(-in'si dent), R. satrienloopend,overeenstemmend. CoHoeft to (kollo-keet), v, R. plaatsen, rangCoir (cojr), s. kokosnootvezels. schikken. —ton (-kee spin), a. pleasing, rangColstell (kojs'tril), s. melkmuil, lafbek. schikking. Colt (kojt), s. werpschijf. Collo') (kol'lup), a, lapje vleesch; kind, scotch Coition (ko.is'sjun), s. samenkomst; bijslaap, —s. kalfslapjes. paring. Colloquial (kol-lo'kwl el), a. —ly. ad. eene CoJoin (ko - dzjojn), v. n. zich verbinden. samenspraak betreffend. —ism, s. gemeenzarne Cojuror (ko - dzjoe'rur), a. die de geloofwaardig- wijze van spreken. I Colloquy (kol'Io kwih), s. samenspraak. heid van een ander bezweert. Coke (kook), s. coke; ontzwavelde steenkool. Collude (kol - ljoed), v. n.. samenapannen; bet Colander (kul'en-dur), s. sect, vergiettest; I eerie zijn. zijgdoek. Collo sion (kol-ljoe'zjun), a. verstandhouding. Colat Ion (ko - lee'sjon), s. doorzijging.., —sive, —sory, a. schelmochtig beraamd. —siveness, Colcothar (kol ko-ther), s. doodekop. I s. schelmsche samenspanning. Cold (koold'1, a. koude; verkoudheid. to catch —, Cony (korlih), a. kolenroet. —, v. a. met roet kou vatten. —, a. —ly, ad. koud, koel. in — I bemorsen; zwart maken. blood, in koelen bloede. —hearted, ongevoelig. !Colon (ko'lun), s. dub ► el punt; groote dorm. —short, broos. —ish, a. koel, koudachtig. —ness,! Colonel (kur'nil), a. kolonel. —cy, —ship, a. a. koelheid, onverschilligheitt. 1 kolonelschap. Cole (kool'), s. kool. —seed, , koolzaad. —wort, Colonial (ko-lo'ni-el), a. koloniaal. — produce, sproitkool. koloniale waren. Colic (kol'ik), a. darmjieht, koliek. Colon let (kol'un-nisi), a. volkplanter, kolonist. —izati9n (-ni zee'sjun), a. vestiging cener yolkCollaps e (kol-leps'), v. n. instorten, ineen- planting. —ize ( najz), v. a. tot eene kolonie krimpen. —ion ( lep'sjum), a. instorting. Collar (kol'ler), s. halsband, kraag; holster; vormen. —y, e. volkplantine, kolonie. rollade. —, v. a. bij den kraag vatten; een' Colonnade (kol-un need), a. zuilenrij. halaband omdoen; rollade maken. —beans, Colophony (to lorun-nth), s. spiegelhora. d•arshalk. —bone, sleutelbeen: —day, galadag. Color (kul'ur), s. klertr, serf; glimp; voorwendCollate (kol'leet), v, a. vergelijken (with); na- ; sel. —s, a. vaandel. —, v. a. kleuren, verven; lezen; aanstelten (to); begeven. 1 bewimpelen; v. n. blozen. —able, a. —ably, ad. schunhaar, achoonschijnend. —ation ( ee'sjun), Collateral (kol-let'ur-el), a. —ly, - ad. evenwij- dig, zijdelingsch, zijdelings. s. verving, kleuring. —i/c (kol ur ink), a. kleurend. —ing, a. koloriet; schoone schijn. —jot, Collet Clan (kol leesjun), s. vergelijking; ker- kelijke. aanatelling; tusschenmaal. —tor, s. a. kleurenmenger, meester in het koloriet. vergelijker, begover van een kerkelijk ambt. —less, a. klenrloos. Colleague (kol'lieg), s. ambtgenoot. — (kol- Coloss al (ko los'sel), —eon (kol-oa si'en), a. lieg'), v. a. vergezellen; vereenigen (with). reusachtig. —us, a. reuzengestatte. ColstalT (kol'staaf), a. draagstok. Collect (kollekt), a. inzameling; gebed. Collect (kol-lekt'), v. a. verzamelen; opzamelen; Colt (koolt'), s. veulen; onervarene, —, v. a. fopincasseeren; afleiden, besluiten. — one's self, zich pen; v. n. huppeleu. —'s-foot, hoeiblad. --'a-tooth, melktand. —er, a. kouter. —ish, a. dartel, uitherstellen. —aneous (tee'ni-us). a. vergaard, bijeengebracht. —ed, a. —edly, ad. aamengevat, gelaten. bedaard, —edness, a. bedaardheid. —ion (kol-lek' Colubrine (kol'joe Orals), a. slangachtig; argsjun), s. verzameling; gevolgtrekking. —ive, a. listig. —ive/y, ad. verzomelend, gezamento,—ine noun, Coition Wiry (kol'um be rih), a. duiveutil. —bine, verzamelwoord. —or, s. verzamelaar, guarder. (-bajn), a. duivenkleurig. —bide, s. liehte violetkleur; akelei. Collegatary (kol-leg'e-to-rih), s. mede-erfge- Column (kol'um), a. mil , kolom; kolonne. noon, College (kollidzj), a. collegie, kweeksehool. —ar (ko lum'ner), a. zuilvormig. Collegi al (kol-li'dzji el), a. van een collegie. Colures (ko-ljoerz'), 8. kruiskringen. —an, —ate, 8. lid VR11 eras collegie; student. —ate, Conan (ko'me), s. staapziekte. Comate (ko-meet'), a. kameraad. R. een collegie hebbend; church, stiftskerk. Contrite (kom'et), a. harig, haarachtig. Collet (korlit,), a. ringdas. Collide (kol lajd'), v. a. tegen elkander 8IRRII. Coanatous (kom'eAus), a. slaapziek. collier (kolljur), a. kolenwerker, handelaar; Comb (koom'), a. tram; vollei; honigraat, carry —, -schlp. —y, to. kolengroeve; kolenhandel. roskam. flax —, heket. —brush, kamborstel.,fish, Colligation (kol-li gee'sjun), a. samenbinding. kammossel. —, v. a. kammen, hekelen. —er, a. kamnaer, hekelaar. —ing-cloth, poeiermentel. Collimation (kol-li mee'sjun), to. (het) mikken, (het) aanleggen. Combat (kum'bet), s. gevecht. single —, tweegeCollIngual (kol-ling'gwel), R, dezelfde teal belt- vecht, —, v. a. bevechten; v. n. atrijden. —ant, s. strijder. —ant, a. strijdend. bend, Colliqua Clam (kol-li kwee's(un), s. smelting. Conshln able (ktim-bornibl), e. vereenigboar. —ation (kom-bi-nee'sjun), R. vereeniging, ver—tire (-lik'we tiv), a. ameltend. binding,. —e, v. a. bijeenvoegen; v. n, zich Colliquefaction (kol-li-kwe fek'sjun), R. at mensmelting. verbinden. Con► l► ost lisle (kum•bus'tibl), a. verbrandhaar Collision (kollfzjun), a bot,in:;. .


atoffelijk. —punishment, liiistraf. —,s. korporaal; Cordelier (kor-de tier), s minilerbroede, Cordial (kor'di. el), a. harisierkund, tiartelijk. i iniadoek. —ity (kor-po-rel%), s. lichamelijklield; e.' stoffelijkheid. —, hartsterkend raiddet. —ity (-6'11 hartelbkheid. —ly, ad. on harte. --ness, B. bar- Corpora te (kor'po-ret), a. —tety, ad. ingelijrd. —teness, a. saamverbondenheid. —tion (-ree'ajun), telijkbeid. a. genootachap; gild; gemeenteraad. Cordon (kor'don), a. munrweik, cordon. Corpore al (kor-po'ri-el), a. —ally, ad. lichameCordovan (kor'do-ven), a. Zie Cordwain. liehamelijklijk, stoifelipc. —ity —road, Corduroy (kor'djoe-roj), a. bombazijn. § held, stoffelijkheid. weg van blokjes hoot. Cordwaln (kord'ween), a. spaansch leder. —er, Corposant (kor'po-zent), a. St. Elmusvuur. Corps (koor), a. bende; korps. a. lederbereider; schoenrnaker. Core (koor), R. binnenste, kern; blokhuts; etter. Corpse (korps), a. lijk; romp. Conscious (ko-ri-ee'sjus), a. lederachtig; taai. Corpulen ce (kor'pjoe lens), —cy, s. zwaarlkjvigheid. --C, a. zwaarlijvig. Coriander (ko-ri-en'dur), s. koriander. Corinthian (ko-rtn'thi-en), a. korinthisch. —or- Corpus cie (kor'pua-s1), a. lichaampje; stofa. losbandig deeltje.—etaar(kor-puti'kjoe - ler), —cutortan(-kjoeder, korinthische bouworde. lee'ri-en). a. stofdeeltjes betreffend. menseh. Cork (korle), a. kurkboom; kurk; § kalkoen (aan CorradiatIon(kor-ree-dt-ee'sjun),s. vereeniging eon haeflzer). —, v. a. dichtkurkent § van kal- van atralen in 66n punt. koenen voorzien, scherp zetten. —ing-pin, ha- Correct (kur-rekt'), a. —ly, ad. nauwkeurig, kerspeld; paknaald. —screw, kurketrekker. —tree, joist. —, v. a. verbeteren; kastijdpn. —ion (-rek' t,jun), a. verbetering ; berisping; kastijding. kurkboom. —y, a. kurkachtig; kurken. —tone, a. verbeterend. --ice, a. verbeterengi; s. Cormorant (kor'mo-rent), a. zeeraaf; vraat. Corn (korn'), a. koren, groan; korrel; likdoorn; verbeteringsmiddel. —ness, a. juistheid, nauwmats. —, v. a. korrelen; pekelen. —beef, pekel- keurigheid. —or, a. verbeteraar; tuchtiger; corvleesch. akkerwinde. —bottle, koreribloem. rector. —chandler, korenkooper. 4 —cracker, scheld»aarn Correia te (kor-re-feet'), v. n. eene wederkeerige your Kentuckter. —cutter, likdoornsnUder.§ —dad- betrekking hebben. —tion elee'sjuni, 8. wederger, soort van koek. —factor, korenmakelaar. zijdsehe betrekking. —field, korenakker. —flag, zwaardlelie. —floor, Correintive (kur-rere-tic), a. —ly, Rd. wederdorschvloer. —flower, korenbloorn. § —juice, bran- 10.4 betrekkelijk. —ness, s. wederkeerige bedcwijn. —loft, korenzolder. —merchant. koren- trekking. kooper. korenmolen. —poppy, klaproos. Correapon d (kor-re-spond'), v, on. briefwisite-rocket, berth. —salad, veidsaiade. —trade, graan- sing voeren; overeenkomen met, beantwoorden ran, (to. with). —deuce, —dency, s. briefwtsseling; handel. korenwaRg- overeenstemming. —dent, a. —dimity, ad. overCornea (koeni-e), s. hoornvlies. eenstemmend —dent, a. correspondent. —sire., Cornel (kor'n11), a. kornoeljeboom. a. overeenkomstig. Cornelian (kor-nle'li en), a. kornalijn. Corridor (kor'ri-door), s. gang, galerij. Cornernuse (korn'mjoes), a. herdersfluit, Corrigible (kor'rid-zjibl), a- verbeterlijk, straf. Corneous (kor'ni-us), a. hoornachtig. Corner (kor'nur), a. hook. —house, hoekli uis. —tile, boar. noknan. —tooth, hoektand. —wise, overhoeks. Corrival (kor-raj'vel), a. mededinger, -minnaar. —ed, a. gehoekt. 4 — , v. a. in het nauw brengen. —ry, s. raededinging. Cornet (kor'nit), a. boron; peperhuis; vaandrig; Corrivation (kor-r-vee'sjun), s. samenvloeiing. Corrobora nt (kor-rob'o-rent), R. versterkend. hoof. —cy, s. rang van kornet. (-ree' Cornice (koenis), a. kroonlijst. —te, v. a. veraterken, bevestigen. sjun), a. bevestiging; versterking. —tire, a. verCornicie (koentkl), a. horentje. Corniculaie (kor-nik'joe-let), a. horenvormig; sterkend; bevestigend. Corro de (kor.rood'), v. a. wegknagen; invregehoornd. Corniforni (kor'ni-form), a. horenvormtg. ten. —dent, a. wegknogend; invretend; a. bkitmiddel. -dibilily (kor-ro-di-bil'-), 8. vatbaarheid Cornigerous (koe.nid'zjur.ue), a, gehorend. voor invrettng. --dible (kor-ro'dibl), a. vatbaRr Corona te (kor-njoet'), v. a. horens opzetten, tot voor invrettng —sion (. ro'sjun), s, wegvreting. horendrager maken. —to (-njoe' to), H. horengl rager. —sive, a. —nicely, ad. (-ro'etv-), wretend; kwelCorny (kor'nih), a. horenachtig; gekorreld; groan- rijk; sterk, koppig. lend. —sive, a. bijtmiddel. --saneness, a. bijtendCorolla (ko-rolle), a. kreontje (eener bloem). heid, scherpheid. Corollary (koeul-le-rih), a. gevolgtrekking; toe- Comma nt (kor'rjoe gent), a. rimpelend. —te gift. (-get), R. gerirnpeld. —te (-:feet), v. a. rimpelen. Corona (ko-ro'ne), a. kroonlijst. —I, a. kroon, —tion (-gee'sjun), a. rimpeling. v. a, krona; R. tot de kruin hehoorend. --ry (kor'o- Corrupt (kor-rupt'), a. beglorven, snood. bederven; omkoopen; v. n. bederven, no-rib), a. eene kroon betreffend. —ry-vein, R. kroonader. —ry-artery, kroonslagader. —tion (kor- bederver; omkooper. a. kroning. ness, a. vatbasrheid voor bederf, voor omkooad. aan bederf onderheCoroner (koeo-nor), 8. lijkschouwer. ping, Coronet (kor'n-net). a. kraontje; hoofdsieraad. vig; voor omkooping vatbaar. —ion ( rup'sjun), Corporal (kor'pa-rel), a. —ly, ad. liehamelijk, s. bederf; verdorvenheid; omkooping; ettering.

Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.

Wat is cryptogeld Wikipedia


Litecoin has been beaten down for the last 3 months, from a high of over $140 USD to a current price of just shy of $55 USD. The question is where to from here? The current near-term low of $50 USD will be a crucial, line in the sand for the altcoin moving forward. After quite a violent prior week down, it is unclear whether or not this is the capitulation of...

Wat is een Blockchain databank


(: °ripe EA led go r'bel-lid), e. (lit()) utkig. —y, e, G rtliCC (grees'), , genade; 'gun et; bevalligheid; dikbuig. tafelgebad. to say —, bidden, danken (WO den (.or cock (gor'kok), s. korhaan. —crow, efts- maaltijd). days of —, respijtdagen. —cup, laatste kraal. glas, afzakkertja. —, v. a. begunstigen; verGordian (gor'di-en), a. gordiaansch, ingewik- sieren. Graceful (grees'foel), a. —ly, ad. bevallig, beheld. — knot, gerdiaansche knoop. koorlijk. —ness, s. bevalligheid. Gore (gone'), s,geronnen bloed; Beer. —s (goorz), a. zeilgieren. —crow , aaskraai. —. v. a. doorbo- Graceless (greesness), a. —ly, ad. eervergeten, goddeloos; onbevallig. —netts, a. snoodheid; onbe• ren; steken (met Is horens , . valltgbeid. Gorge (gordzj), e. keel, atrot; ingeslikt brok; holkeel; bergkloof. —, v. a. verzwelgen; volprop- Graces (gree'siz), a, Gratien; bevalligheid; gunst. Graell e (gres')l). a. dun, tenger. —ity (gre-sil' pen, verzadigen (with). —, v. n. vreten (upon). it-till), a. rankheid, spichagbeid. Gorgeous (gor'dzjits), a. —ly, ad. prachtig, Gracious (teree'sjus), a. —ly, ad. liefderijk, welweidsch. —ness, a. praeht. willend; deugdzassn; hevallig. —ness, s. liefdeGorget (gor'dzjit), s. ringkraag; balakraag. Gorgon (goegun), s. Medusa, monster. —ian rijkheid, welwillendheid; bevalligheld. Gradation (gre-dee'sjun), a. trapswijze spool(-go'ni-en). a. afmr.huwelijk. G orrnand (gor'mend), a. gulzige-ard, venal. —ism ging. ( -isn't), a. guizigheid. —ize (-dajz), v. n. gulzie; Gradatory (gred'a-tur-rih), a. trapswijze voortgaand. —, a. kerktrap (in kloosters). eteii. —izer (•dajzr), a. vraat. Gra de (greed'), a. greed, rang; aarden spoorGorse (gory), s. steekbrem, priernkruid. baan; v. a. aanleggen, inrichten (eene aarden Gory (go'rib), a. hebloed, bloedig. baan tot speerweg)• 2dicnt (-di-ent), a. wandeGoehawk (gos'haok), a. ganzenarend. lend, stag end; grand van 'dimming en dating. Gosling (gos'lieng), a. jonge gaps; katje (aan Gradual (grecnoe•e1), a. —/k, ad. trap•wijze, bnomen). geleidelijk. —, s. trap; graduaal. Gospel (gos'pill, a. Evangelic; godgele,rdheid. --lee, a. Evangelie•leeraar. —lice, v. a. in het, Graduate (gred'joe-et), a. bezitter van een'acaEvangelic onderwijzen. demischen greed. —(-set), v. a. tot een scadsGossamer (gos'se-mur), re plantendons; herfst- misehen grand bevordersn; in graden verdeelen; v. n. promoveeren; geleidelti k voortgaan, —d dradsn. —y (-mer-ill), a. licht,luchtig; dradertg. Gossip (gos'sip), a. ijdel gesnap, gekeuvel, buur- (-ee-tid), a. gegractueerd, —s ip, a. s'aat (titel praetje; peetoom; peternoei; hebbelkous. —, v. —van gegradueerde• n. bebbelen, keuvelen; vroolijk zijn. —ry, e. Graduation (gred•joe-ee'sjun), a. geleideltjlte (transwijze) voortgang; promotie. peetachap. Graft (graaft) 5. entstek. --, v. a. & n. enten CI 0.41.11 (goy-roen'), a. loopjengen. (on, op). —er, s. enter, boomenter.. Gosling (gos'tieng, a. rneekrap. Gotta (goth'), s. Goth. —waist (goth'em-ist), a. Grail (greet), s. graduaal; gruta. Abderiet, waanwijze, —am:te (-e-majt), s. be- Grain (green), s. gram, koren; korrel; grein; nerf in leder); dread (iu hoot); ',Mug (in stofwon, van New-York. fen); humeur. dyed in —, in de wol geverfd. (Gothic (r,oth'ik), IL gotbisch, barbaarach. —ism rogue in —, doortrapte sc-hurk. —s (greens), a. (-i-aism), a. gothi.sche stijl; barbaarschbeti. buistel (van mouty; droesem. Gouge (gandz,j), P. guts. —, v. a. guinea; het Grain (green') v, a. vlammen, marmeren (ale (mg uttdrukken. Gourd (goerd'), a. pompoen, kauwoerde; beach; hoot). —ed (greend), a. ruig; geverfd; in de wol geverfd; als hoot geschilderd. —er, a. nabontser valsche dobbeisteen. -mesa, a. sehenkelgezwel, van houtsoorten ‘schildar). —y, a. vol koren; —y, a., dikgootig, getwollen. korrelig. Goot (gout') a. jicht; mask; droppel. — swo//e•, door dejicht gezwollen. —wort, glidkruid. —him, Graiiic (grellik), a. langbeenig (van vogele). jichtigheid. —y, a.jichtig. Gramercy (grem-muesila), hit. hartelljk dank! a. Clove (goov), a. hoop, acheaf (hoof of koren). —, Greenal,rie al (gre-min'i-el), —tees, a. graaachtig. v. n. inhalen, ophoopen. Gratninivorons (grem-i-niv'o-rue), e.grasetend. Govern (guv'rn,, v. a. Sc n. a egeeren. —able, a. Grammar (grem'rner), a. spraakkunst, —school, regeerbaar„ handelbaar. —once. a. bebeer, lei- latijuache school, —ian (-mee'ri-en), a. spraakkunstenaar. ding; gedrage ---ens, s. regentes; gouvernante, onderniperee. —went, s. rcgeering; bewind; be- Gramsnat testi (;;rem-met'ikl), a. —ically, ad. spraakkunstig. —icaster (-i-kes-tor), —lad (grew' eeereching. —or, a. landvoogd; bewindvoerder; me-tiet), s. woord,enzifter, echoolvos. —icize ..t.. gouverneur; maehineedrijver. sajz).,v. a. spriagkunatig waken; v. n.den epraelc(4 OW11 (gaann'r, s. japon; tabberd, toga. —ed, a. cen' tabberd dragend. — woo, --soon, getlb - hunstensar uithsngen. Grainple ±grem'pl,, s. krab. herd man; reebter; student. , Grampus (grem'pus), a. noordkeper. Gowt (gaut), a. tluic. 1 Granary (gren'e-rl-h), a. koreneehutir. Gozzard (goz'iurd), a. ganzenbeeder. Grab (greb), a. malabaarsch vaartuig. —, T. a.' Grand (grendl, —ty, ad. greet; grootsch; voorplotaeling grijpen; v. n. plukharen. ' maim. —child, gleinkind. —cross, grootkruis. Grabble (greh'bi), v. n. grahbelen, sparteleu,' —davghter, kleindochter. —day, feestdag. —duke, ta.ten groothertog. --dukegoni, groothertogdom. --Of.
-TitE Trier, overvoring; verbanning; verrukking. —edly, ad. in vervoering. —edniss, s. verrukking. —er, a. vervoerder, overbrenger; transporteur. Transpos al (trens-po'eell, s. verplaataing. —e (-pooz'), v. a. verplaatsin, omzetten, --Mon (-zisy on), a. verplaatsing, °matting. —itive a. vane omzetting vatbaar. Transship (trens-sjtp'), v. a. verchepen, overladen. —meat, s. veracheping, overt:Idiot!. Transubstantin te (tren-sub-sten'eji-eet), v. a. in een ander wezen veranderen. —tion(-eu'ajun), a. verandering in eon ander wezen, trauseubatantiatie. Tkansud atton (tress-joe.dee'sjun), a. door. zweeting. —atory (-joe'de-tur-rih), a. doorzweetend. —e (-joed'), v. n. doortwesten. Trans vacation (tress-ve.zee'ejun), a. overgieting. —vection (-vek'njun), ri. over. voer. Transvers a1 (treats-vurs'el), —e, a. —eiy, ad. dwarsloopend, overdwars. —al, transvereaal. Trent (trentl, v. n. rondventen (viach). —er, a. vischventer. Trap (trete), s. val, atrik; hlnderlaag; esker balspel. —door, valdeur, luik. —slick, balstok. v. a. vangen,veretrikken; tooien, opsieren. Trepan (tee-pen'), a. vat, valstrik. --, v. A. vangen, verstrikken. —ner, a. strikkenspanuer; ver. leider. Trapes (creeps), a. along, morsebel. Trapealrara (tre pPti-um),s. trapezium, Trapp er (trep'per), a. strikkenspanner. —lays (-plenge), pl. eereierasien, tool; paardentutg. Trash (treen, a. afval, uitectiot, vodlegoed, bocht; prul; anoelhout. —, v. a. ....lien; ondr. drukken; belemmeren, tegenhouden. —y, a. sleeht, lorotg, onbruikbaar. Traumatic (trap-met'lk), a, & a. wondheelend (mtddel). Travail (trev'il), a. motite, arbeid; barensno0. —, v. a. atmatten; v. n. twoegen, cloven; in barenenood Trave (treev), a. dwarabalk, flood-, hoefatal. Travel, (trev'ti), a. (het) reiten; refs. —, v. a. berelten; v. n. releen. —led (-lid), a. bereled. —ler, a. relziger; beugel von den kluiver, —ling, a. (het) reizen; —bag, reiszak, -Web; —carriage, reiskoete; —charges, —expewses, —fees, pl relekoeten; —clerk, reiabediende; —kitchen, reiskeuken; —map, reieka.art; --trunk, reiskoffer. —s. pl. rel. zen; rehnesehritiving. Traverse (trev'urs), a. & ad. dwars, overkruis. —board, uurbord, koppelkompaa. —horse, ver• pelloop van den bezaansehout. —sailing, kep koers. —table, log-. streektafel. s. dwarehout, -balk, -moor; middelsebot: wederwaardIgheld, hindernit; kunstgreep, aitvlucht. —, v. a. kruiten; doorkrnlaen; dwerebournen; tich verzetten tegen; onderzoaken; v. n. zieh te weer stollen; travorteeren. —r. a. besehuldigd.e, wederlegger. Travesty (ttev'es-1,11), a. getravesteerd. —, a. traveetie, parodie. —, v. a. traveatearen, Tarodleeren. Travis (trev'la), a. Zie Trave. Tray (tree), s. houten bak; kalkbak; bleadje. Treacher ous (trleisrur-ns), a. —ously, ad. ver-
Lie F. LIN 522 drub) a. o. to — peen, to ley violent hands upon. LUspoisd, o. lie-pound. weinio am het — hebben. to be of little (no) conse- LAW, v. list, roll; frame; border, edge. —balk, quence. —arts, physician La ordinary. —band, breast-I, eam.—Itinen,studding- satleknittlee, ropebands. —work, frame-work, fillets, 'Welts. —en, each, girdle. —deuntje, —stultja, Ca% °rite song. ov. w. to frame, to put into a frame. —alpine' bond-slave. —eigenschap, i.ondage. --geLUster, v. thrush. —bee, service. — keg, —strik, reeht, single combat. jonker, page. entire for thrushes. —net, thrush-net. —strati corporal punishment. —blear, Besh-color, incarnate. — knecht, footman, lackey. —knit, LUvig, by. full-hodied, big, corpulent; thick; favorite dish --invader, womb. —oefening, bodily large, bulky, voluminous. —haul, v. bigness, corexercise. —rente, life-rent, aunuity. —rob, priest's pulency; thiekriesi, bulkiness, voluminotieneas. gow ► . —etraffetijk • criminal, vessel.— tocht, um, L:Jewskierts, bw. Rewards. fru,t. —tocatetidr, usufructuary. —lochten, se w Ltinig, bv doltish, dull, b:ockish. . to glue the usufruct. —lockienear, —tochtenerett, Lbk,in. lick. usufruttua•y.—trawant,life-guard.•ueteht,gnard, Likdoorn, Likdooro, m. corn. —inijder, —trekker, corn-cutter. life-guard; ttepaard) horse-guards —wapen, corelet. —.zaak, criminal matter. —ia.vteiijk, criminal. ILIkeur, v. liquor; strong-water. --abehoud,—sbergeng, self-preservation. —silwang. Lila ken, ov. w. to lick, to lap; to sleek; to cheat, to trick. —hout, smoothing-stick. —steen, bodily constraint; arrest. —screen, issue, natural sleek-stove, —kebaard, — kebroer, lick-lip, lickheir,. —sgenade, mercy, pardon, quarter. —agedish; toper, —kebnarden, to lick one's lips. —Icestate, stature, shape. —veneer. danger of life electuary, lambative. —ker, m. —star, v. pot, Lijfeitik, be. —held, v. Lie ILielansexe)tik. licker. —king, v. licking, lapping; sleeking. —held. Ltd, o. jelly, gelatine. —achttg, by. gelatinous,. EliFjo, a. bodice, Jacket; stays. Llij k, o. dead body, corpse ; bolt-rope. —begraving. Lill en, on. w. to shake, to quiver, to chives.. —ebesnen, on. w. to wag (to shake) the legs. burial. —bezorger.. —bidder, undertaker. —bee, —ing, v. shaking, quivering, shivering. urn. —dieht, elegy, dirge. —dienet, obsequies. —draper, bearer et a funeral. —garen, bolt-rope- Linaolan, o. lemon. —bones, lemon-tree. —drank, lemonade. —braid, winter-green. —sap, lemonyarn. —printer, —klacht. funeral moan, — wail. —bleed, —taken, pall, ehroud. —wagen, juice, lemonade. —schlt, lemon-peel. —water, lemonade. hearse. —kosten, funeral expenses. —lucht,—reek, cadaverous smell.. —neald, bolt-rope needle; obe- Linde, v. lime (-tree), linden (-tree). —boat, Halt. —offer, funeral sacrifice, —orening., opening linden-bark. —bled, linden-leaf. —bloesein„linden -blossom. —boom, ale Linde. —nhout, (dissection) of a deed body. —plechtigheden, ob. wood, linden wood.—ractan,alley of linden-trees. sequiee, funeral ceremonies. —plicht, last duty, — —ntoof. linden-leaves. —n, be. linden. office. —predikatie, funeral sermon. —cede, fu1Lininal, v. ruler. neral oretion. --schouwer, coroner. —schotiwing, inspection of a dead body, aetopey. —ghosts., Linty, v. line; equator. —schip, skip of the line. —trJepen, troops or the, line. —stoet, funeral pomp; — procession. —toorta, funeral torch. —trot, leech-rope. —roar, funeral Linieer der, tn. ruler, drawer of lines. —en, ov. w. to rule, to draw lines (on). —Jthriek,rulingfire. —rang, f ineral snag, dirge. —.open, bowmanufactory. —pen, rating-pen. —were, ruling. ltne-cringtee. —aeetig, by. cadaverous. Letkers, ov. w. to level; to leech; on. w. to re- 1Lieets, v. mark, etripe; rent. semble, to be like; to have a li.teeneea t o; to seem, Linker, (in tam ), left. to loot like; to suit, to serve one 'a turn. het Linkerd, m. sly dog, sharp, blade. Links, bw. at (to) the left. —af, —am, bw. to (',17/rt es clef near, notbieg like it. the left. I.Ussa, v. glue; lime. —ketel, glue-kettle. —koker, glue I;oiler . —kokerij, glue-manufactory. —kwaet. Iteltsiartch, be. left-handed; awkward. —held, Y. left-handedness; awkwardness. glue-brash. —7,ot, glue-pan. —roede,—stang, limetwig. —water, pile-water. —acidly, be. gluey. Litman, o & by. linen. —goed, linen. —kande!, linen-trade. —learner, closet for linen. —katelinenglutinous. —achtigheid, v. glueyness, glutinous. neat. --en, uv. w. to glue, to pante; on, V'. to press. —kooper, linen-draper. —meld, laundress —naaien, o. needle-work, seamstress's trade. Whine, to drawl. —er, rr., Bluer; whiner. —erig, —naaiscAool, sewing-school. —naaieter, seam be. ropy. —erigheid, Y. ropiness. —ip, be. gluey, stress. —waver, linen-weaver. —wryer( linenglutinous; whlnieg, drawling. —ing. v. gluing; weaver's trade; linen-manufactory. —wicket, whining,drawlieg. —stir, v. Zie Lijsrver. linen-draper's shop. Elia, v. line; flax. —, o. I ineeed. krone.. curva. Lint, o. ribbon, tape. —fabriek, ribbon-man—bean. rape-yard. —drealen, o. rope-making. ufactory. —tome, ribbon-cord. worker, —waver, —draaier, —stager, rope maker. —koek, linseedribbon-weaver. —teeterij, ribbon-weaver's trade; cake. —meet, linseed-meal. —olio, linseed-oil. —pen, ruling-pen, drawing-pen. —recht, by. & ribbon-manufactory. wankel, ribbon-shop. —worse, tape-worm bw. straight, straightforward; perpendicular (-ly), vertical (-Iy), diametrical (-1y). —woad, linen. Linze, v. lentil. —boon:, tree (shrub) with lenticular fruits, common laburnum. .—nakker, read, linseed. —en, ov. w. to rule, to line. —t), tilfleld. —nmeet, —times, lentil-porn. line; in het — loopen, to be the laughingridge. —nsoep, lentil-broth. —nrormig, lentiform stock. lenticular. m, & v. dolt, dunce, b eohy.
Wean e (wiev") [wove woven], v. a. waver, vie6.,- Welcome (werkuna), a. 1 eikern to bid —, wedtram beaten. you are — to it, het in tot awe ten; (into) sereeurgeu met ; rnengeu its; v. n. dienst. —, a. welkomat, verwelkoming. —, v. woven. —er, e. waver. —ing, a. het weven; —loom, a veswalkomen. —, int. welkom! —ness, a. weefstoel, weefgetouw. (het) walkout zijn. —r, a. verwelkomer. Weasen (wren, a. dun, wager, ingevallen. Web (web"), a. wee:jowl; web; viies op het oog; Weld (weld'), a. wouw (plant). —, v. a, aaneen Ming, ecberp; epanzaeg; tusaehenruimte. —footed, smeden, welters. —er, a. aaneenameder; yachter. lust zwemvliezen. —bed (webd), a. door ern vile* —ing, a. het wellen; —heat, nmendhitte; —seam, eolneernaald. verbonden. — by, a. vliezig, webachtig. —eter, a. Welfare (welleer), a. welvaart. waver. Wed (wed'), v. a. & 11. huwen, trouwen (to, aan. Walked (weikt), a. gerimpeld. with, met). —dad, a. gehuwd; (to) verbendeu, Welkin (werktn). a. luchtgewelt, ultspanse. gehecht eon. —ding, a het hewers; trouwplech Well (well'(, a. wel, bran, put; waterbak; viaehbun„pompzeo; ruimte voor eene trap. —bucket, tigheld; bruilott; —day, trouwdeg; —dinner, bruiputs. —head, ooeaprong eener bron, —hole, loftsmaal; —garment, —gown, bruide-. brunetteruimte voor eene trap. —room, hoosgat. —sinker, kleed; —ring, trouwring; —song. bruiloftalied. welhoorder. —spring, bronwel. —water, bran, Wedge (wedzj'), a. wig, keg, atootkeg; klomp. welwater. —, v. a. ultatorten; v. n. wellen„ op—shaped, —sesta, wigvormig. —, v. a. kloven, spiljten; keggen, vastwiggen; belemmeren; (in) NVell (well'), a. & ad. wel, gezond, welvarend. indriPen, inpereen; (on) vastwiggen. hersteld; goed; behoorlijk, gepaat; gelukkig; Wedlock (wed'lok), a. huwelijk; echtelijke gunetig; voordeelig; op eon' goeden voet; in ataat. gunat, gezien (with, IAD; toerelkend, voldoende; Wednesday (wenedite)„ z. woeuvdag. Weed (wird'), a. onkruid; emceed, kleeding; 4 ta- gaatne; rear. —, —then, nu! welaan.1 as — as, soowel ale. — enough, tamelijk wel, veil goad. Ink. —ashes., pl. weedaseh. —hook, —ing-hook, —lo.do, —to-live, welgenteld, beiniddeld. —near, wiedmea, acnotrel. —, a. A. wteden; uitroeien; zniveren. —er, a. wieder. —118e, a. vrij van on- — nigh, bolna. tars — that ends —, het elude kroont het week. to be — off, er goad aan toe zijn. kruld. —a (wiedx), pl. rouwgewead. —y, a. vol —a day, ate Wellisway. —affected 1-et-fekt-Id ► , onkruld. a. weigezind. —aimed (-estred'), a. goed gemikt. Week (wiek'), a. week. 'day, werkdag. —ly, ft. —beacea (blet'n),a.goed gebaand.—being weke(ijkach; ad. wekelijks. a. weletin. —beloved (-be-luvd'), a. veelgelield. Weal (win), a. vischtuik; draaAolk. —born, a. van ivied, gehoorte, —bred, a. welopVeen (wten), v. n. wanen, eneenen, Weep (wisp;') [wept], v. a. beweenen; bevocliti• gevoed. —conditioned (-kun-dlerund), a. in goeden toest and, on beschadigd. —descended (-de-isend'id), gen; weenen, vergteten; v. n. weenen (at. for. a. van goede atkomst. —deserving, a. verdiensteaver). —er, a. weener. —era (urn), pl. rouwstrooMk. —disposed, a. gunstlg geeternd. —doing, a. ken. —kg, a. —ingly, ad. weenend. —ing-willow, edel haradelend; a. goads 'sverken; welstand. treurwlIg. —dune (-dun'), int. braafl goed zoo! —favored Weerlith (wier'i , j), a slap, flauw; gemelijk. Weet (wlet) [wail, v. a. weten. —lees, a. niet (-fee'vurd), —featured (-fiet'joerd), a. bevellig, schoon. —feel, a. weigevoed. —grounded onbekend met. watend; (-graaund'id), a. welgegrend. —known, R. welbeIA/e'en (wiev'1), a. korenworm. kend. —mannered (-men'nurd), a. welgemanierd. Weft (weft), a. onbeheerd goad; aeahtje; vv eeriel; —meaning (-naien'ieng), a. welmeenend. —meant, inalag. a. welgemeend. --met (.met'), a. Nat van pas; Welsh (wee'), a. waeg (raker gewicht; zekere int. welkorn! —minded (.majnd'id), a. welgezind; mast). —bridge, wipe. weegbrug; weegtoeatel. —house., waag. — master, waagmeeater. —money, oprecht. —natured (-nee'tjoerd), a. goedaardig. —pleasing (-plie'zing), a. welgevallig. —seen, a. waaggeld. —. v. a. wegen; ire eeurnerki ng nemen, overwegen. — anchor, het anker Hasten. (down) zeer ervaren.—shaped (-sheept ),—turned(-turnd'), a. welgemaakt. —spent, a. welbeeteed. —spoken neererukken, overladen; zwaarder wegen clan; (-apo'kn), A. welbeep•aakt. —tasted (-teant'id), overtretten; (out) letj het gewicht verkoopen; overa. amakelijk —timed (-tajuld'), a. to rechter treften. —. v. n. wegen; van gewieht zijn. (down. neergetrokken wordeu; bezwijken. —able, a. tijd gedaan. —traded (•tree'did) at. nerIngrijk, —weighed (-weed'), a. vel overwagen. —wilier weegbaart —goods, stortgeederen. —aye, a. weeg(-wil';ur), a. goedgunetig peraoon, begunetiger. loon. —ed (weed;, a. gewogen; overwogen; erva—wish (-whi)'). a. goedganatigheld, gelukwenech. ren (in). — er, a. wegor; waagmeeeter. —ing, e. —wisher (-win)'nr), s.begunetlger,gelukwenscher. wegingi gewogen hoenelheid; —house, waag; —wrought (-rant'), a. doorwroeht. —machine, weegtoestel. 1114/eight (west'), a gewirht; zwaarte. of full —, Welt (welt'), a. rand, zoom; ornhoordael. —, a. zoomen; ombooeden. —er, v. n. deli wenwichtIg. —ed, a. bezwaerd; beladen. --ily, ad. telen. —y, a. meat; gewtehtig. --ineee (-i-nesR), K. zwaarte; gewlchtIgheld. —lees, a. licht: ntat gewichtig, Kern (wen), e. wen, ultwae. Weird (wierd'), a in tooverkhesten bedreven. Wench (venter), a. deem; lichtekooi; 4 kleurling, negerin. v. rt. hoerenjagen. —er, a. lios. —sisters, schikgodinnen. Welaway (we('e-wee), Int. nth! och he! o je- renjager. Wend !wend) [went], v. n. warden; gaan. rum! wel Wel!
Cryptocurrencies are experiencing a moment of unprecedented attention and speculation for several reasons. 1) The value of Bitcoin has been steadily climbing through 2017, with Ether seemingly poised to overtake the cryptocurrency giant any day; 2) Blockchain technology has purposes above and beyond cryptocurrency, and has been hailed by some as the backbone of the future financial system; 3) The increasing number of people who see cryptocurrency as a form of investment similar to gold. If cryptocurrencies stabilize in value, buying Bitcoin or Ether has the potential to be a worthy venture. 
DIV.— POL. Si Divid able (di-vajd'ibl), a. verdeelbaar. —a, v. a. neeakundige behandeling zijn. —al, a, doctoraal. deelen, Beholden; verdeelen; v. n. uiteengeoln; —ate (-et), a. doctor-graad. —ate (eat), v. a. tot oneenig worden. —edly, ad. afzonderlijh. —er, doctor bevorderen. a. geneeskuudige vrouw. a. verdeeler; deeler; soort van kompas. —era, a. —a, s. valsehe dobbeisteenen.—s' commons (-kona' 'wort van passer. munz), collegie van civilians (rechtageleerden) in Dividend (divq-dend), s. deeltal; winstaan- Louden. —ship, a. leeraarechap, doctoraat. deal, dividend. Doctress (dok'tress), a. Zie Doctoress. Divinat ion (div-i-nee'sjun), s. waarzegging. Doctrin eel (dok'tri-nel), a. —ally, ad. cinder—or (div'i nee-tur), a. waarzegger. —ory, (di. wijzend; leerstellig. —e (-trin), a. leer; leervin e-tur-rih), a. waarzeggend. stelsel. Divine (di- v ajn'), a. —ly, ad. goddelijk. —, s. god- Document (dok'joe ment), a. bewijestuk; do , geleerde, geeatelijke. —, v. a. voorzeggen; v. n. cument. —, v. a. onderrichten; van voorschrifien gleam —r, a. waarzegger. —ress,.. waarzegeter, (documenten) vobrzlen. —al (-ment'el), a. tot eon plying (dajv 'ieng), a. & a. —bell, duikerklok. voorachrift beboorend; in documenten vervat. Divinity (di-vin'it-tih), s. godheid; godgeleerti—ary (-ment'e-rilt), ad. volgena documenten. held. Dodder (dod'dur), s. viltkruid, cuacuta, Divis ibility (di-viz-i-bil'it-tih), —ibleness, (-viz' Dodecagon (do- dek'e-gon), a. twaalfhoek. ibl.), a. deelbaarheid. —We (-ViVibi), R. deel• Dodge (dodzj'), v. a. behendig ontwilken (outbear. —ion (-vizrun), a. verdecling; verdeeldsnappen); v. n. ter zijde springen; draaien, met held; afdeeling. —ive (-vaj'siv), a. verdeelend. list to werk gaan (with). —r, a. draaier, ;wet—or (-vaj'zur), a. deeler. felattr. Divorc e (di-voora'), —ement, s. echtscheiding; Doe (do), a. hinds; vviij fie. —rabbit, wtjtjeskonijn. scheiding. —e, v. a. scheiden. —ee Doer (doe'ur), a. dader, bedrijver, doener. a. geacheiden peraoon. —er, a. echtscheider. Doff (dof), v. a. afdoen; uitdoen; atiiehten; uit—ive, a. echtscheidend, atellen. Divuigation (div-ul-gee'sjun), a. ruchtbaar- Dog (dog'), a. houd; hondster; mannetje; schelm, making. grappenmaker; vuurbok; houvast. to give to the —s, Divul ge (di-vuldzj'), v. a. verbreiden, openbawegsmijten. to go to the —a, telgronde gaan. ran. —ger, a, versprelder. (-vul'sjun), s. —, v. a. naapeuren; § ale een' bond behandewegrukking. --sive (-cureiv), a. wegrukkend. len; v. n. ale een hand zwoegen. —appetite, Wizen (dayzn), v. a. opschikken. hondahonger. —bane, hondsdood. —berry, korDizz insets (diz'zi-ness), a. duizeligheid. —y, a. noelje. hagedoorn. —buffer, hondendief. duizelig; wuft; v. a. duizelig mahen. —cheap, schandekoop. —collar, -halsband. —days, Do (doe) [did. done (don)] v. a. doen, makes, hondsdagen. —fish, haai. fly, hondsvlieg. —fox, verrichteu, volbrengen. —to death, ter dood been- mannetjes-vos. —hearted, hardvochtig. —hole, gee. — a part, eene rol spelen. (away) wegdoen. hondenhol; kot. —keeper, honden-oppaeser. —kenkeukentatijn. (into) venal. in. (off) afdoen. (on) aandoen. nel, hondenhok. (out) uitwisschen, uitdoen. (over) overtrekken; hondendoktor. —louse, hondsluis. —mad, bondsherhalen. (up) opvouwen; Ran kant maken; indol. —muzzle, muilkorf. —rose, hondercos.—'s ear, hondsgras. pakken. —, v. n. handelen; zich bevinden; vol—'a-grass, ezeleoor (in een boek). doende On. how do you —, hoe vaart gil ? I do —sick, ziek ale een bond. —sleep, hazenalaap. not know it, ik weet het niet. I de love her, ik —'s-meat, hondenkost. —star, hondseter.—'s-weed, bemin hoar waarlijk. do but come, koin slechts. biealook. —tooth, oogtand. —triek,gemeenestreek. pray do! eilieve, doe 't toch this won't —, dat —trot, pruikenmakersdrafje. —vane, verklikker. niet. § do tell) och koml is het mogelijkl — (by) —watch, hondeuwacht. —weary, moede als een hande handelen len jegens. (for) toereikend voor. hood. —whistle, dievenfiuitje. —wood, kornoel, (with) aanvangen met. —all, s. albedril. —little, jehout. a. leeglooper. Doge (doodzj), a. doge. Docibillty (doe- i-bil'it-tih), a. leerzrainheid, Dogged (dog'gid), a. —ly, ad. kribbig, norach. leergierigheid; gezeggeltjkheid. —ness, a. gemelijkheid, norachheid. Dori bie (doe'ibl), a. leerzaam; gezeggelijk. Dogger (dog'gur), a. visscherspink. —bleness, (dosil'it-tih), a. leerzaamheid; Doggerel (dorgur-i1), a. ellendig, Bleeht. a. gezeggelijkheid. —le (doa'il), a. leerzaam; gedwee. rumelarij. —rhymes, kreupeiverzen. DocIty (dos'it-tih), s. vlugheid van bevatting. Doggish (dogVisj), a. —ly, ad. hondsch. Docimacy (doag-me-sih), a. kunst om metaal- Dogma (dog'me), e. leerstuk, leerstelling. —tic ens to beproeaen. —Neal, a. —Neatly, ad. (dug inet'ik ),leeretellig; a. Dock (dole). a. dolt; staartriem; wilde roving. meesterachtig. —ticalness ( met —, v. a. in het dok brengen; kappen, ophinden leerstelligheid; meesterachtigbeid. —list, a. on(van paardeustaarten); korten. dry —, droog dok. derwijzer van leersteliingen; die op besliseenden v. n. leeretellingen floating —. drijvend doh. —yard, werf. —age, a. —tize, (-tajz), toon spreekt. —due, dokgeld. —et (dok'it), a. lijtaje van henvoordragen; meesterachtig beslissen. delsartikelen; adrea; uittreksel; lijst van orde; Dolly tdorlih), a. start van wollen stof; servet. v. a. op de naam- of ordelijst plaatsen. Doings (doeleugz), a. ,erriehtingen, bedrijven. Doctor (dok'tur), a. doctor; geneesheer. —, v. a. Dolt (dojt'), a. —kin, s. dolt. tot doctor bevorderen; geneeakundig bebande- Dote (dool'), n. deel; gift; droefheid. —, v. a.uitIan; v. n. de geneeskunde uitoefenen; onder gedeelen. — meadow, gemeenteweide. ful, —some.

beweren. —, v. n. huiehelen; (about) van partij Fabaceous (fe-bee'sjus), a. hoonachlig. veranderen, ornslaan. Fabian (fee'bi en), a, talmend, voorm-htig. Fable (fee'bl), s. fake!; verdiehtsel. —, v. a. & n. Faced (feeed); a. gevormd, van gelaat, bare—, onbewimpeld. bold—, brazen—, onbeachaared. verdiehten; liegen. —r, s, verdiehter; fabelFacet (fes'it), a. ruitje (van een' diamant). sehrijver. Fabric (feh'rik), a. gebouw; fabriek; maaksel; Facetious (fe-st'ajus), a. —ly, ad. hoertig, granpig, sehertsend, geestig. —ness, a. boertigheid, stelsel; kerkelijk fonds. —ate (-bri-keet), v. a. gra p pighei d. bouwen; vervaardigen; verzinnen;s;neden. —ation (-bri-kee'ejun), a. bouw, vervaardiging; uitden Facial (fee'sjel). a. het gelaat betreffend. (fes'il), a. gemakkelijk, buigzaam, insehikking. —ator (bri•kee-tur), a. vervaardiger; fahrikant.

ISED.— BedrInken,' or. w, to fuddle, to make tipcy• rich t. w. to toddle, to get tipsy, — drunk. Bedreastd, bv. & bw. afflicted, said (-1y), sorry (-fly), sorrowful (At ►, pitiful (-ly). het is —, it is a pity. —hid, v. afiliction, sadness, grief, nor. towfulnese, Bedroew en, ov. w. to afflict, to grieve; rich —, to grieve (for), to be grieved (at). —ing, v. grieving, dejecting. Bedrog, o. cheat, deceit, fraud, trick. Bedruppalen, C.V. W. to bedrop. alederAlo, en, ov. w. to drip upon, (met boterj to baste; sick kennen ,to have a competency. —ing, v. dripping; basting. llotirukketa, ov. w. to otiut upon. Bedrukt, by. dejected low-spirited. —Arid, v. lejectednems, dejection. 113f:duellit, by. afraid, apprehensive. —held, v. fear, apprehensiou. ildieduld en, or. w. to moan, to signify, to imply; to explain; to show, to betoken, to porteudi het heeft niets to never mind, it is uu natter. —esti,. v. meaning, significatioo. —ing, v. explication. Beduluael en, or wo to thumb. —lag, v. thurebiug. BeduIvel en, or. W. to confound, to perplex. —ing, v. perplexing. Bedunkese, o. opinion, luting --a, in my opinion, Beduur. tn. b-sharp. —aleutel, b sharp-chff. Bedwang, o. restraint, subjection. Bedwelni d, by. stunned, benumbed. —Wield, giddiness, numbueso. —en, ov. w. to stun, to benumb. -- tog, v. benumbneent, tainting, numbnese. BedwIng Wilier, by. w. restrainable. —en, or. w. to constrain, to restrain, to subdue; to check, to curb. --er, m. —ger, v. constrainer, subduer. Baaedlg d, by. sworn; upon an oath. —en, ov. w. to swear, to put to an oath; to swear to, to confirm by oath. —mg, v. swearing, confirming by oath. Reiernak so. torpedo, cramp-fish. Beek. v. brook, rill, rivulet. —je, o brooklet. Be.id, o. image, figure, statue; type; vision; metaphor; beauty. --vieter„ etatue-founder. —houteen, or. w. to sculpture, to carve. --houwer, Kcal: tor, statuary, —Aonwerie, ecolpture; statuary 'is workshop. —houtalcuttet, sculpture. —hautetverk, sculpture. —rijk, flowery. —roikheid, flowerloose. —echoon, most beautiful. —schrift, hieroglyphics. snijder, carver. —spraak. metaphorical style, figurative lengrage. —eprakig, teetspborical, —stormier, iconoclast. —stornier(i, imagebreaking. —tverk, Imagery. —endienaar, worshipper of idols, iconolater. —endienst, image-worship, iconolatry. —enetorm, image-breakiug, —elUlc, hr. & bw. figurative (-1y). metaphorical ( iy). —en, or. w. to form, to ohape, to fashion —rotor, m. draught, representation. —end, hr. imitative, plastic. —erig, —ig, bye beautiful (-1y), nit*, (-4). —jeskoop. seller of statues. BamItonli i v. image, effigi, portrait. mead, lea, field. skin and Beals, o. bone; leg; shank, eel over bone. gent — tinden in, not to scruple at, op de
farnily-pride.—tteitt.family-discord.—wapea,coat Flisur, v. figure; form, sha e, cut ; pace ; engraving; trope. by. & bw, figurative (-1y), of arms of a family. Fart ze8r, in. pharisee. —sesta, by. pharisaic tropical (-1y). —lijkheld, v. being figurative. FU, tsw. fie! (-al), pharisean. F/jmeiaar, m. ens, Zie Fetnelaer, ens. Fat, pherisean. Fatsnen, o. fashion, workmanship, make, cut, Ftin, be. & bw. fine (-4), refined (-4), nice (•Iy); pure (-1y), genuine (- lyi; thin (-1y), delicate Or, shape; good breeding, limners. grim, — /louden. to smart (-)y1, behave decently; to keep up respectebly. —eerder, exquisite ( - Ii ► ; clone (-1y); sharp subtle (-ly), sly (-11y), artful (-1y); demure (-1y), m„—derster, T. fashioner, mobsiier, -- e eree, py, w. bigoted, devont Op. —beard, —man, hypocrite. to fashion, to model, to form. to mould, to false devotee. —scheerier, shearer. —echilder, shape. by. & bw. fashionable ( bly), repainter, limner. —ward, m. canning file, sly dog; spectable (-bly), genteel (-1y), decant (-1y), behy pocrite.—heid,—igkeid,—fe, v, fineness, refinedcoming (-1y). —Iiikkeid,v. respectability, genteelness, Meaty, purity, genuineness; thinness, delbe,ominguesn, decency ness, good breeding; icacy; exquisiteness; sharpness, smartness; sub—choice, bw. for decency's sake, to rave aptilty, slyness, artfulness; demureness, bigotry. pearances. Faaanit, m. pheasant. —enkaan, cock-pheasant. Flit, v. whitlow. hen-pheasant. —enhok,gheaseni.ry . —en , Flkfak ken, on. w. to fiddle faddle. to trifle. —her, m. —tier, v. trifler. —keril, v. fiddle-(addle. waehter, keeper of pheasants. Elks, bw. cleverly, well, soundly, readily. Foe, v. fatty. Flketcb, by. clever, sound. ready, healthy. clef Feel., v. shrew, vixen, jade. —, indisposed, out of sorts. —held, v. cleverness, Feast, o. feast, festival. —avond, eve (vigil):of a readiness, health. holy-day. —dap, holy-day, saint's-day. —dos, —se:flood, festival habit, holy-day-dress. —lied,—zang, Flionteel, v. philomela. festive song. —moat, festive entertainment, ban- Elloxel, v. fins-silk, grogram. quet. —Wenger, feaster, guest. —vieren. to tele Ell timer ass, ov. w. to filtrate, to filter, to strain. —doek, filtering-cloth, etrainer. kan, decanter; brats a feted. —eierieg, celebratian of a feast. —vreugde, festivity. —elijk, be. Ni bw. festive cutfee-piggin. —machine, flitering-mfichine.—sfeen, filtering-stone, strainer. (-4), splendid (-10, sumptuous (-1y). —clUkheid, v. festivity. —sling, m. &v. person invited, guest. Flnonet ta, (in cam), —korner. court of exchequer; —steleel, system of finances; —wren, finances. Fell. v. tault, mistake, error. —boar, v. fallible. —en, v. inv. minister van minister of the —baarkeid, v. fallibility. —en, on. w. to fall, to fivancee; (in Engeland) chancellor of the exmiss, to mistake, to make a dip —loos, bv. chequer; in Anierika) secretary of the treasury. faultless, blameless. —er, m. financier. Felt, o. fact, matter of foci, deed, achievement. Fine.. der, tn. refiner. —en, ov. w. to refine. Feltel, v. bib, pinafore. Feffelkjk, be. violent, hostile. —. bw. violently, Flool, v. phial. hostilely; really, in fact. —heid, v. violence, Firma, v. firm. hostility. Firniatisssit. o. firmament. Fat, by. & bw. sharp (-1y), violent (-1y), severe Eleknal, no fiscal. (-1y), fierce (-1y), cruel (-1y). —laid, v. tharpnees, Fletei. v. fistnia. —acting, by. fintulous. violence, severity, fierceness. Fialiberea, on. w. to blow softly. Feloiek, v. felucca. Fladderen. on. w. to flutter. to hover. Fennel car, m. —.rater, hypocrits, false bigot. Flakkeren. on. w. Zie Fillkkeren. —arij, v. hypocrisy, bigotry. —en, on. W. to Flambosaw, v. torch, link, flambeau —draper, trifle; to play the hypocrite. 1 ink-roan, torch-bearer. Fenrgriek, o. fenugreek. o. flannel. —len, by. flannel, of flannel. Fenlko, m. phentx. Flank, v. flank, side. in de — relies, to take the Fel., v. aan de — sips, to be given (addicted) to flank of. —acres, ov. w. to flank. —ening, v. drinking. —pen, on. w. to tipple, to tope. —per, flanking. —cur, tn. flanker. in. —ate., v. tipples, toper. Flannels., or. w. to huddle, to botch, to bungle. Flap, m. flap, blow, clap ; lid, tankard. —pea, Ferns, by. resolute, firm, constant. Fernanor, 0. ship wrighre chisel, chipping-chisel. ov. w. Zie UillInppen; on. w. to flap. Festoen, o. festoon. tankard, pewter, mug.—uit, rea. & v. blab, blabber. Farclk :an, on. w. to whisper, to chat. —er, Flarden, ro. my. totters, rags, —seer, v. whisperer, chatterer. Flitter, in, blunder, fault, error. Flelt, m. rogue, rasa al, scoundrel, knave. —enstuk, Ftausv, by. weak (-1y), feeble (-bly), faint (-1y): knavish trick, piece of knavery. —achtig, by. .2 cool (-ly), pole ( ly) insipid ( - 1y), tasteless (-1y); by. roguish 1-lyi, knavish (sly). —aektigheid, v. superficial (-1y). — enfien, to faint away. —Aertip, faint-hearted (•1y), dejected (-1y). timorous Hy). roguishness, knavishness. v. knavery, vilany. —hartigheid,v. faint-heartedness, dejection, timorFlee, bv. & bw. proud (-1y),"hauality (-14), stateoneness. —4eid, v. weakness, faintness; insipidly; bold (-1y). —held, —te, v. pride, haughtiness, ity. —te, v. swoon, fainting fit; faintness. —(jet, dignity; boldness. bw. coolly, slightly. Figuient, m. —e, v. figurant, mate ; super- Flelb, Fielhbe, v. Zie Fin). numerary. Fleeni en, on. w. to iaelX. to fawn. —host, 15

UND•i•UNE. ttannemen; op zieh aliment beproeven; v. n. wa—er, gon, zteh inlaten; borg bitven oodernemer; bezorger an begrarentesen. o.onderneming. Uudertenant (-ten'ent). e. onderpachter. Undertone. a. diepe, zachte (stem. Undertooth, a. ondertand. Undervalu wtlr,n (-vel-joe-ee'sjun), 0. achatsing onder de waarde; geringschatting, verachOng. —e (-vel'joe), e. gertnge Tarts; goringechlating; v. a. onder de waarde sehattets; geringsshatten, verlagen.. U a d ar w nine, a. zachte, geamoorde stem. Underweave (-wtev'), [irr.], v. a. inweven, invlec hten. Underweight, a. onderwicht. Underwood,e. kreupei bosch, halhout. Undorwork, a, bij work, goring work. — (wurr), v. a. eleeht iweintg) werken; goedkooperiwerken ,'.an; ondermjjnen. —man (-vittrk')., N. nelper, btjlooper. Underwrite (-rag') [irr.] v. a. & n. onderteekenen; assureeren. —r, s. onderteekenaar; anonradeur. Undeacri bed (un-de-skrajbd'), a. onbeechreven. —ed (-skrajd"), a. oeontdekt. Undesery ed (un-de-zurvd1, a. —edlv (-zurv-id.), o. onverad. onvardtend. diendheid. —er, a. onwaardlge. —log a. —ingly, ad. onwaardfg (of). Unclean'," ad (nn-de asjadi, a. —e ft (-sajn'td..), ad. onopzettetijk. —edness (-6hjald-), a. onopzettelijkheld. —tag, a. onopzettelijk; oprecht. Undeclr able (un•de-zaPribl), a. niet wensebeIük. —red (-zajrd'), a. onga w.necht. —ing, a. Wet verlangend. Unde epairing (un-de,peerneng), a. ntet wanhopend. —stroyed (-strojd'), a onvernteld. —tected (-tekt'id), a. onontdekt. —termined (-varm'ind), a. onbepaald; onbeettet. —reloped (-vel'upt), a. onontwikkeld. —rioting (-dt'vt-ee-tieng), a. niet afwilkend; standvaatig. —voted (-vo'titt), a. niet toegewijd (to). —rout (-vatit'), a. ongodvruchtip. Undied (un-dajd'), a. ongeverfd. Uadlgeet ed (nn-di-dzjest'id), a. onverduwd; on. verteerd. —idle, a. onverteerbaar. Undignified (un-dig'nt-fajd), a. condor waardtg• hrtd, onedel. Undiligent d zjent), a. tatag, nalatig. Undiluted (un-diAjoe'tic1), a, onverdund. UndluilnIsh able (un-di-min'tsj-lb1), a• ntet to verminderen. —ed (-WO, a. onverminderi. UodInted (un-dint'ld). a. ongeschtnder. 'Undirected (un-dl-rekt'id), a. niet gericht; sonder adres. Undia,ern and (un-die-enrnd'),e.—ed 7 y(-zurnild-), ad. orthemerkt. —ibles a. —ibly, ad. onbespeurbear, ntet to onderscheiden. a. old onderscheidend, kortzic It tie. Undis charged (un-clie-tsjaardzd'), a. ongelost; ntet ontsiagen; onbetaald. —ciplined ( ptind),a.tuehtelooe,ongeoefend.—closed(-kloozd'), R. ongeopend, Wet blootgelegd, niet geopenboard . —coverabie (-kuv'ur-ibl), a. islet to antdekken. —covered (-kuv'nrd), a. onantdekt


STA.—STE. voortduur; stand; friends of an old —, oude vrien- dadiger. —monger, staatkundige tinnegieter. den. —ish, e. schrijfdoos —room, pronkkamer; kajuit. —, v. a. vaststel.Stang (gteng!, stang, staaf, boon; ratetroede. len, bepalen; opgeven, vermelden, —d, a. dly, Stank (,:teat k), s. last , dijk• ad. vastgasteld, bepaald; geregeld; opgegeven. St auras icy (sten'ne•rihl, 8. tininij n. grootheid; deftighal, sta• — liness (•Ii•ness), Stanza tisten'zel, 8. couplet, vere. tigheid; luister; trotscbheid. —ty, a. & ad. defStaple (stee'pl), A, bepitald, vaatgesteld, taco, tig, etatig; prachtig; trotsch. — rent, naamst. —,a.stapel; stapelplaats, -artikel; kram. s. °poet, stsat; berieba, veralag. — commodities, — goods, etapelaetikelen. — right, States (steets'), 5. pl. staten; adel, aanzlerilijken. stapeirecht. tons, van hasten hennep. — general, steten•gacieraal. — man, etailtsrnan. town, stapelpiaats. — trade, stapelkandel. — r, — manship, v, staatsleleid. s. handelsitr, koopman. Stwagc snde.'ikl, — al, a. week-, gewiehts, —a, 8. ck,(itet Star (staar'(, s. stele; gesternte; sterretje, flying — .shooting ---, versc,10,tende ster. — of Bethlehem, Station tsteti'sjun), B. stand; plants; stilstand; --flower, sterrebloem, aster, halt' blind. standplaats; post; ambt; rang: pleisterplaats; chamber, sterrekanter voormalig gerechtshof). station. — keeper, — master, stavionehef. —, v. a. — crossed, ocgolugl:i:;. —fish , zeester, — fort, star- plaatsert, stellen. — al, a. vitn erne standplaats react ors. — gazer, sterrenkijaer. —gaztng, stem- ',en' post. — ary, a stilstaand, vast, btijvend.—er, rerikk)ketij. — hawk, sterrevaik, --light, ,terres• s. boekverkooper; verkooper van schrijfbehoefbefit, a. door aterreu verlicht. —7nonger,eterren- ten. — era, scbrijfilehoefcan. vOcheiaar. —paved, -spangled, met starlets be- Statistic (ate-tis'tik), —at, a. statistiek. —ian zmaid . — read, , terrerikundig. —shoot,ster,schot. stet is - tiaren), 0. kenner der statistiek. —a, s., - slinitsel. — stonemterreste , 11. — icert,sterrenkruid. statistiek. Starboard (staaeboorit, t. stuurhoord. Stetuary (stet'joe•e-rib), s. beeldbouwkunst;
WA R.— WAT. Warfare (waorleer), a. kregsdienst; (bet) oartog 'moron; krijr. —, v. n. oorlog voeren. Wart ly (wee'ril-1111), ad. Zia Wary. —neat (-el-nets), s. voorzlchtighetd, behoedzaamheld. War tato (waor'lejk), a, oorlogzuchtig, krijgahattlg; militatr. —lock s. (-Pak), toovenear, heksenmeeeter. Warm (waorm'), —ly, ad. warm; ijrerig, vurig; welgeeteld. —hearted, hartelijk. —heartednest, a. hartelijkhaid. v. a. verwarmen; warm,Tanaken; v. n. warm worden. beddepen. —ing-stone, warmsteen. —nest, —th, a. warmte; ijver, geestdrtit. Warn (waorn'). v. a. waersehuwen (against of); vermanen; dagvaarden; (away) opzeggen; (of) hertnneren tan; eon' wank (tennis) geven van; Off) afhouden. —er, a. waersehower; vermaner. —nig, a waarechuwing; vermening; kennisge/Mug ; optegging Warp (waorp), a. echering, letting; werpiouw, trot. — of shrouds, lengte van het voorete hoedtouw. —, v. a. sennentrekken, Into krirapen; scheren; down aiwi-jken, aferengen; vocation, werpen (ap) v. n. (tram) trekken, Kampen; de aehering maken; afwij•cen; weifeien, wankelen; ronddrealen. Warrant ( wor'rent), a. volmncht; machtiging; bevel tot gevangenueming; bevoegdheld; waarborg; verzekering; getulgenia. —, v. a. machtigen; wearlawmen, inntaan vane; erliwaren; bevestigen, verzekeren. --able, a. to verdedigen; wettig, geoorload. —ableness,,e. verdediebaarbeid;reehtmatteheld. —ably, aa. eens wettige (verdedigeare wijze. —ed, a. gewserborg4, edit —ee (-W), a, gawaarborgde. —er, a volmachtgever; borg. —or ( or') s. waarborggever; borg. —y, a. waarborg; zekerheid; volmaeht.

SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den

Kunt u verkoopt cryptogeld op Robinhood


Buz tos, v. miatress; virago, vixen. Mauls., v. trombone; trumpet; sack-but.-L-6/axer, trombone-player, trumpeter. -gesehal,sound of trumpets. -en. or. rr. to trumpet; on. w. to pl ay on the trombone, to stoned the trumpet. Ilenardeo, ov. w. tG cover with earth. Bendenaen, ov. w. to breathe upon. lleasssbte, m. functionary, officer. ileains on, or. w. to assent to, to approve of. -tag. v. assent (to), opproval (of). Eitentoget,lov. uneasy (about), afraid (for), unquiet. -laid, v. uueasiness fear, dread. -igen, ov. w. to make uneasy, to frighten. 11Zettni woe.rsi en, ov. w. to answer, to reply to. — lag, g. ana vrering; sue w er, reply. Basks bald on, ov w. to work at; to compose; to el+borate; to cultivate, to till. — er, m. author, composer. -ing, v. working (at), manipuietion; composition; cultivation. 'Rebind en, ay. w. to tie about, to bind with. • Beali,ed, by. bloody, gory. - en, °v. w. to etain w nth blood, to ensanguine. 11*bloorrren, ov. w. to cover to adorn) with flowers. lieboet bear, be. finable. ov. w. to fine, to mulct. -ing, v. Infliction of a tine. liebolaverkon, ov. W. to fortify (to enclose) h bulw,rks. with lieboussi bear, be. arable. -en, so. w. to build upon; to cutivate, to till. -ing, v. covering with buildin2s; cultivation. o. bed; marriage; layer, stratum; channel. naar -, to bed, to -, a-red. -van eer, field of honor. -genoot, m. & v. bed fellow. -genii*, bed.curtain. -lege7ig, bed-ridden -legerigbeid, state or being bed-ridden. -roede, curtain-rod. sermoen,cartale-lecture.-ziede,bedereAd.-efroo, bed-straw. -dedeken coy • rlet bienket, quilt. — degoed, bedding, bil - liurn. - 2dejak, night - rail, night - gown. -deksassn. pillow. -dekteast. bed , or d, suspensory. -delaken, sheet. - depas,, arming-pan. --dgplank, slider, shelf (in a bedstead). -decprei, quilt. -detafe!, Meld-stand. -AGA, bed-tick, *let. -dezak, cover. pillow • case. -dentmoper, upholsterer. -denmaker -de*• inaakster, upholsterer; bed-vaaker. -Jenwinket upholsterer's shop.

Waar kan ik Bitcoins in India


stralend. Glean (glien'), s. (bet) naarstig bijeengelezene. —, v. a. & n. salmon; bijeenzamelen. —er, s., nalezer; bijeenzamelaar. —ing, a. nalezing, nao t (dish e (glieb'), s. grondstuk, grasland, aardklomp. —e, —e-land, pastorieland. --ous, —y, a. aardachtig. Glesie (glied ► , s. hoendergier. Glee (ghee), s, vroolijkheid; lied. —fat, —soce, a. vroolijk, jolig. (gliek), a. muziek; speelman; spot; zeker kaartspel. —, v. n. spotten, gekscheten. ti;ieen (glien). v- n. gloeien, glinsteren. Gleet (gliet'), a. dunne etter, —, v. n. etteren; droppelen. —y, a. druipend; etterig. Glen (glen), a. dal, bergpas. Glens. (glien), a, ongappel. Glib (glib'), a. —ly, ad. glad, glibberig; rel. —, a. groote haarbos over de oogen hangend). v. a. glad (rad) maker,, lubber, —news, a. glibberigheid. Glide (glajd), s. glijdina; verloop. —, v. n. den, sluipen. — r, s. glijd.er ; strik. Glimmer (glim'inur), H. scbemerlicht, glimmer (delfstof). —. v. n. schemeren. —iny, a. schemering, schijn. Glimpse (glimps), s. straal, kort schijnsel; vluchtig gezicht; teeken; zweem. —, v. n. 'etch even vertoonen. Glist (glist), s. moscovisch glas, mica. Glisten (glis'sn), v. n. fonkelen (with). v. n. GPlster (glit'tur), s. glinstering, glans. glinsteren, fonkelen (with). Ginter (glit'tur), s. glans, luistcr; klatergoud. —, v. n. blinker, glinsteren. Gloar (gloor), v. n. gluren, seheel zien. Gloat (gloot), v. n. met groote oogen stares!

Orpine (or'pin), s. rozenworte1. Orrach of Orach (orik), s. melde. Orrery (or're-rih), s. planetarium. Ores (or'ris), s. zwaardlelie; goudgalon. Orb (ort), a. lie Orts. Orthodox (or'tho-doks), a. —ly, ad. rechtzinnig. —y, s. rechtzinnigheid, Orthodrom lea (or-tho-drom'iks), p1. kunst van rechtuit zeilen. —y (or'tho•drom-ih), s. rechte koers, het reohtuit zeilen. Qrthoep 1st (or'tho-e-pist) s. uitspraakkundige. —y, s. uitspraakleer. Orthogon (or'tho-gan), B. rechthoek. —a/ (-thog'un-nel), a. reehthoekig. Orthograph er (or-tkog're-fur), s. spelkunste n naar. —ic, —ical, a. —ically, ad. (-tho-grerik-), spelling-, volgens de s elregels; van de loodrechte doorsnede. —y, s. spelling; spelkunst; loodreehte doorsnede. Orthology (or-thol'ud-zjih), s. juiste beschrijving. Orthopedy (or-thop'e-dih),..kunst om lichaams• gebreken te genezen. Ortive (orttiv), a. opgaand, oostelijk. Ortolan (or'to-len), s. ortolaan. Orts (ortz), pl. afeal, overschot, brokken. Orval (or'vel), a. scharlei. OrvIetan (or•vi-i'ten), s. tegengif. Orycto grophy (o-rik-tog're-tih), s. beschrijving der delfstoffen, — der versteeningen. —logy (-tol'ud-zjih), s. leer der delfstoffen, — der versteeniugen. Oscilla te (os'ail-leet), v. n. slingeren. —tion ( lee'sjun), a. slingering. —tory (-1e-tur•rih, le-Mr-rib), a slingerend. Oscit ancy (os'si-ten-sih), —ation tee'sjun), a. geeuwing: slaperigheid, loomheid. —ant, a. geeuwend; elaapoironken; loom. a. waterwilg. Oiler (o'zjur), a. teenen. Osmund (oz'inund), s. watervaren. Osprey (oa'pree), a. zee-, vischarend. Ogre eons (os'si-us), a. beenig, beenaehtig. Os.,1 cle (os'eiki), s.beentje. —fic (-sink), a. beenvermend, -wordend. —fication (-sit-i-kee'sjun), s. beenwording, verharding. —frage (-si-freedzj), a. Zie Osprey. fy (-sf-faj), v. a. in been ver• anderen; v. n. tot been worden. —voroue (-siv'o• rue), a beenderen etend. Ossuary (osyjoe•e-rih), a. knekelhuis. Osten' lble (os-ten'eibl), a. —ibly, ad. vertoonbear; schijnbarr; klaarblijkelijk. —lee, a. vertoonend; pronkend, pralend. Ostent (os-tent'), e. schtjn, voorkomen; voortee ken. —ation (-tee'sjun), s. vertoonmaking, pron • keit. praalvertooning. —atious, a. —atieusly, ad. (,tee'ejus.), pronkziek, pralend. —ative (-e-tiv), a. Zie Ostentatious. Osteo collo (os-ti-o kol' le), s.beenderlijm.—cope (osni-o-koop), a. pijn in de beenderen. —logist (-ol'ud-zjist), a. beenderkenner. —logy (-01 ad OHO, s. beenderleer, -beschrijving. s. mond (eener rivierj. Ontlary Ostier (os'lur), s. etalknecht,• huiskneeht. —y, s. herberg; pleisterplaats; stalling. Ogtra clam (os'tre -ohm), a. achervengerieht, verbanning —cite (-sajt), s. verateende oestersehelp.
1)09 437 run on. to wafk faster. —en, bv. streaked with Doo•roelen, ov. w. to row through; on. w. to fat. —end, hr. & bw. uninterrupted (-1y), con- tow through, to row on, — fast. tinnous I. ly); current. Doorrooten, or. w, to stir, •- about, — up. Doorlouterem, or. w. to purify (to refine) Doorrossten, on. w.to rust through. thoroughly. Donrrollien, ov. w. to roll through; on..w. to Doorluebtk, by. airy; pierced, broten; trans• roll through; to continue rolling, to roll on. er parent; illustrious, august; most serene. —, to get off, to get through. v. airiness ; transparency; illustriousness, col- Doorrooken, or. w. to stooks thoroughly, to nence; (serene) highness, serenity. fumigate, to perfume; to blacken (ease KT). Doormager, hr. very lean, skinny. Doorrukken, or. w. to snatch through; to Door grasirche.ren, on. w. to march through: wound (to break) by snatching; Gni w. to march — on. —osarech, ra. marching through, march, th• °ugh. 'resew. Dourecbemereta, on w. to shine through. tat Doormengen, or. w. to intermix, to mingle. —, to give to understand. Doortnesten, ov. w. to fatten (to dune) thor• Dooreetteuren, or. w. to rend, to tear asunder. oughly. Doorecbteten, ov. w. to shoot, — through; to Doorosositen, on. w. to be obliged to pass shuttle, to cut (koorien); to interleave; on. w. to through. shoot through; to slip through. Doormogen, on. Iv. to be permitted to pass DoorsehUnen, on. w. to shine through. —d, through. transparent, diaphanous,—dheid,v. transparency, Doorn, m. thorn. brier, prickle. —appel, thorn- diaphaneity. apple. —boons, thorn-tree, coral , tree. —bosch, Doornehrap pen, or. w. to scratch through; to :horn-bush, bramble-bush, brake, brier. —haag, scratch —, to dash out, to erase, —beg, thorn-hedge, quick hedge. —strmik,thorn. DoorsehrUven, on. w. to continua writing, to bush, brake, brier. —enkroon, crown of thorns. write on. hr. thorny. Doorsebuddrn, or. w. to shake through; to Doors/mien, or. w. to wound by awing; to joggle, to stir; to shuffle. quilt; on. w. to continue sewing; to sew fast. Doorschniven, or.w, topush(to shove through. Doornagelen, or. w. to pierce with nails.; Doorsehuren, or. w. to scour to rub) through; Doormat, by. wet through, —ten, or. w. to wet t3 gall to chafe) with scouring. l horough'v.Doomehutten, on. w. to parr through a hluice. Doorneurett, or. w. to take throLgh; to chide, DoorsUpelea, on. w. to trickle through, to to rebuke; on. w. to continue taking. ooze. Doorm en, be. of thorns ; —ig, by. thorny, Doorniaan, or. w. to beat (to knock) through; briery. — down, to open (een mouth to beat asunder; to DoornUptn, ov. w. to pinch through. strike home (een hal); to squander, to dissipate; Doorpripperi, ov. w. to open by cataplanms or 02. W. to continue beating: to begin to gallop; poultices; on. w. to continue poulticing to wet through; to sink, to blot (van papier); to Doorpetaxen, or. w. to pass (the night) medi- pierce (ran ink* to give (tan efts *tour); to turn, tating; on. w. to continue meditating (on). to bear down (ran eerie school); to rinse (Oases); Doorpersen, or. w. to press through; to Rress to talk without ceasing,. to declaim. siels to places; on. w. to continue pressing. to fight (to force) one 'a way, to break through; to finish out of hand. —d, be. palpableovident. Doorpraten, on. w. to continue talking. Doorallag, m. punch, puncheon; drainer; colanDourprtemem, or, w. to pierce with a bodkin. der, strainer; make-weight, overweight. Dourprikkerr„ ev. w. to prick thvou•sh; —open. Doorelapana, ov. w. to pass sleeping; on. w. to Doorraken, on. w, to get through. sleep ou, to 'sleep through. Doorredden, or. w. to help out, to extricate. Dooraleepen, or. w. to drag through; to help Doorrogen, by. interlaced; streaked. Doorregenen, on. w. to rain through, to be through, — out. soaked through by the rain; onp. w. to rain on. Doortitenteren,on.w. to saunter about. Doorrtiken, ov. w. to reach through, — out O. Dooretepsin, by. causing, artful, crafty. —held, Door rein, V. passage, progress. —relax, or. w. v. cunning, artfulness, craftiness. to travel through, — all over; on, w. to continue Doorsill,' pan, or. w. to grind (to whet) thronh. DoorslUten, or. & on. w. to wear out, — off. travelling. Doorrekenen, or. w. to reckon all over; to Dooreilikkete, or. w. to swallow (down). D cornball pen, on. w. to steal (to sneak) through. examine. Doorrennen, ov. w. to gallop through; to gallop DoorectiUten, or. w. Zie Doorgoottn. Doorsmede„ v. diameter, profile, section, interall over; on. w. to gallop faster. Doorrljtien, ov. w. to ride to drive) through; section. — all over; to wear off (to gall) with riding; on Doorcneetraven, onp. w. to snow through; to vv. to continue riding, — driving; to ride (to continue snowing. Dooranollen,on.w. to hasten (to hurry) through. drive) on, — with speed. Doornfigen, or. w. to stab, to pierce, to run DoorsitUdoss, ov. w. to cut through, — into pieces; to intersect. het et.rsaii —, to split the through. difference. DoorrUp, bv. thoroughly ripe. Doorsuutirel en, ov. w. to pry into, to search DoorrUten, ov.w. Zie Doorsebeurem. 

Phoenix (fl'rithe), toy. Phenix. Phrigan (fria'aji-e), g. Phrygte, a. Phrijgiach; 1. Phrygler. Plcnsrdly (pileer.dih), g. Picardie. Piedmont (pied'munt), g. Piemont. —ese (-iez), 1. Premontces. Pilate (paj'let), in. hiatus. Pindar (pin'dur), m. Pindarus. Plantagenet (lien-ted'sje-nit), or. Piantagenat. Plato (plee'ta). m. Plato. Plelad es (plie'e-diez), —a (pli'edz), my. the —, de Pleiades. Pliny (plin'th). Plutarch (pljoetaark), m. Plutarchus. Plymouth (plim'uth), g. Plymouth. Poland (pn'lenclt. g. Poles, —er, 1. Foal, Polak. Pol e (pool), 1. Pool, Polak. —ish, a. Poolsch. Poll (poll?), —y, f. sour Mary; Mietle, Mie. Poly bins (po lib'i-us), tn. Polybius. —carp (pol'i-kaaro), m. Polycarpos. --hymnia (1.1 g. P olymy. Polyhymnia. —nesia nettle. Punreraaafe (oom-e-ree'nl-e), g. Pommeren. —n, a. Pommersch: 1. Pommer. Pomona (po-mo'ne), my. Pomona. Pomp ell (pum•pi'l-aj), g. Pompey m. Pompejua. Pontefract (porefret), g. Pontefract. Pope (poop), ra. Popo. Pontamemomath (poortemuth), g. Portsmouth. Portug al (poortioe-gel) g. Portugal. —um, (-IOW, a. Portugeesch; 1. Portugece, (de; Portugeezen. Potomac (po-to'mek), g. Potomtio. Prague (PraeK), K. Prang. Praxiteiea. Praxiteles (peeks-it'il-lez), Presect (pree'kut), m. Prescot. Peg area (prayera), m. Primus. —or (or), tn. Prior. Prometheus (prom-PtTes), my. Prometheus. Proserpine (pros'nr-pa a), my. Proserpius. Puoteus (pro'tjoes), m. roteue. Pruasia (prusri-e). g. Praisen. —n, a. Pruisisch. 1. Pruitt. Psyche (sarki), Psyche. Ptolemy (tors-mib), no. Ptolemeus. Puglia (pjoella), Pusey (pjoe'zih), in. Piracy. Pylades (pll'e diet), n.. Pilades. Pyren elan (pir-e-nl'en). a. Pyreneesch. —Ho (piee-niez), g. the —, de Pyrenees'. Pythagoras (pi-theg'ur-ea), m. Pythagoras. Pythia (pith'i-e), my. Pythia. Python (parthun), my. Python.

BIJ Y.—BIN. with; to occur (to), to come into one 's mind. —lathes, o. my. by profits, perquisites, rails. 1lUvoeg en, ov. w. to add, to join, to subjoin, to annex. —end, by. adding, annexing; subjunctive, conjunctive. —ing , v. addition. ha. additional, conjunctive; — naamwoord,a , Ijective —eel, o, annex, supplement, appendix. H&lVoet, m. mug-wort. BUwegen, m. by-coach, extra-coach. BUweg, m. by-road, by-path. BUwerk.o. by-work, by-job; orr t. Bliworpen, or. w. to throw to, to odd. HU wenen, o prevents. HU vs, kjf, o concubine. —*chap, o. concubinage. 1113w1J1en, bw. Fometinite, now end then. Illiwon en, ov. w. to cohabit (to lie) with; to be present at, to assist at, to attend. —ee. m. neighbor.. inmate; stander-by, person present. --tag, v, cohabitation; presence. & bw. adIlkiwoord, o. adverb. verbial (-1y). 111,1znak v. by -matter, secondary thing, incident. BUzet, m. stake. —geld, stake. —ten, ov. w. to place (to put) near; to stake; to inter, to _en(tile zetten tomb; to heave out, to unfurl fern —, to clap on all the vale, to enOrrd Pell; to do one's utmost, to leave no stone unturned. Illanlend, by. mope-eyed, purblind. —held, v. myopy, nurblindnees. BUzUn, o. presence. 11,J.Itt, v. concubine, mistress. —ten. on. w, to sit near, — next to. —ter, m. ,weever. —tersehap, o. aasessorship. BUzon, v. mock-sun, parheli on. BUzunder, by. & bw. separate (-1y); particular (-1y), peculiar (-1y). special (-iv); private (-(y); singular (-Iy), eminent (-1y). la het —, particularly, especially; privately. —held, v. parti. cularity. Bikkel, m. cockal, hnekle-bone. —en, on. w. to play at cockals, — at buckle bones. —spa, game at huckle-bones. Ink ken, ov. w. to pick; to eat. —homer, pick. —*teen, brick-dust, grit. nil, v. buttock; ramp. —naad, perineum. —naadsleek, puncture. —stub, round of beet. —len, v. my. buttocks, bum; door de — lappen, to spend wantonly, to squander. 1311Jert, o. eene portij —, a game of billiards. —6a,t, billiard-ball. -longer, marker. —*pet, billiard.. —stok, stiet, cue. —cab, hazard. —en, on. w. to ploy at billiards. 11111Jet, o. bill, billet, note, handbill, ticket; billet for quarter. BI1Joen,o. base coin. B11 len, ov. w. to notch, to sharpen. —homer, —fixer, pick. by. & bw, equitable (-bly), just (-Iy); reasonable (-bly). —en, ov. w. to approve, to justify. —erte4ee, bw. Zie 1131111Jk. v equity; reasonableness. —he'debatre, bw. for equity's sake. —ing, v. approbation. 111111oen,o. billion. 1111zenUruld, 0. hen-bane. Bind en, ov. w, to hind, to tie. —garen, —tome,

Waar kan ik ruilen Bitcoins voor contant geld


DOW.—BRE. neerslachtig; ter neder geslagen. --, v. a. nedervellen; vernederen. —, ad. & prp. beneden, omlaag, near beneden; af; neder; afgeloopen. —, int. (with) weg met..1 up and —, op en neer upside —, het onderate hoven. to bear afhouden. to lie —, gaan liggen. to pay —, kontant betalen. to set —, neerschrijven. --the stream, met den stroom mede. to go — the wir.d. terutt gaan. § to be — upon, gretig aangrijpen. sam. —east, neerslachtig. —fall, nederatorting; ondergang. —fallen, a. vervallen. —haul, neerhaler, —hearted, moedelooa. a. 'telling; a. hellend. —looked, —looking, neerslachtig, bedrukt. —lying, s. kraambed; rasttijd; a. in de lcraam. —right, a. oprecht, rondborstig; bepaald; rechtstreeksch; ad. lijnrecht; geheel en al; conduit. nederzating; rusttijd. —sleepy. zeer steal. —trodden, vertrapt. —ward (-wurd), a. hellend; neerslachtig. —ward, —wards, ad. nederwaarts. —y, a. donsachtig; zecht. Dowse (dauwe), s. slag; mutlpeer. —, v. a. ore de ooren mlaan. 'Lie Donee. Doxology (duke-ol'ud-dzjih), a. port lofgezang. Dozy (doks'ih), a. bljzit, hoer. Doze (dooz), a. eluimering, dutje. v. a. alaperig maken; verdooven; v. n. dutteu, dommelen; slaapdronken zijn. Dozen (duezn), a. dozijn. Dos Incas (doizi-neas), a. slaperigheid.' —y, a. slaperig. Drab (drab), a. dof bruin. —, e. abet , lichtekooi; grof dof bruin taken. Drachna (deem), a. drachma. Drachma (drek me'), Me ► Drachm. Drano (dree'ko) a. drank (sterrenbeeld). Draft' (draar), a. draf; droesem, uitschot. —tub, spoelingkuip. —ink, —y, a. drabbig; waardeloos. Draft (draaft' , . s. trek; detachement; schetateekentrig; tratte. —'s-man, teekenaar. —, v. a. schetsen; detacheeren. Drag (dreg'), a. dregnet, sleepnet; dreg; alede. —. v. a. It n. langs den grond aleepen. —net, sleepnet. Draggle (dreg41), v. A. & n. door den madder sleepen. —tail, morsebel. ero men), s. tolk. Dragoman (dr Dragon (dreg'un), a. drank. —beam, schoor. —jiy, waterjuffer (vlieg).—'s-blood, dr akenbl oed. —s-tail, drakenstaart. —tree, drakenboom. —wart, drakenkruid. —et, s. draakje. —ish, a. draakachtig, —like, a. woedend, wont. Dragoon (dre-goen'). s. dragonder. v. a. aande woede der soldaten prija geven. —axle (dregoen eed'), a. dwang door krijgslteden; dragonade (neder Lodewi,jk XIV). Drain (dreeni), a. verlaat, afwatering; greppel, slow; riool. —, v. a. droogleggen; v. n. afwateren. —able, a. drooggelegd kunnende warden. —age, —ing, a. drooglegging. Drake (dreek), a. waard (mannetjes-eend). v, Drama (deem), a. drachme; ziertje; borrel. n. borrelen; slokjes drinken. Drama (dree'me, drem'e(, a. tooneelatuk. —tic, —tical, a. —tically, ad. (dre-met'ik), tooneelmatig; dramatisch. —list (drern'e-), a. drama- , sehrilver, tooneeldlahter. —tine (drem'e-tajz), v. a. your het tooneel bewerken. R.
composing•stick; clasp; rent; square. hates rn oogen, hooks and eyes; quarrels, broils. in den —, right, niet in den —, not right. not as it should be. in den — brengen, to square; to arrange. —beentje, —nook', —pen, crotchet. —bus, arquebume. —boekje, crotchet- n orb-hook. —v.rmig. hooked, crooked. --werk, crotchet-work ; tambor- •it. —swijze, hooked, crooked, —aehtig • siellaskvounnig. Drinks, losn. linakecb, be. squared,with hooks, — crooks. Matti, m. draught, pull; dash, stroke. —, v. pothook. —b er, beer bought, by:retail. —boom, beam of a pot-hook. —ban, pot to fetch beer In. —kettiny, pot-chain. —over, fresh-water-n[1,a% —tvint, wine bought by retail. Henna, o. hams, harness. Banta, re. cock; weather-cock; lighted match. den gebreden epelen, to lord it. — mart leonine kraaien, he is a cock-a-hoop. den rooden laten kraaien, to sat on fire. to set fire to, daar geen noar kraaien. it will pass unobserved. —knuppelen„ cock-throwing. —tje., o, young cock; bold fellow. Haander, m. fruit-basket. Haar, TIM. her; them; their. Haar, o. hair. geen —, not a bit, not a pin. — breed, a hair's breadth. op een —, to a hair. elkander in bet — titter', to felt together by the ears. nut de handen in bet — silica, to be greatly at a loss. — op de tand.en hebben„ to have blood in one 'a veins. met de Karen er b(j steepen, to force in, to drag in by the head aid shoulders. —band, —snoer, -lace —tiles, look of hair, fore-lock. —borstal, —Rehaier, hair-brush. — boa, tuft of hair. —tuieje, hair-tube, capillary (tube). —dock, hair-cloth. tolting-cloth.--fijn, by. as fine as a hair; subtle. — fijn —klein, bw, to a hair, minutely.in detail. —aieufeter,—klooter. caviller, quibbler. —/r/ooven., to cavil, to quibble. —klooverij, cavil, cavilling, quibbling. —knipper,—entider hair - cotter.— fok,i ock.—nactld, —epeld, hair-pin, bodkin. —set, hair-net. —pluis, flue, nap. —poeier, hair-powder. (pair of) hair-scissors. —coaliden, co. hair•cutting. —stir, hairy cornet. —tang, —trekker, (pair of) tweezers. tcoisel, hair-dress. —vlecht, plait (braid) of hair. —werk, ornamental hair, hair-plait. —werker, worker In hair. —worn, hairworm, ring-worm. —toortel, root of the heir; fibre. —oak. hair bag.— zeefhair-sieve.—acktf g,bv.hatry. m. hearth, flre-plAce, grate, abyss; fireside. ripen — is goad waard, home is tome, be it ever so homely. —each. ashes. —geld, chimneymoney, fumage. -- goden, ate Buts at rdetr. --(jeer, grate, lire-dog, fender. —plaat, iron plate of a hearth, hob. —set op. fire-shovel. —.We, hearth, tire-place. —tang, (pair of) fire-tongs. —vuur, chimney-fire. lissom loon, by. hairless, bald. —looskeid, v. baldness. —tje, o. small hair, fibre. slams, m. hare; inside of a eurioin of beet, chine, fillet. —je, o. leveret; —over spelen, to pay at leap-frog. bw. soon, shorty; nearly, almost, —, v. baste, speed, horsy. — hebten, to be in a hurry.
Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.
smettelijk. joe-us-), s. helderheid, duidelijkheid, klaarheid. Pestillen ce (peeti-lens), a. pestziekte, pest. —t, —ou, a, —ously, ad. espik'joe-1,heider, duidelijk, —tial (-len'sjel), a. pestaardig; verpestend, beklaar. (pur-spajeibl), a. uitwasembaar; smettelijk, boonaardig, verderfelijk. Pernbir able a. uitwa- Peatillation (pee-til-lee'sjun), a. lijnstamping, (-e uitwasemend. Pestle (pes'elr, a. vijzelstamper. sembaarheld. —anion (-spi-ree i ejun;, a. uttwatte- Pet (pee). a. gemelijkheid, kwade hula-, —utory ( e-tur-rih), a. de ming. — afire lieveling, troetelkind. —, v. a. vertroele pp uitwaseming bevorderend. —e, v. a. & n. nit- t. lam; elen wasetnen; zweeten. a. verbanning (pet'el), a. bloemblad. Persian dable (per-swee'dibl), a. overreedbaar. Petal (in het oude Syracuse). —aus, a. hiaderig. (to); —de (sweed'), v. a. overredea, overhalen (-at- petard (pe-taard'), a. springbus. overtuigen (of I. —der, a. overreder. —aibility breedgerande hoed; Marc a. (pet'e-sue), petasits bil'it-tih), s. overreedbaarheid; lichtgeloovigheid. eius-hoed; (boort van) koepel. (-sibl),a.overreedbaar;lichtgeloovig.—sion —fever, slakLeitte;s.overreding;overtutging.—streaa.—szte y, Petechial (pe-tVki-e1), a. gevlekt. koorts. ed. (-siv-), —sory, a. overredend; overtulgeimPeter (pi tar), a. Petru Pieter; mantelzak. --boat, —sivenees 1-siv-}, s. overredingskracht gevat; visscher8boot. —man, visacher op den Teems. Pert (purl', a. —4, , ad. wakker, levendik, Wij! ,- —pence, St. Pieterspenning. —wort, peterkruid. neuswijs; vrijpostig, onbeschaamd. a. Peti, air (pet'i-o-ler), a. van den bladateel. —ate Petrol urns; onbeschaam (-let), a nit den bladateel groeiend. —e (-oo1), v. n. behooren, aangoan. Pertain (pur-teeu"), ad. e. bladateel. Pertlnaci sans (pur-ti-nee'sjus), a. —.sly, (pet'ih), a. klein, Bering, halastarrig, hardnekkig. —ousness, a. — ty (-nes' Petit Petition (pe-tisj'un), a. verzoekschrift; verzoek. it-t1h), a. haisstarrigheid, hardnekkitheid. v. a. verzoeken, meek., —are, a. verzotie. geechiktheid, —cy, (pueti-nens), Pertinen re —er, a. verzoeker; adreasant. tend, smeekend. dienatig, paaeend., —tly, ad. a. gepa,theid. —t. Petre (prturl, s. Lie Nitre. gepast. --torso, a. Lie Pertinence. S. raking , —t, rettrei (pet'ril, pi'trill, s. stormvogel. Pertingen cy (pe-tres'sent), a. versteenend. Petrescent a. raliend. action (pe-tri-fek'sjun), —ication Pertness (purt'neW, a. wakkeeheid, gevatheid, petril kee'ejun), s. eteenwording; venteening. —active, neuewijsheid; driestheid, (pe-tririk), a. versteenend. —y (pet'ri-faj), Perturb (pur-turb'), —ate (-eel), v. a. store,', v. a. & u. vereteen.n. verontrusten. —ation (-bee'ejun),s.verontrusting; stoornis; verwarrink • —.ter (puetur- bes-tur), Petrol (pi'trol), —eunt(pe-tro'li-um), s. steenolie. Petrottel (peeruu-uel), a. ruiterpistool. —er, s. versteorder; verontruster. Petticoat (pet'ti-koot), a. vrouwenrok. —governBat• Pertuallou (pur-tjoe'zjun), 8. doorboring, pruikmaker. meld, vrouwenregeering. —ho/d.konkelleen.—penu. pruik. —maker, Peruke (per'oek). .ianer, galant, die onderhouden wordt. (pe-roe'zel), a. do,rbladering, doortePerils til m. den advokaat epelen, zing. —e, v. a doorbladereu, doorlezen; onder - Pettifog (pet-ti'fog), v. beunhazen. —per, a. slecht advokaat, rechtsver zoeken. —er, s. lezer; onderzoeker. Pern'eltsobark (pi-roe'vjen-baark). a. kinabast. draaier.—gery,s.rechtsverdraaiing,haarklooverii. petti 'sees ( et'ti-ness), a. kleinheid, geringheid . Perva de (pur-veed'), v. a. doordringer.—eiOn ty, ad. gemelijk; korzelig. —tallness, —ish, a. g —ire (-vee (vee'zjun), a. doordringin. s. gemelijkhe(d. —Roes (-tooz), pl. pooten van doordringend, ad. verkeer i; een speenvarken. —aely, se (puevurte), a. Perver Petty (peetih), a. klein, kering, onbeduidend. o halestarrig,8tug;verdorvennood.—seness,--sitar, -dip. (-vur'sjun), —chaps, brotaardnachtegaal. —coy, gemeerfroers. verkeerdheid; verdorvenheid. —gods, ondergoden. — jury, kleinet jury. 8. ornkeerIng; bederving. —sive, a. omkeerend; kruid. — madder, kruisblad. verdraaien; be- — ledger, briefportenboek. bedervend. v. a. oYnkeeren, walatroo. — mullein, wolkruid. — pan, derven, verleiden. —ter, a. verdraaier; bederver. — muguet, —tible (-vurt'ibl), a. te verdraaien; te beder- taartpan. —Rhine,beneden-Rn. — sparge,'wolfsven. melk. — tally, seheepsportie. — whin, atalkruid.
—peasaSle (ptes'ibl), a. onverzoenlijk. —pealed (-plead'). a. onbevred.igd.. onverzoend. —proachable (-prootbart bib a. ongenaakbsar.--propriated (-pro'. prt-ee-tt d), a. Wet toegepast;niet beate md. —proved -P r nee d'), a. ntet goedgekeurd. Unapt (un.ept'), a. —ly, ad. ongeeebikt; nolv. kwaant, (for. •o). —nest, P. ongsacbiktheid; onbekwaamneid, (for to). Unarmed (un-aarmd'), a. ongewapend. Unar reigned (un-er-reend'), a. allot aange• klaard. —ranged (-reendajd'), a. niet geregeld. —rayed (-reed'), a. ongekleed. Unasked ( un-aasktl, a, ongevra3gd. Unas ptring (un-es•parriengi, a. niet eerzuehtig. —scalable (eeel'Ibl), a. onaentastbaar. —sisted (-shield), a. Wet geholpen. —swain/ (ajoe'mdeng), a. Wet aanmatigend. —surcd (-sieern"), a. onverzekerd; onzeker. Unlit barbed (un-et-tetejt'), a. ntet geheeht (to). —tamable (-teen'ibl), a. onbereikbaar. —tainableness (-teen'01-), a. onberelkbaarheid. —tempted (-tem'tid), a. oubeproeld. —tended (-tead'id), a. onveraeld;(to)verwaariootd. —tested (-te.t1d), a. onbetutgd. Um awl horised (un-ao'tbur-azjd), a. onbevoegd. Unavall able (an-e-veel'Ibl), —Jag, a. nutteloos, vergeefach. Unavolda bid (un-e-vojd'ibl), a. —Up, ad. onveraltjlelijk. —blenees, s. onvermijdelljklietd. Una %vane (un-e-wear'), a. (of) ntet lettend op; glen kennts dragend van. —, (-veers'), ad. onverhoeds. Unecaved (un-acwd'), a. onbeschroontd, stoutmurdlg. Un banked (un-bekt'), a. onbereden; niet ondersteund. —balanced (-bel'enst), a. zonder evenwieht; onvereffend. —ballast (-benefit), v. a. den ballast ultscbteten. —baptised (-bep-tajzd')., a. engedoopt, —bar (-belle), v. a. ontgrendeleu, ontaluiten. —bearable (-beeetb1), a. ondregelijk. —bearded (-blerd'Id) a. baardeloos. — beaten ( - biet'n), a. ongeslagen; ongebaand. Unbecoming (un-be-ktun'leng), a. —4, ad. onbetarnelkjk, onvoegzearn • —nets, s. onbetameltjkheld, onvoegzaarabstd. Untie fitting (un-be-tit'tteng), a. ongepaat. —.Mended (-frend'td), a, zonder vrienden. —gotten (-goer.), a. ongeboren. —guile (-gaji'), v. a. nit de dwating halpen. —held (•held'), a. ongezien. —lief (-11er), a. ongelocf, :wantrouwen. —liever (-11e,"er)„ a. onuloavige. —lieving (-11ev'teug), a. ongeloorig. —loved (-luvd'), e. onbemind. Unbend (nn-bend') Cirr.j, v. a. & n. (zteh) ontapannen, Inamaken; utteteken, afslaan. —tag, a. onbutgzaam; ontspannend. Unbe ueetnIng (un-be-stern'leng), a. Zits Un1/teaming. —spoken (-epo-ku), a. onbesproken. —stowed (-stood'), a. niet verleend. —trayed (-treed') a. niet vorraden, gehetm. —trothea (-trootbd'), a. onverloo!d. —wailed (-weeld'), a. onbeweend. —witch (-wits)'), v. a. onttooveren. Unblas (un-baj'es), v. a. vooroordeelen benemen. —led, a. —Red y, ad. (-est.), onbevooroordeeld. Unbid (an-bid'), —den (-bid'eln), a. ongenood ' niet bevoien, Unbind (uu-ba (nd'), Lire.] v. a. outbidden.
Krnnk, bv. ill, indisposed, dizeand, sick. —bed, with currants. —eukakker, punctilious person crazy, mad. —hoof- coward ; close-fieted fellow. eick-bed. —hoofdig, craziness, madness. —eine Keep (Ozer, 0. crisping-iron. —pee, ov. w. to digheid, madhouse, crisp. nige, madman; —ngestieht, Krenk, v. —el, v. fold, wrinkle, rumple, crumple, lunatic asylum, bedlam. Kiranke, m. & v. patient, sick parson. —nbezoek, pucker. —elen, —en, or. & on. w. to wrinkle, to rumple, to crumple, to pucker, to ruffie. visit to a patient. —nbezoeker, comforter. —nbe—elig, be. crumpled, ruffled. —er, m. rumpler, zorger, overseer of an initreaery. —nbewaareter, erompler, ruiner. —ing, v. rumpling, crumpling, nurse. ruffling. Kraal& held. v. —te, v. illness, indisposition, Kreutlers, on. w, to groan, to whimper. eich disease, sicaoess. Kraus, m. wreath, garland; cornice, festoon; t. w. (can) to care, to mind. chaplet; circle, club, society. — kruid, sweet Krenpei, be. cripple, lame. — loopen, to halt. —beach, ticket, copse. —gra., knot-grass. —boat, marjoram. —lijat, cornice. —werk, festoons. —en. underwood, — riins, doggerel - rhyme. — achtig, ha. or. w. to wreathe, to garland. o. circle, somewhat lame. —held, v. crippleness, lamene.s. club, society. Kraut, v. newspaper, gazette, paper. —enberieht, Krene„ v. notch, cross-groove; core. advertiserneht, newspaper - report, — endruhker, Keevel, v itch, itching. —en, ov. w. to itch, to prick. —kruld, —sand, herb (seed) that causes are printer of a newspaper. —endruaerii, newspaperprinting-office. —enjongen, news - boy. —eniezer, itching. —fag, v. iich, itchinr. reader of a newspaper. —enntan, news-man. —en- Keib , v. manger, crib ; shrew, scold. —werk, bavtn. nreuws, news, newspapeereports. Kceibbe„ v manger, crib. —bijten, to have the Keep. v. madder ; clesp ; pork 'a eteak. Kresp. Xrapies, bw. closely ; tightly; narrowly, tick. --biter, crib-champing horse, crib-biter; crabbed (peevish, irritable; person. —bigster, scarcely, sparingly. —kat, shrew, scold, irritable woman. Kraig. by. hale, vigourous. brisk. Krebbelen, ov. w. to scrawl, to scribble; on. Kens, kris en —, by all that is holy. w. to be always quarrelsome. %erne., v. scratch. —Nen, on. w. to scratch, to scrape ; to croak; to spatter. —get, pocket-hole. Krlbb ere, on. w. to be peevish, — cross ; to --rjzer, worm. —her, m. scratcher, scraper; worm; quarrel. — ig, by. peevish, froward, irritable, fretful. —igheid, v. peevishness, fretfulness. sorry fiddler. Kraal, o. hindpart, movable hack (of a cart, etc.). Kriebel en, on. w. to itch, to prick. —schrift, cramped writing. Krtiter, m. creter. Kinney, v. scratch, —el, nil. crooked fork, cramp. Kriek„ a. cricket; black cherry, —eboom, blackiron ; nail, clutch, paw. —en, cv. w. to scratch; cherry-tree. Krleken, on. w. to dawn. —, o. day-break, scratcher; —liter, v. to rebuke; to extort. —er, m. dawn. reviler; extortioner. o. trash, Kriel, 111. & a. dwarf, pigmy, shrimp. Krentonr, 0. creature. stuff, refine, outshot. —haan, guinea-cork; —hen, Kreb, v. Zie Krib. openen guinea-hen zie KrIeltje. —, ha. petulant, wanKradiet„ o. credit; trust ; esteem. een on. w. to swarm, to crowd, to be full letter of ton. —en, bfj, to lodge a credit with. —brief, of. —held, v. petulance. wantonness. —tje, o. credit. Kireelt, m. lobster; crab; cancer. —engang, crab 's small chicken of a small breed. walk ; den — gaan, to go backwards. —sdieht, Kriernel sae, m. —aareter, v. trifler, sluggard; haggler. —en, on. w. to lounge, to idle; to hagpalindrome. --soog, crab 'a eye. —ssehaar, claws gle. --ig, by. sluggish, slow. of a oobster. Kreek, v. creek, cove, bay. Krieuveel, v. itch, itching. —en, on. w. to itch, Kroel, v. lace, edging, galloon, —en, ov. W. to to prick. —ing, v. itch, itching. Krieael, v. (tiny) bit, little. !ace, to edge. Kr1,10e, m. war. — voeren, to make (to wage) war. Kreet, m. cry, outcry, shriek. —voerend, belligerent, at war, engaged in war. Kregel, by. & bw. fretful ( - 13, CrOhS (Ay). peevish peevish kop, —zoehtig. warlike. — a - tin eam.),—artskei, article ar,Fcry ( - ily), crabbed ( - 1y). — of war; —bonier, —vaan, banner; — basuin. — Ma per,on. crab. --heid, v. fretfulness, croseness, raca, —trompet. war-trumpet ; —bedrijf, —daad, pevie,hlierm. — iy, ho. Zie Kregel. —igheid. v. feat of arms, exploit, achievement, warlike acZie Krogelheld. tion; —behoeften, —voorraad, ammunition ; —be. K retie, m. circle. —Orievert, circular letters. leid. tactics, military talent ; —betide, troop ; ra. cricket. —en, on. w. to chirrup. —bode, herald; —boutokettet. engineering, fortifiKrssrg, o. carrion. cation ; —bouwicundige, —bouterneester. engineer; Kering on, ov. & on. w. to careen, to heel, to —deugd, military virtue, heroism; —dieeet, give topping to ; to bend sideways ; to higgle. mervice ; —eed, military oath ; —eer, mili—lag, v. careening, heeling. tary honor; —fakkel, torch of war; —gebrizik, cusKrenk en, or. w. to hurt, to grieve, to mortify, tom of war; —gedruisch, —rumoer,tclamor (din, 1,, 'offend. to prejudice, to !More. --end, by, oftumult) of war; --geluk. chances of war, military fensive, hurtful, (to). — er, m. offender. injurer. success; —gereedsehap, inetruments'of war, — ing, v. grieving; grief, offence ; mortification. K re n t, v. currant. —enbrood,—enkoek, bread (cake) warlike implementfo—geroep,war-cry,war-whoop;
Furnace (for'nes), s. fornuie; smeltoven. Furnish (fnenisj), v. a. versehaffen; voorzlen (with!; stoffeeren. —ed lodgings, gemeubeleerde kamers. —er, a. verseheffer; leverancier. Furniture (fur'n1 tjoer), a. meubelen; gereed achap; tutgnge; sieraad. Furrier (fueri-ur), s. bontwerker. —y, a. pelswerk, pelterijhandel. Furrow (fuero), a. voor, groef. —faced, met .eon rimpelig gelaat. —weed, kweekgras, hondagraw. —, v. a. in voren beploegen; groeven. Furry (fuerilx), a. van (met) boot. ad. verder. Further (for'thmr), a. v. a. beverder, buitendien. —most, a. verst. vorderen. --ante, a. bevordering. —er, a. havocdenier. ad. vent. at the —, Furthest (furThest), a. ten langste. Furtive (fuetiv), a, —ly, ad. gestolen, steelsw ijze. Furuncle (fje 3'runkl), e. bloedvin. Fury (fjoe'rill), a. woode, razernij; forte. Furze (fan), a. brem, prteuakruid.
Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,
Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.

Wat is IOST cryptogeld


20 LT: U. --assder, -said, Contriver of faleeho.ods. -teal, ILeveudig, by. lively, brick, quick, Sprightly, rnett:egome; bright. -Arid, v. Avellness, brieklie, ?los. --oar, m. -aareter, v. liar. -achtig, by. false, lying:, deceitfal.. -acktigheid, v. false- neon, sprightliness, vivactty; brightness. ibeivenioni, by. lifeleas. -held, v. /ifeleesnees. ness.deceitfuiness. Lever, v. liver. -oder, hepatic vein. -healing, Lank,. be. & bw. lukewarm (-1y); cool (Ay), in-scored, liver-pudding. -Vow, liver-color. -lacenocent (-Iy). -laid, v. Initswarinneae; coolness, rig, liver-colored. -braid. liter-wori. -kwad, innoeence. -.reeat, dinette of the liver, er-comConn ten. on. vv. to lean. -steel, arm-chair, ae.y hepatie diceaFe. -loop. -efoed. heoette chair. -atokje, maul-stick. Learning v. leaning., reit, banister., baluster; back Max. -ontstekina, inflammation of the liver. -puisten, pimples In the face. -Alan. hepatite. (of a chair). -stoat, ale Leussetocs. -traan, cod-liver-oil. -veretopping. obstruction •• lure, appearance, chow; rag, shred; of the liver. -zuchtig, hepatic. etellen, to diseptie 1LettrwUn. oint, to fruatrete. ---kramer, petty merchant. Loyeran r, M. deliverer, furnisher, purveyor. -oerk, clumsy thangled) work. --gAns, A kind of Levernchtig, by .hapatic. wine obtained by peesoing the KrApite A second Leverancier, m. furnisher, purveyor, contractor. time. -achtig, -ig, be. worthless, trilling. Lens, v. aign, signal, watchword, war-cry; word, lfissaingarst le, v. delivery, purveyance, supply. Leverbcsar, ho. fit to be delivered, saleable. 'motto, device. roar de -. for show. era, or. w. to deliver, to tarnish, to purLevc v. lingerer, loiterer, -.rater, Lontar ante, en. to give (to Jain) battle. -ing, v. trifter; river. - en, on. w. to wobble, to waddle;) vey; slag to linger. to loiter, to trifle; to waver; to rave. delivery, furniehirg. -hol, fool. -knit, nentense. -werk, bangle, Leviet, in. Levity. -itch, be. levitical. bunged work, loitering work. -ig, by. wab- Leas on, ov, .% on. w . to read; to reap, to pick, to gather, to glean. --fr, M. -era, v. reader; tiling; loitering; wavering. -tog, v. waddling; gleaner. --lug, Y. reading; lectare; version; galingering, loitering, trifling; wavering; raving. thering. gicening. ILesniver. tn . erlogle of the bowline. Liao, v. tile. ;Watt. • Levant qa, m. leranter. --ins, v. leventine, Leven, tr. lire; delight; noise, hubbub, ado, rack- Mohnen). o. body; solid. load :-, corpse. -Abeet; quick. t(j zijn -, when living, in (van) mien weging, exercise. -show), stature. -tdeel, limb, ivy lite-time, in all my born days. near member. -wetted, eonetitution, franc of body. -aketitjdieg, mortifloation, --ekracht, bodily het -, from (to) the life. tin Aet brengen, to take the Idle of. to kill. om het - komen, tlyst - etrength, vigor.-soefeeieg, exercise. gymnastivi. latex, to lose one's life, to expire. op - en LIcharnellik, bv. bodily. cerporeat, corporal. keid, v. corporeality, corporaiity, corporeiiy. stood, for life and death. -gerend, life giving. o. light; candle; luminary can het vital. -maker, nol..e-msker. -wekker, brengen. to bring to light, to reveal, to divulge. -Aron, fountain of life. -ebegintel, her can het - hasten, to come to light. pr inciple of life. -ebehousi, preservation of life. wren to publish, to put fort. -, by, light, -4benoodigolheden, nerenvartes of 1:fe. -ebeschrip bright, clear. -Mateo, bright-blue. -b: sic. lighterr, btoicravher. --abeschriyv;ng, biography, life. light-bearer, candle-holder; -drager, brown. - sdoel, end of °nee life. -sdraad, thread of lir k-man. -gat, loop-hole. -gal, bright-yellow. --endear, the time, duration of life. -.gees-gevend, luminous. -grOs, pale gray. -gratin. fen,c hit) spirits. -vgenot, enjoyment of life l'.•glit-green. -bout, lunamous wood. - leer, optien. sgesehiedenichlography.-ageroar, danger (peril) -meter, photometer. -lain, -Candlemas of life. -sgeset„ -sfesellin, companion of (for) life. -sgroot, full length. -tgrootte,taa(who!e) libertine. -stillest, to riot, to revel. -rninery, size. -kiwi?, year of (ape's) life. --akracht„ vital revelry, debauchery. -punt, luminous point. —rood, bright-red. -whom, !Wean. -sehijneld, power. -slang, livelong, for life, everlasting. blight, luminous. -schwa, shunning left; het - eanachouteen, to be born. the light. -stem phosphoric etone -stof -sloop, course of life, career. -slucht, vital air. nous matter- -straal, ray :beam) of light. live. —dltatig, loving life. -s- ONO, love of -stroont. Itreival of light. -tea, sea (acct.) of 3ticidelen, previsions, victuals. -sonderhoud, livelight. -.Ude, lo.minoue (favorable, fair) ride. lihood, sustenance. -.react, moral role, rale --sires; -ertaai, bv, -e all in blue. of life. -estrar, eep:tal punishment. -etijd,life time -erereekering (-maattehappijk life- into. Licht, , & bw. light ( envy ( - 117); Wight (Ay), nimble (-bly); tive., (very) likely, possibly. rance (-eo.eantr). -erraag, matter of life and ntatrooe, apprentice seanihn; heir-pay sailor. death. vital question. -monde,. course of life, -e miters), light-horns. -anker, heave-anchor. conduct. -stearnite. ,vital warmth. -.meg, path of life. -suije, -volt., way of Me, manner of -geloorig, by. & bw. erednlons (-ly). -gelootigliving. -seat, tired of life, -seatheid, satiety of heid, credulity. -geraakt, touchy, irritable. -geragAtheid, ebuebineie, irritableness -kart, m. & life, v. light-hearted (nervy; person. -hartig, lightLevon, 611. w. to live (van, upon), to exist; to beerted, merry. -hartigheid, light-heartednese, behave, t,evnnd, he. alive, living; quick. de -en en de gaiety. -hoofed, m. & v. light-beaded (melee.) dooden, the quick and the dead. - maken, to person. -hoofing, light-headed, careless; giddy, dizzy. -hoofdigheid, light-heededness, carelersvivifi,:aie, to vivify. -making, 'vivification.

cryptogeld widget windows 7


a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.
Urethra (jos-rrthrs),e. pisbnis. Urge (urtirn„ v. C. dringen; unseals, asus"o• ten ; stark aandringen op; verbitteren; bespoidigen; opatokeu; opgeven, voorwondan; v. n. dringend zip; morwaarts dringen. —sty (-en-sih), a. drang; dringend verzook. —at, a. —ntly, ad. (-ent-1,dringend. r—, a. dringer; aandrtiver. Urin sal (ies'rin el), a. pleglas. --(try (-e-rih), a. pis-. —retire (-ae-tiv), a. pisdrijvend. —ator (-eetur), s. duikes. —e (-tin), s. pis, urine, v. n. wateren, water low. - OUL. a piaaohtig. Urn (urn), e. urn, yeas, k'uik, lijkbus. —, v. a. in erne urn doen. Us (us), pr. pl. our. U sage (jeed'zidzp, a. gebrutk, gewoonte, behan. deltng. —once (-tens), e. gebrulk, use ; interest worker. Use (foes'), a. gebrulk, gewoonte, °arming; nut, voordeel; bahoette; interest. to put to —, op Interest mitten. — (joeV), v. a. gebrutken; uttoofenen; gewennen (to); bejegenen; besoeken; (up) verbruiken ; — the sea, ter use varen; v. n. plegen, gewoon ziju a. --folly, ad. nuttlg, —fulness, a nuttelooa. e. nuttelooahotd. —r (jose-ur), a. gebruiker. Usher (usj'ur), a. iniaider, ceramonle-meseter ; deur 'reorder; onderzoeker. —, v. a. binnenteiden, aannielden; invoeren; aankondigen. Usquebnugh (us-kwe-boa'), s. kruidenbrande. wijn. Ustuinte (ua'tjoe-let), a. zwartgobrand,gasengd. Usti on luat.'jun), a. (het branders, verbrandtng. Usual (joe'zjoe-ell, a. .—ly, ad. gebruliceltjk, gewoon; gewoonlijk, doorgaans. o, gewoonte, gewoonheid. Ucu caption (joe-zjoe-1,,i'ejun), s. voikrijg flg van eigendom door bet verjaringsrecht. —pact (joe'zjoe-frukt), a. vruchtgebruik, —fructsary (-trukt'joe-or-rih), a. vruchtgebrulker. Usur er (joe'ajoe-rue), a. woekeraar, —loss, a. —iougy, ad. (-zjoe'ri-us), woske.eend. Usurp (joe-zurp'), v. a. overweldigen. (-pee'sjuu), a. overweldlging. —sr. a. overweldiger.. —lonely, ad. door overweldiging. Usury (joe'zjoe-rib), a. cocker. Utensil (joe ten'sil), n. gereedachap, werktuig. Uter ine Ijoe'tur-ajn), a. van de baarmoeder, van mnedersztjde. —ns, a. baarmooder. Util it y (joe-ttl'it-tih), a. nottigheid.; —ise (Joe , til-ajs), v. a. eon nuttig gebruik mitten van. Utmost (ut'moost(, a. & e. ultorst, hoogst. Utopian (joe-to'pi-en), hersenschimmlg, denkbeeldig. Utter (ut'tur), a. —Iy, ad. utterot; gehosi, vol. slags!' v. a. uiten, ui.tepreken; openbaren, var. spreiden; in omloop brengen; verkoopen, —able a. nit to spreken. —ante, a. uttiag. uttspraak; mordraeht. —sr. a. uitsprekor; openbaarder; gayer; verkooper. —most, a. & a. ZIA Utmost. Uveeus (j os' vi.us), a. drutrvormig. —coat, druitvital (van het oog). Uvula (joe'vjoe-le), s. keallelietje, huig. Uxorious (ugs-o'rt-us), u. ztjne Trott,' overdreven bemlnneud. —ly, ad. nit overdreven liefde voor One vrouw. —sees, a. overdreven Herds voor One vrouw.
Draper (dree'pur), a. lakenkooper. --y, a. Lakenhandel; wollen atoffen; draperie. Drastic (dreetik), a. krachtig, enelwerkend. Draught (draaft'), a. teug; heal; tocht; luchtstroom; schetsteekening; kopie; daraschijf; traite; uitelag; detachement; riool; sekreet. a good —, drukke nering. —board, dambord. —horse, trekpaard. —ox, trekos. —a. a. damspel. —'a -man, damechijf; teekenaar. Draw (drao) [drew (droe). drawn (draon)1, v. a. trekken, toe-, nit-, aftrekken; spannen; deepen; znigen; tappen; putten: teekenen; schetsen; opstellen; diep gaan. —breath, adem halen. (along) voortaleepen. (from) ontleenen van, (in) intrekken; verdraaien; overhalen. (off) aftrekken; afbrengen; aftappen. (on) to weeg brengen, veroorzaken; trekker) op. (out) uitzoeken; plaatsen; ontwikkelen. (over) dietilleeren. (up) oprichten; opetellen; in alagorde stellen. v, n. trekken; van leer trekken; eenr kaart trekken; een lot trekken; zich sarnentrekken. —near, —nigh, naderen. — back, zich terugtrekken. (of) aftrekken. (on) naderen. (up) zicb in slagorde stellen. — to a head, puntig (rijp) worden (v. zweren), — to a close, het einde naderen. Draw (drao') a, trekking; trek; lot. —bark, terugbetaalde accijns; terug.toot (v. een kanon); premie van uitvoer. —beam, wind.. —bridge, ophaelbrug. —well, waterput. —ee (draow-ie'). 0. betrokkene. —er, a. trekker; putter; teekenaar; lade. chest of —era, ladetafel. —era, a. onderbroek. Drawing (draow'teng), s. teekening. —bucket, alloputs, —hound, speurhond. —master, teekenmeeeter. —school, teekenschool. —room, gezelschapakamer. Drawl (draol), s. temerige toon. v. n. temend apreken. Drrywn (draon), a. getrokken; onbeslist. Dray (dree'), a. cart. sleeperswagen, rolwagen. —horse, sleeperepaard. —man, sleeper. Dread (.iced'), a. vreeselijk, ontzagwekkend; eerbledwaardig. e. vreem, angst. ontzetting. —, v. a. & n. vreezen, duch;en. —fat, a.—fully, ad. ijselijk; ontzaggelijk. —fulness, a. vreeselijkheld. —488, a. onbevreesd. —/essness, e. onversehrok , kenlieid. —naught (-cant), a. onbevreeede; snort van duffel. Dream (drlem'),s. droom. [dreamt. (dremt)], v. a. & n. droomen. —er, e. droomer. —ingly, ad. droomerig, slordig. —y, a. vol droomen. Drear (drier"), —y, a. ad. treurlg, naar, akelig. —iness, a, akeligheid, naarheid. Dredg a (dredsr), a. oesternet; mengkoren (haver en gerat). —e, v. a. met meal bestrooten; uitbaggerem —er, a. oesterviescher; strooibus. —ing-, machine, moddermolen. Dress (drie), a. langdradig. Dregg Incas (dreg'gi-ness), a. drabbigheld. —y, a drabbig, troebel; grof. Dregs (dregz), s. drab, droesem; uitschot. Drench (drentaj), a. teug, dronk; paardendranhje; greppel. —, v. a. drenken; drankje tuedienen (aan vie); doorweeken. Dress (dress') [drestin, v. a. kleeden„ ultdosaen; kappen; afriehten; roskammen; verbinden; opstellen; bereiden; bebouwen; v. n. Melt kleeden;
Inflict (in-flikt'), v. a. opleggen (on. upon). —er, s. (straf-) oplegger. — ion (--flik'ajun), s. oplegging; straf. —ive, a. (strallopleggend. Infinen ce (in'floe-ens), s. invloed (on. upon. over. with). --ce, v. a. invloed hebben op; bewegen, nopen. -.4 R. invloeiend. —tial, a. —tialiy. ad . (-en'sje I-I, invloedrijk. (-en'ze), s. griep. Influx (in'fluks), —ion (-fluk'sjun), a. toevloed, instromning; ingevinr.

Hoe krijg ik gratis Coinbase Xlm


knecht; klantenlokker. —et, 9. klopper (aan Clayes (klenz), s. horden. eene deur). Claymore (klee'moor), a. tweehandszwaard. Clean (klien) a. rein, zindelijk, zuiver, onschul- Client (klarent), a. client. —ed, a. met clienten dig. —, ad. volkomen, geheel. —, v. a. zuiveren, voorzien. —ship, s. clientschap. ( a. zuiverheid, zin- Cliff (klir), s. klip, rif; eleutel. —y, a. vol klipreinigen. pen. delijkhetd. —ly, a. btad. zindelijk, zuiver. —aces, Climacteric (klim-ek-ter'ik, a, trapjaar. —, a. s. zuiverheid, onschuld. een trapjaar betreffend. Cleance (klenz), v. R. reinigen (from. of); Beim- Ten, uitvegen. (away) uitwisschen; wegnemen. Climat e(klarmet.),..klimaat,luchtsgesteldheld. —ic (klim-et'ik), a. het klimaat betreffend. —r, a. reiniger; zuiveringsmiddel. Climax (klarmekm), a. npklimming. Cleansings (klenetengm), s, ve.egsel, vuilnis. Clear (klier , , a. holder, klaar, zuiver; duidelijk; Climb (klajm'), v. R. bekiimmen; v. n, klimmer. —er, a. klimmer; klimplant. onloochenbaar; openbaar; vlak; open; vrij, on- schuldig (from of); onparttjdig, —roast, veilige Clime (klajm), a. klimaat; luchtstreek. kust. —estate, onbezwaard goed. —, ad duidelijk; Clinch (klintsn, a. kwinkslag, zet, woordenspcI; a. ruimte van een gebouw binnen kram, houvast; lus. — of a buoy, ateek van den geheel, vrij boeireep. — of a cable, kabelateek. —, v. a. omde vier muren. klemmen; omklinken, toesluiten. to — a cable, Clear (klier'), v. a. klaren, zuiveren, verhelderen; nphelderen; banen; rechtvaardigen. — the table. een kabeltouw op bet tinker steken. —, v. n. de tafel afnemen. — accounts, de rekening klemmen, zich vastklampen. —er, a. klatnp, hou.vast; die anedig antwoordt. —er.work, s. vereff , nen. — a ship, in- of nitklaren. — a shop, klinkwerk. nitverkoopen. (away) wegruimen. ( from) ont• heffen van; zuiveren van. (of) zuiveren van. Cling (kling') [clung], v. n. aanhnngen, zich vast(nff) afdoen (achulden). (up) toelichten v, n. klampen (fa); (together) can elkander geheeht zijn. —y (•gih), a. klevend. balder (klaar, vrij) worden. (away) verdwijnen. (up) ophelderen. —age, S. wegruiming. —ance Clinic (klin'ik), —al, a, bedlegerig; klinisch. —, s. bedlegerige. (-ens) s. tolcedel. —er, a. opklaarder. —ing, v. a. doen klinken; s. rechtvaardiging, verdediging; § gerooide Clink (klink'), a. geklink. boschgrond. —ly, ad. holder, duidelijk, klaar- v. n. klinken. —er, a. klinkert (gebakken ateen), blijkelijk. —netts, a. helderheid; duidelijkheid; Clip (blip'), a. (het) schapen echeren; (de) wol van (Inc schering; § klap, bib. —, v. a. acheonschuld. ren, knippen; anoeien (geld). —per, s. schspenClear-sigthed (klier'sajt id), a. schrander. scheerder; geldsnoeier; clipperschip. s. -ness, a. sehranderheid. (het) snoeien, meheren, enz.; anoeist‘l; afknipsel. Clear-starch (klier'staartsj), v. a. stkjven. —er, § Clitchy (klit'sjih), R. kieverig, tool. a. stij fs ter . mantel; dekmantel. —, v. a. Cleatkkliet), 8. klatnP. - of the gangway, val. Cloak (klook•), bemantelen.• —bag, mantelzak. —loop, mantelreepsklamp. lug. —pin, hank in den muter. —twitcher, manCleav e (kliev) [cleft, elm, cleft. cloven], v. a. teldief. & n. klooven. splijten. § —age,. (de) break (van Clock (kink'), s. kink; Leek; bromkever; klink een' steen). —er, e. kapmes, bijl; kloover. (in cone Irons), what o'clock is it ? hoe loot is het? Cleave (kliev). v. n. kleven. —hand, uhrwijzer. —maker, ullywerkmaker. —setCledge (kledzj), s. bovenste laag van volaarde. ter, die de uurwerken regelt. —work, uurwerk; (lee (bile), n. klanw (van een' g es p 1 ten hoef), raderwerk. Clef (blot). a. muzieksleutel. Cleft (kleft'), a. kloof, spleet. —graft, v. a. in de Clod (kind'), a, kluit, klont, turf. —hopper, kinkel, lomperd. —pate, —poll, lomperd, domoor. spleet enten. —paled, a. dom. —ay, a. klonterig, kluitig. Cleg (kleg), a. paardenvlieg. Clod (kind), v. a. met kluiten werpen; v. n. kapClematis (klem'e-tia), s, klimplant. peleu, klonteren. a. goedertierenheid. Clemen ey (klem'en Clog (king'), s. last, belemmering; overschoen, a. —fly, ad. goedertieren. klom v. a. overlast doen; belernmeren, v. Clepsydra (klep'si•dre), a. waternurwerk. n. k onteren, stollen; gestremd zijn. —giness Clergy (klnr'dzjih), s. geestelijkheid. —man, (-gi•ness), rt. belemmerdheid, gestremdheid. geestel ijke. —ging, s. beletsel, belemmering. —gy (-gih), a. Cleric (kier'ik), —al, a. geestelijk. hinderlijk. Clerk (klaark'). s. geestelijke; geleerde; klerk; grittier; voorzanger; bonier. —ship, stand of ambt Cloister (klojs'tur), a. klooster; zuilengang. —, v. a. in een klooster doen. —al, a. kloosterlijk. van een' geemtelijke, geleerde, enz. Clever (klev'ur), a. —ly, ad. bekwaam, knap, Close (klooz), a. besluit; stuffing; rustpunt; Rta• king; gevecht. to come to the —, handgemeen handig, vlua. —, R. § goedig,, minzaam. —ness, worden. a. bekwaamheid. Clew (kloe'), s. kluwen; leiddra id; schoothoren. Close (kloos'), a. omheinde pleats; nauwe straat. —pendant, schootachinkel. —, v. R. (up) geien —, a. (Licht, gesloten; nauw, gedrongen, vet , en gorden. —block, geitonwblok. —garnet —line, eenigd; geheim, achterhoudend; somber, Pengeitouw. —piece, stootlap zaarn; oplettend; karig. to sail — by the wind, dicht NJ den wind houden. to keep a thing — , Click (klik'), a. getik; klink. —, v. ft. wegkapen; eene zaak geheim houden. —bodied, nauwslulv. n. tikken (ale een unrwerk). —cc, s, wankel-
Pair (peer'), s. pear. a — of stairs, eene trap. —royal, drie gelijken in 't kaartspel). a coach and —, een ri3tuig met twee paarden. —, v. a. & n. paren. —ing-time, paartijd. Palace (pel'es), 8. palet, —court, voorplein van ta.t paleis; gerechtshof van het paleis. —yard, bienenhof van het paleis. Pitadln ipere-din), s. naladijn, ridder. Pa I a le_ ti n pel-en-kien' ), 8.pal ankijn,draagstoel. Palat able (pe0e.tib)), a. smekelijk.—ableness, a. smakelijkheid. —al, a. van het verhemelte; a. verhemeiteletter. —e (-et), a. verhemelte; smaak; , pe-lee'sjel), a. verhemelte-; van een palely; erachtig• Paistin ate (pe-let'i-net), a. paltsgraafschap. —e ( eel'e-tin, a. paltsgrafelijk; a. paltsgraaf. Palaver kpe-lit'vuri, a. gewawel. —, v. a. kaketen. wawelen. Pale a. peal; otaheining; rechtsgebted, seeoot. —., v. a. omhetnen. —, a. —ly, ad. bleek. —eyed, zwak van gezicht, —faced, bleek van gel., --hearted, moedeloos. —ness, a. bleekheid. Palen grapby a. add schrift; beams van sad schrift. —logy ( - 01'ild-ajth), oudbeidkunde. Valeous (pee'li-ue), a. kaffig, huizig. Palestra worstelperk. Palette (pel'et), s, verfbord, palet. Pslfrey (paol'frih, pel'frib), 8. Barnes-, paradepaard. —ed (-hid), a. op een' klrpper gezeten. Pa litication kee'sjua). a. Pa illogy a. Iterhaling. Palimpsest (pel'imp-nest), a. palimpseat. Pio alad roan e (pel'in-droomi, a. eensluidende 1 et terkeer. Yftllug (pee'ling;, a. rasterwerk. Palinode (pel'ln-ood), 8. herroeping. Palleade (pel'i-seed), s. schans-, tstorrnpaal. —, v. a. met peal week verschansen. Pallvta (pee'll,j), a. bleekachtie. Pall paoll'), a. verschaald, ffauw. a. binschope, staatsiemantel; lijkkleed; pal. —bit, palbeting. —bolt, pal. —cleat, palklamp. v. a. met eon mantel bedekken; moon verdchalen; bederven; oververzadigen; neersiachtig makers; v. n. verschalen; slap worded; (on. upon) doen walgen. Palladium a. pallas-beeldje, plechtanker; palladium. Pallet pel'iit), a. verfbordje, palet; draaiachijf; verguldmesje; laatbekken; brits. —ing, a. bodem der brood- en kruitkamer. Pallla te (perli-eet), v. a. bewimpelen; verzachten. —tion (-ee'sjun), a. bewimpeling, verzaetttine. —five (-e-tiv), a. & a. bewimpelend, veraaceteed (midden. Pallid (pellid), a. bleek. —nets, s. bleekheid. Pal [mall (pel-mel'), a. kolfi kolfspel; maliebaan. Pallor (pePlur), a. bleekheid. Palm (paam"), s. palm; palmboorr; handpalm; handplaat; ankerarm. —berry. dadel. —oil, palm°lie., —sunday, palmzondag. —tree, palmboom. —wine, paimwijn. - , v. a. betasten, hanteeren; 8treelen; in de hand verbergen, misleiden; (upon) is de hand stoppen; toedichten. Palm ate (pertnet), —aced (-meet-id), a. handvormig; met zwemvliezen. —atory (-me-tur-rih),
91 —et, s. begiftiger. —ment, a, begiftiging; gave; begaafdheid. Endue (en-djoe'), v. a. bekleeden, begiftigen. Endur able , en-djoerilb1), a. verdragelijk. —anee, s. verduring, lijdzaamheid; voortdnur. —e (-d)oer'), v. a. verduren, doorstaan, verdragen; v. n. duren; lijden. —er, a. lijder; volharder. Endwise (end'wajz), ad. overeind, rechtop. Enemy (en'e-mih), e. vijand; duivel. a profeseen verklaarde vijand. sed Energetic (en-ur-dzjet'ik), — al, a. —ally, ad. krachtig, nadrukkelijk. Energ ize (ereur-dejajz), v„ a. kracbt bfjzetten. —y (dzjih), a. kracht, nadruk; geestkraeht. Enerva te (e-nur'7et), a. verzwakt, ontzenuwd. —te (seat), v. ontzenuwen. —tion, (en-ur-vee' sjun), ontzenuwing; verwiji'dheid. Enfeeble (81)&131), v. a. verzwakken. Enfeoff (en-fen, v. a. in leen afstaan; beleenen. —ment, a. beleenIng; leenbrief. Enfetter (en-feVtur), v. a. kluisteten, in boeien klinken. Enfilade (en-bleed'), a. rij; rechte lijn; nauwe pas. —, v. a. bestrkjken. Enforce (en•foors'), v. a. veraterken; aandringen; doordrijven; afdwingen; v. n. met geweld beproeven. —able. a. dwingbaar. —meat, s. geweld, dwang; eandrang, doordrijving; drangrade. —r, s. dwinger; aandringer. Enfranchise (en-fren'tsjiz), v. a. bevrijden; burgerrecht green. —ment, a. bevrijding. —r, bevrijder. Engag e (en-geedzy). v. a. verpanden,Tverbin• den; aanwerven; overhangen; bezig houden; wikkelen in; aantasten; a. n. zich verbinden; deb bernoeien met; alaags geraken. —ement, s. verpending; verbintenis; bezigheid; heweegreden; gevecht. — er, 11. die zich tot seta verbindt. —lag, a, —tingly, ad. innemend. Engaol (en-dzjeel'), v. a. kerkeren. Engariand ien-gaargend), v. a. met kransen tooien. Engarrison (en ger'rizn), v. a. bezetten; met garnizoen beleggen. Engender (en-deen'dur), v. a. voortbrengen, n; verwekken, kweeken; v. n. paren; anttee ataan. —er. s. icier; voortbrenger, oorzaak. Engine (en'dzjin), a. werktuig, brandapuit; middel; knnatgreep. —driver, —man, machinist. —er. ( nice), a. ingenieur; machinist. —ering (-nier' ieng), a. werktulgkunde; genie; civil —, burgerBike genie; military —, militatre genie. —ry, a. machinerie; artil1erie, krijgstulg, Engird (en-gurd'), v. a. omgorden. Englad (en gledN, v. a. verblijden. Englut (en-011V), v. a. inzwelgen. Engorge (en gordzj'), v. a. inzwelgen; v. n. gulzig eten (drinken)• Engrall (en-greer), v. a. inkerven. Engrain (en. green') v. a. in de wol verven. Engrapple (en-grep'pl), v. a. aangrtjpen; v. n. handgemeen warden. Engrasp (en-gratsep'), v. grijpen. Engrav e (en-greer) v. a. graveeren; inprenten; begraven. —er, a. plaatanijder, graveur. —ing, a. graveerkunst; gravure, pleat.
stralend. Glean (glien'), s. (bet) naarstig bijeengelezene. —, v. a. & n. salmon; bijeenzamelen. —er, s., nalezer; bijeenzamelaar. —ing, a. nalezing, nao t (dish e (glieb'), s. grondstuk, grasland, aardklomp. —e, —e-land, pastorieland. --ous, —y, a. aardachtig. Glesie (glied ► , s. hoendergier. Glee (ghee), s, vroolijkheid; lied. —fat, —soce, a. vroolijk, jolig. (gliek), a. muziek; speelman; spot; zeker kaartspel. —, v. n. spotten, gekscheten. ti;ieen (glien). v- n. gloeien, glinsteren. Gleet (gliet'), a. dunne etter, —, v. n. etteren; droppelen. —y, a. druipend; etterig. Glen (glen), a. dal, bergpas. Glens. (glien), a, ongappel. Glib (glib'), a. —ly, ad. glad, glibberig; rel. —, a. groote haarbos over de oogen hangend). v. a. glad (rad) maker,, lubber, —news, a. glibberigheid. Glide (glajd), s. glijdina; verloop. —, v. n. den, sluipen. — r, s. glijd.er ; strik. Glimmer (glim'inur), H. scbemerlicht, glimmer (delfstof). —. v. n. schemeren. —iny, a. schemering, schijn. Glimpse (glimps), s. straal, kort schijnsel; vluchtig gezicht; teeken; zweem. —, v. n. 'etch even vertoonen. Glist (glist), s. moscovisch glas, mica. Glisten (glis'sn), v. n. fonkelen (with). v. n. GPlster (glit'tur), s. glinstering, glans. glinsteren, fonkelen (with). Ginter (glit'tur), s. glans, luistcr; klatergoud. —, v. n. blinker, glinsteren. Gloar (gloor), v. n. gluren, seheel zien. Gloat (gloot), v. n. met groote oogen stares!
Yacht (jot'), a. jacht (vaartuig). —ing, a. het yucca in ten jacht. Yankee (jeng' i), a. Yankee (scheldnaam der Noord-A merikanen). Yap (jag), v. n. ketren. blaffen. • Yard (jaard'), a. hot, plein, werf; (eugelache) el; ra. —arm, nok der ra; — and —, ra tegen ra. —arm-block, oorltbtblok. —arm-horse, nokpaard. —batten, stoolacheal, —boat, aloeplooda, —chain, rakettint. raklamp. —gate, plaatsdeur, hofpoort. —hoop. rabeugel„—land,hoeve. —leech, ralijk. —rope, klaplooper, jolletouw. —stick, —wand, ellestok. Yarn (jeer'), a. —1y, ad. v: ug, vaardig, gretig. Yarn (jas,rn"), a. garen; sajet; dread. bottom of kluwengaren. —beam, kettingboom. —reel, gale?". winder. wantstrop. Yarr (Pm). v. n. knorren, brommen. itazieow (jer'ro), s. duinendhlad. Van p (jitop), s. geschreeaw. —, v. r schreeuwelt. Yaw (jao), a. glaring. —, v. n. waggolen; Wren. Yawl (WO, a. jol. —, v. n, Zie to Yell. Yawn (jaoo'), a. gegeenw; opening; gaping. —, v. n. geeuwen; gapen; verlangen (for). —er, a. getaway. —ing, a. het geeuwen, —ing, a. —ingly, ad. geettwand; slaperig. -Voted (i-kied9 ), a. gekleed. Yelered (i-klept'). a. gettoemd, geu eared. Ye (ji , pr. pl. van Thou; gkj, gijlieden. ( se, ji), ad. ja, zskar.

Drops ical (drop'sikl), —ied aid), a. wate•a. waterzucht. zuchtig. Dross (dros'), a. schuim; roast; uitsehot. a. onzuiverheid. —y, a. onzaiver; slecht. Drought (draut'), —inese, a. droogte; donut. —y, a. droog; dorstig. Drove (droov'), a. kudde, drift. —r, a. veedrijver. Drown (draaun), v. a. verdrinken; overatroomen; overatelpen; smoren; v. n. verdrinken. Drows e (draauzl. v. a. slaperig maken; v. n. elaperig zijn. a. slaperigheid. —ity, ad. —y, a. elaperig; —headed, domme lig, dof; —style, stroeve stij1; —tale, vervelend verhaal. Drub (drub'), a. slag, klap. —, v. a. afrossen. —bing, a. pak elev. Drudg e (drudzr), a. zwoeger, clover. —e, v. n. zwoegen, :sloven. —cry, a. zwaar work. —ingly, ad. zwoegend. Drug (drug'), a. drogerij; prul. —, v. a. met drogerijen bereiden. —get (-git), a. droget. —gist (-gist), a drogist. Druid (droe'id), a. DruTtle. —ical ( id'ikl), a. druidisch. Drum (drum'), a. trom; trommel; trommelvlies; speelgezelschap, —, v. a. tromme!en (up, bijeen); v. n. trommelen. —major, tamboer-majoor. —mer, a. tamboer. --stick, trommelstok. Drunk (drungk'), a. dronken. —ard (-urd), a. dronkaard. —en, R. —only, ad. (dreng'kn.), drossken, beechonken. —enness, a. 1)88CLIOIlkeRheid. Dry (drar), a. droog; dor; doratig; atreng; bijtend. —, v. a. droog makes; lechgen; v. n. tirogen. —eyed, met droge oogen. —goods, atukgoederen. —nurse, a. droge min, v, a. opvoeden zonder to zoogen. —rub, droogsehuren. —salter, koopman in gerookt vleesch. —shod, a. & ad. met droge voeten. —ing, a. (het) dragon. —ing place, o-yard, droogplaats. —ly, ad. droog, droogjea. —ness, a. droogte; derstigheid. Dual (djoe'el), R. twee uitdrukkend. —, a. tweevoud. —:em, s. tweegodenleer. —brae (-ist'ik), a. nit twee bestaand. (el'it-tih), a. tweeheld, dubbelbeid. Dub (dub), v. a. tot ridder elaan; v. n. slaan, klappen. Dubious (tijoe'bi-us), a. —ly, ad. twVelachtig. —nese, a. twijfelachtigheid. Dubita ble a. twijfelachtig. —tion (-tee'sjun), s. twijfeling. Ducal (djoe'kel), a. hertogelijk. Ducat (duk'et), a. dukaat. —eon (-e-teen'), a. dukaton. Duch ess (dutsress). s. hertoein. —y,a.hertogdom. Duck (duk'), s. send; liefje; hoofdknik, duiking; court van zeildoek —coy. lokspijs. —hunting, eendenjacht. —meat, —weed, kroos. —legged, kortbeenig. Duck (duk'), v. a. indompelen; doopen (outlet de Linie); kielhalen; lokken; v. n. duiken; diep buigen, kruipen. —er, a. duiker; kruiper. —ing, s. (het) duiken. —ing-stool, dompelstoel. —ling, a. taling. Duct (dukt), a. galeibuis, OP. Ductil e (duk'til), a. rekbaar, insehikkelijk. —ity (-til'it-tih), —eness, c. rekbaarheid; inschikkelijkheid.
71 trekken. (from) afwijken, laten varon. (with atstand doen. —meat, a. gewest. departement; werkkring. —ure (-Joer), a. vertrek, area; overlijden; afatand; afwijking. Depasture (de-paast'joer), v. n. afweiden. Depauperate (de-pao'pur-eet), v. a. verarmen. Depend (de-pond';, v. n. afhangen (on); vertrottwen (on, upon). —ant, a. afhangeling. —core, —ency, a. betrekking; afhankelijkheid; vertronwen; ondergeschikten. —eat, a. neerhangend; afhankelijk. Deperditlon (dep-ur-die'sjun), a. verlies. Depict (de-pikt'), —ure (-joer), v. a. afmalen. Depll ate (dep'i-lest), v. a. ontharen. —ation (-lee'sjun), s, ontharing; uitvallen der heron. —atory (de-pire•tur-rik, a. het uitvallen der harem ibevorderend; a. middel om het hoar te doen uitvallen. —one, a. haarlooa. Deplantation (dep-len-tee'sjun), s. verplan• Deplor able
Unturned (uu-tuned'), a. ongekeerd, ongedraaid. I Unwbipped. Unwhipt (un-wipt ► , a. °agapegeld, ongekasttjd. Untutored (un tjoe'turd), a Met onderwezen. Untwine(na-twai0), Untwist (un-twist'),Y. a. Unwholesome (un-hool'sum), a. ongezond, losdraaien, uitratelen, loseoaken. echadelijk. —news, s. ongezondheld. Unwind fly (nn-wield'11-11h), ad. —y, a. log, Unurged (un-urdzjd"), a onaangedreven. . Unnee d(un-pezd'), a ongebrulkt; ongewend (to). zwaar, moeleljjk te hantetren. —ittess, a. logheld, —ful (-joesitoel), a. onnuttig. zwaarte. Unusual (an-joe'zjoe el), a. —dy, ad. ougewoon. Unwilling (un-will'iengl, a. —ly, ad. ono•lltIC, —nese, s. ongewoonheld, ongeneigd, ongaarne. —nest, a. ongeneigdheid, tegenzin. Unutterable (un-nt'tur-lb1), a. onuitsprekelijk. Unvalued (un-verjoed), a. niet geschat; enge- Unwind (nn-wajnd') [irr.] , v. a. loswinden; v. acht. n. losgaan. Unvanquished (un-v eng'kwiejt), a. onoveravon- Unwinged (nn-wingd'), a ongevleugeld. nett. Unwiped(un-wajpt'), a. slat afgewiecht. Unvar led (un-vee'rid;, a. onveranderd. —nished Unwise (tth-wajz'), a. —ty, ad. onverstandig. (-vaaenlejt), a. ongevernist; onopgesierd. — ying Unwiabed (un-wiajt'), a. ongewenscht (for). (-ri-ieng), a. niet veranderend. Unwither ed (un-witteurd), a. onnerwelkt. Unveil (un-veer), v. a, ontsluieren. —ing, a onverwelkelijk. Unven dible ( an-v ea'di,b1), a. onverkonpbaar. Unwithstood (un-with-stoed"), a. niet weder—erutle (-nr.11)1), a. Met ee: waardig. staan , Unversed (-un- vurst'), a. on hedre , en (in). Unwit neaeed (nn-wIt'nest), a. zonder getuige; Unvexed (un-ekst' ), a. ongekvveld. nooit beheld, niet bijgewoond. —tily, ad. —ty, Unviolated (MI- VAY111-ee- Lid), R. ongesehonden a. ouverstandig, dwaas, geesteloos. —ling, a. —tingly, ad. onwetend. Uwe irtnons (un-vurtioe-ua), a, ondeugdzaam. Unwomanly (un-woe-rnen-lih), a. onvrouwelijk. Unvisittad (un- vit'it-id,, a. onbezocht. Unwonted (un-wunt'id), a. ongewoon (to). —nests, Unvitiated lun-vispi-ee tid), a. onbedorven. Unvote (un-voot'), v, a, bij nienwe stemming te s. ongewoonheid. niet deen. UWAVVOOtti (un- woed'). n. ongezocht, ongevrijd. Unworded (nn-wurd'id), a. Met onder woorden Unvulgar (en-vul'ger), a, niet gemeen. Unwsaited (un-weet!id), a. — on, oabediend; zon- gebracht. der gevnIg. Unworldly (un-wurld'lih), a, onwereldsch. Unworn (un-wonrn , ), a. ongedragen ;onvereleten. Unwnkened (un-week'nd), a. ongewekt. Unworshipped (un-wur'shipi), a. onaangebeUnwal/ed (un- waold'), a onbemunrd. den. U. Wrir Ily (un-wee'ril•lth). ad. Zie 'Unwary —hies,' (-ri-ness), .s. oroehoedzaamheid. —like Unworrtb fly (un•wurth'il-lih), ad. —y, a. onwaard,g (of). —inset (-i-ness), a. onwaardtgheid. (-waor'13jk), a. onkr(jgehattig. --Ined (-w aurnad'), a. ongewarmd; ongeroerd, —ned(-waornd'), a. on Unwound (un-waaund"), a. los-, at-, ongewongewaarsehuwd. den. Unweerant able (un-wor'rent-ibl), a. —ably, Unwounded (un-woend'id),a, orgewond. ad . onverantwocrdelijk, niet te reehtvaardigen. Unwoven (un-wo'vn), a. ongeweven. — (Menem a. onverantw 001r ; elijkheid, —ed, a. niet Unwrap (un-lep'1, v. a. loswinden.ontvonwen. Unwreathe (un-rietih'), v. a. losdraaien. —d, a. gerechtvaardIgd; ongewaarborgd. ongevlochten. Unwary,un-wee'rih). a cnbeheedzaam. Unwring(un-ring') [im], v. a. loswringen. Unwashed (un- wosjt'), a. ongewa.sechen. Unveset ed (un- weest'id), a. onverspild; onver- Unwrinkle (un-ri ►.'lg'kl),v. a. ontrimpelen. —d, a. ontrimpeld; ongerimpeld. teerd. —leg, a. islet vespillend; niet verminde- Unwritten (un-rit'tn), a. ongeschreven. rend. Unwrought (un-raot'), a. onbewerkt. Unwat rbed (un-wotait'), a. onbewaakt. Utrawatered (un-•aot'avd), a. niet, hegoten. Unwrung (un-rung'), a. onverwrongen; onoUnvveakene d (on- vriek'nd), a oraverzwakt. kneld. Unyleld ed (un-jield'id), a. niet opgegeven; niet Unweaithy (en-weith'ih), a onbemiddeld. ingewilligd. —ing, a. ontoegevend; onverzetteUnweaned lun-wiend'1, R. ongeopeend. Unwer, led (en-wier'id), a. —tedly, ad. onvsrr- lhjk; niet winstgevend. —ingness, s. ontoegevendmoeld. —ierineas, n. onvermocidbeid. —y, a. on- held. if ennoeid. —y, v. a. Yerkwikken (d.00r rust). —ying Unyoke (un-jook% v. a. afspannen; van het juk bevrijden. —d, a. ultgeopannen; onbedwongen; (-1-ieng), a. niet vermoeiend. Unweave (un-wiev") Dm], v. a. losreaken, ultra- toomeloos. Unzonsed (un- zoond'): a. ongegord. felen. Up (up) ad. & prp. op; boven; hoog; in opatand; Unwedded (un-wed'didl, a ongehuwd. gehindigd. — to, tot aan; volgens; nerekend voor; Unweeded (un-wied'idl„ a ongew led. Unweigh ed (un-weed'), a. ongewogen; onover- op de hoogte van. - with, opgewassen tegen. to come — with, inhat en. wogen. —ing (-weeleng), a. onbezonnen. UMIWeleame (un-werkum), a. onwelkom. —d, a. Upbear (up-beer') [lrr.1, v. a. schragen; opheffen. Upbraid (up-breed'), v. a. verwijten. betispen onverwelkorsad. (for. with). -ir, s. verwijter, •berisper. —beg, a. Unwell (un- well'), a. Met wel, ongesteld, verwijt, berisping. —iney, ad. verwi,jtend. Unwept (nn-wept'), a. osabeweend.
satisfaction; expiation, atonement. —en, o. pleasure, delight; satisfaction, contentment; - even, to satisfy; — nemen sect, to content one 'a self with, to acquiesce in; vinden ix, to take delight in: sifts sirs, to eat one "e flit, to eat plentifully. by. & bw. pleaxant ly), agreeable (-bly), comfortable (-bly) v. pleasantness, agreeableness. —zoom, by. & bw. sufficient (-Iy). —zaarnheid. v. sufficiency. Genomen, vw. suppose, supposing. Genoadisde, m. & v. person invited, guest. Genuot, m. & v. companion, fellow; partner, associate. —*chap, o. society, company. —schappeliik, be. 'octal. Genot, o. enjoyment, fruition. by. delightful. Genet, m. gander. G eoefend, by. well-versed, expert. trained. —held, v. expertness, cleverness. Geoogel, by. eyed, having eyes; spotted. Gem ord, be. eared, hoeing ears. Geoorloord, by. allowed, lawful, innocent. —held, v. being allowed, lawfulness. Gepeard, he. coupled, matched; (can) together with. —, bw. jointly. Geprsk, o. pacaing, embaling. Gepsnteerd, by. armed with a calrase; ironclad. G clasp, o. pasting; poulticing. Gepareld, be. pearled. —e fferst, pearl-barley. Gepset, be. & bay. tit (-.1y), proper (-1y), suitable (-lily), becoming ( - ly), beseeming (-1y). —Arid, v. fitness, suitableness, beconaingness. Gepatenteerd, be. patent; licensed. —e, m. v. patentee. Geneires, o. musing, pondering, meditation. G epeurael, o. populace, mob. Gepeuter, o. picking, poking, etirring. Grpeuzel, o. picking, piddling. Geplep,o. squeaking, chirping. Go; Impel, o. toping, tippling. Gepiaeg, o. teasing, bother. G e go i as, o. splashing, dabbling, paddling. Gepleit.o. pleading. Geplulmd, by. plumed, feathered. Geplukt, be. torn, pulled to pieces, tattered. Geptueth, o. bovet, boasting, brag. Gepopel, o. beating, quaking. Gepraftt, o. talk. tattle. G eprecak, a. preaching. G p reu tel, o. g rumbling, mumbling, gro wl Gapr.vel, o. muttering, mumbling. Geprikked, a. pricking, goading, Geprull, o. pouting, Braking. G eprattel, o. Zie GeprentA. Gepurpord, be. purpled. Geraskt, by. hit, touched; piqued, angry, offended (over, at); paralytic. —held, v. resentment, pique, anger; palsy; paralysis. Gera/tante, a. skeleton; frame; outline. Gentile, o. noise, clamor. realest. Gerrebbel, o. babble, rattling, G e rade a, by. advisable, suitable, fit. Gerafell, o, ravelling, unravelling. Gerakeu, on. a. to come, to arrive. to attain, to get. wit ,ziji deco —, to be reduced to pue •
Ckel, m, dislike, aversion. Eissier, v. magpie, pie. —ong, corn. —0ogIntider, corn-cutter, pedicure. El, v. 'ell; (engelatthe) yard; (nederlandtche) meter; yard slick, yard-wand. —leboog, elbow; cubit; —rapier, cubital rourcle. —legoed, —imam., stuff sold by the ell. —lemaat, ell-measure, alnage. Eland, m. elk. Elders, bw. elsewhere. Elects !cite it, v. electricity, —iek, ha. electric (-al). —is'eren, ov. w. to electrify. —iseermachine, elect rifying. machine. ElePant,m. Zie Olifant. Eleg ie, v. elegy. —itch, by. elegiac. Element, o. element. Elf, tw. eleven. —hock, endecagon. —tal, (number of) eleven. —de, be. & o. eleventh (part,). —dehalf, by ten and a half. —derlsende, —derlei, ha. of eleven sorts. —maul, bw. eleven times. — vend, o. —voudig, by. ele•enfold. Elft, m. shad. Eiger, m. eel sneer. Elk, tw. every, each. —een, vnw. every (any) one, every (any) body. —acre, vnw. Zie Elkander. Elkander, vnw. each other, one another. 3(i —, together. door —, tie Rooreen. na —, one after another, successively. ender —, helter-skelter, confusedly. nit — nelson, to take to pieces, to undo. nit (ran) — gastn.to separate. Ellend e, v. misery. —cling, m. & v. wretch, villain. —ig, bv. & bw. miserable ••bly), pitiful (•), wretched (-Iy). —ighetd, v. miserable state, pliifulness, wretchedness. Millie a, v. ellipsis. —tie* by. elliptical. Elpenbeen, v. ivory. —en, by. ivory. Els, m. alder. —, v. awl,elein. Eize bled, o. alder-leaf. —boons, alder-tree. —a tan, alder-trunk. —tab, alder-branch. —nbosth, alder-plot. —nhout, elder-wood. Email, o. enamel. —/eeren, ov. w. to enamel. Embail age., a. packing, package. —eeren,0 1/. w• to pack (up), to embale. Emeritus, by. superannuated. Ensnser, m. pall, bucket. En, yw. and. End, o. Zie Eind. Endeldarin. m. rectum. Eudosis ant. m. inderser. —eeren, ov. w. to indorse, de geendosteerde, the Indorsed. —mod, o. indorsement. Eng, by. & bw. narrow (-Iy), tight (-ly), close (-1y), straight ( ly). —borstig, short-breathed. —boratigheid, asthma, shortwindedness. Engel, in. angel. —rein, pure as an angel. —schoon, of an angel's beauty. —toortel, angelica, lone-wort. —sect, bv. very sweet; o. polypody. —enbak, n pper-gallery. —enhoor, chorus of angels. —eatchaar, host of angels. —enzang, hymn of the angels. —achtig, by. & bw. angelic' (-ally). —richUpheld, v. angelicalness. —in, v. angel. Engels, o. twentieth part of an ounce.
ART.—ASS. 14 Articula r (er-tik'joe-ler), a. tot de gewrichten *slope (e-sloop'), ad. hellend. behoorend. —te, a. —tely, ad. (-let-) gewrichten Asp (Rasp), —it (aas'pik), s. adder. hebbend; duidelijk. —te (•leet), v. a. duideli)k Asp (aesp), a. —tree, eel), eepenboom. uitspreken, uiteenzetten; bepalen; v. n. duide- Asparagus (es-per's-gus), a. asperge. lijk spreken. —tion (•lee'sjun), a. geleding; dui- Aspect (es'pekt), a. voorkomen, gezicht, bedelij_ke uitspraak. schouwing. Artille a (aar'ti-fia), s. kunstgreep; list. —er Aspen (es'pn), s. esp.. —, a. espen. (aar-tiri-sur), a. handwerksman, werkmeester. Asper ily (es-per'it-tih), s. oneffenheid, row-ial (-fis'sjel), a. —tally, ad. kunstig;gekunsteld. heid. —oua (es'pur-us), a. oneffen, row. —iality (-sji-el'it-tili), s. kunetigheid; sluwheid. Aspers a (es-pure'), v. a. besprenketen; belasArtillery ler-tilne-rih), s. grof geschut. terra. —ion (-sjute), a. bespreekelingi belastering. Artisan (aar'ti-zen), a. handwerksman. Asphalt (es-felt'), s. asphalt. —ic, a. asphaltiech. Artist (aart'istl, a. kunstenaar. Aspira nt (es'pi-rent), s. singer (near een' post. Artless (aart'less), a. klinlite1008 ; ongekunateld. enz.) —te (-ret), a. aangeblazen; a. teeken van —nest. 0 kunsteloosheid; eenvoudigheid. aanblazing. —te (-rest), v. a. net aanblazing Arundin aceous (e-run-di-see'ejus,„ a. riet- uitspreken. —tion (-ree'sjun), a. aanblazing; achtig. —emu ler-un-din'i-us), a. rietrijk. vurig verlangen. Aruspex (e-rue'peks). a. waarzegger. Aspir e (es-paje), v. n. streven, haken, (after. 4 Ary (ee'riii), a. pr. & conj. Lie Either. for, to). -er (es-pajeur), a. atrever, trachter. As (ez), ad. & coni. als, even als; naardien; bi ) - , —ing (es-pajOieng), a. atrevend, jagend. voorbeeld. — for, — to, wat aangaat. — if Asquint (e-skwint'), ad. schuins; loensch, scheel. — though, a'sof. — it were, om zoo te zeggen. Ass (aas), s. ezel. she —, eselin. —soon —, zoo dra als — yet, nog. Assafoetida (es-se-fet'i-de), a. duivelatrek. Asbest Inc (es-bes'tin), a. onverbraudbaar. Assail (es-seel'), v. a. aanvallen. —able, a. aau- us, s. steenvlas. randbaar. —ant, a. aanvallend. —ant, —er, s. Ascend (en-send'), v. a. beklimmen; v. n. opstij- aanvaller. gen. —able, a. beklimbaar. —ant, a. opklim- Assassin (es.sea'sin), s. sluiprnoordenaar. —ate mend; overwegend, a. hoogte; overwicht; tan- (-neet), v. a. vermoorden. —ation (-nee'sjun), s. zien; voorvader. —ency (-den-sih), s. overwicht; sluipmoord. —ator, a. sluipmoordenaar. invloed. Assault (es-saolt'l s. aanval; bestorming. —, Ascension lea-sen'sjim). a. opsttjging. —day, v. a. aanvallen; bestormera. timely aartsdag. Assay (es-seen, a. proefueming; torts. —, v. a. Ascent (es-sent'), a. opgang; opgaande hoogte; beproeven: toetaen. —cr., —master, a. eesayeur. stijging. Assenabi age (es-sem'blidzjt, a. verzameling; Ascertain (es eur-teen'), v. a. vaatstellen; be- vergadering. —e, v. a. verzamelen; v. n. bijeen vestiges. —able, a. vastgesteld. bevestigd kun- komen. —y 1-blih). a. vergadering. nende worden. —merit, s. vaetstelling; bevesti- Assent (es•aent'), a. toestemming. —, v. n. toeging. atemmen; (to) instemmen met. —ation (-tee'ejunl, Ascetic (es-set'ik), a. boeteplegend. —, a. klui- a. toestemming. —ator (-tee'tur), a. jabrobr. zenaar, boeteling. —er, a. toestemmer. Asehms les'al-ens), a. onschaduwigen. Assert (es-surt'), v. a. beweren; bevestigen; vorAscitic (es-sit'ik), —al, a. waterzuchtig. deren. —ion (sur'ejun), a. bewering: bevestiging. Aserib able les-krarbibl), a. toe te schrijven. —ire (-tiv), a. atellig. —or (-tur), a. beweerder; —e, v. a. toeschrijven, verdediger. —ory (es'aur-tur-rih), a. bewerend; Ascrip tion lea-krip'sjun). a. toeechrijving. bevestigend. —tittous -tia'sjual, a. toegeachreven. , Assess (es-sea'), v. a. belasten. —able, a. belaatAsh (ear). a. each. —en, a. van esechenhout. i boar. —ment, a. belasting. —or (-sur), a. bijzitAshamed (e-s)eemd'), a. beschaamd (of )• 1 ter; belastingmeester. Asheolor (e.j'knl-ur), a. —ed, a. aischgrauw. Assets (es'seta), a. boedel, masma, nalatenseliap. Ash ery (ekre-rih), s. aschbelt. 4 —hopper, loog- Assever (ea-sev'ur), —ate (-sev'ur-eet), v. a. plechvat. —hole. —pit, aachput. tig verzekeren. —ation (-ee'ajun), a. plechtigc Ashes (eajiz), a. each. verzekering. Ashler (esj'lur), s. hardateen. Assiduity (es-si-djoenit-tih), a. gestadige ijver; Ashore (e-sjoorl, ad. tan wal, tan strand. volhouden. Ash-wednesday (esj-oe-enrdee), a. aschdag. Assiduous (es-sidloe-us), a. —ly, ad. naarstig Ashy (espiiiL a. aschachtig. onverdroten. —ness, a. naarstigheid; volharding. Aside le-sajd"), ad. ter zijde. Assign (en-sajn'), v. a. aanwijzen; aanstellen; Asinine (es'i-najn), a. ezelachtig. bepaleu; overdragen. —able, a. be aalbaar. Ask (aask).' v. a. & n. vragen, verzoeken, vorde- —Own (es-sig-nee'sjuu), a. aanwijzing; bepaling. ren. -- after, for. from, of, to; vragen Haar, om, ren-dez-vous. —ee (es si-nie'), s. gemachtigde, van, a., op. — a question, erne vraag doen. —er, s. aanwijzer. —meat, a, aanwijzing; be-er, s. vrager, verzotger. stemming. Askan ce (e-skaana'), —t, ad. schuins. Assinallat a lea-sim'i-leet) v. a,gelijk maken Askew (e-skjoe"), ad. schuins; met verachting. (to); v. n. gelijk worden. —ion (-/ee'rjun), a. Aslant (e-alaant'), ad. schuins. gelijkmaking. Asleep (e-sliep'), ad. in sleep. Assist (es-sise), v. a. helpen, bijstaan; v. a. (at
—ful, a. smakelijk. —ation (-ee'ajun), s. proeving. —atory, (.e.tur rih), R. den amaak betretiend. -fatness, a. smakelijkbeid. —less, a. smakeloos, —y, a. slormachtig, buttg. Gusto (101s'io), s. smaak. Gut (get!), s. darns; ingewand; zeestraat. —scraper, vioolkraater. —spinner, darmanareumaker. —string, darmsnaar. slemptijd. —wort, wervelkruid. v. a. ontwelen; berooven. Gutty.. (gut'te), a. droppel. —percha ( puetsje), gutta-percha, —serena (se-ri'ne), zwarte Maar. Guttsaed (gutitee-fid), a. bedroppeld. Gutter (gut'tur), a. goot, weterloop, groef. luikhout. —stone, Boot-, lekateen. —tile, goot pan . v. a. uithollen, groeven; v. n. uitgehold zijn; afloopen. Guttle (gut,'111), v. a. ontlokken, rnzwelgen;' v. n. brasses], zwelgen. —r, e. gulzlgaard, brasser. Gut tulons Igut'tjoe-lus), a. druppelvormig. —tural (tjoe-ref), a. tot de keel behoorend; a. keelletter. —ty, a. bedroppeld. Guy (gay), a. hoorntouw, topreep. jib bakstag van 't kluifhout. — of a boom, bulletouw von eene giek. — of the flying jibboom, bakatag van 't jaaghout. —pendant, schinkel. Guzzle Iguz'21), v. a. inzwelgen; v. n. zwelgen, brasses. —r, s. zwelgen, zuiper. Gybe (dzjab), v. a. doorkaaien. Gymnast arch' (dzjim-nee'zi-aark),s. bestuurder van eon gymnasium. —um (.zji-um), a. gymnasium. Gymnast (dzjim'nest), a. onderwijzer in beoefenaar win) de gymnastiek. Gymnastic (dzjins nes'tik ► , s. gymnastische oefening; oefening; xis Gymnast. — , —al, a. ad. (-nes'tikl-) de lichaamsoefening betreifend; gymnastisch. —s, a. pl. gymnastiek. Gymnosophist (dzjim-nos'o-flat), s. indisch wij sgeer. Gymnospermous (dzjim - no - spuemus), a. met taakte zaden. Gynareby (dzjin'er-kih), s. vrou'wenregeering. Gyneoeracy (dzjin-t-ok're-sth), a. Zie toy. narchy. Gyp setts (dzjip'si-us), a. gipsachtig. —sum
Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.
(-to-rih), a. van eon' pip; a. eentaurus, boog- Salt (saolt'), a. zout; wulpech, e. sow.; sehutter. amakelijkheid; geestigheid; zeeman. —box, toutpot. —butter, gezouten borer. —eat, zoutklompje. Sago (see-go, sago, —powder, sagomeel. —tree, —cellar, soutvaatje. —duty, tmpost op het vont. esgopatrn. —wine, paimwijn. Sngy (see'dzjits), a. met, sane toebereid. —eel, ingelegde paling. —house, zontk-et. zoutbron. —maker, vsutzieder. —man, zoutkuoSaid (sed), a. gezegd, bovengenoemd. per. —marsh, sooty ,Pi. —meat, gezouten vleeseh. Sail (eel"), a. zest; vleugel. to make —, zeilen bij— mine, —pit, zotttgroeve. —porter, zoutdrager. zetton. to set —, order set! gaan. to strike —, de zeilen strijkers. —broad, ouch ala eon sell ult. —spring, zoutbron. —trade. zouthandel —water, spreidend. —cloth, zeildoek. —loft, zeilkamer. tout water. —work, zoutziederij. —wort, tout--maker, zeilmaker. —room. zeilkooi. —yard, re. kruid. v. a. zouten. zeilgaren. v. a. bevoren; doorrliegen; Salta IA (eel'tent), a. mpringend. —tion (-tee'sjun), doorklieven; v. n. zeilen; s (bet) apringen; Mopping. drijven. —able, a. bevaari► aar. zeikr. —or, a. matroos; zee- Salt er (saolt'ur), s. inzuuter; zoutkooper. — ern, man . a. zoutkeet. —iag, a. het zouten; —tub, vieesehS:0,11 ,11,11% (seen'fojn), a. spurrie. kuip. —ish, a. zoutaohtig, brek. —less, a. onAezouten; zouteloos, —ly, ad. zoutachtig. --nest, a. Saint (seent'), a. hailige. -, v. a. tieing verklazoutbeid. ran; v. a. den heilige uithangen. —cal,a.beiliF; gewijd; vroom. —like, —ly, a. als ten hellige, het- Saltpetre (siolt-pi'tur), a saipeter. lig. —Alsip, a. heitigheid. Saltalbrl ous (ae-ljoe'bri-us), a. —.gay, ad. geSake (seeks, s, doel, beweegreden, Wil. for the — of, smt. heilzasm. —ousness, —4, a. gezondheid; ter wine van for God's —, on Gods wit, for my —, heilz,mheid. ram mijuenrwil. Saint arinesti (serjoe to-ri•), a. heilzaantheid. Sttkgr (are'lcar), a. reigervallf; ieldmIang. —ary, a. hailsaaba. —ation (-i.ee'sijun), it. het goonsnit ( ,,e1), e. zo..tt. ten, groet. —atory (se-ijcete.), a. begroetend. Salithie (seel'ibl), a. verkoopbaar. —seas, a. ver- —e (se-ljoet'), a. groat; km, —e (se ijoet'), v. C. koophaarlte,d. Froeten; begroeten; human. —et (se-ljoe'tur)„ a. Salad' T. (se lee'sjus), a. —ously, ad. geil, Oa- groeter, begroeter. --iferous (-tif'ur•us), a. helltig, — tat (..les'it tih), a, geilheid. zaam. Salad (tel'ed), a. salade, al, —disk, mlasehotel. Salva isle (servibli, a. zalig kunnende :worden. —oil, P11 ,1•0iie — paraler, watereppe, tookruid, —bility (-ve-bil'it tlh), —bigness, s. mogelt.jkheld SttlanTiOtl der lael'e-men-dust, a. salamander. ow salts to worden. --pie (-vidzj), a. bergloon. --drine 1-men'drial, a salamanderaelitig. —lion (-vee'sjun), s. eedding; zaligmaking; sangSalary (sere-rib.), a. salaris, hezoldiging. heid. —tory (-ve-tur•rib), s.bereplaate. Sale sees), s. verkoop; verkooping, veiling. to Salve (ssav'), a. tall, hulp. —, v. a. zalven; heeler; offer (pat up) ,for —, to hasp bieden. —'s-mass redden, hergen. Salv er (sal'vur), m. presenteerblasidje. —o, s. soarttnialz , ), zie Saleonsan. Snlep (se'lep), a. Weir, salepwortel. behoud; tiltvlueht. —oro. berger. Ststeesnan pseelereen), a. verkooper; koopmen S..nzbo (sem'bo), a. kind van een' neger en tens in gemaakte kleederen; beentenkooper. mulattin. Sally sat (meelt-enti, a. uttsp•ingend; klimmend. Same (seem'), a zelfde;genoemde. —ness,a. eenSaltferosse (se lir, um), a. sontvoortbrengend• zelvigheid, gelijkheid. Stollliable (sell fa)-t bl),a. zontvormend. ---:cation. 8 a na I et (sem'ltt), e. zalmpie. (-if-i-kee'sjun), m. zoutvorming. —y, v. a, in zout Sanzpliire (sene'fir), s. zeevenkel. aeranderen. Sample (sem'pl), s. steal, monster. —r, a. paSall got (sel'i.got), a. waternoot. —nation (-nee' Croon, merkl,p mjitn), a. waessehing met pekel. Manes hie (sen'ibl), a. geneesibk. --tire, —tory Snilln . Ige•Ittill . ), - 0., a. zouthoudend, zoutach. (sen'e-), a. genezend. rig, silt. — e, a. zoutgroe,e, zoutkeet. Sanetif !cation (sengk-tlf-i kee'sjun), a. heiligMalls' ft (se-lej've), a, speeksel. --al, —out, —any making. —ier Isengk'ti-fat-ur), e. heiligmaer. (sel'i-ve-rih)„ a. speaselachtig; epeeksel-,kwill-. —y (sengk'ti fajl, v. a. heiligen. —ale (sel'i-vecfl, v. a. door kwilling zuiveren; SanetInzon loos (sengk-ti-ntoini-us), a. —iously, ad, beilig, mehijnheilig. —iousne“, —y (sengklia .ii. k•i)len. — ation leel-i-vee'sjun), a. kwiiling. man-nib), a. betligneid; sehilitheiligheld. Mallet (eel'ilt), s.', heirs. Sallow !sePlo), rt. zieketijk, bleek. --, a. water- Planet Ion (aengk'stjun), e. bekrachtlging. —, v. wit .. — ness, a. ziekelijke kleer, hleekheid. a. hekraehtigen. —blade (-ti-tjoect, —ill, a. heiSally (Bernt , s. uit,al; uttstapje: slipper; along; ligheta. —uary (-tjoe-e-rih), is. beingdorn; vrijirvvinkelag. — port,uttval - , vliedpoort. --, v. n.uit- plaats. Sand isenW)., a. sand; sandbank. —a. pl. ?Andvallen, ultepringen. Salsnagutni11 (sal :ne-gun'di.), a. haringsta woestiju. —bag, zaudismk. — bath, —heat. zandbad. Salmon (reesoun), ,,,, zai.„ —peals, pi. Jong , . —beetle, zandkever.—blind,btiMende.—box,zand• poker. —crab, zandkrab, — crack, kwetsing atn van 7 timen- — pipe, zeitmkerf. —trout, zolmforel- Saloon (se•leen'), a. malon, snot. den boat —eel, smelt. —flood, zandhoos. —hill. . strstodzwaluw. —mortar, zandheuvel. —.art., Saloois (se-loep% Salop (se,'1up', e . ealep. Sale ify (sel'e - nbl,R• bok , ba ,int• —.gin , . (- , 410e- zandkalk. —pink, eandanjelter. —piper. stranddIji-ente), , zilttg. Cooper, zandsnip. —pit., 7andgroeve. —stone ,zand-
zetten. Strophe (stro'fih), s. strophe, vers. Strom' (stro) [atrowed. °frown' (stroon)], v. a. etroolen, bestrooien. Structure (etruktioer), s. bouw; bouwtrant; inrichting; gebouw. Struggle Istrug'g1), s. inspanning; getob; strijd; worsteling. —, v. n. zich afmatten, tobben; worstelen (against. with). —r, a. worstelaar. Strum as (stroe'r2e), s. kropgezwel. —ass, a. aan
NE. cardialgy. —pieieter, stomachic plaster. —peeler, Mang, m & v. kinsman„ kinswoman, relation. stomachic powder. —tap, chyle. —rersteskend, —, v. stomach; ventricle, gizzard, maw, crop. cordial. —water, surfeit-water. —satin, stomachic vitae diaorderei stomach. —bitter, —elixir, wine. —senate, gastric nerve. —sickle, disorder —rtiddel, stomachic. —break, gastrocele.—dares, of the stomach. oesophagus, gullet. —koest, sough that originates MAW, v. virgin, maid, maiden, girl, lass; maidin the stomach. —koekje, etomachie lozengeservant. de heilige —, the blessed Virgin. de — -kramp, spasm in the stoinach,, cardialgy.—kwaat, etontschis disease. —Ain, pain in the stomach, vas Orleans, the maid of Orleans. —enbtoest, eir•
383 AAR.— AC1.1. eight-leered, octopetalons. —dik, —dubber, by. eightfold. octuple. —ehalf„ by. seven seed a half. —eting, M. eighth. Aebteloom, be. & bw. careless (-4.). uomindful (-1y), negligent (-ly). —Acid, v. carelessnose, u,.voindfuineee, negligence. Aebteen, ov. w. to esteem; to value; to mind. —swaarclifb, by. respecteble, honorable. Acbtendeol, o. half a peck; eighth part. siin, to Aehter, bw. & az. behind, after. er i(in, to be in the have guessed right. er niet eikander, five times running. dark. viemoca — gavot, to go to slow. Aviators/nu, hw. behind; in the rear. —konen. on. Yr. tofollow (to loiter, to linger) behind. —sidling, v. neglect. Achtera f, bw. out of the way, isolated. Aehterbaks, bw. secretly, privately, raiderhand. AehterblUfster, v. Zie Aebterbltiver. Acta erblijv en, on. w. to linger (to stay) behind, to tarry. to lag. —er, m. straggler, terrier, lag. —lag, v. staying behind, lagging. Achterbout, ne hind-leg. Aehterburgevnt, tn. Zie h. chtargracltt. Aclatorbauri, v. remote quarter. Aehterdeel, o hind-part. itehterdek, o poop. Aehterdeor, v. hack-door; shift, loop-hole. Aebterdoeht„ v. suspicion..— hebben oratrent, to eurpret• —ig, by. suspicious. Achte•dwaretnavv., o stern-cable, 'mime. Acittoreb, v. dead neap. 3w. coneecutiyely, sueAehtereen, ceselvely. Aelatorelade, a. hind-part, tail. Aeihtortent, law. van —, (from) behind. near —, beck's ard. ten --, in arrears; behindhhud. Aehtererven, m. after-heirs; posterity. Aehtergalerli, v. stern-gallery. Acbitergeng, me back -paeluge; looseness, diar-

Supercargo (ajoe-pur-kaaegol, a.itiperearga. Supercilious (ajoe-pur-sillus), a. —ly, ad. trotaah; gebiedend; laatdunkend. —nest,s.trotech. held; laatdunkendheid. Supereealuen ce leiee-nur-emn-ne.8)4 11meerdere voortreffelijkheid., hoogere rang. — t, a. —6y, ad. hoogat voortreffelijk. Supereroga to (sjoe-pur-er'o.geet), v. n. racer duen dan noodig is. —Non (-goe'sjun), a. overdrij ving, overdreven plichtsvery tilling. —tory (-getur- rib), a. overdreven, onverplicht. Suparegeellen ce (ajoe-pur-ekesel-lens), a, bongo voortreffelijkheid. —t, a. hooget voortref- . felijk, Super excrescence (sjoe-par-eks-kree'sene), a. uitwaa. —fecundity (-fa-kun'dit-tih). a. overrnatige vr achtbaarheid. — fetation (-fe-tee'ajuut), a. overbevruehting. Supertici at (sjoe-pur-tiorel), a. —ally, al. opperviakkig. —oboes*, a. opperviakkigheid. —es (-fez), a. oppervlakte. Super line (ejoe-pur-fajn'), a. latent fijn. (-fir e'it-tib), s. overtolligheld. Superiluoun (ejoe-pur'floe-ual, a. —ly, ad, overtollig . s. overtolligheld. Super human (Ijoe-pur-joe'men), a. bovenmenechelijk. —incumbent (-in-lounthent), a. bovenoverliggendSuperinduc e (sjoe-pur-in-djoes"), v. a. havendien aanvoeren; toevoegen; (upon) toekennen; 'gerwekken. —tion (-duk'sjon), a. toevoeging; eauwenning. Superintend (sjoe-pur-in-tend'), v. a. het toezicht hebben over. —ence, —scary, a. oppertoezicht. —eat, a. opziener, opzicliter. Superior (sjos-prri-ur), a. beter, hooger, var. heven (to). a. hoogere, meerdere. —ity (-or'it-tin), a. meerderheid; betore hoedanigheld; voorrang. Superlative (6jos-puele-ttv), a. —4, ad. overtreffend; seer groot, buitentewoon; be den hongsten greed. — a. overtreffende trap. —nest, e. voortreffelijkheid; hoogate greed. Super lunar (ejoe-pur-ljoe'ner), —binary (-worth). —mundane (-man'deen), a. bovenaerdsch. Supernal (sjoe,pur'nel), a. hooger, hemeleeh. Supernatant (sjoe-pur-nee'tent), a. boveudrijvend. Super.aatural (s)Ce-pur-net'joe-rel)., a. bovennatuurlijk. —ism, a. leer van het bovennatuurltIke, openbaringsgeloof. --neat, a. bovennatuurlijkheid. Supernumeraty (sjos par-njoe'mur-e-rib), a. haven het bepaelde getal. —, a. aurnumuralr. Supersaturate (ejoe-pur-setioe-reet), v. a. overversadigen. Super scribe (sjoe-pur-skrajb'1, v. a. van een opazlselfi voorzten;adresseeren.—seription(-skrip'. 'inn), a. opsehrift, adres. Supersede (sjos-pur-vied'), v. a. opschorten, staken; krachteloos makers; opheffen, afachaffen; afaetten, vervangen. —as (-sPdi-ea), a. bevel tot opsehorting. Superstitl on (sjos-pur-stisrun), a. btgeloot. —sus. a. —oualy, ad. btjgeloovig. Snperstruct (sjoe-par-strukt.), v. a. bouvve

Ik, vnw, I. — self, I mrielf. —held, v. individuality. Summer, bw. ever. —meer, bw. ever, evermore. "[miners, fw. indeed, to be sure, at least, nay, I date say. Impost,,. impost, custom, tax, duty. In, vz. in, into, within, at. — de twintig, twenty and odd. Innebtnenalug, v. observance. Inndem en, or. w. to breathe, to respire, to inhale. —leg, v. respiration, inhalation. Inbaker en, ov. w. to swaddle in, — up, to swaths. Inbnkken, ou. w. to lessen in baking. Inbtalstent en, or. w. to enbalaa. —ing, v. embalming. tubes." den (zIeb) 4 t. w. to imagine, to fancy. —ing, v. imagination, fancy, idea; self-conceit. Inilegoetelp, met — van, included. Inbeltelen, or. w. to work in with the chisel. Inbellen, or. w. to call in by ringing a bell. Inbergevi, or. w. to put by, to lock in. Inbeslagnenalng, v. seizure. Inbeuren, ov. w. to lift into; to receive. Inbeztt nenting,v. taking possession. —stalling, v. investiture. InbUt en, or. w. to make a ship enter into the harbor by breaking the ice; on. W. to corrode, to eat in, to fret into. —end, bv. corrosive. —ing, v. corrosion. Inblkken, ov. w. to notch, to jag. Inbind en, or. w. to bind (to tie) in, — closer; to restrain, to bridle; to reeve keen zeil v. binding in; restraining, bridling. Inbitter, by. very bitter. Inblitrestter, v. Zie Inbiager. Inblanw, bv. very blue, dark-blue. Cabinz en, or. w. to blow into; to inflate, to inspire, to prompt, to suggest. —er, m. prompter, suggester, instigator. —ing, v. inspiration, suggestion, Juni gat ton. bv. very glad. Inbiltiveu, on. w. to remain within. Iteboedel, Inbar I, m. furniture, household• stuff; goods and chattels. Inbtiegem, on. w. to enter into a harbor. Inboezem ass, or. W. to inspire with, to instill (into), to insinuate. —leg, v. inspiration, insinuation. Inbonzien, ov. w. to bounce in, — into. Iubooenan, or. Iv. to push into (by means of a pole. Inboorling, m. & v. native. Iuboos, tso, very wicked, reprobate. Inbo•en, or. w. to bore, to pierce. Inborst, v. character, temper, turn of mind. Inbreak, v. burglary, tut/action. Inbrand en, ov. & on. w. to burn (into); to cauterize; to lessen when being burnt, —kg, v. burning; cauterization. Inb7nosen, ov. w. to brace in. Kuhr ek en, on. w. to break in; to commit burglary. —er, m. burglar. —tug, v. breaking in; burglary. Inbreng an, ov. w. to bring in, — into; to import; to furnish; to earn; to adduce, to allege.


to besmear, to rub; to command, to sweep, to flank. -tag, v. spreading over, rulibiug; commanding. BestrIkken, ov. 'w. to adorn with knots. Beetroot en, or. w. to bestrew, to strew over, to sprinkle, to powder, to flour. -ing, v. bestrewing, strewing, powdering. B retudeeren, or, w. to study, to practise. Bestutv en, ov. w. to beduet, to cover with duet. Westulpen, on, w. to cover (with a curfew, with a lids. Beater en, on. w. to steer, to direct, to conduct to guide to manage, to go vern, to rule. -kg, v. steering, ordinance, guidance, management. Bestunr, o. direction, adminietration; management; government. --der, in. director, a4minietrator; manager; governor. -Ver b v. direct eaa., governess. Bethel bear, by. payable. -dag,pay-dray, quarter day. ---,neuter, pay matter, treasurer. utTddel, (legal) tende r. -tod, te ma for payment. Betaeld, by paid. iemand iets zetten, to requite a thing to a. o.; to give a. o. as good as he brought, to serve a . o. the same. Betel .rt, on. W. to pay; niet kunnen ---, to be insolvent; het gelag -, to suffer (to pay dear) for it. -er, Tn. payer; pay veaster. -ing, v. payment. Beton' ell", on. & bw. becoming (-1y), seemly, decant (-1y). -elijkheid, v. becominenees, seemlinens, decency. -en, on. w, to become,, to beseem, to befit, to be seemly. Detest en, ov. w, to touch, to feel, to handle. Y. handling. Bete, v. Zr i Beet. Beteeken en, on. w. to signify, to betoken, to mean; to serve (on). -ilia. v, legal notice. v. signification, meaning, sense. Betensus via, on. w. to tame, to break; to bridle, to check. -ing, v. taming; checking. Betor, by. & bw. better. - sunken, to improve; to care. worden. to grow better, to improve, to recover. - z(in,to be recov ered,to be quite well Beteren, on. w. ,o tar. Hater en, on. & no. w. to grow (to make) better. to improve, to recover; zich -, to amend, to reform. -eland, v. sax de - rkin, to get better, to be convalescent. -ing, v. - adrop, v. amend meat, improvement; recovery. -*chap beloven, to promise to amend. -er/tap wenachen, to wish the better. -Totten, o. tegen (me, agaioet one's conscience. Beteugel en, ov. w. to bridle, to curb; to restrain, to check. -iota, v. bridling, cart); check, restraint. Illetenter el, by. confused, abashed, out of countenance, perplexed. --dheid, v. contusiou, perplexity. -en, ev. w. to confound, to perplex. Belicht est, on. w. to impeach, of, to tax with. -er, rn. --ater, v. taipeacher. -ing, v. impeachment. Betties, ov. w. later. -, to let alone, to let have one's vatnd_ Betttnimeer en, ov. w. to build upon; to make of wood lemanda light -, to shut up once light;

Hoe vaak wordt Bitcoin waardeverandering


More than 9 million people have participated to the Erasmus program since its creation. The number of young participants has increased significantly since 1987. Nearly 300,000 a year for only 3,244 in 1987. Spain is the country that allowed most people to participate to Erasmus with more than 40,000 per year, ahead of France, Germany and Italy. The countries receiving the most students are Spain with more than 39,000 students and then Germany.[16] There are currently more than 4,000 higher institutions participating in Erasmus across the 37 countries. In 2012-13 alone, 270,000 took part, the most popular destinations being Spain, Germany, Italy and France.[17] Erasmus students represented 5 percent of European graduates as of 2012.[18]

Rieder U den, on. w. to rids with A. o. lnedesthepael, o. fellow-creature. Modeschreeuwen, ou. w. to join in a cry. illedeschuidig, by. Zie Bledeplichtig. Medeeleepen, ov. w. to drag (to hurry) away, — along with; to involve; to seduce. Riede:wet en, ov. w. to join in a play; on. w. to play with a. o. —er, m. partner. Modespreken, on. w. to join in the Conversation; to meddle with. Ititedestender, rn. aeeociate, partisan, abettor. Itiedeste ► ns en, on. w. to vote likewise, to be amongst the voters. —iag, v. voting with others. ItledestrUd en, on. w. to join in the combat. —er, m. fellow combatant; competitor. Medevaillen, on. w. to meet with unexpected aucces, to succeed beyond expectance. Medevoeren, on. w. to carry along with, to bring off. inedevongd, m. —et, v. fellow-guardian, jointguardian. —(j, v. —ijschap, v. joint .guardianship. Itiledeveaken, on. w. to watch in company.

413 Dezviadderen, ov. w. Zie Bezoedelen. Mimeo, bit. made of bill:malice. ov. w. to dull, to tarnish; to biota, Blg,v. pig, gruntling, porkline. lieuwalk to defile, to cast A blemish upon. —er, m. --titer, Bliggoleck, on. w. to trickle (down), v. tarnisher, stainer; defiler. —ing, v. tarnishing; BU, v.. near, at, with, about, in, of, to, by, defilement, contamination. upon. ik teas er —, I was present. —aldien,vw. Illazwanger en, ov. w to get with child ; to if, in case. impregnate, to saturate. —d, by, impregne,i, BU. v. hes., —enanget. sting of a bee. —etablad, fraught. —ing, v. getting with child; impreg- balm-mint. —enttroedeel,brood of bees —eneelletje, bee-cell. —eneter„ —enwolf, bee-eater.— engetiaeht, nation. Illezwnr en, ov. w. to burden, to charge, to bee-kind. —enheuder.hiver, bee-master. —enkuif., overcharge, to clog, to oppress ; to Accuse; to —enkorf, bee-hive, —enkeningin, mother-bee, beelay taxes upon, to overrate; to mortgage; zie4 queen. —ent telt, rearing of bees. —mem, bees' — over, to he uneasy about. —end, by. ewe- wax. —enzwerm,swarm of bees. lithbantt,•. branch-honk. ',rating, onerous; oppressive; indig.stible. v. charge; encumbrance, opereasion, grievance. Mlbrdo.lIng, v. by-end. subordinate aim. 13e,weer der, m. —ater, v. swearer; conjurer, 13Ubstgelp,o. accessory notion. exorcist 'Whet, rt.- Bible. —beaky, clasps of a bible. Ilimareet, by. sweating, in a sweat. --And, leaf of a bible; Bible. —hock, book 01 13,,wernnaen, ov. w. to reach (by swimming . the Bible; Bible. —genootsehap, bible-society. iitezwer en, ov. w, to swear to, to confitm by —hernia, biblical knowledge. —leer, scriptural oath; to exorcise, to lay; to conjure; to entreat, doctriee. —deter, reader of the Scripture —ntatig -- ivy, v. confirmation by oath; exorcism ; con- ecripturel; conformable to the Bible. —plants, juration ; —aboek, conjuriog-hook , —sforotulier, scriptural passage. —sprenk, scriptural sentence, spell, magic sentence. --IOW, biblical .;tale. —clef, —tekst, scriptural Ileztvkiken, on. w. to sink, to g,ve way, to he I text. —rust. well-read In (conversant with) the overcome (by), to succumo (to); to die. Scripture, scripture-proof. —rerhlaarder, exn on• w. to Rwoon, to faint (a ay). pounder ,interpreter of the Holy Writ. —ver-sag, v ewoon, fainting tit.; ,kloring, exegesis —zero, verse of the Bible. —verfibber..., on. w, to elitver (van konda, with co , d). I rpretd , ng, propagation of the Bible. —rerfraing, Bibila fla.ecrarleon. librarian. —theek, v. library. translatton (version) of the Bible. —werk, bible Bld den, ov, Sr. on w. to pray, to say one's prayers, I with a commentary; commentary on the Bible. to say grace. to bless the table; to beg, to , —tvoord, Holy Scripture. —sch, by. biblical, beseech, to entreat —bank, pew, Paid- stool, scriptural. or the Bible httesoch. —dog, day of publt, prayer. —plqate, IlUbotoll en, ov w. to pay in addition. —lag, oratory, chapel. --stand, prayer-reeting. —ltur, a. additional payment, addition. hour of prayer. —der, m. prayer; undertaker's itlUbeteekenitts, r, secondary meaning. man mute, --titer, v. prayer. I BUbitucl en, ov. w. to bind (to tie) to. —ing, v. flecibt, v. confession. to — goon, to go 0, con-, binding (tying) to. feteston. de — ofsemen, to confess. —geld, eon- 11311Jbled, o. supplementary sheet c supplement. feasor'e fee, —kind, courevant.. —stool, coulee- en, on. w. to walk as fast As, to keep atonal. —veder, confeeenr. —eling, m, & v. con- up with; not to abandon, to adhere (to stick) fieittaut, penitent, — en, on' & .arc. W. to conies.. to, —end, be, remaining with; adhering (stick-cc, m. titer, • . Zie ing ► to; continued. —ing, v. continuance; adfled en, ov„ w. to offer; to tender. to bid (for). Bering (etickinr) to. to bargain; het hoed— aun, to make head against, lilijboek, a. additional book. —eie, ay. w. to dan, to resist; meer outlitd. west —ende, book up to the day. tiktbreng en, °v. w. to bring nears to allege, highest bidder. —er. rn. —eter, v. bidder, War, o. beer, al.. swear —, strong beer. dun —, to quote; to contribute, to avail; to afford. —er, small beer. —asijn, ;item, —boon, ale-porter 's rot —ster, v, alleger, quoter, contributor. —ing, yoke.. —broutver, brewer. --brouwer(j, brewery, a. allegation; contribution. strew-house. —bulk, tippler; paunch, big-belly, illidebandoeh. bv. under the hand,near-horse. —draper, ale-porter. —fetch. ale. bottle, beer- IlSkidenklbeeld, o. by-thought. bottle. --geld, beer-tax, -money. —glad, beer- Illidleht,o. episode. glass, numb'er. --,kroeg . ale-house, —ken, HU ov. w. to add, to subjoin. tankard, ale-pot. —kelder„ vault for beer, Me. litlidenagiV4er, v. Zie BUdenger. cellar. —kruik, pitcher. tankard. —soer, BUdraaiern, on. w. to heave to, to Come to, beer-soup. —atelier, firkin-men, —atelling, beer- -- up; to yield, to come round, stand. —rapper, efehou?e-keeeer, retailer of litter. BUdirolge, v. contribution; article. —n, or. w. to —ton, —rat, beer-cask, -berry). —tvagen, dray.I evntrabute. r,rrt. contributor. —enbreod, beer-soup, ale-berry. —echtig. be. like Illieen,bw. together. beer, 11111Jaenlheengen, ov. w. to bring together, to Bias, v. ru,b, bulrush; edging. rijne bleats pakken, gather up; to assemble, to collect, to combine. to pack off. —botch, runny place. —look, chives, BUeendreg•n, or. w. to carry together. liPjeendeUven, ov. w. to drive together. Blest, v. biestinge. BUeenhoten„ or. w. to fetch together. Bletolosuavv, m. bag-bear, snare-crow. BUeenhou d ov. w. to keep together.

Iiiierkilez eta, ov. w. to reelect. —ing, v. re- Illorplitats en, Or. W. to replace. —ing, v. reelection. placing. inereknedan, or. w, to knead (to mould) over Illerpimalt en, ov. w. to replant, —ing, v. reagain. plantation. ilerkonepee, ov. w. to button (to tie) again) Herpineg en, 07. w. to plough (to till) again. to recommence, to renew. —ing, v. ploughing over again. Illearekr,k en, or. w. to boil over again; to con- illerOloollen, ov. w. t- plait 110 fold) again. side, again. —ing, v. second heiling, illerpeet en, or. w. —tag, v. Zie Herr,tauten. Ilerkieenees, on. w. to proeeed, to finite; to de- Herearoeven, 07. w. to taste again. mend, to derive. —, o, custoee, rive. Illierrekamtn, ov. w. to reckon (to calculate) over Ildereetrinot, v. deecent,extra-tion, birth; origiu, again. derivation. —ig, by. dcaleended, barn, sprung IfferrUz en, on. w. to rise again, to revive. tit (nom), native (of), originary. den dood --, to rise from the dead. —entie,—ing. literatreop, in. repurrhnve. —en, or. w. to re- T. Yie ...der Verrajnen, purchaee, to buy back again. ilicrepep elUk, by. revocable, repealable. —eNlerkonecen, ov. W. to copper again. ltikheid. v. yeeocableaess, —en, or. no, to recall, llerkrtJg an, or. Ir. to get back (again), to re. to revoke, to retract, to recant, to repeal. —in, cover. —ing, v. recovery. v. recoil, revocation, retraction, recantation, Ileelipsd ette, or. w. to load (to lade) again. —ing, repeal. v. loading (lading) again. nersehatt en, ov. w. to revalue. —er, m. reSEerlieee.n, or. w. to learn (to teach) again, valuator. —ing, V. reealuation. etalelatd i,,,t,P, by. reducible. —baarheid, V. ra- lilieriiebep en, on. w. to reship, to transship. ductbleeese. —en, ov. w. to redace. —ing, v. —ing, v. reshipment, trensshipeneet. reduction. iiliereicisepp en, or. w. to metamorphose, to Henley eon, on, w. to revive; to return to life, treusform ; to regenerate. —er, an. metamorto get a new life ; to renew one's age. —ing, v phocer, transformer; regenerator. —ing, v. metarevIval. morphosis, transfornnttion ; regeneration, lieeriez rot, 07. w. to read over again. --ing, Iliersehkin en,on.w. to chine again; to reappear, v. readiog again, second reading. —ing, v. shining again; reappearance. Illerwttlken, ov. w. to remake, to repair. illersehikk en, or. w. to arrange to regulate) Herts., en, or. w. to grind. again. —fog, v. anew. —ing, v. new arrangement. grinding again. llierEehousw en, ov. w. to inspect (to review) allernsuoiaen, or. iv. to don again. again. —ing, v. new inspection. IlltereneliUma, ro, Pa o. ermine, —en, by. (of) en. IllersehrOven, ov. w. to write over again. mine. Hersen en, v. my. brain, brains, —klier. pineal llilerneengen, we. w. to mix again, gland. —ontsteking, inflammation of the biotin, Illertnerkeera, coo w. to mark (over) again. brain-fever. —pan, skull. —boor trepan. —schim, llcc'enct en. oc. w . to measure (over) again, fancy, chileere. —schimmig, chimerical. ' —Irked-ing„ v. reeasering (over) egnie, eeconei mea, ding, cenrueeion of the brain. —riles, cerebral tiTe men t. membratite, meninge. —rorucht, Productionof the illie;rentant en, en. w. to recoin. —tag, v. re- brain,freit oftheunderetanding.—evoede.freney, e.oicege. delirium. —loos, by. brainless, addle headed. —a, lfiternardetto or. w. to new again. v. me. iv:nand de — insla.2n, to knock out a. o. '8 tlerni,11; Op, 0, W. to take back again, to retake; braille. te relay. -icy., a. recapture, retakiug. lilieralUpen, oe w. to whet (to grind, to polish) ellereda..atiee. an. Moravian brother. over again. GI.Vatitelllif P.,Itr, by. renewable. —en, ov. w. liferaraleden, ov. w. to forge again; to change. to renew. —lug, V. reuenal, le novetion. to reform. 'Werra oornon, ov. vv. to rename, to name again. Illieranyelit en, or. w. to remelt. —leg, 'v. re•

Waar kan ik de handel Crypto met leverage


Supercargo (ajoe-pur-kaaegol, a.itiperearga. Supercilious (ajoe-pur-sillus), a. —ly, ad. trotaah; gebiedend; laatdunkend. —nest,s.trotech. held; laatdunkendheid. Supereealuen ce leiee-nur-emn-ne.8)4 11meerdere voortreffelijkheid., hoogere rang. — t, a. —6y, ad. hoogat voortreffelijk. Supereroga to (sjoe-pur-er'o.geet), v. n. racer duen dan noodig is. —Non (-goe'sjun), a. overdrij ving, overdreven plichtsvery tilling. —tory (-getur- rib), a. overdreven, onverplicht. Suparegeellen ce (ajoe-pur-ekesel-lens), a, bongo voortreffelijkheid. —t, a. hooget voortref- . felijk, Super excrescence (sjoe-par-eks-kree'sene), a. uitwaa. —fecundity (-fa-kun'dit-tih). a. overrnatige vr achtbaarheid. — fetation (-fe-tee'ajuut), a. overbevruehting. Supertici at (sjoe-pur-tiorel), a. —ally, al. opperviakkig. —oboes*, a. opperviakkigheid. —es (-fez), a. oppervlakte. Super line (ejoe-pur-fajn'), a. latent fijn. (-fir e'it-tib), s. overtolligheld. Superiluoun (ejoe-pur'floe-ual, a. —ly, ad, overtollig . s. overtolligheld. Super human (Ijoe-pur-joe'men), a. bovenmenechelijk. —incumbent (-in-lounthent), a. bovenoverliggendSuperinduc e (sjoe-pur-in-djoes"), v. a. havendien aanvoeren; toevoegen; (upon) toekennen; 'gerwekken. —tion (-duk'sjon), a. toevoeging; eauwenning. Superintend (sjoe-pur-in-tend'), v. a. het toezicht hebben over. —ence, —scary, a. oppertoezicht. —eat, a. opziener, opzicliter. Superior (sjos-prri-ur), a. beter, hooger, var. heven (to). a. hoogere, meerdere. —ity (-or'it-tin), a. meerderheid; betore hoedanigheld; voorrang. Superlative (6jos-puele-ttv), a. —4, ad. overtreffend; seer groot, buitentewoon; be den hongsten greed. — a. overtreffende trap. —nest, e. voortreffelijkheid; hoogate greed. Super lunar (ejoe-pur-ljoe'ner), —binary (-worth). —mundane (-man'deen), a. bovenaerdsch. Supernal (sjoe,pur'nel), a. hooger, hemeleeh. Supernatant (sjoe-pur-nee'tent), a. boveudrijvend. Super.aatural (s)Ce-pur-net'joe-rel)., a. bovennatuurlijk. —ism, a. leer van het bovennatuurltIke, openbaringsgeloof. --neat, a. bovennatuurlijkheid. Supernumeraty (sjos par-njoe'mur-e-rib), a. haven het bepaelde getal. —, a. aurnumuralr. Supersaturate (ejoe-pur-setioe-reet), v. a. overversadigen. Super scribe (sjoe-pur-skrajb'1, v. a. van een opazlselfi voorzten;adresseeren.—seription(-skrip'. 'inn), a. opsehrift, adres. Supersede (sjos-pur-vied'), v. a. opschorten, staken; krachteloos makers; opheffen, afachaffen; afaetten, vervangen. —as (-sPdi-ea), a. bevel tot opsehorting. Superstitl on (sjos-pur-stisrun), a. btgeloot. —sus. a. —oualy, ad. btjgeloovig. Snperstruct (sjoe-par-strukt.), v. a. bouvve

385 Adasin, or. w. to nobilitate; to ennoble. Adel bv. noble; smelling, high. Aden', in. breath. in. Oise* —, without atopplrg. van iatsge.a —, requiring time, tedious. —tocht, breathing, gasp. —en, or. & on. w. to breathe. —liaise, on. w. to breathe. —haling, —ing, v. breathing, respiration. Ader, r. vein; course; streak. —break, phlebor• rhage. —gestate!, — spat, eerie. — rijk, full of vtint —slag, pulsation. —vlies, chorion. —achtig, be. ov. w. to vein. —lie, by. veiny, veined. vetny, --tutee, ov. w. to bleed. —lating,v.bleedlnx. Adjudant a nt, a•judant. —splaats. edjutreory. Admirals!. m. admiral. —roceip, admiral —stela°, Admiral's-flag. —.thew, a. admirainhip; to oat' in company. Atha's...Melt, v. admiralty. —shot, court of admiralty. Attires, a. direction; card; address, petition. —trek, directory. —.smart. address-curd. —letter°, iutelligence-offiee. —semen, or. w. to direct; oiea — aan, to apply to. Adverteutio, r. advertisement. —b!ad, advertiser, ---hosten, advertising. Advertearen, ov. & on w. to adrertime. Adwies, o, advice. —trief, letter of advice. —jacht, 'a. advice-bola. Adviseeren,ov. w. to counsel, to tacit.. Ads/mutt, M. advocate, la wyer, barrister (at law). —generaol. attorney-general. Alf, bw. off, down, — en van, to and fro, —, by. finished, done; exhausted, up. Afbaken ess, or. w. to mark (to trace) out; to mark with beacon.; to delineate. --ing , v, tracing (marking) out; delineation. Aibedeless, or. w to beg of, to get (to obtetn) by begging. Afrsotaid en, ov. w. to paint, to draw, to portray; to represent; to delineate, to typify. —Cr. in. painter; drawer; rcprraeoter, typifier —lag, v. painting, drawing, portraying; cture; representation; delineation. —se', o. pitture, portrait, portraiture; figure. imaeo. Arbeitelen, or. w. to take off with a chief'. Afftersidon, on. w. to burnt to crock) off. Afbestell en, or. w. to countermand. -hip, v. counter-order. Arbetal an, ov. w. to pay off. —fog, v. paying off; full payment. Albetten, or. w. to bathe, to wash. Afbevilen, ov. w. A rich t. w. to overdrive;to harass (oue'e f). Afbeureu, ay. w, to lift off. Afbidd en, or w. to implore; to deprecate. —er, tn. deprecator. —ing, v. deprecation. AftsIgtaiess, oat. w . to trickle down, AlbUten, or. w. to bite (to nip) off, de spite —, to etude the first shock (brunt). Afbtk.ken, ov. w. to pick off. Arblastian, °v. w. to tittle; to laud off, to etring. Afbiaderen, or. ve_ to strip 4,ff ,theleave*). Afbiazen, or. w. to blow off; to scale; on. w. to round the retreat. Afbilivon, on. w. van. to keep off.froin, to let alone, to leave untouched, not to meddie with; to stay away from.
per, piggler, old fumbler. —kerne; cheese-room, dairy. —kooper, cLeese-tnonger. —kerf, cheesehurdle. —let, runnet.—made i cheepe-mite.—markt, c heece-market. —mat, —.yore', cheese-frame. — tat, cheese-vat. —reel, whey. —teinkel, cheese-shop. —tevongel, curds. —aehtig, by. catteoup, cheesy —jeskruid, mallow. Knots, v. chase. de — teekenen, to mark the chase. —barn, tennis-court. —bal. tennis-ball. —mender, keeper of a tennis -court. —net, racket. —*pet, tennis. —zeef, tame°, —en, on. w• to play at tennis. —er, m. tennis-player. —ing, v. playing at tennis. Kalamai, v. gown, chamber-cloak. Robots, v. hand-backer, frail, at oik-beg. —sea, ov. w. to flich, to pilfer. Robbed en, on. w. to ripple, to murmur. —stream, river softly agitated. —ing, v. rippling, beating against the ,,bore. Kobel, m. cable. den — inttekrt., to moor the cable. den — opsehieten.. to coil the cable. --pare', rope-yarn. —vet, yeoman of the boatewain's star--room. gat,—kot, cable-tier, -stage, -room. —Heed, keckling. —rand, border in the farm of a stable. —slag, cable-laid. —etrik, spring. —tome, cable. —slengte, cable's length. Robolaring, v. royal, voyoi. Kobeljnow, Ern. cod, codfieh. —vitt:whet*, codfishery. Kabinet, o. cabinet; closet; privy-council. —maker, cabinet-maker, joiner. —014, excellent piece. —sread, cabinet-council, privy-council. Rabouter, m. urchin; elf, gnome. —ntannetje, hobgoblin. Ktobitla, v. cooking-hat, caboose. --toot, headed cabbage. Roche!, v. stove. —gratis, small coals for stases. Rode, v. Zia Kraal. Roder, o. list; officers. Rode:, v„ —je,o. roll. Railroad, v. sutler's boat. —era, on. w. to sell provisions. —er, rn. antler. Ji ot. o. chaff. dorschen, to work in veils.. Rolfe, o. mock-velvet. Knjult, v. cabin. —Awn gen, —sweater, cabinoy. Kok, m. excrements, turd; hubbub. —hie], chi'. bIained heel; sloven. —Attie, privy, house of office. —maker, hubbub-maker. —selto3ltje, babies' school. —steel. babies' close-stool. Kabelseesx, o. jaw -bane. Koko' oar, In. chatterer, tattler. —aarster, v. prate?, gossip. —erg, v. tittle-tattle.

ad. (se-ten'ik-I, satansch, duivelachtig. Sand ed leend'idl. a. zand , ,,,bar; zandkleurig; ge. sandeihout. Satchel iset'sjii), e. zak ,e; boekentasch. (-urn), spiick.ld; — less, a. onverz9.— iness (-i-nese) a. zandignaid. — ish, R. ran-tacit- Sate (seet'), v. a. verzadigen. d ( - i - vur), a. glasseliaim. — wick ( - wlisj), lig. Satellite (set'il-lajt), a. trawant; wachter. zandig; dunbelale boterhain met vleesch. —y, a. s. Sati ate (see'sjt-et), a. verzadlgd, zat of with. los, rot; zandkleurig. - tare — ate ( - eet), v. a. verzadigen. — ety (se Sane (-oen), a. gezond van zinnen. s. verzadigdheid, zatheid. Sangiulf erons iseng-gwirur-us), a. bloedvoeetlasbloem. — ribrend; bleed•. — ication ( - i - kee'sjun), a. bloedma- Saitln nieoin), s. satijn. —flower, bon, zijden lint. — spar, satijnspaath. — wood, making. tijnhout. — et ( - et';, s. halfsatijn. Saragnin ary (senegwin-e-rih), a. bloeddorstig. spot-,hea. bloed rood; bloedrijk; levendig, Soatlr a (set'vr; ook: see'cajr), a. satire, — e kelsehrirt. —ic, —lent, a. —icaily, ad. tae-tir'ik-). •rooltjk; houpvol; vurfg. — eneas, s. bIoedkleur, satiriek, bekelend, btjtend. —let, a. satirenschrijbloedri)kheid; levendigheid; vertrouwen. — eons ver, hekeldictiter.—ixe (-ajz), v. a, bekeIen, door— ity ( - gwin% (-gwin'i-us), R, bloedritk; listen it - t,h), a. Zie SangtainenesN. Satisfaet Ion (net-Is-fek'sjun), B. voldoening; Saciele isen'tkn, s. wondltsuld. genoegen. — ire, —ory. a- —orily ( - tur - ii-lih), ad. Sari es (see'ni-iez), a. dun. etter. —ous, a. etvoidoend. —oriness Our-i-ness!, a. bevrediging, tertg; etterend. toereikendheid. Sanit airy (sea% te-rih), a. gezontibelds, —y, a. Satia• ler (set'is.faj-ur), s. bevrediger; die volgezondbeid. duet. — y ( - NJ), v. a. Zit at, voldoen, genoegen gme.; Sap (asp';, s. sap; spint; mijngang; ondermijning. verzsdigen, (with); bevtedigen; betalen; overtni— , v. a. ondermijnen; v. n. beimelijk te werk gen (of). gaan. Sapid (sep1 , 1), a. smakelijk. —ity (se-pid'it-tib), SatiV. (see'llv), a. in err' tutu gezaaid. Satrap (see'trep); s. satraap. —y (seere-pih), B. s. smakelijkheid. landvoogdij. .Sapien ice (sPe'pi-ens), a• wiir• Sap less (sep'ieas), a. sappeloos, droop. — ling,s. Saturn bie (stiejoe-ribl), a. verzadiAbaar. a. verzadigend. —te 1-reet), v. a. verzadlgen. jonic boomple. —tion 1-req'sjun), a. ver.digieg. sap...acetic. , Bep-o-nee'sjus), a. zeepachtig. Sapor ;ree'por), a. rmaak, gear. (sep-ur- Saturday, (set'ur-dee), a. zaturdag. Saturn Iset'urn), a. Saturnua; loud; zwart. — ale ririk), a. sknaakgevend. —out (sep'ur-us), a. scna-
rechtvaardigen. —able, a. beweerbaar. —er, a. getuige; bewija. Avow (e-vaau'), v. a. bekennen, erkennen. —able, ts. erkenbaar. a. bekentenis. —edly, ad, onbewirnpeld. —ry, s. verdediging, pleitachrift. AVIIISIOD (e-vul'ajun), a. afrukking. v. a. verwachAwait (e-weet), a. hinderlaag. ten. Awake (u-week'), [awoke, awaked], v. a. wekken; v. n. ontwaken. —, a. wakker. v. a. Award (e-waord'(. S. vonnia, uitspraak. toewijzen; v. n. beslissen, uitspraak doen. Aware (e-weer), a. onderricht, bedacht, ornzichtig, (of;. int. voort Away (e-wee"), ad. weg. Awe (now), 8. ontzag, eerbtedige vrees. —struck, a. met ontzag vervuld. —, v. a. ontzag taboozemen (into). Awful (aow'foel), a. —ly, ad. ontzagwekkend; 4 buitengewoon. —nest, a. ontzaglijkheid. Awhile (e-wajl'), ad. eene pool.
BAL,—BAR. (baol',;ur-desj), a. mengelmoes; wertaal. —, v. a. vervaleche, BaldrIck (baold'rik), a. gor lel; dierenriem. Bale (heel), a. beat; elle, de. —, v. a. in Wen darn; lout) uithozen. —ful, a. —fully, ad. droevig. Balk (bask), a. balk; braakgrond; telenratelling. —, v. a. teleuratellen (of). —cr, s. teleursteller; haringaan wijzer. Ball (baol), s. bal, bol. 'cage':; danspartij. Ballad (bel'led), a. ballade. —singer, liedjeszanger. Ballast (bellest), a. ballast. —, v. a. ballaaten. —shot, a. scheef geballast. Ballet lbel'lit (, s. ballet , danaspel. Balloon (bel-loen"), s. bol, luchtbol. Ballot (bel'lut), a. stemballetje; geheime stemming. —, a. n. balloteeren. —ation, (-tee'ejun), a. stemming met balletjes. Balm (beam.), a. balaem; citroenkruid. —, v. a. balsemen; verzaehten. —y, a. bfilneMaChtig. Balsam (baol'sem), a. leniging, troost. —ic, —ical (-sem'ikl), a. balsamiek. —ine (-min), balsamine. Baluster (bel'us-tor), a. atijltje. Balustrade 0,0'ns-treed), a. leuninghek, Bamboo (bem-boe'), a. bamboesriet. Bamboozle (bem-boe'zlI, v. a. bedotten. Ban (ben), a. huwelijksafkondiging; ban. —, v. a, vervloeken„ in den ban daen. Banane (be nee'ne), a. pisangboom. Band (bend), a. bet; band, lint; bende, troeP; plat deketuk. —, v. a. verbinden, vereenigen. —age Ibend'idsj), a. verband. —box, lintdoos, hoededoos. —dog, a. kettinghond. Bandit (ben'dlt), a. bandiet. Bandiet (bend-lit), a. bandje; amulet. Bam:og (ben'dog), a. kettinghond. Bandoleer (ben-do-Tier'), s. bandelier, patroonteach. Bamiroll (bend-roof), a. vaantje, wimpel. Bandy (ben'dih), a. kolfstok. — a. g,ekromd. —leg, krombeen. —legged, krombeen ig. —, v. a. over en weer alms; wiaselen; v. a. wedijveren. Bane (been'(, a. verderf; vergift. v. a. vergifOgee. —ful, a. vergiftig; verderfelijk. fulness a. verderfelijkheid. —wort (-wart), a. nachtsehade. Bang (beng), a. klap, slag. —, v. a.. Mean, atompen; § overtreffen. Bangle (ben'gl(, v. a. (away) verspillen, yeakw isten. Banian (benlen), a. indische ochtendjapon; indieche vijgeboom. Banish (ben'iaj), v. a. verbannen. —er, a. verbanner. —meat, a. verbanning. Bank (beak'), a. never, dam; sandbank; rroeibank; apeelbank; wiseelbank. —, v. a. indarnmen; v. n. bankzaken drijven. § —able, a. gangbear (van banknoten). —er, a. bankler; 4 vieschersvaartuig. —bill, —note, banknoot. —rupt, a. bankroetier; a. bankroet. —ruptcy (-rup-sih), a. bankroet. Banner (ben'nur), s. banter, vaan. —et (-it), a. vaantje; baanderheer. —ol a. vaantje; wimpel. Bannock (ben'nuk), a. haverkoek. Balderdagh
42f; BUI.—CAL Buitetssiogel, tn. outer-rampart. —vooge14, castellany. —create, astellan lady. —wal, rampart, canal. Buttensteande, bw. abroad Bulionolsalt en, ov. w. to exclude. —ing, v. Burigenseester,m.burgoniaster,mayor.—serosto, exnusion. mayoress. —10, bv. di bw. like a ourgomaster, Buteenspo , r1g, be. & bw. extravagant (-ly), consular. with authority. —eckap, o. office (digexorbitant (-1y), --hell, v. extravagance. nity) of a burgomaster. Burger, in. citizen, burgess, commoner- —deers, Bun taxisproing, KA. digression; false step. —doehter, —meisje, girl of the middle close. Bultenetston, un. w. to stand witbcut, to withdraw. —desspd, —tin, civic virtue, civism, public spirit. Bultenstakei, v. suburb. —draeht. —kleeding, dress of the middle class. —red, civic oath. —halt, house of a citizen. Bultenste, by, outmost, outermost. —, o. outOde. —jongen, boy of the middle class. —]shrews', wOman of the middle class. —hashes, Bli „rlte.saattlde, bw. out of season. kott, —pot, ordinary fare. —kind, child of the Bultearesel ar, m. gentleman-governor of tits general concerns of an hospital. middle class. —honing, citizen-king. ---tti)g, Bilittillita WILK, o. country-house, -seat. —oor/og, civil (intestine) wry. —kroon, civic Buitenwainria, bw, outward. crowns. —leven, private life. —lieden, citizens, people of the middle clans. —man, man of the filuitenwarbt, y. advanced guard, outguard. Buitensveg, rn. outer-road. middle class. sit, cotnmooer. —pliekt, citizen 'a Bullenwerk, o. outwork; tillage. —en, o. my. duty. —rectal, citizenship, civil law. —regeering, popular government, democracy. —school, cityoutwork,. —a, bw. without the clear. school. —stand, clasa of citizens, middle slats. niteuzUde, v. outside, exterior. Butter, m. freebooter. —trent, common-way. —trots, pride of the middle clays. —trouw, allegiance. —railer, father of aiukk en, on. w. to bow, to stoop; to submit. —log, v. stooping, submission. the citizens. burgomaster. —world, national Butts, V. nil,. —Loom, box, box tree. —kogel, guard, train-bands, —wet, civil law. —soon, son rifle-ball. —ectieter, of a citizen. —achtig, bv. citizenlike. —es, v. eitess. —, v. citizens. —49k, by. & bier. citizenBull, v. ball. like, civil; plain (-ly), common (.1y). —ackap, m. buil. —hood, bull-dog. —katf, bull-calf. v. citizens; o. eitizenabip. —oa, gelded bull, bullock. bug-bear. Burnie, v. barrow, baud-barrow. —lepeee, b til l's-pizz le. Bolder star, nn. blusterer. —en, on. w. to rage, Bus, v. box, urn; barrel, rifle, arquebuse. in de — Oaten, to pry (a fine), to come-down. —bewaarto bluster, to roar. —bast, m. blusterer, swearer, —ig, or. boiat,rous, blustering. —ing, v. raging, der, koeper of a box. —draper, box-carrier.—Pieter, gun-founder. arsenal.—hruit,gun-powder. blustering. —*stetter, reaster-gunner. —sclaieter, musketeer, Bunten, on. w. to low. to bellow. rifle-man. Buluter, v. bolate;, pillow, cushion. Bull, m. bunch, Minors boss, bump. —Popper, Bussed, an. Zie Bundel. —en, ov. w. to bundle ' to tie up into bundles. —rnaar, planisher. —os, bison. —sate, straw-bed. in. hump back, —acht4/, by, hump-backed, crook- But, v. bidon, can Butoasr, In. bittern. ed bv. bunchy, humpy, bonny. Buena', m. neighbor. —dochter,—Ineive,veighboring Hen it, v. trunk, lass. —jongen, neighboring lad. —kind, neighbor's m. bundle, truas; bottle; elleaf, fasces. child. —laeden, neighbors. —man, neighbor. iittudtar,o. hectare. —practje, neighborly chat, gossip. —vroato,neighlaunztrtg, un. bor. —akuis, neighboring house, next-door house unclit , Zie Burg. Buren, on. w. to visit one 's neighbors, to be —echo's, a. neighborhood; hamlet; good intelligence among neighbors. neighbors, to be ne!ghborly. Burg, In. borough, cattle, stronghold. citadel. Ber urrt, v, neigborhood; hamlet; ward, quarter. —bock, register of a ward. —briefje, notice to the —groat, burgrave, si , caunt. —groafeekap, burgravta te, yiscouotahip. —gravin, burg ravine, inhabitants of a ward. --hoer, gentleman of a hamlet. —tneester, warden; head of a hamlet. viacountess. —kook, dental. —mop!, castellsn.
—kar0, v. printing-office. —king, v. precsare. —sea, o. 1. rage, stamp, copy. —te, v, hurry of business; bustle. Drop, m. Zie Drop. —pen, on, vv. Zie Druipen. Oruppel, m. —se, on. w. ZicanderDroppel. Dubbel, be. & bw. doable (-bly). —e deur, foldine-doors.o. double; copy. —Aartig, by. & ed, double-hearted, false (-Iy), bw. double-fac treacherous I-1y). —hartiyheid, double-dealing, duplicity, falseness. —schadusoigen, amphiscii. —tongig, he. & bw. Zie Dubbpibarvig. —zinnig, essiblguous , equivocal, double-minded. —zin,ssighefa, ambiguity, equivocalness —en, ov. w. to doable; to sheathe (eta schip). —ing, v. doubling; sheathing. —tje, o. two-pence, piece (If two ethers. Dubb en, on. w. to doubt, to hesitate. --er, m. doubter. —ing, v. doubting; heeitailou. Dubloen, m. doubloon. Ducht °v. w. to fear, to dread, to apprehend. —ig, be. & bw. strong (-1y), sound (.1y). —jag, v. fear, dread appreheneion. Duel, a. duel, single coinbat. —leeren, on. W. to duel, to light a single combat. —let, m. dueller, duellist Dol. by. fusty, musty. Dult'el, o duftle -:ech, be. duffel. Duiffig, be. fusty, musty. —held, v. fustiness, M1181.113.d.
AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to
D. Dacia (dee'sji-e), g. David. Diana (daj-ee'ne),, my. Diana. Dick (41k), —y, f. none Richard. llaleearles g. Dalecarlid. Dickens (dik'nz). m Dickens. Dalmatia (del-mes".jt-e), g. Dalmatie. Dieppe (di'ep), g. Dieppe. Damage o (de - mes'k0). Dsmatcus• Dinah (dente), w. Dine. Dan (den), f. voor Daniel; Daau. Dan a (dean'), 1. Been. —bob, a. Deensch. Diocletian (daj-o-kli't.ji.en, tn. Diocletiaan. Dlogenes (dej-od'sje-niew), m. Diogenem. Daniel (den'i-11), m•lite , . Dionysius (daj-ontari-us), m. Dionyaine. Dantzie dent'e)k), g. Witting. Dole (doeb), f. voor Robert; Rob. (.ien'joeb), g the —, de Donau. de Dar- Doll (doll'). —y, f. vane Dorothy,. Door, Doortje. Dardanelles (dagede-nels), g. the Dominic (dowe1-111k), na. Dominions. danellen. Domitlan (do - whiff-en), zn. Domitiaan. Dartmouth (daart'muth), c. Dartmouth. Donald (don'eld), m. Donald. Dauphiny (daolin-ih). K. Dauphin6. David (dee'vid)„ m. David. —y, f. , 00rDautd; Deaf. Donegal (don'ts-gaol), g. Donegal. f. voor Deborah. —orals (-o-re), Dorothy (dor'uth-ih), vv, Dorothea. Deb (dele), w. Debora. Douglas Idug'lea), m. Dangle.. D eelttiae (di'sji-um), DEcius. Dover (do's- tit), g. Dover. the straits of —, het Nauw van Calais. Defoe (de - fo'), an. Defoe. Delaware (del'e-wear), g. Delftware. Downs ((halms), lit. the — Doing. — (derhsj), Dryden (drardn), tn. Dryden. Delhi (den). K. Delhi (in Br. v. Delhi in N. Amerika). Dublin (dabnin), g. Dublin. D•tmerigra p. Demerary. Duero (doe - ee'ro), g. the — , de Douro. Demosthenes (de-mos'the-niez), m..Dexnosthe- Dumfries (dum•fries' ► . g. Dumfries. Dundee (dun-die'). g. Dundee. nen. Dungeness (dun-dsje.ness'), g. Dungeness. De.' io (den'is), —nil. f. vane Dioayaies; Dija. Dunkirk (dun-kark'), g. Duinkerken. D eipratark (deo'neeark), g. Denemarken. Danny (dun'nih), f, voor Anthony: Toon. Deptfort (det'fard). g. Deptford. ,Dutch (dote)'), a. Hollandsch; 1. Hollandsch; 1. Derby (dur'bih), g. Deity. the —, de Hollanders. —man, i. Hollander. D eride (der'11‘), m. Dlederik, Dirk. flowlina (dwaj'ne, dwi'ne), g. the —, de Dwina. Deuce - Pouts (doe.paon'), g. Tweebruggen, Devon (dev'un), g. Devon. I Ly (daj), f. your Diana.
benoodigdheld; eekreet; bestekamer. sjun), s. verleening (verkrijging) van bet burgerrecht. —ize (-aja), v. a. het recht van inboorling Neceaslt ate (ne-ses'si-teet), v. a. noodzakelijk maken. —ation (-tee'ejun). s. voodzakIng, —ous, verleenen. a. behoeftig„ noodlijdend. —ousness, s. behoefNature (neet'joe,), s. natuur; aard.from near tigheid. —ude (-tined), a. behoefte; vriendschap. de natuur, neat het leven. —y, s. noodzakelijkheid; noodwendigheid; beNaught (pout'), a. slecht, nietswaardig. s. hoeftigheid; of —, noodwendig, from —, nit noodniets. —iness, s ondeugendheid; nietswaardigNeck (net'), 0. bale, net; halsstuk. — of land, held, —ily, ad. —y, a. ondeugend, stout. landengte. on the — of, onmiddellijk na. —band, N n 111111 achy (nao'me-kih),s.spiegelgevecht ter zee. halsboard. —beef, nekvieeseh (van een rund). Nausea (nao'shi•e), a. misselbkheid, walging; bslsdoek, das. —handkerchief, haladoek. zeeziekte. —te (-eel), v. a. mieselijk waken, doers —lace, halssnoer. —land, landtong,-engte.—piece, walgen; v. n. misse/ijk worden, waigen. halsstuk (van sea harries). —verse, galgepsalm. Nauseous (nao'sjus), a, —1y,ad. w algeli.jk. —nets, —weed, hennen. s. vralgelbkheid. (nao'tik), —cal, a van de zeevaart, zee-. Neckercbier(nek'ur tsjif), a. halsdoek. Necrolog let (ue-krol'ud-zjist), a. berichigever s. nehippertje (schelpdier). van sterfgevallen. —y, a. sterflijst; levensbeNaval (nee'vel), a. see-, scheepa-. —army, oorischrijving van overledenen. logsvloot. —battle, zecslag. — forces, seemaeht. — officer, zee-ofticier. —s (-velz). pl. zeewezen. Necroman cer (nek'ro-men-sur), s. toovenaar. —cy, a. zwarte kunst; geeetenbezwering. —tic Navarch (neev'aark), a. vlootvoogd. (-men'tik), a. van de zwarte kunst; toover-; a. Nave (neev"), a. naaf; schip (eener kerk). —line, betoovering, bezwering. rakketalie. Navel (nee'v1)., s. navel. —gall, navelgal. —string, Necrosis (ne-kro'sis), a. beenvreting. navelstreng.—timber,kremhout,buikstuk.—woods, Nectar (nek'tur). s. nektar, godendrank. —eal, —emu, —eons (nek-tee'ri- ► , —ine (-in), a. nekton.kluishouten. —wort, navelkruid. achtig; heerlijk. —ine (-in), s. nektarperzik. —y, Navew (nee'vjoe , „ s. kleine knot, pootraap. a. honigkelk (eener bloem). Navictslar (ne-vik'joe lee), a. bootvormig; van Need (vied'), s. nood; noodzakelijkheid; behoefte. "000ten of echeepjes. if — be, in geval van nood. you had —, gij beNaviga ble (nev)i-gib1)., a. bevaarbaar. —bleness, hoordet. to stand in — of, van nooden hebben. a. bevaarbaarheid. —te (-geet), v. a bevaren; —, v. a. behoeven, noodig hebben; v. n. noodig stuns; v. n. varen, stevenen. —tion ( gee'sjun.), a. seheepvaart; zeevaar(kunde; inland —. binzijn. —ful, a. —fully, ad. noodig; noodzakelipt; vereischt. —fulness, a. noodzakatijkheid. —sly, ueflvaart. —tor (-gee-tue), a. seeman, zeevaerder. ad. hehoeftig. —iness (-i-nest), a. hehoeftigheid. Navy (neevih), s. zeernacht, vloot. — board, col—leas, a. —lessly, ad. onnoodig, noodeloos. legie van civiele ambtensren der marine. —office_ —/essness, a. noodeloosheld. —a (niedz), ad. noodwendig, onvermkidelijk. —y, a. behoeftig. Nay(nee'), ad. neen; wat mear is; ja zelfe• — neen; weigei ing. —word, weigerend antwoord; Needle (ni'd1), s. naald. —case, naaldenkoker, —fish, naaldviecb. —ful, dread gsren. —furze, schirnpscheut; feu, prieinkruid. —gun, a. naaldgeweer. —maker , Nazar een +nez-e s Nazarenes. —ite (nez' naaldenmaker. —ore, naalderts. —stone, naalde-rajt), a. Nazireer. steen. --tin, naaldtinerts. —weed, naaldkervel. Naze (neez), s. kaap, uithoek. —work, naaiwerk. —, v. a. & n. naaldvormig Near (nief), s. vaist. maken (worden). —r, s, z,aaldenmaker. Neal Oriel). v. a. & n. temperen, gloeien. Neap (nirp), a. laag. — tide, dood ttj. a. eh. Ne'er (seer). ad. Zie Never. Neesewort (niez'wurt), s. nieskruid. —ed, a. vastzittend, niet vlot. Near (flier), a. nabijzijnd, DRIVW verwant: dier- Nefandous (n,fen'due), a. verfoetelijk, gruwelijk. oar; nauwkeurig; vrekktg; —, ad. nader, nailj, dichtbij. prp. dieht bij, naast. —, v. a. NefArlous (ne-fee'ri-us), a. —ly, ad. snood, sci , andelijk, afachuwelijk. & a. eaderen. —/y, ad. ongeveer, bijna; gierig. --ness, s, nabijheid; nauw verwantsehap; gie- Negation (ne-gee'sjun), s. ontkenning, righeid. Negative (tteg"ettv, s ontkennend woord; wei-
ASS.—ATT. tegenwoordig zijn. —anee, e. bijstand, hulp. Astrut (e-strut' ► , a. zwellend; deftig. —ant, a. behulpzaam; a. helper: cmstander: on- Astute lea-tjoetl. a. loon, slow. Asunder (e-suu'dur), ad. vaneen; in tweeen. dermeester. Assize ies-sajzi. s. vaatstelling van gewicht, prij- Asylum le-sarlum), a. schuilplaats; verpleeggesticht. lunatic —_, krankzinnigengesticht. zen, ens. —, v. a. zetten, bepalen, —r (-saiz'ur), a. zetter. —8 1-sajerz), s. rechtszitting. court of At (et), prp. te. op, b ij, near, on, over. met. —the most, hoogstens. to be — it, er aan zijn. —a, hof van assist's. Associn hie (es-so'sji-ibll. a, gezellig. —te (-et), Atheis m (ee'thi-izin ► , a. godloochening. —t, a. ongodist. —tic, —tical 1-is'tik1-(, a. godverzakeod. s. metgezel, makker; deelgenoot; a. verbonden. —te (-eat), v. a. ve,gezellen, begeleiden; v. n. zich Athirst (e-thurst'), ad. dorstig. verbinden. —lion t-ee'sjuni, s. vereeniging; corn- Athiet e (eth'liet), a. woratelaar. —ic (eth-let'ik), a. zeer sterk. pagnieschap § —tional (ee'sjun-el), a. eene ver- eeniging betreffend. Athwart (e-thwaort'), ad. overdwars. Assonan s. gelijkluidendheid. Atilt (e•tilti ad. met gevelde lens; op den kant• Atlas (et'les), a. atlas, satijn. —t. a. gelijkluidend. Assort (es•sort'), v. a. aorteeren. —meet, s. tor- Atmospher e (et'mos•fier), a. dampkring. —ic, tearing. —ical (et-mos-fer'ik-,, a. van den dampkring. Assuage (es•sweedzy), v. a. lenigen, bedaren; Atom let'unl); s. ondeelbaar stofje. —ic. —ical v. n. korting toestaan. —meat, s. leniging; ver- (e-tom'ik-),, a, atomisch. —ism, a. atonienleer. mindering. —r, a. leniger, enz. Atone (e-toon'), v. a. verzoenen; v. n. (for) boeAssuasive (es-swee'siv), a. lenigend. ten. —meat. a. boete; verzoening. Assum e (ea-sjoern'), v. a. aannemen; zich aan- Atop (e-top'), ad. van boven: in top. matigen; v. n, aanmatigend zijn. —er, a. a.- Atrabil arious (et-re-bi-lee'ri-us), —ions (bit' meager; verwaand mensch. —ing, a. verwaand; juts), a. zwartgallig. aanmatigend. Atrament a1 (et-re-men'tel), —ous, a. inktachAssump sit (es-sum'aitl, a. mondelinge verbin- tig; zwart. tenis. —lion, I. aanneming, onderetelling; he- Atrocious (e-tro'sjus). a. —ly, ad. afgrijselijk. —ness. Atrocity ie-tros'it-itila), s.afgrijselijkheid. melvaart (van Mona). —live, a. aangenomen. Assur sauce (es-sjoer'ens), a. verzekering; ye, Atrophy (eVro•lih), a. .kwijning. troussen; fierheid, driestheid; assurantle. —ance- At tach (et-tett.1"), v. a. vasthechten: in beslag-, office, assurantie-kantoor. —e, v. a, verzekeren; in in hechtenis nemen; gehecht maken. —meat, s. stellen. —edly ad. voorzeker. —edness, herring; verknochtheid. v. a. aanvallen. s. zekerheid. —er, a. verzekeraar; assuradeur. Attack (et-tek'), a. aanval. s. ster- Attain (et-teen'), v. a. verkrijgen; v. n. bereiken Aster ies'tur), s. aterrebloem —isk retie (.). —ism (-1U11), 8. geeternte. (to). —able, a. bereikbaar. —der, a. overtuiging; Astern (e-sturn'), ad. aan het achterschip. schandvlek. —meat, s. verkitging; bezit; belest'rne), a. aamborstigheid. —tic,—tical gaafdheid. —t, v. a. schandvlekken; amaden; (est-met'ik-I, a. aamborstig. van schuld over tuigen. —ture (-tjoer), a. achattdAstonish es-ton'isj), v. a. verwonderen, ver- vlek, beschuldiging. bazen. —ed, a. verwonderd over. (at). —ing, a. Attenaper (et•tein'pur), —ate, v. a. matigen; —ingly, ad. verwonderlijk. —meat, s. verwonde- inrichten. Attempt (et-temt'(, a. poging; onderneming. —, ring, vexbazing. Astound (es•taaund'I, v. a. verbazen, ontzetten. v. a. & n. trachien, beproeven; ondernemen. Astraddle (e-stred'd1), ad. schrtlings. —able, a. onderneembaar. —er, a. ondernemer. Attend (et-tend"), v. a. bedienen, vergezellen; Astragal (es'tre-gel., a. zuilkrans. Astral (ea'trel), a. de aterren betreffend: vol bi)wonen; afwachten; v. n. opmerken, acht gesterren, yen op (to). — to one's devotion, zijnen godsAstray (e-stree'), ad. verdwaald, van den weg dienat waarnemen. --ance (-ens), s. bediening; af. to go — , verdwalen, to lead —, op een dwaal- gevolg; opmerkzaamheid. —ant (-ent), a. bediespoor brengen. nend; vergezellend; a. oppasser; bijwoner. —ants Astrict (e-strikt'), v. a. samentrekken. —ion (es- (-ents), s. gevolg, stoet. trin'sjunl, s. samentrekking. —ive, a. semen- Attest (et-tent'), a. oplettend. —ion, (-ten'sjun), t rekkend. a. oplettendheid. —ive (-tiv), a. —ively, ad. opAstride (e-strajd'), ad. schrijlings. lettend. —iveness, a. oplettendheid. Asir/lige lea-trindzr), v. a. samentrekken. —racy Attenua ut (et-ten'joe-ent), a. verdunnend. —te, (-trin'dzien-sih), a. aamentrekkend vermogen. a. a. verdunnen. —tion (- ee'sjun), s. verdunning. —at (-trin'dzjent), a. sainentrekkend; a. samen- Atter (et'tur), a. ettcr. —ate, v. a. & n. aanslibtrekkend middel. ben. —ation (-ee'sjun), a. aanelibbing. Astrolabe (efetTO-leeb), s, astrolabium. Attest (et-teat'), v. a. getuigen. —ation (-tee'sjun), a. betuiging; getulgschrift. Astrolog er (es-trol'ud-zjur), s, sterrewichelaar. --ical (es-tro-lod'zjikl), a. astrologisch. —y Attic (et'tik), a. vliering; a. attisch. —ions (et'ti(-ud-zjih), a. sterrewichelarij. aim), a. sierlijke uttdrukking. Astronom er lea-tron'o-mur), a. sterreltundige. Attiguous (et-tirjoe•us), a. belendend. —ical (es-tro-nom'ikl), a. sterrekundig. —tze r Attluge (et-tindzp, v. a. aanroeren. —y, a. (-7118iZI, v. n. de sterrekunde beoefenen. Attire (et-tajr'), s. kleeding, opschik. —, v. a. kleeden, uitdossen. sterrekunde.
CIIA. - CIle• 38 Challenge (tejel'lendzj), s. nitdaging; opeisching; Q hope (tejeep), a. haak, kram, beslag (aan cane scheede) beuget van een gasp. v. a. uitdasen; eischcn; besel ► ut- verwerping. Chapel (tajepils, s. kapel. —Zany (-Ie-nih) a. digen; wraken. —r, a. uitdvger. Chamber (tsjeem'bur), a. Isomer, slaapkamer; kapelanij. —ry, a. gemeente eener kapel. setter kanon. --, v. a. in eene banter sluiten; Chaperon (sjep'ur-oon), a. kap, hoed. —, v. a. v. n. eene homer bewonen; dartelen. —council, begeleiden (eene dame). geheime road. —yellow, kameraad. —maid, home- Chapfallen (tsjop'faoln). a. neerslachtig. nier. —oil, walrustraan. —organ, huisorgel. —pot, Chapiter (tsjep'i-tur), a. kapiteel. —ship, a, kawaterpot. —practice, kamerprgktijk. —stool, ka- Chaplain (tsjep'lin), kapelaan. pel aanspost. merstilletje. Chaplet (tsjeplit), s. krani. rozenkrana. Chamber., (ssjeesn'bur-ur), a. wellusteling. Chapman (tsjep'men), a. kooper, klant. Chambering (tsjeem'bur-ieng), a. kuiperij. CisansberIain (tsjeem'bur-lin), s. kamerheer; Chappy, (tsjep'pih), gebersten, gespleten. Chapter (tsjep'tur), a. hoofdstuk; kapittel. kamerdienaar. Chaptrel (tejep'tril), a. kapiteel. Chameleon (ke-mi'li-un), a. kameleon. Chamfer ,tsjem'fur), a. gleuf; spanning. —, v. a. Char (tsjaar'), a. achar. —, v. a. tot kolen branden. —coal, houtakool. nitgleuven, uitsponnen. Char (tsjeer'), Chare, a. dagwerk, karwei. —, Chamfret (tsjem'frit), s. Zie Chamfer. Chamois (sjem'i, sje-moy), a. gems. —leather, v. n. karweitjes doen; nit weaken gaan. —man, zeemleder. daglooner. —woman, werkster, schoonmaakster. Champ (tsjempl, v. a. verslinden (up); v. n. —work, dagwerk. Character (ker'ek-tur), a. karakter, naam, aard; kanwen (upon). —er, a. bijter, verslinder. letter. schrijfwijze; kentoeken; getuigenia. —, Champagne (sjem-peen'), a. Champagne-wijn. v, a. beschrijven; inprenten. Champaign (sjem'peen), s. veld, vlakte —, a. Characteristic (ker-ek- tur-is'tik), a. kenteekeu. vlak, open. Champerty (tsjem'pur-tih), a. procesvoering your —, —al. a. kenmerkend, eigenaardig, —alness, a. kenmerkende eigenschap; eigenaardigheid. een ander, near een aandeel in de winat. Character ize (ker'elt-tur-ajz), v.a. kenmerken. (sjem pin'jun), a. paddenstoel. Chain —less, a. karakterloos. C11.1111.1011 (tajem'pi-un), a. kampioen, voorvech- Charade (sje-reed'), a. charade. ter. —, v. a. uitdagen. spits blad. —s of artiChance (tsjaans , ),s. kans, toeval. by —, toevallig. Chard (tsjaard), a. tang, —8 of beet, jonge beet-, a. toevallig. —game, kansspel. —medley, toe- chokes, artisjokstoelen. grij- planten. vallige —. v. n. gebenren, pleats bij geval Charge (tsjaardzj'), a. last; lading; opdracht; ambt; toevallig ontmoeten. (to) (on. upon) pen. aanklacht; aanval; overdrijving: zorg; pleegkind. doen of zijn. —ful, a. gevaarlijk, gewaagd. —8, s. onkosten. —, v. a. laden, beladen, beta.Chancel (tsjen'sil), s. keikkoor. bevelen; inprenten; ten; beschuldigen van (with); Chancellor (t,jRan'sil-lur), a. kanselier. —ship, in rekening brengen. —, v. n. aanvallen (upon). a. kanselierschap, —able, a. —ably, ad. kostbaar; bezwaarlijk; verChancery (tsjaan'se rih), a. kanselarij. court of —, antwoordelkjk. —r, a. leder; groote achotel; kanselarijhof. strijdros. Chancr e (sjeng'kur), a. ajanker. —008, a. sian- Chart ly (tsjeer'il- lih), a. behoedzaam. —ness, s. kerachtig. behoedzaamheid. Chandelier (sjen-de lie;'), a. armkandelaar. Chandler (tsjaandlurt, s. verkooper, winkelier. Chariot (tsjer'-i-ut), a. wagen. —, v. a. rijden, wagenwedren. —ear (tsjer-iship—, winkelier iu scheepabehoeften. —'s-shop, vervceren. —race, komenij. —8, s. komenijwaren. ut-lee'), a. voerman. ad. liefdadig, Change (tsjeendzj'), a. verandering; verwisseling; Charit able (tajer'i-tibl). a. —ably, mild, goedhartig. —ableness, a. liefdadigheid; ruiling; klein geld; sehoon linnen; beurs; wis- mededeelzaamheid. —y. a. liefde (christelijke); selkoers; nieuwe moan. —, v. a. verwisselen, verruilen, ,eranderen; v. n. veranderen (from liefdadigheid; aalmoea; —school, armenachool. in —in, into, to). —for the better, verbeteren. —for —, orn Gods wil. (sjaar'le-ten), a. kwakzalver. —ical, the worse, verergeren. —able. R. —ably, ad. sera.- Charlatan (-ten'ikl), a. kwakzalverachtig. —ry. a. kwakderl'jk, —ableness, a. veranderlijkheid. —less, R. zalverij. onveranderlijk. —lint', s. ondergetchoven kind; Charles's-vain(tsjaarlViz-ween), a. groote Beer wispelturig mensch. —r, s, ruiler, wisselaar. (sterrenbeeld). Channel (tsjen'n11), a. bedding; kanaal; zee- Charlock (tsjaar'luk), a- wilde moaterd. engte; waterloop. —. v. a. uitgraven. Chant (tsjaant'), 0. gezang; zangwijze. —, v. a. be- Charm (tzjaarm'), a. toovermiddel; betoovering; bekoorlijkheid. — v. a. It n. betooveren, bekozingen; v. n. zingen. —er, a. zanger. voorzanger. ren. —r, a. betooveraar. —fist, a. betooverend. -ress, s. zangeres. —ry, a. zangkapel. —ingly, ad. bekoorlijk. —ingness, a. bekoorliJkChanticleer (tsjen'ti-klier),s.haan;groote kraaier. Cha os (kee'oe), s. verwarring, chaos. harnel (tjattenil), a. lijken bevattend. --house, Charnel Chaotic (kee-otiik), a. verward. beenderhule. Chap Itsjep), a. apleet, acheur; vent, kwant. muil.bek.—, v. a. Chart (tsjaart), s, !mart; zeekaart. ltsjoio, a. Icaltebeen. —8, a. Charter (tsjaar'tur)., 8. oorkonde; bandvest; vrijsplijte,
Duister, be. & bw. dark (•1y)„ obscure (-1y), dim (-ly), gloomy (-fly), mysterious (-1y), Intricate. —held, v. darkness, obscurity, dimness, gloom, intricacy. —ling, m. & v. obscure person; protagonist of ignorance, enemy to the marsh of intellect, obecurant. —xis, v. darkness, obscurity. Dolt, m. dolt. Been waned, not worth a fig (a farthing). —endief, scrape-penny. Daly/A, en, devil. —banner, —bestatterder, exorcist. —tanning, —be:wearing, exorcism. —Hagen, on. w. to make a compact with the devil; to keep a terrible coil, —japer, conjurer, sorcerer. —skeet, devil 'a bit. —sorood, mushroom. —sdrek, foetlda. —skied, imp; wicked fellow, devil. —8 • kunstertaar, eorcerer, magician. —akunatenar(i, sorcery. —smelk, euphor bium. —snaaigaren, eryngo, sea-holly. —stoejager, jack-at-all-hands. —art), v. devilish trick. —in, v. she-devil. —seh, be. & bw. devilish (-1y). diabolical (-1y); can — week, a confounded troublesome piece of work, a devilish bad affair; can --e keret, a devil of a fellow. —ach, taw. the deuce! Dalven boon, v. seteh. —drek, pigeondung. —ei, pigeon 's egg. —hok, —hot, —slag, —tit, —cluckt, pigeon-house, dove-cot celumbery. —kernel, tumatory. —maikt, pigeon market. —maker, breeder of pigeons, pigeon-fancier. —neat, pigeon 'a (dove 'a) ura. —petite', pigeonpie. —post, pigeon-poet. Weikel ass on w. to grow dizzy, to swim, to be taken with giddiness, to have o swimming in one's head; doers —, to making giddy.—ip,by.dizzy,, giddy. —igheid, v. —ing. v dizziness, g(jidinesJ, vertigo a win: iniug in the head. Duiz,nd, tw. & 0. thousand. —been, —post, milfoil, yarrow. —guldeakruid, cen• liped. taury. —jarig, of a thousand years, millenary, rijk i millennium. —knoep, knotgrass, septfoil. —tehoon, amaranth. —tat, thousand. —mud. —vouslig, thousandfold. —erkande„ —erlei, by. of a thousand sorts. —maid, —scarf, be. a thousand times. —ste, hie thousandth. D ► Ltsat, m. ducat. Dviketcnitioud, o. standard-gold. Dukaten, tn. ducatoou. Dilkdelf, tn. stoceado, mooring- poet. Dulde talk, be. &bw. supportable I-bly), toterable —eioos, by. & bw. iesupportable (-bly), into!eraW, ,, (-bly). —en, ov. w. to bear, to suffer, to tolerate. —ar, m. patient sufferer. —big, v. suffering, toleration. Du., liv. thin, slender, slim; slight, raze, clear, sparse; thread-bare. — bier, small beer, swipes. — ei, !soft-boiled egg. —, bw. thinly; scantily. gezaaid, thin-sown, scarce, rare. —been, thin• legged person. —beenig„ thin-legged. —baik,slender person. —buikig.slender.—tveigjean,slender„ loose. --/Vviglisid, elenderuees, looseness. —ticktit', be. rather thin. —Acid, v. thinness, slendernevi; scarcity; fluidity; rareness. Dunk, in. opinion. een grooten — van sick selves Adobes, to De conceited. —en, ou. w. to think; mij dussid, methinks; m(j dacet, mathought; wet dissect 14? what do you think? sick latex —, to think, to imagine, to be conceited.
honest (Ay), genteel (.1y). —held, v. smartnese; genteelness. Huron, or. w. to hire, to rent ; to freight. Husk, v. op de —en stiles, tie llurken. —cn, on. w. to sewer, to squat, to sit at squat, Slut, v, cottage, cot, hut ; cabin. —bewoner, cottager. —gotten, officers that lodge in the upperroom of a ship. Hnteel noir, m. tosser. —es, ov. w. to tors, to huddle. —beher, dice-box. —ing, v. tossing, huddling. flute en, or. w. Zie Hutselen. —pot, hodgepodge; minh-mash. Hour, v. hire, rent; lease ,• wages; service. to —, to let. —brief, bill to let lodgings. —ceel, —con• tract, lease. —geld, rent, hire; freight. —hale, hired house.—kantoor,register.office (for servants, etc.). —koett, hackney-coach. —keetaler. hockney coachman. —loon, wages, hire. —paard, hockney-horee, livery-horse. —penningen, —prifs, rent. —troepen, mercenary troops. —rraeht, freight, —der, m. hirer, renter ; lodger, tenant, farmer ; freighter. —lisp, m. & v. hireling, mercenary. —tier, v. hirer, renter ; lodger, tenant. linwbaftr, by. marriageable, nubile. —held, v. puberty. HuswelUk, o. marriage, wedlock. matrimony. —taantoek, suit. —aband, nuptial tie. —abed, nuptial bed. —ebelofte, promise of marriage. —contract. marriage-contract. —edicht, marriagesong. epithalamium, —sfeest, wedding-feast. —ageboden, bans of marriage. —vetch, connubial happiness, nuptial bliss. —spilt, marriage-gift. —egad, hymen. —speed, dowry, marriage-portion. —eleven, married life, —sliefde, conjugal love. —splannen, marrying intentions. —splicht, conjugal duty. —strouto, conjugal faith. —suittet, trousseau, —mon/marries, marriage-enrolee. —engin, conjugal blessing. linweltikach, by. nuptial, conjugal, matrimonial. linwen, ov. & on. W. to marry. If unser, mt. hussar. Irisszaren mantel, m. hussar's cloak. --efficier, m. officer of hussars. m. v. & o. hyacinth. H yena, v. hyena. ilypotheek, v. mortgage. vrii ran unmortgaged. II Yf101s, v. hysop, hyssop.

to besmear, to rub; to command, to sweep, to flank. -tag, v. spreading over, rulibiug; commanding. BestrIkken, ov. 'w. to adorn with knots. Beetroot en, or. w. to bestrew, to strew over, to sprinkle, to powder, to flour. -ing, v. bestrewing, strewing, powdering. B retudeeren, or, w. to study, to practise. Bestutv en, ov. w. to beduet, to cover with duet. Westulpen, on, w. to cover (with a curfew, with a lids. Beater en, on. w. to steer, to direct, to conduct to guide to manage, to go vern, to rule. -kg, v. steering, ordinance, guidance, management. Bestunr, o. direction, adminietration; management; government. --der, in. director, a4minietrator; manager; governor. -Ver b v. direct eaa., governess. Bethel bear, by. payable. -dag,pay-dray, quarter day. ---,neuter, pay matter, treasurer. utTddel, (legal) tende r. -tod, te ma for payment. Betaeld, by paid. iemand iets zetten, to requite a thing to a. o.; to give a. o. as good as he brought, to serve a . o. the same. Betel .rt, on. W. to pay; niet kunnen ---, to be insolvent; het gelag -, to suffer (to pay dear) for it. -er, Tn. payer; pay veaster. -ing, v. payment. Beton' ell", on. & bw. becoming (-1y), seemly, decant (-1y). -elijkheid, v. becominenees, seemlinens, decency. -en, on. w, to become,, to beseem, to befit, to be seemly. Detest en, ov. w, to touch, to feel, to handle. Y. handling. Bete, v. Zr i Beet. Beteeken en, on. w. to signify, to betoken, to mean; to serve (on). -ilia. v, legal notice. v. signification, meaning, sense. Betensus via, on. w. to tame, to break; to bridle, to check. -ing, v. taming; checking. Betor, by. & bw. better. - sunken, to improve; to care. worden. to grow better, to improve, to recover. - z(in,to be recov ered,to be quite well Beteren, on. w. ,o tar. Hater en, on. & no. w. to grow (to make) better. to improve, to recover; zich -, to amend, to reform. -eland, v. sax de - rkin, to get better, to be convalescent. -ing, v. - adrop, v. amend meat, improvement; recovery. -*chap beloven, to promise to amend. -er/tap wenachen, to wish the better. -Totten, o. tegen (me, agaioet one's conscience. Beteugel en, ov. w. to bridle, to curb; to restrain, to check. -iota, v. bridling, cart); check, restraint. Illetenter el, by. confused, abashed, out of countenance, perplexed. --dheid, v. contusiou, perplexity. -en, ev. w. to confound, to perplex. Belicht est, on. w. to impeach, of, to tax with. -er, rn. --ater, v. taipeacher. -ing, v. impeachment. Betties, ov. w. later. -, to let alone, to let have one's vatnd_ Betttnimeer en, ov. w. to build upon; to make of wood lemanda light -, to shut up once light;
scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer
146 onbeKrensbanr., —spection (-gpek'sjun). a. OD, n- Incompasslontite (in-kurn-pettrun-et), A. ad. onmeédoogend. —ness, a. onmeedoogendheid. zachtigheid. Incis e (in...30, v. a. insnijden. — ion ( - sizri.ii), Incompatil tie (In-kum-pot'ibl), a. —bly, ad. onbestaanbaar (with). —bility (-1.bil'it.tih), a. — ore (-sizj'oer)„ s. insnijding; snede. —ire, onbestaanbaarheid. ( - sajs' - ), a. insnijdend. — or ( - sajs'ur), s. snijta ad. knelt ant (in - saftent)., a. prikkel, opwekk,rd Inconspeten ce (in-kom'pe-tens), —cy, s. onmiddel. — ation (-si-tee'sjun), —ement, s. Ramp° bevoegdheid. —t, a. —tly, ad. onbevoegd (to). ring, prikkelIng, ophitsing. —e, v. a. aan,p0- Incomplete (in-kum-pliet"), a. —ly, ad. onvolren, prilckelen, ophitsen, — cr, s. aanspoorder, ledig, onvolkomen. —ness, a. onvolledigheid, ophitser. onvo lkomenheid. Inclv filly (in-si-vil'it-tih), s. onbeleddheid. Incomplian ce (in-kum-plarens), a. oninsehikkelijkheid. —t. a. oninscbikkelijk (with). -ism (-siv'rzm), s. gebrek aan burgerzin. Inciasp (in-klaasp"), T. a. omvatten, vasthouden, Incompos tte (in-kum-poz'it), a. niet amengesteld, eenvoudig. —title (-pos'ibl), a. onverInclitvatc,-1 (in'kle-veet-id), a. bevestigd. s. onbarmhar- eenigbaar. Inclemen cy tigheid, guurbeid. —t, a. onbarmbartig; guur. Incomprehensi ble (in-kom-prd-ben'sibl), a. —hly, ad. onbegrijpelijk. liraciln able (in-klajn'ibl), a. geneigd, gezind —bleness, s. onbegrweltkheid. —on (..ajun), ((a). —ation (-kli.nee'sjun), s. neiging; geneigd- afwijking. — atory, onbevattelijkheid. —ve (-sIv), a. onbevattelijk; heid; genegenheid; beperkt. a. —atorily, ad. (.klin'e-tur-), overhellend. —e, a. onsaa, a. neigen; geneigd waken, (to); v, n. overhel- Inconapressi ble (in-kum.pres'sibl), s. onsamenlen, geneigd zijn, (to). — er, s. hellende tonne- mendrukbaar. —bility drukbaarheid. wijzer. Incolumputible (in-kum-pjoe'tibl), a. onbere(in-klip"), v. a. omvatten, ornhelzen. kenbaar. Inclolster (in-klojs'tur), v. a. in ten klooster Inconcealable(in - kun-siel'ibl),a.onverbergbaar. opsluiten. Inclose (in-klooz), v. a. —ore (-zjoer), a. Zie Inconcelva ble (in-kun.aiev'ibl), a. —bly, ad. —blend°, a. oubegrijpelijkheid. onbegrijpelijk. Enclos e, --are. —ly, ad. Incloud (in. klaud' I, v. a. omwolken; verduisteren. Inconclusive (in - kun - kloe'ziv), a. niets bewijzend, niet beslissend, onafdoend. Irwin de (in - kloedl, v. a. insluiten, in zich be- —neon, s. geniis aan bondigheid, onbeslissendgrijpen. —sion (-kloe'zjun), a. insluiting. —sive, held. a, —sively, ad. (-kloe'siv.), insluitend; ingeslo- Inconcoct (in-kun-kokt'), —ed, a. onverteerd, ten, daaronder hegrepen, (of ). (-kok'sjun), a. onverteerdheid. Inconguleable (in-ko-eg'ioe-libl), a. niet stol- Inconcntring (in-kuu-kur'rieng), a. niet overboar. Iriceerclble (in-ko.ur'sibl), a. onbedwingbaar. eenstemmend. Incogit ancy (in-kodzri-ten-sih), s. iedachte- Inconcussible (in-kun-kus'aibl), a. onwrikbaar. loosheid. --ant, a. gedachteroos. —ative (-to-tiv), Incondensable (in-kun-den'sibl), a. onverdika. zonder denkverrnogen. bear. Incolleren ce (in-ko-hPrens), —cy, s. gebrek Incondite (in.knn'dit), a. ruw; onbesehaatd. aan samenhang. —t, a. —tty, ad. onsamenhan- Inconforan able (in-kiln-form'ibl), a. ongelijkvormig. —ity, a. ongelijkvormigheid. gond, zonder verband. inconabusti ale (in-kuna-bus'tibi), a. onbrand- Incongcnlal (in-kun-dzji'ni-el), a. ongelijksoortig. baar. —bility (41.-bil'it-tili). —blends, s. on- Incongru enco (in-kong'groe-ens), —ity (-kunbrandbaarheid. groe'it-tih), s. ongepasthetd, gebrek aan overIncome (in'kum), s. inkomaten. Incomniensurn ble (in.lcum-rnens'joe•ribt), een , in ► ming. —eat, —oats, a. —nasty, ad. niet paesend, niet strookend, ongerijmd (with). —te (-ret), a. onderling onmeetbaar. —bility (-re Ineonnection (in-kun-nek'ejun), a. getais van bil'it-tih), s. onderiinge onrneetbaarheid. Incomin Iscible (in - k,m - mi.'8ibl), a. onver - samenhane. (-rnikst'joer), s. ouvermengd- Iuconsequen ce (in-kon'ee-kwens), s. valsche mengbaar. gevolgtrekking, ongerijmdheid. —t, a. niet volheid. Incommod e (in-kuni - mood'), v. a. lastig vat- geed; zich niet geiijkblijvend. —tial (kwen'ejel), a. zonder gevolg; onbelangrtjk. len, hinderers. —ions, a. —iously, ad. lastig, on- Incoassidera tale (in-kun-sid'ur-ibl), a. onbegemakkelijk. —iousness, a, lastigheid; ongemaks. onbelangrijkheid. langrijk, gering. kelijkheid. —te, a. —tety, ad. (-et ), aehtelooe, onbedachtlincornmunica ble (in-kum-rnjoe'ni-kibl), a zaam (of). —terted (-et.), —tion (-eirsjun), -tly, ad. onmededeelhaar.—bility (-ke.bil'it tih), teloosherd, onbedaehtzaamheid. onmededeelbaarheid. —tive (-ke-tiv), a. achtet • Inconsisten en tin-kun-sist'ens), —cy, s. onhoudend. bestaanbaarheid; onbestendigheid. —t, a. —tly, Incommutta ble (in-kurn-mjoet'ibl), a. onver- ad. onbestaanbaar, in tegentipraak (with); ons. onverander- anderlijk. —bility gerijrnd. iijkheid. Inconsola ble (in.kurposool'ibl), a. —bly ad. Incompact (in-kum-pekt'), a. los, ijl. incompara ble (in-kum'pe-ribl). a. —bly, ad. ontroostbaar. onvergelijkelkjk. —bleness, 6. onvergelijkeltjkheid. inconeonan co (in..kon'eo.nens), —eV, a. wan-

to Grind to Grow to Have to Hear to Hold to Help to Hew to Hide to Hit to Heave to Hang to Hurt to Keep to Kneel to Know to Knit to Know to Lade zo Lay to Lie (lIggen). ,/ II II to Lean to Leap to Learn to Lead to Leave to Lean to Lend to Leap to Let to Lift to Light (a&nsteken). to Load to Lose to Make to Mean to Meet May to Melt to Mow Must Ought to Pay


Coinbase has lost my money twice now. Once was due to an old account that, thanks to a bug in their verification process, I cannot re-authenticate. I bought 1 bitcoin back when they were only about $50 each with Coinbase. That money is gone forever now. And I acknowledge that it’s my fault that I did not set up a forwarding email with Coinbase, their support just refused to help. The second time was a month ago. I made a trade on Coinbase, and for some reason, the app glitched to think I have 5x more money than I actually… Read more »


In February 2019, Coinbase announced that it had acquired "blockchain intelligence platform" Neutrino, an Italy-based startup, for an undisclosed price.[33] The acquisition raised concern among some Coinbase users[34] based on Neutrino founders' connection to the Hacking Team, which has been accused of providing internet surveillance technology to governments with poor human rights records.[35] On March 4, 2019, Coinbase CEO Brian Armstrong said his company "did not properly evaluate" the deal from a due diligence perspective and thus any Neutrino staff who previously worked at Hacking Team "will transition out of Coinbase."[36]

4x cryptogeld


Korokommer, a. encumber. Kosninn, a. lit o.'comma. —punt, seem-colon. Konansnnd ant, m. commander; governor. —acres, ov. & on. w. to command. —ear, m. commander, COMmodore. Komnier, m. trouble, sorrow, grief; hare-dung. —rijp, hardly ripe. —/iele, by. & bw. sorrowful (-lye, distresefol (-1y), cumberso,ne, scanty (-ly), pitiful (-ly). —loan, by. careless, anconcerne —xis, Y. trouble, sorrow, grief.


419 Boat ♦, v. penitence, penance; penalty, fine, mulct, forfeit; — does, to do penance. is — be. skean, to fine; op — van, under penance of, m. & v. penitent. —en, ov. w. to mend; to feed, to kindle; to gratify, to indulge; on. w. to atone to suffer, to pay, (roar) to expiate. —gewaad; —kleed, penitential robe. — predikatie, sermon on repentance. —prediker admonisher to penitence. —psalm, penitential'psalm. —er, na. tnes. der, tinker. —imp, v. atonement, expiation. Boetaeer der, tn. modeller, embosser (tu wax). —en, ow. w. to model, to emboss. ...kunst, art of emboaaing. —werk,—sel, o. emboasment. —bag, v. embossing. Boetvaardig. bv. dk bw. penitent (.1y). —held, v. penitence, repentance. Boos, eojaeht, v. pursuit of thieves. —exklok. bell that Is rung st the opening of a fair. —enact, quarter-nettings. —enpraat, al sag, cant. —esstresk, —enatuk, roguish trick, —.At, v. villany,

(sektip 0 p s4e ienn (skip'), o rozia wij:ioevues,;.sp,rtirinveg ri,mu ; zuster. --in - law, s e hoonzuster Skip Sister t u r v. a. zusterschsp. — ly, a. zustertbk. , — hood overelsAn, (o,eri; v. n. springen, huppelen. —per, Slit (sit) [sat], v. a. zetten; v. n. zitten; bi.Geden. (down) gaan zitten, zich vergenoegen. lout) znndrr a. springer; wildzang; sehIpper. --ping .rope, opzlicren, zich orichtert;ophluven.1 springtonw. work On. (up) Skirmish iskuemixj). seliermutseling,— v. n. Site laajt). s. ligging; pleirje• sehermntselen. — er, schermutselaar. Sithe (KOTA), a. coin. IsSkk re tre(t.du (,skrit, r;r i . ), po itnd aili,ker B , rizittiels. lip, rand, zoom, Slit er (mit'tur), a. titter; broeietide vogel. a. a. hot zitten; broeiNg; zitting. a. gclegen,; grens; id), v. a. boorden, omzoomen; zijn ( e't Slit.. to (sttloe-et)„ ,gasn) op den k'ot van. Itggend. — lion (-ee'sjun), 8. 11 , r4ing; toestand. Shix (mike), a. zoo. —fold, • 7,4“ntdi2,.. — pence., a.' Skit (skit' r, s. liehtekoolu scbitr, pacbent; gel; von, \vendee'. — tish, a. —tiably, art. sehn w,sehichtig; zesstuivermuk. --score, a. !,on.ierdtwintig. — teen waft; wispett.urig, grillig. — tiehness, a. schuw(-tien), R. zestien. — teenth ( tienth), a, lestiende. hold; a. hnid; •iepelturigheld; wonderillkheid. -th. R. — this, ad. (ten) zesde. —60,1 Skill les (skietiz), s. pl. kegels; kegelepel2 zestig. zestIgste. St. note (risfzibl), a. van beltnprlilke (aarrzien- Skulk (skolk), v. n. — er, s. Zie t0 — er. lijke; grrotte. —or (-er), a. gering student. —e Skull (skull"), s. sehedel. —cap, iraiotje, stormhoed. Zie Scull. (sajz), a. grootte., ornvang; formaat, !ralther; Ce - etalte; mast; oandcel; geaeldheid; lijrn-, gam- Skunk (skunk), s, stinkdier. water; kaikmelk. — e (aajz),c . a op d,jutRie ,n Rat Sky (rskan, a. lueht, oitspansel. —color, a. —colored, R. hemeisblanw.--lark, veldleenwerik. men; met kalknwik branzen; ijken; gommen, itt ,ry , matrozenpret. — light, vallicht; dakraarn, (sajid), a. von—. grootte. bestrijken, (ontaren. — rocket, vilurpij — seraper, — sail.klap— el (mar& , a. arval van zilveren muntplaten. mots —ey (-Au, P. heinelmeh, etherisch. -iness ( zi-ness), a. lijmigheid, SI.5) (e1t,e' , ,, a. pleat; steenen Out; huitenplank. a. lijmig, kleverig. --line, hanepoot. --bar, a. R. bekwij ten, bernorsen; a. 11. si,sen. Sizzle v n. kwii I en, slobberen. --beret (-bur-r• r), a kwijiSkein iskeenl, a, Zie Skein. b,s;.oelttar; domkop, Sknte (skeet'), s mchaots; rtsg. —, v. n.schaatsen (-biness). lueverigheld; niorsigheid; vechtighetd. — by, a. rijden. —r, s. seharasenrij der. kleverig; morsir,; vochtig. Skean (skien), a. long men, dour. Slack !slog'), a, —1y, Ad, slap, ion; traag. — en Skeel (skiet), s. melkhak, koelhak. tslek'n), v. a. & it, tvatsten; (door) yerniappen, Skeet (skiet), a. seheepmgieter. a. kjeine yveorrfizauiffi weenTr: ,,, ,e,r,,,m‘ ierhid,rn ereorn a; ikv,e.rt_rangese.,,u; ay.erszlaa;lh,teehnt 'keg (skeg'), R. aleepruim. —per calm. lashed traagheld; Achteloosheid. Skein (sheen), a. kluwen, strong. Shag (slew, metsalschnim. Skeleton (skere. tun), s. geraarnte. a. klap, !slant.Shake (sleek). v. o. le ,,chen; blueschen; data be Skelp ti,r,n. Sketch (sketsj),m.schets, —, v. a. selsetser (out). Skew iskjoe'1, a. scheef, schuirmeh. —, v, a. Slam (stem), s. cleat, clam (in 't whistspell. v R. d ielitsmi) ten, -- erslaaii; brent trinkets. schuinm atinzien; v. n. scneergsan. —er,s• Shanties' (alsan';tur). a. looter; sehande. v, a, pen. —er, v. A. met pennon vuusteken. belosteren; beschimpen. e. latteraar. —ous, Skid (skid), a. remkettiwg; wrijfhout. jam,riuk. Skiff (skiff), a. hootje. —, v. a. in een bootje over Slang (along), s. dieventsol. settee. a. 'flank. Skilful (skilloel), a. —/v, ad. ervven. bedre7en Shank (slengk), s. zeegras. Slant (slaant'), —ing, sehui,,,h; &rare; Lel. tat. in). — ness, a. ervarenheid, bedre venheid. lend. v . a. & n. schninsch !ached, ltellend) Skill (skill!), 8. ervarenheld, hennim.bedr , ve.nheid. R. on- makers Iworden). —wise, ad. schuirs, scheef„ — ed (Akii(1), a. ervar,n, bedreven (in). --ran, overdwars. ervaren, onbedreven. Slap (slap'), s. Map, slag. —,ad. & int, flap ! Skitlet (shir111), a. ketelija. v. rt. Ma.. —dash, ad. censklsps. Skim (alttrri'l, v. r.. afsehuirrien; ofroomen; si, cliep- pen; ,n r iike Dn, arthraken; V. n. voorbijzweven; Slash (RieElb, R. tin,fte, joap; seheur. —, v. a. an jiafgeroomde me!.k. den, hGuwen; v. n. om sick been sloan. (orer) overheen glfidets. minas Sintris (sletej), a. bocht in een totem, ; viattg; korte — m. arschnimer; sehitimspaan. — neer, brie, 'el. — pencil., griffel. --quarry,leiSl(allielrifitn)7),Ps1-.h'ueildTv11..—ba//,drulikersbal.—d.rep, Sterie groef. —roof, leien risk. v a. met leien dekken. — flint, vrek, woekerissr —wool, opperilakkig. —r, m. leidekker. doode \vol. —, v. a. villen; net eene hold bedek- Slat ter (slet i tur), v. n. slordig (monlg) gekleed (over) ken; v. n. eene htlid bekomen goAn. Skink Is:ring's), 8. drsnk.—. v. a. inachenken. Stilts less ,slanness), R. zonder (den von) hold. Slattern (sleeturn). s. slons, morsebel. —, v. a. veralnusen; verwaarloozen. y, t. & ad. slordig, —fled (skind), R. gevild; met ease,— held; leder- morsig; aubteloos. achtlg. --nor, a. viller; velieukooper. — nineae a.leirtehtlg. (-ni-ness), s. velligheid; mager:iet.t. --op, R. vel- Sinty Slaughter (slan'tnr),m.slaehting,bloedbad,man—, lig; mager.
If you do have this much money tied up in Bitcoin, though, you may want a more secure space to store it. If this is the case, Coinbase offers a Coinbase vault, which has time-delayed withdrawals (giving you 48 hours to cancel a withdrawal) and the option of multiple approvers, increasing security by ensuring that all withdrawals are approved by multiple people. They also offer a multisig vault, which is basically an even more involved and more secure vault, requiring multiple keys to unlock. 
Litecoin remains in a vulnerable technical position, with the cryptocurrency threatening a deeper decline if the $50.00 support level is broke. The LTCUSD pair is trading below the neckline of a head and shoulders, with the $36.00 level the medium-term target. LTCUSD bulls need to rally the pair above the $66.00 level to encourage traders to move back into...
Amability (em-e-bil'it.tih), a. lieftalligheid. Amadou (em'e-doe), a. zwam. Antaiganta te (e-mellge-meet), v. a. vermengen. —lion (-mee'sjunl, a. vermenging. Amanuensis (e-men-joe-en'sia), a. afschrijver. Amaranth (enee-renth), a, duizendechoon. —ins (-ren'thin), a. amarantben; onverwelkelitjk. Amass (e-maas') V. a. ophoopen. Amatory (em'eAur.rin), a. de liefde betreffend. —potion, minnedrank. Anna. a (e•meez'), v. a. verbazen. —ement, a. verbazing. —ing, a. —injiy, ad, verbazend; § ontzettend. Antezon (em'e-zon), a. amazon.. Ambages (em-bee'dzjiz), a. wijdloopigheid. Ambass ador (em-bea'ae-dur), a. gezant, —y lem'bes-aihl, a. gezantschap. Amber iem"bur), a. amber; a. van amber. yellow—, barnsteen. —prig, ambergrija. Ambidez ter (em-bi-deks'tur), a. iemand, die rechts en links te gelijk is; dubbelhartig mensch. —trous, a. rechts en links zijnde; dubbelhartig. Ambient (em'bi-ent), a. omring-end. Ambiguity (em-bi-gjoe'it-tih), s. dubbelzinnighetd. Ambiguous (em-big'joe us), a. —ly, ad. dubbelzinnig. —nees, a. dubbelzinnigheid. Ambit (emlbit), 8. omtrek. Anabiti on (eitt-bis'ajun), a. eerzucht; I, haat, wrok. § —on, v, a. jagen naar sets. —ous, a. (of), — ouslv, ad. eerzuchtig. Anibi a (em'b1), s. telgang. —e, v. n, den telgang giian. —er, s. telganger. —ingly, ad. in den telgang. Ambrosi a (em-bro'zji-e), a. 'ambrozijn. —al, —an, a. van ambrozijn; kostelijk. Ambry (ein'brih), a. provisiekast. Ambs ace (eenaz'ees), o, dubbel aft.. Ambui ante (ein'bjoe-lens), a. draagbaar hospitaal. —ant, a. rondtrekkend. —ation (-lee'sjun), a. rondtrekking; wandeling. —atory a. wandeleed. Ambuscade (em-bus-keed'),Ambusitlem'boesil, s. hinderlaag. —, v. a. in hinderlaag stellen v. n. iii hinderlaag ligeen. Amber at Ion ( em-bue'tjun), s.branding, schroeiing. Antellorat a (e-miello-reet), v. a. verbeteren. —ion (-ree'sjun), a. verbetering. Atnen tee'men), ad. amen; zoo zij het. Amenability (e-mi-ne-bil'it-tili), a. aartsprakelijkbeid; gezeggeitikheid. A litts'irsable (e-naPnibi), a. aanaprakelijk; gezeggelijk. —neon, u. Zie Amenability. Amend (e-mend'), v. a. verbeteren; v. n. beter worden. —able, a. verbeterkjk. —er, a. verbeterear. —went, a. verbetering; wijziging. —8, a. vergoeding. Amenity (e.men'it-tiix), a. bekoorltjkheid. Amerce (e-mars'), v. a. beboeten. —ascot, s.boete. —r, a. beboeter. ,%.tneihyst (ern'e-:hint), a. amethist. —ins (em-ethistlin), a. amethistkieurig. Amiability (ee-mi-e-bil'it-tih), a. beminnelijkheid.

Hoeveel waren Bitcoins in 2009


Abroach (e-brootsj'), ad. gereed om afgetapt te worden. v. a. een vat opsteken om of te tappen. Abroad (e-brand"), ad. buiten; buitenalands. Abrogat a (eb'ro-geet), v. a. atschailen, opheffen. —ion (-gee'sjun), a. afschaffing, opheffing. Abrood (e-broed'), ad. broeiend. Abrupt (eb-rupt'), a. a'gebroken, plotseling. —ion (-rup'sjun), a. afbreking. —ly. ad. .plotseling. —nets, a. aftebrokenheid; overtjling; steilte; kortileid van stiji. Abscess (eb'ses), a. gezwel; zweer. Absci nd (eb-rind'(, v. a. afanijden. —salon (-KW jun), a. afsnijding. Abscond (eb-skond'), v. a. verbergen. —, v. n. (from) zich verbergen; zich ult de voeten make. —er, a. voortvluchtige. —sion, a. vlucht. Absen ce leb'sens), a. afwezigb.eid; — of mind, verstrooidheid. —t. a. afwezig; verstrooid. Absent (eb.sent'), v. a. (from) verwijderen. —ee —er, a. afwezige. Absinth (eb'sinth), a. alpem. Absist (eb-eist'), v. n. (from) afzien, afiaten van; opgeven. Abaolta te (eb'so-ljoet), a. —tely, ad. onbepaald; voistrekt, onopzichtelijk, stellig; oppermachtig. —tenets, e. onbepaal dheid, will ekeur, despotisme. —tion (-ljoe'ajun), a. vrtspreking, kwttschelding. —tism, a. alleenheerschappit, despotisme. —tory (-solloe-tur-rih), a. vrtjsprekend. Absoiv atory (eb-aoi've-tur- rib), a. vrijsprekend. —e (eb-zolv"), v. a. vrijspreken (from. of); abaolutie geven. —er (-zol'vur), a. vrijapreker. Absonant (eb'so-nent), a. wanluidend; ongertjmd. Absonate (eb'so-neet), v. a. achuwen. Absorb (eb-sorb'), v. a. opslurpen, inzuigen; in zich opnemen; verslinden. —ed. a. (in thought) in gedachten verdiept. —ent, a. opdrogend; a. opdrogend middel. Absorp tlon leb-sorp'sjun), a. opslurping, enz. —tire, a. opslurpend, enz. Zie Absorb. § Absquatulate (eb-skwet'joe-leet), v. n. zich uit de voeten maken. Alhotain (eh-stem"), v. to. (from) zich onthouden v.. Abstemious (eb-sti'mi-us), a. — ly, ad. onthoudend, matig. —nets, a. matigheid. Abstention (eb-sten'sjun), a. onthouding; verhindering. Abater ge eb-aturdzj'), v. a. reinigen, zuiveren. —gent, —sive (-stur-siv),, a. reinigend, zutverend; afdrogend. —sion (-stur'ajun), v. afveging; zuivering. Abstlnen ce (eb'sti-ncns), s. onthouding. —t, a. —tly, ad. matig, onthoudend. Abstort (eb-stort'), v. a. ontweldigen, afpersen. Abstract (eb'strekt), a. afgetrokken begrip; ult. treksel. —s, e. orgeiregisters. v. a. Abstract (eb•strekt'), a. afgetrokken. aftrekken; uittrekken, afzonderen (from). —ed, a. afgetrokken; diepzinnig; verstroold. —edly, ad. op zich self beschouwd (from). —ednees, a. afgezonclerdheid; afgetrokkenheid. (-strek' *jun), s. afgetrokkenheid; afgetrokken denkbeeld. —ire, a. aftrekkend, afzonderend. Abstringe (eb-Istrindzn, v. a. ontbinden.
BE ti itehoor en, on w. to be fit (proper, suitable), to behoove, ought ; to he required (necessary), to belong (to). —c-n, o. rear —, fitly, properly. hr. & bw. fit (Ay), proper i-ly), becomlne ( ly), due; duly, —liikheid, v. fitnest, properness, becomingness, convenience. o. prone, nation, conservation: safety; coneervatltm —*man, cowervative. —en. or, w. to seep, to hold, to retein; to preserve, to saYe. —enis, y. preservation, safety. calby. note. —en, nation. —ens, vs save, yotvinc —er, m. preserver, never. —ing, T. preservation, eonservat ion; saving. Betionewen, or. w. to hew, to equate, to trim. fileh,Md, by. rod with weeping, wet with tears, Beficifsel, be. lodged. Behtstre, o. shift, expedient. met — ran, with the sit (help) of, by measie of —.am, by. helpful, ready to help, officious, tie behulpiame hand bieden, to 8,8 , st, to nueenr to lend a helping hand. —teemheid, v. helpfulness, readiness to help. Bellintwd, dw got by marriage. —breeder, brother-in-law. —dochter, daughter-te —moeder, mother-in law. —rade, tether-in-law. —soon, sou-in-4 , .- —raster, lerheawelUken, Beituvern, on. w. to get by marriage, Beide, by. & tw. both. te(f —. both of no. eon ran --, either, peen ran —, neither. Belden, oy. w. to terry, to etey; on. w.to wait for. fielder banda, bv. —lei, bv. 0f both cert. Btfer ear, m. chimer. —en, on. w. to chime, to BoUver her, m, zealot; industrious man. eich --en, t. w. to endeavor, to strive, —ing, Y. endeavoring, zeal, close eppl,cation. Beljnelen, ov. wo to cover with boar frost. Bette', In, chisel. —work, chisel-work, corned work. —en, ov. w. to chisel. BeJaard, by. aged. stricken in years. —heid, v.
Run let (runlit)„ a. valitje; beekie. —nel (-nil),; Rust (runt'), a. merest; bederf. —eaten, door den s. beekje. —ner, a. looper; renpaard; bode; ge-1 roest verteerd. —, v. a. & n. (deer) roesten; rec'ntedtenaar; uitlooper; mantel. —net (-nit), s.1 (doen) bedeilen. loopend Rustle (rua'tik). a. hue, —, —al, a. —ally, ad. ning, a loopend; kaasleb. renbean. 1 boerech. landelijk. —alness, —ity (-tial'it-tih), a. schrift; —knot_ echuifknoop; boerachi► eid, landelijkheid. —ate (-ti-keet), v. n. Runnion (run'jun), s. p;emeene keret. 1 op het land women Root (runt), s. oncierblijtscl (von dieren). Rustiness (rus'ti-ness), P. roestigheid. Rupee Iron-pie'), s. a opij. h ustie trus't,11, a. genteel. —, v. rt. ritaelen. lasrptloaa trup'sjunl, a. break. Rupture (rupejoar), s. break; vredebreuk. —,, Rusty (rus'tih), a. roestig; ranzig. v. & n. breker, beraten. —wort. brook-1 Rut (rut), s. wagenspoor; bronsf. —,v.n.brons1 ten, bronstig zijn. kruid. a. Rural froe'refl.s.landeii,jk.—i3t., a. landbewoner. lftutta (roth'). a. niedelljalen; ellende. 1 —folio, ad. medelijdend; jamme.eijk. —fatness, a. (-rel'it-tih), --nrss, a. landelOkheid. Rus h (ru,r), t'. hie.; prul; vaart; achok. —candle,1 mededoogen; ellende. —less, a. —leesly, ad. onv. n. stuiven; onellea; barmbartig, wreed. lestness, a. onbarmhartig-light, nachtlicht. held. upon) overvaflen; (upon) zich storten op. —iness (-i-ness), a. biesachtigheld; overvloeti van rice. Rult ter (rut'tjur), a. wecw'jzer, reiaboek, Lee1 fahkel; and reiziger; ervaren soldaat. —ish, a. -p., a. vol biczen. Rusk (rusk), a. mcheepsbeaciatit. taantig% geil. —y, a. vol wagensporen. Rye a. aogge. —breed, raggebrood, —grass IliumArt (rus'ait)„ a. roodbruin, nos.. boersch. dolik, onkruid. —ing, a. asgtappel. —y, R. ! a. boerenkleeding. ! Ryot (raj'itt), s. pachter (in lndie;. roodbrninachtig, roa,ig.
on. w. to shiver (van, with), to shudder (vest, at). roughness, uneouthness; plumpness, bluffnese; —leg, by. shivering, chilly; 'whimsical, freakish, bluntness, dullnem. —hada', v. mv. ab ielve capricious; fantastic, droll. —/igheid,v.chilliness; words. whimsicalness, freaklehness, caprleionsness; fan- Grol, v. silly tale, antic. —len ',taken, to play tasticainess, drollery. —ling, v. shivering, antler —lenmaker, antic, buffoon. —Zen, on. w, to grumble; zie Krollen. —lig, by. & bw. shiver. Grim, v. wrath, anger. —beAken, to show one's facetious (-Iy), foolish (-iy), silly ( fly). teeth. —Zech, malicious smile, grin, —/achen, to Groin, o. entrails (of a Ash). —pot, grumbler. Grommet en, on. w. to welter, to wallow. —in, grin. Grimes, y, grimace, antic, wry face. --‹en ma- be. weltering; dirty.—ing, v. waIlowing;dirt,rnire. ken, to cut faces, to 1)1 , Y antics. --serimakir, Groner"' en, ov. w, to gut (flsh);on.w. to grumble, buffoon, to growl, to scold. —ig, by. grumbling, cross; not well gutted. GrImmelen, on. w. to sworn. GrIntin en, on. w. to loam with raga, to roar; firmed, no. ground, floor; earth; field; bottom; to whine, to whimper. —cc, m. whiner. —ig, be. bank, shallow, depth; basis; principle- cause, & 9w. grim (-iy), furious. (-Iy), wrathful (-Iy). reason. in den —, thorough:y, entirely, radically, perfectly. in den. — boren, to sink, to run down. —4, held, v. wrath, wrath/One., rege, anger. GrIoniken, on. w. to neigh; to sheer, to eunper. to —e gaan, to 'sink, to founder, to be ruined. Grine, v. second flour (of buck- wheat); gravel, to —e richten. to ruin, to undo. —beginiel, principle. —belasti up, grit. —weg, gravel-path. ground-tax. —bestanddeel, fundamental part. —bew(ys, principal proof. Grist en. no. w. to pilfer. —er, in. pilferer. Greet', v. furrow, channel, groove, noteh; grave; —break, breach in a dike. —brief, mortgage. schattine, ground-rent. —eigenaar, landpit, quarry. — *jeer, groovl.g-tool. —werk,chati- holder, landed proprietor. —eiyandoni, real estate, melted work. Groel, m. ;growth. —kracht, vegetation, vegetative landed property. —gebied, territory. —gebouw, faculty. —en. on. w. to grow; (in) to delight in. foundation. —petal, cardinal number,- —haak,gaff, —ing, v. growing, growth. —eel, rr.grov th,—zaam, boat'ehook. —hem landlord, lord of the manor. by. favorable to vegetation. —zaamheid, MAY.- ground-ice. kleur, prime color. —kundig, knowing all the shallows. —Teen, fief. —leer, funabtenees to vegetation. Groan, by. green; unripe; verdant; young, unex- dementsl doctrine, principle. —/egger, founder. o. green, —legging, foundation. —lea, zie Groqdroorel. m. novice. green-horn. perienced. — corrosalc, first cause. —peal, stake to build upon. —color; greens, vegetables; verdure. --beer,—man, —verkeoper, herb-man, green-grocer. —boerin, —paeht, —rente, ground rent. —repel, principle, —verkoopster, —cream, herb-woman. —haring, fundamental rule,axioru.—recht,rights of a mono' green herring. —kelder, cellar where green* are —sap, —sop, grouuds,dregs,sediment.—scheiding, to be had. —mand, green-basket. —markt, herb- dernarcetior► . —slag, basis, foundation, ground. market, green-market. —meisje, girl that sells --vtlenefoundation-stone.—stelling i aitlommaxinr, greens. —noes pot-herbs, green, —tuin, kitchen- —stem, bass. —atof,ele (gent; raw material. —t aal„ cantharie. original !anima? —teekening, plan, ichnography. garden. —wink, green green-shop. —achtig, be. greenish. —en, —tekst, original text. —torn, tonic, key-note, funon. w. to grow green, to sprout out. —heed, v, dements"! tone. —touw,relievinte rope.- -trek,primgreenness. —ig, by. greenish, verdant. —igheid, v. itive 'stroke, — trait, cheracterietic solid, firm, —verdeeling, division of grounds; primitive greeniehnees, verdure. —ling , no. green-finch. Groente, v. verdure; greene, pot-herbs, vegeta- division, diatrieution, —verf, prime color, —terven, to prime. —rest, foundation, fundament,baee. • -soep, soup with greens. Groen —vesten, to found., to ground, to ley the foundaVoor de verdure samenstellingen zie onder tion of. —nester, founder. —vesting, foundation. Grevereitje, o. novice, green-horn; bergamot. —viable, surface, Area, ground-plot, base. —weer(Cree ► , v. group, cluster, crowd; ditch, trench. held, fundamental truth. —werk, ground-work. - eeren,ov.w. to group. Greet, m. greetlrg.oalutation,bow, salute. —en, --wet, fundamental law; constitution. —mord, tvr. w. to greet, to salute, to 'aow to; to take primitice word, radical. —cl a m. —elingon.grouudleave. tic gruel a, adieu! farewell I greet hem van ling. —neon,, by. groundless, bottomless, unfath' msj,remember me to him,preeent my CO ► plitnenrm omable; boundless, inexhaustible, infinite; un(reepects) to him. —eerie, v. salutatio ►., compli- searchable. —eloosheid. v. groundleneness; unfathmente, respects, remembrance. omable depth; boundleeeness, infinitude. —en, Groev e, v. Zie Groef. —en, or. w. to reeve. ov. w. to fouled, to ground. to lay the foundation of, to hue, to prime (Wee/lade', ; on. w. to sound. Groeso, v. first verdure. Grof, be. & bw. coarse (-1y), roogl ► (-1y), uncouth —ig, b v. & bw. fundamental (-1y); thorough (-1r), solid (-1y), profound (-Iy); tasting of the mud. (-1y); plump (-1y), bluff, blunt (-1yo dull (-y); great (-1y). grove fast. groins fault, blunder. — —igheid, v. solidity, profoundness, radicality. geschut, heavy guns, ordnance. grove stem., hellow Groot, o. groat. hall a sliver; wholesale; largevoice. — spelen, to play deep. Alj maakt het to —, hand. in het —, wholesale. de —en, the great. een he goes too far. —grein, grogram. —Wag, cor- spaarisc' d —e, a grandee. —, ha. great, large, big; palest, plump. —/iivigheid, corpulence. —sekrift, bulky, capacious, roomy; tall, high; grown tip; large.hand. black-emith. —echtig, by. important, renowaed, grand, eminent. —e letter, rather coarse, — groan. —held, v. coarsenese, capital (letter). — ear, good hour. — secedes,

Wat is Binance waard

×