305 epaatzeamheiti, huishoudelijkbeid. —i/y, ad. —y, Thumb (them'), a. dam. —bend, duleasband. a. voorspoedig; euinig, spaarzeam.—iness(-1-nees), —breldth, dulmsbreedte. —cleat, lieklamp.—latch, blink met ere' drukker. —lock, veerelot. .• suitifichuid. —tees, a. verkwistend. Thrill (thrill), a. drilboor; toehtgat; doordrin- lactate droppel wijn op den nagel; to drink —, gentle loon; trifler. —, v. a. boren, doernoren; op bet del metje af drinken. —.piece, peep. doordringen; v, n. indringen ; rillen, trillen ; —screw, staarteehroef. —stall, dulmeling. tut ten. a. beduimelen, onhandig behandelen; doorbladeren. Thaler }trap') [throve, thriven (tkrIv'n)], v. a. bares, wehig groeien, toenemen; gedkien., rijk Thump (thump'), a. stomp. —, v. a. & n. atomworden, vaorepoed kebben. a. voorspoedig pan, etooten; vallen. —en; a. atomper. groot, pinup. man. —ing, a. voorspoedig. Throat (throat'), a. keel, stmt; ingang; klauw, Thunder (thun'dur), a. donder. —bold, blikeem kale. —band, keelriem. —block, gordineblok flits; banblikeern. —clap, donderslag. —cloud, —broil, groote gel. —buckle, gesp van den keel. onweettiwolk. —shower, denderbui. —stone, donclew. —flap, strotklepje. —halliard, gaffelval. dersteen. —storm, zwaar onweder. —struck, ale —pipe, luebtpij p. —root, watersteenbrelre, -mean- van den donder getrotfen, verplet. —, v. a. do !mild, —seizing, hartbindsel. —wort, halakruid. n. donderen. —er, a. donderaar. a. dondeThrob (throb' ► a. klopping. —, v. n. kloppen. rend; a. bet donderen. Thud hie (thjoe'ribl), a. vrierookvat. —few). —bitty, a. kloaping, hartklopping. Throdden (throd'dn), v. rt. gedijen, waysen, (-rll'ur-us), a. avieeeo!e voorthrengend. —fication (-rif-i-kee'sjun), 8. bewierooking. toenemen. Throe (duo), a. barerninood; doodsanget, dnode- Thursday (thero'dee), a. donderdog. Than (thus), ad. due, Aldus, zoo. v. a. & n. bevig (doen) !lidera. atrijd. Throne (throne), s, troon. —, v. a. op den troon Thwack (chwek), s. slag. —, v. a. clean. Thwart (thwnort'), a. —lie, ad. dwars; hinderplaatsen. s. daft (roethank). —, v. a. doorlijk, Isetig. Throng (throng), a. drab, bedrijvig, —, s. ge- ad. kruieen; dwarshoomen; v. n. strijdig v. a. & n. dringen, (elk,nder) verdrin- drang. Ken; veratoppen. dwars. —skips, ad. dwarsseheeps. —ways, ad. overThrust)! a (throe'i) a. Water; getouw. —ing, a. dwars. —big, a. —inryly, ad. hinderlajk, dwaredrij keelgezwel (btj bet rundviv ► . vend. —tress, a. dwaiebeld. MOO, Thy (thaj), pr. uw, tee e, uwen. Throttle (thrutit1). a. luchtpijp. Thy hue- (thaj'in), a. —wood, cypressenhont. klep. —. v. a. & n. worgen, eteoren, etikken. Theead • (taim'), a. tbijm. —y, a. vol tijrn. Tbrourah (throe" ► , ad. door a door, geheel. a. prp .ioor. —ly, ad. Zia T.norestahly. —out Thyre a (tbues'), a. tuiltje, kroontje. bacchutestaf. (-nut), ad. steeds, overal; prp geheel door. Th ynelf (th+self')„ pr. u zelven, u zelve. Throw (thro"), a. worp, elag; inepanning; wee. Throw (thro') [threw (throe). thrown (throon)], Tiara (ta)-ee're), a. driedubbele !croon. v. a. werpen, emijten; ate,ont- s neder-,tilt-,wee- Tibia (tib'i•e), a. acheenbeen; butt. —1 (-el), a. van hetatcheenbeen; butt-. werpen; twijnen; draaien. —one's self on (upon), zleh verlaten op. (about) in 't road we'll., (away) Tice (tale), le a. —meat, a. Zie to Entice. wegwerpen; vet.• wieten; to erornle richten. (bark) Tick (tilt'), a. burg, eredlet; ti.jk; getik; tee k, terugwerpen, -driiven. (by) verwerpen; ter zijde sehapeluis. —, v. a. do n. tikken, borgen. —en leggen. (down) nederwerpeu; Gra verhaleu; ver- (tik'n ► , --ing, s. beddetijk (stop). woeeten. (in) inbrengen; inlasachen. (off) afwer- Ticket (WOW, a, brietje, lootje, kaartje. — of pen; verwerpen; ultdrtjven, veretooten. (out) nit- leave, verlotpas. —collector, brietesephaler. werpen; nitstooten; verbannen; to verstsan ge- —porter, briefjesrondbrenger. —, v. a. vm2 can yea. (up) opwerpeu; wegwerpen; gpgeven. kaartje voorzien, merken. v. n. werpen; dobbelen. (about) op rniddelen den- Tickl a (tik'kl), v. a. kittelen; v. n. kitteling zinnenstreeler. —er, a. die werper. —ster gevoelen; ken, intddelen beproeven. (-stun), a. twijner. kittelt. •—ing, a. lateling. —ish, a. kittelaebtig; Thrum (thrum'), a. dreun, dreamett, grof garen. netelig; wankelend. —istiness, kittelachtigheld; —cap, wolien mute. --hat, ruige hued. —, v. a. neteligheid; oneekerbeid. & n. knoopen, vleelten, met iranje ornzoomen; 'tad MO, a. zacht, lekker. —bit, lekker beetje. mtg., op deeunen. Tidal (verde!), a. van het getij. apekken; aleeht Thrush (thrusr), n. 'Oster; apruw. Tfele3De (tideil ► , v. a. lietkooeen, troetelen. Tide (tajd'), a. tij, gett); vied; stream; did; or Thrust (thrust), a. stoat, ateek; Rantd. Thrust (thrust') [thrust], v. a. Moot., doyen, loop. —duty, havenge/d. —gate, vioeddeur, slate. steken; doorboren; istoppen. — one's self into, —gauge, peilsehaal. —harbor, binner haven. —'sztch dringen (mengen) in. (away) wegetooten. nian,—waster, tolneambte. —, v. a. met den etroono medevoeren; v. rt. met den stroem medegaan; tb (down) near initiation stooten. (in) inateken; en vloed hebben, vaseen; voorvallen, stooten. Indriiven. (off) wegstooten. (on) aan-, troortdrijvenevooltdutien.(out)uttdrtjven.(through) Tldi ly (tardtl•lih), ad. Zie 'tidy. —seas (•didoorstoken. (upon) wija makes. —, v. n. stooten; neon), a netheld. zioh werpen (at); indringen (ix); (into) zieh. men- Tidings (tardiengt), s. pl. nieuwe., beriekten. gee in; (on) voortdringen. —er, a. *tooter; aan• Tidy (taj'dih), a. net ; gelegen, meet; veering. waiter. a. echortje, kwijliapje; overtret.
The platform stores 98% of customers funds offline to ensure the security of the cryptocurrency assets you purchase and store within Coinbase. On their website, Coinbase assures customers that "sensitive data that would normally reside on our servers is disconnected entirely from the internet." Data is then encrypted, and transferred to USB drives and paper backups, and distributed in safe deposit boxes vaults all over the world. 
Foretop-gallant• (-gcl'ient-) a- tourbrams t eng. —royal-niaat, s. voor- bovenbramsteng. —royal-yard, a voor-bovenbramra. —royal-sail, voor-bovenbramzeil. —royal-shrouds, a. voor-bovenbramstengewant. —shrouds, 8. voorbramstengewant. —sail, a. voorbramzeil. —yard, s. voorbrairra. Foretop-mast (-top'maast-), a. , voorsteng. —shrouds, a. vooratengewant. —staysail, a. vooratengestagzeil. Foretop- (-top'), voormarszeil. —sailyard, s. voortopszeilra. —yard, a voormarszeilra. Foretry. (-traj') call-galT, a. stormgaffel can den fokkemast. Forevouelmed (-vautsW), a. to voren verzekerd. Foreword (foor'waord), a. voorhoede. Forewarn (-waorre), v. a. vooraf waarschuwen. —ing, a. waarschuwing. Fore wish (-wisr), v. a. vooruit wenschen. —worn (-woorn'(, a. versleten. Foreyard, a. fokkera. Forfeit (for'll t), a. verbeurd. —a, verbeuring, boeto. to Flay at —s, pandvcrbeuren. —, v. a. verbeuren. —able, a. to verbeuren. —tire (-joer), a. verbearing; baste. Forge (foorclzr),`,.s. amidse, ijzerhut; (het) ameden. —, v. a. ameden ; verdichten; nanaaken. —r, a. smeder; verzinner; falsaria. —ry, a. smidswerk; vervalaching. Forget (for-get') [forgot, forgotten], v. a. vergeten; verzuimen. —ful, a. vergeetachtig; onachtzaam. —fulness, a. vergeetachtigheid. —ter, a. vergeter. Forgive (for-giv') [ire ], v. a vergeven. -seas, a. vergiffenis. —r, a. vergever. Fork (fork'). a. vork, gaffel; punt, arm of verzwaardvisch. —head, pijlpunt. takktng. v. n. in twee takken —tail, vierjarige calm. (armen) uitloopen. —ed, a. — edly, ad. —y, a. gaffelvormig, gespleten; dabbeizinnig. —edness, a. gaffelvormigheid. Forlorn (for-lorn'), a. verlaten; hopeloos. —lope, verloren bende; gewaagde onderneming. —ness, a. verlatenheid; hopelooze toestand. Form (farm), a. vorm; uiteritjk, gedaante; zitbank, schoolklasse; leger (van can' base). —.v. a. vormen, fonneeren; v. n. zich vormen, zich formeeren. Formal (for'mel), a. —ly, ad. vormelijk, utterstijf; uitdrukkelijk; stipt. —ist, a. gloat van vormen. —ity ( a. vormelijkheid, uiterlijkheid ; plechtigheid; stiptheid, —lee (ajz), v. a. vormen, wijzigen; v. D. zich deftig (gemaakt) aanstellen; van uiterlijkkeden houden. Formation (for-mee'sjun), a. vormtng. —ive, (for'me-tiv), a. vorrnend; s. afgeleid wooed. Former (form'ur), a. vormer, maker. Former (form'ur), a. vorig, eerstgenoemd. —1y, ad. vroeger, eertijda. Formful (formloel), a. vindirgrijk. Formication (for-mi-kee'ajun), a. krieuweling (op de huidi. Formida ble (foemi-dibl), a. —bly„ ad. vreeseiijk, geducht. —bleness,'a. vreeselijkheld. Formless (formless), n. vormeloos. Formula (for'mjoe-le), a, voorachrift; formule.
(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere

Is cryptogeld echt anoniem


s. Sab4ath (seb'beth), a. sabbath, rustdag. —breaker : sabbatschend.er. Sabbptle (seb-bet'ik), —al, a. van den sabbat, — year, sabbatjaar. Sablan (see'bi en), a. vuur-, sterrenaanbldder. -iota, a. vereering der hennellicham•n. StaLine (seh'in), s. Zie Savin. Sable (see'b1), a. zwart. sahelbant; sabeddier. Shore (see'bur). a. whet. —, v. it. neeranbelen. Salmi [email protected] Iseh'(oe-lum), a. zsndtg. —osity (-los"it-toh), a. za.ndigbeid. `:arcade (oak-heed';, a. ruk (aan den teugol). Sheet. arlferous (sek-ke-rit'ur-us), a. aw;ker horlend. —amine (s,k'ke•rajn), a muikeraelitig. —elate (sek'ko-let), a. melkratikerzuur. Snee,dotal (seat-ur-do'tel), a. priesterli,jk. Zie Satchel. Se,chek (cetaj'il, Stack (sek'),s. ark; wijd vrouwenklead; siltt wi;a); beg:arming. bearer, zakkendrager,ajon,cr. —but, 711611111.1. fcsl , (een) schuiltrompet. zakvol. —racing, bet zaltlaopen. --, v. a. in zakkea doe.; be.siormen.. —age, —ing. p.. be,,torming, plundering —er,e. beetormer, plunder., Sacratortent (sefere-meat', a. sacrament. —al, a. —ally, ad mentel•), van (alt) een sarrament. —any (-mene.,-rili), s. sacramentenhoek. Sacred (see'i,rid), a. —/y, Ad. being, gelwiligd. gewijd (ill; on,, chentlis,:ar. —rays, a. heiligheid; onschendbaarbeid. Sacrific (se-uririi,), a oiler, —dory a. offerend. Ctincelline e (sek'n-fajz), a. offer, offerando; v. a. ed'eren; opafferen; onthrew:; . an; vernteti;ten.; v. offer., ,—er, ta. offeraar. —,ia! (-11afel1, a. ofreveud; offer-.

Wat is IOST Blockchain


Iles), my. Hercules. Illercyulan (hur-eln'i- en) Forest, g. the —. het Hartzgebergte, de Harz. Hermes (hur'iniez), my. Hermes. Herod (her'ad), m. Herodes. —Out (be rod'o-tua). m. Herodotus. m. Hesiodus. Iti saslsrd Ilesperlri (hen-pi'd e), g- Hesperle. Hess e (het). —io (hesri-e), g. Hessen. —ian heyri- en), a. Hesaisch. i. Hen. Hester cheetur), w. Esther. ilezeklah (het-e-kare), m. Hiskia. Ilibernta (hsj-bur'ci.e), g. Hibernia. Ilferonymus (haj e-ron't-mus), m. Hieronymus. Highland or (harlend-ur), i. Bergechot. —s (-lendz), g. the —, de (schotsthe) Hooglanden. Himalaya (him-e g. Himalaya. (-due-ten') Iltnd or (hin.doe'), I. Hindoe. g. Hindostan. Hippocrates (hip.pek're-tiez), m. Hippocrates. (hob'bis).m. Hobbes. Hobbes Hodge (bads)), roar Roger; Rut.
wakker, op zOne hoede. —ly, ad, wijd; in de Wimple (wim'pl), a. kap, an der; wimpel. v, e , eluieren; onndoen; neertrekken. verte; (seer) ver; veal. —a, v. a. & n. (zich) verwOden, uitzetten. s. breedte; wijd te; nit- Will (win) [won (wun)], v. a. winnen, verkrijgen; geetrektheid. veroveren; overhalen. overreden (to); (over) overWidgeon (wid'ojun(, s. spekeend, taling. haien; v. n. zegevieren; vorderen. 'idow (wid'o), s. weduere. —bench, weduwen- Wince (wins), v. te, eehoppen, trappen; achteraandeel. —hunter, weduwenjager. —wail, dwergnit slean; -- denizen; wOken; Cell wringer, olijfboom. —, v. s. tot weduwe maken; (of) be- Winch (winttP, s. schop; hanpel; handvateel. .rooven van. —ed (•ood), a. tot den weduwstaat kruk. —, v. n. Zie to Wince. gebraeht; beroofd. --er, s. weduwnaar. —hood, s. Wind (wind'), s. wind; nicht; adem. in the —, weduwttsat. op tit, gaanda. upon a—, ashen) bij den wind. Width (width)• s. hreedte, wijdte. to get (take) —, in vernal geraken. to have in Wield (wield'), v. a. hanteeren, zwaeien; bego down the —, uniekken, ruehtbaar warden. to heerachen —able, —y, a. te hanteeren, the —, in den noun hebben, de lutist hebben van. Wile (wajf') s. vrouw. huievronw. —hood,a. staat to take the — of, de loaf krijgen op; afateken. van getrouwde vrouw. —less, a. mender vrouw. — beam, wind-, kielbalk. —bound, deer tegen—ly, a. van eene vrouw. wind opgehouden. —Irroken, kortademig. —cheat, Wig (wiz'), a. pruik. —stoker, pruikmaker. —truck, windlade, blaasbalg. —egg, windei. —fall. efgewaald ooft; buitenkaneje. —fallen, Wight (waft), s. keret. vent, wczen. § Wigwam (wig'wem), a. but (der indienen). afgewaaid. —flower. anemoon. —gage, windmeter. —gall, gal (Ai paarden). —gun, •indroer. (wajl V), a wildernie, woestenkj. —, a. —Cy, —harp, Loins-harp. --instrument, bl eas-inetruad. wild; woest; onstuimig; woedeud; dot, onmeat. —lass, hempen braadsptl. —mill, zinnig; zonderling; losbandig, buiteneporig; verwindmolen. —month, windmaand (November). anderlijk. —boor. everzwijn. —briar hondsrooe. —pipe, luchtptjp. tuchtpomp. —row, ge(--eat bank, oneolide bank. --fire, griekseh vane, spreid gram. —sail, koci)zetl e —shock, windseheur. darewworm, coos. —fowl. wild gevogelte. —goat, —swift. noel ale de wind. —thrush, zingneeerle. gems. —goose, wilds gans; —chase, wilde-trantight, Ineht&ichtt tegen den wind besehut. —, zenjaeht; ijdele poging. —parsnip, suikerwortel. —plum, eleepruirn. —radish, wilde mosterd. v. a. inchten, sass den wind blootstellen; buiten (wild'ur). v. a, verwairen, verbijeteren. adem brengen; de lucht hebben van, op den reek volgen. --nen, s. wildernis, woettenij. Wild ing (wajld'iang), a. haogappel. —nese, s. Wind (wajnd) [wound (waaund)], v. a. winden; wildheid, woestheid; onquimigheid, onzinnigdraftier', wenden; wikkelen; omeiniten; indringen (into); veranderext; blazes. (off) afwinden, atheld; zonderlingheith lortbandigheid. haspelen. (out) loswinden, lestvikkelen. (up) opWile (wail), a. list, kunetereep, bedrog• winden; in orde brengen; bestutten, afsiniten; Wilful (wil'foel), a. —ly, ad. gewillie; eigen§ tot reijgen brengen. —, v. n. slob winder], — zinnig, halmetarrig; opzettelijk. —netts, e- gewitkronkeien draaien. (out) slob lotwinden, — losligheid; eigenzinnigheld; helestarrigheid; opzet• wikkelen. telijkheid. Will ly (wartil-lih), ad. Zie Wily. —nest (-li- Windage ,wind'INI„ a. speetruimte, meeting.. Winder (wajnd'ur), s. winder, opwinder; haspen ne., a. lietigheld, sluwheid. Wilk (wilk), e. trompetiehelp, -slak. winde, elingerplant. willekenr; veriangen; testa- Windiness (wind'l-ness),e. winderigheid; windWill (will), s. near btlieren. to open a --, een nicht; opgeblazenireld. ment. at testament openen. good—, toenenegenheid; no- Winding lwajnd'ieng), s. kromming, kronkelieg. —, a. draalend, kronkelend. —butt, boeghont. ring, klandizie. ill—, afkeer. wrok; kwasiwil—curve, golvende lijn. —horn, waldhoren. —sheet. Beheld. —, v. a. wilier': wseeseben; bevelen; lijkkleed. —staircase, —stairs, pl. wenteltrap. vermaken; bij testament bepalen; v. n. een tes—tackle, zOgijn. tament mitten; bepalen, Will (will') [would (weed)], v. n. wilien, zulle.n. 'mud le (vvind'i), s. haspel, Moe, —less, a. stil, sander wind, ademloos. — he nill he, of bij wit of niet. —ed (wild), a. Winslow (win'do), s. vertster, raam; opening. geneied, genind. —er, s. wilier. Willing (will'ieng), a. gewillir, vrijwillig, be—bench, —8111, v enete thank . onnebli d, seherm. —frame, vensterraem, kezijn, —clutter, reidwillig; genelgd, veriangend. — or unwilling. willens of onwillems. God —, zoo God wit. —/y, vensterlutk, -blind. —tax, velietergeld. —, v. a. ad. vrijwillig; gaerne. —neas, a. gewilligheid; van venatore (openIngen) voorzien; Kan bast veinier plastics. —ed (-flood), a. met venstere; met s. wily, to wear the —, een oPent.gen• —Y, a. ale een venater; met knitsblanwtje loopen, —gall, wiigenroos. —herb, weeg- fitrepen, netvormig. brae. - -plot, wilgenbos, hie. —shavings, pl. wit- Wind ward (wind'ward ► , a. near de wlndzijde eelegen; ad, near den wind, loefwaarte; e, wind, esspanes- —sheets, pl. vleehtwerk van wilgenast ( voor hoeden —weed, vlooikruid. —ed (-load), loefzijde; —to —, bovenwinds, te bearer. —y, a. —y, a. vol wilgen. —CM, a. wiigaehtig. wtntierig; ijdel, nietig; opgeblazen. Wily (warliii), a. list*, loos, eluw. Wine (wajn'), st, wijn. —libber,wijnzuiper. —bottle, fretboor. —, v. a Wirnble (wim'bi), a. wijnfieseh. —broker, makelaar in wijnen. —cask, boron. wijnvat. —cellar, —vault, wOnkeider. —eonner,
cerlijkheid; reebh,hapenl,iid,1114arizoan (ho-rnj'atn), o. geziehtetrider, horizon. eerbuir, —y, sensible —, schijitbare horizon. real - -, ware horieerbaarheid. Honey (hun'ilt). s. honig. my —, ntijo schatje; zon. —tal, —te'ly, act. (hor-i-zon'tel-), waterpass, horizontaal. mfjn boutje. —apple, honigappel. —bag, Mienkrommaag. —buzzard, bijenvalk. —comb, honigraat; gal Horn (horn'), a. boom, horen; voelhoren; ruing; verfspatel; gaffelklauw; -mik. — of pleniy, (gietgebrek lion kanonnen). —comb-cockle, Nvar€1—cup, horen van overvloed. —beam, hagebeuk. —beetle, met celletjes; met gallen. liter. —combed, --blends, horenvogel. vliegend here (tor). honigkelk. —dew, honigdauw. —pat, buitenhorenblende. —blower, horenblazer. —book, MAkansje. —flower, houigbloem. —gnat, houigmug. —fish, horenviech. —guide, honigkoekoek. —harvest, gewonnen ho- honk. —draser„ horenwerker. zoete —footed, gehoefd. —mad, jaloerech; dol. —mouthed, Nrittebroodadagen. —moon, nig. (zekere dans); woordjes sprekend. —stalk, b.onigklaver, sucker,1 horenull. —pipe, bornpijp —shavings, gehorenvormig. kolibri. —suckle, kamperfoelie. —sweet, honigzoet. zakpijp. —shaped, raspt hertsboren. —stone, vuursteen. —work, -tongued, glad van tong. —wort, washloern.—, horenwerk. —wort, horenblad. —wrack, koraalo. a. 'Loa sunken; v. n. zoete woordjes sierekert. bast. fooled (hun'id), a. met honlg betatreken; honig• thorn (horn"), v. a. horens opzetten. —ed, a. gehozoet. rend — beasts, — cattle, horenvee. —er, a. horenHonor (on'ur), s. eer; achting, aanzien, w aardigwerker; horenblazer. —et, a. negendooder (Wheld; eerbewijs, eerepost; matador. to do —, to ent). —ify. v. a. Zie to fort a. —ish, t.. horenpay —. eer bewijzen; honoreeren. your —, Uwe achtig. —y, a. horenachtig, hoornen. Edelheid. —. v. a. earen; vereeren, honoreeren. —able, a. —ably, ad. eervol; aanzienlijk; acht- Horo graphy (ho -rog're-1111), a. uurbesehrijving. (hor'o-skoop), a. b.oroskoop, stand dee —scope bear. —ableness, 0. (het) ee.•volle; loftelijkheid; planeten in het geboorteuur. —scopy (•ros'ko-pih), achtbaarheid, achtenswaardigheid. —ary, a. eers. (bet) planeetiezen. vol; eere-; a. bezoldlging; loon. —er, a. vereerder. Hood (hoed'), s. kap, hoofdhubsel. —, v. a• eehe Itorreut (hor'rent), a. boratelig, met stekels (punten); te berge ri,jzend. kap opzetten; bedekken.—maa-blind,blinderaan bie (hor'ribl(, a. —bly, ad. ijselijk, afnetje. —wink, v. a. blinddoeken; verbergen; misschuwelljk. —bleness, a. kiseli)kheid. leiden. foot" (hoef'), a. hoef. to beat the --,te v oet gaan. (torrid (hor'rid), a. —/y, ad. afsehuwelijk; afgrbselijk. a. afschuwelijkheld, afgrijselijkv. U. bang—bound, den hoeldwa ► g hebbend. held. seam gaan (als het vee). —ed, a. gehoefd. Hook (hook'), a. hock, haak, kraut, duim; sikkel; Hong tile Lhor-ririk), a. afachuwwekkend, schrikbarend, —fy (hor'ri-faj), v. a. suet afgrijzen verstrik. by — or by crook, op de eene of andere may ullen. —.nous (-Theo-nuts), a. vreeselijk klinuler; bi,( krik en kras. —land, geploegd land, teelitend. land. —nosed, met een' havIktmeus. —, v. a. bakers, aanhaken; vangen; verstrikken; (out of) Itatig out- Horror (hoerur), s. hulverIng; afgrijzen; akelighcid, gruwel. the horrors, a. delirium tremens; ook lokken. —, v. n. haakvormig zijn. —ed, a. haak. Hy s. haakvormigheld. Ps. vormid, gebogen. droogrok; Hooke), (hoorih), a. sehoolverzuim. to play —. Horse (hors"), a. paard; achraag; bok, ijzeren banning; ruiterij. — of state, paradepaard. spijbelen. gentleman (master) of the --; stalmecster. on — Hoop (hoep'), e. hoepel; band, hoepeleok; kreet. —bean, paard stijgen. to take —,te te patted, —petticoat, back, hoepelmaker.—net,kruianct. —maker, Paardenboon. —block, opstijgblok. —boat, paarhoepelrok. —ring, hoepelring. —, v. a. met hoedenpont. —boy, staljongen. —brambles, wade pela beslaan; v. n. sehreenwen. —er, a. kuiper. rozen.—breaker,pikeur.—chestnut, w ildekastanje. —ing•cough, kinkhoest. —cloth, paardedek. —collar, haam. —colt, oeulen. Hoot (host), a. gejouw; geschreeuw• —, v. a. door —comb, roakam. —courser, renpaardenhouder; geachreeaw verjagen (out); v. u. achreeuwen; paardentuiseher. —crab, groote krab. —cucumber, jouwen; (after. at) ultjouwen. groote konikommer. —dealer, paardenkooper. hlop (hop'), a hop; hinkirg; hopsadans, danspret. —doctor, paardenarts. —drench, paardeamiddel. —bind, hoyperank. —clover, hopklaver. —ground, paardenmest. —flesh, paardenvleesch. hopakker. —oast, hop-nest. —picker, hopplukker. —fly,horzel. —foot, hoef bl ad. —guards. ruiterlijf—pole, hoppestaak. —string, --vine, hopperank. wacht. —hair, paatdenhaar. —heel, slant. —joc—yard. hoptuin. —, v. a. happen; v, n. hinken, key, paardenkooper. —keeper, —knave, ntalknecht. huppelen. —knobs, koppeu der vlokbloeinen. —laugh, luist Hope (hoop"), a. hoop, verwachting. forlorn —, gelach. —leech, paardendokter; bioedzuiger. —lituiterste (verloren) voorpost. —, v. a. & n. vet , ter, rosbaar. —toad, ps.ardenvracht. —lock, beuwachten, hopen (for, op). fat, a. —fully, ad. —man, ruiler. —manship, rijkunst. ad. hope gel, —less, a. —lessly, hoopvol, veelbelovend, —marten (-maaritn), paardenvlteg. —meat, paarloos. —lessness, s. hopeloosheld. —r, a. hoper. denvoer. —mill, roamolen. —mint, paardenmunt. 'Hopkins (hop'kinz(, a. de hinkeude; de kreupele. kantvet.—palk,jaaspad. —nail, hoefnagel. Hopper (hop'pur), a. 'springer, [tinker; molen—physic,paardenmiddel. —picker,veepnes. —play, p1. lunkspel. trechter, iremel; saadbak. row tape'. —pond, paardenwed- —poteer,paardenfor all (ho'rel), —ary (-re-rill), a. bet our betref—radish, rarnreentas. --race, wedren. kracht. fend; een our durend —road, rOveg. —shoo, hoefijzer. —sloe-nail, hoefthoordi, a. horde. bends.
139 & n. Peon; Vervolgt n. (after) najagen; nasporen. v• a. ,chillen, voor top en take' drijven. (down) ontmoedigen. (for, jagen op. (out) 0113130pa-len• in den romp schieten; op strand zetten; ren, uitvorsehen. (up and down) van elle z,,jden v. n. drijvee, dobberen. —y, a, met achillen, zoeken. —er, a. jager, iachthond, -paard. —lag, hu 1 zig. into a. jacht, jachtvermeak. —ing-horn, jachthoren. liuvu (hum), a. gegona, gebrom, genettrie. —ing-match, jachtrartij. —ing-moon, waesende hat —, v. a. neurien; bedotten; v. n, neurien; mean. —ing-nag, jaehtpaard. in -seat. jaehtgonzen, brommen. lisminn (pe'men), a. —ly, ad. menschelijk.—e, a. hub,. -slot. —rem, a.jagerin. —sman,jager. —manship, jagerschap. — ely, ad. (joe-mean'), menschlievend, rninzaam, s. menschenkenner; letterkundige, Hurdle (hur'di), s. teenen horde; schanskort heusch. —ist, v. a. met horden bezetten. —ides ( ► en'it-tiz), pl. de fraaie wetenschappen. s. mensehheid; menschelijk- liurds (hurdz), pl. Zie Herds. it held; minzaambeid, heuechheid. —ire (-ajz,, v. Ilordyegu'rely (huedih-guedih), s. lier. Hurl (hurl'), s. worp; oploop; rumaer. —, v. a. a. beschaven. —kind (-kajndl, a. menschdom. n. dwarrelen. Humble (um'b1), a. Humbly, ad. nederig; onder- werpen, slingeren; uitstooten; danig; gering. —bee, hommel. —bee-eater, bijen- —tat, strijdkolf. —wind, dwarlwind. —er,s.werwolf. —mouthed, deemoedig in 't spreken, gedwee. per, slingeraar. —jug, a. zeker balseel. —y-burly (-bur-lih), s. verwarring, gewoel, rutitoer. —plant, kruidje-roer-mij-niet. —, v. a. vernede- ren, krenken; verootmoedigen. —ness, a. nederig- Hurrah (hoe-ra') int. hone Hurricane (hur'rlekeen); s. orkaan. heid. —r, a. vernederaae. Humbug (hum'bng), a. bluffed], bedrog; wind, Harr led (hur'rid), a. overijld. —ier (-riur), s. v. a. bedriegen, aandrijver, jachter. —y, a. groote haact, overlarie; bluffer, windmaker. bedotten. ijling; drukte; opschudding. --y, v. a. jachten; Humdrum (hum'drum), a. alaperig, onnoozel, bespoedigen; haastig verrichten; (away. off; ant-, lijzig, —, a. do ► mor, druiloor. wegvoeren; (on) aandrijven; overWen; (out) verllunsect Ijoe-mikt'), —ate, v. a. bevochtlgen. jagen. —y, v. n. ham maken, Wen; (away ng. wegijlen. , —ation (ee'sjun), bevochtlgi Numeral (joe'me-rel), a, tot den schnuder be- Hurst (hurst), s. botichje. Hurt (hurt') [hurt], v. a. letsel doen, bezeeren , hooread. a. letsel; bezeering; kwetsen; benadeelen. Humid (joe'mid), a. vochtig. —ity (-mid'it-t1h), kwetsuur; nadeel; schade. —ful, a. —fully, ad. —ness, s. vochtigheid. schadelijk, nadeelig. —fulness, s. schadelijkheid. liumill ate (joe-miri-eet), a- a. verned"ren; verootmoedigen. —ation (-ee'ejun), a. vernedering, —less, a. onschadelijk; ongedeerd. —lessness, a. verootmoediging. —ty, a. nederigheid, ootmoed. onschadelijkheid, ongeschondenheid. Ilum suer (hum'mur), a. gonzer; nervier. —ming, Hurtle (hur't1)„ v. a. voortduwen, hevig stooten, rondalingeren; v. n. botsen; kletteren, schera. gegons; geneurie. —mtng-ale, krachtig bier. card- mutselen. —berry, blauwben. -ming-bird, kolibrie. —mock (-muk), hoogte, heuveltje. —mums (-mumz), pl. warms Husband (hutthend), e. echtgenoot, huisvader; baden. mannetje (van dieren); landbouwer. v. a. Humor (joe'mur), a. vocht, sap; gemoedsatem- zuinig beheeren; bebouwen. —man,landbouwer. ming; goads luim; luimtge inval; gril. out of —less, a. zonder man. —ly, a. & ad. huishondein eene kwade lutm. —. v. a. zichschikken near, lijk. —ry, s. landbouw; huishoudkunde; huiste wills zijn, aan luimen toegeven. —al, a. van houdelijkheid, zuinigheid. geestig menseh. Hush (Misr), int. atil I sue I —, a. stil,. bedaard de vochten. —ist, e. luimig. —sun, a. —curtly, ad. grillig, luimig, geestig. —, v. a. still en, tot zwijgen brengen; (up) lumen , v. n. sill zijn. —money, steekpen—ousnesa, a. grilligheid, luimigheid. —some, a. amoren. n into -.tamely. ad . gemelijk; luimig. Hump (hump'), s. —back, bochel, bult. —backed, littak (husk') a. schil. dop, bast. —, v. a. schilgebocheld. len. —ed, a. met titbit, huls of bast; gepeld. Hunch (buntaj'), a. bochel, bolt; stoat, duw. geechild. —iness, a. bamtigheid; heeschheid. —y, —back, bochel. — backed, gebocheld, —, v. a. a. schillig; droog, hem), (htaz'zih), a. Huss ar (hua-zaar'), a, huzaan horten, stooten; krom buigen. sloerle, Peeks; huiehomiltjke Huntired (hun'drid), a. honderd. —, a. honderd- vrouwmensch tal; district. —court, kantongerecht. —fold, hon- vrouw. derdvoudig. —weight. centenaar. —er,a. kanton- Hustings (hustlengz). pl. otadsgerecht In Londen); verkiezingsplaate. reehter. —th, a. honderdete. (hus's1), v. a. hutselen. hung-beef (hung'biet), a. gerookt vleesch. Hunger (hung'gur), a. honger; aterk verlangen. Iluvwlfis (huezif), a. huisvrouw; alechte hula-bit, —bitten, a. door den !longer gekweld. houdster, konkel; naaidoos.v. a. zuinig —starved, uttgehongerd. —starve, a. a. doen ver- beheeren. —ly. a. & ad. huishou'delijk. —ry, a. hongeren, —, v. n. hanger.; hunkeren, (after. huishoudelijkheidi beatier eener huishouding. for). —ed, a. —ly, a. & ad, hongerig. lint (hut), s. but, barak,.foods. —, v. a. In eene illungr y (hunlegrih), a. —ily, ad. hongerig, hon- barak of loods bergen. Hutch (hutsj), a, meelkist, baktrog; rattenval; gerend; schraal, —y evil, Londshonger. konijnenhok. —, v. a. bewaren. Hnnks (hungks), a. hongerlijder, vrek. Hunt (hunt' ► , s. jaeht;) koppel hamlet,. —, v. a. Iluzza (hoe-zee'), int. hoezee 1 —, a. vreugdege-
Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.
klank; tegenstrthlig ► eid. a. wanluideuil;;Inculcft te (iu-kuPkeet), v. a. inpreuten (o?, tegenatrijdtg. upon). —lion (-kee'sjun), a. inprenting. Inconspicuous (tn-kun-spik'joe-us), a. onmerk- Inculpa ble (in-kuPp151), a. —lily, ad. onsehulbear; onasnsienlijk. dig, onberlspelijk. —Meness, s. onberispelijklteid. lnconstan cy (in-kon'sten-sih), a. onstandvas—te (-peet), v. n. betichten, berispen. —lion tigheid. —t, a. —try, ad. onstandvastig; onbe• (-pee'sjun), s. hetichting, berisping. —tory (-pastendig. tur.rih), a. betichtend, berispemi. Inconsumable (in-kun-sjoem'ibl), a. °nye, Inc/anthem, cy (in-kum'ben-sth), s. (het) ltF;gen teerbaar. op lets; verplichting; bezit (yen een ambt, een Inconsonttnate (in-kun-mun'inet ), a. onvoltooid. kerkeitjk goed,; —f, a. o!)liggend, rustend; Ye, plichtend, opgelegd (on. •pon), a. bezitter van Incont est', hie (in•kun. tes'tibl), a.—bly, ad. on een kerkelijk coed. betwistbaar. Incontignons (in•kun-tig'joe-us), a. niet aan- Incur (in-kur'), v. a. beloopen, zich op den halo Wen. . grenzend, niet belendend. Inconitnen ce (in-kon'ti-nene), —ey, u. onto- Uncut' able (in.kjoe'ribn, a. —ably, ad. onge• neeelkjk. —able, a. nngeneeslijke. —ability (-regetogenheid; onkuirschheid. --t, a. —tly, ad. oningetogen; onkuisch. -ableness, s. ongeneeslijitheid. Incontrov ► rti blc(in-kon-tro,urt'ibl), a.—bly, a. —tautly, ad. onoplettend, achteloos. —iousness, ad. onbetwistbaar. s. onoplettendbeid, achteloosheid. Incouvenlen ce (In-kun.vienlens), incursion ('n-kur'sjun), s. inval. genheid, ongemak. a. a. lastig vallen, on- Incury ate (in-knevet), a. ingebogen, gekromd. gelegenileid veroorzaken. --t, a. —tly, ad. on. —ate (.vert), —c.v. a. buigen, krommen. —ation gelegen, lastig. (-vee'ajun), a. inbuiging; gebogenheid. —ity, a. Inconversable (in-kun-vurs'ibl), a. ongezeIltg. kromte, hocht. Inconverttble (in.kun-vutt'ibl), a. onveran- Indegftt ion (in-de-gee'sjuft), a, ultvoraching. derlijk, onverwisselbaar. —or tingde-gee.tur), s. uttvorscher. Incontinsi ble (in-kurt-vitesibl), a. —bly, ad. Indart (in-daart'), v, a. Inwerpen, intmbieten. onovertuigbaar. Indebted (in-derld), a. echuldig; verpl'cht; verIncorpor ate fin.kor'po-ret), a. ingelijfd; verschuldigd (to). —neon, s. (het) verschuldtgd zijn, bonden. (re,t), v. a. /i6 n. (zich) inlOven; verplichting. verbinien, vereenigen (tot Oen lichaam). —ation Indecen cy s. onw,lvoeglijk(..ree'sjun), a. inlljving; vereeniging. —eat, a. heid, —t, a. —tly, ad. onwelvoegelijk. —eallg, ad. (-po'ri-e1-1, onfichamelijk, onstoffe- Indeciduous tin-do-sid'Joe-:is}, a. nict afval lijk. —city (ri'it-tih), s. onlichameltjkbeid, onlend, altijd groan. stoffelijkheid. Indecianable (in-des'i-mibl), a. tiendvt, . Incorrect Iin.kur-rekt'), a. —1y, ad. onnauw- Indecia ion (in-de-sizyttn), a. besluitel , ..tsheid. keurig, onjuist. —nese, a. onnauwkeurigheid, —ive, a. —ivtly, ad. (-sarmiv-), hesluitel-os. onjuistheid. --iteness a. besluiteloosheld. Incorrigl ble (in-kor'rid-zjbl), a. —bly, ad. on- Indeclinable (In -de-klajn'ibl)) a. onver) utgbaat. verbeterlijk. —bleness. a. ortverbeteriWthel•). Indecor ours (in-de-ko'rus), a. —nasty, ad, onIncorrodible (in-kor.rcod'ibl), a. °nye' teerbetamelijk, onvoegzaam. —oneness, —uw, a. onbaar. betamelijkheid, ongemanierdheid. Incorrupt (in-kor-rupr), —ed, a. onbedorven. Indeed (in-died'), ad. inderdaad, werkelijk. (-i-bWit-tib), —ibleness, a. onbederfe- Indefatfga ble (In-de-fet'i•gibl), a. —Oly, ad. lijkheid; onomkoophaarheid. —ible, —ive, a. onvermoetbaar; ouvermoeid. —bleness, s. waveronbederfbaar; onomkoopbaar. —ion (-rup'sjun), moeibaarheid; onverm oeid bet J. Indefensible (in-de-ti'zib1), a. onherroepelijk. —nevi, s. onbedorvenheld. (in-kres'seet), v. a. & n. verdikken. Indefecti ble (in-de-fek'tibl), a. onbederfeltjk; Incrassa te —lien (-see'sjan), e. verdraking. onvergankelijk. —bility a. onbea. verdlkkend. derfelijkbetd; onvergankelijkheid. —re, a. ongeIncrease (in.kries'), a. ranw aa, toeneming, verschonden, vodledig. meerderitv. —, v. a. vermeerderen, vergrooten; Indefensl ble an-de-fenleibl), a. onverdedigbasr. v. n. aanwassen, toenemen. —r, a. vermeerde—ve, a. onverdedigd, c ► besehut. rear, vergrooter. Indeticten cy (in-de-flaren-aih), s, volkomertIncreat-e C,, zekri-eet), —d, a. ongeschapen. held. a. volkoneen, Incred ible ((n-kred'ibl), a. —ibly, ad. ongeloo- Indefin able (In•de.fajn'tb t), a. ouverkiaarbaar. felijk. —ibility --ibleocas, a. ongea. —itely, ad. (.deri-nit.), onbepaald, on. loorelijkheid.—n/ity(-kre-djoe'lit-tiit),—nlonsneas, begrensd. —itenees (-deli-nit-), a. cnbepaaldheid, a. ongeloovigheid. —lavas (-joe-lus), a. ongeonbegrensdheid. loovia. Indellberate (in-de-lileur-et)„ a. —/y, ad. onIncrement (in'kre-ment), s. aanwaa, toenemtng. voorbedacht. Increscent (in-kres'sent), a. toenemend.. Indell ble (in-del'ibl), a. —51p, ad. onuttwischIncrust (in-kruse), --ate, v. a. overkorsten; be- bear onvernietighaar. (-i-hil'it-tih), a. plehteren. —ation (-tee'sjun), a. overkorating. onuitwischbaaTheid. Jacub ate (!n'kjoe-beet), v. n. broeiing. —ation Indellett cy (in-deli-Ite.sih), a. onkieFehhetd. (-bee'ajun), a. uitbroeiting. —us, a. nachtmerrie. —te, a. —tely, ad. (-ket-), onkiesett.

opkweeken; oppasien, koesteren; zoogen. —child, —a days (-e-doez , ; ad. heden ten dage. No way (no-wee), —ways (-wee.), ad geenszins, zuigeling. —garden, kweekerij, —maid., kindermead. —pond, 'Myer voor kunstmatigevischteelt. in geenen deele. eker; bevorderaar. —ry, a. kinderka—r, a. kwe Nowed (no'id), a. geknoopt, geNlochten. wee; kweekschool; kweekerlj. Now here (no'weer), ad. nergena. Nowise (no'wajt), ad. geenszins, in geenen deele. Nuraling (nure'lieng), a, voedsterkind. N.xiou3 (nok'sj qs), a. —ly, ad. schidelijk. —nest, Nurture (nurt'joer), a. voedeel; bpvoeding. —. v. a. op'oeden, grootbrengen. P. SCIIRde:likheid, Nti .i ,,zte, Nozzle (nor,"z1), 8. snult, Deus; twit, Nut (nut'), a. soot; mott (eener echroef); neut (van een anker). blind —, ledige noot. small —, wino° t, —beetle, notenbijter(tor) —bone,schipNas blferouas (Djoe-birur-US), FL. wolkenbrengend.
Southey (south'iti), in. Southey. Southwark (sath'urk), g. Southwark. Spain (speen), g. Sponje. Span lard peniurd), 1. Spanjaard. —irh, A. Spaarisch. Si. arts g. Sparta. —n, a. Spertaansoh; Spencer (spen'sur), tn. Spencer. Spire (spajr), g. Spier.. Sporades (spor'e-diez), g the —, de Sporaden. Stagira iste•dzji're), g. Stagira.' Stamboul (etem.boel'), g. Stamboul. Stephanus ( sterm-nus),m.lhefanus.—es(stie'vn), m. Steven. —.neon (late' v n-an), m. Stephenson. Sterne (sturn),m. Sterne. Stettin (tetetnin, stet-tlen"), g. Stettin. Stirla (stlel-c), g. Stiermarken. Strasburg (stres'burs), g. Strastsburg. Stratford (stret'fu,d). g. Stretford. Stuart (stjoe'urt), m. Stuart. Stuttgard (vtoei'gaard), g. Stuttgart. Styria (etiet-e ►, g. Stiermarken. Styx (stIke), my. Styx. Su (soe),f. voor Susan; Santje. Suable g. Zwaben. —a, a. Zwahlsch; Zwaab. Sudetes(ajoe.dinies), g, the —, de Suddten. Suez (soe'ls ►, g. Suez. Suffolk (sufnuki, g. Suffolk. fluky (soe'kih), f. voor Susan; Santje. Surat (rjoe-ret'), g. Suratte. Surinam (sur-i-nem"), g. Suriname. Susan (sjoe'ten), —nah •zen'ne), w. Susanna. Sutherland (suth'or-lend), g. Suthisrlaud• Swansea (swilon'et),,g. S wansea. Swell a (swied') t. Zweed. —en (swied'n), g. Zw den. —LA, a. Z weedach. Swift (swift). an. Swift. Swiss (swiss), a. Zwitsersoh; i. Zwltser, (de) Zwit. 3011.
bloon Blown, p. p. boor Bare, I. born Born,p. p. bourn Borne, p. p. haat Bought, I. & p. p. baaund Bound. I. & p. p. bred Bred,t. & p. p. brook ii3oke, I. bro'kn Broken, p. p. bract Brought, i. & p. p. Wit Built., i. & p. p. burnt Burnt, t. & P. p. burst Burnt, i. & p. p. burst'n Burst,n, p. p. been Came, I. kasst Cent, i. & p. p. kaot Casugbt, I. & p. p. tsjid Chid, I. & p. p. tsitd5dri Chidden, p. p. tRjoot Chose, t. tsjo'zn Chose's*. p. p. kled Clad, i. &p. p. klert p. p. Cia.it, i. & kloom Clomb, i. & p. p. kloov Ciove,„I. klo'in Cio vela, p. p. kiunt Clung, t. & p. p. kum Come, p. p. boot Coat, i. & p. P. toed Could, i. ke pt Crept, i. & p. p. kroe Crew, i. kat Cut. i. F p. n2. (1,1 t Dealt, i. & p. p. did Did, I. (Opt Dint, t. At p. p. dun Mine., p. p. drengl: Drank. i. draon Drawn, p. p. dremt Dreamt. I.& p.p. drool Drew, i. driv'n Driven, p. p. droov Drove, J. drungk Drunk, P. P• dug Dug, I. & P. I, dung 00.11 ,1 . & lc... P. di,: vet Durst,i. dwelt Dvvelt,11. & p. p . let, et Eat, i. tern Eaten, p. p. fa.11'n Fallen. p. p. fed Fed. I. & p. p. fell Fell, t. felt Felt, i.8c p. p. fld Fled, i. & p. p. floe Flew, i. floor' 71ovvn, p. p. flung Flung, I. & p. p. Forbade, I. for-bed' for-'sid' Forbid, I. F p. p. for-bid'dn Forbidden, p. p. for-boor' Forbore, I. tor-boorn' Forborne, p. p.
tjoed . a. breedte, ruimte; vrijEattitud e held, hemelsbreedte. —anal (-tjoe'di-nelr, a. van de breedte. —inarian (-di-nee'ri-en), a. vrij; vrijdenkend; a. vrijdenker. —inarianism en-izm), a. vrijdenkerij. Latrant (lee'trent), a. blaffend, lLatten (let'tr), s. blik, gee) koper. —braes, toperhlik. —wire, koperdraad. Latter (let'tur), a. laatst, jonger. —crop, naoogst. —frail, late vrucht. —math, etgroeu, nahooi. Lattice (letlis), a. traliewerk; tralievenster. , —work. traliewerk. , v. a. van tralien voorzien. —d, a. getralied. v. a. 'oven, prijLaud (laod'), s. lof, prijs. nen. —able, a. —ably, ad. lofwaardig, prijseli;k. —ablenese„ a. lofwaardigheid. —otory (-e-tur-rih), a. pitzend; s. lorspraak, loftuttirg. —or, a. lover, prijzer. Laudanum (lao'do-num), a. laudanum. v. a. uftlaLaugh (lean, a. loch, gelach. chen; v. n. lachen (at, om); (at) uitlachen. to — in one's sloere, in zijn vlustje lachen. —able, a. —ably, ad. bJlachelijk, bespottelijk. —or, a. lather. —ingly, ad. lachend. —ing-stock, voorwerp van bespotting. —ter, a. gelach, Launch (laantsj'), e. (het) van stapel laten; large boot. v. a. to water laten; werpen, achieten; v. n. van stapel loopen; rich storten; (into) zich overgeven aan. (out into) zich verdiepen in, uitweiden over. out of) nfdwalen van. —ing-anchor, enter bij het afloopen gebrutkt. —block, hellingblok. Launder (laan'dur), a. waschvrouw; waschkuip. —. v. a. wasschen. —er, a. wasscher. Eassndr can (laan'drees), a. waschvrouw. —y, a. waschhuis, wrIescherlj. Lauren to (lao'ri-et), a. gelauwerd, bekroond; s. gelauwerd dichter. hofdichter.—tion (-ee'ejun), a. bekrooning. Laurel (lao'ril), a. laurler, lan.rierboom; lauwer. —fed (Old), a. met lauweren gekroond. Lava (lee've, la've), a. lava. Lavat ion (le-vee'sjun). a. wamsching. —ory (ley' e-tur.rih), a. wesehmiddel; waechplaats. Lave (leev), v. a. wasschen, bespoelen; v. n. zich wasachen, baden. Coveer (le-vies-1. v. n. laveeren. Lavender (lev'endur), s. iovendel. Laver (lee"vur), a. wasscher; waschkom. Lavish (lev'isj), a. —ly, ad. kwistig, verspillend. —, v. a. verkwisten (on, upon). —er, s. verspiller. —meat, —nese, a. kwistigheid; verspilling. Law (lao'), a. wet; rechtsgeleerdheid; (de) rechten. doctor at —, doctor in de rechten. to be at —, in procea liggcn. to go to —, tea proces beginnen. to study —, to follow the —. in de rechten studeeren. —breaker, overtreder der wet. —day, gerechtsdag. —giver, wetgever. —giving, a. wetgevend. —maker, wettenmaker. —suit, rechtegeding.—ful, n• —fully, ad. wett!g, wetteiijk; geeorloofd. —fi,/nese, s. wettigheid. — lees, a. —leerily, ad. onwettig; wetteloos. —lateness, 8. wetteloonhei'l; wanorde. Lawn (laon), a. opens grasvlakte; kamerdoek. Lawyer (lao'jur)„ s. rechtsgeleerde; n1eitbezorger . Lax (leks'), a. —ly, ad. 1,,o, Oar; onnauwkeu-
In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]

Hoe is Weegschaal verschilt van Bitcoin


KE fetter). —linie, detail-gorge. —antsteking s inflammation of the throat. —punt, angle of the polygon. --seder, pharyngotomiet. —stoat, ogee, eyma'chime —tering,t aringtolphthisie. —ziekte, disease of the throat, Fore throat, quinsy. Keen,v. chap, germ. Keep, v. notch, jag. Kerr, m. turn, time ; tour; circuit. to — gaan, to .eclat, to oppose, to check. —en, ov. w. to turn; to avert, to prevent, to stop, to resist; on. w. to turn ; to return. —biok, quarter-block. —dam, dike. —dicht, ronleau. —kring, tropic. —krings- (in sacs.), tropical. —weer, blind alley, toru-again alloy. —xijde, revenue. --ing„ v. turntug ; averting, eto opine, reeimtance ; return. Keep, tn. —hand, Cox-dug. wolf-dog. — jeskruid, mallows. Keeet, m. kernel; pith, marrow, quintessence. Keel, v. salt-works; shed, outhouse. ---en, ov. to refine. Kent en. on. w. to bark, to yelp ; to bawl. —er, ra barker, yelper; bawler. Keg, a. wedge.
Penates (pe-neetiez), pl. huisgoden. Pedicle (ped'ikl), s. steel, atengel. Pedicul ar (pe-dlk'joe-ler), —out, a. luizig. Pence (pens), p1. stulvers. Zie Penny. Pane11 (pen's11), s. penseel; potlood; griffel.—ease, — disease, luisziekte. polloodkoker. —cloth, —rag, penseelPedigree (ped'i-grie),penseel-, s. geslachtsboom. witch. —, v. a. teekenen, achilderea. Pediment (ped'i meat), a. kroonlijet. Pedier (ped'lur), s. rondventer, marskramer. Pendant (pendent), s. oorbel; wimpelhanger. —ess, s. rondventater. —y,s. marskramerth mars- Peuden ce (pen dens), s. helling, overhelling. ktamerswaren. —cy, s. uitstel, opechorting. —t, a. hangend. Pedobapt Ism Ipl-do-bep'tlzm), a. kinderdoop. at-, overhangend. Pend ice (penidls), a, afdak. luifel. —ing, a —let, a. voorstander van den kinderdoop. Pedometer (pc-dot:WI-Mr), s. weg-, achreden- hangend, onbeslist. Pendul on. (pen'djoe-lus), a. hangend; besluimeter. tih), —ousness, a. Pedun cie (pe-dung'kl), a. bloem-, vruchtsteel. teloos, onzeker. —osity a. ginger — cular (-kjoe-ler), a. ran eon' stengel. —culate hangende stoat; onzekerheld. (-kjoe-let), a. geateeld. (eener klok); —ball, —bob, knop aan den clinger; punttang. —pliers, Peel (piel'), s. schil; schietachop (bij bakkers). —clock, slingeruurwerk; —, v. a. pellen, schiller; plunderen; v. n. ver- Penetra ble (pen'e-tribl), a. doordringbaar. a. doordringhaarheid. vellen; afschilferen. s. peller, Wittier; plun- deraar. —ings (-iengz), p1. sehinen. —ncy (-tren-s1h), a. doordringendheid; doorzicht. Peep (piep'), s. (het) to voorschijn komen; blik; —nt (-treat), a. doordringend; acherpzinnlg. —te giurende bilk- aanbreken (van den dog). —hole, (.treet), v. a. doordringen (with); doorgronden; v. n. doordringen (into). —lion (-tree'sjun), a. kijkgat. —, v. n. gluren; te voorschijn komen; doordringirgg; doorgronding; scherpzinnigheid. uitkomen; aanbreken; piepen. (at) begluren. ( forth) roar den dog komen. —er, a. gluurder; —tire (-tree-tiv), a. doordringend; scherpzinnig. kijtglaa; nog; kuiken. —tiveness ( tree-tiv), s. doordringendheid; scherp • zinnigheid. Peer (pier'), s. gelijke, wederga, makker; pair. —, v. a. gelijk steller; v. n. te voorschijn Ito- Penguin (pen'gwin), a. vetgana, pinguin; wilde men; aanbreken; loeren, glares. —age, a. pair- ananas. achap; (engeltehe) rijksadel. —ess, a. gemann Peninsula (pen-in'ajoe-le), a. Echiereiland. --e, a. van een achiereiland. eens pairs. —less, a. —lessly, ad. onvergelijkeltjk, Peniten ce 1pen'i-tens), —cy, a. berouw, boete. weergaloos. —lateness, a. onvergelijkelijkheid. Peevish (pie'visj), o. —ly, ad. knorrig, gemelijk, —t, a. --tly, ad. herouwhebbend, boetvaardig. korzelig. —ness, s. knorrigheid, gemeltjltheid. —t, a. boeteling; biechtkind. —Ha/ (-ten'ajel), a. boetvaardig; boetc-; a. penitentie-boek. —tiara Peg (peg'), a. pin; vioolschroef; stoot. —top, tot. (-ten'sje•rih), a. de boete betreffend; a. boet—, v. a. pinnen, vastpinnen. — priester, hiechtvader; biechtatoei, boeteling; verkersels. Pegasus (peg'e-sus), s. Pegasus. erh hed Pegmatite (peg'me-tajt), s. (so (soonvan),.graniet. Penn ached pen'nesjt), a. bout geatreept. ant (-nent), s. takel, hijschtouw; •impel. —ate (-net), Pekoe (pek'o), s. peceo-thee. Pelagic (pe-led'zjik), a. van de zee. —ated (-neet-id), a. gevleugeld, gevederd. —er, s. Pelf (pelf), a. schatten, rijkdoro; mammon. schrijver; pennenkoker. —Um (-ni-less), a. arm. —non (-nun), a. vaantje. Pell4nan (pel'i-ken), a. pelikaan. Pell et (per lit), a. balletje; prop. —icie(-ikl), o. Penny (pen'nih ► , s. stuiver; penning. —a-liner, vliet, huidje. —itory (-11-tur-rih), a. muurkruid. echrijver. —father, duitendlet. —grass, —weed, (pet-mel'), ad. verward, door elkander. penning-, luiskruid. —post, stuiverapoet. —royal, Fells (peh ► , p1. perkementen molten, clerk of the —, kruizemunt, vlooikruid. —weight, penninggespaarzaam in wicht. —white, zilverwit. boekhouder btj de achatkamer. Pellucid (pel-ljoe'sid), a. doorschijuend. —ness, kleinigheden. —worth, kleinigheid; koopje. Penside (pen's11), a. hangend, zwevend. —ness, a. doorschijnendheid. s.vel,onbereide huid; slag. —monger, s. hangende toeetand. huidenkooper; peltertjhandelaar. —wool, doode Pension (pen'sjun), a. jaarwedde; kostgeld. —, wol, sterfwol. —, v. a. werpen, smijten; v. n. v. a. peneioneeren. —ary, a. gepensioneerd; B. razen, tieren. —er; a. werper, amijter; razende; gepensioneerde; pen,ionaris. —er, a. gepensiovrek. —ing, a, geraaa, getter; a. armzalig. —ry, neerde; gewoon student (te Cambridge); ligtra(trih), a. pelterij, boot. ensive (pen'aiv), a. —ly, ad. peinzend, zwaarPelvis .(pel'vis), s. bekken. Pensive Pen (pen'), a. pen; hoenderhok; Echaapskooi. moedig. —nest, a. stIlheid, ernst; zwasrmoedig-case, pennenkoker. —holder, pennenhouder. held. —knife, pennemes. —man. schrijfmeester; achrij- Pentacapsular (pen- te-kep'sjoe-ler), a. met vijf zaadhuisjes. ver. —manship, s. schrtjfkunst! (het) schrijven. —stock, verlaat, duiker. —wiper, pennenveger. Yenta choral (pen'te-kord), a. vijfanarig speelMtg. — gen ( gon), e. vul'hoek. —gonal (-teg un-, v. a. echrliven; opstellen; opslutten (up). net), a. vijfhoekig. —meter (,tem'i-tur), a. vijfPenal (pi'nel), a. atraffend; straf-. —rode, wet- roetig vers. —njular (-ten'gjoe•ler), a. vijthoektg. bock van etrafvordering. —law, atrafrecht. —ly, --rchy (-aar'kih), s. vtjfmanschap. —oast (-spent), s. straf; boete. s. htjechtoestel met vijf katrol len. ---etie/c (-atik), Penance (pen'ens), a. boete.

cryptogeld om te investeren in 2019


139 & n. Peon; Vervolgt n. (after) najagen; nasporen. v• a. ,chillen, voor top en take' drijven. (down) ontmoedigen. (for, jagen op. (out) 0113130pa-len• in den romp schieten; op strand zetten; ren, uitvorsehen. (up and down) van elle z,,jden v. n. drijvee, dobberen. —y, a, met achillen, zoeken. —er, a. jager, iachthond, -paard. —lag, hu 1 zig. into a. jacht, jachtvermeak. —ing-horn, jachthoren. liuvu (hum), a. gegona, gebrom, genettrie. —ing-match, jachtrartij. —ing-moon, waesende hat —, v. a. neurien; bedotten; v. n, neurien; mean. —ing-nag, jaehtpaard. in -seat. jaehtgonzen, brommen. lisminn (pe'men), a. —ly, ad. menschelijk.—e, a. hub,. -slot. —rem, a.jagerin. —sman,jager. —manship, jagerschap. — ely, ad. (joe-mean'), menschlievend, rninzaam, s. menschenkenner; letterkundige, Hurdle (hur'di), s. teenen horde; schanskort heusch. —ist, v. a. met horden bezetten. —ides ( ► en'it-tiz), pl. de fraaie wetenschappen. s. mensehheid; menschelijk- liurds (hurdz), pl. Zie Herds. it held; minzaambeid, heuechheid. —ire (-ajz,, v. Ilordyegu'rely (huedih-guedih), s. lier. Hurl (hurl'), s. worp; oploop; rumaer. —, v. a. a. beschaven. —kind (-kajndl, a. menschdom. n. dwarrelen. Humble (um'b1), a. Humbly, ad. nederig; onder- werpen, slingeren; uitstooten; danig; gering. —bee, hommel. —bee-eater, bijen- —tat, strijdkolf. —wind, dwarlwind. —er,s.werwolf. —mouthed, deemoedig in 't spreken, gedwee. per, slingeraar. —jug, a. zeker balseel. —y-burly (-bur-lih), s. verwarring, gewoel, rutitoer. —plant, kruidje-roer-mij-niet. —, v. a. vernede- ren, krenken; verootmoedigen. —ness, a. nederig- Hurrah (hoe-ra') int. hone Hurricane (hur'rlekeen); s. orkaan. heid. —r, a. vernederaae. Humbug (hum'bng), a. bluffed], bedrog; wind, Harr led (hur'rid), a. overijld. —ier (-riur), s. v. a. bedriegen, aandrijver, jachter. —y, a. groote haact, overlarie; bluffer, windmaker. bedotten. ijling; drukte; opschudding. --y, v. a. jachten; Humdrum (hum'drum), a. alaperig, onnoozel, bespoedigen; haastig verrichten; (away. off; ant-, lijzig, —, a. do ► mor, druiloor. wegvoeren; (on) aandrijven; overWen; (out) verllunsect Ijoe-mikt'), —ate, v. a. bevochtlgen. jagen. —y, v. n. ham maken, Wen; (away ng. wegijlen. , —ation (ee'sjun), bevochtlgi Numeral (joe'me-rel), a, tot den schnuder be- Hurst (hurst), s. botichje. Hurt (hurt') [hurt], v. a. letsel doen, bezeeren , hooread. a. letsel; bezeering; kwetsen; benadeelen. Humid (joe'mid), a. vochtig. —ity (-mid'it-t1h), kwetsuur; nadeel; schade. —ful, a. —fully, ad. —ness, s. vochtigheid. schadelijk, nadeelig. —fulness, s. schadelijkheid. liumill ate (joe-miri-eet), a- a. verned"ren; verootmoedigen. —ation (-ee'ejun), a. vernedering, —less, a. onschadelijk; ongedeerd. —lessness, a. verootmoediging. —ty, a. nederigheid, ootmoed. onschadelijkheid, ongeschondenheid. Ilum suer (hum'mur), a. gonzer; nervier. —ming, Hurtle (hur't1)„ v. a. voortduwen, hevig stooten, rondalingeren; v. n. botsen; kletteren, schera. gegons; geneurie. —mtng-ale, krachtig bier. card- mutselen. —berry, blauwben. -ming-bird, kolibrie. —mock (-muk), hoogte, heuveltje. —mums (-mumz), pl. warms Husband (hutthend), e. echtgenoot, huisvader; baden. mannetje (van dieren); landbouwer. v. a. Humor (joe'mur), a. vocht, sap; gemoedsatem- zuinig beheeren; bebouwen. —man,landbouwer. ming; goads luim; luimtge inval; gril. out of —less, a. zonder man. —ly, a. & ad. huishondein eene kwade lutm. —. v. a. zichschikken near, lijk. —ry, s. landbouw; huishoudkunde; huiste wills zijn, aan luimen toegeven. —al, a. van houdelijkheid, zuinigheid. geestig menseh. Hush (Misr), int. atil I sue I —, a. stil,. bedaard de vochten. —ist, e. luimig. —sun, a. —curtly, ad. grillig, luimig, geestig. —, v. a. still en, tot zwijgen brengen; (up) lumen , v. n. sill zijn. —money, steekpen—ousnesa, a. grilligheid, luimigheid. —some, a. amoren. n into -.tamely. ad . gemelijk; luimig. Hump (hump'), s. —back, bochel, bult. —backed, littak (husk') a. schil. dop, bast. —, v. a. schilgebocheld. len. —ed, a. met titbit, huls of bast; gepeld. Hunch (buntaj'), a. bochel, bolt; stoat, duw. geechild. —iness, a. bamtigheid; heeschheid. —y, —back, bochel. — backed, gebocheld, —, v. a. a. schillig; droog, hem), (htaz'zih), a. Huss ar (hua-zaar'), a, huzaan horten, stooten; krom buigen. sloerle, Peeks; huiehomiltjke Huntired (hun'drid), a. honderd. —, a. honderd- vrouwmensch tal; district. —court, kantongerecht. —fold, hon- vrouw. derdvoudig. —weight. centenaar. —er,a. kanton- Hustings (hustlengz). pl. otadsgerecht In Londen); verkiezingsplaate. reehter. —th, a. honderdete. (hus's1), v. a. hutselen. hung-beef (hung'biet), a. gerookt vleesch. Hunger (hung'gur), a. honger; aterk verlangen. Iluvwlfis (huezif), a. huisvrouw; alechte hula-bit, —bitten, a. door den !longer gekweld. houdster, konkel; naaidoos.v. a. zuinig —starved, uttgehongerd. —starve, a. a. doen ver- beheeren. —ly. a. & ad. huishou'delijk. —ry, a. hongeren, —, v. n. hanger.; hunkeren, (after. huishoudelijkheidi beatier eener huishouding. for). —ed, a. —ly, a. & ad, hongerig. lint (hut), s. but, barak,.foods. —, v. a. In eene illungr y (hunlegrih), a. —ily, ad. hongerig, hon- barak of loods bergen. Hutch (hutsj), a, meelkist, baktrog; rattenval; gerend; schraal, —y evil, Londshonger. konijnenhok. —, v. a. bewaren. Hnnks (hungks), a. hongerlijder, vrek. Hunt (hunt' ► , s. jaeht;) koppel hamlet,. —, v. a. Iluzza (hoe-zee'), int. hoezee 1 —, a. vreugdege-
all over, to rummage. to examine narrowly. —ing, v. close examination, pertinisition. Doorspekken, or. w. to lard, to interlard, to intersperse. Doorepelen, or. w. to play through; on. w. to play on. Dooreptlite.n, or. & on. w. to split asunder. Doorspeant en, ov. w. to wash (to rinse) through, to rinse out, on. w. to flow through. —lug, v. flowing through.: current. Dooreporen. on. w. to pass, to traverse, to go through (by railway). Door sprank, v. sounding of an orgen-pipe -oefore the flaps are premised down. —epreken, on. w, to speak on; to sound before the flaps are pressed down. Dooreprengen, ou w. to leap through. Dooretaan, or. w. to endure, to muster', to suffer, to go through. Fen sekip lutes —, to hold course, to let the ship run. Doorstampan or. w. to stamp through; to make hole (to bruise, to mingle) by stamping; on. w. to continue stomping; to stamp quickly. Doon,lappen, on. w. to step through; to mend one 'a pare, to walk at a pretty rate. Doorateek, m, plate where a dike is pierced. Dooratek en, or. w. to put (to stick) through, to perforate, to open; to pierce; to suit), to run through. —er, m. piercer. —ing, v. perforation; piercing; stabbing. Doorsteveimsn, on. w. Zie Doorzeileosi'. Deorstoonion, sn. w. Zie Doorsporen. Doc.ratooten, or. w. to thrust (to push) through; to break by pushing against; ole vender Doorstektn. Dooratra1 en. ov. w, to shine through, to fill with rays; so illuminate; on. w. to shine (to , adtate) through; to circulate. —ing, v. circulation. Doorstrijken, or, w. to dash out, to erase, to efface; to rebuke, to teke through hand; to gall (to wear off) by smoothing; on. w..to steal away, , to abscond. Door.trosespelese, on. w. to stumble through, to pass stumbling. Doorstr,,orescsn, on. W. to flow (to run, to utreant) through. IDooretuditerso, ov. w. to study thoroughly; on. w. to continue studying. Doorstutiven, on. w. to fall through; to let duet fall through. Doorstoreo, ov. w. to utter through. Doorankketen, on. w. to pas loitering, to continue loitering. Doorsollee., ov. w. to chafe —, to gall (to wear off) by sliding; on. w. to glide (to elide) through. Doortaaten, or. w. to grope through; to pry into, to examine narrowly; on• w. to grope through; to take decisive naeasuros. —d, by. effectual, decisive; energetic. Doortiotelen, or. w. to tingle with, to move, to affect. teraortmeht, m. passage, march, course. Doortrappem, or. w. to break by trampling upon; to tread thoroughly; o •. w. to continue trampling. —t, br. crafty, arch, —Meld, v. craftiness, craft, slyness.
tat; dose, latest &SO, vat, ed. o dee. rmly, gereed waken. —by heart, van batten leeten. — the better of, It overhand krijgen op. — you gone, scheer je weg! (abroad) verbreiden. (away) verwijderen. (down) naar benedeu krijgen; inslikken. (from) verkrijgen van. (in into) inbrengen, inkrijgen. (off') wegkrijge.n; uithelpen; lobmaken. (o.) aantrekken. (out, uitkrijgen. (seer) overhalen. (through) doorkrijgen; ten etude brengen. (together) aamenbrengen. (under) bedwingen. (up) omhoog krijgen; doen opstaan; tot stand brengen. —, v. n. geraken; wooden; komen; gaan. — drunk, dronken worden. — into fashion, in zwang komen. — well, beter worden, herstelleu. (above) to boven komen; overtreffen. (abroad) behind warden. (away) itch wegmaken. (bark) terugkomen. (before) voorkornen. (dawn) beneden komen. (in) binnenkornen. (into) geraken in. (off) wegkornen, ontkomp. (on) voortkomen. (out of) komen (geraken) nit. (over) geraken over; overgaan. (through) doorkomen. (to) bereikon. (together) eamenkome ► . (up) near boyen ko,en (pan); opstaan. (up agates) her:Mlle.. Gett er (get'ur). a. voortbrenger; verwervet, verkrijger. a. voortbreuging; verkrijging; winat, verdienste. Gewgaw Igjoe i ga0), a. onbeduidend. ijdel. s. snuisterij, poppengoed, prui. Ghost NI tgaast'foel?, a. —fully, ad. akeilg. —tiaras, 1. afgrijselijkheid; doodsbieekheid. a. spooltachtig, afgrijselijk. Gherkin (guekin), R. agurkje. Ghost (goost') a. geeat; spook. —lines., a. gees telijkheid; spookachtigheid. —ly, a. geestelijk; spookaehtig. s. reus,—ess, Giant (dzjarent). a. reusachtig. a. reuzin. —ism (-izm), s. reuzentijdperk. —like, —ly, a. reusachtig. —ship, a. reusatittigheid; reusschc.p. Glaour (dziaur), a. ongeloovige, bond, (Beheld.naam der Christenen bb de Turken), •1,t, nude kater. Gib (gib'),s. oud, afgeleefd diet. —staff, echippersboora. Gibber (gth'bur), v., u. brahbeltaal pre.ten.—isk, a. bargoensch, onverstaanbaar; s. wartaal, bargoensch. v. a. tan de galg (dzjib'bit), s. galg, hek hten Gib ► oslty (gib-boe'it-tih), a. bolrondheid, buttigheid. Gibbous , gib'bus), a, bolrond; bultig, gebocheld. --ness; a. file Gibbosity. Gib e (dzjajb'), a. hoon,schimp. —e, v. a. hoonee; v. n. schimpen. —er, a. echimper. —ingly, ad. schirnpend, smadelljk. Giblets (dzjib'lits) s. afval (van gevogelte). Giddy (gid'dth), a. Giddily, ad. duizelig; darts), lichtzienig; onbeatendig. —brained, —headed, onbezonuen. —head, —pate, losboofd. dollernan. —paced, waggelend. —, v. a. duizelig makes. lifer., ogle (drjer'iegn, s. gierarend. Gift (gift(), s. putt', gift, geschenk; begattfdb!,id. —, v. a. begiftiken, begaven. —eh, a. begiftigd, begaafd. —edneths, begaafdheid; dweperij. Gig (g 7 g), s. sjees; draaitol; harpoen; scheepsboot; stratttloopster.
Cosine (ko'sajn), R. cosinus„ Cosmetic (kuz-met'ik), a. schoonheidbevorderend. —, a, sehoonheidsmiddel. Cosnaical (koz'inikl), a. —ly, ad. de wereld betreffend; met de zon op- en ondergaand. COSMO gony (kez-mog'un-nih), s, leer van het ontstaan der wereld. —grapher (ri fur), a. wereldbeschrijver. —graphic, (koz mo-grerik), —graphical, a. we. rel d be•chrij vend. —graphy ( re tih), a. wereldbenchrijvlog. —logy ( moructzjih), s. wereldkunde. —politan (koz mo poriten), —polite ( mop'o lait% s. wereldburger. Cossack (kos'seb), s. kozak. Cosset (kos'mit), s. buislam; !leveling. —. v. a. vertroetel Cost (kost'), s. prijs, kosten; verlies, schade; seheepsrib. — s, s. bastes: proaeskosten. —al,
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.
Panoply (pen'o-plih), a. volledige wapenrusting. Pnracen teals (per.e-sen-ti'sia), s. buiksteek (ter aftapping van het water). —tric ( sen"trik), a. Panorama (pen-o ree'me), a panorama. van het middelpunt afwijkend. Pansy (pen'zill., a. driekleurig viooltje. Pant (paant'), s. hartklvpping. --, v. n. kloppen. Parachronisin (pe rek'ro-nizm), a. misalag in de tijdrekening. beven, hij pen; (after. for) hunkeren, verlangen Parachute (per- e-sjoet.'), a. valscherm. near. Pantaloon (pen.te.loen'), a. hansworst. — 8 Paraclete (per'e-kliet), a. trooater. Parade (ee-reedn, s. praalvertoon, pronk; afwe{-loenz"), pl. (lenge) brook. Pant ar (paant'ur). a. hijger; net. —ess, a. kort- ring; parade; paradeplaats. —, v. a. pronkea met; ademigheid (van valken). parade laten oaken; afweren; v. rt. vertoon maPantile lam (pen'thi-ism ►, F. pan theismus. —ist, ken; optrekken; parade maken. a. pantheist. -on (-thi'un), 8. pantheon, goden. Paradigm tper'e-dim), a. voorbeeld. the fool'. —, Paradis a (per'e-daja), s. paradijs; tempel. Luilekkerland. —kcal (-di-saj'ikl), a. paradijsPanther (pm'thur), a. panter. Pantile (pen'taajl), a. dakpan. Paradox (per'e-doka), s. wonderspreut. —teal, Pantie". (pent'lur). s. hof-, broodmeester. a. —ically, ad. (-doks'ikl.),wonderepreuhig. —ical?mitotic (pen-toefl'), a. pantoffel. Panto graph (pen'to-gref),s.teekenaap. —graphy nets (-dokeikl-), a. achijastr‘jdigheid. s. het gebra iten van den teekenaap. Paradrome (per'e-droorn), a. onovardekte gang. (-tog're —meter (-torn'i-tur), a. almeter. —mime (.Thajg), $, Pa•age (per' sclzj), a. geltj kheid. gebarenspel, pantomime; pantomimist. —mimic Paragog e (per-e-goodzj'), s. woordverlenging. —teal (-god' zjik-), a. woordverlengend. (-mim'ik), a. pantomirnisch Paragon n per'e-gunl, a. model, voorbeeld; matPantom (pen'tun), a. —shoe. pantoffelijzer. ter. —, v. a. vergelijken. evenaren; v. n. wedijvePantry (pen'trilt), a. provisiekamer, -kast. ren. Panurgy (pen'nr-dzjiW, a. bekwaamheid in alles. Paragram (per'e-grem), a. woordspeling. Pap (pep'), s. tepel; pap; vleesch cyan vruehten). Paragraph (per'e•grefi, a, parairraaf; -teeken. —, v. a. met pap voeden —ic, —teal, a. —ically, ad. (-grerik-)., in (bij' paPapa (pe-pa'), a. p , pa, Pap acy (pee'pe-sih), a. patiqdc.m ; psusschap. —a/ rag', fen of afdeelingen. Paraliellon (per-e. Wit un).. a, bijzen. (-Pei), a. pauselijk. Farall poetic (per-el-lek'tik), a. parallactisch. us), R. papavera chug. Papaverouc (pe-pev'ur —ax (per'el-leks , , vorschilzicht (in den stand Papaw (pe pan'), a. meloenhoom; meloen. doe aterren), parallax. Paper (peep), a. pans. a, a. pa- Paraliei (per'et. lel), a. evenwildig, gelijk. Paper (pee'pur), s. papier; nieuvablad. evenwijdice ltjn; gelijkbeid; vergelijking. —, v. a. Pleren; licht, dun. —blurrer, papterverknoeier. evenwtjdig waken; overeenetemmen; vergelijken. book, schrijfboek. —credit, —board, natplank. —ism, a. evenwijdigheid; gelijkbeid. —ogram apier-, wisselkrediet. —currency, omloop van s. parallelogram. —opiped (-o-pay ' andelapapier. —faced, met era, dondsbleek ge- (.1el'o-grem), parallelepipedum. laat. —hanger, hebanger. — hangings, pl. karnerbe. Paralog lam, (p•rel'ud-zjizm), a. drogrede, valvlieger. —knifesvouw. banged!. —kite, (papieren) been. —maker, papier. , ker. —man, koopman in ache sluttrede. —ite(-zjajz), v. n. valsche gevolgtrekiiingen makes. schrijfbehoeften. —manufactory, pa pierfabriek.Parlay slit (pe-rel'i-sis), a. verlamming. —tic, paplermolen; archief van King ' s bench. —tical (per-e-litik.), R. verlamd. --se(per'e-laJ , ), —money, papieren geld. —office, staate-archief. op papier geatoken. —scull. dom. v. a. verlammen. —pins, spelden drukker (verkooper) van g'ekleurd Paramount (per'e-maauut), a. hoogst, opperat. top. —stainer, lord —, opperste leenpapier. —weights, brievendekker. --, v. a. in papier —, a• opperhoofd; leenheer. pakten; bebangen (met papier). hoer. moor (per'e-moeri, a. minnaar. boel; minvlinder. —naceous (-nee , Para Papal() nitres. —nymph (-nimf), a. bruidsjonker; verdedisjus). a vlinderachtlg. gee. —pet (-pet), a. ty.rrativering. PnpIllnry (pep'il-le-riW, a. tepelachtig. ravage. Poraph (per'ef n, 8. naamtrek, naamteeken. —t, (pee'pizrn), a. pausdom. Papis pau'geeind. —try Paraphernalia (per-e-fur-nee'li-e), pl. goetieren, a. zinde. —tical die uttalnitend aan de vrouw toebehooren. (-pie-trih), a. pausdom, paperij. a. pap- Paraphras e (per'e-freez), 8. omschrijving. —e, —y, (pep'pus), a. harig,wollig. OUB Pa pp v. a. omsebrijven; v. n. paraphrasen maken. —t aehtig; week, vieht. —tied (-freetik), a. Papul sac (peploe-li), pl. puistjes, huiduitslag. : (-frest), s. onischrijver. omschrijvend. —ass, a. puistig. Paraaang (per'e-seug), a. perzische mijl. Par (pear), a. gelijke waarde, part to beat (upon a) Paraselene (per-e-se-Iten'), a. bijmaan. gelijlz staan. Paraalt a (per'e-sajt), a. tafelsehuitner; weekerParable (per'ibl), a. gelijkenis. Pnraboll a (pe-reb'n-le), a. kegelanede. —ic, —teal plant. —Sc, ica/ (-sit'ilt.), a. tafelschuimend; — (per-e-bol'it), a. van eene geltkenis; van de plant, wilikernlant. door ge- Parasol (per'e-sol), s, sonnescberm, parasol. tegelanede. —ically (per-e•borik1-), ad.verhalev Paravall (per-e-vee1 1 ), a. achterleenrnertg , tenant B. likjkentesen; ale eene kegelsnede. aehterleenman. van gelijkenissen.
OLE.—OPI. 202 Oleaginous (3-1i-ed'zji-nun), a. olieachtig. —nese, niemand. —'a self, zich, zich zelven. — another, elkander. the little —a (wunz), de klelnen. —berry, a. olleachtighead. wolfsbes. —blade. eenblad. —eyed, eenoogig. Oleander (o-li-en'dur), s. oleander. —handed, eenhandig. —sided, eenzijdig. Oleaster (o-li•es'tur), wilde olijthoom. Onelrocritle (un-aj-ro-krink), s. droomuitlegolehant (o-lef'i-ent), a. olievormend. ger. —. —al, a. droomuitleggend. —a, pl. droomOleometer (o-ii-om'i-tar), s. oliemeter. uitlegkunde. Oleic (o'li-ik), a. — acid, oliezuur. Oneness (wun'ness), s. eenheld. Oleraceous (o-le-ree'sjus), a. groenteachtig. °Met (ol-fekt'), v. a. raiken. —ory, a. van den Oner ary (on'ur-e-rih), a. lastdragend; last-. reuk; reuk-; —nerves, reukzenuwen. —ate (-net), v. a. beladen; bezwaren. —ation 0 I 'Walnut. (o-lib'e•nam), s, arabische wierook. (-ee'sjun),s. belading; bezwaring. —088,5. zwaar. 0111 (ol'id), —008, a. stinkend. drukkend, lastig. Oligarch at (ol'i-gaaar-kel), —ical (-gaar'kikl), a. Onion (un'jun), s. ui, ajuin. oligatchisch. —y. a. oliegarchie, regeering van Only (oon'lih), a. eenig, enkel„ —, ad. alleen Ononaatopoea (on-o-met-o-pPe), s. klanknaweinigen. bootsing. Olio (o'lio), s. hutspot; mengelmoee. 011tory (ol'i-tur rih), s. moestuin. —, a. van Onset (on'eet), e. amoral; begin. Onslaught (on'slaot), s. aanval. een' moestuin. —sect, tuinzaad. Oliv eiceous (ol-i,ce'ejus), —aster 1-ves'tnr), a Ontolog let (un-tol'ud-zjist), s. bovennatuurkundige. —y, s. bovennatuurkunde. olij ftleurig. Olive (ol'iv), s. ()IV; olijfboom. —color, °HP, Onward (on'wurd), a. voorwaartsch; gevorderd; kleur. —grove olijfboschje. —husks, pl. olijven- vermeerderd. —, —a (-wurdz), ad. voorwaarts, vooruit. droesem; vetklieren. —oil, olijr-. boomolie. —season, 010 venoogst. —tree, olijfboom. —worm, Onyx (o'flikcs) s. onyx. —fish, onyx-visch. —shell, ' blauwe porseleinschelp. oltifworm. —yard, olijvengaard. Olyrapl ad (o - lim'pi - ed), s. olympiade. —an 0oz e (set'), s. molder, OA; runwater; zijpeling. —e, v. u. doorzijpelen. —iness, s. slijke( en), —c, olympisch. righeid, drabbigheid. y, a. slijkerig, drabblg, Omber (oom'hur), 8, ombre (zeker kaartspel). modderig. Onabrometer ( om-brom'i-tur), s. regenmeter. Opac ate (o-pee'keet), v. a. verduieteren. —ity Omega (o-mt'ge,, a. Omega; einde. (-peelt-t111), s. donkerbeid. —orts, a ondoorOmelet lorn'lit), s. eierkoek, -strait. schijnend, duister. Omen (o'men), a. voorteeken. Opake (o-peek'), a. Zie Opaque. Ortui•ntum lo-men'tum) a. darinnet. Ominous (om'i-nun), a. —ly, ad. voorspellend, Opal (o'pel), 0. opaal. voorspellende Opaque (o-peek') a. ondoorscbijnend, dottier. o,heilspellend. —ness, s.(kwaad-) —nese, s. ondoorschijnend, duisterheid. eigenachap Oiniss1 his (o-mis'aibl), a. sit (wet) te laten. Ope (oop), v. a. & 'n. op'nen. —on (-misrun), a. notating, verzuim. —ve (s-iv). Open (o'pn), a. open; blast; openbear; duidelbk; rondborstig; zacht. — air, opene lucht. —eyed, a. uitlatend; nalatend. waakzaam. —handed, mild. —hearted, openhartig. Omit (o-mit'), v. a. weg-, nalaten, verzuimen. Omni bus (om'nt-bas), s. omnibus.—farious(-fee , - —heartednesa, s. openhartigheid. —mouthed, met ri-us), a. allerlei. —ferous (-nitur-us). a. alien open mond; echreeuwend; gulzig. —, v. a. opeyoortbrengend. —fir (-nit'ik), a. alscheppend. nen; ontsluiten; openbaren; v. n. opengaan; ontluiken. —ing, a. opening; begin. —/y, ad. openlijk. - form (-form), a. van alle gedaanten. —.venous —seas, a. openheid; openhartigheid;duldelijkheid. -nid'Lje-nun), a. allerlei. —parity (-peeit-tih), s. algemeene gelijkheid, —percipient (.pu,siplent), Opera (op'e re), a. opera, zangspel. —basket, voeta. all. waarnemend. —potence (-nip's-tuns), s. zak. —glass, tooneelkljker. —house, sehouwburg. —ble (-ribl), a. doenlijk, —nt (-ent), a. werkend. almacht. --potent ( -nip's-tent), a. almachtlg, al- —te (-reet), v. a. te weeg brengen, bewerken; vermogend; a. (de) Almachtige.—presence(-prez'- ens), s. alomtegenwoordigheid. —present (-pre. , v. n. werken; eene operatie doen, (on, upon). ent), a. alomtegenwoordig. —science (-nispi-ens), —Non (-ree(tsjun),s. werking; onderneming; kunst e. aliretendheid. —acient (-nispi-ent),a.alwetend- bewerking. —tire, a. werkend; s. werkman. —tor (-ree-tur), s. bewerker; heelmeester. heid. —voroug (-niv'o-run), a. alles etend. Opercul ate (o-pur'kjoe-let), a. van een deksel Ousoplate (om'o-pleet), s. schouderblad. Omphril ocele (onete-10•siel), s. navelbreuk. voorzten. —urn (-lam), e. deksel. Operose (op-e-roosi, a. moeielijk, bewerkelijk. —optic (-lop'tik), s. lion, linsglas. —neg.?, s. rnoelelijkheid. On (en), ad. snort; verder. — prp. op; aan; te; in; h t( ; tegen. —and so —, en zoo voorts. —high, 0 phicleide (of'i-klajd), s. ophicleie. toil 01 , Ophl Man (o•fid'i-en), s. slang. —ology omhoog. —, int. voort 1 vooruit 1 verder 1 ud-zjih), s. slangenkunde. Olinger (on'e-dzjur), a. woudezel. Ophite (o'fajt), a. slangensteen. Onanism (o'nen-izm), s. zelfbevlekking. Once (wuns), ad. eons, eenmaal. at —, te ge- Ophthalmia is (op-thel'mik), a. voor de sages; lijt; dadelijk. all at —, plotseling. — more, oog-; — infirmary, hospitaal voor ooglijders. —ic, a. oogmiddel. —y (op'thel-mih), a. oogontsteking. nag sans. One (wan). R. een. —, pr. men; iemand. all —, Opiate (o'pi-et), a. & s. bedwelmend, slaapwekonverechillig. some —, any —, ieinand. no —, kend (nniddel).
Beal on, ov. w. to knock, to strike; to tirtow; to tease, to rex; on. w. to foil, to tumble. wet bruit het rail ? what is that to me ? final dean, begone ! —er, In. teaser, vexer. —erij, v. vexation, trouble. Brulk boor, bv. fit for use, serviceable. —beariteid, v. usefulness, serviceableness. —er, no. teo. loan. nant; farm. Bruitutt, v. _wedding, -feast. gond,* —; fiftieth anniversary of a marriage. silveren t wentyflfth anniversary of a marriage. —adag, weddingday. —sdiekt, nuptial poem. tch, —metal, wedding-meal. -OM, wedding-feast. —toast, wedding-guest. —shed, nuptial song, epithalamium. Bruin, by. brown; bay; sunburnt. —gee!, filernot. —kleurig, brown- colored. —Imo!, brown coal. —weir,. brown-eyed —rood, brown red, Indian red. —steam, manganese.—vieckporpoise.—acbtig, by. brownish. Brulneer der, en. burnisher. —en, ov. w, to burnish. —ijser, burnishing-iron —steal, burnishing-steel.—tand, tooth for burnishing,w oil'stooth'. —se?, o. burnishing-stuff. —ing, v. burnishing. Bruin en, ov. & on. w. to make (to grow) brown. —et, Y. brunette, brown girl. —held, v. brownnese. —hi, be. brownish. —igheid, v. brownishness. —tje, o. bay horse. Bruits, v. foam, froth. —en, on. w. to foam ;van, with); to low; to sail. *greaten, on w. to roar, to bellow. by. & bw. brusque, abrupt (-1y), blunt (-1y)„ gruff (-41, sudden (-1y). Brute's', by. & law. Zie Oubesehoft. Brutes, be. gross. Buffe ► ., tn. buffalo, buffie; boor, churl. —hoe, female buffalo. —.Amid, —aryl. buffalo-hide, buffskin. —steer. buff. —achtig, by. & bw. rude (-1y), churlish (.1y). —achtigheid, v. rudeness, churlfellness. Bulret, o. buffet; bar. —jvivrouto, bar-maid. —keeje, buffet. Elul, v. shower; At; freak, humor, cue. /ogee —, flying cloud. 66 —en, by fits. —achtig, be. Zie sg. Buldel, m. bag, scrip, pouch, parse. —rat, opossuin. Buten, on. w. to be unsettled weather, to rain, to storm. Bulg boar, b v. pliant, flexible; declinable.— boar. held, v. pliantness, flexibility. —en, ov. w. to bend, to bow; to decline; on. w. to bend; to yield, to submit, to stoop. plier. —spier, Rector. —tang, pliers. —er, m. bower. stonpar. —ing, v. bending; bow, courtesy; declination. sales, be. pliant, supple; docile. tractable, submiseive. saansheid, v. pliantness, suppleness; docility, traatableness, submissiveness. lilallg, by. showery, squally, unsettled. Bulk. m. belly, paunch, nave; bunt (ran ten sell); bulging (van ten muur). —band* —gordel, bellyband. —break, gastrocele. —dienaar, glutton. —doorboring —opening, patracentesis. —gerdinge, broils. —holte, abdominal cavity. —loop, flux, diarrhoea, loorenese.—loopig,loose.—tosing,eva c n&Owl. —raced, gastroraphy. —Ain, belly-ache.

Kunnen we verkopen Bitcoin op Zebpay


GON.—CON. 5l dig'nit-tih), s. verdienate, —/y, ad. near verdict. (-sjun e-rih), a. de biecbt betreffend. —or, a. ate. —netts, R. evenredigheid, gepastheid. • belijder; biechtvader. Condiment (kon'di.ment), a. toehereiding, krui- Confidant (kon-fl-dent'), a. vertrouweling. ding; sans. Confide (lum-fajd'), v. a. toevertrouwen (to); v. Condlselple (wn- dis-aajp1'), R. medeleerling. n. vertrouwen (in). Conellte (kun-daft'), v. a. inleggen, inmaken. Contiden ce (kon'il•dena), s. vertrouwen; zelfCondition (kun-dis'sjun), a. voorwaarde; toe- vertrouwen; stoutheid. —t. a. overtuigd, verstand; stand.. —, v. a. overeenkoman, hedingen; trouwend, stout. —tie/ (-den'sjell„ a. v. n. bepalingen makes. —al, a. —ally, ad. ad. vertrouwelijk, vertrouwd. —tly, ad. vrij8. voorwaar- voorwaardeltjk. —ality moedig, vrijpostig; met zekerbeid. —tress, s. delijkheid. --(cry —ate, a. bepaald, overeengeko- vertrouwen, zekerheid, stoutheid. men, bedongen. —ed, a. hedongen gesteld, well configur atton iltun-fir-joe-ree'sjun), a. ge—ed, in siechten stoat. —ed, in goeden stout daante, vorm; betrekkelijke stand der sterren. Conditory (kon'dit-tur rih), s. bewaarplaats. —eikun-fiejoer), v.a. tot zekere gedaante vormen. Condo! atory (kun-dole tar-rib), a. van rouw- Conlin able tkan-farnibli, a. binnen grenzen te brief van rouwbeklag. —e epistle, beklag; — (kun- brengen. —e (kun-faj (01, a. aangrenzend. —e (kon' door), v. a. beklagen; v. n. deelneming betui- fajn), s. ere.; grenepaal. —e (kun•fajte), v. A. gen (with — on, upon). —entent, R. be- begrenzen; beperken (to); gevangen zetten (in); rouwbeklag; deelneming. . —er, a. die con- v. n. aangrenzen, belenden, (on. with;, —ed, a. doleert. —ing, a. ronwbeklag. bepaald, gebonden; bevailen. —eras a. untieCondonation (kon-do-nee'sjun), s. vergiffenis. grensd —ement, s. beperking; opsluiting; bevelCondor (koti'dttr), a. laintliergier. ling. —er, a. beperker; grensbewoner, nabuur. Condue c (kun•djoes'), v. a. strekken; leiden; —ity (kun-fin'it-tth), s. nabijheid. bijdragen, hevorderlijk zijn, t/e). —cutest, R. Confirm (kun-form'). v. a. bevestigen; bekeachstrekking. —ent, a. dienstig, bevorderend. —ible, tigen; inzegenen. —able, a. bevestigbaar. —ation —ire, a. bevorderlijk (to). —ibleness, —iveness, (kon-tir-mee'sjun), 8. bevestiging. -atter (-e-tiv), a. dienstigheid. —atory (-e-tur-rih), a. bevestigend. —edness, R. Conduct (kon'dnkt), a. gedrag; beheer, leiding; bevestigdheid. —ing, a. —ingly ad. beveatigend, bekracbtigend. v rkti 'gle, levid. a. beaturen; geleiden; Conflsc able (kun-ils'kibll, a. verbenrd te Co gen'ediAti ter. r (t —, du aanvoeren. — one's self, zich gedragen. —ion verklaren. —te (-bet), a. verbeurdverklaard. —te (-duk'sjun), s. geleiding; bestnreag„ --irieee ( tis' (-keet), v, a. verbeurd verklaren. —tion (konsjus), a. gehuurd. —ire, a. leidend; beheerend, tie kee'sjun), s. verbeurdverklaring. —tor (kon • beaturend. —or, a. rtanvoerder; bestuurder; ge- fis-kee-tur), a. verbeurdverk1Rring. —tory (-ke[eider. —rest, R. geleidster; beheerderes. tur-rih), a. verbeurdverklarend. Conduit (kun'dit), a. waterleiding; buffs. —pipe, Confiturer(kon'filjoer), a. snikergabak. waterpijp. Contlx (kun-fika"), v. a. bevestigen. —are (•joer). Condupitca te (kun dine' pit- ket), a. verdubbeld s. (bet) vastmaken. dubbel geslagen. —te, v, R. verduhheien dubbel Conlin grant (kun flee'grent), a. brandend. sloan. —lion (-djoe-pli-kee'sjun), verdtibbeling —gration (kon-fle-gree'sjun), a. algemeene brandCondyie (kon'dil), s. Cewricht, beenknoop. —tion (-sjuni, a. samensmelting, ondeWngieCone (koon'), s. beget; pkjnappel. —shaped, ke• ttng; harmonic. gelvormig. Conflict (kon'flikt), a. botRing, twist, strijd. Coney. zie Cony. Conflict (kun•flikt'). v. n. strijden, kampen. —ire, Confabolat e (kun-feb'joe.leet), v, n, kenvelen, a. tot strijd leidend. beaten. —ion (-lea'aiu.),( s. gekeuvel. —ory, a. confluen ce (kon'floe-ens), s. aamenvloeiing, samenvloed, toeloop. —t, a. samenvioefend. sea gekout betreffend. Confect (kon'fekt), s. snikergebak. Conflux (kon'fiuks), a. Lie Confluence. conform (kun form'), v. a. gelijkvorrnig maken, Confect (kun-fekt), v. R. kontijten. regelen, inrichten; v. n. (to) nigh zedragen near. Contagion (knn-fek'sJun), s. insuikering; sui- !cowed. —ary, a. suikergebak; banketbakkers. —able, —ate, (-met), a. gelikkvormig. —ably, sit. winkel. —er, a. bankethakker. overeenkomstig, volgens, (to), —ation Ikon-forContedern cy (kun-fed'ur.e sib), a. bonito- meesjuni, a. geltjkvormigmaking; vorming; nootachap, verbond. —te (-ur-et), a. verbonden. inrichting; gelijkvormigheid. —jet, s, lidmaat —te (-nr-eet), v. a. vereenigen; v. n. een bond• der engelache kerk. —ity, a. gelijkvormigheid, gennotsehap aangaan. —tion (-ee'sjun), s. bond- overeenkomstigheid. Confound (kun-faaund'), v. a. ondereen mengen; gennotschsp. Confer (kun rue), v. a. verieenen, opdragen, verwarren, vernielen; verbazen; beachamen. —ed, (on. upon); bijdragen (to). —, v. n. onderhande- a. verward, beschaamd; verbaasd; vermened. len, berRadalagen (zvith). —race (kon'fur.ens), a. verfoeielkjk, verwenecht. —edly, Rd. ontznprelilk; onderhoad, beraadalaging; satneekomat. —rer, 8. —edness, s. vereiagenheid, verwaroing. a. onderhandelaar; verleene.r. onrust zanier, vernieler. Confess (kun fea'), v. a. & n. bekennen, bteeh- Confraternity (kon-fre-tuenit-tib), a. broederschRp. ten. —ed (kun•fese), a. —ed/y, ad. openitik, onbetwistbaar. —inn (-slats), R. bekentenis, be- ConfrIcatIon (kon-fri-kee'sjun), s. wrUving. liktents. —tonal i-Rjrin- el), e. bieehtstoel. —ionary Confront (kun-front'), v. a. tegenoverstellen,
liVond (wood), a. weede. —, v. a. met weede verven. 'Woe (wo'), a. we,, smart. —begone, door wart (lijden) neergebogen. tot. wee ! —ful, a. —fully, ad. treurig, 1 ammerlijk, ellendig. —fulness, a. treurigheid, el lende. Wold (woold), a. opene viakte; damn. Wolf (woeir) a wolf; kenker. she—, wolvin. —dag, evolfehond. ---fish,seewolf. —hunting, wolvenjacht. —man, weerwoll. —'a-baneovolfswortel. —'s-milk, wolfsmelk (plant). —ish, a. wolfechtig; vraatzuchtig. Woman (woe'men), s. vrouw; kamenier. — of the town, liehtekool, hoer. —child, ineleje. —dwarf, dwergln. —hater, vronwenhater. —saint, vrouwelijke hellige. —servant., dien,tmeld. —'s-tailor, dameskleermaker. —'s-frict, —'s wit.vrouwelist. —, v. a. sacht (gedwee) maken. —hood (-hoed), a. vrouwelijke staat. —ish, a. vrouwelijk; vroewaelittg. —iR (-ajs), v. a. vrouwelljk (verwtird) maken. —kind (-kajnd),s. het vrouwelijkgeelaeht. —like, a. vrouwaehttg. —1y, a. vrouwelijk; manboar, verwijfd. Womb (woem'), s. baarnnoeder; schoot; Ingewand. in the — of night, in het hoist van den naeht. —cake, nagehoorte. —passage, —pipe, moederseheede. v. a. in ziehsluiten. Women (whn'n), a. pl. van Woman. Womm.er (wun'dur), a. wonder; bevreemding, verwondering. in the name of —, in 'is hemeis naam. to make — of, zilch verbazen over. to look all —,rerbaasd ataan. —struck, verbaasd. —,v.n. zich verwonderen (at), nteowsg!erig sijn.—er,e.verwondarde, verbaasele. —ful, a. —fully, ad. Terwonderlijk, wonderbsar. —fulness, a. wonderbaarhetd. Wondrous (wun'drue), a. —ty, ad. verwonderlijk,

The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]

r cryptogeld memes


HEE.—HEL Iiiirettets,bv. & bw. hoarse (-1y). —achtly,bv. someIleelial,o. universe. what hoarse, --Acid, v. hoareeness. Heel bane, be. curable,healable. —en, ov. & on. w. to cure, to heal. —kracht, sanative (healing) Ilieeater, m. shrub. —geteae, shrub. —achtig, be. power. —foetid. medicinal herb. el —kunde, shrubby. (ran koortel; batty, surgery. —kundig. surgical. —kundige, —.eater, Sleet, ha. hot, sultry, burning irritable, testy; lewd (op) eager after, fond of. surgeon. —ssiddel, healing-remedy. —pleieter, op —er daad, in the very act. —etranen ac*reicn, healing-plaster. —tleeich, flesh easily healing. bw. hotly, warmly; eagerly, to weep bitterly. Reel held, v. wholeness, entireness; reservedness, toe, there Wes hot work briskly. het sing er —big, v. curing, healing. von de noald, new off the irons. —hoofd, hotHee/star, v. Zie Melee. & bw. hat-headed, littera, o. farm. —raad, dike-reeve. —raadschap, braille.' person. —hoofdig, be—hoofdigheid, v. hothasty ( - fly), passionate (-ly). office of a dike-reeve. —stede, farm. —stederld, headedneee, hastiness, paettionateness. —en, ov. tax upon farm, —ewortel, marsh-mallows, to heat, to orate hut, to chafe. w. glean, bw. away. -- en weer, to and fro. bid; II"congas's, on. w. to go away. dot goat nog al iliveteen, ov. w. to call, to name; to ordereto liegen, to on. w. to be called, to be carved. keen, that will do. give the Ile. hoe heet gij? what is your name? itieettkomen, on. w. to get away. o. escape. Ileetheld, v. hotness; hestinese, irritableness; een goed — tcehen, to make ones eacepe. lewdness. II eenloopeta, on. w. to run away. tarp get you gone! — over, to do carelessly, to bungle Clefs hiniwe, v. dregs, leer, sediment. — dee Yolks, (the) rabble. (to botch) up. icera, ov. w. to lift, to heave; to roles, to levy. Ileensnoatan„ on. w. to be obliged to go. wear --boom, lever. —deeg, leaven. —offer,heeve offerreactdat keen? what will it come to? ing. fee, m. —ster, v. colour. —ling, v. raising; linen refs, v. de -arture; voyage out. —reizen, on. tax. w. to set out, to depart. Halt. o. Zie Hecht. IlleenrUden, on. w. to ride (to drive) away. & bw. Ziellewtg. Illemnsleepen,ov. w. to drag along. garden. shears. )Flies , tingle, v. ireege. feechaar, ilieensluipen, on. w. to steal (to sneak) /nitay. — geyser, firing by platoons. lifeenallappen, on. w. to mar ch off. If es, tsw. ho I hone ! Ifeentoeht, no, departure, marching oil. net, v. heath; broom. —bezen,, broom. —Noon, II veontriekketr, on. w. to set (to march off. wild teyine. —boender, broom. —brand, heathIleenvaren, on. w. to net sail, to eat off. fire. —damp, —rook. heath smeke. —krskel, heath.Ilfeenvileden, pn, W. to fly, to escape. cricket. Zie ook Heide. ileen.ellen, on. w .to salt sway. Del, v. beetle, rammer. —baas, ram-master. —blok, neenzUts, on. w. to be gone, to be far off. rammer. —petal, pile. —atel:ing, ramming-frame. lleep,v.ohopping-knife. —week, piling, pile-work. m, master, lord; Lord (God, Christ); gentleman, air; king (in 't kaartspe!). de groote —, the Heide, v. heath; broom. —Wens, wild thyme, heath. flower. — grond, —Nod, —veld, heath. Grand Seignor. den yr. 00ten sitkangen (epee.), —krutcl, —plant, heather. to lord it. nt(ine —en, gentlemen. de — A, Mr. A. —dom, de — A en B, Messrs A. and B. —, o. Zie illeir. hi eideca, m. heathen, pagan, gentile; gipey. o. heathenism, paganism. —ash, be. & ha. —gemaad, feudal gift. —ova, your (his) rev crence. heathen, heathenish (-ly), pagan; terrible (- hip), endtenst, statute-labor. —enexia, manor-house, annoying. mansion; gentleman's house. enkneeht, footman., servant. —enlogement, hotel for gentleteer. —en- Iieldin, v. gipsy. to pile; on. w. to loon, high wages. —tenstraat, public street. f. - Itch en, or. w. to ram (in), draw a great deal of water, to go very deep . to weg, high-way. --alhtig, be. gent!emaniike. pitch, to plunge. —er, xri, rammer. —ing,v . rembe. manorial, belonging to a lord; lev & bw . mleg. grand (-Iy), magnificent (Ay), delicious (-1y), delightful (-Iy). —1(ikheid, v.:eeigniorage.zeigniory, lie-il, o. heppiness ; prosperity; bliss, saleetion. —belle, good wish. •—beelerio,demiroutt after bliss, manor; lordship; grandeur, magnificence, delight—bron, —font ein, source eat (salv att.), fulness; eternal, bliss. fountain (of bliss. — drank, toast, health. --rVic, v. imIltersehaehlig, be. imperious. ralutary, t'teelul. —wensch, felicitation. periousness. d, xnn. Sevior. Illeerselanp, e. master, lord, gentleman; fellow. v. dominion, power, (Rove ...sign) authority, latrilhoit, v. halibut; brill. bw. holy (-11y), carrel (-Iy). verequig, be. role, sway, empire. —one; en, to rule, to bear, been, to eationiZe., ter saiLt, —arond„ eve, klaren, sway. os aecruna. — bitter, bitter. holy. —makend. sanctiIllearech en, on. w. to rule, to reign, V; coverer; to domineer; to rage, to prevail. —eueet, ambi- fying. — maker, sanctifier. —makinp, eauctiflcatton. —scherder, secrilegist. — sehesedig, — schention, despotism. —etteetig, be. & So'. ambitioue wend, eet,rileg , otia. —schennis, sacrIlisge. —erre(-1y), imperious (-ly). —zuchtigheid, ambition. kend, —yerklaring, cenonleation. --gout, o. sancimperiousnees. end, be. reigeing, domirant, tuary; relic; —shui4je, eepository of :sacred thing, prevailing; —c godsdienet, established religion. Act —er, m. ruler, governor. es, v. governess. hte'iIlg a, m. & v. saint; patron, patrounta. —e der —en, the Holy of ilolits. —enbeeld, image —lag, a. reign, dominion.

CAL.— CLA. Caleidoscoop,o. kaleidoscope. o. calico. Cetitigr rear, no calligrapher. —aphid, v. Calligraphy. —.Weise*, by. calligraphic. Calque*Ten, ov. w. to counter-draw. Calvin lama, o. Calvinism. — let, M. 081,1nItt. Caine., v. cruteo, camayeu. Camelia, v. camelia. Cacupache-hout,o.Can3peachy - wood, log-wood. Canoille, o. rabble, tag•rag, Canapé., v. sofa, conch. Candid nat. m. candidate. —atenlidst, proxy. —tamer, v. candidature, candidateship. Canon, m. canon. —fete, be. canonical. —kettle, v. canonization. —Caceres, or. w. to canonize. Cantata, v. cantata. Cantine, v. canteen. Canton, o. canton. —nearer:, ov. w. to canton. —nement, o. cantonment. Caoutchouo, o. cutch, lndia.rubber. Cdpltui atie, v. capitulation. —urea, on. w. to capitulate. Carat:IWO a, v. carambol. —eeren, on. w. to carambol, Cargo, v. cargo. —door, m. ehip's-freighter, cargador. Caricatuur, v. caricature. Carnaval, o. carnival. Carton, a. cartoon. Casco, o. hull. verzekeriny op het —, insurance on th keel of a vessel. Casiras er. o. cassimere, kerseymere. Casino. o. casino. If. caoh. —rekening, caste-account. Casmatie, v. caseation, appeal, reversion. hof ran —, court of cessation, — appeal. *id* in — vooraien, to appeal. Cease eren, ov. w. to break, to discard; to dismiss. Caste, v. caste; corporation. Casuaris, in. cassuary. Cataoowben, v. ma. catacombe. Catalogue, or. catalogue. Vatechetisela, he. & bw. catecheticiel (-1y) Cateehis ant, m. catechumen. —atie, v. catechisation. —eerweater, catechist. —erten, or. w. to catechize. —nue, m. catechism. Categor le, v. category. —itch, by. & bw. categorical (-ly). Catheder, m. pulpit, chair. Cathedraal, v. cathedral. Catheter, m. catheter. Cathol telmane, o. catholicism. —isch,tbv. & m. catholic. Cantle, v. bail, security; ale Borg. Cavalcade, v. cavalcade. Cavaier Is, v. cavalrie, horse. —let, m. cavalier, horse-man. Cede!, v. schedule, list. Ceder, in. cedar. —boom, cedar-tree. —boat, cedarwood- —en, be. cedrins. Cal, v. cell. —lebroeder, cell-monk, recluse. —normig, bv. cellular. Cellbarst, o. celibacy, celibate. Consent, a. cement. Censuur, v. censure, censorship. Cant, m. cent. —caner, m. hundred-weight.

Pair (peer'), s. pear. a — of stairs, eene trap. —royal, drie gelijken in 't kaartspel). a coach and —, een ri3tuig met twee paarden. —, v. a. & n. paren. —ing-time, paartijd. Palace (pel'es), 8. palet, —court, voorplein van ta.t paleis; gerechtshof van het paleis. —yard, bienenhof van het paleis. Pitadln ipere-din), s. naladijn, ridder. Pa I a le_ ti n pel-en-kien' ), 8.pal ankijn,draagstoel. Palat able (pe0e.tib)), a. smekelijk.—ableness, a. smakelijkheid. —al, a. van het verhemelte; a. verhemeiteletter. —e (-et), a. verhemelte; smaak; , pe-lee'sjel), a. verhemelte-; van een palely; erachtig• Paistin ate (pe-let'i-net), a. paltsgraafschap. —e ( eel'e-tin, a. paltsgrafelijk; a. paltsgraaf. Palaver kpe-lit'vuri, a. gewawel. —, v. a. kaketen. wawelen. Pale a. peal; otaheining; rechtsgebted, seeoot. —., v. a. omhetnen. —, a. —ly, ad. bleek. —eyed, zwak van gezicht, —faced, bleek van gel., --hearted, moedeloos. —ness, a. bleekheid. Palen grapby a. add schrift; beams van sad schrift. —logy ( - 01'ild-ajth), oudbeidkunde. Valeous (pee'li-ue), a. kaffig, huizig. Palestra worstelperk. Palette (pel'et), s, verfbord, palet. Pslfrey (paol'frih, pel'frib), 8. Barnes-, paradepaard. —ed (-hid), a. op een' klrpper gezeten. Pa litication kee'sjua). a. Pa illogy a. Iterhaling. Palimpsest (pel'imp-nest), a. palimpseat. Pio alad roan e (pel'in-droomi, a. eensluidende 1 et terkeer. Yftllug (pee'ling;, a. rasterwerk. Palinode (pel'ln-ood), 8. herroeping. Palleade (pel'i-seed), s. schans-, tstorrnpaal. —, v. a. met peal week verschansen. Pallvta (pee'll,j), a. bleekachtie. Pall paoll'), a. verschaald, ffauw. a. binschope, staatsiemantel; lijkkleed; pal. —bit, palbeting. —bolt, pal. —cleat, palklamp. v. a. met eon mantel bedekken; moon verdchalen; bederven; oververzadigen; neersiachtig makers; v. n. verschalen; slap worded; (on. upon) doen walgen. Palladium a. pallas-beeldje, plechtanker; palladium. Pallet pel'iit), a. verfbordje, palet; draaiachijf; verguldmesje; laatbekken; brits. —ing, a. bodem der brood- en kruitkamer. Pallla te (perli-eet), v. a. bewimpelen; verzachten. —tion (-ee'sjun), a. bewimpeling, verzaetttine. —five (-e-tiv), a. & a. bewimpelend, veraaceteed (midden. Pallid (pellid), a. bleek. —nets, s. bleekheid. Pal [mall (pel-mel'), a. kolfi kolfspel; maliebaan. Pallor (pePlur), a. bleekheid. Palm (paam"), s. palm; palmboorr; handpalm; handplaat; ankerarm. —berry. dadel. —oil, palm°lie., —sunday, palmzondag. —tree, palmboom. —wine, paimwijn. - , v. a. betasten, hanteeren; 8treelen; in de hand verbergen, misleiden; (upon) is de hand stoppen; toedichten. Palm ate (pertnet), —aced (-meet-id), a. handvormig; met zwemvliezen. —atory (-me-tur-rih),
don’t use coinbase. They held my funds and I couldn’t use my bitcoins until their value dropped by 1/4. this company is awful. I verified my ID, bank account, email, and everything and they lied and said initially it takes 3-4 days for funds to be available. once the bought the bitcoin they said it will take one week. and that is still a lie because after one week the funds are NOT available. liars !!!!
Embroider (e.n-broj'dur), v. a. borduren. —er, s. borduurder, borduureter. —y, a. bordaarwerk. Embroil (em-broji'), v. a. verwarren, verlegen maken; (in) verwikkelen in. Embryo (em'bri-o), a. onvoldrggen vrueht; eerate ontwerp. —n, a. onvoltoold. Emenda bin (e mend'ibl), a. verbeterlijk. —Non (em-en-dee'Rjun), s. verbetering. —toe (em'endee tur), 8. verbeteraar. —tory (-de-turrih), a. verbeterend. Emerald (em'e-reld), a. smaragd. Emerge (e-murdzj'), v. n. oprijzen, opkomen, to voorschijn komen (from). —nee, —ncy, a. ophoming ; onverwachte , omstandigheid, toeval; noodzaak. —nt, a. opkcmend; onverwacht, plotsoling; dringend. Eaneriteel (e-mer'it-id), a. na volbrachten dienst ontslagen; emeritus. Emerolda (em'ur-ojdz), s. aambeien. Emersion (e-mur'sjun), a. te-voorsehijn-koming; wederverschijning (eener ater). Emery (em'ar-rih), a. amen'. Emetic (e-met'ik), a. braking verwekkend. —, s. braakmiddel. Emeu, Emew, (ie'mjoe), a. keener's. Entication (em-i-kee'sjun), a. vonkeling. Emlction (e-milesjun), a. waterloozing. Emigra nt (em't-grent), a. uitwijkend, verhuizend; a. landverhuizer. —te (-greet), v. n. uitwijken, verhuizen. —tion gree'sjun), a. landverhuizing. Eminen ce (em'i-nens ►, _cy, s. verhevenheid, hoogte; uitstekendheid; eminentie. —t, a. —tly, ad. verheven; hoog; uitstekend. Emissary (emle-se-rih), a. verspiedend. a. zendeling; verspieder. Emission (e-misj'un), a. uitzending; uitgifte. Emit (e-mit'), v. a. uitzenden, uitgeven, uitvaardigen; afechieten. Emmet (em'init), a. mier. Eminew (em-ntjoe'), v. a. opsluiten (in eene kooi). Etnolli ate (e-mol'ii-eet), v.a. verzachtend.—ent, a. verzachtend; a. verzachtend middel. —tion lem-ol-lisrun), a. verzachting. Emolument (a-morjoe-ment), a. voordeel; Emotion (e-mo'siun), a. ontroering. Empale (em-peel'), v. a. ompalen, apietsen. —ment, a. ompaling; spletsing. E-npanel (em-pen'il), a. a. naamlijst van gezworenen. v. a. op de naamlijat der gezworenen plaatsen. Empark (em-paark'), v. a. ombeinen; in een park sluiten. Eanpasm (em'pezm), a. stankverdrbvend poeder. Emperor (em'pur-ur), a. keizer. Empha sis (em'fe-sis), s. nadruk, klemtoon. —size (-aajz), v. a. nadruk leggen op. —tic, —tical, a. —tically, ad. (-fet'ik-), nadrukkelijk. Empire (em'pajr), a. keizerrijk; rijk; heerschappij. Empiric (em-pir'ik), —al, a. —ally, ad. op de ondervinding steunend, empirisch; kwakzalverig. —, a. kwakzalver. (-1-aims), s. empiric kwakzalverij. Emplast er (em-plaas'tur), v. a. met eene pietater beleggen. --lc, a. 1tjrnerig; kleverig.

Is Gemini uitwisseling verslag aan IRS


LEI.—LEU. —dread, guide. —star, guiding star, load-star. —anion, —serouw, guide. —er, m. leader, conductor, guide. LsId•r, taw. alas! Ladd ing, v. leading. conducting; direction, conduet. —star, v. leader, conduttreas, guide. Lelen, be. of slate, slated. —dak, slated nor. L e is, v. leash. ',stool, o. rein. Lek, to. leakage. —, o. leak een kr(igen, to spring a leak. —, be. leak, leaky. — wordes, to spring a leak, to 'bilge Lekknge, v. leak, leakage. Lek ken, ov. w. to lick; on. w. to leak. to prop. —bier, beer that drops out of a leaky cask. leak, —honig, vir—dock, filter, mtraioer. gin honey. —steep, itering-stone. —vat, trick-toi,n droppings. —zak, straining-bag. Lekker, by. & be. dainty (-fly), nice ( ly), delicious (-Iy), sweet (•ly. —beetle, tid bit, titbit. —bek, —mond, —tend. —tory m. & v. sweet tooth. dainty-mouthed fellow, epicure. —tekken, —tanden. to banquet, to feast upon tit-bits. —beAkerii. —bekkigheid, daintinesc., itekerishnees, epicurism. —bekkg, dainty, lickedeh. —held. v. • daintiness, nicety. —nil, v, dainty, tit-bit, nicety. delicacy. —a. o. dainty. tit-bit, sweet-meat. Lokklug, V. leaking, dropping. 1,e1, v lobe; gill; uvula. Celle, v. lily • flower-deluce. — ran dales, lily of the valley, May-lily. —bled, lily-leaf. —blank. —wit, as white as a lily. —bol, lily root. —olie, lily-oil. —veld, field of lilies. —acAtig, by. HARMON. Loll en, on. a. to prate, to tattle. —er, m, praise, tattler. —ig, by. skinny. —jog, v. prating, tattling. Conamen, on. w. to talk sweetly. Lotnaper, n. blade. Loninset, o. wick Lempen, o. ;hilt, shafts. —paard, thilt-horse. —seek, shaft (of a waggon). Lende, v. loin. —break, rupture of the loins. —klier, lumbar gland. —knoopen lumbar gantitans. —kussen, small cushion to put under the loins), —slagader„ lumbar artery. —spier, lumbar nerve. —stick, loin, sirloin. —nuder, lumbar vein. —slam, hip•shot. —npeja, lumbago. —nloos, bv. hip shot. o. sling. Long, v. Collagen, ov. & on. w. to lengthen. 'donate, a. length '• tallness, height; longitude. door — van Wel, at the tong run. —graad, degree of longitude. —meat, linear measure. —meting, lougimetry; calculation of the longitude. Lonlg, bv. soft, pliant, stipple, malleable; meek, docile. —en, ov. V. to ,often, to lenity, to Alleviate, to meeken, to mitigate, to assuage. —er, m. softener, aesuager. reliever. —held, v. sottnest, pliantness, suppleness; meekness, docility. —inn. v. softening, alleviation. mitigation, assuagement. —ster, v. Zie lboulger. Lens, v. lens, lenge; harpoon. —, be. empty; —ponapen, to free. —pomp, bilge-pump. !Lento, v. spring; prime. —blocs, flower of the spring, vernal flower. —dag, day in spring
Factotum (fek-to'ttl ►n), a. doe-al, albedril. Faculty, (feleul-tib), s. vermogen; eigenschap; bevoegdheid; faculteit. Fecund (tek'und), a. welbespraakt. —ity (fe-kun' dit-tih), s. welbespraaktheid. Faille (ted'd1), v. n. beuzelen. Fade (feed), v. a. doen verwelken (kwijnen); afmatten; v. n. verwelken; kwijnen, verdwijmen, (away). Fade (fedzj), v. n. passen, voegen; overeenstemmen. Fading (fee'dieng), a. verwelkend; versehietend; vergankeltik. —ness, a. verganletijItheit:. Jag (feg'), a. slover; zondebok; knobbel (in liken). v. a. aandrijven zelfkant; uitschot. (met slagen); v. rt. zwoegen; zieh afeloven. Fagot (feg'ut), a. takkenbos, rijstbos; lorrendrnaier. —, v. a. in bossen hiuden. Fail (feel'), a. fell, font; gemis; verzuim; dood. without zonder mankeeren. —, v. a, begeven, verlaten, in den ateek laten; teleurstellen; v. n. falen, misdoen, te kort schieten, (in); in gebreke bliiven (to); vervallen; ophorden; bankroet gaan. — inf,, a. font, gebrek; (het) bankroet gaan. —ure ( joer) gebrek; verzuim; mialukking; bankroet. Fain (fen), a. blij, verheugd. —, ad. gaarne. Faint (feent'), a. —ly, ad. zwak, mat; moedelooa. —hearted, fla ► whartig. —heartedness, a. flauwv, a. ontmoedigen; v. n. kwijnen; hartlFhel a. —inglfit. ilauwte. —ish, a. bezwijmen. flauw-, zwakachtig. —/ing, a. vreesachtig, —ness, a. matheid, flauwheld. —y, a. zwak, kwijnend. Fair (leer'), a. —ly, ad. achoon, haat; helder; blond; zuiver; gunstig; billtlk; eerlijk; oprecht; gemakkelek; wellevend; minzaam. bedaard;bevallig; gedienatig; beleefd; in goede veratandhouding. —and squarre, ronduit. —and softly, zachtjea aan. to bid —, de hoop geven. to copy —, in het net overschrijven. to keep —, vrlendachap houden. to play —, eeritik te week gaan. to stand —, gunstig staan; trouw blijven. —colored, licht van kleur. -econditioned,goedhartig.—dealing, emit*. held, opechtheid. —play, est./0k spel. § —shake, goede negotia. —spoken, beleefd, innemend, lief. Fair (fate'), a. kermis; (eene) echoone. the —, he, achoone geslaeht.—iag, s. kermisgeschenk. —ish, a. net , lief; tamelijk. —ness, a. fraaiheid; eerigkheid, Fairy (fee'rlh), a. fee-achtig. e. fee, toovernimf. —land, land der toovergodinnen. —like, tooverachtig. Faith (feeth'), a. geloof; geloofsartikeli vertrouwen; trouw; oprechtheld —, int. op Mijn wooed! waarlillt! —breach, trouwbreuk. —tut, a. —fully, ad. geloovig; trouw. —fianess, a. getrouwheid. —less, a. trouweloos. —lessness, s.trouweloosheid. Fake (leek), s. slag van een opgeschoten touw, catch —, klink. Falco te (fel'keet), — ted, a. sikkelvormig. —tion (-kee'sjun), a. kromte. Falchion (faorejun), a. kromme sabel. Falciforsn (fend-form), a. sikkelvormig. (fao'kn). a. vatic. —, —et (faol'kttn.net), a. felconet (zeker gese hut). —er,, s. valkenier. —ry,

Wat is Bitcoin maas in de wet VAE


Misdoubt ( ► nie-daut'), s. argwaau; twijfel. —, Misnomer (aria-no'mur), s. stuk mat ten' verv. a. verdenken; betwijfalen. keerden naam; vergiseing, abuts. Mimexnploy (mis-ern-plor), v. a. verkeerd fre- 1 ltilsobserve (mis-ob-zurv'), v. a. verkeerd opbruiken. —awe, si verkeerd gebruik. merken. MiAentry (mis-enstrih), a. verkeerde boeking. AlLisogam 1st s. stand van bet Miser (msrzur), a. vrek, gierigaurd. hnwelljk. —y, 8. afkeer van het huwel0. Miser able (naiz'ur-ibl), a. —ably, ad. ellendig, Misogyn 1st (mi-sod'zji-nist), a. vrouwenhater. annzalig.—ableness,s, armzaligheid.—y s s. ellende. —y„ haat tegen de vrouwen. Misestimate (unix-eeti-meet), v. a. onjuist 1111sopInlon (mis-o-pin'jun), s. valsche meaning. schatten. Mispersua de (mis-par-sweedl, v. a. in een' verMisfall (mis-faoIP) [irr.], v. a. wedervaren. keerd en wean brengen. —aion (-swee'zjun), a. Misfare (mis-Peer'), o. ongeluk. —, v. n. kw alijk valsch begrip. vrAn. hion Misplace (mis-pleas'), v. a. misplaatsen. M Misfa fas lalon (m is - fesj'un), v. a. verknoeien. Misplay , a. verkeerd spelen. _ Misfeasance (mis-ti'.3ns), a. ratadriit Misple ading (mis - plied ieng), s.gebrekkiga plelt (mie-forne), v. a. misvorreen. Misform
ongehan de zuster. —speech, eerste redevoering. ftletjor (mee'dzjur). a. grooter; meerderjarig. s. grootere, oudere; meerderjarige; majoor. —sword, ongebruikt zwaard. —wort, maagden- ( do'mo), a. opperhofmeester. — general, krnid. —head, --hood, 8. ntaagdom, maagdelijk- generattl-majoor. —ity (me dzjor'it-tilt), a. meerhe'd. —like, —1Y, a, ma agdelijk; zedig. derheid; meerderjarigheid; mejoorsehap. (-1i-ness), a. maagdelijkheid; zedigheid. Mali (steel'), a. pantser, mane; brievenmaal, -post; Make meek'), a. vorm, gedaante, maaksel. —bate, twietstoker. —peace, vredeatiehter.—shiff, hulp;Tote; vlek. —coach, pootkar. —day, postdag• middel, uitweg. —weight, toetrift, doorelag. -, v. a. bepantseren. —able, a. per post to see- zenden. —ed, a. gevlekt. Make (meek) [made], v. a. maken, vervaardigen; s. verminking, verlamming; bedoen; bereiken; winnen; dragon. —account, stoat, (rceem'), Maim na(leeling, letoel, gebrekkigheid. v. a. ver- maken. — the best of', zich ten nutte maken; zich sehikken in. — a boast ef, poehen op. minken. —edness, a. verminktheid. — a fool of, vase den gek houden. — good, ver. Males (mien), a. (het) voornaaroste, hoofddeel; maoot; geweld; oceaan, •ereldzee; vaeteland; goeden; vervulljen. head, het hoefd bieden. pakmand; worp; weddensehap. in the —, over — land, land zlen. — a roes, een verlies lijden. het geheel. upon the —, ten laatste, ten elotte. — love, vrtjen. — war, oorlogen, (away) uit. den Main (meen'), a. voornaamete, hoofd-, —bedy, weir mime], (out) ultmsken; verklaren; uitvaargros (van een leger). —boom, zeilboom, giek. digen. (over) overdragen (up) vergoeden; op-, —bowline, grants boeglijn. —braces, groote bras- uitmaken; vol waken; aanvullen; toevouwen; sen. —business, hoofdzaak, .vak. —channel, groot- sluiten; beelechten; — one's mind, eon beeluit rust. —deck, hoofddek. —fear, groot kardeel. semen. v. n. gaan, zich begeven; zich aan-guard, hoofdw seta, —hatchway, groat luik. stellen. — light of, liebt tellen, gering achten. —keel, vaste keel, —land, vasteland. —lifts, — merry, zich vermaken. muchof, veel ophebgroote toppenant, —mast, gyrate mast. —post, ben met, week waken van. (after) volgen; seeachtersteven. —preventer- stay, groote loom 'gag. volgen. (against) tegen. nsdeelig zijn.(at) —sail, sehooverzeil, groot zeil. —sheet, groote gaan op. away) zich wegmaken. (away with) doorschool. —shrouds, pl. groot want. —slide, groote brengen; zich ontdoen van. (for) Melt begeven roar. sehulfepter. groote spriet. —stay, groote (op Melt wegpakken. (on) voortmaten. (up for) vergoeden, heretellen; inhalen.!(up to) toetreden stag, —stay-sail, groat stenge-stagzeil. —tack, groote hale. —tackle-pendent, hanger aan den (afgaan) op, naderen. (with) overeensternmen; zich bemoeien met. grooten moat. --top, groote mars. Zie beneden. Make less (meek'lesa), a. zonder wederga; zender —yard, groote ra. echtgenoat of vriend. —r, s. molter; sehepper. Main 1y (meenqih), ad. hoofdzakelijk, grooten- deels. —pernable (.pur.nibl), a. ale borg toe to Making (meek'ieng), s. (het) maken; rnaaksel. —iron, kalfaatijzer. laten. --pernor (-par.-our), 8. horg, borgtoeht. --prise (-prajz), a. vrijlating tegen borgeteiling; Malachite imere-keji,), a. malachiet. v, a. tegen borgstelling doen onts!aan. —swear Malady (mel'e-dill), s. ziekte. (-s weer) Bra], v. n. valech zweren. Malaga (mere-ee), a, Malaga-au ijn. /11 airlift-du (men-teen', v. a. handhaven, in stand ittlalandera (meren•durz), pl. kniegezwellen. houden; onderhauden; staande houden. —able, Malapert (mere-purt), a. —1y, ad. onbesehaamd, a. houdbaar, verdedigbaar. —er, a. handhaver; onbeeehoft. —ness, a. unbeechasmdheid. Malaxate ( me•leks'eet I, v. a. zeeht (week) maken. onderhouder; beweerder. Maintenanre (trieen'tn-ens), a. onderhoud; hand- Male (meel), a. mannelijk. —. a. mann etje. having, verdedigine. . Male (met - ) administration, a. slecht beheer. Maintop (meen'top), a. groote mars. —content (mel'-), a. mienoegde, ontevredene. —content (mel'.), —contented (-kun-tent'id), a. Maintop-gallant igerlent-), —mast, a. groote misnoegd, ontevreden. —contentedness, s. misleramsteng. —royal-mast s. groote bovenbram- noegdheid, ontevredenheid. sieng. —royal-sail, a grout bovenbramzeil. —royal- shrouds, pl. groot bovenbvarnstengewant, —royal- Male diction (mel•e•dik'sjon), a. vervloeking. yard, s, groote bovenbramra. —sail, a. groot —faction (-fek'sjun), a. wanbedrijf. —factor (-fekt'ur), 8. booadoener. bramzeil. — shrouds, pi. groat bramsteligewent. Male leaswace (mel-tle'zens), s. misdrijf, wan• —yard, a. groote bramra. bedr ijf. —formation (-fur-mee'sjun), s. slechte vorMaintop-mast (meen-top'mast), a. groote stews;. - shrouds, pl. grout stengewant. —stay-sail, s. ming. —practice (-prek'tis), s. kwade praktijk, groot stengeetagzell. onwettige daad. Maintop (tateen-top , ), —sail, a. grant n ► arszeil. Mftlevolen ce (me-lev'o-lens), a. I, waadwillig-suit-yard, a. groote topzeilra. —yard, groote heid, boosaardigheid. —t, a. —tly, ad.kwaadwilmarszeilra. lig, boosaardig. Main - try-Rmeen - traY - ) sail - gaff, a. etormgaf• Malice (merle), a. boos-, kwaadaardigheid, boos fel aan den grooten mast. opzet. to bear —, wrok koesteren. Main-yard (meen'jaard), a. groote ra. Malicious (me-lisj'us), a. —1y, ad. boosaardig, valseh. -ness, a. booaaardigheid. Maize (meet!, a. mays, backache tarwe. Majest is (me•dzjes'tik), —ical, a. —ically, ad. Malign (me-lajn"), a. —1y, ad, boosaardig,nijdig. majestueus, verheven. —lea/tress, a. (het) ma- —, v. a. benijden, benadeelen. jestucuse, verhevene. —y (medzres tih), a. ma• Malign aney Ime-lig'nen•sih), —ity, a, boos, jesteit, verhevenheid. kwaadatadIgheid, valsehheid, —ant, a. —antiy,

Cork (knack'), a. zorg, bekommering. —, v. n. zieb Cary a (kaarn, v. a. beeldanijden, graveeren; bekommeren. —sag care, knagende zorg. voorsnuden. —er, a. beeldaznjder; vooranijder. Carle (kaarl), s. kerel; soort van hennep. —ing, s. snijwerk. —ing-knife, voasnijmes. Canine (kaarlin), a. everdistel. Cascade (kes-keed), a. waterval. Castings (kaar'liengz), a. sluitklossen. i Case (kees'), a. dons; kart; last; koker; overtrek; Carmelite (kaar'inel-ait), a. karmeliet. geval, omstandigheid; naamval. v. a. in eene Cornsinative (ker-min'e-try), a. verwarmend; kilt of dons sluiten; arstroopen. —harden, windenverdrijvend. v. a. hardon. —knife, acheedemea. —shot, schroot. — worm, etrooworm. Carmine (kaar'main), a. karmozijn. Cairn age (kaarinidz) , , a. bloedbad. —al, a. —ally. Casemate (kees'meet), a, kazemat. ad . vleeschelijk. —alist. a. wellusteling. —ality Casement (keez'ment), a. draairaam. zinnelijkheid. —at ion (ker-nee" Caseous (Itee'si-us), a. kaasachtig. sjun), a. vleescbkleur; nnjelier. —eous (kaaent- Caserta (kee'surn), a. kazerne. us), —ous, a. vleescheliik. —ifieation (kaar-nif-i. Cash (kes)'), a. gerund geld, kas. v. a. tegen kee'sjun), a. vleeechwording. —ify (-ni-fai), v. n. specie verwisselen. —book, kasboek. —ier Ikevleeech worden. —iv/a (-ni-vel), a. karneval. ajler'), s. —keeper, kashouder, kaasier. —ivorous (ker-niv'o rues). a. vleeachetend. -salty Cashier (ke-sjier'j, v. a. afdanken. a. wild vleeach (in eene woad), Cashmere (kesfmiery, s. kazimier, Carob (ker'ub), a. St. .lanabrood. Casing (keea'ieng), a. foudraal, omkleedsel; Carol (keen!), a. lofzang. —, v. a. bezingen; koker. —paper, pakpapier. v. n. lofzingen. Cask (kaaak';, a. vat, ion. —, v. a. in vaten don'. Carotid (ke-rot'id), a, halsader. —et, a. kietje, kotfertje. Carol's sal (ke-rau'zel). s. zwelgpartij. —e (ke- Casio° (kesic), a. helm, stormhoed. rauz'), v. n. zwelgen, slempen. —er, a. zweiger. Caseation (kes-see'sjun), s. vernietiging; canCarp (kaarpn, a. karper. —, v. n. vitten, —er, a, satin. bediller, vitter. —ing, ia. scherp, hekelachtig. Cassia (kes'aji-e), a. cassia. Canteen ter (kaar'pen•tur), a. timmerman. —try Cassldony (kes'sid.dun-nih), s. lavendel. s. timmerwerk. Cassock tkes'suk1, s. priesterlijk onderkleed. Carpet (kaar'pit), s. vloerkleed. —, v. a, met ta- Cassowary (kes'so-wee-rih), s. kasuaris. pi(jten beleggen. —knight, saletionker. —ing, a. Cassweed tkes'ivied), s. herderstasch (plant). tap(jtwerk. Cast (kaast'), s. worp, slag; vorm; gedaante; Carriage (keeridzj), s. rijtuig; vervo,r; wagen- gietsel; bonding, uiterlijk; blik. —away, s.verstel; affuit; hooding; gedrag. worpeling. Carrier (ker'ri-ur), S. voerman; brcnger, bode. Cast )kaast) [cast], v. a. werpen, strooien; neder-, Carrion (ker'ri-un), a. ass, kreng. —, a. rottend, at-, uit-, ontwerpen; gieten; berekenen. afdan• stinkend, op kreng azend. ken; vcroordeelen. — (away) te gronde riehten. Carrot (ker'rut). s. gele wortel. —y, a.•roodach- (by) situ ggen; verwerpen. (down) ter neder slaan. tig; roodharig. (forth) verbreiden. (off) of-, verwerpen; loslaten; Carrow (ker'ro), a. rondreizende speler. vooruitsnellen. (out) wegjagen; uiten. (up) opCarry (keerih), v. a. dragen; brengen; vervoe- rekenen; opsiaan; braken. (upon) werpen op; run; vseren; erlangen; bewerken; bevatten; overlaten. —, v. n. (krom) trekken, werken; v. n. § dweepen, jubelen. —one's self, Melt gedra• overleggen. (about) zich ronddraalen; overleggen. gee. — the day, de zege behalen. — it, Ain doel Castanet (kes'te-net), s. klaphoutje. bereiken. — at high, eene hooge horst zetten. Casteil an (kesitel-len), a. slotvoogd. —any (-lenih), s. slotvoogdij —ated, a. kasteelachtig. -(away) wegvoeren. (forth) vertoonen. (off) ten grave alepen; behalen. (on) voortzetten; bevor- Caster (kaast'ur, a. werper; gieter; berekenaar; deren. (out) te berde brengen; tot stand brengen, rol; strooibus. (through) doorhelpeu; volvoeren. Casters (kaast'ers), a. Wit- en azijnatel, Carry-ail (keerib-aol), s. familiewagen. karaffen. Cart (knart'), a. kar, wagen. —, v. a. in eene Icon Castigat a Ikesiti-geet), v. a. kasttjden. —ion (-gee vervoeren. —grease, wagensmeer. —horse, kar- ejun), s. kastijding. paard. —house, wag,enschuur. - load, wagen- Casting (kaastleng),. s. gietsel. —house, ieterij. vracht. —rut, wagenspoor. —way, wagenweg. —net, werpnet. —voice, —vote, beslisseride stem. —wright, wagenmaker. —age, s. karloon. —or, Castle (kaasq), a. kasteel. — in the air,luehtkaas. voerman. tees. —, v. a. rokkeeren fin 't achaakspel). —d, Cartel (kaar-tel'), a. verdrag tot uitwisseIing van a. met kasteelen voorzien. —builder, plannengevangenen; uitclaging. maker. —ry, a. alotvoogd. Carthusian (ker-thjoe'zjen), a. karthuizer mon- Castling (kaastlieng), a. ontijdige vrucht. nil. Castor (kaas'tur). a, Lever; kaetoren hoed. —nut, Cartllag a (kaar'ti-lidzi), a. kraakbeen. —moue purgeernoot. —oil, rIcinus-olie. —cunt (kes-to'ri(-led'zii-nua), a. kraakbeenig. um, s. bevergeil. Cartoon (ker-toen'), s, schets voor muureehil- Castrat e )kes)treet), v. A. ontmannen, snUden dering, kaftan. (kes-tree'sjun), a. ontmanning. Cartouch (ker-toetsj'), a. kardoes. i Casual Ikez'joe-el), a. —ly, ad. toevallig. —ty, Cartridge (kaaetrldzj), a. patroon. toevalligheld. patroontasch. 1 Casuist (keejoe-ist), a. gewetenarechter. —ica


ALG.— BAH. Algerl a (el dzjrri-e), g. Algerie• —an, i. Alga. rijn. —ne (el'dzje-rajn), a. Algerijnsch. Algiers (el-dzjierz'), g. Algiers. Al ice (el'in), w. Alice, ElPje. —ick, f. vow. Alexander; Alex, Sander. —icon ( i-sun), w. Eleje. Ails ghany (el-le-gee'n11), g. Allegheny, —stannic (-men'n1111, a. Allemannisch, Afoot (e.lost'), g. Aalst. Alps (elps), g. the—, de Alpen. Alumna (el-zee'sji-e), g. de Eine. —n (-ejen),
447 offend, to give offence to; to irk; sick t. w. to take offence (eau, over, at). be. & .) bw. offensive (-1y), irksome (-1y), scandalous (-1y). —1Ukheid, v. offensiveness, irksomeness, scandaloneness. — nit, v. offence, scandal. Erken nen, ov. w. to acknowledge, to own, to avow, t9, confess, to admit. —sing, v. aelmowledgemet.t. be . thankful, grateful. —teIiikkettl, v. thankfulness, gratefulness, gratitude. —testis, v. conception, perception, return for a favor; tie ErhentelUkheld. LI flanges:, or. w. to 'minim, to get, to obtain. Ernst, m, earnest; seal. in alien —, in sober earnest. — zaak, serious matter. —haitig, be. & bw. grave (-1y), sedate (-1y), serious (-1y). —haltigheid, y. gravity, eedateness, seriousness. —ig,bv. & bw. earnest (-1y), serious (Ay), grave (-1y). —igheid, v. earneetneee, seriousness. Erte, o. ore. —rigs, abounding with ore. Ervar en, ov. w. to experience; to learn. —en, be. experienced. expert, skilful, skilled, wellversed. —enheid, v. experience, expertness, skill. —ing, v. eeperience, practice; information. Etrve, v. appurtenances. —foes, be. heirless. —ft, inv. heirs. —n, ov & on. Tr to inherit. Erwt, v. pea. —embed, pease-plot. —endop, pea'scod. pea's-shell. - eioneel, pease-meal. —enrija, prop for peace. —ensoep, pease-porridge, peasesoup. —enstroo, p ease- haum. Escedron, o. squadron. Each, m. ash, ash-tree. Eska/der, o. squadron. Esp, m. asp —.bled, aspen leaf. —e5oorn, asp tree. —.about, aspen wood. —enheuten, aspen. —Woof, aspen leaves. Eseche boons, in. ash-tree. —shout, ash-wood, —sihouten, ashen. —nloof, ash-leaves. Easeleur, m. assayer. Eatrik, m, square brick. Elen, o. eating; food; dinner, supper. —, ay. & on w. to eat; to dine, to sup. —Oaks, seed- box, trough. —.kat, pantry, buttery, safe. —laird, dinner time, supper-time. Ever, m eater. Et raven, o. after-growth, after-math. Ether, m. ether. —tech, by. etherlal. Et usual, o. natural day. Eta ass, or. w. to etch. —(izer —naaid, etchingtool. —kunst, etching. —pfaat, ' etch-engraving. —er, m. etcher. —tag, v. etching. Et teltike, tw. some, several. Etter, m. matter, pus. —bcrst, empyema. —buil, imposthume, abscese.—dracht,suppuration.—gnat, fistula. —gezwel, aposteme, abeam. —prop, core (in au abscess). uurnient phlegm, matter. —word, suppurating wound. —zak, cyst, abecese. —achtig, be. inattery, purulent. —en, on. w to suppurate. —ig, by. purulent. —ing, v. suppura• tion. Eunjer, m imp, evil spirit. Envoi, o. evil, disertee, Unit. —, by. evil, bad. —, bw. ill. —disiden(opneesen), to take amiss. —dead, crime, wicked deed. —mocd, rashness, pride, in. sol -ace. —ssoedig, rash, proud, insolent. Evangel le, o. Gospel; het — prediken, to evau• golize; —dienaur, minister of the Gospel; --leer,
telligence office. —ing, v. employing, spending; boarding; me Annbeeteding. Beateedet•r, n. Zie Beeteder. B. eteektseans3 , re. head-band; bor. Elestek, o. compass; plan, draught; r'ckoning. — en voorraarden, specification and conditions. ten — sunken, to 'point the maps, in ten korter — brenpen, to abridge. Ilesteken, ov. w. to bestiek; to adorn, to garnish, to lard; to undertake, to attempt, Beefed, v. spiced biscuit. o. direction, Mating. Ment; nomination; fuss, bustle, ado. —geld, —loon, postage, carrier's fee. —kantoor, forwarding-home. !Bente* en, on. w. to rob; to bereave. — lag, V. robbing. Denten en, ov. w. to appoint; to deliver, to carry, to forward, to bespeak, to order, to get made; to manage, to arrange; to nominate; ter aarde —, to bury, to inter. —er, e.. postman, carrier. —ing, v. delivery; order, commission. ilitesteonnet, m. crony. Heaters d, by. appointed, fixed; designed, destined; bound (naur, for, to). —men, on. w. to appoint, to fix; to design — , to destine (for). —mar, m. appointer. —ming, v. destination. eleeteetnuer, v. grandam, granny. Beef Tnspelers, ov. w. to stamp, (met den naam van) to call, to name, to style Ilcstendig, by. kbw. lasting (-1y), durable ( - bly), Permanent (Ay); steady (•D ► , stable (-lily), settled. — en, on. W. to atabilitate, to confirm. —held, n. permanence, steadinees, stability. Resterveis, ov. w. to die of; on. w. to tern pale, — livid; to dry up; to grow tender. laten — , to mortify. Ilieste,Istsr, to. gaffer, grandeire, old man. Beetevesten, on. w. to steer towards, — for. etitlest, o. —en, on. w. ie Beetnur. Beettji; en, on. w. to .;limb up, to ascend, to scale. —ing, v. ascending, settlingov w. to point. to dot. Iltstok en, ov. w. to batter, to harass. —er, Tn. harasser, aggressor. —ins . , a. harassment, assault, aggression. Bcetoyp ron, on. w. to darn, to mend; to fill up. —ing, v. darning, tt ending; fl; (lag up. Beetorm en, on. W. to storm, to assail, to fall upon; to importune, to overwhelm. —er, in. atormer. —ing, v. storm, assault. Bestorten, on. w. to spill (to ehedi upon. IiieSiterVitti., by. dead; pale, livid; stale; orphan. Bentrnif elkjk, be. blamable, reprehensible. —eltilcheid, v. reprehensibility. --en, ov. ws to rebuke, to reprehend, to corract,to punish. — er, to rebuker, corrector, punisher. —ing, v. rebuke, correction, punishment. Heatrali en, on. W. to beam capon, to irradiate. —ing,v. beaming upon, irradiation. Dectrett en, ov. W. to pave. —ing, v. paving; pavement. liestrUd en, on. w. to fight, to combat; to oppugn; to dispute, to controvert; to defray, to afford. —er, in, opponent, adversary, antagonist. —fag, v comeating; opposition, controversy; defrayment.

Behead (be-bed'), v. a. onthoofden. Benedlc tine (ben-e-dik'tin), a. benediktijner Behest (be-hest'), s. bevel. monnik. —lion 1,sjual„ a. eegening; wijding. Behind (be-hajnd'), ad. achteraan, ten achteren; Rene faction (ben-e-fek'sjun), a. weldaad. —hand, prp. achter. ad. ten achteren, achterlijk. —factor, a. weldoener. —factlese, a. weldoenster. Behold (be-hoold') [beheld], v. a. aanachouwen. —fire (ben'e-flat, a. kerkelijk ambt. —ficed (-fiat), —, int. zie eens! zie1 —en. a. verplicht. a. een kerkeltk ambt bezittend. 'Reboot' (be-hoof'), s. gerief, nut. Beneficen ce (be-neri-renal, a. weldadigheid. Betio° ve (be•hoev"), v. a. voegen, passen. —t, a. weldadig. —cable, —reful, a. geriefelijk, dienatig. Benefici al (ben-e-Ils'ejel), a. —ally, ad. voorBeing (bileng), a. wezen; bestaan. —, part. dewijl. d eelig. —ary (-sje-rib), a. onderhoorig; s. kerkelijk Belabor (be-lee'bur), v. a. afrossen. beambte. Belated (be-leet'id), a. door den nacht overvallen. Benefit (ben'e fit), a. weldaad; voorreeht; voorBelay (be-lee'), v. a. insluiten, berennen; ejorren. deel. —night, benefice-voorstelling. —, v. a. beBelch (belts)), s. °primping. —, v. a. oprispen. voordeelen; v. n. voordeel trekken. Beldam (bel'dem), a. grootje; heks. Bonet (be-net'), v. a. verstrikken. Beleaguer (be-lie'gur), v. a. belegeren. Benevolen cc (be-nev'o-lens), a. welwillendBelfry (herfrih), a. klokketoren. heid. —t, a. welwillend, gunstig. Belie (be-larl, v. a. heeten liegen; belasteren. Benight be .n ajt!), v. a. in duisternis hullen. Belle f (be-lief'), a. geloof. —cable, a. geloof—ed, a. door den nacht overvallen. boar. —ve (-Her), v. a. gelooven (upon, op); v. n. Benign (be-najn'), a. —ly, ad. goedaardig, geloovig ziju (in). —ver, a. geloovige. —vingly,

Coinbase is not just a “wallet” for digital money, it is an entire platform that makes it is possible to store, transfer, buy and sell it. The process of signing up is similar to any other website. After logging in, it is possible to choose any national currency in the settings to show the relative rate of Bitcoin. In order to transfer money, it is necessary to add some to the account and then submit the information about the receiver. The latest news concerning Coinbase is that access to its system is now available for 24 countries. Coinbase offers two-factor authentication, exchange on stock markets where all operations are possible without leaving the account, instant confirmation of transfers, and partnership programs which gives users $10 for inviting friends to join the platform.

Ketting, m. chain; warp. —break, continued fraction. —brag, chain-bridge, suspension-bridge. —draad, warp. —garen, warp-yarn. —hand, bandog, mastiff. —hovel, chain-shot, langrel-shot. —repel. chain-rule. —aped, fusee. —stack, chainstitch. Kett, v. cue, billiard-cue. Keuken, v. kitchen. aehrale poor table. —buck, cookery-hook. —gereedschap, kitshen furniture, -utensils. —.fringe*, —kneeht, kitchen-boy, scullion, turn-spit —kae, —kast, pantry, lorder. —ktottwe.., cotquean. —lamp, kitchen-lamp. —ha-ttin, dog 's latin. —menhir, chief cook. —meid, kitchen-maid, cook-maid. —Ines, cook 'a knife. —stsiker, brown sugar. —work, kitchen-work. —tout, coarse salt. Kettle, v. savory. teeter, v. choice, selection ; etendard, stamp, mark ; statute, ordinance. —bende, legion...elect body. —boon, ba Got. —leer, elector, chooser. ---buts, elector house. —tamer, assay-office. —meester, a4eayer ; dean (of a guild); censor. —nterk, —atempel, —treken, assay stamp, -mark ; standard. -.prim:, electoral prince. —steen, touchstone. —gegen, electoral voice, vote. —tin, standard- pewter. —roret, elector. —vorstekik, electoral. —rorstendom. electorate. —voratin, electress. IKeur der, m, examiner; assayer ; censor. —en, ov. W. to examine, to try ; to assay; to etamp ; to think, to deem, to judge. —ig, be. & bw. choice (-1y) ; exquisite (1y) ; nice, penicillin., difficult. —igheid, v. choiceness; nicsty. —ing, v. examination, trying, assaying, stamping. —ltle, by. & bw. choice (-1y), select (-edly), excellent (-ly). —lijkheid, v. choiceness, electness. —lingen, m. mv. select troops. Kene's, v. (pair of) stays, corset; bodice, etomacher. iKetio, v. Zie Ken., Keutel, v. turd, dung. —a, my. crotels, treadles. Keuvel,v. cowl. Keuvel sans, m. chatter. —a-ureter, v. chattering gossip. —arij, v. chattering, chitchat. —en, on. w. to chat. Ket11..., V. choice; selection; election. Kevet, m. gums. —kin; long chin, —en, on. w . Zie Keuveien. Keever, ra. beetle, chafer. may-bug. —Lek, blub• ber-lip; blubber-lipped rayon. Kev le, v. cage. Kibbe" mine, m. —aasrater, v. quarreler, wrangler. v. quarrel. wrangling. —en, on, w to quarrel, to rayil, to wrangle. —kunst, chicane. —ziek,—ig, by. quarrelsome, chicaning . , eaptione. rid, v.quarreleomeneio,capticuinaces. Kibbeting, v. outside parts of soiled fish. Kid, Kldde, v. nag, cob, tit, poney. Klekeboe, tsw. —spOen, to play at bopoep. Kieken, o. chicken. —dtef, kite. —pastel, chicken-pie. Kiel, in. blouse, smock-Frock; wedge. Kiel, v. keeliehip. —gang,garboard-streak.—katen, to keelhaul, to keeihoie. —water, wake, track. —en, ov, w. to careen. Kiem, v. germ. —en, on. w. to germinate. —Nth
Calvary (kel've-rih), g. de berg Calvaria, Krubsberg. Calvin (kel gin), m Calvijn. Cambray (kem'bree), g. Karnerijk. Cambridge (keent'brldz)),g. Cambridge. Cambyces (kem-barsiez), m. Cambyaeti. Campbell (kem'int, kern'b1), In. Campbell. Campeachy (kem-pietvrih).g. Campeche. Canaan (kee'nen), g. Kana hn. Canada (ken'e-de), g. Canada. Canaries (ke-nee'rierl, g. Canarische etlan den. Candla(k*edt-e), g. Candia. Canterbury (ken'tur-ber-ih), g. Kantelberg. Canton (ken-ton'), tr. Canton (in China). — (ken'tun), g. Canton (in N,Arnerlka).

Wat zijn de beste Blockchain bedrijven


At rm.: iri VIE, on. ao moul , er away. rteteis ant, (it. W. to i , eor .d dlawit,e -may, linsit. purnert Aftat n trelt,„ ov. a', to ,,,,pavate Ly a wall. Afclattilt,n,ov xi , to fini.;.11. AInresn;rtor, Zie A fascnaer, w. to take di wrt, — off, —from,, Alele711 en, (iisimount; to shorten, to to pal. out off, to amputate; to cut tkaarten); to cheat (to ease) of, to ehargr, to force from; to free Ito deliver) from; to wipe off, to clean; to clear the table; to infer, to conclude, to guess. het ,auk —, to unyoke. den mom —,to skim (to cream)

Kun je geld verdienen kopen en verkopen van Bitcoin


NUT.-0EN. 199 been. —brown, kastanjebruin. —crackers, noten- Nuzzle (nnez1( v. a. opkweeken, koesteren; r , 21, blauwspecht. j gee; v, n. wroeten, snuffelen; met den kop lenge —hatch. kraker. —gall, galnoot. —hook, noothask; diet. —shell, notedop. —tree, den grond gaan; zich verbergen. v. n. Nyctalop a inirte-lops), a. die beter bij nacht notenboom. —wood, notenboomenhout. noten plukken. den bij dog ziet. —y (-lo-pih), a, nachtzichtig; held. Nutmeg (nut'ineg), a. notemuskaat. (nioe'tri-ent), a. voedend. —ment, s. Nye (naj), s. vlucht, Loom (van jonge fasanteni. Nutrl ant voedeel. —mental (•Thient'ell, a. voedend, voed- Nymph (nime), 0. nimf. —a (-fe), s. pop (van zaam. —tion(-trisj'un), a. voeding; voedsel. —tious inseeten). —can (-i-en), —ish, a. nimf- —like, —ly (-trisfus), —live, a. voedend; voedzaam. —tare' a. ninifachtig(-tjoer), s. voedingskracht.
knecht; klantenlokker. —et, 9. klopper (aan Clayes (klenz), s. horden. eene deur). Claymore (klee'moor), a. tweehandszwaard. Clean (klien) a. rein, zindelijk, zuiver, onschul- Client (klarent), a. client. —ed, a. met clienten dig. —, ad. volkomen, geheel. —, v. a. zuiveren, voorzien. —ship, s. clientschap. ( a. zuiverheid, zin- Cliff (klir), s. klip, rif; eleutel. —y, a. vol klipreinigen. pen. delijkhetd. —ly, a. btad. zindelijk, zuiver. —aces, Climacteric (klim-ek-ter'ik, a, trapjaar. —, a. s. zuiverheid, onschuld. een trapjaar betreffend. Cleance (klenz), v. R. reinigen (from. of); Beim- Ten, uitvegen. (away) uitwisschen; wegnemen. Climat e(klarmet.),..klimaat,luchtsgesteldheld. —ic (klim-et'ik), a. het klimaat betreffend. —r, a. reiniger; zuiveringsmiddel. Climax (klarmekm), a. npklimming. Cleansings (klenetengm), s, ve.egsel, vuilnis. Clear (klier , , a. holder, klaar, zuiver; duidelijk; Climb (klajm'), v. R. bekiimmen; v. n, klimmer. —er, a. klimmer; klimplant. onloochenbaar; openbaar; vlak; open; vrij, on- schuldig (from of); onparttjdig, —roast, veilige Clime (klajm), a. klimaat; luchtstreek. kust. —estate, onbezwaard goed. —, ad duidelijk; Clinch (klintsn, a. kwinkslag, zet, woordenspcI; a. ruimte van een gebouw binnen kram, houvast; lus. — of a buoy, ateek van den geheel, vrij boeireep. — of a cable, kabelateek. —, v. a. omde vier muren. klemmen; omklinken, toesluiten. to — a cable, Clear (klier'), v. a. klaren, zuiveren, verhelderen; nphelderen; banen; rechtvaardigen. — the table. een kabeltouw op bet tinker steken. —, v. n. de tafel afnemen. — accounts, de rekening klemmen, zich vastklampen. —er, a. klatnp, hou.vast; die anedig antwoordt. —er.work, s. vereff , nen. — a ship, in- of nitklaren. — a shop, klinkwerk. nitverkoopen. (away) wegruimen. ( from) ont• heffen van; zuiveren van. (of) zuiveren van. Cling (kling') [clung], v. n. aanhnngen, zich vast(nff) afdoen (achulden). (up) toelichten v, n. klampen (fa); (together) can elkander geheeht zijn. —y (•gih), a. klevend. balder (klaar, vrij) worden. (away) verdwijnen. (up) ophelderen. —age, S. wegruiming. —ance Clinic (klin'ik), —al, a, bedlegerig; klinisch. —, s. bedlegerige. (-ens) s. tolcedel. —er, a. opklaarder. —ing, v. a. doen klinken; s. rechtvaardiging, verdediging; § gerooide Clink (klink'), a. geklink. boschgrond. —ly, ad. holder, duidelijk, klaar- v. n. klinken. —er, a. klinkert (gebakken ateen), blijkelijk. —netts, a. helderheid; duidelijkheid; Clip (blip'), a. (het) schapen echeren; (de) wol van (Inc schering; § klap, bib. —, v. a. acheonschuld. ren, knippen; anoeien (geld). —per, s. schspenClear-sigthed (klier'sajt id), a. schrander. scheerder; geldsnoeier; clipperschip. s. -ness, a. sehranderheid. (het) snoeien, meheren, enz.; anoeist‘l; afknipsel. Clear-starch (klier'staartsj), v. a. stkjven. —er, § Clitchy (klit'sjih), R. kieverig, tool. a. stij fs ter . mantel; dekmantel. —, v. a. Cleatkkliet), 8. klatnP. - of the gangway, val. Cloak (klook•), bemantelen.• —bag, mantelzak. —loop, mantelreepsklamp. lug. —pin, hank in den muter. —twitcher, manCleav e (kliev) [cleft, elm, cleft. cloven], v. a. teldief. & n. klooven. splijten. § —age,. (de) break (van Clock (kink'), s. kink; Leek; bromkever; klink een' steen). —er, e. kapmes, bijl; kloover. (in cone Irons), what o'clock is it ? hoe loot is het? Cleave (kliev). v. n. kleven. —hand, uhrwijzer. —maker, ullywerkmaker. —setCledge (kledzj), s. bovenste laag van volaarde. ter, die de uurwerken regelt. —work, uurwerk; (lee (bile), n. klanw (van een' g es p 1 ten hoef), raderwerk. Clef (blot). a. muzieksleutel. Cleft (kleft'), a. kloof, spleet. —graft, v. a. in de Clod (kind'), a, kluit, klont, turf. —hopper, kinkel, lomperd. —pate, —poll, lomperd, domoor. spleet enten. —paled, a. dom. —ay, a. klonterig, kluitig. Cleg (kleg), a. paardenvlieg. Clod (kind), v. a. met kluiten werpen; v. n. kapClematis (klem'e-tia), s, klimplant. peleu, klonteren. a. goedertierenheid. Clemen ey (klem'en Clog (king'), s. last, belemmering; overschoen, a. —fly, ad. goedertieren. klom v. a. overlast doen; belernmeren, v. Clepsydra (klep'si•dre), a. waternurwerk. n. k onteren, stollen; gestremd zijn. —giness Clergy (klnr'dzjih), s. geestelijkheid. —man, (-gi•ness), rt. belemmerdheid, gestremdheid. geestel ijke. —ging, s. beletsel, belemmering. —gy (-gih), a. Cleric (kier'ik), —al, a. geestelijk. hinderlijk. Clerk (klaark'). s. geestelijke; geleerde; klerk; grittier; voorzanger; bonier. —ship, stand of ambt Cloister (klojs'tur), a. klooster; zuilengang. —, v. a. in een klooster doen. —al, a. kloosterlijk. van een' geemtelijke, geleerde, enz. Clever (klev'ur), a. —ly, ad. bekwaam, knap, Close (klooz), a. besluit; stuffing; rustpunt; Rta• king; gevecht. to come to the —, handgemeen handig, vlua. —, R. § goedig,, minzaam. —ness, worden. a. bekwaamheid. Clew (kloe'), s. kluwen; leiddra id; schoothoren. Close (kloos'), a. omheinde pleats; nauwe straat. —pendant, schootachinkel. —, v. R. (up) geien —, a. (Licht, gesloten; nauw, gedrongen, vet , en gorden. —block, geitonwblok. —garnet —line, eenigd; geheim, achterhoudend; somber, Pengeitouw. —piece, stootlap zaarn; oplettend; karig. to sail — by the wind, dicht NJ den wind houden. to keep a thing — , Click (klik'), a. getik; klink. —, v. ft. wegkapen; eene zaak geheim houden. —bodied, nauwslulv. n. tikken (ale een unrwerk). —cc, s, wankel-
scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer

Is Bitcoin verhogend


ken; verdonkeren; bevestlgen, vaststeken,-zetten; opslaan; apannen; bevloeren, bestraten; werpen, alingeren; regelen, inrichten; bepalen, vaststellen; v. n, vallen, neerstorten, zich neerl aten (on. upon); etch legeren; stamnen (van een snip;. (on. upon) kiezen; vaststellen; zirh bepalen tot, —er, s. pekker, teerder; breekijzer; waterkruik. —ing , a. hot stampen of heien van een aehip. —y, a. pekachtig; bepekt; donkey. Piteous (pit'i-us), a. —ly, ad. jarnmerVijk, erbarmelijk; meewarig. srmzaligheid; meewarigheid. Pith (pith'), e. pit, kern, merg; (hot) beste; kraeht, sterkte; gewicht, belang. — iness, a pittigheid, kernachtigh.eid; kracht. —less, a. eonder merg; krachteloos. —y, a. —ily,, ad. pittig, kernachtig; krachtig. Pin able (pit'i- ibl), a. erbarmelijk, deerniswaardig. —ableness, a. erbarmelijkheid, beklagens waardigheid. —Jul, a. —fully, ad. armzalig, veraehtelijk, nietswaardig; medeiijdend. —fulness, a. armzaligheid, verachtelijkbeid, nietswaardigbeid. —less, a. —lessly, ad. onbarmhartig. —lessness, a. onbarrnhartigheid. Pitance (pielens), a. poetic ., kleine hoeveetheid. —r, a. spijsmeeater (in een lilooster). Pitted (pit'tid), a. met putten of kuilen; pok-

u ilJblety (joe-bare-tih), a plaataelijkhaid. Ublegiutit atry (joe-hik'wi-te-tih), —out, a. alumtegenwourft. —y. a, a1omtegenv,00rdigheid. Udder (nd'dar), a. uier. Udoesseter (joe-dom't-tor), e. regenmeter. Uiti ltiy (aglii-lth), ad. —2/, a. --inns ( - Iines.), a. ieelijkheid. Ult•r (ul'aur), a. zweer. —ate (-net), v. n. & (down) zwven. (-ec'sj ue), a. zwering, yerzwering. —ad (-surd,„ a tot nano zweer gewerden. —nue, a. vol zwereu. Uliginouts (joe-lld'ajt-nu'(. a. alijkig tectiderig. (ullidzj), e. aanyalling (v/oar lekkage). U‘terior (ul-ti'ri-ur), genatzijdath. venter. Ultima ate (uPti-met), a. laatat; Vera;. --ately, ad. ten alotte. ---ration (-rnee'ajon), —atom tuna), a. laatste — yoorwaarde. —.o, ad. van da vorige maand,pasaato Ultra. (uPtre), a. uitetat, ultra. —marine (-merlon), a, overzeesch; a. bergblaut, —onontane (-mon'ten), a. aan gene Ode tier bergen liggend. —tesundane (-xnun'tlen), a. boyenaardsch, butter& de went& 1LIkultasiots (ul-joe-lee'ajun), gehuil. Umbel (um'bil), a, acherm, Mauro. —tar (-ler), a. achermvormig. —late (-tet), —liferous a. bloemachernadragend. Umber (um'burl, a. omber (vettatot). —, v. a. mot umber kleureu. —ed (•burd), a. gebruind, geachaduwd. Uants1110 (um-bil'ik), a. navel: middelpunt. —at, a. navel-; cIrd, navelatreng.


v atsnnbly, corslo'aciun Cfaustrle. v. clause. Client, m. client. Clint Ink, v. clinics. —isct, by. & bw. clinic, clinical (- y). Coeagne-mast, r ► . greasy (climbing-) pole. Cochenille, v. cochineal. Codicil, o. codicil. Cognac, m. cognac-brandy. Cognossement, o. bill of lading. Collette, v. collation. Collation, v. collation. Collationeeren, ov. w. to collate, to check. Collect eat, —eur, in. collector, gatherer. —e, v. colection, gathering..—eeren, ov. w. to collect, to gather. v. collection. —ief, be. & bw, collective ( ly). College, m. colleague. College, o. college; board, club; lecture, course. Collin, o. package; bale, bag, barrel, cask, etc. Colonede, v. colonnade. Consedle, v. comedy, play. Coentek,m.comie author, buffoon, clown; comic writer. CornIsch, by. do bw. comic, comical (-ly). Cosnite, o. ecnimittet.. Commensaal. In. mess-mate, boarder. Commies, m. clerk. C011111211PS aria, in. commisssry, commissioner. —ie, v. commission; committee; —handel, COnt• misstcn-business. —ionair, m. agent, factor., Counroittent, ran. constituent; coinmitter. Commode, v. chest of drawers. Contviciunle, v. communion. —deers, to take the communion. Compagnie, v. company. —schap, v. partnership, aseoclation. Compegnon, CD. partner, associate. Contains. ant, m. appearer. —eerie, on. w. to appear. —Ode, v. appearance; meeting. Constrieet, by. fall, entire, complete. Consplinnent, a. compliment. semand sips — makes, to pay one's compliment to a. 0. (over, on). —maker, complimenter. —eeren, ov. w. to compliment. Comport etre., ov. w. to compose. —let, m. composer. Conspositle, v. competition. Comprons is, o. compromise. —ifteeren, ov.w to compromise, to commit. Coanptebtlitett, v. accounts, book-keeping; ac-
— into; to stake; to propose. —ter, m. first bidder. —tin, v. setting (in); first bidding. o. insigiA, view; design, intention. Inzied en, on. w. fie Inkoken. —eel, o. decoction Inzlen, 0. t(j sorter —, on a tearer examination. ntOns —e, in my opinion. —, ov. w. to look into, to examine; to peruse, to consider ; to see, to understand; to take into consideration, to excuse Inzln ken, on. w. to sink in,— into, — down. Inzitten, on. v. to kit in. er —, to be at a loss, to be in a (nice) ilx. Inznes, by. very sweet. Inzonderheid, bw. especially, particularly. Inzont en, ov. w. to salt, to pickle, to cure. —ing, v. 'siting, pickling, curing. Inzuig en, on. w. to tuck in. to imbibe, to absorb. —ing, v. imbibition, absorption. Inzulpen, on. w. to gulp 1:10W11. Inzuit en, on. w. to pickle. —ing, v. pickling. Inzwnebtel en, on. w. to swaddle in, to swathe. —leg, v. swaddling, swathing. Inzweig en, or. w. to swallow (down, up). —er, m. ewalluwer. —ing, v. swallowing. Inz•eromen, or. w. to overtake; on. w, to swim in, — into, to outer swimming. Ina werese, on. w. to fester in, to rankle, Inzweven, on. w. to come in hovering.. lezwieren, on. w. to come in staggering. Irian, v. iris. I4 our, o. ivory. --draaier, —werker, ivory-turner. —work, ivory-work, -ware. —sand, ivory-dust. —mart, ivory-black. livoren, by. ivory.
Stook (sleek), s. sehaof; v. R. in schooven binden. Stool (steel'). a. stoeltje, bankje; loot, uitopruitstoeleang. --halt, eteelbel (mt,e1z), pl. moederplanten; voetirig der galerti, runt noon de pardoens. Stoop isteep'), s. (bet) bukken; neerschieten; nederbuhe;en; stoop; Stoep, hordes. —., v. a. buigen; onderwerpen; v. n. htikken; bulge's; op zijcle helm nederstriiken (upon); (to) etch verlagen, — nederbnigen, — onderwerpen, bukken noon, toege".. a. —in/Y/Y, ad. bnkkend.

Hoe wordt cryptogeld geregeld


MAA.—MAK. 527 ginal flower. —enblos t virginal blush. —moiart ore (for). — etaan, to beat the time. in he — heart of a virgin. —enhosig, virgin-honey. —en. 610ves, to keep time. sit he — gaan, to break virgin-milk, Benjamin. —enpalin, periwintime. —gesang, metrical singing. —Mash, prosokle. —caret, chorus of virgins —enroof, rape dy. cadence. —meter metronome. —repel, meas(ravishment) of women. —easehaar, —enstoet, ure. —stet*, seal•, standard, ' proportion, rate; troop of virgins. —ensehenner, &flouter. — en- naar den — van, at the rate of. —atop, measuringschennis, denoration. — ensiles, hymen. —exam, stick. • rod, rule; time-keeper. —streep, bar. virgin wax. -elijk, be. virginal, maiden, maid- —vast, keeping-time. —sang, musical song, air. enl. y —manger, chorister. Min isla dona, m. virginity, maidenhood. Mantle, o. little measure; little man, mate, emu itlearichap, v. kindred, kin, relations. o. rade; main, mammy. —opeer, bergamot•pear. alliance, affinity, cousanguluity. Maatsettop, v. fellowship, partnership —peltik, Moat en, or. w. to mow, to reap, —geld, —loon, by. social. - p(f, v. society; company, partnership. fee for mowing. —land, mowing-field. —tijd, Machin act, be. & bw. mechanical Op. —e, v. mowing-time. —rod, m. & v. one that tarns his machine, engine. —eree, v. machinery. —tat, m. feet outwards. —mates, to turn one 'd feet out- machinist, engine driver. wards. —er, m. mower. —ing, v. mowing. Macht, v. might, power, authority; forees. sit Mack, v. making, fashion. in de —, a-making, alle —, with might and main. —brief, warrant, ordered to be made. —loon, making. —eel. o. power of attorney. —heibeude, —heifer, one that malty, making, fashion; figure, shape; workhas authority, plenipotentiary; ruler. —spresk, manship. —ater, v. maker. decisive sentence, arbitrary decision. —word, Masi, v. time; Mail. o. meal, repeat. —slot, arbitrary word, word of command. padlock. —Nil, meal, repast, dinner; — hOALICA, Maehtelooi, by. powerless, impotent. —held, to dine, to cup. v. impotence. Maalloon, o. miller 's fee. Itinchtig, be, mighty, powerful; able; heaey, rich. Meaieter, v. raving (doting) woman. - worden, to get hold of, to master. het Esgelsch — sijn, to be conversant with tht English lanMaaistroom, m. whirlpool, eddy; bustle, guage. —, bw. very, exceedingly, mightily.—en, Maaltand,m.grinder.iaw-tooth. , Moen, v. moon; satellite. afnemende —., wane of Sc. empower, to authorise. —held, v. to the moon. wassende —, increase of the moon. mightiness, powerfulness, —ing, Y. authorisation. Made. v. maggot. near de —, gone, lost, loop soar de gone, spent, go to the —6esehriaving, se/enography. itindellef, v. —je, o. daisy. —eirkel, lunar circle. —jeer, lunar year. —heart, Mndlg, be. maggot y. seienographtc map. —keeping, lunation. —kop. Slat, be. heavy, sultry; weary, dull. —hatid, heavim. poppy-head; v. & o. poppy. —kring, cycle of ness, sultriness; weariness, dullness. —,1e, o. imitaxel roor het — hoed., to make a fool of a. o. the moon. —kraid, moon-wort. moonshine. -1164.fid, lunar month. —oog, lunatic eye MingeszUn, o, magazine, store-heuse. —meeeter. —oogig, moon-eyed. —stuk, last stave of a cask. store-keeper. —shaken, spots of the moon. —sick, —suchfig, Mager, by. meager, leen, thin; barren ; scanty, lunatic —idea*, lunatic. —sickle, lunacy. —Overpoor. —wild, rascal deer. —man, foretop-bowduistering, eclipse of the moon. line. —held, v. —te, v. meagerness, leanness. MaanbrIef, m. dunning-letter. fps, bw. scantily, poorly. Maand, v. month. —bloeiers, (a kind of) straw- Magletraet, m. magistrate; magistyacy. —eperherder. —brief, —reel, seaman's ticket. —geld, coon, magistrate. monthly pay, — wages, — allowance. —goed, Magneet, lo. magnet, load•stone. —naald, compass-needle. —stern, sie Itlagnest. monthly publications, — bale. —schrift, —werk, monthly paper, — review. —staat, monthly Magnetlis oh, by. magnetic. —acres, or. w. to statement. —tirades, monthly courses, menses. magnetise. —ear, m. magnetizer. —me, o. magflowers. —wijser, hand that shows the months. netism. Maandag, en. Monday. Mauled —, St. (Saint) Illabornadann, m. Mahometan. —.eh, by. MaMonday. een blaawen —, a very short time. —sch, hometan. by. Monday. MahOulehout, cs. —en, by. mahogany. MaandelUk o, bw. monthly, ts .very month. —sch, Male, ci. maize, mills. be. monthly. Med est eit, v. majesty. --sehennia, high treason. Maaneter, v. dunner. /Raj nor, tn. major. —achap, o. majorehip. Maar, we/. but. only. Mak, bv. bw. tame (-1y), gentle OW. Maar, v. news, report, rumor. Itinkelaar, m. broker; pimp. —*loon, brokerage. Maarsehalk, m marshal.—settsf, marshal% staff, v. brokerage. —.chap, o. broker 'a busi—eshap, o. marehalship. ness. —ater, v. match-maker, go-between, proMaart, m. March. —sch, by. of March; —e buien, corm. Aprll-showers. linkelten, ov. w. to procure, to bring about; on. Maas, v. mesh; stitch. —bal, m. ball to ifinedraw. w. to play the broker. Moat, m. mate, comrade, companion, fellow; Maken, on. w. to make, to render, to do ; to sailor. fabricate, to manufacture, to form, to create, Must, v. measure, time, metre. met mete, mailer. to compose; to cause, to produce. Latin —, to ately. iemand de — semen, to take a. o. 'e messhave made, to cause to be made het sleeht —, to


EN A .— EMP. vrij maken. (-pee'ejun), a. bevrijding ; vrijmaking. —tor, s. bcvrijder; vrijmaker. Emarglnate (e-maar'dzji-neet), v. a. ontranden. Emascula te (e-mesikjae•let), a. ontmand.—te (-leet)., v. a. ontmannen. —tion (-lee'sjun), ontmanning; verwijidheid. Embale (em-bee!'), v. a. inpakken. Embalm (ern-baam'), v. a. inbalsemen. —er, a. balsemer. Embank (em-beck'), v. a. iudijken. —ment, a. indijken; dijk, dam. Embar (em boar'), v. a. insluiten; verhinderen. Embargo (em-baaego), s. beelag op schepen. Embark (em baark'), v. a. inschepen; v. n. aan boord gaan. — in an affair, zich met eene zaak inlaten. —ation (-ber-kee'isjun), s. inscheping. Embarrass (em-ber'ress)„ v. a. verlegen maken, belemmsren. -went, a. verlegenheid; belemmering. Embase (em-been'), v. a. alechter maken. Embassador, die Ambassador. Embassy (em'bes-sih), a. gezantsehnp. Embattle (em-bet't1), v. a. in slagordC echeren. —d, a. van schietgaten voorzien; in slagorde geachaard. Embay (em-bee'), v. a. in eene baai;insluiten. Embed (em-bed'), v. a. in een bed (cone bedding) leggen ; bedelven. Embellish (em-bel'lisj), v. a. verfraeien. —ment, a. verfraaiing. Ember (em'bur), a. quater-temper. —day, aschdag. —goose, adventsvogel; noordache duiker. —week, quatertemperweek. —8, a. heete arch. Embezzle (em bez'z1), v. a. toevertrouwde goederen verduiateren (verbraasen). —went, a. outvreemding. —r, a. ontvreemder. Emblaze (em-bleez'), v. a. versieren; - met wapens versieren. Emblazon (em-blee'zn), v. a. met blazoenen achilderen; opziehtig versieren. —er, a. blazoenachilder; versierder; lofapreker. —ry a. (het) wapenschtideren; de afbeeldingenj (op een wapenschild). Emblem (emiblem), a. zinnebeeld. —atic,—atical, a. atically, ad. (-erik), zinnebeeldig. Embody (em-bod'dih), v. a. inlijven. Embolden (em-boold'n), v. a. stout maken. Embolism (em'bo-lizm), a. tuaschenvoeging; inlassching (van tijd). Emboss (em-bos'), v. a. gedreven werk maken, opwerken. --rent, a. hoogte, verhoogiag; gedreven week. Embottle (em-bot't1), v. a. op flesschen tappen, bottelen. Etnbowel (em.bauwq), v. a. ontweien. Embower (em-bauw'r), v. a. in een prieel plantsen; v. n. in een prieel wonen. Embrace (em-brees'), —meat, a. omhelzing, omarmi-ng. —, v. a. omhelzen; bevatten, instuiten; v. n. elkander omhelzen. —r, s. omhelziug. —ry, a. paging om de rechters of gezworenen om te koopen. Embrasure (em-bree'zjoer), a. schietgat; nitstek. Embroca te (em'bro-keet), v. a. betten; inwrij Yen. —tier (-kee'ejun), a, invvrijvinp:.
Hauleer en, so. w. to handle. —ing, v. handling; ze Tit:a:e. v. Hanseatic league. —stad, Banns-town. Clap, ter. bite, snap; bit, mouthful. —.Maar, catahnoll, 'leper en, on. w, to falter, to stick, to hesitate; to be wanting. —ing, v. faltering, hesitation, hitch ; want. llapp en, ov. & on. w. to snap, to snatch, (ne.. , at). br. & bw. greedy (-11y), eager (-1y). —ighesd, v. greediness, eagerness. Dar, v. hingie. de deur shoat op eene —, the door fa a•jar, — upon LOA, Hord, by. &, bw. hard; strong k -13r), violent (-1y), severe (-1y), harsh (-I ); load (-1y); grievous (-1y), afflicting; (arm) hard up. — brood, stale bread. Mop., to walk (to run) fast. —maken, — worden, to harden. --bekkig, —bittig, hard-mouthed. —draven . to rare, to run (to trot) a race. —drover, race-horse. —draverij, race. —handig,bard- handed., rough. --teandigheid, v. herd-handedness, roughness. --hoop& numekull, blockhead; obstinate person. —hoofdip, stupid; headetrona, heady, obetinate. —h-iofdsgheid, limpidity; headstrongness., headinese, obstinacy. —hoorig, dull ithiek) of heemig. —hoorigheid, hard hearing, thickness of hearing. —teerend, dull (of comprehension). —leerendheid, dullness (of comprehension).—lijvig, coot-lye. coetivenees. —looper, runner, racer. —nekkig, by. at, hw. obstinate (-1y), stubborn (-Iy); Inveterate (-1y). —nekk:gheed, obstinatty, eta b bornne5s; inyeteracya•rijden,o. racing. --eteen,free-stoue.—steenea,(or)free-etone.—vochttg, hard-hearted. —vochtigheid,herd-heartednees. —seilerij, regatta. --seiler, fast-galling vessel. —achtig, be. rather hard. —ebol, ce. obstinate fellow. —ebollen, on. w. to knock the heads against one another; to dispute keenly. —en, ov. w. to harden; to stand, to endure, to bear. —held, v. hardness; strength, severity; harshness, vehemence, grievousneee. —igiseid, v. hardness; hard Revelling, callosity. II rasre^u . b4. hair, made of hair. 'Karen*, ten —, bw. at her house. —halve, hr. on her behalf, far her cake. —wege, as for her. nun — wege„ in her name. om —wit, for her sake. Ilarlg, by. hairy. —Arid, v. 'latrine.. Haring, tn. & v. herring. gerookte —, red herring. —bale, herring-buss. --drover, drier of herrings. —japer, herring-smack.—baleen, o. culing(gutting and pickling) of herrings. --baker, herring-curer. —net, herring-net.—pakker, her ring-packer.—pakkart+, place where herrings are packed, herringshop. —petrel, herring-pickle. —salad, herringsalad. —ttiid, herring-seaeon. —ton, keg. —vangst, her—visookerkj. herring- fishery. —vrouw, ring-woman. —zout, coarse salt. Hark, v. rake. —steel, rake-stick. —en, oc. w. to rake, to harrow. —er,m. --ster, v. niter. llarlekijn,m. harlequin. lIneaaras, o. trinities, entrees, armor. is het — j.gen, to provoke, Harp, v. harp; riddle, copper corn-niece. de — Orlon (bespelen), to play on (upon) the harp. —enact,. harp -string. —spel, harping. —Wier, —speelster, harp -player, harper. —toon, harp-

Hoe ga je kopen rimpel XRP met Coinbase


In 2018 Coinbase launched their independant mobile wallet for iOS and Android. The wallet stores the private keys on the user’s device and only they have access to the funds. This brings Coinbase full circle as it started out as a wallet, transitioned to an exchange only (claiming that they are not a wallet) and now they are offering wallet services again.
AAN. 376 to look (to glance) at; to show one's teeth; on. Anndijken,ov. W. Zie Anudanninen. Anndikken, ov. & on. w. to thieken. w. to dawn, to appear. Aandinarben,ov. w. to serve (to bring) np, Annbilinken,ov. w. to shine at. Aandoen, or. w. to put on; to touch at; to put Aniabod.o.offer, tender, proposal. into (eene haven); to cause, to give; to affect, to Aneaboeken, ov ev. to book. move, to touch; to attack, to snail. den oorlog Annbooten, ov. w. to feed, to stir up. —, to make war upon, to declare war against. een Anoboffen, or. w. to fling (to bump) against; on. prime. —, to enter an action against. —ing, v. w. to fall against. emotion, feeling, sensation. —10h, by. & bw. afAtenbouzers, on. w. to bounce (to bump) at, — fecting (-17), moving (-4). touching (-1y), pathetic against. —lijkheid, v. moaingness, patheticalness. Aanboorden, on. w. to fall aboard of a ship. Aaendrasgceter,v. Zie Aandrager. Anoboettn, ov. & on. w. to bore (on), to broach. Aanbotr eat, on. w. to dash (to knock, tostrike) Anndrnalen, or. 77, to turn to, — closer; to stretch; to fasten upon; on. w. komen to come against. —ing, v. paehing, chock (to approach) turning. Aanbouve, m. raising; construction, building; cultivation. —en, ov. w. to raise; to construct, to /Vanden* en, ov. w. to bring, to carry nearer; to inform of. to make known. —er, m, bringer; inbuild (bij, to); to augment, to enlarge (by buildformer, tell tale, tale-bearer. ing); to cultivate. —er, m. raiser; builder; culAundrang, m. crowd, thronging; pressure, nrtivator. —ing, v. Zie Aanbou w. geney ,rstress. Annbrand en, on. w. to burn, to scorch. ---toy, Aandraven, on. w. to trot, to run fast, — apace, v. burning, scorching_ —eel, o burned part. Aanbrass en, or. W. to brace, to brace in. —ing, to w elk nimbly. Aandeenteleo, on. w. komen —, to come (to v. bracing. Aanbrellen, or. w. to knit to, to new-foot; on. w. approach) sauntering. Aandribbelen, on. w. komen —, to come (to apto knit on. Aanbrek en, o. dawn, day-break; met het — van proach) tripningly. den dap, at daybreak, about sunrise. —en, ov. w. Aandrift, v. impulse; instinct. to begin, to break, to open, to touch. —lag, v. Zie AandrUfater, v. Zie Aandrijver. AandeUv en, or. w. to key up; to press (to push) Aanbrekec, o. an; to impel, to stimulate, to urge, to incite; on. Annbeeng en, or. w. to bring (nearer, on); to w. komen —, to float hither, to be cast onshore. impeach, to inform against, to denounce, to de—er, m. driver, pusher; stimulator. instigator, pose; to produce, to yield. —er, m. —ater, v. abettor. inciter. —ing, v, driving (puebing) on; inbringer; informer, denouncer; tell-tale,tale-bearatigation, incitement. er. —rug, y. bringing nearer; information, denunAandring en, or. w. to push (to press) on. — dal°n. against; to urge, to incite; on. w. to insist (op, Aanbelesehen, or. w. to neigh at; to roar (at). upon). —er, vu. —ater, v. urger, imitater. Antabeovannen, ov. w. to grumble (to grow) at. Aleindr arisen, on. w. to be contrary (to), to clash Aanbruien, ov. & on. an. Zie Artaborten. (with). Aanbruiv en, on. w. to roar, to foam, to rush on; Aandeukk en, ov. w to print to; to press(against. to use one roughly. —kg, v. tegen iemand —, to); on. w. to print on --lag, v. printing to; foaming, rushing. pressing against. Annbrull en, or. w. to roar at. —iny,v . roaring /Cantonal* en, or. w. to bend nearer. —ing, v. Alandssid en, ov. w. to indicate, to denote, to signify, to show, to point to. --mg, v. indication, bending. signification, denotement. Annbuitallen, on. w. to tumble near, to approach Aaadoeven,ov.w. to dare attack. tumbling. Aandoween, ov. w. to push on, — forward; to Annbulderwn, 'iv. w. to roar at. push (against). Aatabulken, or, w. to bellow (to law) at. Aandaeht, v. attention; devotion. —ig, by. & bw. Annelinwellen., ov. w. Zie Dw attentive (-Ty), intent (-Iy); devout -1y), pious Anneen, bw. together; successively. —binden, ov . w. to bind (to tie) together. —binding, v. binding (-1y). —igheict, v. attentiveness. (tying) together, junction. —breien,ov. w. to knit Anodanin3en, ov, w, to dam up. to dike. together. —brengen, or. w. to bring together, to Aantinnsen,on.w. !omen—, to approach dancing. Join. —flames, ov w. to botch (to patch) toAandeet, o. portion, part, contingent, shore. — hebben, to share in, to have a hand in. — nemen, gether. —geachakeld, bv. linked together, concateto take a share, to partieie ate; to take an interest nated, compact, concise. —gesloten, by . close, closely united. —groeiert, on. w. to grow together. (in). —howler, —houdster, shareholder. —groeiing,v.gvowing together,symphysis.—hakes, Anndenken„ o. remembrance, memory; keepsake. ov. w. to hook together. —hangen, on. w. to hang tot — van, in commemoration of. together, to cohere. —hechten, or. w. to fasten Aendlcht en, ov. w. to impute, to charge with. together, to attach. to join, to unite, to connect. —ing 7 • imputation. —hechting, v. joining, connecting. —ketenen, ov. Aandienen or. w. to tall, to announce, to give notice of; to* give In a. o. 'a name to usher in. zich w. to chain (to link) together. —keening, v. linking together. —klampen, or. w. to clamp together. fates —, to send in one's name. —kleven, on. w. to stick together. —klinken, or. Aandlepen, ov. w. to deepen,to make deeper; on. w. to rivet together. —knoopett, or. w. to knot w. to eound (to try) the depth.

Welke cryptogeld is het beste om de mijne


gezonti veratand. —less, a. --lossly, ad. gevoelciunkead, vervvaand. —taught, a. door zieh aelyen lows; onverstandig. —leseness, a. gevoell00%heid; a. eigenzinnigheid. —willed, onderwezen. onverstand, zinneloosheid. a. eigenzinnig. —wise, a. eigenwija. ad. zelfzsehtig, haat- Sensi Me (een'sibl), a. —bly, ad. beapeurbaar, SeRtleh lsell'isj), a. merkbaar; gevoelig, vatbear; verstandig; overz,chttg. —nes, a. zelfzucht, baatzueht. gd. —bi/ity —b/ene8s,a. becpeurSell (sell') [sold (mould)], v. A. vcrkoopen; (off. bait rheid; gevoeligheid, vathaarheid; gevoel; ver°oh aitvetkoopen; v. n. verkocht woolen. —er, stand. —live, a. —Neely, ad, (- el- tin.), gevoelig; s. verkooper. —plant,kruidje-roer-rne-niet. —tivenees (-ei-tiv Selvage servidzj), a. zelfkant. —d, a gezoomd, a. gevoeligheid. omboord, ruet eeu zelfkan t. Sensor inns (sen-so'ri um), —y (eetteur-rih), a. Selves taelvz), pr. pl. van S ,elf. zetel des gevoel.; zintulg. Semaphore e‘,,at'e-food, a. neintoettel. Sembilan ce (stent'blena), a. gelilkents; achijn. —t, Sensual isen'ajoe-ell, a. —ly, ad. zinnelijlc,vleeec ► elijk. —ist, s. zinnelijk mensch; wellusteling. a. geipkevd. —ity (-el'it tile), a. zinnelijk held. —ice (-ajz), v. a. Semi. (aern'Ilt) [in samenst.], half. zinnelijk makers. Wear, in de volgende sarnenstellingen, de nitepraak niet is aangewezen, dear heett sera den Sentence (een'tena), a. vomit; zinspreuk; volzin. —, v. a. vonniaven, veeoordeel en. 1Cemtoar, —annua/(-en'njoe-e1),a.halfjaarlijksch. —annually (-en'njoa el-lih). ad. halflaarlijk. I Sententious (sen-ten'alus), a. —1y., ad. geditch-annular (• en'njoa-ler), a. halfrond. —barbarous I tenrijk, bondig. —ness, a. spreukrijkheta,bondlgheld. (-baar'be-ros), a. halfbarbaa7sch. --breve, a. heale a. noot. —circle, a. halve cirkel. —circular (-sue- Sentient (aen'sjt- ant), a. gewaarwordend. ;net gevoel betaafd wezen. kjoe.ler), a halfrond. —colon (-kolun), a. kora- mapunt. —diameter (-daj-eval.trir), s. halve mid- I Sentiment (sen'ti-mentl, s. gevoelen; gevoeLgevoeligheid; gewaara nrding; mecning; gezindheid; deltijn. —diton,e -da)'toon), a. kleine tarty.--lunar geditchte; toast. —at (men'tell, a. gevoelig, ge(-Tm'ner), a hal ventaanvormtg. —metal (-met ti). voelvol, sentimentee I. —ality (-tel'it-tth), a. overa. Italtmetaal. —toed, a. halve voet. —pedal (-pi, dreveu gevoeligheid. del) ; a. halfvoets•. —proof, s. halfhewijs. —quaver; a. zesti•ade no,at. —spherical (-afer'ikt), a. half ko- Sentinel (sen'tt-nel). a. schildwacht. halve Sentry (sen't•ih), a. schildwacht. —box, seta' ler—vowel,a. gelvorung. —tone, a. halve toon. huiaje. 'linker. Se :ran al (semii•nel), a. zand-; oorspronkelijk. Separa Isle (sep'e-ribl), a. —hip, ad. scheidbaar. —bleness, a. scheidbaar—bility —ality (-net'it-tih), a. .feelkracht; natuur van held. —te, a. —tely, a.l. atgescheiden, athet zaad. —ari8t (-ne net), a. seminarist. —ar; zonderlij k. —te (• eat), v. a. sel•eiden, anntideren. (-ne-rilt), R. .-W-; a. cearanarie, kweekschool. —tenets a. ofgezonder.lheid. —tion (-real —ation (-nee'sjun). a. zaating; verepreitling. —ifie sjun), a. scheiding, afzondering. --tes t (.re.tist), s. zaadvoorthcengertd. afgeecheidene. —tor (-ree-fur), a. schettler, —t ory Aemptsrvive isein'pnr.,jv), a. matgdrupalm. ( -re-tur-rth), a. scheidend, arzotiderend; — due to, Sempit ern at (arm-pi-tuenel), a. eettavigdurend. attic heldende vat., —ifp, a. eeuvvigdurendloid. Sepia (sVpi - e), a. sepia (brutne verf). Sempster, (aem'at'ael, a. kleermalter. Septment (seplament), a. heining, hex. S.ornapstreas (sein'atre3sj, a. naatster. a. sepoy (inlandach anidaat in Sepoy S en n ry (aen'e- rill), a. zestallig. Britsch.IndiO). Secant a (sen'et,, a. ...near, road; —house, rand- (-a-to'- Sepelseps).s. slanghagedia. tur), a. raadsheer. but. —or ri-el), a. van een' raadsheer. —orship (-e - tur - ), Septang ie (sept'eng gl), a. zeventinek. —ular (-teng'gjoe-leri, a. zevenhoekig. s. raadshevachap. Send (send') [sent]. v. a. zenden; werpen, achieten. September (sop - tent'bur), a. Seatember, herfstmaand. — word, berichten, leten weten. (forth. out) vonrtbrengen; van zich geven; uitzerden. (in, up) Septen airy (sep'tin e-rih), a zeveraallig; a. rev ental. —nial a. zeveniatag. —trion one's name, zich la'en aandienen. —, v. n. zenInn; (-ten'tri-un), s, noorcler. trional (- ten' tri,uti-e1), (feel zemien ore, laten komen. —er, a. tender. a. noordelijk. Senescenee(se-ria."8,8) a . ea r aude r big. Septic (sep'tik),—a/, a. bodervend, verrottend. SPDelietatt (sen'e-sjeli, a hofmeeater. Suptilateral (8ep-ti-let'ur-el), R. ZeVerai3dig• Seogreen ,ren'griettl, a. menegroen, Scull a ,si'Dajl), a. hongbejaard; den ouderdom Septunge nary (aep-tjoe-ed'z)e-ne-rib),a.zeventigjarig; a. zeventigjarige —alma dzjeal-me), s. eigen. —ity (se-nitit tile), as. ouderdom, hoogbederde Zondag voor de Vasten. jaardheid. • Sent 136' (mtnjur), a. cinder, oadate. —ity (-olor'-it- Septuple (sep'tjoepl), a. zevenvoudig. Sepul ehrai (se-parkrel), a graf-; begrafenis, tilt), a. hoogere I eeftijd ; langere diensttiji. —chre (sep'ul-kur), a. graf. —chre (-1tur; ook r asp' Senna limit.), a. senabladeren. ul-kura, v. a„begraven. —tore (aep'ul tjoer), 8. be Sennigh (eettnit), a. richt dagen, week. to-morrow grafenis. rnorgen over acht dagen. Segunci outs (se•kwee'sjus), a. volgzaam, goSensation (seu-see'sjun), s. gewaarwording. Sense (sena"), a. zin; reds, oordeel, verstand; gedwes. —ty (-kwes'it-tih,, e. volgzaamheid, ge• dweebeld voal, heart; hegrip; meentnv; betin ekeni, common
by land. wan a-eho n op het —, in the country. —card, nationality, character of auction, nation. —adel, country-gentry. —besehrijner. geographer. —beschrijving, geography. —trestour, government. —hemmer, country-man. —Ses000nster, countrywoman. —heart, posseesion of land. —hezitter, lend-holder. —bode, deputy, representatiee —Coosa, agriculture, husbandry. —Sooner, hueheadman. —bousokundo, agriculture, husbandry, rural economies.—houwkundie,agri cultur el;versed (skilled) in husbandry. —kundige, agrteuntuhat. —day, azsembly of the states, dist. —deice*, country-dean. —dekeneehap, rountry-deanship. —dief, embezzler of public money. —dier, land animal. —dieverii, embezzlement (of public money). —drost, sheriff, high-bailitf,governor. —droatamht, office (district) of a sheriff, eheritalty, bailiwick. —edeiman, country-equine.—einenaar, —eigenares, lend-holder, land-owner. —eigendcm, landed property. —eeple, isthmus, neck of land. —gedicht, georgic, pastoral. —genoot, (fellow-) countryman , countrywoman, compatriot. —gereeht, country-court. —fies000nte, custom of a country. —goed, estate, country-seat. —gracle, landgreee. —graateetstip, landgeaviate. —gravin, lendgravine. —key, landlord, lord of the manor. --aoere, farm. —hula, country-home, villa. —hulahoucikunde, rural eeenotny. —hulehoodkundio, of rural economy. —hoer, land-rent. —Amadei., farmer. —jeend, young country-people. —jonfcer, country-equine. —jvifer, country-laey. reins. —Icaart, map. --koorls, fever prevailing in the country. --krah, —rot, landloper, landlubber. —leven, country life. —lieden, country-people. —looper, vagabond, stroller, —louper0, vagabondry. --loopster, vagabond, gipay. —macht, landforces. —man, country-miss, peasant. —nteetkende, surveying, geometry. —nseetIcasndig, geometrical. —meetkundige, geometrician, —meisje, country-girl. —meters, surveying. —meter, surveyor. —militia, militia. —mute, country-mouse. —peat, boundary, limit. —palen, frontiers. —pacht, quitrent, landrent. —pachter, farmer, tenant. —pinup, plague, scourge, public dietreas. —read, provincial counsellor. —recta, common law, law of a country. —rechter, country-jedge, sheriff. —rats, journey, travel by land. —7(11c, landed, having landed property. —.Melding, boundary. —school, country-school. —schrijyrr, 8,retary to a provincial administrator. —slot, safe harbor. —made, taste peculiar to a country; taste of the soil. —soldaat, land-aollier. —wreak, idiom. —steed, inland-town. country-town.. —storm, gailCral levy of the people, posse. —Week, district, country. —taal, lenguage of a country, vernacular tongue. —tong, neck of land. —railing, sie lientertverkeettiivan. —verhuirer, emigrant, —vcrhuizing, emigration. —verkenning, I,nd-fall; recoannitring of the land; — !When, to hove anode the lend. —vetmaak, rural diversion, — anasement. —rented, high treaeon. —verrader, traitor. —vluektig, fugitive, vagrant. —vIveAtiOeid, fegitiveners. —yolk, country-people. —voogd, governor. —.IV dee, governess. —roogdir, governorship, bailiwick. —vrouto, landlady, lady of the manor. —vroelsten s
Ketting, m. chain; warp. —break, continued fraction. —brag, chain-bridge, suspension-bridge. —draad, warp. —garen, warp-yarn. —hand, bandog, mastiff. —hovel, chain-shot, langrel-shot. —repel. chain-rule. —aped, fusee. —stack, chainstitch. Kett, v. cue, billiard-cue. Keuken, v. kitchen. aehrale poor table. —buck, cookery-hook. —gereedschap, kitshen furniture, -utensils. —.fringe*, —kneeht, kitchen-boy, scullion, turn-spit —kae, —kast, pantry, lorder. —ktottwe.., cotquean. —lamp, kitchen-lamp. —ha-ttin, dog 's latin. —menhir, chief cook. —meid, kitchen-maid, cook-maid. —Ines, cook 'a knife. —stsiker, brown sugar. —work, kitchen-work. —tout, coarse salt. Kettle, v. savory. teeter, v. choice, selection ; etendard, stamp, mark ; statute, ordinance. —bende, legion...elect body. —boon, ba Got. —leer, elector, chooser. ---buts, elector house. —tamer, assay-office. —meester, a4eayer ; dean (of a guild); censor. —nterk, —atempel, —treken, assay stamp, -mark ; standard. -.prim:, electoral prince. —steen, touchstone. —gegen, electoral voice, vote. —tin, standard- pewter. —roret, elector. —vorstekik, electoral. —rorstendom. electorate. —voratin, electress. IKeur der, m, examiner; assayer ; censor. —en, ov. W. to examine, to try ; to assay; to etamp ; to think, to deem, to judge. —ig, be. & bw. choice (-1y) ; exquisite (1y) ; nice, penicillin., difficult. —igheid, v. choiceness; nicsty. —ing, v. examination, trying, assaying, stamping. —ltle, by. & bw. choice (-1y), select (-edly), excellent (-ly). —lijkheid, v. choiceness, electness. —lingen, m. mv. select troops. Kene's, v. (pair of) stays, corset; bodice, etomacher. iKetio, v. Zie Ken., Keutel, v. turd, dung. —a, my. crotels, treadles. Keuvel,v. cowl. Keuvel sans, m. chatter. —a-ureter, v. chattering gossip. —arij, v. chattering, chitchat. —en, on. w. to chat. Ket11..., V. choice; selection; election. Kevet, m. gums. —kin; long chin, —en, on. w . Zie Keuveien. Keever, ra. beetle, chafer. may-bug. —Lek, blub• ber-lip; blubber-lipped rayon. Kev le, v. cage. Kibbe" mine, m. —aasrater, v. quarreler, wrangler. v. quarrel. wrangling. —en, on, w to quarrel, to rayil, to wrangle. —kunst, chicane. —ziek,—ig, by. quarrelsome, chicaning . , eaptione. rid, v.quarreleomeneio,capticuinaces. Kibbeting, v. outside parts of soiled fish. Kid, Kldde, v. nag, cob, tit, poney. Klekeboe, tsw. —spOen, to play at bopoep. Kieken, o. chicken. —dtef, kite. —pastel, chicken-pie. Kiel, in. blouse, smock-Frock; wedge. Kiel, v. keeliehip. —gang,garboard-streak.—katen, to keelhaul, to keeihoie. —water, wake, track. —en, ov, w. to careen. Kiem, v. germ. —en, on. w. to germinate. —Nth
505 o. (slipping% , cuttings. —err, v. Zie Kodde, a. —rijtje, o. drollery, fan. K.driebeter, rn. game-keeper. Snippet.. Kotleig. b7. & bw. droll (-hotly), odd (-13), Knitteren, on. W. Zits Knetteren. funny oily). —held, v. drollery, oddness, oddity, Knobbel, tn. knob, knot ; tubercle. —achtig, comicalneee. —ig, by. knobby, knotty. —igheid, y. knotti• *rase, v. cow ; bad sailor. —Leest, cow. —brag, nest. orlop-deck. —dief, cow-etealer, ebactor. —date, Kuod, Knodde, v. knob. —destok, club, cudgel. wild camomile. —dokter, cow-leech. —drek. Knoet en, ov. & on. w. to bungle ; to intrigue. —mist, cow-dung, cow-quakes. —deljver, cuw• —work, bungling, clumsy work, —er, m. bungler, paltry workman. —erv, v. bungling, clamsy held. —hoar, cow-hair. — boom, cow 'o horn. cow-bide, cow 'a skin. —kanap, —weide, work intrigue. —ster, v. bungler. pasture-ground, meadow. - -melk, cow 'a milk. m. boot, knob. —gezwel, ecirrhosity. —milker, cow-milker. —pokken, cow-pox. —pokby . knotty, knobby. —erig—acktig, —erig, inenting, vaccination. —pokstof, vaccine matter. held, —igheid, v. knottiness, knobbiness. stoart, COW 'a tail. —Oaf, cow-house. —Oleg, Knoat, m. boor, clown ; knout. —achlig, —ig, os-fly. —voet, (iron) crow, lever, liand-epike. bv. boorish, clownish. —debars. cow-cheese. —iekop, cow 4 s head. -ivKnotroten, ov. w. Zits Knuffelen, braid, cow-weed. —ievieesck, cow-beef, --ienuter., lino:took, o. gaalick. cow 'a udder. Kook, re. bone. Knokkel, tn. knuckle; clown. —olie, —sop. drub- Ktrek, m. cake. —, v. gingerbread. --1.akkey, gingerbread-baker. pastrycook, confect loner. bing, stirrup oil. —aelitig, by. clownish; clumsy. —bakkerij. trade (horse) of a pastry-cook. —deeg.. Knol, m. turnip; hack., jade. —akker, —laud , dough for cakes, gingerbread-prate, —kraani, turnip-field. —rabi, cole-ropa. —radj;s, turnipgingerbread-stall. —kromey, gingerbread-seller, radish. —rend, spheroidical. —seldersj, celo ►tac. —embakker, zie Koekbekkor. —enpan, frying—.gad, rape-seed. —achtig, be. like turnips, pan, tuberous. Kvackeilosoress, on. w. to stare, to peep, to ogle; Knook, in. bone. to loiter., to idle. Knoop. in, knot, knob; *nail; node; button; tie. —doekje, small neck-handkerchief. --eras, dog 'e- Ilicrekock, szo. eockoo ; sky-light ; cuckold. —ecockoo•tlower. —.brood, wild sorrel. gress, outton-weed. —koord,flettifilt-string.—Lorm ;,loens button mould —nude, twisted silk. —endraoler, —stook, hare-foot. —.ono, cuckoo's note. —eowaoker, button-maker. —enfabriek, button- Kole I, be. & bw. cool (-1y), cold (-ly). —6lotdig, by. manufactory. —spat, button-hole. — en, or. w. to cold, lodiffarent; bw. in told blood. —6Ioedigheid. cold (cool) blood. —soristrg, be. & bw. cool (-1y), net, to knit ; to knot, to tie ; to button. —er, composed (-1y). — zineogkeid, coolneert, comm. netter; knotter. —ig, be. knotty. —ing, v. netting; knotting, tying ; buttoning. —titer', a. posure. Koel en, ov. w. to cool; to satisfy, to gratify; on. Zie Knooper. w. to cool. —6ak, miner, —ketet, —kitip, —eat, Knots, in. knob, head, stud; button; pommel, cooler, cooling-vat, —drank, julep, rerrigeraet. cascabel, truck ; bud. --speld, large pin, —achtly, be. knotty ; full of buds. --pen, on. w . to bud. —kelder, cooling-cellar. —oven„ cooling oven. Knor, m. knot, knob; gristle, cartilage. —vleesch, —zeit, wind-sail. —held, v. coolness, coldnese. gristle meat. —ing, v. cooling. --be, v. coolnekor, freehneato Knurl, in. knot. breeze. --gale. —tjes, bw. coolly, coldly. Knor ren, on. w. to growl, to grumble, to snarl; loan, by. & bw. bold (-1), daring (-1y). —held, v. boldnees, daringnees. (op) to scold. —haan, gurnet, francolin; —repot, grumbler, snarler. —rig, be. grumbling, 114.trepe t, m. dome, cupola; enminer-house. —dab, arched roof, dome, cupola. —beck, dome-church. peevish, surly. —righeid, v. peevishness, au dines.. Knot, v. tuft, bunch, knot; need cod. g, dome-shaped. Knioto, v. club, cudgel. Knees, m. vv.-order of a tower (steeple). Knot ten, ov. w. to tie into `knots (bunches); —toren, watch-tower. to lop, to prune; to quell, to repress. Knerrn, o n. w. to ,00. pollard-willow. —ter, m. lopper, pruner ; (melt- Koerter, m. courier. honden, — er, represser. —tang, v. lopping, pruning; quelling, Koerai, m. course; currency; rate. repression. sett., to steer, to proceed. —en, or. & on. w. KnutTellen s on. w. to handle roughly, to rube, to steer. --ing, v. steering. Koester nor, m. cherisher. —en, ov. av, to to fumble, to pucker. cherish, to cocker, to pumper; to oultivate; to Knntst, m. fist, clutch. paw. t. w. to Knot, m. fellow, ninny-hammer, dunce. favor, to protect; to entertftin; nick bask, to nurse one's 'self up. —Ong, v. cherishKnuppel, m. cudgel, club. —en, ov. W. to cudgel. Koutscl oar, m. —aars/er, v. one that makes ing, pampering; cultivation; protection. all manner of trifles. --ar(j, v. (making of) trifles. Koet, v. moor-ben, coot. —en. or. & on. w. to make (to contrive) by Koeter seer, m. —aura/er, v. jabberer, person that talks gibberish. —en, on. w. to jabber, to way of pastime. —lag, v. making of Utiles. talk gibberish, to gibberish. —want, sic KosKnuttel. v. knittle. laniottorijo be. pleasant, amusing. teener. —waaleo/,, by. & o. gibberish. —wafers, Kobelt, o. cobalt. tie Koetarem,

cryptogeld xyo


Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.

Wat is Gemini cryptogeld


—, a. hopeloos, opgegeven, verloren. —, a. waaghals; verloren post, man. Perdura ble (pur•djoe'ribl), a. —bly, ad. langdurig. —tion (-ree'sjon), a. lenge duur. Peregrin ate (per'e-gri-neet) ,v.a.in den vreemde leven of reizen. --ation (-nee'sjun), s. verblijf (hat reizen) in den vreemde. —ator, s. relziger. —e (-grin), a. vreemd, uitheemsch. Perenuption (pur-em'sjan), s. vernietiging, verjaring. Peremptor ily (perem- tur-ril lih), ad. —y, a. bepaald, beslisaend, volstrekt. a. bepaaldheld, volstrektheid, stelligheid. Perenni al (pur-en'ni-e1), a. —ally, a. een jeer durend; voortdurend, aanhoudend. —ty, a. onafgebroken duur. Perfect kpurlekt), a. —ly, ad. volmailkt, volkome.n. v. a. volmaken; voltooiea. —er, s. vol. maker; voltooier. —neat, a. volmaaktheid, volkomenheid. Parfecil ble (pur-fekt'ibl), a. vatbaar voor volmaking. —bility (.1-bil' it- tih), s. vatbaarheid volt volinaking. —on (-fek'sjuu), s. volmaaktheid, volmaking. —anal(fek'sjun-), a. volkomeu; voltobid. —ovate (-fek'sjun-eet), v. a. volmaken. —onist (-fek'sjun-), a. strever near volmaaktheid; purltein. —ve, a. —vely, ad. volmakend; voltooiend. Pe rliclent Ipur-fisreat, a. we rkelijk. s. begiftiger, sehenker. Perfidious (pur-fid'jus), a. —ly, ad. treuweloos (to). —nest, s. trouweloosheid. Perfidy (pur'ild-ila), a. trouweloosheid. Perfla tc (pur-fleet';, v. a. doorwaaien. —flow (- flee'sjun), s. doorwaaiing. Perfollate (pur-fo'li et), a. den ateugel omvattend, doorgegroeid. Pertora ble (porlo-ribl), a. doorboorbaar. —te (-reet), v. a. doorboren. —tion (-ree'sjun), a. door boring. —tive (-re-tivl, a. door borend. —tar (-ree'tar) . a. doorboorder; boor. Perforce (pur-foors'), ad. met geweld. Perform (pur form'), v. a. vervullen, vuivoeren, volbrengen; verrichten; v. n. spelen; slagen. —able, a. uttvoerbaar. —once, a. vervulling;verrichting; uttvoering, vooratelling. —er, a. volbrenger; verrichter; uitvoerder, voordrager, speler. Perron' atory (pur-fjoe'me-tur-rih), a. weiriekend makend. —e (ook pur'tjoem), a. reukwerk; gear. —e, v. a. welriekend maken, parfumeeren. —er, a. parfumeur. --cry, a. reukwerk, perfumeriEn. Perfunctor ily (pur-fungiCtur-ii-lih), ad. —p, a. oppervlakkig, achteloos. —ineas,a. opperviakkigheid, achteloosheid. Perfuse (pur-fjoez'), v. a. overgieten; doorstroo. men; vervullen. Pergola (puego-le), a. prieel. Perhaps (pur-he s'), ad, missehien. Pert ant h (per's-enth), a. bloemkelk. —apt (-apt), a. amulet, toovermiddel. Peri card (per'i-kaard), —tuna (-kaardi-um), a. hartzak. —carp (-kaarp), a zaacil Hee. Peri clitation (per-i-kli tee'sjun), a. gevaar; waagatuk. —cranium (-kree'ni-u ► ), —crany (per'. i-krc-nih), a. hereenpan-, echedelthea. Per !culotte (pe-rikloe-lus), a. gevaarlijk.
Frontier (fron't'ier) a. aangtenzend. s.greits, grensschelding. Fronting (fruntleng), pr p. tegenover. Frontispiece (fron'tis-pie,), a. voorgevel; titelplant. Front less Ifrunt'lessl, a. schaamteloos. (-lit), a. voorhoofdband. Frost (frost'), a. mat, glared white —, rijp. —bitten, door da voret beschadigd.—bound, vastgevroren. —nail, ijsnagel (Ran een hoefkjzer). —work, rata werk (ale met nip bedekt), —, v. a. wit bestrooien; glaceeren; damasceeren. —ed, a. met rtjp bedekt; bevroten.—iness,s.vorstigheid, vrieskoa. ad. — p, a. rijpachtig; vriezend; loud. Froth (froth'), s. schuim; bombast. —, v. a. doen schuirnen; v. n. schuimen. —iness, a. schuimigheid; zinledigheid. —sly, ad. —y, a. rc ► uimig; Fro:ince (fraanns'). a. plooi, krul, nimpel. —, v. a. fronsen; plooien, rimpelen. —less, R. mtge. rimpeld. Frouzy (frau'aik), a. vans, muffig; dof. Frowy.rd (fro , wurd), a. --ly, ad. gemelijk; elgenzinnig. —near, a. gemelijkheid; ondeugendheld. Frower (fro'ur), s. kloofhamer. Frown trraftun', a. gefronsd gelaat; knorrige bilk. —, v. a. Aschrikken; v. n. het voorhoofd fronsen; titer zlen (at. upon). —ingly, ed. zuur ziend. Frow y (frmeth). —zy, a. Zia Frouzy. Fruct ed (frukt'id‘, a. vruch ten dragend. —iferous (-trur-us), a. vruchtdragend. sfun), s. vruchtbaarmaking; vruchtvorming. —ify (-ti•faj), v. a, vruchtbaar makes); v. n. vruciat dragen, —anus (-joe-us), a. vruchtbaar. Frugal (froe'gel), a. —ly, ad. sober; spaarzaam. —ity a. matigheld; spaarzgamheid. Frog! ferous (froe-dzjiPur-us),a.vruchtdragend. —roma (-dzjiv'o-rus), a. van •vrttchten levend, Fruggin (frurgin), s. pook. Fruit (front'), a. vrucht; ooft. —wearer, dragende boom. —tearing, vruchtdragend. —grove, boomguard. —house, —shop, fruitwinkcl. —time, fruittijd. —tree, vruchtboorn. —age, a. Gott. —erer (-ur-uv), a. fruitverkooper. —ery, a. fruitzolder. —fed, a. —fully, ad. vruchtbaar, —fulness. a. vruchtbaarheid. —less, a. onvruchthanr; vruchteloos. Fruition (froe-isrun), a. genieting. Frumenta ceous (fron•men-ter'sjIts), a. van grain —lion, a. uitdegling van groan. Frumenty (froe'men-tih), e. rneelbrij (met Inept). Frump (trump'), s. leeks; epotternij. —, v. a. bespotten. —ish, a. knorrig; auderwetscb. Frusta (frusj), s. straal (in den paardenhoef). v. a. verbridzelen Frutztra to (frus'tret), a. ,kidel, mislukt. —to (-treet), v. a. verijdelen. teleurstellen. --time (-trec'sjun), s. tcleurstelling. —tory (-ire-tar-rib), a. vertdelend. Frutescent (frOe-feeent), a. beeSteraChtig wordead. Frutie and (froe'ti kent), a. vol latent; uitloovend. —ono, a. heeeterachtig.

boos. —inetslike (-bisliese-lajk), a. niet gasehikt voor zaken, etrijdig net den kooproansgeest. Unbutton (nn-but'tn), v. a. loskoopen. Uneage (an-keed3r), v. a. nit de kooi laten. Uncial clued (un-kel'eind), a. onverkalkt.—culeted (-kjoe-lee-tid). a onberekend. Uncalled (un-kaold'i, a. ongeroepen. — for, on • no odig, noodeloos. Unean tolled (un-ken'aild), a. niet opgeheven, niet verntetigd. —did, a. onoprecht. —anical (-kenon'iki), a. ntet kenontek. Unwired (un-keer0) a. — for, enbehartigd, veronachtzaamd. Unease Inn-keeal, v. a. uit den koker (de keg, de scheede) nerneu; afstroopen.. Uncaught (un-kaoti a. ongevanirfn. Uncaused (un-kaozd'). a. onveroerzaakt. Unceasing inn-siezleng), a. —ly, ad. onophou• elndelooa, Uncelebrated (un-sel'e-hree-tid), a. ongevierd, ongepresen. Uncansuretil(un-sen'sjoerd), a. onberispt. Unceremonious (uu-eer-e•mo'nk-us), a. —1y, ad. :cinderplichtplegingen, ongedwongen. Uncertain (an-sar't1u), a —/y, ad. onzeker. —ty, a. onzekerheid. Unchain (un•tsjeert'), v. a. van ketenen ontdoen. 'Unchang cable (un-tsjeendkribl). a. —eably, ad. onveranderlijk.—eableness„s. onverandertijkheid. —ed (-tsjeendzidl, a. onvcranderd. —lag, a. onveranderltik. Uncharged (un-tejaardajd'), a. onbeladen; abet aangevallen. Uncharita Lie (an tsjer'ittble). a. —bly, ad. liefdelons. --6/euess, s. liefdeloosheid. Uneharm (un- tejaarm"), v. a. onttooveren. Unchast a (un-tajeeat'). a. —ely, ad. onkuisch. —iced (-tejes-tajzd'), a. ongestraft. —icy (-Wes , tit-ih), a. onkuisehheil. Unchecated (un-tsjekt . ), a. onbelemmerd, onbetenge'd; niet gecol.ationeerd. Unekeerful (un-tsjterloel), a. neerslachtig, bedrnkt. -1.14, a neersiechtigbeid. Unehrist sued (un-kriend), a. ongedoopt. —ian, a. —iaray. ad. (-kristlen-), onchristelijk. Unehron toted (un-kron'i kid), a. on vermeld.. Unchtireh (un-tajurts,r), v. a. uit de kerk (ge, meente) atooten. Uncial (un'ajel), a. & a. — let:er, groote letter. Uneireurn Oiled lun-aur'ku ► i-evjzdj, a. onbe • sneden. —ciao* (aizYun), a. onbesnedenhapi. —scribed (skrajbd), a. onbepsald. —spect, a. —spectly, ad. (-spekt.), onbedachtzaam, onvoorzichttg. Uncivil (un-eivs11), a. —ly, ad. onbeleefd. —iced (-ejsd), a. onbeachaard. Unclad lan-kledl. a. onsekleed. Unclaimed (un-kleema' 1. a. ongedtacht. Unclarilled lun , e lerl.fajd), a. ongeklaard. Unclasp lun-klaaap'), v. a. locheken. Unclassical on kles'eikl),a.niet klasalsk. Uncle (unrk1), a. oom. Unclean (un-klten'). a. —ly, ad. amain, anti. —knots (-11- nese), -AM, a. onreinbeid; onkuischheld. —sed (-klensd.), a. ougentiverd. Unclew (un • kljoe'), v. a. los-, arwinden.
writing, opteewaerlijk. court of —, rechtbank voor kleine trouvven; consigneeren; (in). — tohet stilzwljgen kenen, opschrijven. — to silence, selauldverderiagen. —smitten, door het geweten opleggen. —ee (kon-sin-nte ), a. ngertt, geeonsig gekweld. neerde. —er, a. overdrager, toevertrouwer; at , Conecle,ntioue (kon-sji-en'sjus), a. —ly, ad. ge- moedelijk, nauwgezet. —ness, s. gemoedelijk- tender. —ment, a. overdracht, overmaking; consignatie. held. Consciona ble (kon'sjun ibl), a. —bly, ad. re- Consimil ar (kun-sim'i-ler), a. gelijk. (kon-si-mil'i-tjoed), a. gelijkheid. delijk, billijk. (kun-mist'), v. n. bestaan. (in, in; of, oil); Conscious (kon r sJus), e• bewust (of); bekend Consist strooken met (with). —ence, —envy, s. bestendig• (to). —ly, ad. met bewumtheid. —ness, s. bewust- heid; bestaanbaarheid; overeenstemming; toeheld. stand; dichtheid, vastheid. —eat, a. vast, dicht; Coneccipt (kon'script), a. ingeachreven. —, a. hestaanbaar, overeenstemmend (with) loteling, rekruut. —ion (kun-skrip'ajun), a. in- Consistor 'al (kon-sta-to'ri- el), a. een' kerkeraad echrijving, opschrijving. betreffend. —y (kon'ais-tur-rih), a. kerkeraad. Consecra te (kon'se-kreet), a. ingezegend, ge- (kun-so'ajt-et), a. deelgenoot, me—te, v. a. inzegenen, wijden. —tion(-krec' Consocia to—te (-eel), v, a. vereenigen, verbindeplichtige. s. inzegening, wijding. —tor,s : inzegenaar, • den; v. n. zich verbinden. —lion (-ee'sjun), a. toewijder. —tory, a. inzegenend, wijdend. vereenigtug; omgang. Consectary (kon'sek-te•rih), a. afleidbaar, voort• Consol able (kun-solibl), a, troosthaar. —ation s gevolgtrekktug vloeiend. (kon-so-lee'sjun), a. troost.—ator (kon'ao-lee-tnr), Conseen tion (kon-se-kjoe'sjun), a. opvolging. a. trooster. —atory (kun-sol'e tur-rih), a. ver—tire (kun-sek'joe-tiv), a. —tively, ad. acitter- troostend. —atory, s. troostrede; troosthrief. eenvolgend. —e (kon'sool). a. sluitiignur; console. —e (kunConsent (bun sent'), a. be•illiging; toestemming. Boor), v. a. trooeten, epicures. —er, a. trooster. overeenstemming medewerking. —, v. n. toe- stemmen, bewilligen; medewerken (to). —er, a. Consolid ant (kun-sort-dent), a. verbindend, toeheelend. —ant, a. heelmiddel. —ate, a. dicta, toestemmer, inwilliger. —ate, v. a. vast (dicht, hecht) makes; verConsentaneous (kon-een-tee'ni-us), a. —ly, ad. vast. etnigen; heelen; v. n. vast (dicht) warden. —ation s. overeenkomst. overeenkomstig. s. dicht- (hecht-, vast-) making; beConsentient (kun-sen'sjent), a. eenstemmig; in- (-dee'sjun), vestiging; vereeniging; toebee.ling. —atire, a. stemmend. Consequen ce (kon'se-kwens), a. gevolg; ge- dicht- (vast-) makend; bevestigend; heelend. volgtrekking; invloed; gewicht; beteekenis. in — Consols (kon'solz). s. consols (engelsche effect.). a. getijkluice (hon'tsa.sens), of; ten gevolge van. by —, Kevolgelijk. matter Conaonnu a. —fly, ad. geovereenstemming. of —, sank van aanbelang. —t, a. volgend (nn); dendheid, lijkluitiend; overeenkomatig; bestaanbanr. itch gelijkblijvend. —I, ta. gevolg; gevolgtrek- I. overeenstemming, beking. —fly, ad. bij gevolg, dienavolgens. —tness, a. medeklinker. —tnesa, aan tick sel- staanbaarheid. s. underling verband; Consonous (kon'so•nus), a. gelijkstemmig; welVeil. Consequential (kon-se-kwen'sjel). a. juist af- luidend. geleid, volgend; gewlchtig; laatdunkend. —ly, Consort (kon'sort), a. makker; echtgenoot. in — ad. naar volgorde; gevolgelijk. —ness, a. juist- with, vereenigd met. —ship, s. deelgenootschaP, maatschap. held van afleiding; gewicht; ingebeeldheid. (kun-sort), v. a. verhinden (to); huwen; Consery able (kun-aurv'ibi), R. bewaarbaar. Consort vergezellen; v. n. itch vereenigen; samenleven; —wiry (en-sih), —ation •vee'sjun), a. bewaring, °Inge.; (with). instandhouding. —atism (-e•tizm), s. (de) partij s. waalwortri. van het behond. —afire (•e-tiv), —atory, a. be- Consound (kon'sa-aund), warend; behoudend. —alive, a. beboudsman. Conspicuous (bun spik'joe•us), a. —,/y , ad. s. zictitzichtbaar, dttidelijk; uitstekend. —ator (kon'sur-vee-tur), a. bewaarder, opzichter. baarheid, duidelijitheid; uitstekendbeid, —atnry (-e-tur-rih), a. bewaarplaats; broeikas; —ation (kon-spiconeervatorium. —e, s. convert'. —e, v. a. bewa- Cons it acy (kiln-spir'eeaih), ree'sjun), a. samenzwering, s,tmenspanning. ren; inmaken• —er, s. bevvaarder; conserfmaker. v. n. Consider (kun-sid'ur), v. a. overwegen; achten, —ator, s. samenzweerder. —e (kun-spaje), orkennen; v. n. nadenken over (0) —able, A. samenzweren, eon' Ranging sweden. —er (bunspajr'ur), a. aamenzweerder. -ably, ad. aanzienlijk, aanmerkelijk. —ableness, , a. nanzientijkheid; gewichtigheid. —anee,s. over- Constable (kun'steb1), s. konstabel; trerechte dienaar. —ship, s, konstabelschap. —wick, wijk weging. —ate (-et), a. --ately ( et-lih), ad. he- van een' konatabel of gerechtsdiennar. lioedzAa., omzichtig. —ateness (-et-ness), a. be- (kon'aten sih), s. standvnstigheid; Constan cy daard averleg. —ation (-ee'sjun), a. overweging; verechconing; achting; beweeggrond; vergoeding, bestendigheid, —t, a. —till, ad. vast; bestendig; beiooning; in — of, uit overweging van; to take standvastig. § —ts, s. vaststaande (titgentaakte) zaken. into —, in aanmerking semen. —er, a. beschou-Constella te (kun•stel'leet.), v. n. met sterren prp. aangetien; wer, in overweging•nemer. tooien; v. n. te zamen ar.htjnen. --tion (hon. in nnsmerking nemend. -big me, woe mil be- stel-tee'ajun), a gterresiopid; vereeniging van t reft. volmaaktItedes . tsPv, Consign Or. ',On). v, a
I. Each (ietsj), pr. elk, ieder. —other, elkander. Easy (ie'zih), a. gemakkelijk; rustig; insehikkeEager (ie'gur), a. gretig; begeerig (after, of); ver- lijk; ongedwongen. langend (for. to); vurig; onstuintig; scherp. —ly, Eat (iet') [ate (eet). eaten (iet'n)), v. a. eten, opad. vung; scherp. —nese, a. vurig verlangen ; eten (up); invreten, doorvreten (in. into. through. gretigheid; seherpheid. out). —one's words, zij ne woordenherroepen•—able, E*vgle (ie'gl), s. arend. —eyed, —sighted, scherp a eetbaar; s. eetwaar. —er, a. star; bOtmiddel. van gezicht. —speed, adelaaravlucht. —atone, —ing-house, gaarkeuken. arendeteen. —t (te'glit), s. jonge arend. Eaves (ievz'), a. rand van can aflak; dakdrnp. Eagre (te'gur), s. springvloed. —chop, v. n. luistervinken. —dropper, a. luisEar (ter), a. oar; gehoor; ear. quick —, lijn ge- tervink. boor. over head and —s, tot over de ooren, to Ebb (ebb'), s. eb; afneming, vernal. —tide, laag have the prince's —, bij den vorst in gunst staan. tij. —, v. n. ebben; afnemen, vervallen. —jag, —ache, oorpijn. —drops, oorbellen. —lap, °oriel. a. (het) vallen (van het water); vernal, —mark, oormerk (bij seltapen). oorlepeltje. Chun (eb'un), a. ebbenhouten; zwart. —piercing, oorkweternd. —ring, oorring. —shot, v. a. als ebbenhout maken. —ist, a. kunstdraaibereik van het gehoor. —trumpet, oorhorentje. er. —y, s. ebbenhout. —wax, oorsmeer. —wig, oorworm; oorblazer. Ebri sty (e-brare-tih), —osity (i-bri-os'it-t1h), —witness, oorgetu ig e a. dronkenschap. Ear (ter) v, n. aren sehieten. Ebulli ent (e-bul'jent), a. overkokend. —lion Earl (urf), a, grant. —dam (-dum), s. - greafschap. (eb-ul-lisrun), a. overkoking. —marshal, graaf-maarsehalk (belast met het op- Eburnean (e-bueni-en), a. ivoren. zieht over militaire plechtigheden). Eccentric (ek aen'trik), —at, a. uitmiddelpunEarl Incas (tteli-ness), s. vroegheid. —y. a, & tig; zonderling. —ity a. uitmidad. vroeg, vroegtijdig. delpuntigheid; zonderlingheid. Earn (urn'), a. a. verdienen; verwerven. —er, a. Eccleslast es (ek-kli-zi-es'tiez), a. het bock Preverdiener; verwerver. —ing, —toga, a. verdict, diker. —ic, —ical, a. kerkelijk. --ic, a. geestesten, loon. lijke. —teas (-ti-kue), s. bock van Jeztta Strach. Earnest (ur'nest), a. —ly, ad. ernstig; ijverig; Echinate (ek't-neet), a. stekelig. gretig. --, a. ernst; onderpand; handgetd. in ii:chinus (e kaj'nua), a, zee-egel; atekel (aan good —, in vollen ernst. —money, handgeld; gods- planten). penning. —nese, s. ernat; ijver. Echo (ek'o), a. weerklank; echo. —, v. a. & a, Earth (urtle), s. aarde. —bag, aardzak. —bank, weerkaatsen; napraten. cordon wal. —board, pleegplank. —born, van Eclectic (ek-lek'tik). a. uitkiezend. —, 8. eeleede aarde geboren; aardsch; goring. —bound, - tints (wijageer). grondvast. —flax, a'niantateen. —nut, aardnoot. Eclip as (e-klips'), a. verdaistering, eklipa; dubs-quake, aardbeving. —worm, aardworm. ternis; v. a. verduiateren; oversehadrtwen. —tic, Earth (aril"), v. a. met aarde overdekken; v. n. a. den zonneweg betreffend; a. zonneweg. onder de aarde kruipen. —en (urth'ii), a. aarden; Eclogue (ek'log), a. herdersdicht. —ware, aardewerk. —iness, a. aardachtigheid. Economic (ek-un-nom'ik), —at, a. —ally, ad. —liners, aardsehgezindheid. —ling, is. eterve- huiehoudelijk; zuinig. -8,.. huishoudelijk beheer. a. aarasch; —minded, aardschgezind. Econom lst (e-kon'o mist), a. zuinige huishou-y, a, aardachtig; aardsch; zinnelija; grof. der; huiahoadkundige. —lee (-majz), v. a. met Ease (tea'), a. runt, gemak; ongedwongenheid. overleg gebruiken; spaarzaam zijn. —y, a. hulaat —, gemakkelijk. at hec.rt's near hartelust. houdelijkheid; huishoudkunde; goede inrichting; —, v. a. geruststellen; lenig,n; verlichten (from. spaarzaamheid; political —, staathuishoudkunde. of); vieren. —less, a. rusteloos. —ntent, s. ver- Ecsta sy (ek'ate-aih), a. verrukking. —tic, —tical, lichting, leniging. (-stet'ik.), a. opgetogen. Easel (ie'zI), a. schildersezel. Retype (ek'tajp), a. namaakao'; afdruk; atEwa! ly (te'zil-lih), ad. gemakkelijk. —near, a. beeldsel. gemakkelijkheid; rust; inschikkelijaheid; onge- Ecumenical (ek-joe-men'ikl), a. algomeen. dwongenheid. Edaci our (e-dee'sjus), a. vraatzuehtig. —ty East (test'), a. oost, ooatelijk. oost- (-des'it-tih), a. vraatzuc ittdie-vaarder. —, a. (het) Oosten. —ward (-wurd), Edder (ed'dur), a. bindrijs. v. a. opbinden ad. oostwearte. (met bindrijs). Easter ( ∎ est'ar), a. paschen. —day, paaschdag,. Eddish (ed'diaj), ook Eagrass en Etch, a, et-ere, paaschavonit. —fair, paaschmis, —monday. groen, nagras. paasehmaandag. —week, paaschweek. —ling, s. Eddy (ed'dih), a. ronddraaiend, dwarrelend.—, a. oosterling. —ly, a. & ad. oosterlij k. —n. a. tegenstroom, draaiko:k. —water, kielwater. —wind , oosterseh. dwarl•ind. —, v. n. ronddwarrelen.

WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Betaalt u belasting over Bitcoin winst


—nets, a. stet, Maxim (meks'im), a. stet-, grondregel. —um felijkbeid; belangrijkiteid, gewieht. —toe (-ajz).1 ( 1-mum), a. (het) hoogste; haogate growl. v. a. stoffelijk makes; als star 1,schouwea. —a May (met), a. Met, bloeimaand. —bloom, Imagedorm. —bug, meikever. —bush, wilde kwee. (-elz), p1. bouwatotren. —day, meidag, aerate dag van Mei. —duke, meiMatern al (me-tur'nel), a. moederlijk. — ity, a. kers. —flower, hagedoorn. —fly, meikaver. —game, moederschap. meispel; apeelbal. —lady, metkoningin. Math (meth), s. suede, mailing. lelie der dalen. —morn, irischheid. —pole, meiMathematic (meth-e-mot'ik), —al, a. —ally, ad. boom. —weed, laondskamille. —worm, meiworm. —ian (-me-tisfen), a. wiskunstenaar. May (nice') [might onajt nJ, v. n. mogen, kunnen. —8, pi. wiskunde. —be, —hap, ad. misschien. Maths (met'in), a. ochtend-, vroeg. — , a. ochtend. Mayhew (mee'him, macs), s. verminking. — 8 (-inc.), p1. metten, (del vroegniia. Mayor (rnee!ur,, s. mayor, burgemesster. —ally Matrass (met'ress), P. distilleerkolf. (-el-tih), a. mayorschap. —ems, a. echtgenoot van Maisie a imet'rial, s. matrijs, vornt; (mee'tris) een' mayor. baarmoeder. —ide (-sajd), a. moedermoord; -moonier. —lees (me-trisrus), tt. van de baar- 1Nlaxard (mez'erd), a. kriek, zwarte kers; kakebeen. mo,der. Matrlcula in (me-trik'joe-let), a. ingeschreven; Mazarine(mez - e - rieu), a. donkerblauw; tussehengerecht; fljne hemdatrook. a. ingeachreven lid. —te (-leet), v. a. ale lid inMit. a (mete), a. doolhof; verlagenheid; oozeechrijven. — tion ( 11e'sjun). s. insebrijving. kernel& —e s v. a. in verlegenheid brengen; vet, Matrinson 'al (met rt-mo'ni-el), a. huwelijks., ateld doen stun. —edit.** a. verwarring; verechtelijk. —y (met'rt-inun-nih), e. huwelijk. baasdheid. —er, a. houten baker. —y, a. verMatrix (meetriks), 8. Zie Matriee. bluft, verward, vol kronkelpadeu. Matron (mee'trun), a. huismoeder, matsone. —al, —like, — 4, a. van (al.) eene huismoeder; be- Mazologle (me-zol'od-zjih), a. kennis der zoogdieren. dsagd; eerhaar, stemmig. Pie (mi), Pr- mij Matrons (tne-tros'), s. handlanger, helper. Itlesteoelt (mi'kok), a. laf, bloode; verwjjfd. —, Matted (met'tid), a. gevlochter., verward. a. janhen, verwede vent. Matter (met'tur), 8. stof, zelfstandigheid; onderwerp; zaak; etter; gewleht. — of fact, feit, Mead {rnied, a. made; vaide. wezenlijkheid. what is the — ? wat is er gaande? Meadow (med'o), a. weide, wetland. —bouts, pl. boterkloem. —bugle, klokbloem. —eampion, is geenazina. it Ran? no such —, wat acheelt er —pinks, pl. koekoekebloera. —grass. weidegrag. no —, het heeft Wets te beduiden. —, v. n. —ground, weidegrond. —iron-ore, weide.oer.—lark, etteren; van belting zijn. —y, a. etterig. grasleeuwerik. —rue, weidetult. —saffron, t ij loos. Mat tings (meetieng.), pl. matwerls; atroodek—sweet, weidebQksbaard. —trefoil, weideklaver. ken. —took (-tuk), 8. spade, houweel. —tress —wort, weidektuid. (-tress), s. matraa. Mature te (met'joe-reet), v. a, & n. Oh) maken Meagre (mi'gur), a. —ly, ad. maser, schraal. —nese, a. msgerheid. (woiden). —tie. (-ree'sjun), a. rtiPmaking; rijP wording; ettering. —tire (-re-tiv), a. rijpina- Ibeak (miek), a. (soon van) aikkel. Mead (mien'), a. meal; meal; maaltijd. —brimstone, kend; ettering bevordeeend. zwavelpoeder. —man, meelkooper. —meat, meet a. —ely, ad. rijp, —e, v. a. & Mestair a (me-goer') nip, —rent, belaating An meal. —sieve, mealn. rijp Timken (warden). — cam, 8. riipheid. sea. —time, etenstijd. —tub, meelton. —worm, — esceot (met - toe - resieent), a. rijpend. — ity, a. nteelworm. —, v. R. met meal bestroolen. —iness rijpheid; vervaltijd. (-i-ness), a. meligheid. Matutissal (met'joe-taj-eel), a. ochtend-, vroeg. Maudlin (maod'Iin) a. dronken, bedwelmd; dom. Mealy (mienih), a. melig; nacelach.tig. —mouthed, bedeesd; verbioemend, huichelachtig. —moutheda. leverkruid. ness, a, bedeesdheid; huichelhchtigheid. Matogre m ao'gur), ad. ondanks, in weertvil van. Maul ,rnaol'), a. houten hamer, beukhamer. —stick, Mean (mien'), v. a. meenen; van zing zijn• beteekenen; v. n. voorne.nens ztjn. —, a. midden; leunstok (bij schilders). —, v. a. beaten; misinii!delmaat; tenor. —, a. —ly, ad. laag, gemeen, handelen. going. —horn, van geringe af komet. —part, midMisused (monad', mooed'), a. mend, handkorf. delstem. —spirited, laag, verachtelijk. —time. —er, v. a. prevelen, mompelen; bedelen. —y, — while, ad. ruiddelerviijl. thurinlay (rnaon'dih-), witte donderdag. Mean der (mi-eredur). s. kronkeling, boeht. —der, Mausoleums (mao-so-li'um), a. praalgraf. 'a. a. & n. kronkelen. —drone (-drug), a. kron , Maw (trtaow'), s. maag, krop. —worn;, spoelkelig. v4orm. made. rillasvyk (maak'), a. made; slat —ingly, ad. alon- Mean lug (mien'ieng), a. meening; beteekenis. —ness, a. laagheid, gemeenheid; geringheid. —s zig, omerig. —ish, a. walgelijk; laf. —ishness, (mien.), s. rniddel, wijze; p1. middelen, inkoma. walgelijkheid; lafhuid. —a, a. slat, slons, sten; by all —, in elk gavel; by no —, in geen moreebel; pl. grillen. geval, geenazins. Maw suet Imao'rnit), a. popje, afgodabeeldje. (mies), a. vighonderdtal Iharingen) . . ;Manse a. izinderachtig; walgelijk. —y (•1e-ritil, a. vr,n de Measles' (rni"z1d), a. vol mazelen; gorttg; maMaxillae zelig, bask, van bet kakebeen. H. materialist. —ity
Minaret (tein'e-ret), s. minaret. klnatory (min'e-tur-rih), a. dreigend. Mine e (mina'), v. a, klein hakken; verzaasten, verbloemen; v. n. trippelen; gemaakt apreken. --ed-meat, gehakt. —e-pie, vleeschpaetei. —ingly, a. bij Mane gedeelten;gemaokt. Mind (mejnd'), a. gemoed; geeet; verstand, gehettgen; neigittg; lust; massing, gevoelen. out of —, onlieugelijk. to cull to herinneren. to change one's mind, van gedachte veranderen. to have a —, lust (zin) hebben. to ;nuke up one's —, besluiten. to pat in —, indachtig maken. —stricken,a. bewogen, aangedaan. Mind (majnd'), v. a. letten op; denken om; bcdenken; in ache nemen; behartsgen; etch sloven aan; v. n. geneigd ztjn. —ed, a. gezind. —edness,..gezindheid.—ful, a. fully, ad. in dacht ig,oplettend „ —fulness, a. oplettendheid. —less, a. onoplettend, gedachteloos. Mine (mails), pr. he (bet) mijae, a friend of eon mijner vrienden. Mine (majn'), a. mijn. —digger, —man, mijnwerker. —pit, mijngroef. —v. a. ondermijnen; v. n. mijnwerk verrichten. —r, a. mijnwerlor, ineur. Mineral (min'ur-el), a. delfstoffelijk. s. delfstof. —ist, a, kenner van delfetoffen. —izsation (-i-zee'sjun), a, verandering iii eene delfatof.—iee (-ajz), a. a, in eene delfstof veranderen. — apical (-e-lod'zjikl), a. delfstofkundig. —split a, delfstelkundige• —ogy (•el'ud-zjih), a. delfstofkunde, Minever (min'e-vur), a. Zie Meniver. Mingle (ming'gl), s. mengsel. --, v. a. tit n. (zich vermengen. —mangle, z. nnengelmoes. —r, a. mengee, vermenger. Miniard (min'jurd), a. zacht, teeder, lief. —ize I chkjz), a. a. vertroetelen. C (min'i-eet), v. a. rood verven, menien. —ure (-i-e-tjoer), a. verkleind, op kleine schsal; s. ieiniatuur. Manikin (min'i-kin), a. klein, lief, —, a. speldje; dreume,je, lieveling. Minim (roin'im), s. dwerg; minderbroeder; klein gedicht; kleine letter; halve coot; grondeling. —um (-i-mum), I. (het) minste; minste grand. Mining (maj'nieng), s. bergbouw, mijnarbeid. Minion (min'jun), a. lieveliug, gunsteling; kolouci (drukletter), menie. —like,—ly, ad. lief, aardig, gemaakt. —ship, a. liefkoozing, ataat van gunsteling. Miasisaurc (mious), a. menie - road. (min'i.j), v. a. verminderen, Minist er (min'is-tur), a. minister, ataatsdienanr; gezah-t; predikant; werktulg. —, v. a. geven, verBehaden; v. n. oppassen, medicijnen geven; benulezaam zijn; dienst doers. —erial, a. —erially, ad. (-teri-el-1, ministerieel; ondereeschilt. —rant, a. dienstdeenci, bedienend. —ration (-tree'sjun), a. di,enst; bediening. —ry (-trih), a. minieterie; enlist; ambabediening; kerkelijke dieust. Minium (min'ium), menie. § Mink (mink), s, ((sort van) wezel. Minnow (inin'no), a. grondeltje, atekelbaarsje. Minor (maynur), a. minder. gernager; jaeger, unnderjarig. --, a. mindeejarigeLtweede stelling

Hoe koop ik Bitcoins bij een geldautomaat


Cryptocurrencies are experiencing a moment of unprecedented attention and speculation for several reasons. 1) The value of Bitcoin has been steadily climbing through 2017, with Ether seemingly poised to overtake the cryptocurrency giant any day; 2) Blockchain technology has purposes above and beyond cryptocurrency, and has been hailed by some as the backbone of the future financial system; 3) The increasing number of people who see cryptocurrency as a form of investment similar to gold. If cryptocurrencies stabilize in value, buying Bitcoin or Ether has the potential to be a worthy venture. 
—nets, a. stet, Maxim (meks'im), a. stet-, grondregel. —um felijkbeid; belangrijkiteid, gewieht. —toe (-ajz).1 ( 1-mum), a. (het) hoogste; haogate growl. v. a. stoffelijk makes; als star 1,schouwea. —a May (met), a. Met, bloeimaand. —bloom, Imagedorm. —bug, meikever. —bush, wilde kwee. (-elz), p1. bouwatotren. —day, meidag, aerate dag van Mei. —duke, meiMatern al (me-tur'nel), a. moederlijk. — ity, a. kers. —flower, hagedoorn. —fly, meikaver. —game, moederschap. meispel; apeelbal. —lady, metkoningin. Math (meth), s. suede, mailing. lelie der dalen. —morn, irischheid. —pole, meiMathematic (meth-e-mot'ik), —al, a. —ally, ad. boom. —weed, laondskamille. —worm, meiworm. —ian (-me-tisfen), a. wiskunstenaar. May (nice') [might onajt nJ, v. n. mogen, kunnen. —8, pi. wiskunde. —be, —hap, ad. misschien. Maths (met'in), a. ochtend-, vroeg. — , a. ochtend. Mayhew (mee'him, macs), s. verminking. — 8 (-inc.), p1. metten, (del vroegniia. Mayor (rnee!ur,, s. mayor, burgemesster. —ally Matrass (met'ress), P. distilleerkolf. (-el-tih), a. mayorschap. —ems, a. echtgenoot van Maisie a imet'rial, s. matrijs, vornt; (mee'tris) een' mayor. baarmoeder. —ide (-sajd), a. moedermoord; -moonier. —lees (me-trisrus), tt. van de baar- 1Nlaxard (mez'erd), a. kriek, zwarte kers; kakebeen. mo,der. Matrlcula in (me-trik'joe-let), a. ingeschreven; Mazarine(mez - e - rieu), a. donkerblauw; tussehengerecht; fljne hemdatrook. a. ingeachreven lid. —te (-leet), v. a. ale lid inMit. a (mete), a. doolhof; verlagenheid; oozeechrijven. — tion ( 11e'sjun). s. insebrijving. kernel& —e s v. a. in verlegenheid brengen; vet, Matrinson 'al (met rt-mo'ni-el), a. huwelijks., ateld doen stun. —edit.** a. verwarring; verechtelijk. —y (met'rt-inun-nih), e. huwelijk. baasdheid. —er, a. houten baker. —y, a. verMatrix (meetriks), 8. Zie Matriee. bluft, verward, vol kronkelpadeu. Matron (mee'trun), a. huismoeder, matsone. —al, —like, — 4, a. van (al.) eene huismoeder; be- Mazologle (me-zol'od-zjih), a. kennis der zoogdieren. dsagd; eerhaar, stemmig. Pie (mi), Pr- mij Matrons (tne-tros'), s. handlanger, helper. Itlesteoelt (mi'kok), a. laf, bloode; verwjjfd. —, Matted (met'tid), a. gevlochter., verward. a. janhen, verwede vent. Matter (met'tur), 8. stof, zelfstandigheid; onderwerp; zaak; etter; gewleht. — of fact, feit, Mead {rnied, a. made; vaide. wezenlijkheid. what is the — ? wat is er gaande? Meadow (med'o), a. weide, wetland. —bouts, pl. boterkloem. —bugle, klokbloem. —eampion, is geenazina. it Ran? no such —, wat acheelt er —pinks, pl. koekoekebloera. —grass. weidegrag. no —, het heeft Wets te beduiden. —, v. n. —ground, weidegrond. —iron-ore, weide.oer.—lark, etteren; van belting zijn. —y, a. etterig. grasleeuwerik. —rue, weidetult. —saffron, t ij loos. Mat tings (meetieng.), pl. matwerls; atroodek—sweet, weidebQksbaard. —trefoil, weideklaver. ken. —took (-tuk), 8. spade, houweel. —tress —wort, weidektuid. (-tress), s. matraa. Mature te (met'joe-reet), v. a, & n. Oh) maken Meagre (mi'gur), a. —ly, ad. maser, schraal. —nese, a. msgerheid. (woiden). —tie. (-ree'sjun), a. rtiPmaking; rijP wording; ettering. —tire (-re-tiv), a. rijpina- Ibeak (miek), a. (soon van) aikkel. Mead (mien'), a. meal; meal; maaltijd. —brimstone, kend; ettering bevordeeend. zwavelpoeder. —man, meelkooper. —meat, meet a. —ely, ad. rijp, —e, v. a. & Mestair a (me-goer') nip, —rent, belaating An meal. —sieve, mealn. rijp Timken (warden). — cam, 8. riipheid. sea. —time, etenstijd. —tub, meelton. —worm, — esceot (met - toe - resieent), a. rijpend. — ity, a. nteelworm. —, v. R. met meal bestroolen. —iness rijpheid; vervaltijd. (-i-ness), a. meligheid. Matutissal (met'joe-taj-eel), a. ochtend-, vroeg. Maudlin (maod'Iin) a. dronken, bedwelmd; dom. Mealy (mienih), a. melig; nacelach.tig. —mouthed, bedeesd; verbioemend, huichelachtig. —moutheda. leverkruid. ness, a, bedeesdheid; huichelhchtigheid. Matogre m ao'gur), ad. ondanks, in weertvil van. Maul ,rnaol'), a. houten hamer, beukhamer. —stick, Mean (mien'), v. a. meenen; van zing zijn• beteekenen; v. n. voorne.nens ztjn. —, a. midden; leunstok (bij schilders). —, v. a. beaten; misinii!delmaat; tenor. —, a. —ly, ad. laag, gemeen, handelen. going. —horn, van geringe af komet. —part, midMisused (monad', mooed'), a. mend, handkorf. delstem. —spirited, laag, verachtelijk. —time. —er, v. a. prevelen, mompelen; bedelen. —y, — while, ad. ruiddelerviijl. thurinlay (rnaon'dih-), witte donderdag. Mean der (mi-eredur). s. kronkeling, boeht. —der, Mausoleums (mao-so-li'um), a. praalgraf. 'a. a. & n. kronkelen. —drone (-drug), a. kron , Maw (trtaow'), s. maag, krop. —worn;, spoelkelig. v4orm. made. rillasvyk (maak'), a. made; slat —ingly, ad. alon- Mean lug (mien'ieng), a. meening; beteekenis. —ness, a. laagheid, gemeenheid; geringheid. —s zig, omerig. —ish, a. walgelijk; laf. —ishness, (mien.), s. rniddel, wijze; p1. middelen, inkoma. walgelijkheid; lafhuid. —a, a. slat, slons, sten; by all —, in elk gavel; by no —, in geen moreebel; pl. grillen. geval, geenazins. Maw suet Imao'rnit), a. popje, afgodabeeldje. (mies), a. vighonderdtal Iharingen) . . ;Manse a. izinderachtig; walgelijk. —y (•1e-ritil, a. vr,n de Measles' (rni"z1d), a. vol mazelen; gorttg; maMaxillae zelig, bask, van bet kakebeen. H. materialist. —ity

nano s cryptogeld wallet


QUI. felachtlg; verdacht. —ablexess, e. to ijfelachttgheld. —ary. a. vrageard. —er, a. auger; onderzoeker. —lest, a. zonder twtfel. Quibble (kwib'bl), e. woord , peling, apitsvondig. held. —, v. n. woordapelingen maken. —r, a. die woordspelingen maakt. Quick (kwik'), a. levend vleesch, leven; groene plant. the — and the dead, de levenden en de dooden. to cut (sting) to the —, diep grieven. —, a. & ad. levend; manger (with); levendig, vlug, anel. a — ear, een acherp gehoor. —beam, norbenboom. —eyed, acherp van gezicht. —grass, bondsgrae. --lime, ongebluschte halt. —match, loot. —sand, drijf-, vlugzend. —scented, Bohm van reuk. —set, a. leverde plant; heester; v. a. met heestergewas beplanten. —set hedge, groene hang. —sighted, acherp van gezicht. — silver, kwiksilver. —silvered, met kwikzilver overtrokken. —tube, gerwindobje. —witted, scherpzinnig, gevat. —work, wagering; levend gedeelte (van een whip). Quicken (kwik'kn), v. a. verlevendigen; verhaasten; aanmoedigen; aanzetten; v. n. levend worden; rich and bewegen; levers gevoelen. —er, a. hezie1er; verhaaster; aanspoorder. Quick ly (kwirlih), ad. ens;, acbielkjk; weldra. —nest, a. levendigheld; vlugheid, sarelheld; acherpte. Quid (kwie), a. tabakaprulm. —dany (-de-nib), a. kweevieesch. —nuae, a. vrasgal. Qutddit (kwid'dit), u. woordspeling, dubbelzinnigheld. —y, a. (het) eigen;ijke, wezenlijke;.eyltsvondigheid. Qui/Idle (kwid'd1), v. n. den tijd verLeuzelen; talmen. —r, a. treuzelaar, Vanier. Quieac at tkwAj-esse), v. a, atom aijn. —encc, —ency, m. rust. —ent, a. rustend; fail, stow. Quiet (kwarit), a. —ly, ad. gerust, sill. s. rust, stilte. —, v. a. doen bedaren, —er„ a. stiller, sueser; bedarend middel. —tam, a. gemoedarust; leer der quiEtisten. —nest, —ude (kware-rjoed), s. runt, atilte, gerustheid. —us (-rttur), a. kwijting, onto-lag; rust. Quill (lcuill). a. slagpen, acbacht; schrijfpen; nickel; npoel; clobber. —boy, apoeljongen. —driver, pennelikker, broodschrliver. —, v. a. ploolen, vouwen; keperen. Quillet (kwillit), a. apitavondigheid, ioopje. Quilt (kwilt'), a. gestikte deken; matras. -, v. a. atikken. log, a. (het) etikken; gestikt werk. Quinary (kwaj'ne-ri ► . a. vijfiedig. Quince(kwine),a.kweehoom,kweevrucht.—peach, kweeperzik. —pie, kweetaart. —tree, kweeboom. Quincunx ,kwin'kuaglifs), a. Nijfvorm (ruitswijza planting). Quenderagon (kwin-dek'e-gon), a. vijftienhook, Quinine (kwi-najn'), a. quinine. Quinqu ageslinra (kwin-kwe-djea'-me), a. zondag vábr de Neaten. —angular (-kwen'gjoe-ler), a. aijfhoektg. —ennial (-kweteni-e1), a. Niejarlig. —Ina (-kwarne), a. kinabast, kina. Quinsy (kwln'zib), u. keelontsteking. Quint (kwint), a. vkjfde; quint. — aln -een), a, Zie Quintin. --al, a. centenaar. —an, a. trierdendaagaehe koorts. —essence (-es'sens), a. gent.
Vico (vaja), ad. ter vervanging van; onder-. — Vinci-mated (Yin-di'mi-ell, a. van den wijnoogat. Voor den kiemtoon der volgende samensteilin- Vine:len biro (vin'di-kibl), a. te verdedigen, te gen site het hoofdwoord. —admiral, vice-admielat. rechtvaardigen. —te (-keet). v. a. verdedigen, —agent, plaatsveyvanger. —chancellor, viee.kan- rechtvaardigen; etaende houden; weaken. —ties (-kee'ejun), a. veededlging, rechtvaardiging. —live seller. —corona, vice-consul. —gerent (-dsjl'- rent), a. plaatsvervangemd; s. pleats veryanger. (-kee-ttv), —tory (-ke-tur-rib), a. verded;gend, reehtvaardigend. —tor (• kee-tnr).s. verdediger. —president, ondervoorsitter. —rvy (vajs'roj), on- Vindictive (vin-dik'tiv), a. --ty, ad. writakgtederkontng. —royalty, onde•koningschap. Viet* age (dei - nifUi) , a bnurt,., nabuurschFtp. rig. —ness,s. wreakglerigheid. s, nabijiteid, Vine (vajn't, a. wkinhtok. —branch, w *wank. —at, a. naburig. —tip resser, wijngstardanise. —fretter,. —grub, widnnabunrechap. V lelotin (Carus). a. —ly, ed. verdoryen, slecht, gaardrups. —leaf. wijngaardblad. —prop, wingebrekkig. —xess, 8. verdorvenheid, sleehtheid, gerdstut. —shoot, wijneank. Vines/pot (vin'e•gur), a. ark* —bottle, —cruet, gabrekkigbetd. azijnfleschje. —maker, asijnmaker. V tclssitud a (vi-eis'el-tjoed). s. atwiseeling. —inary (-tjoe'di-ne-ally, a. afwisee- Viocry (varnur•1h), s. broeikas (vow' wijnstoklend. ken). Victim (vik'tim), s. slachtoffir. --ire (-ajz), v. a. 'Vineyard (vin'jurd), s. wijugaard. Vlnonn (vej'nua), a. wijnaehtig opotieren. Victor (vik'tur), a. uverwi. nnanr. •—ions, a. —iousfy, V int age ( vint'icizj), e. wtj nooget. —at pwoh -to'rt-us.), overwinnend, zegeviereud. —y, a. ( yenlesee. —nor I• our), a. wijnkooper; wijnhuialouder. —ry, a, wUnhuis, kelder. overwinning, zege (over). Victual (vit'l), v. a. vary nonlbehoeften yoor- Viny (varnih), a. van den vijnatok; rkjk aan sten. —ler, a. victuslie-nte star; proviaudschip. wijnstokken. (vaj'ul), a. stool. —a pl, mondbehoeften. Villa) at (eictioe•e1), a. wedu we. —ity (-joe'it- Viola bin (ya)'n!-ibl), a. achendbaar. —emus (•ee'ejus), a vioolblauw. —te (-eet), Y. a. echentih), s. weduwschap, weduwlijke staat. Vie (vaj), v. a. wedij veren in, avertreffen; v. u. den; overtreden; verkrachten. —lion (-ee'sjuti), asehendtng; oyertietting; vertirachting. wedij veren (for. in). View (vjoe's, s. gezleht; uitz ∎ cht; voorkow on; be V !oleo, cc (vayul-ens), a. gavel d, herighetd,gesiehti•ing; nnderzoek; insicht, oognserk. at sae —, welddadIghein; annual; verkrachting. —t, a. —tly, met een oogopslag. t. a. sien, beech:Amen, Ad. geweldig, bevlg,gewelddndig, afgedwongen. in oogenschouw nemen; v. n. (at) doelen op. Viol at (vayul et), a, viotetkleueit;, Paard; a. —er, a. besichtlger, beschouwer. —lees, a. oegs- viooltje. —in, n. viool. vioolaPeler. Viper (varpur), a adder. —'s-grass, addergras. 'len; oasichtbitar. Vigil (vid'sj ti), s. aachtwake; ,hat) waken; het- —' a head, elangekop (seedier). --snake, adderligavond; — ance, a. waaksaamheid. —ant, a. slang. —ine (-iu), a. adder-. —ous, a. adderachtig; —antly, ad. waskzaam. venijnig. Virago (yaj-ree'go), a. heldin; manwijf. Vignette (vin-jet'), a. signet. Vigor (vig'ur), a. kracht, eterkte. —otte,a. —ously, V it gin (vuedzjin), a. maagdelijk; sniver; rein, a. maagd. --al, a. maagdelUk. ad. kreebtig, steak. onbeviekt. Vile (vajl'), a. —ity i-dzjIn'it-tih), a. maagdelijkheid; maagdom; ad. baag, gemeen; geeing; verachtelijk, enood. —nese, a. laagheid, gemeea- reinbeid. Virgo (vuego), e. (de) Maagd. held; verachtelijkheid. snoodheid. Vilif Watt°. (01if4-kee"ejun), s. vet lasing, Wield (yield), a. 1 . roen. —lip (vi-eld'it-tih), —ness, beechimping, —ier (vil'i-faj•ur), s. veringar, be- s. groenheid, groan. Whimper. —y (vill-faj), v. a. veriagen. be- V4111 (y1,11), a. mannAjk. —ity (vi-ell'it-tih), a. mannelijkheid, na anbaarheid. sehimpen. s, veraehting, Virtu (sir-toe'), a. smaak, kunstgevoel. ilipendeacy (vil-i-pen'den si VI rtanal (vuetjoe-sir, a. innerlijk vermogend.—ty, veramading. al. door inwonend vermogen. —ity Viii s. dorp, gehueht. Villa (vil'le). a. buitenplaate, villa. inwonend vermogen. Virtu • (vuetjoe). a. deugd; kracht, vermogen, VIE:age dorp. —r, s. dorpeling. werking; yoortraffelijkheid; dapparheid; by (an) Villain (vilqiu), a. lijfeigene; eller deling. Villas. age (vil'iln-Idsj), a. ltjfeigenschap; melt ttek. — of, krachtens. — eiete, a. zonder deugd; krat bteaehtigheld. —oat, a. —only, ad. laag, gemeen, loos. —oco (-o'so), a. virtuoos. —ous, a. —musty, sehurkachtig, snood. —amines*, a. achurkachtig- ad. deugdzaatet; krachtlg, beilzaam. —ounces, a. held, anoodheid. —y, a. laagheld, achurkerij; deugdsaaraheid. V fru Ion en (de)oe-Ier.a), a. amet^tor; kwaadsehuriustreek. aardigheld, ventjnigheid.—t, a. —tly, ad. beametV II I toms (On u%), a. ruw,ruig,xollig, harig. Vlenin al (vim'i-nel), a. teenen vonetbrer2gend; telijk; boosaardig, venijnig. Tan teeuen. —eons (vi-min'i-ns), a. van teenen. Vistas (vsyrus),s. amet.tof, verglt. Visage (vieldsj), s. aangesieht, geiaat. —d, a. gevlochten, teen en. Vinacsous (vi-nee'sjus).a.van den wijnatok;wtin-. met een... aslant. Wheel hit (vin'sibl), a. overwinnelijk. —bitity Vises*. a (via'aur-e), a. pl. ingewanden, —al, a. ingewanda-. —ate (-eat), v, a. ontweiest. (el-birit111), —Nexus, e. overwinnelOtheid.
12o littdeudom. fat,,oeotql., (-ajz), v. n. als run heiden /even. Gentle (dzjen't1), a. van goede gebocrte; zacht, vreedzaam, —birth, fatsoenlijke afkomst. —folks (-looks). (de) fatsoenlijke stand. —man, man van eer; hoer. —manlike, —manly, a• wellevend; van een' gentleman. --manliness, s. wellevendheid. —ness, s. fatsoenlijke afkomst; zachtaardigheid. —woman, vroinv van geboorte, dame. Gently (dzjent'lib), ad. zachtjea. 4:entry (dzjen'trib), a. rniddelatand. G en. fl exi o ( dzji-njoe flekejun), s. kniebuiging. 4:ermine (dzjenijoe-in), a. —ty, ad. echt,onvervalscht. —ness, s. echtheid. Genus (dzji'nus), s. geslacht. Geocenaric (dzii-o-sen'trik), a. gelijkmiddelpuntig met de cards. Geode (dzji'ood), a. aardateen. —8y a. landmeetkunde. Geog nosy (dzji-og'no-sih), s. kennis der bergsehichten of aardlagen; bergkunde. --cmy (-unnth), N. leer van de w‘rding der anode. er(dzji-ogre-fur),s. aardrijicskundige. G eogra ad. (-o-gref'ikl-), aardrijks—ical, a. kundig. —y (41h), a. aardrkskunde, aardrijksbesehrijving. A. geoiogisch, Geological aardkundig. Geolog let (dx3i-ol'ud-zjist), a. geoloog. aardkeener. —y, a. geologie, aardkunde. s. waarzt Geolnancy (ult figuren). Grotne ter (dzji-om'i-tur, —trician —trical (-o-met'rik-), a. s. meetkundige. a. meetkunde. meetkundig. try (• Geoponic (dzji-o-poreiL), —al, a. dgn landbouw betreffend. —s. landbouwkunde. George (dzinrdzj)-, s. St. Jorisbeell; kommiesbrood. Georgic (dzjor:dzjikl, a. den lartdbouw betrefa. gedicht op het landleven. fend. Gectic (dzji-oVik), a. de aarde betreffend, Geranium (dzje•ree'ni-um), e. geranium. Gere ► t (dzji'rent), a. dra3end. Gerfalcon (dzjur'fao-kn), s. giervalk. Germ (dzjurrn), a. kiem; oorsprong. German (dzjar'rnen) a. verwant; duitsch. cousin—. voile neef (nicht). —flute, dwarstluit. —toys, Neurenberger waren. —ie, (-rnen'ilci, a. germaansch. ( -lam), a. duitsche spreekwijze. it ertntander (dzj ur. men'dur), a. manderkruid. Germin al (dzjuemi-nel), a. de kiem hetreffend. —ant (-neat), a. kiemend, spruiteud. —ate (-neet), v. a. duets komen; v. n. ontkiennen, uitspruiten. —shoe (.nee'sjun), s. ontkierning, groei. Gerund (dzjer'und). a. gerundium. Gest (dzjest, ), a. daad; reisdagboek. —ail. (-tee' r,jun), a. draeht (van dieren). —ic, a. van de gebaren; overgelever d • Gestieulo to (dzjes-tik'joe-leet), v. a. nabootmen; v. n. gebaren maker, —tion (-lee'sjun), a. gebarenepel. —tar, a. gebarermaker. Gesture (dzjestljoer), s. gebaar, beweging. Get (get) [got], v. h. bekomen, winners, verkriigen, verwerven; doe,; to weeg brengen; overre-
The programme is named after the Dutch philosopher, theologian, Renaissance Humanist, monk, and devout Roman Catholic, Desiderius Erasmus of Rotterdam, called "the crowning glory of the Christian humanists".[1] Erasmus, along with his good friend Thomas More, became one of the main figures of European intellectual life during the Renaissance. Known for his satire, Erasmus urged internal reform of the Catholic Church. He encouraged a recovery of the Catholic Patristic tradition against what he considered to be contemporary abuses of the Sacraments and certain excessive devotional practices. He famously clashed with Protestant revolutionary Martin Luther on the subject of free will. ERASMUS is a backronym meaning EuRopean community Action Scheme for the Mobility of University Students.[1]
455 --Aoudendo secret, close, reserved. —Amsding, secrecy. —korner, cabinet, private room. —road, privy council; privy counsellor. steganography. —sehrijner, secretary, —sinnig, by. bw. mysterious (-ly). mYeteriowsness. —ante, o, mystery . Gehekei, o. hatceelling; criticising, censuring. Gehelutd, by. helrned. Geirsuieite, o. palate; twit,. —letter, palatal letter, palatal. Gehengeu, ov. w. to suffer, to tolerate, to allow. Geheugers. o. memory. —leer, mnemonics. —is, v. remembrance, memory, Gelteveld,bv. leavened. CA ehUg , 0 panting, gasping. Ge311k, o. hiccupping. ehink. o. halting, limping, Gebinalk,o. neighing. Gehabbel, o. jolting; stammering. Gehoest, o. coughing. ti ell° nee', o. bungling, huddling, tenburrapell, o. hobbling, stumbling. ea niaraor, o. beach, OAT; audience; auditory. — geven aa-a, to toys (to lead an) .r to. — vinden bij, to find a hearing with. —bale, auditory canal. --gang, auditor passage. —kande, —leer-, acoustics. —vlies, tympan. —salt, hall of audience, auditory. —geauw, auditory nerve. —40, bv. vertrek, room in which one mey cattily hear what is said or done near it. G ohoornd, by. horned. Gebuorsitern, by. & bw. obedient (ly), entlftil (ly). —held, v. obedience, dutifulness. Goltoorsatnen,ov. & on. w. to obey. i Gebeis,o. tossing, jolting. Gebotsdera, he. obliged, boanden. Gebueht, o. hamlet. Gehtilehel,o. dissembling. Gehuil, o. howl, howling,yelling. Gehulsd, by. lodged, having a bowie, (debunker, o. hankering. Gehuppel,o. skipping, hopping. Gel, v. bran. —form, brail,clew-garnet --tour/seine, clew-block. —en, ov. W. to clew (to clue, to br.,11) up. lied, by. too fat, rook; too much dunked; luxuriant; lascivious, lustful, lewd, lecherous. —held, v. rankness; linurian , y; lasciviousness, lewdness, lechery. Gel:loner, m. spark, glittering. (felt, v. goat, she goat. —eleer, goat 's -leather, kid, kid-leather. —evel, goat's skin. —evleeach, govt's flesh. —enbaard, goat's beard. —enblad, woodbine, honey-suckle. —endrek, goat's dung. —.hoar, goat's hair. —enhoeder, goat-herd. —enmelk, goat's milk. —enmelker, goat-milker, gout. sucker. —enutal, goat-house. o. kid. GeJaagd, by. hurried,. uneasy, agitated, nervous —Acid, T. hurry, uneasiness, agitation. GeJachl, o. hurrying. Geionatner,o.larnenting,lamentation. GeJank, o. howling, yelping. GeJeuk,o. itch,itchIng. Gr./ oel,o. sboutingatir. (b.Jonw,o. hooting. u Itch, o, shouting, cheer, cheering, applause.

slakkenkl ►ver. —flower. slakkenbloem. —leech, Snow (sus'), 8. sneeuw; snauw (schip). —ball, bloackuiger. —paced., langraam. —,hell,elakken- sneetrwbal.—bird,--buntimsneeuvavogel.—blind, Pn ecus, blind. —br oth, gesmolten sneeuw. huts. —titcne,slakkensteen.—waterolokkenwater. 8D8C11WiReht; hoop mneenw. —drop, sneeuwklokte. —like. a. stakachttg; langzaam —finch aneeuwvink. —flake, :meetly v log. —shoe, Snake (sneek'), r,. slang. hooded —, brilsiang. sneenwschoen. —slip, sneeawstorting, )swine. —lines, degenvi,h. —gourd, slangvisch. -- ; fish. —white, smelt wwit. — ,a. n. sneeuwen. —y, a. bepl. sch.erlijnen —root. siangentvortcl. --stone, anurebuwist usbn,)e,eurkinto; erseti.n. slangonstton. a,umon'horen. —weed, slargen- sn --nosed, stompneuzig. kruid. —wood, slangoahout. —, v. a. doorhaion, bekijven; aficnotten; weerhononlzelend. Snaky (snee'ltih), a ,31Faut4ehtig., den. Situp (rnep'), s. )coup,, lcnip, krrk; hap, beet; a. snuif; snuifsel. to take —. snuiven. vara,t; rOootje. —dragon, leeuwenbek, kalrgmnit Snuff (snuff'), to lake — at Iin —), kwalijk nemen.--box,souifv. a. (bloom); seeker re pal. —scuk, kuapzak. door. —taker, snuirer. —, V. a. opsnuiven ,up); gna,,,, varigen; happy.; broken; toegr,uwen; , ; v.eknizvurtivoern; (at ) zich ergeriruenikoenvec sndletintennecitosuotptr br. eklinean p. wegkopen. p(,01 () ,taefibo‘). va. tn ; .(aptevazi)gz'e a. —pishly, Silts litre (8nurfurz), s. pl. snuiter. a pair of —,een breken, beroten; happen at). aflutter. —dish, —pan, —tray. snniterbakje. ad. gon, elijk, bite. —isicnec8, s. gemelijkheid, Snuffle (anurfl), v. a. door den neus spreken. —8 bitsbeid. isnurlie). pi neurperstopping. v. a. verstrikken. Snare (sneer). a. strik. (snaarl'), a. vervikkeling; twist. —, v. a. Snuffy (snurfth),, a. net Knutf (annitael)bemorst; lie btgeritakt. vervrikkelea, verwarren; v. n. grornmen, boorSnug (snag'), a. —ly, ad. ingemoffeld, ingedoken, ran. —er, a. knnrrepot. theist ineen; verscholen; lief, aardig; rustig; goSunry (si,oe'rih) a. verstrikkend. inakkelijk. v. n. Zie, to Snuggle. —nese, a. Smite!' (snetsj') a. rub; hap; brokstut; ocgwenk. diehthetd; gemakkelijkheid; rustigheid; terugge(up) —, v. a. rukken, grijpen; (away) wegkapen; trokkeRheid. oprr.pen; v. n. grill)... happen fat), —.gill, ad. Snuggle (snug'g1), V. n. dicht bijcen (warm) ligtivricheaponzen sciti elij;T; met rukken; gen.. Snook istlier), s, rsluiper, kruiper. —, v. in. slut- pen, kraipen. —er, a. keuiper; baker. —ing , a. So (so), Rd. 7.00, dun, zondanig„ zulk; nu, weinu. —, cal,* duo., daarom; derhalve; mute. a. —ingnese., —ingly, ad. kruipend; ;Rag; vrekkig. Sock (cook'), v. a. 8t n. weeken, siurpen; inzweltruiperij. laoglicid; vrelckZgheid. gee; zuipen. —er, a. weaker; striper. —iny, a. doorS,tettp (sniep), a. beris ping, uttbrander. --, v. a. uringend; (1 , ,dringen: bekijven, doo•halon. blik. —, v. n. Soup (coop'). a. seep. —apple —berry, zeepappel, Su,er (mire'), s hooner.18 loch, --soot. —ashes, pl. zee•asch. —berry-tree, seep. spotachtig ]lichen, grijnzen; (at) den netts on boor' —boiler, zeepzieder. —dish, zeephakje. hales 'nor; hespotten. —er, a. rpltter. —ingly, —earth, voldermearde. —hause, zeopziederij. —lees, ad. spot-teed, schampor. pl. (het) helderste van de zeepziedersloog. —rock, a. niszing; —wort, niesktutd. Sssecz a —stone. speksteen. —soda, pl. zeepsop. —tray, —e. v. n. "Awn. —ing , a. gonlee; —powler,nies- zeepbak. —weed, —icort, zeepkruid. —works, pl. ponder. zeepntederij. --, v. a. reopen, inzeepen. —y, a. Suet (snot), s. vet (van wildbraad). p a Itoirgi z oaer —in ohned, o e e_d ee,r .r pf; d,zerit S41 8 b(.17,1 S. hooge vlueht.--, v. n. hoog vliegen, opstijgen; zich •erheffen, vitistje lache s, Sul ff (snit')!, v. n. rsnuvert, snuffelen; (at. on) be- Sob (sob), a. snik. —, v. n, gnikken. Sober (so'bur), a. —ly, ad. sober, matlg; nuchter; snuffolen. verstandig: hedaard„ erustig; sedig; ingetogen. Snigger ,sailegur), v. n. Zie to Ststekter. —minded, kcslm, bezadigd. —, v. a. ontmuchteren; Sntgpto (snig'g1), v. n. poeren, peuren. inatiren, a. matigheid; nuchterheid, beSnip isnlp') a. knip, anode; s,(irportjo, broke; daarciheid; ingetogenhe1d.. aandeel. —, v. a. knippeu; (up) openkntppen. Sobriety (so- bra)'e-tih), 8. Zie Sobernean. Snipe (gnftjp), e. snip; damoor. —pet Sec (gok'), 8. re,htagehied; vrtjdom van leendienst. Snip per (anip i par), a. knipper: nitanijder. —age, a. ploeg-, boorenleen. —alter, s. —man, be(-pit), a. stukje, aneedje. —pings (-piengz), pl. titter van een hoerenleen. afkrapsel. —snap i noel)), a. woordenwisaoliug. Social bie —bly, ad. gezeilig; vergetribbel. eenighaar. —ler —bility snot. —, v. n. anotteren. 8, —61 eness, 8. ge. Snivel (sniv1), gezeischapswagen. (-tar), a. rnotterasr, janIcer. Soria! (so'sjel), a. —ly, ad. maatschappelijk; geSnot, (snob), a. pluert; sehoenmakersknecht. zellig. —ism, s. socialism's. —ist, s. socialist. Snoti re (snoet), a. 314apie, datje. v.n.snor- —ity tih), —nese, a. gezelligheld. Snore (rnolr') s. gRanork, geronk. Society Ito sare-tih), s. maatsohappij; vereenlken.. ronkon. —r, a. another, rocker. gingaenootschap; gezelachap. Snort (anon'), v. n. snui,en. —er, G. anuiver. Sock issolt'), a. sok; ploegschaar; bilispel. —et (-it), Snot (snot') s. snot. —ly, R. snotterig. a. holte, kas, pijp. Snout (enttut'). a. souls; tuft. —ed, a. net sea' a. anuitschtig. Socle (sokl, hold), a. onderatel, voetettAt. Sli nit (eel, to it, neat' mna,,,l);

WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,


v. a. & n. acildden, (zich) Afton- Sham (84111') it. valsch, voorgewend, verdieht. Sever —fight, isplegelgevecht. —. a. mialetding, klaren jr,n). —al P. verschedene., onber,che:- drop , nb!dwri..g -- airy, e:e:1;evnodozl dene, —ally, ad. afzo,derlijk. • al'a- Sh ,heitt. —once, a. arzande,iPg. ,heide (.depend) s e, e, --ell,, ad. streng, hard,. van. -. -es(sjerrCb!z), pl. vleeschhanken,vleeschhal. —,ng, a. waggelend, alepend; s. waggelende wrced( g yaina'!);stint (in).—enesa,—ity (-ver^it-tih), (slepende, gang, s. st,engheid, l)ardhaid, vreedheid; sliptbcdd. Sew (sjoe), v. a, drong legge, —el (..i1). a. no- S hnro e (aje.ein'), s. schaamte, schonde. for —,foei I fac ed, oao. dae. b—Sre eheteeens;, (Co'), v. 5),. n. naalen, er, a. kietrwa- onteeren; v. n. zich schaani'n. —ful, a. —fully, ker; banister. —ing, a, bet rantcn; —tuuhion, i ad. schandelijk. —fulness, a. schendeltjkheid, naaikussea; —desk. naaiklAtja; —less, a. —lessly, ad. cchaamteloos. —lessneae. j a. schaamtelow.heid. ngald: —silk, naaiziPe. (F,P.M, a. gir, 13cht, lzurine, Ochootn) sekse, ' Shev4:nto er (sjem'mur), a. bedtleger. — jay, a. edrtegelijk, liatig. Sex agetaar tan (aalra a dzje-nee )i-en), a. zes Shammy (9em'rnih), e. game; gemzeleder. tigjltige. —7; (-ed'zj ,,-an,:h), a. zastigjarig. ,41.8.(slim em ' l,.. ps ojee; m ), (,ks-e-dzjea'i-me), a. tweede zoo- :Itimi:in he t Lir:: it°s el hs dog. nom, in Vaatrn, — I., a. zes:igtallig,.. ear warm bad nemen. (,e1rs•en4'gjoe-ler), a. zethoelfig. Shamrock :sjem'rok). a. Mane, zesktrIg. e,Thi.e1), a. zesreRelse vers. — ant, a. Shank (sjengki, s. achenkell beenpljp; pip, Sext t eeed1, (Ti e n gket1),;a1 .tj1; stx,mit. _y e 0. 1,, a. aspect;ou ls, taiciihnt!s g e lat e ntd rzoeeit...—painter. zr.Atig ;ruder. —on (-tun), a. 'ondarkoster, door!. § Shant ee (sjen'tiel, — y, a. hut. foods, hot. 1. P.otte. —uple (.tjneri), a. zes,ondir,. Shape (sjeap'I., a. gedaante. geztalte; v)rm, fat S 47V . AIA1 (.! eks".joe-el . a. geOfiChiS -, torn; aard. wijze; denkbeeld. s. schurft; sehott. —bily. ad. —by, v. a. vormen; (S]eb'), ni ; nve.t% .s pftsszn a. , igffi — e tefik ana ,41t 1,e .wi r _ n. iorrix, hAneloom; armzallg, gemeeu. — biness g —n staiy1:tip —lines (.(ai-nna), a. 'naveloosheid; gemeenbeid. a. welgemaakt. 1 "PP' lveld; zwii'll'nv°"' land- Shard i ,,, ,jasrd'), s. acberf; stuk eters:Anal; vlento,pce. reqhfit ei kd aveiel;ng7i es argrney,agret n im.j ,teka;.. asr. hxh.ii — d rtngee,llogp. Sheckte (jek 7 1,1)„ a. paartring, beugel.—, v. a. -
In August 2019, Coinbase announced that it was targeted by a sophisticated hacking attack attempt in mid-June. This reported attack used spear-phishing and social engineering tactics (including sending fake e-mails from compromised email accounts and created a landing page at the University of Cambridge) and two Firefox browser zero-day vulnerabilities. One of the Firefox vulnerabilities could allow an attacker to escalate privileges from JavaScript on a browser page (CVE-2019–11707) and the second one could allow the attacker to escape the browser sandbox and execute code on the host computer (CVE-2019–11708). Coinbase's security team detected and blocked the attack, the network was not compromised, and no cryptocurrency was stolen.[39][40][41]
4118 KAK —KitN. —, dandruff- comb. —borate!, comb-brush. —dock, combing-cloth. —hsiaje, comb-case. ...morsel, pectinal —red, cock-wheel, notched wheel. —menmaker, comb maker. m. camel. --driiver, camel-driver. —shear, camel's hair, mohair. —crag, camel's bunch. Kanseleon, o eameleon. Kamelot, o. camlet. Kasten, on. w. to grow mouldy. Kamenler, v. lady's maid, chamber-maid. —es, ov. w. to dress. Kamer, v. room, chamber; court-office; cavity, breech. —behanger, paper-hanger. —behooved, hangings, tapestry. —beuraarder. door-keeper, usher. —besets, hair-broom. —deer. chamberdoor. —dienaar, footman. —dock, cambric, lawn. —gasp, stool. —gereeht, imperial hail, —• court. —geared, undress —beer, chamberlain. —hour, chamber-rent. —juffer„rhanabe ...maid. —kat, kept mistress. —maagd sic Kamenler. —pot, chamber-put. —role, night-gown, ntorning-gown. —steel, close-stool. —stale, swivel-gun, pederero; painting representing a room. Kamera/441,m. comrade, companion. Kanter en, ov. w. to keep (in a room). —ling, in. chamberlain. Kavnfor, v. camphor, camphire. —boom, camphor-tree. —olie, camphor-oil. —poster, pulverized camphire. —sour, be. & o. camphoric (acid). —acktig, be. camphoric. Kantlipc, be. mouldy. r. camomile. Kamtzoul, o. waistcoat, Guernsey shirt. Kantinelling, v. short wool combed out. Kamm en, ov. w. to comb; to card. —er, m. comber; carder. IKentoesleer, o. shammy. Kamp, m. combat, fight, struggle; field, piece of ground. enclosure. —, —op, even, quits. —ge. vecht, —strijd, combat, light; duel, single combat. —plaats, place of combat, field of battle. —vechter, prize-fighter, gladiator; champion. kampauje, v. campaign; poop. Kenspentent, o. encampment. Kamp en, on. W. to fight, to combat, to struggle. -er, m fighter., combatant, struggler. champion. Kamperfoello„ v. honey suckle, woodbine. Kampernoelle, v. mushroom. Kampereteur, m. hard-boiled eggs with a mustard-sauce. Kantploett, tn. champion. K ampetenr. e. Zie Kemper. Karnster, v. Zie Kammer. Kantula leer, o. shammy. —seas, m. fiat note. Ken, v. pot, can, mug, tankard; (nederlaxdaehe) litre —negeluk, what remains in a pot or tankard, pot-luck. —nefid, lid of a pot. —newel/ocher, bottle-brush. Kimmel, co. channel, canal. sit een geed —, from (a) good authority. Kanalje,o, rabble ,Itag-rag, rift-raft; rogue. Kanarle, in canary ( -bird). —si, canary-egg. —kooi,onnary-cage. --sek, canary (•sack) —etdker, canary-sugar. —rolucht, breeding-cage (aviary) for canaries. —toga, canary-bird. —wijs, canary (-wine). —card, can try-seed.
v. n. pralen; voorspoed hebben, bloeien; bloem(flit'), v. n. wegvliegen; verhuizen; fladderen. rijk spreken; zwaaien; krullen trekken; phanta—tiness, s. onbestendigheid. seeren, preludeeren; de .trornpet eteken. —er. Flitch (flitsj), s. zijde (spek). iemand, die voorspoed geniet. —ing, a. —ingly, 11, 114teranouse (flit'tur-maug), a. vleerniuis. ad. bloelend; praleud, weidacb. 11, 1111x (flubs), s. dons; bout; vlashaar. Float (flout"), s. dr)(cend voorwerp; vIrt; dobber; Flout (flout), a. beschimping, smaad. —, v. a. golf. —board, sehoffel (tan eon molenrad). —boat, besehimpen, Broaden; v. n. sehimpen, spotter. vlotschuit. —ground,elecItte ankergrond. —stone, —er. a. becpotter. —tingly, ad. hoonend. drijfatecn. —, v. a. under water zetten; v)ot ma- Flow (flu), s. vloed; stroom; overvloeiing; woorken; v. It. drij yen, dobberen. —age, s. schuim; wat denvloed. — v. a. overetroomen; v. n. vlieteu, op 't water drijft. —ages, a. zeedrift, wrakgoe- vloeien, stroomen; waesen; overvloedig (vol) zen; voortapruiten; loshangen, zwevey. dere.. —cr, a. vlottes•; zciler; dobberaar. —y, a. Flower (flauw'ur).e.bluem;bloesem;bloel;signet. dril vend slot. —de-luce (de-ljoes'), a. zwaardlelie —fence, pauFloating (flootleng), a. drijvend.—bridge. sehipbrug. —capital, vlottend (rouleerend) kapitaal. westaart. —gentle, duizendechoon. —inwoven a. (het) drijven; (•in-woov'n), gebloemd. —piece, bloemetuk. bereensehimrnen. —show, bloemententoonstelling. —stalk, bloemon derwaternetting. stengel. Fioccose (flok-koos'), a. wollig. —culent (flok' Flower (flauw'ur), v. a. met bloemen versieren; kjoe-lent), a. vlokkig; v. is, bloeien; mehuimen. —age, a. gebloemte. —et Flock (flea), a. troop, zwertn; kudde (klein veer; wolvlok; lok. v. n. toestroomen; —together, (-it), a. bloempje. —iness, s. bloeurtrijkheid. a, condor bloemen. —y, a. bloemrilk, gebioemd. sameneeholen. (floneng), a. —1y, ad. vloeiend, overFlowing Floe (floe), a. ijsgang, drijfije. vloedig. Flog( flog'), v. a. afrossen,geeselen. —ging, (gieng), Flowk (flock')) s. bot. —wort, navelkruld. 5. pak sla,ren. Flood (find'), s. vlocd, overatrooming, zondvloed. Fluctu ant (flukt'joe-ent), a. weifelend, dobbe—anchor, vloedanker. —gate, Hluis,verlsat.—mark., rend. —ate (-eel), v. n. golven; weifelen; dobbe. vloedteeken. —tide, wassend tij. —, v. a. over- ran. —ation (-ee'sjun), s. golving; dobbering; onzekerheid. stroomen. s. pijp, sehoorsteenpijp; dons, plots. Flue Flook (floekl, s. ankerklauw; but (nisch). Floor (floor'), a. vloer. verdieping, —cloth, vloer- Fluelin (floe-el'lln), 0. eereprijs (plant). bleed. —head, kim. —rider, vrang van een batten. Pilsen cy (lloe'en sib.), a. vloeiendbeid, welbespraakt'heid. —t, a. —tly, ad. vloeland. —t, s. vrang van een spent. ground—, spoor. —timber, gelijkvloers verdieping. thrashing —, dorsehvloer. vlietend water. —, v. a. bevloeren; op den grond werpen. —ing, Fluid (floe'ld), a. vloeibaar. a. vloeistof. —ity (-Id'it-tib), —ness, a. vioeibaarheid. a. bevloering. Fluke (flock). a. nnkertand; bot. Flop (flop), v. n. klapwieken. Flummery (flum•marih),a.meelbrt); laffe vlelerij. Floral (flo'rel), a. bloemen betreffend. Floren cc (flor'ens), —tine, (•tajn) s. florentijn- Flunkey (flun'kih). s. liverei bediende. Fluor (floe'or), a. vloeiende toestand; vioeispaat h. ache zijde (tat); florentijnsehe wtjn. Flurry (fluerib). a. windvlaag; verwarriug. —, Florescence (flo.rea'sens), a. bloei; bloeitijd. v. a. verontrusten. Floret (flo'rit). a bloempje. Florid (florld), a. —1y, ad. blozend; bloemrijk, Floats (flue)), a. frisch, bloeiend, krachtvol. versierd. —ity (flo-rld'it-tih), —ness, a. blozende overvloedig (in); mild (with); gelljk. —, R. toevloed; vervoering; blos; triller; euite (in 't kleur; bloemrijkheid. kaartspel). v. a. doer blazon, Doted' maFloriferous Illo-rirur-ruel. a. bloemdragend. kes,' (with). —, v. n. gutsen; komen aanstui• Florin (florn's), a. gulden, florijn. yen; blow; schitteren; een' trifler makers. —, Florist (flo'rist), a. bloemkweeker. ad. arms. Floscul e (floe'kjoel), a. bloempje. —ous, a• nit Fluster (flus'tur), a. opwe}ling; opgewonden. bloempjes bestaand. held. —. v. a. iverhItten; verwarren, oc erhaats. Floss (floss'), a. dons (op plauten). —silk, floretten; v. n. opgewonden zijn. (aloe-) Ode. Flut e (Soot'), s. Suit; groef, gleuf. —e, v. a. Flotagc (flolidzj), a. Zie Floatage. groeven; v. n. op de flail epelen. —er, —ist, s. Flote (Soot), v. a. afechuimen. fluitspeler. Flots um (flot'sem), —on (-sun), a. strandFlutter (flut'ter), a. trilling; (enelle en onregelvond. riatige) beweging; verwarring; verbtjstering. Flounce (flaauns), a. volant, strook. —.v. a. met —. v. a. opjagen; verwarren; verontrusten; v. n. strooken versieren; v. n. plonzen, plompen; sparfladderen, zweven, gejaagd zijn. —ing, a. Lie telen, woolen; opvliegen (in drift). Flutter. Flounder (flaaun'dur), a. bit. —man, botboer. Fluvia I ifioe'vi.e1), —tic (-et'ik), —ti/ (-e't11), —, v. n. spartelen. a. riviereu betreffend. Flour (flaur), s. meal, bloom —, v. a. tot meal Flux (fluke';, a. veranderlijk. a. vloeling; maken; met meet bestroolen. stroom; samenloop; uitwerpsel, buikloop; vloeiFlourish (flueisj ), v. n. pralerij; voorspoed, bloei; bearheid; smelting; ameltmiddel. bloody —, Tootle opelering; zwaat, krill; krulletter; voorspel; tromloop. --, v. a. tonelten; door bet tipeek , el ter• petgesehal. —, v. a. versieren; opsieren; ZWAftien; Flit
by land. wan a-eho n op het —, in the country. —card, nationality, character of auction, nation. —adel, country-gentry. —besehrijner. geographer. —beschrijving, geography. —trestour, government. —hemmer, country-man. —Ses000nster, countrywoman. —heart, posseesion of land. —hezitter, lend-holder. —bode, deputy, representatiee —Coosa, agriculture, husbandry. —Sooner, hueheadman. —bousokundo, agriculture, husbandry, rural economies.—houwkundie,agri cultur el;versed (skilled) in husbandry. —kundige, agrteuntuhat. —day, azsembly of the states, dist. —deice*, country-dean. —dekeneehap, rountry-deanship. —dief, embezzler of public money. —dier, land animal. —dieverii, embezzlement (of public money). —drost, sheriff, high-bailitf,governor. —droatamht, office (district) of a sheriff, eheritalty, bailiwick. —edeiman, country-equine.—einenaar, —eigenares, lend-holder, land-owner. —eigendcm, landed property. —eeple, isthmus, neck of land. —gedicht, georgic, pastoral. —genoot, (fellow-) countryman , countrywoman, compatriot. —gereeht, country-court. —fies000nte, custom of a country. —goed, estate, country-seat. —gracle, landgreee. —graateetstip, landgeaviate. —gravin, lendgravine. —key, landlord, lord of the manor. --aoere, farm. —hula, country-home, villa. —hulahoucikunde, rural eeenotny. —hulehoodkundio, of rural economy. —hoer, land-rent. —Amadei., farmer. —jeend, young country-people. —jonfcer, country-equine. —jvifer, country-laey. reins. —Icaart, map. --koorls, fever prevailing in the country. --krah, —rot, landloper, landlubber. —leven, country life. —lieden, country-people. —looper, vagabond, stroller, —louper0, vagabondry. --loopster, vagabond, gipay. —macht, landforces. —man, country-miss, peasant. —nteetkende, surveying, geometry. —nseetIcasndig, geometrical. —meetkundige, geometrician, —meisje, country-girl. —meters, surveying. —meter, surveyor. —militia, militia. —mute, country-mouse. —peat, boundary, limit. —palen, frontiers. —pacht, quitrent, landrent. —pachter, farmer, tenant. —pinup, plague, scourge, public dietreas. —read, provincial counsellor. —recta, common law, law of a country. —rechter, country-jedge, sheriff. —rats, journey, travel by land. —7(11c, landed, having landed property. —.Melding, boundary. —school, country-school. —schrijyrr, 8,retary to a provincial administrator. —slot, safe harbor. —made, taste peculiar to a country; taste of the soil. —soldaat, land-aollier. —wreak, idiom. —steed, inland-town. country-town.. —storm, gailCral levy of the people, posse. —Week, district, country. —taal, lenguage of a country, vernacular tongue. —tong, neck of land. —railing, sie lientertverkeettiivan. —verhuirer, emigrant, —vcrhuizing, emigration. —verkenning, I,nd-fall; recoannitring of the land; — !When, to hove anode the lend. —vetmaak, rural diversion, — anasement. —rented, high treaeon. —verrader, traitor. —vluektig, fugitive, vagrant. —vIveAtiOeid, fegitiveners. —yolk, country-people. —voogd, governor. —.IV dee, governess. —roogdir, governorship, bailiwick. —vrouto, landlady, lady of the manor. —vroelsten s
Foote (foot), m. Foute. Foreland (foor'lend), g. Voorland. Forth (North), g. the de Forth. Fortuna (for- tjoe'ne), my. Fortuna. France (fraane), g. Frankrijk. Isle of —, Mauritius. Fran cos (fren'siez), w. Francisca. —cis (-sin), m. Francisens. Franconia (fren-ko'ni-e), g. F ran kenland. Frank (frank'), f. soor Francis; Frank, Frans; i. Frank. —fort (-retort), g. Frankfort, —lie (-lin), m. Franklin. Fret (fret). g. the—, de Euphraat. Fred ((red"), —dy, f. voor Frederik; Freek, Frits. —crick (-ur-ik), rn. Frederik. de Fran French (frentsj'), a. Franech; 1, the sr hen. —man,i. Frans,hmen. Frihurg (fri'burg), g. Freiburg. Friesland (frlez'lend), g. Friesland, —er, s. Friel. Fuld (told), (foerds), g. Fulda. Fuller (fui'lor), tn. Fuller. Fallon (fooPtun), g. Fulton. Funen (foe'nin), g. Funen.

-root, holalook. —vinegar, rozenazljn. —water, BOTP,Oicre (ro-mess'), a. roman; romance; var.. diratki.)• --, v. r. ,erdienten; opaulden. —r, rozenwater. —window, rond venster. --wood, TOzeuhout. a. romsnachrilver; opsnijder. nom,trr ism (ro'iren•lzm),s.roorna,h-katholleke Roe eate (ro'zji.et), a. vol rozan; roosklenrig. —et (-zit), rozerood. —We (-net'). e. rozet. godadienat. —LI, a. comnachgezinde.—ize (-air.), 'Pitman (roz'in); s. hare. —, v. a 'met bars ba• v. rt, roomsch make, atrijken. —est (ro'zt-nets), a. rozerooda Mem, 1Ronts ► ttatt (rn-iren'tikl, —al, a. —ally, ad. en- —y, a. hnraachtig. mantisch, vrrdient; romanesk; onwaarschijolijk. ir,,dre7en. —iani(-ti-k.i .zol,,a.romantiek. —nem, Ito51and (roe'lend), R. haide, drasland. rt Ross Iroas), a. buitenbast (van boomer). s, (her; romautt,he, Hostel (roalil,, a. snaveitje. 11. 0',Tlittj;, a. roornach. Romp -1 -,mp'), s, wide meld; wild anal. —, v. n. Roster rroetur), a. rooster. ish, a, dnrtel, uitgelaten. Rostra-Id (ros'trel), a. annvelaehtig. —ate (-trot), mtoeien, molten. oran.ito',, a. rondeAu, rondgezang. —ated (-tree tie), a. gesnaveld. —um, s. swivel; a, rondeet. spreekgestoelte; kromme achaar; ptjp (van een' 5ton),, o (run'jun), a, ',Mae, vette arouw; arhorf- helm). rig. die, Rosy (ro'zih), a. rozerood; blozend. —bosomed, tillom! (road"), s, recite (vlaktemaat); under rozen verborgen. —colored, r000kteurig. kruisdagen, —loft, kruisgaterij. —crowned, met cozen bekranst. —red, rozerood. dak; verhernelte. —work, .!ak- Rot (rot), R. verrotting; seburft (bij achapen). V. R. & n. ((tom) rotten; verrottsta. week. —, v. a. vao rear dak voorzien. —fag, S. dakwerk. —fete, a. zonder dak; zonder hula- Roth ry (ro'te-rih), R. ronddrartiend, -wentevemting, —let (-lit), a d ► kje. —y, a. met een lend. —te (-tet), a. radvormig. —tion (-tee'sjun), a. ronddrnaiing; afwisseling. —tory, a. rooddraaiend, -wentelend. (roerl, a. kauw, kraal; bedrieger; kasteel (In '0 schaakspol). --, v. a. & n. verschalken, Rote (root), a. gebruik, slag, sleur. by —, door oefening; van button. —ery, a. kauwcvl rent. !room'), s. Ways, rulmte; kamer; gele- Rotten (rot'tn), a. verrot. —neat, a. verrotheid. genneid, reiten. intro a. ruimte. —y, Rotund fra-tund'). a. rond. —ity, a. rondheid, —a, a. rotunde. ronel getrouw, a, raft,,. Roost (run t'), a. roest, rek, —, v. n. roesten Rouge (roezj), a. erode verf; blanketed. —, v. a. & n. (Men) blankettru. (van vortels, --er, a. ;lean; nutshell. R n,ot wortel; ooTaprong; eers'A oorzank; Rough (rut') a. ad. ruw, oneffen; wrarg; borsch, hard. —cost, tt, ruwe ischets; vtam'v'oord. to take —, wortel sehieten. —bound, pleistertogeworteld„•,ortelblad..--pednne/e,bloem- kalli; v. a. in 't ruw ontverpen; row aanstrijv. a. doen wortelen; lien. —draw [im], schetsen. —hew, raw behouwee) nit den worte). wen. —heron, raw; onbehouwen; vluchttg ontworproote ❑ ; (out up) ontworta:ett; uireiroolen; op- ► en. —murie,ketelmuziek.—rider,paard.enafrichwroeten; uit,oe)ert. • -, v. n. wartelen, wortel srhieten (in); wroeten. —eel, a. —rely, ad. inge- ter. —shad, sckerp bealagen. —work, ten TUWate tt,eht, uttroeier. bewerken. —en (rut's), v. a. & n. row maken —let worteld. (warden). —ness, ruwbeld; oneffenheld; nrang(-lit), a. wortelvezel. —p, a. vol worlds. held; bnrsehheid, haraheid; onctuimigheid. Roue coop', a. touw, hoard) gals; riot, reep; want. -8, pl, ingew Roden (van vogels). —hand, ROUTBC. (canons), a. perontok, -boom. raband. —barrel, —roll, trommel. —bears., —mats, Round (rataun'd)„ a. rondte ctrkel, bring; ronde; vo,.t ,,,attea can cod bona, —dancer, koorddan• Itranaje; voile laag. —, a. road, vol; rondborstig. err. —104,1er, touw)adder. —maker, touwslager. —hand, nt,aand schrift. —head, rondkop,ppritein. —ripe, CO vane de rstlg. —top. huofd. —trick, —house. wachthuis; hut. —top, mastkorr. —, v. sehip-kenal reek —walk, —yard, lijnbaan. —weed, a. rond maken, afronden; omringen; rondloopen. ah'Aerw:ude. —yore, t-abeigarm. --, v. n. dra- —, ad. Sz prp. in 't rend; random. —about, a. wijdlooptg; onoprecht; way, omweg; a. ..• e. lijmerigheid. —y, a . weg; draaimaehine, schuitje; spencer, jakjead. rondoto. —ci (•il), —elay (-de-lee), a. rondeel; kleveri,r, reismantel. rondedans; rnndgezang. —ids, a. rondachtig. Rogoetaure (rob-e-loor"). —let (-lit;, s. kleine brine;, —/y, ad. rood; onIlloriferoott (co rtrue-us), a. dauwend. bewimpeid, ronduit. —nese. a. rondheid; roodInt ► ika ceons (ro-zee'slus), a. roosachtig. —ry borstigbetd.. (ro'ze•rili), 8, rozenhed; rozenbrans. throat' (toom'1. R. roan. —hay, —laurel, oleander. Rouge (rain"), s. opwekking. —, v. R. wakker (soort van) kever. —bush, maken (from); cPjagen; opwekken, nanaporen (to); rozeknop. v. n. ontwaken; opspring,,n; n',oed scheppen. —r, rozemte,i), —eanrrion, nigelle, holder. —chafer, gondkever. —e , ecked, met blozende wangen. a. opwekker; aanspoorder. —chestnut, kastanjeroos. —colored, rooskleurig. Rout. (taut), a. oploop, samenscholing; getier; gezellige krirg; nederlaeg. —, v. a. in verwar—diamond, rozet (ede)steen). poll, hondsrozen- ring brengen; op de vlucht slam); v, n. same, r , pors. --por/ie,rozentook.—knot,turkscheknoop. seholen; woelen, anorken. to,,n!ak. —lipped, met rozeroodelippen. roosumatrw, angry (-me-rife), S. rune• Route (root), a. weg; rely; righting. ---noble, rozelowter. —quartz, melkkwartm. Hontirte (roe-ties'), A. gewoonte, slag.
praaien. Ha (ha), int. ha! int. hell! veel geluk I praaischuit. fellow , goede vrinnd. Habeas corpus (hee'bi-ea kor'pus), s. wet op Ilainoue (hee'nue), a. Zie Heinous. de proventleve gevangenig. Haberdasher (heb'ur-desj-ur), a. kramer, ga Hair (heer';, s. hear; dread, vleug; ztertje. to a —, ran- en bandverkooper. —y, s. kramerij. op een hear. against the —, met weerztu. —bag, haarzakje. —brained, onbeanisd. --breadth, hearilaberdine (heb-ur dien'), s. labberdaan. Habergeon (he-bur'dzji-un), s. borstharnas. breedte. —broom, kainerbezem. —brush, haarHabiliment (he.bil'i-rnen t),e.gew sad , uttruenting , boratel. —cloth, haardoek. —dresser, hopper-. fillet, —lace, haerband. —needle, —pin, hearHabit (heb'it), a. ewoonte, hebbelijkheid; gespeld. —powder, haarpoeder. —roller, papillot. steldheid, toestand; kleeding, rajkleed. —, v. a. kleeden. —able, a. bewoonbaar. —ability (-1-te—shirt, haren liemd. —side, nerf, —sieve, haren hint-till). —ableness, a. bewoonbaarlieid. reef. —star, haarkomeet. —stroke, ophaal (eener (.i•tikl), s. woning. —once, —ancy, s. wettige achrijfletter(. —trunk, ruige koffer. —weed, waneerzetting, verblijf. —ant, s. bewoner. —ation terms. —wcrrn, haarworm. —iness„ s.harigheid. (-i-tee'sjun), s. bewoning; wooing. —less, a, keel. —y, a. harig, ruig; haren. Habits' al (he-birjoe•el), a. —ally, ad. gewoon, Hake (beak), 0. roodoog (viscb). gebruikelijk; gewoonlijk. —ate i-et), a. bilge- Halberd (haol'berd), a. hellebaard. —ier, (-dice), worteld. —ate 1-eet), v. A. gewennea. s. hellebaardier. Habitude (heb'i•tjoed), s. gewoonte, hebbelijk- Halcyon (hel'sji-un), a. kalm, rustig, vreedheld; gemeenzoam verkeer. ream. —, a. ijsvogel. Habnab (heb'neb), Ad, luk of rank; door elkander. Hale (heel), a. `gezond, frisch. v. a. Zie to Hack (hek)„ a. hak, keep; oude knol,huurpaard; Haul. Half -koets. —, v. a. hakken; verminken; v. n. hak(haan, a. & ad. half; ten halve. —, a. helft. kelen; rich prijs geven. at (by) —, ten halve. my better —, mime weeerHackle (hek'k1), a. hekel. helft. —blood, halfbroeder. -roster. —blooded, v. a. hekelen. Hackney (bek'n1h), a. verhuurd wordend; veil; laag, verhaeterd. —breed, a. van gekruint ras; afgeznegd. s. telganger; huurpaard; huurling; s. halfbloed. — brother, stief-, halfbroeder. —comlichtekooi. munion, avondmaal cruder 6lne geetalte. —deck, huurkoets. —coachman, huur • koetsier. —horse, huurpeard. —man, verhtearder halfdek. —learned, hal fgeleerd. —pay, halve soldij ; van paarden en rijtuigen. —writer, broodechrtj- wachtgeld. —penny (hee'pen•nih), halve atuiver. ver, bundling. —, v. a. gewennen; in eene hour- —pike, halve (offIciers-) piek. --seasover, half koets vervoeren. —ed (-slid), a. vereleten, afgebeschonken. —sighted, kortrichtig. —sister, mt tef-, zaagd. halfzuster. —sphere, halfrond, halve wereldbel. Haddock (hed'duk), s. schelvisch. —strained,on7olkomen,—aword,lijfgevesIttit.—way, Hada (heed), s. stalls echacht, staande gang (in ad. halfweg. —wit, domoor. —witted, onnoozel, mijuen). dom. Haft (haaft), s. handvat, heeht. —, v. a. van een Halibut (hol'i-but), a. hellbot. handvat of hecht voorzien. Halidom (hert-duin), a. heilige maagd. Hag (beg'), a. heks, tooverkol. —born, van aene Hall (haor), e, zeal; gildgkamer; gerechtshol'; heice geboren. —ridden, beheket. —seed, heksenheerenhuie; voorportaal. cbmmon geineentekind. — v. a. kwellen; beangotigen. huis, verkoophuie. —day, gerechtedag. —age, 0. H aggar dIheg'gurd), ' a. —/y, ad. mager, verwilmarkt, staangeld. derd, wanstaltig, ontdaan. a. wilde (Itchtlwe) lllallelajjah (hel - le - loe'je), a. hallelujah. yolk; monster. Halliard, Halyard (hellurd), s. val. —block, Hag gess (heg'gess), s. leverworst. (-Os% valblok. a. hekeachtig, mievormd, afschuweltjk. Halloo (hel-loe'), int. hallo! —, v. a. door geHaggle (heg'g1), v. a. klein hakken; verminken; schreenw aandrijven of verjagen; aanschreeuv. n. knibbelen. —r, s. hokker; knibbelaar. wen; v. n. echreeuwen, hello roepen. Haglograph er (hee•dtji-og're-fur), a. keno- Hallow (hello), v. a. wijden, heiligen. —Inas niek Igevvild) achrijver. —y, a. de kanonieke (ge• (-mead), s. Allerzielen. wijde) boeken. Ilallucina to (hel-ljoe'si-neet), v. n. dwalen, llaguebuti(heg'but), s. musket, snaphaan. struikelen. '—lion (-nee'siunl, s. wean, rinsbeIlah (ha), int. ha! drog; dwaling, feil,mieslag. —tory (-ne-tur-rih), Hail (heel'), a. bagel. —shot, echot met echroot. a. dwalend, mistastend. —Mower, —storm, hageibui, jacht. —stone, bagel- Halo (haom), a. stroohalm, stroo. steen. —, v. a. & n. hagelen. —y, a. hagelachtig. Halo (hee'lo), a. liehtkrans. Hall (heel'), a, gezond, Meek. —, a. groet; liaise (hsos), a. kluis. Lie Hawse. stembereek. —, v. a. groeten, hell wenmehen; Halser (hewers), a. halo (touw). lie Hawser. 5
EN A .— EMP. vrij maken. (-pee'ejun), a. bevrijding ; vrijmaking. —tor, s. bcvrijder; vrijmaker. Emarglnate (e-maar'dzji-neet), v. a. ontranden. Emascula te (e-mesikjae•let), a. ontmand.—te (-leet)., v. a. ontmannen. —tion (-lee'sjun), ontmanning; verwijidheid. Embale (em-bee!'), v. a. inpakken. Embalm (ern-baam'), v. a. inbalsemen. —er, a. balsemer. Embank (em-beck'), v. a. iudijken. —ment, a. indijken; dijk, dam. Embar (em boar'), v. a. insluiten; verhinderen. Embargo (em-baaego), s. beelag op schepen. Embark (em baark'), v. a. inschepen; v. n. aan boord gaan. — in an affair, zich met eene zaak inlaten. —ation (-ber-kee'isjun), s. inscheping. Embarrass (em-ber'ress)„ v. a. verlegen maken, belemmsren. -went, a. verlegenheid; belemmering. Embase (em-been'), v. a. alechter maken. Embassador, die Ambassador. Embassy (em'bes-sih), a. gezantsehnp. Embattle (em-bet't1), v. a. in slagordC echeren. —d, a. van schietgaten voorzien; in slagorde geachaard. Embay (em-bee'), v. a. in eene baai;insluiten. Embed (em-bed'), v. a. in een bed (cone bedding) leggen ; bedelven. Embellish (em-bel'lisj), v. a. verfraeien. —ment, a. verfraaiing. Ember (em'bur), a. quater-temper. —day, aschdag. —goose, adventsvogel; noordache duiker. —week, quatertemperweek. —8, a. heete arch. Embezzle (em bez'z1), v. a. toevertrouwde goederen verduiateren (verbraasen). —went, a. outvreemding. —r, a. ontvreemder. Emblaze (em-bleez'), v. a. versieren; - met wapens versieren. Emblazon (em-blee'zn), v. a. met blazoenen achilderen; opziehtig versieren. —er, a. blazoenachilder; versierder; lofapreker. —ry a. (het) wapenschtideren; de afbeeldingenj (op een wapenschild). Emblem (emiblem), a. zinnebeeld. —atic,—atical, a. atically, ad. (-erik), zinnebeeldig. Embody (em-bod'dih), v. a. inlijven. Embolden (em-boold'n), v. a. stout maken. Embolism (em'bo-lizm), a. tuaschenvoeging; inlassching (van tijd). Emboss (em-bos'), v. a. gedreven werk maken, opwerken. --rent, a. hoogte, verhoogiag; gedreven week. Embottle (em-bot't1), v. a. op flesschen tappen, bottelen. Etnbowel (em.bauwq), v. a. ontweien. Embower (em-bauw'r), v. a. in een prieel plantsen; v. n. in een prieel wonen. Embrace (em-brees'), —meat, a. omhelzing, omarmi-ng. —, v. a. omhelzen; bevatten, instuiten; v. n. elkander omhelzen. —r, s. omhelziug. —ry, a. paging om de rechters of gezworenen om te koopen. Embrasure (em-bree'zjoer), a. schietgat; nitstek. Embroca te (em'bro-keet), v. a. betten; inwrij Yen. —tier (-kee'ejun), a, invvrijvinp:.
klonteGroin a (groom';, s. klonter. —ous, rig. —.mess, a. klonterigheid. r. knorren. —er, Grunt (grunt'), a. gel:nor. a. knorder; knorvisch. —ing, 8. geknor. —ling, a. jong varken. Gry Igraj), a. beuzeling, GUnial141k1 (gweele•kum), s. pokhout. Guano (gwa'no), e. guano (meststof). Guarantee (ger - en - tie), s. waarborg, borgblijv. a. instaan your, woe, vtng; gewaarborgde. borgen. Guarant or (ger'en-tur), s. borgblijver. —y, 8. &v. a. Zie Guarantee. Guard (gafird'), a. wacht; hoede; beachutting;stootOva (gen een' degen); beugel (over den trekker van geweer); conducteur; boordsel; stootkant. —s 8. Pjfwaeht. to be on —, np wacht On. to put' (throw) one off his —, ie.. and verrr.seen,(overrompelen), zorgel000 waken. —bout, —shipovachtschip. —chamber, —room. wachtkamer. --house, wachthuis. —irons, hentlijzers. Guard Igaard'), v .a. bewaken; beschutten (against. from). —, v. n. op zijne hoede ?Ain, zich burden, (against. from). —aye, a opzitht van voogdes. —ed, a. —edly, ad. behoedzaam. —edness, 8. behocdzaa;nheld. —er, a. wachter, bewaker. —less, r. Weerloos. Guardian (gear'di-en), 8. voogd; cpziener. —, a. bescbermend. —angel, beschertnengel. —ship, 0. voogdijschap. Guberna lion (gjce•bur-hee'sjun), s. bestuur. —tonal (•ne to'ri-e1), a. eenen'gonverneur betro'ffend. Gudgeon !gud'dzjun), s. grondel; loka as; epil; sul • —, v. a. bedriegen. Guerdon igeeduo), a. belooning. Guess (gess"), 8. pissing. to givr a — at, raden near. - v. a. & n. gown, raden, (at). —sr, 8. gisser. ad. op de gta. Gu est (gent'), 8. Bast; diet (aan de kaar8). —chamber, eetzaal. —rite, gastreebt. —rope, boegsrertouw. Guffaw (guf-fao"), a, told, schaterend gelach. Guggle( guegl), v. n. klokken. Guid noble (gajd'ibl), a. volgzeam. loon. —once, s. leading, bestunr. Guide (gold :), a. gids, leidsman; bestuurder.—post. wegwijzer. —less, a. zonder gtds. —, v. a. 'mien, gel eiden; besturen. —r, a. )elder, lostuurder. Guild (gild'), 8. glide. —hall, gildekamer; readhuis. —able, a. belamtbaar, —er, e. gulden. Guile ff(Ejl',, 8. arglist, bedrog, valschheid. —ful, a. —fully, ad. arglietig, bedriegelijk, valsch. fulness, a. bedriegelkjitheid. —less,a. argeloo3, zonder bedrog. —lessness, 8. oprechtheid. diuMenuot (Rifle-mot), s. waterhoen. Guillotine (gin°. tien), 8. guillotine. —, v. 0. onthoonlen (met de guillotine). Guilt (gilt'), a. sehuld; misdeed. —iness, a. schuldigheid. —less,a. —lessly, ad. schuldeloos. —less ness, s. schuldeloosheld. —y, a. —ay, ad. sc huldig; misdadig. Guimp (gimp), 8. zijden ken,. —, v. a. met zijde doorweven. parelhaan. —corn, guinje. Guln glens . —dropper, valsche mpeler. —fowl, ward-

193 MUT.--NAT. Myself (maj-self), pr. zelf, ik zelf,mij, mijzelveu. alleen. y Mystagogue(miaste-gog),.. uitlegger vtn verborgenheden; reliquien-bewaarder. Mysterious (axis tPri-ue). —ly, ad. geheimzinnig, verborgen. —nets, s. verborgenheid. Mystery (minis-rih), a. gebeim, verborgenheid; handwerk; mysterie (tooneelatuk). !flystic (mitetik), —al, a. —ally, ad. geheinazinnig, verborgen, duister, zinnebeeldig. —alness, a. geheimzinnigheid. •ti-sism), a. leer der myatieken; dweperij, geastdrkivend. Mystif bastion s. geheimzinnigmaking; misleiding. —y mieti-faj), v. a. in geheimzinnigheid holies; miajletden, bedotten. Myth (mith'; , , a. mythe, verdichtael, —ic, —ical, a. fabelachtig, verdicht. —ographer (mi-tkog'refur,, a. fabelsclutver. —ological (-o-lod'zjikl), a. mythologisch; van de fabe-Ileer. Mytholog 1st (mt-tholtud-zjiet), a. fabeikundige. —ire sjz), v. n. de fabelleer verkiaren. —y, s. mythologic, label-, godenleer.
ad. —y, A. ongereed; onbereidleillIg. —inese Unreplenlebed (un-re-plen'iejt), a. onaangevoid. (4-neas), a. ongereedheid; onbereldwilligheid. (un-rep-re-zent'id), a. niet voorUnreal (un-ri'et), a. ouwezenljjk.—ity (-ellte-tih), Unrepresented gesteid; niet Yertegenw oordigd. e. onwezenlijkheid. —Iced (-ajzd), a. niet Yerwe- Unre prievable (an-re-prier'thl), a. niet zentijkt. a. ongeooget. voor uttstel (kwijtethelding) vatbaar. —prieeed Unit...sped (un-rtept'), a. ntet ultgesteld; onhegehadigd. Unreason abbe (m-W=4bl), a. —bay, ad. onto- (-prievd'), (-prootejt'), a. onbeript. —provable delijk. —bleneas. a. euredelijkhetd. —proached —proved (-proevd'), Unre biakablo (un-re-bjce'kibl), a. onberisp, (-proeu'ibl), a. onntrispelijk. —baked (-bjoekt'), a. onberiapt. —callable a. onberlept. —pugnatst (-pug'nent), a. niet at-

CLI —MIA. Ceinture (sere-tjoer), s. ciseleerkunst. Celebrnt e (sere-breet), v. a. ,ieren, loven. —ed, a. beroemd. —ion (-bree'sjun), a. viering. Celebrity (seleb'ri-tih), a. beroemdheid. Celerity (se-ler'it•tih), a. anelbeid. Celery (sere-1.th). a. selderij. Celestial (se-lest'jel), a. hemelling. —, a. —ly, ad. hemelsch. Celestine (seres- tin), a. celestijner monnik; fijne blauwe bergatof. Celib any (seri-be sih), a. ongehuwde stoat. —ate (-bet), s. ongehuwde stoat; vrijgezel. Cell (sell, a. cel, kamertje. Cellar (seller), a. bolder. —age, s. kelderhuur. —et, a. likeurkeldertje. —ist, a. keldermecater. Cellular (serljoe-ler), a. celvormig; uit cellen bestaande. Celsitude (sel'si-tjoed), s. hoogte. Cement (sem'ent), a. balk; band. Cement (se-ment'), v. a. verbinden; v. n. samenhangen. —ation (sern-en-tee'sjun), s. cementee. ring; hechtmaking. —er, a. bouwer; verbinder. Cemetery (sem'e-ter.ih), a, begraafplaats. Cenobite (sen'o-bajt), a. kloosterling. Cenotaph isen'o-tef), a. praalgraf. Cense (lens'), v. a. bewierooken. —r, a. wierookvat. Censor (sen'mur), a. censor, zedemeester.'—ship, a. censorambt. Censor' al (sen-so'ri-el), —ous, a. —ously, ad, berispend, atreng. —ausness, 8. berispzucht. Censur able (sen'sjoe-ribl), a. —ably, ad. berispelijk. —ableness, a. beriapelijkheid. —e (sen' ajoer(, a. beoordeeling; berisping. —e(sen'sjoer), v. a. beoordeelen, berispen; v. n. oordeelen. —er, a. beriaper. Census (sen's.), s. volkstelliug. Cent (sent'), s. honderd; cent. per —, ten tonderd. —age, a. schatting ten honderd. Centaur (aengaor), a. paardmensch. Centnury (sen-tao.rib), s. duizendguldenkruid. Centen arian (men-te-nee'ri-en), a. honderdjarigs. —ary (sen'te-ne-rih), s. honderdtal. —nia/ (sen-ten'ni-el), a. honderdjarig. Centesimal (sen-terei-met), a. honderdste. Centi follows (sen-ti•foli. us), a. duizendbladig. —nody (sen-tin'ud-dih), a. duizendknoop. —ped (sengi-ped), a. duizendpoot. Cento (aen'to), saneengelapte verzen. Central (sen'trel), a. —ly, ad. middelpuntig. Centre (sen'tr), a. middelpunt. v. a. & n. ook Centralize, in het middelpunt stellen, an. (in, in. on, op) zich vereenigen. Centric (sengrik), —a/, a. middelpuntig. Contri fugal (sen-trirjoe-gel), a. middelpuntvliedend. —petal (sen-trip'i-tel), a. middelpuntzoekend. Centupi e (aen'tjoepl), a. honderdvoudig. —icate (sen-tjoe'pli-keet), v. a. verhonderdvoudtgen. Centurion (aen-tjoe'ri-un), a. hoofdman over honderd. Century (sent'joe-rth), a. seam. Cephalic (se•ferik), a. het hoofd betreffend. Cerate (si'ret), s. waszalf. —d (-reet-id), a. met was bestreken. Cere Otter'), v. P. WV —dlotit,-
• schoen. —, v. a. slaan, kalt.en; v. n. tieren, Rabate (re-beet'), v, a. duen dalen. Rabbet (reb'bit), 8. aponoing. —plane, spanning- 1 , ven waken. —y, a. schreeuwend. tierend. schaftf. —, v. a. met sponntngen Wean voegen. Racking (rek'leng). a. tottering; kruising eener tails; aftapp'ng —pace, telgang. Rabbi trebibib, -ha)), a. rabbijn. Bobbin (reb'bin), a. rabijn. —ical (-bln'tkl), ft.!Racy (ree'sih). a. geurtg; alert. v. a. cameo Raddie (red'd1), a. tulastaak. rabbijnach. --sat, a. rabblinst, talmudist. Rabbit (reb'biti, s. kontjn. poor —, arme rot. vlecbten. Radi at (ree'di-oil, a. stralend, straalvormig. warren, kont) nenberg —ant,a.—antly, —ance, —aney, a. stralluo,glaing. Rabble (rOeb1), a, grauw, jarbagel. Rabid (reb'id), a. dol. woedend. —Rees, a. dol. at. stralend. —ate (est), v. a. bestraleu; v. n. stralen. —ation )-es'sjun), s. atraitog. held, woedc, Radices 1 (red'fitt), a. grondwoord, grondstof, Rabies (ree'bi-iez), a. dolbeld. radikaal. —1, a. —11g, ad. oorspronkelij k; geheel . Rabinet (reb'i-net), s. veldetu.k, veldslang. —lions, a. stelnel der radikalen.—tity Raccoon (rek-koen'), a. wagchbeer. s. oorspronkelijkheid; grondigheid. —te Race (reel'), a. rae, geslacht, stem; wedloop, wedrea, eterke smnak- gear —coarse. reubaau. (-i lest), v. a. deep plauten .' doen inwortden. —lion (-1-kee'.jan), s. inworteling. —ginger, gemberwortel. —horse, renpaarii. —, iiadlcie (redvilti), a. worteikiern. v. n. harddraven, rennen. Raven, anon (res-a- , oee'sjun),s. trots; —of eggs, Radish (red'tsj), s. (re-mesa`), a. tros. —Vero. (-raft'- Radium (reidt us), a. radius, straal; [Teak. elerstok. Radix (ree'diks), a. wortel, ur-uo), a. troadragend. Rae er (ree'sur), a. wedlooper; reupaard,.-iness, HMI {reit), R. verwarde hoop; gespois• Raffle (relit , s. taker dobbellpel. —, v. a. doba. kracht, geurigheid. Rack trek"), e. rekker, scanner; pijnbank; folte- bales, rijfeleu (for). ring; rek; kapstok; spinru.teen; cull; braadbok, Haft (raaft')e a. viol. --'a-man, boutvlotter. —, wagenladder• vile dude walk; telgang: soured; v. a. op (ale) eon via vervoeren, arak; dutzendbeen,nagelbank. —rent, drnkkeode Rafter Craar'tur), s. dwarsbalk, dekapar. takbeut. pacht. —renter, die eene drukkende yacht be- Rag (reg"), a. vod, lamp, lor. —bolt, taalt. —, v. a, rekken, spannen; ptjnigen, fo)- —man, vaddenraper. —sorter. voddenuttzoeker. teren, uitmergelen; verwringeu; aftappea, kla- —atone, zandsteen. —wheel, kamrad. —wort, St. rep (off); a'. u. drijveu, gejaagd warden ale wol, Jacobs-kruld. ken); den telgang gaan. —er, a. rekker; pijuiger; l'Ingesnuftin (reg-e-mutila), s. schobbejak. ultzuiger. Rage (reed j), a. woede, razernki (for of ). Racket(rekli),s.raket;geraas,gebabbel,§ mem, v. n. woeden, razen, tieren. —fat, a. verwoed.
KUM, Kommles, m, custom-shiver, excise-man. -brood, soldier 's bread, munition-bread. Konspes, o. compass. reettttebteed -, corrected compass. siatetittend -, dipping compass. -beegel, gimbal. -demi, compass-box. -huisje, binnacle. -lamp, compass-lamp. -maker, compassmaker. -tumid, compass needle. -roes. compasscard. -atreek, point of the compass. Kompiot, o. plot, conspiracy. Komst, v. coming, arrival; accession. Kond. Sc. known. - does, to make known. ten tegelifk sij -, be it known to every one, ilLeendschnp, v. inform aeon. notice, intelligence. op - uitgaan, to reconnoitre. -pen, ov. w. to inform (to advise) of. -per, m. messenger, Informer; spy. Koniljt, o. confect, eomfit, preserves, sweetmeat. -en, ov. w. to confect, to comfit, to preserve. gekettfijt in, thoroughly versed in. -tag, v. preserving. Kougsrael, m. conger-eel. rabbit, cony. -erel, rabbit 's skin -anberg,-enboach,-experk, rabbit-warren. --enbob. cony-house. -enkel. cony-burrow. -enjuret, rabbit-hunting. -enkruid, sow-thistle. -enpastei, rabbit-pie. Keening, in. king; regulus, -sarend, royal eagle. -sblasta, king 's blue. ---abrood, fine breal. -8doehter, king 'a daughter. -sgeel, royal yellow, -veiled, royalist. -ogeoinde, royalist. -agetrindkeid, royalism. -shof, royal court. -skean, torch-weed -skied, royal child. -Alm., purple. --skroon royal crown, disdain. -smoord, -moorder, regicide. -sstaf, royal sceptre. -etroon, royal throne. -water, aqua regia. -stew, king 'a evil. -szoon, son of the king. -in, v. queen -sekap, o. royalty. Konink is, o. petty king ; wren. -lijk, bv. & o. kingdom. bw. royal ( ly). Konkel, tn. box on the ear. -, v. coffee-pot; distaff, slut, hussy, gossip; rag, tatter. -beet, intriguing plot. -hula, house where go,sipa meet. -meet, tie Konkeinarster. -pot, coffee-pot. -tar, in. plotter, intriguer. -aarster, v. slut, hussy, kosalp. -arij, v. plotting, gossiping. -en, on. w. to plot, to intrigue, to gossip. Konsta ► el, m. gunner. ---skamer, gunner 'a room. -smaat, gunner 's mate. Kont, v. arse; cotquean. Konterfeit en, ov. w. to counterfeit, to portray. -set, o. counterfeit, portrait. Koaavool, o. convoy. -en en liresten, export and Import-duties, custom-house-dues. -ceet,cocket. ship- broker. -sektp, convoy eshlp Konnenielje, v. cochineal. Kohl, v. fold, pen; cage; hammock, berth, bed ; coin, quoin. -tend, decoy-duck. -man, master of a decoy. -en, ov. w. to cage, to fold, to pen (up); to lire in coucubinage; to coin, to quoin. Kook, v. boiling. can de -, boiling. van de -, having ceased boiling; indisposed. -beek, cook. cry-book. -forests, cooking stove., furnace. -gereedsckap, kitchen-furniture. -bob, cooking-hut, -shed. -huts, cooking-house, kitchen. -hetet, boiler. -Cutlet, art of cookery, culinary art.
Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.
(sektip 0 p s4e ienn (skip'), o rozia wij:ioevues,;.sp,rtirinveg ri,mu ; zuster. --in - law, s e hoonzuster Skip Sister t u r v. a. zusterschsp. — ly, a. zustertbk. , — hood overelsAn, (o,eri; v. n. springen, huppelen. —per, Slit (sit) [sat], v. a. zetten; v. n. zitten; bi.Geden. (down) gaan zitten, zich vergenoegen. lout) znndrr a. springer; wildzang; sehIpper. --ping .rope, opzlicren, zich orichtert;ophluven.1 springtonw. work On. (up) Skirmish iskuemixj). seliermutseling,— v. n. Site laajt). s. ligging; pleirje• sehermntselen. — er, schermutselaar. Sithe (KOTA), a. coin. IsSkk re tre(t.du (,skrit, r;r i . ), po itnd aili,ker B , rizittiels. lip, rand, zoom, Slit er (mit'tur), a. titter; broeietide vogel. a. a. hot zitten; broeiNg; zitting. a. gclegen,; grens; id), v. a. boorden, omzoomen; zijn ( e't Slit.. to (sttloe-et)„ ,gasn) op den k'ot van. Itggend. — lion (-ee'sjun), 8. 11 , r4ing; toestand. Shix (mike), a. zoo. —fold, • 7,4“ntdi2,.. — pence., a.' Skit (skit' r, s. liehtekoolu scbitr, pacbent; gel; von, \vendee'. — tish, a. —tiably, art. sehn w,sehichtig; zesstuivermuk. --score, a. !,on.ierdtwintig. — teen waft; wispett.urig, grillig. — tiehness, a. schuw(-tien), R. zestien. — teenth ( tienth), a, lestiende. hold; a. hnid; •iepelturigheld; wonderillkheid. -th. R. — this, ad. (ten) zesde. —60,1 Skill les (skietiz), s. pl. kegels; kegelepel2 zestig. zestIgste. St. note (risfzibl), a. van beltnprlilke (aarrzien- Skulk (skolk), v. n. — er, s. Zie t0 — er. lijke; grrotte. —or (-er), a. gering student. —e Skull (skull"), s. sehedel. —cap, iraiotje, stormhoed. Zie Scull. (sajz), a. grootte., ornvang; formaat, !ralther; Ce - etalte; mast; oandcel; geaeldheid; lijrn-, gam- Skunk (skunk), s, stinkdier. water; kaikmelk. — e (aajz),c . a op d,jutRie ,n Rat Sky (rskan, a. lueht, oitspansel. —color, a. —colored, R. hemeisblanw.--lark, veldleenwerik. men; met kalknwik branzen; ijken; gommen, itt ,ry , matrozenpret. — light, vallicht; dakraarn, (sajid), a. von—. grootte. bestrijken, (ontaren. — rocket, vilurpij — seraper, — sail.klap— el (mar& , a. arval van zilveren muntplaten. mots —ey (-Au, P. heinelmeh, etherisch. -iness ( zi-ness), a. lijmigheid, SI.5) (e1t,e' , ,, a. pleat; steenen Out; huitenplank. a. lijmig, kleverig. --line, hanepoot. --bar, a. R. bekwij ten, bernorsen; a. 11. si,sen. Sizzle v n. kwii I en, slobberen. --beret (-bur-r• r), a kwijiSkein iskeenl, a, Zie Skein. b,s;.oelttar; domkop, Sknte (skeet'), s mchaots; rtsg. —, v. n.schaatsen (-biness). lueverigheld; niorsigheid; vechtighetd. — by, a. rijden. —r, s. seharasenrij der. kleverig; morsir,; vochtig. Skean (skien), a. long men, dour. Slack !slog'), a, —1y, Ad, slap, ion; traag. — en Skeel (skiet), s. melkhak, koelhak. tslek'n), v. a. & it, tvatsten; (door) yerniappen, Skeet (skiet), a. seheepmgieter. a. kjeine yveorrfizauiffi weenTr: ,,, ,e,r,,,m‘ ierhid,rn ereorn a; ikv,e.rt_rangese.,,u; ay.erszlaa;lh,teehnt 'keg (skeg'), R. aleepruim. —per calm. lashed traagheld; Achteloosheid. Skein (sheen), a. kluwen, strong. Shag (slew, metsalschnim. Skeleton (skere. tun), s. geraarnte. a. klap, !slant.Shake (sleek). v. o. le ,,chen; blueschen; data be Skelp ti,r,n. Sketch (sketsj),m.schets, —, v. a. selsetser (out). Skew iskjoe'1, a. scheef, schuirmeh. —, v, a. Slam (stem), s. cleat, clam (in 't whistspell. v R. d ielitsmi) ten, -- erslaaii; brent trinkets. schuinm atinzien; v. n. scneergsan. —er,s• Shanties' (alsan';tur). a. looter; sehande. v, a, pen. —er, v. A. met pennon vuusteken. belosteren; beschimpen. e. latteraar. —ous, Skid (skid), a. remkettiwg; wrijfhout. jam,riuk. Skiff (skiff), a. hootje. —, v. a. in een bootje over Slang (along), s. dieventsol. settee. a. 'flank. Skilful (skilloel), a. —/v, ad. ervven. bedre7en Shank (slengk), s. zeegras. Slant (slaant'), —ing, sehui,,,h; &rare; Lel. tat. in). — ness, a. ervarenheid, bedre venheid. lend. v . a. & n. schninsch !ached, ltellend) Skill (skill!), 8. ervarenheld, hennim.bedr , ve.nheid. R. on- makers Iworden). —wise, ad. schuirs, scheef„ — ed (Akii(1), a. ervar,n, bedreven (in). --ran, overdwars. ervaren, onbedreven. Slap (slap'), s. Map, slag. —,ad. & int, flap ! Skitlet (shir111), a. ketelija. v. rt. Ma.. —dash, ad. censklsps. Skim (alttrri'l, v. r.. afsehuirrien; ofroomen; si, cliep- pen; ,n r iike Dn, arthraken; V. n. voorbijzweven; Slash (RieElb, R. tin,fte, joap; seheur. —, v. a. an jiafgeroomde me!.k. den, hGuwen; v. n. om sick been sloan. (orer) overheen glfidets. minas Sintris (sletej), a. bocht in een totem, ; viattg; korte — m. arschnimer; sehitimspaan. — neer, brie, 'el. — pencil., griffel. --quarry,leiSl(allielrifitn)7),Ps1-.h'ueildTv11..—ba//,drulikersbal.—d.rep, Sterie groef. —roof, leien risk. v a. met leien dekken. — flint, vrek, woekerissr —wool, opperilakkig. —r, m. leidekker. doode \vol. —, v. a. villen; net eene hold bedek- Slat ter (slet i tur), v. n. slordig (monlg) gekleed (over) ken; v. n. eene htlid bekomen goAn. Skink Is:ring's), 8. drsnk.—. v. a. inachenken. Stilts less ,slanness), R. zonder (den von) hold. Slattern (sleeturn). s. slons, morsebel. —, v. a. veralnusen; verwaarloozen. y, t. & ad. slordig, —fled (skind), R. gevild; met ease,— held; leder- morsig; aubteloos. achtlg. --nor, a. viller; velieukooper. — nineae a.leirtehtlg. (-ni-ness), s. velligheid; mager:iet.t. --op, R. vel- Sinty Slaughter (slan'tnr),m.slaehting,bloedbad,man—, lig; mager. 

153 iin'sti-tjoet). s. instelling, wet, Yours. geinis van dorht. lluoilttut e entry schrift; instituut. —e, v. a. in-, aan-, vaststellen; -On (-Sit4r1111), S. (in). —ion(-tjoe'sjun)., s. in-, aanstel • onderwijzen Inmate (in-sneer'), v. a. Zie 10 ling; verordening; stiebting; onderwijs; inriehInsuhrtet y (in•so-braj'e-tilt), s. onmatigheid, —ionary (-tjoe'sjun-), a. to beginsetin Inane table Itn-so's31-01), ongezell g. len bevattend; verordend. —ist, s. sehruver vat lassola to (in'so-Teat;, v. a. in de son drogen, grondbeginselen. —ire, a. instellend. —or, a. in(-1e.e'sjun), s. (het.) sonnen; — zette n , —tion atelier; onder nxijzer. zonnesteek. littutruet (in-struktl, v. a. onderwijsen (in); van Insofteza cc (in'so.lens), a. onbeschsamdheid, voorschriften voorsien; voorbereiden. onbeschoftheid. —t, a. —.fly, ad. onbeschaarnd, •struk'sjun), a. leerzaam, vatbaar (for). onhesehoft,aann,tigend. onderwijs; aanschrijving, lastgeving. —*re, a. a. onvastheitt. Insulting' —ire/y, ad. onderriclitend, leerrijk. —ireness, a. —bilitY onoplosbaar. Insolu hic (in-solijoehl), a. leerrijkheid. —or, s. on derwijser. —rest, s. on der(-bil'it-till , , e. onoptoRboarbeid, llusoiv able (in-solv'tbi), a. onoplusbaar, cube- i wijzeres. Instrum ent (in'stroe-ment), s. vrerktuig; speeltaalbaar. —envy (-en-silt), v. onvermogen to tuig; gerechtelijk gesehrift. —al, a. —ally, ad, toting. --eat, a, onvermogend nut tebe:alen. (-men'tel-), behulpzaam, dtenstig (in, to, towards); Insomnious instramentaal. —atity —alness (-men' in zoo verre, zoolusescolitek (in-so-muter), conj. te).), s. behulputtinheid; medewerking, tusdat. schenlimnst. Iquipect (in-spekt), V. a. in oogenssitonw nemen, (in-sub-dsjek'sjun), z. ongehoor(-spek'sjan), a. be- InsubJection onderzoekon, nag... saamheid. sichtiging, onderzoek. —or, s. opzichter, inapee- Insuburtillita to (in-sub-oritii-net), s. weerspantear. —orshi , 8. opzichtersehap. uig. —Non (-nee'sjun), s. weerspaunigheid,titehlInnpetetti,a (iri-spur'Ajun), 15. bespronkeling. baar. —ation, teloosheid. lhroptr able (in-spajetW), a. irtadetr. (in-suf'llir-lb1), a. —bly, ad. onlinsulffera (-spi-ree'sjon)„ a. inblazing, iugeving, bezieting. 1, verdragelijk, onuitstaanbaar. -e, v. a. inbiazen, ingeven, inboesemen (into. ) Insufficten cy (in-out-lisfen - sib), s. ontoereiwith); v. n. inademen. —er, s. ingevcr. kendheid. —t, a. ontoereikend. Inspirit (In.-spir'it), v. a. bezielen. verlevendigen. Inxutilfttion (in-suf-fiee'sinn), s. inbiazing. Inspissa to (in.spis'set), a. verdikt. gestreTd. Ittsula r (in'ajoe-ler), a. eilandvormig; van —te (-Beet)., v. a. verdikken, doers stremmen. —lion ten eiland. —r, a. eilander. —to (-leet), v. a. at• ( see'sj tin) , a. verdikking. —lion (-lee'sjuol, s. afsondering. —tor zonderen. —bility Inetta ble (in-steelW, a. onbestendig. (-lee-tar), a. afzonderaar,isoleerbankje. (-ste-bil'it-tih), s. on'oesteildigheid. In cult (in'sult),s. beleediging. hoot, In.stal I (in-stool'). v. a. bevestigen„installeeren. Insult (in-suit'), T. a. beleedigen, hoonen; v. n. —lotion (-stet-lee'sjun), bevestiging,instello.tie. spotters (over;. —er, a. beleediger, hooner. —ing, a. —runt, s. bevestiging, installatie; ternaiin. —inyly, ad. beleedigend, hoonend. Instance (in'atens),s. dringend verzoek,aandrang; insupera ble —bly, ad. onoverinetanlie, aanleg; gelegenheid, ornstandigheid; komelijk, onoverwinnelijk. —bility 1-e-birit-t lb), voorbeeld. —, v. a. als een . voorbeeid aanbalen; —bleness, s. onoverkomelijkheid;onoverwittnelijk, v. n. voorbeelden bijineng ,n. heid. lutanist lin'stent), a. dringend ; tegonwoord ,ig; Insiipporta hie (in-sup-poort'ibl). —My, ad. oowntblik; I oopende rnaand.—ty, mi kideltijk. —, a. onverdragelijk, —bleness, onverdragelijklteid. ad. op staande voet. Insuppress able (in-sup-pres stbl), —ire, a. met —ously,' Instantane oats (in-sten-tee'ni-us), a. te weerhouden of onderdrukkem ad. oogenblikkelljk, onrnitideliijk. —ity (-to-nr laatazar able (in-sjozeibl),,a.verzekerbaar. —awe, it-tilt), —ovsness.s. oogenblikkelijicheid. s. v‘irzekesing,assurantie; —company, assurantieInstate (in-steeti, v. a. plaatsen, et cllen. inaattichainti; —nioney, assurantie-premie. —e, lustours te (in-stao'reet), v. a. herstelien,ver- v. a. verzelteren, aissureeTen. —er,, a. verzekeraar, nieuren. —lion (.ree'nimo), s. herstelling, verassuradeur. nleuwing. —tor (iiestao-ree-tar), n. hersteller, Insurgent (in.suedzjent), a. oproelig. —, m. op. verttleuwer. etandeling. Instead (in-ated . ), ad. (of (in pleats van . Insurinounta ble (in-bur-inttaunt'ibl), v. a. indoopen; weeken. Insteep ad. onoverkomeiijit. eene Instep (in'step), s. wreef. to be high in the Insurrection ;in-sur-rek'sjutil, to. opstand, hooge horst zetten. terij. —at, —ary, a. oproerig, muitziek;oproer-. Instiga to (ltesti-Beet), v. a, aiinsporen,ophitnen Insusceptible (in-ntin , sep'tibil, a. onvatbaar. (to). —lion (gee'sjun), uphitsing. Intact (in- tekt'), a tonaingeroerd,ongedeord. — i blo, —tor, n. aanspooTder, °plats,. ontastbsar. a. (in-still, v. a. indroppelen; inboezemen, Intaglio qn-terio). n. genneden steen. inprenten (into). —lotion (-lee'siun), a. utdroppe- Ind ningl ble (tn-ten'dti ibt), a. ontastbaar. —Linty lint; inhoezeming, inprenting. ontastbaarheid. 1 1.0 'net (inNtirtittl, 8. instinct, natnurdrift. ita- , Intwitithie n- smakeloos. onWillekenrir, std. 1-stinsk'tiv geheel W•tr.1 • s. Inurdrift.
404 Bement en, ov. w. to mast. —ivy, v. meeting; — wonem, to live on the ground-floor. dat is — n,ij, that is on low for me. — den wind. leeward. ma4te. Hamer; bear, be. perceiyaide, observable, — bear, ground•fioo•neltehhor. — einde, lower —en, ov. w. to perceive, to remark, to observe, ena. —hate, ground-floor. — lamer, lower room. to diecover. —Say, v. percept,m, obAervatton, —rood, earth, world. —clad, lower town. — ate, thisensfery, notice taken, by lowest:, undermost. — waarts, boa. downBetneat en, ov. w. to manure, to dung. —ing, wards. 110214.1iVitilli, M. benedictine. v. !canoeing. tater, m. mediator, intercessor, in Besniedkj.tos, on. w. to Wiese. de gebenedijde ',Voogd, the ble , sed Virgin. teepooer. — aarster, snediatrems,mediatrix. —4, by. to easy circumstances, at eaee, warm, well- Ilten2enaster, v. Zie Benemer, to-do, kunst/11,CA. ov. w. to niediete, to fiesseemen, or. w. to deny, to say no to. accomarniate, to come.% to settle. —ivy, v. 11,404111 en, no. w. to deprive ot, to take away toodi3tiou, accommodation, interces,,ion. from. --er, m. deprive, — icy, v. privation. Ileniauct, by. to , ed. beloved. —e, rn. & v. lover, deprivation„ sweetheart, mistress, lady, spouse. licirepen, be. pinched, straitened, perplexed, Heiman Mk, be, & bw,, lovely (-sly), amiable dtatreeeed. —beid, v. straits perplexitylijkheid, v. ioneline,, amiableness. Bessevell d, be. cloudy, foggy, nosy, dim. —en, --nen.. or. w to love, to cherish, to be food of or. w. to cloud, to darken, to dtm, to fuddle. — ing, v. clouding; cloudiness, darkneea. —ne,,e,aurdigr. by. Zie IleanLalkjk. — nenswaar dig ,keid„ v. Zie LienciniUfah,id. —.sr, irs Benevens, vz. besides, together with. Flettgel, cc. bell; naughty boy, sirrah, reacal, lover; amateur. Ben...101er en, ov. w. to bemire, to bedaggla. blackguard. —braid, mercury. — en, ov. w. to ring the bell). —mg, v. bemiring, sijn, to be desirous —, Rousysettig er,ae, ov. w. to encourage, to animate. B.E11411121V d, dw. anxious —, longing (to know, to hear, to see). —icy, v. encour,gement, animation. Benstael at., na. & v.. bury body, do-all, med. —ea ono. sr. het cal — cif, I long to know (I woryier) rinether. dler. — en (zieh), t. w. to ins.ddie (wIth). v. meddling; trouble, etiort. — lkiken, ov. w. to Bentitt en, err. w. to envy, to grudge, to be jealous of —ensamardig, be. enviable. — er, thwart, to cr.., to hinder. — eel, o. bueiness. b-fiat cliff. —ster, v. en tier, envious person. BensuK, m. b flat_ w. to pinch, to squeeze. lienstareven,ov. w to moil, to dirty. illess,ions bear, hv. appointable. — en, no. w. to 111emtest, name, to denominate; to appoint, to nominate. Ben:Asir eon, ov. w. to wall. —tag, v. walling. — er, m. appointer. nominator. --ling, v. denoiniBen, v. basket, scuttle, lienanie., no. w. to sew for. met 6e.c.ssehen en noting; appointment, nomination; --abrief, letter of appointment, diploma. won , ing and sewl ng imcluded. (Wieir), t. w. to plod, to ply, litentstsdiligd, by. wanted, required, necessary, Bessearalig welt — lay, a. close — Ain, to want, to stand in need of. to apply (to exert) 04. rev. necessaries. application, assid,ity. liessotsrelen, vz. on the north side of. neion , estieut, or. w. Zie Netat4ess. lienadreol sess, ay. vv. to wrong, to barm, to Bent, a company, band; corporation, academy. wronger, injurer. — leas, badge of a corporation, —naam, se:OmInjure, to prejudice. —er, kid name, —roye/, member of a corporation. -rag, v. harm-doing, prejudice. kwvt zips, to Benhder en, no. w. to eel., to confiscate; to Beunl, o. conscrou,cess. zijn fr:elaute; Adoption.; approxi- • tan, not to have lost one's wits. peen — fieriest adopt. —bay, v under-tand. *-nation. Beeefen ear, m. student, practitioner. — en, isteinansisig, v. name, denomination, ov. to study., to cultivate; to exercise, to n v. puzzled, perplexed; embareaseed, difficult, etraisenee. —neid, v. perplexity, em- profess, to follow, to practise. --3nd, be. pracbecra,snient„ difficulty, strait. tined. —ing, v, study, cultivation, cultcre; praclienergen, on. w. to puzzle, to embarrasses; to the. Nicol Cilia, no. w. to oil. ', trailers, to put to the lost shift. nctinatliN ci f hv. & bw. narrow (•IY), close (-1y); lieziog sax, .ov. w. to have in view, to aim at. v, aim, Intention, design. sultry, oppressive (Ay.; abort-iireath,d, asthmatic; sort,O.et.ed, trouble -t; bard; afraid, Bermordes► ietee, na. judge, critic. —en, ov. w. to uneasy, anxious (-1y); — waken, to frighten, to jedga, Its criticise. —tny, a. judgment, criticism. terrify. —dheid. v ortirowoes, c!oneness; sot- ilite..ring en, no. w. to make war upon, to wage was against. --inn, v• waging war adunet• trine.; asthma; straits, hardship, oppressiou; unessiness, anxiety. --en, on. w. to oppreRre; to Illeotistsii,yz. on thereon ride of. straiten. to distress, to vex, to banana; to make Depersati, be. & bw. determined, determinate v. oppressolon. (-13), fixed, definite (-3y), povitive (-ly). — heid,v. --ins), oppressor, anxious. —er, de, erminatenees, defini Armee, posStiv eness. it,nthe, v. bond, troop, Lady. gang, Repel en, no. w, t ,. empale, to prop, to limit, elee,e,desa, ha, below, down, down stairs. Y.. under, underneath. naar — , clown, down to bound; to fix, to appoint; to determine, to t. w. (tot) to limit define; to stipulate; zien stairs, ran int.. none —, from top to bottom.
UNIT--UNX. 324 Unintellig ant (un-in-telnid-z)ent), a. onkunUnhewn (un-joen 5 ), a, onbehouwen, ruw. —ibleness, s. severdig. Unbidden (un-hid'dn), a. onverborgen. staanitarhe!d. —We, a. —ibly, ad. ouvetstaanUnhindered (un-htn'durd), a. ongehinderd. Unhinge (un-hindir), Y. a. uit de hengsels Lich- bum Unintentional (un-in-teu'sjun-e1), a. —ly, ad. ten; tat zijn verband rukken, orniteerea. onopzettelijk. Unhit lun hit'), a. niet getroffe.n. Uuinter ested (un-in'tnr-est-id), a. belangeloos; Unhitch (un-littsrl, v. a. athaken. riet betrokken (in). —silted (-mit'tict), a. onUnhurt if y (in-ho , 111-11h), ad, —y, a. onhailig, s. onhetiigheid. afgebroken. —mixed (-mike(?), a. onvermengd. goddeloon. —rupted, a. —ruptedly, ad. (-rupt'id-), onafgeUnhonored (un-oreurd), a. ungeierd. Unhood (un-heed';, r. a. de kap afnernen. —ed, broken. Unin tired (un-in-joerd'), a. niet gewend (to). a, zonder kap. —vented (-vent'id), a. onuitgevonden. —reeled Unhook (vn-hoek') v. a. loehaken. (-vest'id), a. niet bekleed; niet belegd. —restigable Ulaboop (un-hoepl, v. a. van howls ontdoen• (-vest'l-gibl), a. onnaspeurlijk. —riled (-vaj'tid), Unikope d (un-hoopt'), a, — tor, ongehoopt. a. ongenood. (-hooploel), a. hopeloos. fret Unhorse (tin-horn'), v. a. van het paard werpen. Union (joe'njun), s. vereeniging; eendracht ; Unhositile (un-hotrtil), a. Met v(jandig. Unto. —flag, natlonale ',lag (van Groot- BritUtabousta lun-haue), v. a. uit het We jagen, tannii). Uniparotio (joe-nip'e•rus), a. tin Jong werpend, aan den dijk zetten. Unhumbled (un-hurebld.), a. onvernederd. Unique (joe-niek'), a. eenig. Unison ijoe'af-sun), s. een-, gelijkstemmigheid; I.Johring (11.1 hung') a. ongehangen. overeenstemming. —, —ant, —ous (-n;s'o-), a. Unhurt (un-hurt'), a. ongedeerd, onbeschadigd. gelijkstemmig, -klinkend. —Ail, a. —fully. ad , onachadalijk. Unit (joe'nit), e. eenheid. —anion (-ee'ri-en), a. Unbusk (un huak`. ), v. a. pelien, doppen. Uni corn (joe'ni-korn), a. eenhoren. —form, s. unitarts. —e (-neje), v. a. vereenigen; v. n. zich uniform. —form, a. —forstly, ad. eenvortnig. ver,nigen; itch verbinden; aaneengroelen. a. ad. (-najt'id), vereenigd, gezamenlijk. —fortuity (-form'i-tih), s. eenvormigheid. —genus —y, s. eenheid; overeenstenrning. (-ni 4'0e-tins), a. van din geslacht. —lateral (-let'- Univalve (jotent-volv), a. eensehalig. ur-el), a- eenztjdig. unItn aginable (un•int-ed'zji•nibi), a. ondenk- Univers at (joe-ni-vers'el). a: —ally, ad. Opmeen. —ality (-erit-tili), a. algerneenbeid. —e ium, —paired (-peerd'), a. onverzwalkt; onge- Ijoe'ni-vurs), s. heelal. —lip, a. huogirachoot, nehonden. —passioned (-pesj'und), a. onharts- universiteit. tochteltjk, bedttard. —peaehable (pitts'ibt),j a. niet to betchuldigen, onberispelijk. —peached Univocal (joe-niv'o-kel), s. & a- (woord) met slechts dine beteekents. (-pietajt.'), a. onbeethuldigd. —peded (-pie'dfd). a. ongehinderd. —portant (-port'ent), a. online- Unjoin (un-dzIojn'l, v. a. seheiden. —t, v. a. ontleden; ontwriehten. —ted (-tid), a. ontleed; langrijk. —pitted I-poozd'), a. vrijwillig. —posing ontwrieht; zonder gewricht. I-Po'zieng), a. n'et indrukwekkend; vrijwillig. Unimprov able (un-im-proev'tbI). a. onverbe- Uejoy tut (an-dzjorfoel), —ous, s. niet vrooltjk, nedralachtig. terlijk. —ableness, e. onverbeterlijkheid. (-proevd'), s. onverbettrd, onbeechaard; onge- Unjudged (un-dzjudzjd'), a. onbeourdeeld, onboalist. bruikt. —ing, a. niet verbeterend. Uninaputabl• (an-im-pjoe'tibl), e, niet toere- Unjust (un-dzjust'), a. —1y, ad. onrechtvaardig, onbilftjk. —nese, s. onrecbtvaardigheid. kenbaar. Unin alined (un.in-klajnd'), a. ongenegen, Unjustlit able (un•dzjnet'L-faj-ibl), a. —ab'y, ad. niet te rechtvaardtgen, onverantwoordelijk. —debted (-det'id), a. condor achulden; niet ver- schuldigd. —different (-dirfur-eat(, a niet on-—ablenese, a.onverantwoordelijkheid. —ed (-fajd), a. ongerechtvaardigd. verachilPg; niet onpartijdig. —dulyent (-dui', dzjent), a. niet toegevend.—d,.trioua (dus'tri-utt), Unkennel (un-ken'n11), v. A. nit het hok of hol drtiven; te voorschijn brengen. onbedtlivIg. —fected 1-fekt'idl. a. niet a. onbesmet. —famed(-fleemdl, a. nietontvlarnd. Unkepi (un-kept'), a. niet gehonden., — nage-flammable (-flenemibl)„ P. . niet OntvImbartr. komen. —flueneed (-in'iloe-enst), a, or!) van invloed. Unkind (un-ka)nd'). a. —ly, a. & ad. onvriencle(-1i-nese)„ —nest, a, onlijk. lieideloos. -formed (-POP.Cr), a. niet onderrieht. —onto. vriendelijkheid. (-dzjen'joe-us), a. niet openharttg, niet oprecht. Unintiobit ethic (un-in-heb'it-ibP, ,abewoon- Unklnlq (un-ki'ng') v. a. onttroonen. —!y, a. onhoar. —ableneis, s. onbewoonbaarheid. —ed (-id), koninklijk. Unkissed (un-kise), a. ongekuat. a. onbewoond. Unin lamed (un-in'dzjoerd). a. onbeleedigd; on- Unknelled (un-neld'); a. zonder geld der doodbesehadigd. klok. ouisitive (-kwh'i-ttv) , a. niet —spired nieuwaglerig, (-spajrdn, a. niet bezield; Unk•lghtly (un-najt'ith), a. onridderlijk. niet ingegeven. —strueted (-strukt'id), a. niet Unknit (tin-nit') [ire.], v. a. loetrekken, losonderwezen; zonder voorsehriften. —struetive waken. 1-strukt'lv), a. oniserzaam. —eared (-sjoerd'), a. Unknot (un-not'), v. a. nit den knoop doen; lonmaker. onverzekerd.
A. A, v. A. H(j kent Been A voor eenB„ he knows not A from B; he is a met, ignoramus. trekken, shutAnisela, bv. awkward, clumsy. —hands, bw. awk•yardly, prefling tricks. posterously. Angt , 7. —appel, short shank apple. cApender. Anien, or. w. to ,tare., to stroke. Atilt, v. boat, long boat, flat-bottomed boat. Anks, v. axe, hatchet. Aral, m. eel. -- , tusk, weir, near, bownet. --peer, ale Eiger. —kaar, eel cant, eel-trunk. --her!. West. —rijk, abounding w ith eels. —schaar, —ipeer, —etcher, eel-spear. —.Auld, —stel,eel- skin —seep, eel-soup. —sleek, eel-fibbing, right of fishing for --riivar„ eel-pond. Aalbett,v.curiant.—eetioom,currant , tree.—sestrnik, currant-bush. —seenat, —icecap, currant-juice. —sesrist, —reetros, bunch of currant.. —sentoUtt, currant-wine. Aslant, en, y. aims, charity. Anlintoenenier, In. almoner. —*hula, almonry, alms-house, asylum for the poor. —.kind, charity-child, foul:edit:4. o. totum. Anna, o. acm, acme. hemorrhoids. Aambeien, v. mv. Aamborstig, bv,astnmatic,short-breathed,sb ortwinded. —held, Y. aathrna, shortness of breath. Ananechtiog, bv. Zie Ansechtlg. Ann, v., Cl; on, upon; to; near, next to; of arrived, burning, lighted (ran your of licht); upon a jar, a-jar (van eene deur), het is — u, it is your turn. er — (berig) Ain, to be at it, van den beginne —, from the beginning. Annotated en, ov, w. to earth up. —ing, v. earthing up. Aanedenten, ov. w. to breathe on (upon). Aanbatiren, or. w.Zie Annbinfiren. Aanbak ken, on. w. to stick (to remain sticking) to the pan, to scorch. --eel, o. what sticks (remains sticking) to the pan. Annbalken, ov.w. to bray at. Aanbaren, on. w. Zie Aanberen. Aanbannen, ov.w. Zie Aanblesffen. Annbedenien, ov. w. to allot, to assign (to). Aanbeelti„ o. anvil, stake. —Wok, anvil-block, anvil-sto zk. Aanbeenen, on. w. to walk at a pretty rate.
416 lumen voorate von, m. inner-apron. ItInnenwasard, m. drainedlake, inner-polder. Blinnetawnart a, ad. towards the inside, inwardly. Binnenvarester, o. lake. riser, canal. Binnensweg., to. by- w ay, by-path. lniminenweirk,o lunerwoft, clear. —8, bw.in the clear. Binnenzak,m. tob. BinnenzUde, v. inside. ISInnenzUst ask. a. side-lining. altnnemes.oi, v. inner-sole. Blest, v joint, cross beam. Hirkwoetel,m. fennel-giant. o. bishoprick. Bliasehop, tr., bishop. —sambt, episcopacy. —shoed, bishop's hat. —satatiter, mitre. —smuts, bishop's cap. —seta!, crosier. —010, by. spas. copal. Bit, o. bit, bridle. lista, bv. & bw. harsh (•ly), tart (-1y), spiteful (-ly). —held, v. harshnete, tartness, spitefulness. —asr, bv.Zie BUtnekatica. Miter, by. & ha bitter (-ly ); sad (-1y), grievous (-1y); hard, severe (-137), intense (-1y); harsh (-ly) acrimonious (-ly). o. hitter; bitters (drank), --(horde, rnagnes*a. —appel, bitter-apple, coinquint. —einden,, junk. —flesrh, gin-bottle. —bout, bitter-wood, quassia. —kalk, trisk-net,ia, stone —kers,garden-cresses —kluver, buck-bean, mare-h-trefoil. —epoath, rhomb-spar. —,teen, nephrite, jade. —wortel, bitter-wort, fell-wort. —.goat. bitter-sweet, night-shade. —rant, bittersalt, Epsom-salt. —aehtig. ov bitterish.—nehtagheid, v• bitteriehneas. —held, v. bitterness; grievsoonest; asperity, acrimony. m. bison. Blan(lje, o. little leaf; —sheet; salver, tray, waiter. het —is ontgekeerd, the tables are turned. btliernand in tangoed — staan, to be in one's books. in een kwaad — staan, to be in bad repute. Mayans, v. blame, blemish, stain. Blank-, v. blister, wheal, Wain; blaze, white spot. —tvekkend, by. blistering. Mune, v. bladder; pimple; bubble; flaw. —WY, bellows; eon —, a psir of bellows. —balgtrekker, warmer. —band, —streng. bladder-string. —brevk, systocele. —hares, bugle-horn. —kaak, swaggerer, bully. —kahen, to swagger, to brag. —aakerij, rodomontade, braggery. winter-cherry. —Pijp, blow-pipe; shooting-trunk. —speeltoig, wind-inatrurnent. Bind, o. leaf; sheet; plate; board; flap; blade; tray, waiter; newspaper. van het — syselen, to play at first sight. —goad. leaf-gold. —0,ente. leafy vegetable. —Alter, sheet-iron. —koper, sheetco pper —lois, plant-louse„ vine-fretter --tia.tinfail.—torraig,leaf-ahaped. random-readings to fill up a page). —wiper. index. table of contrasts. .— s(itle, page. —mister, leaf silver. agaric. Binder en, on. w. to turn over the leaves; in sea bock —, to pestles a book. —dos, foliage. —risk, leafy, full of leaves. —apaath, leaf-spar. —toss, be, leafles. )allege en, on. w. to bark, to yelp. —er, m. barker;

DIgnifleatIon (dig-nit-fl-kee'ajun), a. verlielling. Desna fled (dig'ni-fajd), a. doorluchtig, hoogwaardig. —fy (-fall, a. a. verhoogen, verheifen. —tarp, a. waardigheidsbeklee der; kerkvoogd. —ty, a. waardigheid. Digraph dargref), e. tweeklank. Digress (di-gress"), v. n. afwijken; uitweiden. —ton (-ajun), a. uitweiding. —ire, a. —irely, ad. uitweidend. DUudicat a (di-dzjeredi keel), v. a. vonnisaen, uitwijzen. —ion (-kee'sjun), a. uitwijzing, vonnis. Dike (dajk), a. grach', greb; dam. —, v. a. inAiken. Dilaoerat e (di-les'ur-eet), v. a. vaneen scheuren. —ion (-ee'sjun), 0. vaneenacheuring. Dilapidat a (di-lepii-deet), v. a. omverhalen; verkwiaten; v. n. vervallen. —ion (-dee'sjun). s vervalling; sleeping; doorbrenging. —or, a. Blooper; doorbrenger. Dilat ability (di-lee-te-bil'it a. uitzetbaarheld. —able, a. uitzetbear. —ation (dil-e tee'ajun), a. uitzetting. —e (-leet'), v. a. doen uitzetten, verwilden; v. n. uitzetten; uitweiden. —or, e. verwijder. —oriness (diPe-tur-), a. traagheid; talmerigheid. —orily, ad. — ory, e. (dille-tur-) traag; vadzig; talmerig. Dilection (di-lek'mjun), s. innige genegenheid. Dilemma (di-lem'me), a. klemrede; verlegenheld; dilemma. Dilettante (dil-et-ten'te), a. dilettant; lief hebber. Diligen ce &Jens), s. vltjt, naarstigheid; reiswagen. —t, a. —fly, ad. naaratig, vlijtig. Dill (dill), a. dille. § —, v. a. bedaren; lenigen. Dilly-dally (diPlih-del-lihl, v. n. talmen. Dilucid (di-ljoe'sid), a. klaar, holder. —ate, a. a. ophelderen, verklaren. —alien (-dee'sjun), a. opheldering; toelichting. Diluent (dilloe-ent), a. verdunnend. verdunnend middel. Dilut e A. dun, 'ierdund; v. a. verdunnen, aanlengen. —er, a. verdunner; verdunnend middel. —ion (-1joe'sjun), s. verdun• aanlenging. Diluvl al (di-ljoe'vi-el), —an, a. den zondvloed betreffend. Dim (dim'), a. —ly, ad. duiater, • schemerig. —sighted, slecht van gezicnt. —, v. a. verduisteren. benevelen. —mish, a. duieterachtig; dof. —nes a. duiaterheid; kortziehtigheid. Dime Itlainf), a. een tiende dollar. DiMen sion (di-men'sjun), s. afmeting; omvang, uitgebreldheid. ---siOntesd, a. onmetelijk. —sity, a. uitgebreldheid, omvang. —sive, a. atmetend; do grenzen aanvvijzend. Dimidia te (di-mid'i•eet), v. a. halveeren. —tion 1-ee'sjnnl, a. halveering. Dimin ish (di-min'isj), v. a. verminderen, verkleinen; v. n. verminderen, afnemen. —ution (dim-i-njoe'sjun), a. vermindering. Diminutiv," (di-min'joe.tiv), a. —ly, ad. klein, goring; verkleind. a. verkleinwoord. —ness, a. geringheid. Dimiss ion (di-mis'sjun), a. ontslag; wegzending. —ory (dim'is-sur-rih), a. ontslaand; near sea' anderen rechtar verwijzend. Dimity (dim'it-tili), a. diemet.
N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling.

Zal crypto ooit herstellen in 2019

×