Dan nen, ov. w. to thin, to dilute, to weaken, —diesel, forced service. —gesag, despotism. —mid. to attenuate; to rarefy; on. w. to grow thin. del, Means of constraint. —nagel, rivety Saw. —netjes, bw. thinly, rather thin. —nigiieid, v. Zie Dweirrel, tn. whirling, —en, on. w. to whirl. Du sulaaid. o. thinuings of lettuce, lettuce- —stroom, whirlpool. —rabid, 'whirlwind. —iag,Jr. sproat.e —ink, hot-bed for lettuce. —te, v. Lie whirling.
loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng- 

cryptogeld 101 podcast


Frontier (fron't'ier) a. aangtenzend. s.greits, grensschelding. Fronting (fruntleng), pr p. tegenover. Frontispiece (fron'tis-pie,), a. voorgevel; titelplant. Front less Ifrunt'lessl, a. schaamteloos. (-lit), a. voorhoofdband. Frost (frost'), a. mat, glared white —, rijp. —bitten, door da voret beschadigd.—bound, vastgevroren. —nail, ijsnagel (Ran een hoefkjzer). —work, rata werk (ale met nip bedekt), —, v. a. wit bestrooien; glaceeren; damasceeren. —ed, a. met rtjp bedekt; bevroten.—iness,s.vorstigheid, vrieskoa. ad. — p, a. rijpachtig; vriezend; loud. Froth (froth'), s. schuim; bombast. —, v. a. doen schuirnen; v. n. schuimen. —iness, a. schuimigheid; zinledigheid. —sly, ad. —y, a. rc ► uimig; Fro:ince (fraanns'). a. plooi, krul, nimpel. —, v. a. fronsen; plooien, rimpelen. —less, R. mtge. rimpeld. Frouzy (frau'aik), a. vans, muffig; dof. Frowy.rd (fro , wurd), a. --ly, ad. gemelijk; elgenzinnig. —near, a. gemelijkheid; ondeugendheld. Frower (fro'ur), s. kloofhamer. Frown trraftun', a. gefronsd gelaat; knorrige bilk. —, v. a. Aschrikken; v. n. het voorhoofd fronsen; titer zlen (at. upon). —ingly, ed. zuur ziend. Frow y (frmeth). —zy, a. Zia Frouzy. Fruct ed (frukt'id‘, a. vruch ten dragend. —iferous (-trur-us), a. vruchtdragend. sfun), s. vruchtbaarmaking; vruchtvorming. —ify (-ti•faj), v. a, vruchtbaar makes); v. n. vruciat dragen, —anus (-joe-us), a. vruchtbaar. Frugal (froe'gel), a. —ly, ad. sober; spaarzaam. —ity a. matigheld; spaarzgamheid. Frog! ferous (froe-dzjiPur-us),a.vruchtdragend. —roma (-dzjiv'o-rus), a. van •vrttchten levend, Fruggin (frurgin), s. pook. Fruit (front'), a. vrucht; ooft. —wearer, dragende boom. —tearing, vruchtdragend. —grove, boomguard. —house, —shop, fruitwinkcl. —time, fruittijd. —tree, vruchtboorn. —age, a. Gott. —erer (-ur-uv), a. fruitverkooper. —ery, a. fruitzolder. —fed, a. —fully, ad. vruchtbaar, —fulness. a. vruchtbaarheid. —less, a. onvruchthanr; vruchteloos. Fruition (froe-isrun), a. genieting. Frumenta ceous (fron•men-ter'sjIts), a. van grain —lion, a. uitdegling van groan. Frumenty (froe'men-tih), e. rneelbrij (met Inept). Frump (trump'), s. leeks; epotternij. —, v. a. bespotten. —ish, a. knorrig; auderwetscb. Frusta (frusj), s. straal (in den paardenhoef). v. a. verbridzelen Frutztra to (frus'tret), a. ,kidel, mislukt. —to (-treet), v. a. verijdelen. teleurstellen. --time (-trec'sjun), s. tcleurstelling. —tory (-ire-tar-rib), a. vertdelend. Frutescent (frOe-feeent), a. beeSteraChtig wordead. Frutie and (froe'ti kent), a. vol latent; uitloovend. —ono, a. heeeterachtig.
Draper (dree'pur), a. lakenkooper. --y, a. Lakenhandel; wollen atoffen; draperie. Drastic (dreetik), a. krachtig, enelwerkend. Draught (draaft'), a. teug; heal; tocht; luchtstroom; schetsteekening; kopie; daraschijf; traite; uitelag; detachement; riool; sekreet. a good —, drukke nering. —board, dambord. —horse, trekpaard. —ox, trekos. —a. a. damspel. —'a -man, damechijf; teekenaar. Draw (drao) [drew (droe). drawn (draon)1, v. a. trekken, toe-, nit-, aftrekken; spannen; deepen; znigen; tappen; putten: teekenen; schetsen; opstellen; diep gaan. —breath, adem halen. (along) voortaleepen. (from) ontleenen van, (in) intrekken; verdraaien; overhalen. (off) aftrekken; afbrengen; aftappen. (on) to weeg brengen, veroorzaken; trekker) op. (out) uitzoeken; plaatsen; ontwikkelen. (over) dietilleeren. (up) oprichten; opetellen; in alagorde stellen. v, n. trekken; van leer trekken; eenr kaart trekken; een lot trekken; zich sarnentrekken. —near, —nigh, naderen. — back, zich terugtrekken. (of) aftrekken. (on) naderen. (up) zicb in slagorde stellen. — to a head, puntig (rijp) worden (v. zweren), — to a close, het einde naderen. Draw (drao') a, trekking; trek; lot. —bark, terugbetaalde accijns; terug.toot (v. een kanon); premie van uitvoer. —beam, wind.. —bridge, ophaelbrug. —well, waterput. —ee (draow-ie'). 0. betrokkene. —er, a. trekker; putter; teekenaar; lade. chest of —era, ladetafel. —era, a. onderbroek. Drawing (draow'teng), s. teekening. —bucket, alloputs, —hound, speurhond. —master, teekenmeeeter. —school, teekenschool. —room, gezelschapakamer. Drawl (draol), s. temerige toon. v. n. temend apreken. Drrywn (draon), a. getrokken; onbeslist. Dray (dree'), a. cart. sleeperswagen, rolwagen. —horse, sleeperepaard. —man, sleeper. Dread (.iced'), a. vreeselijk, ontzagwekkend; eerbledwaardig. e. vreem, angst. ontzetting. —, v. a. & n. vreezen, duch;en. —fat, a.—fully, ad. ijselijk; ontzaggelijk. —fulness, a. vreeselijkheld. —488, a. onbevreesd. —/essness, e. onversehrok , kenlieid. —naught (-cant), a. onbevreeede; snort van duffel. Dream (drlem'),s. droom. [dreamt. (dremt)], v. a. & n. droomen. —er, e. droomer. —ingly, ad. droomerig, slordig. —y, a. vol droomen. Drear (drier"), —y, a. ad. treurlg, naar, akelig. —iness, a, akeligheid, naarheid. Dredg a (dredsr), a. oesternet; mengkoren (haver en gerat). —e, v. a. met meal bestrooten; uitbaggerem —er, a. oesterviescher; strooibus. —ing-, machine, moddermolen. Dress (drie), a. langdradig. Dregg Incas (dreg'gi-ness), a. drabbigheld. —y, a drabbig, troebel; grof. Dregs (dregz), s. drab, droesem; uitschot. Drench (drentaj), a. teug, dronk; paardendranhje; greppel. —, v. a. drenken; drankje tuedienen (aan vie); doorweeken. Dress (dress') [drestin, v. a. kleeden„ ultdosaen; kappen; afriehten; roskammen; verbinden; opstellen; bereiden; bebouwen; v. n. Melt kleeden;
—er, a, scheitser, boerter. —ingly, ad. schertweelkistje. —house, —office, koninklijka achat- karoer. —, v. a. met juweelen versieren. —ler, send. Jole (dzjool), a. wane, koon; kop (van een' visch). n• jawelie'r. juweelen; juwelierevak. Jew C. (dzjoe'ese), a. jodin. —ish, a, joodech, cheek by. —, dichtbij; vertrouweltjk. Joil (dzj ool), v. a. met bet hoafd stooten tegen. —ry, a. (het) joodsche land; jodenbuurt. Jun y (dOol'Iih), a. —ily, ad. vroolijk, lustig. Jezebel (dzjeee-bel), s. onbeachaamd wijf. Jib (dzjib'), a. kluiver (tell); kraanarm. —boom, —iness, —sty, a. vroolijkheid, prat. —y-boat,joh kluiverboom. —guy, bakstag van den kl -alver. Jolt (ctzjoolt'k a. stoot, gehots. —head, botterik. —iron, kluiverring. —stay, boegspriettouw. —, v. a. & n. stooten; hotlen. v. a. 93 de andere zijde van den mast breugen. Jonquille (dzjon'kwi!), s. tijloos, jonquille. Jig (dzjig'), s. hopsa, boerendans. —., v. n. dan- Jordan (dzjor'dn), a, waterpot. sen, huppelen. —ger (-gur). s. huppelaar; staart- Jostle (-dreos's1), v. a. met den elleboog stooten, blok en echijf. --gash (-jos)), a. huppelend. —jog duwen. Jot (dzjot), s. jots, stip. not a --, geen tier. —, (-dzjog), s. stoot, schok. v. a. aanstippen., aanteekenen. Jlgot (dzjig'ut), a. bout, leeidestuk. Jounce (dzjowns'), v. n. schokken, stooten. Jill 'Me Gill. —flirt, slat, sieerie. Jilt (dijilt), s. coquette. —, v. a. misleiden (een' Journal (dzjur'nel), s. dagboek; degblad; jourv- a. naal. —ist, s. dagbladschriover. —ise minnaar); v. n. de coquette spelen. in het dagboek (jaurnaal) schrtven. Jim (dzjim), a. Zie Gin. Journey (dzjuerlih), s, rein, landreis. —chopper, Jingle (dzjing'g1), Zie Gingie. daglooner; gezel, knecht. —man, Job (dzjob'), s. karrewei, gewaagde onderneming; garenkoopman. ernoutwerk. by the —. bij aanneming, bij het —work, dagwerk. —, v. n. reizen. • stuk. —, v, a. steken, stooten; v. n. bij aanne- Joust (dzjust), a. steekspel, toruooi. —,v.u. torming (bij het stub) werken; ejouwen; beunhazen; nooien, een steekspel houden. windhandel drijven. —ber, s. daglooner, sjouwer; Jovial (dz)o'vi-e1), a. —ly, ad. blijgeestig,luimig. —ity —ness, s. blijgeeatigheid, vroobeunhaas; sp , eulant. —bernowl (-bur-nool), a. lijkheid. domkop. Jockey (dzjok'ih), a. rOnecht; paardentuischer; Jowl (dzjool). a. Zie Jove. —er, s. apeurhond. Jowter(dzjau'tur), s. vischjager, -kooper. bedrieger. —, v. a. bedriegen. Jocose (dzjo-koon'), a. —ly, ad. sehertserid, grap- Joy (dzjo('), a. vreugde, blijdschap; gelukwenaching. my —, mijn lief. —, v. a. verheugen; geluk pig. —ness, s. grappigheid. Jocular (dajoldoe-ler), a. —ly, ad. kortswijlig, wenschen; v. n. zich verheugen. s. vroolijkheid, ad.verheugd, blijde. —fulness, a. blijdschap. —less, sneaked'. —ity a. —lessly, ad. vreugdelOoa, --lessnesa. s. vreugsnaakschheid. deloosbeid. —au*, a. —ously, ad. vroolijk„ biijde, Jocund (dejok'und). a. —ly, ad. vroolijk, blijde. beugelijk. —ousness,a. vroolijkheid, blijdschap. —ity (dzjo-kun'dit-tih), —ness, a, vroolijkheid. Jog (dzjog'), s. stootje, achok; bezwaar. —trot, Jubil ant (dzjoe'bi.lent), a. jubelend. —ation (-lee'sjun), a. gejuich, gejubel. —ee (-lie), a. eeuwv. a. a. sukkeldraf; slendergang; a. sukkelend. feast; jubeijaanjubelfeest. horten; aanatooten; v. n. ejokken; (on) voortauk- Juda is (dzjoe.dee'ik), —ical, a. —ically, ad.(-ikl-), kelen. —ger (-gur), s. sukkelaar; stenderaar. Joggle (dzjorgt), v. a. hcliudden, hutselen; v. a. joodseh. —ism (dzjoe'de-izrn), a, het joodschegedrentelen, strompelen; waggeien, nchudden. loot —ize (dzjoe'de-ajz), v n. joodsche gebruiken John (dzjou' ► , 0. Jan; keret, vent,kinkel.—ct-dreams, waarnemen. droomer. —apple, paradijsappel. —bull, het en• Juddoeli (dzjud'duk), s. haarsnip. Judge (dzjudzj'), e. redder; beoordeelaar. — gelsche yolk. nal, strafrechter. — lateral, assessor, bijzitter.—, Join (dzojn'), v. ft. tamenvoegen, verbinden (with); toevoegen (to). — :battle, handgemeen warden. v. a. richten, veroordeelen; beoordeelen; v. n. v. n. be- rechtspreken; oordeelen (be,from, naar. of over). - interest, gemeene zaak maken. —r, s. veroordeelaar, beoordeelaar. —ship, a. rechleaden (to); zich vereenigen; instemmen; (in) dealsemen aan. —der, s. samenvoeging, vereentging. terschap. —er, a. schrijnwerker. --ergs,s.schrijnwerk.—ing, Judgment (dzjudzj'ment), s. oordeel; vonnis. in a. samenvoeging; scharniee; voeg. my —, near mikjn oordeel. —chamber, —hall, racistJoint oizjojnt')., s. gewricht, geld; scharnier; zeal. —seat, rechterstoel. knobbei; bout. out of —. uit het lid. —, a. ver- Judicat awe (dzjoe'di-ke-tiv), a. beoordeelend; — eenigd,gemeenechappelijk.—business,compaguie- faculty, oordeelskracht. —ory, a. rechteriijk, geschap. —heir, mede•rfgenaam. —stock, meat- rechtelijk; a. gerechtshof, rechtbank; gewkisde. schappelijk kapitaal. —stock , company, mast- —ure (-tjoer), s. rechterlijke macht; gerechtshof. schappij in aandeelen. —stool, vouvistoel. —, v. a. Judici al Ictsjoe - dierel), a. —ally, ad. —ary (-i-erih), a. rechterlijk, gereehtelijk. —ary(-1-e-rih), a. tamenvoegen; ontleden. —er, a. ploegsehaaf. ad. gesamenlijk. —ress, rechtertijke macht. —ous, a. ously, ad. oordeela. zonder geiedingen. kundig, verstandig. —ousness, a. oordeel, yens. bezitster van een weduwgoed. —are, (-joer), s. stand. weduwgoed. Joist (dzjojst), a. dwarsbalk, ebb. —, v. a. net Jug (dzjug), a. kruik; nachtegaalsleg. —, v. n. slaan (van den nachtegaal). balker, (ribben) voorzien. Jack a (dzjook), a. scherts, kwinkslage —e' v. a. Juggi a letzjug'gt). a. goocheletnk. —e, v. a. gooAMP.; bPKOochelel); V. u. goocheleu. —er, N. your tea gek ho ► deo, v. in. aches - taco (at. .05), 

AVO.-13AL. Awkward (aowk'wurd), a. —ly, ad. lamp, onbandig. —nets, a. lempheid, onhandigheid. Awl (now!), a. els. AWIlk (aowm), a. sam. Awn (town), a. beard (van gray of koren). Awning (aown'ieng)„ a. dekzeil. Awry (e-ra]'), ad. scheef, verkeerd. Axe (eke), a, Mil. Axiom (ekalum), a. axioms. —atic , —sliest (ekei-o-met'ikl.), a. onweersprekelkjk. Axis (eLs'is), a. as. Axle (ek'al), a. —tree, a. wagenas. Ay (aid), ad. ja. —green, s. maagdenpalm, Aye (eel), ad. vow altijd. Azimuth (ezn-moth), a. azimuth. Azot a (ez'ot, e-soot'), a. atikatof. —lc (e-zot'ik), a. atikatofachtig. Azure (ee'zjoer), a. hemelablauw. —, a. uitspansel. • v. a. blauw kieuren. Azymee (ez'ima), a. feest der ongehevelde bros. den.

In welk land Bitcoin is legaal


A. A, v. A. H(j kent Been A voor eenB„ he knows not A from B; he is a met, ignoramus. trekken, shutAnisela, bv. awkward, clumsy. —hands, bw. awk•yardly, prefling tricks. posterously. Angt , 7. —appel, short shank apple. cApender. Anien, or. w. to ,tare., to stroke. Atilt, v. boat, long boat, flat-bottomed boat. Anks, v. axe, hatchet. Aral, m. eel. -- , tusk, weir, near, bownet. --peer, ale Eiger. —kaar, eel cant, eel-trunk. --her!. West. —rijk, abounding w ith eels. —schaar, —ipeer, —etcher, eel-spear. —.Auld, —stel,eel- skin —seep, eel-soup. —sleek, eel-fibbing, right of fishing for --riivar„ eel-pond. Aalbett,v.curiant.—eetioom,currant , tree.—sestrnik, currant-bush. —seenat, —icecap, currant-juice. —sesrist, —reetros, bunch of currant.. —sentoUtt, currant-wine. Aslant, en, y. aims, charity. Anlintoenenier, In. almoner. —*hula, almonry, alms-house, asylum for the poor. —.kind, charity-child, foul:edit:4. o. totum. Anna, o. acm, acme. hemorrhoids. Aambeien, v. mv. Aamborstig, bv,astnmatic,short-breathed,sb ortwinded. —held, Y. aathrna, shortness of breath. Ananechtiog, bv. Zie Ansechtlg. Ann, v., Cl; on, upon; to; near, next to; of arrived, burning, lighted (ran your of licht); upon a jar, a-jar (van eene deur), het is — u, it is your turn. er — (berig) Ain, to be at it, van den beginne —, from the beginning. Annotated en, ov, w. to earth up. —ing, v. earthing up. Aanedenten, ov. w. to breathe on (upon). Aanbatiren, or. w.Zie Annbinfiren. Aanbak ken, on. w. to stick (to remain sticking) to the pan, to scorch. --eel, o. what sticks (remains sticking) to the pan. Annbalken, ov.w. to bray at. Aanbaren, on. w. Zie Aanberen. Aanbannen, ov.w. Zie Aanblesffen. Annbedenien, ov. w. to allot, to assign (to). Aanbeelti„ o. anvil, stake. —Wok, anvil-block, anvil-sto zk. Aanbeenen, on. w. to walk at a pretty rate.
451 Flti0e•Ir en. ov. W. to curl. —Ozer, curling-pin. rvistor, m. hair-dresser. Frommelen, ov. w. to arum*. to fumble. Fro', v. —es, v. frown. wrinkle. —en, on. w. to frown, to wrinkle, to knit (one 'a brows). —61 9, v. frowning. Front, o. front. — makes, to face. to make face. Fruit, v. & o. fruit. —ben, —.mend, fruit-basket. —kandel , fruit-trade. —hider, fruit-cellar. —trooper, —koopeter,, fruiterer, ft ult-monger. —mum', fruit-market. —rijk, fruitful, —schwa, fruit dish. —sadder, fruit-painter. —stuk, fruitpiece. —rroure fruit-woman. —wicket, fruit-shop, fruiter y. Fruit an, ov. w. to fry. —pan, frying-pan. Eulk, v. weel, bow-net. in de — loopen, to fall into the !snare. o. velvet. —en, by. velvet, velvety. m. rogue, rascal, scoundrel. Veenctle, v. function. Fundament, o. Zie Fondement. Fungterrn, qn. w. to officiate. Fast, v. fudge, fiddle-fuddle. —, taw. fudge fiddle. ,stick I Futsell car, in —aareter, v. trifle, idler. —artj, v. trifling, fiddle.faddle. —en, en, w. to trifle, to fiddle-faddle. —werk, tie Futselarkl.
EV. Dinsfini to (dis'si-peat), v. a. verstrooien, verkwisten. —ted, a. losbandig. . —tion (-pee'sjun), a. verstrooitug, verkwisting. Dissitscits —/ (-el), a. ongezellig. —te (•eet), v. a. ontbinden, scheiden. (-ee'ejun), s. ontbinding (van ten genootechap). Dissolu ble (dia'eo-ljoebl), a. oplosbaar, ontbindbaar. —te, a. —tely, ad. ongebonden, losbanchg. —teness, a. ongebondenheid. —tion (-ljoe' sjun), s. ontbinding; vernietiging; dood. Dims°iv able (die-solv'ibt), a. oplosbaar, emeltbear. —e, v. a. op;ossen, ontbinden; scheiden; te niet dote; opbreken; v. n. smelten. —ent, a. ontbindend; s. oplessend middel. DissAtman ce (dis'so-nens), a. wanklank. —t, A. wanluidend; strijdig. Dissua de (dia-sweed'), v. a. afraden (from). —der, a. afrader. --sion (-swee'zjun), a. afrading. —tire, a. —sively, ad. afradend. —sive, a. ontreding. Lissyila bic (dis•eil-leb'Ac), a. tweelettergrepig. —ble a. woord van twee lettergre pen. Distaff (dis'taat), s. apinrokken; (het) vrouwelijk geslacht. —thistle, gele distel. Distain (dis-teen'), v. a. bezoedelen; schandvIekken. Distan ce (dis'tens), a. afstand; terughoudend• heid; eerbied; v. a. aehter zich laten, overtreften. —t, a. (from) verwijderd, tang geleden; niet duidelijk; bede.d; achterhoudend. Distaste dis• t( eat'), s. tegenzin, afkeer. —, v. a. tegenstaen; ergeren. —ful, a. —fully, ad. walgelijk, stuitend. —fulness, a. wansmakelijkheid. Distemper (dis tem'pute, a. ongelijkmatig mengeel; ongesteldheid; kwade loin; wenord.e. v. a. oLgesteld maken; storen; verontrusten. --azure (-e-tjoeri, s onmatigheidl; verstoordheid. Distest d dis-tend'), v. a. uitspannen. —tible (-ten'eibil, —sire. a. uitrekbiar. —t, a. uitgerekt; (with) opgeblazen. —lion (-ten'sjun), a. uitrelating; uitspreiding. te idie-tuemi-neet), v. a. afseheiOen. —lion (-nee'sjun), a. afscheiding. Digtich (dis'tik), s. tweeregelig versje. Distil (dis•til';, v. a. overhalen; v. n. afdruiden. —lotion 1-lee'sjun), s. overhaling, afstoking. —ter, s. brander; (jenever-) stoker. —lery, A. atokerij. (dis-tinkt'), a, onderschealen. —ion (•tink'ejun), s. onderscheiding; oordeel; aanzien. —ive, a. —ively, ad. onderscireidend. —ly, ad. onderecheiden, duidelijk. —nest, a. duidelijkiteid. Distinguish (dis-timegwisj), v. a onderscheiden. —able, a. te ondersrheiden. --ed, a. wink. —er, a. onderacheider. —ingly, ad. onderseheidenlijk. —ment, a. onderscheichug. Distort (dis - tort')., v. a. verwrirgen. —ion (-tor' civic), s. verdraaiing; verdorvenheid. Distract (dis-trek'), v. a. aftrekken; kwellen; ontroeren; verbijsteren. —ed, a. —edly, ad. vvaanzinnig. —editess, a. waanzin. —ion (-trek'sjun), s. attrekking; afgetrokkenheid; versrtandsverbijstering. —ire, a. verbijsterend. Distrain (dig-treen'), v. a. & n. in beslag ne-

Hoe lang duurt het voor Bitcoins te halveren


(-11t), w. Janette. Juliana. ecutdiate (dzjir-un-dienz'), h. Girondtinen. GlIaagoaw ,gles'go), g. Glactgow. Gie.do -ever (glen-dau'ar), rn. Glendower. Gloceeter, Gloucester (gioetur), g. Glocenter. Gnesen (gnee'zn), g. Oneeen. Gni dun Inar dug), my Gnidue. Gnostics (no8',11/.), r, iluostieken. Gott fret' (god'frih), m. Godfrled. —win (-win), Godewiin. Gold coast (goolekoost), g. Goudkust. —smith, m. Cioldsmith. Golgot he (gorgo.the), g. Golgotha. Goliath (gn-lareth), in. Goliath. Gerd inn ;gor'dji-en), a. Gardiaansch; tn. Gordian,. —nn(gor'dn) m Gordon. (go'the, go'ta), I. Goth, Goth G ,tha. —ard (.urd), g. St. --, St. Got hard. (go'thi•e), —land, g. Gothland. Genre's] (grek'kaj), h the —, de GraNthen. Grace igreee), w. Gratis. g. Geertz. eraillskrt (gre G rn lit re (gree'em), in. Graham. Granada (gre.nede), g. Grenade.
PRE—PRI. 233 mend; varhinderend. —ire, a —ively, ad. voorko • —r, a. eerst, oorspronkelijk. —r (prineur), a mend, verhoedend, varhinderend (of;. —ive, s abebook, gebedenboek. behoedmiddel. Primev at (praj-mi'vel), —au:, a. allereerat, o or Previous (pri'vleu,), a. —ly, ad. voorafgaand, spronkisltjk. voorlooplg, (to) voor, vroeger. —ness, a. voor- Priming (praymieng), a. pankruit; grondverf, loopigheid; (het) voorafgaan. —horn, kruithoren. —iron, —wire, ruimnaald, Prevision. (pre•vizrun), a. (het) vooruitzien; ruimijzer. Primitial (praj•mispel), a. van de eerstelIngen. vrryrz(oprege.e,), ad. aloud, por• proof; butt. beast of —, roofdier. Primitive (prim'!-tiv), a. spronkeltjk. a. grond•, stamvoord. —nest, roofvogel. —, v. n. rooven, plundereft bird (on. upon' loeren; men; ondermijnen. —er, a. a. aloudheid; oorspronkelljkheid. primness (prim'ness), a. gemaaktheld. roover; verslinder. Prirnogemi al (praj•rno-dzjrni-e1), a. eerstgePeace (praje';, a. pits; waarde; loon. to bear a boren; oorspronkeltjk; vooenaamst. —tor (-dzjen , kosten, heloopen. —current (-kur'rent), prijecou- i-tur), a. voorzaat. —lure (-dzjen(i toer), a. eerstrant. —, v. a. ptijzen,' schatten. —less, a. on- geboorte. —ttsreship (-dzjen'i-tjoer-). a. eerstgeschatbaar; zonder waarde. Prick. (prik'), s., prik, steak; prikkel, stehel, boorterecht. angel; mikpunt; spoor van een' loans); wroeging. Primordial (praj-mor'di-e1), a. oorspionkelijk. —caved, voorbarig; neuewijs. —louse, luizenknip• — s. ooreprong. per, snijder. —madam, muurpeper. —post, bind- Primrose (prim'rooz), a. sleutelbloem. stuk. —punch, dril. —song, lied op note', —timber, Primy War mih), a. bloeiend. Prince (prima), a. vorst,prins. —royal, kroonprins. — wood, papenhoet, epllieboom. Prick (prik'), v. a. prikkea, steken; vaststeken; —'s-feather, duizendsehoon. —'s.metal, spinsbek. ebbenprlkkelen; aanegoren (on); kwell en, grle yen; open- Rupert *s•drops, glastranen. vorstendom; voretenetand.—like,a. steken; vernagelen; opiteken, egiteen (de ooren); bout. (down) opteekenen; op notes zetten; auur maken. prinselijk, vorstelijk. —linen (-11-neat,), s. vorste—ling, a. prinsje. —1y, a. vorsteltjk. —se - to chart, beatek makes, den koers aanteeke- Itjicheid. nen. — the sails, de naden der zeilee atikken. (-es), s. vorstin, princes. —, v. n. zieh opscbikken; spoorslags rtjden; zieh Principal (prin'si-pet), a. —1y, ad. voornaanest, s. hoofd, patroon, laatgever; opschikken; mikken; zuur warden. —er, s. prik- hoofdzakeltjk. hoofdzaak; kapitaal, hoofdsom. —ity (-perit•tih), her; stekel; prlem. —et, a. epiesbert. —ing, a. a. vorstendom, prinedom; heerschappt). — near, prikkeling, etching. Prickl e (prik'kl), a. prikkel, stekel, acherpe a. hoofdzakelijkheid, voornaambeid. punt; —back, stekelbaars; —edged, doreuachtig; Principle (prn'sip1). a. beginsel, grondbeginiel. v. a. van —pear,tniische vijg;—wheik,distel borent;e.—iness grondstelling, grondslag; oorsprong. beginselen (grondstellingen) voorzien; inprenten. (-1-ness), e. stekeligheid. —ing, s. stekel beard. —y, a. stekelig; doornig. — ash, doornesch; —pear,' P rin cock (prin'kok), —cox, s. fat, kwast. (Prink (pringk), v. a. opschikken; v. n. pronken, ind lecke peer. Pride (prajd), s. hoogmoed, trotschheid (of); fier-1 zwierig gekleed gaan. held; luister, praal; tochtigheid. to take -- in, 'Print (print), s. meek, indruk, spoor; temps,; druk, afdruk; prent, pleat; vlugsehrlft; dagblad. trotoch ztja op. —, v. a. one's self (in) trotech uitverkocht. —, v. a. & n. drukken. out of On op, (on. upon) zich laten voorstaan op. of-, indrukken; inprenten. —er, s. drukker. Prier (prayur), a. bespieder, beloerder. Priest (priest), 5. priester, geestelijke. —craft, Printing (prineteng), s. (hot) drukken. art of —, priester bedrog. —ridden, door priesters geregeerd. drukkunst. —house, —office, drultkerij. —ink,druk-ess,e. priesteres. —hoad,s. p:iestersebap. —like, , inkt. —letter, —type, drukletter. —paper, drakpapier. —press, drukpern. (-li-ness), e. prlesterachtig, priesterlijh. Prior (prayur), a. vroeger (to). — right, racist van s. priesterlijkheid- —ly, a. prIesterlijk. a. prior; chef. —ate (-et) a. prioPrig (prig'), e. fat, kwast; diet. —, v. a. stelen, , naasting. rant. — CMS. priores. —sty (-or'it-tih), a. meet.kapen, —pies (-gi , j), a. verwaand, kwaeterig. derheid; voorrang; — of birth, eerstgeboorte; Prill (prill'), s. tarbot. , credityrs by —, bevoorrechto schuldelsehers. Prim (prim), a. gemaakt, stiff, mufferig. —, v. a. I s. priorschap. —y, a. priori). opschikken; v. n. gemaakt ( uufferigi zijn. Prima )praj'me). s. aerate kolom; echoondruk. Primage (praj'zidzi), s. prijarecht. Pribm (prizm), s. prisma. —atic (priz.met'ik), a. voorrang; opperkerkvoogdij. —ge van (els) een prisma. e. kaglaken. —riness (-ri.neee), s. het eerst gin; eerste , graad. —rily, ad. —ry, a. east, oorspron- Prison (prit'n), a. gevangenis. —base, —bars, diefjesepel. —fee, sluit-, zitgeld. —house, gevankelijk; 7oornaamst. —e'y instruction, lager onder- genhuis. —, v. a. gevangen nemen. —er, s gewits. —te (-met), a. opperkerkvoogd. s. gevangenschap, hechtenle. vangene. (-met.), e. opperkerkvoogdij. Prime (prajm), a. —4, ad. eerst, oorepronkelkjk, Pristine (pris'tin), a. aloud, oorpronkelijk. voornaarnst; voortreffelijk, uitgelezen; bloeiend. Prithee (pritleie), int. silicon! ih bid u! e. begin; hear; dageraad; Prittle-prattle (prIt'tl-pret't1), a. geanap. —cost, inkoopsprija. lente; btoei; opkomst; jeugd; pankruit. —, v. a. Privacy (prarve-sin), s. afzondering; helmelijkheld; vertrouwelkjkheld. bruit op de pan darn; in de grondverf zetten. —ness, s. oorspronkeltjhheid; voortreff,lijicheid. Private tprarvEti, a. geheim; btjzonder; ambte-

notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Wat cryptogeld is het makkelijkst te mijnen


a. notaris. —tion (-sjun), s, opteekening; i ,eteekenis. Notch (notsji), s. kart, keep, achaard. —wheel, rondsel; eeheprad. —, v. a. kerven, inkepen. Note (noot'i, a. noot; loon; aanteekening;teeken; briefje; berieht, biljet; aanzien. —book, noklad-, ntuziekboek. —press, b r e v en dek k er —worthy, optnerkenswaardig. —,v. a opteekenen; marten; opmerken; betiehten; op noten zetten. —d, a. beroemd; vermaard. —dly, ad. nauwkeurig; inzonderheid. —dness, a. beheadheid. vermaardheld. —leas, a. onopgomerkt, onbekend. —r, a opteekenaar; notensehrijver. Nothing (nuth'imtg), s. niets. — but, niets den. --mess, a. nietigheid. Notice (soo'tiE), a. opmerking; herieht. —, v. a. opmerke, aeht slam) op —able, a. opmerkelijk,


Bij de toewijzing van de strategische reserve laat het Agentschap van de Schuld zich leiden door de volgende criteria: 1) het aankooporder gaat uit van een investeerder die nog niet aanwezig is in het boek van de lead managers en 2) het aankooporder is van hoge kwaliteit en vertegenwoordigt een reële diversificatie of is ingediend door een investeerder die het Agentschap aan zich wil binden. debtagency.be
Macao (me-kW°, me-kau'), Macao. Meigeera (me-dsji're), my. Mager*. Macaulay (mek.ao'llb), m. Macaulay. Melbourne (mel'hurn), g. Mel bourne. Maccabees (mek'ke-btez), h. Maccabeen. Melchisedoc (mel-k(ea-dek), in. Melchisedek. Macedon (mes'e-duo), -ia (.du'ni-e), g. Mace- Melpomene (me!-poll'e-nil, my. Melpomene. donie. -ion (-do'ni-en), a. MAcetioniach; i. Ma- Menelaas (reen-e-lee'us), an. Menelaus. eedonier. Meat. (msnte), g. Maintx. Madeira (me.dee're), g. Madam. Mercury (inur'kjoe • rill), my. Mercurius. Madg • (medzr),-y, f. voor Margaret; thiet. Mersey (mur'xih), g. the -, de Mersey. Madras (me-dre , ), g. Madras. Illeaopotantia (flea-c-po-tee'int-e), g. M.teopo• Macs. (meet), g. the-, de MAP.. tannic Magdalen (meg'de-lin),w. Magdalena. Messina (fne,-si'ne),g• M. 851 . 8 Magellan (me.dzjelnen, reed-zjillen'), m. Ma- Methuselah (me-thjoe'se•lal, m. ,Methesalem. gellaan. Meuse (rojou). g.the -, do Maas. Mahouts.' (mee'hnra et), in. Mahomet. Maul can (r..ks'i-ken), a. mexicaausch; 1. Meal. Malta r-, (ineen), g. Maine. coon. -co, g. Mexico. Malay (me-lee')., g. Malacca; a Malekch. Mich (auk). f. voor Michael. - eel (unarkel), in. Maldives (merdajvs), g. the -, de Maledivischa Michael, Michel. etlanden. Michigan (mieri-Ken), g. Michigan. Malines (ma-lien'), g. Mechelen. Milan (mil'en), g Milian. Malkin (mao'klu). f. voor Maria; Mieke. Millilade3 init. tere-diez)„ m. Miltiades. Malt as (tnaol'te), g. Malta. -ese (-tie. ), i. Mid- Milton (hartn), ni. Milton. these, Milwaukie (mil-wao'ki), g. Milwaukie. Manchester (men'tajte.tur),g Manchester. Minerva (tni-nur've), my. Minerva. Mantels ran (men ik-i'en), a. Manichessch. -ee Minos (rnaynus), my. Mince. ( .is'). r. Msnicheer. Misnia imia'ni-el,g. Meissen. Marg aret (maar'ge•ret), w. Margaretha. -cry Miss IssIppi (fnis-iis-51p'pi), g. Mississippi. -oari (.dzlur-tb), -et (-dzilt), f. soot Margaret; Mar (-soe'ri),g. Midsouri. grist, Grietje. Mnensosyne (ne-mos'Ln-ih), my. Mnemosyne. Marl a (me-rare), w. Marla. -us (mee'ri-iiej, m. Mobile (mo-biel'),g, the --,Mobile. Marius. Modena (mo'elt-ne),g. Modena. Mark (maark), m. Marcus. Mohawk (nan'haok), I. Mohicaan. Marlborough (maarl'hur•o). g. Marlborough. Moll (moll,- ly, f. voor Mary; Mtetje, Me. Maron item (mer'un-ajte), r. MAroniten. itioldevia (Haut-dee'vi-e), g. Mold•vie. -n, o. Marquesas (maser-hee'sez), g. the -, de Markle- Mo i di v isch ; t. m cgd av i6 r . sen-etlanden. Moluccas (mo luk'kez), g. the -, de Molukken Mars (moors), my, Mars. (Specerij-eilanden) Marseilles (mast-stele). g. Marseille. Mongol la (mun.go'li-e),g. Mongolic.-s (-gole), Martha (maar'th9), w. Martha. I. Mongol en. Martial (maar'sjl-ell, m • Marti.R.• Monmouth (man'muth), g. Monmouth. Martin (maar'tin), m. Martijn, Maarten. Mon slmons), g. Bergen. Mary (mee'rih), w. Mario, Marie. Montague (mont'e-ajoe), g. Montague. Massachusetts (men se•tsjoesets), g. Massa- Moore (moor), m. Moore. chusetts. Moravia (mo-ree'vi-e), g. Moravie. -n, a. MoreMae (met), f soar Matilda, Matthew 4, Matthias; viech; r. Hernhutter. Matje; Thtle. -ilda linetil'de), w. Mathilde. Moron (.0-rl'e), r. the -, het echierelland Morse. -thew (meth'joe), in. Mattheas. -thias (.thare.), Morocco (mo- , ok'ko), g. Morocco. an. Matthias. Morpheus (mor'fjoes), my Morpheno. Maud (mood'), f. voor Matilda; Matje. -lin (-lin), Mortinser (mor'n-mer), m. Mortimer. f. voor Magdalen; Leentie- Mose ovite (moe'kev-ajt), i. Moscoviet. -ovy, . Maori ce (moo'ris), sr,. Maurits. -ties (-rieri- Meecovie -ow (-ko). g. Moseau. us), g. the -, Mauritius. Moses (mo'ala), an, Moses. Maximilian ;rneks -I -mill-en), m. Mazimilinay. Moan (men), I. soar Edmund. Mechltu (mek'lin), g. Mechelen. Illunicis (injoenik), g. Munchen. Med ea (me-dt's), my. Medea. -et (miedz), i. Murray (mer'ree), in. Murray. the -, de Medea. -ia (nti'di-e), g. Medic. --inn Muscov lire (mus'kuv-ajt), -y, g. Zie MoscOV.• (.di'ne, darnel, g. Medina. Its. Madusit(me-cijoe'se), my. Medusa. Muses (rajoe'zie), my. the -, he Mum. • Margaret; Gristle. Mel (meg), f. scar

AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to

cryptogeld arbitrage


Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17

Stark (sta-wk'), a. —ty, ad. sterk, stiff, vol, lou• Staunch (statint0), a. die Stanch. ter, erg. —, ad. gelieel, volallgoa. steke• Stave (steer';, R. duig, steer; couplet; notenbalk. blind. — mad, stapelgek. — naked, spiarnaakt. — wood, kwaoste boom; bitterhout. v. a. i. Star less (istaaeieseu, a. mierrenloos. — like, a. dnigen (off) afkeeren; opsehorten. ate , actitig; seshiera.e, — ling, a. eprentw; Staves (stress';, s. pl. van Stair en Stave. beaker.
Ik, vnw, I. — self, I mrielf. —held, v. individuality. Summer, bw. ever. —meer, bw. ever, evermore. "[miners, fw. indeed, to be sure, at least, nay, I date say. Impost,,. impost, custom, tax, duty. In, vz. in, into, within, at. — de twintig, twenty and odd. Innebtnenalug, v. observance. Inndem en, or. w. to breathe, to respire, to inhale. —leg, v. respiration, inhalation. Inbaker en, ov. w. to swaddle in, — up, to swaths. Inbnkken, ou. w. to lessen in baking. Inbtalstent en, or. w. to enbalaa. —ing, v. embalming. tubes." den (zIeb) 4 t. w. to imagine, to fancy. —ing, v. imagination, fancy, idea; self-conceit. Inilegoetelp, met — van, included. Inbeltelen, or. w. to work in with the chisel. Inbellen, or. w. to call in by ringing a bell. Inbergevi, or. w. to put by, to lock in. Inbeslagnenalng, v. seizure. Inbeuren, ov. w. to lift into; to receive. Inbeztt nenting,v. taking possession. —stalling, v. investiture. InbUt en, or. w. to make a ship enter into the harbor by breaking the ice; on. W. to corrode, to eat in, to fret into. —end, bv. corrosive. —ing, v. corrosion. Inblkken, ov. w. to notch, to jag. Inbind en, or. w. to bind (to tie) in, — closer; to restrain, to bridle; to reeve keen zeil v. binding in; restraining, bridling. Inbitter, by. very bitter. Inblitrestter, v. Zie Inbiager. Inblanw, bv. very blue, dark-blue. Cabinz en, or. w. to blow into; to inflate, to inspire, to prompt, to suggest. —er, m. prompter, suggester, instigator. —ing, v. inspiration, suggestion, Juni gat ton. bv. very glad. Inbiltiveu, on. w. to remain within. Iteboedel, Inbar I, m. furniture, household• stuff; goods and chattels. Inbtiegem, on. w. to enter into a harbor. Inboezem ass, or. W. to inspire with, to instill (into), to insinuate. —leg, v. inspiration, insinuation. Inbonzien, ov. w. to bounce in, — into. Iubooenan, or. Iv. to push into (by means of a pole. Inboorling, m. & v. native. Iuboos, tso, very wicked, reprobate. Inbo•en, or. w. to bore, to pierce. Inborst, v. character, temper, turn of mind. Inbreak, v. burglary, tut/action. Inbrand en, ov. & on. w. to burn (into); to cauterize; to lessen when being burnt, —kg, v. burning; cauterization. Inb7nosen, ov. w. to brace in. Kuhr ek en, on. w. to break in; to commit burglary. —er, m. burglar. —tug, v. breaking in; burglary. Inbreng an, ov. w. to bring in, — into; to import; to furnish; to earn; to adduce, to allege.
—tong, zit Flisetn•r. —er, m. —tier, v. coaxer, Fiuksch, be. clever, dexterous, expert. FLUT, Fluteliers, bw. presently, anon, by and by. fawner, wheedler, —er(i, v. coaxing, fawning. Fluureol, o. velvet. —bloem, amaranth. —boon, Floor, v. clot, giglot, dowdy. velvet-tree. —werker,velvet-weAver. —acklier, —en, Fivers, m. flap, blow, slap, be. & bw. phlegmatic be. velvet, velveted, velvety. Flagrone, o, phlegm, —tisch, o. weasel. (-ally). Fnlexen, on. w. Zie Flenters, in. me. Zie Flardera. Flap, v. mallet, infant's cap. non de — si,n, to Fnulk en, ov. w. to clip the wings to, to break, ion given (addicted) to drinking, —pen, no. w. to check, to stop. —big, v. clipping the wings, breaking, stoppage. Lie Fe pen. Footless', n. race. FierecUs, o. gout. Fleacle, v. bottle, flack, flacon. op flessehen trekkers, Foe, tew. fy t for shame ! to bottle. Leidsehe —, Leyden ar. op as — zips, Foel le, v. mace; foil, silvering. —'fa, ov. W. to foliate, to silver (over). to be ruined. —je, o. phial. Fileaseke lbak, ie, o. bottle-tray, -stand. —ebar. Fok, v. fore-tail; spectacles. —bebrav, fore-brace. stet, bottle-brush. —ebiater, —maker, bottle- —bentast, fore-matt. —keret, fore-yard. --barest, maker. —nbeider, bottle-cate. —nrek, bottle-rack, fore chain-wale. —keiehoot, fore-skeet. —kestag, ', Sets, be. faded, pale, pallid. —heid, v. paleness, fore-etey. —ksateng, fore-topmast. Fokit en, ay. w, to breed; on. w. to wear specpalildnses, pallidity. Fleur, m. bloom, prime; flourish; mirth. —, v.. taclee; to drop out, to stink off. —er, m. breeder. fishing-line. —en, on. w. to fish with a tine. —erif, v. breeding' of cattle. —ig, by flourishing, sprightly. —igeeid, v. flour- Foteu, ov. w. to handle, to paw; to vex, to tease, ishing et-ate, sprightliness. Foil nut, m. folio, folio-volume. —eeren, or. w. FIliellool en, ov. w. to cola, to fawn, to to page. —o, v. folio, page. wheedle, to cajole. —er, m. — afar, v. coaxer, Falter ear, in, torturer, tormentor. —en, ov. fawner, wheedler, cajole, —eri), v. coaxing, to torture, to torment. —bank, rack, torture. fawning, whue ;Mug, cajoling, instruments of torture, —jog, v. torture. Flak ken, or. & on. w. to gplees to patch, to Fontwel ee r, m. fumbler, rumple, —en, ov. w. cobble. --er, ra. piecer, pate, er ; caper ; ten — to fumble, to rumple. —ing, v. fumbling, Elwin, to cut capers. rumpling. Filkkoe en, on. w. to glitter, to sparkle, to Fundament, o. foundation, fundament; bum, arse. glare. —leht glittering light. —roar, finch, gilt- tering fire. —ing, v. glittering, eparkiing, glimpse. Fonds, o, fund, stork, capital. —en, ma. stocks. public funds; capital. Fllketer, v. Zie Flakker. Flank, be. & bw. clever (-ly), brisk (-1y), lively; Tonkel en, on. w. to sparkle. —nieuw, bran-new, spick-and•span new. —ing, v. sparkling. very well . Fontein, v. fountain, well. —oder. fountain-head. Fitts, m. dart, arrow. Flodder, in. dirt, mire. —bleed, loose garment. —bask, —Lane, basin of a fountain. —bale, —boo, stacking that hangs down upon the heals; pipe of a fountain. —water, spring-water. sloven, slut. —natie, fougade. —weer, slut. —meta, FonttseCI, v. fontanel., issue. loos cap. --roe, sloven- --en, on. w. to dangle, Fool, v. fee, veils, drink-money. Fop peso, ov. w. to cheat, to mock, to hoax, to to flap; to bungle; to splash trough the mire, quiz. —per, m. —ester, v. cheater, wag. pert), v. Floers, o, crape; veil, shadow. Flonker en, on. w. to sparkle, to twinkle, to cheating, banter. glare. --Licht, sparkling light, luminary, —ater, Fort.l, v. trout. v. sparkling, Formant, o. form, size. —repel, stamp, twinkling star; luminary. Fortune!, be. & bw. formal (-ly). twinkling, glare. o. ferret. —garen, fer- Formeer der, m, former. —en, ov w. to form. Floret, a. foil, floret. —ing, v. formation. ret-thread. —tint, ferret-ribbon. —side, ferret- Forum' e, v. formula. —ier, o. form, formulary; Bilk. fiere•-silk. —ten, be. ferret. —gebed, formulary-prayer. FlorLJn, m. florin, Fornsie, o. furnace; kitchen-range. F10118, v. pretext, shift. Forsch, bv. & bw. robust (-1y), stout (-1y); %tern Flonw, v. snipe -net. Fiala", v. phlegm. —aohtig, be. pltaitous, phleg- (-1y), harsh (-1y). —held, v. robustness, stoutness; sternness-, harshness. made. —en, on. w. to expte.torate. Fluileter tsar, in. —aarster, v. whisperer. —ex, Fore, o. fort, fortress. ov. & on. w. to whisper. —ing, v. whispering, Fortuln, v- & o. fortune. --roeker,fortuue-hunter, adventurer. whisper. foselle. Fl v. fine, de — fawn, Gp de — opelen, to Foselel., by. & o. testa, site. v. forage. —ageeren, on. w. to forage. play the flute —does, •—baker, flute-box, Mite- Four —ier, m, forager, quarter master. case. —olas, long necked glass. --eehle, flute. Font, v. fault, mistake, blunder. sender —, —spa, flutirre. —sprier, flute-player, fluter. —en, & on. W. to clay on t•e flute, to whistle; out, fail. certainly. —ief, bv. faulty. to hiss; to sing (van vogels). —er, m. 'whistler. Frani. by. & bw. handsome (-1y), pretty (-fly), fine (-1y). —had, v. handsomeness, prettiness, —je, o, whistle. beauty, —tjes, be. prettily, nicely. bar. Immediately, quickly.

AAN. 376 to look (to glance) at; to show one's teeth; on. Anndijken,ov. W. Zie Anudanninen. Anndikken, ov. & on. w. to thieken. w. to dawn, to appear. Aandinarben,ov. w. to serve (to bring) np, Annbilinken,ov. w. to shine at. Aandoen, or. w. to put on; to touch at; to put Aniabod.o.offer, tender, proposal. into (eene haven); to cause, to give; to affect, to Aneaboeken, ov ev. to book. move, to touch; to attack, to snail. den oorlog Annbooten, ov. w. to feed, to stir up. —, to make war upon, to declare war against. een Anoboffen, or. w. to fling (to bump) against; on. prime. —, to enter an action against. —ing, v. w. to fall against. emotion, feeling, sensation. —10h, by. & bw. afAtenbouzers, on. w. to bounce (to bump) at, — fecting (-17), moving (-4). touching (-1y), pathetic against. —lijkheid, v. moaingness, patheticalness. Aanboorden, on. w. to fall aboard of a ship. Aaendrasgceter,v. Zie Aandrager. Anoboettn, ov. & on. w. to bore (on), to broach. Aanbotr eat, on. w. to dash (to knock, tostrike) Anndrnalen, or. 77, to turn to, — closer; to stretch; to fasten upon; on. w. komen to come against. —ing, v. paehing, chock (to approach) turning. Aanbouve, m. raising; construction, building; cultivation. —en, ov. w. to raise; to construct, to /Vanden* en, ov. w. to bring, to carry nearer; to inform of. to make known. —er, m, bringer; inbuild (bij, to); to augment, to enlarge (by buildformer, tell tale, tale-bearer. ing); to cultivate. —er, m. raiser; builder; culAundrang, m. crowd, thronging; pressure, nrtivator. —ing, v. Zie Aanbou w. geney ,rstress. Annbrand en, on. w. to burn, to scorch. ---toy, Aandraven, on. w. to trot, to run fast, — apace, v. burning, scorching_ —eel, o burned part. Aanbrass en, or. W. to brace, to brace in. —ing, to w elk nimbly. Aandeenteleo, on. w. komen —, to come (to v. bracing. Aanbrellen, or. w. to knit to, to new-foot; on. w. approach) sauntering. Aandribbelen, on. w. komen —, to come (to apto knit on. Aanbrek en, o. dawn, day-break; met het — van proach) tripningly. den dap, at daybreak, about sunrise. —en, ov. w. Aandrift, v. impulse; instinct. to begin, to break, to open, to touch. —lag, v. Zie AandrUfater, v. Zie Aandrijver. AandeUv en, or. w. to key up; to press (to push) Aanbrekec, o. an; to impel, to stimulate, to urge, to incite; on. Annbeeng en, or. w. to bring (nearer, on); to w. komen —, to float hither, to be cast onshore. impeach, to inform against, to denounce, to de—er, m. driver, pusher; stimulator. instigator, pose; to produce, to yield. —er, m. —ater, v. abettor. inciter. —ing, v, driving (puebing) on; inbringer; informer, denouncer; tell-tale,tale-bearatigation, incitement. er. —rug, y. bringing nearer; information, denunAandring en, or. w. to push (to press) on. — dal°n. against; to urge, to incite; on. w. to insist (op, Aanbelesehen, or. w. to neigh at; to roar (at). upon). —er, vu. —ater, v. urger, imitater. Antabeovannen, ov. w. to grumble (to grow) at. Aleindr arisen, on. w. to be contrary (to), to clash Aanbruien, ov. & on. an. Zie Artaborten. (with). Aanbruiv en, on. w. to roar, to foam, to rush on; Aandeukk en, ov. w to print to; to press(against. to use one roughly. —kg, v. tegen iemand —, to); on. w. to print on --lag, v. printing to; foaming, rushing. pressing against. Annbrull en, or. w. to roar at. —iny,v . roaring /Cantonal* en, or. w. to bend nearer. —ing, v. Alandssid en, ov. w. to indicate, to denote, to signify, to show, to point to. --mg, v. indication, bending. signification, denotement. Annbuitallen, on. w. to tumble near, to approach Aaadoeven,ov.w. to dare attack. tumbling. Aandoween, ov. w. to push on, — forward; to Annbulderwn, 'iv. w. to roar at. push (against). Aatabulken, or, w. to bellow (to law) at. Aandaeht, v. attention; devotion. —ig, by. & bw. Annelinwellen., ov. w. Zie Dw attentive (-Ty), intent (-Iy); devout -1y), pious Anneen, bw. together; successively. —binden, ov . w. to bind (to tie) together. —binding, v. binding (-1y). —igheict, v. attentiveness. (tying) together, junction. —breien,ov. w. to knit Anodanin3en, ov, w, to dam up. to dike. together. —brengen, or. w. to bring together, to Aantinnsen,on.w. !omen—, to approach dancing. Join. —flames, ov w. to botch (to patch) toAandeet, o. portion, part, contingent, shore. — hebben, to share in, to have a hand in. — nemen, gether. —geachakeld, bv. linked together, concateto take a share, to partieie ate; to take an interest nated, compact, concise. —gesloten, by . close, closely united. —groeiert, on. w. to grow together. (in). —howler, —houdster, shareholder. —groeiing,v.gvowing together,symphysis.—hakes, Anndenken„ o. remembrance, memory; keepsake. ov. w. to hook together. —hangen, on. w. to hang tot — van, in commemoration of. together, to cohere. —hechten, or. w. to fasten Aendlcht en, ov. w. to impute, to charge with. together, to attach. to join, to unite, to connect. —ing 7 • imputation. —hechting, v. joining, connecting. —ketenen, ov. Aandienen or. w. to tall, to announce, to give notice of; to* give In a. o. 'a name to usher in. zich w. to chain (to link) together. —keening, v. linking together. —klampen, or. w. to clamp together. fates —, to send in one's name. —kleven, on. w. to stick together. —klinken, or. Aandlepen, ov. w. to deepen,to make deeper; on. w. to rivet together. —knoopett, or. w. to knot w. to eound (to try) the depth.

Welke cryptogeld is het beste om de mijne


CAL.— CLA. Caleidoscoop,o. kaleidoscope. o. calico. Cetitigr rear, no calligrapher. —aphid, v. Calligraphy. —.Weise*, by. calligraphic. Calque*Ten, ov. w. to counter-draw. Calvin lama, o. Calvinism. — let, M. 081,1nItt. Caine., v. cruteo, camayeu. Camelia, v. camelia. Cacupache-hout,o.Can3peachy - wood, log-wood. Canoille, o. rabble, tag•rag, Canapé., v. sofa, conch. Candid nat. m. candidate. —atenlidst, proxy. —tamer, v. candidature, candidateship. Canon, m. canon. —fete, be. canonical. —kettle, v. canonization. —Caceres, or. w. to canonize. Cantata, v. cantata. Cantine, v. canteen. Canton, o. canton. —nearer:, ov. w. to canton. —nement, o. cantonment. Caoutchouo, o. cutch, lndia.rubber. Cdpltui atie, v. capitulation. —urea, on. w. to capitulate. Carat:IWO a, v. carambol. —eeren, on. w. to carambol, Cargo, v. cargo. —door, m. ehip's-freighter, cargador. Caricatuur, v. caricature. Carnaval, o. carnival. Carton, a. cartoon. Casco, o. hull. verzekeriny op het —, insurance on th keel of a vessel. Casiras er. o. cassimere, kerseymere. Casino. o. casino. If. caoh. —rekening, caste-account. Casmatie, v. caseation, appeal, reversion. hof ran —, court of cessation, — appeal. *id* in — vooraien, to appeal. Cease eren, ov. w. to break, to discard; to dismiss. Caste, v. caste; corporation. Casuaris, in. cassuary. Cataoowben, v. ma. catacombe. Catalogue, or. catalogue. Vatechetisela, he. & bw. catecheticiel (-1y) Cateehis ant, m. catechumen. —atie, v. catechisation. —eerweater, catechist. —erten, or. w. to catechize. —nue, m. catechism. Categor le, v. category. —itch, by. & bw. categorical (-ly). Catheder, m. pulpit, chair. Cathedraal, v. cathedral. Catheter, m. catheter. Cathol telmane, o. catholicism. —isch,tbv. & m. catholic. Cantle, v. bail, security; ale Borg. Cavalcade, v. cavalcade. Cavaier Is, v. cavalrie, horse. —let, m. cavalier, horse-man. Cede!, v. schedule, list. Ceder, in. cedar. —boom, cedar-tree. —boat, cedarwood- —en, be. cedrins. Cal, v. cell. —lebroeder, cell-monk, recluse. —normig, bv. cellular. Cellbarst, o. celibacy, celibate. Consent, a. cement. Censuur, v. censure, censorship. Cant, m. cent. —caner, m. hundred-weight.
PRE. a. (jveraar voor de booge geeatelijkheid. —lure (-tjoer), 8. waardigheid van prelaat. Prefect (pre-lekt'). v. n. eene voorlezing houden (upon). —ion (-lek'ajun), a. voorlezing, — or, B. voorlezer, lector. Prelibation (pre-laj-bee'ajun), a. voorsmaak. Preliminary (pre-lirn'i-ne-rih), a. voorafgaand, inleidend. a. voorloopig punt, voorloopige stap, PreIts de (prel'joed), a. voorapel; inleiding. —de. (Pre-ljoe.1), v. a. & n. preludeeren; iuleiden; voor berei den. —dial,—sive,—sory, a. (-pre-Joe'-) inleidend; voorbereidend. Pr emniur a (pri-me•tjoer'), a. —ely, ad te vroeg rijp; ontijd;g, voorbarig. —sty, a. ontijdiaheld, voorbarigheid. Premedita to (prented'i-tet),..—teiy,ad.vooraf overlegd; voorbedachtelijk, —te(-teet), v. a, & n. vooraf overleggen. —tion (-tee.sjun), a. voordacha, voorafgaand overleg. Premices tprem'ia-lz), pi. eeratelingen. Premier (pri'mjur), a. eerate minister. Premise (pre-maje), v. a. voorop stellen. vooraf ala praemitsen stellen. —a. (peeinilaten 18-'.!2), pl. voorop gezette atellingen, praemissen; htitt hula en erve. P,etnium (pri'mi urn), a. premie; belooning. premonl 811 pri-mon'isj), v. a. voorat waarschuwen. —shinent. —Con (-mo-nisrun). a. voorafgaande waarachuwing. —tare ,,.(-i-tur-rth), a. voorat vvartrschu wend. Premunstrate (pri•mon'street), v, a. vooraf toonen en bewijzen. P,eatorse (pri-more), a. getand, aftebeten. PrenaDtkon (pre.mosejun), a. aandrift. Prom4ini re (pram-joe-narrih), a. verbeurdver,larin•; misdeed, die met verbeurdverklaring pri..:estraft wordt; uiterste verlegenheld mjoe-nisrun), a. voorkoming cener tegenwerrdnif-tory (p •a-rnjle'ni-tur-rih), a. eene geldboete vastatellend. Pr ...Ult. to (pri-nom'i-neet), v. a. vooraf lenoeraen. —tion (-nee'sjan(, a. ,.voorstgeanae henoeming. Prenotion (pri.no'sjun,, a. voorkennia; voorsmaak. P ,ene lee (pratetts), a. [& v. a. Lie Apprentice P eeobtain (pH-ob.-teen'', a. a. vooraf verkrijgen. Preoccup ancy (pri-olt'kJoe-pen-sih), a. 'roegere In-bezit-neming. —ate (greet), v• a. die to Preoccupy, —ation vroegere in-bezit-rzemIng; vroeger bezit; vooringenoneenheld. —y (-paj), v. a. vroeger in bezit neaten, voorinne rnen. Preorninate (pri-om'i neat), v. a. voorapellen. I.reopinCon (pri-o-pin'jun), a. veroordeel. Preoption (pri-op'e)un), a. voorkeur. Preordain (pri-ur-deen'), v. a. vooraf beachikken. — verordauen. Preurdina nce (prt-or'di newt), —lion (-net, qua), s. vroegere beachlkking of verordening. —te (-net), a. vooraf betchikt. Preparat ion (prep-e.rees'ajun), N. berelding; voorbereiding; toebereldsel; voorbereidbeid, (for;. a. —ively, ad. (pre-pers tiv-), —ory, a. --oray, ,td. (pre-per'e-tur.), voorberetdend, voorloopig (to). —iv* (pre-per'e-tiv), a. toebereidael
Aveganr, m. auger, nimble. Avorechts, bw. wrong, the wrong way, preposterous/y. Averecilitseb, by. wrong, sinister, preposterous. Averke, v. average, damage. Averult, v. a brotanum, southern wood. Avond, in. evening, eve, night. van —,thla evening. ginteren —, last night. 's in the evening, at night. —brad, evening-paper. —eten, supper. —gebed, evening-prayers, completory. —kers, evening- eervice. —Mole, evening-ball, curfew. —lied, evening-hymn, -song. —lutist, evening-air. —maal, supper; Lord 'a tripper, Communion. —nsitalaganger. communicant. —muriek, nightmusic, serenade. —parte:We, evening-party. —acheerring, evening-twilight. —nth iol,evening school. —sten, evening-star. —stond, erecting. Avont mares, ov. w. to hazard, no risk, to venture. —crier, m. —uriereter, adventurer, fortunehunter. —cur, o. adventure, hazard. —curl jjk, by. & bw. adventurous (-ly), casual (-I y). Aran, on. w. to feed to prey (upon); (op) to oovet. itait)a, tn. vinegar. —puts, vinegar-bottle, crust. —maker, vinegar-man. —maker(j , vinegar-house. —moss, vinegar dregs. —race, 5. acetic acid; by. acetic; —rout, acetate. —aehtig, by. acetone. —en, or. w. to sen,on with vinegar. fazing, v. l'eding, preying; coveting. Amaral", by, azure, snored, sky-colored. A . cuur, m. lapis lazuli, azure-stone, o. anueeolor, sky- blue.

Waar kan ik gebruik maken van de digitale portemonnee


Abroach (e-brootsj'), ad. gereed om afgetapt te worden. v. a. een vat opsteken om of te tappen. Abroad (e-brand"), ad. buiten; buitenalands. Abrogat a (eb'ro-geet), v. a. atschailen, opheffen. —ion (-gee'sjun), a. afschaffing, opheffing. Abrood (e-broed'), ad. broeiend. Abrupt (eb-rupt'), a. a'gebroken, plotseling. —ion (-rup'sjun), a. afbreking. —ly. ad. .plotseling. —nets, a. aftebrokenheid; overtjling; steilte; kortileid van stiji. Abscess (eb'ses), a. gezwel; zweer. Absci nd (eb-rind'(, v. a. afanijden. —salon (-KW jun), a. afsnijding. Abscond (eb-skond'), v. a. verbergen. —, v. n. (from) zich verbergen; zich ult de voeten make. —er, a. voortvluchtige. —sion, a. vlucht. Absen ce leb'sens), a. afwezigb.eid; — of mind, verstrooidheid. —t. a. afwezig; verstrooid. Absent (eb.sent'), v. a. (from) verwijderen. —ee —er, a. afwezige. Absinth (eb'sinth), a. alpem. Absist (eb-eist'), v. n. (from) afzien, afiaten van; opgeven. Abaolta te (eb'so-ljoet), a. —tely, ad. onbepaald; voistrekt, onopzichtelijk, stellig; oppermachtig. —tenets, e. onbepaal dheid, will ekeur, despotisme. —tion (-ljoe'ajun), a. vrtspreking, kwttschelding. —tism, a. alleenheerschappit, despotisme. —tory (-solloe-tur-rih), a. vrtjsprekend. Absoiv atory (eb-aoi've-tur- rib), a. vrijsprekend. —e (eb-zolv"), v. a. vrijspreken (from. of); abaolutie geven. —er (-zol'vur), a. vrijapreker. Absonant (eb'so-nent), a. wanluidend; ongertjmd. Absonate (eb'so-neet), v. a. achuwen. Absorb (eb-sorb'), v. a. opslurpen, inzuigen; in zich opnemen; verslinden. —ed. a. (in thought) in gedachten verdiept. —ent, a. opdrogend; a. opdrogend middel. Absorp tlon leb-sorp'sjun), a. opslurping, enz. —tire, a. opslurpend, enz. Zie Absorb. § Absquatulate (eb-skwet'joe-leet), v. n. zich uit de voeten maken. Alhotain (eh-stem"), v. to. (from) zich onthouden v.. Abstemious (eb-sti'mi-us), a. — ly, ad. onthoudend, matig. —nets, a. matigheid. Abstention (eb-sten'sjun), a. onthouding; verhindering. Abater ge eb-aturdzj'), v. a. reinigen, zuiveren. —gent, —sive (-stur-siv),, a. reinigend, zutverend; afdrogend. —sion (-stur'ajun), v. afveging; zuivering. Abstlnen ce (eb'sti-ncns), s. onthouding. —t, a. —tly, ad. matig, onthoudend. Abstort (eb-stort'), v. a. ontweldigen, afpersen. Abstract (eb'strekt), a. afgetrokken begrip; ult. treksel. —s, e. orgeiregisters. v. a. Abstract (eb•strekt'), a. afgetrokken. aftrekken; uittrekken, afzonderen (from). —ed, a. afgetrokken; diepzinnig; verstroold. —edly, ad. op zich self beschouwd (from). —ednees, a. afgezonclerdheid; afgetrokkenheid. (-strek' *jun), s. afgetrokkenheid; afgetrokken denkbeeld. —ire, a. aftrekkend, afzonderend. Abstringe (eb-Istrindzn, v. a. ontbinden.
—nets, a. stet, Maxim (meks'im), a. stet-, grondregel. —um felijkbeid; belangrijkiteid, gewieht. —toe (-ajz).1 ( 1-mum), a. (het) hoogste; haogate growl. v. a. stoffelijk makes; als star 1,schouwea. —a May (met), a. Met, bloeimaand. —bloom, Imagedorm. —bug, meikever. —bush, wilde kwee. (-elz), p1. bouwatotren. —day, meidag, aerate dag van Mei. —duke, meiMatern al (me-tur'nel), a. moederlijk. — ity, a. kers. —flower, hagedoorn. —fly, meikaver. —game, moederschap. meispel; apeelbal. —lady, metkoningin. Math (meth), s. suede, mailing. lelie der dalen. —morn, irischheid. —pole, meiMathematic (meth-e-mot'ik), —al, a. —ally, ad. boom. —weed, laondskamille. —worm, meiworm. —ian (-me-tisfen), a. wiskunstenaar. May (nice') [might onajt nJ, v. n. mogen, kunnen. —8, pi. wiskunde. —be, —hap, ad. misschien. Maths (met'in), a. ochtend-, vroeg. — , a. ochtend. Mayhew (mee'him, macs), s. verminking. — 8 (-inc.), p1. metten, (del vroegniia. Mayor (rnee!ur,, s. mayor, burgemesster. —ally Matrass (met'ress), P. distilleerkolf. (-el-tih), a. mayorschap. —ems, a. echtgenoot van Maisie a imet'rial, s. matrijs, vornt; (mee'tris) een' mayor. baarmoeder. —ide (-sajd), a. moedermoord; -moonier. —lees (me-trisrus), tt. van de baar- 1Nlaxard (mez'erd), a. kriek, zwarte kers; kakebeen. mo,der. Matrlcula in (me-trik'joe-let), a. ingeschreven; Mazarine(mez - e - rieu), a. donkerblauw; tussehengerecht; fljne hemdatrook. a. ingeachreven lid. —te (-leet), v. a. ale lid inMit. a (mete), a. doolhof; verlagenheid; oozeechrijven. — tion ( 11e'sjun). s. insebrijving. kernel& —e s v. a. in verlegenheid brengen; vet, Matrinson 'al (met rt-mo'ni-el), a. huwelijks., ateld doen stun. —edit.** a. verwarring; verechtelijk. —y (met'rt-inun-nih), e. huwelijk. baasdheid. —er, a. houten baker. —y, a. verMatrix (meetriks), 8. Zie Matriee. bluft, verward, vol kronkelpadeu. Matron (mee'trun), a. huismoeder, matsone. —al, —like, — 4, a. van (al.) eene huismoeder; be- Mazologle (me-zol'od-zjih), a. kennis der zoogdieren. dsagd; eerhaar, stemmig. Pie (mi), Pr- mij Matrons (tne-tros'), s. handlanger, helper. Itlesteoelt (mi'kok), a. laf, bloode; verwjjfd. —, Matted (met'tid), a. gevlochter., verward. a. janhen, verwede vent. Matter (met'tur), 8. stof, zelfstandigheid; onderwerp; zaak; etter; gewleht. — of fact, feit, Mead {rnied, a. made; vaide. wezenlijkheid. what is the — ? wat is er gaande? Meadow (med'o), a. weide, wetland. —bouts, pl. boterkloem. —bugle, klokbloem. —eampion, is geenazina. it Ran? no such —, wat acheelt er —pinks, pl. koekoekebloera. —grass. weidegrag. no —, het heeft Wets te beduiden. —, v. n. —ground, weidegrond. —iron-ore, weide.oer.—lark, etteren; van belting zijn. —y, a. etterig. grasleeuwerik. —rue, weidetult. —saffron, t ij loos. Mat tings (meetieng.), pl. matwerls; atroodek—sweet, weidebQksbaard. —trefoil, weideklaver. ken. —took (-tuk), 8. spade, houweel. —tress —wort, weidektuid. (-tress), s. matraa. Mature te (met'joe-reet), v. a, & n. Oh) maken Meagre (mi'gur), a. —ly, ad. maser, schraal. —nese, a. msgerheid. (woiden). —tie. (-ree'sjun), a. rtiPmaking; rijP wording; ettering. —tire (-re-tiv), a. rijpina- Ibeak (miek), a. (soon van) aikkel. Mead (mien'), a. meal; meal; maaltijd. —brimstone, kend; ettering bevordeeend. zwavelpoeder. —man, meelkooper. —meat, meet a. —ely, ad. rijp, —e, v. a. & Mestair a (me-goer') nip, —rent, belaating An meal. —sieve, mealn. rijp Timken (warden). — cam, 8. riipheid. sea. —time, etenstijd. —tub, meelton. —worm, — esceot (met - toe - resieent), a. rijpend. — ity, a. nteelworm. —, v. R. met meal bestroolen. —iness rijpheid; vervaltijd. (-i-ness), a. meligheid. Matutissal (met'joe-taj-eel), a. ochtend-, vroeg. Maudlin (maod'Iin) a. dronken, bedwelmd; dom. Mealy (mienih), a. melig; nacelach.tig. —mouthed, bedeesd; verbioemend, huichelachtig. —moutheda. leverkruid. ness, a, bedeesdheid; huichelhchtigheid. Matogre m ao'gur), ad. ondanks, in weertvil van. Maul ,rnaol'), a. houten hamer, beukhamer. —stick, Mean (mien'), v. a. meenen; van zing zijn• beteekenen; v. n. voorne.nens ztjn. —, a. midden; leunstok (bij schilders). —, v. a. beaten; misinii!delmaat; tenor. —, a. —ly, ad. laag, gemeen, handelen. going. —horn, van geringe af komet. —part, midMisused (monad', mooed'), a. mend, handkorf. delstem. —spirited, laag, verachtelijk. —time. —er, v. a. prevelen, mompelen; bedelen. —y, — while, ad. ruiddelerviijl. thurinlay (rnaon'dih-), witte donderdag. Mean der (mi-eredur). s. kronkeling, boeht. —der, Mausoleums (mao-so-li'um), a. praalgraf. 'a. a. & n. kronkelen. —drone (-drug), a. kron , Maw (trtaow'), s. maag, krop. —worn;, spoelkelig. v4orm. made. rillasvyk (maak'), a. made; slat —ingly, ad. alon- Mean lug (mien'ieng), a. meening; beteekenis. —ness, a. laagheid, gemeenheid; geringheid. —s zig, omerig. —ish, a. walgelijk; laf. —ishness, (mien.), s. rniddel, wijze; p1. middelen, inkoma. walgelijkheid; lafhuid. —a, a. slat, slons, sten; by all —, in elk gavel; by no —, in geen moreebel; pl. grillen. geval, geenazins. Maw suet Imao'rnit), a. popje, afgodabeeldje. (mies), a. vighonderdtal Iharingen) . . ;Manse a. izinderachtig; walgelijk. —y (•1e-ritil, a. vr,n de Measles' (rni"z1d), a. vol mazelen; gorttg; maMaxillae zelig, bask, van bet kakebeen. H. materialist. —ity

nano s cryptogeld wallet


ABS.—ACC. Abstrus e (eb-stroes'), a. —ely, ad. diepzinnig, duister. —mess, —ity, a. dulaterheid, onverstaanbaarheid. Absume (eb-sjoem'), v. a. langzaam verteren. Absurd (eb-surd'), a. ongerijmd. —ity, —ness, s. ongerijmdheid. Abundan ce (e-bun'dena), a. overvloed. —t, a. —tly. ad. overvloedig. Abus a (e-bjoez'). a. misbruik; mlaleiding; beleediging. —e (-bjoezi, v. a. misbruiken; bedriegen; beleedigen. —er (-bjoea'ur), a. miabruiker, enz. —ive, a —ive/y, ad. miabruikend; verkeerd; bedriegelijk ; beleedigend. , a. lasterzucht. Abut (e-but'), v. n. (on. upon) aangrenzen, belenden. —meat, a. bruggehoofd; belanding. —tat. 140, a. aanpaling; grena. Abysmal (e-biemell„ a. grondelooa. Abyss fe-ble"), a. atgrond; hel; oak Abysm. Acacia (e-kee'sji-e), a. acacia; german —, gleedoorn. Acadeim lal (ek-e-di'mi-e1),—ic (-dem'ik), —ical (-dem'ikl), a. akademiach, --aan, —ic, a. student; bezoeker eener hoogeachool; academicas. —ician (mie'ejen), —itt (e-ked'i-mist), a. akademist; lid van een geleerd genootschap. —y (e-ked'i-mih), a. akademiel school noon wijsbegeerte; geleerden-vereeniging; speelhuis. Acajou (ek'ed-zjoe), a, mahoniehout; mahonieboom. —nut, a. cachou. Acanaccous (ek-e-nee'ejue), a. doornig. Acantha (e-ken'thel, a. doom, stekel. Acanthus (e-ken'thua), a. berenklauw; lofwerk van een kapiteel. Acatalap sy (e-ket-e-lep'sih), a. onbegrtjpelijkheld. —tic, a. onbegrijpelijk. Accede (ek-sied'), v. n. (to), toetreden tot; toestemmen in. Accelerate (ek-eel'ur-eet), v. a. beepoedigen, (ee'sjun), a. bespoediging. —ive veranellen. (-er tiv), —ory (-e-tur-ih), a. verenellend.; Accen at lek-sen.cr ► , v. a. aanateken, in vim zetten. —debility (-di-bil'it-tih), s. ontvlambaarheld. —dible, a. ontvlambaar. —aeon (sen'sjun), a. sansteking. Accent (ek'sent), a. accent. klemtoon; uitepraak; etembuiging. —a, a. klanken, tonen. Accent (ek-sent' ►, —uate (-joe-eet), v. a. accentueeren; den klemtoon geven; uitspreken: —or, a. aerate discant. —uation 1-joe-ee'sjun),-a. accentuatie, apraakkunatige uitspraak. Accept (ek sept'), v. a. aannemen; (of) genoegen nemen met. —ability 1-te-bil'it-tih), —ablenees (ibl-ness), a. aannemelijkheld. —able, a. (to) aannemelijk; aangenaam. —ance (-tens), a. cantleming. goedkeuring. —ation 1-tee'ejun), —ion (sep'sjun). a. ontvangst; goedkeuring; aangenomen beteekents van een woord. —er, —or, a. aannemer; goedkeurder. Access (ek-sea'), a. toegang; aanwaa; ziektevlaag. —ible, a. toegankelijk, genaakbaar. —ion, a. hornet. nadering; aanwaa. —orily, ad. daarenbovan. —oriness, a. medeplichtigheid. —ory, a. bijkomend. bijgevoegd: medeplichtig. —ory. a. medeplichtige: aanhangsel , toegift. Accident (Wei-dent), a. toeval; ongeiuk.

In order to attend the Meeting, bearer or dematerialized shareholders shall deposit their shares at the Corporation’s principal place of business register them in an approved establishment, not less than five (5) working days before the date set for the Meeting. Shareholders with registered shares shall be listed in the Corporation’s ledger or registered shares not less than five (5) working days before the date of the meeting and shall notify the Corporation in writing of their intention to attend the Meeting by the same deadline, indicating the number of shares of which they shall avail themselves. solvay.com
Hitt-L-1MA. 513 flowers; trash. —haar,curl lug !Lair. —bond, water- of feats of horeemanship, vaulter. —r(ik, by. & spaniel. —User, —pries,curling.gin, -iron. —keel, bw. artful (-ly). —schilder, painter. —school, arise-cabbage. —bop, curled head, crisp-head. polyteehnic ecnool. —springer, tumbler, rope—letter, flourished letter, flourish. —aalade, crisp- dancer, vaulter. stale, master-piece; trick. —teal, lettuce. —tubed, crisp-tobacco. —tang, tweezer, technical language. —versameling, collection of —*eerie, scrolls. —lebol, curly-headed child. —lencuriosities- —v/(it, industry. —vustilverk, firej9ngen, carpenter 'a prentice.—lenotaaketer, —len- work, —week, work (production) of art. —workmaker, head dresser. hag, machine, eugine. —word, technical tern. Krull en, or. & on. w. to curl, to crisp, to trip —Inoordenboek, technical dictionary —swear, ale, to flourish —ig, be. curly. —igheid, v. earfontanel, issue. —ennsoker, zle R unsteplNnliness. —icy, v. curling, crisping, frizzling. 6^er. hub, Kubba , v. weal. Kunsteleos, by. artless —held, v. ertiessness. nt. o be. cubic. —, o. cube. —wortel, cubic- Kunoten soar, m. —ores, v. artist, artificer. Kubiak, —erti, v. artifice. Knob, v. dry cough. —en, on. Yr. to cough. er, Kunetig, be. & bar. artful (-1y)., artificial ( iy), —ster,v. cougher. ingenious (-1y). —held, v. artfulness, Kudde, v. herd; flock. nee., Ingeniousness. Kof, v. mean tavern. Kunst.' e. o. trick. Kula**, m. walk. —en, on. w. to walk. —wog, Kuraosier, m. cuirassier. walk. —ins, v. walking, walk, Karen, on. w. to leer, to wink. Kull, v. tuft, crest; toupee. —hen, tufted hen. K nrannaskar, tn. jester, droll, buffoon. —mute, bead-dress. K 'irk, o. cork. —, v. cork, stopple. —boons, cork. Kulken, o. chicken; ate Kleken. tree. —etrekker, cork•screw. —enen(ider, corkKull, to. hole, pit; den, cove; hindpart of a maker. —en, be. cork. —en, ov. w. to cork. fishing net. —kaar, —mot, moos growing about Kurkuesaa, v. turmeric the fo st of a tree. —aelstig, be. full of holes. Kum, m. kits, buss. —len, ov. w. to kitty, —handje, —en, or. W. to lay in a pit; on. w. to play at een geren, to kiss one 's hand to (ci). chuck-farthing. —iq, br. full of holes. —tje, IK u risen, o, cuehion; pillow. —sloop, pillow case. o. dimple. —tjesepel. chuck-farthing. Kuesur, in. kisser. Kali), v. tub; tan-vat. —en, ov. . & on. w. to Kust, v. coast, shore; choice, liking. to — en to coop; to intrigue, to cabol, to canvass. —bout, Lear, in plenty, of every description, according neva. —huie, cooper 's shop. —loon, cooperage. to one 's wish. —bewetorder, ---seachter, coast—er, m. cooper; intriguer. —erij, v. cooper 'a guard. —land, coast-land. —lieht, coast light. trade; — chop; intrigue —vaarder, cower. —vaart, coasting-trade. Kula, v. club; marble. Kustlingc, v. mortgage. —brief, document of Kuigch, be. chaste (-iy), pure, modest (-1y). —en, mortgage. or. w. to chasten; to purify. —boom, chaste- Kuur, v. freak, maggot, whim; cure. tree, egnus-castut. —beef, bull-calf. —stolen, Kwaad, bv. & by. bad (-Iy), 111, evil, angry —held, v, chasteness. chastity. (op, with); difficult, hard. zit , ' maker, to get Knit, v. calf (of the leg); roe, spawn. —sekieten, into a passion,. — a pot. to — to he in to spawn. —boars, spawner (of perch). —been, arreer, to owe, to be due. —, o, evil, harm. calf of the leg. — fibber, caper. —haring, %pawnmischief. — does, to do wrong. —aardig, be. & er of herring). —cinch, spawner. —er. m. spawner bw. malicious (-ly), malignant (-1y) —eerilyKul wig, be. tare I. held, malice, malignity —doener, --doeneter, eken skrul d, o. rue-wort, matyrion. maiefastor. —peeled. malevolent. —gesindkeid, Kande, v, knowledge. malevolence. —eappig, caehectic, cacochymia. Kuwaiti, be. learned, skilled, knowing. —held, v. —stsppigheid, c 'wherry, cacochynny. —cehlke, —keden, me. learning, kvo a ledge goedsekike of willing or not, will Kann*, v. ten. he ntli he. —spreekster, slanderer, back-biter. Kunnea, or. & on. w. can, to be able, may. —spreken (van), to slander, to back-bite. --agre• Kunst. v. art; trick. de true —en, the liberal head, slanderoste. —eprekendheid. slander, dearts, de stearte —, necromancy. —asCnt, artificial traction. —eprekers slanderer, back-biter _ vinegar. —beteerker, operator. —beteerking, opera- lip, be. & bw. malevolent (-1y). —seillighe , d, tion. —bloom, artificial flower. —draaier, ivorynnlevolence —seer, scald, scurf. turner. —genoot, fellow-artist. —genootsehop, K waral, v. disease, distemper, milady, complaint; society of arts. —greep, artifice, trick, knack. evil, grief. —verploatsing, antispaels. —kande!. trade in works of art; print shop. Kwab, Kwabba, v. lobe; wen; dew-lap. —cal, —kabinet, cabinet of artificial curiosities. —ho- eel-pout. —big, be. lobed; chubby. mer, museum. —kenner, connoisseur. —kennis, Kwak, m, plump; epawl ; remnant of liquor; knowledge of arts. —kooper, dealer in works of remainder ; story, jest. art; print-seller. —lierend, favoring (patronizing) K waken, on. w. to croak, to quack; to gabble. the arts. —lievendkeid, 1o7e of the arts. —matig, Kw/siker, rn. quaker; gubbler. v. cytakerion4 by. & bw. according to the rules of art, tech- Kwakkel, m. quail. —beentje, quail-pipe. cat-nail. —geld, small sole. —ear, m. Weal ( - IY), artificial (•lyr. —print, engraving. —rocker, critic. —redenaar, rhetorician. —regel, sickly person, linge:er. —en, on. w. to sing rule (principle) of art. —War, rider, performer (like a quail); to be inconstant, to frees, and 17

Waar kunt u kopen Bitcoins


Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip.

cryptogeld kya hai


AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to

cryptogeld arbitrage


WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Waar kan ik kopen goedkope Bitcoins


zetten. Strophe (stro'fih), s. strophe, vers. Strom' (stro) [atrowed. °frown' (stroon)], v. a. etroolen, bestrooien. Structure (etruktioer), s. bouw; bouwtrant; inrichting; gebouw. Struggle Istrug'g1), s. inspanning; getob; strijd; worsteling. —, v. n. zich afmatten, tobben; worstelen (against. with). —r, a. worstelaar. Strum as (stroe'r2e), s. kropgezwel. —ass, a. aan
Wk. onuitvoerbaar; onbandelbaar. —bility, (-ke• drang ; aandrift ; Mot. —ire, a. aandrijvend. s. ondoenlijkheid, onult- —ively, ad. door drang. voerbaarheid; weerspannigheid. Impunity (im-pjoenit-tih), s. etraffelonsheid. rftliprects te (im' pre- keet), v. a. verwensehen, Impair e (im-pjoer'),a. —ely. ad . onrein; onkuisch. vervloeken. (-kee'sjun), s. verwensching, —eness, —ity, s. onreinheid; onkuischheid. vervloekiug. —tory, a. verwenschend. Impurple (1m-pur'pl), v. a. purperkleurig maken. Inapregin (im-prien , „ v. a. Zie to Impregnate. Imput able (im-pjoelibl), a. te wijien, toe te ltnprcgoa tale (im-preenibl), a. —bly, ad. on- achrijven. —ation, (-tee'sjun), s. toerekening, toene,mbear; onwrikbaar. —te (-neet), a. beswan- sehrijving; aantljging. —nave, a. —atively. ad . gerd. verzadigd. —te (-neat), v. a. bezwangeren; (-te-tiv-), toesehrtivend, toerekenend. —e, v. a. doortrekken; verzadigen. —tins (-nee'sjun), a. be- toeschrijven ; wtjten ; te lasts leggen, (to). —er, zwangering; verzadiging. a. toeschrijver; aantijger. Imprescribtliale (im-pre-skript'ibl), a. enver- Imputrescibi• (im-pjoe-tres'sibl), a. onverrotbaar; onbederfeltk. aarbaar. Impress (im'press), a. indruksel; merk; Mu- In (in), pop. te; op; naar; onder. —, ad. bins pi euk; pressing. nen, thuis. —that, dewijl. —the hundred, tan hon. Impress (irn-press';, v. a. indrukkea; inpren- lord. — my opinion, imbue bedunkens. nine times ten, (on); doordringen (with); merken; pressen, — ten, negen keeren van de tien. a. onvermogen, onbe—ibility (-ti-bil'it-tih), 8. vatbaarheid voor in- Inability drukken. —able, a. vatbaar year indrukken, —ion kwaamheid. (-eresp.,), S . indrukking; working; indruk; af- Inabstinence (ire-eb'sti-nens), s. onmatigheid. urs:k; drab, oplage. —ive, a. —ively, ad. indruk- Inaccessi Yule (in-ek-ses'sibl), a. —bly, ad. onmakend, treffend, —iveness, s. (het) indruk ma- toegankelijk, ongenaakbasr. —tileness, kende. treffende. —went, s. pressing. —are (-presj' (-si-biPit-tih), s. ontoegankelijkheid. tier), s. indruirsel, merk. Iuuccurta cy (in-ek'kjoe•re-sih), a. onnauwke.uInaprest (im'prest), ts. haudgeld, voorschot. righeid. —te, a. —tely, ad. (-ret-1, onnauwtseurig. fti,prevalenee (in.-prev'e-lens)„ a. onvermogen Intact ion (in-ek'sjun), —ivity (-tiv'it-tih), a. 'fiverijn over wicht to bandhaven. 0111z keloosheid. —ire, a. —ively, ad. werYeloos. imprint (im'print), s. opgaaf van drukplaata, Inadequa te(in - ed i e - kwet),a. — tely,ad.ongeevenredigd, onvoldoend (to). —op (-km-a-31h), —teness, drukker, jaartal, enz. (van sera bock). — (-print'), a. ongeevenredigdheid, onvoldoendheid. v. a. drukken; inprenten (on, upon). impritiack (im-priz'zrt), v. a. ge,angen zetten. Intill11111.1 bility tin-ed - mia - si - bil'it - tiN, a. ongevangenueming-; gevangensehap. aannemelijkheia. —ble (-mis'xibl), a. onaanne- went, I mprob aisle (irn-prob'ib1), a. —ably, ad. on- melijk. wart iseltijnlij lc. —ability (-e- bil'it-tib), s. ormaar- lundverten ce (in-ed-vnetens), —cy, s. onachtscbijnlijkhetd. --ity„ s. oneerlijkheid. zaamheid. —t, a. —tly, ad. onachtzaam.
BUaettesiven, ov, & on. w. to shove to, to approach. m. coition. —, rxi. & v. bed-fallow. —liter, v. bed-fellow, concubine. m. bedlikigiap en, on. w. to copulate. — v. copulation. fellow. BUsteepers, ev. w. to drag to. Ilkj4mank, tn. tang, tinge, aftertaste. HUrtinlitan,ov. w. to throw to, to odd. B Ut10101, y. odd money. Blispreak, v. motto, inscription; metaphor. BUspring en, ov. w. to assist, to aid, to succor. —er, rn. succorer. —lag, v. v. assisting, succoring. 111Ustann, 07. W. to freest, to succor, to support, to hack. Militant% no. aesietance, succor, support, relief. —er, tn. assistant, supporter. IBUsiell en, no. w. to add, to join, —ing, v. adding; apposition. 81,14terf, bv.. confused, troubled, at a loss. het spoor — , out of the way, astray; out, wrong. —, bw. extremely, sadly. —nis,.y. confusion, perplexit y. Dv. crazy. —zinnigkeid, v. craziness. BLit, v. gap. —hatter, gap-maker. nehttg, by. biting, mordacious. —achtigheid, v. mordacity, --en, on w. to bite; op de tandem —, to grind the teeth. —tnidelei, corrosive. —end, by. biting, sharp, acrid, tort, sorcostic; corrosive. —er, in. biter; tooth. de, bw. betimes, timely, in due time. ▪ wind-fall;:approbo1111Jv nil, in. ae.indentol] tiou, applause. --fen, on. w. to fall to, to side
Ik, vnw, I. — self, I mrielf. —held, v. individuality. Summer, bw. ever. —meer, bw. ever, evermore. "[miners, fw. indeed, to be sure, at least, nay, I date say. Impost,,. impost, custom, tax, duty. In, vz. in, into, within, at. — de twintig, twenty and odd. Innebtnenalug, v. observance. Inndem en, or. w. to breathe, to respire, to inhale. —leg, v. respiration, inhalation. Inbaker en, ov. w. to swaddle in, — up, to swaths. Inbnkken, ou. w. to lessen in baking. Inbtalstent en, or. w. to enbalaa. —ing, v. embalming. tubes." den (zIeb) 4 t. w. to imagine, to fancy. —ing, v. imagination, fancy, idea; self-conceit. Inilegoetelp, met — van, included. Inbeltelen, or. w. to work in with the chisel. Inbellen, or. w. to call in by ringing a bell. Inbergevi, or. w. to put by, to lock in. Inbeslagnenalng, v. seizure. Inbeuren, ov. w. to lift into; to receive. Inbeztt nenting,v. taking possession. —stalling, v. investiture. InbUt en, or. w. to make a ship enter into the harbor by breaking the ice; on. W. to corrode, to eat in, to fret into. —end, bv. corrosive. —ing, v. corrosion. Inblkken, ov. w. to notch, to jag. Inbind en, or. w. to bind (to tie) in, — closer; to restrain, to bridle; to reeve keen zeil v. binding in; restraining, bridling. Inbitter, by. very bitter. Inblitrestter, v. Zie Inbiager. Inblanw, bv. very blue, dark-blue. Cabinz en, or. w. to blow into; to inflate, to inspire, to prompt, to suggest. —er, m. prompter, suggester, instigator. —ing, v. inspiration, suggestion, Juni gat ton. bv. very glad. Inbiltiveu, on. w. to remain within. Iteboedel, Inbar I, m. furniture, household• stuff; goods and chattels. Inbtiegem, on. w. to enter into a harbor. Inboezem ass, or. W. to inspire with, to instill (into), to insinuate. —leg, v. inspiration, insinuation. Inbonzien, ov. w. to bounce in, — into. Iubooenan, or. Iv. to push into (by means of a pole. Inboorling, m. & v. native. Iuboos, tso, very wicked, reprobate. Inbo•en, or. w. to bore, to pierce. Inborst, v. character, temper, turn of mind. Inbreak, v. burglary, tut/action. Inbrand en, ov. & on. w. to burn (into); to cauterize; to lessen when being burnt, —kg, v. burning; cauterization. Inb7nosen, ov. w. to brace in. Kuhr ek en, on. w. to break in; to commit burglary. —er, m. burglar. —tug, v. breaking in; burglary. Inbreng an, ov. w. to bring in, — into; to import; to furnish; to earn; to adduce, to allege.

DIgnifleatIon (dig-nit-fl-kee'ajun), a. verlielling. Desna fled (dig'ni-fajd), a. doorluchtig, hoogwaardig. —fy (-fall, a. a. verhoogen, verheifen. —tarp, a. waardigheidsbeklee der; kerkvoogd. —ty, a. waardigheid. Digraph dargref), e. tweeklank. Digress (di-gress"), v. n. afwijken; uitweiden. —ton (-ajun), a. uitweiding. —ire, a. —irely, ad. uitweidend. DUudicat a (di-dzjeredi keel), v. a. vonnisaen, uitwijzen. —ion (-kee'sjun), a. uitwijzing, vonnis. Dike (dajk), a. grach', greb; dam. —, v. a. inAiken. Dilaoerat e (di-les'ur-eet), v. a. vaneen scheuren. —ion (-ee'sjun), 0. vaneenacheuring. Dilapidat a (di-lepii-deet), v. a. omverhalen; verkwiaten; v. n. vervallen. —ion (-dee'sjun). s vervalling; sleeping; doorbrenging. —or, a. Blooper; doorbrenger. Dilat ability (di-lee-te-bil'it a. uitzetbaarheld. —able, a. uitzetbear. —ation (dil-e tee'ajun), a. uitzetting. —e (-leet'), v. a. doen uitzetten, verwilden; v. n. uitzetten; uitweiden. —or, e. verwijder. —oriness (diPe-tur-), a. traagheid; talmerigheid. —orily, ad. — ory, e. (dille-tur-) traag; vadzig; talmerig. Dilection (di-lek'mjun), s. innige genegenheid. Dilemma (di-lem'me), a. klemrede; verlegenheld; dilemma. Dilettante (dil-et-ten'te), a. dilettant; lief hebber. Diligen ce &Jens), s. vltjt, naarstigheid; reiswagen. —t, a. —fly, ad. naaratig, vlijtig. Dill (dill), a. dille. § —, v. a. bedaren; lenigen. Dilly-dally (diPlih-del-lihl, v. n. talmen. Dilucid (di-ljoe'sid), a. klaar, holder. —ate, a. a. ophelderen, verklaren. —alien (-dee'sjun), a. opheldering; toelichting. Diluent (dilloe-ent), a. verdunnend. verdunnend middel. Dilut e A. dun, 'ierdund; v. a. verdunnen, aanlengen. —er, a. verdunner; verdunnend middel. —ion (-1joe'sjun), s. verdun• aanlenging. Diluvl al (di-ljoe'vi-el), —an, a. den zondvloed betreffend. Dim (dim'), a. —ly, ad. duiater, • schemerig. —sighted, slecht van gezicnt. —, v. a. verduisteren. benevelen. —mish, a. duieterachtig; dof. —nes a. duiaterheid; kortziehtigheid. Dime Itlainf), a. een tiende dollar. DiMen sion (di-men'sjun), s. afmeting; omvang, uitgebreldheid. ---siOntesd, a. onmetelijk. —sity, a. uitgebreldheid, omvang. —sive, a. atmetend; do grenzen aanvvijzend. Dimidia te (di-mid'i•eet), v. a. halveeren. —tion 1-ee'sjnnl, a. halveering. Dimin ish (di-min'isj), v. a. verminderen, verkleinen; v. n. verminderen, afnemen. —ution (dim-i-njoe'sjun), a. vermindering. Diminutiv," (di-min'joe.tiv), a. —ly, ad. klein, goring; verkleind. a. verkleinwoord. —ness, a. geringheid. Dimiss ion (di-mis'sjun), a. ontslag; wegzending. —ory (dim'is-sur-rih), a. ontslaand; near sea' anderen rechtar verwijzend. Dimity (dim'it-tili), a. diemet.
bw. some, any. —ermate„ bw. aonlewhat, in some measure, in some degree. —snot's, —erte(fee, bw. (in) any way. —Acid, v. singleness, singularity; loneliness, solitude, solitariness; unanimity, harmony. bar. Lie Eunig. —seine, bw. somewhat, rather, in some degree. Eenjarig, be. of one year, one year old. Eeiskennig, be. eby. —Acid, v. shyness. Eeniettereepig, Ibv. monoaillableal. —woord, monosyllable. Eenl.nbbig, be. monocotyledonous. Eenioop end„ be. unmarried, single. E.ntranal, by. once. Eennilddelpuntlg, be. concentric. Eenrisoedig, be. & bw. unanimous (-ly). Eenoog, m. & v. one-eyed person. —ig, be. oneeyed, monocular. Eenarlg, be. & by. unanimous (-ly); uniform (-ly). —held, v. unanimity; uniformity. Cans, lr.v. one°, one day, once upon a time; of one accord. niet —, not even. het — (tearden), to agree. Eeneehedirwlg, be. heteroscian. —en m. me. heter °ult. Eeinschallg, be. univalve. Eensdeele„ bw. partly. EenegezInd, be. unanimous, of one mind.:—hsitl, v. unanimity, concord, harmony, Eensklape, bw. suddenly, on a sudden, all at once. Eeneloldend, bv. of the same tenor, similar; ale GeliJkluldend. voor — afechrift, a true copy. —heid, v. conformity. Eeneteinntlg, be. & by. unanimous (-1y), barmoutons (-ly), of one consent. —heid, v. unanimity, concord, harmony. Eentnt, o. unit. Etntonlg. bv. & bw. monotonous (-1y), tedious (-1y) —held, v. monotony, tediousness. Eenvervig, be. of one color, plain, Eenvoranig, be. uniform. —held, v. uniformity. Eenvond, in. singular number; sie Eenvou% diglecid. --ip, be. & bw. singular; uneomposed; sim els (-ply), plain (- I y), candid (-ly), ingenuous ( - )y), credulous (-ly); snare (-13r). —igheid, v. simplicity, plainness; candor, ingenuousness, credulousness. Earswerf, Pm. once. Eenznem, be, solitary, lonely, retired. — bw. solitarily, in solitude. —held, v. solitariness, solitude, retirement. Eanaelwrg, be. identical; manotonoua. —Arid, v. identicalness, sameness; monotony. EenzUdig, be. & by. partial (-ly). —held, v. partiality. Ear., bw. sooner. hoe — hoe liever, the sooner the better. —, nw. before, ere. Ear, v. honor; glory. bed van —, field of honor. pant ran —, point of honor. op ni(ra wooed . van —, upon my honor. ismand he /textile — beseirsen, to perform the last duties to a. o. in cUe — en deugd, in all decency. in —e holden, to have reward res. ter —e van, in honor of. eerie — atelier: in, to be proud of, to pride one 'a self on. —ambt, trust (post) of honor, —bewile, —kw( zing, respect, bono", homage. —gevoel, sense Of
praaien. Ha (ha), int. ha! int. hell! veel geluk I praaischuit. fellow , goede vrinnd. Habeas corpus (hee'bi-ea kor'pus), s. wet op Ilainoue (hee'nue), a. Zie Heinous. de proventleve gevangenig. Haberdasher (heb'ur-desj-ur), a. kramer, ga Hair (heer';, s. hear; dread, vleug; ztertje. to a —, ran- en bandverkooper. —y, s. kramerij. op een hear. against the —, met weerztu. —bag, haarzakje. —brained, onbeanisd. --breadth, hearilaberdine (heb-ur dien'), s. labberdaan. Habergeon (he-bur'dzji-un), s. borstharnas. breedte. —broom, kainerbezem. —brush, haarHabiliment (he.bil'i-rnen t),e.gew sad , uttruenting , boratel. —cloth, haardoek. —dresser, hopper-. fillet, —lace, haerband. —needle, —pin, hearHabit (heb'it), a. ewoonte, hebbelijkheid; gespeld. —powder, haarpoeder. —roller, papillot. steldheid, toestand; kleeding, rajkleed. —, v. a. kleeden. —able, a. bewoonbaar. —ability (-1-te—shirt, haren liemd. —side, nerf, —sieve, haren hint-till). —ableness, a. bewoonbaarlieid. reef. —star, haarkomeet. —stroke, ophaal (eener (.i•tikl), s. woning. —once, —ancy, s. wettige achrijfletter(. —trunk, ruige koffer. —weed, waneerzetting, verblijf. —ant, s. bewoner. —ation terms. —wcrrn, haarworm. —iness„ s.harigheid. (-i-tee'sjun), s. bewoning; wooing. —less, a, keel. —y, a. harig, ruig; haren. Habits' al (he-birjoe•el), a. —ally, ad. gewoon, Hake (beak), 0. roodoog (viscb). gebruikelijk; gewoonlijk. —ate i-et), a. bilge- Halberd (haol'berd), a. hellebaard. —ier, (-dice), worteld. —ate 1-eet), v. A. gewennea. s. hellebaardier. Habitude (heb'i•tjoed), s. gewoonte, hebbelijk- Halcyon (hel'sji-un), a. kalm, rustig, vreedheld; gemeenzoam verkeer. ream. —, a. ijsvogel. Habnab (heb'neb), Ad, luk of rank; door elkander. Hale (heel), a. `gezond, frisch. v. a. Zie to Hack (hek)„ a. hak, keep; oude knol,huurpaard; Haul. Half -koets. —, v. a. hakken; verminken; v. n. hak(haan, a. & ad. half; ten halve. —, a. helft. kelen; rich prijs geven. at (by) —, ten halve. my better —, mime weeerHackle (hek'k1), a. hekel. helft. —blood, halfbroeder. -roster. —blooded, v. a. hekelen. Hackney (bek'n1h), a. verhuurd wordend; veil; laag, verhaeterd. —breed, a. van gekruint ras; afgeznegd. s. telganger; huurpaard; huurling; s. halfbloed. — brother, stief-, halfbroeder. —comlichtekooi. munion, avondmaal cruder 6lne geetalte. —deck, huurkoets. —coachman, huur • koetsier. —horse, huurpeard. —man, verhtearder halfdek. —learned, hal fgeleerd. —pay, halve soldij ; van paarden en rijtuigen. —writer, broodechrtj- wachtgeld. —penny (hee'pen•nih), halve atuiver. ver, bundling. —, v. a. gewennen; in eene hour- —pike, halve (offIciers-) piek. --seasover, half koets vervoeren. —ed (-slid), a. vereleten, afgebeschonken. —sighted, kortrichtig. —sister, mt tef-, zaagd. halfzuster. —sphere, halfrond, halve wereldbel. Haddock (hed'duk), s. schelvisch. —strained,on7olkomen,—aword,lijfgevesIttit.—way, Hada (heed), s. stalls echacht, staande gang (in ad. halfweg. —wit, domoor. —witted, onnoozel, mijuen). dom. Haft (haaft), s. handvat, heeht. —, v. a. van een Halibut (hol'i-but), a. hellbot. handvat of hecht voorzien. Halidom (hert-duin), a. heilige maagd. Hag (beg'), a. heks, tooverkol. —born, van aene Hall (haor), e, zeal; gildgkamer; gerechtshol'; heice geboren. —ridden, beheket. —seed, heksenheerenhuie; voorportaal. cbmmon geineentekind. — v. a. kwellen; beangotigen. huis, verkoophuie. —day, gerechtedag. —age, 0. H aggar dIheg'gurd), ' a. —/y, ad. mager, verwilmarkt, staangeld. derd, wanstaltig, ontdaan. a. wilde (Itchtlwe) lllallelajjah (hel - le - loe'je), a. hallelujah. yolk; monster. Halliard, Halyard (hellurd), s. val. —block, Hag gess (heg'gess), s. leverworst. (-Os% valblok. a. hekeachtig, mievormd, afschuweltjk. Halloo (hel-loe'), int. hallo! —, v. a. door geHaggle (heg'g1), v. a. klein hakken; verminken; schreenw aandrijven of verjagen; aanschreeuv. n. knibbelen. —r, s. hokker; knibbelaar. wen; v. n. echreeuwen, hello roepen. Haglograph er (hee•dtji-og're-fur), a. keno- Hallow (hello), v. a. wijden, heiligen. —Inas niek Igevvild) achrijver. —y, a. de kanonieke (ge• (-mead), s. Allerzielen. wijde) boeken. Ilallucina to (hel-ljoe'si-neet), v. n. dwalen, llaguebuti(heg'but), s. musket, snaphaan. struikelen. '—lion (-nee'siunl, s. wean, rinsbeIlah (ha), int. ha! drog; dwaling, feil,mieslag. —tory (-ne-tur-rih), Hail (heel'), a. bagel. —shot, echot met echroot. a. dwalend, mistastend. —Mower, —storm, hageibui, jacht. —stone, bagel- Halo (haom), a. stroohalm, stroo. steen. —, v. a. & n. hagelen. —y, a. hagelachtig. Halo (hee'lo), a. liehtkrans. Hall (heel'), a, gezond, Meek. —, a. groet; liaise (hsos), a. kluis. Lie Hawse. stembereek. —, v. a. groeten, hell wenmehen; Halser (hewers), a. halo (touw). lie Hawser. 5
hEA League (1leg"), a. verbond; urijl. —, v. n. een verbund aluiten. --r, a. bondgenoot. Leak (liek'), a. lek. —, v. a. laten nitlekken; v. n. lekken. —age, a. lekkage. —y, a. Lek; babbelachtig. Leant (Hem), a. kop: , elband (voorjachthonden). —er, a. lei-, speurhond. Lean (lieu'), a. —ly, ad. wager, schraal; dor; annzalig, —. a. (het) mature (eau vleeach). —netts, a. magerheid, schraalheid. Lean (lien'), v. a. doen leunen; v. n. leunen, ateunen (on, upon)• overhellen, neigen (to). —ingstaff, kruk. —stock, stut, steun. Leap sprong; hespringing. —frog, haasjeover 000). —year, schrikkeljaar. —, v. a. overnpringen, bespringen; v. n. epringen. —er, a. springer, Learn (lurn'), v. a. & n. leeten; vernemen. —eel, a. —edly, ad. geleerd, kundig. —er, a. leerling; —ing, s. geleerdhetd; bedrevenhetd, Leasable (lies'ibl), a. verhuurbaer. Lease (lie a'), a. hour-,pacht contract, huur, pac ht. to let by —, verburen, verpachten. —hold, a. gehutted, gepeeht; s. pachtgoed. —holder, pachter. —, v. a. verpachten, verhuren. Lease (lieu'), v. n. nalezen, inzamelen.—r, s. na• naoogater. Leash (liesno. leis, koppel,riern; drietai. —, v. a. binders, koppelen. Least (lieat), u. kleinste, minute. —,ad.minst. at —, ten minste. not in the —, in het gateel niet. Leather (leth'nr). a. leder. —, a. lederen. —dresser, lederbereider, leertouwer. —seller, lederkooper. —sling, riem. —, v. a. afranselen. —n, a, ledere.- lederachtig, taai. Leave (liev'), a. verlot, vergunning; afecheid. to take French—, tie French. Leave (Hey') [left], v. a. verlaten; laten, nalaten. (off) steken, ophouden; laten varen. (out) nit-, weglaten, verzuinten. —, v. n. ophouden, aflaten. —d, a. gebladerd. Leaven (lev'n), a. zuardeeg. —, v. a. doen rljzen; doordringen, beametten. 1LeavIngs (lievlengz), pl. overblijfsels, uitschot, kliekje. Lecher Ileterur), a. lichtnale, boeleerder. —, v. n. ontuehtig leven. -sue, a. —ously, ad. wellustig, ontuchtig. —ousness, —y, E. geilheid, welluet, ontucht. 1LectIon (lek'ejun), a. lezing; voorlezing. —ary, s. voorleesboeir. Lecture (lekt'joer), a. lezing, voorlezing; etrafpreek. v. a. onderrichten; de lec lezen (for, over); v. n. voorlezingen houden (on). —r, e. yourleZer, lector; hutipprediker. —ship, a, voorlezer-, lectorschap; ambt van hulpprediker. Lecturn (lek'turn), a. leseenaar, lezenaar. Led (led'), part. geleid. —captain, pluitestrijtcer, klaplooper. —horse, handpaard. Ledge (ledzj), a. rand, richel, Nat; laag,schicht; rib, zwalp. Ledger Iledzrur), e. grootboek. Lee (lie'), a. lii, Iowa zijde, —board, liii.waard. —bow, lijboeg- —braces, lijbratoen. —brails,oitouwen aan lij. —leader, veorzeiler under non wind. —lurches, gteringen. —quarters, lijwind-
VOL.— —owl, a. —misty, ad. wellustig. —mimes, a. wet. inetigbeid. V olu te (vo-ijoetn, a. krul. —lion (-.)joe'Fjun), 4. spiraalvormige omloop. Vona° (voneik), a. — nut, kraaienoog, brasknoot. -a (-1-ke), a. longsweer. Vomit (voinfit), a. braakael; braakrniddel. black —, gale koorts. —, v. a. & n. braken, overgevan (out. up). —ion (To-intorno), a. braking. —ire, —ory, a. braking yerooraakend; —potion, braakdrank. —ory, a. breakeatddel; uitgang. Voraci one (vo-ree'ejus), a. —oualy, ad. guizig, verslindend. —ounieree, -ty (-res'elt-tih), a. gulzigheld, vraateucht. Voraginous (vo-yed'Iji-nun), a. vol kolken. Vort ex (vort'eks), s. draalkolk; dwarlwind. —teal, a. draaiend, dwarroiend. Voter ess (vole-rem), a. ordezuster; aanbangater, vereerater. —y, a, ten gevolge saner gelofte; tewijd; a. ordebroeder; aanhanger, voreerder. Vote (voot'), a. atom. to put to the —, in stemming brengen. —. v. a. & a. stemmen 07000; — by ballot, balleteeren. —r, a. eteram3r. Votive (voliv), a 'Lie Votary. Vouch (vantaj'), a. getuigente, biwijo. —. v. a. & n. tot getuige roapen; bevestigen, bekrashtigen; getnigen, getulgenta afieggen; (for) inataan (borg blijven) vont. —ec (-je'), a. in vrijwarlag opgeroepene. —er, n. oproeping (oprorper in vrijwaring; getuige; getulgente; bewijeette.k.
Orpine (or'pin), s. rozenworte1. Orrach of Orach (orik), s. melde. Orrery (or're-rih), s. planetarium. Ores (or'ris), s. zwaardlelie; goudgalon. Orb (ort), a. lie Orts. Orthodox (or'tho-doks), a. —ly, ad. rechtzinnig. —y, s. rechtzinnigheid, Orthodrom lea (or-tho-drom'iks), p1. kunst van rechtuit zeilen. —y (or'tho•drom-ih), s. rechte koers, het reohtuit zeilen. Qrthoep 1st (or'tho-e-pist) s. uitspraakkundige. —y, s. uitspraakleer. Orthogon (or'tho-gan), B. rechthoek. —a/ (-thog'un-nel), a. reehthoekig. Orthograph er (or-tkog're-fur), s. spelkunste n naar. —ic, —ical, a. —ically, ad. (-tho-grerik-), spelling-, volgens de s elregels; van de loodrechte doorsnede. —y, s. spelling; spelkunst; loodreehte doorsnede. Orthology (or-thol'ud-zjih), s. juiste beschrijving. Orthopedy (or-thop'e-dih),..kunst om lichaams• gebreken te genezen. Ortive (orttiv), a. opgaand, oostelijk. Ortolan (or'to-len), s. ortolaan. Orts (ortz), pl. afeal, overschot, brokken. Orval (or'vel), a. scharlei. OrvIetan (or•vi-i'ten), s. tegengif. Orycto grophy (o-rik-tog're-tih), s. beschrijving der delfstoffen, — der versteeningen. —logy (-tol'ud-zjih), s. leer der delfstoffen, — der versteeniugen. Oscilla te (os'ail-leet), v. n. slingeren. —tion ( lee'sjun), a. slingering. —tory (-1e-tur•rih, le-Mr-rib), a slingerend. Oscit ancy (os'si-ten-sih), —ation tee'sjun), a. geeuwing: slaperigheid, loomheid. —ant, a. geeuwend; elaapoironken; loom. a. waterwilg. Oiler (o'zjur), a. teenen. Osmund (oz'inund), s. watervaren. Osprey (oa'pree), a. zee-, vischarend. Ogre eons (os'si-us), a. beenig, beenaehtig. Os.,1 cle (os'eiki), s.beentje. —fic (-sink), a. beenvermend, -wordend. —fication (-sit-i-kee'sjun), s. beenwording, verharding. —frage (-si-freedzj), a. Zie Osprey. fy (-sf-faj), v. a. in been ver• anderen; v. n. tot been worden. —voroue (-siv'o• rue), a beenderen etend. Ossuary (osyjoe•e-rih), a. knekelhuis. Osten' lble (os-ten'eibl), a. —ibly, ad. vertoonbear; schijnbarr; klaarblijkelijk. —lee, a. vertoonend; pronkend, pralend. Ostent (os-tent'), e. schtjn, voorkomen; voortee ken. —ation (-tee'sjun), s. vertoonmaking, pron • keit. praalvertooning. —atious, a. —atieusly, ad. (,tee'ejus.), pronkziek, pralend. —ative (-e-tiv), a. Zie Ostentatious. Osteo collo (os-ti-o kol' le), s.beenderlijm.—cope (osni-o-koop), a. pijn in de beenderen. —logist (-ol'ud-zjist), a. beenderkenner. —logy (-01 ad OHO, s. beenderleer, -beschrijving. s. mond (eener rivierj. Ontlary Ostier (os'lur), s. etalknecht,• huiskneeht. —y, s. herberg; pleisterplaats; stalling. Ogtra clam (os'tre -ohm), a. achervengerieht, verbanning —cite (-sajt), s. verateende oestersehelp.

A FS. 390 Afbpoel en, ov. w. to wash (awhy), to rinse; Alsijpelen, en. w. tee trickle down, to distill. to drink down, to drown. —leg, v. leashing Afaeorren,ov. w. to pull (to pluck) off. (away), Afslaan, ov. w. to beat (to knock, to strike, to v. agreement, appointment. cut) off; to beat beck, to repulse; to refute, to Afsprank, deny, to reject; to abate, to loosen the price of; Atepreken, ov. w. to agree (upon), to appoint, to concert, to bespeak. to sell by inch of candle; to drub, to thrash; to Afepringen, on. w. to leap down, to jump off; unbind (era zest), siin water —, to make water. —, to burst (to chip ; to crack, to fly) off; to ramble on. w. to fall, to go down, to abate. from; to put off. Affilag, m. abatement, reduction, decline, fall; Altstann, ay. w. to leave, to abandon, to part eale by inch of candle. —er, m auctioneer. walle t.) yield, to resign, to abdicate; on. w. to Afelaven (z5eh), 0. w. Zie Afeloven. stand off. Afsileepen, ov. w. to drag down. Afstantna ening, m. & v. descendant. —en, on. eifedUp en. ov. w. to grind off; to blunt; to tette w. to descend, to owing from; to desire. —leg, off by grinding, to polish. —er, na. grinder; polish. v. descent; derivation. ;entitling off; polishing. ere —leg, v. A falUt emu, ov. & on. w. to wear out, — off, —ing, Aistanspen, ov. w. to pound off; to wear out by stamping. v. wearing. out, — off, wasting. difference; resAfaihegeren, no. w. to sling (to tots, to hurl) Afstnnd, m. distance; interval; ignation; abdication. — risen van, to give up, off; on. w. to be hurled off. to WaiVa, to reject; sie Mstann. —sw(mer,itinArnie'ix en, or. w. to wear out slovenly, to spoil. erary. —er, to. cloven. —ing, v. wearing out, spoiling. Afeltre vas (Melt), t. w. to drudge, to time, to Afkit apnea, on. w. to step down, — off; to alight; — van, to give up, to leave off, to waive. toil and moll. —er, m. drudge, toiler. —ing, V. Afeteken, ov. w. to cut (to take) off; to cut (the drudging. throat); to rack, to drew off from the lees; to ov. w. to Flint (to lock, to Ler) up, Afelnit mark out, to pitch; to fire. to discharge, to let to bolt; to fence (to hedge) in, to separate by toe! —, to outdo, to get the better of. —, off, do a partition; to close, to settle, to balance. —ing, by. on. w. to go off; to contrast (with). v. locking (barring) up; enclosure, partitioning; strong, glaring. fence; settlement, balance. (fate), o. sitatei is peen —, delay is no neglect, Afestiakken,ov. w. Zie Afeneljt en. omittance is no quittance. Afsasseek en, ov. w. to implore, to deprecate. ov. w. to steal (to rob) from. —er, rn. —tier, v. implorer. —ing, v. imploration. Afetellen,en, ov. w. to put off, to remove; to Aft/weft e,n, or. & no w. to melt off. —ing, v. Afetell dismiss; to abolish, to bring out of use. —itsg,v. melting off; eliquation, fusion. dismissing, 'suppressing. Afsmereee, ev: w. to wipe off; to take off; to Afetenears en, no. w. to vote against, to nagesmear entirely; on. w . to let off grease. tive, to reject. —ing, vr. voting against, rejecAltretvefjten, ov. w. to fling (to hurl) down. tion. Afszsner ee, eve, oe. w. to growl (to snarl) at. —er, Afeteumpel em, ov. w. to stamp; on. w. to finish —ster, v growler, snarler. stamping. —ing, v. stamping. Alenede, v. section, paragraph; taesura. , en, on. w. to die, to expire, to depart Afenitiet en, ov. w. to cut —, to clip (off), to (Eaters this life; to die (to), to withdraw (from); to pare; to curtail. —er, m. cutter. —ing, v. cutting diminish. —en, o. —ing, v. decease, death. off —yet, o. cuttings, clippings, shreds. Aftetla gen, on. ve. to alight; to dismount. Aftintpperen, ov. w. to chip(to snip)off. Afenoel en, cv. w to lop (to prune, to clip) off. fife toffee, ov. w, to dust, to clear from duet. Afatonepen, ov. w. to blunt,to —leg, v. lopping (clipping)off. —eel, o. loppinge, Afetoonien„ on. w. to go down (by steam). clippings. to push down, — off, to Allmon en, ov. w. to take off, to snuff. -esti, Afetoot en, ov. w. thrust off. —ing, v. repulsion. o. snuVings, candle snuff. &Wort 4, 11, no. & on. w. to precipitate; to hull Afepanen,ov.w. to slice (to cut) out. (to tumble) down. —ing, v. tumble, fall. Afeptenn en, ov. w. to unbend; to uncork; to Afetrteff en, ov. w. to chastise, to correct. —er, unyoke, to untearn, to unharness, to take out; m. chastiser. —ing, v. chastisement, correction. to span, to measure by spanning. —ing, v. un- Andra] en, en. w. to beam, to shine, to stream bending; unteate ing, tilting out. down, to irradiate. —ing, v. splendor, Irradiation. Alfeeteeiden, ov, w. to unpin. A fottrUden, ov. w. to wear out by fighting; to A fepralon, on. NV, to play off (out); to tare (een dory, to contest; on. w. to finish fighting. biljartbal, on. er. goed —, to play well one's card. AfatrUKen, ov. w. to strike (to rub, to wipe) off, Ilifngeeterd, ov. w. to take from the spit, off. take down; to strike level; to iron. Ateplegel en, no. w. to reflect. —ing, v. nflee A to fetrooneen, on. w. to stream (to How) down. Afetroop en, ov. w. to strip off. to skin (een Areptd .ten, on. ',v. to finish dinner, — supper. rat); to strip (een keen); to flay (een yes); to unA fleplesneee, ov. w. to spin off. ease (een konijn); to ravage. —er, us. eavager. Afetett tete. iv. w. to take off by digging. Af:;tult en, on. w. to rebound (from), to glance ekreeeiti (lien, on w, 1.o alit (to eplit, to crack) off off; to fall (against), to prove abortive (by). —ing, fife eiSluter en, ov. & ors. w. to eplinter off, v. rebounding, failure. a e — tog, v. divciurimsdloii. t I e
TER -VV.% Tub lass (to-bares), in. Tubias. -it (to'biti. Tertuillen (tur.tul'ii.en), in. Tertulilanue. (to'bih), f. voor Tobias. Tetuan (tetioe-en), g. Tetuan. Teuton as (tjoe'tun-lez), I, Teutonen. -ie (-ton'. Tokay (to.kee'), g. Tokay. Toledo (to-li'do, to-lee'do), it. Toledo. ik), a. Teutoonerh. Duitoch. Tons (torn'), -ray, f. skier Vivian; Tom. Texas (teks'es), g. Texas. Tony 1,to'nili),f. soar Anthony; Toontje. Texel (tekteil), g. the -.. (bet eiland) Texel. Tourney (toer-neei. g. Doornik. Thelta (the-lars), my. Thalia. Tracy (tree'sih), f. voor Theresa:, Treeeje. Thames (terns), g. the -, de Teems. Trafalgar (tref.el.gaar', tre.tel'aur),g.Trafalgar. Theban (the ben), a. Thebaanscii; i. Th2baan. Tara' au(tree'drjen),-10(tre . cizjee'nuslan.Trajanus. Theben (thlrbz), g. Theta Transylvallia (tree-oil vee'ni•E.), g. Zevenbergen. Thernin (thi'mis). my, T hernia. Theo bald (thi'o-field), m. Theobald. - dore -n, a. 'Leven bergseh; i. Zevenberger. T rev en (trim, trees), g. Trier. (-door), ins. Theodoor. Triers (trierz), g. Trier. Theresa (the- Wile), w. Thereat. Thesve I let (thes-seeli-el, g. Thessalie. -ian, a. Trieste (tri. est% g. Tridst. Thesealisch; i. Thesealler. -y (theese•lih), g. Tripol (trip'ul), -i I- il., K. Tripoli. Triton (traj'tn), my. Triton. Thessalt ii. Tri woo virl (traj-ura'vf-raj), h. Driemannen. Thetis (thrtis), my. Thetis. Trojan (tro'jen), a. Trojeausch; i. Trojaan. Thlb (thibl, -by, C. s oon Theobald. Troy ;troj), K. Troje. Thine'. . Thl bet (ti-bet'), It . (ajbedur), m. Tudor. Tudor. Thom as (tom'es), m. Thomas. -eon (titi.'sn), m. Thornton. Tully (tui'lih), m. Tulliue. Three a (threes), -in (threesji-e), g. Thraeie. Tunis (toe'nis), g. Tunis. Turconsans (toeeko•mens), i. Turcomannan. -ian (th.-ree',Ii-en), a. Thrsciseh; i. Thy acier. Turin (toe'rin) g. Turin. Thule (thjoe'li), g. Thqle, Thuelngla (thjoe-rin'dzji-e), lg. Thuringen. -n, Took (turk' ► , i. Turk. -ey(.111),g. Turk1je. -lab, a. Turkech. as. ThurIngseh; I. Thurioger. Tuscan (tas'ken), a. Teseasmsell; I. Toscani -y, Tib ,t,it'), -old (-el d), -by, f. soar Theobald. , g. Toscane. Tibor (tarbur),g. the -, de Tiber. Tweed (twied), g. the -, de Tweed. ; Theodore. Tid itidis C. soar 'Tito (dm') , -my, f. soon Timothy. -othy (-uth-ih), Tyburn (taf burn). g. Tyburn. 1 Tyler (tajThar), in. Tyler. 'tn. Timotheus. Tyne(tajn), g. the -, de Tyne, , Tit (tit), f. soot Theresa; Treesje. , Tyr e (tajr), g. Tyrus -ion (del. en), a. Tyrisch; I. Titans (tajlenz), my. Titans. Ttilail (tiefi-en), no- Titiaan. y Yrrojel r'(t'eul, ti.rol'), g. the -, Tyrol. -ian (ti; TT Titus (taftus ), m. Titus. I reql.en), a. Tyroolsth; i. Tyroler. Ti volt (tiv'o-11), K. Tivoli.
AN. -1,4T. landen. —ed, a. ontsch,ept, gelsnil; landerilen Larceny (laar'se-nih), s. diefetal. bezittend; in landerijen beetaand. —ing, a. len- Larch (leaner), a. —tree, lorkenhoom. ding; boating; landingepleate; rust laata op een Lard (laard'), s. Rpek, va r k, euze i . v. R. trap. —ing-place landingaplaats. —lean, a. zonder vet maken; doerepekken; v. n. vet warden. —accous (ler-dee'sjus), a. spekachtig. —er, a. land. — SenPe (..keep),s.laud.chap. — Ward( - wurd), - provisie-kamer.—erer,e.apkjameeeter; -meesteres. ad. landwaarts. —ing, a. (het) doorspekken; —pin, lardeerpriem. Lane (leen ► , a. lean; steep; doorloop. —on (-un), a. Teeple lardeerspek. Lang'. age (len'greedzii, —el (-grill, a. ketting- Large (laardtf), a. groot, breed; uitgestrekt, kogel; schot met schroot, Language (leug'gwidsj), a. tool, spreak, stgl. ruin; mild. —hand, gray; schrift. at — breedvoerig; vrij. —ly, ad. ruimsehoots; in (t breede. -master, taalmeester. —d, a. vele talen aprekend; —sees, a. grootte, ruimte, wijdte; liespraakt. Larg eta (laar'clsjees), a. gift, gesehenk; mildLanguet (leng'git), a.. tongetje. Languid (leng'gwid), a. —1y, ad. mat, loom, held. —ition (ler-dzjiefun), a. sehenking. kwijnend. —nen, a. matheid,loomheld,rwakheid. Lark (laark'), a. leeuwerik. —spur, ridderspoor.. Languish (leng'orard8.1), a. kwijning, smachtin .g. —er, a. leeuwerikenvanger. —any, s. leeuwertkenvangat. —, v. n. kwijnen, smachten (for). ---er,'. kw,j- raipaebro'rmdi lek. ),.. uitstek (van eene kroonner, smaehter. —ing, a. kwijnend, smaehtend. liAruirmiedni kwijning, smachting. —ment, Languor (leng'gwur), s. kwijning; loomheid, Lacuna (la'rum, ler'nm), e. alarm; wekker. Larva (laarive), a. leirve, pop (van eon insect). matheid. —red (veer-id), a. gemaakerd. Laniard (len'jurd), e. Zie Lanyard. Lanlate (lee'nt-eet), v. a. scheuren,verscheuren. Larynx (ler'inks), s. strottenhoofd. 1Lant (crone lie-nirur-us), —germ. (-nid'tjur-us), Lascivious (leu-sivq-us), a. —ly, ad. wulpsch„ wellustig; uitgelaten. —sees, a. wulpsehheid, a. woldragend, won't?. geitheid; dartelheid. Lank (lengki, a. slap, sluik; tenger, sehrael, 'ank; mat. —, v. n. slap warden; eliaken, nor- Lash (les)), s. sweep; sweep-, riemslag; steek, mageren, afvallen. —ish, —y, a. slap, dun, schraal. scherpe set. —, v. a. zweepen, geeaelen; heke-1y, ad. slap, mat, nigger. —nevi, a. slapheid; ben, vastajorren; v. n. de sweep sweeten; (oat dunheid; eehraalheid. into) zich Overgeven aan. —cr. s. geeeelaar; touw. —ing, a. sjorring, sjortouw. Canner flen'nur), e. oteenvalk. deers. —lore, a. door zijne Lanaquenet (len'ske-net), s. lansknecht; lane14 best: n(ldaes s 'v )er laa. tme quenet (seker kaartepel). Lantern (len'turn), a, lantaren; vuurbank. dark —, Lameitude (leeol-tjoed), e. vermoeidhetd. dievenlantaren.ma le —,tooverlantaren. —bearer, Last (laaat'), a. & ad. laatst, vorig; jongetleden. lentarendrager. —b races, lantarentisera. —crank, — night, giateren avond. at —, ten 'twat°, eindelijk. a. lewd; last. — , r. n. dureu. — age, ijzeren lantarenarm. —fly,lantarendrager (insect). banden om de achterlantaren, —jawed, s. laatgeld; ballast. —ing, a. —ingly, ad. duursewn. —ingness, a. duerzaamheld. —1y. a4. ten mager van gezicht. —wheel, drijfrad. lactate. 1Lanuginous Ile - njoe'dsji - nusl, a. wollig. Lanyard (len'Jurd), s. taliereep. — of the hoop, Latch (iota)'), a. klink. —, v. a. op de blink staarttouw op de ankerboei. — of the guisport, doen; vangen. —et 140,, e. sehoenriem. —ings (.1engt)„ pl. rijglenvers. —key, s. looter, degpoorttaliesehenkel. sieutel. Lap (lap'), a. sehoot; lapje, lelletje. —dog, schoot- bond. —eared, met hangooren. —ful, achootvol. Late Ileet"), a. last; onlangs gebeurd; laatat, ad. last. of—, —side, alagzijde. —stone, klopsteen.—wing, Mena. voormelig, gewezen; —work, vlechtwerk. —, v. a. in-, oinwikkelen, onlangs. —ly, ad. kortelings, onlangs. —seas, a. laatheid. overapreiden; likken; v. n. overhangen, liggen; Lateen (le-tien'), a. —sail, lattinteil. slabben. Lapel (la-gel'), s. opslag, overelag. Laten cy (lee'ten-sih), a. verborgenheid. — t, a. Lnpid ary (lep'i-de-rih), a. in steen gegrift; s. verborgen, verhoien. steensntjder; juwelier.—ation (-dee'sjun), s. stee- Lateral (let'ur.el), a. —ly, ad. sijdelinreli; ziiniging. —eous (le-pid'i-rte), a. eteenaehtig. delings• —escence (-des'sens), a. varsteening. —eecent Lath !loath'), a. lat. —work, latwerk• —, v. a. met fatten voorzien. (-des'eent), —ifie (dif'ikl, a. versteenend, eteen- vormend. —(fication (le-pid-if-iikee'sjun), a. steen- Lathe (leeth), a. draaibank. vorming. —ify (le-pid'i-faj), v. a. & n. veretee- Lather (leth'ur), s. zeepsop. —, v. a. inzeepen; v. n. sehuimen. a. juwelier. nen. --tot, Lap per (lep'pur), a. inwikkelner; lepperjslab- Lathy (laatleih), a. elank. s. Latijn. Latin (let'in), a. latijnech. bar. —pet (-pit), a. slip, tip, pand. Lapse (lepe'), s. val, voortglijdieg; misslag; ver- a, latOnsche spreekwijse. —1st, e. latinist. —its/ overgang. — of time, tijdaverloop. —, v. (le-tin'it•tih), a. euiverheld van latijnschen atijl. —ize (-amt). v. a. can latijnsehen vorm geven; n. voortglijden; een' miselag begsan; vervallen. v. n. latkineehe spreekwkizen gebrniken. Car (laar), a. huisgod; meerv. Laren. Larboard (laar'boord), a. bakboord. —trek, bak- Latish (leet'isj), a. eenigszins last. Latitant (let'i-tent), R. verborgen. bor,dshals. —watch, bekboordewaeht.
HEE.—HEL Iiiirettets,bv. & bw. hoarse (-1y). —achtly,bv. someIleelial,o. universe. what hoarse, --Acid, v. hoareeness. Heel bane, be. curable,healable. —en, ov. & on. w. to cure, to heal. —kracht, sanative (healing) Ilieeater, m. shrub. —geteae, shrub. —achtig, be. power. —foetid. medicinal herb. el —kunde, shrubby. (ran koortel; batty, surgery. —kundig. surgical. —kundige, —.eater, Sleet, ha. hot, sultry, burning irritable, testy; lewd (op) eager after, fond of. surgeon. —ssiddel, healing-remedy. —pleieter, op —er daad, in the very act. —etranen ac*reicn, healing-plaster. —tleeich, flesh easily healing. bw. hotly, warmly; eagerly, to weep bitterly. Reel held, v. wholeness, entireness; reservedness, toe, there Wes hot work briskly. het sing er —big, v. curing, healing. von de noald, new off the irons. —hoofd, hotHee/star, v. Zie Melee. & bw. hat-headed, littera, o. farm. —raad, dike-reeve. —raadschap, braille.' person. —hoofdig, be—hoofdigheid, v. hothasty ( - fly), passionate (-ly). office of a dike-reeve. —stede, farm. —stederld, headedneee, hastiness, paettionateness. —en, ov. tax upon farm, —ewortel, marsh-mallows, to heat, to orate hut, to chafe. w. glean, bw. away. -- en weer, to and fro. bid; II"congas's, on. w. to go away. dot goat nog al iliveteen, ov. w. to call, to name; to ordereto liegen, to on. w. to be called, to be carved. keen, that will do. give the Ile. hoe heet gij? what is your name? itieettkomen, on. w. to get away. o. escape. Ileetheld, v. hotness; hestinese, irritableness; een goed — tcehen, to make ones eacepe. lewdness. II eenloopeta, on. w. to run away. tarp get you gone! — over, to do carelessly, to bungle Clefs hiniwe, v. dregs, leer, sediment. — dee Yolks, (the) rabble. (to botch) up. icera, ov. w. to lift, to heave; to roles, to levy. Ileensnoatan„ on. w. to be obliged to go. wear --boom, lever. —deeg, leaven. —offer,heeve offerreactdat keen? what will it come to? ing. fee, m. —ster, v. colour. —ling, v. raising; linen refs, v. de -arture; voyage out. —reizen, on. tax. w. to set out, to depart. Halt. o. Zie Hecht. IlleenrUden, on. w. to ride (to drive) away. & bw. Ziellewtg. Illemnsleepen,ov. w. to drag along. garden. shears. )Flies , tingle, v. ireege. feechaar, ilieensluipen, on. w. to steal (to sneak) /nitay. — geyser, firing by platoons. lifeenallappen, on. w. to mar ch off. If es, tsw. ho I hone ! Ifeentoeht, no, departure, marching oil. net, v. heath; broom. —bezen,, broom. —Noon, II veontriekketr, on. w. to set (to march off. wild teyine. —boender, broom. —brand, heathIleenvaren, on. w. to net sail, to eat off. fire. —damp, —rook. heath smeke. —krskel, heath.Ilfeenvileden, pn, W. to fly, to escape. cricket. Zie ook Heide. ileen.ellen, on. w .to salt sway. Del, v. beetle, rammer. —baas, ram-master. —blok, neenzUts, on. w. to be gone, to be far off. rammer. —petal, pile. —atel:ing, ramming-frame. lleep,v.ohopping-knife. —week, piling, pile-work. m, master, lord; Lord (God, Christ); gentleman, air; king (in 't kaartspe!). de groote —, the Heide, v. heath; broom. —Wens, wild thyme, heath. flower. — grond, —Nod, —veld, heath. Grand Seignor. den yr. 00ten sitkangen (epee.), —krutcl, —plant, heather. to lord it. nt(ine —en, gentlemen. de — A, Mr. A. —dom, de — A en B, Messrs A. and B. —, o. Zie illeir. hi eideca, m. heathen, pagan, gentile; gipey. o. heathenism, paganism. —ash, be. & ha. —gemaad, feudal gift. —ova, your (his) rev crence. heathen, heathenish (-ly), pagan; terrible (- hip), endtenst, statute-labor. —enexia, manor-house, annoying. mansion; gentleman's house. enkneeht, footman., servant. —enlogement, hotel for gentleteer. —en- Iieldin, v. gipsy. to pile; on. w. to loon, high wages. —tenstraat, public street. f. - Itch en, or. w. to ram (in), draw a great deal of water, to go very deep . to weg, high-way. --alhtig, be. gent!emaniike. pitch, to plunge. —er, xri, rammer. —ing,v . rembe. manorial, belonging to a lord; lev & bw . mleg. grand (-Iy), magnificent (Ay), delicious (-1y), delightful (-Iy). —1(ikheid, v.:eeigniorage.zeigniory, lie-il, o. heppiness ; prosperity; bliss, saleetion. —belle, good wish. •—beelerio,demiroutt after bliss, manor; lordship; grandeur, magnificence, delight—bron, —font ein, source eat (salv att.), fulness; eternal, bliss. fountain (of bliss. — drank, toast, health. --rVic, v. imIltersehaehlig, be. imperious. ralutary, t'teelul. —wensch, felicitation. periousness. d, xnn. Sevior. Illeerselanp, e. master, lord, gentleman; fellow. v. dominion, power, (Rove ...sign) authority, latrilhoit, v. halibut; brill. bw. holy (-11y), carrel (-Iy). verequig, be. role, sway, empire. —one; en, to rule, to bear, been, to eationiZe., ter saiLt, —arond„ eve, klaren, sway. os aecruna. — bitter, bitter. holy. —makend. sanctiIllearech en, on. w. to rule, to reign, V; coverer; to domineer; to rage, to prevail. —eueet, ambi- fying. — maker, sanctifier. —makinp, eauctiflcatton. —scherder, secrilegist. — sehesedig, — schention, despotism. —etteetig, be. & So'. ambitioue wend, eet,rileg , otia. —schennis, sacrIlisge. —erre(-1y), imperious (-ly). —zuchtigheid, ambition. kend, —yerklaring, cenonleation. --gout, o. sancimperiousnees. end, be. reigeing, domirant, tuary; relic; —shui4je, eepository of :sacred thing, prevailing; —c godsdienet, established religion. Act —er, m. ruler, governor. es, v. governess. hte'iIlg a, m. & v. saint; patron, patrounta. —e der —en, the Holy of ilolits. —enbeeld, image —lag, a. reign, dominion.
Cork (knack'), a. zorg, bekommering. —, v. n. zieb Cary a (kaarn, v. a. beeldanijden, graveeren; bekommeren. —sag care, knagende zorg. voorsnuden. —er, a. beeldaznjder; vooranijder. Carle (kaarl), s. kerel; soort van hennep. —ing, s. snijwerk. —ing-knife, voasnijmes. Canine (kaarlin), a. everdistel. Cascade (kes-keed), a. waterval. Castings (kaar'liengz), a. sluitklossen. i Case (kees'), a. dons; kart; last; koker; overtrek; Carmelite (kaar'inel-ait), a. karmeliet. geval, omstandigheid; naamval. v. a. in eene Cornsinative (ker-min'e-try), a. verwarmend; kilt of dons sluiten; arstroopen. —harden, windenverdrijvend. v. a. hardon. —knife, acheedemea. —shot, schroot. — worm, etrooworm. Carmine (kaar'main), a. karmozijn. Cairn age (kaarinidz) , , a. bloedbad. —al, a. —ally. Casemate (kees'meet), a, kazemat. ad . vleeschelijk. —alist. a. wellusteling. —ality Casement (keez'ment), a. draairaam. zinnelijkheid. —at ion (ker-nee" Caseous (Itee'si-us), a. kaasachtig. sjun), a. vleescbkleur; nnjelier. —eous (kaaent- Caserta (kee'surn), a. kazerne. us), —ous, a. vleescheliik. —ifieation (kaar-nif-i. Cash (kes)'), a. gerund geld, kas. v. a. tegen kee'sjun), a. vleeechwording. —ify (-ni-fai), v. n. specie verwisselen. —book, kasboek. —ier Ikevleeech worden. —iv/a (-ni-vel), a. karneval. ajler'), s. —keeper, kashouder, kaasier. —ivorous (ker-niv'o rues). a. vleeachetend. -salty Cashier (ke-sjier'j, v. a. afdanken. a. wild vleeach (in eene woad), Cashmere (kesfmiery, s. kazimier, Carob (ker'ub), a. St. .lanabrood. Casing (keea'ieng), a. foudraal, omkleedsel; Carol (keen!), a. lofzang. —, v. a. bezingen; koker. —paper, pakpapier. v. n. lofzingen. Cask (kaaak';, a. vat, ion. —, v. a. in vaten don'. Carotid (ke-rot'id), a, halsader. —et, a. kietje, kotfertje. Carol's sal (ke-rau'zel). s. zwelgpartij. —e (ke- Casio° (kesic), a. helm, stormhoed. rauz'), v. n. zwelgen, slempen. —er, a. zweiger. Caseation (kes-see'sjun), s. vernietiging; canCarp (kaarpn, a. karper. —, v. n. vitten, —er, a, satin. bediller, vitter. —ing, ia. scherp, hekelachtig. Cassia (kes'aji-e), a. cassia. Canteen ter (kaar'pen•tur), a. timmerman. —try Cassldony (kes'sid.dun-nih), s. lavendel. s. timmerwerk. Cassock tkes'suk1, s. priesterlijk onderkleed. Carpet (kaar'pit), s. vloerkleed. —, v. a, met ta- Cassowary (kes'so-wee-rih), s. kasuaris. pi(jten beleggen. —knight, saletionker. —ing, a. Cassweed tkes'ivied), s. herderstasch (plant). tap(jtwerk. Cast (kaast'), s. worp, slag; vorm; gedaante; Carriage (keeridzj), s. rijtuig; vervo,r; wagen- gietsel; bonding, uiterlijk; blik. —away, s.verstel; affuit; hooding; gedrag. worpeling. Carrier (ker'ri-ur), S. voerman; brcnger, bode. Cast )kaast) [cast], v. a. werpen, strooien; neder-, Carrion (ker'ri-un), a. ass, kreng. —, a. rottend, at-, uit-, ontwerpen; gieten; berekenen. afdan• stinkend, op kreng azend. ken; vcroordeelen. — (away) te gronde riehten. Carrot (ker'rut). s. gele wortel. —y, a.•roodach- (by) situ ggen; verwerpen. (down) ter neder slaan. tig; roodharig. (forth) verbreiden. (off) of-, verwerpen; loslaten; Carrow (ker'ro), a. rondreizende speler. vooruitsnellen. (out) wegjagen; uiten. (up) opCarry (keerih), v. a. dragen; brengen; vervoe- rekenen; opsiaan; braken. (upon) werpen op; run; vseren; erlangen; bewerken; bevatten; overlaten. —, v. n. (krom) trekken, werken; v. n. § dweepen, jubelen. —one's self, Melt gedra• overleggen. (about) zich ronddraalen; overleggen. gee. — the day, de zege behalen. — it, Ain doel Castanet (kes'te-net), s. klaphoutje. bereiken. — at high, eene hooge horst zetten. Casteil an (kesitel-len), a. slotvoogd. —any (-lenih), s. slotvoogdij —ated, a. kasteelachtig. -(away) wegvoeren. (forth) vertoonen. (off) ten grave alepen; behalen. (on) voortzetten; bevor- Caster (kaast'ur, a. werper; gieter; berekenaar; deren. (out) te berde brengen; tot stand brengen, rol; strooibus. (through) doorhelpeu; volvoeren. Casters (kaast'ers), a. Wit- en azijnatel, Carry-ail (keerib-aol), s. familiewagen. karaffen. Cart (knart'), a. kar, wagen. —, v. a. in eene Icon Castigat a Ikesiti-geet), v. a. kasttjden. —ion (-gee vervoeren. —grease, wagensmeer. —horse, kar- ejun), s. kastijding. paard. —house, wag,enschuur. - load, wagen- Casting (kaastleng),. s. gietsel. —house, ieterij. vracht. —rut, wagenspoor. —way, wagenweg. —net, werpnet. —voice, —vote, beslisseride stem. —wright, wagenmaker. —age, s. karloon. —or, Castle (kaasq), a. kasteel. — in the air,luehtkaas. voerman. tees. —, v. a. rokkeeren fin 't achaakspel). —d, Cartel (kaar-tel'), a. verdrag tot uitwisseIing van a. met kasteelen voorzien. —builder, plannengevangenen; uitclaging. maker. —ry, a. alotvoogd. Carthusian (ker-thjoe'zjen), a. karthuizer mon- Castling (kaastlieng), a. ontijdige vrucht. nil. Castor (kaas'tur). a, Lever; kaetoren hoed. —nut, Cartllag a (kaar'ti-lidzi), a. kraakbeen. —moue purgeernoot. —oil, rIcinus-olie. —cunt (kes-to'ri(-led'zii-nua), a. kraakbeenig. um, s. bevergeil. Cartoon (ker-toen'), s, schets voor muureehil- Castrat e )kes)treet), v. A. ontmannen, snUden dering, kaftan. (kes-tree'sjun), a. ontmanning. Cartouch (ker-toetsj'), a. kardoes. i Casual Ikez'joe-el), a. —ly, ad. toevallig. —ty, Cartridge (kaaetrldzj), a. patroon. toevalligheld. patroontasch. 1 Casuist (keejoe-ist), a. gewetenarechter. —ica

Wat is het verschil tussen Coinbase en Coinbase pro


West (wart'), a. & a.:. west, westelijk. oy north, Whence (wens), ad. vanwaar, 'wattrult. —soever west ten noorden. — by south, west ten maiden. (-se-ev'ur), ad. vanwaar ook. ergene. - a. (bet) Wastes, —grange (-ur-teng), a. west- Where (weer'), ad. waRr, alwaar. any waorte loopend.—erty, a. & ad, wastwaart. —ern every —, overal. —about, —about. (-e.bautz), ad (-urn), a. weeteiijk; weaterseh. —ward, —w4rdly, waarorntrent; waarever; e. verblijrgivta. —at I-wurd•), ad. weetwaarta. (-ez'), ad. rsaardien; tervrtl; dear tech. —at Wet (wet"), a nat, vochttg; regenachtig. —through, (-et), ad. waarop; waarover. —by (-ban, ad. door en door nat. — nurse, mitt. —shod, met waardoor. —fore, ad. wearom, weshalve. —in natte voeten. --, a. oat, vocht; vochttg weer. (-in'), —into (.in-toe'), ad. waarin. —of (-of'), ad. waarvau. —on e-on'), —upon {-up-on'). ad. waarop. —, v. a. nat makes, bevoehtigen. —ness, a. nat. —carver (-so-ev'ur), —o'er (-ev'ur), ad. waar ook. held, voehtigheld. —fish, a. aattig, vochtig. —to (•toe'). —unto (-nn-toe'), ad. waartoe. Vt, ether (weth'ur), s. hamed . —with (-with"), withal (-with aol'), ad. wearWhack (wek'(, a. & v. a. Zte Whop. weds. Whale (weer), a. walvisch. —bone, betels. walvischvaaidar, Wherrut (weerit), a. oorveeg. —, v. a. acne wp.lviachbeard. —fisher. —man, oorveeg geven; lasttg vallen, hinderen. —fishery, walviechvanget. —r,s. walvischvaarder. Wherry (weerth), a. veerachultje. —man, veerWhatne (warm), s paardenv lieg, breme. 'A hap (wopl, s. slag. amok. —, v. a. & n. clam; coon. —, v. a. overzetten, overvaren. neeremakken; (over) om,:aan. —per, a. bona boas, Whet (wet"), t. (het) eeherpen, prtkkel; b.srreltje. —atone. alijp , wetateen. —, a. a & n. elijpen, lets seer groots; leugeu, Wharf (waorr). a• werf, keel, laudinge pleat, wetten; aanzetten; opwakken, verbitteren. v. a. torn wet brengen, 'Whether (wetleur), pr. wie (walk) van beide. —porter, iteatwerkm .... or .... of .... or .... —, ad. of, hetzij. loosen. —age, H. kaafgeld. —finger (in-azjur), a. Wheite, (wet'tur), a. wetter, slljper. kaaiweenter. What (wot), pr. wet, dot; walk; heteeen; hoe- Whey (wee'), a. hal, wei. —ey (-th), —isk, a. veal. — day, op walkers dog; toes. — time, op weiachttg. welken tijd; ten tijde dot. — for, waarom, waar- Which (witsj), pr. walks, walk, wie, watt die, weten to onde, dot, hetwelk. to ksaw — is toe. — of that, woe kornt dot er op aArk? echelden; weten wie of wat. —ever (-rear), ad, (with) deels door. — though, ofechoon. —soever (-eo ev'ur), pr. welke (wie, wat) ook. int. wat ! hoe! — ho, helda! —ever Whiff (wif'), a. hall, trek; geniis, geanor. —, —soever (-so ev'ur), pr. wat oak. v. a. uttbiazer; v. n. blazen; suizen, enorren. Wheat (wiel 1. R. blear, win; puiatje. Whiffle (wit'fl), v. a. & n. blazes, snuivea; Wheat (wiet), a tarwe.bearded turksehe tarwe, mein.—flaer„ tsrwemeel. —grave flatten; been en wear fiadderen; onbestendtg tarwe. zijn; beuzelen. —tree, mange!, —r, e. blazer; kweekgrae. —plwn, witte pruint. sheaf, flatter; voorlooper; benzelaar. school. —en. (wieen), a. tarwen. van torwe. (wie'd3), v. a. & n. flikflooten, be- 'Whig (wig'), a. zure wet; Whig. —gery (-gun—gum (-glom), a. beginselen der NV hi gs. praten. —r, a. flikflooier,baprater. —gash, a. W hig-, van de W hi g-partij. Wheat (oriel'), R. oriel; rad; spiranawiel; scbijf; wages; otriraaling. to break upon the —, rad- W bile (waji), s. wiji, pose, tijd. a good —, eelie broken. —barrow, krutwagen. —boat, raderboot. gerutme poem, in tee mean —, intddelerwul. —cap, naatkap. —carriage, voortuig op wielen. it is not worth —, het is de moalts HIM wanted. v. a, rekken; (away) al then tijd. —drag, remsehoen, rem. —fire. radvuur. —hoop, all this naatband -ring. —horse, Morel pear& —lathe, verbeuzelen; v. n. toeven,talmen. —, ad. terwjjl. radsuoer. --lock, lune van can wiel, —nave. wiel- Whilom (warlum), ad. voorheen, areleer. near. —rope. atuurreep. —shaped, radvormig. Whilst (wajlat), ad. Zie While. —sheave, achijf ;n eon blok. —stone, sitipract, Whim (wira'), a. gril, oak; lokeend; winds.. -steep. —window, rood venater tale ten wiel). —gin, psardenkaapetander. —wham (-went), N. nesterij; klueht. —, v. n. gnillea (nukken) hebben. —work. raderwerk. —weight, wagenmaker. v. a. & n. kruien; rotten, voortrollen; sin-, —per, v. grammes, kreunen, klagen. —sey (-zih), ronddraolen; atwiseelen; zwenken. —ed (wield), a. grit, nuk. wagenmaker; Whimsical (wim'elk1), a. —ly, ad. grillig. —ity a. met .... wielen. er, a. ronddraater; disaelpaerd. --lag, R. vervoer per (-zi-kel'it-tih), —ness, a. grillighetd. as; ronddraating; het rollen; zwenking. —y, a. Whin (Wile), R. brem, priemkruid. —chat, bruinkeeltje.—etone,bazaltsteen; randstean. wielvormig. Whine (wajni, 3• geteem, gekail, gejank. Wheeze (mice, v.. anuivetr, hYge.- "WheP,k (walk'), s. blear, yin; putatje; trompet- v. n. temen, met eene huilende stem apreken. whelp, kinkhoren. —y, a. knobbellea puistig; —r, a. temer, huller, jauker. Whim my (win'nile), a. vol brem of priemkruid. uttpullend, met aerhevenheden. Whelm (webs), a. a. indompeiet; overdekken; —ny, v. n. hinniken. —yard (lard), a. zwaard, xiternem, wornisteker. begraven. Whelp (welp')„ a. wep,jong;jongehond; klamp; Whip (wip'), a. zweep, karwats, geesel; postiln jongen.— iny, a. schelmsch, Jon; staggareaat, klapleoper. -- and Spur, spoorguit, Bengal. slags. —breech, slag op het schterete. —cord, guitig; lichtvaardig. When (wen), ad. wanneer; toes; ale. —ever ( • ev'ur), — lash, zweeptouw. —graft, v. a. —gratilsag, s. zuigen (wljse van enter ).—hand,voorhands—horse, —toner (40.eVar), ad. wanneer ook.
KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,
tend. —cloak, sluitjls. —cropt, kaal gesehoren. Cluck (kink), v. a. & n. klokken. —handed, karig. —jest, sehampere scherts. —man, Clownp (klurnp), s. klomp; groep (bowmen). achterhoudend man. —pent, dicht opgesloten. Clams Incas (klum'zi-ness), a. lompheid, on-stool, nachtstoel. —weather, drukkend wader. handigheid. —ily, ad. —y, a. lomp, plump, on- , —ly, ad. dicht; nauw; tank; oplettend. to handig. live —, zuinig leven. to study —, steak studeeren. Chinch (kluntsj), 8. verharde —ness, 8. dichtheid, engheid; gedrongenheid; Cluster (klut'tur), a. troy, hos, menigte, zwerm. achterhoudendheid; karigheid; verband. —, v. a. , erzamelen, bijeenbinden; v. n. in trosClose (klooz), v. a. sluiten; besluiten, eind'gen; sen groeien, rich opeenpakken. —y, a. in trosinsluiten; vereenigen, samenvoegen. (in) inslui- sen groeiend. ten; eindigen. (up) wegsluiten. —, v. n. zich slut- Clutch (klutsj), 8. groep; klauw. —, v. a. grijten, dichtgaan; overeenstemmen. (in) aanbreken. pen, omkuellen. (upon) overeenkomen wegens; naderen. (with. in Clutter (klut'tur), 8..verwarring, geraas, v. n. with)zich vereenigen met ; handgemeen warden met. geraas, rumoer makes. Closet (kloz'it), a. kabinet; bijzonder vertrek; Clyster (klie'tnr), a. klisteer. —pipe, klisteerkast. —, v. a. opsluiten; in het geheim verhan. spuit. delen. —reasoner, kamergeleerde. —sin, geheime Coacervatlon (ko-es-sur-vee'sjnn), a. samenzonde. hooping. Closing (klooz'ieng), a. einde, besluit. Coach (kootsj'), e. koets. 'v. a. & n. rijden Closure (klo'zjoer), a. singing; slot; omheining. (in eene koets). —box, koetsiersbok. —fare, v. n. klon- vracht. —hire, koetshuur. —horse, koetspaard. Clot (klot), 8. klonter; botterik. —house, koetshuis. —man, koetsier. teren. Cloth (kloth'); s. lakes; linnen; dock; kleeding. Cone Hon (ko-ek'sjun), a. dwang. —five, a. stof; tafellaken. to wear the —, het geestel0 dwingend, samenwerkend. gewaad, de uniform dwell. list of —, zelfkant. CoadJu taut (ko-ed'zjoe tent), a. helpend; me-beam, weversboom. —merchant, lakenkooper. dewerkend. —tor (-zjoe'tur), s. medehelper. —trix —shearer, lakenscheerder. —trade, lakenhandel. (•zjoe'triks), a. medehelpster. —weaver. lakenwever. —worker, lakenbereider. Coagent (ko-ee'dzjint), a. helper. Clothe (klooth), v. a. klerden, bekleeden; v. n. Coagula hie (ko-egjoe-libl), a. strembaar. —te, gekleed zijn. v. a. & n. doen stremmen; stollen. —tion (-lee' Clothes (kloothz), a. kleederen; gewaad; bedde- sjun), s. stoiling. —five (-le-tin), a. stremmend. —tor ( lee cur), s. stremmend middel. goed. —brush, kleerborstel. —horse, droogrek. —line, drooglijn. —man, kleerkooper. —peg, Coal s. kool. - —, v. a. tot kolen branden; met houtskool schetsen. burning —, gloeiende droogstok. Clothier (klootlejur), s. lakenkooper; voider. kool. dead —, drove kool, pit—, steenkool. Clothing (klooth'reng), s. bleeding. —basket. kolenmand. —box, —scuttle, kolenemClot ter (klut'tur), v. n. kionteren. —ty, a, klon- mer. —black, koolzwart. —heaver, kolendrager. —hod, kolenbak. —house, kolenschnur. —merterig. Cloud (kland'), a. wolk; donkerheid; gedrang. chant, kolenkooper. —mine, —pit, kolenmijn. v. a. bewolken; verditisteren; bedroeven; v. n. —mouse, koolmee8. —work, koolbergwerk. —cry, betrekken; treurig worden. —rapt, met wolken a. kolengroef. —34 a. koolaehtig. bedekt. —topt, de kruin net wolken bedekt. Coolest:, e v. n. samengroelen, zich vereenigen. —ence (-sens), a. samenvieeiing, ver—ily (it-lih), ad. met wolken. —less, a. onbe- wolkt. —ness, s. betrokkenheid. —y, a. betrok- eeniging. ken, bewolkt; somber. Coalition (ko-e-lis'sjun), vereeniging, verbond. Clough (klof), a. klip, steilte; goedgewicht. Coamings (koom'iengz), a. luikhoofden. Clout (klan;'), a. dwell, lap; stop; Inter. —nail, Coaptation (ko-ep•tee'sjun), a. juiste bijeenschoenspijker. —, v. a. happen, optlikken. —ed, schtkking van deelen. Coarse (koors'), a. —ly, ad. gaol, row, gemeen. a. geklonterd. —ed cream, dikke room. Clove (kloov'). s. kruidnagel. — of garlic, look- —neu, a. grofheid, ruwheid; gemeenheid. kruidnagelbloem. nolletje. Coast (koost), s. kust, never. —, v. a. dicht vaClove. (kloo'vn), a. gekloofd. —footed, met ge- ren langs; v. n. longs de knot saves. —er, knotvaarder. —ing, s. kustvaart. —ing-pilot, knot- spleten hoeven. Clover (klo'vur), klaver; overvioed, —ed., a. met loods. —ing-trade, kusthandel. klaver begroeid. Coast (knot), s. jao, rok; pets, yacht; vile,. hold, Clown (kIaaitn'), s. kinkel; hansworst. —iRb, a. schors; hag; stand. close —, slnitjas. dress —, gekleedo rok. great —, overjas. — of arms, vt a—ishly, ad. ongerranie,rd, !only. —ishness, s, on- peeschrld. — of mail, pant,er, —card, prentje gemani erdheid, lompheid. Cloy (kloy), .v. a. oververzadigen, volproppen; (in 't kmartspel). —, v. a. bedekketi, bekleeden. Coax (kooks'), v, a. pluimstrijken, vernagelen. —less, a. onverzadigend. Club (klub), o, knuppel; klub; aandeel, gelar.),.; vIcler, pluimstrijker. klaveren. —, v. a. zijo aandeel bijdragen; v. it. Cob (kob'), m kop, top; teelbal; vrek ; klophengst; pootig. —foot, zeemeeuw; spin; piaster, —coals, groote ronde medewerken, bijdra,,en. yacht van horreivoet, —he a ded, dikkoppig. ko i en. —iron, haardijzer. —nut, kinderspel (met noten). —web, a. sprnneweb: sulk; n. fijn, dun. den sterlote. —roan, klubliarn , . --hist. a lid —bp, a. sleek, kraehtig. Penes
146 onbeKrensbanr., —spection (-gpek'sjun). a. OD, n- Incompasslontite (in-kurn-pettrun-et), A. ad. onmeédoogend. —ness, a. onmeedoogendheid. zachtigheid. Incis e (in...30, v. a. insnijden. — ion ( - sizri.ii), Incompatil tie (In-kum-pot'ibl), a. —bly, ad. onbestaanbaar (with). —bility (-1.bil'it.tih), a. — ore (-sizj'oer)„ s. insnijding; snede. —ire, onbestaanbaarheid. ( - sajs' - ), a. insnijdend. — or ( - sajs'ur), s. snijta ad. knelt ant (in - saftent)., a. prikkel, opwekk,rd Inconspeten ce (in-kom'pe-tens), —cy, s. onmiddel. — ation (-si-tee'sjun), —ement, s. Ramp° bevoegdheid. —t, a. —tly, ad. onbevoegd (to). ring, prikkelIng, ophitsing. —e, v. a. aan,p0- Incomplete (in-kum-pliet"), a. —ly, ad. onvolren, prilckelen, ophitsen, — cr, s. aanspoorder, ledig, onvolkomen. —ness, a. onvolledigheid, ophitser. onvo lkomenheid. Inclv filly (in-si-vil'it-tih), s. onbeleddheid. Incomplian ce (in-kum-plarens), a. oninsehikkelijkheid. —t. a. oninscbikkelijk (with). -ism (-siv'rzm), s. gebrek aan burgerzin. Inciasp (in-klaasp"), T. a. omvatten, vasthouden, Incompos tte (in-kum-poz'it), a. niet amengesteld, eenvoudig. —title (-pos'ibl), a. onverInclitvatc,-1 (in'kle-veet-id), a. bevestigd. s. onbarmhar- eenigbaar. Inclemen cy tigheid, guurbeid. —t, a. onbarmbartig; guur. Incomprehensi ble (in-kom-prd-ben'sibl), a. —hly, ad. onbegrijpelijk. liraciln able (in-klajn'ibl), a. geneigd, gezind —bleness, s. onbegrweltkheid. —on (..ajun), ((a). —ation (-kli.nee'sjun), s. neiging; geneigd- afwijking. — atory, onbevattelijkheid. —ve (-sIv), a. onbevattelijk; heid; genegenheid; beperkt. a. —atorily, ad. (.klin'e-tur-), overhellend. —e, a. onsaa, a. neigen; geneigd waken, (to); v, n. overhel- Inconapressi ble (in-kum.pres'sibl), s. onsamenlen, geneigd zijn, (to). — er, s. hellende tonne- mendrukbaar. —bility drukbaarheid. wijzer. Incolumputible (in-kum-pjoe'tibl), a. onbere(in-klip"), v. a. omvatten, ornhelzen. kenbaar. Inclolster (in-klojs'tur), v. a. in ten klooster Inconcealable(in - kun-siel'ibl),a.onverbergbaar. opsluiten. Inclose (in-klooz), v. a. —ore (-zjoer), a. Zie Inconcelva ble (in-kun.aiev'ibl), a. —bly, ad. —blend°, a. oubegrijpelijkheid. onbegrijpelijk. Enclos e, --are. —ly, ad. Incloud (in. klaud' I, v. a. omwolken; verduisteren. Inconclusive (in - kun - kloe'ziv), a. niets bewijzend, niet beslissend, onafdoend. Irwin de (in - kloedl, v. a. insluiten, in zich be- —neon, s. geniis aan bondigheid, onbeslissendgrijpen. —sion (-kloe'zjun), a. insluiting. —sive, held. a, —sively, ad. (-kloe'siv.), insluitend; ingeslo- Inconcoct (in-kun-kokt'), —ed, a. onverteerd, ten, daaronder hegrepen, (of ). (-kok'sjun), a. onverteerdheid. Inconguleable (in-ko-eg'ioe-libl), a. niet stol- Inconcntring (in-kuu-kur'rieng), a. niet overboar. Iriceerclble (in-ko.ur'sibl), a. onbedwingbaar. eenstemmend. Incogit ancy (in-kodzri-ten-sih), s. iedachte- Inconcussible (in-kun-kus'aibl), a. onwrikbaar. loosheid. --ant, a. gedachteroos. —ative (-to-tiv), Incondensable (in-kun-den'sibl), a. onverdika. zonder denkverrnogen. bear. Incolleren ce (in-ko-hPrens), —cy, s. gebrek Incondite (in.knn'dit), a. ruw; onbesehaatd. aan samenhang. —t, a. —tty, ad. onsamenhan- Inconforan able (in-kiln-form'ibl), a. ongelijkvormig. —ity, a. ongelijkvormigheid. gond, zonder verband. inconabusti ale (in-kuna-bus'tibi), a. onbrand- Incongcnlal (in-kun-dzji'ni-el), a. ongelijksoortig. baar. —bility (41.-bil'it-tili). —blends, s. on- Incongru enco (in-kong'groe-ens), —ity (-kunbrandbaarheid. groe'it-tih), s. ongepasthetd, gebrek aan overIncome (in'kum), s. inkomaten. Incomniensurn ble (in.lcum-rnens'joe•ribt), een , in ► ming. —eat, —oats, a. —nasty, ad. niet paesend, niet strookend, ongerijmd (with). —te (-ret), a. onderling onmeetbaar. —bility (-re Ineonnection (in-kun-nek'ejun), a. getais van bil'it-tih), s. onderiinge onrneetbaarheid. Incomin Iscible (in - k,m - mi.'8ibl), a. onver - samenhane. (-rnikst'joer), s. ouvermengd- Iuconsequen ce (in-kon'ee-kwens), s. valsche mengbaar. gevolgtrekking, ongerijmdheid. —t, a. niet volheid. Incommod e (in-kuni - mood'), v. a. lastig vat- geed; zich niet geiijkblijvend. —tial (kwen'ejel), a. zonder gevolg; onbelangrtjk. len, hinderers. —ions, a. —iously, ad. lastig, on- Incoassidera tale (in-kun-sid'ur-ibl), a. onbegemakkelijk. —iousness, a, lastigheid; ongemaks. onbelangrijkheid. langrijk, gering. kelijkheid. —te, a. —tety, ad. (-et ), aehtelooe, onbedachtlincornmunica ble (in-kum-rnjoe'ni-kibl), a zaam (of). —terted (-et.), —tion (-eirsjun), -tly, ad. onmededeelhaar.—bility (-ke.bil'it tih), teloosherd, onbedaehtzaamheid. onmededeelbaarheid. —tive (-ke-tiv), a. achtet • Inconsisten en tin-kun-sist'ens), —cy, s. onhoudend. bestaanbaarheid; onbestendigheid. —t, a. —tly, Incommutta ble (in-kurn-mjoet'ibl), a. onver- ad. onbestaanbaar, in tegentipraak (with); ons. onverander- anderlijk. —bility gerijrnd. iijkheid. Inconsola ble (in.kurposool'ibl), a. —bly ad. Incompact (in-kum-pekt'), a. los, ijl. incompara ble (in-kum'pe-ribl). a. —bly, ad. ontroostbaar. onvergelijkelkjk. —bleness, 6. onvergelijkeltjkheid. inconeonan co (in..kon'eo.nens), —eV, a. wan-
349 Workman (wuricirnen), s. werkman. —like, —1 1/, a. knap, bekwaam; goed bewerkt. —ship, s. werk; bewerking; bekwagmheid. World (wurhi'), e. wereld; aarde; menachen; 'ts werelds loop; loopbaan; menigte, groot aantal. the great —, de hoogere etanden. not for all the —, voor Mete ter wereld. —lines* (-Ii-neat), a. wereldegezindheid. —ling, a. wereidling. —1y, a. & ad. wereldiijkrwereldech; werelds; —minded, wereldsgezind. Worm (worm'), a. worm; kraeser; moor (van eene sohroef); wroeging. —bark, wormbaet. wormetekig; vermolmd. —grass, wormkrt,id. —kote,wormgaatje. —screw, kraiser. —seed, worm%sad. —spring, epiraalveer. —wood, aisem. v. a. van den worm enijden; aftrekken (de lading van eon kanon); ondermijnen; bekleeden, hen; (out) uitgraven; uitstooien; v. A. knit pen; a. trensing; —thread, wurmen; knew. trensgaren. —like, a. wormachtig. —y, a. wormig; kruipend. Worr tar (wur'ri-ur), s. pleger, kwelgeest. —y, e. verwarring; onrnat, gejaagdheid. v. a. plagen, kwelleu; rukken, scheuren. Worse (wurs), a. & ad. slechter, erger. — and —, hoe langer hoe slechter (erger). Worsh ip e. vereerini, aanbidfing; eerbewijsing; waardigheid, eer; Eerwaarde; Edelachtbare. —, v. a. & n. vereeren, aanbidden. All, a. eerwaardig; achtbaar. —fully, ad. eerbiedig. —per, a. vereerder, aanbidder. Worst (wurat'), a. & ad. slechts, ergot, —, o. (het) ergate. at (the) —, in het ergate geva I. —, v. a. overweldigen; verergeren. to be —ed, het onderspit delven. Worsted (woerst'14, worst'-), a. sajet. a. sajetten, wollen. —needle, etopnaald. Wort (wurt),s. kruld; kool; ortgegiet bier.: Worth (wurth'), a. waarde: prijs; verdienste;waardij. —, a. waard, waardig. — re: ding, lezens. wear dig. — seeing, bezienswaardig. —less, a. zooder waarde; nietewaardig. lessness, a. onwaarde ; onwaardigheld. North liy (wurth'il-lih), ad. —y, a. waardlg (of); eerdienstelijk; edel; voortreffelijk. —iness ( i-ness), s. wagrdigheid; verdiemstelijkheid. —y, s. verdienstelijk (uitstekend) man; held Wot (wot), v. n. weten. God God west het. Would (woed'), v. n. ZIP Wlil; wilds; zoude; weneehte. — to God, gave God. —be, a. gewaand, slab noemend. Wound (woend'), a. woad. —fever, wondkoorte. —wort, wondkruid. —, v. a. wooden, kwetsen. —er,s. verwonder. —less, a. ongekwetet. Woundy (waann'dih), a. seer, uitermate. Wove- (woov')paper, a. velijn-pspier. Wraith (reeth), a. verschtjning, sohim. Wrangle (reng'g1), a. twist, krakeel. —, v. n. twieten, krakeelen (for. on). —r, u. twister, krakeeler; student, die zal promoveeren. —some, a. twietziek. Wrap (rep'), v. a. wikkelen; bevatten; (in) in een' omelag doen; (up) inwikkelen, inpakken, oprollen; in verrukking brengen. —rascal, overJas. —per, a. omelag; pakdoek; omalagdoek; mantel; dekblad (van sigaren). —ping, a. het

529 tiece-gouda. —uurwishet, linen-draper 's shop. Martel en, ov. w. to martyr„ to torture, totorManuscript, o. manuscript ; copy. went; to bungle. —dead, martyrdom. —hoots, glory of martyrdom. More, v. news, report, rumor. implements for torturing.—iag, v. torture. MarentaLken, m. me. mistle-toe. Maria buodoehoga, v. annunciation-day. —out. Merter,m.& o. martin, marten. eanvenir, v. conception-day. Brooker, o. mask. —ode, v. rook.ouerade. -.en, ov. minister of the w. to mask, to cover, to veil. Marin e, v. temp, minister van navy, —ier, m. marine Masse, v. mass, lump ; estate. Martolein, v. marjoram. elnaslef, by. ma sive, matey, Bond. Marlonst, v. puppet. —tenspel, puppet-show. ' Mast, m. mast; pole. grant., Loatu-maht. —banMork, v. march a, mark —genooten, inhab den, mast-hoops bkem, Billy-flowJr. —boons, Ultras of a march. —proof, margrave. —gra zr- fir, meat. —boscA, fir-wood; forest of mast.. —i,oeking, mast-Coat. —bout, rough mast trees sehap, margraviat.3. —gravin, margratine. and spare. —klamp, cheek lash) of the mast. limit (boundary) of a march. koker, case of a mast. —korf, scuttle. —itchier, Marketent er, m. ster, v. sutler. sheer-hulk. —spoor, mast•stop. —nisch, cachelc.e. Markau-r, m. marker. —woollier, top•man. —enmaker, mast maker. — eMarkle', in, marquis, rnatqueee. loos, by mastless Marklezlin, v. marchioness. Markt, v. market ; market-price; market-plate. Ma siequiu, o. manila, maslin-bread. —beroek, markettng. —day, market•day. v mastic, -1.0114, mastic-tree. going to the market. —ganger, —gangster,ra ..rket- Mat, v.. mat; hammock: cock , pit. —,sa.Spaaneche —, piaster. in be — 'tin, to be at a pinch. goer. — geld, loll, stallage, market-sues, market- —aclxodding, refuse (siftings, art zep n nitet or c4ro. pent y. —kraal. market-stall, t,00tti. —krawer, tnirket-man. --viand, hamper --meerter, 'clerk —werk., hist, ork. —tebiee, bull rush. —teak.. of the market. —plaate, market-town; market - per, mat-seller. —teninuken. mat-making, matpine. —prijs, market-rice, - fate. —recht, rnaTket- Inak,r'a trade. —team ,ker, mat-tnak,r, —tenvrouto, women that cells mate. rights. - s. rhip, --.9ehuit, market-boat, passtq,e- boat. —schipper, , master or a market bc.at. Mat, bv. fiat, stale; unpoll.h,d; weary, dull, languid; mate, check•mate. — rotten, to mate. —sehreeuwer, mountebank, quack. — rick, market - o mate. op het — komen,to arrivetuthetack town, borough --yolk. market- peoWt, .folks. —vrouw, saarket-woman. —.vette?, laws (regula- of time tions) of a fair. --en, or. w. to buy, on. w. to itLitads. sr„ us. matadOre. Mate Itik, be, & bw. moderate (-13). —loos. be. & go to market. bw, iipmoderate 1-1y), excessive ( 41, Marl en, or. w. to marl. —prism, marling-ROI:0. —seep, —touw, marline: --slag, marling knot. Mnterlaal.o. materials. Meterle„ v. matter; tubject. —ing, v. roarllue. Mernovir, o. marble. —oder, marble-vein. —beeld, Itile.therld, v. flatness=, strlauaaa; unpoliohedness, tarnish; weariness, du ► lness. marble-statue. --beeldhouwer. statuary. --groove, Itaiithoen, a. plover. marble-quarry. —Maur, tnarble-color. polisher of marble. —steep, marble. --eteenhou- Mattg, bv. totter (-by), moderate (-1y)• --en, or. marble cutter. w to moderate, to tetni.er; to regulate. —held, --steenmortel, war, marble-mo,tar. v. sobriety, temperate., mod ,irsteners; —rye—soap, marble saw. — sager, sawyer of marble. -en, by marble. — en, or. w. to martin, --ins, nooftchap, teo,p,rnuct-aoclety. —ing, v. moderntion; reputation. v. marbling Mats-1M, v. matrass. 'tattoos maker, Marmot, v. marmot, msrmotto. upholsterer. Marokl.Jso, o. --leder, Morocco-leather. —en, hr. liaoroeco - leather Ititats•H, v. school mistress; rolotrzse, concubine. Merot, v. eke rot heeft cijn —, every body has Mailkla, v. matrice. Miltritne, e. matron. his hobby-horse. Mart-en, ov. w. to tie, to moor; on. w. to tarry, Matt root', in.atilor, tar, Motu:men brook, v. sailor's trousers. —dues, to loiter. Mere, W. top; hamper. - pastes, top-men. —Alias- sailor's dance. —dracirt, kleedinc,—pak,—plunje„ mer, top-man. —knieen, knees of the tops. —kr-a- sailor's dress. —geld, — hour, sailor's pay„ mer. pedlar., hawker. —kramerij, pedlary, have k- sailor's fare. —lied, tailor's song. —mucht, sailor's w atch. lag. —lantaarn, top-lantern, top-light. — meanin - gen. top-rails. —puffing', top-chains, futtoek- Mats en, ov. w. maul, to kill, to knock down. plates. —rand, top-rim. —deny, top-mast. —vellen, —homer, club-mace. top-armor. —ratings, cross-trees, trestle-trees. Moister, v. matter (of chairs). —reit, ton-sail. —zeilekoilte, fresh-gale. —Rile- Metsvot, m. fool; szoundrel; coward. reep,—zeilsval„ top-rope- Matt en, or w. to mat, to bottom (ohara); to Morsels, Tn. march. —saardig, ready to march. mate. —er, m. matter (of chairs). —Pima, v. Mstreepelln„ a. marchpatte. bulrush. Martel ear, m. martyr; bungier, --aaretoek, ItiettIghwiti.,v.weariness,dullnem. mat tyrology. —aarekroon, glory of martyrdom. Matuwen,on.w. to mew. ---ing, v. mewing. o. martyrdom. —aarater, —area, v. Met.raesiz, v. mv. measles. —, w. to have the martyress, measles.
Alwln (aal'win), m. Alewij n. Amelia (e-mee'11-e), w. Amalie. Amazon (em'e-zon),g. Amazonenstroom. ( Ambros • (era'brooz), ra. A mw. Amhroeia broblus. —ia America (e-mer'i•ke), g. Amerika. —n, a. Arnerikaansch; i. Amerikaan. Amiens (eml-enz, i-an), g. Amiens. Amor (ee'mor), my. Amor. Amos (ee'inoe),m. Amos. Armour (e-moern, g. the —, de Amur. Amaphton (em•farun), m. Amphion. Amsterdam (em'etur•denah g. Amsterdam. Anacreon (e-nek'r1-un), m. Anacreon. g. Anam. Anam lee'nem, Anatolia (en e•to'll-e), g. Anatolie. Andalusia (en-de-ijoe'zji-e), g. Andalusia. —n, a. Andalueisch. Andes(en'diez), g. the —, bet Andes-gebergte. Andrew (en'droe), m. Andrien, Andreas. Angelus (en'dzje-lue), r. Angelus. Anal as (eng'glz), i. Anglen, Angelen• —ican (-gli-ken), a. Anglikaansch. Anu (sal, —a (lie), —e (en), w. Anna. Anselm (en'selm), tn. Anselmue. Anthony (en'tun-nih), m. Antonius, Anton. Antilles (en- tirliez), g. the de Anti ilea. Antioch (en'ti-ok), g. Antiochle. Antony (en'tun-nib), m. Zie Anthony. Antwerp (ent'wurp ';, g. Antwerpen. Apennines (ep'n-najnz), g. the —, de Apenn1)nen. Apollo (e-porlo), my. Apollo. —nia (-ul-lo'ni e), w. Apollonia. Arabella (er-e-belle), w. Arabeila. Arab (er'eb, ee'reb), f. Arabier.
Lel au(egr al (in'te.g..'1), a. —ally, ad. geheel, volledig. —ant, a. aanvullend, tot het geheel behoorend. —ate (-greet), v. a. g.eheel maken. —ation (-gree'sjun), a. volledig-, geheelmaking. —ity (-tee'rit-tih), a. volledigheid, gehealheid; rechtochapenheid; zuiverheid; echtheid. Integument (:n-teg'joe-ment), s.bekleedsel, huleel; vlies, }raid. intellect (in-til-lekt'), a. veratand; verstandelijk vermogen. —ion (-lek'sjun), a. (het) verstaen. —ive, a. verstandelijk. —ual, a. —ually, ad. (-joe-el.), verstandelijk, denkbeeldig. —uals (-joe-etz), pl. verstandelijk vermogen. Intellig dice a. verstand, Inzicht; berieht, naricht; verstandhouding; —office, adreakantoor. —eneer, a. berichtgever; nieawsbled. —ant, a. —catty, ad. verstandig, ervaren. —ential (-zjen'sjel), a. ventandelijk, geestelijk. —zbility (-zji-bil'it-tih). —ibleness, s. verstaanbaarheid. —ible, a. —ibly„ ad. verstaanbaar. Intemper aliment ( in-tem'pur-e-ment), s. ongesteldheid. —ante, s. onmatigheid. —ate, a. —ately, ad. (-et- onmatig, overmatig (oak van het wader). —ateness (-et-), —ature (-e-tjoer), a. onmatigheid; overmatigheid (ook van het weder). Intenable (in-ten'ibl), a. onnoudbaar. Intend (in-tend'), v. a. beoogen, bedoelen, voorhebben: bestemmen (far). —, v. n. van plan zijn. —ant, a. opzichter. —edly, ad. voorbedachtelijk. —meat, a, voornemen, oogmerk. Intenera te (in-ten'ar-eet), v. a. verzichten; verteederea. —lion (-ee'sjuu), s, verzachting; verteedering. Intens a (in-tens'), a. —Ply, ad. gespannen, aterk, }wig; ingespannen. —eness, —ity, a. hevigheid; inspanning. —ion (-sjun), a. innerlijke kracht; spanning; hooge greed. —ive, a. —ively, ed. gespannen, werkzaam; ingespannen; versterkend. Intent (in-tent'), a. bedacht, geepannen, gretig. (on. upon). —, a. oogmerk, voornemen; to all —a and purposes, in alien deele. —ion ( -ten'sjun), a. bedoeling, oogmerk; inspanning- --ional, a, —ionally, ad. (-ten'sjun-el.), opzettelijk. —ive, a. —ivaly, ad. aandachtig, oplettend. —ness, s. icagespannenheid. Inter (in-tur'), v. a. begraven. inter. (in'tur) [in eamenst.j, tusschen. Waar, in de volgende sarnenstellingen, de uitepraak niet is aangewezen, daar heeft in den kleintoon. Interact, a. tusschenbedrijf. Intercala r (in-tur'ke-ler), —ry, a. ingelaacht. —te (-leet), v. a. inlasschen. —lion (-lee'sjun), s. inlasaching. Intercede (-sled'), v. n. tuaachenbeide komen, ‘oorspreken ((with for). •—nt, a. bemiddelend. —r, a. berniddelaar. Intercept (wept'), v. a. onderscheppen, afenijden. —ion (-sep'sjun , , a. onderachepping, afsnijding. Intereess lust (-seslun)', s. tusschenkomst, bemiddeling. —or (-sesisure. s. bemiddelaar, voorspraak. —ory (-mes'sur-rih), a. bemiddelend. Interchain (-tejeen'). v, a. aaneen schakelen. Interchange, s. ver-, afwieseling; railing; ruilhandel; verkeer,

Gestooll, o. rornpleg, dalliance. Geetoeite, 0. ',eat, pew, tribune. Geotof. o. dusting; vaunting, boasting. G eseoffeard, be. furnished; decked. ta resit/len, bv. stolen, robbed, pilfered. (a estosn enel,o. rumbling, bustle, noise. Gectoord, be. diaterbed; angry. —held, v, anger, displeasure, wrath. estoot, o. pushing, jogging. Geot otter, o. stamiaterieg. Geeteeel, v, stroking, caressing; flattery. G estreept, be. striped. Geetreken, be. rubbed; ironed. Gest reng, be. & bw. severe (-1y), rigorous (-1y), rigid (-1y), austere (-)y ). —held, v. severity, rigor, rigidity, austereness. t^ eatr!blzel , o. squabble, wrangling. G eetrompei, G oetrulkel, o. steambling. G 'sok, 0. buzzing; whistling, whispering; tingling (in dt oaten). tit esukkel, a. lingering, loitering; drudging, bother; indisposition, WAVY. G etannd, be. tawny. te etnbberd, be. robed. te etakt, be. branched, branchy, forked. Gain!, o. number. —leer, science of numbers. —letter, numeral letter, numeral cipher. --nterk, numeral character. —woord, noun of number. Gee:thin, o. lo.tering, trifling. to etend, be. toothed, cogged, indented, eteeen, o. whining, drawl, cant. G etemperd, hr. tempered, allayed; temperate, moderate. —heid, v. temperatenees, temperance, moderation. G et tent, o. loitering, lingering. o. noise, racket, clamor. ettj. o. tide; opportanity. —boek,brevlary. —de, o. season. —den, o. my. hours, prayers of the breviary. G etUgerce, be. spotted, speckled. (defile, 0. ticking, pit-pat; knocking. fietlinmer, o. carpentry. —te, o.. carpenter's work,timber-work, structure, edifice. Get Intel, o. tingling, twinkling. G et j ll p, o. chirping, twitter. Get oh, o. drudging. toil, mail, misery. etoet, o. sound of a horn; tingling. G etogen, by. gone; brought up. G etokket, o. touching, thrumming. G etongd, by. tongued. Getoo veer, a. sorcery; tricks. Getorn, o. ripping up, uusewing, unstitchlug. Getouvv, o. loom. te strewn, a. weeping. (d steadied, by. grated, net-worked, latticed, trellised. Getrnrepee, o. trampling. EA etretutr, o. mourning. G et reuzel, o. loitering, trifling. G et ripp *1, o. tripping. Gotroetel, o. caressing, fondling, cockering, Getronsinei, o. drumming. Getroosten (Mob), t. w. to bear patiently, to submit to, to take in good part. G eta . anew, by. & bw. faithful (-1y), loyal (-ly), trusty (41y), true, truly, exert (-Iy), accurate

Kan Bitcoin worden belast


ISED.— BedrInken,' or. w, to fuddle, to make tipcy• rich t. w. to toddle, to get tipsy, — drunk. Bedreastd, bv. & bw. afflicted, said (-1y), sorry (-fly), sorrowful (At ►, pitiful (-ly). het is —, it is a pity. —hid, v. afiliction, sadness, grief, nor. towfulnese, Bedroew en, ov. w. to afflict, to grieve; rich —, to grieve (for), to be grieved (at). —ing, v. grieving, dejecting. Bedrog, o. cheat, deceit, fraud, trick. Bedruppalen, C.V. W. to bedrop. alederAlo, en, ov. w. to drip upon, (met boterj to baste; sick kennen ,to have a competency. —ing, v. dripping; basting. llotirukketa, ov. w. to otiut upon. Bedrukt, by. dejected low-spirited. —Arid, v. lejectednems, dejection. 113f:duellit, by. afraid, apprehensive. —held, v. fear, apprehensiou. ildieduld en, or. w. to moan, to signify, to imply; to explain; to show, to betoken, to porteudi het heeft niets to never mind, it is uu natter. —esti,. v. meaning, significatioo. —ing, v. explication. Beduluael en, or wo to thumb. —lag, v. thurebiug. BeduIvel en, or. W. to confound, to perplex. —ing, v. perplexing. Bedunkese, o. opinion, luting --a, in my opinion, Beduur. tn. b-sharp. —aleutel, b sharp-chff. Bedwang, o. restraint, subjection. Bedwelni d, by. stunned, benumbed. —Wield, giddiness, numbueso. —en, ov. w. to stun, to benumb. -- tog, v. benumbneent, tainting, numbnese. BedwIng Wilier, by. w. restrainable. —en, or. w. to constrain, to restrain, to subdue; to check, to curb. --er, m. —ger, v. constrainer, subduer. Baaedlg d, by. sworn; upon an oath. —en, ov. w. to swear, to put to an oath; to swear to, to confirm by oath. —mg, v. swearing, confirming by oath. Reiernak so. torpedo, cramp-fish. Beek. v. brook, rill, rivulet. —je, o brooklet. Be.id, o. image, figure, statue; type; vision; metaphor; beauty. --vieter„ etatue-founder. —houteen, or. w. to sculpture, to carve. --houwer, Kcal: tor, statuary, —Aonwerie, ecolpture; statuary 'is workshop. —houtalcuttet, sculpture. —hautetverk, sculpture. —rijk, flowery. —roikheid, flowerloose. —echoon, most beautiful. —schrift, hieroglyphics. snijder, carver. —spraak. metaphorical style, figurative lengrage. —eprakig, teetspborical, —stormier, iconoclast. —stornier(i, imagebreaking. —tverk, Imagery. —endienaar, worshipper of idols, iconolater. —endienst, image-worship, iconolatry. —enetorm, image-breakiug, —elUlc, hr. & bw. figurative (-1y). metaphorical ( iy). —en, or. w. to form, to ohape, to fashion —rotor, m. draught, representation. —end, hr. imitative, plastic. —erig, —ig, bye beautiful (-1y), nit*, (-4). —jeskoop. seller of statues. BamItonli i v. image, effigi, portrait. mead, lea, field. skin and Beals, o. bone; leg; shank, eel over bone. gent — tinden in, not to scruple at, op de
BRI. —BRIJ . 424 to break, to crumble; coat in de melts to — hebben, o. morsel. —oar, m, pilferer. Brie:Lei, v. to be a warm man. —en, ov. & on. W. to pilfer. Brous MOD, on. & on. W. to hum, to buss, to IFIrignd lt, V. brigade. —ter, m. brigadier. grunt; to grumble; to be angry. —beer, growler, BrIatantUn, m. brigantine. —pot, sic BrU, v. porridge, hastypudding. —beard, —tied, gtumb:er. —kever, humming-beetle. Drombeor. —tot, humming top. —viieg, mucklisper. —pot, porridge-pot. —en, on. w. to lisp, fly, blue-bottle. —mere m. growler, grumbler; to speak thick. —aehtig, by, pappy, pap like. Cab, hackney-coach. —mig, grumbling. Brik, v, brig. Bell, m, spectacles. een St pair of spectacles; Broil, v. spring, well, fountain, source, origin, cause. —adsr, vein of a well; source, origin. —past, seat. —gat, privy-hole. —slang, hooded snake. spa-drinker,visitor of a watering-place. —muster, —teglas. —ledoos, —Zenhuisje, spectacle-case. Spectacle-glass. —tenkooper, —lenkramer, — len- master of the wells. —water, spring-water, mineral-water. man, seller of spectacles. —lenmaker, spectaclebronze. soaker. —lensli,iper, spectacle-glass-cutter. —ten, Drone, o. bronze. —kleur, brass-color, rutting, rut. —Aid, ruttingon. w. to vex; to bubble, to frustrate one's atm; Brunet, v. pride, season. —en, on. w. to rut. —ig, by. rutting. on. w. to use (to wear) spectacles. —igheid, v. rutting, rut. Brits, v. wooden couch. —en, ov. 'w. to lash, to Bronze's, by. bronze. —, ov. w. to bronze. breech. to have a Beoddell car, m. —aarster, v. bungler, botcher. Brood, o. bread; loaf. AM — hebben, one's livecompetency. sips — eerdienen, to get v. bungling. —en, ov. & on. w. to bungle, —aril, lihood. —bakken, bread-baking. —bakker, baker. to botch, to cobble. —werk, botch, botchery. pance.r. —bezorger.. Brood, o. brood, breed, hatch. —en, ov. w. Zie —bakkerij, bake-house. dough for bread.—boom, —die!, breed-fruit-tree. —deep, Broelen. —dronken, petulant, wanBroeder, m. brother. Lustig° —, jovial fellow, depriver of livelihood. --haboon companion. —gemeente, community of the ton. —etronkenheid, petulancy, wantonness. men, bread-room, pantry, buttery. —kart, pantry. fraternal love. Mere -qui brothers. —tiefde, —korf, —nand, bread-basket. quarrel bread-chest. —diet, —moord, —warder, fratricioc. —twist, between brothers. --sdochter, niece. —skind, —horst, crust of bread. —kraim, crumb of bread. —race, bread knife. —nijd, envy of trade, pronephew, niece. —scream, stater-in-law. —canon, fessional jealousy. —aoodig, as necessary as nephew. —lijk,by .& bw. brotherly,fraternal (-1y). bread. —pap, —sop, paned°. —rot, bursar, eR—1(ikkeid, v. brotherly (fraternot) love. —settap, garret-scribbler, Grabv. brotherhood; o. fraternity. —tje,o. small cake, htbitio een . (kind of) puff.ceke; —skraam, stall for baking street- writer. —sehieter, oven-peel. —sulker, loafauger. —wagon, close waggon. —teinkel, baker's small cakes; —span, pan for small eta.. e. shop. —winner, supporter of a famt y. —winBre...does, be. broody. —heid, v. broodiness. ning, livelihood. (means of aubeistence. —woeBroei en, on. w. to brood, to hatch, to sit on; to mild; to soak; to cocker, to coddle; to foment; tel, yam. —netting, assize of bread. —egebrek, to starve. —.loos, Us, to brew; zich —, to clothe one's self too warm; want of bread; —lkiden, breading. —je, o, roll; zoete —a beckon, to come on. w. to lib: on eggs, to incubate; to grow hot. a peg or two lower. there is some mischief hatching. er iroeit lets, v. buskin, cothnrnue. —, by. fraif,brittle. —bak, hot- bed. —ei, addle egg,rotten egg. —hen, Broom, —kae, hot-house, green-house. —kooi, —held, v. frailty, brittleness. broodieg-cage. kuip, madhing-tub. —nest, neat Bros, b v. Zie Brous. brew; to broach, to confor brooding hens; nursery, focus, centre. —1(jel, Broom' OD, on. W. to brooding-time, sitting. —end, be. sultry (van het coct; on. ve. to lisp, to speak thick. —kelt!, brewtub. —er, m. brewer; weeder). —ing, v. brooding, Incubation, soaking; leg-copper. —kuip, brewing broacher, deviser; lisper; —sknecht, journeymanfomenting; eultrineas. —eel, o. brood. brewer. —ern, v. brewe'y, brew-house. —ing, v. Broek, o. marsh, pool, fen. —land, marshy land. brewing; broaching; speaking thick. o. —achtig, b v. marshy. brewing. Brock, v. (a pair of) breeches, trowsers, panta—bad, trestle. —paca,stilt.—ptiler., loons; breech (ran een kanonl; small ring (van Br og, v. bridge.bridge-money, -toil, postage. —•.etier. --gegeld, een togel), in de — sicken, to breech. roar de — cross beams. —geesan, bridge-man, tollgeven, to xvis , p the breech. —yelp, knee-buckle, juk, gatherer. — ganhoofd, barbacan. waistband buckle. —galg, suspender. —mannetie, get! er den — rein,1 don't meddle little boy that weary breeches. — oak. poeket,fo',. Brull,m.knock.ik every thing, all together. —engned, —enstof, stuff for breeches. —aband, with it. al den —, —leider, bride-man. —/eidster, waistband. —eklep, flap. —spijp, leg. —en, on. w Druid, v. beide. bride-mold. —achat, dowry. —ttuk, bride's favor. to pocket up; on. w. to wear breeches. —lag, v. —shed, bride-bed, nuptiat bed. —edagen, bridal breeching. days. --spree, —spilt, bridal present. —weed, Brok, m. pioce, morsel, lump, fragment. —sluk, paraphernella; trousseau. —ajonker, bride-manfragment. b(j shaken en —ken, by bits. —je, o. -sjuffer, bride-maid. —slatted, nuptial garment, bit, morsel; lekker tidkit; hu is en, he-, wedding-gown. —skrans 7 bridal wreath. —spear, he is a end chap indeed. —kelen,ov. & on. w. to betrothed couple. —gauger, bridal meet-meat., break (to fall) into fragments, to crumble.—kelig, sugar-plum. —straiten, hippocras. —span, m. briby. brittle, fri•tble. —keligheid, v. brittleness, degroom. friableness. —feeling, v. crumbling. —ken, on. W.

Zal Bitcoin uitsterven


231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;

Heeft Coinbase werken in Nieuw-Zeeland


Ostrich (os'tritsj), a. struisvogel. —egg, straits!. 0 utda re (-deer'), v. a. trotseeren. —feather, struieveder. Outdate (-deeti), v. a. in onbruik brengen. Otacoustie (ot-e-kausqlk), s. oar-, klankboren. Outdo (-doe') [hr.], v. a. overtreffen, Otal gift (o-terdsji-e), —gy dzjih), s. oorpijn. Outdoer (-doe'ur), s. overtreffer. —gic (-dzjik), s. middel tegen oor ptjn. Outdoor (-door), a. uithuizig. —e (doors.), ad. buitenshuts. Other (uth'ur), a. & pr. ander. each —, elkander. the — day, mileage. every — day, om den anderen O•tdrink (-drink') [irr.], v. a. in het drin!ien dag. some body or —, de eea of de andere. —gates overtreffen. (-dwell'), v. a. lenge? bltjven dan. (-geets), ad. op eene andere wijze. —guess (-gees), Outd —guise (-gajz), ad. van eon' anderen aard. —where Ouster (aut'ur), a. buiten. — court, bultenhof. —1y, ad. aan den buitenkant. — moat, a. uiterste. ( eer), ad. elders. —while (-wajl), sad. op een' anderen tijd. —wise (-wajz), ad. enders, enders- Outface (-fees'), a. a. trotseerers; verlegen maken. zins. Outlet!, s. uitwatering, Boot. Otter (oVturr, oak Attar en Otto, a. essence, ro- Outfawn (-fame), v. a. beter pluimatrtken dan. zenolie. Outfit, s. uitrusting. Otter (ot'tur), a. otter. —dog, otterhond. —hun- Outflank (-flenk'), v. a. overvleugelen. ting, otterjacht. —pike, pieterman (visch). Outfly (-flar) [irr.], v. a. voorbij vliegen; overs. Ottoman, treffen. Ottoman (ot'to-men), a. turksch. Outfool (-fool'), v. a. in dwaasbeid overtreffen. Turk; rustbank, sofa. Ought (sot), B. iota. for — Iknow, zoover ik meet. Outfrowu (-fraaun'), v. a. afschrikken. for — I see, zoover 1k zie. —, v. n. moeten, be- Outgate, a. buttenpoort, uitgang. Outgeneral (- dzjen'ur-e1), v. a. in krijgsbeleid hooren. overtreffen. Ounce (aauns), a. one; touch, lynx. Our (aur), pr. ons, onze, onzen. —s (oure); pr. (het) Outgive (-giv') [I rr], v. a. meer geven day. —.elf Outgo (-go') [irr], v. a. smeller (verder) gaan onus; a friend of —, can onzer vrienden. dan; voorbijstreven; misieiden. (self'), —selves (-solve ► , pr. wij (one) zelven. Outgoing, s. uitgang. —8, pl. uttgaven. Ousel (oe'21), a. meerl. Oust (aust'), v. a. uitstooten, verdrijven; berooven. Outgrow (- gro') [irr], v. a. ontgroeien; boven bet hoofd groeien. —er,s. ultatooting, verdrkjving. Out (aut), ad. A pr. uit; buiten; afwezig; weg; op, Outguard, s. voorpost; buttenpost. verbruikt, ontbrekend; uttgeput; uttgebluscht; Outherod (-her'ud), v. a. in wreedheid overambteloos; van ziju stuk ; luid. — and—, door en treffen. door. to be —, het mis hebben; ten elude read an; Outhouse, s. bgebouw; schuur. (with) in ortinin zijn met. my hand is—, ik ben niet OutJeer (-clejter'), v. a. door spotternij overbluffen. op etreek. — with it, voor den dag Cr mee I at elbows, met gaten in de mouwen. — of, uit, but- Outlast (-dkjestn, v. a. in het sehertsen overtreffen. ton, uithoofde van, wegens; berootd van, zonder. — of all, alles kwijt. — of design, met opzet. — Outknave (-neev'),v. a. in schelmerlj overtrefien of doubt, button twijfel. — of favor, in ongenade. Outlandish (-lend'isj ► , a. buttenlandsch. Outlast (-1aast'), v. a. tenger duren dan. van den — of heart, meedeloos. — of the way, a. Outlay*, a. vogelvrtj verklaarde, balling. weg af. a. vogelvr) verklaren, bannen. —ry Out (out), v. a. uitstooten. —, int. voort ! weg ! vogelvrij-verklaring. foci I Wear, in de volgende samenstellingen, de uitspraak nice is aangewezen, dear heeft out den Outlay, s. uitschot, veracbot, uitgaaf. , — Outlea'p, s. ontsnapping; onbesonnenheid. klemtoon. (-lisp'), v. a. voorbUspringen. Outset (-ekt'), v. a. overtreffen, to buiten gaan. Outbalance (- bel'ens), v. a. zwaarder wegen dan. 0 u ti earn (-learn'), v. a. in het leeren overtreffey. Outlet, s. uitgang, uttweg; verlaat, uttwatering. utbar (-bear"), v. a. uttsluiton. —a, pl. omstreken. Outbid (- bid') [irr.], v. a. hooger bieden dan. Out lie (-laj'), v. a. in hot liegen overtreffen. —der, a. meestbiedende. Outline, e. omtrek, schets. —(-lajn'), v. a. schet0 u tblown (-bloon'), a. opgeblazon. Outborn, a. uttheemsch, vreemd. v. a. overleven. —r (-1iv'ur), a. Outlive Outbound, a. near button 's lands bestemd. I angatievende. Out brave (-breev'), a. a. trotseereu, tarten. Outbrazen (-bree'zn), v. a. in onbeschaamdheid Outlook, s. voorzorg, waakzaamheid. v. a. verlegen (beschaamd) maken. overtreffen; overbluffen. Outlying (-layieng), a. afgelegen; buiten de geOutbreak, s. uitharsting. wone orde. Outbreathe (-brieth")„ v. a. eon' langeren adorn Outmarch (-maartsr), v. a. in het marcheeron hebben dan; den adorn doen uitblazen. overtreffen; voorbijmarcheeren. Outbud (-bud'')„ v. n. uitbotten. 0 u t measure (- mezroer,-ur),v. a. in grootte overOutburst, s. ultbarsting. F. !minding, treffen. Outcast, a. verstooten, vogelvrij. Outmost, a. uiterste, buitenste. verworpeling. Outnumber, (-num' bur), v. a. in aantal overtrefOutcralt (-kraaft'), v. a. versobalken. Outcry, s uitroep, gil; gejouw; veiling. — (-kran, fen. Outpace (-pees'), v. a. achter itch laten. v. a. overschreenwe.n.
Js Jack (dzjek% —y, f. toot John; Jantje, Hans. Jacob (dzjee'kub), ni. Jacob Jacob In (dzjek'ttb-in), h. Jacobljn. —ine (-ajn). w. Jacobins. —ite (-ajt), h. Jacobletoianhanger van Jacobus II. Jatnalca (dzje-mee'ks), g. Jamaica. James ((lzjeemz), m. Jacobus, Jacob. Jane (dzj Ben), ',Johanna, Jaantje. Janeiro (dzje nee'ro), g. Janelro. Jou,. (dzje pale), g. Japan —eee (dziep-en-lez'), a. Japansch; 1. Japannees; the —, de Japanneezen. Jason (dzjee'sun), m. Jovon. Jan) (dzjesp'), nt. Kaspar, Jasper. Java (dzjea'-, dzja' ve), g Java. Jef (dziet'), —ery, —frey (4,1h), f. toot Geoffry. .lens ((Wens"), t. v /or James; Koos. Jenn ci (dzjen'nit), —y, f. toot Joan; JAnsje. Jeweils ish (dzjer•e-maj'e), —y (dzjer'e-mih), m. J eremia, Jeremics. Jerlaho (dzjer') g. Jericho. Jerome (dzjer'um), f your Hoeronymus. Jerry (dzj ,.r rib), f. toot Jeremy. Jersey ((War% g. Jersey. Jerusalem (dzje-roe'ae-lam), a. Joruzalern
lead. —1(ist,—stuk, abacus,—mantel, cloak, mask, degnise, pretext. —riot, —stroo, hawm, thatch. — schild, wing-shell. --stem, ledger, coping-brick. —stet, woes- pillar, stanchion. —cart, body-color, opaque color. Mikan, v. blanket, qr lit, coverlet. —, ra dean; master. —achap, o, deanship, deanery. pek ken, ov. w. to cover; to clothe; to slate prat islet), to thatch (mat shoo), to tile (net pantsex), to shingle (met harden); to Wend, to protect; to shade teens teaming); to leap, to line; to answer (eon wised), to make good, to reimburse. de !apt - to lay the cloth. gedekt ace, to have security. —tar, in. coverer. —king, v. covering; security, reimbursement. —eel, u. cover, covering; lid; raiment; cloak. Del. v. dale. D•ltitof, v. mineral. —fel0k, by. mineral; HA, mineral kingdom. DeIg an, or. w. to eradicate; to pay, to sliek. —kg, v. eradication; payment, sinking; —.fonds, einking-fund. Delling,v. Pie Del. Doluw, bv. livid. Deli/ en, ov. w. to dig, to delve; Male de aarde —, to bury. —or, in. digger, delver. —big, v. digging, delving. Damp en, ov. w. to extinguish, to quench; to smother, to quell, to euppreso; to deaden (the sound ot); to fill up; to haul up (stn m. extinguisher, quencher; queller, suppteseor; mute. —ig, by. pursy, broken-winded. —20464 v. pursineee. —isg, v. extinguishment, extinction; suppression; filling up. Den,I. the; to the. Den, m. fir. fir-tree. —neboom,11r-tree. —nenboseh, forest of fir-trees. —nershost, sir-wood. —nen, by. of fir. Dank biter, by. imaginable, conceivable. bearacid, a. conceivableness. —el0k, by. probable; bw. probably, likely. — en, ov. & on. w. to think (of); (arm) to remember; to consider, to reflect, to muse, to ponder; to believe. to suppose, to imagine. to fancy ;• to judge, to intend, —beeld, idea, notion. teeldig, imaginary, ideal. —kraeht, —vernsogen, faculty of thinking, intellectual power. —mijse, manner of thinking; opinion.—end, by. thinking, rational. —er, m. —ster, v. thinker, reaeoner. speculator. Dior, 1. of the; to the. Deed*, by. third. —, m. third person, umpire. - v. tierce. o. third (part). —deer, third part. bv. two and a half. —ndaapsch, ha. tertian. Doren, or. w. to hurt, to injure, to harm, to ail; to give concern, to mike sorry. seal deert x ? what ails you? what is the matter with you? Dergeilik„bv. such, such like, similar. Derkelvo, bw. therefore, conaequently. Dermate, bw. is such a manner. so mush. Dorsi*, v. stratum of clay below the mud. Dart/en, tw. thirteen. —de, by. thirteeath. —dehalf, bw. twelve and a half. —tarsal, bw. thirteen times. —tai,o. (number ef) thirteen. Dertig, tw. thirty. —deep, by. of thirty days.

Hoe bereken je cryptogeld winst


klankleer. -oloyical (-no-lod'ziikl), a. van de geluidsleer. -ology (-norud-zjih), a, geluidsleer. Phosphate (foa'fet), a. phosphorzuur zout. Phosphor (fos'fur), -us, a. phosphorus; morgenster. -ate (-eet), v. a. met phosphorus yeabinden. -vice (-eel, v. n. zacht lichten, men. -eseence 'ees'aens), a. ltehting, -esrent (-eesent), a. lichtend, glimmend. cc (-for'ik), a. phosphorisch; -acid, phosphorzuur. -one, a. phosihorachtig. Photograph teto.grefi„ s. llohtbeeld. -, v. a. & n. lichtbeel en vervaardigen. -er (tog're-fur), s. photograaf. -ic (greeik., a. photographisch. - y (tog're-fih), a. kunst om lichtbeelden to vervaardigen, photographie. Photo logy (fo•tol'ud-zjih),.. leer van bet licht. - meter (-tom'i-tur), a. liehtmeter. Phrase (freez), a. ispreekwijse; zinsnedei volzin. - , v. a. uitdrukken, noemen; v. n. bijzondere spreekwijzen gebruiken. -ology a. spreektrant; verzanaeling van spreekwijzen. Phren etic (fre•net'ik), a. waanzinnig, razend. itia (-Aid' tie), a. ontstekisg; waanzin, razernij. Phrenolog 1c (fren-o-lod'zjik), -al, a. van de schedell ear. - y(fre-nol'ud- zjih), a. achedelleer. Phrenzy (fren'zih), a. Zie Frenzy. Phthis ic (tiz'ik), a. tering. -ical, a. teringachtig. -is (tharsis), a. tering. Phylactery (fi-leklur ih), s. amulet, toovercedel. Phyllite kfillajt), a. versteend bled. Physalite (fiee-lajt), s. zwelsteen. Physic (fiz'ik), a. geneeskunde; genees-, purgeerdrankje. middel. to take -. Innemen. - nut, purgeernoot. -pork, amerikaansche kermesbes. -, v. a. geneeskundig behsndelen, doers purgeeren. -al, a. -ally, ad. genees-, natuurkundig; natuurlijk. -ion (fi-zisj'en), a. geneesheer, nets. -s, pl. natuurkunde. Physiognom er (13.z.i.og'no-mur). -jet, a. gslaatkundige. -ic, (-nonfik-), a. van de gelaatkunde. a. gelaatkuude; gelaatsuitdrukking, gelaat. Physiolog er (fiz-i ol'ud-zjur), -tat a. pbysioloog, natuulkundige. -ic, -ical (-o-lodizjik-), a. playsiologisch, natuurkundlg. -y, a. leer der org.ische lichamen, natunrleer, natuurlijke historie. a. grasetend. Phyt Ivorous (fi-tiv'o-rus) - ography (-tog're fib;, s. planlbesehrijving. Phytolog 1st (fi-tol'ud. zjist), s. plantenkenner. - y, a. plantenkunde, plantenleer. Placul gar (paj-erjoe-ler), -ous, a, misdadig; boetend. Pla-neater (paj-e-mee'tur), a. bersenvlies. Plan et (pape-net), s. kleine apecht. ekster. -ist (ook: pi-a'nist), a. pianist. -oforte (pi-a'noforle), a. piano. Plaater (pi eetur), a. piaster. Plbcorn (pib'korn), a. fiuitpijpje. Pibroch (paj'brok), a. kriagsmuziek der Bergachotten. Pica (paj'ke), a. belustheid; ekster; cicero-letter. small -, brevier-letter. Picaroon (pik e roan'), a. zeeroover, vrijbuiter. Piccage (plk'kidzj), v. steangeld.
--tine, ( - ee'sjun), a. sehatting; waardeering. - ter Vaean cy (vet'ken-all,), a. leagte; ledige ruimte, (-ee-tut), a. echatter; watudeerder. ledige tajd; itenate; opngevallen betrekking; -. v. a. achatve,cantie; gedaehtenloosheld„ -t, a. ledig, onbe• Value (verjoe), a. waarde, ten, Iv aardeeren: aehten; in waarde evenaren; vetzee; onvervuid, vacant; geduchtenloos. gelijken. - one's self upon, zich laten voerstaan Vaea th (ves'keet), v. a. a:Amin:en; opgeven; to op. -, v. a. (on upon) trekken, afgeven op. &Jet doen. -action (ve-keb'ejun), a. aitchaffing; -less, a. zonder waerde. -r (-ur), a. echatter. Tusttiltl • vaeantie. (-it), V neciu ate (vek'sin-nee*.), v. a, inenten -ation Valor e (velv'), a. klep: deurvleugel. -et-sitar -ule (-joel), a. klepje; kleine vouwdeur. (-ee'Pjun), a. koepokinenting. -ator, a. Zie Vac•os•er), a. kiep-. chilst. -e (ook : -vain), a. koe-, van de Icon; harnas. -- inoculation, koepokinenenting; - infection, Vatnbraeo (vem'breeti), a. armplaat, Vamp (vamp'), a. overlear. -, v. a. lappen, eer-, matter, koepokstot. -ist, e. inenter atellen (up). - er, s. tapper, verateller. -ire (-sir), Vaellita any (ves'eil.len - sik), a. wankellAg; a. vampier, bloedzulger. -te (-feet)., v. n. wankel.; weafelen.. Van (wen') a. wan; waxier; vleugel, wink; hail--tion (-lee'sjnn), v. wankeling; weifeling. kar, voorhoede. -courier ( - kosei - nr), a. Ivor%Taco. ity (ve.kjoe'it- tih), e. ledigheli; 'Adige looper, voorbode. --guard, a. voorhaede. -, v. a. -um (oak"(•eit'joe-ns), a. Wttouen. joe-um), a. ledige rulmte. Vandal In (yen-dank), a. barbaarech, vernlelend. Vade-mecum (vee-de-ani'kurn), a, zakboekje ; (ven'del-lzm), a. barbaarschheid, vernielhandboek. zucbt. Verrone, (ve'frus), a. loos, schalksch. a. l and- Vat, d yk* (yen-dajk'), a. ultgetaude haiskraag. iraga bond, (veg'e.bond), a. zwervend. (ven), a vaantje, w eerhaan; vizier; windlooper. -age, -lel), n. landlooperij. vieugel, maker. Vagary (a e-gee'rih), a. grit, knur. Va,.;Ina (ve-dzjayne), a. ocheede. -/ (oak ; ved , Vsng (yang), ...lel (in eene penneschacht); geard. Vanilla (ve nille), a. vanitle. zji-nel), a. von de scheeae. V agran cy (vee'gren-s:h), a. rondzwerving„ -e, Van lab (ven'isj), v. rt. verdwtjneu (away.fron). -ity, a. ijdelheid. a. zwervend, 8, river , . landtuoper V a_outte(veeg'),a. --ly, HA. °nem ervend; onbepaaid, Vanquish (veng'kwisj), v. a. overwinnen. -er, a. overwinnaar. Vali (veal'), a. 8c v. a. Zle Veil. Vantage (nen'tit14), a. unaided, winat. -groaaci, Valle (vaelz), a. pl. fooien, vernal. meerderheid; gun:stip stand. Vain (even'), a. -ly, ad. vergeefech, vrtichteloos: Vapid (vep'id), a. t aum, dnf, verscbaald. -ity to vergeefa; to take in kidel (of); vergeefsch• in -ness, a. ft/Inv/held, verschaaldrnisbrniken. -glorious, a. --gloriously, ad. verwaand; snoevend. -glory (-gin' held. e. vermaandheith grootspraak, snoeverij Vapor (vee'pur), a. damp, wapem. -, v. a. vet.dampen (away. out); V. n. dampen, uitdampen; -ness, s. ijdelheld; raietigheid. suoeven, pocky -er, a. anoever, pocher. -orb, Valiant° (vel'ens), a< valletjo (non bedgordtjnen). a. dampig; grill . -out, a. (tamale. ; opgeblazen. Valle ( veal), a. dal, vallei. -a (-pure), pl. , ampen, winden, opetijgioaen. Valecilet ton (vel-e-dik'elun), a. vaarwel, aflab. a. ZieVai etheidegroet. -cry, a. afscheidsen. Valentine (vel'en-tajn), s. St. Velten's liefje; Varee Iver'k), a Vail able (vee'rt. :bp, a. -ably, ad. veranderlijk. St. Velten's minnr brierje. -ability (-e-bil'it-tih), -ableness, s. veranderltik• Valerian (ve-li'rl-en), a. valeriaan. held. -anca (-ens), a. versehil, oneenigheld, to Valet (vent)... kneeht. hediende. set at -, oneenig maken (-ee'sjun), e. V aletutlinar inn (vel-eajoe-dianae'ri-en), -y veran˚ veracbillendheld; afoijkine. -cot' ), R. ziekelijk; as. ziekelijk mensah. (verl-koos), -roue (reel-kn.), a. aderspattlg. Vallnat (vellent).. a. -1y, ad. dapper. -netts, s. -epate (-e-geet), v. a. bespikkelen, kakelbont dapperheid. • sehak, eren. -egation (-e- gee'sjuh), a. yeel.kisurig • Valid (vel'id), a. -ly, ad. clerk, bondig, gadig. heid; schakeering. -ety (ve.rare-tih), a. afwiese. -ity -ness, a. ktacbt, bondigheid, ling, verandering; versebeldenheld, -clout (vs. gelatighetd. raro-lus)., a. pokachtig. -one, a. -nicely, ed. Valium (ve-liez'), a. valley, mantelzak. verecheiden; veranderlijk. Visitation (vel - lee'sinn), v. verschauaing. Varix (vee'rike), e. adergerwel. Valley (vel'lth),n. dal, valley. Valor (va,"ur), v. dapperheid, -one, a. -oualy, Varlet (vaaelit), a. knecht, page; achurk, Kebobbejak. ad. dapper. Value blew (verioe-iial), a. kostbaar. -Maness, a. Varuytsh (wtenixi), a. vents, lak; verglaaseel; -, V. a. vernissen, verlakken; vereeizen; kostbaarheid. -tiles (-111z), pl. kostbaarheden.

men. —er, s. bealaglegger. ..-t, a. gerechteitia bealag.. Distress (dis-trees'), a. ellende, rampapoed, nood; in-bee.ag•nerrang. v a. in ellende(000d) dompelen; in beslag nemen. —fat, a. —fully, ad. rampspoedig; ellendig. —iny,a. kwellend, treurig. Distribut e (dia-tribloet), v. a. ultdeelen. —er, a. uitdeeler. —ion (-tijoe'ejun), s. uitdeeling. —ire, a. —ively, ad. uitdeelend. District (die'trikt), a. rechtegebitd, distrikt, Distrust (die - trust), a. wantrourven. — , v. a. wantrouwen. —ful, R. —fully, ad. wantrouwig. —fulness, s. wantrouwigheid. Disturb (dis-turb), v. a. verontrusten, storen, verwarren. —ance, a. opschucling; storing; verwarring. —er, a. veratoorder. Disunion (dis-joen'jun), a. reheiding; oneenigheid. Disunit e (dig-Joe-112M, v. a. vaneen seheieten;

eris x cryptogeld

×