil. to make an — of, voor den gek Overstep (-step'; v. a. overstappen; Gvertreffen. houden. —eyed, met uilenoogen. —glass, ttilenOver stock (-stole), —store (-stoor'), v. a. over- spiegel. —light, schemerlicht. —. v. n. sluiken, laden, to ruin voorzien. smokkelen. —er, a. slutker, smokkelaar, —et Overstrain (-streen'), v. a. overspannen; ver- (it), a. kleine tall. —ing, a. smokkelarij. —ish, rekken; v. n. zich te sterk inspannen. —like, a. uilachtig. Oversway (-swee'), v. a. overneerschen. Own (son'', a. elgen. —, v. a. bezitten; zich toeOverswell (-swell') Lim], v. a. overstroomen. elgeren; erkennen. —er, a. eigenear, reader. Overt (o'vurt), a. —ly, ad. openhaar, openl(jk. —ership, a. eigendomsrecht.
Warren (wor'rul, a. konijnenberg; vinthvijver; warande. —er, a. opzichter eener warande. .Warrior (wor'ri-nr), a. krijeamen. Wart (waorl?), a. carat; knont, uttwas. —wart, wolfemelk (plant). —ed, a. vol wratten of knobbele. —y, a. wrattlg. Wary (we'll). R. omzielttlg, behoedzaam; Wont) (woer), a. (het) wassehen; w ,h; vaat, waechwater; watertje; spotting; (bet) aangespotlhe; waterverf; moms, poet; zweem, streek; bled van ten' cleat. —ball, leepbal. —board. zetboord. —kaea-basin, waschkom. —house, waeabhuls. —leather, zeemleer. —stand. waschterel. —tub, waschtobbe. —, v. a. wasschen„ epoelen (away. off. out); bevochtigen; beepoelen; (ever) vtasschen echoonmaken; vernissen. —er, a. wencher. —erwoman, waechvrouw. —ing, a. bet wasschen, epoelen; watch; —day, waschdeg; —tub, waschtobbe. —e. st. vochtig; slap. Wasp (wosp')., a. Wes)).—bah. a. —ishly, ad. genielijk, knorrig, borsch, bite, iiehtgeraakt. —ishneae, a. gense.lijkheid,knorrigheid. Wassail vs os'sil.), a. appal bier; drinkgeleg; drinklied. —, v. a. vroolijk zijn, alenteen. —er, a. drinkehroer, eat per. Waste ( weest'), a. verwontine; v er k w istin g ; lamming; echade; veletas; woestenij, wildernia; onbebouwd land. —, a. wont; onbebouwd; overtaIlig, nuttelooe; ougebruikt. —board, nood.

Coinbase has two core products: a Global Digital Asset Exchange (GDAX) for trading a variety of digital assets on its professional asset trading platform, and a user-facing retail broker of Bitcoin, Bitcoin Cash, Ether, Ethereum Classic, and Litecoin for fiat currency.[24] It also offers an API for developers and merchants to build applications and accept payments in both digital currencies. As of 2018, the company offered buy/sell trading functionality in 32 countries,[42] while the cryptocurrency wallet was available in 190 countries worldwide.[43] On March 26, 2018, Coinbase announced their intention to add support for ERC-20 tokens.[44]

—genereal,lieutenant-geheral. —eplaate, lieutenancy. Luiame, ov. w. to louse; to drain (a. o.'e puree). —kens, dandruff-comb. —kramer, old-clothes-man. —markt, rag-market, rag-fair. —pleeht, beak-head. —sail, ointment against lousiness, mercurial onguent; idle talk. Lulaig, be. lousy; paltry, mean. —held, v. boostnew paltriness, meanness. Leak, o. luck, chance. — el cask, —raak, bw. hit or miss, at random, at hap-hazard. —Odin, Fortune. --seer, propitious star. —ken, ern. w. Zie Gelukken. Lui, In. fore-stay-sail. —, v. mouth of a pump; bib; eneking-bottle —leman; workman that directs the ripe of a fire-engine; idle talker. —leAlp, hag-pipe. —len, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to drink out of a bib; to prattle, to talk nonsense. Lesusme, v. loin (buttock) of beef. lLunansell, In. simpleton, dolt, lob, lob-sock. —.Fatly, be. & by. clownish (-1y), doltish (-1Y). —achtigkeid, v. clownishness, doltishness. Lumtner korai, ra. —stab, o. Zie Lumme. Lucre, v. linch-pin. Lunzea, ov. w. to put a linch-pin to (a wheel). Curl, v. wooden trap to catch finches. b(j turves pakken, to lay hold of, to collar. Lurk en, on. w. to suck. —er, m. eucker. Lua,v. Zie Lis. Lust, m. desire, fancy, inclination, mind; lost; pleasure, delight. — hebben, to have a mind. —botch, grove, shrubbery. —aof, —warande, pleasure-ground. —huis, country-seat, villa. —prieel, bower. —riak, delightful, charming. —slot, castle of pleasure. Lusteloos, be. listless, heavy, dull, dejected, down-cast. —held, y. fitness':els, heaviness, dullness, dejeetednese. Lusters, ay. on. w. to litre, to have a mind (for), to please. Pearce —., to be a lover !Lustig, by. & ow. merry 1-ilyl, cheerful (-ly), jovial (-1y), lusty (-11Y)i greatly, roundly. --, taw, courage! cheer up! —heid, v. merriness. chserfulnees, joviality, lustiness. 1Lestje, o. little, bit. ILEniteL b.. & be. little, few. Cum', v. Zie Luber. Luis.. hr. sheltered; lee, leeward. —en, on. w. to cease blowieg, to abate. —in, v. shelter; in de —, sheltered.

Wat voor soort geld is cryptogeld


wood-louse. —moat, wood-measure, —magoe(in, Dais, o. house; home; dwelling, lodging; family; magazine of timber, — of wood, —snarkt, wood- household. near —. home. le—, at home. in-sand market. —ntijt, wood-pile. —rijk, wooded, aboundto brengen, to see (to conduct) a. o. home. Aet ing in wood. —Wald, porter. —*chip, wood-ship, — houden, to keep at home. met de deur in Aet —snede, —once, wood-cut. --ent(ider , cutter In — vane*, to blurt out a thing. to — silts in, to be versed (skilled) in, to be conversant with. wood. —stiff kunst, engraving in wood. —snktwerk, ten liaise van, at the house of. van goeden huice, carved work. —snip, wood-cock, snipe. —snort, wood-sort, —spaander, wood-chip. —stapel, pile of gentle birth. —apotheek, hours-dispensary, —armen, shame-faced poor, poor people that live of wood. —tuin, —werf, wood-. timber-yard. —rester, —wechter, rorester, wood-reeve,' --riot, in private dwellings. —arrest, confinement at raft, float of wood, catamaran. —vlotter, ratt'e- one "ti house. --arts, —dotter, family physician, man, river-driver. —waren, timber, wooden wares. doctor. —boat, —Meer, landlord. —bakken, home-baked, househoid, —bediende, servant, domestic. —teerk, wooden work, wainscot. —warns. wood—bestuur, domestic economy, houseworm, wood-fretter. —raagniolen, sea ins-mill. —roger, wood-sawyer. —colder, wood-loft.--akool, keeping, family concern, —bewaarder, —beseaarcharcoal. —aehtig, by. woody. —en, by. wooden; *ter, house-keeper. —becoek, pastoral visit. —bi;bel, — homer, mallet ; — blues, clumsy (awkward) family-bible. —bled, isinglass. —bond, sign. fellow ; — vogel, show-fowl, pigeon. —ig, by. —brook, burglary. —deur, street-door. —dtef, woody; awkward, dry. —je, o. op c(in tigers —, of thief within doors, domestic thief. —diefstal, theft committed in the home. —die, domestic one 'a own head (accord). Houvnet, o. cramp-iron. animal. —drop, eaves. —duiva, domestic devil, m. cut, gash ; felling. shrew. —geld, house-tax. —gemak, conveniencies lioseweesi, o. mattock, pick-axe. of a house. —genoot, inmate. —genooten, family. Ilutaw an, oil. & on. W. to hew, to cut, to hack; —gewead, undress, dishabille. —geain, famtly, to fell. —Nil, axe, hatchet. —41ok,choopinie-block. household. —goden, household-gods. Lazes, Pe• —degen, broad-sword, cutler's. —dames-, iron nates. —hen, good housekeeper, thrifty housewife. trimmer. —met, chopping-knife. —er, hewer, —howl, house-dog. —hoop. as high at a house. cutter; broad-sword ; cant'. --ins, v. hewing, cut—houdboek,' book of household-accounts. —houting; felling, deliik, domestic, home-; local. private ; eeonomHouwitser, m. howitzer. teal, notable, thrifty. —houdeliikkeid, economy, Hovellitg, m. courtier. notableness, thriftiness. —hoyden, o. household, Hoventer, m. gardener. —saltnanak, gardener's family; house-keeping; crj is seer handtg in het —, ealender. —sleek, gardener 'a manual. —*kunst, she is very handy about the house. — houden, gardening, horticulture. — en, on. w. to garden. on. w. to keep house; to live, to behave, —header, house-keeper, householder. —hooding, house—.ter, v. gardener 's wife; gardener. Hozeband, Zie Hesotsbfinel. keeping; homehold, family. --hondkasseer, sittinglihrigenoot, s. ceiviniet. huguenot. room. --hnudkunde, economy, husbandry. --Auer, Hui, v. whey. —achtig, by. wheyesh. house-rent. —jar', undress, chamber-cloak. —holinichel mar, m —aartter, v. hypocrite. —achfig, mer, prrior, sitting-room. —kvel, private chapel. be. & bw. hypocritical (-ly). —ar(i, v. hypocrisy—Meet!, undress, dishabille, morning-gown. —blob, - ex, or. & on. w, to diseemble, to feign ; to house-clock. —kneeht, domestic, servant, footplay the hypocrite. man. —krakeel, domestic quarrel. —bruit, —ver. vexation, familylintel, v. skin, hide; (van sex *chip) sheathing. driet, domestic affliction distress ; housewife. —lam, house-lamb, pet. — spier, cutaneous muscle. —uitslag, eruption. —mitten, to tan. to curry, to dress leather, —look, house-leek. —man. husbandman. peasant, carrier, tanner. —rettert , tannery. tan-; farmer. —meeeter, —voogd, master of the house. yard. —worm, dracunculus. —zenuw, cutaneous , intendant. —meld. house-braid. —middel, domesnerve. —sickle tic remedy, household-medicine. —moeder, mat, cutaneous disease. —enkooper , fell-monger. trees of the house, matron, mother of the family. Iluldig, by. present, modern. de —8 dag, the —mulch, house-sparrow. —onderte(ts, private inpresent day, this vary day. structioa. —onderw(ieer, private teacher, familyHuff, v. coif, hood ; ass- lug, tilt. —bar, coeered tutor. —road, household-goods, furniture. —sehater. —slab, shell-snail. —sleutel, der, hou3e-pnir. cart . domestic spider. —vader, street- door-kry. Iluig, v. uvula ; Fore throat. de — hebben, to have master of the home, father (head) of the family. the palate of the mouth down. le land de — liehten, to ease a. o, of his money, to drain —neaten, to lodge. —vesting, lodging ; lodgings. --eriend., friend of the family, intimate friend. a. o. 's purse. Hulk., v. ceosk, riding-hood, de — noon den wind —croon ; housewife, landlady. —waard, landlord, matter of the hoese. waardin, landlady, mishangers, to verve the time, to shift with the timee. tress of the horse. —tverb, houee-work. —zittend, to be a time-server. sedentary ; —e artnen, sic iltztunernen. ltittlk ass, on. w. to squat; to furl the sails. —er, king,. searching of a house, domiciliary visit; m equetter. m. & v. rnourner;weeper; blubberer. — does, to meareh a honor. —zwalaw, houseswallow. mertimet. - en, on. w. to blubber. lessit tit, on. w. to how;;t whic, to weep., to lisitsellek, by. domestical ; ecotioatical, thrifty. cry. --er: rri, ---atcr, v. howler, whiner, crier, i —Acid, v. economy, thriftiness.
crumble) down; to rush in upon; to relapse, I esvlecht en, ov. w. to interlace, to intertwine. Invliegen, on. w. to fly in, — into. —ing, v. crumbling down; downfall; relapse. lnWilatten, on. w. to flow in, — into. Instonwen, ov. w. to stow to, — into. 'natalMen, or. w. to stroke in, — into; on. w. InvlUen, ov. w. to arrange in. Invioed,m. influence; credit, interest. to sneak into. Insilco,' em, on. w. to flow in, — into; Wes —, Iostrnolon, ov. w. to strew in. to mention, to insert. —ing, v. flowing in, influx. Inetroomen, on. w. to stream in. Invluebten, on. w. to flee in, — into. Instructle, v. instruction, direction. Instrument, o. instrument, tool, engine; writ, Invoego, vw. so that. Invoeg en, ov. w. to add, to insert, to interwriting, deed. —maker, instrument-maker. calate. —leg, v. insertion, intercalation. —eel, Instulven, on. w. to rush (to fly, to bounce) in, o. addition, insertion; clause. — into. linvozr, m. importation, import. —kande!, imInsturen, on„ & on. w. to steer in, — into, port-trade. —recht, import-dury. —der, m. imInettswen, on. w, Zielnstemween. porter; introducer. —en, ov. w. to; import; to Insullen, on. v. to side in.— into. introduce. —ing, v. importation; introduction. Intend en, ov. & on. w. to indent: to catch, Invoig en, ov. w. to follow, to comply with, to tooth (in), —ing, v. indentation; catching. to gratify. —log, v compliance, indulgence. Intappen, or. w, to draw (to pour) in. Inteeken mar, m. —minter, v. subscriber. —en, Invorder ear, m. claimer, dunner. —Dna, by. on. w. to subscribe (op, to). — IVO, list of sub- due, claimable. — en, or. w. to demand, to claim; to gather, to collect. v. demanding. scription. —prije, price of subscription. —ing. a. subscription. Incv laoirnuiw nganco, lolevc. twio.% fold in — inward. Integendoel, vw. on the contrary . Interen, on. w. to spend, to love; on. w. to fret, luvret en. on w. to corrode, to fret, to eat in. — log, v. corrosion. to waste away, to be consumed, to diminish; to Invuli en, or. w. to fill up ; to insert, —tag, v. be in a declining; way in one 's affairs. Interest, m. interest. op — eetten, to put out at filling up ; insertion ; —slap, intercalary day. Inwaaien, ov. & on. w. to blow In, — into. interest. — op—, interest upon interest. Inwsturts, bw. inward, inwardly. —eh, hr. Intougel en , ov. w. die Nato omen. Inward. IntUds,bw. in (due) titre, timely. Inursteha en, ov. w. to welt for, to expect. Intillen, ov. w. to lift in, — into. —ing, v. waiting (for), expectation. Into/Alit, m. entrance, entry. Intoom an. on. w. to bridle, curb, to restrain. Inwarm, bv. very warm. Inwes3en, on. w. to grow in. —leg, v. bridling, curbing-, restraining Iv:waiter en, on. w. to be penetrated by water. Intotweren, or. w. to get in by witchcraft. to soak (to leak) through. --fog, v. soaking Intrappen, or. w. to break by treading (tram(leaking) through. pling) upon, Hatred a, v. entrance, entry; beginning. —en, Inweelksi, o. woof ; parenthesis. ov. w. to break by treading upon; on. w. to lnweeken, ov„ w. to soak. In wendlg, by. & bw. interior (-1y)„ internal (-Iy), enter; to begin. 'nitres', v. die Intrede. —Oiljef,—kaartje, ticket. inward (-Iy). —e, o, interior. Inswentei en, ov. w. to roll in, into, to involve. —prOs, entrance-money. lntrek, m. muching in; lodging. zijn semen, —ing, v. rolling in, involution. to put up (at). —ken, ov. w. to draw (to pun) InweTK en, on. w. to get (to work) in, — into. —lag, v. working in ; influence. in, — into; to involve (in); to Imbibe; to contract, to narrow; to revoke, to retract, to Inwerp en, or. w. to throw (to cast) in. — into; to break by throwing against ; to object. —kg, repeal, on. w. to march in, — Into, to enter; v. throwing in;• breaking; objection. —eel, 0. to shrink. —king, v. pulling in; imbibition; revwhat is thrown in; objection. ocation, retractation. Invitee, en, ov. w. to weave in, to interweave; Intulsorelen, on. w. to tumble in, — into. to insert. —ing, v. interweaving ; insertion. Intuesehen, hv. meanwhile. Inwkid en, ov. w. to inaugurate, to consecrate; Inveart, v. entrance. Invel. in. falling in, fall; irruption, inroad, to initiate. —ing. v. inauguration, consecration; Initiation ; —srede, inaugural epineh. invasion; thought, sally of wit, fancy, conceit. —fen, on. w. to fat! in; to rush in, to invade, Inwkik, v. inlet, creek, hithe, bay. —en, on, w. to bend inward ; to take shelter in. —lag, V. to make an inroad; to crumble down; to join; bending inward; retreating inwards. to fade, to rink, to occur to one 'a mind. Inveren, ov. w. to overtake; on. w. to sail in, Inwikkel en, on. w. to wrap up ; to involve; to entangle. --ing. v. wrapping up ; Involution, — into, to enter. involving ; entangling. Invaten, on. w. die Inkutpon, Inwfillig en, ov. w. to consent to, to acquiesce Invetten, on. w. to set, to enthuse. is ; to indulge with ; to grant. —ing, v. consent, Invegen, ov. w. to sweep in, — into. acquiescence, indulgence. Inventerls, m. inventory, list. —eeren, or. & Inwind en or. w. to wind (to wrap) up, to on. w. to inventory; to take an inventory. envelop. —leg, v. winding (wrapping) np, envelInvijlen, on. w. to file iu. opment. —eel, o. cover, envelope. Inviammen, ov. w. to damask, to damaskeen.

Hoeveel cryptogeld uitwisselingen zijn er


Dab (deb'), s. brolcje; tikje; spat; klets; heilbot; bedreven gest. —chick, waterhoen. a dirty —, een smerige kerel„ fat —, vet stub vleeseh, lekhere beet. —, v. a. streelen; zachtlafwisschen; v. n. met den hengel visschen. Dabble (deb'b1), v. a. beatrijken, besmeren; bemorsen; v., n. plassen; morsel); broddelen. —r, a. broddelaar. Dabster (deb'atur), a. kenner, ervarene. Dace (dees), a. WitVinfil, halfoog. Dactyle (dek'til), a. dactyius (—u u). Dad (ded), Daddy (ded'dih), s. pa, regisseur, handlanger. Daddle (ded'd1), s. hand; soot. —, v. n. waggelen, langzaam gaan. teerling. Dado(da'do), a. slab gedeelte eener Daedal (the'del), —ian (di dee'li-en), a. kronkelend; geschakeerd; kuustig. Daffodil (derfo-dil), a. narcisbloem. Daft (deft). a. dwaas, dots, mal. Dag (deg'), e. dolk; zakpistool; reep, strook. —ger (-gur), a. dolk; kruisje(t)• —gees drawing, vechtpartij. Daggle (deg'al), v. a. beslijken; door het 'slijk aleepen; v. n. plassen, ("oar (irk en dun loopen —tail, a. beslijkt; a. morsebel. Dagguerrotype (de-ger'ro-tajp), daguerreotype. Dahlia (dee'li-e), a. dahlia. Daily (dee'lih), a dagelijksch. —, ad. dagelijks. Daint fly (deen'til-lih), ad. —y a. lekker, keurig; sierlijk; gemaakt. —iness, a. lekkerheid; kenrigheid; gemaaktheid. —y, e. lekkernij. Dairy (dee'rih), s. melkerij, boerderij. —maid, melkmeid. Dais led (dee'zid), a. vol madeliefjes. —y, a. madeliefje. Dale (deel), a. dal. Dail lance (delli-ens), a. gedartel; getalm. —ler (-11-ur), a. stonier; talmer; losbol. —y, v. a. nitstellen; v. n. dartelen; dralen. Dam (dem), a. dam; moan —. v. a. bedijken atuiten; vervulln; (up) afdammen, beperken.
266 ken. the narrow — a, het engeleche kennel. — action, zeegevecht. — anemone, zsenetel. — bunk, zeeoever; seedjjk.—bar,zeezwaluw. — battle, zeeclog. — bathed, dour de zee beepoeld. — beast, seernormer. — beat, — beaten, door de zee geteisterd — bee., zeebrems •—belt, seegrhs. — bind-weed, zeewinde. — blubber, seenetei, kwal. — board, a. zeekust; ad, zeewaarts. — boat, zeesehip. — born, door he are voortgeb racht;op zee geboren —bound, door ele zee begrened. — boy scheepsjongen. — breach, inbreking van he zee. — bread, scheepsbesehult. — breaks, El. branding. — breeze, zeewind. — brief, zeebrief. — built, voor de zee gebound, — burning, (hit) doen stranden (van eon echip). — cabbage, — cafe, gladde zeetooi. — calf, zeekalf, rob. — campion, zeelijmkruid. — cap, schippersmuts. — captain, seheepskepitein — card, windrooe. — carp, zeekarper — cask, zoeton. — cat, hondsbaai. — celandine. sehelkruid. — chart, zee kaart. — circled. door he zee ingesloten . —coal, ateenkool. — coast, zeekast — rob, seemeruw. — cork, zeehaan. — cock - roach,; zeeduizendbeer. —co/ewort, zeekool. —compass, zeekompaa. — coot, zeedulyel. — cow, seeker, we1rus. — cot, zeespin. — daffodil, zeelelie. —damaged, door zeewater heschedied. — dog, zeehoed rob. — dotterel, zeeklerit. — drag, zeebeslog (ttan echepen). — dragon, zee iraak --drake, zee kra ai seedend. — eagle. zeeurend. — ear, zeeeor, —eel, zeeeal — egg, zeedi. ,engagement, zeegevecht. —expression, ze,mansnitdrukking. —fairy, zeenimf. —fans, pi. zee. mos — facer, zeevaarder. — faring, zeevarend, —fencible, kustw achter. —fennel , zeevenkel seetileg. —fish, zeevtvch. —forces, p1. seemacht. —fowl, zeevogel — gage, — gauge„diepganie. — garland, zeebloem. — gate, hoite tussekea twee golves. — girdle, seespons. — girt, door he zee onrringd. —god, zeegod. —gown, sehipperept. — grape, zeebies. —grass. zeeeres. — green, a. zeegenes; a. steenbreke. —gudgeoa,seegrnudel. gull, zeemeee w. — hare, kieuw worm. — hedge - hog, zeeeget. — hen, zen corn. — hog, bruinvisch. —holly, hraakdiatel. onbewoond eilond. — horse, zee-, nijtpaard. --lacee, pl. zeedreden. —/ampeg, geoote zuiger. — langazge, zeenaanstaal. — lead, dieplood. — leek, seeajuin. — legs, p1. zee'eoeten. — letter, seheepspaapoort. — latucee, wolfernelk. seel•euw, — loach, nijlerondel. —tongs, pi. seeachutm, zeelong. — loom, boutvleueel. — maid , Ineermie. —man , woman ; matrons. — manship, zeevaartkunde.—map,zeekaart.—niark, zeebaken. — martin, zees wal uw. — mew, zeenaeeuw. — monster, seeeionster. —moon, zeeeter, -mean — mos, koraelplant. — needle, zeen.ild• — nettle, seen•rei. —nymph, zeenimf. —oak, .teeelk , —officer, zeeolficier. —onion, zeeejuin. — ooze, zeemodder. — otter, zeeotter. —pad, zeester. --panther, zeepouter. --parrot, zee papeerai. — partridge, seepatrijs; tong. — pheasant, zeefezaat. —pie, zeeekster, -anip. — piece, zeestuk. — pool, zoui,e. — port, zeshaven —pudding, zeenetel. seeheurn. — purslain , etriakrnelde. — quadrant. Jaeobestaf. — quince, zeebal. — risk, zeegevaer, — robber, zeeiuover. --rocket, zeere.ket. — room, ratite zee, — rover, zeeroover. — ruff. zeebrasem. — rush, zeebies. — salt, zeezout. — samphire, zee-
composing•stick; clasp; rent; square. hates rn oogen, hooks and eyes; quarrels, broils. in den —, right, niet in den —, not right. not as it should be. in den — brengen, to square; to arrange. —beentje, —nook', —pen, crotchet. —bus, arquebume. —boekje, crotchet- n orb-hook. —v.rmig. hooked, crooked. --werk, crotchet-work ; tambor- •it. —swijze, hooked, crooked, —aehtig • siellaskvounnig. Drinks, losn. linakecb, be. squared,with hooks, — crooks. Matti, m. draught, pull; dash, stroke. —, v. pothook. —b er, beer bought, by:retail. —boom, beam of a pot-hook. —ban, pot to fetch beer In. —kettiny, pot-chain. —over, fresh-water-n[1,a% —tvint, wine bought by retail. Henna, o. hams, harness. Banta, re. cock; weather-cock; lighted match. den gebreden epelen, to lord it. — mart leonine kraaien, he is a cock-a-hoop. den rooden laten kraaien, to sat on fire. to set fire to, daar geen noar kraaien. it will pass unobserved. —knuppelen„ cock-throwing. —tje., o, young cock; bold fellow. Haander, m. fruit-basket. Haar, TIM. her; them; their. Haar, o. hair. geen —, not a bit, not a pin. — breed, a hair's breadth. op een —, to a hair. elkander in bet — titter', to felt together by the ears. nut de handen in bet — silica, to be greatly at a loss. — op de tand.en hebben„ to have blood in one 'a veins. met de Karen er b(j steepen, to force in, to drag in by the head aid shoulders. —band, —snoer, -lace —tiles, look of hair, fore-lock. —borstal, —Rehaier, hair-brush. — boa, tuft of hair. —tuieje, hair-tube, capillary (tube). —dock, hair-cloth. tolting-cloth.--fijn, by. as fine as a hair; subtle. — fijn —klein, bw, to a hair, minutely.in detail. —aieufeter,—klooter. caviller, quibbler. —/r/ooven., to cavil, to quibble. —klooverij, cavil, cavilling, quibbling. —knipper,—entider hair - cotter.— fok,i ock.—nactld, —epeld, hair-pin, bodkin. —set, hair-net. —pluis, flue, nap. —poeier, hair-powder. (pair of) hair-scissors. —coaliden, co. hair•cutting. —stir, hairy cornet. —tang, —trekker, (pair of) tweezers. tcoisel, hair-dress. —vlecht, plait (braid) of hair. —werk, ornamental hair, hair-plait. —werker, worker In hair. —worn, hairworm, ring-worm. —toortel, root of the heir; fibre. —oak. hair bag.— zeefhair-sieve.—acktf g,bv.hatry. m. hearth, flre-plAce, grate, abyss; fireside. ripen — is goad waard, home is tome, be it ever so homely. —each. ashes. —geld, chimneymoney, fumage. -- goden, ate Buts at rdetr. --(jeer, grate, lire-dog, fender. —plaat, iron plate of a hearth, hob. —set op. fire-shovel. —.We, hearth, tire-place. —tang, (pair of) fire-tongs. —vuur, chimney-fire. lissom loon, by. hairless, bald. —looskeid, v. baldness. —tje, o. small hair, fibre. slams, m. hare; inside of a eurioin of beet, chine, fillet. —je, o. leveret; —over spelen, to pay at leap-frog. bw. soon, shorty; nearly, almost, —, v. baste, speed, horsy. — hebten, to be in a hurry.
I have not been using Coinbase long but I have used it long enough to feel like I’m getting burned. I am using Coinbase as, what I call, a pass through as in the end, I am purchasing crypto that is not supported by Coinbase with the BTC I purchase through Coinbase. While the app itself is great as it is easy to navigate the process of withdrawing funds is not so great. I purchased BTC with the intent of withdrawing to purchase another crypto. A week and several emails later my BTC has not yet been released for withdraw. Prior to this transaction I had done several others successfully with no issues, now, for no reason whatsoever my funds are pended for “further research”. I am a patient person but as I’m sitting here waiting the BTC value is falling and the cost of the crypto I am looking to purchase is rising which means at this point I have missed out on a few hundred dollars of profit all because Coinbase won’t release my funds. I am giving only 1 star because (1) communication with Customer Service has not been great as I am still sitting here clueless on what’s going on and (2) I’ve missed out on significant profit and have no idea why or have any sense of comfort that this won’t be an ongoing issue
de West —, to use the West-India trade. —, bv. expert, hardened to the sea. — matrons, veteran sailor. Hewett *Wk.. be. & bee% intelligent, comprehensi7e; intelligible (-Wy), —elijkheid„ v. intelligence, comprehensiveness; intelligiblenes. —en, op. w. to contain; to conceive, to comprehend, to underatand. —ing, v. conception, comprehe n sism, understanding. Ileveeht en, ov. w. to fight, to combat; de sege —, to obtain the victory; to carry (to win) the day. —er, an. fighter, combatant. —lag, v. fighting; fight, combat. Beveling en, on. -97. to shelter —, to shield (from), to secure —, to defend —, to protect (against, from). —fag, v. sheltering, securing, protection. Bevel, o. command, commandment, order, injunction, instruction, mandate. het roeren, to command. —hebber, —toerder s commander., —hebberschap, o. command. —schrift, mandate. —en, ov. w. to command, to order, to eejoin, to bid, to direct; to recommend, to commit. Haven, on. w. to shake, to tremble, to quake, to shiver, to quiver. Bever, m. beaver, castor —geii,castareurn.—hear, beaver-bair. —hoed, beaver hat, beaver. —eel, v. 'hornet, saxifrage. —Irk, be. beaver. Revealing en, ov. w. to fasten; to fortify; to affirm, to confirm; to invest. —end, be. & bw. affirmative (-13), confirmatory; in the affirmative. —er, m. continuer. —lag, v. fastening; fortification; confirmation; investiture. BevUllen, ov. vo, to file at. BevInd, o. nair — van taken, atcordleg to the circumstance., — to ',,the state of things. —en, ov. w. to find, to experience; zith t. w. to be, to feel. —ing, v. experience; result; etate; situation. Beving, v. r.haking, trembling, quakin0C. Bevingeren, ov. w. to finger, to touch with the fingers. lliovtakken, ov. w. to stain, to beepet. Bevlekk en, ov. w. to stain, to spot; to sully, to defile, to pollute. —ing, v. staining; defilement, pollution. Revlieufgasien, w. to wing, to furnish with wing, BevlUtlig scan (MOO, t. w. to exert (to apply) one's sell. —ing,v. exertion; application. Bevicter en, ov. w. to floor, to pane. —.lag, v. flooring, paving; floor, pavement. Bevoehtlig on, ov. w. to wet, to moisten, to water, to irrigate. —log, v. moistening, humectation, watering, 'irrigation. Bevoegd, he. competent, (mantled. — *taken, to qualify (for), to Raltil0 riz a . —held, v. competence; authority. Bevoel ov. w. to feel, to handle, to fumble. Bevoik en, ov. w. to people, to populate. —fag, v. peopling; copulation —t, be. peopled, popu• s ous. —theid, v. popuionenessBevoordeek en, ov. w. to advantage, to benefit, to favor. —tag, v. advantage, benefit. Bevooroordeeld, bv. pvepossessed(for), prejudiced (against). —, hw. prejudicially. —held, v. prejudicialness.
gezonti veratand. —less, a. --lossly, ad. gevoelciunkead, vervvaand. —taught, a. door zieh aelyen lows; onverstandig. —leseness, a. gevoell00%heid; a. eigenzinnigheid. —willed, onderwezen. onverstand, zinneloosheid. a. eigenzinnig. —wise, a. eigenwija. ad. zelfzsehtig, haat- Sensi Me (een'sibl), a. —bly, ad. beapeurbaar, SeRtleh lsell'isj), a. merkbaar; gevoelig, vatbear; verstandig; overz,chttg. —nes, a. zelfzucht, baatzueht. gd. —bi/ity —b/ene8s,a. becpeurSell (sell') [sold (mould)], v. A. vcrkoopen; (off. bait rheid; gevoeligheid, vathaarheid; gevoel; ver°oh aitvetkoopen; v. n. verkocht woolen. —er, stand. —live, a. —Neely, ad, (- el- tin.), gevoelig; s. verkooper. —plant,kruidje-roer-rne-niet. —tivenees (-ei-tiv Selvage servidzj), a. zelfkant. —d, a gezoomd, a. gevoeligheid. omboord, ruet eeu zelfkan t. Sensor inns (sen-so'ri um), —y (eetteur-rih), a. Selves taelvz), pr. pl. van S ,elf. zetel des gevoel.; zintulg. Semaphore e‘,,at'e-food, a. neintoettel. Sembilan ce (stent'blena), a. gelilkents; achijn. —t, Sensual isen'ajoe-ell, a. —ly, ad. zinnelijlc,vleeec ► elijk. —ist, s. zinnelijk mensch; wellusteling. a. geipkevd. —ity (-el'it tile), a. zinnelijk held. —ice (-ajz), v. a. Semi. (aern'Ilt) [in samenst.], half. zinnelijk makers. Wear, in de volgende sarnenstellingen, de nitepraak niet is aangewezen, dear heett sera den Sentence (een'tena), a. vomit; zinspreuk; volzin. —, v. a. vonniaven, veeoordeel en. 1Cemtoar, —annua/(-en'njoe-e1),a.halfjaarlijksch. —annually (-en'njoa el-lih). ad. halflaarlijk. I Sententious (sen-ten'alus), a. —1y., ad. geditch-annular (• en'njoa-ler), a. halfrond. —barbarous I tenrijk, bondig. —ness, a. spreukrijkheta,bondlgheld. (-baar'be-ros), a. halfbarbaa7sch. --breve, a. heale a. noot. —circle, a. halve cirkel. —circular (-sue- Sentient (aen'sjt- ant), a. gewaarwordend. ;net gevoel betaafd wezen. kjoe.ler), a halfrond. —colon (-kolun), a. kora- mapunt. —diameter (-daj-eval.trir), s. halve mid- I Sentiment (sen'ti-mentl, s. gevoelen; gevoeLgevoeligheid; gewaara nrding; mecning; gezindheid; deltijn. —diton,e -da)'toon), a. kleine tarty.--lunar geditchte; toast. —at (men'tell, a. gevoelig, ge(-Tm'ner), a hal ventaanvormtg. —metal (-met ti). voelvol, sentimentee I. —ality (-tel'it-tth), a. overa. Italtmetaal. —toed, a. halve voet. —pedal (-pi, dreveu gevoeligheid. del) ; a. halfvoets•. —proof, s. halfhewijs. —quaver; a. zesti•ade no,at. —spherical (-afer'ikt), a. half ko- Sentinel (sen'tt-nel). a. schildwacht. halve Sentry (sen't•ih), a. schildwacht. —box, seta' ler—vowel,a. gelvorung. —tone, a. halve toon. huiaje. 'linker. Se :ran al (semii•nel), a. zand-; oorspronkelijk. Separa Isle (sep'e-ribl), a. —hip, ad. scheidbaar. —bleness, a. scheidbaar—bility —ality (-net'it-tih), a. .feelkracht; natuur van held. —te, a. —tely, a.l. atgescheiden, athet zaad. —ari8t (-ne net), a. seminarist. —ar; zonderlij k. —te (• eat), v. a. sel•eiden, anntideren. (-ne-rilt), R. .-W-; a. cearanarie, kweekschool. —tenets a. ofgezonder.lheid. —tion (-real —ation (-nee'sjun). a. zaating; verepreitling. —ifie sjun), a. scheiding, afzondering. --tes t (.re.tist), s. zaadvoorthcengertd. afgeecheidene. —tor (-ree-fur), a. schettler, —t ory Aemptsrvive isein'pnr.,jv), a. matgdrupalm. ( -re-tur-rth), a. scheidend, arzotiderend; — due to, Sempit ern at (arm-pi-tuenel), a. eettavigdurend. attic heldende vat., —ifp, a. eeuvvigdurendloid. Sepia (sVpi - e), a. sepia (brutne verf). Sempster, (aem'at'ael, a. kleermalter. Septment (seplament), a. heining, hex. S.ornapstreas (sein'atre3sj, a. naatster. a. sepoy (inlandach anidaat in Sepoy S en n ry (aen'e- rill), a. zestallig. Britsch.IndiO). Secant a (sen'et,, a. ...near, road; —house, rand- (-a-to'- Sepelseps).s. slanghagedia. tur), a. raadsheer. but. —or ri-el), a. van een' raadsheer. —orship (-e - tur - ), Septang ie (sept'eng gl), a. zeventinek. —ular (-teng'gjoe-leri, a. zevenhoekig. s. raadshevachap. Send (send') [sent]. v. a. zenden; werpen, achieten. September (sop - tent'bur), a. Seatember, herfstmaand. — word, berichten, leten weten. (forth. out) vonrtbrengen; van zich geven; uitzerden. (in, up) Septen airy (sep'tin e-rih), a zeveraallig; a. rev ental. —nial a. zeveniatag. —trion one's name, zich la'en aandienen. —, v. n. zenInn; (-ten'tri-un), s, noorcler. trional (- ten' tri,uti-e1), (feel zemien ore, laten komen. —er, a. tender. a. noordelijk. Senescenee(se-ria."8,8) a . ea r aude r big. Septic (sep'tik),—a/, a. bodervend, verrottend. SPDelietatt (sen'e-sjeli, a hofmeeater. Suptilateral (8ep-ti-let'ur-el), R. ZeVerai3dig• Seogreen ,ren'griettl, a. menegroen, Scull a ,si'Dajl), a. hongbejaard; den ouderdom Septunge nary (aep-tjoe-ed'z)e-ne-rib),a.zeventigjarig; a. zeventigjarige —alma dzjeal-me), s. eigen. —ity (se-nitit tile), as. ouderdom, hoogbederde Zondag voor de Vasten. jaardheid. • Sent 136' (mtnjur), a. cinder, oadate. —ity (-olor'-it- Septuple (sep'tjoepl), a. zevenvoudig. Sepul ehrai (se-parkrel), a graf-; begrafenis, tilt), a. hoogere I eeftijd ; langere diensttiji. —chre (sep'ul-kur), a. graf. —chre (-1tur; ook r asp' Senna limit.), a. senabladeren. ul-kura, v. a„begraven. —tore (aep'ul tjoer), 8. be Sennigh (eettnit), a. richt dagen, week. to-morrow grafenis. rnorgen over acht dagen. Segunci outs (se•kwee'sjus), a. volgzaam, goSensation (seu-see'sjun), s. gewaarwording. Sense (sena"), a. zin; reds, oordeel, verstand; gedwes. —ty (-kwes'it-tih,, e. volgzaamheid, ge• dweebeld voal, heart; hegrip; meentnv; betin ekeni, common

cryptogeld nieuws 247


Paychoinaney (sayko-men-sih) : a. geeatenbe. Pugh (poe), int. poe! bah! Pugll (pjoe'dzji!), a. handjevol. -ism, a. bet vuistswering. veehten. -ist, a. ratistveehter. Ptarnsigan, (tatter:II-gen), a. aneeuwhaen. Pterodactyl (ter-o-dekstil), s. voorwereldlijke Puguaicl oats (pug-nee'sjus), a. etrijdlustig. -ty a. strOdlustigheiti. hagedis of vledermuis. Pulane (pjoe'nih), a. jonger; Klein, Bering. Zftlean (tiz-en ), a. gerstewater. Ptyernagogue (tiz'me-gog), a. twijlverdrij vend , Patialinn ce (pjoe'ia-sent), a. macht. -t, a. -tly, ad. mach'ig, steel. middel. Puke (pjoek), a. Zia Puce. -, a braakmidde,l; )Puberty (pjoe'hur-tih(, a. buwbaaaheid. braakael. - V. n. brakes. Pteltescen ce (pjoe-bes'aens)„ a. huwbaarwor• Pulchritude (purkri-tjoed), a. sehoonheld. ding. -t, a. huwbaarwordend. v. n. pieces; kraunen. -ing, a. Pul e Public (pubnik), a. algemeen, publiel. in -, 't openbaar. -, a. algomeen, epentaar, publish.; gepiep; gekreun. -debt, staatssebuld. - funds, pl. staatspapteren, Pull (poell'), a. ruk, trek; strijd. -back, beletsel. -, v. a. & n. rukiten, trebles; plukken, scheneffeeten. - good, algemeen welzkin. -hearted, minded, -epirited, bezield met tjver voor het Ten; roeien. (down) neerhalen; aloopen, vernedecent afmatten. (of') aftrekken, uttrukken. (en) algemeene weizijn. - house, tapperij, kroeg. - paper', - prints, nleuwabladen - sate, open- aantrekkett. (out) ultrukken; op de reeds Wes. (up) aptreklen; uitrukken; aitraelen. -er, a. bare verkoop, veiling. - scales, pl. stadswaag. plukker, Welker. Public ass (publi-ken), s. herbergier; tollenaar. -ation (-lies'ajun), a. bekendmaking; uitgave , Pullet (poePlit), a. kuiken. -ist (-slat), a. rubliatat.-ity -nen, Pulley (poerlih), a. katrol, take'. -door, deur met eon gewiehi .-piece,kniestuk(aan eats hulas). a. openbaarheid. 1Pribilab (pub'l(e!), v. a. bakend mabaia; nitgeven. Psalluln to (pul'ijoe leet)„ v. n. kiemen, ultlooe. bekendmaker; uitgever. -ment, a. hapen. -tion (-leefsjun), P. kleming. Pullmoutiry (prilfrnun.e-rib), a. vas de longen; welijksafsondiging. long-. - a. longkruid. Peace (pjoes'), a. donherbruin. -ron (-se rots), a. Pulmonle (pul-mon'ilt), a. van de lougen; long-. bladluts. - a. longrniddel; longlijder. -fist, boviat Puck (puk', a, berggeeat. Pulp (pulp'), a. zaehte mem; merg; vleeech (van (aardawam). vruchten). -ing-mill, moles ter ontbolstering Packer (prileur), a. wijd bleed; kreukje, vouw; der kolliaboonen verlegenheid. -, v. a. & n. plooien, krenken. Pudder (pud'dur), a. oceans, getter. v. a. Pulpit (poelfpit), a. spreekgestoelte, kennel. -tkumper,kanselklopper.-ica/(-pit'ikli,a.kansel-. overbluffen, oversebreeuwen; v, n. razes, tieren. Pudding (poed'dieng), a. podding; beuling, vat POP Wig (pulp'ua), -y,a.weekivieezig.-ousness, hoed. clack bIoedworat. white, - leverneuling.! e. vesekheid; vleezi,gbeid. -bag, -cloth, poddingzak. -fish, (snort van) , Polaat e (puleeet), v. n. kloppec, tikken. -ilg braaem. vleeaebpodding. -sleeve, wijda (-e-til), a. geslagen kunnende warden; a. slagmouw. -stone, poddingsteen. -time, etenstip; ; instrument. -ion (-aee'sjun), a. klopping; palsjoist tijdetip. I slag. -or (-seetur), s. klopper, tikker, houtworm. Puddl c (pud'd1), a. modderpoel. -c, v. a. mod-orY (-e'tetr-r/h), a. kloppend, tikkend. derig ;troebel) makes; met madder diehtetoppen; Pula e (pule), a. pole; polsslaKi schommeling; peulvrue ht. --e, v. a. stooteu, druven; v. n. clean, v. n. plassen, marsen. -y, a. modderig. Puddoek (pudfduk)' a. omheining. -ific (-ink), a. den pole opwekkend. a. ion (purtjun), a. voartatooting. Pad ency (pine'denaith), -icity Pulver able (pervur-ibl), a. vergruisbaar. exhaamaehtigheid, eerbaarheid. (-i-zee'sjun`, a. vergruising, fijnataanP',10,1QUICINV (pjoe'fel-lo),3. Zie Pew-fellow. (-ajz), v. a. fijn (tot poeder) wrkiven e (ploe'e-Ti1) a. kinderaebtig. --ity ping. a. Itinderachtighotd I of stoat.. -u!ence (-varfjoe-lens), a. stotSgtold. P nia rye esti (pjne - ur'pe - Tel), a. kranm , van het - a lent ( -ver'jae- lent), a. stoftig. C. a. met reukbream bed. — fever, zogkoorts. Pcalril (pul'vll(, a. reukpoeder.

Is Bitcoin een algoritme


KUM, Kommles, m, custom-shiver, excise-man. -brood, soldier 's bread, munition-bread. Konspes, o. compass. reettttebteed -, corrected compass. siatetittend -, dipping compass. -beegel, gimbal. -demi, compass-box. -huisje, binnacle. -lamp, compass-lamp. -maker, compassmaker. -tumid, compass needle. -roes. compasscard. -atreek, point of the compass. Kompiot, o. plot, conspiracy. Komst, v. coming, arrival; accession. Kond. Sc. known. - does, to make known. ten tegelifk sij -, be it known to every one, ilLeendschnp, v. inform aeon. notice, intelligence. op - uitgaan, to reconnoitre. -pen, ov. w. to inform (to advise) of. -per, m. messenger, Informer; spy. Koniljt, o. confect, eomfit, preserves, sweetmeat. -en, ov. w. to confect, to comfit, to preserve. gekettfijt in, thoroughly versed in. -tag, v. preserving. Kougsrael, m. conger-eel. rabbit, cony. -erel, rabbit 's skin -anberg,-enboach,-experk, rabbit-warren. --enbob. cony-house. -enkel. cony-burrow. -enjuret, rabbit-hunting. -enkruid, sow-thistle. -enpastei, rabbit-pie. Keening, in. king; regulus, -sarend, royal eagle. -sblasta, king 's blue. ---abrood, fine breal. -8doehter, king 'a daughter. -sgeel, royal yellow, -veiled, royalist. -ogeoinde, royalist. -agetrindkeid, royalism. -shof, royal court. -skean, torch-weed -skied, royal child. -Alm., purple. --skroon royal crown, disdain. -smoord, -moorder, regicide. -sstaf, royal sceptre. -etroon, royal throne. -water, aqua regia. -stew, king 'a evil. -szoon, son of the king. -in, v. queen -sekap, o. royalty. Konink is, o. petty king ; wren. -lijk, bv. & o. kingdom. bw. royal ( ly). Konkel, tn. box on the ear. -, v. coffee-pot; distaff, slut, hussy, gossip; rag, tatter. -beet, intriguing plot. -hula, house where go,sipa meet. -meet, tie Konkeinarster. -pot, coffee-pot. -tar, in. plotter, intriguer. -aarster, v. slut, hussy, kosalp. -arij, v. plotting, gossiping. -en, on. w. to plot, to intrigue, to gossip. Konsta ► el, m. gunner. ---skamer, gunner 'a room. -smaat, gunner 's mate. Kont, v. arse; cotquean. Konterfeit en, ov. w. to counterfeit, to portray. -set, o. counterfeit, portrait. Koaavool, o. convoy. -en en liresten, export and Import-duties, custom-house-dues. -ceet,cocket. ship- broker. -sektp, convoy eshlp Konnenielje, v. cochineal. Kohl, v. fold, pen; cage; hammock, berth, bed ; coin, quoin. -tend, decoy-duck. -man, master of a decoy. -en, ov. w. to cage, to fold, to pen (up); to lire in coucubinage; to coin, to quoin. Kook, v. boiling. can de -, boiling. van de -, having ceased boiling; indisposed. -beek, cook. cry-book. -forests, cooking stove., furnace. -gereedsckap, kitchen-furniture. -bob, cooking-hut, -shed. -huts, cooking-house, kitchen. -hetet, boiler. -Cutlet, art of cookery, culinary art.
benoodigdheld; eekreet; bestekamer. sjun), s. verleening (verkrijging) van bet burgerrecht. —ize (-aja), v. a. het recht van inboorling Neceaslt ate (ne-ses'si-teet), v. a. noodzakelijk maken. —ation (-tee'ejun). s. voodzakIng, —ous, verleenen. a. behoeftig„ noodlijdend. —ousness, s. behoefNature (neet'joe,), s. natuur; aard.from near tigheid. —ude (-tined), a. behoefte; vriendschap. de natuur, neat het leven. —y, s. noodzakelijkheid; noodwendigheid; beNaught (pout'), a. slecht, nietswaardig. s. hoeftigheid; of —, noodwendig, from —, nit noodniets. —iness, s ondeugendheid; nietswaardigNeck (net'), 0. bale, net; halsstuk. — of land, held, —ily, ad. —y, a. ondeugend, stout. landengte. on the — of, onmiddellijk na. —band, N n 111111 achy (nao'me-kih),s.spiegelgevecht ter zee. halsboard. —beef, nekvieeseh (van een rund). Nausea (nao'shi•e), a. misselbkheid, walging; bslsdoek, das. —handkerchief, haladoek. zeeziekte. —te (-eel), v. a. mieselijk waken, doers —lace, halssnoer. —land, landtong,-engte.—piece, walgen; v. n. misse/ijk worden, waigen. halsstuk (van sea harries). —verse, galgepsalm. Nauseous (nao'sjus), a, —1y,ad. w algeli.jk. —nets, —weed, hennen. s. vralgelbkheid. (nao'tik), —cal, a van de zeevaart, zee-. Neckercbier(nek'ur tsjif), a. halsdoek. Necrolog let (ue-krol'ud-zjist), a. berichigever s. nehippertje (schelpdier). van sterfgevallen. —y, a. sterflijst; levensbeNaval (nee'vel), a. see-, scheepa-. —army, oorischrijving van overledenen. logsvloot. —battle, zecslag. — forces, seemaeht. — officer, zee-ofticier. —s (-velz). pl. zeewezen. Necroman cer (nek'ro-men-sur), s. toovenaar. —cy, a. zwarte kunst; geeetenbezwering. —tic Navarch (neev'aark), a. vlootvoogd. (-men'tik), a. van de zwarte kunst; toover-; a. Nave (neev"), a. naaf; schip (eener kerk). —line, betoovering, bezwering. rakketalie. Navel (nee'v1)., s. navel. —gall, navelgal. —string, Necrosis (ne-kro'sis), a. beenvreting. navelstreng.—timber,kremhout,buikstuk.—woods, Nectar (nek'tur). s. nektar, godendrank. —eal, —emu, —eons (nek-tee'ri- ► , —ine (-in), a. nekton.kluishouten. —wort, navelkruid. achtig; heerlijk. —ine (-in), s. nektarperzik. —y, Navew (nee'vjoe , „ s. kleine knot, pootraap. a. honigkelk (eener bloem). Navictslar (ne-vik'joe lee), a. bootvormig; van Need (vied'), s. nood; noodzakelijkheid; behoefte. "000ten of echeepjes. if — be, in geval van nood. you had —, gij beNaviga ble (nev)i-gib1)., a. bevaarbaar. —bleness, hoordet. to stand in — of, van nooden hebben. a. bevaarbaarheid. —te (-geet), v. a bevaren; —, v. a. behoeven, noodig hebben; v. n. noodig stuns; v. n. varen, stevenen. —tion ( gee'sjun.), a. seheepvaart; zeevaar(kunde; inland —. binzijn. —ful, a. —fully, ad. noodig; noodzakelipt; vereischt. —fulness, a. noodzakatijkheid. —sly, ueflvaart. —tor (-gee-tue), a. seeman, zeevaerder. ad. hehoeftig. —iness (-i-nest), a. hehoeftigheid. Navy (neevih), s. zeernacht, vloot. — board, col—leas, a. —lessly, ad. onnoodig, noodeloos. legie van civiele ambtensren der marine. —office_ —/essness, a. noodeloosheld. —a (niedz), ad. noodwendig, onvermkidelijk. —y, a. behoeftig. Nay(nee'), ad. neen; wat mear is; ja zelfe• — neen; weigei ing. —word, weigerend antwoord; Needle (ni'd1), s. naald. —case, naaldenkoker, —fish, naaldviecb. —ful, dread gsren. —furze, schirnpscheut; feu, prieinkruid. —gun, a. naaldgeweer. —maker , Nazar een +nez-e s Nazarenes. —ite (nez' naaldenmaker. —ore, naalderts. —stone, naalde-rajt), a. Nazireer. steen. --tin, naaldtinerts. —weed, naaldkervel. Naze (neez), s. kaap, uithoek. —work, naaiwerk. —, v. a. & n. naaldvormig Near (nief), s. vaist. maken (worden). —r, s, z,aaldenmaker. Neal Oriel). v. a. & n. temperen, gloeien. Neap (nirp), a. laag. — tide, dood ttj. a. eh. Ne'er (seer). ad. Zie Never. Neesewort (niez'wurt), s. nieskruid. —ed, a. vastzittend, niet vlot. Near (flier), a. nabijzijnd, DRIVW verwant: dier- Nefandous (n,fen'due), a. verfoetelijk, gruwelijk. oar; nauwkeurig; vrekktg; —, ad. nader, nailj, dichtbij. prp. dieht bij, naast. —, v. a. NefArlous (ne-fee'ri-us), a. —ly, ad. snood, sci , andelijk, afachuwelijk. & a. eaderen. —/y, ad. ongeveer, bijna; gierig. --ness, s, nabijheid; nauw verwantsehap; gie- Negation (ne-gee'sjun), s. ontkenning, righeid. Negative (tteg"ettv, s ontkennend woord; wei-

Kun je geld verdienen aan cryptogeld


193 MUT.--NAT. Myself (maj-self), pr. zelf, ik zelf,mij, mijzelveu. alleen. y Mystagogue(miaste-gog),.. uitlegger vtn verborgenheden; reliquien-bewaarder. Mysterious (axis tPri-ue). —ly, ad. geheimzinnig, verborgen. —nets, s. verborgenheid. Mystery (minis-rih), a. gebeim, verborgenheid; handwerk; mysterie (tooneelatuk). !flystic (mitetik), —al, a. —ally, ad. geheinazinnig, verborgen, duister, zinnebeeldig. —alness, a. geheimzinnigheid. •ti-sism), a. leer der myatieken; dweperij, geastdrkivend. Mystif bastion s. geheimzinnigmaking; misleiding. —y mieti-faj), v. a. in geheimzinnigheid holies; miajletden, bedotten. Myth (mith'; , , a. mythe, verdichtael, —ic, —ical, a. fabelachtig, verdicht. —ographer (mi-tkog'refur,, a. fabelsclutver. —ological (-o-lod'zjikl), a. mythologisch; van de fabe-Ileer. Mytholog 1st (mt-tholtud-zjiet), a. fabeikundige. —ire sjz), v. n. de fabelleer verkiaren. —y, s. mythologic, label-, godenleer.

cryptogeld libra prijs

×