(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-

Hoe wordt Bitcoin gegenereerd


W RI. —W ID. ij:weep. —nosinting, zweepbeslag. —poor-will, virginisehe geitenmelker (vogel). —rope, takeigaren. —saw; spanzaag. —staff, kelderetok. --stick, —stock, zwedpetok; zweop; voerman. —stitch, enijder, kleormaker. Whip (wip'), v. a. zweepen, geeselen, tuchtlgen; dorsehen; kinteen: insert rijgen; betrkelen; lijk dant, bewegen; snel wegnemen; wippen. (about) omwikkelen. (off) 'mei ardoen; wegkepen. —, v. n. ztch noel be siegen, wippen, springen. —per, s. sweeper; katitijder; —in, e. jachtknecht, hondenjongen; bans, hootd. e. het geeselen, afroseen, kaatfjden; —post, geeselpaal. —pietree, zie Whiffle-tree. —ster, n.vtvg (handig) ventje. Whir (wur), v. a. wegdraden; wegrukken; v. to, enorren, rcnd-, wegsnorren. Whirl (wart'), s. ronddraating; draaikolk. —bat, meliekolf; strijdknote, -handechoen. —beetle, zwemkever. —bone, knielcbij f. —pit, —pool, draaikolk, maalstroom. ,lwarlwind. —, v. a. snel roridraaien; v. n. rondsnorren, ronddwarrelen. —igig (-I-gig), s. drasitol. Whirring (wur' rienz), n. gefladder, geklapwiek. Whisk (wisk'),s. boretel, stoffer, winch; kuipe•sBehind% halskreag; ruk. —, v. a. at boretelen, atstoffen, vegen; v. n. ztch nnel bewegen, rend, draeten; (about) rondfladderen. —er, s. veger, afstoffer; bakkebaard; eluwe von. --et (-it), a. mond. —ey (-iit), —y, s. (court van) brandewijn; ejees, licht rijtuig. —ing, a. hevig, onstulmig; ontzettend. Whisper (wie'pur), e. gefluister. v. a. (toe-) fluIsteren; inblazen; v. n. ftuisteren. —er, s. fluieteraar. —ing, e. gefluister. Whist (wist), r. stil. s. whist (zeker keartopt!). — v. a 'Mien; v. n etil eon. —, int. at! still Whistle (wie)), a. getluit, gehlaas; fluitje, —, v. a. flatten; v. n. fluiten, blazen, euizen. —r, s. flutter. Whit (wet), s. pun.tje, stipje; kleinigheid. every —, in alle onzichteu. not a —, gear z.ter. White (waft'), a. wit, blank, bleek, grije; rein, onbevlekt; vreexachtig. —bait, zekere visch. balse► , Itlekka-balseee. —beam, lotushoom. —chalk pencil. krijtetift. —cordage, ongeteerd touwwerk. —corn, tarwe, rogge, genet en haver. —ear —tail, w itstaart. --facP,b1 en (van eon paard). —jib, —lie, leugen om bestwIl. —foot, witte vlek (aan den pout van een peerd). galappel. —game, --gsPouseoneeuwhoenders. —headed, met grkjze haren. —heat, K:neihitte. —herring, versehe haring. —horses, pl. hooge, achuimende gllven. —iron, bilk. —land, ktelgrond. --teal, loodwit. —lime. wit kalk. —limed, gewit. —line, wit tusschen de kolomrnen.— livered, nij dig; lathartig. —maiden-hair, eteenruit. —meat, melkepijs; vieeech van hoenders, konijnen, enz. —mosey, zilvergeld. —oakum, ongeteerd work. —oil, walschot. —owl. huisuil. —paint, loodwitveil. —paper, schoondruk. —pot, roomvlade; eler. klas. —swelling, :welling tiergewricliten; zwangersehep. —thorn, baged000n. —rash, e. eehoonheidewater; wltkalk; v. a. witten. —seasher,witter. —wood, dennenhout.

11leasier (haoa'jur), a. aleeptouw. a. halt; geHalt (haolt'), a. wank, kreupel. v. n, hinken, mank gaan; stil houden; hink. welfelen. —ing, a. —ingly, ad. hinkend; aarzelend. Halter (haolt'ur), a. manke, kreupele; balster; strop. —sick, rijp voor de galg. —strap, haleterriem. —, v. a. met een touw !Auden; een' halster (een strop) omdoen. (haav') v. a. halveeren, in tweetu deelen. —a, e. pl. helften; half-vondst, half-part. to go —s with one, met 'emend halfdoen. 11am them'), s. ham; knieboog. —adryad (e-draj ed), a. boschnimf. —ate (-et), a. verward, ineengehaakt. —ated (-ee-tid), a. gehaakt, met baleen. llama (heem), s. haam (voor paarden). Hamlet (hemlit), s. gehucht. Hammer (hem'mur), a. hamer. clinch—, klinkhauler. set—, moker. —cloth, bokkieed (aan eene koeta). —hard, —hardened, met den hamer ge , hard. —head, kop van den hamer; hamervisch. —man, hameraar. —wort, hamerkrnid. —, v. a. & n. haineren, smeden; werken. —er, s. haineraar. litotramock (hem'muk), a. hangmat. —line, scheerWit. —rack, kooilat. Ilamons (hee'mua), a. haakvormig. Hamper (hem'pur), a. sluitmand; boot. top—, bovenlast. —, v. a. verwarren, veratrikken; in eene 'nand doen. Hamstring (henestrieng), a. kniepees. — [irr.], v. a. de kniepees doorenbden. ilanaper (hen'e-pur), a. schatkist. Hances (hen'aiz), a. p1. einden van elliptische bogen; gtllingen der regeltngen op de lichens van het roer. Hand (bend'), a. hand; schrijfhand; handbreedte; wijzor; kant, zijde; voordeel, overhand; wedstrijd. p1. menr.en (helpers, werklieden, enz ). -

BEE.— DEI. zinnig. —nab, s. diepte, grondigheid; scherpzturtigheid. Deer (dier), a. roodwild; ree. fallow —,damhert. red —, hert. —stalking, a. hertenjacbt. Deface (de-fees'), v. a. vernietigen; ultwieschen, misvormen. —meat, s. vernietiging; misvorming. vernietiger; misvormer. De falca te (de-fel'keet), v. a. afsnijdenoseoeleh; at knrten. —tion (def-el-kee'sjun), a, afanijding; vermindering; korting. Delano melon (def-e-mee'sjun), a, lastering, boon, eerrooving. —atory (de-femee tur-rib), a. lasterend, eerroovend. —e (de-form . ), v. a. hoonen; lasteren; te sehande waken. —er, (defeem'ur), a. lastertong; eerroover. Default (de-faolt.'), s. verzuim; nalntigheid; ge• brek; ontstentents. —, v. n. in gebreke blijven; niet verschijnen. —er, s. woordbreker; nlet-versc ► ijner. Defeo,. :once (de-fiez'ente, a. vernietiging (eener overeenkomst.); nederlaag. —ible, a. vernietigbaar. Defeat (de-flea'), a. nederlaag; verijdeling. — v. a. verstaan; te nlet doen; verijdelen. Defect. te (de'fe-set), a. gezuiverd. —te (-beet), v. a. zuiveren. —lion (-kee-sjun), s. zuivering. Defect (de-fekt"), a,gebrek, onvolkomenhei d.—ible, a. gebrekkig; onvolkomen. —on, (.fek'sjun), a. gebrek; ontbreking; atvalligheid; opstand. —ire, a. —ireiy, ad. gebrekkig; onvolledig. —iveneas, a. gebrekkigheid. Defence (de-fens"), a. bescherming; verwerving; wederstand; rechtvaardiging; verbod. —less, a. weerloos. Defend (de-fend"), v. a. verdedigen; (from) be. sehutten tegen; verweren; verbieden. —fate, a, verdedigbaar, —ant, a. verweerder. —er, a. verdediger; advokaat. Defens alive (de-fens'e-tiv), a. verdedigend; a, behoedmiddel; verband, —ible. a. verdedigbaar. —ire, a. —ire/y, ad. verdedigend, verwerend. —ire, s. verweermtddel; verdedigende houding. on the —ire, verdedigenderwijze. Defer (de-far'), v. a. uttetellen; verschuiven; overtaten; v, n. dralen, talmen; (to) Mei houden aan, etch voegen near. —race (derur•ene), a. inschikkelijkheid; oaderwerping; eerbied (for). out of —ence to, uit boogaehting voor. —ent (derur-ent), a. leidend, voerend; a. geleider; vochthuis. —ential (def-ur-en'sjel), a. eerbiedig. —meat, a. nitatel. —rer, s. nitateller. Defiance (de-ferens), a. uitdaging; tarting; weigering. to bid — to, trotseeren. in— of, ten seijt yen. Deficience (de•fla'sjene). —cy, a. gebrekkigheid; ontoereikendheid. —t, a. —tly, ad, ontoereikend; onvolkomen; geb.ekkig. Defier, (de-farur), a. nitdnger, tarter. Defile, (de-fail'), a, rage pas. —, v, a. bezoedelen; onteeren; bederven; v. n. deflleeren. a. bezoedeling; onteering; bederving. —r, a, be. zoedelaar; onteerder; bederver. DOfin able (de.fajn'ibl), a. hepaalbaar. —e, v. a. bepalen; verklaren, omachrijven. —er, e. bepaler; verklaarder.: Defini to (def'i-ntt), a. —tely, ad. bepaald; vast. geeteld. —te, a. juist bepaald begrip. — fences.
Inflict (in-flikt'), v. a. opleggen (on. upon). —er, s. (straf-) oplegger. — ion (--flik'ajun), s. oplegging; straf. —ive, a. (strallopleggend. Infinen ce (in'floe-ens), s. invloed (on. upon. over. with). --ce, v. a. invloed hebben op; bewegen, nopen. -.4 R. invloeiend. —tial, a. —tialiy. ad . (-en'sje I-I, invloedrijk. (-en'ze), s. griep. Influx (in'fluks), —ion (-fluk'sjun), a. toevloed, instromning; ingevinr.

Hoe krijg ik gratis Coinbase Xlm


Kier, PI. jar. de deur siaat op (non) tem —, the meeeter, schoolruester„ pedagogue. —erkest, children's food. —erlfjkje, dead body of a child. door is n-jar. —erluren, swaddling-elothes. —ereneid, nurse, grirder. —kauteen, to piddle. —kauwer, maid. —ermeisje,nursevy-maid. —erateord, pfd tIee. —Ain, toot-ache. ti ide.—ermoorder,—erntoordster,infauti tide.—erKite hank-, ire. eligible. --baarheid, v. eligibleroute, child 'a cap, biggin. —erpart(i, children 's nests. —votive, —vereeniging, college of electors. party. —erpokjee, —erpokken, —crsiekte, small—gereektigd, Qs...Oiled io vot3. —gerechtigde, —beer, elector. —yacht, right of electing. —stelae, pox. —erpop, doll. —ereckoen, child 5 .1 shoe; de —en uittrekken, to let off one 's boyisch tricks, elective system. —ver gado kg, elective meeting. to sow 0116'3 wild oat., to be past the spoon. —wet, elective law. ho. & boo delicate (-ly); nice, difficult, —ersehool, infant-school. —erepeeigoed. toys.-er'ape', ape', child 'a play; joke. —ereprooke, nurseryparticular. —deid, V. delicacy; nicety. len w.. v. gill. tale, tole of a tub. —er-steel, child 's chair. —ertool, children 'a language. —ertoon, tone fit for Kievat, sn. pewet, lap-wing. —sei, pewet 's egg; children —ert,raag, childish question. —ereriend, fritiliary. K'raz 1 , e. gravel, flint-stone, silex. friend of children. —erwagen, child's cart. —erKiezeen, ov. w. to choose; to select; to elect. zee werk, child's work; trifles, nonsense. —erteerkje, book for children. —sheen, van — aan, from one's —, to put to ilea. infancy, — childhood. —egedeelte, childs 'a, porKiezeretereklkoer, xn. tooth•drawer. Kiezere, or chooser, elector. tion. —skins% grandchild. Kit, o: tan (that has been used). Kindloirotehtiet, bv. & hvr. childish (-Iy). —aclatigKW, v. contention, strife. buiten —, undeniably, held, v. childiehneem. —en, o. me. children; — kriigen, to get children, to be in the familyinthsputebly. quarre,leomenees. be. quarrelsome. --aehtigkei d v. quarrelaonieness. way. —en, on. w. to bring forth children. by, infantile, filial, childlike; hw. filially, like —ster, v. wrangler, brawler. a child. —/Okeid, v, simplicity, innocence. —loot, m look, peep. to —, for show. —en, or. & be. childless. —loosheid., v. chiidleremess. on. look, to see, to behold; op near to look ashamed, to be balked. —dap,show-eay. Kindjte. o. infant, babe, baby,little one. —gat, peep-hole. —gins, spying-glees, eye-glass. Kirseisch, be. childish; doting. —held, v. childhood: ,second childhood, dotage. —toren., watch-tower. —sit, look-out, peep-hole. er, m. looker-on, spectator; eye; spy-Ones, Kisedsheiti. v. childhood, infancy. Kink..., v. quinine. telescope. KW, e.g.. v. wrangling, squabbling. —en, on. w. Kink, v. twist, twirl, kink. er in eene — in den kabel„ there io a lion in the way, there is someto quarrel, to wrangle, to squabble, to brawl. thing wrong. —how, chin cough, hoopiug-cough. —er, rn. wrangler, sqeabbler, heawler. —erij, —bourn, —horen, cornot. KlUivisge. m. clown, bumpkin. —aehtig,bv. clown• Kik, m. eetind. — ken., ov. & on. w. to mutter; kj loh. lubberly. durft niet to — en, he dates not open his mouth. KInken, on. w. in peg. --bet, tn. Zie KikvoreeclO, in frog. — gerwel,ranula.—ebii, frog Kinlectio2a, v. jaw-hens; ebeek; chops. —.lag, slap in the face. —sham, hog's chops. —ken, a. hind leg of a, frog. —enrehot, spawn (fry) of frogs. Zie Kieletteibrsk. Kti , v. channel. Kill, v. chili. —., Ire. chilly. —heid, v. chilliness. Kieeseetje, o. little chin; firkin. —len, on. w. to be chilled, to tingle, to smart Kip. v. hen, fowl; notch; hoop, roll; biggin; snare. with cold; to shiver, to keep the sails Alive, to 1k het je, there I have you. —peteret, hen 'e fly loose to the wind. —lip, be. chilly. —ligheid, cheat. —pekuur, whim, freak. —petrel, ktligen v. chtllinees, —ling, v. tingling. van, to shudder at. —penhok, hen-coop, hen-house. Kin), v. chiral, (eon ern tub), border, brim; bent —pen, ay. w. to hatch; to catch, to ensnare, to otthe horizon. of the prow; horizon. —dui/rine nick out. —gangen. floor liend•planks. —target, thiar-heads' Kipp-elite gvutten.v. mv . —kost.v. groats, grit. Kireplig, be. short-sighted, purblind. —heid, v. thick stuff. —2neloos, bv. witkoat a horizon, short-sightedness, purbiliadness. Kin, -e. chin. Aetfinp, curb. We in, v. (jesait'a-} bark. —ba,t. Peruvian bark. Kieewei, o. hatched brood. —drank, bark-potion, china potion. --poeier, Kirerete, on. wn to coo; to moan. wenn ov. w. to provoke,to incite. pulverized china. Kind, o. child; Infant. —erbal, children's ball. Kist:, v. chest, box, trunk; coffin. —entnaker, trunkmaker; coffin-maker. — en, Oe. W. to lock (to put) —ertr,en, child-hearing. —erbed, child 'a bed; up in a cheat; to lay in the coffin, to coffin. child-bed. —erbel, coral. —erteut, floggr.—erbier„ —ing, v. coffining; coffer-dam. gossiping. —erbijbel, bible for children. —die!. kidnapper. —erdiererij, kidnapping. —erdokter, KU, v. tankard, jug; brothel, bawdy-house. ---fehroer, pot-companione rake. baptism of infants. children 'a phyeiciaa. —ertloop. —ercek, one that is fond of children, dotard upon Kite, v. ketch. children. —erporang, —erlied. children 's song. Ii“sou,ov.& on. w. to strike firs; tie Konen. —ergoed, child •bed-lluen; toys. —e.jaren, child- Kittoltisr, ne. tickler; clitoris. —aehtig, bv. tickhood. —erjurk, child 's gown. —err:outer, n areery. lisb. —en, ov. w. to tickle; to flatter. —oorig, —erkiap —erprotat, chadish talk. —erkoning, ethumorsome, touchy, ticklish. —oorighetd,taucht-
plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-

KE fetter). —linie, detail-gorge. —antsteking s inflammation of the throat. —punt, angle of the polygon. --seder, pharyngotomiet. —stoat, ogee, eyma'chime —tering,t aringtolphthisie. —ziekte, disease of the throat, Fore throat, quinsy. Keen,v. chap, germ. Keep, v. notch, jag. Kerr, m. turn, time ; tour; circuit. to — gaan, to .eclat, to oppose, to check. —en, ov. w. to turn; to avert, to prevent, to stop, to resist; on. w. to turn ; to return. —biok, quarter-block. —dam, dike. —dicht, ronleau. —kring, tropic. —krings- (in sacs.), tropical. —weer, blind alley, toru-again alloy. —xijde, revenue. --ing„ v. turntug ; averting, eto opine, reeimtance ; return. Keep, tn. —hand, Cox-dug. wolf-dog. — jeskruid, mallows. Keeet, m. kernel; pith, marrow, quintessence. Keel, v. salt-works; shed, outhouse. ---en, ov. to refine. Kent en. on. w. to bark, to yelp ; to bawl. —er, ra barker, yelper; bawler. Keg, a. wedge.


L. Lft, v. Zie Lade. --tafel, chest of drawers. Lied bun, v. barrel. —gat, touch-hole. —kruit, priming. —Lepel, charger, charging-ladle. —pan, pan. —prim, priming-needle. —stole, ramrod. Lang, v. layer. ;red, etretutn , row ; tier ; snare, ambush. de voile —, a broad-side. ien.and icsgen legges, to waylay a. o., to lay snares for a. o. Lang, by. & bw. low (-1y), base (-1y), mean (-1y). —hartig, by. & bw. moan (-1y). —loopers, cogged dice. —held, v. lowness, baeeeess, meanness. bw. lowly. —te, V. Iowness; tottom, lower part; valley; in de —, below, down. Lank bane, by. & bw. blamable (-bly), blameful. —baarkeid, v. blamableness. sick, censorious. —stseht, censorlousneas. Lean, v. alley, avenue, walk. Lanes, v. boot. —je, o. half-boot, buskin. Caarxen, ov. w. to put on boots; to breech. Lemma been, a. boot-tree. —kap, top of a boot. —knee/0, —trekker, lock, boot-Jack. —weaker, boot-maker. —echaeht, leg of a boot. —winkel, boot-maker 's shop. Laces, taw. alas Cant, by. & be. late. hoe — is het? what o' clock is it ? Cant band, m. —teindeel, —zwachtel. ligature, bandage, —When, beasts, pallet. —gat, opening in in artery. —User, —1/10m, lancet. —hop, cupping-glass. CarAdankend, by. self-conceited, arrogant. —held, v. self-conceit, arrogance. Lesatst, be. last. op bet —, at the end. ten —e, lastly, at last, finally, at the latest. bw last, lately, the last time. —leden, bv. last, ultimo. —toorgaasde, penultimate. —eitik, bw. lastly, finally. Labaar, v. large linen deck•cloth. Cabbel, v. gossip, blabber. —en, on. w. to gossip, to blab, to prattle. Cabbekak, m. & v. tell-tale, tale becrer, gossip. —ken, on. w. Zie Labben. Labb en, on. w. to gossip, to tell tales. —er, m. tell-tale, tale-bearer. Calabar, by. soft, light, slack. Cabbardaan, m. salt cod, haherdine. Cabbier en, on. w. to shiver. —koelte, soft breeze, loom-gale. tabberlot, m. rake, blackguard. —, v. (a kind of) row-boat. Loch, m. laugh, laughing. — en, on. w. to Laugh (on, at); in sijn vsiatje —, to laugh in one 'e sleeve. —lust, hilarity. —lastly, hilarious. —epier, laughing•muscle. —trek, laughing feature. —etch, laugher, simperer. —end, by. laughing, smiling, cheerful. —et, m. laugher. —je, o. smile. —sten, v. laugher. Ladder, v. ladder. Lade, v. drawer; till (coon geld); box. Lad en, ov. w. to load; to lade, to charge, to
v. n. lath. met hanglippen. —table, klaptafel. — v. a. klap- neer (flier') s. spotternij; VRIRClift ' pen, met een' klap slaan; v.n.klapwleken; lied- spotten, valsch lachen. —er, a. spotter; vleier. derend neerhangen (down). —per, s.klepje;klap; Fleet )111et'), s. vloot; inham, kreek. —. a. —tit, ad. Licht, vlug. —, v. a, afschuimen, afroomen ; waaier: herinneraar. verdrijven (den tijd); v. n. verdwijnen, vervlie• Fare. (deer), s. flikkerliebt. —, v. n. flikkeren, —ing-dish, vlootje; sebitteren; verblind worden. to —into one'sface, gen. —ing, a. weganellend. achuimspaan. —near, s. vlugheid, snelheid. aanzien. (over) voorovervallen. sterlt Flesh (flear),s.aleeach.—broth,vleeschnat.—brus)i , § (up) vleeschkleur. —diet, vleeschhuidborstel. s. flikkering. le1issli (Clear), a. laag, gemeen. spijs. —;fly, vleeschvlieg. —hook, vleeachbaak. ,traal, sebieht; ):lets; klatergoud. —of wit, gees- —monger, vleeschkoaper; koppelaar. —quake, tige local. —, v. a. vlak Taken; doen kletsen, vleeschtrant. tilling. — aide, dean opspatten In her roeien), (on) a erpen e. n. flikkeren; spatten, kletsen; kwink- Flesh (fleer), v. a. inwijden; afriebten, gewennen; Licht). vettnesten. —iness, s. vetheid, logheid. —less, a. slagen doen. (into) ultbareten in; opkomen in. —liness, (-li-ness), a. zinnelijkheld. —ly, mager. ontbranden in. (into) in). (with) uitharsten (nut) a. vleescheliik, zinnelnk. —y, R. vleeztg. klein vernuft; roeier. —ay, —er, s. gezocht Fletcher, (fletsfur), s. bong- en pijlernnaker. d. —y, a. winderig; uppervlakkig; !Flew (floe"), s. dikke snort. —ed, a. dikmuilig. geeatie•. Flex (fieks'), v. o. buigen. Flask (flaaek), a. veldaesch; krnithoren. a. buigzaam van card. —ibility (-i-bil'it-tib), Vl.stect (flaas'kit.), 8. spijsmand; klebrenmand. —iblentess I•ibl-neon), e. bulgzaaesheid. —ible, a. i•rat (flet'), a. —Op. ad. plat, liggend; flauw, butgboar; inschikkelijk. — ile (41), a. buigzaam; versehaald; dor; gedrukt took van prtjzeu); on. s. toeeevend. —ion (.jun), s. bulging. vertonemd. --eottomed,nlathoOmd. —denial,reeht- buigepier. —uous Hoe-us), a. bochtig; onbesten• etreeksche weigering. —and plain,rondua. (-jeer), s. bulging; bocht; bong. —ure, dig. vlak, op ziin plat. —,s. plat; (het) platte; —wise, vilicte; ondiepte; praam; tool in de muziek); Flicker (flik'ur), v. fladderen, klapwieken. mei. —eras, o , platheid: lafheid, smakeloosheid; —mouse. vleermuis. dorheid. —ten (flet'tn), v. a. plat (tint; flauw) Filer (flaj'ur), a. vluchter; onrust; rechte trap. zwerm; dracht (bereik; nu0,en; ,ter neer clean; v. n. inlet vlak; dof) Flight (flajt 1 ► , a. vlucht; —shot, boneschots•afstand. —iness warden. --ter, a. planeerder, pletter. trapvleugel. (-i-ness), a. eluchtigheid; , lichtvaardigheid. (flet'tur), v. a. vleien. —er, s. vleier. vluchtig; waft, lichtvaardig; kjlend. R. —icy, a. —ingly, ad. vleiend. —y, s. vleierij. FIntatten die (flet'joe-lens), —cy, s. winderigheid, Flimflam (ilim'flem), 11. poets, streak, beusenietigheid. —t, a. opgeblasen, winderig. s. dunheid, teederFilms Iness native (tlee'tus), s. wind; adorn. held, zwakheid; geringheid. —y, a. dun, ijl, nnucei stiaant), a. pronk. — , v. n• fladderen; zwak; gering; geesteloos; armzalig. prenken, zich onbeechaamd aanstellen. v. a. Flinch (flints)'), v. n. wijken, terugdelnzen, zich Ulavor (liee'vnr), amakelijkheid, geur. onttrek!ten aan. (from) —er, a. bloodaard; smakelijk (geurle. ) waken. —ed (-curd), —oils, a. woordschender. emakeiijk, geurig. —less, a. smakelons. Flow (flan'), a. berst, beech; vlek)e, gebrek; rnk- Flintier a (flin'durz), s. flenters, Barden. —mouse, v. e• wind; ontroering; oproer; dwangnagel. schimpscheut, set. breken, knakken; schenden. —less, a. vlekkeloos. Fling (fling). s. gaol, smak; Fling (fling') [tiling]. v. a. werpen, smijten (at, —y, a. vol bersten; vlekkig. (clown) nederwerpen; verwoesten. (in) aftrekken. trlawal (bland), a. dronken. van het spoor (off`') rekening brengen. niet in FIOAVVI (!loon), a. vlade. brengen. (out) uitwerpen; verbreiden, anon ongen R n inwter (flao'tur), a. blooten (huiden) v.u. slaan, stollen. (up; ow,, even, laten varen. itsx tfleks'). a. vla, — brake, — break, vies. sehoppen, spartelen. (at) slaan naar; steken frail, — coot, vlashekel. — dresser, vlalhekelaar. rich terugtrekken, weganellen. (away) geven. —raising, vlashouwer..-growing, 9, ,,neee, --raiser, (out) echteruitalaan. —er, s. werper; stekellg vlasle•a, —seed, lijnsaad. —weed, vlaskruid, —eta memch. — y, a. vlaasen, vlassig; blond. rill,. Flint (flint') s. vuurateen, tel. —glass, snort van Viny Iftee'i, v. a. villen, aftrekken. — hearted, a. hardvochtig. —ware, fena. vloo. —bane, — wort, vlooikruid. kristal.aardewerk. —y, a. keiachtig; hardvochtig. gelseb ._ bile, vlooheet. —bitten, door vlooien gebeten; Flip (flip), s) drank van bier, brandewijn en sulker. m e ocbtelijk. (flip'pen-sih), —Ness, s. radheid van IF/EPP.. Vice.14, (tliek)„ vlokje; vlechtje. tong; snaakschheid. —t, a. —fly, ad. rad van 1 , 1,8,1. (111,m), s. laatalijm, lancet. tong; snaeksch. —t tongue, gladde tong. ;Fleck (hole), —er, v. a. be.spikkelen. (flert.'), R. snelle beweging; atreek, poets; be• Flirt v. a. met vederen (110.zj). a. vlugs. haagziek mei*, lichtekoot. —silk, floretAide. —, (vIeugek) voorzien. v. a. anal hewegen (werpen). (out) uitflappen,—., itlie) Medi, v. u. vlieden, vluehten. n. (about) ronddartelen; been en weer dribbenet, e (flies') s. schapevacht; golden —. gul- v. len; steken geven (at); de behaagzieke spelen. den vile'. —e, v. a. scheren; efetreopen; pins- —ation !-tee'sjun). a, +(virile hewegtng; beheagderen. — er, rs, ,eheerder; nifzuiger. — y, R. seeht, coryneiterie.

Mating, v. tannin; grinding; raving, musing, dotage. in de - semen, to hoot at; to make a foal of. in de -- zUn, to be mistaken. makes, to make a scene. Mesikear. Mailkande•, yaw. one another, each other. door -, zie Doormen. andre -, among them, together, halter-skelter, confusedly. Matte Jan, in. hena-cart, truck. -nzo(en, round - about, carousal. Ptlerilen, on. w. to tool, to daily, to jest. Mailer, in. moulder. 101n1141neld, v. foolishness, folly. Mat loot, v, silly girl, foolish creature.
Yacht (jot'), a. jacht (vaartuig). —ing, a. het yucca in ten jacht. Yankee (jeng' i), a. Yankee (scheldnaam der Noord-A merikanen). Yap (jag), v. n. ketren. blaffen. • Yard (jaard'), a. hot, plein, werf; (eugelache) el; ra. —arm, nok der ra; — and —, ra tegen ra. —arm-block, oorltbtblok. —arm-horse, nokpaard. —batten, stoolacheal, —boat, aloeplooda, —chain, rakettint. raklamp. —gate, plaatsdeur, hofpoort. —hoop. rabeugel„—land,hoeve. —leech, ralijk. —rope, klaplooper, jolletouw. —stick, —wand, ellestok. Yarn (jeer'), a. —1y, ad. v: ug, vaardig, gretig. Yarn (jas,rn"), a. garen; sajet; dread. bottom of kluwengaren. —beam, kettingboom. —reel, gale?". winder. wantstrop. Yarr (Pm). v. n. knorren, brommen. itazieow (jer'ro), s. duinendhlad. Van p (jitop), s. geschreeaw. —, v. r schreeuwelt. Yaw (jao), a. glaring. —, v. n. waggolen; Wren. Yawl (WO, a. jol. —, v. n, Zie to Yell. Yawn (jaoo'), a. gegeenw; opening; gaping. —, v. n. geeuwen; gapen; verlangen (for). —er, a. getaway. —ing, a. het geeuwen, —ing, a. —ingly, ad. geettwand; slaperig. -Voted (i-kied9 ), a. gekleed. Yelered (i-klept'). a. gettoemd, geu eared. Ye (ji , pr. pl. van Thou; gkj, gijlieden. ( se, ji), ad. ja, zskar.
BYE—CAL. wer. —street, achteratraat. —view, bijoogmerk. opjager lin eene veiling.). —dist, tusschengereeht. —way, geheime weg. —wipe, steek onder water. —end, bijo3gmesk. —gains, buitenkaneje; vernal. —word, spreekwijze. —gone, verleden. tear. —name, bijnaam. —path, bijpad. —place, eenzame pleats. —road, Bye ibaj), good —, gaeden dog; vaarwel. (Oorspronkel.: good of Gcd be with ye.) btweg. —room, aciaterkamer. —stander, toeschou-
42f; BUI.—CAL Buitetssiogel, tn. outer-rampart. —vooge14, castellany. —create, astellan lady. —wal, rampart, canal. Buttensteande, bw. abroad Bulionolsalt en, ov. w. to exclude. —ing, v. Burigenseester,m.burgoniaster,mayor.—serosto, exnusion. mayoress. —10, bv. di bw. like a ourgomaster, Buteenspo , r1g, be. & bw. extravagant (-ly), consular. with authority. —eckap, o. office (digexorbitant (-1y), --hell, v. extravagance. nity) of a burgomaster. Burger, in. citizen, burgess, commoner- —deers, Bun taxisproing, KA. digression; false step. —doehter, —meisje, girl of the middle close. Bultenetston, un. w. to stand witbcut, to withdraw. —desspd, —tin, civic virtue, civism, public spirit. Bultenstakei, v. suburb. —draeht. —kleeding, dress of the middle class. —red, civic oath. —halt, house of a citizen. Bultenste, by, outmost, outermost. —, o. outOde. —jongen, boy of the middle class. —]shrews', wOman of the middle class. —hashes, Bli „rlte.saattlde, bw. out of season. kott, —pot, ordinary fare. —kind, child of the Bultearesel ar, m. gentleman-governor of tits general concerns of an hospital. middle class. —honing, citizen-king. ---tti)g, Bilittillita WILK, o. country-house, -seat. —oor/og, civil (intestine) wry. —kroon, civic Buitenwainria, bw, outward. crowns. —leven, private life. —lieden, citizens, people of the middle clans. —man, man of the filuitenwarbt, y. advanced guard, outguard. Buitensveg, rn. outer-road. middle class. sit, cotnmooer. —pliekt, citizen 'a Bullenwerk, o. outwork; tillage. —en, o. my. duty. —rectal, citizenship, civil law. —regeering, popular government, democracy. —school, cityoutwork,. —a, bw. without the clear. school. —stand, clasa of citizens, middle slats. niteuzUde, v. outside, exterior. Butter, m. freebooter. —trent, common-way. —trots, pride of the middle clays. —trouw, allegiance. —railer, father of aiukk en, on. w. to bow, to stoop; to submit. —log, v. stooping, submission. the citizens. burgomaster. —world, national Butts, V. nil,. —Loom, box, box tree. —kogel, guard, train-bands, —wet, civil law. —soon, son rifle-ball. —ectieter, of a citizen. —achtig, bv. citizenlike. —es, v. eitess. —, v. citizens. —49k, by. & bier. citizenBull, v. ball. like, civil; plain (-ly), common (.1y). —ackap, m. buil. —hood, bull-dog. —katf, bull-calf. v. citizens; o. eitizenabip. —oa, gelded bull, bullock. bug-bear. Burnie, v. barrow, baud-barrow. —lepeee, b til l's-pizz le. Bolder star, nn. blusterer. —en, on. w. to rage, Bus, v. box, urn; barrel, rifle, arquebuse. in de — Oaten, to pry (a fine), to come-down. —bewaarto bluster, to roar. —bast, m. blusterer, swearer, —ig, or. boiat,rous, blustering. —ing, v. raging, der, koeper of a box. —draper, box-carrier.—Pieter, gun-founder. arsenal.—hruit,gun-powder. blustering. —*stetter, reaster-gunner. —sclaieter, musketeer, Bunten, on. w. to low. to bellow. rifle-man. Buluter, v. bolate;, pillow, cushion. Bull, m. bunch, Minors boss, bump. —Popper, Bussed, an. Zie Bundel. —en, ov. w. to bundle ' to tie up into bundles. —rnaar, planisher. —os, bison. —sate, straw-bed. in. hump back, —acht4/, by, hump-backed, crook- But, v. bidon, can Butoasr, In. bittern. ed bv. bunchy, humpy, bonny. Buena', m. neighbor. —dochter,—Ineive,veighboring Hen it, v. trunk, lass. —jongen, neighboring lad. —kind, neighbor's m. bundle, truas; bottle; elleaf, fasces. child. —laeden, neighbors. —man, neighbor. iittudtar,o. hectare. —practje, neighborly chat, gossip. —vroato,neighlaunztrtg, un. bor. —akuis, neighboring house, next-door house unclit , Zie Burg. Buren, on. w. to visit one 's neighbors, to be —echo's, a. neighborhood; hamlet; good intelligence among neighbors. neighbors, to be ne!ghborly. Burg, In. borough, cattle, stronghold. citadel. Ber urrt, v, neigborhood; hamlet; ward, quarter. —bock, register of a ward. —briefje, notice to the —groat, burgrave, si , caunt. —groafeekap, burgravta te, yiscouotahip. —gravin, burg ravine, inhabitants of a ward. --hoer, gentleman of a hamlet. —tneester, warden; head of a hamlet. viacountess. —kook, dental. —mop!, castellsn.
Poll (pool'), s. achterhoofd, hoofd; naam-, kiezerelijat; getal sternmen; inschrijving der stemmen. —cattle, ongehorend see. —money, —fan, hootdgeld. —, v. a, toppen, sneelen, schema; berooven; stemmcn opnemen; stemmen. Poll and {pol'hurd), a. geanoeide boom; gesnoeid muntstuk; grintmeel. —en (-lila), a. stulfmeel, bloemstof. —eager (-Ian-dz.jur), s. hat-, rijahout. Polley. (pool'ur), a. sn.oeier; plunderaar; stemmer. PoilleitatIon (pol-lie-i-tee'sjun), a. belofte. Pella tee (pal-ljoet'), v. a. bezoedelen, bevlek• ken; serontreinigen; bederven. —tednela, a. bevlettheid, bezoadeldheid, onreinheid. —ter, a. bevlekker; verontreiniger. (-loe'sjun), s, bezoedeling, bevlekking; verontreiniging. Peat (poolV), a. slag, stoat. —foot, horrelvoet. —footed, a. mot krornme voeten. Poltroon (pol-troen'), s. lafaard; laaghartige. —cry, e. lafheid; laagbartigheid. Poly (pa'lih), a. Zie Poley. Poly an dry (pol-i-en'drib), s. veelmannerkj. —thus (-thus), a. aleutelbloem. Poly earthy —eraey (-kre-sih), a. veelhoofdige regeering. —direst (Area), a. van veelzijdig nat. Polygoca 1st (po-lig'e-mist), a. voorstander der veelwijverij• —y, a. veelivijverij. Poly gearchy (pori-gaar-kih), a. veelhoofdige regeering. —plot (-glot), a. in vele tales; e. weak in vele tales. Polygon (poll-gni), a. veelhoek. —al (po-lig'un-nel), a. veelhoeing. Polygraph (poll-gref), a. seelsehriiver took een werktoig). —y (po-lig're-t1h), a. geheimachrlykunst (met ctjfers), Polyberly at (pol-i-hi'drel), —out, a. veelnijdig. —on (-droll), a. veelzijdige polymath y (pa-lirn'e-thih), a. veelvreterij. Poly petalona) (pol-t-pet'e-lug), a. searoladerig. —phonic (•fon'alt), a veeltonig. Polypody (po-li ro-dih), a. boomvaren. Polyp ono (pol'i-pus), a. poliepachtig. —ut, s. poliep. Poly spermous (pol-i-epuernue), a. yeelzadig. -.syllabic (-sil-leb'ik), a. veellettergrepig. --syllable (-sil'11b1), a. veellettergrepig woord. —technic (-tek'nik), e. van vele kanten, polyteehnisch. Polytbe laws (pol'i-thai-lzra),B.veeigoderij, -let, e. aanhanger der veelgoderi). Pomace (purn'es), a. appeldrab, elderdroesem. —ous (po-mee'sjus), a van appelen; appelaehtig. Ponta de (po-meed'i, —turn (-meelum), s. pomade. Pomander (po-men'dar), a. reukbal. Pot.. (p.m), s. appal; kernvrucht. — citron, ettroenappel. —granate, granaatappel. — paradise, paradtisappel. —ray (pum'roj), koningsappel. —water (punt, 1. koolappel. Porniferons (po-mirur-us), a. appeldragend. Pommel (pum(roil),e. degeuknop; zadelknop. —, v. a. afroseen; platen. Pea cap (PoznP'), r, praCht, pnalvertoon; holster. —et (-it), s. inktbal (bij drlakkers). —ion (pum'pion). s. pompoen, —nutty iputn pos'it-till)„a.yronk- outly, nicht, boogdravendheid,

on. w. to shiver (van, with), to shudder (vest, at). roughness, uneouthness; plumpness, bluffnese; —leg, by. shivering, chilly; 'whimsical, freakish, bluntness, dullnem. —hada', v. mv. ab ielve capricious; fantastic, droll. —/igheid,v.chilliness; words. whimsicalness, freaklehness, caprleionsness; fan- Grol, v. silly tale, antic. —len ',taken, to play tasticainess, drollery. —ling, v. shivering, antler —lenmaker, antic, buffoon. —Zen, on. w, to grumble; zie Krollen. —lig, by. & bw. shiver. Grim, v. wrath, anger. —beAken, to show one's facetious (-Iy), foolish (-iy), silly ( fly). teeth. —Zech, malicious smile, grin, —/achen, to Groin, o. entrails (of a Ash). —pot, grumbler. Grommet en, on. w. to welter, to wallow. —in, grin. Grimes, y, grimace, antic, wry face. --‹en ma- be. weltering; dirty.—ing, v. waIlowing;dirt,rnire. ken, to cut faces, to 1)1 , Y antics. --serimakir, Groner"' en, ov. w, to gut (flsh);on.w. to grumble, buffoon, to growl, to scold. —ig, by. grumbling, cross; not well gutted. GrImmelen, on. w. to sworn. GrIntin en, on. w. to loam with raga, to roar; firmed, no. ground, floor; earth; field; bottom; to whine, to whimper. —cc, m. whiner. —ig, be. bank, shallow, depth; basis; principle- cause, & 9w. grim (-iy), furious. (-Iy), wrathful (-Iy). reason. in den —, thorough:y, entirely, radically, perfectly. in den. — boren, to sink, to run down. —4, held, v. wrath, wrath/One., rege, anger. GrIoniken, on. w. to neigh; to sheer, to eunper. to —e gaan, to 'sink, to founder, to be ruined. Grine, v. second flour (of buck- wheat); gravel, to —e richten. to ruin, to undo. —beginiel, principle. —belasti up, grit. —weg, gravel-path. ground-tax. —bestanddeel, fundamental part. —bew(ys, principal proof. Grist en. no. w. to pilfer. —er, in. pilferer. Greet', v. furrow, channel, groove, noteh; grave; —break, breach in a dike. —brief, mortgage. schattine, ground-rent. —eigenaar, landpit, quarry. — *jeer, groovl.g-tool. —werk,chati- holder, landed proprietor. —eiyandoni, real estate, melted work. Groel, m. ;growth. —kracht, vegetation, vegetative landed property. —gebied, territory. —gebouw, faculty. —en. on. w. to grow; (in) to delight in. foundation. —petal, cardinal number,- —haak,gaff, —ing, v. growing, growth. —eel, rr.grov th,—zaam, boat'ehook. —hem landlord, lord of the manor. by. favorable to vegetation. —zaamheid, MAY.- ground-ice. kleur, prime color. —kundig, knowing all the shallows. —Teen, fief. —leer, funabtenees to vegetation. Groan, by. green; unripe; verdant; young, unex- dementsl doctrine, principle. —/egger, founder. o. green, —legging, foundation. —lea, zie Groqdroorel. m. novice. green-horn. perienced. — corrosalc, first cause. —peal, stake to build upon. —color; greens, vegetables; verdure. --beer,—man, —verkeoper, herb-man, green-grocer. —boerin, —paeht, —rente, ground rent. —repel, principle, —verkoopster, —cream, herb-woman. —haring, fundamental rule,axioru.—recht,rights of a mono' green herring. —kelder, cellar where green* are —sap, —sop, grouuds,dregs,sediment.—scheiding, to be had. —mand, green-basket. —markt, herb- dernarcetior► . —slag, basis, foundation, ground. market, green-market. —meisje, girl that sells --vtlenefoundation-stone.—stelling i aitlommaxinr, greens. —noes pot-herbs, green, —tuin, kitchen- —stem, bass. —atof,ele (gent; raw material. —t aal„ cantharie. original !anima? —teekening, plan, ichnography. garden. —wink, green green-shop. —achtig, be. greenish. —en, —tekst, original text. —torn, tonic, key-note, funon. w. to grow green, to sprout out. —heed, v, dements"! tone. —touw,relievinte rope.- -trek,primgreenness. —ig, by. greenish, verdant. —igheid, v. itive 'stroke, — trait, cheracterietic solid, firm, —verdeeling, division of grounds; primitive greeniehnees, verdure. —ling , no. green-finch. Groente, v. verdure; greene, pot-herbs, vegeta- division, diatrieution, —verf, prime color, —terven, to prime. —rest, foundation, fundament,baee. • -soep, soup with greens. Groen —vesten, to found., to ground, to ley the foundaVoor de verdure samenstellingen zie onder tion of. —nester, founder. —vesting, foundation. Grevereitje, o. novice, green-horn; bergamot. —viable, surface, Area, ground-plot, base. —weer(Cree ► , v. group, cluster, crowd; ditch, trench. held, fundamental truth. —werk, ground-work. - eeren,ov.w. to group. Greet, m. greetlrg.oalutation,bow, salute. —en, --wet, fundamental law; constitution. —mord, tvr. w. to greet, to salute, to 'aow to; to take primitice word, radical. —cl a m. —elingon.grouudleave. tic gruel a, adieu! farewell I greet hem van ling. —neon,, by. groundless, bottomless, unfath' msj,remember me to him,preeent my CO ► plitnenrm omable; boundless, inexhaustible, infinite; un(reepects) to him. —eerie, v. salutatio ►., compli- searchable. —eloosheid. v. groundleneness; unfathmente, respects, remembrance. omable depth; boundleeeness, infinitude. —en, Groev e, v. Zie Groef. —en, or. w. to reeve. ov. w. to fouled, to ground. to lay the foundation of, to hue, to prime (Wee/lade', ; on. w. to sound. Groeso, v. first verdure. Grof, be. & bw. coarse (-1y), roogl ► (-1y), uncouth —ig, b v. & bw. fundamental (-1y); thorough (-1r), solid (-1y), profound (-Iy); tasting of the mud. (-1y); plump (-1y), bluff, blunt (-1yo dull (-y); great (-1y). grove fast. groins fault, blunder. — —igheid, v. solidity, profoundness, radicality. geschut, heavy guns, ordnance. grove stem., hellow Groot, o. groat. hall a sliver; wholesale; largevoice. — spelen, to play deep. Alj maakt het to —, hand. in het —, wholesale. de —en, the great. een he goes too far. —grein, grogram. —Wag, cor- spaarisc' d —e, a grandee. —, ha. great, large, big; palest, plump. —/iivigheid, corpulence. —sekrift, bulky, capacious, roomy; tall, high; grown tip; large.hand. black-emith. —echtig, by. important, renowaed, grand, eminent. —e letter, rather coarse, — groan. —held, v. coarsenese, capital (letter). — ear, good hour. — secedes,

Wat is Binance waard


Corlft‘w (kur'fjoe), 9. vuurselt,m; aven n Nlok Curvet (kur'vit, kur-vet 1 ), a. courbette, korte (your he, nitdooven van liCht n vuur). sprung (van een paard), poets, klucht. v. n. CuriaIlt7. hofrecht. courbetteeren, springen; losbandig zijn. Curing-I , use (kjoe'rieng-), s. raftineerderij. Curvilinear (Itur-vi-ling-er), a. kromlijnig. Cu riosi t „ (kjoe-rt-os'it-tib), s. nieuwsgierigheid; Curvity s. gekromdheid;gebogenheicl. zorgvuldr held, netheid; merkwaardigheid. Cushion (kusrun), s. kussen. —ed, a. van kusCurious (kjoe'ri-us), a. —1y, ad. nieuwsgierig; sees voorzien; op een kussen gezeten. zorgvuldig, net; merkwaqrdig; streng; § uitste- Cusp (kusp'), s. punt; hoorn (van de mean). —idol kend. —ness, s. nieuwsgierlIgheid; keurigheid ; (-pt-del), —idated (-pi-dent-id), a. puntlg, gespitst, netheld. Custard (kus'turd), s. vlade. Curl (kurl'), s. krul, kronkeling, golving. —, v. a. Custo dial (kus-to'di-e1), a. toezicht of voogdij oprollen, winden, in de brut zetten; v. n. krul- betreffend —dy (kus'to-dih), s. opzicht; bewalen, kronkelen. —iness, s. krulligheid. —ing, s. ring; hechtenis. krulling. —ing-iron , krulijzer. —ing-papers , Custom (kus'tum), s. gebruik, gewoonte; nering; papillotten. —y, a. krullend, kroes. tol (inkomend en uitgaand recht). —free, tolvrij; Curlew (kueljoe), s. wulp: kemphaan. vrij van rechten. —house, tolkantoor; kantoor Curmudgeon (kur_mud'dijun), s. vrek. voor in- en utigaande rechten. —house-officer, tele. vrekkig, inhaiig. beambte. —abte, a. gebruikelijk; b laotbe Currant (kur'rent), s. krent; aalbes. —ably, ad. gewoonlijk. —arily (-e-r11-11h), Currency (kur'ren-sit), s. geldsomloop; koers; gewoonlijk. —arineas s. gebruikepapieren geld; gangbaarheid; welbespraaktheid. —ary (-e-rih), a. gewoonlijk; gebruikeCurrent (kur'rent), s. strJors; loop. —, a. —ly, lkjk. —ary laws, handvesten, keuren. —ary, s. ad. loopend; algemeen, in zwang; gangbaar, handvestenboek, keurenboek. —er, s. klant. geldig. —nest?, R. omloop; geng'beerheid, welbe- Custos (kus'tos), e. bewaarder; zegelbewaardee; spraaktheid. archivartus. Currlele (kuerikl), s. loop; cabriolet. Custrel (kus'tril), s. schild-drager; trosboef. Currier (fluent-or), we looter. (kut') s. suede, houw, kerf, steek; slag; afCurrish (kuerisjI, a. — ly, ad. knorrig, norsch. Cut snijdsel; strookje papier; overloop (op spoorwes. norsehheid, hondschheid. gen); gegraveerde pleat; fatsoen, anode; afneCurry (knerth), v. a. looten; roskammen; af- ming der kaarten; r11112; MIL 5 verwijt, berisrossen; vicien. § — favor. flikflooien; zich in ping. — and long tail, van allerlei slag, elleiemands gunst dringen. —comb, roskam. gaartje. § to draw —s, loten. —beard, scheermes. Curse (lcurs'), s. vloek, verwensching; plaag. —, —purse, zakkenroller. —throat, s. moordenaar; v. a. vervloeken; v. n. vloeken. —d, a. —dly, ad. a. bloeddorstig, moorddadig. —water, setteg. verwenscht, verdoemd. —dness, R. verwenscht, —work, verdoemd. —dness, s. verwenschtlweid, vervloekt- dronken. doorbroken werk. —, a. aangescholen, held. —r, s. vloeker; verwenscher. Cut (kut) [cut], v. a. snijden, houwen; afnemen Curs !tor (kur'si-tur), s. kanselarij-schrbver. (kaarten); strijken (een zeil), mijden. — capers. a, loopend, vloeiend. bokkesprongen maken; § zich belache'ijk aanCursor ily (kur'sur-ii-iih), ad. ter loops. —inesz, stellen. § — a dash, — a swathe, groot front s. vluchtigheid. —y„ a. vluchtig; oppervlakkig.f slaan. — a figure, eene (goede of slechte) figuur Curst (kurst',., a. kribbig, boosaardwe; verfoeie- maken. -- lots, lutes. — teeth, tanden krijgen. 113k, —ness, g. bitsheid; boosaardigheid; afschu- — short, in de cede vallen; bekorten. — small, welijkheid. klein snijden. (down) omhouwen, vallen; overCurt (kurt), a. kort; afgekapt. treffen. (off) afsnijden; uitroeien; wegwerpen; Curtail (kurleel), a. besnoeid, gekort. —dog, ultsluiten; tot zwijgen brengen; afschepen. (out) kortstaart (hoed). —horse, kortstaart (pound). uitsnijden, uitknippen; kitten; uitdenken; (kur-teel'), v. R. besnoefen, korten, afsnijden. sluiten; overtreffen. (out of) verdringen uit; be- er (-teel'ur), s. afsnijder, besnoeier. rooven van. (up) voorsnljden; versnijden; verCurtain (kur'tin), s. gordijn; middenwal; scherm. ntetigen; ondermijnen; streng laken, krenken; —lecture, bedsermoen. — rod, gortlijnroede. to draw aanleggen (wegen). — to the heart, diep krenken the —, bet gordijn op- (ook: dtcht-) trekken; vie (with), to be — up, door verdriet verteerd wonzaak bloot leggen. to drop the —, het gordijn den. —, v. n. snijden; strulkelen; steigeren; laten vallen; de zonk verbergen. —, v. a. met doorkomen (tanden); § wegloopen. gordijnen behangen. Cutaneous (kjoe-tee'ni-us), a. vellig, de huid Curial (burial), R. bekort; afgesneden. s, betreffend. distempers, huidziekten. kortst,,art, holsteart. Culls It (kjoe'tikl), s. opperhuid; sites. —ular Curtation (kur-tee'sjun), s. verkorting; vermin- (-twit'joe-ler). a. tot de huld hehoorend. daring. Cut lass (kut'less), a. hertsvanger. —ler, 5. InesCurtliage s. voorplein; erf. senmaker. —lery, s. messenmakerij. Curtsy (kuresih), s. bulging. to drop a —, bulges. Cutlet (kutnit), s. karbonade, cOtelet. Curva ted (kur've-tict), R. gebogen; krom. —tion Cut ter (kut'tnr), s. snijder; vechtersbaas; zak(-vee'sjun),s. ombuiging, kromming. —ture(tjoer), kenroller; snijtand; kotter. —tiny (-tieng), a. bulging, kromming. dend; bijtend; s. afsnijdsel; afzetsel; loot; overCurve (kilrv), R. gebogen, krom. s, krorn- loop (op spoorwegen). ming; kromme fijn, —, v. R. ombuigen, krommen, Cuttle (kut't1), s. vnilbek, —fish, inktvieeh.
voile neef. Cove (koov), a. kreek; afdak, schuilplaats. v. a. welven, overdekken. Covenant (kuv'e neat), a. verdreg, verbond. —, v. a. overeenkomen, bepalen; v, n. een verdrag sluiten. —ee (-nen tie'), a. verbondene. —er, s. verbondmaker. Covenous (kuv'e nun), a. arglistig, bedriegelijk. Cover (kuv'ur), a. deksel, omelag; schuitplaitts; voorwendsel. 4 —clip, achol. apreideken. —, v. a. bedekken; dekken; bewimpelen; beschermen; bespringen. —ing, a. deksel, bedekking. Covert (kuv'urt), a. beschutting; schuilhoek; kreupelbosch. —, a. —ly, ad. beschermend, gedekt; argllatig. —ure ( tjoer). s. bedekking, bescherming. —way, bedekte weg. Covet (kuv'it), v. a. begeereu; (after) haken (ja. gen) near, all —, all lose, die 't onderste nit It ban wil hebben, enz. —able, a. begeerlijk. —ous, a. —ously, ad. begeerig, gierig. —mine., a. hebzucht. Covey (kuv'ih), a broedsel, vlucht; troep. Coypu (kus'in), a. kabaal. —one, a. bedriegelijk. Cowing (koov'ieng), a. laifel. Cow (kau'), a. boo. milch melkkoe. —blokes, gedroogde koemeat. —herd, koedrijver, § —hide, zweep, tuchtroede. —house, koeatal. —itch, stink, boom. —keeper, koehouder. —leech, a. koedoctor; v. n. koedoctor zijn. —parsnip, heelkruid. —pen, koeienhok. —pox, koepokken. —quake, koedrek. —shed, mergel. —'s-wort, koekruid. —weed, ker. vel. —wheat, koetarwe. —, v. a- bang maken. Coward (kauw'urd), a. —ly, ad. lafhartig. — , s. bloodaard. —ice (-din), —liness, a. lafbartigheid. Cower (kauw'ur), v. a. koesteren. v. n.neerhurken. Cowish (kauw-iaj), a. bevreesd. Cowl (kaaul), a. monnikskap; gab (op een' schoorsteen); watertob. Cowry (kau'rih), a. zeeschele. Coxcomb (koka'koom), a. fat, modegek; hanekern. —ry, a. verwaandheid; kwasterjgheid.
&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.
Nog lengen tljd na het versehtjuen wet de Grondhegintelen der Nederl.indsche Spelling, door Dr. Ta WINKEL in het !Mit gegevea, echeen de „nienwe epelting" niet dien Wei te vinden, dien vii later 'verwiert. De Plederlandsche teket van het aerate gedeelte van dit Woordenboek weed tins bewerkt volgens In algemeen gevolgde spelling. Inmiddels verklaarde such het Iqederlandeeh Onderwijzersgenootschap op de Algemeene Vergadering te Zierikzee noon eene spoedige invoering der verbeterde spelling op de seholen. Dose omstandigheid get den Uitgever aenleiding om het stuk der epelling in nadere overweging te nemen. Na rijp boned werd bseloten, bet tweeds ge. deelte van dit werkje (het eerste wan nagenoeg geheel atgedrnkt) in teriehten •olgene de spelling, aangenomen voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal. 3ledear de reden van de oegelijkvormigheid in de spelling der beide gedeelten. De Woordonlijnt van de Ileeren DE VRIES en TE WINKEL heett namelijk tot grondelag gediend. Dkjna al de woordon, die ztj bevat, zijn in dtt werkje opgenomen en bovendien can vooral eamengestelde, weike z mint en die oak in andere woordenboeken filet wooden aangetreffen. Men vergeltike eleehte, Vat dit laatete punt betreft, de eamenstellingen van half, handel, en.. en de woorden ontealekeurig, °Weyer., opyneting, oproerling, optreden, overlievolking, Po.lwia.ol • poet . **gel, stsalplaat, tante, toeschowteer, topstalar, toe, alien en vele ondere, die in goon woordenbost mopes ontbreken. Veor het beredeneerde gedeelte heert BOMHOFF'S Nieew •grout Woordenhoek der Nederlandeche Taal, eanbevoien door Dr. in WINKEL, uitetekende dienstert beworen. T. P. Xi den tweeden drnk is ook in het eeeete gedeelte voor do Nederlandsche •wobrden de spatting gevnlgd van na Vitus en TE WINKEL • H. W.

—ger, m. —star, v.announeer, notifier. —ging, v. anneuncement, notification. Annzell en, ov. w. to run foul (aboard) of; on. w. to sail (against); to come sailing. —ing, v. running foul (aboard) of. ANiti z et Ilea", m. ram. strop. —atuk, o. lengthening-piece. Annzet later, v .1Zie Akanzettec —ten, or, w. to place near, — (against); to add. to join; to impart to; to make lose; to rem In; to eharpen,to whet, to set, to strop; to push (to egg) on, to spur, to incite, to instigate; to adulterate, to scum; on. w. to burn, to stick (to); homes —, to approach. —ter, m. sharpener; inciter; instigator, abettor, setter on; rammer. —tiny, v. sitarpetting; infection; instigation. Annnien, o. look; sight; appearance; distinction, credit, quality, consideration. van —, by Melt. ten — sac, with respect to; in sight of. rich het germ ran, to assume the air of. tondo. — des pereoons, without acceptance of persons. —, or. w. to look at, — upon, to consider, to regard, to take for; to bear, to suffer; to take Into consideration, --or. m..looker- on, spectator. —bah, by. & le w. considerable e•bly),conepicuous(ely); respectable (-b'y), notable (-ttly), of distinction, distin• gotehed. —liikheid, v. coneiderableness, conspie teoneness; respectability, distinction. Aanzljn, o. existence. Aft ozitten, on. w. to sit down at table. o. request, solicitation, application; proposal, suit. — does ern, to apply (to sue) for; to court. --en, ov. & on. w. to request, to solicit, to apply to (for), to one for. —sr, tn. applicant, me; suitor. —ing, v. Zie Antennek. Aftnzoet en, ov. A on. w. to sweeten, to duicity, to allure. —ing, v. duleilleation. Aanzutver en, ov. w. to settle, to pay off. —ing, v. settling, paying off. Aanztuiren, ov. & on. w. to sour. Annzwellen, on, w. to swell (up), to rise. Annxwemirreen, on. w. to swim fast. homey, —, to coma (to approach) swimming. Amp, m. ape, monkey; treasure. —achtig, be. A Irv. apish (-1y). —je, o. marmoset; trite, foolery. Aar, v. ear (ot corn). — m. Zie Aaler. Awed, m. nature, quality, kind, temper inclination, genius. /yard, v. Zie Aarde. —aehtig, by. earthy. — (wk. tigheid, v. earthiness. —alter, eavth•nut.—appel; potato. —hei, —bests, strawberry. —besekriever. geographer. —beschrijring, pography. earth•quake. —bewoner, earthling,te ortal.—bodem, earth, world. —tot, (terrestrial) globe. —boor, terrier, auger. —ewera, earthenware. —esaerker, potter. —eloerkstoinket, crockery-shop. —geest, gnome. —geseas, vegetable. —geed, ground-leftves. —gordel, zone, belt of the earth. —hers. —pet, bitumen. —hoop, heap of earth, mound. —kletsfig, earth-colored. —Monti', —kluit, clod. —kloot, sie Aftrdbol. —!Forst, crust of the earth. —auntie, geology. —kundig, geological. —lamp, layer. —mannetje, gnome; thrimp. —mule, field-mouse. —Root, earth-nut. —otie, petroleum. —rich, earth. —*/Witch-jiver, .—s #kakundige, geographer. —rtjaabesehrljeing, —rUksatstide, geegrephy. —age-
203 OPL•ORD. Opnice (op'i-11s), a. handenarbeid. —r (o-piPi- Oracle (or'ikl), s. orakel, godspraak. au?), s. handwerkstran; kunstenaar. Oracul ar (o-rek'joe-ler), a. —arty, ad. -a 148, OpIn able (o-pajn'ibl), a. denkbaar. —ation (op• a. orakeiachtig; beslisrend; raadselachtig, dabi•nee'sjun), s. meeaing. —ator (-pin'ee-tur), a. belzinnig, sttjfkop. — e, v. n. meenen. --iative i-e tiv Oval (airs!), a. —ly, ed. mondelins. a. stiff boofdig, eigenwijs. Orange (or'indzj), a. oranje-. a. oraoje; -boom, Opinion (o-pin' un), a. meening, gevoelen. —ated -appal; sinaasappel. —chip, echijfjevan eon' (•eet-id), —afire (-e-tie), —ed (-jund), o. stijfsinaasappel —flower, oranje-blotesem. —house, hoofdig, eigenzinnig. —ist, a. stijtkop; eigenoranjerie. —lily, oranje-lelle.—man,sintees-appelzinnige. verkooper..—musk, oranje-peer. —oil, oranje-olie. Opiparous (o-pip'e-rue), a. prachtig. —peel, oranje-schil. —anuff,oranje,enuif.—tawny, Opines (o'pl-um), a. opium. oranje-bruin. —tree, oranje-boom. —water, Opietree (o'pl-trie), a. watervlier, sneeuwbaloranje.bloesemwater. —woman, sinaas-appelverboom. koopeter. —ade (-eed'), a. oranje-ilmonade. —ry Opo balsam (op-o-baol'sum), x. balsum van (-er-ih), s. oranjerie. Gilead. —deldoc (-del'duk), a. opodeldok. Oration (o-ree'sjun), e. redevoering. Opossum (o-pos'hum), s. buideirat. Orator (or'e-tur), a. redenaar, apreker; ether, Oppldan (op'pi-den), a. stedeling. sant. --ial (-to'ri-e1), —ical (-tor'lk1), a. wetOppignerate (up-pig'nur-eet), v. a. verpenden. sprekend; redenaars-. —io (-to'ri-0), a. oratoriu m. Oppila te (op'pi-leaf), v. a. verstoppen —tion —y, a. welsprekendheid; bidkapel, -vertrek. (-lee'ejun), a. veratopping. (-le-tiv), a. ver- Orate ess (or'e-tress).. —ix (treks), a. redenaarstoppend. ster, epreekater, woordvoerdater. Opponen ey (op-po'nen-sile), s. tegenwerptng, Orb (orb'), s. bol; ioopbaan; omloop; krinK• kogelvisch. —, v. a. ronden, tot eon' cirbestrtding. —t, a. tegenstrevend; s. tegenetrever, bestrijder. kel vormen. —ate (-et), a. beroofd, varier-. kinOpportun e (op-par-tioen"), a. —ely, ad. sunderloos. —ation (-bee'sjun), s. beroofdheed (von sets, geschikt; ter gelegener tijd. —sty, s. galeoudera of kinderen). —ed 1,-14, orbd), a. cord, genheid; gunstig oofeenblik. cirkelvormig. Oppose (op.pooz"), v. a. tegenstellen ( Ca); we- Orbicula r (or-birjoe-ler), a. —rly, ad. —te derstaan; beetrijden; te keer germ; v. n. zieh I-let ) , a. bolrond, eirkelvormig. —tion verzetten, tegenwerpingeo maken , (against)—less, ( -lee'sjun), a, bolrondheid, ctrkelvormigheid. a. onweder8taanbaar. —r, a. tegenatrever. Orbit (or'bit). a. loopbaan; oogholte, —al, —ual (-bitioe-e1), a. van eon' kring of eene loopbaan. Opposi te (orpo-zit), a. —tely, ad. tegenovergeMeld; strOdig; tegenover (to). —teness, a. tegen—ude 1-tjoed), —y, a. ouder-, kinderloosheid. gesteldheid; tegenatrijdigheid. —tion (-zisj'un), Ore (ork), a. noordkaper. a. tegenstend: tegenspraak; tegenstelling; tegen- Orebanet (or'ke-net), a. roode ossentong (plant). 'Nutt. —tionist (-zisrun-ist), a. oppositee-man. Orchard (or'tajurd), s. boomsaard. —tire (-pozl-tiv), a. tegen te etellen. Oreheste al (or'kes-trel), a. van het orchest. Oppress (op-pres'), v. a. drukken, onderdruk--tre (-tut), s. °reheat. ken. —ion ( preeyun), s. druk, verdrukking. —eve, Orchis (or'kis), a. standelkruid. a. drnkkend, verdrukkend. —ivenese, s. (het) druk- Ordain (or-dean'), v. a. afln-, inatelles; verordenen, bepalen; ordenen. —er, a. die verordant, kende. —or, a. verdrukker. Opprobri one (op-pro'bri-us), a. —mealy, ad. instelt, ardent. achandeltk. —ousness, s. schandelijkheid. —um, Ordeal (or'di-et), e. godscordeel. fire —, s. schande, sneer. proef. water —, waterproef. Oppugn (op-pjoen'), v. a. beetrt den.—ancyl- pug , Order (or'dur), a. ovde; rang; order; bevel, last; nen-sih), s. bestrijding. —er, a. beatrijder. bestelling; maatregel. in —, ten elude, —. v. s. regelen, inrichten; verorden en; bevelen; bestelOpsimathy (opositn'e-thih), te. late opvoeding, len; ordenen; v. n. bevel seven. —er, a. echikaanleering. Opta ble iopttibI), a. wenschelijk. —tion (tee , ker, inrichter. —less, a. ordeloos. —lineal i-li sjun), s. wensch, begeerte. —Cave (-te-tiv), a. nets), a. ordelijkheid —ly, a. & ad. ordeltik, wennchend; — mood, wenschende wijze. geregeld. —a ((durz), pl. geesteltke stand; to take —, de wijding ontvaneen. Optic (op'tik), e. geziehtswerktuig. —, —al, a. gezichts-; gezIchtkundig. —ian (-tipj'en), a. ge- Ordin al (or'di-nel), a. rangazhikk'nd; a. ordebook. rituaal; rangachikkend telwoord. —ance ziehtkundige. —a, pl. gezichtkunde. (-nens), a. verordening, voorschrift, regal. —arily, optim acy (op'ti-me-sih), a. adel. -inns (-mizm), ad. —any, a. (.ne-rih-), gewoon, middelrnatis. a. optimiamus. —eat, a. optimist. —sty it-tih), a. uitnemendheid. —ary (-ne-rlh), s. geestelijk rechter; bisachop; gevangenisprediker; gewoonle; gewoon ambt; Option (op'ejun), a. kens, verkiezing. —al, a. gaarkeukeh; maaltijd;prija van can maal;physician van kens afhangend. Optonneter lop tonri-tur), s. gezichtmeter., in Warts; professor in —, gewoou leeraar; ship in opgelegd rchip. —ate (-net), a regelOpulen ee (oploe-lens), —cy, a. rijkdorn. —t, matig; a. ordinaat (lijn). —ate (-neet), v. a. vera. —Hy, ad. ?Ilk, welgesteld; overvioedig. ordenen, bepalen. —ation (-nee'sjun), s verorOpuscule lo-pus'kjoel), a. werkje. dening, bepaling; ordenina. , wijdInT. —ative Or (or), conj. of. — else, enders, of wel. (-ne-tiv), verordenend, bevelend. Oracle (or'ek), a. melde.
PRE. 232 (-tjoe-us-), a. Terwaand, vermetel. eteden, indienen, presenteeren; aangeven; (with) waandheid, verrnetelheid. begiftigen, schenken. —able, a. voorgeateld of aangeboden kunnende worden. —encase (prez-en- Presuppos al (pri.sup.po'zel), —itian (-ziej'un), tee'ni-us), a. snelwerkend. —ation (prez-in-tee'. s. vooronderatelling. —e (- pooz% v. a. vooron• ajun), a. voorstelling; aanbieding; vertoon; voor- derstellen. eracht ter benoeming.—alive (-e-tiv), a. vooratei- Pretence (pre-tens'), a. voorgeven, voorwendsel, aanapraak (to). boar. —ee (prez•in-tiel, a. ter benoeming voor- gedragene. —er, a. voorsteller; aanbieder; in- Pretend (pre-tend'), v. a. voorwenden. voorge(-zen'sjel), a. aanwezig. —iment ven, beweren; veinzen, v. n. beweren, voorgediener. (pri-sen'ti-ment),s. voorgevoel.— /y (preeent-iih), ven; zich aenmatigen; (to) aanapraak waken op. ad. aanstonds; ongenblikkelijk. —meat, s. voor- —est, a. voorgewend, gewaand. —er, a. voorwent,telling; sanbieding; aanklacht. der; pretendent. —ing, a. —ingly, ad. verwaand, Presery able (pre-zurv'ib1 ► , a. bewaarbaar. laatdunkend. —ation (prez-ur-vee'sjun), a. bewaring, behoud. Preten slop (pre-teu'ejun), s. aarspraak; aanmatiging; voorwendsel. —tious (-ejus), a. eonafire ( ette), --(dory (-e-tur rib), a. bewarend, matigend. behoedend; a. behoedmiddel. —e (aura'), a. in- gemaakte fruit; v. a. bewaren, behoeden (from, Preteriruperfect (pri-tur-im-purlekt), a. & a. onvoltnaakt verledeh loon); kontljten, inmaken. —er, a. bewaarder; behoeder; inmaker. —era (-urz), pl. coneervatie- Preterit a (prilur-it, prat'-) a, & a. verleden (ttjd). —ion (-loran), a. voorbljgang. bril. Preside (pre• zajd'), v. n. vooreitten (over). Preter lapsed (pri-tur-lepat'), a. verieden, verPreald ency (prezn-den-sih), s, voorzitterachap, I vlogen. —legal (- Wgel), wederreehtelidk. —mission weg-, uitlaten; oversiaan; verzulmen. —eat, a. voorzttter, president. —entship, a. voor- sitterachan, —er (pre zajd'ur), s. vooraitter. —ial, Preternaturel (pri-turtnetioe-rell, a. —ly, ad. tegennatnuribk- —nen, a. tegennatuuritikketd. —iary (pre-sid'i-), a. garnizoens-; een garnizoen Preter perfect (pri-tur-purlekt), a. 86 a. vethebbend. kee'ajun), a. maekt verieden (tijd).—p/uperfeet(-ploe-puefekt), Premises!' 'cation voorefgaande kennisgeving, —y (-sig'ni-faj), v. a. a. & a. merr dan volmaskt verieden (tijd). E Pretext (pre-teksi ,,, pri'-), s, voorwendsel. vooraf aanzeggen. Press (press') a. pee., klebrkaat; (het) pressen; Preter (prPter), s. pretor. —ial,—tan (pre•to'ri-), gedrang; drub; drang. in the —, ter parse. tot a. pretortaansch; reehterlijk--ship, a. pretorcarry a — of sail, elle zeilen bilzeten. to correct ',chap. the—, drakproeven corrigeeren —bed, sleapbank. Prett y (pritlih), a. —ily, ad. lief, aerdig, net, —copy, afdruk (van een brief, ens.), moot; tamelijk. —inns, a. iletheid, aardigheid. presgang. —man, drukker; werver. —money, —y, ad. tamelijk. handgeld.—potnt, tulle.—atick, persboom,—stone, Prevail (pre-veal'), v. n. he overhand hebhen persfondament. —work, drukwerk; druk, (against. over); heerachen, in twang Ain; geldig zian. Ion. upon, with) overreden. —one a self of, Press (presa'1, v. a. persen; uitpersen; drukken; zich ten nutte maken.—ing, a. heeraehend; krachdringen; pressen. (on) op het strand jagen. [upon) n. drukken; (zich) tig, veel vermogend. —meat, a. overhand, inopdringen; inscherpen. zich voortapoe- atreven near, ( on) vioed. driugen. (for) den. (a'., upon) zich moedwillig blootatelian aan; Prevalen ce (prev'e-lene, —ey, s. overhand, eervolgen; inbreuk maken op. —er, a. perser; overwichti herraching, algemeenbeid.— t, a. —tie. presser. —ing, a. —ingly, ad. dringend.—ing iron, ad. overwegend; krachttg; heerachend; geldig. persijzer. —ion (prearun), a. parsing, drang. Prevarica to (pre-yer't- keet), v. n. slinks to —are (preervr), s. drukking; persing; druk; flood;verb gaan, draaierijen bezigen; nitvittehten zoeonderdrukking; drang; indruk. I ken; tegen trouwen plieht hen delen, —tion (-bee'. Prent iprest'), a. opbrengst; leaning; —money, ejun), a. draaierij; pliehtverzaking, ambtsonhandgeld. —ation- (-tee' , Jun-) money, jaarlijksehe trouw. —tor, a. draaier, trouwelooze; plichtveropbrengst aan he bisechoppen, —er, s. bliksem- zaker. straal. Prevenient (pre•vi'ni-ent), a. voorgaand;ontvPrornd. k everani Preselg en (preslidzj in), pl. begooeheling; goochelarij. —iation ( i-ee'sjun). a. goochelarij; Prevent pre-vent'), v. a. voorkomen, verhindea. geochelaar; ten (from); vooraf ouderrichten, —able, a. to voorrnisleiding. —iator mislei der, —ions (-tidzyi•us), r. begoocheleud. tomen; verhinderbaar. bedriegeiijk. Preventer (pre-vent'ur), a. voorkomer; verhinPresum able (pre-zjoem'ibi, a. —ably, ad. ver deraar; borgtouw, perdoen. —baekstay, loose per moedel‘jk. —e, v. n. vermoeden, Vance; bet does. —bolt, puttinghout. —brace, borg op de waken, zich verstouten, de vrijheid nemen; (of, braneen.—cross-tree,stopzaling.—leech-line,uneer• on, upon) vertrouwen op;' etch inbeeiden; zich gording.—lift, loose toppenant. —plate, kapplaat. laten vooretean op. —er, a. vermoeder; verwaande. waar!oos tuig. —rope, berg, ophouder. —ing, a. taatdunkend, verwaand. --sheets, —shrouds, pl. borg op het want. Preaunapt ion (pre-zum'sjun), a. vermoeden, ay h,liolposzteesntgaegw .— inedtrrearp,.borgatrop. —tip-rope, onderstelling; verwaandheid. —ive, a. —ively, ad. borg, , vermoedelijk; aanmatigend, verwaand; vermetel- prevent ion pre-ven'sjun), a. voorkoming; yen-uous, a. —uously, ad, (-tjoe-us-), ingebeeld, verhindering; waarschuwing. —ional, a. voorko-
Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.
Dud geon (dttd'dzjun), a. kleine dolk; wrevel, duplikaat. —ate (-heat), v. a. verdubbeien; dubbel vouwen. —ation (kee'ajun), u. verdubbeling; wrok. —man, vogelverschrikker. toevouwing. —ature (-ke-tjoer), a. vouw; (het) Duds (dudz), a. lompen, vodden. dubbele. —ity (-plis'it-tih), s. valschheid; dubDue (djoe' ► , a. verachuldigd, vervallen; behoor- a. recht, eisch; schuldigheid, accijns, belhartigheid. lijk. impost. —, ad. joist. — east, vlak oost. —ness, Durability (djoe-re-bil'it-tih), a. duurzaamheld. Dura ble (djoe'ribl), a. —biy, ad. duurzaam. s. behoorlijkheid. —blenese, a. duurzaamheid. —tion (-ree'ajun), a. Duel (djoell), a. tweegevecht. —, v. n. duellee- voortduring; duur. ran. —ler, —list, a. duellist. Huge (diner'), v. a. deren. —ful, a. duurzaam. Dahlfer (duf'fur), a. marskramer, bedrieger. —less, a. vergankelijk. Dug (dug), a. tepel, uier. Duke (djoek'), a. hertog. —dom (-dum), a. her- Duress (djoe'rees), a. gevangenia; onwettige opaluiting. togdom. Dui° at (dul'sit), a. zoet; liefehjk, zoetluidend. During (djoetneng). prp. gedurende. —(jication (-81-11-kee'sjun), a. zoetmaktng. —ify Dusk (dusk'), —ish, a. —ily, —ishly, ad. schemera. achemering, half donker; achtig; duister. ( at-faj), v. a. zcet maken. —inter (-si-mur1, a. hakkebord. —orate ( kur-reet), v. a. zoet maken. donkerkleurigheid. —iness, a. vallende duisternis. Dull (dull'), a. —ly, ad. dot, somber; dam, bot; —ishness, a. schemering. —y, a. duisterachtig; lomp; loom, mat; droefgeestig, neerslachtig. somber. v. a. bot (dam, dor, traag, somber) maken. Dust (dust'), a. slot; gruis; vuilnis. —basket, v uil-brained, —headed. —paled, —witted, a. dam, niamand. —brush, etoffer. —cart, vuilniskar. bot, stomp. —browed, somber, ernstig. —disposed, —man, each- (vuilnis-) man. —, v. a. afatoffen; ziften; bestuiven. —er, s. staffer. —iness,s.stof. droefgeestig. —eyed, somber van uitzicht. —head, domkop. — of hearing, lhardhoorend. —sighted, ligheid. —y, a. stoffig; beatoven. kortzichtig. —ard (-lord), a. botterik. —nese, s. Dutch (dutsj), a. en a. liollandsch. — blue,lakmoos. — clock, koekoekaklok. con'cert, kattenbotheid; eofheid; loombeid; matheid. muziek. — courage, jenevermoed. — toys, Neu• Duly (djoe'lih), a. behoorlijk. renburger wear. — gold, klatergoud. Dumb (uutu'), R. —ly, ad. stom, sprakeloos. v. a. tot zwijgen brengen. —bells, halters. —found, , Dutch ass (dutaj'e;a), a. hertogin. —y, a. herv. a. Me Dumfound. —show, gebarenspel. togdom. Duteous (djoe'ti-us), a. —ly, ad. plichtmatig; —waiter, stommeknecht. —ness, s. domheid. Dum found (dum'faaund), v. a. tot zwijgen oppassend; gehoorzaam. brengen; overbluffen. —my, s. stomme; stilzitter § Dutiable (djoe'ti-ibl), a. aan impost (rechten) onderhevig. (in het ape!). Dump (dump'), a. droefgeestigheid; mijmering; Hut Mill (djoe'ti-foel), a. —(fully, ad. plichtbetreurzang. —8, a. vlaag van zwaarmoedigheid; trachtend, onderdanig. —ifulness, a. oppassendneeralachtigheid. —ish, a. droefgeestig. heid; onderdanigheid. —y, a. plicht; onderdaaccijns, recht; --free, vrij van knoedel. —y, a. droefgeestig; gczet, kart en dik. nigheid, Dun (dun'), a. donkerbruin; somber. —, a. ma- rechten; to be upon —, de wacht hebben. ning; matter, beer; weep; aardhoogte. —, v. a. Dwarf (dwaorn, a. dwergachtig; —tree, dwergboom. --, s. dwerg. —ish, —y, a. dwergachtig. mitten; kwellen. —bee, i brems. —bird, roodhals. —fish, gale kabeljauw. —neck, grasvink. —ner, —ishness, a. dwergachtigheid. Dwell (dwell') [gteettl, v. n. woven, vertoeven; a. manor; kweller. (upon) stilstaan bij. —er, a. woner. —ing, e. Dune e (duns'), a. lomperd, botterik. —ical (-ikl), waning. —ing-house, woonhuis. —ing-place, woona. lomp, dom. i plants. Dune (djoen), a. duin. v. a. bemesten. Dwindle (dwin'dl), v. a. doen kwijnen (verminDung (dung'), a. mast, drek. deren); v. n. inkrimpen; afnomen; ontaarden -beetle, drekkever. —cart, meatwagen. —fork, mestvork. —hill, s, meathoop; a. gemeen, laag. (into); (away) verdwijnen. v. a. —yard, meatkuil. —y (-gih), a. mestachtig; niets- Dye (daj'1, a. vent. —ate, kleuratof. verven., kleuren. —r, a. verver.—ing, a. verving. waardig. (het) sterven. v. a. in een' Dying ,darieng),pari;. stervend. Dungeon (&1111'dzjun), a. kerker. a. de leer der krach—al, Dynamic (daj-nem'ik), kerker opaluiten. Dunnnge(dun'nidzn, a.bovenlast. —battens, mil- ten betreffend. —a, 8.;leer der beweegkrachten. Dynamometer (din-e-mom'i-tur), Dynomekooirt bben. Duodecimo (djoe-o-des'i-ma), a. duodecimo; ter (daj•nom'i-tur), a. krachtmeter. Dynasty (daj-nes-tih, dinses-tih), s. vorstenstam; twa alfde- format. Dupe (djoep), a. bedrogene. —, v. a. teleurstel- regeerend atamhuia. Dysentery (dis'en-ter-rih), s.buikloop; roode loop. len, bedriegen. Dyspepey (dis'pep-sih), a. slechte epijsvertering. Duple (djoe'pl(, a. dubbel. Daplie ate (djoe'pll-ket), a. dubbel; a. afschrift; Dysphony (dislun-nib), a. spraakgebrek.
klank; tegenstrthlig ► eid. a. wanluideuil;;Inculcft te (iu-kuPkeet), v. a. inpreuten (o?, tegenatrijdtg. upon). —lion (-kee'sjun), a. inprenting. Inconspicuous (tn-kun-spik'joe-us), a. onmerk- Inculpa ble (in-kuPp151), a. —lily, ad. onsehulbear; onasnsienlijk. dig, onberlspelijk. —Meness, s. onberispelijklteid. lnconstan cy (in-kon'sten-sih), a. onstandvas—te (-peet), v. n. betichten, berispen. —lion tigheid. —t, a. —try, ad. onstandvastig; onbe• (-pee'sjun), s. hetichting, berisping. —tory (-pastendig. tur.rih), a. betichtend, berispemi. Inconsumable (in-kun-sjoem'ibl), a. °nye, Inc/anthem, cy (in-kum'ben-sth), s. (het) ltF;gen teerbaar. op lets; verplichting; bezit (yen een ambt, een Inconsonttnate (in-kun-mun'inet ), a. onvoltooid. kerkeitjk goed,; —f, a. o!)liggend, rustend; Ye, plichtend, opgelegd (on. •pon), a. bezitter van Incont est', hie (in•kun. tes'tibl), a.—bly, ad. on een kerkelijk coed. betwistbaar. Incontignons (in•kun-tig'joe-us), a. niet aan- Incur (in-kur'), v. a. beloopen, zich op den halo Wen. . grenzend, niet belendend. Inconitnen ce (in-kon'ti-nene), —ey, u. onto- Uncut' able (in.kjoe'ribn, a. —ably, ad. onge• neeelkjk. —able, a. nngeneeslijke. —ability (-regetogenheid; onkuirschheid. --t, a. —tly, ad. oningetogen; onkuisch. -ableness, s. ongeneeslijitheid. Incontrov ► rti blc(in-kon-tro,urt'ibl), a.—bly, a. —tautly, ad. onoplettend, achteloos. —iousness, ad. onbetwistbaar. s. onoplettendbeid, achteloosheid. Incouvenlen ce (In-kun.vienlens), incursion ('n-kur'sjun), s. inval. genheid, ongemak. a. a. lastig vallen, on- Incury ate (in-knevet), a. ingebogen, gekromd. gelegenileid veroorzaken. --t, a. —tly, ad. on. —ate (.vert), —c.v. a. buigen, krommen. —ation gelegen, lastig. (-vee'ajun), a. inbuiging; gebogenheid. —ity, a. Inconversable (in-kun-vurs'ibl), a. ongezeIltg. kromte, hocht. Inconverttble (in.kun-vutt'ibl), a. onveran- Indegftt ion (in-de-gee'sjuft), a, ultvoraching. derlijk, onverwisselbaar. —or tingde-gee.tur), s. uttvorscher. Incontinsi ble (in-kurt-vitesibl), a. —bly, ad. Indart (in-daart'), v, a. Inwerpen, intmbieten. onovertuigbaar. Indebted (in-derld), a. echuldig; verpl'cht; verIncorpor ate fin.kor'po-ret), a. ingelijfd; verschuldigd (to). —neon, s. (het) verschuldtgd zijn, bonden. (re,t), v. a. /i6 n. (zich) inlOven; verplichting. verbinien, vereenigen (tot Oen lichaam). —ation Indecen cy s. onw,lvoeglijk(..ree'sjun), a. inlljving; vereeniging. —eat, a. heid, —t, a. —tly, ad. onwelvoegelijk. —eallg, ad. (-po'ri-e1-1, onfichamelijk, onstoffe- Indeciduous tin-do-sid'Joe-:is}, a. nict afval lijk. —city (ri'it-tih), s. onlichameltjkbeid, onlend, altijd groan. stoffelijkheid. Indecianable (in-des'i-mibl), a. tiendvt, . Incorrect Iin.kur-rekt'), a. —1y, ad. onnauw- Indecia ion (in-de-sizyttn), a. besluitel , ..tsheid. keurig, onjuist. —nese, a. onnauwkeurigheid, —ive, a. —ivtly, ad. (-sarmiv-), hesluitel-os. onjuistheid. --iteness a. besluiteloosheld. Incorrigl ble (in-kor'rid-zjbl), a. —bly, ad. on- Indeclinable (In -de-klajn'ibl)) a. onver) utgbaat. verbeterlijk. —bleness. a. ortverbeteriWthel•). Indecor ours (in-de-ko'rus), a. —nasty, ad, onIncorrodible (in-kor.rcod'ibl), a. °nye' teerbetamelijk, onvoegzaam. —oneness, —uw, a. onbaar. betamelijkheid, ongemanierdheid. Incorrupt (in-kor-rupr), —ed, a. onbedorven. Indeed (in-died'), ad. inderdaad, werkelijk. (-i-bWit-tib), —ibleness, a. onbederfe- Indefatfga ble (In-de-fet'i•gibl), a. —Oly, ad. lijkheid; onomkoophaarheid. —ible, —ive, a. onvermoetbaar; ouvermoeid. —bleness, s. waveronbederfbaar; onomkoopbaar. —ion (-rup'sjun), moeibaarheid; onverm oeid bet J. Indefensible (in-de-ti'zib1), a. onherroepelijk. —nevi, s. onbedorvenheld. (in-kres'seet), v. a. & n. verdikken. Indefecti ble (in-de-fek'tibl), a. onbederfeltjk; Incrassa te —lien (-see'sjan), e. verdraking. onvergankelijk. —bility a. onbea. verdlkkend. derfelijkbetd; onvergankelijkheid. —re, a. ongeIncrease (in.kries'), a. ranw aa, toeneming, verschonden, vodledig. meerderitv. —, v. a. vermeerderen, vergrooten; Indefensl ble an-de-fenleibl), a. onverdedigbasr. v. n. aanwassen, toenemen. —r, a. vermeerde—ve, a. onverdedigd, c ► besehut. rear, vergrooter. Indeticten cy (in-de-flaren-aih), s, volkomertIncreat-e C,, zekri-eet), —d, a. ongeschapen. held. a. volkoneen, Incred ible ((n-kred'ibl), a. —ibly, ad. ongeloo- Indefin able (In•de.fajn'tb t), a. ouverkiaarbaar. felijk. —ibility --ibleocas, a. ongea. —itely, ad. (.deri-nit.), onbepaald, on. loorelijkheid.—n/ity(-kre-djoe'lit-tiit),—nlonsneas, begrensd. —itenees (-deli-nit-), a. cnbepaaldheid, a. ongeloovigheid. —lavas (-joe-lus), a. ongeonbegrensdheid. loovia. Indellberate (in-de-lileur-et)„ a. —/y, ad. onIncrement (in'kre-ment), s. aanwaa, toenemtng. voorbedacht. Increscent (in-kres'sent), a. toenemend.. Indell ble (in-del'ibl), a. —51p, ad. onuttwischIncrust (in-kruse), --ate, v. a. overkorsten; be- bear onvernietighaar. (-i-hil'it-tih), a. plehteren. —ation (-tee'sjun), a. overkorating. onuitwischbaaTheid. Jacub ate (!n'kjoe-beet), v. n. broeiing. —ation Indellett cy (in-deli-Ite.sih), a. onkieFehhetd. (-bee'ajun), a. uitbroeiting. —us, a. nachtmerrie. —te, a. —tely, ad. (-ket-), onkiesett.

—fellow, slampmakker. —grass, — weed, hands. gram. —, v. a. nederleggen; verberpen; insluiten; yeller, to — an eye, de sitar lighten. to — in writing, in genchrift brengen. v. n. liggen; ken. —ant a. liggend. — ee (koe'sji), s. slaaptijd; last bezoek. —er, a. °ogees; klapper (register); staande bond. — ing - needle, staarnaald. Cough (kof'), s. hoent. —, v. n. hoesten. — er,s. hoester. —ing, a. (het) hoesten. Coulter (koortur), a. kouter. Council (kaaun'sil), s. raadsvergadering. — common — , gemeenteraad. privy —, staatsraad. —board, (de) read. — tor, a. lid eener raadavergadering. Counsel (kaaun'sil), s. rand; overleg; raadsman. to keep —, geheim houden. to take — , rand inwinnen. --keeper, vertrouweling. —keeping, a. geheimhoudend. —, v. R. raden, rand geven. — Sable, a. randzaam. — lor, a. raadsman; randsbeer. — lorship, a. raadsheerschap. Count (kaaunt'), s. graaf; rekening; getal. —, v. a. rekenen, tellen. (up) optellen. (for) houden v. n. rekenen. (on. voor. (to) aanrekenen. upon) staat maken op. —able, a. telbaar. Countenance (knaun'te-nens), s. gelaat, voorkomen; bescherming, ondersteuning. —, v. a. begunstigen, ondersteunen. —r, s. begunatiger. rekenCounter (kaaun'tur), a. toonbank; penning; geld; rekenaar; alt; waif. Counter (kaaun'tur), ad. tegen, verkeerd, (in same natel I ingen). —act, tegenwerken, verijdelen. —action, tegenwerking. —balance, a. tegenwicht; v. a. opwegen tegen. —bass, contra-ban. —battery, s. tegenbatterkj. —bond, tegencontract; renversaal. —buff, s. tegenstoot; v. a. terugstoo—caster,rekeninghouder. — change, ten. —cast] tegenrufl; v. R. ruilen. —charm, s. tegenbetoo• verieg; v. a. onttooveren. —check, a. tegenbeleteel; v. a. verhinderen. — cunning, tegenlist. —carrent, tegenstroom. — deed, tegenbewijs. —draw, nasehetsen (door doorschijnend papier). —evidence, tegengetuigenis. —feit (-$t), a. nagemnakt, valsch; s. namaakeel; bedrog; bedrieger; v. a. namaken; vervalschen; v. n. huichelen, velnzen. —feiter, namaker; vervaischer; nadrukker. —fart, schoor, beer. —guard, bolwerkawering. —lath, dakspar. —light, tegenlicht. —mand, a. tegenbevet; v. R. afzeggen, herroepen. —march, a. terugmarmch; v. n. terug marcheeren,—mark, a. tegenmeek; v. R. van een tegenmerk voorzien. —mine, a. tegenmijn; v. a eene tegenmijn makes; verijdelen. — motion, tegenbeweging. — movement, tegenbeweging. — more, tegenmuvr, atutmuur. —natural, tegennatuurlijk. — order, tegenbevel. —pare,tegetimnatregel. —pane, beddesprei. — part, tegenstuk; duplikaat; tegenstem. —petition, tegenadres. —plea, wederantwoord, repliek. — plot, a. tegenlist; v. R. verijdelen, tegenwerken; v. n. lint net lint te keer gaan. — point, contreptint; gestikte beddedeken. — poise, R. tegenwicht; a. a. opwegen tegen, evenaren. — poison, tegengif. —practice, tegenovergestelde verrichting; heimelijke tegenwerking. — pressure, tegendrukking. —project, tegenontwerp. — reckoning, tegenrekesing. —revolution, tegenomwenteling. —salient, tegennitspringend. — scarp, tegenwal, horatwe-
NI A It . Marebpane (maarts l'peen), a. n.arsepein. Mareld (thaer'sid), a. mager, vervallen, uitterend. —ity (mer. sid'it- tih), a. reagerheid. Mare (meer'1,s. inerrie. —colt, merrievule -b. Margnr In (maar-ger'ik), a. — acid, parelzuur. —ite (maar'ke-rajt), a. parch. v. a. Margin (maar"dzjin), s. rand, kart, oever. op den rand sehrOven; random. —al, a. op den kant —ated (-eet-id), a. met een' rand of leant. kant. Margrav a (maar'greev), a. markgraaf. —i ate (me, gree'vt-et), a. markgraafachap. —ine (-pyre-vien), a. markrravin. Marigold (mern-g,00ld),..goudsbloem.— window, road kerkraam. Marinate (merq-rieet), v. a. inzouten. Marine (me-rien"), a. marine, zeewozon; zeesoldaat. —, a. van het zeewezan; zee-. — insurance. zee-assurantie„ — law. zeerecht. — officer, zeeotlacier. —r (mer'i-nur), a. zeeman. Marit al (rneet-tal). a. echtelijk; van een yehuwd man. —ime (-tim). a. aan zee gelegen; van bet zeewezen; zee.; — power, zeemogendheid. Marjoram Imaar dzjo'rem), s. marjolein. Mark (maark'), s. meek, kenteeken , sternpel ; blijk, bowitik; duel; mark. letter of —. kaperbrief. —, v. a. merken, teekenen, atempelen; opmcrken; aenduiden; v. v. opletten, atht geven. —et, a. meeker, markeur. Market (nutar'kitl, s. markt: prije. —hell, marktklok. marktdag. —folks, marktbezaekers. —house , verkoophuis. —maa. inkocper. —place, rnarktpla ats. —price, marktprbs. —tows, marktstad. —woman, markt-, koopvrouw. a• verkoopen; v. n. her markt arum. —able, a. verkoopbaar, gangbaar, gezocht. Marking (inaark'ieng). a. het merken. —ink. merkinkt. —iron, merkijzer. Marksman Irraarks'men), c. seherpschutter. Marl (maarl'), s, mergel. —pit, mergelgroef, v, a. taco mergel bemesten; marten.

143 a. on—iblettese, a. ongevoeligheld, onvatbaarheld voor limperspicu it y (im-par-spik-joe'it-tih), aandoening. a. Zie Impassible. duidelijkheid. -one (-apik'joe-us), a. onduidelijk. te Impassion (im-pesfun), —ate, v. a. achokken, Impersuasible (im-pur-swee'zibl), a. net sterk aandoen. —ate (-et), a. hevig aangedaan; overreden. Impertinen ce (im-pur'ti-nens), — cy, C. (mitegevoelloos. —ed, (-and), a. hartstochtelUk. limpets* atlon (im-pea-tee'sjun), a. plelaterdeeg. pastheid ; onvoegzaamheid ; onbeschaamdheid —e (-peest'), v. a. tot deeg kneden; disc (Tame- ruwheid; nietigheid. —t, a. —tly, ad. vreemd aan de zaak; indringend, onbeschaamd; raw; ren (kleuren). onbeteekenend. —t, a. indringer. onbeschaamde. Impatible (im-pet'ile1), R. onlipelijk. Impatlen ce (im-pee'sjens), a. ongeduld; het- Imperturba bile (inn-per-turb'ibi ,, a. onvertigheia. —t, a. —tly, ad. ongeduldig (at. of): stoorbaar.—tion(-bee'sjun),s.kalmte,bedaardheid. y, ad. ondoorItayervions (im-pur'vi- us),a. —1 Of) moede; (for) gretlg naar. Impatroniae (im-pet'run-ajz), v, a. in het be-i dr ngbaar; ontoegankelijk. —nets, a. ondooreid, ontoegankeibkheld. t dringbaat zit stellen. Impetiginous (int-pe-tidzri-nus), a. schurftig. Impawn (im•paon'), v. a. verpanden. —be Impeach (im-pietsj'), v. a. aanklagen (of); ver- Impetra ble (im'pe-tribl), a. verwerfbaar. (-treat), v. a. verwerven, erlangen. —tion (tree' able, a. beschuldigbaar; laakbaar. hinderen. Con), a. verwerving. —er, a. beachuldiger. —meat, a. beschuldiging; Impetu ous (im-pet'joe-us), a. —.ay, ad. on. verhindering. etuirn ig, driftig, hevig. eas, Impeari (im-purP), v. a. met paarlen tooien. a. onstuimigheid, heftigheid. —s (im'pe-tun), a. (im-pek-ke-bil'it-tih), a. °monImpecca dreng, aandrift; veart, kracht. digheid, onvatbaarheld voor zonde. —ble (-pek' Implerce (im-piers'), v. a. doorboren. —able, a. kibl), a. onzondig, onvatbaar voor zonde. ondoorboorbaar. (im-pied'), v. a. beletten, verhinderen; Imped belemmeren. —iment (-ped'i-ment), s. beletsel; Impiety (im-paj'e-tili), a. goddelooeheid. belemmering. —imenta/ (-ped-i-ment'el), —Wye Impinge (im.pindzj"), v. n. atooten, baleen (on). (-ped'i-ti.v), a. verhinderend, hinderlijk; helm- Impious (im'pi-us), a. —/y, ad. goddeloos. —nese, a. goddeloosheid. merend. (im-plee'kibl), a. —bly, ad. onverImpel (im-pel'), v. a. aaudrijven. —lent, a. Ran- Implaca ble zoeulkjk. —bility —bleness, a. ondrijvend; a. aandrijvende krncht. verzoenlijkheid. Itupen (im-pen'), v. a. opalniten. Impend (im-pend'), v. n. boven het hoofd han- Implant (im-plent'), v. a. Inplanten; inprenten. —ation (-tee'sjun), a. inplanting; inprenting. gen, naken, —once, —ency, a. overhanging; naImplausible (irn-plao'zIbl), a.oriwaarschVinlijk. bijheid. —eat. —ing, a. dreigend, nakend. Impenetra flinty (im-pen-e-tre,bil'it-tik), a. Impiead, (im-plied'), v. a. in cochlea) very& gen ondoorgrondeltjkheid. maple anent (im'pl-ment), s. Verktulg, gereed. ondoordringhaarheld , sch.P. —tion (-pli'ejun), a. nulling; volbeid. —ble, a. —bly, ad. (-pen'e-tribl.), ondoordringlmplex (im'pleks), a. ingewikkeld. beer; ondoorgrondelijk. v. a. inwikkelen; beImpenIten ce (im-pen'i-tens), —cy, a. onboet- Ianplice te trekken; in alch sluiten. —tion (-kee'ejuni, C. vaardigheid. —t, a. —tly, ad. onboetvaardig. in verwikkeling; stilzwijgend gevolg. Impenn ate (im-pen'net), a. vederloos. —ous, g ge n. d at to leiden. —tively, ad. bkj geva o. iagttiylezkwkijin a. ongevleugeld. Imperative ()m-rer'e-tiv), a. —1y, ad. gebiedenth beImplicit (irn-plis'it), a. —ly. ad. daaronderstil- a. gebiedende wija. grepen; onvoorwaardelk, blind. —ness, a. Imperceptible (im-per-Qeplibl), a. oninert.baar. zwinend gevolg; blind geloof, — vertrouweu. —nes', a. onmerkbaarheid. Imperfect (im•purlekl), a. --ly, ad. onvol- Impiledly (im-plarid-11h), ad. door atilzwij. gende gevolgtrekking. maakt, onvolkomen. —ion (-per•fek'sjun). —nest, Implore (im-ploor'), v. a. ameeken, afsmeeken, a. onvolmaaktheid; onvolkomenheid. —r, a. bidder, meeker. Imperfora ble (im-puefur-ibl), a. ondoorboorImplunt ed (im-ploemd'), —one (-ploe'mus), a. bear. —ted (-reet-id), a. ondoorboord. vederloos. Imperial (im-pPri-e1), a. —ly, ad. ketzerlijk, Imply (im.piar), v. a. in zich sluiten, behelzen. Read van —chamber, vorstelijk; opperrnachtig. a. onstaatkundigheid; state. —city, rijkastad. --section, keizeranede. Impoli cy (im•pol'is-si:1), ), onvoorzichtigheid. —te, a. —tely, ad. (•po-lait'—tea, keizerathee. —let, a. keizeragezinde. —ity ), a. onwellevend, onbeleefd. —teams (-po•lajt,tidy, (-el'it-tih), s. keizerschap. onwellevendheid, onbeleefabeid. —tic, a. — Imperil (im-pir'il), v. a. in gevaar brengen. ad. (-it-tik-). onetaatkundig; onvoorztebtig. Imperious (im-pl'ri-us), a. —1y. ad. gebiedend. Imponder able (1m-pon'dur-ibi), a. onweeg• heerschzuchtig. —aces, a. heerschzucht. briar. —out, a. onwichtig. licht. Imperishable (im-per'isj-ibl), a. onvergankelijk. Imperman cnce am-pueme-neas), a. onbe- Impor osity (im-po-ros'it-t111). a. dicbtheid. —ous (-po'rue), a. dicht, solider por1en. stendigheid. —eat, a. onbeetendig. Impernseability (im-pur.r.i-e-bil'it-tih), s. on- Import (im'poort), a. belang,fgewicht; strekking; invoer, invoer.artikel. doordrIngbaarheld. Import (im-poort'), v. a. in zich aluiten, met Impersonal (lea-pur'snn•e1), a. —ly, ad. onperzich brengen; bedniden; van belting zijn; Woesoonlijk, —ity (-el'it-tih), 8. onpersoonlijkheid.
Kagel, m. cone; skittle., nine-pin; iclele. —bean, skittle-ground. — bat. skittie- bowl. —snede, conic, section. —spel, kitties, game of nine-pins. —normig, —ear. m. player at nine-pins. —en, pa- & on. w. to May at nine-pins. Kegge, rn. Zie Keg. Kest, rn- flint, pebble. —Veen, pebbly-stone. —achtig, be. flinty. pebbly. Kcil, al. wedge, key, frower, glut.; bolt. —en, or. & on, w. to play at ducks and drakes; to hurl, to fling. —steentje, duck. Keize•, m. emperor- —rijk, empire. —oho, imperial court. —ekroon, imperial crown —sonede, cesarian operation. —.thee, imperial tea. —dont, o. imperial dignity. —in, v. empress. —10, by. imperial.

Accouple tek-kupli, v. a. paren, koppelen. Acolyte (ek'o-lajt), a. altaardienaar. Aconite (ek'o-najt), s. wolfawortel; zwaar vergif. —meet, a. koppelitag; samenvoeging. Accoutre lek-koetur), v. a. uitrusten, opschik- Acorn (ee'kurn), a. eikel. —ed, a. met eikels gevoed. ken. —meet, s. uitrusting, opschik. Accredit (ek-krid'it), v. a. in aanzien brengen. Acorns (ek'o-rus), s. kalmus. —ation 1-tee'sjutf, a. (het) geven van aanzien of Acoustics (e-kaus'tiks), s. klankleer; gehoorkunde. vertrouwen. letters of —ation, geloofsbrieven. Acquaint (ek-kweent'), v. a. bekend maken met Accrescent (ek-kres'Kent), a. aanwassend. (with); onderrichten van (of). —once, a. bekendAccre lion (ek-kri'sjunt, s. aanwas. —tive, a. held; bekende. —ed, a. bekend. —edness, a. betoenemend. Acerimination (ek-kri-mi-nee'sjun), s. verweit. kendheid. Accroa ch ek.krootsr), v. a. aanktampen; zich Acquest (ek-kwest'), verworven goad. —, v. a. verworven, meester maken van, —meet, a. inbreuk. Accrue (ek-kroe'), v. n. voortspruiten; aan- Acqulesc e (ek-kwi-es'), v. n. (in to) berusten; instemmen. —ence, s. inetemming. ni.ent (.ek-kum'bentl, a leutland,liggend. Acquir able (ek-kwajetb1), a. verkrijgbaar. —e, Ac grenLien v a. verkrijgen. —ement, a. verkrijging; Accumulat e (ek-kjoe'moe-leet), v. a. ophoopen; kwaambeid. —er, s. verkrijger. (-1ee'sjuni, a. ophooping —ion n. toenennen. v. —ire (-le-tivl, a. ophoopend. —or, a. ophooper. Acquisi lion (ek-kwi-zis'ejun), ook Acquist, verwotving; aankoop. —tive (-kwiel-tiv), a verAccura cy (ek'kjee re-sib), —tenet. (-ret-ness), s. kregen. nauwkeurigheid. —te (-rm, a. nattwkeurig, stint. (-burst"), Acquit (ek-kwit'), v. a. kwiteeren; ontslaan, vrijAccurse (ek-burs' , v. a. vervloeken. epreken !from. of). —nient,—tal. s. kwijting; once. verwenscht: afsehuwelijk. slag, vriuspraak. —Lance, s. kwijting- kwitantte. Accus able (ek-kjoe'zibi), a. lsakbaar (of) we- gent(, —ation (-zee'sjun), s. aanklacht, beschul- Acre lee'kur)., a. morgen lands. — of rupees, (eon) iak (100.0001 ropijen. —tax, akkerbelasting. —d, dicing. —afire (ze-tiv). s. accusativus. —atory a. we)gesteld. (-ze-tar-rib), a. beschuldigend. —e, v. a. aan- d (ek'ridi, a. scherp, wrang. —monious (-riklagen. heschuldigen, berispen,(for. of). --er, s. beschuldier, mo'ni-us), a. scherp; vinuig. —mony (-ri-mun-ih), Accustom (ek-kus'tum), v. a. (to) gewennen aan. s. scherpheid; vinnigheid. --tude, —ty, a. wrang-able. —ary, —ed, a. gewend, gewoon. a shop held. Acroatic (ek-ro-et'ik), a. diepzinnig.' wel —ed, een good beklante winkel. op een Adrobate (ek'ro-beet), s. koorddanser, kunstenAce (ees), 8. ass; On; groin. within an maker. i.aar na. not an —, gren zier. Acropolis (e-krop'o-lis), s. bovenstad; citadel. Aceplkalous (-e-sere-lus), a. hoofdeloos. Acerb (e-surh'), a. wrong, scherp; streng. —ate, Acrospire (ek'ro-spajr), s. apiertje, uitspruitseltje. v. a. wrang maken; verbitteren. —ity, a. wrang- Across (e-kros'), ad. kruiselings, dwars over. it held; strengheid. Acervat c ( e-sur'veet), v. a. ophoopen. —ion came — my mind, het schoot tnij in de gedachten. with arms —, met over elkander geelagen (es-sur-vee'sjun), s, oehoopiug. semen Acescen cy (e-ses'sen-sih), s. zuurheid. —t, a. Acrostic (e-kros'tik), a. naamdieht. zuurachtisr. Act (ekt), s. daad, handeling, bedrijf; raadsbeAcetic (e-set'ilil, a. zuurhoudend. Acet ose (es-i-tooz'), a. zuurhoudend. —csity aluit; akte. in —, werkelijk; he was taken in the very —, hij ward (-toszit-tih), a. zuurachtigheid. heater daad betr.apt. by — s. wijn- of Parliament, bij Parlementsakte. to put into Acetous (e-sPtus), a. zuurachtig. —, ten uttvoer brengen. Acts of the Apostles, azijn. v. a. leiden; — Ache leek), a. pijn. —, v. n. zeer doen. —bone, Handelingen dee. Apoatelen. heupbeen. a part, eene rol spelen; v. n. handelen; rich geAchlev able (e-tsjiev'ibl), a. uitvoerbaar. —e, dragen. —ing, a. vermogen. —ing, a. waarnev. a. uitvoeren, volbrengen. —enient, a. uitvoe- mend, bestureud. ring, beldenfeit. —er, a. verrichter. Action lek'sjunl, a. handeling, daad; gehaar; Ache, lee'kur), a. hoofdzeer. peaces; aanklacht; gevecirt. —able a. in rechten Achromatic (ek-ro-met'ilil. a kleurloos. vervolgbaar. —ary, —ist, s. aandeeihouder. Acid !e,'id), a. & s. zuur. —iferous 1-irur-usl, a Act Owe (ek'tiv), a. tverig, bedrijvig; werkelijk. —deaf, uitstaande echuld. —iveness, —ivity (-tiv' zuurhoudend. —ity le-sid'it-tih), —ness, s. zuur- heid. —u/ae(e-sid'joe-lie),s. zuurbronnen. —slate it till), s. werkzaamheid, bedriivigheid. a. (e-sid'joe-leet), v. a. zuur makes. —u/ous (e-sid.' bedrijver; tooneelspeler. —ress, s. bedrijfeter; joe-inie, a. zurig. tooneelspeolster. (es-i-noos'), a. korrelig, gekorreld. Actu al (ek'tjoe-el), a. werkelijk; tegenwoordig. Aelnous (es'i-nut), a. Zie Aclnose. —ality (-el'it-tih), s. werkelijkheid. —ally, ad. Acknowledg e (ek-nol'idzj), v. a. erkennen, werkelijk; than!. .—ary grither• — ate , --the corn, zich gevangen geven, v. a. in werking brengen; aanaporen. bekannen. 4 door de ben Yellen. —meat, s. erkenuing, dank- Acuate (ek'joe-eet.), v. a. scherpen. Addition (ek-joe-i'sjun), a. verscherping, .verbaarbeid. ACIike (ek'nti), a. toppunt. sterkiug.


—, a. hopeloos, opgegeven, verloren. —, a. waaghals; verloren post, man. Perdura ble (pur•djoe'ribl), a. —bly, ad. langdurig. —tion (-ree'sjon), a. lenge duur. Peregrin ate (per'e-gri-neet) ,v.a.in den vreemde leven of reizen. --ation (-nee'sjun), s. verblijf (hat reizen) in den vreemde. —ator, s. relziger. —e (-grin), a. vreemd, uitheemsch. Perenuption (pur-em'sjan), s. vernietiging, verjaring. Peremptor ily (perem- tur-ril lih), ad. —y, a. bepaald, beslisaend, volstrekt. a. bepaaldheld, volstrektheid, stelligheid. Perenni al (pur-en'ni-e1), a. —ally, a. een jeer durend; voortdurend, aanhoudend. —ty, a. onafgebroken duur. Perfect kpurlekt), a. —ly, ad. volmailkt, volkome.n. v. a. volmaken; voltooiea. —er, s. vol. maker; voltooier. —neat, a. volmaaktheid, volkomenheid. Parfecil ble (pur-fekt'ibl), a. vatbaar voor volmaking. —bility (.1-bil' it- tih), s. vatbaarheid volt volinaking. —on (-fek'sjuu), s. volmaaktheid, volmaking. —anal(fek'sjun-), a. volkomeu; voltobid. —ovate (-fek'sjun-eet), v. a. volmaken. —onist (-fek'sjun-), a. strever near volmaaktheid; purltein. —ve, a. —vely, ad. volmakend; voltooiend. Pe rliclent Ipur-fisreat, a. we rkelijk. s. begiftiger, sehenker. Perfidious (pur-fid'jus), a. —ly, ad. treuweloos (to). —nest, s. trouweloosheid. Perfidy (pur'ild-ila), a. trouweloosheid. Perfla tc (pur-fleet';, v. a. doorwaaien. —flow (- flee'sjun), s. doorwaaiing. Perfollate (pur-fo'li et), a. den ateugel omvattend, doorgegroeid. Pertora ble (porlo-ribl), a. doorboorbaar. —te (-reet), v. a. doorboren. —tion (-ree'sjun), a. door boring. —tive (-re-tivl, a. door borend. —tar (-ree'tar) . a. doorboorder; boor. Perforce (pur-foors'), ad. met geweld. Perform (pur form'), v. a. vervullen, vuivoeren, volbrengen; verrichten; v. n. spelen; slagen. —able, a. uttvoerbaar. —once, a. vervulling;verrichting; uttvoering, vooratelling. —er, a. volbrenger; verrichter; uitvoerder, voordrager, speler. Perron' atory (pur-fjoe'me-tur-rih), a. weiriekend makend. —e (ook pur'tjoem), a. reukwerk; gear. —e, v. a. welriekend maken, parfumeeren. —er, a. parfumeur. --cry, a. reukwerk, perfumeriEn. Perfunctor ily (pur-fungiCtur-ii-lih), ad. —p, a. oppervlakkig, achteloos. —ineas,a. opperviakkigheid, achteloosheid. Perfuse (pur-fjoez'), v. a. overgieten; doorstroo. men; vervullen. Pergola (puego-le), a. prieel. Perhaps (pur-he s'), ad, missehien. Pert ant h (per's-enth), a. bloemkelk. —apt (-apt), a. amulet, toovermiddel. Peri card (per'i-kaard), —tuna (-kaardi-um), a. hartzak. —carp (-kaarp), a zaacil Hee. Peri clitation (per-i-kli tee'sjun), a. gevaar; waagatuk. —cranium (-kree'ni-u ► ), —crany (per'. i-krc-nih), a. hereenpan-, echedelthea. Per !culotte (pe-rikloe-lus), a. gevaarlijk.
derivation. —ig, bv. native (of); sprung, descended, issued, derived, (from). Afkondlg en, or. w. to proclaim; to publish, to bid, (huweligsegeboden). —er, m. proclaimer, proclamatton. Afkoaaksel, o. decoction. Afkoop, nr. redemption; composition. —baar, redeemable. —en, ov. w. to boy from; to buy off, — out; to redeem, to ransom. --er, m. buyer; redeemer, ransomer. Afkoratan, ov. w. to take the crest off, to ship off. Alkorf en, or. w. to shorten, to make shorter; to abbreviate, to abridge; to abate, to deduct. —ing, Y. shortening; abbreviation, abridging; abatement, deduction, discount. Aft&rab hems, ay. w. to scrape (to scratch) of!. —Per, m. scraper, scratcher. —bgng, v. scraping, scratching. —eel, o. s-.1rapings. AfkrUgen, or. w. to get down, off, to take (to get) out; to get abated; to get done. Afkrulanelen.ov. & on. w. to crumble (off). Afkruipen, on w. to creep (to crawl) down. Afkunnen, or. w. to be able to do; to get off. Afkuseen, or w, to kiss, to reconcile (to make up) with a kiss; to kiss away. m. indulgence, remission., voile —, plenary indulgence. —brief. letter of indulgence. —hundel, selling of indulgences. —kraisser, vender (seller) of indulgence's. --penning, a hrove-money &find en, ov. w. to unload, to discharge; to Wad, to ship. —er, m. unloader, dtacharger; loader, freighter. —ing,v.unloading, diseharging,londing, shipping. Aflangen, ov. w. to retch down; to deliver. Attaten, ov. w to let down; on. w. to leave 0', to cease; (van) to desist from. Atha*es en, ov. w. to borrow (from). —er, m. borrower. v. borrowing. Aflneren, ov. w. to learn from; to •unlearn; to make (a. o ) forget. Aftegg en, ov. w. to lay (to put) down; to cast away; to throw off; to resign; to lay out (een link); to lay, to set; to do, to make, to perform, to walk ( to ride) over; to depart this life; bei(idenis —, to profess, to make a profession; een brooch —, to pay a visit; erne gelufte —, to make a vow; getuigenis —, to bear witness, to give testimony; rekensehap — to account I forl• —er, m. layer out; layer; old thing. Afield boar, by. inferable, deducible, derivable. —en, or. w. to lead aside, — down, off, to reanise; to tarn the course of to mislead; in divert; to infer, to deduce, to derive. —ende 'eaten, deferents. —er, m. conductor. —ing, v. leading aside, — down, — off; revulsion; diversion, inference, deduetion: derivation. — ingsbuis, —ingspijp, conduit-p!pe --ingegreppel, drain. itillelletas, on. w. to trickle down. Aflekiten, on, w. to drop (to drip) down. Afilever star, m. one that delivers. —en, or. w. to deliver, to send off, —ing, v. delivery; pert, number. Aflez fin, or, w. to gather, to collect; to pluck off; to call over; to proclaim. - er, m. gattserer; proclaimer, reciter. --ing, v. gathering, calling over; proelematien, recital.
s. eatEsculent (es'kjoe-lent), a. eetbaar. bare waar. Escutcheon (es-kut'sjun), a. wapenschild. Esoteric (es o-ter4k), a. geheim. Espalier (es-pel'jur), a. leiboom. Especial (es-pesj'el), a. bijzonder. —ly, ad. inzonderheid,voornaroell)k. —fleece. bijzonderheid. Espi al (es-par.11), s. bespleding. —er, a. bespieder. Espionage (es'pl•un-needzj), s. bespieding. Esplanade (es-ple-need'), a. esplanade; grasperk. Espous at (es-patezel), a. eene verloving betreffend. —ale, a. verloving; t'ouwbeloften; trouwplechtigheid. —e, v. a huwen; verloven (to); nithuwen (to. with); voorstaan, verdedigen. —er, a. verlover; huwer; verdediger. Espy (es-par), v. a. bespieden, afloeren; v. n. verapteden. Esquire (es-kwalr'), s. schildknaap; zekere titel (op brieven). —, v. a. ala schildkneap dienen. Essay (es'see), s, proeve; proefneming. —ist ook: es-see'ist), s. schrtver van proeven. Essay (es-see), v. a. beproeven; eseayeeren.—er, a. beproever. Essence (ea'senn(, a. 'wenn, kraeht; grondbestanddeel; beste gedeeite; reukwerk; geur. v. a, weiriekend maken. Essenti al (es-sen'sjel), a. wezenlijk, hoofdzakelijk; gezuiverd. —al, a. (bet) wezeultke; card; a. wesenitk; onbeginael; hoofdpunt. a. vezenlijkheld; misbaar, —ality hoofdzaak. Essoin (es-eojn'), s. ,wettige reden (neon nietverschtning. Establish (es-teblisj), v. s. vastatellen; vestigen; oprichten. —er, a. vestiger; insteller. —ment, s. vaststelling; veatiging; opriehting; instelling; gesticht; inkomen; handelahuis. Eatafet (es-te-fet - ), a. renbode. Estate (es-teet"), s. staat; rang; vermogen; bezitting; landgoed. —man's —, manneliike ptren. real —, grondeigendom. personal —, roerende goederen. Esteem (es-tient"), a. achting; waardeering. v. a. achten; oordee1en, meenen; waardeeren; (of) waarde hechten aan. —er, a. hoogachter. Esthetic (es- thet'ik), a. eathetiach. —a, a. sehoonheidsleer. Estima ble (ea'ti-mibl), a. achtenawasrdig. fleas, a. achtenswaardigheid. —te (-met), a. schatting, berekeniog, begrooting. —te (-meet), v. a. schatten. —lion, (-mee'sjun), s. schatting, weardeering, begrooting. —live (-mee-tIv), a. schattend; ingebceld. —tor (-mee-tar), a. sehatter, begranter. Estivas 1 (es'ti-vel), a. zomersch. —te (-vest), v. n. den zomer doorbrengen. —lion (-vee'ejun), a. doorbrenging van den some, Estop (es-top'), v. a. verhinderen. —pel,a.akte, weike een prores belet. Estovers (es-to'vurz), a. levensmiddelen; wettelijk onderhoud. Estrade (es•traad'), a. optrede, estrade. Estrange (es.treend7r), v. a. vervreemden. --meat, a. vervreemding.

loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
be very ill; to behave lilt aria -, to impoverish. beseitaamd -, to put to the blush, to confound. to explain. granter -, to enlarge. dusdelijk rersehillende blamer -, to lessen; ace reader by. hoe maakt pit het ? he w are you? Male er, or. maker, author. -icy, v. making. illiklare Id. v. tameness, gent/rue.. MakkellUk, be. & bw. Zie Gwmakkellik. Makker, in. comrade, companion, mate. Makevel, na. mackerel. Makrol, v. bawd. M. model, mould; caliber. Mal, by. & bw. foolish (-1yo, silly ( ily); by. fond, indulgent; puzzling. -zoet, Intetona. -zoetheid, lusciousness o. a corn-onea3ure. Malden. oa. Zie Mak en, oy. w. to grind; (droog) to drain; to paint, to limn, to draw; on w. to turn, to wriggle; to tease, to t.otber; to rave, to dote, to grumble. - er, mi. grinder, miller; painter, limner; raver, doter, grumbler. -er(j, v. painting, limning; caving, doting !lliu lileid,v. fooliehnebs, Matte, v. mesh, ring; tack; mall. -bun, mail. -head, coat of mall. -hula, inn belonging to a mall. -ktik.hanile of a mall, -half, mall, malletic on. w. to play at mall. -kolder,m. Coat of Mali.
1100.—B0 U. long-boat. kleine jolly-boat. serif in de —, kit& ran Hessen, first come, first (served. —egeeel, sailor, mariner. —Moak, boat-hook. —moo, boatswain. —sonanessaat, boatswain's mate. —stoma, boat rope, boat's hawser. —svolk, Brew. footmen, ov. wg.to form, to figure, to fashion. Booze, m. evil one, devil, fiend. o. evil. Borat. o. (a kind of) fins wool, — woollen thread. ford, o. plate, trencher; board, shelf. —papier, paste-board. —papieren, Irv. paste-board. Bordeel, o. brothel, bawdy- bone. —brok, whoremonger, rake. —header, —houdster, bagnio-keeper, bawd. —tail, bawdy-language, obscenities. ribaldry. Hordes, o. step, flight of steps; landing-plena. Bordla, be. stiff, hard. —held, v. 'fitness. fordurea, on. w. to embroider. It ,irduur der, m. —star, v embroiderer. —Patter,, embroidering. cotton. —naald, ern b ro lderingneedle. —patroon, pattern for embroidering. —roam, embroidering-frame. —tool, —eel, o. embroidery. —ieerker, embroiderer. Boreal, ov. W. to bore, to perforate, to pierce. in den gron(I t 3 sink, to run down. Borg, In. warrantee, gu irantee; bail, pledge, security. ou (upon) credit, — trust, — tick. — 61(iven (stain) veer, to warrant, to answer for, to go bail for. — atellen, to procure (to give) bail, — security. —stetter, bailor. —stetling. —44e4t, bailing; ball, security. —tochtettik, be. & bw. upon bail. —en, ov. w. to take to give) upon trust, — upon credit. —er, m. —star, v. one that takes (gives) upon credit. Boring, v. boring, perforation. piercing. Borne', tut. bubble; dram. —Pack, dram-bottle. gin-glass. —en, on. w. to bubble; to dram. —tag, v. bubbling. Borst, m. lad, youth. —, v„ breast, chest, bosom; brisket. set op de — kW...to be (short- breathed. lone kooge setten, to assame airs. —alder, thoracic vein. —balsem, pectoral balsam. —beeld, bust. —been, breast-bons, sternum. —besie,jnjo be. —besiebeem, jujube-tree. —drankje. pectoral de- coctlon. —gesseel, empyema. —narnas, breastplate, mileage. —holt*, cavity of the chest. —jawed:, breast-jewel. —has, chest. —Mier, pectoral gland. —koekje, pectoral lozenge, psstil. —.1ewaal, —sickle, pectoral disease, disease of the chest. —lap, breast-cloth, stomacher, pectoral; plastron. —middel, pectoral. —p/aat,breast-plate, plastron, poltral; (a kind of) sugar-cake. —rte., poitrel. —rok, under-waistcoat; Guernsey-shirt. —stale, bust, tie foratptaat. —taiker, pectoral sugar. --vin, breast fin. —Wigs, pleura. —vormip, mammiform. —wipes, corselet. —wering, parapet, merlon. —steeer, pectoral sore, ulcer in the breast. Borstal, nt. brirtle; brush. —dread, brush-wire. —maker, brush • maker. —cchlig, ig, be. bristly —ex ov. w. to brush. Bort, o.gie Hoortu. Boa, m bundle, bunch, truss, tuft, bush, sheaf. —, v. Zie Bus. Bosch, a. wood, forest. —bewaarder, --yachter, fort st.leeper,foregar —bewoner,fotester.—beeie,

382 Annvilegen, or. yr. to fly at, to rush upon; on. w. to fly (against). !contest , to fly (to ruehi hither. Annvioelen,on.sv to flow hither; (tegen) to wash. Annvoeg en, ov. w. to join, to annex; coder —, to subjoin. —end° 100, subjunctive mood. —lug, v. jointng, annexation. —sel, o. addition, appendix, supplement. etnnvner, m. arrival, enpoly,importation. —der, m. —ster, v. importer; commander, chief, leader, gui , e. --en, ov. w. to hr:ng hither, to import; to command, to head, to lead (on); to allege, to quote. —ing, v. importation; command, lead; allegation. Aanvrn sg, v. demand, order, application. Annveng vet, or. w. to order; to collcit, to request, to ask for. —er, n. requester. .trerevrlez en , on. w. to freeze to. Annvul ten, or. w. to fill up, to replenish; to eupply, to complete. ---iing, v. fi(lIng (op); completion. —eel, o. complement, supplement. A an -eur en, CY. w. to stimulate, to incite, to in • flame, to excite. —ing ,v. rettenutation a inciternent, excitation. Annwn mien, ov. w. to blow hither; to blow at, — upon; to blow (against!.; on. w. to come unawares; to set intuitively. Annevekker en, ov. w. to animate, to enliven, to cheer up; on. w. to increase„ to grow brisker. —ing, v. animation; increase.; Anne-vas, in. growth, iliCYPANO, accretion. —sett, on.w.to grow (to); to increase, to Augment; to rise. Anowellen, or. w., to weldto. Annwend en, or. w. to employ, to use, to bestow, to apply (to); cites —, to use all one's endeavors. —ing, v. application. Annwen nen, ov. V7. to accustom (to inure) to, —swig, v. accustoming. —eel, o. habit. Annwentelen, ov. w. to roll (against`,; to roll hither. Annwerken,ov.w.to join cl oseonew.towork hard, Annwerpen, ov. w. to throw (against); to throw hither; to slip on. Annwery en, 07. IV. to engage; to levy, to en list, to recruit. —er, tn. recruiter. —ing, v. re. erasing, enlistment. Ann wee en, ov, w. to weave to. Annwex en, o. being, existence, presence. —end, by. exietent; in office; present. —ig, be. meant. —igheid, v. presence. AnnwUseter, v. Zie Annwtjeer. Anyawken en, ov. w. to indicate, to point Oct; to assign; to demonstrate. —end, hr. demonstrative. —er, m. indicator; essignerOnformrr, index. —ing, v. indication, pointing out; aesignatioa; information. Annex I n den, ov. w. to wind hither. — close. Annwin nen, or. w. to gain, to win; on. w. to improve. —et, v. gain, profit; improvement. Annwtp pen, on. w. to totter (against). honsen to approach skipping. Annwitten,ov. w. to white-wash. Annwriav en, or. w. to rub (st. itgainst); to impute to —ing, v. rubbing again,t; imputation. A tanzanden, or. to cans. Annzeg gen, oe. w. to announce, to signify, to notify, to glee notice of; Wen —,to sent. word men toe het hens niet —, he does not look like it.
grumous. —en, on. w. to clot —ighoid, v. clottines*, grumousness. Kiont Ig, by. cloddy, lumpy. —le, o. lump. Kioof, v. cleft, gap, chasm, crevice; chink. — by1, cleaving-axe, —hamar. mallet, wedge. —heat, wood to be cleft. —kin, dimpled chin. —meg, cleaver. je,o. dimple; as Kiocaf. Klooster, o. monastery, cloister, convent, nunnery. —breeder, monk, friar, lay-brother. —ca., cell. —piing, cloister-alley. —garen, nun's thread. —pelof le, monastic vow. —geschtedenie, monastic history. —pewaad, monastic dress; veil. —geed, estate (goods) belonging to a monastery. — yuffor, nun. —kerk, monastery-church, cloister. chapel. —lattin, monk latin. —loves, monastic life. —meeder, —voogdee, prioress. abbess. —orde, monastic order. —repel, monastic rule. —twist, monastic discipline. —coder, —voopd, prior, abbot. —roogd(j, priorship. —wet monastic law. —ouster. nun, lay-sister. —aehtig, be. nionaetle, cloisteral. —en, ov. w. to cloister (up). —ing, v. cloistering (tip). —1(ilc, by. cloisteral, monaetie, conventual. —tiny, m. monk; v. nun. Kloot, na. ball; globe, sphere; testicle; truck. —hoop, cross-bow. —rend, —vormig, globular, spherical. —xak, scrotum. —aektig by. spherical-ye., o. little ball, —globe; —svolk,rabble, mob. —itch, by. spherical. m. Kloov con, or, w. to cleave, to split. cleaver, splitter. —ing, v. cleaving, splitting. Mop, on. knock, stroke, rap; stamp. — krijgen, to be beaten soundly, to be drubbed. —geest, rapping spirit. —geeatertj, spirit-rapping — homer, mallet. —henget, stallion. —hoot, beetle; planer. —jacht, track, hattue. —sckeen, etoorked shin; smoothing-stick; kit, small violin. —steam, stone to beat upon. —see, head-sea. Klop, v. —je, o. begulu. Klopp en, ov. & on. w. to knock, to tap ; to beat; to palpitate ; to fight ; to drub, to trash. m. knocker. —lap, v. knocking, tapping; palpitation, pulsation. Moe, m. bobbin, spindle ; log; chock ; bowl. —baan. bowling-green. —beitel, bat, club. --bengel, —poort, —ring, iron ring, — hoop. —koord, looplase —ten, ov. w . to twist with (to wind upon) bobbins; on. w. to make bobbins ; to play at howls. Klots en, on. w. to beat, to stamp, to dash, — log, v. dashing. Kincht, v. farce, joke. —maker, buffoon, merryAndrew. —epel, farce; —dichter, author of a farce. — epee, comic actor. —ig, by. & bw. comical ( - ty), droll (-inglyi, farcical (-1y), odd (-1yi. — iyheid, v. comicalness, drollery, oddness, oddit y. Klein, v. crevice, chink ; ward, perish. —hear, warden. —predikant, parson of a parish. —work, mast of several pieces. Muir, m. Zoe Mottle. —, v. claw, clutch, talon, pounce; gossip. —fok, fore-sprit-sail. —heist, jibboom. — je, o. bone to pick. —star, • . picker. Kloit, v. hermitage, cell ; vault; hawser. —got, hawse-hole. —bout, hawse-piece. —prop, hawseping. Moister, v. fetter, shackle. —en, ov. w. to fet • ter, to shackle.
up in, to doe on, to be smitten (taken) with. waken, to drive (to make run) mad. —, in. fool; madman, buffoon, clown; joint of a pomp-handle; movable cap (cowl) of a chimney. roar den — houden. den — steken met, to make a fool of, to banter. —sekeren, on. w. to jest, to banter; o. jesting, triflug --kepraat, foolish talk. —keniuis, mad house, bed!am. —strap, T. fool's cap; m. fool. o. murrnuying,beating. cackling; tattling, chitchat. Gekakell, o.
121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v

Maakt gebruik maken van Microsoft Blockchain


VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i
AN. -1,4T. landen. —ed, a. ontsch,ept, gelsnil; landerilen Larceny (laar'se-nih), s. diefetal. bezittend; in landerijen beetaand. —ing, a. len- Larch (leaner), a. —tree, lorkenhoom. ding; boating; landingepleate; rust laata op een Lard (laard'), s. Rpek, va r k, euze i . v. R. trap. —ing-place landingaplaats. —lean, a. zonder vet maken; doerepekken; v. n. vet warden. —accous (ler-dee'sjus), a. spekachtig. —er, a. land. — SenPe (..keep),s.laud.chap. — Ward( - wurd), - provisie-kamer.—erer,e.apkjameeeter; -meesteres. ad. landwaarts. —ing, a. (het) doorspekken; —pin, lardeerpriem. Lane (leen ► , a. lean; steep; doorloop. —on (-un), a. Teeple lardeerspek. Lang'. age (len'greedzii, —el (-grill, a. ketting- Large (laardtf), a. groot, breed; uitgestrekt, kogel; schot met schroot, Language (leug'gwidsj), a. tool, spreak, stgl. ruin; mild. —hand, gray; schrift. at — breedvoerig; vrij. —ly, ad. ruimsehoots; in (t breede. -master, taalmeester. —d, a. vele talen aprekend; —sees, a. grootte, ruimte, wijdte; liespraakt. Larg eta (laar'clsjees), a. gift, gesehenk; mildLanguet (leng'git), a.. tongetje. Languid (leng'gwid), a. —1y, ad. mat, loom, held. —ition (ler-dzjiefun), a. sehenking. kwijnend. —nen, a. matheid,loomheld,rwakheid. Lark (laark'), a. leeuwerik. —spur, ridderspoor.. Languish (leng'orard8.1), a. kwijning, smachtin .g. —er, a. leeuwerikenvanger. —any, s. leeuwertkenvangat. —, v. n. kwijnen, smachten (for). ---er,'. kw,j- raipaebro'rmdi lek. ),.. uitstek (van eene kroonner, smaehter. —ing, a. kwijnend, smaehtend. liAruirmiedni kwijning, smachting. —ment, Languor (leng'gwur), s. kwijning; loomheid, Lacuna (la'rum, ler'nm), e. alarm; wekker. Larva (laarive), a. leirve, pop (van eon insect). matheid. —red (veer-id), a. gemaakerd. Laniard (len'jurd), e. Zie Lanyard. Lanlate (lee'nt-eet), v. a. scheuren,verscheuren. Larynx (ler'inks), s. strottenhoofd. 1Lant (crone lie-nirur-us), —germ. (-nid'tjur-us), Lascivious (leu-sivq-us), a. —ly, ad. wulpsch„ wellustig; uitgelaten. —sees, a. wulpsehheid, a. woldragend, won't?. geitheid; dartelheid. Lank (lengki, a. slap, sluik; tenger, sehrael, 'ank; mat. —, v. n. slap warden; eliaken, nor- Lash (les)), s. sweep; sweep-, riemslag; steek, mageren, afvallen. —ish, —y, a. slap, dun, schraal. scherpe set. —, v. a. zweepen, geeaelen; heke-1y, ad. slap, mat, nigger. —nevi, a. slapheid; ben, vastajorren; v. n. de sweep sweeten; (oat dunheid; eehraalheid. into) zich Overgeven aan. —cr. s. geeeelaar; touw. —ing, a. sjorring, sjortouw. Canner flen'nur), e. oteenvalk. deers. —lore, a. door zijne Lanaquenet (len'ske-net), s. lansknecht; lane14 best: n(ldaes s 'v )er laa. tme quenet (seker kaartepel). Lantern (len'turn), a, lantaren; vuurbank. dark —, Lameitude (leeol-tjoed), e. vermoeidhetd. dievenlantaren.ma le —,tooverlantaren. —bearer, Last (laaat'), a. & ad. laatst, vorig; jongetleden. lentarendrager. —b races, lantarentisera. —crank, — night, giateren avond. at —, ten 'twat°, eindelijk. a. lewd; last. — , r. n. dureu. — age, ijzeren lantarenarm. —fly,lantarendrager (insect). banden om de achterlantaren, —jawed, s. laatgeld; ballast. —ing, a. —ingly, ad. duursewn. —ingness, a. duerzaamheld. —1y. a4. ten mager van gezicht. —wheel, drijfrad. lactate. 1Lanuginous Ile - njoe'dsji - nusl, a. wollig. Lanyard (len'Jurd), s. taliereep. — of the hoop, Latch (iota)'), a. klink. —, v. a. op de blink staarttouw op de ankerboei. — of the guisport, doen; vangen. —et 140,, e. sehoenriem. —ings (.1engt)„ pl. rijglenvers. —key, s. looter, degpoorttaliesehenkel. sieutel. Lap (lap'), a. sehoot; lapje, lelletje. —dog, schoot- bond. —eared, met hangooren. —ful, achootvol. Late Ileet"), a. last; onlangs gebeurd; laatat, ad. last. of—, —side, alagzijde. —stone, klopsteen.—wing, Mena. voormelig, gewezen; —work, vlechtwerk. —, v. a. in-, oinwikkelen, onlangs. —ly, ad. kortelings, onlangs. —seas, a. laatheid. overapreiden; likken; v. n. overhangen, liggen; Lateen (le-tien'), a. —sail, lattinteil. slabben. Lapel (la-gel'), s. opslag, overelag. Laten cy (lee'ten-sih), a. verborgenheid. — t, a. Lnpid ary (lep'i-de-rih), a. in steen gegrift; s. verborgen, verhoien. steensntjder; juwelier.—ation (-dee'sjun), s. stee- Lateral (let'ur.el), a. —ly, ad. sijdelinreli; ziiniging. —eous (le-pid'i-rte), a. eteenaehtig. delings• —escence (-des'sens), a. varsteening. —eecent Lath !loath'), a. lat. —work, latwerk• —, v. a. met fatten voorzien. (-des'eent), —ifie (dif'ikl, a. versteenend, eteen- vormend. —(fication (le-pid-if-iikee'sjun), a. steen- Lathe (leeth), a. draaibank. vorming. —ify (le-pid'i-faj), v. a. & n. veretee- Lather (leth'ur), s. zeepsop. —, v. a. inzeepen; v. n. sehuimen. a. juwelier. nen. --tot, Lap per (lep'pur), a. inwikkelner; lepperjslab- Lathy (laatleih), a. elank. s. Latijn. Latin (let'in), a. latijnech. bar. —pet (-pit), a. slip, tip, pand. Lapse (lepe'), s. val, voortglijdieg; misslag; ver- a, latOnsche spreekwijse. —1st, e. latinist. —its/ overgang. — of time, tijdaverloop. —, v. (le-tin'it•tih), a. euiverheld van latijnschen atijl. —ize (-amt). v. a. can latijnsehen vorm geven; n. voortglijden; een' miselag begsan; vervallen. v. n. latkineehe spreekwkizen gebrniken. Car (laar), a. huisgod; meerv. Laren. Larboard (laar'boord), a. bakboord. —trek, bak- Latish (leet'isj), a. eenigszins last. Latitant (let'i-tent), R. verborgen. bor,dshals. —watch, bekboordewaeht.
At rm.: iri VIE, on. ao moul , er away. rteteis ant, (it. W. to i , eor .d dlawit,e -may, linsit. purnert Aftat n trelt,„ ov. a', to ,,,,pavate Ly a wall. Afclattilt,n,ov xi , to fini.;.11. AInresn;rtor, Zie A fascnaer, w. to take di wrt, — off, —from,, Alele711 en, (iisimount; to shorten, to to pal. out off, to amputate; to cut tkaarten); to cheat (to ease) of, to ehargr, to force from; to free Ito deliver) from; to wipe off, to clean; to clear the table; to infer, to conclude, to guess. het ,auk —, to unyoke. den mom —,to skim (to cream)

Kun je geld verdienen kopen en verkopen van Bitcoin


bepaald. bruisend. a. —ably, ' s. krachteloos, lnexpress lble (in-eks-pressibil, Ineffiefte Inns (in-ef-fl-tree onnitsprekdijk. —ibles (-iblz), pi. broek. niets ardoend. —iousnets, —y f-ePti-ke-sih), s. a. solider uitdrultking. krachteloosbeld, vruchtelooaheid. (in-eks-pug'nibl). a. ono,erwinIneflielen cy (in-ef•lsj'en-silt), S. krilehtel00s- Inexpugnable onneembaar. , a. krachteloos, wer. nelijk, held wericeloosheid. —t Inextinxulsht.ble (in.eks-ting'gwisj.1 1 01), ,, on' ,s. keloo ultblusehbaar. Inelnlyornte (in e-lebiur-ret), a. ondoorwrocht,Inextirpable (in-eka• tuepibi), a. onnitroetbaar, slordig bewerkt. onverdeigbaar. Inelegan ce (in-ere-gene), R. onbevalligheid. —t,Inextrlea bale (its-eketri•kibl), a. —11y. ad . nlet a. —sly, ad. onbe•allig. to ontwarren; netelig. —bleness, a. verwardheid; a. onverklesbaar , Iiielegi ble —bility


lieretenine en, ov. w. to tune again; on. w. to Her.len. ov, W. to review, to revue, to look vote again; (over) to put to the vote again. —ing, over again. —ing, v. review, revision. v. second voting. Herezoeken, ov. W. to seek again. ileretenvel an, or. w. to stamp over again. Sleep, v. knuckle of a ham. Hat, 1. the. —lag, v. stamping over again. Heraticht en, °v. w. to rebuild. —er, m. re- Het, vow. It, he, tin, iletevelk, vow. which, that. builder. --ing, v. rebuilding, restorat;on. Hart, o. deer, stag, hart. beg —, fawn. sager —, Retell, vw. either, or; whether. rascal deer. vliagend —, stag-beetle. - Omit, zie Hess, fieurle, v, hay. Hetet. —eboutosideuf venison. —ekop.stag'ahead. Hens, v. tegen — en meup, against the grain, reluctantly. —enjacht, deer-, stag-hunting, —enkarnp, deer- park. —enpaatei, venison-pie. —env/mice, venison. Heugeli, m. pot-hanger, pot-hook. —sheers, hart's-horn.--aleder, buck-skin. —stony, Henson, OM. W. to remember, to recollect. het heat 'mi., 1 remember. —is, v. remembrance., hart's tongue. —manger, hanger, cutlass. nertee ken en, or. w ejo sign (to mark, to draw) tecellection. again. —ing, v. signint(markitie, drawing) again. Heitexikih, hr. joyful, pleasant, memorable. Herten en, ov. w. to count over again. —ing, --held, v. joyfelnees, pleatantnee, v. counting over Again. Honker, us. retailer. Hertimnier en, ov. w. to rebuild. —ing, v. Haul, v. small wooden bridge. —, o. aid, asrebuilding. eistance; comfort. !Bull, m. poppy. —bloem, poppy flower. —bol, II ertocht, an. retreat, return. Hering, m. duke. —don, o. duchy. —in, v. poppy-head. —sap. upturn. —sand, poppy-aced. dnehees. —elijk, by. ducal. Heulen, on. w. to collude, to conspire, to agree. 'lamp, v. hip, haunch. —been, hip-bone. —jieht, lleetontson, ov. w. to readorn. Hertrolvw, m. second marriage. —en, or. & on. —tee., hip-gout, sciatica. lieu/Jets, by. & bw. courteous (-ly), civil (-Iy)., w. to marry again, to remarry. kind (Ay), obliging (-ly). —held, v. courtesy, Heruut, bw. hence, out, away. Hera alien, on. w. to fall again ; to relapse, to civility, kindnees, lieuvei, o. hill. —top, top of a bill. —achtig, apostatize. Hervott ea, or, w. to resume, to renew ; to tot. hilly. —tje„ o. hillock. reply; (ten bezoek) to call again. —ing, a. reeump , elevel, trt. lever; syphon. ilevtg, be. & bw. vehement (-137), violent (-1y), tion, renewal. fierce (-ly); passionate (-ly), hasty (-fly). —held, Helmet len, ov. w. to offer for sale again. v. veheu.ence, violeuee; paseionatenese, haettnese. Horverv6rn, or. w. to die (to paint) over again. Heel, ea, heel. op de —en sitten, to pursue close. Hervindon, ov. w. .o find again, to recover. Horvieehten, ov. w. to twist (to braid, to plait) — been, heel-tore. —ledir, heel-piece; quarteragain. piece. —stub, heel-piece; quarter-piece; hock. —en, on. W. to heel. —ing, v. heeling; heel, Hervoeren, ov. w. to lead back, to reconduct. Hervorna d, by. reformed. —de, nr. & v. Dutch heel-pieta. —tje, a knuckle (of a hem); beet part. protestant, reformed. —en, ov. NV. to reform, to Hier, bw. here; hither. — en dear, here and transform. —cr, m. reformer, reformist. —lag, there. tot — toe, hitherto, thus far. Merman, bw. at (of, on, to, about) this, hereat, v. transformation; reform, reformation. hereto. Ilervouvven, ov. w. to fold agar, Hervragen, ov. w. to redemand, to ask (bark) Hierachier, bw. bPhind, — thia, illeprof, bw. of (from) this. again. Ilterbentedlon, bw. below, beneath, under bore. 111:rwinorts, bw. hither., thie way. down (below) 'tithe; in this life, in thie worid. iterevannen, or. w. to winnow again. nerwstiseitaien, ov. w. to arm again. Martell bw. hereat, hereto, to this; ennexei, Inclosed. Herwarmen, or. w. to warm Again. ilterhtunen,bw. within (this place). Hersvasechen, er. w. to wash over again. Hierboven, bw. (here) above, up timer,', up Herwesen, ov. w. to weigh over again. Herwtid en, ay. Ir. to reconeecrate, to rear- (above) stairs; to Heaven. Illerbulten, bw. out here, without. dein. —ing, v. reconeteretion, reordination. Illei Avian en, oy, w. to regain ., to reconquer. litereloor, bw. through this place, by thin way; —er, m. retaken. —leg, v. regaining, recapture, by thin (means), hereby. 111ernern, We.. hither, here, to this plash; this recovery. Her na. reerartge. —rekeoing, account of way. picnics, I, w. in (into) this, herein. reexchange. itlierlungs„bw. along here, this way. Herwite.v, or. w. to whitewash (over) again. Iliermede, bw. with chile, herewith. Horwriiven, ov. w. to rub (over) agate. 'Item., bw. after this, hereafter. Ilerennien, 6v. NV. to sow again. Illerznneet en, or. w. to reateemble., ta rally. literssitur, bw.according to th—, accordingly. II ternenst, be. next to thin, next door. lag, a. reaesemblage, rioter. — iii icritmintimill a, bw. hereafter. HI cuntrig.lon, ov. we to meal (over) again.. Herzegs en, ov. w. to cep Fat, to soy again, Hi........n,..., hw. annexed, inclosed; besides. Hierow, bw. for this (reason), therefore. —kg, v. repetition.
notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Wat cryptogeld is het makkelijkst te mijnen


61 URE.—CRO Croceous (kro'sjus), a. saffraangeel; van saffraall• Cress (kresm), ki kers. Cresset (kres'sit), a. vuurbaak; toorts; bakenvuur. Crock (krok'), a. kruik, pot; potzwart. —butter, gezouten boter. —er, o. roudventer. --y, a. beCrest (krest"), a. kuif; helmpluim, helntsieraad; rookt, roetig, hanekam; fierneid. —ed, a. gekamd, gepluimd, gekuifd. —fallen, a. moedelooa. —less, a. zon- Crockery (krok'ur-rib), a aardewerk. der kam, toot of wapen; gering. Crocodile (krok'o-d11), a. krokodil. Cretaceous (kri-tee'sjus), a. krijtachtig; krijt- Crocus (kro'kus), a. krokus; saffraan. houdend. Croft (kroft), s. besloten veld; erf. Crevice (krevls), a. spleet, scheur. —, v. a. Croises (krorsiz), a. kruisvaarders. Crone (kroon), s. oude not; oud wkif. splijteu, doen bersten. Cronet (kro'nit), s.thaar, dat bij den paardenhoef Crew (kroe), a. scheepsvolk; troep, ploeg. groeit, kroon. Crewel (kroe'il), 8. kluwen. Crib (krib'), a. krib; hut; koestal; § ledekant. Crony (kro'nih), s. oud vriend, oude kennis. —biter, kribbebijter. —faced, pokdalig. —hage Crook (kroek'),s. haak;herdersstatkromte.—back, bochel; buttenaar. —backed, gebocheld. —, v. a. t-bidzi), a. zeker kaartapel. —, v. a. opsluiten; krommen, buigen; v. n. krom zijn. —ed, a. —edly, steles; v. n. op stal staan. CrIbble(kribibl), s. korenzeef; grof meet. —bread,' ad. krom, gebagen, seheef; slinksch. —edneas, s. kronaheid; gebocheldheid; verdorvenheid. grof brood. —, v. a. ziften. Crick (krik), s. gekraak (van eene deur);stijve hats. 1 Croop (kroep), s. keelziekte. Cricket (krik'it), s. krekel; loge stoel; soort Crop (krop'), a. krop; top; stomp; oogst. —, v. inzamelen; maaien. —car, 1 R. afkorten, kappen; van kolfspel. —er, a. cricket-speler 1 kortoor. —eared, met gekapte ooren. —fat, prop. Crier (kraj'ur), 8. omroeper; mchreeuwer. door maagoverlading onCrime (kraim'), s. misdeed. —fat, a. misdatlig.' vol, verzadigd. —sick, maagziekte (door overlading). gesteld. —sickness, -less, a. onschuldig. —time, oogsttijd, —whip, voermanszweep. —per Certain al (krim'i-net), a. —ally, ad. misdadig —al, a. misdadiger. —ality (-nel'it-tih), —alness, (-pun), s. kropper (dolt). a. misdadigheid. —ate, v. a. beschuldigen. —ation Crosier (kro'ziur), s. bieschopestaf. (-nee'sjun), a. beschuldiging. —story, a. beachul- Croslet (kros'lit), a. kruisje; haarband. Cross (krom'). a. kruis; droefheld, lijden. —and digend. pile, kruis en munt. to creep to the —, zieh onCrImosIn (krim'zin), a. Zie Crimson. Crimp (krimp), a. broos, brokkelig; zwak. —, derwerpen. —aisle, zijvleugel (Pener kruiskerk). a. ronselaar; agent voor kolenhandelaars. —, , —armed, met gekruiste armen, werkeloos. —bar, v. a. krullen, friseeren;' krimp snijden; ronselen• dwarahout; kruim (van een venster); zwieping. dwarabalk.—bilt, Crimple (krim'pl), v. a. (taken) krimpen. (up) —bar shot, atangkogel. —beam, —bite, a. valstrik, kronkelen. kruisbek (vogel); tegenklacht. Crimson (krim'zn), a. karmozijn. —, a. karmo- bedrog; v. a. bedriegen..—bow, kruisboog. —bowram. zijnItleurlg. —, v. a. rood verven; v. n. blozen. er, kruisboogschutter. —breed, gekruist —cut, Crincum (krink'um), s. kramp, samentrekking; —bun, kruiskoek. —caper, dwarssprong. nub, grit. dwara doorsnijden. —cut-saw, trekzaag. —day, onderzoek door de Cringe (krindzj'(, a. slaafsche buiging; kruipende ongeluksdag. —examination, tegenpartij to hooren; onderzoek door strikvraonderdanigheid. —, v. n. laaghartig vleien; de tegenpartij in verhoor semen; —examine, gen. —r, 8. kruipende vleier. (to). kruipen Cringle (krin'g1), s. ring; oog van een touw. door strikvragen onderzoeken. § —eye, scheel. oog. —flow, in tegenovergestelde richting vloeien. —a, a. leuvers. —.fortune, tegenapoed, wederwaardigheid. —grain. Crinlgerous (kris-id'zjur-us), s. harig. ed, tegen den dread; stuursch. —jack, bree.fok. Crinite (krarnajt), a. haarachtig. —jack-yard, bagijnera. —lane, kruislaan, dwars. Crinkle (kring'kl), a. kronkel. —, v. a. & n. steeg• —legged, met de beenen kruiselings. —line, kronke?en, rimpelen. kruislijn. —marriage, —match, gemengd buwelijk. Crinbilne (krin'o- lin), a. stijve rob; hoepelrok. § —patch, bullebak. —path, kruisweg. —pawls, Cripple (krip'pl), a. kreupel. —, a. kreupele greenen senten. —piece, tiwarastuk. —piece of —, v. a. kreupel makes. the bitts, bettngbalk. —piece of a cleat, balkjein Crisis (kraj'sis), a. toppunt; crisis. een kruishout. —piece of the head, talkie in 't Crisp (krisp'), a. gekroesd, kronkPlig; broos, brok- galjoen. —pillar, stut . —purpose, mieveretand; kelig, murw; geroost. —, v. a. krullen, vlechten; niet passend antwoord; tegenstrijdig plan; streep bruin roosteni v. n. kronkelen. — a/ion (-pee'sjun), door de rekening —purposes, vraag- en ants.krulling. —ing-iron, —ing-pin, krulijzer. —nes, woordspel. —question, zie —examine. —road, s. kroesheid —y, a. kroes; broos. kruisweg, viersprong. —row, a-b• bock. —seizing, Criterion (kraj-tPri-un), 8. kenteeken, rnamtstaf. kruisbindsel. —staff, graadboog. —tree, dwarmsa. Critic (krit'ik), s. kunstrechter, beoordeelaar; he- —turns, mlagen van kelaar; beoordeeling. —, —a/, a. —ally, Ad. kunst- ling. —trees, kruishouten. —wind, tegenrechterli.jk; zorgvuldig; hoc helijk, netelig. —ise eene kruising. —way, kruisweg. (4-sajz), v. a. & n. beoordeelen; hekelen. —ism wind. —wise, kruiswijze. —wort, kruiswortal. Cross (krom'), a. kruiselingsch, schuinsch,dwars, (-i-shm), a. kritiek, beoordeeling; gimping. averegtsch• tegenstrijdig; eigenzinnig; stuurech. Croak (krook'), a. gekwattk, gekras. —, v. n. kwaken, brasses, rommelen. —er, a. knorrepot; —, v. a. bruiser; met een kruis merken, doorhalen; dwars oversteken; dwareboomen, belemmeongeluksprofeet.

BYE—CAL. wer. —street, achteratraat. —view, bijoogmerk. opjager lin eene veiling.). —dist, tusschengereeht. —way, geheime weg. —wipe, steek onder water. —end, bijo3gmesk. —gains, buitenkaneje; vernal. —word, spreekwijze. —gone, verleden. tear. —name, bijnaam. —path, bijpad. —place, eenzame pleats. —road, Bye ibaj), good —, gaeden dog; vaarwel. (Oorspronkel.: good of Gcd be with ye.) btweg. —room, aciaterkamer. —stander, toeschou-
(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al,

cryptogeld t-shirts


Dan nen, ov. w. to thin, to dilute, to weaken, —diesel, forced service. —gesag, despotism. —mid. to attenuate; to rarefy; on. w. to grow thin. del, Means of constraint. —nagel, rivety Saw. —netjes, bw. thinly, rather thin. —nigiieid, v. Zie Dweirrel, tn. whirling, —en, on. w. to whirl. Du sulaaid. o. thinuings of lettuce, lettuce- —stroom, whirlpool. —rabid, 'whirlwind. —iag,Jr. sproat.e —ink, hot-bed for lettuce. —te, v. Lie whirling.
By the time the Erasmus Programme was adopted in June 1987, the European Commission had been supporting pilot student exchanges for 6 years. It proposed the original Erasmus Programme in early 1986, but reaction from the then Member States varied: those with substantial exchange programmes of their own (essentially France, Germany and the United Kingdom) were broadly hostile; the remaining countries were broadly in favour. Exchanges between the Member States and the European Commission deteriorated, and the latter withdrew the proposal in early 1987 to protest against the inadequacy of the triennial budget proposed by some Member States.[1]

Wat is het beste door goud gedekte cryptogeld


Seeing (sieleng), conj. daai, aangezien. Seek (nick') [sought (soot)], v. a. zoeken; •taan near; v,, n. (after) opzoeken; streeen near; (for) zoeken. to be to —, in veriegcnheld (rood) zlin. —sorrow, zelfkweller. —er, a. zoeker. Seel isle!), v. a. b!inddneken; (up) wegsluiten; v. n. slingeren, overhellen. Seem (diem'), v. n. schijnen. —er, a. die acbijnt. —ing, a. schijn. voorkomen; meaning. —ing, a. —ing/y, ad. sehijnbaar. —ingress, a. schtjn bearbeid. ( 11 nose). a, betamelijkheid, —/y, a. welvoegelkik; betamelijk. Seer (arur), s. ziener, profeet, See•aaw (sie'sao), a. wip, echo mmel; (het) slingeren. —, v. n. wippen,echommelen. Scribe (sieth'), v. a. & n. koken, xieden. —r, a. /taker; kookpan, ketel. Segar ei-gear'), a. Zie Cigar. Segment ,meg'ment), a. segment. Segrega te (segire-geetl, v. a. afzonderen. —lion (-gee'sjuni, e. afzondering. Seigneurial (at-njoe'ri-e1), a. onafhankelijk; heerschappellik. Seignior (sen'jur), a. beer, grand-Jeenbeer. grand Groote Beer. —age, a. oppermacht. —y, a. heerlijkheid. Selo (silent, a. zegen, elagnet. Selty (erit-tih), a eigenaardigbeid. Selz able (sieeibl), a. grtjebaar, neemleiar. —e, v. a. grijpen, vatten; nemen, bemacht igen; nen an.gen: aantaaten; in bealag newer; sjorren, beknijpen; V. IL (on. upon) in benlzg nemen; zich reeester maken van. —er, s. grijper; bealaglegger. —in, a. bezitnerning; hem t. —mite., a. hindsel, sjorring. —or, a. beslaglogger. —are (-Jur), a. bezitneming; aangehaa)d goed; Seldom (aerdum), ad. zelden, zeldzaam. —news, a. zeldtaam held. Select (ae-lekt'), a. uitgezoeht, uitgelezen. —, v. a. uitkiesert. —ion (-lek'sjun), a. keur. —nest, e. tiftgelezenheid. —or, a. uitille•er. Seien its tael'e-najt), a. epiegelateen. —ogrephy 1-nog're-1111), a. maandbesehriking. Self (colt' , , pr. zelf, zelve, zelren. one's zlch zeiven. —, a. vigen. —abasement, a. zeifverlaiging. —,buse, a. zeltbevlekking. —active, a zel fwer!tend. —assumption, —conceit, 0. eigenwaen. inbeelding. —conceited, a ittaldunkend, verwsand. —confidence, seltvertrou•eu. —conscious, a. selfbewust.—eonsciousnest,m.zelfbe.uet7tn.—control, s. zelfbeheersching. —deceit, zelfhedrog. —defence, a. zelfverdedigeng. —denial, r. zelfverloochenIng. —coded, a. zelfzechtig —ends. p1. eigenbelang. —esteem. e. zelfachting. —evident, a. klaarblijkeltjk. —extinguisher, a. zeltdom per. —heal, s. wordkruid. —interest, a. eigenbelang. —interested, ft, belangzuehtig. —love, a. eigenliefde. —moving, a. van melt hewegend. —murder, a. zelfmoord. —murderer, a. zelfmoordenaar. —opens, pl. natutu lijke openingen of holten. —opinion, a eigenween. —possessi,n, a. eeiNeheersehing hedaardheld. —praise. an eivenlof. —preservation, a. selfbehnud.—renuneiation,,zeifverzat inK.—rrpruach, e. zeifverw kit. —same, a. juin dezelltie. —seeking., a. zelfzuchtig; s. zelfzuaht. —sufficienee, a. selfgenoegtaarnheid, eigenwaan. —aufeircient, a. loot-
men. —er, s. bealaglegger. ..-t, a. gerechteitia bealag.. Distress (dis-trees'), a. ellende, rampapoed, nood; in-bee.ag•nerrang. v a. in ellende(000d) dompelen; in beslag nemen. —fat, a. —fully, ad. rampspoedig; ellendig. —iny,a. kwellend, treurig. Distribut e (dia-tribloet), v. a. ultdeelen. —er, a. uitdeeler. —ion (-tijoe'ejun), s. uitdeeling. —ire, a. —ively, ad. uitdeelend. District (die'trikt), a. rechtegebitd, distrikt, Distrust (die - trust), a. wantrourven. — , v. a. wantrouwen. —ful, R. —fully, ad. wantrouwig. —fulness, s. wantrouwigheid. Disturb (dis-turb), v. a. verontrusten, storen, verwarren. —ance, a. opschucling; storing; verwarring. —er, a. veratoorder. Disunion (dis-joen'jun), a. reheiding; oneenigheid. Disunit e (dig-Joe-112M, v. a. vaneen seheieten;

eris x cryptogeld

×