Forme, v. fame; report; reputation. ter gveder swan en — ataan, to be in good repute, to have a good character. —roovend, —rooter, ale Ear. ronvend, Ferroover. —loos, by. inferno.. Fake], V. fable; story, tale, quib. —bock, hook of fables. —dicker —schrtver, fabulist, fabler. —kunde, —leer, mythology. —achlig, be. febulous. Fabriceeren„ ov. W. to manufacture, to make, to fabricate, to forge. Fabriek. v. manufactory; coining, invention.--, m. surveyor of ;iblick buildings.—arbeider,—werher, manufactory •rn an, workmail.—diatriet,mannfactoring district. —gebouw, manufactory. —goed, —werk, manufact )re. —opzichter, foreman. —prti., factory-price, prime cost. —.OM, manufacturing- taw, —weave, manufacturing industry, factory-aptem. —en, no. w. to make, to fabricate. Falerik ant, m. — ear, m. manufacturer. Factle, v. faction. Fasctoor, m. factor; agent. v. factory. Factureeren, ov. w. to invoice. Fesetuur. v. Invoice. —bock, invoice-book. -, bedrag, invoice-amount. —warsido, value as per invoice.

Hoe kan ik kopen Bitcoins


206 OUT.— OVE. 0 tt ter a ri a Is , s • buitenkerspel. Outstride (-strajd") [irr.], v. a. Zie to Outstep. Outpart, s. buitengedeelte. Outstrip ( strip'), v. R. voorbijitreven. Outpa am (-paas'), v. a. voorbijstreven. Ontswear (- sweet') [irr.], v. a. in het vloeken Outporch, s. ingang, portaal. overt reffen. 0 ettport., a. buitenhaven. Outsweeten swiet'n), a. R. in zoetheid over • Outpost, s. huitenpoat. treffen. Outpour (-poor'), v. a. uitgieten, uitntorten. Outswell [irr.], v. a. overatroomen. 0 utpray (-pree'), v. a': in het bidden overtreffen. Out talk (-took'), —tongue ;-tuog'), v. a. overpraOutpreach (-prietsfl, v. a. in het preeken overten. treffe n. Outtop (-top'), v. a. boven het hoofd groeien. Outprize ;•prajz'), v. a. te hoeg in prijs stellen; Oulvalue (-verjoe), v. a. in waarde te boven in waarde overtreffen. gaan. Outrage (aut'ridzjl, a. grove beleediging, hoon; Outvie (-vaj'), v. a. overtreffen, nitmunten boven. ge•elddadigheid. —, v. a. beleedigen, hoonen; Outvoice (-vok,'), v. a. oversehreeuwen. v. n. buiteneporigheden begaan. —ous, a. —on (p. Outvote (..vont')., v. a. overstemmen. ad. (•tree'dzjus-), beleedigend, hoonend; geweld- Outwalk (-wauk';, v, a. in het gaan overtreffen. dadig; woedend; ones dreven, buitensporig. Outwat I, a. buitenmuur; uiterlijk, sehtin. Oaatraze (-reez'), v. a. uitroeien. Outward iaut.'wurd), a. —ty, ad. uiterlijk,uitavenOutreach (-rietsp), v. a. corder reiken dart, dig. —, —8 (-wurdz),ad. naar buiten;buitenwaarte. Outreason (-rie'zn), v. a. door betere gronden Outvvatch (-svotsY), v. a. in waakzaamheid overoverwinnen. treffen; doorwaken, Outreckun (•rek'kn), v. a. in de herebening te Outwear (-weer') [irr.], v. a. uitduren; longer boven gaan. duren den; in verveling doorbrengen. Outride, a. rid. —(-rajd') [irr.], v. a. voorbij rij Outweigh (. wee"), v. a. zwaarder zijn dan; overden; v. n. nitrijden. —r (aut'raj-dur), s. voorrijtreffen. der ; deurwaarder van den sheriff. Outwit (-wit'), v. a. verachalken, te slim zijn. Outrigger (ook; -rig'gur), a. bokapier, donve jut Outwork, a. buitenwerk. —(-avurk'), v. a. weer ioefb al ir; wacht schip. (betel.) werken dan; overtreffen. Outright (- rajt'), ad. dadelkik„ geheel. Outworn( woorn'), a. afgesleten. Outriv (-raj'vel), v. a. de /oaf afsteken. Outvvrest (-rest'), v. a. afpersen, ontweldigen. Out rear (-rose'), v. a. boven.... nit loeien, 0 utwrought Croon, a. overtroffen. Out root (-met', v. a. uitroeien. v. a. in het grappenmaken Outzany Outrun (-run') [ire.], v. a. in het Joopen overtrefovertreffen. fen; to boven gaan. Ouzel a. Zie Ousel. Outten ( v. R. voorbij zeflen. Ova l (o'vel), a. & a. eirond, ovaal. —rious (-vee'Outscorn (-skorn'), v. a. fret verachting behanri.oa), a. van eieren. —ry (-ve.rih), a. eleratok. delen. —te ( vent), —ted (. veet'id), R. eivormig. --tion Outsell (cell'; [irr.], v. a. duurder (meer) verkoo(-vee'sjun), a. ovatle, kleine zogepraal. pen dan; hoogeren prima halm dan. Oven (uv'n), s. oven. —fork, ovengaffel. —ful, Outset, a. begin, aanvang. (een) oven-vol. —peel, ovenkrabber. —tender, Outshine (-ejajn'), v. a. in glans overtreffen. ovenstoker. Outshoot ( -sjoet.') [im], v. a. in het schieten Over (o'vur), a. bovenate, boven-. ad. & prp. overtreffen. over; op, boven; door; voorbij, gedaan. — a Oats. Out side, a. bui ten-. —, a. buitenzijde; voorkomen; of wine, bij een glee wijn. — and —, bij herbalinga uiterste ad. buit en . all —, overal; voor good voorbij. ten times —, Outsit (-sit') [irr,], v. a. longer zitken don; verzittienmaal achtereen. — again, nog eena. — against, ten. tegenover. — the way, a an de overzkjde. or 0 utsklp (.skip'), v. a. ontapringen, entgaan. under, meer of min. Outskirt, s. voorntad; buitenpoat. W oar, in de volgende samenstellingen, de uitapraak 0 nteleep (-aliep') [ire.], v. a. Lange -, elapen dan; niet is aengewezen, dear heeft o den klemtoon. verslapen Overabound (-e-baaund'), v. n. al te overvloe • Outspeak (-apiek” [irr.], v. a. in het sprekea dig zijn. overtreffen; overt refire, Overact (-ekt'A v. R. & n. overdrijven. Outaport (-spoon'), v. a. in het achertsen over- Overall (o'vur- aol), a overjas. —a (.aolz), pl. treffen (overdrij ven). overbroek. Outspread (-spred'i [irr.], v. a. uitspreiden. Overanxious (-enk'sjus), a. te angstig. Outstand (-extend') [irr.], v. R. uitetaan; weer- Overarch (•aartsy), v. a overwelven. staan; v. n. uitsteken. —ing, a uitstaand, onbe- Overawe (-ao'), v. a. in ontzag hluden. Overbalance,s.overwieht,meerderbeid. —(-bel'taald. Outstare (steer'), v. a. door onbeschaamd aanens), v. a. meer wegen don; overtreffen. etaren ver•agen maken. Overbear (-beer') [irr.], v. a. overetelpen; overOutstay (-stee') [ire.] , v. R. Langer 1,:ijven dan. weldigen, onderdrukken. —ing (-beer'leng), a. aanmatigend, trotsch. Outstep (-step'), v. a. voorbijstoppen; overst!hrijden. Overhead (-bend'), [ire.], v. a te aterk apannen. 0 utstreet, s. achterstraat. Overbid (-bid') [irr.], v. a. te veel bieden; meer Outstretch (-atretaj';, v. a. nitetrekken. bieden dan.

Hoe wordt cryptogeld prijs berekend


splintennleuw. —piece, knijper op de mars, se!tieten; oulstaan, voorkomen. —er, kuiter. —saw, handzaag. —shackle, ben, -1 der pent,- —sag, e. het •nitmeitieten; poartijd. baiken. —, v. a. spannen, °map.. eon, afmeten. Spay (epee), v. a. anijdett (willjeadieren). Spandrel (spen'drilr, a. begin van een geweif. Speak (snick') [spoke. spoken (spo'ku)), v. a. spreSpangle (speng'g1), s. ioovertje. —, v. a. to ken; uitepreken„ zeggeta; to kenn geven; —the word.. conduit spreken ; v. n.apreken; — fair, goede loovertjes veraieren. woorden Spaniel (spenlil), s. pa.trijabond; kruiper, victor. (onj voorrspreketi. (out) luid (vrij• —, v, a. ale een hand ualoopen; v. n. kruipen, rnoedig) apreken. ( to) groeten. —able, a. ill tapre• vleien. kelijk, hespreekhaar; gproSeucl. —cr, a. apreker; Spanish (spon'isj), a. spaanseh. —coin, admire woordvaerder. —ing, a. het spreken; —trumpet, — apreektrompet,roeper. •oorden. —fly. soaanache licorice, drop. — paint, — white, loodwit. — red, Spear (spiee), a. spear, Inns; elger. --blade, spitse vermllioen. kling --box, zu4er (acne]. pomp). ;_—/not,rechter Spook (spengk'), v. a. met he viakke hand achterpoot. —grass, ' speergras. —hand, rechteralaan . a. Wein muntstqk; groote, a`erke. hand. —head, speerpunt. —man, speerrolter. vent, Was; pronker; —boom, boom voor het —mint, , ronwenrnunt. —shaped, lanavormig. brikzeil; —, —sail, brikzetl, bezaan. —big, a. —ntaff,apeerachaebt. speerdistel. —wort, borsch, stevig; opgetooid. speerwortel. v. a. met eerie spear doorboren v. Spanner (spen'nur), e. spanner; karabijnelot; 0. opachteten; ale to !pair].-. schroevendraaier. Special (ti?earell, a. —1y, ad. bijzonder,. soorteSpar ispaar), a. ,,,paath; spar; sluitboam.--, v. a. lilt; huitengewoon; uitrnuntend. ty a. bijzonderheld; hijzonder geval. met cen' boom aluiten; v. n. met de vuiat veelt- ten. Sps ale lapi'sjih), a. specie. gemunt geld. —t (•ndiz), Spar* Isle isper'ibil, s. sehoenspijker, MIN,. a snort, geslacht; bestanddeel. —drap (-e deep), a. waspletater. Specific (ripe-sit'ik). a. bijzonler middel. —al, -Spare (spec].'), a. —IP, ad. spaarzaam; thinoehraal; —att., ad. bijzo,der; soortelijk. —ation (al,osflOoA, a - bed, et, teed karig, mistier; overig, if t kee'sjun), a. uiteenzetting, arzonderltike vermelding. over. —dark, overlain,. —diet. wheel]. kost. —hour, snipperuur. —money, spaarpennin!;,-,n. var- Spec, (speei-faj), v. A. uiteen zetten; aizonderkenssratinetje. —time, vrije —topmast., bore. - 10 (at nit voor awl() opgeven. —men (-men), a. along. —yard, waarlooze ra. —. v. a. aporen; be- proof, staaltje. aparen; veeschoonen (from); ontberen, n,).asen; v. Specious lapi'sjua), a. —ly, ad. oogenschiinlijk, n. sparer); spaacz3am zijn;zich onthouden (foot,. schoonschijnend. —wens, s. schijr, glimp; echoon-ness, s. magerheid, mehrattliteid. —r, a. apaar- achijnendheid. der. Speck ispek), s. vlekje. v. a. vlekken St ntrIng (speOrioig), a. —1y, rd. aoarzaam; Speckle tapek'kl), s. apatje, apikkeltje. —, v. a. achraal, verschoonend. —fleas, a. spaatzaatniteid; spIkkelen, neignkkelen. schraalheid; orazichtighcid. Spectacle (apek'tikl), a. schouwapel,verfecultig• Spark (apaartti), a. vane; pronktr;minuattr. —ink, --maker, brillen%lijper. —snake, brilalang. —d, a, a. l'achtig, vroolijk; opgescht kt. gehriid. —s, pl. brit; a pair of --, can 1► 11. verapveiden; Speeta tear (spek- tee'tur), s. toeachouwer; beSpark; e (spaaekt). s. conk. v. a. vonkeien, fonkelen, flikkeren ;with ;. —er, a. achouwer. --tress, s.toesebouwater. die glinsterende oogeu heart. —of, a. vonkje, Spectr at (spek'trel), A. itookachtig; spook-. sprznkje. —ing, a. —ingly, no. vonketend, tattle- ( , tur), a. spook, verschijning. —um, . beeld, kienlend, parelend. ingness, s, gevonkel; glanerijk- renbeeld; geatalte. held. Special ear tapek'joe-ler), a. spiegelvormig7 apie• Sparrow (speero), e, munch. --gram zie Aspic. gel-. —ate 1-leer), v. r. peinzen, bespiegellugen ragus.--Actuilc,sperwer. waken; speculeeren (in. on). —ation (-lee'f-jun), a. Sparry (apaaerib), a. spaathachtig. beapiegeltng; speculatie. —ative, a. —at ively, ad. Spasm (*ppm), s. kramp. a. (-le-tic-), beltpiegelend. tbeoretisch. —aloe (-lee➢ rarnpachtig; kramp-; a. kramptitillend middel. s. beschonwer, peinzer; speculant. —um, e. Spat (spet), a. knit (van °eaters); also met een plat spiegel. voorwerp. —, v. n. knit achieten (van °eaters); Speech (spiet4'), s. spraak; tanl; toeapraak; cedetwisten; alga". vocring. § —ify (-i-fe,j).v. n. eene rettevoering hoc. Spath (*peel li), s. bioenischewlde.—ic(speth'ikli den. —less, a. aprakeloos. —leanness, a, bprakelcos• a. schilferachttg. held. Spatial. (apee'aji-eet),•• 0. zw. ,,en• Speed (spiee), a. spoed, haest;sneilleidtultkornat, Spatter (speetur), v. a„ beapatten; bekiadden, be- uitslag. at (with) full —, speorsings. eeretwat ken; uitslaan; v. n. apuwen; spatten. —dashes prOn 'plant). (-de"sj-iz), p1. alopkoumen. Speed (aped') [sped], v. a. hespoedigen. vechasa. Spatula (spet'joe- a. spate;. —le (-let), a. s paten; afzenden; uit data wag rumen, bevordereu; telvormig. v, n. Melt ballet.; alagen; amen. --lip, ad. —y., a. SpavIn (spev'in),.. spat. —ed (-ind), a. anatzfek. spoectig, anel. ( 1-nese), s. synod, enelSpawl (apsol),.. speeksel. held. . Spawns (spaon'), a. buil, zaad; gebroed. —, v. a. Spell (spell'), s. betoovering; schoft.(tkid); ploeg voortbrengen; v. u. knit schleten, leggen, telen, (troop). —bound, bstooverd. —word, tooverwoord.
capital puoiehment, pain of death. —string, necklace; halter, rope; quinsy, squinancy. neck - piece. — lalie, tack - tackle. — vrtead, — triesdin, bosom- friend. --seen'e, capital crime. — zed, Arap„ shoulder - belt. Meister, m. halter. Unit, v. halt. — &Aden, to halt, to make a halt, to stop. alleavesertera, ON. NV. to halve, to divide into halves. IItsive-stateron, v. half-moon• crescent. Halwerwegam, bw. half-way. 111,aleezolless, ova w. to new-foot. linleen, to. me. red - weede. — , on. w. to drudge; to draw tiet the lia!eers; to veer. hams, v. ham, —meiee., ham-tone. —meet, hamgrease.
wroeht. —er, a. arbeider, workman, doglooner. —iota, a. —iously,, ad. (lebo'ri-us-), werlrzaam; bewerkelijk;lastig,moeilijk. —iousness de- bo'ri-us.). a, werksaamheid; be werkelijk beid, moeilijkheid. —less, a. werkeloos; niet moeilijk. —some, a. werkzaam; bewerkelijk. Laburnum (le-bur'numa), s. linzenboom; goudenregen Labyrinth (lebl-rinth), a. doolhof. —ian (-tin% tht-en). a. kronk..elend, ingewikkeld. Lac (lek), a. gomlak; 100.000 roams. shell—, ache!. lak. Lace (lees'), a. kant; galon; lint, hand; Teter, r4g. snoer. kantverkooper; passementwerker. —, v. a. liken; omhoorden, galonneeren; afrossen, met geestrijke dranken aanmengen. Lacera ble (les'ur-ibl), a. verseheurbaar. —1e

Ketting, m. chain; warp. —break, continued fraction. —brag, chain-bridge, suspension-bridge. —draad, warp. —garen, warp-yarn. —hand, bandog, mastiff. —hovel, chain-shot, langrel-shot. —repel. chain-rule. —aped, fusee. —stack, chainstitch. Kett, v. cue, billiard-cue. Keuken, v. kitchen. aehrale poor table. —buck, cookery-hook. —gereedschap, kitshen furniture, -utensils. —.fringe*, —kneeht, kitchen-boy, scullion, turn-spit —kae, —kast, pantry, lorder. —ktottwe.., cotquean. —lamp, kitchen-lamp. —ha-ttin, dog 's latin. —menhir, chief cook. —meid, kitchen-maid, cook-maid. —Ines, cook 'a knife. —stsiker, brown sugar. —work, kitchen-work. —tout, coarse salt. Kettle, v. savory. teeter, v. choice, selection ; etendard, stamp, mark ; statute, ordinance. —bende, legion...elect body. —boon, ba Got. —leer, elector, chooser. ---buts, elector house. —tamer, assay-office. —meester, a4eayer ; dean (of a guild); censor. —nterk, —atempel, —treken, assay stamp, -mark ; standard. -.prim:, electoral prince. —steen, touchstone. —gegen, electoral voice, vote. —tin, standard- pewter. —roret, elector. —vorstekik, electoral. —rorstendom. electorate. —voratin, electress. IKeur der, m, examiner; assayer ; censor. —en, ov. W. to examine, to try ; to assay; to etamp ; to think, to deem, to judge. —ig, be. & bw. choice (-1y) ; exquisite (1y) ; nice, penicillin., difficult. —igheid, v. choiceness; nicsty. —ing, v. examination, trying, assaying, stamping. —ltle, by. & bw. choice (-1y), select (-edly), excellent (-ly). —lijkheid, v. choiceness, electness. —lingen, m. mv. select troops. Kene's, v. (pair of) stays, corset; bodice, etomacher. iKetio, v. Zie Ken., Keutel, v. turd, dung. —a, my. crotels, treadles. Keuvel,v. cowl. Keuvel sans, m. chatter. —a-ureter, v. chattering gossip. —arij, v. chattering, chitchat. —en, on. w. to chat. Ket11..., V. choice; selection; election. Kevet, m. gums. —kin; long chin, —en, on. w . Zie Keuveien. Keever, ra. beetle, chafer. may-bug. —Lek, blub• ber-lip; blubber-lipped rayon. Kev le, v. cage. Kibbe" mine, m. —aasrater, v. quarreler, wrangler. v. quarrel. wrangling. —en, on, w to quarrel, to rayil, to wrangle. —kunst, chicane. —ziek,—ig, by. quarrelsome, chicaning . , eaptione. rid, v.quarreleomeneio,capticuinaces. Kibbeting, v. outside parts of soiled fish. Kid, Kldde, v. nag, cob, tit, poney. Klekeboe, tsw. —spOen, to play at bopoep. Kieken, o. chicken. —dtef, kite. —pastel, chicken-pie. Kiel, in. blouse, smock-Frock; wedge. Kiel, v. keeliehip. —gang,garboard-streak.—katen, to keelhaul, to keeihoie. —water, wake, track. —en, ov, w. to careen. Kiem, v. germ. —en, on. w. to germinate. —Nth
Tees,Wive (tre-fien'„ -fain'), s. kletne eehedel- voudis huvielijk, driewijeert- —ger (-gur), a. trekker ; span-. remketting. boar. —. a. trepaneeren. Trepidation (trap•i-dee'ejun), a. eiddering , Trigon (trargun), a. driehoek. —al (trig'un-e1), angst. a. driehoeklg. —ometrieal (trig-un-am-met'rikl), Trespaan (trepee), a. overtreding, ve.grtp. —, a. van de driehoeksmeting. —ometry norree-trib), a. driehoekk neting. v. n. nt It vergriipta, (apainnt); (on, upon) inbreuk Trilateral (trej-let'ur-e1), a. drieiijdig. waken op, overtredeo. —er, a. overtreder, Trees (tress), a. lok., haariok. --ed (treat), a. ge- Trill (trill), a. triller. —, v. a. met eon- trifler zingen; v. n. triflers makeu. lokt, gevloenten. Trillion (trillun), s. trIllioen. Tres...re (t;esj'oer, ur), a. rand, zoom. Trestle (trelf1), a. driratal; sebraag; tafelscitel. Trim (trim'), a. —ly, ad. net, fraai; passend; op. gesehikt. —, a. opsehlk, toot; belegsel; gnede —trees, pl. laul•zalingen. etawing, stand (van ten (whip). —. v. a. opsehlkrefaetie. Tact (tret), a. ken (up); in orde (e4enwleht) brengen; belaggen; Travel (treVit), a. drievoet, treeft. opmaken; anoaien (off. up); bebakken; inrichten, Trey (tree), a. drie (in 't kaaropet). behoorltjk atuwen; doorhalen; v. n. weifaien, Tai able (traribil, a. bet ► reerbaar; v6rhoorbaar. s, opeehikker, opmaker; draftier; draaien. —ad (-ed), a. drietal; driek!auk. —al (-el), s. S. belegael. —ness e a. netheid. wetrhaau. proof; paging; verltoor, gereehtelijk ondertoek. —angle (•eog'gi), a. driehoek. —angular (-sag , Trio al (trapnel), —e, a. drievoudig. —e, a. aspert van 120 grades. gjoe-ter), rt. driehoektg. —archy (-er-kih), a. reTrinit simian (trin.i-tee'ri.en), a. voorstandet van gearing van drie p , rausen. de leer der Drieeeuheid, —y, a. Drieeenheid., Trihet (trajb), a. stem, ge,laght; klaaae, soort. Trinket (tring'ktt), a. apeelgoed; aieraad, snubs—, v. a. in klaesen vordeeten. terij; kenneling; branazeil. a. rondsptl (td,j goudameden). Tr:Met Tribulation (trIb-joe-lee'sjun), a, wede,rasr- Trinomial (traj-no'rat-el), a. drienamig. Trip (trip"), a. atoot, peep, voetltehting; strutdiglieid. holing, ntiaalag; uitatapje; vaart: gang. —hammer, Tribun a3 (traj-Noe'oel), a. reghtbank. trareghts- arneedhamer. —, v. a. den voet (eon beentie) 113!, rechterstlal. —e (trit.i'joen.), a. gemeenamau; lighten (up,; betrappen; liehten; e. n. struikelen; tribune. can' miaalag begaan; can ttitatapj, waken; triprairobut nay (trib'joe-te•vitt), a. sehatpliehtig„ s. aehateijnebaer; as, schatpliek.tige. —e Triparti tab (trip'er-tait), a. driedaelig. —lion ring, ecans. (-t:a)'tin„ a. verdeeling in draadn. Trice (trai9), a. oogwenk, oogenblik. (trikn., a. streak, list; kurAtgr,ap; poets. Tripe (traii , ' , , a. ingewand, pens. —house, pensgrip; aanwonsel: trek, slag. — for —, leer on hal. —wan, penaonan. —market, pensmarkt. —ry toe, --, v. a. bedAten, foppan; (off. out. up) op- (-ur-ih), a. penalaal. sinntrken; v. n. bedrog plegen. —er., a. Cie Tripetalous (traj-pet'e-lus), a. driebladerlg. Tricktitter &, Trigger. —ery, a. bedriegert(; Triphilmng (trip.thung), s. drieklank. a. —italy, TOO ae (trip'1), a. —y, ad. drlevoudig. --e„ v. a. kunatgreep; (hat) opsmitiarent. verdrievoudigen. —et (-lit), a. driebiad; drietal; ad. bedfiegalijk. ilatig. —iahnesg, s. badriegelijk- drierOwig vera; triool. held, Listighetd, Trl,ekic (triVic1), v. n. droppelen, druipen; b' g- Triplio ate (trip'11-ket), a. drievoudig. —alien (-kee'sjun), a. verdoievoudiging. —ity (traj gales (down). it-tilt), a. drievoudigheid. Trick soase (trik'surn), a. 'Me Trickish. —liter (-atm), a. lietlge bedrieger. —sy, a. Hof, Tripod (trarpod), a. drievoet. Tripoli (trip'o-11), s. tripe' (aardsoort). oat-dig. —track. a. triktrak. Tripp er (trip'pur) a. struikelaar; trippelaar; Tricolor (trarkul-nr), a. driekleur (viag). —ed stotteraar. —ing, a. —iagly, ad. strulkelead; (-urd), a. drieklearig. trippelend, vlug. 'rnitte (trajd), a. vlug, Oink, van M,40,11 kiaar. Trident itrardent), a. drietaud. —, —ate (-et), Tripodin ry (trsj-pjoe'di-e-rih) a. daneend, —ion (-ee'sjun), s. (het) danaen, a. driett.ndig. Triennial (traj-en'ni-e1), a, driejarig, driejaar- Trireme (traprtem),.. galel met dela roetbanken. Trisect (traj-sekt"), v. a. in drie gelijke deelen lijkech. —ly, ad. om de dole Jaren. verdeelen. —ion (-eek'sjun), s. verdeeling in drie Trier (traj'ur), a. crlderzoeker; rediter; tarpons- Keli,jke deelen. ter; toetssteen. (tris'mus), a. kaakkramp. 'rri fallow (trapfe:-!o), v. a. 'coot do derde Triapast (tria'pest), a. hijsehsuig met drie kadriesptetig. ( meal vmp!oege:a. troller. kiemlghe;d. bettzetiog. —e., * (traj'il), (trait') a. tee-, beastenraarkt; samenkomst, a. (away) vert,,zeten; v. n. beuzeben; dartelen. —, —pa, a. somber, trettrig, droevig, schavrasen. —er, a. bonnet., —icy, a ad. b , tnelattittig, o,tb,duidertd. —tog, a- gebeu- Trietyllia bac (tria-11-lebnk). --Neat, a. drielettergreplg. —tie (-Wibl; oak: tris'il-libi), a. nal: kottsv tjlu --layman. TO foliate (traj-tonl-et), a. driebiaderig. —form. weird van dais tettergrepeu. Trite (trait'), a. —ly, ad. veraleten, afgenaagd, (trafforno), a. d..ievortnig. alledaaga. —nese, a. versletenheid, alledaegachTrig (trig'), a. vol, gevutd; net, proper. —, v. a. held. eioPPel.; remmen: --any (-e-inib), t,. dile-

Spat, i. Sped, i. & p. p. Smelt, 1.& p. p. Spent, 1. & p. p. Spilt, I. & p. p. Spit. 1. & p. p. Spitten p. p. Split, i . & p. p. Spoke, 1. Spoken, p. p. Sprung. I. Spread, i. & p. ,. Sprung, t. Its p. p. Spun, t. & p. p. Staid, & p. p. Stole, I. St olovii, p. p. Stood, i. & p. p. Pitrick‘i.o, p. p. Stridden. p. p. Striven, p. p. Strode, t. Strove, i. Strown, p. p. Struek,i. & p. p. Strucken, p. r. Strung,!. & p. p. Stuck, t. & p. p. Stung, I. & p. v. Stunk, t. &p. p. Swans, 1. SWeat., 1. Sweater, p. p, Swept, I. & p. p. Swet,1. & p. p. Sw•rbIlart,p, p. Swain, P. P. Swore, I, Sworn. p. p. Swsr.,n,1. & p. p. Swung, I. P p. p. Taken, p. p. Taught.1.8/, p. p. Thought, 1. & p. p. Threw, i. Thriven, p. p. 'Throve, 1. Thrown, p. p. Thrust, I. & 14 p. Told, 1. & p. p. Took, 1. T ore, 1. Torn, p. p. Trod. 1. Trodden, p. p. Narrsehen, p. p. Wex,n.p. p. West, i. Wept, I. & p. p. Wet, 1. Wisp, i. & p. p. Woke, I. Woo, i• & P. li•


(-11t), w. Janette. Juliana. ecutdiate (dzjir-un-dienz'), h. Girondtinen. GlIaagoaw ,gles'go), g. Glactgow. Gie.do -ever (glen-dau'ar), rn. Glendower. Gloceeter, Gloucester (gioetur), g. Glocenter. Gnesen (gnee'zn), g. Oneeen. Gni dun Inar dug), my Gnidue. Gnostics (no8',11/.), r, iluostieken. Gott fret' (god'frih), m. Godfrled. —win (-win), Godewiin. Gold coast (goolekoost), g. Goudkust. —smith, m. Cioldsmith. Golgot he (gorgo.the), g. Golgotha. Goliath (gn-lareth), in. Goliath. Gerd inn ;gor'dji-en), a. Gardiaansch; tn. Gordian,. —nn(gor'dn) m Gordon. (go'the, go'ta), I. Goth, Goth G ,tha. —ard (.urd), g. St. --, St. Got hard. (go'thi•e), —land, g. Gothland. Genre's] (grek'kaj), h the —, de GraNthen. Grace igreee), w. Gratis. g. Geertz. eraillskrt (gre G rn lit re (gree'em), in. Graham. Granada (gre.nede), g. Grenade.


White (wnjt'), a. wit ; blanks. —, v. a. Zie to Whiten., a. witachtig. —n (wer.n), v. a. wit maken; witten; blacken; v. n. wit wooden (with. van). —nor (wajt'n-nr), —ster, s. wittily; bleeker. —nest, a. witheiti, blankheil; relnheit. —a (wa)tz), pl. witte aloed. Whither (with'ur), ad. werwaarte, waarheen. —.ever (eo-ev'ur), ad. waarbsen ook. Whit log (waytteng), e. witviech, wijting; witbalk. —ish, a. witachtig. —Wines*, a. witaebtigheid. Whit leather (wit'leth ur), a. teemleer. —low (.40). e. fljt, vijt. —ster, a. wilier; bleeker. Whitaun (wit'sun), a. pilaster-. —day, —tide, pink , terdag, pink3ter. Whittle (wit't1), a. sec-, knipmes; fijne melting; dock. —, v. a. entjden, snipperen; omdoen, omhangen; wetten, scherpen. Whity (wartih), a. witachtig, licht. Whir, (wiz), s. penis, germs. —, v. n. suizen, gonzen. Who (hoe'), pr. wie, die. —ever, (-ev-ur), —so, —soccer (-so ev'ur). pr. al wie, wie ook. 'Whole (hool'), a. geheel ; heel, gnat. —, a.Ireheel. upon the —, over 't geheel; alien wel besebouwd. Wholesale (hool-aeel), a. in 't groot handelend. — merchant, groothandelaar, groseier. a. handel in 't groot. by in 't groot. Whoteioonte (bool'sum), a. —ly, ad. gezond, Ineilzaam; nuttig; atngenasm. —nets, e. gezondheid, hetizaamheid. Wholly (hool'ith), ad. geheel, geheel en al. Whom (hoem), pr. \vim diem. —sooner (.so-ea'nr), pr. wien ook, wie het ook zij. Whoop (hoep'), s. geschreenw, gejouw; hop (vogel). v. a, naschreeuwen, nitionwen; a. n. echreenwen. —ing, s. jaolatgeschreeuw; —cough, kink hoest. Whoot (host), v. a, & n. Zte to Hoot. Whop (wop), a. & a. Zi9 Whap. W bore (hoer'), o hoer. —house, berdeel. —master; —monger. hoerenwaard ; hoeren!ooper. —son, hoerekind. —, v. a. verleiden, tot hoer maken; (away), verhoeren; v. n. hoereeren. —dom (-dune), e. hoerendom; hoererij; afgoderij. —like, a. Lie Whorish. Whorish (hoor'iej), a. —1y, ad. ontuchtig, hoerachtik. —nest, s. hoerachtightid. 'Whortle (wneti). —berry, s. blauwe bee, hetdebee. Whose (hoe.), pr. ',dens, welke, wier, welker. n. snot. Whur (wur), s. gesnor; gesnater. ren; brauwen, de letter r to scherp nitepreken. Whurt (wart), a. Zie Whortie-berry. Why (waj), ad. wattrorn; wel. nu. (wik), a. (kaerse-) pit, lampenkatoen. Wicked (wik'id), a. —iy, ad. stecht, ondeugend, boosaardig; boon, snot, d, goddeloos; verderfelijk. —nest, u. bombed, enoodheid, goddelooeheid. —ed Wfcker (wik'ur), a. teentje, wilgetak. (-nod), a. teenen, von teenen geviochten. Wicket (wik'it), a. deurt)e; roortje. Wide (wajd'), a. breed, wijd; ruim, uitgestrekt; grout; vet, verwijderd. —, ad. ver, in de vents; wijd. far and wtjd an zijd. — awake, klaar
nt, a. opEdema loos (e-dem'e-tua), - lose, a. gezwollen, len. —nee (-lens), a. opbruitiet. bruisend; ziedend. zuchtig. Effete (ef-ilet")., a. afgeleefd; onvruchtbaar. Eden (le'dn), e. Eden. lusthof. ad. kracht—ly. Efficacious lef-fi.kee'sjus), a. (-te—ions (-test-id), Edenta te (e- den'tet), —led dadig; afdoend. —near, a. krachtdadigheid. lus). a. tancleloos. —tion (i-den-tee'sjun), s. nitEfficacy (efli-ke-ath), a. krachtdadigheid; aftrekking der tendril. doendheid. Edge (edzj'), a. scberpe kant, rand, zoom: anede; hevig verlangen; vinnigheid. to set the teeth on —, Efficien ce (ef-ffsrens), —cy, a. werking, krachtdadigheid; werkende kn.cht. —t, a. —tly, ad. de tanden eggig maken. to put to the — of the uitwerkend. —t, a. uitwerker; werkende oorzaak. sword, over de kling jagen. —tool, snijdend werktuig. v. a. acherpen; women, omboorden; Effigy (ef-fld-zjth), s. beeltenis; afbeeldsel. aanzetten. (in) Ineehuiven. (off) den acherpen Efflate (ef-fleet'), v. a. ophlazen. kant benemen. (on) ophitsen. v. n. zijdelinge Ellioroncen ce (ef-flo.res'sene), a. uitbotting, bloeiing; huidontsteking. —t, a. bloeiend; uitvoortdringen. (assay. off) afhouden. (in) with a bottend. ship, langzaam afvaren op. (over) to shore, de knot volgen. —d. a. acherp; gerand. a. Efllueu ce (al:toe-ens), a. uitvloeiing; voortvloeiing. —t, a. uitvloeiend; voortvloeiend. sot. —long, —ways, —wise, ad. op den kant Effluvium (ef-floe'vi-um ► . a. uitvloetael. *chub.; van ter zijde. Edging (edzjleng), s. zoom, boordsel. —skirt, Efflux ‘ef'fluks), a. —ion (fluktejun), a. uitvloeilag; uitwatteming. zoom van een zeal. — of the land, kromming Effort lef'foott), a. poging; inapanning. der kust. Effossion (ef-fosj . ua), a. uitgraving. Edible (ed'ibl), a. eetbaar. Effrontery (ef frun'te-rih), a. onbeschaamdbeid. Edict (i'dikt), a. gebod, atkondiging, edict. Edification (ed-i..fl-kee'sjwa), a. stichtiug; onder- Effulge(ef-fuldzy), v. n. glinsteren.—nce (.dzjena), s. glinatering. —nt (-dzjent), a. glinsterend, richting. blinkend Edif icatory (ed'i-fl-ke-tur-rih), a. stichtend. (410'6), a. tot Effus e (ef-fjoezi, v. a. uitgieten, uitstorten . —ice (-lis), s. gebouw. —ion (-zjua), a. ultatorting; kwietigheid; onteen gebouw behoorend. —ier (-faj•ur), s. boobumming. —ire (-sty), a. uitetortend. wer; stickler. —y (-faj), v. a. opbouwen; stichten. —ying, a. atichting, onderrichting; —ying, a. Eft (eft'), a. hagedia. —, ad. vervolgena. —soont, ad. spoedtg daarna. —yingly, ad. stachtelijk, leerrijk. Egad (e-ged'!, int. zeker! Edile (Pdajl), s. bouv,Iteer; aedilis. Edit (ed'it), v. a. uitgeven (boekworken), —ion Eger (ie'gur), a. springvloed. Egestion (e-dzjea'tj , in), a. uitwerping; lazing. —or, s. uitgever. (e-disrun), a. uitgave; druk. —shell, eier—octal (-to'ri-e1). a. eene uitgave (een' uitgever) Egg (egg') a. ei. —cup, eierdopje. oud el. wind —, schaal. addle —, vuil ei. stale betreffend- —orship, a. uitgeversehap. windel. —, v. a. aanzetten, ophitsen. Educat e (edloe-keet), v. a. opvoeden. —ion (-kee'sjun), a. opvoeding. —ional (-kee'sjun-e1), Eglantine (eg'len-tajn), a. egelantier. Ego tism (ie'go-tizm), a. zelaucht, eigenbaat. a. opvoeding betreffend. —or, a. opvoeder. —list, a. zelfzuchtige. —tiatic, —tistical, (-list' Educ e (e-djoes'1, v. a. uitbrengen; uittrekkeu ik-I, a. zelfzuchtig. —list (-tajz), v. n. veel van (from). —tion (-duk'sjun), a. uitbrenging; uitzich zelven apreken. trekking. Edulcora te (e- durkur-reet), v. a. zoet maken; Egregious (e-gri'dzjue), a. —4, ad. voortreffelijk; ongemeen. —nest, N. uitnemendheid; ongezuiveren. —lion (-ree'sjan), a. zoetmaking; zuimeenheid. vering. Eel (tel') a. aal. § —grass, zeegras. —pie, aal- Egress (Pgrese, e-green'), —ion (e-gresrun), a. uitgang. putt. —pout, puitaal. —spear. elger. Egret (Pgrit), a. reiger; reigerveer; dons (van Elfable (erlibl), a, ultsprekelijk. diatels). Efface (ef-feet'), v. a. ultwleschen; wegvagen. Effect (ef-fekt"), a. uitwerksel, gevolg; bedoe- Egriot (i'gri-ut), 3. morel. ling; wezenlijkheid. in —, inderdaad. of no —, Eider (ardur), a. —duck, eidergans. —down, eiderdons. zonder gevolg. to take —, slagen, werking doen. to this —, tot dit einde, —a, s. goederen. —, Eigh (eej), int. he! hal v. a. bewerken, te weeg brengen. —isle, a. nit- Eight leet'), a. acht, —een (ee'tien), a. achttien. eenth (-tienth), a. achttiende. —fold, a. achtvoerbaar. —ion (-feleelun), a. gevolgtrekking; voudig. —h (eettfo), a. achtste. —hly, ad. ten probleem. —ire, a. —irely, ad. krachtdadig; achtste. —ieth (-ti-ith), a. tachtigatc. —y, a. werkelijk; bruikbpar. —less, a. zonder uitwertachtig. king; krachteloos. —or, a. bewerker. —ual. a. —ashy, ad. (-tjoe-e1), krachtdadig; afdoend. Either li'thur, arthur), pr. een van beide; ieder. - conj. — ..., or..., Of.— Of.... —uate (-tjoe-set), v. a. uitvoeren, te weeg E.lacula to (e-dzjek'joe-leet), v. a. ttitstooten; brengen. plotseling uitroepen. —lion (-lee'sjuni, a. Effemlna cy (ef-fem'i-ne-siii), a. verwtjfdheid. —te, a. —tely, ad. (-net-), verwijfd. —te (-fleet), val, uitroep; schietgebedje. —tory (.1e-tue.rili), v. a. at n. verwijfd maken (warden). — tenets a. uitroepend; plotseling. Eject (e-dzjekt') v. a. ttitwerpen, ultstooten, (-net.), •st verwfjfdheid. (from. out of). —ion (•cizjersjuu), a. uitwerping, Effervesce (et-fur-veal, v. n. glaten; opbrul-

Is Coinbase een geld zakelijke dienstverlening


Zebulon (zeb'joe-lun, tn. Zebulon. ZneLeheus (zek-ki'us), m. Zaccheue. Zarb (zek'), t.vaor Zachary. —aria.1(-e-rara), —ary Zeno (zi'no), na. Zeno. Zephr (zet'ur); —us (-1-rus), my. Zephyr. (-a-rib), Zacharlaa. Zeus (zjoes), my. Zeus. Zack (zek'), —y, f„VOOr Zachary. Zeuxle (zjoekels).. m. Zeuxis. Znnguebar (zen-ge-base), R. Zanguehar. Znat (zent) —e i-i), g. Zante. Zoroaater (zo-ro-est'ur), m. Zorosater. Zurich (Eoe'rik), g. Zurich. Zealand (zi'lend), g. Zeeland.

Welke cryptogeld is het beste om nu te investeren


sEm.—TER S ean (setn), an. Sem. Semiramis (se-mir'e•mis), w. Semiramis. S ane ca (sen'e-ke), m. Seneca. —pa/ (•gaol), g. the —, de Senegal. —Dinah& (4rent'bi-e), g. Ssnegambiii. seewia (eueri-e), g. Serb16. —is, a. Servisch; 1. Servier. Setia(seth),m. Seth. Severn (sev'urn), g. the de Severn. Seymour (see'mur), an. Seymour. Shaftesbury (sjaAftt'bir-zh), m. Shaftesbury. Shakespeare (sjeek'spicr), m. Shakespeare. Shanghai (sjeng'haj), g. Shanghai. Shelley (ejellib m. Sheridan. Sham (sjeui), m. Sam. Shetland (sjet'lend), g. Hitland. — /s/ands, (de) Hitlandsehe eilanden. Shy lock (ejarlok). m. Shylock. Sleaze (usrem), g. Slam. —ese (-c-mien'), a. Slit. meeseb; i. Sterne., (de) Stameeten.. Sib (nib), f. voor Sebastian 1Yt Sibyl. Siberia g Siberte. —n, a. Slberisch. Sibyl (sib'il), w Myna. SteEl Ian (si-eil'i-en). a. Siciliaanach; i. Sternest*. —y if. Sicilie. Sigismund (sid'sjts-mund), m. Sigismund. MI leaks (.11. ► 01.e), g. Sainte. S2ns (aim'), f. voor Simeon & Simon. —eon (-Min), m. Simeon. —on (ear raon)sid. Simon. Sinai (ssrnee, -nee-aj), g. Sinai. Sinde (Mild). S. Sinde. Singapore (sing-zee-poor'), g. Singapore. Si on (.arun),g. Sion. —rack (-rek), m. Shush. Shins isirn-us), g. Sirius, de hondanter. Sic Isis'), ;f. your Cecily. —yphus (-1-fus). my. Sisyphus. Slavonic g. Slavoutt. --tt, a. Siavoonach; i. Slavontdr. S ieswick (ales' wik), g. Smollet ‘smolltt),m. Smyrna (emur'ne), g. Smyrna. Socrates (sok're-ties), an. Soeratee, Sodom (soenin). g. Sodom. Sot (son, f. Solomon. —orison (-um-un), Saloon°. —on (sontin), m. Solon, Suph (sorj, t. voor Sophia. —ia (so-fare), w. Sophia —odes m. Sophooles. —y, f. your Sophia. Sound (seaund), g. the —, de Sond. Southampton (sauth•em'tn), g. Southampton.

Waar kan ik crypto met pinpas


Sfte10.1!syg (oek'ri-ledzj), s. heiligschennis; beck • yo,f. —iota. a. —tautly, ad. (-11'dzjita.), beingechenr,nd. (-li-dzjist), a. belligsehenner. Stice-LA k.iv (N•:Oris-ten), a. eakristijn, batten. --y, s, eakriatij. Sad (sect', a. —ly, ad. droevig, treurig; somber; neerslac-htig; verdrietig; lafnig; ellerdig; wonderi)jk. —den (sed'dr.), v. a be.droeven; v. n. bedroefd warden (at). —nest, a. treur;ghcld; neerelseittigheiti: errrt. Satliele (sed'd1),.. nodal; halve wandklamp. —back, bale rug. —bag, zadelzak. —bow, —tree, zanelbong. —cloth, zaclelkleed. —horse, rijpaard. —sick, gewond order den 'aide'. —., v. a. zadetcn; be. laden. —r, a. zadeltraker. Safe (seer), a. —ly, ad. veilig; gerust; ongedeerd, behouden. —conduct, vrkjgeleide. —guard. bedekking, gelei.te. vliegenkast; geldkist. —, v. a. verzekeren. —ness, ts. vctilighetd. —ty. s. veitighoitt; bewaring; v eilighddslamp; valve, vetligh.idsklep. Safflower (sef'flau-ur), a. safflaers. Saffron (aerfrun). a. saffraankleurig. —, a. ear-, v. a. met saffraan kleuren. Sag (see), v. a. beladen, does buig,en; v. n. zakken, doorbutgen gadrukt warden. s Saga leee'ge), legendo, sage. eras (se-gee",jusn, a. —ously, ad. sehrander„ seberpzinnig. —tit (-ges'it-tih), a. achrandet bed, seberpzinnigheid. Sagathy iseg'e-thih), a. sergie. sajet. Sage (seedzr), a. salie, waive, wijsgeer. —, a. —ly, ad. wijs. —ness, s. wijaheid. Sagging seg'giang). kromte, loorbuiging. Sagltia it (sedzrittel), a. pijlvormig; —.suture, pijlnood. —rive (-tee'ri-us), e. (de) Schutter. —ry
v. meal-trade; xi. Grutterkawisskol. -ach ,,baarkeid. venerableness, reverence. -admi- Gruwel, m. abomination, horrible (atrocious) bragger. raal, lord high-admiral. -Cele, bully; babbler. -Cork, ledger. -krengen, to bring deed. -en, on. ye. (van) zie G•uweu. & bw. horrible (-lily), horrid (-1y), enorrnotte up, to rear. -dadig, grand, magnincent, heroic, (-13 ,, shocking (-lyI, atrocious (-ly). -ijkheid, v. --handsel, magnificence, heroiceinese. --dedigheid, horribleness, horridness, enormity, atrocity. wholesele-tratie, -handelaae, wholesale dealer. -hartig. by. & low. high-minded, proud (-1y). Gruw ets, on. w. (van) to abhor, to hold in -hartigheid, higb-mindednese, pride. -het tog, abamivattou, -- abhorrence. --zaam, by. & bw. grand-duke. -herfoydroo. grand-dukedom. -her- hideous Hy!, atrocious (-1y). -zaamheid, v. hide(metiers., atrociousness. togelijk, grand-ducal. -kertogin, greed-duchess. - hoop., great headed fellow. - kruis, grand-cr... Gu.no, v. guano. -machtig„ mighty, powerful.--ntachtialteid,mighti- Gulch el ass, ov. & on. w. Zit Goothelen.-heil, o. anagellis. to exalt, to gierify. nests. --makers, to enlarg -making, mag,ni)ying,giorifying.-meester,grand - Gallic, v. ieetand de - ncsteken, to make months toaster. -rneesteree4ap, grand mitateri-hip. -moe- (wry faces) at a. o, m. blockhead; coward. -, v. mare that by. & bw. tier, grandmother. mons (-ly). -otordigheid, magnanimity. -ntogend, has never been with young. high-mighty. -moge,dheiti., htgh•mightmess. Galt, m. rogue, wag, urchin, scamp. -enetrsek, bottle-none , 1 psreon. ---oor, lung-eared --sneak roguish trick, piece of roguery. -arilperson, -.dere, grand-phrente. -spraak, bolet- fig, be. & bw. roguish (-ly), waggish(-ly).-aching, biu,ter; grandiloquence. -,:preken„ to talk tigheid, v. roguishness, waggishness. v.
Mating, v. tannin; grinding; raving, musing, dotage. in de - semen, to hoot at; to make a foal of. in de -- zUn, to be mistaken. makes, to make a scene. Mesikear. Mailkande•, yaw. one another, each other. door -, zie Doormen. andre -, among them, together, halter-skelter, confusedly. Matte Jan, in. hena-cart, truck. -nzo(en, round - about, carousal. Ptlerilen, on. w. to tool, to daily, to jest. Mailer, in. moulder. 101n1141neld, v. foolishness, folly. Mat loot, v, silly girl, foolish creature.

TES - —T111. getuigenitt. —lee (tes'ti-faj-ur), n. getuige. —y (tes'ti-faj), v. a. & n. betulgen, getuigen. Testily (teretillih), ad. Zie Testy. Teatlmon lei (tes-ti-mo'ni el), a. getutgsebrift. —y s. getuhrenis; to bear —, getulgenia geven. Test Ines' (tes'ti-ness), a. genaelijkheid, knorrigheid. —y, a, gemalijk, kacrrig. 'Tether (teth'ur), a. span-, looptenw, lel:esp. —, v. a. vastbinden; baperken. Tetrachürd (tet're-kord), a. vieranarige iter; keen an de ranziek). Tetrad (tetgred),s. viertal. Tetragon (tet're gon), s. vierhoek. —al (te-treg' un-el), a. vierhoekig. Tetrahedron (tet-re-hi'drun), a viervlak. Tetrameter (te-trenei-tur), a. viercoatig vera. Tetrarch (ti'traark), a. viervorst. —ate (tetraerk'et)., —y (tet'rer-kih , a. viervorstendom. Tatrestich(te-treslik),.. vierregelig veraje. Tetrasylla bic (tet-re-ail.leb'tk), —Neal, a. vierlettergrepig. —ble a. woord van vier lettergrepen. Totter (tet'tur), a. deuwworm —worm, paardere'Meg. —wort, zwaluwkruld. —, v. a. met dauwworm (uitslag) beemetten. Tew Woe'), a. stof, bouwstof; ijzeren ketting. —, v. A. kloppen; braken, zwingelen; elagen; rukken, trekken. --el (41), e. blaaabalgok1P. Test (teket'). a. tekat. —book, tekatboek; hand. book. —hand, staand schrift, ruiddelsoort. — letter, hoofdletter. —man, teketenkenner. —ice (-it), a. weefbaar; geweven. —ual (-joe-el) --wary •oee-rih), a. in den teket vervat; overeenkomstig met den tekst. —ualist (-joe-el-jet), wary (-joee.rih), a, tekatenkeoner. —ure (jour,-jar), a. weetsel, (bet) weven; eanaenstel. Than (then'), conj. dan. Thane Itheen') e. vrijheer, t b a 0. —ship, a. waardighetd van eau t h a n, vrijheerechen. Thauk (thenkn s v. a. danken, bedanken. —offering, dankoffer. —worthy, dankenewaaAdig, verdienatelijk. —fal, a. — fully, ad. dankbaar. —less, a. —feisty, ad. ondankbaar. —Jenne's, a. ondankbaarheid. Thanks (thenka'), a pl. dank. to give (return) daakzeggen. —giver, daukzegger. dankzegging. Tharns (thaarm), a. darmen; darmanaar. That (the), pt. die, dat, gene; walk, hetwelk. —, conj. dal; opdat. Thatch (thetvj'), a, dekstroo; rleten dek. —stack, aehelf dakatroo. v. a. met riet dekken. —er, a. rietdekker. Thaumat urgy (thao'me tur-dzjih), a. (het) wondenen dean, goochelarij. Thaw (thao), a. dooi. —, v. a. & n. dooien, oatdou len . The (the), art. de., den, het. — more — better, hoe nicer hoe bitter. — more so, to meer; den ter MAT. Theatr e (thi'e-tur), a. ochouwburg; teoneel. —ie, —teal, a. —ically, ad. ( et'rlk.), van het tooneel, theatraal. Thee (tW), pr. u. aan Theft (theft), a. diefstal.


Accidental (ek-si-den'tell, a, (to) toevallig. —ly, ad. bij toeval. —news, a. toevalligheid. Accite (ek-sajt'), v. a. oproepen, dagvaarden. 4ccialm (ek-kleem'), v. a. toejuichen. —. e. toejuiching. Acclamation (ek-kle-mee'ejun), a. toejuiching, Acelimat e (ek-klarmeet), ise (me-tajz), v. a. aan vreemde lucht gewennen. ion ( kii-mee'ejun), a. gewenning aan vreemde luchtstreek. Accilv(ek-kittjv"), a. steil glooiend, —ity (klivnt-tih), s. schuinte, ateile helling. —out a. steal. Aceioy (ek-klor), v. a. overladen, volproppen. Accoil lek-koji"), v. n. debrdringen; levee maken. Accolade (ek-ko-leed'i, s. omhelzing; verbindingshaakje; ridderelag, Accolent (ek'kolent), a. grensbewoner. Accommoda ble (ek-kom'nno dibl). a- (to) geschikt, bruikbaar. —bleness, 4. geschiktheld. —te (-deet), v. a. bijleggen; (to) bruikbaar maken.. nrichten; (with) voorzien; gerieven; v. n. passend (geschikt) zijn, —te (-det), a. —tely. ad. pasaend, overeenkomstig. s. geschiktheld. —tion (-dee'sjun), a. minnelijke schikking; gemak; —bill, proforma-wissel. —tions (-dee'sjuns), a. geriefelijkheden. —tor (dee-tar), a. lelder; bemiddelaar. Accompan lee (ek-kum'pe-ni-ur), a. metgezel, begeleider. —iment, a. begelelding. —y, v. a, vergezelleu; v. n. (with( omgang hebben met. Accomplice (ek-kom'plis), a. (to. with madeplichtige. —ity (-plis'it-tih), s. medeplichtigheld. Accomplish (ek-kom'plisj), v. a. volvoeren, vol. brengen; verfraaien. —ed, a. wel opgevoed. —er, s. voltooier. --meat, a. voltooling, vervulling. —mints, a. begaafdheden. Accord (ek.kord'), a. overeenstemining• akkoord; schikking, of one 'a own —, uit eigen beweging. v. a. tot overeenetemming brengen (to): vanelfenen; v. n. (with) overeenatemmen. —ance (-dens), a. overeenstemming (in —to or with). —ant, a. overeenetemmend; goedgeluimd. —ar, a. begunstiger, helper. —ing. prp. (to) volgene; naar; (as) :liar mate. —ingly, ad. bij gevolg, dienovereenkomstig. Accorporat a (ek.kor'po-reet), v. a. inlijven. —ion I-ree'-ejun), a. inlijving. Accost (ek-kost'), v. a. aanspreken. —able. a. toegankelijk, gemeenzaam. Account (ek-kaaunt'), e. rekening; bericht; verging; achting• belangrijkheld. Old, New —, Oude, Nieuwe Stijl. to call to —, ter verantwoording roepen. —current, rekening-courant. —sales, verkooprekening. Chamber of —a, rekenkamer. upon all —a. in leder geval. on — of, wegens. of no —, onbeduid end. to make voornemens zijn, to turn to —, rekening geven. —, v. a. in rekening brengen; van oordeel nun: (of) bericht geven van; in achting houden; v. n. rekenen; dienstig zip; (for) reden geven van; (to) nonvoijaen ; ( -math) afrekenen met. § (-e-bib' it-ih), a. verantwoordelijkheid. —able, a. rekenplichtig: (for. to) verantwoordelijk. —ablenek, a, verantwoordeltjkheld. —ant (-mit), a. rekebmeeeter; rsntmeester; boekhouder.

Wat is cryptogeld en Blockchain


the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.

Welke cryptogeld wordt het meest gebruikt


KER. —K1E. !line. —nil, church-owl, screech-owl; bigot. —ender, father of the church. —vergadering, synod, council. —teifiling., consecration (dedication) of a' church. —edienaar, church-man; sexton. —chanter, consistory, vestry, sacristy. —elms, fabric. —ekneckt, beadle. —eraad, consistory, vestryboard. —ereeht, church law, canon-law; privilege of the church. —enorde, ritual. —enardening, ecclesiastical lawn; holy orders, -• regulations. —egesind, attached to the church, devout. —egezinitheid, devotion. —aehtig, by. fond of going to church. —elijk, by. ecclesiastic (-al), church-. rn. ecclesiastic. —en, on. w. to go to church. Eterker, m. dungeon, prison. --hot, dungeon. —Nos, gaol-fee, carcelage. —meester, jailer. —steal, imprisonment. —en, ov. w. to imprison; to confine. —ing, v. imprisonment, confinement. Kerkeets, b7. zealous in going to church, devout. Kerns en, on. w. to lament, to groan. —er, iamenter. —lag, v. lamentation. Kerman, v. lair; fairing. — houden, to go to the fair. —ganger, —gangster, one that goes to the fair. —past, person that comes to the fair. —gift, fairing. —hock, gingerbread bought at a fair. —motive, partner at a fair. —pop, doll bought at a fair ; girl (woman) very much ornameated. —pret, —terntaak, —vreugde, plearn.res of fairtime, recreations of a fair, —ape!, 'show at a fair. —t(td, fair time. Kern, v. kernel, stone; seed; grain ; pith, heart, marrow, quintessence. —hole, core of en apple. —spreuk, pithy eentence. —achtig, by. kernelly; pithy. —achtegkeid, v. pithiness. Kers, v. cherry; cresses. —rood, cheery. —ebtoesect, cherry-blossom. —clown, cherry-tree. —ebonmenhowl, cherry-tree-wood. —eboomgaard. cherry-orchard. —spit, —esteen, cherry-stone. —entaart„ cherry-pie. —entijd, cherry-season. —eaveijn, cherry-wine. Kegs el, o. parish. Kerst avond, m. Christmas-eve. —dag, Christmas-day. —dieht, Cheistman-poem. —feat, ChrletDIU (-holy days). —gesehenk, Christmas-box. —kook, cake baked at Christmas. —lied, —rang. Christmas-carol. Christmas. —rackt, Christmas-night. —tijd, Christman. —week Christmasweek. Kersversch, bete newly, directly, straight along. 'terve], v. chervil. —eoep, chervil-soup. Kery en, on. w. to carve, to notch. to slash, to tally, to mince, to chop; on. w. to burst, to split, to fray. —er, m. carver, cutter. —ing, v. carving, notching, slashing, tallying; bursting. Keep, v. boor-timber. caldron. boiler, copper. —Roster, Ketei, m. —tapper, tinker. —from, kettle-drum. Ketelen,ov. w. Zie [(Mete.. Keten, v. chain. --pomp, chain-pomp. —lehakel, link. —en, ov. w. to chain. Ketsen, on. w. to mins fire, to flesh in the pan; to miscarry. pereecutor of Keller, rit, heretic. —beta, heretics. —moister, inquisitor. —dom, o. heretics. —if, v. heresy. —*a, by. heretical.
wood-louse. —moat, wood-measure, —magoe(in, Dais, o. house; home; dwelling, lodging; family; magazine of timber, — of wood, —snarkt, wood- household. near —. home. le—, at home. in-sand market. —ntijt, wood-pile. —rijk, wooded, aboundto brengen, to see (to conduct) a. o. home. Aet ing in wood. —Wald, porter. —*chip, wood-ship, — houden, to keep at home. met de deur in Aet —snede, —once, wood-cut. --ent(ider , cutter In — vane*, to blurt out a thing. to — silts in, to be versed (skilled) in, to be conversant with. wood. —stiff kunst, engraving in wood. —snktwerk, ten liaise van, at the house of. van goeden huice, carved work. —snip, wood-cock, snipe. —snort, wood-sort, —spaander, wood-chip. —stapel, pile of gentle birth. —apotheek, hours-dispensary, —armen, shame-faced poor, poor people that live of wood. —tuin, —werf, wood-. timber-yard. —rester, —wechter, rorester, wood-reeve,' --riot, in private dwellings. —arrest, confinement at raft, float of wood, catamaran. —vlotter, ratt'e- one "ti house. --arts, —dotter, family physician, man, river-driver. —waren, timber, wooden wares. doctor. —boat, —Meer, landlord. —bakken, home-baked, househoid, —bediende, servant, domestic. —teerk, wooden work, wainscot. —warns. wood—bestuur, domestic economy, houseworm, wood-fretter. —raagniolen, sea ins-mill. —roger, wood-sawyer. —colder, wood-loft.--akool, keeping, family concern, —bewaarder, —beseaarcharcoal. —aehtig, by. woody. —en, by. wooden; *ter, house-keeper. —becoek, pastoral visit. —bi;bel, — homer, mallet ; — blues, clumsy (awkward) family-bible. —bled, isinglass. —bond, sign. fellow ; — vogel, show-fowl, pigeon. —ig, by. —brook, burglary. —deur, street-door. —dtef, woody; awkward, dry. —je, o. op c(in tigers —, of thief within doors, domestic thief. —diefstal, theft committed in the home. —die, domestic one 'a own head (accord). Houvnet, o. cramp-iron. animal. —drop, eaves. —duiva, domestic devil, m. cut, gash ; felling. shrew. —geld, house-tax. —gemak, conveniencies lioseweesi, o. mattock, pick-axe. of a house. —genoot, inmate. —genooten, family. Ilutaw an, oil. & on. W. to hew, to cut, to hack; —gewead, undress, dishabille. —geain, famtly, to fell. —Nil, axe, hatchet. —41ok,choopinie-block. household. —goden, household-gods. Lazes, Pe• —degen, broad-sword, cutler's. —dames-, iron nates. —hen, good housekeeper, thrifty housewife. trimmer. —met, chopping-knife. —er, hewer, —howl, house-dog. —hoop. as high at a house. cutter; broad-sword ; cant'. --ins, v. hewing, cut—houdboek,' book of household-accounts. —houting; felling, deliik, domestic, home-; local. private ; eeonomHouwitser, m. howitzer. teal, notable, thrifty. —houdeliikkeid, economy, Hovellitg, m. courtier. notableness, thriftiness. —hoyden, o. household, Hoventer, m. gardener. —saltnanak, gardener's family; house-keeping; crj is seer handtg in het —, ealender. —sleek, gardener 'a manual. —*kunst, she is very handy about the house. — houden, gardening, horticulture. — en, on. w. to garden. on. w. to keep house; to live, to behave, —header, house-keeper, householder. —hooding, house—.ter, v. gardener 's wife; gardener. Hozeband, Zie Hesotsbfinel. keeping; homehold, family. --hondkasseer, sittinglihrigenoot, s. ceiviniet. huguenot. room. --hnudkunde, economy, husbandry. --Auer, Hui, v. whey. —achtig, by. wheyesh. house-rent. —jar', undress, chamber-cloak. —holinichel mar, m —aartter, v. hypocrite. —achfig, mer, prrior, sitting-room. —kvel, private chapel. be. & bw. hypocritical (-ly). —ar(i, v. hypocrisy—Meet!, undress, dishabille, morning-gown. —blob, - ex, or. & on. w, to diseemble, to feign ; to house-clock. —kneeht, domestic, servant, footplay the hypocrite. man. —krakeel, domestic quarrel. —bruit, —ver. vexation, familylintel, v. skin, hide; (van sex *chip) sheathing. driet, domestic affliction distress ; housewife. —lam, house-lamb, pet. — spier, cutaneous muscle. —uitslag, eruption. —mitten, to tan. to curry, to dress leather, —look, house-leek. —man. husbandman. peasant, carrier, tanner. —rettert , tannery. tan-; farmer. —meeeter, —voogd, master of the house. yard. —worm, dracunculus. —zenuw, cutaneous , intendant. —meld. house-braid. —middel, domesnerve. —sickle tic remedy, household-medicine. —moeder, mat, cutaneous disease. —enkooper , fell-monger. trees of the house, matron, mother of the family. Iluldig, by. present, modern. de —8 dag, the —mulch, house-sparrow. —onderte(ts, private inpresent day, this vary day. structioa. —onderw(ieer, private teacher, familyHuff, v. coif, hood ; ass- lug, tilt. —bar, coeered tutor. —road, household-goods, furniture. —sehater. —slab, shell-snail. —sleutel, der, hou3e-pnir. cart . domestic spider. —vader, street- door-kry. Iluig, v. uvula ; Fore throat. de — hebben, to have master of the home, father (head) of the family. the palate of the mouth down. le land de — liehten, to ease a. o, of his money, to drain —neaten, to lodge. —vesting, lodging ; lodgings. --eriend., friend of the family, intimate friend. a. o. 's purse. Hulk., v. ceosk, riding-hood, de — noon den wind —croon ; housewife, landlady. —waard, landlord, matter of the hoese. waardin, landlady, mishangers, to verve the time, to shift with the timee. tress of the horse. —tverb, houee-work. —zittend, to be a time-server. sedentary ; —e artnen, sic iltztunernen. ltittlk ass, on. w. to squat; to furl the sails. —er, king,. searching of a house, domiciliary visit; m equetter. m. & v. rnourner;weeper; blubberer. — does, to meareh a honor. —zwalaw, houseswallow. mertimet. - en, on. w. to blubber. lessit tit, on. w. to how;;t whic, to weep., to lisitsellek, by. domestical ; ecotioatical, thrifty. cry. --er: rri, ---atcr, v. howler, whiner, crier, i —Acid, v. economy, thriftiness.
bewinapelen (over). —er, a. vernisser, verlakker; Vette licla1.(ven-e-ilaj'el), a. —ficially, ad. vergiftigand, betooverend. —nate (ven'e-neat), v. a. +earverglazer. Vary (vee'rth), v. a. & n. veranleren; afwiaaelen; giftigen. —nation (-nee'ejun), a. vergiftiging. Veneta ble (ven'ur-ibl.), a. —Lty, ad. eer-, earverschillen, afwgken ( from). biedwaardig. —blenese, a. ear-, eerbiedwaardigVascular (vee'lljoe-ler), a. van de bloedvaten. held. —.te (-eet)% v. a. vereeren. —tion (-ea'ajuni, Vase (veez), a. vane; kel k. a. vereering. —tor (-ee-tur), a. vereerder. Vassal (vea'ae1), a. yam!, leeaman; knecht, Vener eel (ve•nrri-e1). a. veneriach; weilustig. Blast. —age, a. leendienat; dienstbeerheid. -eons, a. a elluetig. —y (ven'ttr•ih), a. mingenot, Vast (vaunt'), a. —1y, ad. uitgestrekt, ontzagge- vleeschelijke lust; jachtvermaak. onmetelAke ruitote. —nests, lijk, muneternk. a. groote nitgeatrekthei onmeteltjkheid. --y, a. VeneseetIon (vi-n3-sek'sjun), a. aderiatin 'Overage ranee (ven'dzjena), a. wreak; to take of, antzaggesijk proof. Melt wreken op. —fat (vendzyloal), h. wraak%at (vet), a. vat, kelp, zuchttg. %a:leln ul (ve.tie'st-nel), a. voorapellend. —ate (-nest), v. n. voorapellen. —cajun (-nee'sj an), a. Venial (vi'niael), a. vergefelijk; geoorloofd, —nest, a. vergefettjkheid. voorepelling. Vault (vsolt), a. gewelf; boog; kelder; eekreet; Venison (ven'izn), a. wildtraad. sprang. -, v. a. welven, overwelven; v. n, Venom (ven'am), a, verglf, ventjn. —out, a. —ously, ad. vergiftig, venijnig. °wiliest, a. vereprinaen, voltigeeren- ed, —v., a. gewelfd. —er. giftigheid, venijnigheld. a. springer; kunatenrnaker. Vaunt (e.4ont, mint), a. grootsraak , anoeverij. Venous (vi'nes), a. ader.; aderig, geaderd. v, n. roernen, verheffen:, v. n. pocben, zich Vent (rent'). a. lucht-, tochtgat, laadgat; gat; opening; afloop; nitstorting; vrtje loop, epee:beroellen, (in. of). —er, a. bother. —"11/, a. v.111,4e; verkoop, afirek. to take —, ruchtbaer —ingly. ad. pochend, anoevend. worden, uitlekken. —hole, luelitga. —peg, zwikje. Veivaaltry (vev'tesor-rih), a. achLerleen. v. a. luchten, lutist geven aan; uftstorten; Veal (viol), a. keterleeach Veer (vies), v. a. vieren , laten alippen, bkjzetten, uiten; ruchtbaar oaken; verkoopen; v. n. omit(away. out); enden; (aloft) hiFiehen. —, v. n. felon. —age, a. luchtgat. —au (-eel). a. vizier. &eaten; (about) lralzen, voor den wind era- --er. a. batendmaker; onderbuik; moeder. —iduct loopen. (-i.dukt), a. iucht-, windbuis. Veeeta bin (ved'eve-tibl), a. plantaardig; plan- Ventila to (ven'tl-lest), v. a. luchten; wannee; onderzoeken. --lion (-lee'ajun), a. luchting; wanten-; — acid, plantenzuur; — kingdom, planten- ping; onderzoek. —tor, a. tuchttrekker, -klep, (-te bit'it til), a. plantenroei. —lie, ?Wt. -rad. a. owes; groente. —te (-teet), v. n. groeien; . (vent-oelt-tih),%. windetigheid. (-teee'jun), s. Ventosity een planteuleven leiden. —tion plhntengroei. plantenleven• —tire (-tee-tiv), a. Ilentr aA (ven'trel), a. built-. — tide (-trikl), a. ale planten groetend; ontwikketend —tiveness manic; (hart.) kamer, holte. Ventrlloqu let (ven-tril'o.kwist), a. buikepre(-tee-tiv-), a. plantaaraige Vehenzen et (oPhi-mens). cy, a. heviaheid, on- ker. —oue (-kwue), a. buikeprekend. —y (-kwih), a. het buiksprek en. atutmigheid. — t, —tly, ad. hevig, onstuttnIg. Vcutur a (vent'joer, -jar), n. Vallg8tUk; toeval„ 'Vehicle e.voertaig, geteimiddel, kane, avonteur; goedaren op zee; at a —, op Well (reel), a. Outer; dektnautel. —, v. a. aluieran; good geiuk; to have no —, niete to veriiezen bedekken, verbergen, bemantelen. Vela (recta'), a. ader; gave; Niue, nelgIng; gun- hebben; to run the —, gevaar loopen. —a, v. a. waAen; up epeculatie zendezi; v, n. (at. on, upon. attg oogeeblik. —, v. a. aderen. —ad (veend), to) wage!, —er„ e. waagha's. —esome, —axe, a. —y, a. geadera, aderrijk. Vellferoua (re 11M..-us). a• van seller voorzien. —ourRy, ad. licht wagend, oadernemend; vermetel. —ourneas, a. Ett011theid a koenhld, vermetelheid. a. kraehtelocze wil. Vellelty • —ine(-ajn),tc fiju gouddraed; istroolgoud. Vell/ca em (vel'll-keel), v. a. —five (-kee'ejunl, Venue (ven'joe), a naburige piaate; etoot. a. (het) knijpen, pluIrken, rukken; aanzatten. Venus (venue), a. Venus (Odin en planeet). —'aVellum (verlum), s. ejn perkamcnt. —paper, basin, Venus gordel (plant). —e'comb, naaldker. vehjn-papter. vet. —'a-hair, vrouweultaar (plant). —'s-lookingVelocity (ve-lors'it-tih), a. snelheid. —ed, a. flaweeien. plass, vrouweapiegcl (plant). —'s-navel-wart, Velvet (vervit), e. Armee. treutra-navel (plant). , —een (-ion'), a. katoenfluweel. omkoopbaar, to Vernet our (re•ree'sjus), a. •aarheidltevend; Venal (vi'nel), a. ader-; koop. —ity (ve-nent-tih), a. veilheid, °tattoo), geloofwaardig. —ty (-res'it-tib), a. waarheldsHeide; geloofwaardigh ,, baarheid. Vans ry (ven'a-rih), —tic (ve-neVik), a. jacht-, Verb (verb'), a. wart ard. —a/, a. —ally, ad. van een werkvoord a ,,eleid; mondeling; woorjagers. —lion (-ve-nee'ajnn), s. (het) jagen. deltjk; letterltjk. (-el'it-tih), a. letterIbIce Vaud (vend') v. a. verkoapen. —ee (-its'), a boo. par. —er, —or (-or), a. verkoo per. —ibility beteekeals.—atim(-eettra),ad.woord voor wooed. it-tih), —iblenese, a. verkoopbaarheid. —ible, a. Verbena to (vur'aur-eet), v. a. Eileen, kaatijden. verkoopbaar. —I/ion (-)nrus), s. verkooping. —lion (-ee's' un), a. kattijdIng. v. Verb tags (vuebi-dej), e. ',Wed (onahaal) van Veneer (ve-niee), a. op-, ingelegd hoot. woorden, gesnap. —ose, a. —mil', ad. (-boos'-) . a. opleggan, Irleggen.
125 GRA.—G.RE. Gratis (grek,'ti9, ad. am niet, gratis. Gratitude (gret'i-tjeed), a. dankbaerheid. Gratuit ous ();re-tjoe'i-tuto, a. --eles/Y,ad. geschonken; ongegrond. —y, s. lige gift. Gratvila to (grerjoe•leet), v. a. geltskyrenschen. —tion (-lee'sjun), a. gelukwensching. —tory (-lctur.rih), a. gelukwenschend. Grave (greev'), n. graf. —clothes. doodskleederen. —digger, doodgraver. —stone, grafsteen. —yard, begraatplaats. —less. a. onbegraven. —, v. a. begraven, graveeren; kalefateren; v. a. graveeren. —r, a. grave.; graveerstift. ad. ernstig; deftig; stemGrave (greev'), a. mig; swear (van t oon), donkey (van kleur). —teas, a. ernstigheid; deftigheld, stemmigheid. Gravel (grev'il), a. gent zand, grint; graveel. —pit, gandpit. —walk, grintpad. —, v. a. sect kiezelzand hestroolen; verlegen maken. —ly, a. zandig, grintig. Gravid (grev'id), a. zwanger. —ity (gre-vid'it-Ch), a. z wangerheid. Gravimeter (re-viml-turl, e. zwaartemeter. Graving (greev'teng), s. snnwerk;indruk. —dock, droop dok, havendok• —tool, graveerstift. GravIt ate (grey% tart), v. n. zwaarte hebben ; near het middelpunt (van zvraartekracht) hellen. —alion (-tee'sjun). a. zwaaste, zwaartekracht. Gravity (grevit-tih), a. zwaarte, zwaartekraeht; ernstigheid; gewichtigheid.. specific —, soortelnk g ewicht. Gravy (gree'v1h). s. vleeschnat; jus. Gray (gree') s, grijs; grijs tiler (paard; das; a. grip, grauw. veal. —beard, grnattard. —brock, des. —eyed, met graze oogen. —fly, brews. —friar, kapucljner. —ilk, a. grauwachfig. —ling, a. amber (soort van zalos). a. grauwheid. Graze (greet'), v. a. welders, doen grazen; afweiden; strijkelings Taken; v, n. grazen; grasgeven; strijkelings raken. —r, a. grasetend then Grazier (gree'ejur), a. vetweider. Grease (griefs). a. smear, vet; mock. Groan e (griez"),,v. a. merest; omkoopen. —iness, , —y, a. vet, smeriga. omerigheid. —sty groot; gros. by the — in bet Great (greet';, groot, bij massa. — a. groet; aannenliji; swan grout, ger. drachtig, (with); vertrouwelnk, vriendschappelnk, (with), a — deal, veel. —born, van goede afkomet. —coat, °aerials. —grandfather, overgrootvader.—grandaon,achterkjeinzoon.—heerted„ hooghartig; onversehroliken. —horse, mandgepear& —seal, grootsegel. —ly, ad. grootelijks. —nese, a. grootheid, aanzieu. Greaten (greet'n), v. a. vergrooten; v. in grooter warden. Greaves (grlevz), s. beenschenen; drab van ge• smolten talk. Gee clan (gri'Oen), a. grieltse.h; a. Griek. —cism (-sizm), s. griekseh taaleigen. —cize (-salt), v. a. in het Griedkech vertalen; v. n. Griekech spreken. G ree (grie), s. welwiliendheld; gunst; trap, trede. Greed iness (gried'i•ness), a. gretigheId; guta, gretig, gni*. — gift, -ily, ad, s. slok-op.
Sebacions (se-bee'sjust, a, talk-. Secant (ei(kent), a. snijdend. —, a. ani,j11jM. Secede (se-Bird"), v. n. sich terugtrekken, — afechfecien from). — r, a. afeeseheidene. Severn (se-torn';, v. a. atscheiden. — meat, • s. afacheiding; afecheidend naiddel. Seceeelon lee-eeerun), a, afecheiding; scheuring; verwijdering. Seca. de (se-deed'), v. a. afzonderen; uitelutten. — Ilion (-k loe'zjun), s. afzondering; Second (seleund), a. tweede; ander; geringer, u bet audere jaar, — hand, haltevery — year, urn aleten; Mt de tweede band. — rnorning,1Whte rouw. —rate. van den tweeden rang. —sight,
(-egt), v. a. verscheureu. —lion (-ee'sjun), e. ver- iLnity s. (de) leeken, ;eekenstand. l.taIL e (leek"), a. meer; poel; karmozijn. —elet (-lit), Seiteuring. —tire (-e tiN), R. veracheurend. e.neerta (le-Feete), s. hagedis. a. meertje. —y, a. van een meer. ii.nchry ma I (lek'ri-niel), a. tranen verwekkend; Lamb (1cm'), e. lam; lamsvleesch. —ale, sae., feest. —'s-lettuce, vel.daalade. —'s-quarters, wilde traan-; — glands, trannklieren. --ry (-m' -rib), a. melde. —'a skin, lemsvel. 's-stone, lamanier. —'atranea bevattend. —tion mee'sjun ), e. ihet) wee- tongue, lamstong. nen. —tory (-me-tur-rih), s. traanflexch, tram- lame•ol; appelbier. Lamb alive (lern'be-tiv), a. dat likkend ingenokruik. Lack' fat e (le-ein'i-et), —d (-eet.id), a. met fran- men wordt; lik-• a. likartsenij. —eat, a, likkend; je, gezoomd; uitgetand. glijdend, spelend; a. getongde ► eeuw. Lack (lek"), o. gebrek, geniis; Ink (100.000 ropijen). Lamb kin (lem'kin), a. lammetje. —like,a. zachtnardig, gedwee. -, V. a. ontberen, Mi SEEM; v. n. ontbreken. —a-day,. int. helaan ! lieve keine!! —adainical Lame (leem'), a. —ly, ad. lam, kreupel; gebrek(-e.dee'ziki), a. sentimenteel, gemaakt treurig, kelijk. —, v. a. veriammen, verminken. —nest, —brain,domoor. —land, ton- melkmuil. a. lamheid; gebrekkelijkheld. —beard, her land. —linen, tender hemd. —lustre, glans- Lamed (-leet-id), a. bladderig, schilferig. loon. —wit, domkop. Lack., Ilek'ur), s. b,hoeftige; goudlak. —, v. a. Lament (le-ment'), s. weeklacht; treurzang. met goudlak verniseen. v. a. bejammeren, beklagen; v. n. jammeren. —able, a. —ably, ad. Lackey (lek'ih), s. lake), livereiknecht. —, v. a.:& beklagenswanrdig, jammerlijk. —ation (lem-en-tee'sjun), n. als Iakei dienen. n, wee - , jamrnerklacht. 19.8 eon in (le-kon'ik), — ical, a. — ically, ad. kort, o. weeklager. bondig, Jal,onisch. —ism (tek'o•nizm), s. korte, Crevealrsa (lemq-ne), e. dunne plant, bladschilfer. —Ole (-nibl)., a. rek-, pletbnar. —r, —ry, —ted borolige epreekwijze. (-neet•id), a. nit dunne bladen beetaand,schilferig. Lacquer (lek'ar), s. kit Lacher. Lace ary (leic'te-rih), a. melkachtig; R. melkhuis. Laaaesaaan (lem'mes), a. St. Pieter's banden (1 Aug.) (-tee'ajun), s. ranging. —cal (-ti-el), a. at latter —, op St. Junius, nimmer. melkaehtig; de chill overbrengend; —fever, tog- Lamp (lamp'), a. lamp; HOU. —black, lampzwart. —coca (-ti-us), a. —lighter, lantarenopsteker. —stand, lampevoet. boons; a. melkvat. —can Zie Lacteal. —eseence (-tes'sens), s. melkachtig- —waster, nachtbraker. held. —escent (-tes'eent), a. melkgevend. —ic, a. Lampoon ilem-peen'), a. sehimpschrift. —, v. nit enelk verkreken; — acid, melkzuur. --iferous a. hekelen. —er, a. paskwilschrUver. (-tirur-us), a. melkyoerend. Lamprey (lem'prih), a. lamprei. (le-kus'trel, —trier), a. bij of in Lana ry (leegne-rih), s. wolpakhuis. --te ( - net), Lacustr het water groeiend, water—. a. wollig. Lance (laant'), a. lens, apeer. —knight, —man, Lad (led), s, knaap, jongen. Ladder (led'dur), a. accommodation—, staataletrap. lansknecht. —, v. a. doorsteken, met een last. mesje opener, —r, s. lansier. —ropes. valreepstouwen. —way, trapeat. Lade (leed) [laded, laden], v. a. laden, beladeu; Lanceolate (3en'si-o-leet), a. lansvormig. acbeppen.—r. K. leder, belader. Lancet (len'sit), a. lancet, laatvlijm; spitsboogvenster. style, spitsboogatijl. Lading Ileed'ieng), a. lading, vracht. bill of —; vracbtb,ief. eognosse ment. Lanch (laantsj), v. a. Zie to Launch, s. pollepel; schopberd. Ladle Lamina to (len'ai-neet), v. o. scbeuren. —tion Lindy (lee'dih), a. Lady, mevrouw; dame; gale; (•nee'ajun), a, acheuring, veeracheurtng. MU, lieve Vrouw. —bed straw, Land (lend'), IL land, grand. by —, over land. meesteres. our walstroo. —bird, —bug, —caw,—fly,11.even beers- —beef, oosetong (plant). —bred, inlandsch.—breeze, hear tie. —day, Maria-boodschap. —fowl, zekere landwind. —carrel:7k, kustvaarder. —carriage, veteend. —love, liefste, minnares. —mantle, zilver- veer over land. —chain, meetketting. —cod, kakruid, leeuwenveet. —'s-bower,winde. —'a-comb, beljauw. —fall, erfenis van landerijen; eerste land, naaldkervei. —'s-cushion, naveikruid. —'s-finger, dat in 't gezicht komt. —fish, landrot. —flood,overwond-.1idkruid.—'s-fesc-g/oee,waikruid.—'s-glore, strooming. —faeces, landmaeht. —gable, rerponding. grave, landgraat. —graviate (-gre'vi-et), longkruid. —'s-hair, vronwenhaar. —'v-laces, vlankruid —'s-milk, --'s-thistle, vrouwendistel. lendgraarsclap. —holder, grondbezitter. —jobber, —'s-rose, kricho-roes. —'s-seal, stikwortel. —'e- apeculant in landerijen. --lady, grondbezitster; slipper, vrouwenschoen (plant). —'s-smock, water- waardin. —locked, door land ingesloten. —loper, lubber, landrot. —lord, landheer; huisheem award. kers. —like, a. damesachtig, bevallig. —ship, s. —man. landsoldaat. dyscbap. grenspaal; baken. Lag (leg' ► , ft- echterst, laatst; langzaam, traag. —, —mate, landbrurman. —measuring, landmeting. a. (hat) achterste, andante, laatete; heft; achter- —rail, wachtelkoning. —raker, Jandlooper. —rat, bli i ver. —, v. IL talmen, achteraan komen. —gard landrot. —rent, landpaeht. —slide, —slip, aardstarting. --snian, landrot. —spaniel, wachtelhond. ( Kurd), a. achterblijvend, traag. --ger (-gear), a. talmer, aehterblijver. —steward, rentmeester van landerijen. —strait, Laic (leen), —at, a. tot den leekenstand hehoe- Jandengte. —tax, grondbel fisting. —tenant, grandrend. —, a. leek. bezitter. —turn, landwind. —waiter, tolbediende. —wind, landwind. —worker, landbouwer. Lair (leer), s. leger (van een wild dier). linird (heard), s. heer, ambachtsheer. Land (lend'), v, a. ontsshepen. loosen; v. n.
don’t use coinbase. They held my funds and I couldn’t use my bitcoins until their value dropped by 1/4. this company is awful. I verified my ID, bank account, email, and everything and they lied and said initially it takes 3-4 days for funds to be available. once the bought the bitcoin they said it will take one week. and that is still a lie because after one week the funds are NOT available. liars !!!!
AAN (to tie, to button) together. —knoopiell, T. knot- Aengluipesa, ov. w. to look sneakingly at. ting (knitting) together. —koppelen , ov. w. to Aangluren, ov. w. to leer at. couple together; to leash. —koppeltng, v. coo- Aiszegoolen„ ov. w. Zie Aanwerpen. conulatidn. —lunches, ov. w. to scarf,to Aangorden, or. w. to gird on., join. —1(imen. ov• w. to glue together, to congin. Aangrauw en, ov. w. to snarl at, to reprove tinate. —lijming, v. conglutination. —naaien, ov. harshly. —ing, v. snarling, scolding. w. to sew together. —plakken, or. w. to glee (to Aangreep, in. seizing, laying hold of, attack. paste) together. —riagen, or. w. to atringtogether. Aangrenz end, lee. adjacent, contiguous. —ing, v. adjacency, contiguity. —schnkeleo, ov. w. to link together, to concate. AangrUnz en, ov. w. to grin (to sneer) at. —lath nate. —ochakeling, v. concatenation; series. t. w. v. grinning, sneering. ten, ov. w. to put close together; aich to press close (to each other). —ameden, ov. w. Aangrlip en, ov. W. to seize, to take hold of, to forge together, to weld. —euldeeren, or. w. to to lay hold on; to attack; to affect, to move; polder together. —eptjkerrn, ov w. to nail to- to fatigue, to exhaust. —er, in. assailant. —ing, get her. —voegen, ov. w. to join, to unite. —voeging, v. seizing; attack. Aangrimmen, or. w. to growl at; to threaten v. joining together; junction. Aomori, en, ov. w. to inherit; on. w. to fall to dreadfully. Aangroel, m. growth; increase. —en, on. w. to one's inheritance. —lag, v. Inhorittince. grow; to increase, to augment. —jag, v. Zie Aanfluiten, ov. w. to hies (to hoot) at. Aanfokk en, or. w. to breed. to rear; to raise. Aangroel. —er,m. breeder; rattier. —ing, v. breeding; relating. Aanbaken, ov. w. to hook on, to grapple, to Aningienn, or. w. to contract, to conclude, to accroach. make, to enter upon; to concern, to regard, to Annbal en, or. w. to draw (to pull) near, — close; to arrest, to seize; to allure, to caress; to matter; on. w. to call (at); to begin; to walk faster, allege, to quote; to afford; to mark. —er, m. to mend one's pace; to take tire, to kindle; to continue, to be practicable (becoming, allowable. mazer; alleger, quote, —ig, bv. alluring, courteborne with); to make noise, to keep a coil, to nun, engaging. —igheid, v. alluringness, courtlinen. —ing, v. drawing, palling; seizure; allurestorm, to scold. meat; allegation, quotation. —ingateeken, o. inAnnanntude, oz. concerning, as to, an for. Aaagaloppeer,sn,on.w. to approach at a gallop. vetted comma,. quotation. Aangang, m. op de , — komen, to happen to arrtoe Aasnhang, at. faction, party, sect, followers. —en, ov. w. to hang on, to append; on. w. to adhere when a thing takes place. (to stick) to; to add, to subjoin; to depend upon; Aangapen, or. W. to gape at. to grieve. —er, m. adherent, partisan, sectary, Aangeboren, hv. innate, inborn, nstnral. follower. —ig, hr. pending. —lag, v. Adherence, Aangebraead, bv. burnt to. adhesion. —set, o. appendix, supplement; codicil. Aangedaan, bv. moved, affected. Zie Aanbanger. Aangeetmter, v. Zie Aangever. ben, ov. w. to have on; to have lost. Aanbeb•• Aangeerfd, bv, inherited, heriditary. Aanhecbt 'in, ov. w. to affix (to fasten) to, to Aangebaald, bv. quoted, riled; seized. attach, to join. —er, m. Meer. —log, v. afflxion, Aangebsswd, tor. allied, in-law. Aangeblangde. m. & v. accused, defendant, in- fastening, attaching, joining. —set, o. appendix. —e'er, v. Zie Aanbeebter. dictee. Annigellegen, be. contiguous, adjacent; import- Atenhef, m. beginning, preamble; exordium„ inant. —held, v. importance; mutter, affair, concern, tonation. —fen, or. w. te begto; to set np, to APIDffellanill, ha. & bw. aereeable (-bly),pleaeant utter; to intonate. fee, m. —*ter, r. beginner. (.1y). —held, v. agreeableness, pleasantness, —Pig, v. Zie Aanhrf. Aanbellpen, or. w. to assist in putting or, to pleasure. help in, — to. Aangenonigp, ow. supposed, AanbUseben, ov. w. to hoist up; on. w. to holet AnnieschOftn, bv. half-seas-over, tipsy, quickly. Aengespen, ov. w. to buckle on Aangev en, ov. w. to hand, to reach; to glee Aanbinkan, on. w. homes —, to come halting information of, to inform against, to denounce; (hopping. limping). to enter (goederen); to declare, to state; to give, Aanhlts en, or. w. to incite, to instigate,to egg to strike (een loon). den toon —, to take the lead, on, to abet; to set together by the ears. —or, in. to bear the bell. —er, m. informer, denouncer, inciter, instigator, abettor. —ing, v. incitement, instigation. —log, v. information; declaration; entry. Aangezieht, o. face, countenance. —.Ain, foes- Aanboog en„ or. w. to heighten, to raise. —tog, v. heightening, raising. ague. Aenboop en, ov. w. to heap up. to accumulate. Aangezien, ow. es, since, whereas, seeing. Aongieten, ov. w. to cast (to); to pour (againet). —leg, v. heaping up, accumulation, Aaraglfe, —e, •. declaration, statement; entry; At1111100r der, tn. hearer. auditor. —en, ov. w. to hear, to listen (to give ear) to. —ig, bv. belonginformation, denouncement. —biljet, bill of de- ing (to). —igheid, v. appurtenence. —ing, a. hear claration. ing, ltetening (van, to). —Bier, v. anditress. AangiUdens, on. w. to slide (against), — hither. Aanglinsiner , , on. w. to catch fire, to kindle, Aanboud en, ov. w. to hold to; to keep on; to sail, to steer (op, to); to stop; to detain, to arto begin to glow.

Wat er precies is Bitcoin


pack-thread. —rat, osier. —spies, ligament, —er, na, —ater, v, binder. —set, o. band, bandage, tie, stein t. Bingelkruld,e. mercury. m. bungler. Binnen, by. (in San.) inner, inward. —, hw, within, :within door,. eau —, inwardly, on the — door, by inland navigation, by a shorter cut. to brengen, to recollect, to remember, to call to mind. to — tehieten„ to occur to the mind. — hart, shortly. —, Ye. within, in. Binnennchtevet even, m. inner-pest. Hitinenbessil, an. private-executioner. BInnenbeure, v. fob. BInnenbryngen, or. w. to bring (to carry) into; to pilot (to steer) Into the harbor. Binneneicur, v. inner-door. illnwssadkik, m. inner-dike. —a, bw. on the inside of a dike. IlInnendring on, 0•. & on. w. to enter by force, to break in, to invade. —or, m. Invader. Illneentienn, or. & on. w. to enter, to go (to walk) in, —into. lillnwengataito, bw. in the fate-toy ore annel, at the entrance of a harbor. Illinnengs.ng, tn. inner pasaaxe. BInnengracht, v. inner canal. 111nnenhalen,or. w. to take (to Moil) iiirmenhaven, v. basin of a port. hithe 111nneohof, o. inner-court. Binnenknnser, v. inner-room. BInnenttent,m. inside. Ilitnnenksts, v. inner-care. lititanasnkiell, v. keelson.carline. Blunenkomen., ov. & on. w. to enter, to come (to walk) in, — into; t o arrive. BInnenknorts, v. internel (slow) fever. BInnenlend, o. interior. —.eh, bv. inland, domestic, home; civil, intestine; —vaxrder, riverboat; master of a river-boat. BInnenloode, m. river-pilot. —en, ov. W. to pilot (to steer)into the harbor. BInnenloopen, cv. & on. w. to put into (a harbor). 131nneninoeder, v. directre's of the domentic business of an hospital. BInneasinuur, m. inner-wall. Blunennfted, in. inner-seam. Bann...pad, o. by-path. IlInnenplente, v. inner-court. court-yml. BInnenrukken, ov. & on. w. to enter, to march into. Binneneehens, v. inter-bastion. Bannenshuis, bw. within doors, at home .. BInnenskamere, bw. within doors, in privr.te. BInneneleepen, Or. W. to drag in, — into. Illunoonemonde, bw. muttering;y, mumblingly. BInnenatatirt, v. inner part of a town. BInnenste, by. & o. inmost, innermost, inside. 11InneneWds, bw. withut the time appointed. 'Nineteen Ituivent, on. w. to flounce into.... IlInnentreden, or. & on w. to enter, to step in, — into, to tread into. IlInnenweart, v. inland navigation; canal. Filnnenveder, m. director of the domestic businese of an hospital.

drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-
405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114 

Ik kocht cryptogeld wat nu


[...] the Debt Agency endeavours to allocate the orders placed by the co-leads and the selling-group members on the basis of the following criteria: 1. the order is placed by an investor who is not yet registered in the ledger of lead managers, 2. the order is of excellent quality and represents true diversification or is placed by an investor whose loyalty the Agency is particularly keen to secure. debtagency.be


be very ill; to behave lilt aria -, to impoverish. beseitaamd -, to put to the blush, to confound. to explain. granter -, to enlarge. dusdelijk rersehillende blamer -, to lessen; ace reader by. hoe maakt pit het ? he w are you? Male er, or. maker, author. -icy, v. making. illiklare Id. v. tameness, gent/rue.. MakkellUk, be. & bw. Zie Gwmakkellik. Makker, in. comrade, companion, mate. Makevel, na. mackerel. Makrol, v. bawd. M. model, mould; caliber. Mal, by. & bw. foolish (-1yo, silly ( ily); by. fond, indulgent; puzzling. -zoet, Intetona. -zoetheid, lusciousness o. a corn-onea3ure. Malden. oa. Zie Mak en, oy. w. to grind; (droog) to drain; to paint, to limn, to draw; on w. to turn, to wriggle; to tease, to t.otber; to rave, to dote, to grumble. - er, mi. grinder, miller; painter, limner; raver, doter, grumbler. -er(j, v. painting, limning; caving, doting !lliu lileid,v. fooliehnebs, Matte, v. mesh, ring; tack; mall. -bun, mail. -head, coat of mall. -hula, inn belonging to a mall. -ktik.hanile of a mall, -half, mall, malletic on. w. to play at mall. -kolder,m. Coat of Mali.
ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to

Mag ik Bitcoin voor contant geld


Elgenen, or. w. to appropriate to one's self; to dedicate. lEigengebakken, by. home-made. Eigengemaakt, by. home-made, home-spun. Eigenhandig, by. autographic bw. with (into) one's own hands. — geechreren otuk, autography. Eigening. v. appropriation; dedication. Eigenliefrie, v. self-love. lElgenikik, by. proper, true. —, bw. properly, properly speaking. Elgenlof, m. self-praiseElgenmachilg, by. & bw. arbitrary (-Hy) . Elgennaane, m. proper name; proper noun. Elgenschap, y. property, propriety, attribute, peculiar (inherent) quality. Elgenste, be. very, same, (the) very same. Eigenawaan, m. presumption, arrogance, selfsufficiency. Elgenwije, by. self-conceited. —held, v. selfconceit. Elgenavillig, bv. arbitrary, self-willed. bw. arbitrarily. —Acid, v. arbitrariness. EigenainnAg, by. '& bw. capricious (-ly), way. ward (-ly ), wilful (-137), headstrong. —Acid, v. caprice, waywardness, wilfulness, headstrongness. Elk, m. oak. —eboom, oak-tree. —ekrans, oakgarland, wreath of oak-leaves. —ekroon, oakcrown. —estam, oak-trunk. —etak, oak-branch. —enappet,oak appl e, gall-nut. —ee,est, —catchers, oak-h irk. —enblad, oak-leaf. —enboeth, oak-wood. —.shout, oak, oak-wood. —enhoisten, oaken. —enloof, oak-leaves. Eikel, in. acorn; gland. —dap, acorn-cup. —cfragenci, glencliferoup. —000st, mastage. —rarken, scorned pig, —ear, m. oak, oak-tree. Eiker, m. a. kind of boat. Minas, taw. alas ! Ellend, o. island, isle. —er, m. islander. Mlle.., taw. prey I Elloof, o. ivy. Eind, o. end, bit, piece. — geed at pocd, All'S welt that ends well.— besluit, final conclusion. —klank, final sound. —klinker, final vowel. —letter, final letter. —lettergreep, final syllable. —medeklinker, final consonant. —oog merit, final view,,— purpose, aim. —ooressak„ final cause. —pant, limit, bound, goal. —Tian, final rhyme. —venni', final (decisive) sentence. Elude, o. eod, extremity;termination, conclusion, issue; death; purpose, aim. ten — Orenoen,to finish, to terminate. ten — loopen, to end. sender —, endless. ten in order to, in order that. —bjk, be. final; bw. finally, at last, at length, to conclude. —loot, by. endless, infinite; bw. infinitely, without end. —lootheid, v. endlessness, infinity. F,Indlg, be. finite. —en, on. & on. w. to end, to finish, to close, to terminate. —held, v. finiteness. —lag, v. ending, termination. Etsoh, m. demand, claim. near den —, as required, properly. —en, ay. w. to demand, to require, to claim; to ask (een prije), to challenge —er, m. —eres, v. claimer; requirer; demandbnt. plaintiff. —lay, v. claiming, requiring, demanding; challenging.
AVO.-13AL. Awkward (aowk'wurd), a. —ly, ad. lamp, onbandig. —nets, a. lempheid, onhandigheid. Awl (now!), a. els. AWIlk (aowm), a. sam. Awn (town), a. beard (van gray of koren). Awning (aown'ieng)„ a. dekzeil. Awry (e-ra]'), ad. scheef, verkeerd. Axe (eke), a, Mil. Axiom (ekalum), a. axioms. —atic , —sliest (ekei-o-met'ikl.), a. onweersprekelkjk. Axis (eLs'is), a. as. Axle (ek'al), a. —tree, a. wagenas. Ay (aid), ad. ja. —green, s. maagdenpalm, Aye (eel), ad. vow altijd. Azimuth (ezn-moth), a. azimuth. Azot a (ez'ot, e-soot'), a. atikatof. —lc (e-zot'ik), a. atikatofachtig. Azure (ee'zjoer), a. hemelablauw. —, a. uitspansel. • v. a. blauw kieuren. Azymee (ez'ima), a. feest der ongehevelde bros. den.

385 Adasin, or. w. to nobilitate; to ennoble. Adel bv. noble; smelling, high. Aden', in. breath. in. Oise* —, without atopplrg. van iatsge.a —, requiring time, tedious. —tocht, breathing, gasp. —en, or. & on. w. to breathe. —liaise, on. w. to breathe. —haling, —ing, v. breathing, respiration. Ader, r. vein; course; streak. —break, phlebor• rhage. —gestate!, — spat, eerie. — rijk, full of vtint —slag, pulsation. —vlies, chorion. —achtig, be. ov. w. to vein. —lie, by. veiny, veined. vetny, --tutee, ov. w. to bleed. —lating,v.bleedlnx. Adjudant a nt, a•judant. —splaats. edjutreory. Admirals!. m. admiral. —roceip, admiral —stela°, Admiral's-flag. —.thew, a. admirainhip; to oat' in company. Atha's...Melt, v. admiralty. —shot, court of admiralty. Attires, a. direction; card; address, petition. —trek, directory. —.smart. address-curd. —letter°, iutelligence-offiee. —semen, or. w. to direct; oiea — aan, to apply to. Adverteutio, r. advertisement. —b!ad, advertiser, ---hosten, advertising. Advertearen, ov. & on w. to adrertime. Adwies, o, advice. —trief, letter of advice. —jacht, 'a. advice-bola. Adviseeren,ov. w. to counsel, to tacit.. Ads/mutt, M. advocate, la wyer, barrister (at law). —generaol. attorney-general. Alf, bw. off, down, — en van, to and fro, —, by. finished, done; exhausted, up. Afbaken ess, or. w. to mark (to trace) out; to mark with beacon.; to delineate. --ing , v, tracing (marking) out; delineation. Aibedeless, or. w to beg of, to get (to obtetn) by begging. Afrsotaid en, ov. w. to paint, to draw, to portray; to represent; to delineate, to typify. —Cr. in. painter; drawer; rcprraeoter, typifier —lag, v. painting, drawing, portraying; cture; representation; delineation. —se', o. pitture, portrait, portraiture; figure. imaeo. Arbeitelen, or. w. to take off with a chief'. Afftersidon, on. w. to burnt to crock) off. Afbestell en, or. w. to countermand. -hip, v. counter-order. Arbetal an, ov. w. to pay off. —fog, v. paying off; full payment. Albetten, or. w. to bathe, to wash. Afbevilen, ov. w. A rich t. w. to overdrive;to harass (oue'e f). Afbeureu, ay. w, to lift off. Afbidd en, or w. to implore; to deprecate. —er, tn. deprecator. —ing, v. deprecation. AftsIgtaiess, oat. w . to trickle down, AlbUten, or. w. to bite (to nip) off, de spite —, to etude the first shock (brunt). Afbtk.ken, ov. w. to pick off. Arblastian, °v. w. to tittle; to laud off, to etring. Afbiaderen, or. ve_ to strip 4,ff ,theleave*). Afbiazen, or. w. to blow off; to scale; on. w. to round the retreat. Afbilivon, on. w. van. to keep off.froin, to let alone, to leave untouched, not to meddie with; to stay away from.
Unea ily (un-ie'zt1-1110, ad. —y, a. ongemakke- Unfailing (un•feeneng), a. onfellbaar, zeker. :ijki ongerugt; gedwongen. —incas ( zi-nees), a. Unfair (un-feet'), a. —ly, ad. ieetijk; onhenach; ongemakkeltjtcheld; betwaar; ongeruatbaid. onbIllijk; onopreeht. —nese, a. onbIlltjkheid; onUnent able (un-let'Ibil, a. oneetbaar. —en (-iet'n), oprechtheid. a. ongegeten. Unfaithful (un- feeth'foel), a. --:y, ad. onstrouw; Unedtf led (un-ed't-fajd), a. ongeaticht. ongeloovig. —nest, a. engetronwheld; ..attlowlig (-faj-ieng), a. onattebtelijk. held. Uneducated tun-edloe•kee-tid), a. zonder op- Unfat lowed (nu-1%1'1°0d', a. enbaplorgd. voeding; onervaren. —sifted (-faol'at-fajd), a. onvervalacht. —tering Unelected (un-ef•fekt'id), a. onuitgevoerd. (-faoPtur-ieng), a, Wet wankelend, weifelend; Unel acted (un-e•lekeld), a. onverkoren. —igible atotterend. (-ei'i-dzjibl), a. onveIkies bear. Uurainitiar (tm-Se-miller), a. niet gemeenzaam; Unem barrassed (on ens-ber'rest), a. °libel' m- onbekend. (-fens-il-jer'it-tth) a. °ligamentmerd; stet verlegen; Met gEwikkeld in. zaamheid; onbekendheid. —p/oyed (-plojd'), a. ongebruikt; werkalooe. Uniashion able (un-fearun-ibll, a. —ably, ad. Unen cumber i(on-en-kum'bur), v. a. ontlaaten. onfataoenlijk; niet volgent de mode. —ableness, a. —datold (-daud'), a. niet begaafd (with). —gaged onfateoenlijkbetd; afwijking van de made. —ed (-geedajd"), a. nits vet bonden, vrij, niet bezig. (-feerund), a. ongefateoeneerd. —gagiag (-gee'dzjleng), a. Islet uitlokkend. — , toyed Unfasten (un-faaa'n), v. a. loamaken. (.clajojd'), a. ongenoten. —urged (-1aardzjd"). a. Unfathoin able (un-feth'um-ibl), a —ably, ad. onsergroot, —lightened (-lajt'ind), a. maser- or.peilbaar; ondoorgrondelkik. —ad (-feth'umd), —slaved (-steevd'), a. onafhankelijk, vrij. a ongepetld; ondoorgrond. —terAaining (-tur-teen'teng), a. niet onderhou- Unfatigued (un-fe-tfegd'), a. onvermoetd. houdend, very elend. — tAralled (-thraold'). a. Unfavor able (un-fee'vur-ibt), a. —ably,ad. onniet ono, 't juk gebraoht. —lambed (.toenvd'), a. gunattg ( for do). —ablenees, a. ongunotigheid. —ed onbegraven. —vied (-en'otd), a. onbantd. (-surd), a. onbegunatigd. U largo able (utt telovibl), a. ongelijk; ongeltik- Unfea red (on nerd'), a. ongemead. —Bible vormig. —al, a, —ally, ad. (-kwel.), ongelijk; aibt), a. ondoenlijk. —thered (-fetienrd), a. onpartijdig; (to) ouberekend voor. —ailed (-kwetd), gevederd. a. ongeevenaard. —alneas (-kwel-), a. on gelijkheid. United 1nn-fece ►, a. ongevoed, ongevocderd. Unequivccni (un-e-kwiv'o.kell, a. —1y, ad. on- Unfeeling (un-ttelleng), a. —ly, ad. ongevoelig. dub belzinnig, duideltk. —mess, a. ongevoellgiteid. Unerring (an-er'rleng), a. —1y, ad. onfeilbaar, Unfeigned (un.feend'). a. —ly (-feen'id.), ed. onether. geveined. —nese (-feen'id-), a. ongevelnadhetd. Uneasentlal (un-ea-sen'ajel), a. Diet wezenitjk. Unfellowed (un-fti'lood), a. ongepaard, niet Uneatablished (un-ea-tebniolt), a. ongeveattgd; bij elkander paaneud. stet vaetgesteld. Unfelt (un-felt'), a. ongxvoeld. Uneven (an-ie'vn), a. —ly, ad. uneven, oneffen, Unfenced (un-fenstl, a. onombeind, onbesebut. ongetijk. —nest a. oneffenheid, ongelijkheid. Unfermented (un-fur-ment'id), a. ongegtat. ' Unexam load (un-egz-em'ind), a. niet onder- Unfetter (un.fet'tur), v. a. (van boeien) bevrilden. anent. —pled (• ern' old), a. onvoorbeeldig. Unti Hal (un-fille1), a. onkinderlijk. Unexceptioneg ble(nn-eke-sep'sjan.ibl),a.-61y, Unfilled (an-fild'), a. ongesuld; onbezet. tip. onverwerpeltk„ onberlopelijk. Unfinished (un-fin'tgjt). a. onvoltoold. Unex cited (un-eki-aajzd'), a. vrij van ae- Unfit (un-fit'), a. —/y. ad. ongeachikt; ongepaat, CiOns. —eauted 1-ektee-kjoe.tid), a. onuitgevoerd. I for. —, v. a. ongesehlkt makes. —nese, a, on• —ercised (-eki.'ar-sajad), a. ongeoefend. —cried gtn.ehiktheid (for). —ting,a. onbetame (-egz-urt'id), a. ongebruikt; werkeloos. —haksted Unfit (un-flks'), v. a. loemaken; vioeibaer ma( - eAz-baabt'id), a. onuttgeput. —Went (-egz -tat% ken —ed (-11Letn, a. los; onbeatendig; onbepaatd; eat', a. niet boataand. —panded (.pend'(d), a. bealultelooe. —ednera (-1,1-), a. 'Wield; onbenlet nitgespreld. atendigheid; bealuttelooeheid. UnCALpeci.d (un.ekg.pekt,',A), a. —1y, ad. onver- Unfledged (un-fIedzjd'), a. nog niet vinge, kaal; wacht. —seas, a. onset. waehthetd. jong, onervaren. onafgerioht (van jachtUnex pensive (on-eka-peng'iv), a. niet verkwls• Unfleshed (a n-fleajn, tend; onkoatbaar. —persenced (-prri•enet), a. on- honden. ervaren. —pert, a. —pertly, ad. (-purt%), onbe- Unfolled (un-fojld'), a. niet tileurge•teld; ohbedrev'en. —pired (-pajrd'), a. niet versehenen. dwongen; onverzwakt. —pfainatfeepteenabikconverklaarblar.—plained Unfold (un-foold'), v. a. ontvouwen, ontploolen, (-pleend'), a. onverklaard. --plored (-ploord , ), a. ninspreiden; blootleggen, onthulten, verklaren. ondoorzcoht. —posed (.poozd'), a niet Moot- Unload (un-foel' ► , v. a. van dwaashaid genezen. geateld. —pressed (-preet'), a. onuttgedrukt. Unfor bidden (un-for-bid'dn6 a. ntet verbeden. —pressings (-pregalv). a. zauder uttdrukkIng. —eed (-foorat"). a. —cedly (-foora'ld-), ad. tinge—fended (.tend'id), a. 'Ant ultgeatrekt. —a nguished I dwongen. —cible (-fooreibl), a. krae.bteloos. (-ttnegaviejt), a. onuttgehtumcht. —tirpated( Aim , Unforeseen (un.foor-tden'(, a. onvaorsten. ee-tie), a. onuitgegroeid. Unfor felted (an-M.:lit-id). a °overboard. U nfnd ad (un-fee'did), a. onverwelkt. a.1 —giving (-gts'ieng), a. cnverzoenlijk• —Patten onverwelkelijk. ; (-got'tn), a. niet tergeten. —med (-formal'), a.
rind, by. v. orltily-minded. —agesindheid, v. worldly-mindedness. —rink, slug-, shell-snail. —idang, fieldanake. —spin, Add-, garden-spider. --veil, ground-lay, alehoof. —Woo, ground-flea, springtail. —worm, earth •worm; drudge, toiler. Aarde, v. earth; ground; mould. —n, be, earthea, —n, on. w. to thrive; (naar) to take after. handsome! (-ly), Aardlg, be. & bw. pretty genteel (-1y), nice ( ly), quaint (-1y). — heid, v. prettiness, handsomeness, genteoluees; nicety, quaintness, fun; veer de —, for fun. Aardseb, by. tervestrial, earthly, worldly. Aare, m. arse, anus; bum. bottom. —darns, arsegut. —gat, Lrse-hole. —witch, burn•wiap. Aunts bedrleger, m. arrant cheat. —6isdent, o. archbishopric. —bissehop, m. archbist op. —bieschoppeitk, bv. arehi-ep1scopal. —booswicht, re. —echelv. m. —eckvrk, nt. arch rogue, arrant villain. —deken, m. arch-dean. —diaken, rn. archdeacon. —diaaensehap, o, archdeaconebip. en. archangel. —gek, m. —gekkin, v. arrant fool. —gierigaard, so. arrant niggard. —gait, —schalk, m. archwag. —hertog, rn. archduke. —Aertogdom, o. archdukedom. —hertopelijk, by. erehducal. —hertogin, V. archduchess. —huichelaar, m. arch hy pocrite.—kainerheer,nterchchamher setter, m. archchanceitor. —ketter, inn. heresierch. —/engeneanm arrant liar.—prieeter,m archpriest•, —priesterdom, o. archprlesthood. —priesterlük b Y. arehpresbyteriai.—tader,m.patriareh,—eader AP, by. patryarchal. —vijand,m. mortal (sworn) enemy; orchid-end. Aarzel en, on, w. to hesitate, to waver, to balance. —end, hr. A bw. heeltating (-1y). —lag, v. hesitation. Aas, o. bait, lure; food; carrion; ace; bit. —keter„ —sob, wallet. horee•heetle. Abberdaan, m. Zie Lrebberatann. .1bd(1, v. abbey. Abdlc, v. abbess. AD. o. alphabet. —bank, foam of abecedarians. —leek, horn-book, primer. —bardje, battledoor. —jongen, —kind, abecedarian. Alyea!, tn. asp. —boom, aspen•tree. Abounemant,o, eon Zie inteekening, enz. Abel ko0s,s. apricot. —kosebooin, apricot-tree. Abt, m. abbot. Abuts, o. error, mistake, blunder. — hebben, to be mistaken, Acacia, na. accaeis. Aeadern Ile, Y. aecademy, univereity; —burger, student. —WI, a. accademlcal Accent, o. *cant; stress. Ae ►ept ant, in. acceptor. —atie, v. acceptation; acceptance. —ee7en,ov.w. to accept. Aeolian, na.exolee. —kuntoor, exc/ se-office. —p/ichtir v. excisable. Ace a ard,o. accord; agreement. Anti, tow. oh! all &fait, tar. & v. eight, —dawns, sennight. Aebt, Y. heed, rare, at• entlou. — geren (a/aan) op, to give attention to, to attend to. in — nemen, to take care of, to mind, to observe. Aebtbaar, by. honorable, worshipful, worthy. —keit:, v. honorablenese, respectability. Aebt beantg, by. eight-legged. —bladerig, by.
tiadestann, ov. W. to observe, to watch, Grading, v. liking, choice. het is niet can mite —, I. is not like it. kept pij —in Set Ws? do you like the house ? will the house suit you ? Gaffe', v. prong, pitch- fork, fork, gaff. —steel, stick of a fork, —stukken, crotches. —land, prong. —vormig, be. forked, forky. (Sagnl, as. wild myrtle. —, o. palate, gums. t;E aggeleeu, on. w. to gabble, to gaggle. Gal, v. gall, bile; wind-gall; choler, rancor. zijne sithraken, to vent one'e spleen (on). —afscheidistg, secretion of bile. —appel, —neat, gall-nut. —bloat, gall- bladder. —koorts, bilious ..fever. —leider, binary duct. —weep, gall-Py. —sick, bilious, choleric, eplenetie. —ziekte, —zucht, bilJou. complaint, jaundice; cholericness, spleen. Galamat, by. & ow. gallant (-1y). gallant, suitor. Galanterle, v. gallantry; courtesy. —n, me. fancy• go o ci s. —wicket, bazar, repository of fancyarticles. Grasses, v. galeae. Gelid, v. galley. —boef, —slaaf, convict, galleyslave. —straf, the galleys. GeterU, Y. gallery. Gnlg, v. gallows ; gibliet; gallowses, suspender, straps. —host, —peal, gallows tree, --estedc, lowe- bird. —emaal, last meal. —stronie, hangingface. —eveld, place o f execution. —enaas, gallows-bird, Gitifile, be. sortable, saleable; easy. —held, v. sortablen ens, saleableness; easiness. Gel,j oeaae,o. prow, galleon., Galljoot, o. galliot. Gail ess, ov, w. to gall. —ig, be. bilious. Geslsn m. sound, reverberation, rebound. —gat, pent-hole. —en, on. w. to sound, to resound. (isles, o. lace, galloon. —neeren, ov. w. to lace, Galop, so. gallop. —peeren, on, w. to gallop. Galp en, on. w. to cry. —leg, v. crying. Gander, m. gander. Gong, m. going, walk, course, tack, way; fare; pace, gait; alley, passage. sijn — goon, to go on, to keep one's course. iemand atin laten gaan, to let a. o. have his own way. aan den — helpen, to set a- going, to set on. aan den— sijn, to be in. —booed, gang-way. —pad, foot-path. —spit, capstan. —boar, by. current. —baarheid, v. currentness. —elje, o. going, tack; errand; lane, alley; ern — met ientand gaan, to keep one close. Gannet', ea. rogue. rascal, wag. Gans, Y. goose. jonge —, green goose. gosling. lifoeder de —, Mother Goose. genuses, by. whole, all. —, bw. wholly. — niet, not at all. Gauze boast, m. leg (wing) of a goose., —drek, goose-dung. —kuiken, gosling. —lever, goose's liver; —pastel, goose-liver-pie. —neb, goose-bill. —pest, goose-pen. —peper, goose-giblets. —poet, goose's foot. —scht,clit, goose-quill. —veer, goosefeather. —vet, goose-skin. —vet, goose-fat, goosegrease. — vleugel, goose-wing. —voet, goose-foot; orech. —nbord, goose-geme-board. —nei, goose egg. —chapel, hail-ehot, small shot. —nhoeder, goose-herd. —nhok, goose-pen. —*japer, goose-
crumble) down; to rush in upon; to relapse, I esvlecht en, ov. w. to interlace, to intertwine. Invliegen, on. w. to fly in, — into. —ing, v. crumbling down; downfall; relapse. lnWilatten, on. w. to flow in, — into. Instonwen, ov. w. to stow to, — into. 'natalMen, or. w. to stroke in, — into; on. w. InvlUen, ov. w. to arrange in. Invioed,m. influence; credit, interest. to sneak into. Insilco,' em, on. w. to flow in, — into; Wes —, Iostrnolon, ov. w. to strew in. to mention, to insert. —ing, v. flowing in, influx. Inetroomen, on. w. to stream in. Invluebten, on. w. to flee in, — into. Instructle, v. instruction, direction. Instrument, o. instrument, tool, engine; writ, Invoego, vw. so that. Invoeg en, ov. w. to add, to insert, to interwriting, deed. —maker, instrument-maker. calate. —leg, v. insertion, intercalation. —eel, Instulven, on. w. to rush (to fly, to bounce) in, o. addition, insertion; clause. — into. linvozr, m. importation, import. —kande!, imInsturen, on„ & on. w. to steer in, — into, port-trade. —recht, import-dury. —der, m. imInettswen, on. w, Zielnstemween. porter; introducer. —en, ov. w. to; import; to Insullen, on. v. to side in.— into. introduce. —ing, v. importation; introduction. Intend en, ov. & on. w. to indent: to catch, Invoig en, ov. w. to follow, to comply with, to tooth (in), —ing, v. indentation; catching. to gratify. —log, v compliance, indulgence. Intappen, or. w, to draw (to pour) in. Inteeken mar, m. —minter, v. subscriber. —en, Invorder ear, m. claimer, dunner. —Dna, by. on. w. to subscribe (op, to). — IVO, list of sub- due, claimable. — en, or. w. to demand, to claim; to gather, to collect. v. demanding. scription. —prije, price of subscription. —ing. a. subscription. Incv laoirnuiw nganco, lolevc. twio.% fold in — inward. Integendoel, vw. on the contrary . Interen, on. w. to spend, to love; on. w. to fret, luvret en. on w. to corrode, to fret, to eat in. — log, v. corrosion. to waste away, to be consumed, to diminish; to Invuli en, or. w. to fill up ; to insert, —tag, v. be in a declining; way in one 's affairs. Interest, m. interest. op — eetten, to put out at filling up ; insertion ; —slap, intercalary day. Inwaaien, ov. & on. w. to blow In, — into. interest. — op—, interest upon interest. Inwsturts, bw. inward, inwardly. —eh, hr. Intougel en , ov. w. die Nato omen. Inward. IntUds,bw. in (due) titre, timely. Inursteha en, ov. w. to welt for, to expect. Intillen, ov. w. to lift in, — into. —ing, v. waiting (for), expectation. Into/Alit, m. entrance, entry. Intoom an. on. w. to bridle, curb, to restrain. Inwarm, bv. very warm. Inwes3en, on. w. to grow in. —leg, v. bridling, curbing-, restraining Iv:waiter en, on. w. to be penetrated by water. Intotweren, or. w. to get in by witchcraft. to soak (to leak) through. --fog, v. soaking Intrappen, or. w. to break by treading (tram(leaking) through. pling) upon, Hatred a, v. entrance, entry; beginning. —en, Inweelksi, o. woof ; parenthesis. ov. w. to break by treading upon; on. w. to lnweeken, ov„ w. to soak. In wendlg, by. & bw. interior (-1y)„ internal (-Iy), enter; to begin. 'nitres', v. die Intrede. —Oiljef,—kaartje, ticket. inward (-Iy). —e, o, interior. Inswentei en, ov. w. to roll in, into, to involve. —prOs, entrance-money. lntrek, m. muching in; lodging. zijn semen, —ing, v. rolling in, involution. to put up (at). —ken, ov. w. to draw (to pun) InweTK en, on. w. to get (to work) in, — into. —lag, v. working in ; influence. in, — into; to involve (in); to Imbibe; to contract, to narrow; to revoke, to retract, to Inwerp en, or. w. to throw (to cast) in. — into; to break by throwing against ; to object. —kg, repeal, on. w. to march in, — Into, to enter; v. throwing in;• breaking; objection. —eel, 0. to shrink. —king, v. pulling in; imbibition; revwhat is thrown in; objection. ocation, retractation. Invitee, en, ov. w. to weave in, to interweave; Intulsorelen, on. w. to tumble in, — into. to insert. —ing, v. interweaving ; insertion. Intuesehen, hv. meanwhile. Inwkid en, ov. w. to inaugurate, to consecrate; Inveart, v. entrance. Invel. in. falling in, fall; irruption, inroad, to initiate. —ing. v. inauguration, consecration; Initiation ; —srede, inaugural epineh. invasion; thought, sally of wit, fancy, conceit. —fen, on. w. to fat! in; to rush in, to invade, Inwkik, v. inlet, creek, hithe, bay. —en, on, w. to bend inward ; to take shelter in. —lag, V. to make an inroad; to crumble down; to join; bending inward; retreating inwards. to fade, to rink, to occur to one 'a mind. Inveren, ov. w. to overtake; on. w. to sail in, Inwikkel en, on. w. to wrap up ; to involve; to entangle. --ing. v. wrapping up ; Involution, — into, to enter. involving ; entangling. Invaten, on. w. die Inkutpon, Inwfillig en, ov. w. to consent to, to acquiesce Invetten, on. w. to set, to enthuse. is ; to indulge with ; to grant. —ing, v. consent, Invegen, ov. w. to sweep in, — into. acquiescence, indulgence. Inventerls, m. inventory, list. —eeren, or. & Inwind en or. w. to wind (to wrap) up, to on. w. to inventory; to take an inventory. envelop. —leg, v. winding (wrapping) np, envelInvijlen, on. w. to file iu. opment. —eel, o. cover, envelope. Inviammen, ov. w. to damask, to damaskeen.

Wat is het punt van cryptogeld


'ranch (ientaj), g. zeelt. Tend (tend'), v. a. oppugn'', verplegen; bedlenen; bewaken; hoeden; v. n. etch rIehten; streyen; atrekken; doelen; (upon) bedlenen, volgen, -- ante, lie oppaletng, verpt eel. g Jae(' —ency, a. strekkong, nelging. —er, a. °roaster, verpleger; aenbiethng; bod; ad viesjacht, tender, 'oarrax4e, agen. --er, v. a. aanbieden; met teederheid behantelen Tender (ten'tur), a. —ly, ad. teeter; zaelit; zwak, week; gevoettg; bezorgt ; zorgvuldtg; dterbaar. —loin, Ituit: (van een runt). —bodied, zwak, tender. —hearted, teerhartig. —heartednece, a. teerbartigheid. —aided, nk. —ling, a. treetelkind. —nett, a. teeterbei•; zaehtbeid; zwek belt; weekbeit; geraelteheid; zorgvultigheit. Ten &Inoue (ten'di-nut), a. vezelip, pez)g. —don (-dun), a. pees. —dril (.dril), a. hechtrank; a. hechtend, klirarnent. Tenebr Ions (te-nt'bri-us), —out (ten'ebrue), a. tanker, dilator, eamher. —otity (ten-e-bratelt-tth), a. duteterbeid. Tenement (ten'e-rent), a. gepaebt stuk grand; woning, woonhuts. —al —nry (-ment'.), a, ge hoard, gepaebt; le peehten Teneemus (te-nez'mue), u. aandrang tot atoelgang. Tenet (ten'it). a. I eerstok. grondatelling. Tenfold (ten'toold), a. tienvoudig. Tennis (ten'nis), a, kaatsepel. —ball, kaatabal. —court, kaatebaan. Ten oat (ten'un), a. pin, lip, etaart; —awe, schrohzone. —or (-lir), a. beloop, gewone loop; geeteldheid; wijze; inhond, zin; tenor. Tense (tees). a tijd. Tens a (tent'), a. —ely, ad. stiff, etrak, geepannen. —cocoa, —itp, P. strakheid, gespannenheid. —ible, —lie (41), a. epannaar, rekbanr. —ion (-jun), x. spanning. —ire, a spannend. —or, a. trek-pier. Tent (toot'), a. tent; wtekje; tintwijn. —bed, veldbed. —cloth. tentlinnen. --maker, tentenmaker. —pin, tent pin. —pole, tentpaal. —probe, tenth., —wine. tintwijn. —wort, vrouwenhaar, mnurkrutd. —. v. a. tenten, pollen; v. n. in liens tent arena.. Tent no le (tent'ikl), a. voel,priet —afire (-e-tin), bedekt. a. bPpraevend. —ed, a. net Tenter (ten%ur), a. spenraam, -hook. --hook, v. o.. spanners, rekken; v. n. gespanhaak. spannen worden, rekken. to be on the —a . In oarlegenheld zijn. to keep upon the —s met achoone belofteu peelen. Tenth (tenth'), a. &s. tiende. —iv, ad. ten tlende. tib), a. njnbeld, dunheid. Tenut (ten'joe-ue)„ a. tljn, dun. Tenure (ten'per, -jur), s ieenroceigheid, wij ze bezit. oat (voorwaarte) Tap efe,rtion (tap e fek'sjun), a. lauwm eking —id (tepld), a. lanw. —idity (te-pld'it•tib), —or (ti'por), a. lauwheid. —ify (tepl-fej), v. a. & n. lauw make.n (warden). Terre (tr.rs),a. Zie Tiaree. Terebinth (ter'e-binth), a. t erpenthnboom. —ins (-Inuth'in), a. terpentijnachtig. Terebra to (ter'e-breet), v. a. toarboren. —lion (-hree'ajun), a. doorboring.

Gekorcela, by. notched, jagged. — diertfe,tasect . Gekout, o, talk, chitchat. o. crowing, boasting. Gskroak, o. cracking. G ekrabbel, o. scratching. scribbling. ekrae, o. !scratching fi idling; croaking. Gekreun, 5. groaning, moan. Gekriebel, o. itching, tingling, tickling, scribbling. Gakele10 swarming, crowding. Gokrienwel, o. Z:e Gekal. o. babbling, jabberment. Gekantd,bv. combed; crested. GekrUsch, o,, shriek, shrieking, screeching. Gokatnerd, by. kept in a chamber. — meicje, Gekrtjt, 0, weeping. kept mistress. ekrioef ,o. swarming, crowding, throng. Gekef, o. barking, yelpin. T . Gellironad, by. crisp,crispy, frizzled, woolly. Gokoperd, by. twilled. Gekrol, o. caterwaul. Get/Arm, o lamentation, groaning. Gekronkel,o. coiling. rum piing , wrinkl ing. Gekrookt, he. bruited, broken. Gekenvoll, o. chitchat. G ekheid, v. folly, foolishness', madness. Gekrinfirnel, o. crumbling. Gekibbel,o.quareelling, b. , kering. ekuch, o. coughing. Gekleskauw, o. G ektufid,bv. crested, tutted. wrangle. GekUlt, o squabble, scolding, tiekuip, o. intriguing; intrigues. elklik, c . looking, gazing, gaping. Gekuischt, by. pure, piirirind. Gektr, o. cooing. akunateldi s by. studied, affected, formal, stiff. Gekittel,o. tickling, titillation. 46,ekua, o kissing. Gekje, o. fop. Gekwaak, Gekwak, o. croaking; Cackling. Gekkeiljk, be. & bw. foolish (-1y), silly (-ily). Gekwallster, o. spawling. —heid, v. fonliahness, Gekwanteell.o. bartering, truck. Gekk en, on. w. to :lest. to banter; yonder —, Gekwittoil, o. warbling, singing. In good earnest, seriously. —er, m. jsater, joker. Gekwell,o. vexation. — ernii, v. joke, jest, —in, v. fool, foolish woman. G.kwezel, o. telling, iol.te,Ing; playing the Geklasag, o. complaints, lamentation. hypocrite. Gokind,o. dtubing, blurring; scribbling. ekw1,21, o. drl telling, salivation. Gekwiepea, o. wagging. Geklom,o. Zie Gekleax. Geklarik,o. sounding,clang. bv. boot,d. staseklap, o. prattle, tattle; clapping; cracking. Galant, o. iface, countenance. — kenner„—kuodige, smacking; banging. physiognomist. —kunde, physiognomy. —kundig, Geklapper, o. rattling; banging; clack. physiogaosical. —akleur, complexion. —atrek, Gaklator, o. clatter,rettling. feature. Geklautar.o. clambering. Gelarfa, o. laughter, laughing. Gakiep, o. tuning; peal of bells; clang. Gelag, o. club, drinking - bout; share, score, scot. clack; call (of storks). Geklopper, o. —en zetten, to keep a tavern. het — betaten, to Goklets, o smacking, clashing; chatter. he the sufferer. era hard —, a hard pinch. Gekletter, o clang, clash, clattering. litsittoA, o. near — ran, in proportion to, accordGeklikklak, o. clashing (clang) of arms. ing to. Geinot en, or. w, to order, to commend„ to GeklIngel, 0. tinkling, ringing. Gatii,tsk,o. chink, clink„jingle. charge. —igde, m. & v. mandatory, delegate, Gokiok, o. clucking. proxy, agent . GciAtea4 (itch), t. w. to feign, to pretend, to Geklop,o. knocking.' seem, to do as if. Galt I ots, o. beating (of the waves). Geklowen, by. cloven. met — vocten, cloven- Gelsateas, bv. & bw. calm ( - ly), resigned ( - 1y). — held, v . resignation. footed., bisulcnns. ready money, cash. Geid, o, money. gereed Geknabbel, o. nibbling, munching. prof — , large money. klein —, small money, Gel, mars. o. grIndnzig,gnashingnthriekincja.rring, change. siecht —, base coin. to —e waken, to Geknotter, o crackling. make money of, to turn Into cash. — bki be Gekcibbei,o. bargainirtn, higgling. reach germ, to pay down upon the nail. — tdoknlete, o. fretting. to coin, to stamp coin. —aristocratic, moneyed Geknilk, o.nodding, nod. interest. —beers, purse. —boete, tins, mulct. —MUCloknoel,o. bungling, botching; intrigues. det, — tak,money - bag. — bus, money•box. — aorta, Geknor, o. grumbling, scolding. thirst for money. — gebrek, want of money, penufiokauffel, o. puckering. ry. — gierig . covetous, scraping. — gierigheid, G veknntoef, o. trifl ng. covetousness, avarice. —kat, strong-box, safe. Gekocter, o. jabber, gibberish.
302 Kieed, a. coat, gown, garment. dress; cover. —en, or. w. to dress, to clothe; rich, t, w.to dress. —kanser, dressing-room. Klasid,er on, o. my. clothes, dress, garment. —draekt, costume, fashion, garb. —maker, tailor. —pracht, luxury in clothes. Mead (2, v. dress., clothes, raiment. costume, toilet. v. stressing; are —stuk, article of dress. —je, o. gown, robe. —tier, v. dressing-woman. Kleef stelstlg, by. viscous, gluey, sticky, clammy. —garen, trammel. —kruid, bur, burdock. Kisser en, o. my. traps; roe Kleedesen. —ben, —mond, clothe. basket. —boratel,—echnier, clothes brush, whisk. —tamer, ward-robe. —kcal, ward robe, clothes-press. —kist, linen chest. —trooper, merchant-tailor; ,old clothes-man, frippeter. —maken, tailor's trade. —maker, tailor. —seh9eht, —sink, pole to hang linen on, clotheshorse. —lob, washing-tub. —winked. (second-hand) clothee-shoo. --worm, moth, tiny. —solder, garret for linen, laundry. K1e 1 , v- clay, marl. —aarde clay-earth. —groeee, clay-pit. —grond, clay-ground. —long, layer (stratum) of clay. —spoor, clay-spur. —seep', elsy -road. —aehlig,bv. clayey, clayish. Klein., by. little, small, ens); t, petty, diminutive geld, change. in het —, by retail; in miniature. —achten, to slight, to disregard, so ins he el lghtly of. —achling, aright, slightingelisregard.--doeeter, granddaughter. — geestig, narrow-minded, petty, frIvolousa—geestigkeidoearrow -mindedness, pettinee., frivolousneee. —geloovig, faint-hearted, de ficient in faith, of little ta,t1s. —geloovigksid, faint-heartednetse, little faith. —handel, retail. trade, -business, —handela ar, retailer, retail-dealer. —hartig, —moedig, by. & bw. low-spirited, faint-hearted (-/y1,timid (-1r, pusillanimous (-1y). —kartigkeid, —mnedigheid., dejection, faint-heartedness, timidity, pusillanimity. —kind, grandchild. —kindersehooltje, infant-school. —sehild'r, miniature-painter. —schcift, small-hand. —smid, locket-smith; cutler. —stmedsek. like the inhabitants of a small town, countrified. —teeriy, delicate, touchy, coldly hurt, --terrigkeil, delicacy, touchiness, tenderneee. —room, grandson. —e, in. & v. little one. —held, v. smallness, littleness, minuteness, pettiness, meekness. lkilef ►allrghtsid, v. ttifle,batable. Kleinood, o. jewel., gem, trinket, treasure. Kleine, v. strainer, sieve. —dock. otrainer. Klein te, v. kie —tje, n, little one, baby; small matter, trifle. Kielnz en, ov. w. to strain, to nitrate. —er, m. atrainer. —ins, v. filtration. Mona, v. catch, caltrop; narrow pees; straits, pinch, scrape, dietrese; !trieenits; force- energy; weight; stress. met — spreken, to speak home. —grond, anchorage; forcible argument. —men, 0 , & on. w. to pinch, to jam, to nip; to clinch. —task, holdfaet. --retie, dilemma, convincing argument. —spreuk, forceble sentence. —slaarlig, having the accout on the termination. —loon, stress. —vogel, kite. —wooed, forcible word, clincher. —mer, m. pincher, ecreeezer; clincher. —ming, v. pinching, nip; clinching.
—ebol. crown of a hat. --educe, hat-box, band box. —enfabriek, hat-manufactory. —entabriekant, —enmaker, hatter. —enniao.keter, bonnet-maker, —enniaken, o. hat-making. —enntakeri,j, hatmaker 's trade; — workplace. —enstoffeerder, hatedreseier.—entoinkel, hat•eiop. IloednnIg, vnw. what, how, whatever. e. quality. zirn, hoed e„ v. guard, protection; op ztine to be on one's guard. —en. or. w. to guard, to protect; to preserve; to tend, to look after; rich - t. w. to take care; (roar) to guard against, to beware of. — er, m. protector; keeper, herdsman. —der, v. protectress; shepherdess. v. farm. —teeing, shoeing. Hoer, m. hoof. colt's•oot. —tamer, shoeing-hammer. —peer, horse-shoe, shoe. —mes, buttrees.—naget, kick of a horse; part of a dike hobnail. —slag, that a farmer ought to keep to repair; home, abode; sphere. —amid, farrier. —etch, trave, llorgrootheld, v. size, bigness; quantity. Hoek, m. angle, corner; cape; quarter; hook; clew. balk, — keper, corner-post. —bank, counter. corner-closet, -buffet. — boot, hooker. — 4uffet, on —We, corner-house. —man, image of a man the poop of a ship. —meetkunde, goniometry. —steen, corner-stone. —aitii,corner-poet. ow—land, canine tooth, eve-tooth. — vormig, zak, n. ed, Angular. —ivan,f,hooked fishing-nets — corner-hazard. —stc(ise, angularly, cornerwlso. hooker. —ig, —aeAtig, bv. Zie Hoek*. —er, m.angularity,. by. angular, cornered. —igheid, V. Howe. o. hen, chicken; fowl. —derbout, leg (wing) poultry-thief, kite. —derei, derdief, of a fowl. — hen-coop. hen 's egg. —derhok, poultry-house, —dermaag, gizzard; appe— derko.per, poulterer. tite. —dermarkt,poultry-market.i—dernaiker, one , that is fond of poultry. —dermest,poultry-dung —dernest, fowl's nest. —derpaatei, chicken-pie. —derrek, hen-roost. —dereoep, chicken broth. m. hoop; plain ring. --ring, hoop-ring. lloepel, m. hoop. —rok, farthingale. —maker, hoop maker. —en, on. w. to play with a hoop, to trunkie. Hoer- v. whore, hsrtot, prostitute. —ekind, whore, son, bastard. — endop, — enjager, — enloaper,whor monger, whore-matter, wencher. —enhuis —enkot, brothel. whore-house, bawdy -halm, bagalo, bawdy song. —enlaven, prostitution. —called, harlotry. —en/eon„ wages of prostitution. —enpuk, —enpruat, obscenities. —enwaard, w hore-monger,, -master, bawd, bagnio-pander.—enwaarthin,bew pinup. —aehtig„ by. di bw. whorish (-1y), lewd —eerdertm. (•1y). —achttgheid, v. whoriahnese. fornicator. —eeren, on. W . to whore, to fornicate. —eering, v, fornication. —eerster, v. fornientress. —erti, v. whoring, harlotry, fornication. to cough. notee1, in. cough. ---en, on. w.v. bungler, botcher. Hostel noir, m. —aarater, werk, —ar(j, v. bungling. —en, on. w. to bungle. — bungling. Iloevo, v. farm. Iloevrel, hw. how much, how many. —heq. v. the quantity. —ate, be. who (what, which) ofwhat number• den —n van de maund hebben apt ley of the month is it?
Paychoinaney (sayko-men-sih) : a. geeatenbe. Pugh (poe), int. poe! bah! Pugll (pjoe'dzji!), a. handjevol. -ism, a. bet vuistswering. veehten. -ist, a. ratistveehter. Ptarnsigan, (tatter:II-gen), a. aneeuwhaen. Pterodactyl (ter-o-dekstil), s. voorwereldlijke Puguaicl oats (pug-nee'sjus), a. etrijdlustig. -ty a. strOdlustigheiti. hagedis of vledermuis. Pulane (pjoe'nih), a. jonger; Klein, Bering. Zftlean (tiz-en ), a. gerstewater. Ptyernagogue (tiz'me-gog), a. twijlverdrij vend , Patialinn ce (pjoe'ia-sent), a. macht. -t, a. -tly, ad. mach'ig, steel. middel. Puke (pjoek), a. Zia Puce. -, a braakmidde,l; )Puberty (pjoe'hur-tih(, a. buwbaaaheid. braakael. - V. n. brakes. Pteltescen ce (pjoe-bes'aens)„ a. huwbaarwor• Pulchritude (purkri-tjoed), a. sehoonheld. ding. -t, a. huwbaarwordend. v. n. pieces; kraunen. -ing, a. Pul e Public (pubnik), a. algemeen, publiel. in -, 't openbaar. -, a. algomeen, epentaar, publish.; gepiep; gekreun. -debt, staatssebuld. - funds, pl. staatspapteren, Pull (poell'), a. ruk, trek; strijd. -back, beletsel. -, v. a. & n. rukiten, trebles; plukken, scheneffeeten. - good, algemeen welzkin. -hearted, minded, -epirited, bezield met tjver voor het Ten; roeien. (down) neerhalen; aloopen, vernedecent afmatten. (of') aftrekken, uttrukken. (en) algemeene weizijn. - house, tapperij, kroeg. - paper', - prints, nleuwabladen - sate, open- aantrekkett. (out) ultrukken; op de reeds Wes. (up) aptreklen; uitrukken; aitraelen. -er, a. bare verkoop, veiling. - scales, pl. stadswaag. plukker, Welker. Public ass (publi-ken), s. herbergier; tollenaar. -ation (-lies'ajun), a. bekendmaking; uitgave , Pullet (poePlit), a. kuiken. -ist (-slat), a. rubliatat.-ity -nen, Pulley (poerlih), a. katrol, take'. -door, deur met eon gewiehi .-piece,kniestuk(aan eats hulas). a. openbaarheid. 1Pribilab (pub'l(e!), v. a. bakend mabaia; nitgeven. Psalluln to (pul'ijoe leet)„ v. n. kiemen, ultlooe. bekendmaker; uitgever. -ment, a. hapen. -tion (-leefsjun), P. kleming. Pullmoutiry (prilfrnun.e-rib), a. vas de longen; welijksafsondiging. long-. - a. longkruid. Peace (pjoes'), a. donherbruin. -ron (-se rots), a. Pulmonle (pul-mon'ilt), a. van de lougen; long-. bladluts. - a. longrniddel; longlijder. -fist, boviat Puck (puk', a, berggeeat. Pulp (pulp'), a. zaehte mem; merg; vleeech (van (aardawam). vruchten). -ing-mill, moles ter ontbolstering Packer (prileur), a. wijd bleed; kreukje, vouw; der kolliaboonen verlegenheid. -, v. a. & n. plooien, krenken. Pudder (pud'dur), a. oceans, getter. v. a. Pulpit (poelfpit), a. spreekgestoelte, kennel. -tkumper,kanselklopper.-ica/(-pit'ikli,a.kansel-. overbluffen, oversebreeuwen; v, n. razes, tieren. Pudding (poed'dieng), a. podding; beuling, vat POP Wig (pulp'ua), -y,a.weekivieezig.-ousness, hoed. clack bIoedworat. white, - leverneuling.! e. vesekheid; vleezi,gbeid. -bag, -cloth, poddingzak. -fish, (snort van) , Polaat e (puleeet), v. n. kloppec, tikken. -ilg braaem. vleeaebpodding. -sleeve, wijda (-e-til), a. geslagen kunnende warden; a. slagmouw. -stone, poddingsteen. -time, etenstip; ; instrument. -ion (-aee'sjun), a. klopping; palsjoist tijdetip. I slag. -or (-seetur), s. klopper, tikker, houtworm. Puddl c (pud'd1), a. modderpoel. -c, v. a. mod-orY (-e'tetr-r/h), a. kloppend, tikkend. derig ;troebel) makes; met madder diehtetoppen; Pula e (pule), a. pole; polsslaKi schommeling; peulvrue ht. --e, v. a. stooteu, druven; v. n. clean, v. n. plassen, marsen. -y, a. modderig. Puddoek (pudfduk)' a. omheining. -ific (-ink), a. den pole opwekkend. a. ion (purtjun), a. voartatooting. Pad ency (pine'denaith), -icity Pulver able (pervur-ibl), a. vergruisbaar. exhaamaehtigheid, eerbaarheid. (-i-zee'sjun`, a. vergruising, fijnataanP',10,1QUICINV (pjoe'fel-lo),3. Zie Pew-fellow. (-ajz), v. a. fijn (tot poeder) wrkiven e (ploe'e-Ti1) a. kinderaebtig. --ity ping. a. Itinderachtighotd I of stoat.. -u!ence (-varfjoe-lens), a. stotSgtold. P nia rye esti (pjne - ur'pe - Tel), a. kranm , van het - a lent ( -ver'jae- lent), a. stoftig. C. a. met reukbream bed. — fever, zogkoorts. Pcalril (pul'vll(, a. reukpoeder.  

Is Bitcoin een algoritme


Calvary (kel've-rih), g. de berg Calvaria, Krubsberg. Calvin (kel gin), m Calvijn. Cambray (kem'bree), g. Karnerijk. Cambridge (keent'brldz)),g. Cambridge. Cambyces (kem-barsiez), m. Cambyaeti. Campbell (kem'int, kern'b1), In. Campbell. Campeachy (kem-pietvrih).g. Campeche. Canaan (kee'nen), g. Kana hn. Canada (ken'e-de), g. Canada. Canaries (ke-nee'rierl, g. Canarische etlan den. Candla(k*edt-e), g. Candia. Canterbury (ken'tur-ber-ih), g. Kantelberg. Canton (ken-ton'), tr. Canton (in China). — (ken'tun), g. Canton (in N,Arnerlka).

LEI.—LEU. —dread, guide. —star, guiding star, load-star. —anion, —serouw, guide. —er, m. leader, conductor, guide. LsId•r, taw. alas! Ladd ing, v. leading. conducting; direction, conduet. —star, v. leader, conduttreas, guide. Lelen, be. of slate, slated. —dak, slated nor. L e is, v. leash. ',stool, o. rein. Lek, to. leakage. —, o. leak een kr(igen, to spring a leak. —, be. leak, leaky. — wordes, to spring a leak, to 'bilge Lekknge, v. leak, leakage. Lek ken, ov. w. to lick; on. w. to leak. to prop. —bier, beer that drops out of a leaky cask. leak, —honig, vir—dock, filter, mtraioer. gin honey. —steep, itering-stone. —vat, trick-toi,n droppings. —zak, straining-bag. Lekker, by. & be. dainty (-fly), nice ( ly), delicious (-Iy), sweet (•ly. —beetle, tid bit, titbit. —bek, —mond, —tend. —tory m. & v. sweet tooth. dainty-mouthed fellow, epicure. —tekken, —tanden. to banquet, to feast upon tit-bits. —beAkerii. —bekkigheid, daintinesc., itekerishnees, epicurism. —bekkg, dainty, lickedeh. —held. v. • daintiness, nicety. —nil, v, dainty, tit-bit, nicety. delicacy. —a. o. dainty. tit-bit, sweet-meat. Lokklug, V. leaking, dropping. 1,e1, v lobe; gill; uvula. Celle, v. lily • flower-deluce. — ran dales, lily of the valley, May-lily. —bled, lily-leaf. —blank. —wit, as white as a lily. —bol, lily root. —olie, lily-oil. —veld, field of lilies. —acAtig, by. HARMON. Loll en, on. a. to prate, to tattle. —er, m, praise, tattler. —ig, by. skinny. —jog, v. prating, tattling. Conamen, on. w. to talk sweetly. Lotnaper, n. blade. Loninset, o. wick Lempen, o. ;hilt, shafts. —paard, thilt-horse. —seek, shaft (of a waggon). Lende, v. loin. —break, rupture of the loins. —klier, lumbar gland. —knoopen lumbar gantitans. —kussen, small cushion to put under the loins), —slagader„ lumbar artery. —spier, lumbar nerve. —stick, loin, sirloin. —nuder, lumbar vein. —slam, hip•shot. —npeja, lumbago. —nloos, bv. hip shot. o. sling. Long, v. Collagen, ov. & on. w. to lengthen. 'donate, a. length '• tallness, height; longitude. door — van Wel, at the tong run. —graad, degree of longitude. —meat, linear measure. —meting, lougimetry; calculation of the longitude. Lonlg, bv. soft, pliant, stipple, malleable; meek, docile. —en, ov. V. to ,often, to lenity, to Alleviate, to meeken, to mitigate, to assuage. —er, m. softener, aesuager. reliever. —held, v. sottnest, pliantness, suppleness; meekness, docility. —inn. v. softening, alleviation. mitigation, assuagement. —ster, v. Zie lboulger. Lens, v. lens, lenge; harpoon. —, be. empty; —ponapen, to free. —pomp, bilge-pump. !Lento, v. spring; prime. —blocs, flower of the spring, vernal flower. —dag, day in spring
UNK.— UNfd Unkatow able (un-ne'lb1), a. onkenbaar. —tag, a. —ingly, ad. onkundig, niet wetend (of). Unknown (un-noon'). a. onbekend. Unlabor ed (un-lee'burd), a. onbewerkt, onbebouwd; ongedwongen. —tone (-1e- bo'ri-us), a. onwerkzeam; niet moeielijk. Unlace (un-ieeel, v. a. loerkjgen; van kant of gaion ontdoen. Unlade (un-teed') [irr.]. v. a. ontladen, 'omen. UnIssid (un-leed'), a met gelegd; niet gestIld. Unlamented (un-le-ment'id), a. onbetreurd. Unlatch (nn.-leter), v. a. van de Mink doen, openen. Unlawful (-un-laolnel), a. —ty, ad. onwettig. —nest, s. onwettIgheid. Unlearn (un-turn',, v. a verleerea, atlearen. —ed, -lurndl, a. —rally (-id-), ad. ongeieerd, onwetend. —Muses (-100, a. ongeleerdheid., Unleavened (an-leend), a. ongezuurd. Unites (un-less'), conj. teosij, indien inlet. Unlettered (un•let'turd), a. ongeletterd. Unleveled (un-lev'ild)., a. niet gag* gemaakt. Unlicensed tun-lereenst), a. ougeeorloofd; onbevoegd, zonder verlof, — sondes. patent. Unlicked (un-likt'), a. ongelikt, row. Unlighted (un-lajtIel), a. niet verliaht; niet aangeatoken. Unlike (un-lajk"), a. ongelijk (to); onwaareehijn• lijk. (-it- hoed), —linens (-11-nens),. a. onwaarechijnlijkheld. —ly, a. & ad. onwaarechijnlijk. -WM, a. ongelijkheld. Unlimber (un-ilm'bnr). a OribUinaarn. Unlimited (un-lineit:id). a. —ly, ad. onbeperkt onbepaald. —nese, a. onbeperktheld. 'Tonne (un-lajni, v. a. van de voerIng ontdeen. —a, a. ongevoerd. —al, a. niet in eene rechte lijn afetammend. Usallul. (un linek'), v. a. losraaken„ nit elkander (-lingkt"). a. loft, ongeketend neaten. Unliqui dated (an-lik'w1-dee-tid), a. on vereffend. fled (-raid), a. ongeamoiten. Untively (un-lajvlih), a. niet leven•g, dof. Unload (un-lood') [ire.], v. a. ontladen, losean. —ing, a. ontacheping, ((teeing. Unlock (un•lok'), v. a. onteluiten, openen. —ed (-lokt'), a. onteloten; oneestot , .• Unranked (un-loake), a. —far, onvoorzien. Unionise itch-loes'), v. a. lostnaken; v. n. ',trepan. Usalov ed (un-luvdn, a. onbetoind. —elinees (-InVitueenl, a. onbeminnelijkheid. —ely Ilk), a. onbeminnelijk. —ing, a. niet beminnend, lisfdelool. Unlock fly (nn•luk'll-lih), ad. —y, a. angelukkig; booseardig. —ken] (-i-neee), a. ongeluk; bowman digheld, ondeugaLdbeid. Unlute (un-ijoet'), v. a. van teem ontd.)en. Unmade (u u-seeed 1 ), a. ongemaakt, niet gereed. Unmet dewily (en-tweed'n-lin), a. onbetamelkjk voor een mei.) e. —vied (- meemd'). a. onvarminkt. v. a. veruietigen. Unmake (un-meek') Unman° able (en-meint-ibl), a. niat emeed• bear. Unman (nn man'), v. a. ontmannen; ontmoedi. gen; van manschappenberooven. —ageable 1b1), a. onhandelbaar. —like, —ly, a. onmenethe10k, onmanneltjk. —lines. (-It-nese), a. Onmanne-
FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,
held. onbuigzaamheid. Stubby (etub'bih), a. vol stronken• tie Stubbed. Stucco (stuk'ko), a. stukadoorskalk. —, a. a. stukadoren. Stuckle Isturk1), a. hoop schooven. Stud (stud'), s. post, still; knopje; hemdtknoopje; stocterij. —book, register van volbloed paarden. —groom, pikeur. —horse, henget. —, v. a. met knopjes heslaart of versieren. —ding, a. bet be-

Wie ontwikkelde Bitcoin


Call (kaol), a. roep, geroop; vordering; roeping; 'Candid (ken'did), a. —/y, ad. oprecht, salver. —ate, a. kandidaat. —ness, s. oprechtheid. ultnoodiging; bezoek; lukfluitje. —, v. It. & n. roepen; noemen. — one names, iemand echeld- Candle (Icen'd1), a. boars, light. kaarslicht. —mass, Maria ticistmis. —stick, kandelaar. omen seven. — to account, ter verantwoor—stuff, ka,svet, talk. —feaster, dief nail de ding roepen. — in question, in twijfel trekkers. kaars; naehtbraker. —wood, eitroenisout. — to mind, herinneren. (at) aangaan bij. (afCandor iken'clar), a. opreehtheid, open ha rtigheid. ter) noernen near. (for) vragen om; (in) binnenroepen. (off) afleiden. (out) buiten- Candy (ken'dih!, a. kandij. —, v. a. koufijten; v. n. hard warden. roepen; uitdagen. (over) atlezen. (upon) bezoeken. Cane (keen'', a. riet; rotting. sugar —, suikerriet. —er, a. roeper. —ing, a. roeping; beroep. —, v. a. of rossen, slaan. —bottom, rieten kitting. Called (kellid), a. ',kiw i arglistig. —ity (-lid'itCanhook (ken'hoek), a. sei► inkelh,ak. Uhl, a. sluwheid. Calligraphy (ltel-lig're-fih), a. sehoonschrijven. Canicular (ke•nik'joe-leri, a. tot he Hondster behoorend. —days, hondsdagen. Call osity (kel-los'it-tih), a. colt. —ous, a. eeltCanine, (ke-najn"), a. hondsch. hunger, gee.,acting; veratompt. —ousness (kel'lus-neat), hanger. vereeltheid; ongevoeligheid. Canister (ken'Is•tur), a. korfje; bun. —shot, Callow (keno), a. vederloos, kcal. schot met schroot. Calm (kaam), a. bedaardheid, kalmte. —, v. a. stillen, doen bedaren, —, a. —1y, ad. balm, Canker (keng'kur), a. kanker; invreting; bederf. —, v. a. verkankeren invreten; v, n. bederven, bedaard. —ness, 8. stilte, bedaardhoid. vervallen. —sus, a. ksinkerachtlg. tr•jellor lc (ke-lor'ik), a. warmtestof. —ific (lcel' —worm, kankerworm. lur-irik), a. verwarmend. Cannabine (ken'ne-bajn), a. van hennep. altrop lkertrop), a. voetangel; sterredistel. alumet (kel'joe-met), a. indiaanache vrede- Cannel coal (ken'nel•Rool), a. fijne soort van kolen. POP. nlate (ke-lum'ni•eet), v. a. belastereu; Cannibal (iren'ni-bel), a. menscheneter. v. n. lasteren. —niation (-ni-ee'sjun), a. baste- Cannon ken'nun), a. kanon; grot geschut. —ball, —bullet, kanonakogel. —proof, tegen het geschut ring. —niator, a. lastersar. —nious, a. lasterlijk. beatand. —shot, kanonschot —ode (-eel') a. be—ny (kel'um-nih), a. Laster, lastering. Calve kaav), v. n. kalven. schieting; v. a. beschieten. —eer (-ier)., a. kanonier. Calvity s. kaalheid. Calx (kmike), a. kalk. Canoe (ke-noe'), a. kano • Camber (kem'bur), a. boog, kromming. Canon (ken'un), a. kerkregel; domheer; de bee• ken den bijbels; kanon (drukletter). —bit, gebit. Cambrel (kem'bril), a. vleeschhaak. Cambric licem'brik), a. kamerdoek, batiat. —law, kerkelijk recht. —ess, a.stiftavrouw.'—icals Camel (kemT., a. kameel. —driver, kameeldrijver. (ke-non'ik)z), a. plechtgewaad. —tst, s. leeraar Camelopard (ke-mel'o-paard), a. ksmeelpardel. in het kerkelijk recht. —izalion (-i-zee'sjun), a, Camera to (kem'er-eet), v. a. welven. —lion, hetligverklaring. (-ajz), v. a. heiligverklaren. —ry, s. dumheersambt. (-ee'sjun), a. welving. Canopy (ken'o-pili), a. troonhentel. —bed, Camlet (kenelit), a. kamelot (vvollen stof). —couch, overdekt rustbed. —, v. a. met ten verCamomile (kem'o-majl), a. kamille. hemelte isedekken. Columns (kee'rnus), a. stomp van neus. Camp (kemp), s. legerp)aats, kamp. —, v. a. & n. Canorous (ke-no'rus), a. welluidend. legeren, kampeeren. —aign (Icem-peen')„ s. vlakte, Cant (kept.'(, s. bargoensch; gemaakte spraak, geteem; worp. —word, kunstwoord. —, v. a bij veldtocht. —azgner (-peen'ur), a. veteraan. Cavnpan iform (kem•pen'i•form), —slate (-jeeafslsg verkoopen; stoutest, werpen; v. n. barlet), a. klokvormig, goenseh spreken; temen; huichelen; § amkantelen. Camnpeatral (kem-peetrel), a. op het veld groeiCanteen (ken-tiers'), a. veldfiesch. end. Camphor (kem'fur), a. kamfer, —ate, —ated, a. Casstelopse (ken'te- loop), a. muskaat-melnen. Canter (ken'tur), a. femelaar; korte galop. —, gekamferd. Campion (kem'pl•un), a. hemeirooaje. v. n. iu handgalop rijden. Cantharides (ken-ther'i-diez), a. apaanache Can (ken), a. ban, kroea. —buoy, tonneboei. :Ian (ken) [could (koed). [past. part. ontbreekt], vliekeu; enkelv. Cantharis (ken'the•ris). Canticle (ken'tikl), a. lofzang. the —s, a. het v. n. kunnen, vermogen. lloogded. (ke-nel'), a. gracht, vaart; bait. nary (ke-nee'rih), a. kanariewijn; oude dans. Cantle tken't1), Contltett (kent'lit),s. stuk, brok. —bird, kanarievogel, —, v. a. in atukken deelen. ..ncel (ken'sil), V. a. doorhalers, uitschrappen; Canto (ken'to), a. zang (van een dichtstuk)• , ernietigen. —lation (-lee'sjun), a. doorhaling; Canton (ken'tun), a. kanton. v. a. kantonneevrnietiging. ren (troepen). —ire (-ajz), v. a. in kantons ver,kncer (ken'aur), a. kreeft; banker. —ate, v. n. deelen. —ment, a. troepenkwartier. ifirktinkeren. —ous, a. kankerachtig, Canvas (ken'ves), a. zeildoek, .11; dock. to use Cancrine (ken'Icrin), a. kreeftachtig. all one', alle zellen bijzetten. —bag, sandrandent (ken'stent), a. gloeiend heet. zak. —climber, matroos. —edging., zoom van `andicant (ken'sii•kent.), R. witachtig. een ZPii.
(de-po'zel), a. afzetting. --e (-pooe, v. a. afzetten; nederleggen; v. n. getuigenis afleggen. —er, a. die afzet. Deposit I (de-pos'it), e a onderpand. —, v. a. nederleggen; in bewaring geven, afieggen. —art!, a. bewaarder. —ion (dep-o-zis'sjun), a. afzetthug; Nerklaring order eede. —or, a. in-bewaring-raver. —ory, a. bewaarplaats. Deprav ation (dep-re-vee'sjan), a. bederving'; ontaardheid. —e ide-preev'), v. a. doen ontaarden. —ity (de-prev'it-tih), s. verdorvenh,id. Depreca be (dep're-keet). v. a. afbidden. —lion, (-kee'ajun), s, afbidding. —hive, —tory, a. afbiddend. —tor, a. afbidder. Deprecla te (de pri'sji-eat), v. a. to laagaehatten; gering achten; v. n. in waarde vermindomen. --lion (-ee'sjun), a. vermindering (van waarde of prijs); minas sting. Depreda te (dep'ru-deet), v. a. plunderen, vetwoesten. —lion (-dee'ajun), a. roof, verwoesting. —tor, a. plunderaar; verwoester. Deprehen d v. a. oaderscheppen; vangen; ontdekken. (-hen'eibl), a. te vatten; begrijpelijk. —sion (-hen'ejun), a. onderachepping; ontdekking. Depress ids-prow), v. a. nederdrukken; ontmoedigen. —ion (-sjun), a. nederdrukking; neerslachtigheid. —iee, a. nederdrukkend; ontmoedigend. --or, a. nederdrukker;neertrekkende spier. Depriv able (de- prajv'ibl ), a. beruofbaar. —ation (dep-ri-vee'sjun), a. berooving; verliem; ontzet.
71 trekken. (from) afwijken, laten varon. (with atstand doen. —meat, a. gewest. departement; werkkring. —ure (-Joer), a. vertrek, area; overlijden; afatand; afwijking. Depasture (de-paast'joer), v. n. afweiden. Depauperate (de-pao'pur-eet), v. a. verarmen. Depend (de-pond';, v. n. afhangen (on); vertrottwen (on, upon). —ant, a. afhangeling. —core, —ency, a. betrekking; afhankelijkheid; vertronwen; ondergeschikten. —eat, a. neerhangend; afhankelijk. Deperditlon (dep-ur-die'sjun), a. verlies. Depict (de-pikt'), —ure (-joer), v. a. afmalen. Depll ate (dep'i-lest), v. a. ontharen. —ation (-lee'sjun), s, ontharing; uitvallen der heron. —atory (de-pire•tur-rik, a. het uitvallen der harem ibevorderend; a. middel om het hoar te doen uitvallen. —one, a. haarlooa. Deplantation (dep-len-tee'sjun), s. verplan• Deplor able
(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere

Wat is de beste site om Bitcoins kopen


Interchange (.tsjeendz'), v. a. onderliug afwisselen, —ruilen; elkander vervangen. —able., a. —ably, ad. wederkeerig, afwieselend; bear. —ableness, s. wederkeerigheid; verruilbaarheid. Interciplent (-sip'i-Ent), a. onderscheppend, hindernis, beletsel. stuitend. Intercin de (-kloed'), v. a. verhinderen, afsnijden. —sion, (-kloe'zjun), s. veihindering , afantjding. In tercolunsatlatfon (ko-lum-ni-ee'sjun), s. ruimte tusachen zuilen. Intercesznnaion (-kom'mun), v. n. dischgenooten zijn; in dezelfde weide gram, Intercemmuni tate (-Itum-mjoe'ni-keet), v. a. wederkeerig mededeelen; v. n. met elkander In betrekking ataan. —ty, a. onderlinge gemeenschap. Int•rcostul (-kos'tel), a. tusschen de ribben liggend. Intercourse, a. omgang, verkeer. Intercurren ce (-kur'rene), a. doorloop; tusscheukomst. tuaschenkomend gevai. —t, a. totsschenkornend; ongelijk. Intercutaneous (-kjoe-tee'ni-us), a. tusschen vet en vlezach gelegen. Interdict (in'tur-dikt), a. verbod; uitsluiting. Interdict (-dikt'), v. a. verbieden; ontzeggen, ultslui•en, —ion (-dik'ejun), s. verbod. —any, verbiedend. Interest (in'ter-eat) , s. belong (in); voordeel; aandeel; invleed; baatzucht; rente, interest. compound —, interest van interest. v. a. belang doen stencil; aangaan, hetreffen ; — one's self, belting stelien, zish gelegen laten zijn . —ed, a. belanghebbend, betrokken (in); beatzuelLtig. —bee. a. belangwekkend, Interfer e (-tier'), v. n. tueschenheide komen ; (in. with) zich bemoeien; dwarsboomen, ben. deelen. —nee, a. tusschenkomst; inmenging; binder paal; bottling, Interliu eat (-tur'floe-ent), —sus, a. tussehenvlietend. interfoliate (-fo'li-eet), v. a. doorschieten (een bock). Int err fulgent (-ful'dzjent), a' tusschenschijnend. Interfused (-fjoezd'), a. tusschen gegoten. Interim (in'tur-im), a. tuaachenttjd. Interior (in-ti'ri-ur), a. —ly, ad. inwendig. —, s. inwendige; binnertland. Interjacen cy (-dzjee'sen-sih), a. tuasehanlikking. —t, a. tueschenliggend. Interject (-dzjekt'), v. a. tusechenwerpen, -spoken; v. n. tusschenkomen. —ion (-dzjek'ejun), a. tueschenwerping; tusachenwerpsel, —ional (-dzjek'sjun-e1), a. tusschengeschoven. Inter join (-dzjojn') v. a. onderling bijeen voegen; — huwen. —junction (•dzjunk'sjun), s. onderlinge vereeniging. Interlace (-lees"), v. a. doorvlechten. Inter/apse, s. tijdsverloop, tuaschentijd. Interlard (-1aard'), v. a. doorepekken. Inter leaf, a tueschenblad. —leave (-liev'), v. a. met bladen doorschieten. Interline (-lajn'), v. a. tusEchen de regela schrejyen. —al, —ar, •—ary (-11nT-), a. tueschen de
PRO. voornaamwoordelijk. -noun (.naaun'), s. voor- Propugn (pro-pjoen'), v. a. verdedlgen. -ation naamwoord. (prop-ug-nee'sjun), a. verdediging. -er, s. verdePronounce (pro-naaune), v. a. uitspreken, voor- I diger. dragen; v. n. uttsprask doen. -r, a. ultspreker. Propulsi on Ipro-pul'sjun), a. voortdrijving. Pronunciation (pro-nun-sji.ee'sjun), a. nit- I -ivs ( sty), a. voortdrijvend. spraak. Prore (proor), a. voorsteven. Proof (proef'), a. bewija, blijk; proef; beproeving; Prorog atlon (pro-ro-gee'sjun), a. opachorting, bestandheld, ondoordringbaarheid. -print, proef- verdaging, -ue (-roog . ), v. a. opschorten, verdedruk. -sheet, proef bled. - a. bestand, proefhou- I gen. dend, vast, vrij, (against.to).-rees, a. onbewezen. P rorupt Ion (pro-rup'ejun), e. nitbarsting. Prop (prop;, a. atut, achoor, ateun. -, v. a. atut- Prose lo (pro-zee'ik), a. -(tally, ad. prozaisch. ten, schragen, achoren. -ist, s. prozaschrijver. Popaga ble (prop'e-gibll, a. verbreidbaar. -te Proscarab (pro- sker'eb), a. meikever. I- geet), v. a. verbreiden, voortplanten; v. n. zich Proscr lb• pro akrajb'). v. a. verbannen; vogetvoortplanten. -lion (•gee'sjun), a. verbreiding, I yob' verklaren. -iber, a. verbanner. -ipt (pr3'voortplanaing. -tor (-gee-tor), a. verbreider, akript), a. bailing, vogelvrtj-verklaarde. -;ption voortpianter. I (-skrip'sjun), a. verbanning, vogelvrij-verklaring. Propel (pro-per), v. a. voortdrtlyen, voortatu- Prose (prooz), a. in proza. a. proza, ongebonwen. I den stijl. -, v. n. in proza schrilven; langdradig Propend (pro-pend'), v. n. neigen, overhellen. verhalen. - ency, s. neiging, overhelling. Prosecu is (proa'e-kjoet), v. a. voortzetten; verPropens a (pro-pews"), a. (to) geneigd. voigen. -tion(-kjoe'sjun),s. voortzetting; vervol-ity, a. geneigdhetd, overhelling. I gir.g. vetvoiger; slather. Proper 'prop'ur), a. -ly, ad. elgen, btjzonder; Proselyt e (pros'e-lajt , , a. bekeerling, proaeli et. &gen) ijk; joist; degelijk; geschikr, gepast, be- I -e, v. a. bekeeren, overhalen, (to). -Urn (-11- Um), hoorlijk; sierlijk. -neea, a. gepastheid, juistheid; I a. proselietenmakerij. -ise (-11- tajz), v. a. bekeerijzige gestalts. -ty, a. eigenschap, eigenaardig- ren; v. n. proselieten maken. held: eigen dom. Proseminritlon (pro-eem-i-nee'sjun), a. voortProphe cy (prose-sih), a. voorzegging. -.tier planting door toad. (-sal-ur), a. voorspeller. -sy C-sih), v. R. voor- Pros er (pro'zur), a. prozaschrijver; langdradig spellen; v. n.profeteeren. -t (• 8. profeet, voor- vertelier. -ing, a. langdradigyerhaal. zegger. -tesa (-it-ess), a. profetea, voorzegster. Prosod lel (pro. so'di-e1),--scal(-sod'ikl), a. van -tic, -tical, a. -tically, ad. (pro-fet'ik-), profe- de prosodie. -tan, -iat (pros'ud-diet), a. kenner tiach, voorepellen d. der prosodic+. -y (pros'ud-dih), s. lettergreepme. Prophy lactic (prof- i-lek'tik), a. voorbehoedend. ting, prosodie. - s. voorbeheedmiddal. Prospect (proa'pekt), 0. ultzieht, verechiet; roc,Propinquity (pro•ping'kwit-tih), a. nabijheid; uitsicht; ferwaehting. bloedverwantechap. Prospect ion (pro-epek'sjun), a. (het) vooruitzien; Propitl able (pro.pbri-ibl), a. verzoenbaar.-ate, voorzorg. -ire, a. vooruitzlend; voorziehtig (in); -set ► , v. a. verzoenen; gunstig stemmen; v, n. boe- - glass, verrektjker. -us, s. plan, prospectus. ten (for). -ation (.ee'sjun), a. verzoening; zoen- Prosper (proa'pur), v. a. begunstIgen, doen also ffer. -afar (-ee-tur), a. verzoener. -atory (-1-e- gen; v. n.ged(jen, gelukken; bloeien. -ity (- per , tar. rih), a. verzoenend; a. verzoendeksel. -ous, a. it- tih), a. voorapoed, welvaart. -one, a. -oualy, -ously, ad. gunatig, genadig. -ousness, a, gun- ad. voorspoedig, gelukkig. -ousness, a. voorspoestigheid. digheid. Proplasin (pro'plesm), s. gietvorm. Prospiclence (pros-pierens), a. (bet) vooruitPropolls (pro'po-lis ► , a. etopwas (der btjon). I zlen. Proponent (pro-po'nent), a. voorateller. Prosternat Ion (pros-tor nee'sjun), a. nederwerProportion (pro-poor'sjun), s. evenredigheld, I ping; neerslachtigheid. verhouding; gedaante; gedeeite. rule of -, regal Prnetitts te (pros'ti- tjoet), a. veil, eerlooe. -te, van drieen. -, v. a. evenredig waken, regelen, af- a. huurling; hoer. -te, v. a. veil hebben, prijs meten, (to). -able, -al, -ate, a. -ably, -ally, gev en; miabruiken; aan ontucht orergeven. -tion -ately, ad. evenredig, near evenredigheid. -ality (-tjoe'sjun), a. vellheid; onteering; ontucht. -tor, -ateness (-et-), a. gebvenredigdheid. tih), a. onteerder, verleider. - ate (-set), v. a. evenredig maken. Prostra te (proetret), a. neergeatrekt, nederge. Propos al (pro-po'sel), a. voorstel; aanbod. -e worpen; ootmoedig, to fall -, een' voetval doen. (pooe), v. a. vooretellen; aanbieden. -er, e. Ivor- - ie (-treeti, v. a. nederwerpen, omverwerpen. omverwerping; voet%teller. -ition (prop-o•zisrun), a. voorstel; atel- -tion (-tree'sjun),s. ling. -itional (prop- o.dsrun.), a. als een voorstel val; verootmoediging; neerelac htigheid. Prostyle (pro'staji), a. zuilenpoort, -ingang. beschouwd. Propound (pro-paaund'), v. a. voorstellen; aan- Prosy (pro'zih), a. prozat , ch, iangdradig. bieden. -er, a. voorsteller; aanbteder. Prota sls (proVe-sis), a. hoofdvoorstel, voorzinPropriet ary (pro-prare-te-rih), a. eigendom- deal; inleiding (van sen tooneelspel). -tic(pro. rnelijk. -ary, -or, s. eigenaar. -rests, s. eigena- tet'ik), a. inleidend, openend. res. -y, a. esgendom; geschiktheid, gepastheid; Protect (pro-tekt'), v. a. beschermen (against), juistheid. behoeden 1from), -ton (-tek'sjun), a. bescherming,
Afwerken, ov. w. to work off, to finish. ziels —„ to spend one's se,f with working. Afwerp on, or. w. to east (to throw) off, — down; to shed. voordesl —, to turn to advantage, to leave a profit, to yield. — leg, v. casting (throwing) off, — down. Afweven, on. w. to weave off, to finish. Afevez ass, o. absence. —ig, bv. absent. —igheid, v. absence. AfwUk en. on. w. to turn off, — from, to give way. to deviate, to swerve, to depart, (from); to deflect, to decline, to diverge; to differ, to vary. --end, nv. devious, declining, discrepant. 11,4War. —lag, v. deviation, departure, deflection, declination, diver,;ence; difference. Afwit)z en, on. w. to chow away, — out; to deny entrance; to decline, t3 reject, to non .suit; beat back. —ing, v. refusal, declination, Af minden. ov. w. to wind (to reel) off, Alm/Innen, ov. w. to win (to gain) from. het iesnaud —, to g't the start of, to outdo. Afwippen, ov. & on. w. to slip off, — dawn Afvvisachen, ov w. to wipe off, to thy up. Afwilssel en, ov. & on w. to change, to vary, to relieve, to alternate. —end, be. changeable, variable, alternative ; bw, alternately. —jog, v. change, variety; variatio.,, alternation. Afverlijven, ov. w. to rub (off). Afwringen„ ov. w. to wring off; to wrest (to extort, from. Alfzadelen, or. w. to unsaddle. Afzagen, or. w. to saw off; to hackney. Afzekk en, or. w. to sack; on. w. to sink (to drop) down; to descend, to go down; to retreat, to steal away. —crtje, o. dram, parting-glass —kg, v. Sinking (dropping) down; descent; .tealing away. Afzeepen, ov. w. to clean with soap. Afzegg en, ov. w. to countermand, to disinvite, to send as excuse for. '-er, m. conterwander. (betty/ter. —ing, v, countermand, counter order, countermanding. Afzellen, or w. to break off (by sailing against4 on. w. to set sail. Mend en, ov. w. to send (off), to deepateb —er, m. despatcher —ing, v. despatch; shipment. Afeet eel, o. layer. -, ster, v. Zie Afzetter. —ten, ov. w. to put (to set, to take) down, — off, to set out; to depose; to foot ;;arras); to cry down; to abate; to dismiss, to cashier, to remove, to dethrone; to dispose of, to sell; to cut off, to amputate; to lay, to set; to set off- to rob of, to swindle out of. —tend, by. purgative, aperient. —ter, in. eearper, swindler. --Jeri), v. sharping, sharking trick. —ting, v. dismissal; amputation. Afeleht ell.Jk, —Ig bv. & bw. unsightly, hideous (.1y, --igheid, v. ugliness, hideousnes.. Afzleat, so. w. to see to the end of; to expect; to wait for; to make shift wkth; to learn by looking at ; on. w. to took about, to see ; (van) to give up, to waive, to desist from. Afeilltineno on. w. to alight, to dismount. Afzetrken, ov. w. to pick off. Afzoenen, ov. w. Zie At ku eaten. Monder en, as. w. to separate, to isolate; to
v atsnnbly, corslo'aciun Cfaustrle. v. clause. Client, m. client. Clint Ink, v. clinics. —isct, by. & bw. clinic, clinical (- y). Coeagne-mast, r ► . greasy (climbing-) pole. Cochenille, v. cochineal. Codicil, o. codicil. Cognac, m. cognac-brandy. Cognossement, o. bill of lading. Collette, v. collation. Collation, v. collation. Collationeeren, ov. w. to collate, to check. Collect eat, —eur, in. collector, gatherer. —e, v. colection, gathering..—eeren, ov. w. to collect, to gather. v. collection. —ief, be. & bw, collective ( ly). College, m. colleague. College, o. college; board, club; lecture, course. Collin, o. package; bale, bag, barrel, cask, etc. Colonede, v. colonnade. Consedle, v. comedy, play. Coentek,m.comie author, buffoon, clown; comic writer. CornIsch, by. do bw. comic, comical (-ly). Cosnite, o. ecnimittet.. Commensaal. In. mess-mate, boarder. Commies, m. clerk. C011111211PS aria, in. commisssry, commissioner. —ie, v. commission; committee; —handel, COnt• misstcn-business. —ionair, m. agent, factor., Counroittent, ran. constituent; coinmitter. Commode, v. chest of drawers. Contviciunle, v. communion. —deers, to take the communion. Compagnie, v. company. —schap, v. partnership, aseoclation. Compegnon, CD. partner, associate. Contains. ant, m. appearer. —eerie, on. w. to appear. —Ode, v. appearance; meeting. Constrieet, by. fall, entire, complete. Consplinnent, a. compliment. semand sips — makes, to pay one's compliment to a. 0. (over, on). —maker, complimenter. —eeren, ov. w. to compliment. Comport etre., ov. w. to compose. —let, m. composer. Conspositle, v. competition. Comprons is, o. compromise. —ifteeren, ov.w to compromise, to commit. Coanptebtlitett, v. accounts, book-keeping; ac-
Ikjk; lamtlg, kwellend; iiselijk, afmchuwelijk. Plaice (glees), a sehol. —mouth, echeeve mond,' Plaid (pleed), a. gestreepte stof; schotmehe mantel. plain (pleen'), a. dlakte; alagveld. & ad. —1y, ad. sink, effen; eenvoudig, ongekunateld; Maar, duidelijk; rondboratig, openhartig, onbewimpeld, in — terms, met rondo woorden. —truth. r.uivere waarheid. —chart,platte zeekeart.—deater,eerink man. —dealing, a. oprecht, eerlijk; a. oprechtheid, eerltjkheid. —hearted, openhartig. —sailing, het zeilen nose platte kaarten. —song, korealge,ang. — spoken, rondborstig. —stuff's, effone stoffen. —table, vlaktemeter. —work, het) linnennaaien. —, v. a. slat (effen, glad) maken. —nesa, a.. effenheid; eenvoudigheld; duidelijkheid; rondhorst held Plalnt (pleent'!, a. klacht; aenklacht. —fel, a.altijd klagend. —if, a. aanklager, eiseher. — ice, a. klagend. Plait (pleet), a. plooi, vouw; v)ecbt. —, v. a. plooten, vouwen, vlechten. Plan )plen), a. plan, ontwerp, schets. —, v. a, ontwerpen; in etches brengen. —ary (plee'ne-riht, a. van een Oak. Planck (plentsj"), v. a. met planken baleoten. —er, s. planken vloer. —et (-it), s. muntplaatje. —may, e. beplauking, planken vloering. Plane (pleen , ), a vlak; mehaat; plataan. inclined hellend sink. grooving—, ploegachaat jointer—, roe-, roffelschaaf. smooth —, smoothing gewone ech oaf. —iron, echaafbeitel. —number, door verreenigyuldiging outman gstal. Zee ook Plain. v, a, sink (glad, effeni makes; eehaven. —r, a. Reliever; klophout. Pienet (pien'it), a. planeet, dwaaloster, —struck, verzengd; ontateld. —ariunt (-tee'ri-um), a. planetarium. —ary, a. van de planeten. Plant lotions I plen-i-fo'li-us), a. vlakbladerig. —globe tplen'i-gloob), a. hem!, wereldkaari. —metrical ( met'rikl), a. van de vlaktemettng. —metry (ple-nim'e-trih), a. vlaktemeting. —polo/ma -pet's-lue), a. plat bladerig. Pianista tplen'isj), v. a. polijeten. Planisphere (plen'i-aller), a. hemel-, wereldkaart, Plank (plenk'), a. plank. —pinchers., pl. boeitang. —sheer, poi dskael. —, v. a. beplankon. —ing, a. het ornleggen der buitenhuid. Piranner (plen'nur),a. ontw Piper; planMaker. Planocon cave (p)ee-no-konikeev), a. Warhol. —4,3, a. plathol. Plaint (plant'), a. plant, gewes• voetsool. —cane, suikerriet uit toad. —louse, hi wants. — , a. a.pianten, poten; beplanten; plaatsen, vesttgen; analoggen; invoeren; verbreiden. — age, a. planteewas. s. weegbree, pisane. —ar, a. van de yoetzool. —ation (-tee'sjun), a. planting, plantvoen, plantage; volkplanting. — er, s. planter. — log , a. hot planten, poten. — ing - stwk, pootiizer. Plash (plesr), s. pins, pool; gebogen eat. v• R. spatten; vlechton. —y, a. vol plasmen;

Waarom is Blockchain veilig


N1 EA- —NES. lee Member (.1,eal'bur), a, lid, ded; medelid. baatzu..ht. —y, a. Neil, gehtturd ; inhalig ; a. knurling. a. lidmaatschap . Membranaceous (mem -bre-nee'sjus), a. vliezig, Mercer (mur'sur), a. kramer; handelaar in zijdeu en wollen stoffen. —y, s. kramerij; zkjden en vliesachtig. wollen etoffen. Menrbran e (mcm'breen). s. thes. —eous (-bree'Merchandise (muetsjen•dajz),.s.koopmanschep; ni-us), —out (-bre-nus), a. vliezig, vliesachtig. koopwaar. —, v. n. handel druven. Memento (me- men'to), s. herinnering, weak; Merchant (rauetsjent), a. koopman.'—man, !coopgedeukteeken. Memoir (me•moje, mem'wer). s. gedenkschrift; vaardijschip. —able, a. verkoopbaar, gewild. pl. gedenkwaardigheden. —line, R. near koopmansstiji. -a, vertoog; verslag. Memor able (mem'ur-ribl), a. —ably, ad. gedenk- Merci ful (mur'si- foel), a. —fully, ad. barmhartig. —fulness, s. barmhartigheid. —less, a. —lastly, waardig. — antlum (iren'dum), s. vertoog; aanad. onbarnehartig. —lesaness, s. onbermhartigheid. teekening.—book,aanteekenboekje.—ative (-e-tie), a. herinnerend; hertnnerings-, —sal (me-mo'ri-el), Mercurial (mer-eloe'ri-el), a. van (met) kwi' - • zilver; levendig, vlug; aanwtzend. s. levendig a. herinnerend; a. gedenkstuk, -teeken, • schrift; (me mo'ri-el-ht), —ialist mensch; kwikmiddel. —ize (-aja), v. a. met kwik. verslag; verweeschrift. daortrekken, e. echrijver van een gedenkschrift, verzoekschrift of verslag. —ialize a. a. een Itlercury (mur'kjoe-rih), s. Mercurius, bode; kw ik, -.jiver; levendigheid. verzoekschrift (verslag) aenbieden. —ize (-ajz), v. a. opteekenen, in 't geheugen prenten. —y, s. Mercy (mur'sih), a. barmhartigheid, genade; wilgeheugen; herinnering; aandeneen. lekeur. —seat, troon der genade. Mend (murd), e. vail, drek. Men (men), pl, meuschen; mannen. v. a. dreigen, Mere (mier'), a. meer; greets. —, a. —ly, ad. boater, Menace (men'es), s. bedreiging. enkel, bloat, slechts. bedreigen. —r. a. dreiger. Menacle (men'ikl), a. uithouder. ". tig ; ebtedir7e l'elliejk(.m2rnees-st,rtsi 1;Ot a ' crAgi.dh; 'ber,c1 Menage (me-naazj , , —rie. —ry (.na'zje-rih), a. diergaarde, menagerie. gelijkheid. lelenagogue (men'e-gog), s. stondenbevorderend Merganser ( - mer-gen'-zur), a. dulkeend. Merge (murdzj), v. a. indompelen; v. n. verzinken. middel. Men aid (men'ed), —ild, a. bontgevlakt (van rtieridl an (me-rid'i-en), a. van de middaghoogte; midday-; hoogst; s. midday; -him, merldiaan; toprot wil 1). , v. a. verbeteren; verstellen, lappunt. —one/ (-un-e1), a. van de mtddagltjn, zuideMend (inend ► lijk. —ionality (-un-el'It-tit), s. zuidelijke stand, pen. — one's pace, anen tred versnellen. — , middaghoogte. v. n. beter warden. —able, a. verbeterlijk; verstelbaar. —er, s. verbeteraar; versteller, lapper. Merino (me-ri'no), s. merino-schaap; merinos. Mendaci oua (men-dee'sjus). a. leugcnachtig. Merit (mer'it), s. verdiensto. —, v. a. verdienen. —or;ous, a. —oriously, ad. (-i-to'ri-us.), verdien• —ty (-des'it-till), a. leugenachtighei d.. stelijk. —oriouanese (-i-to'ri-us-), a. verdiensteMe ndlc an cy (men'di-ken-sth), s.bede/arij. —ant, a. bedelend, doodarm; a. bedelaar; bedelmonnik. lijkheid. —ate (-beet), v. a. bedelen. —ity (-dis'it-tih), a. Merl tnot (mer'l-tut), s. schommel, Edinger. Merl c (murl'), a. morel. —in, s.steenvalk. —on bedelarij. (-un),.. tinne, plat. Menial (,:ii"ni-el), a. gering, dienstbaar, knechs. dienstbode. Mermaid (muemeed(, s. meermin. —'s-trumpet, telijk. /Meninges (me.niu'dzjiez), p1. hersenvliezen. zeeslak. Merman (murimen),.. meerman. Menlecaeaa (ma.nis'kao), s. holbolle lens. Merri ly (mer'ri - lih), a. aruolijk. — meat, — aces, Mcniver (nlen'i-var), a. zeker siberisch bout. (me-nol'id-zjih), a. maandweizer. s. vreagde, vroolijkheid. Menology M ensal (men'eel), a. de tate' betreffend. —es Merry (reeerih), a. vroolijk, kortewijlig. (ornate zich vroolijk maken. —andrew, heuswerst. (.siez), p1. maandstonden. —n.aking, s. vroolijke partij. —thought, vortvorMenatru al (men'siroe-e1), —out, a. ma indemig borstbeen (van een' vogel). kleine lijkseh; snaand-, —suit, a. de atonden hebbend. mug. a. oplossend middel. nen.ura hie (mens'joe-ribl),a. meetbaar. — bility ratersion (mur'sjun), a. indompeling. (-re-bil'it-tih), e. n.eetbaarheid. —/, a. van (ale) Meseeins (mi-sierne), v. i. nag duskt. eene meat. —te ( - reel), v. a. metro. —tion !-ree , Mesenter lc (mez'en-ter-ik), a. vau het darmvlies. —y, a. darmvlies. O..), F. meting. Mental (men'tel), a. — 1?1. ad. aerstalidelki h. ; inner - Mesh (meaj'), s. meas. —,v. a. vangen, veretrikken. 13,jk, stilzwijgend. —y, a. bettormig. Mention (men'sjun), s. melding. —, v. a. mel- Meslio (meznin), a. & s. Zie Matins, den, vermelden, ge•ag maken van. Mesne (mien), a. tusschenkomend, midden. Mephit in —ical, a. atinkend, ye, Mess (mess'), a. gerecht; poetic; tafel; sehotel; bak; pestend. —is (Mlle), —Um (-neeri tizm), s. mengelmoea; voile boel. —boy, bakajongen.—mate, bakagaat. —, v. n. rah erten. aao den bak e ten. kende uitdempieg. M era el ous (me-ree'ejus),a.helder,klaar;krachtig. Message (mea'aidzj), F. boodschap. Mercantile (mur'ken-til), a. handela-. Messenger (mes'sin.dzjur), a. bode ;kabellaring. ercenvr iness (mur'se-ne•ri nee.), a. v Messiah (moo-s sj'e), s. Measles. 

cryptogeld 99designs


333 t'h) The te (vt.',10 A. kleferig —ieiily —salty (-kos'it-tih),s. kleierigheid. 'Viscount (varkaatint), e. burggraaf. -08, a. burggravin. —ahip,—y,s. burggraafachap. ViSeetilti (viackus), a. kievesig, teal. V Ante I vaja), a. schroet; loodtrekker. Vial ble (viz'ibl), a. —6ly, ad. sichtbaar; blijkhaar. —bility—tlenesc, a. zichtbaarheid; blijkbaatheid. Vision (7tzros), a, gezik..ht, verschijning. —at, a. van een :drooingeztcht. —ary, a. ingebeeld, hersenschimmig. --ary, —let, a. geestenziener; dweper. Vl It (viz'it), a. bezoek. v. a. bezoeken; besichtigen; doorzoeken; v. n. bezoeken Adepten. —able, a. aan besichtiging (doorsoeking) underworpen. —ant, a. bezoeker. —atlas (•ee'sjun), a. bezoek; besoeking; beslchtiging; doorsoeking. —atorial (-e•to'ri- ► ), a. van eene bezIchtiging uoorzoeking. e. (het) bezoeken, ens ; --card, visite-kaartje. —committee, commissle van ondersoek. —or, a. bezoeker, bezichtiger; vial-

A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt. 

Kunt u mij Monero met ASIC


Macadamize (mek-ed'am-ajz), v. a. macadamieen tijdachrift. aeeren (wegen). Maggot (meg'gut), a. made; kuur, gril. —inns (-i-ness), s. madigheid; grilligheid. —y, a. vol Macar out (mek-e-ro'nib), a. macaroni; menmaden; grillig. gelmoes; fat, kwast. —0Lie (-ron'ik), a. gemength a. mengelmoes, poeepas. —son (-roen'), Magi (mee'dtjaj), p1. Viljten nit het °oaten; tc..)-
T. Tabard (telt'urd), a. tabbaard; wapenrok, Tallsby (tab-bihl, a. geetreept, ge,vlamd, gewaa. gewaterd tat. tabijn. —, v. a. wateren. teed. fitti011 (teb-e-fek'sjun), a. tattering. qab'e-taj), v. n. uitteren, wegkwijnen. Tribeliion (te-berjun), s. dorpanotatis. 'Iraberoncle (teb'ur-nikl), a. tent; loothut; hostiekasje; tabernakel. —, v. u. verblijf houden. Tab.id (teb'id), a, uitgeteerd.teringachtlg. -nets, a. uittering. Tevbritvaure ‘ tebile-tjoer), s. moureahildering ; scheiding van het bckkeneel ; saadulAing der tonen door teekens. Table (tee'b1), a. tabel; diech; bled pleat; dischgezelschap; knot; tabel. register; vlakke hand. —basket, tafeimandje. —leer, tafe'bier. —book, achrijtboekie. —clock, pendule. —cloth, tafeliaken. --jaattner, schuss aan eene tafel. —land, vlak laud. —man, otuk, schicif. —money, tafslgeld. - »toying, tafeldans. —plate, tafeliliver,-saivies.
kerkban. -.tory (-ne-tur-rib , , a. donderend; verFry (fraj'), a. school jouge vis..sehen; zwerm, echri kkelij k. troop; baksel; zeef. —, v. a. & n. braden. —ingFulmin a (foel'min), v. a. werpen; v. n. dondepan, braadpan. ren. —ie (-min'ik), a. knellene. Flange (fjoe'idzi). a. haardgeld. v. a. bedriegen. (off) Fulness (foerness), a. Nolte; solkomehheidTub (tab), a. dikkert. Fulsome (foel'aum, fureum), a. —ly, ad. waluitstollen. Zie to Fob. -ness, s. walgelijkheid. Fueate (fjoe'ket), —d (-keet-id), a. geblsnket; Ful rid (ful'vid), —cons, a. donkergeel. vermomd. Fumado (fjoe-mee'do), s. gerookte vise.h. Fiscus (fjoe'kus), a. blanketsel; vermonaming. Fumago (fjoe'snidzj), s. schoorsteengeld. v. a. drunken maker'; v. n. itch Fuddle (fud'd!), Futnbl a (fum'bi), v. a. onhaedig belottidelen, bedrinken. —r, s. dronkaard. fommelen; (up) samenfommeten. —, v. n. friemeFudge (fudzj), s. bluf; onwaarheid. —, v. n. len, tasten (for, noar); sensation; onhandigomfat! onzin! bluffen. Fuel (fjoe'il), s. brandstof. —, v. a. van brand- gsan (with). —er, s. fommelaar, onhandig menech. —ingly, ad. lomp. etof voorzieu, cordon. —ler, a. etoker. Tunnel ous (fjoe-gee'sjus),a. vluchtig. —nuances, Fume (fjoetn'), a. rook, damp) toorn. —, v. a. rooken; berooken; v. n. rooken; toornig zijn, —ty (-ges'it,tih), s. vluchtigheid. razen; (away) verdampen —t (-it), 8. wildreuk; Fugitive (fjoe'dzjit-tiv), a. vluchtig, onbestendig. wilddrek. a. vluchtigheld. a. vluchteling. Funild (fjoe'mid), a rookerig. —ity it-tih), Fugue (fjoog). s. fuge. a. rookerigheid. (fesibll, a, stutbaar. Tolerate (furkret), a. met op den grond han- Futniga to (fjoe'mi.geet), v. a. berooken. —lion (-gee'sjun), s. berooking. gende takken. Fumingly (fioe'mieng-!ih), a. wooden& Fulcrum (ful'krum), a. stet; eteunnunt. IP unit (foci-fir), v. a. vervullen. —ler, a. volbren- FUnAltiti (fjoe'misj), a. rookerig; driftig. Funslt er (fjoe'mi-tur), —nry, a. aardrook. ger. —ntent, a. vervulling. Fuse ous (fjoe'mus), —y, a. dampig, rookerig; Fulirauglit (foel'fraot), sa. ruim voorzicn. ( hoPPig• Fagg envy Fun (fun), a. boert, jok,grap.for (in) —,uit kortsa. glans. —ent, —id, a. blinkend. wijl. to make a — of, voor don gek houden. Tselgur (furgor), a. glans, schittering. Fulgura to (fol'gjoe-reet), v. n. schitteren, stra- Funambulist (fjoe-nem Woe-list), a. koorddanaer. len echieten. —tion (-ree'ajun), a. schittering; Function (funk'sjun), a. beroep,embtsverrichting. —ary, a. ambtenaar. blikseming. Fund (fund), a. fonds; kapitaal. public —s,staatsFoligleions (fjoe-lid'zji-nus), a. roetachtig. sehulden. sinking —, delgingsfonds. —, v. a. in Fullinart, sic Foumart. fondsen beleggen. (fell'), a. vol.; verzadigd; geheel; volkomen. —, a. voile meat; toppunt; geheel. —. ad, ten voile; Fundament (fun'de-ment), a. grondstag; achtervolkomen; zeer. —scorned, met eikels gemest. ate. --al, a. —ally, ad. (-ment'el-), oorapronke-blood, volbloed. —blown, in vollen bloesem; ink; grand-. gezwollen (door den wind). —bodied, lijvig (van Fuser sl (tjoe'nur-el), a. eene begrafenis betref• fend; a. begrafenss; lijkplechtigheid. —cal wijn). —bottomed, ruim. —butt, ad. regelreeht, ri-el), a. tot eene begrafenis be.hoorend; akelig, climb tegen; a. § botsing. —cry, in vollen ren. treurig. —dress, gala•kleeding. —dressed, in groat koatuum. —drive, in vollen ren. —eyed, met groote, nit- Fungic (fun'd.zjik), a. van paddenstoelen. — acid, pssitende oogen. —faced, met eon vol gelaat. kampernoolje-zunr. —fed, doorvoed, vetgemest. —fraught, ruin voor- Fong oslty (fun-gos'it-tih), a. sponsaehtigheid; zien. —grown, volwassen. —hearted, vol mood week uitwas. -0U8 (fun'gus), a. eponsactitig; nitgroeieud. -us (fun'gus), s. paddenstoel; uitwas; (hoop). —hot, gloelend heet. —manned, geheel wild vlee..(ch. bemand. —moon, voile maan. —mouthed, vol (zwaar) van stern. —orbed, met geheel verlichte Funlc le (fjoe'nikl, a. anoer; vezel. —slat (-nib' joe-ler), a. vezelig. Bes(ir. —power, volmacht. —speed, met den mees- ten apoed; in vollen galop; vol werk (van eon Funk (funk). s. stank; groote verlegenheid. —, v. a met stank vervullen; v. n. stinken; bang zijn. stoomwerktuig). —spread, bree. uitgespreid. — summed, volsedig, § —swing, overwicht; yolk°. Funnel (fun'fli1), s. trechter, Piiin hap op eene mane bebeeraching. — winged, met aterke vleu- echoorateenpijp. Fuun lay (fan'ai(-111), ad. —y, a. grappig, kluch• gels; ijverig. tir. —y, veerpont. (toell"), v. a. vollen. —age, a. volderalaon. te. pelterij, bont; beslag —er, a. lakenvolder. —er's-earth, vol-garde. Fur (file), a. bouten. (op de tong). —cap, pelsmuts. —cloak, mantel —cr's thistle, kaardedistel. —ing-mill, volmolen. met bont. —, v. a, met bout bekleeden; doen Fully (foellih). ad. ten voile. (ful'mi-nent.), a. donderend. —te bealaan; dubbelen (een schiP). Fulminn rat (-fleet), v. a. doen ontploffen; uitwerpen; ver- Furael ous (fjoe-ree'sjus), a. diefachtig. —ly oordeelen; uitbulderen; v. n. ,londervn; ontplof- 1 (-realt-tih), a. diefachtigheid. fen; den banblikaem sltngeren; razes, bulderen.; Furbelow (for'be-lo), s. falbala, strode. — ling - powder, donderpoeder. --lion (-nee'sjun),' 11 , ssrbtsslis (fuebiej), v. a. polijsten, bruineeren. e. brisineevder, zw serdveger. er.fineter; costploftlne'; ,4, cendig)ng van st,
Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.
WA R.— WAT. Warfare (waorleer), a. kregsdienst; (bet) oartog 'moron; krijr. —, v. n. oorlog voeren. Wart ly (wee'ril-1111), ad. Zia Wary. —neat (-el-nets), s. voorzlchtighetd, behoedzaamheld. War tato (waor'lejk), a, oorlogzuchtig, krijgahattlg; militatr. —lock s. (-Pak), toovenear, heksenmeeeter. Warm (waorm'), —ly, ad. warm; ijrerig, vurig; welgeeteld. —hearted, hartelijk. —heartednest, a. hartelijkhaid. v. a. verwarmen; warm,Tanaken; v. n. warm worden. beddepen. —ing-stone, warmsteen. —nest, —th, a. warmte; ijver, geestdrtit. Warn (waorn'). v. a. waersehuwen (against of); vermanen; dagvaarden; (away) opzeggen; (of) hertnneren tan; eon' wank (tennis) geven van; Off) afhouden. —er, a. waersehower; vermaner. —nig, a waarechuwing; vermening; kennisge/Mug ; optegging Warp (waorp), a. echering, letting; werpiouw, trot. — of shrouds, lengte van het voorete hoedtouw. —, v. a. sennentrekken, Into krirapen; scheren; down aiwi-jken, aferengen; vocation, werpen (ap) v. n. (tram) trekken, Kampen; de aehering maken; afwij•cen; weifeien, wankelen; ronddrealen. Warrant ( wor'rent), a. volmncht; machtiging; bevel tot gevangenueming; bevoegdheld; waarborg; verzekering; getulgenia. —, v. a. machtigen; wearlawmen, inntaan vane; erliwaren; bevestigen, verzekeren. --able, a. to verdedigen; wettig, geoorload. —ableness,,e. verdediebaarbeid;reehtmatteheld. —ably, aa. eens wettige (verdedigeare wijze. —ed, a. gewserborg4, edit —ee (-W), a, gawaarborgde. —er, a volmachtgever; borg. —or ( or') s. waarborggever; borg. —y, a. waarborg; zekerheid; volmaeht.

Weal (wiel), a. welzijn. welvaitrt; striern, atreep. I nvre-it'h''')!Inat.erVkbdeil; welvaart. —ily. ad. Wealth o acltro —y, a. rift, vermogend. —mess (-1-neal), a, Welgesteldbeid. Wean (mien'), C. a. spenen; afwennen. —el (-id), —nag, a. geepeend kind; — dier. Weapon (wep'n), a. wapen. —ed (-and), a. gewalkend. —less, a. ongewepend, weerl000. Wear (weer), a. (bet) dragen, dracht; alk)tinX, (wier), dam, bade, waterkeering; elljtaadje. vischfaik. — and tear, het verelijten; rampen an wederwaardighoden. Wear (weer') [wore, worn, (woorn)]. v. a. dragen, aanhebben; afdragen, afalljten; verteren; efenattan; gewennen. (away) veislijten. (of. out) atellkjten, afdragan. (out) uttputten: ten elide brengen. —, v. n. zleh houden (In het dragen ► , duren. (away. off) verslijten; vervallen (on) verstrijken. (out) afelijten; &firemen. —aide, a_ dranbehr. —er, as. drager; verelijter. —ing, s. bet dragen! —app, b(w leteedArde17 .11. vermoeid. —!new(.1-11e.S), reraineldhatd; verveling. —isms, a. —isomely, ad. (-1-sum.), vermosiend; lastig ; vervelend. —isomeness (-i.aurn-)„ a. lautlglield; verveling. --y, ave. rvpasol-la. (of) ; (of) nat. —y, v. a. venmoelan; Wectaand (wle'ind), a. luehtpkip. Wencel (wi'zl). a. wezel. —fared, sthrad van aslaat. —gutted, mager. Weathe., (wetteur), a. wader. stress of swain. wear. —beaten, door etormen getetaterd ; errweerd; bevaren. —bit, slag van het alikertonw om den boy van het braadapil. —board, loefzii de; waterbord. —bound, door het wader opgehouden. —braces, pl. loefbrassen. —rock, wearitaau. - coal, v. a. onder het bij!eggen over ern' anderen boeg wenden. —driven, door den storm gedresen. —gage, wterwilzer ; loot —pieces , wearglee. —headed, ongeatadig, wirpelturtg. —leech, lostlijk, —line. windsteek. —moot, dtcht wader den wind liggend. —proof, legen het wader beatand. —quarter, windviering op de loafzijde. —sail, geteerd reit, presenning. —sheet, loefachoot. —shore, loef-, opperwal. —shrouds, pl. loetw ant . —side, loefzij de. —spy, wetrprofeet. —tack, loefhalo webrkundig. Weather (weth'ur), v. a. eau de lucht bloat stellen. luchtee; te loevert (te borer ► ) zetlen; met moeite omzetlen; uttetaan, detonation, te boven komen (out). —1y, a. te )never; eh1P, eehip, dot gord hij den wind zellt.


LIC. 521 nese; giddiness, dizziness), —vaardig, by. & bw. by. & bw. charitable (-fly). —rijkheid, *barites light (-ly), rash (-Iy), inconsiderate (-Iy); wan- bleness. —teat, language of love. —eavontuur, ton (-Iy); profane (4). i—vaardigheid, light- amorous intrigue, love•affsir.`—sverklarieg, decnese, rashness, inconsideration; wantonness. Duration of love. —loos, by. & bw. uneharitable profaneness. —rind wild fellow. —similes, bv. & (-b1 ). —loosheid, v. unolitiritableness. bw. light-minded (- y), Sale (-1y). frivolotts(-1y), Lte eltik, bw, lovely, charming (-IA. thoughtless (-ly). —sinnigheid, lightnese, tickle- sweet (-1y). —held, v. loneliness, charmingness. nee., frivolousness, thoughtlessness. —ekooi, Lune, ce sweetheart, dear. love. prostitute, harlot. —eltie, bw. lightly, easily; Lletet, by. dearest, most beloved, favorite; poetslightly, nimbly; poselley. siest. bw. rather, best. — Met, rather not. Lichten, or. & on. Y... to light, to give light; Writ debt AI ket ? which do you like beat ? to grow light, to shine, to lighten; to lift, to 1..telfste, Tn. & v.dear, love, beloved; sweetheart. roles, to bears; to 'sty; to lighten, to take off, Lieg an, or. & on. w. toile. hseten—, to give the to ease; to weigh (het anker); to cause a copy lie to. —sr, mr,iler. to be delivered. de hand to make 013e). af- Mee•, v. lyre, hurdy-gurdy. —dieht, lyric poem. fitinvit. de band — met, to net little severity in I —dicker, lyric poet. —ipeler, ale Lierenseas. to do carelessly, to bungle (to hammer) up.' —sang, ode. —.man, lyre-man. iemand den root to supplant a. o.; to put Lterlanwv, by. lukewarm. —en, ov. w to make a. n. 's noes cut of joint. —d, by. luminous., lukewarm. shining, bright. Line, v. groin. —break, inguinel hernia, bubonoILlehter, m. lighter. —geld, —loon, lighterage, eels. —Devoe', bubo, —klier, inguinai ,gland. —man, lighter-man. —eediss, lighter. —ontsteking, inflammation to the groin. Licht held, v. —igkeid, v. lightness; clearneee; Lip v feting, m. & v. darling, favorite. —s-,i n endues., facility; giddiness; wantonness, levity. Iamb favorite. —ing, v. lightening; levying. raising; levy, 11.11e,ven, ow. w. to love. Lid, o. lid, Joint, alticulstion, limb; member, Liewer, bw. rather. — hebben,to like better. fellow; arti s te; degree, gensration. —roe, 1.1esserd, tn. darling. grass. — slant. so. & v. nitrober; o. limb. —moat- Etevertede (•ast), bw. by little and little,grasehap, membership. —rotting, bamboo. —water, dually. synovia. —wooed, article. leteseertie,o, little &aline% Lied, o. song, ballad, hymn. by. insipid. —, o. deinty, uusubstential Linden., rn. inv. people, wen, folks. dish; stuff, kick-ehsw, fiddle-faddie —fen,ov.nr. Lieder en, o. mv. songs, hymns. —bock, song - to flatter, to fawn, to tondo. —ferii, v. fhttery, book„ hymns-book. —aichter, lyrical poet, com- fawning. pover of songs. —tale:, singing-society. Llg ggese, on. w. to lie; to be situated, — seated; iLtederii,ik, be. & bw. negligent (-1y), careless to be; de wind is gaan —, the wind has abated; (-Iyi, disorderly, loose ( iy), elattIsh (-1/), lewd to kuis —, to board, to lodge; school —, tii be at (-1y). dissolute (-Iy), debauched. —held, v. doe school; voor tens stud —, to be encemped before orderly conduct, looseeese, sluttishness, die- a town; moor anker —, to ride at anchor; op solutenees, debauchery. sterven —, to be at the point of death; leen CledJe, o. little song, tune, ditty. —szanger, —, to leave untouched; — can., to depend upon, —*songster., ballad-singer. to be owing to. —dagen.. runsting-days,lay-days. Lief, be. dear, beloved; precious; lovely, hand- —geld, lying-mousy. —pleats, lying-place. —fend, some, pretty. o. se eetheart, dear, love. del Irv. lying, situated; real. —ging, v. situation; is my —, I am glad. in — of leed, in weal or bedding. woe, once Neve Hes, our blessed Lord. oats litre v. lee. aan ilea. eau — trallen. to fall aYrosito , the blessed Virgin, our Lady. moor — lea. in de — Aix. to be at a pinch, to be in a scrape. nemee, to make up with. —dadig, Or. & bw. charitable (- big), beneficent (-1y).—dadigheld, v. LUslefUk. by, & bw. passive (-le); tolerable (-bly), charitableness, charity; gestickt van —, asylum, 'sufferable (-bly), endurable. —heid, v. passiveness; aims-house. —hebben, to love. —hebbend, loving, tolerablenese,eufferableness. affectionate, —hebber, —he5ster, lover, amateur, LtJde-n, ow. & on. w. to sutler, to endure, to fancier. —detber(i, love, fancy; favorite occupa- undergo; to tolerate, to bevy, to last, to dote. tion, curiosity. —koozen, to corset, to fondle, ik mag bet wel —, I have no *objection to it. ik to stroke,—kooser, caresser. —hoozer(i, caressing, lean hem niet I ennnot bear him, I don't fondling. —hosing, caressing, blandishing., car- like him. —, o. suffering, sufferings, distrese; ems. —Warn, to blandish. —oogen, to ogle. pant.. —sbeker„ —sketk, cup of suffering. —tulip, affable, courteous. —taligheid, v. an- geschiedenis, htetory of the passion of Christ. billty, courteousness. —tallig, lovely, amiable, —steket, passion-text —.week, passion-week. gracious. —talligheia, v. loveliness, amiableness, —d, by. plosive; suffering (age, of with), *Mcgraciousness. ted (sae, by. with). ILIefsie, v. love; charity. —band, tie of love LUdee, M. —es, v. sufferer; patient. brand, — glued, —vuur, flame of love. —dienst, ILUdzanna, by. & bw. pat ent ( ly). —held, v. piece of friendship, friendly service. —drank, patience. philter, v cahrarroi --mrciodk love-potion. o .k ;0,74 bteol lir,;oiwuoifrobn; love-feast; voe.tiagf
If you want to trade in digital currencies, you are going to need a platform on which to trade them, and an intermediary to communicate with the network. Coinbase is a global digital asset exchange company (GDAX), providing a venue to buy and sell digital currencies, as well as send information about those transactions out to the blockchain network to verify those transactions. Coinbase serves as a wallet, too, where the digital currencies can be stored. The application operates exchanges of Bitcoin, Ethereum, Bitcoin Cash, and Litecoin, as well as other digital assets with fiat currencies in 32 countries, and Bitcoin transactions in many more countries. According to its website, Coinbase has served over 10 million customers and facilitated the exchange of more than $50 billion worth of digital currency.
Dibble (dib'bi). a. spade; pootstok. —, '_v. a. epijavertering. poten (met eeu pootijzer). Digg er (dig'gur), a. graver, delver. 4 —jags, a. Hibstone !dib'stoon), a. werpsteentje. Dice (data'), s. dobbelsteenen. —, v. n. dobbe- opgravingen; goudveiden; verblijf. len. —box, dobbelbeker. —player, dobbelaar. Dight (dajt), v. a. ultdossen; tooien. Digit (did%jit), a. drie vierden van een' doim; -2', a. do)itelaar. een twaalfde van de middellIjn van son of Dickens (diVenz), int. drommels! maan); getalmerk, cijfer. —al, a. de vingera beDicker (dik'ur), a. tiental (by. huiden). —, v. a. treffend. —eted, a. gevingerd. § ruilen, verruilen.

Wat is het punt van Blockchain

×