brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

Is er een toekomst van cryptogeld


—wash, —wax, ververebrem. —yard, houtwerf, -tuba. —, v. a. van hoot voorzien; v. n. hoot opdoen.—ed, a. houtrijk, bosehrtik. —en (wned'n), a. houten; — shoe, klomp. —mess (4-ness), a. houtriikheid; houtaebtigheid. —y, a. boeehrijk; houtrijk; houtaehtle; houteu. '11woossr veoe . ur), a. vrijer. Vt•oof (woe!), a. inalag, weefeel. Wooing (wee'vang), a. het vrijen. —ly, ad. vrilend; innemend , aanlokkelijk. Wool (woel'), a. will. bag, —bale, wolbaal. —ball, haarbal. —bearing, woldragend. — blade, wolkruid. —breaking, het aorteeren van wol. —business, wolvak, wolbandel. —card, wolkaarde. —comber, wolkammer. —cotton, boomwol, )(Moen. —dresser, wolbereider. —driver,opkoopar van wet. sehapevacht. —felt, vlit; vilten hoed. —gathering, versttooid van gedaehten. —grower, eehapenfokker. —loft, wolzolder, -pakhuts. —market, wolmarkt. —pack, —sack, wolzak, -heal. —pated, met wollig haar. —spinner, wolapinner, -spinster. —staple, wolatapel, -markt. —stapler, wolhandelaar. —trade, wolhandel. —winder, wolpakker. Would (woeld'), v. a. bewoelen. —er, a. Snap(bij touwslagers). —ing, a. woeling. Wool (woeld'), a. met... wol. Wooll an (woeinin), a. wollen; s. wollen atom'; —draper, lakenkooper. —iness (•11•ness), a. wolligheid. —y, a. wollig. oop (woep), a. roodborstje. Woos (woes), a. zeegrae. Wootz (woetz), a. (soort van) bengaalseh staal. Word (ward'), a. woord; bericht; bevel. at (in) a —, in 66n woord, kortom. by — (of mouth),mondeling. to seed doen weten, maiden. —bask, wooirdenboek, -Wet. —catcher, woordenzifter. —catching, woordensifterij. —, v. a. ultdrukken, in woorden brengen. —iness ( 1-ness), a. woordenrijkheid, wijdloopigheid. —tag, s. inkleeding. —y, a. woordenrijk, wijdloopig. Work (wurk!)„ a. week. arbeid; handeling,daad; behandeling; stiksel. at (on. to) —, aan den gang; aan bet week. —bag, werkzak. —basket, weekmandje. —box,werkdoos. —day, werkdag. —fellow, k ame read, workmakker. —house, werkhuis. —man, werkman. Lie oek beneden. —master, workmeester. —shop, werkplaats, winkel. —table, wericta• fel. —woman, werkater; Work (work') [wrought• (rant)]. v. a. bewerken; uttwerken; tot stand brengen; in beweging brengen; doen werken (gisten); behandeien; manoeuvreeren met; borduren, etikkeu. (off) verwerken; loaworken; uitstrijken; afdrukken. (out) ultwerken; bewerken; tot eland brengen, volbrengen; uitwisechen; vernietigen. (up) opwerken, omhoog werken; verwerken; verbruiken; aanvuren„ prik• kelen. —, v. n. werken, arbeiden; in beweging On; stampen, alingeren; eaten; (upon) treffen, indruk maken op. —able, a. te bewerken; In stoat am te werken. —ed (wurkt), a. gewerkt; geborduurd, gentlkt. —er, a. werker; bewerker; werkman. —ing, a. het werke n; werking; be-, nitwerking, glating; —barrel, pompbnis; — brain, werkzame gent; —day, a. alledeagech; a. werkdag, people, werkiteden.

In February 2019, Coinbase announced that it had acquired "blockchain intelligence platform" Neutrino, an Italy-based startup, for an undisclosed price.[33] The acquisition raised concern among some Coinbase users[34] based on Neutrino founders' connection to the Hacking Team, which has been accused of providing internet surveillance technology to governments with poor human rights records.[35] On March 4, 2019, Coinbase CEO Brian Armstrong said his company "did not properly evaluate" the deal from a due diligence perspective and thus any Neutrino staff who previously worked at Hacking Team "will transition out of Coinbase."[36]

4x cryptogeld


tiA14.—HA1'. Loog. — breadth, handbreedte. —cloth, zakdoek. —cuff, a. handboei; v. a. boeien. —fast, hechtenue. —fetter , handboei. handvol. —gallop, handgallop,driesslag. —gearing, atuurtoestel (aan locomotieven). —glass, glazen klok. —grenade, haedgranaat. —gun, geweer. —kerchief, zie beneden. —language, vingerspraak. —loom, handweefgetouw. dienatmaagd; kamenier. handmolen. —rail, belie, lettering. —sails, kleine zeilen. —saw, handzaag. --screw, handechroef; domtnekracht. —seizing, bovenbindael. —spike, handapaak, knevel. —staff, werpapiea. —stroke, handalag. —tiller, roerpen, —vice, handschroef. --weapon, handwapen. —woman, vroedvrouw. —work, handenarbeid. —writing, achrift, schrijfhand. Mandl craft (hend'i-kraaft), a. handwerk. —crafts-man, haudwerks-, ambachtsman. —ly, ad. handig. —ness, a. handigheid. —work, hendenarbeid, -werk. Handkerchief (heng'kur-tsjif). s. dock; zakdock; halsdoek. pocket—, zakdoek. Handle (hen'd1), s. handvateel,• steel; hengel, hengsel; zwengel; gevest; hecht; aanleidinpa voorwendsel. —, v. a. bevoelen, betasteu; hanteeren; behandelen. Handless (hend'less), a. zonder handen. Handsel (hen's11), a. eerate gebruik; haudgift. —, v. a. voor de eerate maal gebruiken; handgift geven. Handsome (hen'sum), a. —1y, ad. fraai, lief, sierAjk; hupsch; geriefelijk; grootmoedig. a. fraaiheid; sierlijkheid; hupschLeid;kieschheid. Handy (hen'dih), a. handig; knap. —blow, slag met de hand. —dandy, handjesspel. —gripe, greep met de hand, aanpakking. —stroke, slag met de hand. Hang (heng') [Mote]. v. a. opbangen; behangen; neerlaten. (down) laten hangen. (out) uithangen. (up) ophaagen; verschuiven. —, v. n. hangen, zweven; afhangen (back) dreier, (en) zich hechlarge —, text — (round —), small —, running —, ten ann.; afhangen van. (on, upon) aanhangen; groot, middelsoort (staand), klein, loopend schrift. with — and heart, met hart en ziel. of tot last zijn. (to) aanhangen. —dog, galgebrok. —man, beul. —nail, groote nijdnagel. —by, a. quick —s, handig. to be — rand glove. twee Minden op edit' buik zijn. all —a high! overall at afhangeling. —er, a. hanger; hengsel, hank, hartsur-ore), a. afhangeling; tafelvanger. —er-on, Ano —, in geen geval. at the —s of, van wege; van den kant van. near at —, aanstaande. by —, vat achuimer. de hand. by the —, of, door tueschenkomat van. Hanging (heng'ieng), a. hangend; de galg verdionend. s. ophangtng; behangeel. —room, van de from — to mouth, gelijk op. even —a, droogkamer. haul in den tend. to go — in —, met gemeen overleg to werk gaan. now in —, onder handen, Hank (hengk), a. streng garen; strik, kuoop; in de maak. to fall in —s with, beginnen. money invloed; maatband; stagring. —, v. n. tot stren• in —, geld in handen; content. to take in —, gen maken. hunkeren, sueginnen, onder handen nemen. off onvoor- Hanker (hengk'ur). v. n. (after, for) sterk verlangen near. —ing, a. gehunker, aterk bereid; van de hand. out of —, op etaande vast. verlangen. money out of —. betaald geld. — to —, man tegen lianseatIc (hen-ei-et'ik), a. hanzeatisch. —body, man. — over head, hats over kop. hanzevetbond, (de) Haim. Hand )head'), v. a. overhandigen, aanreiken; hanteeren; geleiden; beelaan (een zeil). — (about) Ilanse.town (heria'teauu), a. hanzestad. Hansom (ben'sum), a. 'wort van huurrkitnig. inpalmen; (in) rondgeven. (down) overleveren. hrengen (helpen) in. (out) uitleidei. (over) over- Hap (hep'), a, toeval; tref,geluk. —hazard thez'urdl, a. bloot toeval. —less, a. onge1ukkig. —/y, ad. reiken, overerengen. a. hand aan band; misschten, mogelljk. met handen. —er, a. overhandiger, overbrenger. Hand (hend') [in samenst.] —barrow, berrie. Happen (hep'pn.), v. n. gebeuren, voolvallen. (upon) aantreffen. —bill, —basket, hentelmand. —bell. tafelschel. hit jet, ktffiche handbook. —bow, hand- llapp mesa (hep'pi-uese), a. geluk; gelukzallg130
143 a. on—iblettese, a. ongevoeligheld, onvatbaarheld voor limperspicu it y (im-par-spik-joe'it-tih), aandoening. a. Zie Impassible. duidelijkheid. -one (-apik'joe-us), a. onduidelijk. te Impassion (im-pesfun), —ate, v. a. achokken, Impersuasible (im-pur-swee'zibl), a. net sterk aandoen. —ate (-et), a. hevig aangedaan; overreden. Impertinen ce (im-pur'ti-nens), — cy, C. (mitegevoelloos. —ed, (-and), a. hartstochtelUk. limpets* atlon (im-pea-tee'sjun), a. plelaterdeeg. pastheid ; onvoegzaamheid ; onbeschaamdheid —e (-peest'), v. a. tot deeg kneden; disc (Tame- ruwheid; nietigheid. —t, a. —tly, ad. vreemd aan de zaak; indringend, onbeschaamd; raw; ren (kleuren). onbeteekenend. —t, a. indringer. onbeschaamde. Impatible (im-pet'ile1), R. onlipelijk. Impatlen ce (im-pee'sjens), a. ongeduld; het- Imperturba bile (inn-per-turb'ibi ,, a. onvertigheia. —t, a. —tly, ad. ongeduldig (at. of): stoorbaar.—tion(-bee'sjun),s.kalmte,bedaardheid. y, ad. ondoorItayervions (im-pur'vi- us),a. —1 Of) moede; (for) gretlg naar. Impatroniae (im-pet'run-ajz), v, a. in het be-i dr ngbaar; ontoegankelijk. —nets, a. ondooreid, ontoegankeibkheld. t dringbaat zit stellen. Impetiginous (int-pe-tidzri-nus), a. schurftig. Impawn (im•paon'), v. a. verpanden. —be Impeach (im-pietsj'), v. a. aanklagen (of); ver- Impetra ble (im'pe-tribl), a. verwerfbaar. (-treat), v. a. verwerven, erlangen. —tion (tree' able, a. beschuldigbaar; laakbaar. hinderen. Con), a. verwerving. —er, a. beachuldiger. —meat, a. beschuldiging; Impetu ous (im-pet'joe-us), a. —.ay, ad. on. verhindering. etuirn ig, driftig, hevig. eas, Impeari (im-purP), v. a. met paarlen tooien. a. onstuimigheid, heftigheid. —s (im'pe-tun), a. (im-pek-ke-bil'it-tih), a. °monImpecca dreng, aandrift; veart, kracht. digheid, onvatbaarheld voor zonde. —ble (-pek' Implerce (im-piers'), v. a. doorboren. —able, a. kibl), a. onzondig, onvatbaar voor zonde. ondoorboorbaar. (im-pied'), v. a. beletten, verhinderen; Imped belemmeren. —iment (-ped'i-ment), s. beletsel; Impiety (im-paj'e-tili), a. goddelooeheid. belemmering. —imenta/ (-ped-i-ment'el), —Wye Impinge (im.pindzj"), v. n. atooten, baleen (on). (-ped'i-ti.v), a. verhinderend, hinderlijk; helm- Impious (im'pi-us), a. —/y, ad. goddeloos. —nese, a. goddeloosheid. merend. (im-plee'kibl), a. —bly, ad. onverImpel (im-pel'), v. a. aaudrijven. —lent, a. Ran- Implaca ble zoeulkjk. —bility —bleness, a. ondrijvend; a. aandrijvende krncht. verzoenlijkheid. Itupen (im-pen'), v. a. opalniten. Impend (im-pend'), v. n. boven het hoofd han- Implant (im-plent'), v. a. Inplanten; inprenten. —ation (-tee'sjun), a. inplanting; inprenting. gen, naken, —once, —ency, a. overhanging; naImplausible (irn-plao'zIbl), a.oriwaarschVinlijk. bijheid. —eat. —ing, a. dreigend, nakend. Impenetra flinty (im-pen-e-tre,bil'it-tik), a. Impiead, (im-plied'), v. a. in cochlea) very& gen ondoorgrondeltjkheid. maple anent (im'pl-ment), s. Verktulg, gereed. ondoordringhaarheld , sch.P. —tion (-pli'ejun), a. nulling; volbeid. —ble, a. —bly, ad. (-pen'e-tribl.), ondoordringlmplex (im'pleks), a. ingewikkeld. beer; ondoorgrondelijk. v. a. inwikkelen; beImpenIten ce (im-pen'i-tens), —cy, a. onboet- Ianplice te trekken; in alch sluiten. —tion (-kee'ejuni, C. vaardigheid. —t, a. —tly, ad. onboetvaardig. in verwikkeling; stilzwijgend gevolg. Impenn ate (im-pen'net), a. vederloos. —ous, g ge n. d at to leiden. —tively, ad. bkj geva o. iagttiylezkwkijin a. ongevleugeld. Imperative ()m-rer'e-tiv), a. —1y, ad. gebiedenth beImplicit (irn-plis'it), a. —ly. ad. daaronderstil- a. gebiedende wija. grepen; onvoorwaardelk, blind. —ness, a. Imperceptible (im-per-Qeplibl), a. oninert.baar. zwinend gevolg; blind geloof, — vertrouweu. —nes', a. onmerkbaarheid. Imperfect (im•purlekl), a. --ly, ad. onvol- Impiledly (im-plarid-11h), ad. door atilzwij. gende gevolgtrekking. maakt, onvolkomen. —ion (-per•fek'sjun). —nest, Implore (im-ploor'), v. a. ameeken, afsmeeken, a. onvolmaaktheid; onvolkomenheid. —r, a. bidder, meeker. Imperfora ble (im-puefur-ibl), a. ondoorboorImplunt ed (im-ploemd'), —one (-ploe'mus), a. bear. —ted (-reet-id), a. ondoorboord. vederloos. Imperial (im-pPri-e1), a. —ly, ad. ketzerlijk, Imply (im.piar), v. a. in zich sluiten, behelzen. Read van —chamber, vorstelijk; opperrnachtig. a. onstaatkundigheid; state. —city, rijkastad. --section, keizeranede. Impoli cy (im•pol'is-si:1), ), onvoorzichtigheid. —te, a. —tely, ad. (•po-lait'—tea, keizerathee. —let, a. keizeragezinde. —ity ), a. onwellevend, onbeleefd. —teams (-po•lajt,tidy, (-el'it-tih), s. keizerschap. onwellevendheid, onbeleefabeid. —tic, a. — Imperil (im-pir'il), v. a. in gevaar brengen. ad. (-it-tik-). onetaatkundig; onvoorztebtig. Imperious (im-pl'ri-us), a. —1y. ad. gebiedend. Imponder able (1m-pon'dur-ibi), a. onweeg• heerschzuchtig. —aces, a. heerschzucht. briar. —out, a. onwichtig. licht. Imperishable (im-per'isj-ibl), a. onvergankelijk. Imperman cnce am-pueme-neas), a. onbe- Impor osity (im-po-ros'it-t111). a. dicbtheid. —ous (-po'rue), a. dicht, solider por1en. stendigheid. —eat, a. onbeetendig. Impernseability (im-pur.r.i-e-bil'it-tih), s. on- Import (im'poort), a. belang,fgewicht; strekking; invoer, invoer.artikel. doordrIngbaarheld. Import (im-poort'), v. a. in zich aluiten, met Impersonal (lea-pur'snn•e1), a. —ly, ad. onperzich brengen; bedniden; van belting zijn; Woesoonlijk, —ity (-el'it-tih), 8. onpersoonlijkheid.
Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.
829 Unseasun able (un-st'zn-ibl), a. —ably, ad. onttjdig, ongelegen. —ablenese, e. ontijdigheitt, ongeschittheid. —ed (-Wm!), a. ongekruld, ongezouten; niet geweud. Unseat tun-stet), v. a. van zijue zitplaats (nit den zadel) werpen, —eel, a. ongeseten. Unseaworth Incas (an-al'wurth-l.neas), a. onzeswaardlgheld. --y, a. onzeewaardig. Uuseconded (un-sek'und-id), a. ntet widersteund. Unsaduced (un-se-djoest'), a. onverleld. Unseetni these (un-sieneli-nesa), a. onbetameItjkheid. —y, a. & ad. onbetatnelijk, Unseen (un-sien'), a. ODESZien; onziehtbaar. Unselsed (un-rtezd'). a. niet in bezit genomen. Unselfish (un-seit'isj), a. —4/, ad. onoaatzucbtig. —nese, a. onbaatzuchtigheid. Unsent (un-sent'), a. niet gezonden. — for, ntet ontboden. Unsep emitted (un-sep'e-ree-tid), a. ongeschelden. —ulckered (-al- kurd), a. onbegraven. Unsery a (un-suiv'), v. a. ontkleeden (een touw). —ed, a. nlet gedlend; onbediend. —iceable, g. —ieeablY, ad. (-114•b1-), ondienstig. —iceablenese (-is-ibl-), s. ondienstigheld. —tte (-if), a. niet slantseh, Unmet (uti-set'), a. ongezet; ongeplant; ongeregeld; niet ondergegaan. Unsettle (un-set'tI), v. a. van gine pleats brangen; omverwerpen; in de war brengeu; down wankelen, onzeker rnaken; v. n. in de war (van One plants) geraken; wankelen. —d, a. ongeregeld, ongevestigd; onbestendlg, weitelend; onvereffend. —dness,e. ongeregeldheid; onzekerheid, onbestendigheld. Unsevered (un-sev'ttrd), a. niet geseheiden. Unsew (un•tto'), v. a. lostornen. Unsex (un- seks'), v. a. van geslacht veranderen. Unshackle (an-sjerkl), v. a. ontkluisteren. Unsha dad (un-ejee'dtd). —do:oed (-ejed'ood), a. onbesehaattwd, onverdnisterd. —kable (-klb1), a. ouwrikbaar. —hen (-ajee'kn), a. ongesehokt; onwrikbaar. —med(-sjetenad'), a. Wet baechanmal. Unehatnefaccd (urt-sjeem'feest), a. onbeschaarad, sehaamteloos, —nets, 5. onbesehaamd. held, sehaamteloosheld. Unshaven (un-ejee'pn), a. Plievermd. Unshaved (un-ejeerd'), a. ongedeeld. Unshaven (ua-sjee'vn), a. ongeschoren. Unsheathe (an-ejleth'), a. a. nit de atheede trekken. Unshed (un•ated'), a. ongestort. Unsheltered (un-sjer,nrd), a. enbesehut. Unshielded (un-aj ield'id), a. onbeachermd. Unship (un-ajip'), v. a. ontschapen, uitsahieten; flatten. Unshod (un.ejod'), a. ongeselioeid; enbealagen. 1J Hello e (un-sjoe') [(cr.], v. a. ontechoeten. Unshorn (utt-sjoorn'), a. ongesehoren. Unshot (un-sjot'), a. niet afgesehoten; niet getroffen. Unshrinking (unqdrinkleng), a. niet terugdeinsend, onvereaagd. Unshut (nn-ajut'), a. ongesioten. Unslfted (an•eift'id), a. ongeztft; niet anderzoeht.
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Is cryptogeld legaal in Turkije


Hauleer en, so. w. to handle. —ing, v. handling; ze Tit:a:e. v. Hanseatic league. —stad, Banns-town. Clap, ter. bite, snap; bit, mouthful. —.Maar, catahnoll, 'leper en, on. w, to falter, to stick, to hesitate; to be wanting. —ing, v. faltering, hesitation, hitch ; want. llapp en, ov. & on. w. to snap, to snatch, (ne.. , at). br. & bw. greedy (-11y), eager (-1y). —ighesd, v. greediness, eagerness. Dar, v. hingie. de deur shoat op eene —, the door fa a•jar, — upon LOA, Hord, by. &, bw. hard; strong k -13r), violent (-1y), severe (-1y), harsh (-I ); load (-1y); grievous (-1y), afflicting; (arm) hard up. — brood, stale bread. Mop., to walk (to run) fast. —maken, — worden, to harden. --bekkig, —bittig, hard-mouthed. —draven . to rare, to run (to trot) a race. —drover, race-horse. —draverij, race. —handig,bard- handed., rough. --teandigheid, v. herd-handedness, roughness. --hoop& numekull, blockhead; obstinate person. —hoofdip, stupid; headetrona, heady, obetinate. —h-iofdsgheid, limpidity; headstrongness., headinese, obstinacy. —hoorig, dull ithiek) of heemig. —hoorigheid, hard hearing, thickness of hearing. —teerend, dull (of comprehension). —leerendheid, dullness (of comprehension).—lijvig, coot-lye. coetivenees. —looper, runner, racer. —nekkig, by. at, hw. obstinate (-1y), stubborn (-Iy); Inveterate (-1y). —nekk:gheed, obstinatty, eta b bornne5s; inyeteracya•rijden,o. racing. --eteen,free-stoue.—steenea,(or)free-etone.—vochttg, hard-hearted. —vochtigheid,herd-heartednees. —seilerij, regatta. --seiler, fast-galling vessel. —achtig, be. rather hard. —ebol, ce. obstinate fellow. —ebollen, on. w. to knock the heads against one another; to dispute keenly. —en, ov. w. to harden; to stand, to endure, to bear. —held, v. hardness; strength, severity; harshness, vehemence, grievousneee. —igiseid, v. hardness; hard Revelling, callosity. II rasre^u . b4. hair, made of hair. 'Karen*, ten —, bw. at her house. —halve, hr. on her behalf, far her cake. —wege, as for her. nun — wege„ in her name. om —wit, for her sake. Ilarlg, by. hairy. —Arid, v. 'latrine.. Haring, tn. & v. herring. gerookte —, red herring. —bale, herring-buss. --drover, drier of herrings. —japer, herring-smack.—baleen, o. culing(gutting and pickling) of herrings. --baker, herring-curer. —net, herring-net.—pakker, her ring-packer.—pakkart+, place where herrings are packed, herringshop. —petrel, herring-pickle. —salad, herringsalad. —ttiid, herring-seaeon. —ton, keg. —vangst, her—visookerkj. herring- fishery. —vrouw, ring-woman. —zout, coarse salt. Hark, v. rake. —steel, rake-stick. —en, oc. w. to rake, to harrow. —er,m. --ster, v. niter. llarlekijn,m. harlequin. lIneaaras, o. trinities, entrees, armor. is het — j.gen, to provoke, Harp, v. harp; riddle, copper corn-niece. de — Orlon (bespelen), to play on (upon) the harp. —enact,. harp -string. —spel, harping. —Wier, —speelster, harp -player, harper. —toon, harp-

Friction. (fr(k'ejun), s. wrilving. Friday (frej'clee), s. vrijdog. Good —, goede VrOng. Friend (frond'), s, vriend; vrlendin; kwaker. —, v. a. begunstigen. —len, a. verlaten. —linen. a. vriendelkjkheid. - ly, a. & ad. welwillend, vriendelijk. —.hip, a. vriendochap. Frieze (Met"), a. duffel: ► op; fries. —d, a. gonopt. —like, a. friesachtig. Frigate (frig'et), a. fregat. Frigefa,-tion (frid-zje-fek'sinul, a. kondinaking. Fright (fruit') a. schrik. —en (frcj'tn), v. a. verschrikken. (away) door bung maken verjagen. to —en out of one '8 wits, hevig doen ontatellen. —fat, a. —fully, ad. vreeselijk. —fuhnesso.vreeseikjkheid. Frigid (frid'zjid). a. —ly. ad. Mood; gevoelloos. —ity (-zjid'it-tiln), —nese, a. koudheid, koeiheid. Frigorilie (frig-ur-ririk), a. koude verwekkead. Frill (frill), a. horn: (jabot). —, v. n. 0:11en (van kaude). Friug e (frinclzr!, a. franje, —e, v. a. met Mu* zoomen. —y, a. met frattO ointoomd. Fripper (irip'pur). a. oude-kieerenkooper; drager. —y, a. voddig, gering; a. ,oude-kledrenmarkt, uitdragerij; oude kleAren. Frisk (frisk"), a. dartelheid, vroolijke but. —, v. n. hapnelen. —er, a, wildzang; gait. —et, a. tympan. —rut, --y, a. ttitgelaten; dartal. —iness, a. vroolijItheld. Feist (frost), v. A. verkoopett op tijd of crediet. Frit (frit), 8. 0..80" Frith (frith), a. zeeengte; visehweer; houtrijke pleats. FritMary (fd-01'1e-rib), s. keizerskraon (bloem). Fritter (frit-tar), s. reepje, brokje; pennekoek. a. a. brokkelen. Frivolity (fri-vol'it-tih), a. beuzelachtigheid. Frivolous (frivio-lus), a. —1y, ad. beuzelachtig. —ness, s. beurelachtig. Frizzle (Meal), a, haarkrul. —, v. a. krullen (het hear). —r, a. kapper. Fro (fro), ad. to and —, horn en weir. Frock (frok), s. rok; kiel; jerk. Frog (frog'), a. kikvorsch; its, straal (in den panedenhoef). —bit, varsebbeet (plant). —fish, zeekik. varsch. —pod, (frord), a. met lissen gegarneerd. Frolic (frol'ik). a. dartel, —, a. darteie ,kuur; pret. v. n. pret hebben, grappen maken. —sonar, a. —somely, ad. dartel, —sonteness, a, dartelheid. Front (from), pry. van, tilt. — the life, nutr het leven. — nature, near de natuur. Frond (frond'), a. groene talc. —ation(-dee'sjunt), a. sandbag. —iferous (-diff'ay-us), -out, a. bladrijk. Front (front'), a, veorhoofd; front; voorOde —box, middel-loge. —iine,frontlinie.—row,voorste rij. —stall, voorhoofdriem, —, v. a. zich bevinden tegenover; het hnofd bin len .11. to new—, voors;thoenen. —, v. n. vooraan staan. Front hi (frunt'el), a. het voorboofd beteeffend; e. hoofdband; hoofdpleiater; fronton. —ated (-ee•tid), a. breed uitloopend. —ed, a. met een front; in het front.

FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,

Wat is de prijs van Monero


—tong, zit Flisetn•r. —er, m. —tier, v. coaxer, Fiuksch, be. clever, dexterous, expert. FLUT, Fluteliers, bw. presently, anon, by and by. fawner, wheedler, —er(i, v. coaxing, fawning. Fluureol, o. velvet. —bloem, amaranth. —boon, Floor, v. clot, giglot, dowdy. velvet-tree. —werker,velvet-weAver. —acklier, —en, Fivers, m. flap, blow, slap, be. & bw. phlegmatic be. velvet, velveted, velvety. Flagrone, o, phlegm, —tisch, o. weasel. (-ally). Fnlexen, on. w. Zie Flenters, in. me. Zie Flardera. Flap, v. mallet, infant's cap. non de — si,n, to Fnulk en, ov. w. to clip the wings to, to break, ion given (addicted) to drinking, —pen, no. w. to check, to stop. —big, v. clipping the wings, breaking, stoppage. Lie Fe pen. Footless', n. race. FierecUs, o. gout. Fleacle, v. bottle, flack, flacon. op flessehen trekkers, Foe, tew. fy t for shame ! to bottle. Leidsehe —, Leyden ar. op as — zips, Foel le, v. mace; foil, silvering. —'fa, ov. W. to foliate, to silver (over). to be ruined. —je, o. phial. Fileaseke lbak, ie, o. bottle-tray, -stand. —ebar. Fok, v. fore-tail; spectacles. —bebrav, fore-brace. stet, bottle-brush. —ebiater, —maker, bottle- —bentast, fore-matt. —keret, fore-yard. --barest, maker. —nbeider, bottle-cate. —nrek, bottle-rack, fore chain-wale. —keiehoot, fore-skeet. —kestag, ', Sets, be. faded, pale, pallid. —heid, v. paleness, fore-etey. —ksateng, fore-topmast. Fokit en, ay. w, to breed; on. w. to wear specpalildnses, pallidity. Fleur, m. bloom, prime; flourish; mirth. —, v.. taclee; to drop out, to stink off. —er, m. breeder. fishing-line. —en, on. w. to fish with a tine. —erif, v. breeding' of cattle. —ig, by flourishing, sprightly. —igeeid, v. flour- Foteu, ov. w. to handle, to paw; to vex, to tease, ishing et-ate, sprightliness. Foil nut, m. folio, folio-volume. —eeren, or. w. FIliellool en, ov. w. to cola, to fawn, to to page. —o, v. folio, page. wheedle, to cajole. —er, m. — afar, v. coaxer, Falter ear, in, torturer, tormentor. —en, ov. fawner, wheedler, cajole, —eri), v. coaxing, to torture, to torment. —bank, rack, torture. fawning, whue ;Mug, cajoling, instruments of torture, —jog, v. torture. Flak ken, or. & on. w. to gplees to patch, to Fontwel ee r, m. fumbler, rumple, —en, ov. w. cobble. --er, ra. piecer, pate, er ; caper ; ten — to fumble, to rumple. —ing, v. fumbling, Elwin, to cut capers. rumpling. Filkkoe en, on. w. to glitter, to sparkle, to Fundament, o. foundation, fundament; bum, arse. glare. —leht glittering light. —roar, finch, gilt- tering fire. —ing, v. glittering, eparkiing, glimpse. Fonds, o, fund, stork, capital. —en, ma. stocks. public funds; capital. Fllketer, v. Zie Flakker. Flank, be. & bw. clever (-ly), brisk (-1y), lively; Tonkel en, on. w. to sparkle. —nieuw, bran-new, spick-and•span new. —ing, v. sparkling. very well . Fontein, v. fountain, well. —oder. fountain-head. Fitts, m. dart, arrow. Flodder, in. dirt, mire. —bleed, loose garment. —bask, —Lane, basin of a fountain. —bale, —boo, stacking that hangs down upon the heals; pipe of a fountain. —water, spring-water. sloven, slut. —natie, fougade. —weer, slut. —meta, FonttseCI, v. fontanel., issue. loos cap. --roe, sloven- --en, on. w. to dangle, Fool, v. fee, veils, drink-money. Fop peso, ov. w. to cheat, to mock, to hoax, to to flap; to bungle; to splash trough the mire, quiz. —per, m. —ester, v. cheater, wag. pert), v. Floers, o, crape; veil, shadow. Flonker en, on. w. to sparkle, to twinkle, to cheating, banter. glare. --Licht, sparkling light, luminary, —ater, Fort.l, v. trout. v. sparkling, Formant, o. form, size. —repel, stamp, twinkling star; luminary. Fortune!, be. & bw. formal (-ly). twinkling, glare. o. ferret. —garen, fer- Formeer der, m, former. —en, ov w. to form. Floret, a. foil, floret. —ing, v. formation. ret-thread. —tint, ferret-ribbon. —side, ferret- Forum' e, v. formula. —ier, o. form, formulary; Bilk. fiere•-silk. —ten, be. ferret. —gebed, formulary-prayer. FlorLJn, m. florin, Fornsie, o. furnace; kitchen-range. F10118, v. pretext, shift. Forsch, bv. & bw. robust (-1y), stout (-1y); %tern Flonw, v. snipe -net. Fiala", v. phlegm. —aohtig, be. pltaitous, phleg- (-1y), harsh (-1y). —held, v. robustness, stoutness; sternness-, harshness. made. —en, on. w. to expte.torate. Fluileter tsar, in. —aarster, v. whisperer. —ex, Fore, o. fort, fortress. ov. & on. w. to whisper. —ing, v. whispering, Fortuln, v- & o. fortune. --roeker,fortuue-hunter, adventurer. whisper. foselle. Fl v. fine, de — fawn, Gp de — opelen, to Foselel., by. & o. testa, site. v. forage. —ageeren, on. w. to forage. play the flute —does, •—baker, flute-box, Mite- Four —ier, m, forager, quarter master. case. —olas, long necked glass. --eehle, flute. Font, v. fault, mistake, blunder. sender —, —spa, flutirre. —sprier, flute-player, fluter. —en, & on. W. to clay on t•e flute, to whistle; out, fail. certainly. —ief, bv. faulty. to hiss; to sing (van vogels). —er, m. 'whistler. Frani. by. & bw. handsome (-1y), pretty (-fly), fine (-1y). —had, v. handsomeness, prettiness, —je, o, whistle. beauty, —tjes, be. prettily, nicely. bar. Immediately, quickly.

Hoe kan je de mijne Monero op een laptop


This content is being provided to you for informational purposes only. The content has been prepared by third parties not affiliated with Coinbase Inc or any of its affiliates and Coinbase is not responsible for its content. This content and any information contained therein, does not constitute a recommendation by Coinbase to buy, sell or hold any security, financial product or instrument referenced in the content.

Request (re-kwest'), a.Tserzoek, verzoekschrift; i-dent), a. woonachtig; a. resident. —entiary v. a. ver- (rez-1-den'hji-e-rah), a. verblijfhoudend; a. geesaanzoek; vraag, navraag; aanzien. teltjke, die op gine standplaats woont. —ual verzoeker, requestrant. zoeken (of) —or, Requicken (ri-kwik'n), v. a. weder verlevendi- —nary (-zidijoe.), a. overig, overgebleven. —ue (ran-Aloe), a. overachot; saldo; berinkael. gen. Resigns (re-sajn'), v. a. afataan; opgeven; overgeRequiem (rPkwi-em), a. zielmis. Requir able (re-kwajeib1), a. vereiacht. —e, v. a. yen; nederleggen. — one's self to, berusten in. eischen, vordaren; vereischen. —anent, a. ver—ation (rez-ig-nee'ejun), a. afstand; °verged ; ge berusting. —ed (-zajnd), a. —edly, ad. ischer, vorderaar. elachte. —er,e rerui-nit), a. vereiseht, noodig (to). gelaten, onderworpen. —ee (rez-in-nie'l, a. hij, Requisl to I a. —te, a. vereischte. —tenets, a. noodzakelijkheid. can wien afgeataen wordt. —er, a. afetanddoe-Non (-zisrun), s. vordering; eisch; beslag. —tine ner. Res111 ence (re-zil'i-ene), —lion (rez-i.lisrun), (re-kwiei-tiv), a. verderend; verzoekeiad. Requit al (re-kwaWel), s. vergelding, belooning. a. terugspringing. —eat, a. terugepringend. —e, v. a. vergelden, beloonen. —er, a. vergelder, Resin (res'10, e. hors. —out, a. haraachtig. —mines., a. harsachtigheid. b elooner. Reelpiscence (res-i-plemens), a. beroaw, boetII eaten (el-seal'), v. n. terugzeilen. vaardigheid. Resale (ri-seel'), a. wederverkoop. Reenlist ation (ri-sel-foe-tee'sjun), a. teruggroet; Resist (re•zist'), v. e. wederstaan; v. n. waderstand bieden. —acre, a. tegenstand. —ant, a. berhaalde groet. —e (-se-ljoet'), v. a. tetuggroe- tegenstandbiedend. —er, a. die ofdatzegenstand ten; wader groeten. Hese lad (re-aired'), v. a. afentiden; opheffen, biedt. —ability a. weerstaanbaarheld. —able, a. weerstaanbaar. —less, a. onweerafschaffen. —ission ( airrun), a. afsnijding;o Rng afschaffiag. —awry (s z zur-rih), a. a sulk staanbaar; weerloos. Resole bier (rez'o-ljoeb1), a. oplosbaar. —te, a. dend; opheffenJ, afachaffend. —te/y, ad. (-1joet- ► 9 vastberaden, onverschrokken. Helier ibe (re-skrajb'), v.a. terug-, overschrtjvan. —Jena& (-1joet.), a. vaatberadenheid; standvas—ipt (ri'skript), a. terngschrift; beslissing; —ip- lion (-skrip'ejun), s. terugachrtiven; schriftelijk tlgheid. —tion (-1joe'sjun), a. oplossing; ontbinding; besluit; uitapraak; vastberadenheid. — tire, antwoord, a. oplossend. Rescue (res'kjoe), a. bevrijding; ontzet; geweil. dadtge terugneming. —, v. a. bevrijden (from); Resold able (re-rolv'ibl), a. oplosbaar, —e, a. besluit; bealissing. —e, v. a. oplossen; ontbinontzetten. —r, s. bevrijder. Research (re-Burbly), a. onderzoek; naeporing. den (into); verklaren; doen besluiten; v. n. beslulten (on. upon); zich oploaaen. —ed (-zolvd'), •, v. a. onderzoeken; nasporen. —er, e. onder- a. besloten, vaatberaden. —edness, a. vastberarocker; navorscher. denheid. —eat, a. & s. oplossend (middel.) Reseat (ri-siet 1 ), v. a, weder rotten. ,Resonan ce (rez'o-neus), s. weerklank, nagalm. Resection (re-sek'sjun), s. wegsnijding. It eselz e (ri-sler"), v. a. weder bemachtigen. —ore —t, a. weergalmend. Resorb (re•sorb'), v. a. inzwelgen, opalurpen. (-joer'), a. wederbemachtiging. —ent, a. inzwelgend, opslurpend. Resell (ri-sell') [irr.], v. a. weder verkoopen. Resembl ance (re rem'blenW, a. gelijkenis (to). Resort (re-zort',, a. samealoop, toevioed; bijeenkomst; toevlucht, drtlfvesr; ressort.—, v. n. zijne —e, v. a. vergelkiken (to); gealken. Resent (re-rent'), v. a. kwaad (goed) opnemen;ge- toevlucht nemen; zich begeven; eamenkomen; toevoelig zijn voor. —ful, a. lichtgeraakt, gevoelig vallen, (to). —ed, a. (to) bezocht. —er, a. bszce(of); haatdragend. —ingly, ad. met wrok. —meat, , ker. Resound (re-raaund'), a. weerklank. —, v. a.doen s. gevoeligheid; wrok. 114,i4 , rvation (rez-ur vee'sjun), 8. bewaring, orb- weergalmen; ultbaruiuen ; v. n. weergalmen (with, I van). t erhondendheid; voorbehoud. llesery atory (re rurv'e-tur-rah), a. bewaar- I Resource (re-soore), a. hulpbron, redmiddel, toeplants. —e, a. voorraad; bewaring; achterhou- vlucht. —less, a. hulpeloos. [im], v. a. op nieuw 'maim ding; achterhondendheld; behoedzaamheid; be- Resow scheidenheid; voorbehoud. —e, v. a. achterbou- Respect (re spekt'), a. eerbied, achting; opz(cht, den; bewaren; — to one's self, zich voorbehouden.' betrekking. — of persons, aanzien des persoons. '-.ed (-zurv.1'), a, —edly, ad. achterhoudend; he I in some —, in !miter opzicht. with — to, ten aanzien echeiden, —ednebs, s. achterhoudendheid; besebei- ' van. —, v. a. eerbiedigen, hoogachten; betreffen. denheid. —oir (rez'ur-vwar), a. vergaarbak, wa —ability (-e-bil'it tih), —ntleness,s.echtenswair' digheid. —able, a. —ably, ad. achtenswaardig. terbak. —ful, a. —fully, ad. eerbiedig.—ing,prp. betref. 11 eget (ri-set') [irr.], v. a. op nieuw zetten. fends. —ire, a. —ively, ad. betrekkell'Ilr; afzonder. Resettle (ri-set't1), v. a. weder in orde brengen; lijk; wederzijiia. c. oneerbiedlg. —s, pl. a. herstelling, ge- weder gerustatellen. —meant, groeten, compiimenten; echrij , en. Tuststelling. Weship (ri.-ejip'), v. a. overladen; weder versche- Respersion (re-epur'sjun), a. beapreakeling. Respir able (re-epqjr'ibi), a. adembaar. —ation ren. —meat, a. overlading. wederwrscheping. Rnald e (re-zajd'), v. n. cones, verblijven; real.' (res-pi-reePejun), a. adeenhaling; verademing. —atory (-e-tut-rah), a. ademhalings.. —e, v. a. deeren; gezonken rijn. —ence rez'i-dens), a. coon- pleats; verblijf; resllentie, herinksel. —eat (re;' ademen; v n. adem halen; rich verpoozen.

benoodigdheld; eekreet; bestekamer. sjun), s. verleening (verkrijging) van bet burgerrecht. —ize (-aja), v. a. het recht van inboorling Neceaslt ate (ne-ses'si-teet), v. a. noodzakelijk maken. —ation (-tee'ejun). s. voodzakIng, —ous, verleenen. a. behoeftig„ noodlijdend. —ousness, s. behoefNature (neet'joe,), s. natuur; aard.from near tigheid. —ude (-tined), a. behoefte; vriendschap. de natuur, neat het leven. —y, s. noodzakelijkheid; noodwendigheid; beNaught (pout'), a. slecht, nietswaardig. s. hoeftigheid; of —, noodwendig, from —, nit noodniets. —iness, s ondeugendheid; nietswaardigNeck (net'), 0. bale, net; halsstuk. — of land, held, —ily, ad. —y, a. ondeugend, stout. landengte. on the — of, onmiddellijk na. —band, N n 111111 achy (nao'me-kih),s.spiegelgevecht ter zee. halsboard. —beef, nekvieeseh (van een rund). Nausea (nao'shi•e), a. misselbkheid, walging; bslsdoek, das. —handkerchief, haladoek. zeeziekte. —te (-eel), v. a. mieselijk waken, doers —lace, halssnoer. —land, landtong,-engte.—piece, walgen; v. n. misse/ijk worden, waigen. halsstuk (van sea harries). —verse, galgepsalm. Nauseous (nao'sjus), a, —1y,ad. w algeli.jk. —nets, —weed, hennen. s. vralgelbkheid. (nao'tik), —cal, a van de zeevaart, zee-. Neckercbier(nek'ur tsjif), a. halsdoek. Necrolog let (ue-krol'ud-zjist), a. berichigever s. nehippertje (schelpdier). van sterfgevallen. —y, a. sterflijst; levensbeNaval (nee'vel), a. see-, scheepa-. —army, oorischrijving van overledenen. logsvloot. —battle, zecslag. — forces, seemaeht. — officer, zee-ofticier. —s (-velz). pl. zeewezen. Necroman cer (nek'ro-men-sur), s. toovenaar. —cy, a. zwarte kunst; geeetenbezwering. —tic Navarch (neev'aark), a. vlootvoogd. (-men'tik), a. van de zwarte kunst; toover-; a. Nave (neev"), a. naaf; schip (eener kerk). —line, betoovering, bezwering. rakketalie. Navel (nee'v1)., s. navel. —gall, navelgal. —string, Necrosis (ne-kro'sis), a. beenvreting. navelstreng.—timber,kremhout,buikstuk.—woods, Nectar (nek'tur). s. nektar, godendrank. —eal, —emu, —eons (nek-tee'ri- ► , —ine (-in), a. nekton.kluishouten. —wort, navelkruid. achtig; heerlijk. —ine (-in), s. nektarperzik. —y, Navew (nee'vjoe , „ s. kleine knot, pootraap. a. honigkelk (eener bloem). Navictslar (ne-vik'joe lee), a. bootvormig; van Need (vied'), s. nood; noodzakelijkheid; behoefte. "000ten of echeepjes. if — be, in geval van nood. you had —, gij beNaviga ble (nev)i-gib1)., a. bevaarbaar. —bleness, hoordet. to stand in — of, van nooden hebben. a. bevaarbaarheid. —te (-geet), v. a bevaren; —, v. a. behoeven, noodig hebben; v. n. noodig stuns; v. n. varen, stevenen. —tion ( gee'sjun.), a. seheepvaart; zeevaar(kunde; inland —. binzijn. —ful, a. —fully, ad. noodig; noodzakelipt; vereischt. —fulness, a. noodzakatijkheid. —sly, ueflvaart. —tor (-gee-tue), a. seeman, zeevaerder. ad. hehoeftig. —iness (-i-nest), a. hehoeftigheid. Navy (neevih), s. zeernacht, vloot. — board, col—leas, a. —lessly, ad. onnoodig, noodeloos. legie van civiele ambtensren der marine. —office_ —/essness, a. noodeloosheld. —a (niedz), ad. noodwendig, onvermkidelijk. —y, a. behoeftig. Nay(nee'), ad. neen; wat mear is; ja zelfe• — neen; weigei ing. —word, weigerend antwoord; Needle (ni'd1), s. naald. —case, naaldenkoker, —fish, naaldviecb. —ful, dread gsren. —furze, schirnpscheut; feu, prieinkruid. —gun, a. naaldgeweer. —maker , Nazar een +nez-e s Nazarenes. —ite (nez' naaldenmaker. —ore, naalderts. —stone, naalde-rajt), a. Nazireer. steen. --tin, naaldtinerts. —weed, naaldkervel. Naze (neez), s. kaap, uithoek. —work, naaiwerk. —, v. a. & n. naaldvormig Near (nief), s. vaist. maken (worden). —r, s, z,aaldenmaker. Neal Oriel). v. a. & n. temperen, gloeien. Neap (nirp), a. laag. — tide, dood ttj. a. eh. Ne'er (seer). ad. Zie Never. Neesewort (niez'wurt), s. nieskruid. —ed, a. vastzittend, niet vlot. Near (flier), a. nabijzijnd, DRIVW verwant: dier- Nefandous (n,fen'due), a. verfoetelijk, gruwelijk. oar; nauwkeurig; vrekktg; —, ad. nader, nailj, dichtbij. prp. dieht bij, naast. —, v. a. NefArlous (ne-fee'ri-us), a. —ly, ad. snood, sci , andelijk, afachuwelijk. & a. eaderen. —/y, ad. ongeveer, bijna; gierig. --ness, s, nabijheid; nauw verwantsehap; gie- Negation (ne-gee'sjun), s. ontkenning, righeid. Negative (tteg"ettv, s ontkennend woord; wei-
—nets, a. stet, Maxim (meks'im), a. stet-, grondregel. —um felijkbeid; belangrijkiteid, gewieht. —toe (-ajz).1 ( 1-mum), a. (het) hoogste; haogate growl. v. a. stoffelijk makes; als star 1,schouwea. —a May (met), a. Met, bloeimaand. —bloom, Imagedorm. —bug, meikever. —bush, wilde kwee. (-elz), p1. bouwatotren. —day, meidag, aerate dag van Mei. —duke, meiMatern al (me-tur'nel), a. moederlijk. — ity, a. kers. —flower, hagedoorn. —fly, meikaver. —game, moederschap. meispel; apeelbal. —lady, metkoningin. Math (meth), s. suede, mailing. lelie der dalen. —morn, irischheid. —pole, meiMathematic (meth-e-mot'ik), —al, a. —ally, ad. boom. —weed, laondskamille. —worm, meiworm. —ian (-me-tisfen), a. wiskunstenaar. May (nice') [might onajt nJ, v. n. mogen, kunnen. —8, pi. wiskunde. —be, —hap, ad. misschien. Maths (met'in), a. ochtend-, vroeg. — , a. ochtend. Mayhew (mee'him, macs), s. verminking. — 8 (-inc.), p1. metten, (del vroegniia. Mayor (rnee!ur,, s. mayor, burgemesster. —ally Matrass (met'ress), P. distilleerkolf. (-el-tih), a. mayorschap. —ems, a. echtgenoot van Maisie a imet'rial, s. matrijs, vornt; (mee'tris) een' mayor. baarmoeder. —ide (-sajd), a. moedermoord; -moonier. —lees (me-trisrus), tt. van de baar- 1Nlaxard (mez'erd), a. kriek, zwarte kers; kakebeen. mo,der. Matrlcula in (me-trik'joe-let), a. ingeschreven; Mazarine(mez - e - rieu), a. donkerblauw; tussehengerecht; fljne hemdatrook. a. ingeachreven lid. —te (-leet), v. a. ale lid inMit. a (mete), a. doolhof; verlagenheid; oozeechrijven. — tion ( 11e'sjun). s. insebrijving. kernel& —e s v. a. in verlegenheid brengen; vet, Matrinson 'al (met rt-mo'ni-el), a. huwelijks., ateld doen stun. —edit.** a. verwarring; verechtelijk. —y (met'rt-inun-nih), e. huwelijk. baasdheid. —er, a. houten baker. —y, a. verMatrix (meetriks), 8. Zie Matriee. bluft, verward, vol kronkelpadeu. Matron (mee'trun), a. huismoeder, matsone. —al, —like, — 4, a. van (al.) eene huismoeder; be- Mazologle (me-zol'od-zjih), a. kennis der zoogdieren. dsagd; eerhaar, stemmig. Pie (mi), Pr- mij Matrons (tne-tros'), s. handlanger, helper. Itlesteoelt (mi'kok), a. laf, bloode; verwjjfd. —, Matted (met'tid), a. gevlochter., verward. a. janhen, verwede vent. Matter (met'tur), 8. stof, zelfstandigheid; onderwerp; zaak; etter; gewleht. — of fact, feit, Mead {rnied, a. made; vaide. wezenlijkheid. what is the — ? wat is er gaande? Meadow (med'o), a. weide, wetland. —bouts, pl. boterkloem. —bugle, klokbloem. —eampion, is geenazina. it Ran? no such —, wat acheelt er —pinks, pl. koekoekebloera. —grass. weidegrag. no —, het heeft Wets te beduiden. —, v. n. —ground, weidegrond. —iron-ore, weide.oer.—lark, etteren; van belting zijn. —y, a. etterig. grasleeuwerik. —rue, weidetult. —saffron, t ij loos. Mat tings (meetieng.), pl. matwerls; atroodek—sweet, weidebQksbaard. —trefoil, weideklaver. ken. —took (-tuk), 8. spade, houweel. —tress —wort, weidektuid. (-tress), s. matraa. Mature te (met'joe-reet), v. a, & n. Oh) maken Meagre (mi'gur), a. —ly, ad. maser, schraal. —nese, a. msgerheid. (woiden). —tie. (-ree'sjun), a. rtiPmaking; rijP wording; ettering. —tire (-re-tiv), a. rijpina- Ibeak (miek), a. (soon van) aikkel. Mead (mien'), a. meal; meal; maaltijd. —brimstone, kend; ettering bevordeeend. zwavelpoeder. —man, meelkooper. —meat, meet a. —ely, ad. rijp, —e, v. a. & Mestair a (me-goer') nip, —rent, belaating An meal. —sieve, mealn. rijp Timken (warden). — cam, 8. riipheid. sea. —time, etenstijd. —tub, meelton. —worm, — esceot (met - toe - resieent), a. rijpend. — ity, a. nteelworm. —, v. R. met meal bestroolen. —iness rijpheid; vervaltijd. (-i-ness), a. meligheid. Matutissal (met'joe-taj-eel), a. ochtend-, vroeg. Maudlin (maod'Iin) a. dronken, bedwelmd; dom. Mealy (mienih), a. melig; nacelach.tig. —mouthed, bedeesd; verbioemend, huichelachtig. —moutheda. leverkruid. ness, a, bedeesdheid; huichelhchtigheid. Matogre m ao'gur), ad. ondanks, in weertvil van. Maul ,rnaol'), a. houten hamer, beukhamer. —stick, Mean (mien'), v. a. meenen; van zing zijn• beteekenen; v. n. voorne.nens ztjn. —, a. midden; leunstok (bij schilders). —, v. a. beaten; misinii!delmaat; tenor. —, a. —ly, ad. laag, gemeen, handelen. going. —horn, van geringe af komet. —part, midMisused (monad', mooed'), a. mend, handkorf. delstem. —spirited, laag, verachtelijk. —time. —er, v. a. prevelen, mompelen; bedelen. —y, — while, ad. ruiddelerviijl. thurinlay (rnaon'dih-), witte donderdag. Mean der (mi-eredur). s. kronkeling, boeht. —der, Mausoleums (mao-so-li'um), a. praalgraf. 'a. a. & n. kronkelen. —drone (-drug), a. kron , Maw (trtaow'), s. maag, krop. —worn;, spoelkelig. v4orm. made. rillasvyk (maak'), a. made; slat —ingly, ad. alon- Mean lug (mien'ieng), a. meening; beteekenis. —ness, a. laagheid, gemeenheid; geringheid. —s zig, omerig. —ish, a. walgelijk; laf. —ishness, (mien.), s. rniddel, wijze; p1. middelen, inkoma. walgelijkheid; lafhuid. —a, a. slat, slons, sten; by all —, in elk gavel; by no —, in geen moreebel; pl. grillen. geval, geenazins. Maw suet Imao'rnit), a. popje, afgodabeeldje. (mies), a. vighonderdtal Iharingen) . . ;Manse a. izinderachtig; walgelijk. —y (•1e-ritil, a. vr,n de Measles' (rni"z1d), a. vol mazelen; gorttg; maMaxillae zelig, bask, van bet kakebeen. H. materialist. —ity

nano s cryptogeld wallet


PrOfetnatton (prof-e-nee'sjun), s. ontb.eiliging, Project (pro-di:jag% v. a. werpen; ontwerpen, ontwijding. beramen; v. n. uitsteken. —ile (-11), a. voortge. Profan e (pro-teen"), a. —ely, ad. ontheiligend, dreams; s. werptuig. —ion (-dzjek'ejun), a. nitontwijdend; onrein; wereldech, ongewtjd. —e, werping; ontwerping, plan, ontwerp; nitstek. v. a. ontheiligen; miabruiken. —owe, —ity —or, a. ontwerper; planmaker. —are (-joer), a (-fen'it•tih), s, goddeloosheid; ongewijdheid. —er, uitstek. s. ontheiiiger, achender. Prolapse (pro-laps% v. u. tzitsteken, vooroverProfection (pro-fek'sjun), a. voortgang. vallen. Profert (pro'furt), a. overlegeing. Prom:, te (pro'leet), a. plat, vlak. —te (-feet'), *. Profess (pro-fees'), v. a. belijden, betuigen; uit- a. uitspreken, uiten. —tion (-lee'ajun), a. tilting, oefenen, drijven; openitlk leeren; v. n. eene be- voordracht; uitatel, vertraaing• lijdenis afleggen. —ed (-feat'), a. —edly (-id-), ad. Prolegomena (prol-e-gorn'i-ne), pl. voorafgaande (inleidende) beechouwingen. openitik, openbaar. —ion (-teej'em),.. belijdenis, getuigenis; beroep; stand. —ional (-fee•un-), a. Prolep at (pro-1ep'sis), s. oppering en beant• beroepg-, ambte-. —or, a. beltie woording van tegenwerpingen. —tical (-tilt!), a. leeraar, hoop- leeraar. —orial (-so'ri-e1), a. profeesorani; — chair, voorloopig, voorkomend. leeretoel. —orship, a. hoogleeraarschap. Proletar Ian' (prol.e-tee'ri•en), a. gemeen, p• Proffer (prorfur), a. aanbod; paging. —, v. a- ring, laag. —ian, —y (prore-te-rih), a. goring aanbieden; beproeven. —er, a. aanbieder; beproe- menseh, gemeene rnan. ver. Prolif erous (pro-lirur-ual, —ic, —teal, a. Proficlen ce (pro-fispens), —cy, a. vordering. —t, —wally, ad. vruchtbeer. —ieation (-i-kee'sjun), a. verge vorderde. a. vruchtbaarmaking. —tenets, a. vruchtbaarheid. Profile (pro-tier,pro'fle1), e. gecicht van ter zij de, Prolix (pro-liks'), a. —1y, ad. wijdloopig, langdradig. —ity, —nest, a. wijdloopigheid, langdraprobe!, —, v. a, in profiel teekenen. Protl (profit), a. winst, voordeel. to leave a —, digheid. winst afwerpen. —, v. a. bevoardeelen, bevor- Prolocutor (prol'o-kjoe-tur), a. woordvoerder. damn; v. n. wiunen, voordeel trekken (by). —able, Prologue (prol'og), a. voorrede, inleiding. a. —ably, ad. voordeeiig (to). —ablenest, voor- Prolong (pro-long'), v. a. verlengen; verschuiven. deeligheid. —less, a. onvoordeelig. —ation (-lun-gee'tsjun), a. verlenging; verschuiProffign cy (prorli-ge.sib), a. luebandigheid, v(ng. —er (-gur), a, verlenger, uitsteller; profijsnoodheid. —te, a. —tely, ad. (-get-),losbandig; tertje, sehuifkandelaar. laaggezonken. —te (-get), a. lichtmia, zedeloos Proluelon (pro-ljoe'zjun), a. voorspel. raensch. —tenets s. Zie Potligacy. Promenade (prom-e-naad'),s. wandeling; wanPrOtielell ee (profloe-ens), a. voortgarg, loop delplaats. —, v. n. waudelen. —t, a. voortvloeiend. Pronsinen ce (prom'i-none), —cy a. uitsteking; Profound (pro-faaund'), a. —ly, ad. diep; diep- nitatekendheid. —t, a. —tly, ad. uitstekend. slunig, verborgen; grondig; listig; nederig. P1,91121180.101181 (pro-mis'kjoe-us), a. --iy,ad.gediepte, zee; afgrond. —nest, s. diepte; diepzinnig- meeigd, door elkander. —nests, a. gemeugdheid. held, verborgenheld; grondigheid. Promis e (prom'is), a. belofte, toezegging; verProfundity (pro-fun'dit-tih), s. Zie Profound- WRchting; —breaeh,woordbreuk; —breaker,woordfleas. beaker. —e, v. a. beloven, toezeggen. —ee (-1e'), Profus e (pro fjoes'), a. —ely, ad, kwistig, ver- —er. —or (-ur), a. belover, toezegger. —ing, a. kwistend; overvloedig. --eness, - ion (-fjoe'zjun), veelbelovend. —sorily, ad. —tory, a. (-cur-rih-), a. kwietizheid, verkwisting, overvloed. belovend; — note, promesse• Prog (prop), a. gebedelde kost; !eettoeht. v. n Promontory (prom'un-tur-rih), R. voorgebergte. bedelen (for); den kost opsehommelen. Promot e (pro-moot'), v. a. bevorderen. —er, a. Progen itor (pr•dzjenitur), a. voorzaat. —y beeorderaar. —ion (-mo'sjun), 8. bevordering. (prod'zje-nih), a. krooat, nagegaeht. —ire, a. bevorderend. Prognostic (prug-noe'tik), a. voorspellend. —, Prompt (pronit'), a. —ly, ad. rap, vlig, vaardig, a. voorteeken; voorspelling. —able, a. v'oorzeg- spoedig, gereed; content. —, v. a. aansporen; vO6rbear. —ate (-oat), v. a. voorspellea. —ation zeggen, inblezen. —cr, a. aanspoorder; v66rzeg(-ee'ejun), s. voorspelling. --ator, a. voorapeller. ger, aouffleur. —Uncle (-ti-tjoed), —nese, a. veerProgram, (pro'grem), —ma (-grem'me), a. pro- digheid; atiptheid. —nary (-joe-e-rih), a. magazijn. gramma, hekoudmaking. ---ore (Joey), a. amnsporing; inblazing. Progress (prog'ress), a. vooruitgang; vordering; Protnalg ate fpro-mul'geet), —e (-muldzi), v. a. afkondigen; bekend waken. —ation, (prom-ul's. (pro-gress'), v. n. voortgaan. —ton -gee'ajun), a. afkondiging. —at)r (prom'ul-geePrreogress (-grearun), a. voortgang, opkIlnaming; reeks. tar), —er (-dzjnr), s. afkondiger; openbaar onder-tonal (-gresrun), a. voortgaand, opktimmend. wijzer. —ive, a. voortgaand, toenemend. —ively, ad. Prone (proon'), a. vooroverliggend; overhellfmd; trapswijze. —iveness, a. voortgang, toeneming, geneigd (to). — to anger, opvliegend. —1y, ad. opklimming. voorover. —nest, a. (bet) voorover liggen; overholProhibit (pro-hib'it), v. a. verbieden; beletten. ling, neiging. —er, a. verbieder. —ion (-111-bisj'an), s. verbod. Prong (prone), a. gaffel; tend. —hoe, tulnkrabber, —ire, —ory, a. verbiedend. houweel. Project (prod'ejekt), a. ontwerp, plan. Pro nominal (pro-noml-nel), a. —nominally, ad
cheas,grouthertogin.—father,grootvader.—mother, grootmoeder. —sire, voorvader; grootvader. —son, kleinzoon. Grandam (gren'dem), a. grootmoeder; grootje. Grandee (gren-die';. a. Grande (spaaneche titel); aanzienlijk man. Grandeur (grend'ur), a. grootbeid, grootschheld, pracht. Grardev fly (gren•dev'it-ih), a. hooge leeftnd. (-diev'ils), a. hoog bejaard. Grandflo quence (gren-dil'o-kwens), e go. zwollenheid. —intent, —quous (-kwua), a. gezwollen, hoogdravend. Grandinous (gren'di•nue), a. vol Grange (greendzj), a. boerderij; korenschuur. Granit e (gren'it), s. graniet. —ic (gre-nit'ik), a. van graniet. Grani .vorous (gre-niv'o-rus), a. graanetend. Grannam, Granny, a. Zie Grandam. Grant (graant'), s. vergunning; verlof; schenking- —, v. a. aannemeu; toestemmen; vergunnen; verleenen; sehenken. —able, a. toe to staan. —ee (•tio'), a. begiftigde. —er,—or. a. begiftiger, verleaner. Granul ar (grenloe-ler), —cry, a. korrelig; Icorrelachtig. —ate (-feet , v. a, & b. kotrelen. — ation (-lee'sjun)„ a. korri ling. —e (•Joel). s. korreltje. —hue, a. korrelig. Grape (greep'), a. druif. bunch of —8, druiventros. —flower,—hyacinth, troshiaeint. —gathering, druf, venlezing. —less, a. den echtentdruivengeur missend. —shot, echroot. —atone, drnivenpit. Grapes (greeps), a. mock, muik. Graphic (grerik), —al, a. —ally, ad. duidelijk geschreven, goad afgebeeld; beschrijvend; schilderactatig. Graphite (gret'ajt) a. graphiet, potlooderts. Graphometer (gre-foru'i-tur), a. hoekmeter. Grapnel (grep'nil), s. dreg; enterdreg. Grapple (grep'pl), a. worsteling; enterhaak. v. a. aanklampen, vastbaken; v. rt. worstelen, plukharen. Grasp (grew'), s. greet.; bereik; macht. —, v. a. .grijpen; vasthouden; v. n. grijpen, tasten; etreven, (at, naar). —er, 0. grijper, strayer. Grass (grass'), a gras. —green,grasgroen. —grown. met graa begroeid.—hopperasprinkhaan.—plantane, slangenwortel. —plot, grasperk. —.vetch, graft. wikke. —week, bldweek (voor het genres). Grass (gratis'), v. a. met gras bedekken. v. n. gras voorthrengen. —iness, s. graarijkheid. —y, a. graarnk, graaig. Grate (greet) s. traiievrerk; rooster; vuurhaard. —, v. a. tralien (up); krahhen; rospen; doen weergalmen. —. v. a. & n. schrapen, schuren;knarsen; krenken, hekelen (upon). Grateful (greet'foel), a. —ly, ad. dankhaar; aangenaam, aannemelijk. —nees, a. dankbaarheld; aangenaamheid. Grater (greet'ur), a. krahher; rasp. Gratification (gret-i-ti:kee'sjun), a. bev red 'ging; genoegen; helooning. Gratify (gret-i-fej). v. a. bevredigen; genoegen doers. heloonen. Grading (greet'ieng), a. —/y, ad. krassend; keenkend. —, a. trallewerk; roosterwork.
1' hN. —PER. a. vijfregelig geditht. —style (-etajl,, a. gebouw met vi,lf zutlenrijen. —teach. (-tjoek), a. (de) vie boast: van Mazes. Pentecost (pen'tekost), a. pinksterfeest. —al (-;;oat'el), a. van het pinksterfeest. of Pent house (pent'haue). —ice (-tie), a. dak, luifel. Pentlie (pen'tajl), a. dakpan. (-rul'ti-met), s. voorPenult (pi'nult), s. —imate laatate lettergreep. Penumbra (pe-num'bre), a. halve sehadaw. P..•nurions (pe-nioe'ri-us;, a. —1y, ad. zuinig, karig, vrakkig, behoeftir. —nest', a. vrekkigheid; behoeftiheid. Penury penloe -rib), a. gebrek, armoede. Peon (Won), a. voetaoldaat; pion (in 't sebaskspel. —y, a. jteht-, pioen-roos. People (pi'pl), a. volk; lieden, pereonen; men. — say so, men zegt het. —, v. a bevolken. Pepper ( ep'pur), a. paper. —box, —caster, paper. bus. —cake, peperkoek. —corn, peperkorrel; beuzeling. --grass, pillevaren. —mint, peper caunt. —p/ant, —vine, peperboom. —wort, peperkruid. — , v. a. peperen; afroasen, Peptic (pepitik), a. de sptjavertering bevorderend. Per (pur), prp. per. — cent, ten honderd. as —, volgens. Peradventure (per-ed-ven'tjoer), ad. bij toeval, raissebien. Peragration (per- e-gree'sjun), s. (het; doorreizen. Perambuia te (pur-em' bjoe-leet), v. a. doorloopen; beziehtigen. —tion (-lee'ejun), a. doortrekking; beziehtiging. —tor, s. doortrekker; wegmeter. Perceiv able (pur-siev'ibl), a. —ably, ad. be merkbaar, bespeurbaar. —, v. n. bemerkea, bespeureu, ontwarsn. Percentage (put.- sen'tidzj), a. eijfer (reeht, cornmissie) ten honderd Percepti ble (par-sep'tibl), a. —bly, ad. bemerkbaar, hevattelijk. —baity a. bemerkbaarheid, bevattelijkheid. —on (-sjun),a gewaarwording; begrip. —ve (-tiv), a. gewaarwordead; bogrijpend. ( -tiv'it-tih), a. w aarttemingsvermo gen. Perch (porte)'), a. roade, rek, roest; bears. —, v. a. nzerzetten; v. n. zitten, roesten (on). —er,s. roe.ter (vogel); attaarkaara. Perchance (pur-tajaans'), ad. bij toeval, eellieLt. Perciplen ce (our-sip'i-ena), a. Zte Perception. —t, a. gewaarwordend, waarnemend; a. beseffer, denkend wezen. Percola te (pueko-leet), v. a. & n. doorzijgen. —tion (-lee'sjun), a. doorzij ;lug. Percuss (pur-kus'), v. a. stootenosehokken. —ion (-kusrun),.. slag, stoat, achok —cap, slaghoedje; —gun, pereuseie-geweer. —ive, a. Zie Pereut lent. Pereutlent (pur-kjoe'ajent), a. schokkend, stootend. Perdition (pur.disrun), a. ondergang, verderf, verdoemenia. Perdu, Perduc (pur-djoe'), ad. in hinderlaag.
stralend. Glean (glien'), s. (bet) naarstig bijeengelezene. —, v. a. & n. salmon; bijeenzamelen. —er, s., nalezer; bijeenzamelaar. —ing, a. nalezing, nao t (dish e (glieb'), s. grondstuk, grasland, aardklomp. —e, —e-land, pastorieland. --ous, —y, a. aardachtig. Glesie (glied ► , s. hoendergier. Glee (ghee), s, vroolijkheid; lied. —fat, —soce, a. vroolijk, jolig. (gliek), a. muziek; speelman; spot; zeker kaartspel. —, v. n. spotten, gekscheten. ti;ieen (glien). v- n. gloeien, glinsteren. Gleet (gliet'), a. dunne etter, —, v. n. etteren; droppelen. —y, a. druipend; etterig. Glen (glen), a. dal, bergpas. Glens. (glien), a, ongappel. Glib (glib'), a. —ly, ad. glad, glibberig; rel. —, a. groote haarbos over de oogen hangend). v. a. glad (rad) maker,, lubber, —news, a. glibberigheid. Glide (glajd), s. glijdina; verloop. —, v. n. den, sluipen. — r, s. glijd.er ; strik. Glimmer (glim'inur), H. scbemerlicht, glimmer (delfstof). —. v. n. schemeren. —iny, a. schemering, schijn. Glimpse (glimps), s. straal, kort schijnsel; vluchtig gezicht; teeken; zweem. —, v. n. 'etch even vertoonen. Glist (glist), s. moscovisch glas, mica. Glisten (glis'sn), v. n. fonkelen (with). v. n. GPlster (glit'tur), s. glinstering, glans. glinsteren, fonkelen (with). Ginter (glit'tur), s. glans, luistcr; klatergoud. —, v. n. blinker, glinsteren. Gloar (gloor), v. n. gluren, seheel zien. Gloat (gloot), v. n. met groote oogen stares!

klank; tegenstrthlig ► eid. a. wanluideuil;;Inculcft te (iu-kuPkeet), v. a. inpreuten (o?, tegenatrijdtg. upon). —lion (-kee'sjun), a. inprenting. Inconspicuous (tn-kun-spik'joe-us), a. onmerk- Inculpa ble (in-kuPp151), a. —lily, ad. onsehulbear; onasnsienlijk. dig, onberlspelijk. —Meness, s. onberispelijklteid. lnconstan cy (in-kon'sten-sih), a. onstandvas—te (-peet), v. n. betichten, berispen. —lion tigheid. —t, a. —try, ad. onstandvastig; onbe• (-pee'sjun), s. hetichting, berisping. —tory (-pastendig. tur.rih), a. betichtend, berispemi. Inconsumable (in-kun-sjoem'ibl), a. °nye, Inc/anthem, cy (in-kum'ben-sth), s. (het) ltF;gen teerbaar. op lets; verplichting; bezit (yen een ambt, een Inconsonttnate (in-kun-mun'inet ), a. onvoltooid. kerkeitjk goed,; —f, a. o!)liggend, rustend; Ye, plichtend, opgelegd (on. •pon), a. bezitter van Incont est', hie (in•kun. tes'tibl), a.—bly, ad. on een kerkelijk coed. betwistbaar. Incontignons (in•kun-tig'joe-us), a. niet aan- Incur (in-kur'), v. a. beloopen, zich op den halo Wen. . grenzend, niet belendend. Inconitnen ce (in-kon'ti-nene), —ey, u. onto- Uncut' able (in.kjoe'ribn, a. —ably, ad. onge• neeelkjk. —able, a. nngeneeslijke. —ability (-regetogenheid; onkuirschheid. --t, a. —tly, ad. oningetogen; onkuisch. -ableness, s. ongeneeslijitheid. Incontrov ► rti blc(in-kon-tro,urt'ibl), a.—bly, a. —tautly, ad. onoplettend, achteloos. —iousness, ad. onbetwistbaar. s. onoplettendbeid, achteloosheid. Incouvenlen ce (In-kun.vienlens), incursion ('n-kur'sjun), s. inval. genheid, ongemak. a. a. lastig vallen, on- Incury ate (in-knevet), a. ingebogen, gekromd. gelegenileid veroorzaken. --t, a. —tly, ad. on. —ate (.vert), —c.v. a. buigen, krommen. —ation gelegen, lastig. (-vee'ajun), a. inbuiging; gebogenheid. —ity, a. Inconversable (in-kun-vurs'ibl), a. ongezeIltg. kromte, hocht. Inconverttble (in.kun-vutt'ibl), a. onveran- Indegftt ion (in-de-gee'sjuft), a, ultvoraching. derlijk, onverwisselbaar. —or tingde-gee.tur), s. uttvorscher. Incontinsi ble (in-kurt-vitesibl), a. —bly, ad. Indart (in-daart'), v, a. Inwerpen, intmbieten. onovertuigbaar. Indebted (in-derld), a. echuldig; verpl'cht; verIncorpor ate fin.kor'po-ret), a. ingelijfd; verschuldigd (to). —neon, s. (het) verschuldtgd zijn, bonden. (re,t), v. a. /i6 n. (zich) inlOven; verplichting. verbinien, vereenigen (tot Oen lichaam). —ation Indecen cy s. onw,lvoeglijk(..ree'sjun), a. inlljving; vereeniging. —eat, a. heid, —t, a. —tly, ad. onwelvoegelijk. —eallg, ad. (-po'ri-e1-1, onfichamelijk, onstoffe- Indeciduous tin-do-sid'Joe-:is}, a. nict afval lijk. —city (ri'it-tih), s. onlichameltjkbeid, onlend, altijd groan. stoffelijkheid. Indecianable (in-des'i-mibl), a. tiendvt, . Incorrect Iin.kur-rekt'), a. —1y, ad. onnauw- Indecia ion (in-de-sizyttn), a. besluitel , ..tsheid. keurig, onjuist. —nese, a. onnauwkeurigheid, —ive, a. —ivtly, ad. (-sarmiv-), hesluitel-os. onjuistheid. --iteness a. besluiteloosheld. Incorrigl ble (in-kor'rid-zjbl), a. —bly, ad. on- Indeclinable (In -de-klajn'ibl)) a. onver) utgbaat. verbeterlijk. —bleness. a. ortverbeteriWthel•). Indecor ours (in-de-ko'rus), a. —nasty, ad, onIncorrodible (in-kor.rcod'ibl), a. °nye' teerbetamelijk, onvoegzaam. —oneness, —uw, a. onbaar. betamelijkheid, ongemanierdheid. Incorrupt (in-kor-rupr), —ed, a. onbedorven. Indeed (in-died'), ad. inderdaad, werkelijk. (-i-bWit-tib), —ibleness, a. onbederfe- Indefatfga ble (In-de-fet'i•gibl), a. —Oly, ad. lijkheid; onomkoophaarheid. —ible, —ive, a. onvermoetbaar; ouvermoeid. —bleness, s. waveronbederfbaar; onomkoopbaar. —ion (-rup'sjun), moeibaarheid; onverm oeid bet J. Indefensible (in-de-ti'zib1), a. onherroepelijk. —nevi, s. onbedorvenheld. (in-kres'seet), v. a. & n. verdikken. Indefecti ble (in-de-fek'tibl), a. onbederfeltjk; Incrassa te —lien (-see'sjan), e. verdraking. onvergankelijk. —bility a. onbea. verdlkkend. derfelijkbetd; onvergankelijkheid. —re, a. ongeIncrease (in.kries'), a. ranw aa, toeneming, verschonden, vodledig. meerderitv. —, v. a. vermeerderen, vergrooten; Indefensl ble an-de-fenleibl), a. onverdedigbasr. v. n. aanwassen, toenemen. —r, a. vermeerde—ve, a. onverdedigd, c ► besehut. rear, vergrooter. Indeticten cy (in-de-flaren-aih), s, volkomertIncreat-e C,, zekri-eet), —d, a. ongeschapen. held. a. volkoneen, Incred ible ((n-kred'ibl), a. —ibly, ad. ongeloo- Indefin able (In•de.fajn'tb t), a. ouverkiaarbaar. felijk. —ibility --ibleocas, a. ongea. —itely, ad. (.deri-nit.), onbepaald, on. loorelijkheid.—n/ity(-kre-djoe'lit-tiit),—nlonsneas, begrensd. —itenees (-deli-nit-), a. cnbepaaldheid, a. ongeloovigheid. —lavas (-joe-lus), a. ongeonbegrensdheid. loovia. Indellberate (in-de-lileur-et)„ a. —/y, ad. onIncrement (in'kre-ment), s. aanwaa, toenemtng. voorbedacht. Increscent (in-kres'sent), a. toenemend.. Indell ble (in-del'ibl), a. —51p, ad. onuttwischIncrust (in-kruse), --ate, v. a. overkorsten; be- bear onvernietighaar. (-i-hil'it-tih), a. plehteren. —ation (-tee'sjun), a. overkorating. onuitwischbaaTheid. Jacub ate (!n'kjoe-beet), v. n. broeiing. —ation Indellett cy (in-deli-Ite.sih), a. onkieFehhetd. (-bee'ajun), a. uitbroeiting. —us, a. nachtmerrie. —te, a. —tely, ad. (-ket-), onkiesett.


sEm.—TER S ean (setn), an. Sem. Semiramis (se-mir'e•mis), w. Semiramis. S ane ca (sen'e-ke), m. Seneca. —pa/ (•gaol), g. the —, de Senegal. —Dinah& (4rent'bi-e), g. Ssnegambiii. seewia (eueri-e), g. Serb16. —is, a. Servisch; 1. Servier. Setia(seth),m. Seth. Severn (sev'urn), g. the de Severn. Seymour (see'mur), an. Seymour. Shaftesbury (sjaAftt'bir-zh), m. Shaftesbury. Shakespeare (sjeek'spicr), m. Shakespeare. Shanghai (sjeng'haj), g. Shanghai. Shelley (ejellib m. Sheridan. Sham (sjeui), m. Sam. Shetland (sjet'lend), g. Hitland. — /s/ands, (de) Hitlandsehe eilanden. Shy lock (ejarlok). m. Shylock. Sleaze (usrem), g. Slam. —ese (-c-mien'), a. Slit. meeseb; i. Sterne., (de) Stameeten.. Sib (nib), f. voor Sebastian 1Yt Sibyl. Siberia g Siberte. —n, a. Slberisch. Sibyl (sib'il), w Myna. SteEl Ian (si-eil'i-en). a. Siciliaanach; i. Sternest*. —y if. Sicilie. Sigismund (sid'sjts-mund), m. Sigismund. MI leaks (.11. ► 01.e), g. Sainte. S2ns (aim'), f. voor Simeon & Simon. —eon (-Min), m. Simeon. —on (ear raon)sid. Simon. Sinai (ssrnee, -nee-aj), g. Sinai. Sinde (Mild). S. Sinde. Singapore (sing-zee-poor'), g. Singapore. Si on (.arun),g. Sion. —rack (-rek), m. Shush. Shins isirn-us), g. Sirius, de hondanter. Sic Isis'), ;f. your Cecily. —yphus (-1-fus). my. Sisyphus. Slavonic g. Slavoutt. --tt, a. Siavoonach; i. Slavontdr. S ieswick (ales' wik), g. Smollet ‘smolltt),m. Smyrna (emur'ne), g. Smyrna. Socrates (sok're-ties), an. Soeratee, Sodom (soenin). g. Sodom. Sot (son, f. Solomon. —orison (-um-un), Saloon°. —on (sontin), m. Solon, Suph (sorj, t. voor Sophia. —ia (so-fare), w. Sophia —odes m. Sophooles. —y, f. your Sophia. Sound (seaund), g. the —, de Sond. Southampton (sauth•em'tn), g. Southampton.

Waar kan ik crypto met pinpas


loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
DEJ.—DEM. o Deject (de-dzjekt'), v. a. neerslachtlg maken; be- Deluge (del'joedzj), a. zondvloed; overstrooming. —edly, ad.neerslachtig, bedrukt. —, v. a. everatroomen. droeven. —ednets, —ion (-dzjek'sjun), a. bedruktheid; stool- Dein/ sion (de-ljoezjun),1 a. begoocheling; begang. —ory, a. stoelgang bevorderend. —ure drog. —sive, —sort', a. misleidend, bedriegelijk; hersenschimmig. s. uitwerpsel. Delve (delv), v. a. & n. delven, graven; uitvorschen. Dclapse (de-leps',„ v. n. afvallen; afglijden. Delat e (de-leer'), v. A. aanklagen, verklikken. Demagogue (dem'e-gog), a. volksmenner. —ion 1-lee'sjun), a. aanl:lacht,aanbrenglng. —or, Demain (de•meenl, a. domein, vast goad. Demand (de-maand'), a. each; vraag, on —, op a. verklikker. —ory, a. aanllagend. vertoon. —, v. a. eiochen; vragen. —able, a. Delay (ee-lee'), a. uitstel; oponthoud. —, v. a. eischbaar. —ant, a. eischer. —er, a. vrager; mauitstellen; ophouden; verhinderen; v. n. dralen, nor. talmen. —er, s. uitsteller. Dennarcatton (di-mer-keo'sjun(, a. grenslijn. Debbie (deribl)., a uitwischbaar. Delecta e Ide-ickt'ibl), a. —lily, ad. aange- Demean, Demesne (de-mien'), s. Zie Demain. nem, verukkelijk. —biene8s,s. verrukkelijkheid. Demean (de-mien'), v. a vernederen, verlegen. —tion (del-ek-tee'sjun), s. genot. — one's self, zich gedragen. —or, a. houding; Delega to (del'e-geet).. a. afgevaardigd. —, a. gedrag. argevaardigde. —, v. a. evaardigen; opdragen. Demen cy (di'men-sih), a. krankzinnigheid; —tion Igee'sjun), a. afvaardtging; lastgeving; waanzin. —tate (de-men'tet), —ted, a. waanzinoverdracht; (de) afgevaardigden. nig. —tate (de-men'teet), v. a. kraukzinnig maDele to (de-liet"), v. a uitwieschen. —terious keu. —tation (-tee'sjun), a. krankzinnigmaking. (del-e-Wri-us), a. vernielend; doodelijk. —tins Demerit (de-mer'it)., s. (het) laakbare, °flyerdienstelijke. —, v. u. Jeta laakbaars doen. (lt'sjan). B. uitwitoching; doorkaling. Demi, (dem'ih) [in samenst.), a.; half. —cannonDell (delft, s. oteengroef; aardewerk. Delibern te (de lib'ur-et), a. —tely. ad . be- lowest, 30ponder. —cannon-ordinary, 32ponder; hoedzaam; vastberaden. (-eat), v. a. over- —cannon of de greatest size, 86ponder. —culverin, wegen; v. n. beraadsiagen (on); besluiteloos halve veldLlang; lOponder. —devil, halve duivel. :Ain. —Jewess, a. bedaehtzaantheid; vastberaden- —ditone, kleine tarts. —god, halfgod. —john, heid; overlegging. —lion (-ee'sjunl, s. overwe- veldflesch. —/ance,lichte lane. —/une,halve mean. ging. beraadslaging. —tire, a. —tively, ad. over- —quaver, een 16e noot. —semi-quaver een leggend; beraadalagend. —tar, a. beraadslager. noot. —rep, vronw van verdachte levenswijze. Dellea cy (del'i-ke-sih), a. lekkerheid; lekkernij; wolfahond. kiesehheid: k eurIgheid; teederheid; netheid. —te, Demise (de-majz'), a. overlijden, vcracheiden; overdracht (bij uitereten wil). —, v. a. vermaa. —tely, ad. (-Vet.), lekker; kieseh; keurig; tee- ken; in erfpacht geven. der; net. —tenets, a. teederheid; tijnheid; lekker- Hernias ton (de-mis'sjun), s. ontslas; afdan. held. Delicious (de-lis'sjus), a. —ly, ad. heerlijk, king. —ive, a. —ive/y, ad. onderdanig, gedwee. Democra cy (de.mok're-sih), a. volksregeering. verrukkelijk. - nets, aangenaambeid; genot. —t (dern'o-kret), a. democraat. —tic, —neat. (del-i-gee'sjun), a. verbinding. a. (dem-o-kret'ik.), demoeratisch. Delight (de-Isjt'), R. vermaak; geneugte; verruk- king. —, v. a, verheugen; bekoren; v. n. beha- Desnol ish (de-mol'isj), v. a. afbreken, goo,-en seheppen, genot vinden t iv) .—ful, a. —fully, pen. —isher, a. afbreker, alooper. —ition (demolls'sjun), a. afbreking, stooping. gPnotvol. —fulness, a. vermake- Itikheid; bekoorlijkheid. —some, a. aangenaam. Demon (di'mun), a. booze geest, duivel. Delinen te (de-lin'i-eet), v. a. sehetseu; ant- Demon lac (de-mo'ni-ek), a. bezetene. —Jac, —iacal (dem-un-naj'ikl), —ian, a. duivelach. werpen. —tion (ee'sjun), s. afmaling, schetsing; —ology (di-mun-ol'ud-zjih), a. leer der booze oehetn. —tor, s. sehetser. Deliaquen cy (de-line'kweu-sih), a. vergrijp. geesten. Demonstr able (de-mon'stribl), a. bovijsbaar, —t, a. rehuldig; a. overtreder. leelf.ques ce (del-i-kwes", v. n. smelten; ver- betoogbear. —ably, ad. klaarblijkelijk. —ate (-street), v. a. bewijzen, betoogen. —atson (demvliegen. —cence 1-kwes'sens),s.smelting.vervlie- un-stree'sjun), a. bewijs, betoog. -stive, a. ging. —cent (-kwea'sent), n, smeltend; vervliegend. —ative/y, ad. (-stre- ay.), aanwljzend; betoogend ; Delicate ,, e-larreetl, v. n. Wen, raaskallen. Delhi oars (de-liei-ne), a. ijlhoofdig. —ousneas, klaarblijkelijk. —ator (oak: dem'un-atree-tur), a. betooger; bewijsvoerder. —atory, a. bewij—um, a. ijIhoofdigheid, cond. Deliteseence (del-i-teet'sens), a. teruggetrok- Demoral isation (de•mor-el-i-zeesjun), a. zekenheid. denbederf. —ize (-mor'el-ajz). v. a. zedelocs Deliver, (de liv'ur), v. a. bevriiden; verlossen;
125 GRA.—G.RE. Gratis (grek,'ti9, ad. am niet, gratis. Gratitude (gret'i-tjeed), a. dankbaerheid. Gratuit ous ();re-tjoe'i-tuto, a. --eles/Y,ad. geschonken; ongegrond. —y, s. lige gift. Gratvila to (grerjoe•leet), v. a. geltskyrenschen. —tion (-lee'sjun), a. gelukwensching. —tory (-lctur.rih), a. gelukwenschend. Grave (greev'), n. graf. —clothes. doodskleederen. —digger, doodgraver. —stone, grafsteen. —yard, begraatplaats. —less. a. onbegraven. —, v. a. begraven, graveeren; kalefateren; v. a. graveeren. —r, a. grave.; graveerstift. ad. ernstig; deftig; stemGrave (greev'), a. mig; swear (van t oon), donkey (van kleur). —teas, a. ernstigheid; deftigheld, stemmigheid. Gravel (grev'il), a. gent zand, grint; graveel. —pit, gandpit. —walk, grintpad. —, v. a. sect kiezelzand hestroolen; verlegen maken. —ly, a. zandig, grintig. Gravid (grev'id), a. zwanger. —ity (gre-vid'it-Ch), a. z wangerheid. Gravimeter (re-viml-turl, e. zwaartemeter. Graving (greev'teng), s. snnwerk;indruk. —dock, droop dok, havendok• —tool, graveerstift. GravIt ate (grey% tart), v. n. zwaarte hebben ; near het middelpunt (van zvraartekracht) hellen. —alion (-tee'sjun). a. zwaaste, zwaartekracht. Gravity (grevit-tih), a. zwaarte, zwaartekraeht; ernstigheid; gewichtigheid.. specific —, soortelnk g ewicht. Gravy (gree'v1h). s. vleeschnat; jus. Gray (gree') s, grijs; grijs tiler (paard; das; a. grip, grauw. veal. —beard, grnattard. —brock, des. —eyed, met graze oogen. —fly, brews. —friar, kapucljner. —ilk, a. grauwachfig. —ling, a. amber (soort van zalos). a. grauwheid. Graze (greet'), v. a. welders, doen grazen; afweiden; strijkelings Taken; v, n. grazen; grasgeven; strijkelings raken. —r, a. grasetend then Grazier (gree'ejur), a. vetweider. Grease (griefs). a. smear, vet; mock. Groan e (griez"),,v. a. merest; omkoopen. —iness, , —y, a. vet, smeriga. omerigheid. —sty groot; gros. by the — in bet Great (greet';, groot, bij massa. — a. groet; aannenliji; swan grout, ger. drachtig, (with); vertrouwelnk, vriendschappelnk, (with), a — deal, veel. —born, van goede afkomet. —coat, °aerials. —grandfather, overgrootvader.—grandaon,achterkjeinzoon.—heerted„ hooghartig; onversehroliken. —horse, mandgepear& —seal, grootsegel. —ly, ad. grootelijks. —nese, a. grootheid, aanzieu. Greaten (greet'n), v. a. vergrooten; v. in grooter warden. Greaves (grlevz), s. beenschenen; drab van ge• smolten talk. Gee clan (gri'Oen), a. grieltse.h; a. Griek. —cism (-sizm), s. griekseh taaleigen. —cize (-salt), v. a. in het Griedkech vertalen; v. n. Griekech spreken. G ree (grie), s. welwiliendheld; gunst; trap, trede. Greed iness (gried'i•ness), a. gretigheId; guta, gretig, gni*. — gift, -ily, ad, s. slok-op.
Ostrich (os'tritsj), a. struisvogel. —egg, straits!. 0 utda re (-deer'), v. a. trotseeren. —feather, struieveder. Outdate (-deeti), v. a. in onbruik brengen. Otacoustie (ot-e-kausqlk), s. oar-, klankboren. Outdo (-doe') [hr.], v. a. overtreffen, Otal gift (o-terdsji-e), —gy dzjih), s. oorpijn. Outdoer (-doe'ur), s. overtreffer. —gic (-dzjik), s. middel tegen oor ptjn. Outdoor (-door), a. uithuizig. —e (doors.), ad. buitenshuts. Other (uth'ur), a. & pr. ander. each —, elkander. the — day, mileage. every — day, om den anderen O•tdrink (-drink') [irr.], v. a. in het drin!ien dag. some body or —, de eea of de andere. —gates overtreffen. (-dwell'), v. a. lenge? bltjven dan. (-geets), ad. op eene andere wijze. —guess (-gees), Outd —guise (-gajz), ad. van eon' anderen aard. —where Ouster (aut'ur), a. buiten. — court, bultenhof. —1y, ad. aan den buitenkant. — moat, a. uiterste. ( eer), ad. elders. —while (-wajl), sad. op een' anderen tijd. —wise (-wajz), ad. enders, enders- Outface (-fees'), a. a. trotseerers; verlegen maken. zins. Outlet!, s. uitwatering, Boot. Otter (oVturr, oak Attar en Otto, a. essence, ro- Outfawn (-fame), v. a. beter pluimatrtken dan. zenolie. Outfit, s. uitrusting. Otter (ot'tur), a. otter. —dog, otterhond. —hun- Outflank (-flenk'), v. a. overvleugelen. ting, otterjacht. —pike, pieterman (visch). Outfly (-flar) [irr.], v. a. voorbij vliegen; overs. Ottoman, treffen. Ottoman (ot'to-men), a. turksch. Outfool (-fool'), v. a. in dwaasbeid overtreffen. Turk; rustbank, sofa. Ought (sot), B. iota. for — Iknow, zoover ik meet. Outfrowu (-fraaun'), v. a. afschrikken. for — I see, zoover 1k zie. —, v. n. moeten, be- Outgate, a. buttenpoort, uitgang. Outgeneral (- dzjen'ur-e1), v. a. in krijgsbeleid hooren. overtreffen. Ounce (aauns), a. one; touch, lynx. Our (aur), pr. ons, onze, onzen. —s (oure); pr. (het) Outgive (-giv') [I rr], v. a. meer geven day. —.elf Outgo (-go') [irr], v. a. smeller (verder) gaan onus; a friend of —, can onzer vrienden. dan; voorbijstreven; misieiden. (self'), —selves (-solve ► , pr. wij (one) zelven. Outgoing, s. uitgang. —8, pl. uttgaven. Ousel (oe'21), a. meerl. Oust (aust'), v. a. uitstooten, verdrijven; berooven. Outgrow (- gro') [irr], v. a. ontgroeien; boven bet hoofd groeien. —er,s. ultatooting, verdrkjving. Out (aut), ad. A pr. uit; buiten; afwezig; weg; op, Outguard, s. voorpost; buttenpost. verbruikt, ontbrekend; uttgeput; uttgebluscht; Outherod (-her'ud), v. a. in wreedheid overambteloos; van ziju stuk ; luid. — and—, door en treffen. door. to be —, het mis hebben; ten elude read an; Outhouse, s. bgebouw; schuur. (with) in ortinin zijn met. my hand is—, ik ben niet OutJeer (-clejter'), v. a. door spotternij overbluffen. op etreek. — with it, voor den dag Cr mee I at elbows, met gaten in de mouwen. — of, uit, but- Outlast (-dkjestn, v. a. in het sehertsen overtreffen. ton, uithoofde van, wegens; berootd van, zonder. — of all, alles kwijt. — of design, met opzet. — Outknave (-neev'),v. a. in schelmerlj overtrefien of doubt, button twijfel. — of favor, in ongenade. Outlandish (-lend'isj ► , a. buttenlandsch. Outlast (-1aast'), v. a. tenger duren dan. van den — of heart, meedeloos. — of the way, a. Outlay*, a. vogelvrtj verklaarde, balling. weg af. a. vogelvr) verklaren, bannen. —ry Out (out), v. a. uitstooten. —, int. voort ! weg ! vogelvrij-verklaring. foci I Wear, in de volgende samenstellingen, de uitspraak nice is aangewezen, dear heeft out den Outlay, s. uitschot, veracbot, uitgaaf. , — Outlea'p, s. ontsnapping; onbesonnenheid. klemtoon. (-lisp'), v. a. voorbUspringen. Outset (-ekt'), v. a. overtreffen, to buiten gaan. Outbalance (- bel'ens), v. a. zwaarder wegen dan. 0 u ti earn (-learn'), v. a. in het leeren overtreffey. Outlet, s. uitgang, uttweg; verlaat, uttwatering. utbar (-bear"), v. a. uttsluiton. —a, pl. omstreken. Outbid (- bid') [irr.], v. a. hooger bieden dan. Out lie (-laj'), v. a. in hot liegen overtreffen. —der, a. meestbiedende. Outline, e. omtrek, schets. —(-lajn'), v. a. schet0 u tblown (-bloon'), a. opgeblazon. Outborn, a. uttheemsch, vreemd. v. a. overleven. —r (-1iv'ur), a. Outlive Outbound, a. near button 's lands bestemd. I angatievende. Out brave (-breev'), a. a. trotseereu, tarten. Outbrazen (-bree'zn), v. a. in onbeschaamdheid Outlook, s. voorzorg, waakzaamheid. v. a. verlegen (beschaamd) maken. overtreffen; overbluffen. Outlying (-layieng), a. afgelegen; buiten de geOutbreak, s. uitharsting. wone orde. Outbreathe (-brieth")„ v. a. eon' langeren adorn Outmarch (-maartsr), v. a. in het marcheeron hebben dan; den adorn doen uitblazen. overtreffen; voorbijmarcheeren. Outbud (-bud'')„ v. n. uitbotten. 0 u t measure (- mezroer,-ur),v. a. in grootte overOutburst, s. ultbarsting. F. !minding, treffen. Outcast, a. verstooten, vogelvrij. Outmost, a. uiterste, buitenste. verworpeling. Outnumber, (-num' bur), v. a. in aantal overtrefOutcralt (-kraaft'), v. a. versobalken. Outcry, s uitroep, gil; gejouw; veiling. — (-kran, fen. Outpace (-pees'), v. a. achter itch laten. v. a. overschreenwe.n.
385 Adasin, or. w. to nobilitate; to ennoble. Adel bv. noble; smelling, high. Aden', in. breath. in. Oise* —, without atopplrg. van iatsge.a —, requiring time, tedious. —tocht, breathing, gasp. —en, or. & on. w. to breathe. —liaise, on. w. to breathe. —haling, —ing, v. breathing, respiration. Ader, r. vein; course; streak. —break, phlebor• rhage. —gestate!, — spat, eerie. — rijk, full of vtint —slag, pulsation. —vlies, chorion. —achtig, be. ov. w. to vein. —lie, by. veiny, veined. vetny, --tutee, ov. w. to bleed. —lating,v.bleedlnx. Adjudant a nt, a•judant. —splaats. edjutreory. Admirals!. m. admiral. —roceip, admiral —stela°, Admiral's-flag. —.thew, a. admirainhip; to oat' in company. Atha's...Melt, v. admiralty. —shot, court of admiralty. Attires, a. direction; card; address, petition. —trek, directory. —.smart. address-curd. —letter°, iutelligence-offiee. —semen, or. w. to direct; oiea — aan, to apply to. Adverteutio, r. advertisement. —b!ad, advertiser, ---hosten, advertising. Advertearen, ov. & on w. to adrertime. Adwies, o, advice. —trief, letter of advice. —jacht, 'a. advice-bola. Adviseeren,ov. w. to counsel, to tacit.. Ads/mutt, M. advocate, la wyer, barrister (at law). —generaol. attorney-general. Alf, bw. off, down, — en van, to and fro, —, by. finished, done; exhausted, up. Afbaken ess, or. w. to mark (to trace) out; to mark with beacon.; to delineate. --ing , v, tracing (marking) out; delineation. Aibedeless, or. w to beg of, to get (to obtetn) by begging. Afrsotaid en, ov. w. to paint, to draw, to portray; to represent; to delineate, to typify. —Cr. in. painter; drawer; rcprraeoter, typifier —lag, v. painting, drawing, portraying; cture; representation; delineation. —se', o. pitture, portrait, portraiture; figure. imaeo. Arbeitelen, or. w. to take off with a chief'. Afftersidon, on. w. to burnt to crock) off. Afbestell en, or. w. to countermand. -hip, v. counter-order. Arbetal an, ov. w. to pay off. —fog, v. paying off; full payment. Albetten, or. w. to bathe, to wash. Afbevilen, ov. w. A rich t. w. to overdrive;to harass (oue'e f). Afbeureu, ay. w, to lift off. Afbidd en, or w. to implore; to deprecate. —er, tn. deprecator. —ing, v. deprecation. AftsIgtaiess, oat. w . to trickle down, AlbUten, or. w. to bite (to nip) off, de spite —, to etude the first shock (brunt). Afbtk.ken, ov. w. to pick off. Arblastian, °v. w. to tittle; to laud off, to etring. Afbiaderen, or. ve_ to strip 4,ff ,theleave*). Afbiazen, or. w. to blow off; to scale; on. w. to round the retreat. Afbilivon, on. w. van. to keep off.froin, to let alone, to leave untouched, not to meddie with; to stay away from.

nl.e), w. Eugenia. Euphrates ijoe-f•ee'ties), g. Euphraat. Europe (joe'roop). g. Europa. —an (-ro-pi'en), a. europeeseh; I. Muropeaan. Eus•hlue (Joe-arid-us), in. Ensebins. Eustaee (joe'etes), m. Eustatius. Ewan• ( ;oeks'in), g. the de Zwarte see. Evans (isivnz, m. Evans. Eve (lee), w Eva. Everard (ev'ttr-urd), m. Everard. Exeter (eltal-turl,g. Exeter. Ezeehiel. Ezekiel

Wat is de beste cryptogeld broker


praaien. Ha (ha), int. ha! int. hell! veel geluk I praaischuit. fellow , goede vrinnd. Habeas corpus (hee'bi-ea kor'pus), s. wet op Ilainoue (hee'nue), a. Zie Heinous. de proventleve gevangenig. Haberdasher (heb'ur-desj-ur), a. kramer, ga Hair (heer';, s. hear; dread, vleug; ztertje. to a —, ran- en bandverkooper. —y, s. kramerij. op een hear. against the —, met weerztu. —bag, haarzakje. —brained, onbeanisd. --breadth, hearilaberdine (heb-ur dien'), s. labberdaan. Habergeon (he-bur'dzji-un), s. borstharnas. breedte. —broom, kainerbezem. —brush, haarHabiliment (he.bil'i-rnen t),e.gew sad , uttruenting , boratel. —cloth, haardoek. —dresser, hopper-. fillet, —lace, haerband. —needle, —pin, hearHabit (heb'it), a. ewoonte, hebbelijkheid; gespeld. —powder, haarpoeder. —roller, papillot. steldheid, toestand; kleeding, rajkleed. —, v. a. kleeden. —able, a. bewoonbaar. —ability (-1-te—shirt, haren liemd. —side, nerf, —sieve, haren hint-till). —ableness, a. bewoonbaarlieid. reef. —star, haarkomeet. —stroke, ophaal (eener (.i•tikl), s. woning. —once, —ancy, s. wettige achrijfletter(. —trunk, ruige koffer. —weed, waneerzetting, verblijf. —ant, s. bewoner. —ation terms. —wcrrn, haarworm. —iness„ s.harigheid. (-i-tee'sjun), s. bewoning; wooing. —less, a, keel. —y, a. harig, ruig; haren. Habits' al (he-birjoe•el), a. —ally, ad. gewoon, Hake (beak), 0. roodoog (viscb). gebruikelijk; gewoonlijk. —ate i-et), a. bilge- Halberd (haol'berd), a. hellebaard. —ier, (-dice), worteld. —ate 1-eet), v. A. gewennea. s. hellebaardier. Habitude (heb'i•tjoed), s. gewoonte, hebbelijk- Halcyon (hel'sji-un), a. kalm, rustig, vreedheld; gemeenzoam verkeer. ream. —, a. ijsvogel. Habnab (heb'neb), Ad, luk of rank; door elkander. Hale (heel), a. `gezond, frisch. v. a. Zie to Hack (hek)„ a. hak, keep; oude knol,huurpaard; Haul. Half -koets. —, v. a. hakken; verminken; v. n. hak(haan, a. & ad. half; ten halve. —, a. helft. kelen; rich prijs geven. at (by) —, ten halve. my better —, mime weeerHackle (hek'k1), a. hekel. helft. —blood, halfbroeder. -roster. —blooded, v. a. hekelen. Hackney (bek'n1h), a. verhuurd wordend; veil; laag, verhaeterd. —breed, a. van gekruint ras; afgeznegd. s. telganger; huurpaard; huurling; s. halfbloed. — brother, stief-, halfbroeder. —comlichtekooi. munion, avondmaal cruder 6lne geetalte. —deck, huurkoets. —coachman, huur • koetsier. —horse, huurpeard. —man, verhtearder halfdek. —learned, hal fgeleerd. —pay, halve soldij ; van paarden en rijtuigen. —writer, broodechrtj- wachtgeld. —penny (hee'pen•nih), halve atuiver. ver, bundling. —, v. a. gewennen; in eene hour- —pike, halve (offIciers-) piek. --seasover, half koets vervoeren. —ed (-slid), a. vereleten, afgebeschonken. —sighted, kortrichtig. —sister, mt tef-, zaagd. halfzuster. —sphere, halfrond, halve wereldbel. Haddock (hed'duk), s. schelvisch. —strained,on7olkomen,—aword,lijfgevesIttit.—way, Hada (heed), s. stalls echacht, staande gang (in ad. halfweg. —wit, domoor. —witted, onnoozel, mijuen). dom. Haft (haaft), s. handvat, heeht. —, v. a. van een Halibut (hol'i-but), a. hellbot. handvat of hecht voorzien. Halidom (hert-duin), a. heilige maagd. Hag (beg'), a. heks, tooverkol. —born, van aene Hall (haor), e, zeal; gildgkamer; gerechtshol'; heice geboren. —ridden, beheket. —seed, heksenheerenhuie; voorportaal. cbmmon geineentekind. — v. a. kwellen; beangotigen. huis, verkoophuie. —day, gerechtedag. —age, 0. H aggar dIheg'gurd), ' a. —/y, ad. mager, verwilmarkt, staangeld. derd, wanstaltig, ontdaan. a. wilde (Itchtlwe) lllallelajjah (hel - le - loe'je), a. hallelujah. yolk; monster. Halliard, Halyard (hellurd), s. val. —block, Hag gess (heg'gess), s. leverworst. (-Os% valblok. a. hekeachtig, mievormd, afschuweltjk. Halloo (hel-loe'), int. hallo! —, v. a. door geHaggle (heg'g1), v. a. klein hakken; verminken; schreenw aandrijven of verjagen; aanschreeuv. n. knibbelen. —r, s. hokker; knibbelaar. wen; v. n. echreeuwen, hello roepen. Haglograph er (hee•dtji-og're-fur), a. keno- Hallow (hello), v. a. wijden, heiligen. —Inas niek Igevvild) achrijver. —y, a. de kanonieke (ge• (-mead), s. Allerzielen. wijde) boeken. Ilallucina to (hel-ljoe'si-neet), v. n. dwalen, llaguebuti(heg'but), s. musket, snaphaan. struikelen. '—lion (-nee'siunl, s. wean, rinsbeIlah (ha), int. ha! drog; dwaling, feil,mieslag. —tory (-ne-tur-rih), Hail (heel'), a. bagel. —shot, echot met echroot. a. dwalend, mistastend. —Mower, —storm, hageibui, jacht. —stone, bagel- Halo (haom), a. stroohalm, stroo. steen. —, v. a. & n. hagelen. —y, a. hagelachtig. Halo (hee'lo), a. liehtkrans. Hall (heel'), a, gezond, Meek. —, a. groet; liaise (hsos), a. kluis. Lie Hawse. stembereek. —, v. a. groeten, hell wenmehen; Halser (hewers), a. halo (touw). lie Hawser. 5
Klep, v. flop, valve, shutter, trap-door; sucker (tatter pomp); cover. m. clapper; bill (of a stork). Kleppe!, m. clack, clacker. Kiepp sac , ov. & on, w. to clap, to chime. —er, Tn. clapper, chimer; watchman; steed, courser. Klepper en. on. w. to clap, to clack, to chatter. —man, watchman. —tje, o. death watch. Kiosk, m. clerk. —amat, —sehap, o. clerkship. Kieft, v. lash, slap, clash, clap. —, tow. slap I splash ! —en, OT. W. to fling, to dash; on. w. to lash, to slap, to clash, to clap; to tattle, to —top, scald-head. —oor,long whip.—praaf, ing, tattle. babbling, Klett•sen, on. w. to clatter. to nelt, to patter. K let-am en, on. w. to be benumbed with cold. —mfr. —star, v. chilly person. —set, by. chilly. 1Kleumen, ov, w. to drub, to thrash. Klee's, v. color, hue; blush, complexion. —blind, color-blind. —houdend, keeping color, dyed in grain. —slof, pigment, color. —endruk, colorprinting,c hronnolithograp h y.—en/eer,ehrora atics. —mope!, blending of colors. chetoyment. —der, no. colorer. —en, ov. w. to color; on. w, to blush. —by, by. colored, blooming, rosy, ruddy; gaudy. —igheid, v. colore:iness, ruddiness, gaudiness. —ing, v. coloring, coloration. —ling, m. & • . man (woman) of color. -1008, by. colorless, chromatic. —te ,„o. color. Kleist's, v, little girl, hussy. —verd e small money, change. Kiev en, ov. & on. w, to stick, to cleave, to cling, to adhere. —*rig. by. gluey, glutinous, sticky, viscous. —erigheld, v. glutinousness,stickiness, viscosity. --log, v. sticking, cleaving, adhesion, Klibber, o. gum, glutinous matter. Kliek, v. fleam; clique, set. —oehs'd, trifling debt, driblet. —en, my. scraps, leavings, remnants, odds and ends, rest. —en, on. w. to omit, to expectorate; to leave remnants of victuals. —er, m, snifter. —jet, o. MY. Zie Kileken; —de,, day en which the remnants are eaten. —sfer, v. Zie Klieker. v. gland; kernel; tonsil. —oezteel, glandular swelling, mumps. —ziekte, scrofulous disease. —.hag, by. glonduloue; scrofulous. —en, my. scrofula, scurf. ov, w. to cleave. to split. o. declivity; cliff; brow. K iijf, o. ivy. m butt-eiad (of a bat or club); after-piere of the rudder; clumey fellow; prelude. —ken, ov. & on. w. to tell, to tell tales, to peach, to inform. —klakken, to clack, to clang, to clash. —tpaan, —spillen, to idle, to loiter. —bee, m. --ster,v. tell-tale.
nagel — stealer, paardendief. —tail, i,aardestaart. —tongue, ' halskruid. —trappings, paardetuig. —twitchers, neusnijper. rUweg. —whip, a. rijzweep; v. a. met den rijzweep slaan. —woman, rijdster. Hors a (hors'), v. a, berijden; bereden maken; bespringen; op den rug dragen; v. n. opzitten. —ed, . bereden. —iny, a. tochtig, hengstig; —icons, kaliaatijzers. Hortat Ion (hor-tee'sjun), a. vermaning. —ire, —ory (hoete-), a. vermanend. Horticultur at (hor-ti-kult'joe-rel), a. den tuinbouw betreffend. —e (hor'ti), a. tuinbouw. Hosanna (ho-zen'ne), E4. Hosanna, lofzang. Hose (nooz), s. kous, kousen; broek; mamiering (lederen slang). Hosier (ho'zjur), a. kousenkooper; winkelier in gebreid goad. —y, a. gebreide wiren; handel in gebreide waren. llosplt able (ho.4it-tibl), a. —ably, ad. herbergzSam, gastvrij. —ableness, a. herbergzaamheld; gastvrijheid. —at, s. hospitaal, ziekenhuis; a. gaatvrijbeid. —algodshuis. —amity( ter (-el-lur), a. gasthuiameester, ziekenverzorger; Malthezer ridder. Host (boost"), a. gastheer; waard; leger; heer, schaar; hostie. —age (host'idzj), s. gijzelaar. —ess, a. gastvrouw; waardin. lloetll a (hos'til), a. vijandelijk; vijandig. —ity (-til'it tih), a. vijandelijkheid; vijandigheid. Hostler (os'lur), s. stalknecht. ad. heet; hevig; surig. —bath, Hot (hot'), a. badstoof. —bed, broeibak —brained, opvliegend, heethoofdig. —cockles, :handjeplak. —flue, droogkerne, — headed, zie llothralneal. —house, badstoof; oranjerie, trekkas; bordecl. —mouthed, halastarrig. —pot,warme wijn ; warm bier. —press, v. a. glanzen (laken). —pressed, gesatineerd, gewarme geboterde broodjes. —shot, glamsd. versehoten, verzwatt. —spur, heethoofd. —spurred, doldriftig. —ness, s. neetheid; drift. Hotchpotch jhotarpotsj), a. Lie Hodgepodge. Hotel (hot-ter), a. hotel, herberg. Slough (hok), a. kuieboog. —, v. a. de kniepees afankiden, verlammen. Hound (haaund'), s. jachthond; nommer; mastw a.ng. —bitch, tee?. zeekwab. —pieemnommerstukken. —'s-tongue, hondstong (plant). —tree, hondsbesseboom. —, v. a..jagen,ver , olgen. Hour (flue), s. uur. —g/a88, zandlooper. —hand, uurwijzer. wijzerplaat. —ly, a. & ad. om het uur, voortdurend. —8, s. gebeden, Ilousage (hauz'idzj), a. bergloon. House (hans'), a. hums; huisgezin; geslacht; parlement. — of call, herberg; bonded!. convenient —, — of offwe, sekreet, heimelijk gemak. upper —, — of lords, Hoogerhuis. lower —, commons, Lagerhuis. to keep huishouden. to keep the —, in huts blkjven. to keep a good —, eene goede tafel houden. —boat, tentboot. — breaker, hubsinbreker. — breaking, huts-inbraak. —clock, hubsklok. —dog, huishond. —eaves, dakgoot. — hold, a. huisgezin, huishouding; a. huishoudelijk; huffs-. —hold-bread, huisbakken brood. —holder, hotsvoter. —hold-gods, hulagodm. —hold-stuff`', huts.

up in, to doe on, to be smitten (taken) with. waken, to drive (to make run) mad. —, in. fool; madman, buffoon, clown; joint of a pomp-handle; movable cap (cowl) of a chimney. roar den — houden. den — steken met, to make a fool of, to banter. —sekeren, on. w. to jest, to banter; o. jesting, triflug --kepraat, foolish talk. —keniuis, mad house, bed!am. —strap, T. fool's cap; m. fool. o. murrnuying,beating. cackling; tattling, chitchat. Gekakell, o.
big, to bluster., to beak. -a preker, bragger, roguery, squish trick. noester, --ruder. grandfather. -vorat, grand-duke. Gut, v. codling. bw. dry; frank ( ly), sincere (-ly); --- tegelbeasaarder , lord Gut, be. liberal (-ly), cordial ( ly), kind (-ly). -hartay, I,eper of the great seal. -elijite. bw.groatly.-heicl, be. & bw. frank (-1y); liberal (-1y), cordial (-ly), v. greatnen, largeness, Witless, bulkineAs; tall- kind (-ty). -itartigheid, frankness; liberality, new-, height; importance, enormity, grandeur, eminence, magnitude, nobienees; - ran eiet, cordiality, kindness. magnanimity. -je, a. grandam, granny. -etch, Guldellus, tn. golding. on. guilder, florin. -stale,gullder-ploccsr. grand, Gulden, by. & b e. proud (-ly), haughty ( - UV; triavLificent,noble(-bly).-schhold,v.pride,baughtl - Gulden, by. golden. - petal, golden number, tress; grandeur. magnificence, nobleness. -te, vlies, golden fleece. v. greetnese„ gee, extent, capacity; burden (van Goisiheld, v. dryness; zie Gu3hattrtIgheld. Gulp, Y, billow; drought, gulp; flap. -et, on. w. eery erhip); stature; magnitude. to gulp down. G ro a. trench. o. gross, wholesale; mace, generality; main Guizt,g, be. & low. greedy (-ily), gluttonous (-1y). body. -, v. --se, so. engrossed copy. -setren, ov . -aard, in. glutton, greedy-gut. -Acid, v. grandincus, gluttony. w. to engross; to exaggerate. -sier, on. wholesale• Gunn en. ov. w. to grant, to Vouthsafe; not to dealer- -crab, wholueale-trade. G rot, v. grot, grotto, cave. - aver!, rock-work, envy. -er, m. granter. betoUsest, to grunt a favor. G tease, v. favor. eeite fretted wen k. werkrnaker. rock-work-maker. our sae - ver.oeken, to beg for custom. --tojay, C. Greeeneffille, law. Zie favor-hooting. -bet°. - bootie, favor, mark of gravel, grit, rubbish; powder; coal- (at,sle, m. at v. favorite. fa ion ---podia, grace. -dr,ing, quite dry, hone-dry. - hole, shunt, bv. & bw. favorable (-t.ly), kind (- ► y)• growing-iron. -trooper, coal- eeal place. , be. Zie Gnat, by. not with young, sterile. gravel- merchant. (darts, v. gouge. --en, on. w. to gouge; on w. to ,„,teine (out). Grratzig, by. geavelly. gritty. -head, v. grittiness tn; reit, a. groats; thrayh, ref., -mot:n, oat-m.11- G uttegom, v. gamboge. -teaotee,omittd 4,f•, be. cold, bleek, ebarp, keen; unkind. -held, 0-tt-rneal-porridAe. mill. -tenbrii, waterv. coldness, bleakness, keenness; unkindness. meal, ouckwheat-meal.. -teepee', gruel, Gynnatt4 iek, . gymnastics, pl. gruel. tartalter, tn. core chandler, meal-man. -waren.,
Sarmatia (saar-znee'sji-e), g. Sarmatiö. —n, I. Sarmsat. Saturn (set'urn), my. Saturnus. Satyrs (set'irz), my. Saters. haul m. Saul. Savannah (se-ven'na), g. Savanna. Savoy (sev'oj. se-von. g. Savoy.. —rod (leT .0jaard'), I. Savoyaard. Saxon (iseks'un), a. Saksiech; i. Saks. —y, g. Ssksen. Scandinavia (sken-di-nee'vi-e),g. Scandinavia. —n, at. Scandinavisch; J. Scandinavian. Scheldt (skelt, ojelt). g. the —, de Schelde. Scilly Mande g. (de) Sorlinge : '. Scinde (*bad), g. Scinclq. Scipio (stei-o), m. Scipio. Scot (chat'), i. Schot. —eh (skotaj), a. Sehotaah; i. the —, de Schutten; —man. i. Sehot. —land, g. Sthotland. —t (skot), m, Scott. —dish, a. Schotsch. Scylla (ail'le). g. Scylla. Scyth es (sarthiez), I. Scythen. —La (sitlei-e), g. Scythie. Sebastian (ae-bes'ii-en), m. Sebastiaan, Segovia (se-go'vi•e), g. Segovia. de Seine. Seine (seen, ten), g. the Sy:tenet's (se ljoe'kus), in, Selman'.
Buz tos, v. miatress; virago, vixen. Mauls., v. trombone; trumpet; sack-but.-L-6/axer, trombone-player, trumpeter. -gesehal,sound of trumpets. -en. or. rr. to trumpet; on. w. to pl ay on the trombone, to stoned the trumpet. Ilenardeo, ov. w. tG cover with earth. Bendenaen, ov. w. to breathe upon. lleasssbte, m. functionary, officer. ileains on, or. w. to assent to, to approve of. -tag. v. assent (to), opproval (of). Eitentoget,lov. uneasy (about), afraid (for), unquiet. -laid, v. uueasiness fear, dread. -igen, ov. w. to make uneasy, to frighten. 11Zettni woe.rsi en, ov. w. to answer, to reply to. — lag, g. ana vrering; sue w er, reply. Basks bald on, ov w. to work at; to compose; to el+borate; to cultivate, to till. — er, m. author, composer. -ing, v. working (at), manipuietion; composition; cultivation. 'Rebind en, ay. w. to tie about, to bind with. • Beali,ed, by. bloody, gory. - en, °v. w. to etain w nth blood, to ensanguine. 11*bloorrren, ov. w. to cover to adorn) with flowers. lieboet bear, be. finable. ov. w. to fine, to mulct. -ing, v. Infliction of a tine. liebolaverkon, ov. W. to fortify (to enclose) h bulw,rks. with lieboussi bear, be. arable. -en, so. w. to build upon; to cutivate, to till. -ing, v. covering with buildin2s; cultivation. o. bed; marriage; layer, stratum; channel. naar -, to bed, to -, a-red. -van eer, field of honor. -genoot, m. & v. bed fellow. -genii*, bed.curtain. -lege7ig, bed-ridden -legerigbeid, state or being bed-ridden. -roede, curtain-rod. sermoen,cartale-lecture.-ziede,bedereAd.-efroo, bed-straw. -dedeken coy • rlet bienket, quilt. — degoed, bedding, bil - liurn. - 2dejak, night - rail, night - gown. -deksassn. pillow. -dekteast. bed , or d, suspensory. -delaken, sheet. - depas,, arming-pan. --dgplank, slider, shelf (in a bedstead). -decprei, quilt. -detafe!, Meld-stand. -AGA, bed-tick, *let. -dezak, cover. pillow • case. -dentmoper, upholsterer. -denmaker -de*• inaakster, upholsterer; bed-vaaker. -Jenwinket upholsterer's shop.

Waar kan ik Bitcoins in India


Foretop-gallant• (-gcl'ient-) a- tourbrams t eng. —royal-niaat, s. voor- bovenbramsteng. —royal-yard, a voor-bovenbramra. —royal-sail, voor-bovenbramzeil. —royal-shrouds, a. voor-bovenbramstengewant. —shrouds, 8. voorbramstengewant. —sail, a. voorbramzeil. —yard, s. voorbrairra. Foretop-mast (-top'maast-), a. , voorsteng. —shrouds, a. vooratengewant. —staysail, a. vooratengestagzeil. Foretop- (-top'), voormarszeil. —sailyard, s. voortopszeilra. —yard, a voormarszeilra. Foretry. (-traj') call-galT, a. stormgaffel can den fokkemast. Forevouelmed (-vautsW), a. to voren verzekerd. Foreword (foor'waord), a. voorhoede. Forewarn (-waorre), v. a. vooraf waarschuwen. —ing, a. waarschuwing. Fore wish (-wisr), v. a. vooruit wenschen. —worn (-woorn'(, a. versleten. Foreyard, a. fokkera. Forfeit (for'll t), a. verbeurd. —a, verbeuring, boeto. to Flay at —s, pandvcrbeuren. —, v. a. verbeuren. —able, a. to verbeuren. —tire (-joer), a. verbearing; baste. Forge (foorclzr),`,.s. amidse, ijzerhut; (het) ameden. —, v. a. ameden ; verdichten; nanaaken. —r, a. smeder; verzinner; falsaria. —ry, a. smidswerk; vervalaching. Forget (for-get') [forgot, forgotten], v. a. vergeten; verzuimen. —ful, a. vergeetachtig; onachtzaam. —fulness, a. vergeetachtigheid. —ter, a. vergeter. Forgive (for-giv') [ire ], v. a vergeven. -seas, a. vergiffenis. —r, a. vergever. Fork (fork'). a. vork, gaffel; punt, arm of verzwaardvisch. —head, pijlpunt. takktng. v. n. in twee takken —tail, vierjarige calm. (armen) uitloopen. —ed, a. — edly, ad. —y, a. gaffelvormig, gespleten; dabbeizinnig. —edness, a. gaffelvormigheid. Forlorn (for-lorn'), a. verlaten; hopeloos. —lope, verloren bende; gewaagde onderneming. —ness, a. verlatenheid; hopelooze toestand. Form (farm), a. vorm; uiteritjk, gedaante; zitbank, schoolklasse; leger (van can' base). —.v. a. vormen, fonneeren; v. n. zich vormen, zich formeeren. Formal (for'mel), a. —ly, ad. vormelijk, utterstijf; uitdrukkelijk; stipt. —ist, a. gloat van vormen. —ity ( a. vormelijkheid, uiterlijkheid ; plechtigheid; stiptheid, —lee (ajz), v. a. vormen, wijzigen; v. D. zich deftig (gemaakt) aanstellen; van uiterlijkkeden houden. Formation (for-mee'sjun), a. vormtng. —ive, (for'me-tiv), a. vorrnend; s. afgeleid wooed. Former (form'ur), a. vormer, maker. Former (form'ur), a. vorig, eerstgenoemd. —1y, ad. vroeger, eertijda. Formful (formloel), a. vindirgrijk. Formication (for-mi-kee'ajun), a. krieuweling (op de huidi. Formida ble (foemi-dibl), a. —bly„ ad. vreeseiijk, geducht. —bleness,'a. vreeselijkheld. Formless (formless), n. vormeloos. Formula (for'mjoe-le), a, voorachrift; formule.
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

Heeft ethereum een ​​limiet


Arabia (e-ree'bi-e), g. Arable. —n, a. Arabisch; Arabier. Aragon (er'e-gon), g. Arragon. Arcadia (aar-kee'di- el, g. Arcadia. Archangel (aark-een'dzjull, g. Archangel. Archibald (aar'tsji. held), m. Archibald. Archimedes (aar-kim-rdiez), m. Archimedes. Archipelago (aar-ki-pere-go), g. Arc hipel. Ardennes (aar-den'),g. the de Ardennen. Areopagus lee-ri-op'e-gus), h. Areopagus. Argyle (aar'dzjajl), g. Argyle. Arian (ee'ri.en), r. Arleen. Aristotle (er'is•tot1),m. Aristoteles. Arkansas (aar-ken'ses), g. Arkansas. Armenia (aar-mrni-e), g. Armenia. —n, a. Arnienisch; i. Armenier. Arnold (aar'nuld), m. Arnold, Arnoud. Arrnean (er-re-ken'), g. Arrakan. Arras (er'res), g. Atrecht. Arthur (asethur),m. Arthur. Aefa (ee'sji-e), g. Azii. —Minor, Lesser—, KleinAzle. —tic (-zi- erik), a. Aziatisch; i. Aziaat. A sphaltites les-fel-taptiez) Lake, g.1)00de zee. Assy (es'sih), f. voor Alice; Lisette, Liesje. Assyria g. Assyria. —n, a. Assyrisch; 1. Assyrian Astoria (es-toe'ri-e), g. Asturie. Athenian (e.thrni- en), a. Atheensch; i. Athener. Athena (eth'enz), g. Athena. Athlone (eth-loon'i, g. Athlone. Atlantic (et-lent'ik), a, Atianttsch; g. Atlantisehe oceaau. Attic (et'tik), a. Attisch. —a ( ke), g. Attica. Attila (erti-le), m. Attila. Aubry (ao'brih), m. Alberik. Augsburg (aoge'lirg), g. Augsburg. August a (ao-gust'e), w. Augusta. —in, —we (-in), m. Auguetinus, A ugustijn. Aurell a (so-1111.e), w. Aurelia. —an, m. Aurelianue. —us, m. Aurelius. Aurora (ao-ro're), my. Aurora. Austin (aos'tin), f. voor Augustin; A ngust. Australia (aos- tree'l 14), g. Australia. Austria (aos'tri-e), g. Oostenrtjk. —n, a. Oosten• rijkech; i. Oostenrjjker. Avon (ev'un), g. the —, de Avon. Azof (ez'uf), g. Azof. Azores (e-zo'riez), g. the —, de Azoriache eilarden,
Respite (rese'pit), a. uitstel; verpeozIng.—, v. a ting. —Aire zumliv), a. hernemend, hervatuitstellen, opachorten; laten ruaten. tend. eeplentien ce (re-splen'ders), —cy, a. glans. Resupina te (re-ajoe'pl-neet), onderste boron luister. —t, a. —tly, ad. schitterend, luisterrijk. gokeerd. —tion (-nee'sjun), a. achteroverligging; Respond (re.spond"), v. n. antwoorden; verant- omgekeerde stand. woordelijk zijn; (to) beantwoorden can. —ent, a. Demur ge (ri-surdsn, v. n. weder opstaan. —rec'to) beantwosrdend aan; a. antwoorder; verweer- tion (rez-ur-rek'sjun), s. opstanding. der, gedaagde. Resurvey (rinsur-vee'), v. a. weder overziera. Respond a (re-spans'), a . antwoord. —ibilitY Resuscitate (re sua'si-teet), v. a. opwekken,doen (-i- l'it-t ih), —ibleneas, a. eerantwoornelljkheld. herleven; v. n. opstaan, herleven. — tion(-tee'sjun), —able, a. verantwoordelijk. —tee, a. antwoordend, a. opwekking; herleving. beartwoordend. —ory, a, antwoordend; borg t- Retail (ri'teel), a. verkoop in het klein. —busbies', —trade. kleinhandel —dealer, kieinhandelaar. 13 (oesntd. (rest'), a. rust; Bleep; ruatpunt; ruetplaats; — (re- tier ), v. a. In 't klein verkoopen; in kleine overschot, rest. at —, ruatig. for the —, voorhet deelen splitsen; netnekeurig (ook: etukswijze) everige. to set up one's —, het uiterete wagon. verhaler. —er, a, winkeller, after. —harrow, oseenkruid. leenatok (bij achil- Retain (re-teen'), v. a. houden, behouden; terugeees). —, v. a. tot rust brengen; leggen; v. n. rue- houden; onthc.aden; in dlenst nemen; afburen; ten; alapen; sterven; overig zijn; blijcen; (on. sehoren. —able, a. terug (in) te houden. a„ pen) leunen, Mennen, berusten op. behouder; aanhanger; huurlakei; honorarium.) Restate (ri-ateot'), v. a. weder in orde brengen; Retake (ri-took') Dm], v. a. hernemen. op nieu ► verkIaren. Retails, te (re-tel i eat), v. a. &n. betsald zetten, Restnuraaon (ree.to-ree'ejun), a. Zia Rests- wedervergelden; met nelijke muntbetalen. —tion ration. (-ee'sjun), s. wedervergelding. —tive (-e.tiv), —torn Bentern (ri-etem'), v. a. tegen den etroom voort- (-e-tur-rih), a. wedervergeldend. stuwen. Retard (re-taard'(, v. a. belemmeren, vertragen. Restful (rest'foel), e. —ly, ad. rustig, stil. —anon (rot-er-dee'ejun), a. oponthoud, vertraging. Bestial' (reetif), a. tie Restive. —er, s. yertrager. Restinction (re-stingk'ajun), e. blussching. Retch (retsj), v. n. kokhalzen. Resting (restleng), a. rust. —place, reetplaats. Retecious (ri-tisrue), a. gevlochten. —stick, zie Beet-stick. Retell (ri-tell') [im], v. a. op niftier vertell en. Tteetitu te (res'ti-tjoet), v. a. teruggeven; herVel-- Retent lean (re-ten'sjun), a. bewaring, onthen. len. —tion (-tioa'ajuu.); a. teruggave, herstelling. ding, terughouding; ge'heugen: gevangenhouding; —tor, a. hersteller. verstopping. —ice, a. behoudend, onthoudend, Restive (res'tiv), a. —ly, ad. stag, koppig, weer- terughoudend. —irenees, a. behoudend (onthouepon-nig. —tiers, a. koppigheid, stugheid. dent) vermogen. Restless (rest' less), R. —ly, ad. rusteloos. —ness, Reticence (ret'i-sens), a. verzwilging. s. rusteloosheid. Reti rye (ret'iki), s. netje; reticule. —.lax (re. !Restos:. able (re-stoor'ibl), a. herstelbaar. —ation tik'joe-ler). —form, a. netvormig. —cute (-i.njoel), (eeeto-ree'sjun), a herstelling; teruggave. —afire o. werkzak, reticule. --ea (-1-ne), s. netvlies. (-e-tiv), a. & a. veesterkend (rniddel). —e, v. a. her Retinue (ret'i-njoe), a. gevolg, (stoat. etellen; teruggeven. —er, a. hersteller. Retire (re-teje). e. a. terugneinen; intrekken ; Restrain (rg-streen'), v. a. weerhouden (from); v. n. zich terugtrekken, — verwijderen(fron); afbedwingen, heteugelen; beperken. —able, a. be- treden; zich begeven (to). —d,a. teruggetrokken; dwingbaar. — edly, a t. met dwang; beperkt. —er, geheim; eenzaam. dnesa (-id-), a. teruggetroks. bedwinger, neteugelaar. —t, s. bedwang,beper- kenheid; afzondering, eenzaamheid. —meat, a. king, verband. terugtrek king; a fkonderIng, esnzaamheid. Restrict (re-strikti, v. a. beperken (to) —son Retort (re.tort'),,e. tegenbeackuldiging; krem(•strils'sjun), a. neperking. —ire, a. beperkend; hale, retort, —, v. a. terugwerpen, -steoten, eamentrekkend, —ively, ad. met beperking. -schuiven; tegenwerpen, antwoorden; v. n. (upon) Restring e (re-strindzj'), v. a. beperken; eamen- eene beschuldiging op den beschuldiger terugtrekken. —eery, a. samentrekkende kracht. —eat, warps). —er, s. tegenwerper, antwoorder. —ion a. & s. samentrekkend (middel.). (-tor'etun), a. temp, tegenwerping. Reety (resitih), a. Zie Restive. Retoss (ri-toe'), v. a. terugwerpen. Resubilme (ri-enb-lejm'), v. a. weder overha- Retouch (ri-tutsj'), v. a. weder aanraken; Yeelen. tijnen. Reendation (ri-sjee-dee'sjun), a. wederuitzwee• Retrace (ri-trees'), v. a. weder sehetsen; — be. ting. treden; — naeporen. Result (re-zult'), a. uitkomat, tilts:lag, gevolg; Retract (re-trekt'), v. a. & n. herroepen, intrek§ beellssing. —, v. n. (from) voortepruiten, voort. ken. —able, a. herroepbaar, in te trekken. —ation vloelen,„ vcelgen; (in) ultioopen op; § beslissen. (-ee'sjun), —ion teirek'sjun), a. herroeping, ina. ultvloeisel; gevolg. —art, a. vereende trekking. —ible, —ale ell), a. intrekbaar. kracht. Retreat (re-triet), a. terugtocht, aftocht; Own. Begun' able (re-zjoem'ibl), a, weder te nemen; dering; wtjkplaats; landgoed. v. n. terugtrekte hervatten. —e, v. a. hervatten; beknopt cameo- ken, wijken; de toevlucht nemen; zich aan to asvatten. —ption (•zum'sjun), a. herneming, hervat- ken onttrekken.

VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i

Hoe kan ik de eigenaar van een Bitcoin


biliut; clog, shackles, fetters; pulley; suit (Wien); block-hesd. -bead, statue. -Au lt, biotichouse, prison. -Overiy , plodding. -lood, piglead. -noes, flat seam. -sehijf, pulley. -tin, block-tin. -wages, truck. -silver, silver in bars, - in wedges. -bennsaker, bloakmaker. Blokk ado, v. blockade. -wen, ov. w. to blockade, to block-up. -tering, v. blockade. -en, on. w. to plod, to toil. -er, m. plodder, toiler. Bland, by flaxen, light, fair. - en Haute class, to letter in black and blue. -harig,light-haired, with flaxen hair. -e, m. & v. fair man, fair woman. -e, v. blond, blond-lace. -je, o. fair
Penates (pe-neetiez), pl. huisgoden. Pedicle (ped'ikl), s. steel, atengel. Pedicul ar (pe-dlk'joe-ler), —out, a. luizig. Pence (pens), p1. stulvers. Zie Penny. Pane11 (pen's11), s. penseel; potlood; griffel.—ease, — disease, luisziekte. polloodkoker. —cloth, —rag, penseelPedigree (ped'i-grie),penseel-, s. geslachtsboom. witch. —, v. a. teekenen, achilderea. Pediment (ped'i meat), a. kroonlijet. Pedier (ped'lur), s. rondventer, marskramer. Pendant (pendent), s. oorbel; wimpelhanger. —ess, s. rondventater. —y,s. marskramerth mars- Peuden ce (pen dens), s. helling, overhelling. ktamerswaren. —cy, s. uitstel, opechorting. —t, a. hangend. Pedobapt Ism Ipl-do-bep'tlzm), a. kinderdoop. at-, overhangend. Pend ice (penidls), a, afdak. luifel. —ing, a —let, a. voorstander van den kinderdoop. Pedometer (pc-dot:WI-Mr), s. weg-, achreden- hangend, onbeslist. Pendul on. (pen'djoe-lus), a. hangend; besluimeter. tih), —ousness, a. Pedun cie (pe-dung'kl), a. bloem-, vruchtsteel. teloos, onzeker. —osity a. ginger — cular (-kjoe-ler), a. ran eon' stengel. —culate hangende stoat; onzekerheld. (-kjoe-let), a. geateeld. (eener klok); —ball, —bob, knop aan den clinger; punttang. —pliers, Peel (piel'), s. schil; schietachop (bij bakkers). —clock, slingeruurwerk; —, v. a. pellen, schiller; plunderen; v. n. ver- Penetra ble (pen'e-tribl), a. doordringbaar. a. doordringhaarheid. vellen; afschilferen. s. peller, Wittier; plun- deraar. —ings (-iengz), p1. sehinen. —ncy (-tren-s1h), a. doordringendheid; doorzicht. Peep (piep'), s. (het) to voorschijn komen; blik; —nt (-treat), a. doordringend; acherpzinnlg. —te giurende bilk- aanbreken (van den dog). —hole, (.treet), v. a. doordringen (with); doorgronden; v. n. doordringen (into). —lion (-tree'sjun), a. kijkgat. —, v. n. gluren; te voorschijn komen; doordringirgg; doorgronding; scherpzinnigheid. uitkomen; aanbreken; piepen. (at) begluren. ( forth) roar den dog komen. —er, a. gluurder; —tire (-tree-tiv), a. doordringend; scherpzinnig. kijtglaa; nog; kuiken. —tiveness ( tree-tiv), s. doordringendheid; scherp • zinnigheid. Peer (pier'), s. gelijke, wederga, makker; pair. —, v. a. gelijk steller; v. n. te voorschijn Ito- Penguin (pen'gwin), a. vetgana, pinguin; wilde men; aanbreken; loeren, glares. —age, a. pair- ananas. achap; (engeltehe) rijksadel. —ess, a. gemann Peninsula (pen-in'ajoe-le), a. Echiereiland. --e, a. van een achiereiland. eens pairs. —less, a. —lessly, ad. onvergelijkeltjk, Peniten ce 1pen'i-tens), —cy, a. berouw, boete. weergaloos. —lateness, a. onvergelijkelijkheid. Peevish (pie'visj), o. —ly, ad. knorrig, gemelijk, —t, a. --tly, ad. herouwhebbend, boetvaardig. korzelig. —ness, s. knorrigheid, gemeltjltheid. —t, a. boeteling; biechtkind. —Ha/ (-ten'ajel), a. boetvaardig; boetc-; a. penitentie-boek. —tiara Peg (peg'), a. pin; vioolschroef; stoot. —top, tot. (-ten'sje•rih), a. de boete betreffend; a. boet—, v. a. pinnen, vastpinnen. — priester, hiechtvader; biechtatoei, boeteling; verkersels. Pegasus (peg'e-sus), s. Pegasus. erh hed Pegmatite (peg'me-tajt), s. (so (soonvan),.graniet. Penn ached pen'nesjt), a. bout geatreept. ant (-nent), s. takel, hijschtouw; •impel. —ate (-net), Pekoe (pek'o), s. peceo-thee. Pelagic (pe-led'zjik), a. van de zee. —ated (-neet-id), a. gevleugeld, gevederd. —er, s. Pelf (pelf), a. schatten, rijkdoro; mammon. schrijver; pennenkoker. —Um (-ni-less), a. arm. —non (-nun), a. vaantje. Pell4nan (pel'i-ken), a. pelikaan. Pell et (per lit), a. balletje; prop. —icie(-ikl), o. Penny (pen'nih ► , s. stuiver; penning. —a-liner, vliet, huidje. —itory (-11-tur-rih), a. muurkruid. echrijver. —father, duitendlet. —grass, —weed, (pet-mel'), ad. verward, door elkander. penning-, luiskruid. —post, stuiverapoet. —royal, Fells (peh ► , p1. perkementen molten, clerk of the —, kruizemunt, vlooikruid. —weight, penninggespaarzaam in wicht. —white, zilverwit. boekhouder btj de achatkamer. Pellucid (pel-ljoe'sid), a. doorschijuend. —ness, kleinigheden. —worth, kleinigheid; koopje. Penside (pen's11), a. hangend, zwevend. —ness, a. doorschijnendheid. s.vel,onbereide huid; slag. —monger, s. hangende toeetand. huidenkooper; peltertjhandelaar. —wool, doode Pension (pen'sjun), a. jaarwedde; kostgeld. —, wol, sterfwol. —, v. a. werpen, smijten; v. n. v. a. peneioneeren. —ary, a. gepensioneerd; B. razen, tieren. —er; a. werper, amijter; razende; gepensioneerde; pen,ionaris. —er, a. gepensiovrek. —ing, a, geraaa, getter; a. armzalig. —ry, neerde; gewoon student (te Cambridge); ligtra(trih), a. pelterij, boot. ensive (pen'aiv), a. —ly, ad. peinzend, zwaarPelvis .(pel'vis), s. bekken. Pensive Pen (pen'), a. pen; hoenderhok; Echaapskooi. moedig. —nest, a. stIlheid, ernst; zwasrmoedig-case, pennenkoker. —holder, pennenhouder. held. —knife, pennemes. —man. schrijfmeester; achrij- Pentacapsular (pen- te-kep'sjoe-ler), a. met vijf zaadhuisjes. ver. —manship, s. schrtjfkunst! (het) schrijven. —stock, verlaat, duiker. —wiper, pennenveger. Yenta choral (pen'te-kord), a. vijfanarig speelMtg. — gen ( gon), e. vul'hoek. —gonal (-teg un-, v. a. echrliven; opstellen; opslutten (up). net), a. vijfhoekig. —meter (,tem'i-tur), a. vijfPenal (pi'nel), a. atraffend; straf-. —rode, wet- roetig vers. —njular (-ten'gjoe•ler), a. vijthoektg. bock van etrafvordering. —law, atrafrecht. —ly, --rchy (-aar'kih), s. vtjfmanschap. —oast (-spent), s. straf; boete. s. htjechtoestel met vijf katrol len. ---etie/c (-atik), Penance (pen'ens), a. boete.
Consternation (kon stun-nee'sjun), a. ontstel- Contnbula te (lcun-tebloe-leet), v. a. met planteens, versiagenheid. ken beschieten. — lion (-tee':jun), s. beplanking, Constipa te (kon'ati-Peet), v. a. verdikken, ver- bevloaring. stoppen. — lion •pee'sjun), s. verdikking, ver- Contact (kon'tekt), a, aanraking. Conta gion(kun - tee'dzjan), s.besmetting..—gious stopping. Constituent (kurt-stit'joe-ent), a. samenstellend, (-dzjus), a. besmettelijk. —piousness, s. besmettelijkheid. R. lastgever. vormend. Constitute (kon'stit-tjoet), v. R. instellen, vast- Contain (kun-teen'), v. a bevatten, behelzen; in atellen; vormen; samenstelien; machtigev, at- teem hondert; v. n. zich onthouden. —able, a. vaardigen. —r, a. lastgever. bevatbaar. Constitution (kon-ati-tjoe'sjun), a. inatelling; Contamina te (kun-tem'i-net), a. bezoedeld, belichaamsgestel ; gemoedsgesteldheid; staatsre- vlekt. —te (-neet), v. a. bezoedelen, bevlekken. geliag. —at, a. —ally, ad. overeenkomstig de —lion (-nee'sjun), s. bevlekking. staatsregeling; oorspronkelijk. — ality (-el'it-tih), Contemn (kun•tern'), v. a. verachten.—er(-nur), a. grondwett;gheid. — ist, a. voorstander s. verachter. Contemper (kun-tem'prir), —ate. v. a. tempeder grondwet. Constitutive (kon'sti•tjoe•tiv), a. wetgevend, ren, matigen. — ament, a. grand; tempering. verordenend; wezenlijk. —ation ( ee'ejan), a. tempering, matiging. Constrain (kun-streen'), v. a. betengelen, be- Contempla te (kun-tem'pleet), v. a. benchesiemmeren; noodzaken. —able, a. eon dwang on- wen, overdenken; v. n. peinzen (on). — lion (Iconderworpen. — edly, ad. gedwongen. — cr, a. dwin- tem-plee'sjun), a. beschouvving, overdenking,beto have in —lion, beoogen. — tire ger. —t. s. dwene,., opsluiting. — tire, a. dwin- spiegeling. (-ple tin), a. — lively, ad. nadenkend, bespiegegeed, helemmerend. Constrict (kun-strikt'), v. a. samentrekken. —ion lend. — tire faculty, deukvermogen. —or, s. beschonwer. (-strik'sjan), a. sementrekking. — or, a. semen- Contemporaneous (C1111tom-p0.ree'lli.U.3). a. trekkende spier; reuzenslang. Constringe (kun-strindzj'), v. a. aamentrekken. — ly, ad. gelijktijdig. Contemporar iness (kun-tem'pore-ri-ness), —at, a. samentrekkend. gelijkttjdigheid. —y, a. gelijktijdig. —y, a. tijdConstruct (kun-strukt'), v. R. sarnenstellen. bout- wen; verdichten. — er, a. hoover, vervaardtger. genoot. —ion (-struk'sjun), a. bonne, samenstelling: nit- Contempt (kun-temt'), a. verachtieg. to hold in legging; woortivneg. ing. — ive ( - tiv), a. — ively, ad. —, minachten. for bij verstek. R. -ibly, sameestellend, verhindend. —ure (-tjoer), s bouw, ad. fverachtelijk. —ibleness, a. verachtelijkheid. —uous (-joe-us), a. — uously, ad. minachtend, gebouw. Construe (kon'stroe), v. a. samenstellen; ver- trotsch. — uousness, a. minachting. Contend (kun - tend) v. n. twisten; wedijveren, klaren. atreven, (about. for. with). — er, a. betwister, te.1.7onstnpra te (kon'stjoe - greet), v. a, onteeren; genstander; etrever. losbandigmaken. —lion (-pree'sjun), s. onteering; Content (kun-tent'), — ed, a. --eddy, ad. tevreliederlijkmaktng. den. —, a. tevredenh, id; omvang. —s, s. inhoud. Consubsist (kon - sub-sist!), v. n. medebestaan. eenzeltable of -8, inhoudsregister. —, v. a. tevreden Consubatanti al (kon-sub sten'sjel), stellen. — edness, a. tevredenheid. —less, R. onvig , medezelfstandig. — ality (-sji-slit-tih),s. me- dezelfstandigheid. — ate (-sji-eet), v. a. vereen- tevreden. —meng, a. vcrgenoegdheid; herniating. zelvixen, tot line zelfstandigheid vereenigen. Contest lion (kun-ten'sjun), s. strijd, twist; mededinging. —tious (-qua), R. —tiously, ad. twist-ation (-sji-ee'sjun), s. vereenzelviging. ziek. — tiousness, a. twistzucht. Consul tkon'sul), a. consul. — ar (kon'sjoe-ler), a. van een' consul. —ate (kon'sjoe-let), s. con- Contermi nate (kun-tur'mi-net), —nous, a. de• zelfde grenzen hebbend; aangrenzend. sekat. — ship. a. COI1SUISChap. Conu4nit (kon'sult), a. raadpleging; beraatisla• Contest (kon'test), a, geschil, strijd. Contest (kun toot), v. a. betwieten, bestrijden; gin,; ranflAvergmlering. v. n. twisten, wednjveren (unth). —able, a. beConsult (kun-cult'), v. a. raadplegen; v. n. be- twistbaar. — ant, R. betwister. —ation (-kon-tesraadslagen. —ation (kon-sul tee'ejitn), s. beraad- tee'sjun), s. strijd; betwisting; getuigenbewijs. raidplegend.—er, staging; raadpleging. a. rnatipleger. Context (kon'tekst), a. samenhang, verhand. — Consult. able (kun-ajoem'ibl), R. verteerbaar. (kun-tekst), a. semengeweven. — ure (kun - teks' — e ( - Fijoein'), a. R. verteren; verkwisten; v. n. tjoer), a. samenstel; samenweefsel. s.nabkjheid,beverteren; (away) wegkwijnen. — er, a. verteerder; Contign verkwister. lending. -,M8 (kun-tig'joe us), a. —ousty, ad. Consonant. te (kun•sum'met), a. —tell,. ad.vol- aanpalend, belendend. — ousness„ a. nabijheid, komen, voltooid. — te (-meet), v. a. voibrengen, aanpaling. voltnoien. --lion (kon-sum-mee'sjun), a, voltooi- Conti nen ce (kon'ti-nens), —cy, a. matiging; onthanding. ingetogenheid.. —t, a. matig, itigetotug, voleindiging; dond, vasteland. — tal (•nen't,e1), gen, kuisch. Consustap lion (ken-setn'sjun), a. verhruik,ver- a. van het vaste land; 4 de Vereenigde Staten tering; verwoesting; tering., —tive,a.—lively, ad. betreffend. verterend; teringeehtig. — tireness, s, tering9ch• C,+ntingen ce (kun.tin'dzjens), —cy, 9. toeval. tigheid.
REA.—REO• Rebut (re-but.'), v. a. terugalaan, -stooten; atRenegue (ri•el'ger), a. rood arsenicum. weren; v. n. op de tripliek antwoorden. Realm (relm). s. rijk, koninktijk. Recall (rs keel% s. herroeping. —, v. a. herReam lriera), a riein (papier). Reaninza te (ri-ee'-i-meet), v. a. wader bezielen. roepen; terugroepen. Recant (re-kent'), v. a. herroepen; v. n. terug—tion (-mee'sjun), a. wederbezieling. Reannew (ri-en-neks"), v. a. wader aanhechten. treden. —ation (ri-ken.tee'sjun), a. herroeping. —er, 8. herroeper. Reap (riep), v. a. & n. inoogsten, oogeten. —er, s. maaier. —ing- kook, sikkel. --ing-time,00esttijd. I Recinpit ula te (ri-ke-pit'joe-leet)„ v. a. in het Reap pear (rl•ep-pier';, v. n. winter versclikjnen.kort herhalen. —tion (-lee'sjun), a. korte herha-pearance,s.wenerverschijaing. —paint (.pojnt'i, ling. —tory (-le-tar-rile), a kortelijk herhalend. v. a. wader benoemsn. —pointment (-point'-) e. hernerser. —are (-tjoer), s. herneming, heroveherbenoeming. heroverde bait; v. a. hernemen, heroveren. Rear (rier , ),.s.achterhoede;achtergrond.—eubniral,, Recast (ri-kaast") [im], v. a. op nieuw werpen; schout•bij-nacht. —guard, achterhoede. —mouse, — gieten; berekenen. vieérmuis. —rank, achterste gelid.—ward(-waord), , Recede (re-sied'e v. n. wijken. terugtreden; v. a. op- I (from) terugkomen op; afstand down van. a. achterhcede; ad. achterwaarts. heffeu; oprichten; opkweeken; opvoedea, groat- Receipt (re-siet'), a. ontvangat; kwitantie; rectal recept. brengen, opbeuren; verheffen; opjagen; verwer- Reedy able (re-siev'ibl), a. aannemelijk. —e, yen; v. n. eteigeren. Bleaseend (ri-es-send'), v. a. weder beklimrnen; v. a. ontvangen; onthalen; aannemen; beg ripen; helen. —er, a. ontvanger; haler; vergahrbak. v. n. weder opritijgeo. Reason (Wm), a. rede, veretand; reden, grond- Receiebtate (riesel'e-breet), v. a. weder vieren. oorzaak; rekenechap; billijkheid. by — of, we- Recency (ri'sen-sib), s. nieuwheid. grins. to do —, bescheid doen; racist laten weder- Recension (re-sen'sjun), a. beoordeeling, recensie; hertellibg. varen. —, v. a. & n. onderzoeken, redeneeren. —able, a. —ably, ad. redelijk, billijk; veretandig; Recent (regent), a. nieuw, versch; onlangs tre beard. —ly, ad. onlangs. —ness, a. nieuwheid, middelmatig, dragelijk. —ablenes, s. redelejkheid, verechheld. billijkheid; matigheid. —er, a. redeneerder. a. redeneering. —less, a. redeem, a. onver- Receptacle (re-sept'ik1), a. ontvanger, vergaferbak; ochuilhoek. atandig. Itenseeneble(ri-es •sem'b1), v. a. weder verzeme- accept ion (re-sep'sjun), v. ontvangst; onthaal len; v. n. wader bijeenkomen. aanneming; wederopneming; bevatting; algemeen 11,asert (riees-suin ► , v. a. wader beweran. —ion attagenomen begrip. —ire, a. ontvankeljjk. —ory (-sur'ejan), a. herhaelde bewering. (oak: (res'ip-tar-rth), a. algeineen aangenomen. Helmet/en (ri-es-eajn"), v. K. weder aanwijzen. Fteeess (re-sass';, a. terugtreding, evejking; ver- afataan, I trek;:afgezonderdheld, eenzaamheitl; nes, alkoof, R4,118811111 e (ri-es-ajoem), v. a. weder fianvaar. inhann schuilhoek; achoraing, vacantie. —ian den, —ption (-aum'sjun), a. wedereanvaerding, (-sesrun), a. terugtreding, (het) afstand doen hervatting. (from). Renesor ance (ri-es-sjoer'ens), s. herverzeke- Recbange (ri-tsjeendz'), a. herwissel. —, v. a. ring. —e, v. a. wedergerustmtelien; herverzekeren. op nieuw veranderen; herwissel nernen. Recharge (ri-tsjaardzr), v. a. op nieuw aanvalitensty iriesitih), a. ranzig. Reattempt (ri-et-temt'l, v. a. weder beproeven. len; wader beechuldigen; herladen. Recbnrter (ri-tajaaetur), v. a. op nieuw beHeave (eiev), v. a. rooven; berooven (of ). vrachten. Itebeiptie ation (ri-bep-ti-zee'sjun), 8. hordao- ping. — e (•tajz'n v. a. herdoopen. —er (-taje- Recheat (re-tre;iet',, v. n. den tarugroep blazen. Rechoose (re-tejoez') [em], v. a. herkiezen. urn a. wederdooper. Rebate (re-beet'), ts. spooning; verminderIng; Recipe (reeip-pi), a. recept, voorscbeift. korting. —, v. a. etomp waken; eroeven; ver- Recipient (re-gip';-eat), a. ontvanger, Reciproc al (re-aip'ro-kel), a, —ally, ad. waderrninderen; korten, keerig; wederzejdsch. —alness, --sty (res-11.-pros'. "'Xebec (ri'bek), a. driesnarige visor Rebel (reed), s. oproerig, muitend. —, a. op- it-titt), s. wederkeerigheid. —ate (-keel), v. e• beantwoorden; e. n. wederkeerig handelen. roerling, inuiter, —ation (-kee'sjun), a. beautwoording, weaseling., Rebel (re-ben), v. n. opataan, muitea. —Zion, wedervergelding. opetend, muster)). —lions, a. —liously, (-jun.), Reel:slur. (re-elzfun), a afsnijding. ad. (-jes•, oproerig, muitend. •-liousness Recit at (re-sajt'e.n., —alien (res i-tee'sjun), e. a. oproerigheid. herhaling; opzegging; optelling; vertelling; ver. v, Rebound (re•baaund'), s. terugsprong, a. terugkiteteen; v' n. terugspringen. heal. — alive (res-i-te•tiev"); a. ieeitatief, verha• Rebuff (re-buff '), s. terugstoot; wederatand; af- lende eaugwijs. —e, v. a. herhalen; opzeggen; wijeing. —, v. a. terugstooten; afwijzeri. optellen; verbalen. —er, a. opzegger; verhaler. Rerkietts (rek'lees), a. —1y, ad. onbekommerd, v, a. herbouwen. Rebuild lri-bild') zorgeloos, — neat, a. zorgeloosheid. Rebuk bible (re-bjoetkibl), a, berispelijk. —e, s. berisping. —c, v. a. berispeu. —er, a. berisper. Reckon (rek'kn), v. a. rekenen, berekenen; ach• ten. (over) overrekenen. (up) berekenen, optela. op nieuw begraveu. Rebury (ri-her'ih)„ v. len. —, v. n. rekenen; afrekenen. (for) boeten Rebus (rebus), a. figuurraadsel.
Badge (bedzj), s. kenteeken. —, v. a inerken. Badger (bed'zjur)., a. das; uitventer. v. a kwelien. Baffle (bef'Th., a. teleurstelling. —, v. a. bedriegen, teleuretellen; overbluffen. —r (bef-dun), a• verijdelaar; beschamer. v. a. . in can' zak steken; Bag (beg), e. zak. v. n. zwellen. —pipe, doedelzak. —piper. doedelzakspeler. Bagatelle (beg-e-tel'), a. kleinigheid. Baggage (beg'gidzj), a. bagage; alet. li Bagging (beg'gieng), a. paklinneu (anon katoenbalen). Baguio (ben'jo), a. badbuis; bordeel. Itagno iben'jo), a. bagno, (de) galeien. Ball (beer), a. bong, borgtocht. —, v. a. bong.preken voor. —able, a. vEthaar voor borgstelling. —ee (bee)-ie'), a. bewaarder van toevertrouwd goed. Bailiff (bee'lif), a. sehout, baijuw; gerechtsbode. Bailiwick (bee')--wik), a. baljuwachap. Bait (beet), a. lokaaa; veranapering. —. v. a. loklen; aanvallen; v. n. pleiateren. —ing-place, s. pleisterplaats. Baize (beet), a baai. Bake (beck) [baked, baker. LI, T. a. & n. bakken. —house, bakkerij. —r (beeil'ur), a. bakker. illcaking (beekiieng), a. baksel. Balance Iberens), s. balana; what); evenwicht; saldo. —, v. a. wegen; vereffenen, atslaiten; e arzelen (about). Balcony tberko-nib), a. balkou. Bald (haold), a. —1y, ad, kaal. —nest, a. kaalheld. —pate, kaatkop.
WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,
Repay (re-pee') [ire.], v. a. terugbetalen; ver- a. berisper. a. --sibly, ad. (-hen'sibl.), berispelijk, strafbaar. —tibleneas 1-hen'aibl-1, a. gelden, vergoeden, — (ri-pee'), nog sena betalen. —able, a. terugbetaal bear —tnent,s. te rugbetaling. berispeltjkhel3; strafbaarheid. (-hen'sjun), Repeal Ire- piel'), a. herroeping, intrekking; at- a. berieping. —sive (-hen'siv), —tory (-hen'aurschaffing. —, v. a. herroepen, iutrekken; at- rih), a. berlapend, lakend. arhaffen. —able, e„ te herroepen. —cr.; a. her- Represent (rep-re-zent'), v. a. vogratellen; vertegenwoordigen. —ation (-tee'sjun), a. voorstelroepe• afachaffer. Repeat (re-piet'),s. herhaling; herhalingateeken. ling; vertegenwoordiging; vermaning. —ative (-e-tiv), a. vooratellend; vertegenwoordigend; a. —, v. a. herhalen; opzeggon. —edly, ad. bij her- voorstelling; vertegenwoordiger. —er, a. voorhaling. —er, s. herhaler; repeiitie-horlogie. atelier; see egenwoordiger. —meat, a. voorstelRepel (repel'), v. a. terugditven, -stooten; te aanzten. genwerken; ofwenden. —lency (-len-sih), a. temp , ling; niter' drijvende kracht. —lent, a. & a. terugOrijvend, Repress (re-press'), v. a. beteugelen,onderdruk1 ken, —er, s. onderdrukker. —ion (-presj'un), a. verdeelend (middel). I beteugeliug. —ive, a. beteugelend. Repent (ri'pent), a. truipend. Repent (re-pent'), v. a. & n. berouw h ebbe '"`eprieve (re•priev'), a. nitrite% opachorting. over (of); boete doen. —ance, a. berouw. —ant,' v. a uitstellen, opechorten. 'Reprimand (rep'ri-maand), e. berisping, bea. boetvaardig. strafilng. epeople (ri-prpl), a. a. weder bevolken. (-maand'), v. a. berispen, bestraffen. 'leveret's. lop (ri-pur-kusTan), a. terngstoo- 'Reprint (ri-print'), a. herdruk, nieuwe uitgave. —, v. a. herdrukken. nog, weerkaataIng. —ire, a. terugdrij 'end; weer- ',sateen& Repels al (re-prarzel), a. weerwraak. letter of Repertory (rep'ur-tur-rih), a. inhoudaregister; —ale, kaperbrief. —e (-praja'), a. berneming; wet; mags'imn. dervergelding; hernomen schi p. Writ; epetiti on (rep.e.timj - u.), a . herbaling. —.al, Reproach (re-prooteri, a. verwtjt, schande. —, v. a. verw ten; verwilten doen (for. with). —able, —out (-tkrus'i , a. herhalend. a. berispe ijk, straf aar. —fat, a. —fully, ad. lit .nine (re-pajn'), v. (against. at) ontevreden zijn, morren over; benikten. —r, s. misnoegde; beleedigend, sehandelijk. bender.Reprobn te (rep're-bet), a. snood, verworpen; Replace (re plees') v. a. verplaataea; vervangen. verdoemd; a. anoodaard, verworpeling; Terdoemde. —te (-beet), v. a. verwerpen; (ri-pleesi), weder plaateen. w verdnemen, v. a. verplanten. —able, a. —teneatebet-j, a. anoodheid, verworpenheld; vetReplant doemdbeid. —lion (-bee'sjun), a. verwerping, verte verplanten. —ration (-tee'ajun), a. verplan- doemenis. ting. Illeplottd (ri-plied'), v. a, op nieuw bepleiten; Reproduc e (ri-pro-djoes'), v. a. weder voortv. n. op nieuw pleiten. I brengen.—tion (-duk'sjun).0.wedervoortbrengIng, Replenish (re-plen'isj), v. a. vol molten; , 'Reproof ire proev';, a. verwlit, berisping. aanvulling. vullen. —meat, 1Reprov able (re-proev'ibl), a. beriapelijk. —e, Reple te (re-pliet'), a. vol (with). —tion (-pH' a. a. verwijten, berispen besehuldigen (of). —en, • a. berieper. ejt•i), a. vatting; volheid; volbloedigheid, a. vullend. Reptile (rep'til), a. kruipend.—, a. kruipend dier. Repler table (re-plev'i-ibi), a. Josbasr. —in, Republic (re•pubilik), a.republiek,gemeenebeet. —1,, a. opbefflng van een be3lag of verband; v. I —an, a. republikeinseb; . republikein. a. lossen; opheffen (een booing of verband). Repabl ication (ri-pub li-kee'sjun) a. her(rep-11-kee'sjun),.. wederantw oord. haalde bekendmaki ng; herdruk. —nth (-, pubniej). II epl feat Rep! ler (re.plaj'ur), a, antwoorder. —y N. a. weder bekend maken; op nieuw uitgeven. P. antwoord; v. a, beantwoorden; v. a. antwoor- Repudia bile (re-pjoe'di-ibl), a. verwerpelp. —te (-eet), v. a. verwerpen; veratooten. —lion den (to). Repolish (ri-parisj), v, a. op nieuw polijsten. (..ea'sjun), a. verwerping; verstooting.—ator (-eetur;, a. verwerper; verstooter. Report (re poort ) ), a. bericht, verslag; gerucht, a, a. berichten, vertel- Repugn (re-pjoen'), v. a. weerstreven; strijdig roep, knal, gebulder. Jen; uitstrooten; verklaren year; v. n verslag ziin met. —ance (-pug'nens),s. tegenstand; began((nen, berIcht [mien. beriebt, ver.leggever; spraak; tegenzin,afkeer. —oat, a. antly,ad.(-puestenograaf. —ingly, ad. volgena gerucht. nent.),weerspannig;(to;strijdi met;afkeerig van. Hepoe tal (re-po'zel), I, (het) Wien, leggen; Repul se (re-pule'), a. terug r.jving; afwijzing; rooting, vertrouwen. —e 1-poqz' I, s rust; stilte;! v a teragdrtiven,-stooten;atwijzert.—sion(-sjun), rustpunt. —e ( pooz'), v. a, ter rust Legge.; leg-) s. teragdrijring;afwijzing. —sive,—sory, a. terup gen, atelien (in on upon); v. n. ruaten; beruaten; drijvend; afwijzend. (on) itch verlaten op. —edema, a. rust. —it v. R.! Repurchase (ri-pur'tejes), v. a weder koopen. nederiegaen; in bewaring geven. —Won (-zig.i'an),, Repute Ede (rep'joc tibl), r. —bly, ed. geacht; s. nederleggIng;— (ri-po-zisj'an) wederihrichttog,' eervol. —tion (-tee'sjun), a. goede nem; achherstel. —itory (-poei-tur-rih), s. bewagrplaats. , ling (for). lli epossess (ri poz-zeal'), v. a. weder bezitten;' Repute (re-pjoet';, a. Imam, goede neater (for). weder in bezit stellen (nt'). —ion (-zenj'un), a.' —, v. a. houden voor. --d, a. geacht, vermeend. v ederbezit. —d!y, ad. near men beweert. —tees, a. ongeacht; e preben d (rep-ri-hand' ; , v. a. berigpen, —der, schandelijk.
CAN.-01rIt. Canute, (ke-njoet'), m. Kanut, Knoet. Cape (koce). g. the —, 4e Keep (do Goede Hoop). town, p. Kaapeted. Cardiff (kaar'diff), fr. Cardiff. —ee (-bie'). a. ca. Carribb can rabisch.. —en bide), g. Carelbisehe etianden, Carinthia (ke,r n'thi-e). p. Carinthia. Carlisle (kaarlajt), g. Carmel (kear'inil), Et. Kernel. —ite (-ajt),r. Karneater monnik. Carona a (ker-o-lk'ne), —e (keeo-iajn), w. Carolina. Carpathian (kaar-peethi-en) Mountains, g. (hat) Carpathtsche gebergte. Carpentaria (kaar-pen-teeri-e), g. Carpentersland. Cartealana (katr-ti'zji-enz), ph. Cartesianen. Carthage (kaar'thidzj), g. )Carthago. g. Cashmere. Cavhinere tkesj-mien", Caspian (kes'pi-en) Sea p. Caspische zee. Caeeiope tkes-sq'o-ptl, w. Cassiope. (4111en, a. Castilla. Castli e Castiliaansch; I. Castiltaau. Castleton (kaasq tun), g. Caatleen. Catalonia (ket-e-lo'nt-e), g. Catalonia. —n, a. Cataionisch; t. Cataionter. Catherine (kethiar-ajn), w. Catherine. Catilina (ket-ii-arne), Tn. Catilina. Cato (kee'to). m. Cato. Caucasus (kao'ke.susl, p. CAUCASUS. Cavendish (kev'n-disj).. in. Cavendish. Cayenne (kaj-en'), g. Cayenne. —y, w. Cecilia. Cecil (seal!), m. Celt lc (seit'lk), a. Ceitlsch. —a. 1. Celten. Cephalonia (sef-e.lo'ni.e), .Cepalonia. Cerbeeus (eur'hur-us), my. Csrberus. Ceres (srriez), nay. Ceres. Cevennes (see-ven'). g. the —, de Cevennen. p. Ceylon. Ceylon (si-loon', Chaidea (kel-di'e), p. Chaldea. —n, a. Chaldeenwech. Champaign (sjen-peen'), g. Champagne. Channel (tsjeienti), g. the —. het Kennel. Charlemagne (sjaar'le-meen), ut. Karel de Oroote. Char! as (tajeade), m. Keret. —otte (ejaar'lutt), w. Charlotte. —y, f. voor Charles; Kareltje. Charon (kee'run), my. Charon. Chatham (tsjot'em, g. Chatham. Chaucer (tsjao'sur), in. Chaucer. Cherub (tsjer'ab), r. cherub, cherubijn. Chesapeake (tejes'e-pick), g. Chesapeake. CbesLire (tsjeerter), p. Cheshire. Chiettgo (sji-kao'go), g. Chicago. p. Chill. Chili Chimborazo (tslim-bo-re'so), g. Chimborazo. Chin a ltsjarne), g. Chine. --ese (-niez'), a. chineeeeh; i. Chinese; (de) Chineezeu. Chris (kris), f. voor Christian; Kiln, Christ (krajtt), r. Christus. Christ Ian (kristlen), m. Christiania. —iania
honor. -, gierig, by. & bw. ambitious (-1y). —gterigheid, ambition. —metaat, ale Eerepesining. —naam, title of honor—. mister, —reoeer, defamer, slanderer, back-biter. —root-end, defaming, slandering. —rooting, defamation, slander, detraction. —oergeten. devoid of honor, lost to all sense of honor, infamous. —rot, by. honorable; bw, with honor. ---teaard, —waardig, honorable, venerable, worthy, reverend. —waarde (Use), your reverence. —waardigheid, respectableness, veser, ableness, dignity. —eucht, ambition. —ruchtig, ambitions. —eb/Olc, mark of honor. —eboog, —epoor!, triumphal arch. —edegen, —eeabel, sword of honor. —edientt, (public) 'worship. --egraf, mausoleum, cenotaph. —eketen, chain of honor. —skeane, garland, wreath. —ekroon, crown of honor. —ekeuitt, cross of honor. —*lid, honorary member. --*lint, ribbon. —epenning , medal. —.pleat*, place of honor. —poet, post of honor. —eprije , v. speedwell, fluellin ; m. prize of honor. —etched, salute, discharge. —eteeken, tokee(mark, sign) of honor. —etempel, pantheon —elite!, title of honor. —ewacht, guard of honor. —ewiin wine of honor. —ewoord, word or honor. —eraak, affair of honor. —eretel, Beat of honor. —esuil, obelisk. monument. —bear,. by, & bw. modest (-1y), honest (-Iy) ; chaste (-Iy). —hearken!, v. modesty. honesty; chastity. Eerbled, m. respect, reverence, awe. —toaardig, respectable, venerable. —enie, v. respects, duty. —ip. by. & bw. respectful (-ly). —ig6n ov. w. to respect, to revere. —igheid, v. respectfulness. —fging , v. respecting. —shale., bw. out of respect. Eerder, bw. sooner, before: rather. Eer en, ov. w. to honor, to respect, to reverence. EergIster en, bw. the day before yesterday. Eerlang, bw. erelong, shortly. Eeritik,tbv. & bw. honeat (-ly), fair (-1y), faithful I-1y), decent (-1y), honorable (-bly). duurt hat !angst, honesty is the hest policy. —heid, v. honesty, fairness, fair dealing, faithfulness, integrity. Eerloos, by. & bw. infamous (-1y). —held, V. infamy. Eeraialve, bw. for honor's sake. leernt, by/. first, but, Just; not before, not no sooner than. —, o. in het —, at first; ten —e, first, firstly, in the first place; directly. —bectnstead, beginning; elementary, primitive. —bekin. nende, beginner, novice. —d tags, soon, shortly, in a few days. —geboorte,—geboorterteht. primogeniture. —geborene, first-born. —komesd, next, ensuing, following, to come. —e, by. first, thief, principal; former, that. —cliff,, bw. first, firstly, in the first place. —elitg & v firat-fruit;firetling, first essay. Eertlfds, bw. formerly, in times past, of old,in days (times) of yore. Eerzaam, bv. & bw. honest (-1y), modest ( ly), honorable (-bly). Itoet, m. oust, malt-kiln. en, ov. w. to kiln- dry. Eat bear, be. eatable, edible. —bare waren, eatables,—.boarhefd, v. eatableness. —We eatinghouse. —kisser, —teal, dining-room, refectory. —lope!, table-spoon. —lust, appetite, stomach.
GRAL—GB.1. funeral song. —maker, grave - digg,or, —naiad, obe- Greln, o. grain; camlet; small pepper. —en, bv. eamlet. —tje, o. keen —, not a whit. lick. —schrift, epitaph. --spetosk, cave, vault. —stede,tomb. —steen, tomb-stone. —teeken. mark Grating, m. horse-line. of a grave, monument. —locate, tomb, funeral Grenadter,m. grenadier. Grentlei, tn. bolt. —boom, bar. —slot, stock-lock. monument. --seek, grave-alone. G ralfettejk, he. of a count, of an earl. , bw. —en, ov. w, to bolt. Grencitt, hv. fir. —loom, fir-tree. —host, firlike a count. —held, v. earldom. wood. lintels, be. & bw. angry (-11y), wrathful (-1y), frontier; confine, boundary, 'wrathy. —sihap, v. anger, wrath. —stony, 'ay.& Grens, v. border,—beek, frontier-brook. —teeld, bw. Zie Grans. —storigheid, v. angrinesa, wrath- limit, bound. term. —belooner, borderer, eonfi ner. —boom, fronfulireee. Grimmest, m. pomegranate; garnet. --, v• pome- tier-tree. —doer, village on the frontiers.—Pad, —jagev, douaneer. frontier-god, Terminus. granate; gren ade, grenado. --aopet, —boom, 'wine. boundary-line, line of demareation.—paa/,boundgraa ate. —stern, garnet. ary post; limit, bound. —rivier, boundary river. Granite, o. granite. —btok, block of granite. iron—scheiding, frontiers; demarcetion. —rote, granitiek rock. —aehtig, be. granitic bound-atone, mere. G rap, v. farce, prank, fun, drollery, frolic. roar tier-town. —steen, de —, for fun'e sake. --pen makes, to droll, to stone. —teeken, boundary-mark. —vesting, froutier-fortress. frolic, to jest. —pencliaakste,, —penmaker, buf- loon, droll, droller, funny person. —pig. be. & Grednaen, on. W. to border, to confine, Clan, ludl. upon); to resemble, to be like.—/ooe,bv.boundless; bw. funny, droll (-ingly), faeetioue infinite. —looshoid, v. boundlessness; infinitude. tin de zaak was, van croon ( - 1y). het grapp 4 pole beat joke of all was. --pigbeid, v. facetiousness, G reppei, v. furrow, treneh, ditch, gutter. ludicrousness. Greelg, be. & bw. eager (-1y), greedy (-ily). Gras, o. gram, hij hoot en bij —, now and then, v. eagernees, greediness. v. grief. rarely. —anjelrer, sweet-John, sweet William. Grief, Greitele, m.ely,dog, Cunning blade. —tloem, gr ► saflower.—boter,gra,a-butter. nen, groovy Mils; in -- goon, to feast, to banquet. Griend, v. willow-plot. —land, marshy land covered with willows. —etend, grarninivorons. —green, grace-green. —ha)ns, grass-blade. —hoeing, coast-herring.—hop- Griep, v. influenza. per.grase-hopper. —korneoneadow c paeture.—land, G sleepless), o, oat-meal, pollard. coarse Geier, v. *.horn-back. —linnen, grasig land; pasture-ground. cotton. —look, chives. —maaier, grase-cutter, Grist ant', v. district, manor. —man, chief of a mower. --zaaand, A pril. —march, linnet. —opper, district, lord of a manor. grass - cock. —perk, grand-plot, lawn. —rijk, G riev e, v. grief. —en, ov. w. to grieve, to afflict, to break (to rend) one's heart. —earl, hr. 3a bw. grassy. —Reheat, g r axg. blade. —veld, grass-field. gvievous( - 1y), afflicting. --dakte, grassy plain, savanna. — worm, cater - pillar, —wartel, dog's-grass. —zoad, gra3s , s,ed. Grtexell en, on. w. to shudder (van, at). —O., — node, sod (of turtl e sawn. — ach fig, be. grassy, o. bit, small quantity. Grif, by, readily, fluently, glibly. gramfneous —Jr, o. blade of grass; satior'e cap. Grine!, v. slate - pencil; burin, graver; graft. —en, Q. rest5e, e. pardon; grace; CI raceov w. to engrave; to graft. Crest ig, be. bony. —held. v. boniness. -office.—ior, nt. recorder. Grill I., v. rolls, record-office. (i arattle, bw gratis;, gratuitoeely. G valley:, in, snarl, rebuke. — , o. rabble, scum, —iersehap. o. —ievspoat, to. office of a recorder. populace. — , by, grey, gray. -- papier, brown G ri Moen, Grillroom, m. griffin. paper. —e luck!, cloudy .sky. —brander, gray Gel amid, v. readinems, fluentuess. be. Graft, v. slate-pencil; ditch, moat. , Fran,lsean) friar, cordelier. —achtig, —ig, grayish. —achtigheid, v. grayishness. Go-Un, grumbler, crowd fellow. —en, on. w. to cry, to grumble, to fret. —ig, be. grumbling, to growl. (at). —er, m. e —en, on, w. to rotor1, v. fretfulness, peevishfretful, peevish. —star,c.on,r‘,er. —7.eid,v. grayness. —lje, a. don- nets. lcuy, maziat GrizLle. be. gravelly, af- G rkj ass, v. mask; grin. —aardon. grumbler. t. rav esA, o. gravel. be. gravelly; dear, exGrijnxen, on. w. to grin, to grumble. fected, with gravel. —ig, Gajp, an. griffin. —vogel, griffin; miser, usurer, pensive, COaVy. —righeid, v. expensiverterer. G rave,er der. m. engraver. —en, on. w. to en- extortioner. —achtig, be. covetous, thievish. —en, eagerly, to gripe, grate. —ijren, —naald, —steal, —stift,engraving- ov. & on. w. to seize, to catchplaats —, to take tool. —kunst,art of engraving. --week, engraving. tpola.clutch, to lay hold of; —set, o- engraving, to get gray toorden, hoary. — gray; digger. GrUtr, be. Grew en, ov. w. to dig, to delve. —er,m. hairs. —, o. gray, — color.—aard, m. gray-haired —ear, tn. engeaver..—ing, v. digging. man, gray beard; old man. —achtig, be. grayish, Gravies, v. countess. old age. Graz was, on. w. to graze. —ig, be. grassy, grizzly. —held, v. grayness,gray, — gray-haired, — GrUxen, on. w. to grow green. hoary. Grab, v. furl ow, trench; channel. prarok,trick. Gretp, ni. grasp, gripe, catch; knack. —, v. hilt, Grit, v. whim, freak. caprice: fancy, —werk, whims, trifles. —tick, whimsical. —len, handle; handful, grasp; pitch-fork.
SPE Spell (spell') [spell s ], v. PI, speiten; betooveren; Spilt Ater (tipin'nur), s. apinuer; spin. —.sting, s. het SPintle" , .Pinfflachlue; — wheel, spin attossen. er, B. speller.—ing, r. spelling; —book, newiel. speiboek. Spin sue (spni'nus), —ose(-ItoOs'), —y, a, doornig; Spelt (Epele), a. spelt. —er, a„ spiauter. netelig„ moeielijk. —osity (-nos'it.tih), s. doornigbesteden, uitgeven; R. [spent], v. Spend (spend') heid nzteligheid. verkwisten; afmatten; v. n. uitgaven doen; verlo ern goon. --er, s. hesteder, uitgever; verkwistee. SpIti tiler (splrflitts:), a. spinster;jonge doehter. —stry (-strip), s. spinsel. —thrift, a. doorbren ger, verkweSter. I Spiracle (spir'ikl e. luehtgat. Spare (spier), a. R. vragen, uit-, nevorechen. Sperm (spurm).s. dteriijk zaad. —aceti(-e-st-tih)„ Spiral (eparrs1), a, —ally. ad . sehreervormig, spi(-etsik-), ! relit —alness, s. spiraalvorm. —e, a. sehroef-, n, wa)sehot, spermaceti. —atic, slakke-, spiraelliin; spits; torenspits; v1( ebt. —e, —atocele uit nod beeteend; v. n. spits opse , ,eten. —ed (epajrd), a. spits toea. toad-, zekbreuk. Spew (spjoe), v. a. uItspuwen, uitbraken; v. n.1 loopend Spirit (splr'it), a. geeet; zie1; gemoed, aard, stemspuwen, broken. Sphecel ate isfes'e-leet), v. e. doen veraterven; I niing; vroolij kheid ; sour, ipier,rnoed, geeetkracht; neiging; gevoelen, begrip; genie. —a, pl. levensv. n het keudvuur kriigen. —us, s.koudvuur. geeeten; stemming; geestrijke drankea ; to be in t4 ph Egn inns ,sfeg'nern), s. veenmos. (high) —, opgeruiind zijn; in tow —, neer elachtlgSpleen. ,stien), s. wig; titaniet. v a. hesielen; bemoedigen, aansposen, (up); Sphere (slier'), a. efeer, bol; loopbaan;kring. (away) door list wegvoeren. —ed, a. —edly, ad. • f. a road.; in eene steer plaativn. levendig, moedig, vurig, geestrijk. high— id, opal!y, ad. bolrond.—alnees, Spheric !ster . ik), neerslaehtig. —ednesp„ a. gegeruirnd. a. bolvormigheid. -ity moedegeeteldheid; levendigheid, vurigheid —less, der sfsren, afeerkeenis, a. levers loos: ,eesteloos; meedeloos. --ous, a. onSpher old (sti'rojd), s. spheroide. —n/e(sfer'-joel), etoffelijk eerlijnd; levendig, vurig. s. sf,ertje. kietne be!. Spiritual (so)eit-joe- el), a. —4, ad. geestelijk. Sphlre trrOtIngk'tur), s s. sluitspier. a. spiritualismus. —ist, s. spiritualist. Spic a- iepajs') s.specerj, kru'derij; smask;zweem; —ity (-el'it-tih), a. geestelijk held, onstoffeiijk—apple, anijsappel; —gingerbread, pepe , keek, haid; godevruebt. —ization (-i-zee'sjun)., a. ter-nut, pepernoot. —e, v. a, kru.iden. —er, a. ban- geeetelij king. —ice tajz), v. a. vergeestelijken; delaar in specerijen; kruidenier. —cry, S. speeerij; overhalen. —ty, e. geestelijkbeid. bergplaata van epeeertjen. —iness (-i-ness), a. Spirituous (spir'it-toe-us), R. geestrijk; levendig, krui:tigh•id,gekruidheid. vurig. —seas, s. geeetrijkheid. Spick ispik"), —end span, R. kersverReh. spick-and- Spirt (sport'.,a. uitspuiting; straal; ijver. —, v. R. spannew, splinternieuw. & n. smuts,: (up) (apspuiten. Spicknel (spik'nii). a. dills. vol aces; Spirtle (apur'tl), v. a. wegspuiten; verstroeien. Spleo as (spa) boos':, —us (spark.), R. puntig. --sites (-kos'it-tih), a. volheid van aeon; S'piry (sparribl, a. spits tneloopend; kronkeiend. Spasm sited (epie'see•tid), a. verdikt. —itude ( alsinntigheid, splteheid. -tjoed),.. dikte. Splcul sir Ispthloe-ter), a. printig, spits. —ate Spit (spit% a. speeksel; braadepit. —box, spuw(-leet), v. a. puntig maken. bakje, —fire, heel hoofd. —pin, lardeerpt.nopeetie. S picy imparsi It). a. kruieig, gekruid. Spider (spafdur), a. spin. —catcher, spinnenvan- —, v. a spates; aan het spit ateken. n. spuwen. ger. —shanked, spillebeenig. —web, spin noweb. Spit (spit', [spit], a. hospitaal, ziekenhuis. Spatial spinnekog Islak). —wort, spinnekruW. Spiteliccock ispitsrkok), a. gebakken paling. —, Spigot 1,spleat),s.spte,zwikje. v. a. (paling) bakken. Split e (spajk."), s. oar; groote spiiker; houten pin; spijt, wrevel, weak, nijd. in — of, pent: spije; —nard (-nurd),spiikhalsem. —e, v. a. Spite (spa) to weerw il van. out of — , tut spit t. —, v. R. krenspilkeren; vernagelen (vp); van punters voorzien. ken, ergeren; vertoorneu. —fat, a. —fully, ad. -y, a. puntig. epijtig, wrevelig; booliaardig. —fulness, a. week; Spill (spill), s. pin, spijltje, spie; spaantje,strookje boosnardigheid. pepier. 13. Spill (spill') [spilt*], a. a. worsen, stort,i; ver- Spit ter (sint'tur), a. spawer; jong hert. bet spuwen; —box, epuwbakje, kwispedoor —11e nielan. —age, a. (het) getitorte; verlies. —er, a. (epit't1), a. specked]. —to. (-toen'), a. spuw n storteribeneelroede. —ing.linee, noodgordingen. bakje. Spin (pin') [spun], v. a. spinnen; does draelen; uitrekken inotp inut) rak ken, op de lenge bean Splash (splesY), a, gespat slijk. — board, spatbord. v. a. bespatten; v. a. spatter, —y, a. beepat, echui von; v. n, spinnen; draaien; viieteo. slijkerig. Spin web (spin'itsj), --age, s. epinazie. —fasted, Spinal (spernel), e.. ruggegraats-. —marrow, rug- Splay (splee'), a. sehuinsehe verwtding. met kromme voeteu. —mouth, wijcie mond. —, v. prernerg. a. de schoft verrekken. Spindle (spixed1), s. spil i ttengelistander. —lags, v. n. stengele sehteten. Spleen (splien"),.. milt; miltzucht; zwatirmoedigspillebeenen. —sick, miltSpin e (spajn'), a. ru,geg..aat ; dorm.—el (-11), a. heed; grit, kwade luim; weak; slug. zuehtig; zwaarmoedig. —met, miltkruid. —ful, bleekroode robije. —et (spin'it, spinet'), s. —y, a. nailtzueltig; zwatirmoedig;gemelijk. spinet.
ad. (se-ten'ik-I, satansch, duivelachtig. Sand ed leend'idl. a. zand , ,,,bar; zandkleurig; ge. sandeihout. Satchel iset'sjii), e. zak ,e; boekentasch. (-urn), spiick.ld; — less, a. onverz9.— iness (-i-nese) a. zandignaid. — ish, R. ran-tacit- Sate (seet'), v. a. verzadigen. d ( - i - vur), a. glasseliaim. — wick ( - wlisj), lig. Satellite (set'il-lajt), a. trawant; wachter. zandig; dunbelale boterhain met vleesch. —y, a. s. Sati ate (see'sjt-et), a. verzadlgd, zat of with. los, rot; zandkleurig. - tare — ate ( - eet), v. a. verzadigen. — ety (se Sane (-oen), a. gezond van zinnen. s. verzadigdheid, zatheid. Sangiulf erons iseng-gwirur-us), a. bloedvoeetlasbloem. — ribrend; bleed•. — ication ( - i - kee'sjun), a. bloedma- Saitln nieoin), s. satijn. —flower, bon, zijden lint. — spar, satijnspaath. — wood, making. tijnhout. — et ( - et';, s. halfsatijn. Saragnin ary (senegwin-e-rih), a. bloeddorstig. spot-,hea. bloed rood; bloedrijk; levendig, Soatlr a (set'vr; ook: see'cajr), a. satire, — e kelsehrirt. —ic, —lent, a. —icaily, ad. tae-tir'ik-). •rooltjk; houpvol; vurfg. — eneas, s. bIoedkleur, satiriek, bekelend, btjtend. —let, a. satirenschrijbloedri)kheid; levendigheid; vertrouwen. — eons ver, hekeldictiter.—ixe (-ajz), v. a, bekeIen, door— ity ( - gwin% (-gwin'i-us), R, bloedritk; listen it - t,h), a. Zie SangtainenesN. Satisfaet Ion (net-Is-fek'sjun), B. voldoening; Saciele isen'tkn, s. wondltsuld. genoegen. — ire, —ory. a- —orily ( - tur - ii-lih), ad. Sari es (see'ni-iez), a. dun. etter. —ous, a. etvoidoend. —oriness Our-i-ness!, a. bevrediging, tertg; etterend. toereikendheid. Sanit airy (sea% te-rih), a. gezontibelds, —y, a. Satia• ler (set'is.faj-ur), s. bevrediger; die volgezondbeid. duet. — y ( - NJ), v. a. Zit at, voldoen, genoegen gme.; Sap (asp';, s. sap; spint; mijngang; ondermijning. verzsdigen, (with); bevtedigen; betalen; overtni— , v. a. ondermijnen; v. n. beimelijk te werk gen (of). gaan. Sapid (sep1 , 1), a. smakelijk. —ity (se-pid'it-tib), SatiV. (see'llv), a. in err' tutu gezaaid. Satrap (see'trep); s. satraap. —y (seere-pih), B. s. smakelijkheid. landvoogdij. .Sapien ice (sPe'pi-ens), a• wiir• Sap less (sep'ieas), a. sappeloos, droop. — ling,s. Saturn bie (stiejoe-ribl), a. verzadiAbaar. a. verzadigend. —te 1-reet), v. a. verzadlgen. jonic boomple. —tion 1-req'sjun), a. ver.digieg. sap...acetic. , Bep-o-nee'sjus), a. zeepachtig. Sapor ;ree'por), a. rmaak, gear. (sep-ur- Saturday, (set'ur-dee), a. zaturdag. Saturn Iset'urn), a. Saturnua; loud; zwart. — ale ririk), a. sknaakgevend. —out (sep'ur-us), a. scna-
AFS.—AFW. 391 Afatutven„ on. w. to fly off; to rush out of. Atvaren, on. w. to break off (by tailing agoinst); Afoturen,ov.w. to steer off; to despatch. on. w. to depart, to go off ; to go down. Afoul/en, on. w. to slide (to slip) down. Along en, ov. w to wipe (off). —er, m. wiper. Alta/Le/en, ov. w. Zie Onttokelen. Afverg en, ov. w. to require to eruct (from! --er, m. exatiter. —ing, v. requiettion, exAfteepp en, ov. w. to draw off; to bottle; to action. tap; to drain ; blued —, to let blood, to bleed. —er, m. tapper. —ing, v. drawing off; tapping; Afverven, ov. w. to paint entirely; on. w, to bloodeletting. lose its color, to lode, to dye, to stain. Afteeken ear, m. delineator, eketcher. —en. on. AfvUt en, ov. W. to file (off). —er„ m. flier. —eel. o. w. to sign; to mark out; to draw, to delineate, on. w. to flay —, to strip (off). to sketch. —into v. signing•; marking; drawing, Atvisechen, ov. w. to empty by fibbing; to Skim. delineation, sketch. Aftellen, on. w. to tell apart, — off, to count out. Afvtelen, on. w. to obtain oy dattery. ArvIllegen, on. w. to fly off, — down. ov. w. to lift (to twice) off. Afvlieten. on. w. to flow (to run) down Aftlppen, ran. w. to point off, to nib. Aftoblben, on. w. to tire out, to harass. sic.% —, Af vtUrnen, ov. w. to cut off, — away. to drudgo, to slave. Afvtoet en, on. w. to flow down. —ing, o. flowing down. Aftocht, m. retreat, marching off. Atvotor, m. conveyance, transport. —en, on. w. Alfloncoen, on. w. to set buoys along. Aftoomen, on. w. to unbridle, to unbit. to carry off, — down, to lead off, — away, to Aftoppen, on. w. to top, to lop. convey; to transport; to abduct; to deterge, to expel. —end, by. detergent, excretory. --ing. v. Aftornen, ov. w. to uniew, to rip off, — up. carrying off, — down; abdocnon; abetereioo. Aftonwen, on. w. to bang, to drub, to rib-roast. Aftrappen, on. w. to kick down, — off. Atvorder en, ov. w. to require —, to exact (from); rekening —, to call to account. —ing, v. demand, m. descent, step. —en, ay. w. to kick exaction. off; to pace, to measure by poesy ; on. w. to descend; to walk (to step) down, to step off, to Atvrag en on. w. to ask (ot ), to Interrogate. —ing, v. interrogation. deviate (from); to leave, to go away, to reatgn, to make one 's exit. —ing, v. pacing; exit; de- At vreten, ov. yr. to eat off, to knapple, to browse. Aterleeen, or. w. to freeze off, to ba bitten off viation; rerigration. by cold. Afreek, m. deduction, abatement; salt, demand. —ken, on. w. to draw (to pull) off; to withdraw; Afvuren, or. w. to fire (off) to discharge. to divert, to turn off; to strip, to day; to deduct; Afvvonlen. ov. & on. w. to blow off, — down. to subtract; to bottle; to infuse, to make an ex Afavaarts, bw. downward. traction of; to discharge: on. w. to go away, to Afweiebt en, on. W. to wait (to stay) to,, to a, lift; to abide. —ing, v. expectation. depart, to withdraw ; to retire, to rotreot, to march off. —ker, m. trigger; eubtracter. —king. Atvitiken (Meta), t. w. to fatigue one 'a self by watching or Rifting up. v. drawing off; deduction; subtraction. —eel, o. Alwatten, on. w. to , wall (to fence) in, to extract, decoction. secure. Aftroeven, ov. w. to trump; to give (R. .) a, tart reply. Alweandelen, on. ay. to walk to the fold of; on. Aftroggelen„ ov. ve. to obtain by coaxing, to w. to come (to walk) down, to descend. Aftveseth en, on. w. to wash. — off, — away. wheedle (a. o.) out of. —ing, v. washing off, lotion, ablution. Aftronornelen, on. w, to proclaim by the beatAfsvietee •-n, ov. w, to drain; on. w. to flow off. ing of drums. y. flowing off; drainage, draining. Aftrompetten, ov. w. to proclaim by sound of Afweok en, , an. W. to loosen by soaking; or. w. trumpet. to fail off. — lag. v. waking. Attroonen, on. w. to obtain by flattery; to draw Afweer der, m. —ster, v. repeller, repulser. off (to divest) from. Afweg, no. by - Way, way about, side way. np — en Aftnigen, ov. w. to unharness. geraken, to take oad cower,. Aftuitnelen, on., Yr. to tumble down. Afwmardig en, ov. w. to deepatch,i.a depute, to Afweg enc, on. w. to weigh; to adjust, to meta.• delegate. —er, m, despatcher, conatituent. —ing, tore. —er, m. weigher. —tog, v, weighing; adjuoting, measuring. v. despatching, delegation. Afweld en, or. w. to grate off, to browse; on. Afvenrt, v. vetting out, departure. w. to digress. v • digression. Afwal, m, falling off, — down; windfall; refuse, waste, trash, rubbish; offal, garbage, giblets; Afevend en, ov. w. to turn off. — *Ode; to avert, shavings, parings, clippingo, orts, dirt ; deflec- to divert; to parry. —ing, v. diversion. tion; forsaking, defection, desertion, Apostasy. Atwell.' en. ov. w. to dieaccuetom --, to deuce /.0m,, to brook of; to wean. --ing, v. diemige, —len, on- w. to fall off, — down; to grow thin, breaking ol; wooing to decay, to decrease, to decline; to deflect; to contrast (with), to differ (from); to apostatize, At wentel nsa, ov. w. to roll off, — dawn. —ing, v. rolling off, — down. (ran) to forsake, to desert. —lig, by. disloyal, unfaithful, apostatical; worden, to turn apos- Afovo,r en, ov. w. to wart off, to parry; to aver), tate. —ige, m. & v. apostate, renegade. big, v. a rAllk; off, por.ying; to prevent. v. disloyalty, apostaey.
Ma iul II Ion (men-dint:1), s. kapotjas. Mandolin (men'do-fin), a. mandoline Mandr agora (men-dre'go-re), --ake (mert , ,treeh 8. alruin. Mainterel(men'dril), a. spil eener draaibank. Manduca hie (men'djoe-kibl), a. kauwhaar. 1-beet), v. a. kauwen, eten. —lion (•kee'vjurt), v. kauwing. none (meen'), a. maan. —comb,manekam —sheet, vliegennet. —d, a. met manen. Manes (mee'niez), pl. schim. Manful (men'foel), a. —I)', ad. manhaft!g, block. —nest., a. manhaftigheid, kloekheid. Manganese (..meng'ge-niesi, s. bruinsteen. Mangeorn (meng'korn),e. mankzaad, mengkoren. Mang a (ineendir), a. schurft. --er, s kribbe, trog; piabak. —bless, s. schurftigheid. Mangle (meng'gl), a. mange!. rolpers. v. a. mongelert; acheuren; fijnhakken; ha•enen, varminken. —r, a. mangelaar. Mango (meng'go), a. mango. Mangonize (meng'gun-ajz), v. 8. opfiikken (lets suds). Mangrove (meng'groov, a. amandel., wortelboom. —grape, zeedrulf. -- snapper, lipvisch. Mangy (meenidzjih), a. schurftig. Manhood (men'hoed), a. menschheid, mannelOkheld; manhaftigheid. Mania (rnee'ni- e), a. waanzin. —e (-ek , , s. waan,innige. —c (-ek), —cal (me-narikl), a. waanzinnig. razend, Manich can (metr-i-ki'en), a. manicheesch. —eon, —cc (-ki'), a. Manicheer. Manieon(men't-kun), a. boschnachtschade. Manifest (m en'i- feat), a. —ly, ad. openbaar, klatir. v. a. openbaren, —, a. manifest, vrachtbrief. aan den dag leggen. —ation (-tee'sjun), a. openbaarms king. —nest, a. openbaarheid. —a (-feteto), a. bekendrnaking, manifest. Manifold (men'i-foola), a. —ly, s.d. menigvuldig. (me-niPjunz), p1. handvatsels (aan een kanon). mannetje. Manikin Manioc (mee'ni-ok), a. cassava-wortel. Mani pie (men'ipl),a. bandvolt manipel. —pulate (me-nip'joe-leet), v. a. met he handers bewerken. —pulation (me nip-joe-lee'sjun),.. bewerkingmet he hand, behandeling. Mankind (men-lcajnd'), a. menschdom. Man less (men'leaa), a. onhemand. —like (-DO), a. mannelijk. —liness (-1i-nes0, a. mannelijkh. d i manhaftigheid. —ly, a. & ad. mannelijk. Manna (men'ne), a. manna. Manner (men'nur), a. manier, wijze, gew ()mite. in a —, in fekeren nra, eeuigermate. —ed, a. gemanierd. —ism, a. gehechtheld aan tine mauler. a. gekunsteld achilder. —finest(-Ii-nets), a. welgeanierdheid. —ly, a. & ad. welgemanierd. —s (-ours), pl. zeden, gowoonten. Mannish (men'nisj), a mannelijk, kloek. Manoeuvre (me-njoe'vur), s• kriirslist; kunstgreep; be•eging. —, v. n. manceuvreeren, bevvegingen makes. M1111101. (nrien'ur), s. heerlijkheid,landgoed. —house, —seat, heerenhnis. lanagoed. —ial (one-no'ri••el), a . van eene heerlijkheid of een landgoed.

maken. afleveren; voordragen; utter.; (aver) overgeven. (up) uitleveren. —ance, a. bevrijding; verloaaing; Demotic (di-mot'ili)„ a yolks—, van het yolk. allevering; overlevering; voordracht. —er, s. be- Demulcent (de-mursent), a. verzachteud. s. verzachtend middel. vrlider, veriosser. —y, a. bevrijding; levering; Demur (de-tour'), a. aarzeling, weifeling; voerdracht; verslag; bevelling. stel. —, v. a. opschorten; betwijfelen; v. n. Deli (del), a. groove; hull; dal. —e, misleidbaar. (di.ljoed"ibl), a. aarzelen, weifelen; tegenwerpingen maken ; Dediud able exceptien opwerpen (in eenreehtsgeding). —rage (-1joed.'), v. a, mialeiden. --er, a. misleider.
voile neef. Cove (koov), a. kreek; afdak, schuilplaats. v. a. welven, overdekken. Covenant (kuv'e neat), a. verdreg, verbond. —, v. a. overeenkomen, bepalen; v, n. een verdrag sluiten. —ee (-nen tie'), a. verbondene. —er, s. verbondmaker. Covenous (kuv'e nun), a. arglistig, bedriegelijk. Cover (kuv'ur), a. deksel, omelag; schuitplaitts; voorwendsel. 4 —clip, achol. apreideken. —, v. a. bedekken; dekken; bewimpelen; beschermen; bespringen. —ing, a. deksel, bedekking. Covert (kuv'urt), a. beschutting; schuilhoek; kreupelbosch. —, a. —ly, ad. beschermend, gedekt; argllatig. —ure ( tjoer). s. bedekking, bescherming. —way, bedekte weg. Covet (kuv'it), v. a. begeereu; (after) haken (ja. gen) near, all —, all lose, die 't onderste nit It ban wil hebben, enz. —able, a. begeerlijk. —ous, a. —ously, ad. begeerig, gierig. —mine., a. hebzucht. Covey (kuv'ih), a broedsel, vlucht; troep. Coypu (kus'in), a. kabaal. —one, a. bedriegelijk. Cowing (koov'ieng), a. laifel. Cow (kau'), a. boo. milch melkkoe. —blokes, gedroogde koemeat. —herd, koedrijver, § —hide, zweep, tuchtroede. —house, koeatal. —itch, stink, boom. —keeper, koehouder. —leech, a. koedoctor; v. n. koedoctor zijn. —parsnip, heelkruid. —pen, koeienhok. —pox, koepokken. —quake, koedrek. —shed, mergel. —'s-wort, koekruid. —weed, ker. vel. —wheat, koetarwe. —, v. a- bang maken. Coward (kauw'urd), a. —ly, ad. lafhartig. — , s. bloodaard. —ice (-din), —liness, a. lafbartigheid. Cower (kauw'ur), v. a. koesteren. v. n.neerhurken. Cowish (kauw-iaj), a. bevreesd. Cowl (kaaul), a. monnikskap; gab (op een' schoorsteen); watertob. Cowry (kau'rih), a. zeeschele. Coxcomb (koka'koom), a. fat, modegek; hanekern. —ry, a. verwaandheid; kwasterjgheid.
s. debet; achuld. ter (van den nacht. —, ad. gebeel, volkomen. Debit (deb'it), a. sehuidig. —en (ded'dn), v. a. krachteloos waken, afmat—aide, debetzkide. —, v. a. de'blteeren. tan; dampen; v. n. kraehtelooa warden; ver- Debonair (deb•un-veer'), a. —ly, ad. wellevend, voorkomend. inaehikkelijk. —ness, a. wellevendschalen. —ieh, a. achijndood. —liners, a. doodschheld, heusehheid. held; doodelkikheid. —ly, a. & ad. doodelijk. —new, a. doodsehheid; rerschaaldheid; werke• Debouch (de-boesji, v. n. uit een' engen doortoeht te voorsehtin komen. looeheid. Deaf (der), a. —4,/, ad. door. —en (def'fn), v. a. Debt (dot';, a. achuld; plieht. to run into —, in acliulden geraken. —re ,det.le')., a. aehuldeischer, verdooven. —ness, a. doofheid. Deal (diel'), a. deal, gedeelte; Ranted; (het) kaart —or (-ur), s. sehnidenaar. geven; dennenhout; plank. a great —, a good —, Decade Idek'eed), a. tiental; tijd van tien dagen. Deeaden cc (de•kee'dens), —cy (-aih), a. verval. veal. —, a. dennen. —plank, denuenplank. Deal (dial') [dealt (dolt)], v. a. ulta eel.; kaart Deca gun (dek'e-ion), a. tienhoek. —logilt (degeven; v. n. handelen. iby) bejegenen, behandelen. kerud-zjist), a. uttlegger der Tien Geboden. (in) handelen in. (with) bejegenen; omgaan mat; —rogue (-log), a. (de) Tien Geboden. staden, te doen hebben met. —er, a. kleinhan- Decamp (de kemp'), v. n. opbreken; Melt uit delaar; kaartgever. plain —er, eerlijk man. double de voeten waken. —meat, s. opbreking. (false) —er, bedrieger. —ing, a. nering; omgang; Decanal (ders-nel), a. een decanaat betreffend. Decant (de-1cent.), v. a. afgieten, afklaren. —ation handelwijse. —inv., a. omgang; handelingen. Dealbation (di-el-bee'ejun), :a. blacking; witdeken teeajun), a. a fgieting. —er (-Mr), a. afklaarder; ontvanger; karat. making. ambdwaardigheid, —cry, a. Dean Male), a. deken. Decapita te (de-kep . i-teet), v. a. ontboofden. a. onthoofding. inkometen, waning) van een' deken. a. —tion Decay (de-kee.), a. afneming, vernal. —, v. a. dekenechap. verswakken; doen vervallen; v. n. afnemen, verDear (diee), a. —ly, ad. duur, kostbaar; dierbaar, vailen; verweiken; verrotten. —ed, a. vervallen; lief, vaard, —, a. geliefde, lieve. o dear! bouwvallig; bedorven. —edness, a. vervallenheid; it t. och het —me l int. lieve bowel! —neat, a. bedorvenheid. —or, a. bederver. deurte; dierbaarheid. Dearth (durth), a. duurte; sehaarschheid; lion- Decease (de-ales'), a. & v. n. overlijden. Deceit (de•stet'), a. badrog; list. —rut. a. —fully, geranood. Ad. bedriegeiljk. —fulness, a. bedriegelijkheid. Death (dethl, a. dood. civil —, verlies der bur—less, a. onbedriegelijk. gerrechten. to put to —, ter dood brengen. —bed, start bed. —boding, doodverkondigend. —knell, Deceiv able (de-sleeibl), a. bedriegbaar. —ableness, a, bedriegeltkheid. —e, v. a. bedriedoodsklok. —'a-door, made; ing van den dood. gen, mialeiden; te leur stellen. —er, a. bedrieger; —'s-man, beul. —watch, tikkertje (Insect). —.tut, a. verleider. doodelkjk. —less, a. onsterfelkjk. —like, a. doodsch, December Ide-sem'bur), s. December. doodad'. Decemvirate (de-sem.vi-ret), a. tienmanachap. Debacle (de-bekl), a. viiegende atroorn. Debar Ide-Saar'), v. a. uitsluiten; afhouden; ver- Decen cy (di'sen-sih), a. welvoegelWtheid. —t, a. —try, ad. welvoegettjk, betamelijk; ingetogen. hinderen. —t, a. dragelijk. Debarb (de-baarb'), v. a. ontifitarden; scheren. Debark (oe-baark.), v. a. ontachepen. —ation Decennial (de-aen'ni el), a. tienjarig. Decen nary (de-sen'ne-rth) i s tit dvak van lien Jaren (dt-bar-keesjun), a. ontscheping. Debase (de-bees'), v. a. verlagen; vernederen; Deceptibility (de-rep-ti-bil'it-tib), a. bedriegbaarheid. vervatechen. —vent, a. verlaging; vernedering; Deeep able (de-seetibl), a. bedriegbaar. --lion, vervalaching. —r, s. vertager; vervalseber. Debat able (de-beeribl), a. betwistbaar. —e, a. bedrog. —tious (Aux), —live, —tory (-tur-rih), a. bedriegelkjk. —anent, a. strtjd, gesehil; bbraadslaging. —e, v. a. betwieten; bes e reken; v. n. beraadslagen. Decerpt (de-surpt'), a. afgekort. —ion (-surp' sjua), a. afkorting. —eful (-beet'foel), a. strkjdzuchtig,tavistriek;be. Decertalion (di-aur-tee'sjun), a twist,redestrOd. twist. —er, s. betwiater; redevoerder. Debauch (de-Motor), a. uitspatting; losbandig. Deeession (de-sea'ejun), a. vartrek, vertzkidering; dood. held. —, v. a. verietden, losbandig waken; v. n. rich verliederlijken. —ell, a. —edly, ad. loaban- Decharm (de-tajaarm.;, v. a. "onttooveren. dig, liederlijk. —edness, a. loabandigheld. —ee Deold able (de-sajd'ibl), a. to beslissen. —e, v. a. beelechten; bapalen; v. n. bealissan (upon). (deb-o-sjie'), a. weilusteling, ilehtmis. —er, a. —ed. a. —edly, ad. beellet, bepaald. —er, a. verleider. —cry, a. ongebondenheid. —meat, a. beslisser. verleiding. Debel (de-bel'), —late, v. a. overwinnen; be. Decid once (dean-della), a. afvalling. —uous (de-sidloe tie), a..arvallend; vergank.lijk. dwirtgen. —lotion (-tee'sjun), a. overwinning. nest, e. geneigdlicAd tot afvalien; swaltheid. Jent'per), a. bewtja tot tol-restiDebenture ;de., Decima I (des'i-melt, a. tientallig; a. tiendeetutie; enhuldbriet. lige brcuk. —te (-meet), v. a. vertieaden; een Debi' e (deb'I1), a. zwair, mat, flume —itate, (de.bil'i-teat), v. a. verzwakken. —itation (de-bil- van tien nemen; decimeeren. —lion (-inee'sjun), I a. tiending, tienditefling; etraffen van anon i-teesajurt), a. verzwakking. —ity tienden man. —tor (-mee-tur), a. ttender. a. zwakte, zwaklicid.
— um. (-e - me), K Panama. —dora (-do're), my. Pandora, —nonia (•no'ni e), g. Pannanie. —theme, (thi-un), g. Pantheon. Paraguay (per-e- se', -gaj'), g. Paraguay. & m, Paris. —ian (pa-rizren), Paris Ver'ig)• a. Par' sch; 1. Parijzeurtar. Par ices. (paar'kur), m, Parker. —ma (-me), g, Parma. —name 1-nes'aus), g. Pornaseus. Pear (paar), an. Parr. —y, (per'rih), m. Parry. Parthenon (paar'the-non), g. Parthenon. Parthia (paar'thi-e), g- Parthie• Pat (pet), f. root Martha & Patrick. Patagonia (pet e-go'ni-e)., g. Patagonie, a Patagoniach: i. Patagonier. Patrick (peVrik), m. Patrick. —ty, f. soon Martha; Matje. Paul (prior), m. Paulus. —ina (-aj'ne), w. Pauline. rn. Paulus. Pavia (pa-vi'a), g. Pavia. Peel (piel), m. Peel. Peg (peg'), — pp ( - l0), r. soar Margaret; Grietje Griot. —anus ( e-sua), my. Palatine. Pekin (-king'). g. Peking. Pelagla (pa-lee'dzjt-e), w. Pelagla. —ns (-enz), r. Pelagian., Peloponnesug (pel-up-un-ni'aus), g. the —, de Peloponnesue. Penn (peon'), m. Penn. —sylvania (-811-vea'ni-e), g. PentylvaniS. Pere last (par'ei-vel), m. Percival. —y,' tn. Perry. Peri clog (per'ik-liez), m. Pericles. —paten. (-1-pe-teViks), ph. peripatetische (wandelende) wijegeeren. Peru anabueo (pur-nem-bjoe'ko), Pernambuco. —el (pur'n11), w. Petronella, Proternel. Persepolis (par-sep'o-its), g. Persepolis. POirZettlii (pur'sjoes), m. Perseus. Penal as (pur'sjt-e), g. Perste. —en, a. Perzlsch; 1. Pens, Perziaan. —us, ru. Porcine. Peru (pe-moe.), g. Peru. —elan (-vi-en), a. Perusanseb; 1. Peruaau. Peter (pVtur), m. Petrue, Pieter. —aburg (-turnburg), g. Petersburg. Petrarch (pl'traark), m. Petrarca. Phar sob (fes i ro), m. Farao, —laces (far-1-siez'), r.Farizsers. Phil (fill, —ly,voor:Phiiip; Flip. —, w. Phyllis. —adelphid g. Philadelphia. —emon m. Philemon. —ip m. Phliippus, Philip. Flip. —ippi (-ip'paj), g, Philippi. —ippinee ( pins), g. the—. de Philippbnsche eilanden. —ietine 1-18•taja), I. Filistijn. Phoek e (11'bi), my. Phebe. —us, my. Phebus. Phoenicia (d-niert-e),'g. Phenicie. —n, a. Floenicisch; i. Phenicier.
Mettle (met't1), s. woad, yaw:, 13vendiglield; etof. Messieurs (meaj'urz), p1. (de) ',waren. —d, —some, R. —somely, ad. moedig, vurig, Messuage (mea'swidzj). e. hula en erve. ijverig. 10∎estizo (mes.trzo), s. Mestiee. zij pasMew (injoe), e. kooi; omheining; meenw. —, v. a. Met (met), part. ontmoet. they are well —, sen goed bij elkander. I op-, insluiten; v. it. ruien; mauwen. —s (mjoez) Meta halls (me.teb'e-eie), a. overgang. —carpus pi yaardenatallen, stoeterti. (met- e-kaar'pue), s. middelhand. —chrontsm (-telt - Mewl (mjeel'), v. n. jankeu, grimmen. — er, a. grimmer, echreeuwer. ro-nizm), s. laterstelling( van datum of j aartal). Mezzotint° ;met-zo-tin'to), s. zwarte kunst. Meinge (mPtidzj), 5. (kolen-) meting; meetloon. Metal (metql), s. *etaal. —lie (me- telnik), a. Minaret (marezin), s. echadeltrte uitdamping. —atic met'ik), a. verpestend. metaal-; metalen; metaalachtig. (-lif'ur-us), a. metaal voortbrengend. —line (-lain), Mica (marke), s. glimmer, mica. —ceous (-kee'sjus), a. glirnmerachtig. a. metalen; metaalaehtig. —list, a. metaalwerker. a. metaalbeschrijving. Mice (mrja), pl. wuizen. —lography —harpist (me-tellur-dejist), a. bergwerkkundige. Michaelmas (mik'eI-mes). a. St. Michiel. llllckle (mik'kl). a. veal. bergwerkkunde. —lurgy Metalep els (met-e-lep'slii, a. neamverwiseeling. Micro 008M (maykro-kozm), a. wereld in bet klein; naensch. —meter (-krom'i-tur), s. vverktuig —tic, a. omgezet. —heal y (-tik1-1111), ad. oor tot het meten van kleineruimten. —scope (-akooik), naamverwieseling. a. mikrosko,p. —acopic,—seopical, a. --scop;catly, Metamorphos m (met-e-mor'foos), v. a. v ervorad. (-skoplit-), van (met) bet mikroskoop. men (into), van gedaante doen v lranderen. —is, a. Mid (mid'), a. middeu, micidelat; middelbaar. —age, gednanteverwiseeling. middelbare leeftijd; lieden van middelbaren beefMetaphor (met'-e.littr),s. overdrachtelijke spreek—course, halfweg. —day, a. middag; a. van tijd. ad. (-forik.), over—ical, a. —acally, wijze. —ic, den middag. —heaven, middelhemel. —land, a. draehtelijk, beeldaprakig. binuen in het land, tniddellandsch. --leg, midMetaphres e (met - e-frets), a. letter/Ake vertadeq van het been. —lent., haltvasten. —night, a. ling. —tic (-fres'tik), a. letterlijk, woordelijk. middernacht; a. middernachteltjk. —rib, mnidelMetaphysic (met-e-fleik), —al.. a. —ally, ad. rib (in een bled). —riff, middelrif. —sea, midboventiatuurkundig. —ian (-fi-zisj'en), a. bovendellandsche zee. —ship, midde sichip. —ship-beam, natuurkundige. -a, a. bovennatuurkunde. zeilbalk. —ship- frame, groot spent. —shipman, Metaplasni (raet'e-plezm), a. letterverelastaing. adelboret, vlaggejonker. —strips, a. midscheeps„ Metastasis (me-teete.sts), s. ziekteverplaateing. —stream, midden van den stroom. —summer, zuMetatarsus (rnet-e-taar'sus), a. middelvoet. merzonneetand. —summer-day, St. J ansdag. —way, Metathesis (rat-teth'i-sis), a. letterverplaatsing. a. halfweg; a. in hat midden gelegen; ad. hal—wand, meat—stick, Mete (miet'),s. meat; pens. verwege. —wife, vroedvrouw. —wifery, a. vroedstoic —. v. a. meten, afpassen. kunde. —winter, winterzonneatand. Metempsychosis (ine-temp•si-ko s sis) , a. zielsMiddle (mid'd1), a. middea. —, a. midden, midverheizing. delet; middelbaar. —aged, van middelbaren beefMeteor (mrti-ur),s.luchtverschijneel.—ic (-or'ik), tijd. —ages, middeleeuwen. —man, tueschenpera. van lechtverechtnselen; helder; kortstondig. soon. —sired, van niiddelbare grootte. —most, a. —elite (-or'o-/ajt), a. inehtsteen. —oligical middelet. (•er-o-lod'zjikl),s.. van luchtverschijnaelen; weer. Middling (mid'inieng), a. —ly, ad. middelniakundig. Meteorolog ist(mi-ti-o-rol'ud-zjist),Fs.weerkun - tig, tamelijk. Midi le (midzj), a. mug. dige, —y, a. beasts ran den dampkring; weerkunde. midMeteornseope (mi-ti-or'o-skoop), a. afstands- Mkt moat (mid'moost); a. middelst. —at, a. de.lst; a. midden; prp. to midden van. —ward meter ( , 00r hemellichamen). (-word), a. midden-; ad. in bet midden. Meter (miet'ur), a. meter. Mien (mien), a. voorkomen, utteritjk; blik. Metheglin (me-theglin), s. mede (drank). Miff (mif'), a. kwade luim, misnoegdheid. —, Methinks (mi-thinks'), v. i. anti duukt. v. a. kwetaen, kreuken. —y, a. gemelijk. Method (meth'ud), a. wijze, leerwijze, orde. —ac, Might (malt'), a. rnacht, gezag, kraeht. with — —ical, a. —ically, ad. (me.thod'ik-), etelaelmatig, (-i-need, a. machand main, met elle maeht. gele'deltik. —ism, a, leer der Methodisten. —ist, ad. y, a. machtig, var. tigheid; hoogheid. s. Methodist. —ire (-ajz), v. a. stelselmatig inmogend; voortreffelijk; gewichtig. —y, ad. zee, richten; rangschikken. Migniard (rniniurd), a. 'Lie Miniard. ltilethought (mi-thaoti„ v. i. mij dacht. Meton Jc (me-ton'lk), a. van den maateirkel. Mignonette (min-Jo-net"), s. reseda. —lion —ymicat (met-o-nim'ikl), a. beeldsprakig. —ynty Migra to (maygreet), v. n. verhuizen. (-gree'ejun), a. verhuizing. —tory (-gre-tur-rih), a, (-im-in1h), a. woordverwiseeling. Metop e (met'o-pit), a. tuseehendiepte. —oscOPY verhuizend• zwervend. Mich (miltej), a. meikgevend. (-poi'ko-pih), a. gelaatkunde. a. —/y, ad. zacht; zachtzinnige, Metr a (mi'tur), a. voet ► aat, metrum. —ical, a. Mild (reajld"), toegevend. —noes, e. zachtbeid; zachtaardig. —ically, ad. (meerikl-), in dichtmaat. Metropoll s (me-trop'o-lie), a, hoofdetad. —tan held. v. a. met hoofdstad betreffend; Mildew (mil•djoe), a. bonigdauw. (met-ro-pori-ten), a. Bert bie.abar. hnnivi.11, besmetten• aartsbisechoppelijk; s.
tiA14.—HA1'. Loog. — breadth, handbreedte. —cloth, zakdoek. —cuff, a. handboei; v. a. boeien. —fast, hechtenue. —fetter , handboei. handvol. —gallop, handgallop,driesslag. —gearing, atuurtoestel (aan locomotieven). —glass, glazen klok. —grenade, haedgranaat. —gun, geweer. —kerchief, zie beneden. —language, vingerspraak. —loom, handweefgetouw. dienatmaagd; kamenier. handmolen. —rail, belie, lettering. —sails, kleine zeilen. —saw, handzaag. --screw, handechroef; domtnekracht. —seizing, bovenbindael. —spike, handapaak, knevel. —staff, werpapiea. —stroke, handalag. —tiller, roerpen, —vice, handschroef. --weapon, handwapen. —woman, vroedvrouw. —work, handenarbeid. —writing, achrift, schrijfhand. Mandl craft (hend'i-kraaft), a. handwerk. —crafts-man, haudwerks-, ambachtsman. —ly, ad. handig. —ness, a. handigheid. —work, hendenarbeid, -werk. Handkerchief (heng'kur-tsjif). s. dock; zakdock; halsdoek. pocket—, zakdoek. Handle (hen'd1), s. handvateel,• steel; hengel, hengsel; zwengel; gevest; hecht; aanleidinpa voorwendsel. —, v. a. bevoelen, betasteu; hanteeren; behandelen. Handless (hend'less), a. zonder handen. Handsel (hen's11), a. eerate gebruik; haudgift. —, v. a. voor de eerate maal gebruiken; handgift geven. Handsome (hen'sum), a. —1y, ad. fraai, lief, sierAjk; hupsch; geriefelijk; grootmoedig. a. fraaiheid; sierlijkheid; hupschLeid;kieschheid. Handy (hen'dih), a. handig; knap. —blow, slag met de hand. —dandy, handjesspel. —gripe, greep met de hand, aanpakking. —stroke, slag met de hand. Hang (heng') [Mote]. v. a. opbangen; behangen; neerlaten. (down) laten hangen. (out) uithangen. (up) ophaagen; verschuiven. —, v. n. hangen, zweven; afhangen (back) dreier, (en) zich hechlarge —, text — (round —), small —, running —, ten ann.; afhangen van. (on, upon) aanhangen; groot, middelsoort (staand), klein, loopend schrift. with — and heart, met hart en ziel. of tot last zijn. (to) aanhangen. —dog, galgebrok. —man, beul. —nail, groote nijdnagel. —by, a. quick —s, handig. to be — rand glove. twee Minden op edit' buik zijn. all —a high! overall at afhangeling. —er, a. hanger; hengsel, hank, hartsur-ore), a. afhangeling; tafelvanger. —er-on, Ano —, in geen geval. at the —s of, van wege; van den kant van. near at —, aanstaande. by —, vat achuimer. de hand. by the —, of, door tueschenkomat van. Hanging (heng'ieng), a. hangend; de galg verdionend. s. ophangtng; behangeel. —room, van de from — to mouth, gelijk op. even —a, droogkamer. haul in den tend. to go — in —, met gemeen overleg to werk gaan. now in —, onder handen, Hank (hengk), a. streng garen; strik, kuoop; in de maak. to fall in —s with, beginnen. money invloed; maatband; stagring. —, v. n. tot stren• in —, geld in handen; content. to take in —, gen maken. hunkeren, sueginnen, onder handen nemen. off onvoor- Hanker (hengk'ur). v. n. (after, for) sterk verlangen near. —ing, a. gehunker, aterk bereid; van de hand. out of —, op etaande vast. verlangen. money out of —. betaald geld. — to —, man tegen lianseatIc (hen-ei-et'ik), a. hanzeatisch. —body, man. — over head, hats over kop. hanzevetbond, (de) Haim. Hand )head'), v. a. overhandigen, aanreiken; hanteeren; geleiden; beelaan (een zeil). — (about) Ilanse.town (heria'teauu), a. hanzestad. Hansom (ben'sum), a. 'wort van huurrkitnig. inpalmen; (in) rondgeven. (down) overleveren. hrengen (helpen) in. (out) uitleidei. (over) over- Hap (hep'), a, toeval; tref,geluk. —hazard thez'urdl, a. bloot toeval. —less, a. onge1ukkig. —/y, ad. reiken, overerengen. a. hand aan band; misschten, mogelljk. met handen. —er, a. overhandiger, overbrenger. Hand (hend') [in samenst.] —barrow, berrie. Happen (hep'pn.), v. n. gebeuren, voolvallen. (upon) aantreffen. —bill, —basket, hentelmand. —bell. tafelschel. hit jet, ktffiche handbook. —bow, hand- llapp mesa (hep'pi-uese), a. geluk; gelukzallg130
Dtjeen konien, on. W. to assemble, to meat. —hornet, v. assembly, conference, meeting. filicenpenntsen, ov. w. to place (to put) to. gather. H&j eenrapen, se. w. to rope in, to gather. illifeenenep en, ov. w. to call together, to convoke. —ing, v. convocation. BUeenetbrapese, no. w. to scrape together, to heap (to hoard) up, to rake and scrape foe Illkleentrekk ten, ov, w. to draw (to pull) together; to rally (tiorpohl; to concentrate. --ing, e. drawing (pull)ug) together; rallying; contraction, concentration. Iikjunweeet en, on. w. to unite, to join, to combine. — leg, v. junction, combination. 110nesseeverpen, ov, w. to throw together. 111jcenzinnee3eirt, ov. w. to gather, to collect. Illieerizettesa, o v. w. to place (to put) together IlUeetrazijo,, OP. NC.• to bz together. Itlijae.ztzekon, or. w. to reek (to Reatch) together. 13Ugneend, be. inclosed, annexed. BUgelegen, bo. adjoining, adjacent. b7. Z bw. superIlkHeeloeio t, o. tuperaltion. etitious (-1y). —vigheid., v. enperetittoneness. litUgertanzend lov. surnamed., 11111jgovall, hr. by chance, •erchance.
goring. —, a. —ly, ad. ontkennend, loochenend; Nether ;neth'ur), a. nester-, betted..., wide; (.. evnt jegn)s.t 80. n dneertswt r k negatief. —, v. a. ontkennev; afaternmen, verNettin g a vinkenvetten. werpea. —rails, leuningen der verschansIng. Neglect (tag-lekt'), a. verzuim, verwaarloozing. —er, a. Nettie (net't1), a. netel. bush, netelstruik —, v. a. verzunmen; veronachtzamen. --hemp, doove natal. —monger, rietma.ach. —rash. verzuiner; verwaarloozer. —ful, a. —fully, ad. netelkoorts. —tree, netelboom. —, v. a. stek ,m; nalatig, acbteloni. —ive, a. nalatig, achte- verbitterell. —r, a. kweller, opruier. loos. ( (nag-g cnc nl et-sj izji e dez),ens.,i,m: a. r) gne au lgae,wigahaedi.a. t Neuro logy (njoe-rol' ua-zjih), s. zenuwl-er. —pier (4op'tur). a. netvleagelig insect. —spas'. Negligeae (njoe'ro-mpest), a. draadpop. —tic (roVik), a. & a. —tip, ad. naly...tig, verwaarloozend kof)• a. zenuwsterkead (middel!. —tomy (roituna-mth), Negotatt bier tne-go'sji-tb1), a. - verhandelbaar. a , zenuwontlediug. —te (-eetl, v. a. verh,nuelen; aangaan, taluiten; v. n. ouderhandelen; halide) arijven. —Lion;-ee'- Neuter (njoe'tur), a. onsijdig; onpartijdig. —, a, oa- (-ee-tur), a. onagdig persons; — geslacht. —tor ejun), a. onderhandeling Neutral (njoe'trel:i, —/y, ad. Zie Neuter. —, a. a. onzijdige. —ity a. onzijdigheid. ndsettia ('nri'gres -, ). a, negerin. --gro (--gro), 8 N de":rae wine kruidenwijn• (-i-zee'sjuni a. (het) onzijdig (unsch. neger, —gus, i v. a. to niet does, delijk) makes. —ize (-ajz). Neigh (nee'), a. gehinnik. —, v. n. schadelijk (krachteloos) makes. brieschen. huurman, Never (nev)ur), ad. nowt, nimmer; in 't gv Neighbor (nee'bur), a. nak,urig. bee,. niet —cea sin g, —ending, a. onophoudelijk -vrouw; naaste. --, v. a. grenzen flan; v. n, uabij —fading, onverwelkelijk. —failing, onfeilbaar. a ones. —hood (-hoed), a. huurt-; buurachap. ad. nimmermeer. —theless (•the-less'), —ing, a. naburig. —ly, a. & ad. buurachtig. ad, niettegenstaaude, niettetnin. vriendechappelijk. beide. v811 geeu New (njoe'), a. & ad. nieuw; versch. —born, jongpr. naftleur), Nesther nor I —, ik geboren; nieuw. —coin, V. 8. vermunten. noch..- noel.— -, conj. -. .nor paa (nieuw) gemunt. —come, paa aangekomen. ask niet. Nemoroum (nereo.ru,), a . 1,,,,eha,iitig, bosch-. --coiner, aankomeling —dress, in het nieuw atebakken. —fashioned, ohm.' ken. —fangled, Mesita (nrni-e), a, treur-, lijkzang. inodisch. — gate-bird, galgebrok. —hoop, yeti (ni-njoe taar), a. waterlelle. Nenuphar versch (-gelega). Netting lam (lii-ornd-zj , sm), a. nieuw wooed. nieuwe hoepela voorzien. iuvuerder van nieuwe woorden. —y. s. —line, van nieuwe voering voorzien. —married, pasgetrouwd. —model een' nieuwen ',tom ger., invoeriug (gebrail) van nieuvre woorden. nageieg. op nieuw Kitten. —mould,, —reckoning, (tiro fe)t), s. pas bekeerde. Neu Whyte oplappen. —year, nieuwjaar. —year'sNeoteric ni-o-ter'k), a niettwertivetsch, nieuw. day, nieuwjaaradag. —year's-eve, oudejaarsavond. Nap (act)), s. neppe, kattenkruid. —year's-gift,nieu.wjaarsgeschenk.—tsh,a.nieuwNephew (nev'joe), a. neef, ooin-zegger; nabe- aehtig. —ly, ad. onlangs. —ness, s. nieuwheid; staande. Nephr ittic (ne-frit'ik, a. van de nieren; nier-, nieuwigheid; onervarenheid. Newel (njoe'll), a. epil eener W enteitrap. (-fraftia), s.niera. middel tegen nierpija. --itis otoy m (-frot'unimilk, a. snijding News (njoez")., s. nieuwe, tijding, bericht. —boy. entsteking. — van den steen nit de nieren. krantenjongen. —man, krantenman. —monger, —paper, nieuwsblad, courant. Nepotism (nep'o-tizm), a. nepotism., begunati- nieuwakramer. --writer, dagbladaehriiaer. ging van bloedverwanten. Newt (njoet), s. hagedis. Nereid (urri-id), a. zeenimf. a. eerctkomend, toekoNew a (nurv',, s. zenuw; pees; spier-, veêrkracht. Newt (nekst), volgend; ad. naaot (to); vervoigens. — to nothing, mend. -e, v. a. sterken. —ed, a. sterk; geribd. a. zenuwlows; zwak. —ine (-in), a. & s. zenuw- zoo goad ale nieta. —door, ad. hiernaast. sterkend (middel). —ous, a. —entity, ad. zenuw- Nib (nib), a. nab, snavel; punt. —, v. a. afpunteu; achtig, zwak van zenuwen; van het zenuwge- v. n. bedillen, vitten. —bed (nibd), a. genebd, ate.), zenuw-; gespierd, forsch,krachtig; nadruk - gepunt. beet. —, v. a. knobkelijk. —ousness, 8. zenuwachtigheid; kracht, Nibble (nib'b1), a. aanbtjten, belen, aanbijten; v. n. (at) aanbijten; aterkte. _vitten. —r, a, knabbelaar; vitter. Nesclonce (uesri-ens), a. onwetendheid. ad. lekker; lief, aardig; ty, — Nice, (naiel, a. Nest (nest'), 8. neat; kistje, kaatje; schuilhoek; teeder; kiesch; keurig; netelig, moeielijk; spitsetel, stapel. to feather one's —, zijne beurs spek- vondig; beuzelachtig. —near, —ty (-se-tih), at. ken. —chicken, nestkuiken. —egg, nestei. keurigheid; liefheid; teederheid; nauwkeurisv. n. eon nest bouwen. Neon a (nes'81), v. a. in het nest brengen; koes- heid;spitsvoudigheid. — ties (-se-tiez), pl.lekkerteren; v. n. neatelen. —ing, a. pas uit den dop nijen. Niche (nits);, a. nis (in een' muur). gekomen; a. nestvogel. hoogste worp; joists Net (net'), a. netto, zuivet. —, a. net . —cap, hail, Nick (nik'), s. keep, kerf; netje. —parse, geknoopte beurs. --, v. a. in een oogenblik (knijper). old —, de dromtuel. —, v. R. juist treffen, inkerven; passen; bedotten; net vangen; knoopen; netto opbrengen; v. n, kortstaarten. knoopen, breien.
Urethra (jos-rrthrs),e. pisbnis. Urge (urtirn„ v. C. dringen; unseals, asus"o• ten ; stark aandringen op; verbitteren; bespoidigen; opatokeu; opgeven, voorwondan; v. n. dringend zip; morwaarts dringen. —sty (-en-sih), a. drang; dringend verzook. —at, a. —ntly, ad. (-ent-1,dringend. r—, a. dringer; aandrtiver. Urin sal (ies'rin el), a. pleglas. --(try (-e-rih), a. pis-. —retire (-ae-tiv), a. pisdrijvend. —ator (-eetur), s. duikes. —e (-tin), s. pis, urine, v. n. wateren, water low. - OUL. a piaaohtig. Urn (urn), e. urn, yeas, k'uik, lijkbus. —, v. a. in erne urn doen. Us (us), pr. pl. our. U sage (jeed'zidzp, a. gebrutk, gewoonte, behan. deltng. —once (-tens), e. gebrulk, use ; interest worker. Use (foes'), a. gebrulk, gewoonte, °arming; nut, voordeel; bahoette; interest. to put to —, op Interest mitten. — (joeV), v. a. gebrutken; uttoofenen; gewennen (to); bejegenen; besoeken; (up) verbruiken ; — the sea, ter use varen; v. n. plegen, gewoon ziju a. --folly, ad. nuttlg, —fulness, a nuttelooa. e. nuttelooahotd. —r (jose-ur), a. gebruiker. Usher (usj'ur), a. iniaider, ceramonle-meseter ; deur 'reorder; onderzoeker. —, v. a. binnenteiden, aannielden; invoeren; aankondigen. Usquebnugh (us-kwe-boa'), s. kruidenbrande. wijn. Ustuinte (ua'tjoe-let), a. zwartgobrand,gasengd. Usti on luat.'jun), a. (het branders, verbrandtng. Usual (joe'zjoe-ell, a. .—ly, ad. gebruliceltjk, gewoon; gewoonlijk, doorgaans. o, gewoonte, gewoonheid. Ucu caption (joe-zjoe-1,,i'ejun), s. voikrijg flg van eigendom door bet verjaringsrecht. —pact (joe'zjoe-frukt), a. vruchtgebruik, —fructsary (-trukt'joe-or-rih), a. vruchtgebrulker. Usur er (joe'ajoe-rue), a. woekeraar, —loss, a. —iougy, ad. (-zjoe'ri-us), woske.eend. Usurp (joe-zurp'), v. a. overweldigen. (-pee'sjuu), a. overweldlging. —sr. a. overweldiger.. —lonely, ad. door overweldiging. Usury (joe'zjoe-rib), a. cocker. Utensil (joe ten'sil), n. gereedachap, werktuig. Uter ine Ijoe'tur-ajn), a. van de baarmoeder, van mnedersztjde. —ns, a. baarmooder. Util it y (joe-ttl'it-tih), a. nottigheid.; —ise (Joe , til-ajs), v. a. eon nuttig gebruik mitten van. Utmost (ut'moost(, a. & e. ultorst, hoogst. Utopian (joe-to'pi-en), hersenschimmlg, denkbeeldig. Utter (ut'tur), a. —Iy, ad. utterot; gehosi, vol. slags!' v. a. uiten, ui.tepreken; openbaren, var. spreiden; in omloop brengen; verkoopen, —able a. nit to spreken. —ante, a. uttiag. uttspraak; mordraeht. —sr. a. uitsprekor; openbaarder; gayer; verkooper. —most, a. & a. ZIA Utmost. Uveeus (j os' vi.us), a. drutrvormig. —coat, druitvital (van het oog). Uvula (joe'vjoe-le), s. keallelietje, huig. Uxorious (ugs-o'rt-us), u. ztjne Trott,' overdreven bemlnneud. —ly, ad. nit overdreven liefde voor One vrouw. —sees, a. overdreven Herds voor One vrouw.
v, erasure; to get over, to bring to bear. Doordring banes, by. penetrable, pervious, permeable. --6earkeido. penetrability, perviousness. rebuke. permeability. --ea, ov. w. to pervade, to per- Doorheen, bw. through. er —, through it. meate; to pierce ; to penetrate (into). on. w. to Doorbeet, be, thoroughly heats'', very hot. press through, to penetrate into. —end, by. pen- Doorbelpen, ov. w. to help through, to back; to run through, to diesipate. etrat: ng, penetrative, piercing, keen, acute, shrill, sharp. —endheid, v. penetrativeness, penetration, Dsattrhotivuots, or. w. Zoe Doorbakken. acuteness ; keenness; shrillness. —er, at. pene- Doorhuppelen, on.w. to Alp (to jump) through. Doorbuteeten, or. w. to jumble (together). , trator. —ing, v. penetration. Dooringen, ov. w. to drive (to chase) through; Doordrongen, by, (roe) impressed with. to dissipate; on. w. to hoot ott; to drive (to vide) oordroog, ov. thoroughly dry. very fast through. Doordrutpco, on. w. to drip through; to steal Doorkaketen, on. w. to continue prating, to away. tattle on. Doopodrukken, ov. w. to welts through. — out; Doorkeppen, or. w. Zie Door hakken. on. w. to blot; to continue to gall (ern petard), Doorkorven, or. W. to carve to pierce, to mines. prey sing, — printing. Doorkenvelen, on. w. to continue chatting. Doorduwen, ov. w. to push through. Dooreen, bw. one with another; pell-mell, con- Doorktjken, ov. w. to examine narrowly; on. w. to look (to peep) through. fusedly; upon the wole, on An average. Dooreenhaspeten, ov. w. to mingle confused- Doorklauteren, ov. w. to climb all over; on. w. to climb through. ly, to entangle, to huddle together. Iflooreenkluteen, or. w. to beat up together. Doorkielnzen, or. 'w. to strain, to filtrate. Dooreenloopoo, on. w. to run together ; to Doorkileaven, ov. w. to split through; to cleave. Doorkillinneen, or. & on. w. .Zie Doorklaurun pell-mell. — confusedly. t ergo. Dooreeninengen, ov. w. to mix together. Dooremnwerpen, ov. w. to Jumble (to huddle) Doorkluteen, ov. w. to beat up together. Doorknobbeien Doorknagext , Doortogether. finauwen, cv. w. to' gnaw through; to consume, Dooraten, oy. w. to eat through; on. w. to conto corrode. tinue eating; to make haste in eating. 2loorgaan, ov. w. to wear out with walking; to Door kneden, ov. w. to kneed thoroughly, — well. —leered, by. elaborate, highly finished; wellwalk (one 'a feet) sore; to peruse, to examine; versed, skilled (in). kneedlarid,v . great skill. on. NV, to go (to walk, to pass) through, to cross; to walk on, to mend one 'a pace; to steal away; Doorknoppen., Ov. w. to cut through. to elope; to take fright, to run away ; to wear Doorkokon, or. & on. w. to boll thoroughly. korner), on. w. to come (to get) through; Door off; to break, to burst; to pa. (veer, for); to take. to become general, to succeed, to be carried (60 to recover, to come (to get) off. —tenet, v. stemming,; to drag (van een onkel.). —d, by. con- passage, issue, event. tinual; common, 1111.1. —de bete, thorough bass. Doorkowl, by. quite chilled, very cold. Doorkrnbbelen, Doorkrabben, °v. w. to —s, bw. commonly, uenaliy. scratch open; to sers.tch out. Doorgaug, m. pavaoge, thoroughfare; transit. DoorkriUgen, ov. w. to get through. Doorgeleord, be. thoroughly learned. Doorkruiden, on. w. to season all over, to Doorgesiokaus, be. concerted, contylvtd. Doorgevon, or. & on. w. to give (to reach ; epics thoroughly. Poorkvelpen, ov. w. to creep through, -- ell through ; to continue giving, — dealing. over; to pry into; to wear out with creeping; Doorettet en, ov. on. w. to pour through; to on. w. to creep through. Percolate, to strain; to continue pouring, — (tastDoorkrasleen, ov. ay. to cross, to ramble over. ing. —inp, v. percolation ,. straining. Dootrictennon, on. w. to be able to get through; Doortelsece.„ oto w. to cOutimue termerting. to be tolerable. dot kan er niet door, that will 1PoorAlUden, on. w. to elide (to slip; through. not do indeed; I cannot put up with it. Doorgossa, ice. extremely good-natured. Doorgooless e ;ov. w. to throw (to fling) through, Detorlaten, or. w. to let pass; to transmits Doorlecrd, by. erudite. — out of; to break by throwing. Doorgrnv en,"ov. w. to dig* through, to open; Iloorietden, ov. w. to lend (to conduct) through. Doorisklbon, on. w. to drop (to leak) through. on. w. to continue digging. —ing, v open;ng. Doorgrfeven, ov.w. to grieve (to sting, to wound) nuorloven, or. w. to lice over, to pass. Doorlex en, or. w. to read over, to peruse; on. to the quirk. w. to read on, to continue reading. —en. by. read, Doorgroefen, on. w. to grow through; to conwell-read. —ing, v. perusal. tlnue growing, to grow on. Dourgrond en, ov. w. to penetrate (into), to Dooritrbten, ov. w. to light throogh; on, w. to lightening. fathom out. —er, en. eearcher. —leg, v. penetrat- chine through; to continue Doorliggen, ov. w. to gall (to make sore) with ing, penetration, fathoming. t. w. to be bed•sore. lying. sick Doorhakken„ ov. w. to hew (to cut) through, D *melts op, m.oassage, gate-way; lowness. to cleave; on. w. to continue hewing. or w. to run (to pass) through, to traverse; to Doorhat eat, ov. w. to pull -to draw) through, peruse. to run (to glance) over, to run sore, to to moieten, to site; to starch; to erase, to cross, wear off with walking; on. w. to run through; to to strike out; to rebuke, to lecture; to recover;
Urethra (jos-rrthrs),e. pisbnis. Urge (urtirn„ v. C. dringen; unseals, asus"o• ten ; stark aandringen op; verbitteren; bespoidigen; opatokeu; opgeven, voorwondan; v. n. dringend zip; morwaarts dringen. —sty (-en-sih), a. drang; dringend verzook. —at, a. —ntly, ad. (-ent-1,dringend. r—, a. dringer; aandrtiver. Urin sal (ies'rin el), a. pleglas. --(try (-e-rih), a. pis-. —retire (-ae-tiv), a. pisdrijvend. —ator (-eetur), s. duikes. —e (-tin), s. pis, urine, v. n. wateren, water low. - OUL. a piaaohtig. Urn (urn), e. urn, yeas, k'uik, lijkbus. —, v. a. in erne urn doen. Us (us), pr. pl. our. U sage (jeed'zidzp, a. gebrutk, gewoonte, behan. deltng. —once (-tens), e. gebrulk, use ; interest worker. Use (foes'), a. gebrulk, gewoonte, °arming; nut, voordeel; bahoette; interest. to put to —, op Interest mitten. — (joeV), v. a. gebrutken; uttoofenen; gewennen (to); bejegenen; besoeken; (up) verbruiken ; — the sea, ter use varen; v. n. plegen, gewoon ziju a. --folly, ad. nuttlg, —fulness, a nuttelooa. e. nuttelooahotd. —r (jose-ur), a. gebruiker. Usher (usj'ur), a. iniaider, ceramonle-meseter ; deur 'reorder; onderzoeker. —, v. a. binnenteiden, aannielden; invoeren; aankondigen. Usquebnugh (us-kwe-boa'), s. kruidenbrande. wijn. Ustuinte (ua'tjoe-let), a. zwartgobrand,gasengd. Usti on luat.'jun), a. (het branders, verbrandtng. Usual (joe'zjoe-ell, a. .—ly, ad. gebruliceltjk, gewoon; gewoonlijk, doorgaans. o, gewoonte, gewoonheid. Ucu caption (joe-zjoe-1,,i'ejun), s. voikrijg flg van eigendom door bet verjaringsrecht. —pact (joe'zjoe-frukt), a. vruchtgebruik, —fructsary (-trukt'joe-or-rih), a. vruchtgebrulker. Usur er (joe'ajoe-rue), a. woekeraar, —loss, a. —iougy, ad. (-zjoe'ri-us), woske.eend. Usurp (joe-zurp'), v. a. overweldigen. (-pee'sjuu), a. overweldlging. —sr. a. overweldiger.. —lonely, ad. door overweldiging. Usury (joe'zjoe-rib), a. cocker. Utensil (joe ten'sil), n. gereedachap, werktuig. Uter ine Ijoe'tur-ajn), a. van de baarmoeder, van mnedersztjde. —ns, a. baarmooder. Util it y (joe-ttl'it-tih), a. nottigheid.; —ise (Joe , til-ajs), v. a. eon nuttig gebruik mitten van. Utmost (ut'moost(, a. & e. ultorst, hoogst. Utopian (joe-to'pi-en), hersenschimmlg, denkbeeldig. Utter (ut'tur), a. —Iy, ad. utterot; gehosi, vol. slags!' v. a. uiten, ui.tepreken; openbaren, var. spreiden; in omloop brengen; verkoopen, —able a. nit to spreken. —ante, a. uttiag. uttspraak; mordraeht. —sr. a. uitsprekor; openbaarder; gayer; verkooper. —most, a. & a. ZIA Utmost. Uveeus (j os' vi.us), a. drutrvormig. —coat, druitvital (van het oog). Uvula (joe'vjoe-le), s. keallelietje, huig. Uxorious (ugs-o'rt-us), u. ztjne Trott,' overdreven bemlnneud. —ly, ad. nit overdreven liefde voor One vrouw. —sees, a. overdreven Herds voor One vrouw.
Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen.
BIJ Y.—BIN. with; to occur (to), to come into one 's mind. —lathes, o. my. by profits, perquisites, rails. 1lUvoeg en, ov. w. to add, to join, to subjoin, to annex. —end, by. adding, annexing; subjunctive, conjunctive. —ing , v. addition. ha. additional, conjunctive; — naamwoord,a , Ijective —eel, o, annex, supplement, appendix. H&lVoet, m. mug-wort. BUwegen, m. by-coach, extra-coach. BUweg, m. by-road, by-path. BUwerk.o. by-work, by-job; orr t. Bliworpen, or. w. to throw to, to odd. HU wenen, o prevents. HU vs, kjf, o concubine. —*chap, o. concubinage. 1113w1J1en, bw. Fometinite, now end then. Illiwon en, ov. w. to cohabit (to lie) with; to be present at, to assist at, to attend. —ee. m. neighbor.. inmate; stander-by, person present. --tag, v, cohabitation; presence. & bw. adIlkiwoord, o. adverb. verbial (-1y). 111,1znak v. by -matter, secondary thing, incident. BUzet, m. stake. —geld, stake. —ten, ov. w. to place (to put) near; to stake; to inter, to _en(tile zetten tomb; to heave out, to unfurl fern —, to clap on all the vale, to enOrrd Pell; to do one's utmost, to leave no stone unturned. Illanlend, by. mope-eyed, purblind. —held, v. myopy, nurblindnees. BUzUn, o. presence. 11,J.Itt, v. concubine, mistress. —ten. on. w, to sit near, — next to. —ter, m. ,weever. —tersehap, o. aasessorship. BUzon, v. mock-sun, parheli on. BUzunder, by. & bw. separate (-1y); particular (-1y), peculiar (-1y). special (-iv); private (-(y); singular (-Iy), eminent (-1y). la het —, particularly, especially; privately. —held, v. parti. cularity. Bikkel, m. cockal, hnekle-bone. —en, on. w. to play at cockals, — at buckle bones. —spa, game at huckle-bones. Ink ken, ov. w. to pick; to eat. —homer, pick. —*teen, brick-dust, grit. nil, v. buttock; ramp. —naad, perineum. —naadsleek, puncture. —stub, round of beet. —len, v. my. buttocks, bum; door de — lappen, to spend wantonly, to squander. 1311Jert, o. eene portij —, a game of billiards. —6a,t, billiard-ball. -longer, marker. —*pet, billiard.. —stok, stiet, cue. —cab, hazard. —en, on. w. to ploy at billiards. 11111Jet, o. bill, billet, note, handbill, ticket; billet for quarter. BI1Joen,o. base coin. B11 len, ov. w. to notch, to sharpen. —homer, —fixer, pick. by. & bw, equitable (-bly), just (-Iy); reasonable (-bly). —en, ov. w. to approve, to justify. —erte4ee, bw. Zie 1131111Jk. v equity; reasonableness. —he'debatre, bw. for equity's sake. —ing, v. approbation. 111111oen,o. billion. 1111zenUruld, 0. hen-bane. Bind en, ov. w, to hind, to tie. —garen, —tome,

Waar kan ik ruilen Bitcoins voor contant geld

×