231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;

Wat gebeurt er als je dubbel Bitcoin besteden


lane. -now, ad. root dezen; voorheen. —while, ad. eenigen tijd goleden. Erect (e-reltt'), R. yeebtopRtaand; fler,onverschrokken, pal. —, v. a. oprichten, bouwen; opheffen; bemoedigen; v. n. zich oprichten —ion (-rek' sjun), a. oprichting. bouwing; opheftIng; bemoediging. —ire, a. oprichtend; opbeurend. —netts, a. rechtopstaande bonding; koenheid. —or, s. oprichter; oprichtende spier; hereoediger. Eretult a (er'e-majt.), s. kluizenaar. —ice (-mit ikl), a. kluizenaars Ereption (e-rep'sjun), a. wegrukking. Erlogo (e.ring'go), a. braakdistel, blauwe zeewort el. Erigtic (e-rietik), —al, a weerleggend. Ermine (nr'min), a. hermelte; hermelijn-bont. —d (-mind), a. in hermelijn gedost. Ero de (e-rood'), v. a. wegknagen, wegvreten. —sion (-ro'zjun), a. wegvreting. Erotic (e-roVik), —at, a. verliefd, wellustlg; erotiach. —, a. minnedicht. Err tar), v. n. dolen, dwalen; atwijken; zich var. gtssen. Errand (er'rend), a. boodschap. —boy, loopjongen. —man, boodschappen-looper. to run --s,boodschappee doen. Errant (er'rent), a. —ly, ad. ronddolend, ewervend. knight —, dolende ridder. —ry, a. randzwervine; dolende riddertehap. Erratic (er-ret'ik), —al, a. —ally, ad. dolend. dwalend; ongeregeld. Erratum (er-reetunn), a. drukfout. Errhine (er'rajn), s. snuifmiddel. Erroneous (er-ro'ni-us), a. —ly, ad. dwaleud; verkeerd, oniniet. —nem, a. dwaling; onjuistheid. Error (er'rur), a, dwaiirg; misslag, abuis. Erst (wet), ed. eeret; voorheen, weleer. Er“bescen ce (er-joe-bes'sens), a. roodwording; blos. —t, a. roodachtig; blozend. Eructa te (e-ruk'teet), v. a. oprispen. —lion (erak-tee'sjun), s. oprisping. Erudi te (er'joe-daft, —dit), a. geleerd, belezen. lion (-disruu), a. geleerdheid, belezenheld. Erugitsous (e-roe'dzji-nus), a. koperachtie. Ersap lion (e-rup'ajuu), a. uitbarating; uitslag; uitval. —live, a. uitbarstend; uitelag hebbend. Erysipelas (er-i-sip'e-les), a. room. Escalade (ee -ke-leed'), s. beklimming met stormladders. Escapade (es-ke-peed'), a. zijeprong; misstep; uitspattiug. Escape (es-keep'), a. ontkoming; uitvlucht; vergigging; misetap; uitstapje. —goat, zondenbok. --, v. a. & n. ontgaan; ontsnappcn; vermtden. —ment, a. gang (in eon uurwerk). Escarp (es-lrearp'), v. R. glooiendmaken. —ment, a. stole honing. Esckar (es' ker), a. karat (tenor wood). —otie (-kerot'ik), a. sehroelend; a. brandmiddel. Escheat (es-tsiiet'), a. vervallen leen. —, v. n. ran den leenheer vervallen. Eschew (es-tsjoe'), v. a. schnwen, vlieden. (es-kort'), v. a. Escort (es'kort), a. geleide. Inge) eiden. Escuage (es'Icjoe idzj), a. leenplicht tot krijgsetenst.
PAR.—PAS. 213 fine —, ik Len er mnoi aan toe. —book, klanParterre (paar-teer'), a. bloemperk; parterre. tenboek. —key, hoofdsleutel, looper. —parole, Partial (paar'ejel), a. —1y, ad. gedeeltelijk; een—word, wachtwoord. —rose. anemoon. zijdig, partijdig (to). to be — to, voorliefde heb• ben voor. —ity (-sji-el'it-tih), s. eenzijdigheid, Pass (peas), v. a. gaan (door, over); doorbrengen; doorlatIn; overzenden, te "uoven komen; overpartt digheid. treffen; boeken. — to account, in rekening bren Parti batty (paar-ti-bil'it-tih), a. deel-, echeidgen. — a ball, ten' bal maken. — a bill, cent baarheid. —ble (paart'ibl), a. deelbaar, Beheldbill aannemen. — a business, eene zaak uitmabear. ken. — a draft upon, een' wince! afgeven op. Participa ft (per-tiel-pent), a. deelnemend; — a jeer upon, bespotten. — a muster, gemon• deeihebben.i; a. deelnemer, deelhebber, aterd warden. — a sentence (judgment) on, vonv. a. & n. deelachtig zijn. deel hebben, deelnenis vellen over. — a Revere test, een etreng ondermen !in. of). —lion (-pee'sjun), a. deelneming, zoek cloorstaan. — a trick upon, eene poets apelen. deelachtigheid, verdeeling. —tor (-pee-tur), s, — one's verdict, sijn gevoelen zeggen. — one's Lie Participant. word, zijn wooed geven, instaan (for). (away) Partici plat (paar-ti-sip'i-e1), a. —piably, ad. doorbrengen. (by) over 't hoofd gen; overelaan. deelwoordelijk. —pie (paar'ti-sipl), s. deelwoord. (over) overleveren; ovarzetten; overelaan, over Particle (paar'tikl), a. deeltje; greintje; onver't hoofd (door de vingers) den; voorbijgaan. —, anderlijk rededeel. Particuiar (per-tikloc-ler), a. bijzonder; nauwv. n. gaan, voorbij-, overgaan; verloopen; er het oog loo. to make — in made door kunnen; pleats grijgen; ultiallen; keurig; zonderling. a. bijzonderheid; btzender perpaesen. to come to —, voorvallen, gebeuren. to — pend maken. into law, tot wet worden. (away) overgaan. (by) soon. in —, in 't bijzonder. —ity (-ler'it-tih), a. Mizouderhaid; nauwkeurigheid; zonderlingheid. voorbijgaan. (for) doorgaan voor. on voortgaan; vervolgen. (over) voorbij-, overgaan, overepringen. —are (-ajz), v. a. in al de Vzonderheden verbalen of opgeven; v. n. in bijzonderheden treden. Passa ble (paas'sibl), A. —bly, ad. begaanbaar, toegankelijk ; gangbaar • tamelijk , dragelijk, —1y, ad. in 't bijzonder, voornamelijk. Parting (paart'ieng), a. verdeeling; scheiding; —bleness, a. dragelijkheid. het driftig worden. —, a. afscheids-; ten einde Passado (pes-see'do), s. uitval, atoot. loopend. —breath, laato'e ademtocht. —cup, af- Passage (pes'sidzj), a. doorgang, goat; doorrein; veergeld: voorval; pleats (nit een boek). scheidsdronk. —kite, afscheidskus. —money, kletn bird of —, trekvogel. —boat, veerschuit. —money, geld. passagters-vracht. Partisan (paar'ti-zen), s. aanhanger; partijgan. ger; bardezaan; bevelhebber; commando-staf. Passant (pes'eent), a. gaand, etappend. Passftree (pes-se-rie'), a. hullentouw. Partite (paar'tajt), a. verdeeld. Partition (per-tierun), s. deeling, verdeeling; Passenger peesen-dzjur), a. passagier., reiziger. —hawk, zwerfvalk. —room, wachtkamer. —train, scheiding, beechot; vak; partituur. —wati,scheidspassagiers-train. muur. —, v. a. verdeelen; afechutten. Passer (paas'eur), a. voorbij ganger, reiziger, —hy,, Partitive (paar'ti-tiv), a. —1y, ad. deelend. a. voorbUganger. Part let (paart'lit), e. halskraag. —ly, ad. gePasserine (pee'se-rin), a. van de mueschen. deeltelijk. Partner (paart'nur), a. mairker, meat; deelge- Paint lie ipea'aibl), a. ltjdbaar, gevoelig. —bility (-si-bil'it-tih!, —bleness, a. lijdbaarheid, gevoe moot, vennoot; mededanser; viseching. —ship, a. maatschap; vennootschap; maatschappij. ligheid. Partridge (partetridzj', a. petits. —call, voge- Passing (paas'sieng), a. voortreffelijk. —, ad. uitermate, neer. in —, in het vooriagaen. laaretleitje. —shell, veder-, patrtp,horen. doodklok. —note, overgangsnoot. —place, nitPartite ent (per-tjoe'ri-ent), a. barend. —lion wkikplaate. (paar-tjoe-risrun), s. baring. Party (paar'tih), 8. partii; gezelechap; deelnemer. Paasion (pearuft), a. drift, haetstocht; lijden. to (fly) into a —, zich driftig maken. —flower, fall deal hebben. deelnemen aan to be a — in (to). passiebloem. —week, lijdensweek. —ary, s. book betrokken zijn bij. — in contempt, in gebreke der martelaren. —ate, a. —ately, ad. (-et-), blijvende parti,j. —colored, bout. —jury, gemengde hartstochtelijk; opvliegend. —less. a. ozgevoelig, jury. —man, parttiman. —rape, partawoede. be acrd, kalm. —spirit, partijgeest. —wall, tueschenmuur. Peony a (peesiv), a. —ely, ad. lijdelijk, lijdend. Parvis (paaevis), a. voorhof, kerkportaal. —cam, —ity a. lijdelijkheid; geduld; Pas (pa), a. pas, schrede; voorrang. 11jdende toestand. Paschal, (pee'kel), a. paasch-, van het paunchPassover (paas'o-vur), s. paaschfeest;paasohlam. feest. — lamb, paaachlam. Past (peep, a. hoofd; slag, etoot. —, v. a. stoo- Passport (paas'poort), s. pas, paspoort. Past (pewit"), a. verleden; geleden; voorbij. a. ten, kneuzen. (bet) veeleden. prp. over, buiZen, meet dan. Pasha. Pashaw (pe-sjao'), a. Lie Pacha. Pasque-flower (peak'fianw-ur), a. paaschbloem, a quarter — seven, iwart over seven. — a child, geen kiati meer. — cure, — recovery, onkerstelanemoon. bear. — dispute, on•etwistbear. — doubt. zonder Pasquinade (peeki-neect, a. schotschrift, pastwijfe. — hope, hopeloos. — marrying, te cud v. a. hekelen, doorhalen. kwil. om te huwen. — shame, sehaamteloos. Pass (peas'), a. pan, engte, toegang, doorgang; pas, paspoort; etoot; etaat, toestand. 1 am at a Paste (peest'), a. deeg, pap, beelag; valsche edel-
73 DES.—DEV. ontploffen, v. a. ontploifen. —ation (-nee'sjun), Despot (deasput),..dwingelaud. --ic, —ical, (des- ontploffing; knal. a. —ically, ad. witlekeurig; despotiek. pot'ik-), a. Detor 01011 (de-tor'sjun). a. verwringing. —t, a. dwingelandij. Desputna te (de-spjoe'meet), v. n. achutmen. v. a. verdraaien. Detract (de-trekt'1, v. a. (front) onttrekken; . afdes-pioe-mee'sjun), a. schuiming. Desquismation !des-kwe-mee'sjun), a. afschil- trekken; belasteren. —er, a. lasteraar. —ten, (•trek'sjun), a. lastering, henadeeling; onttrekfering. king. —ire, —ory, s. lasterend. Dessert (dez-zurt'), s. nagerecht. Deaths ation (dee-ti-nee'sjun), 14. bestemming. Detriment (det'ri-ment). a. achade, —at, i-meneel), a. schadelijk. —e (des'tin), v. a. beetemmen; toewijden; doe- men. —y (des'tin-nih), a. noodlot; bestemming; Detrition (de-tris'sjun), a. afAlijting. —reader, waarzegger. the three destinies, de drie Detrude (de-troed'i, v. a. neeratooten. Detrunca te ( de-trung'keet), v. a. afkuotten, schikgodinnen. ten. —lion (det•rung-kee'sjun), a. afknotting. Destitu te (des'ti-tjoet), a. ontbloot; verlaten. Detrusion (de•troe'zjun), a. neerstooting. —lion (-tjoe'sjun), a. ontblootheid; outbering. en dobDestroy (de /awn, v. a. vernielen; ombrengen. Deuce (djoes'), a. (de) twee (op kaarten he drombelsteenen); duivel, drommel. — take..., -er, a. vernieler. mel hale.... —d, a. drommelsch. Destruct ible (de-etrukt'ibl), a. vernielbaar. tweede a. (djoe-tar-We-mih), —ion (-struk'sjun), a, vernieling, verdelging. —ive, Deutero gamy a. —Ivey, ad. vernielend. —ivgnesa, S. verderfe- huwelijk. —nomy, (-on'no-mih), a. tweede wet, lijkheid; vernielzucht. —or, a. vernieler. (vjjfde boc.k van Mozes). v. a. verDesudation (des-joe-dee'sjun), a. aterke zwee- Devasta te (de-ves' teet, dev'es•teet), woesten. —iton Idev-es-tee'rejun), a. verwoesting. ting. Develop (.dseverep), v. a. ontvouwen, ontwikDesuetude (des'wi-tjoed), a. onbrnik. kelen. —meat, a. ontwikkeling. Deseiltor y (des'ul-tur-rih), a. —ily, ad. onge- stadig; oppervlakkig; vluchtig; owamenhangend. Devest (de-vest' ► , v. a. ontkleeden; bevriiden; Detach (de•tetsj'), v. a. afzonderen loamaken; ontdoen; vervreemden. Zie Divest. hement. Deves: (de-veks 1 ). a. in-, OM- netrgebogen; hetdetacheeren. —meat, losmaktug; detac ' lend. —ity, a. in-, om-,neergebogenheid; belling. Detail (de-teal'), a. omstandig verbaal; bijzun- Device te (di'vi-eet), v. n. (from) afwijken. —lion derheid. —, v. a. omstandig verhalen. (-ee'sjun), s. alwijking. —tory, a. afwijkend. een'), v. a. ophouden; beletten, weer- Detain (de:t honden; gevangen houden. —der, a. bevelsch!ift Device (de-vajs"), a. uitvin.ese 1; oogmerk; list; zinspreuk, lens. tot inhechtenisnerning. —er, a. weerhouder; Devil (dev'v1), a. dulcet. —'s-bit, achurftkruid. aehterhouder; °intuiting. Detect (de-tekt'), v. a. ontdekken betrappen. —'s-bones, dobbelsteenen. —'a-books, epeelkaarzeeduivel. ten. —"a-dung, duivelsdrek. -er, a. ontdekker. —ton (-tek'sjun), a. ontdek- —'s-guts, meetketting. —seh, a. duivelsch. —kin, king; betrapping. —ive, a. ontdekkend. a. duiveltje. Detent (de-tent'), a. pal, drukl;er (in een nu, ronddolend. werk). —ion 1-ten'ejun), a. terughouding; out- Devious (di'vi-us), a. efwijkend, te verzinnen, uit to Davis able (de-vajeibl), bonding; hechtenis. den.ken. —e (-vaje), a. erfmaking; uiterste wilsDeter Ide-tar'), v. a. afschrikken (front), —meat, beschikking; v. a. verzinnen, uitdenken; vers. afschrikking. —rent, a. aftschrikkend. waken (bi testament); v. u. overleggen; Deterge Ide-turdzy), v. a. zuiveren. —nt, a. zui- denken.—ee !dev-i- zie"), s. erfgenaam. —er, s. uitverend middel. denker, verzinner. —or (ook: dev-i zor'), a. erf1111 atteriler a te Itle-trri-or-reet), v. a. slechter ma- later. ken; v. n. slechter worden. —tion (-ree'ajun), a. Devoid (de-vojd'), a. (of) ontbloot, verstoken; yebederving; verergering. Determin able (de-tuerni-nib!), a. beslisbaar; kant. bepaalbaar. —ate, a. —ately, ad. bepaald, be- Devoir (dev-wane'), a. plicht;plichtpleging. elissend. —ation (-nee'sjun), a. bepaling; beslis- Devolution (dev-o-ljoe'sjun), a. nedervalling; toevalling (in bezit). sing; besluit; beetndiging. —alive, a. bepalend; beslissend. —ator, a. besliseer. —e (-min), v. a. Devolve (de-volv , ), v. a. nederrollen; (on. upon) bepalen, vaststellen; besluitee; beperken; v. n. doen overgaan (in eigendum). —, v. n (on. upon) (in eigendom) taevalien, overgaan. tot een besluit komen; eindigen. Devot e (de-voot"), v. a. toewijden; toeleggen, Deterration (di-tur-ree'sjun), a. opgravitig. overgeven; vervloeken. —ed, a. toegewijd; geDeter sloe (de-tur'sjun), a. wondzuivering. vloekt, —edness, a. toegenegenheid, toewijding. -sive, a. zuiverend; a. zuiverend middel. —ee (dev-o-tie'), a. fernelaar, kwezel. —ement. Detest (de-teat'), v. R. verfoeien. --able, a. —ably, a. toewijding. —ion (-vo'sjun), a. godavrucht; gead. verfoeielijk. —ation, (det-es-tee'ejun), a. ver- (-ye' bed; verknochtheid; toewijding. fooling. —er, a. verfoeier. Dethrone (de-throon'), v. a. onttronen. —meat, sjun-el), a. godsdienstig —ionist,s.schijnvrome. Devour (de-vane), v. a. verelind en, vertcren. —er, a. onttrening. —r, a. onttroner. a. verslinder. —inely, ad. verslindend, gretig. Detinue (det'i-njoe, de-tin'joe), s. klaebt we- femegene onthouding (bevelschrift tot teruggave) van Devout (de-vaut'), a. —ly, ad. godvruchtig; toevertrouwde goederen. lig. —less, a. ongodedienstig. —neas, a. gedsdienpeton ate (det'o-neet), —ize (-najz), v. a. doen stigheid.
Aveganr, m. auger, nimble. Avorechts, bw. wrong, the wrong way, preposterous/y. Averecilitseb, by. wrong, sinister, preposterous. Averke, v. average, damage. Averult, v. a brotanum, southern wood. Avond, in. evening, eve, night. van —,thla evening. ginteren —, last night. 's in the evening, at night. —brad, evening-paper. —eten, supper. —gebed, evening-prayers, completory. —kers, evening- eervice. —Mole, evening-ball, curfew. —lied, evening-hymn, -song. —lutist, evening-air. —maal, supper; Lord 'a tripper, Communion. —nsitalaganger. communicant. —muriek, nightmusic, serenade. —parte:We, evening-party. —acheerring, evening-twilight. —nth iol,evening school. —sten, evening-star. —stond, erecting. Avont mares, ov. w. to hazard, no risk, to venture. —crier, m. —uriereter, adventurer, fortunehunter. —cur, o. adventure, hazard. —curl jjk, by. & bw. adventurous (-ly), casual (-I y). Aran, on. w. to feed to prey (upon); (op) to oovet. itait)a, tn. vinegar. —puts, vinegar-bottle, crust. —maker, vinegar-man. —maker(j , vinegar-house. —moss, vinegar dregs. —race, 5. acetic acid; by. acetic; —rout, acetate. —aehtig, by. acetone. —en, or. w. to sen,on with vinegar. fazing, v. l'eding, preying; coveting. Amaral", by, azure, snored, sky-colored. A . cuur, m. lapis lazuli, azure-stone, o. anueeolor, sky- blue.

Waar kan ik gebruik maken van de digitale portemonnee


Coinbase is a all around awesome platform to quickly and swiftly get into the world of crypto assets. Trusted them from day one and so far so good ! The only negative situation I have encountered has been 1 . I bought $25 dollars of bitcoin and was charged twice but only got $25 worth of bitcoin .... contacted coinbase and that very same day got a email back from them saying they knew about the situation and that they where on top of it because it happened to more people that week... a day or two pass and I received another email saying my problem was resolved..... it wasn’t and still hasn’t been resolved! Thank God I only bought $25 and not a lot more ! It’s $25 I’m not going to be after anyone for that little amount of money but it definitely impacted my good experience with coinbase and their over all standing with me , my friends and my family after this situation that has still not been resolved .
A. Aaron (est'un), m. Aaron. Abel ((tel.!), m. Abel. Aberdeen leb-ut-dien' 1, g. Aberdeen. Abigail w. A higail. Abraham. (ee'bre-hem), m. Abraham. Abram (ee'brem), m. Abra,„ Brain. Absalom ieb'se-luml, m. Ahsaloin. Abyd s (e-bardus), g. Abyd,. Alayssinin ( g. Abyssinia. —n, a. abyssinisch; 1. A byssinier. Achab (ee'keh), m. A chab. Attics' (ek'n). g. Aken. Acheron (fieur-unl, my. Acheron. Achilles (e-irillirz), Achilles, Adams (ed'em), m, Adam Addison (ed'di-sun), m. Addison. Adelaide (ed"e-leed), w. Adelaide. Adel( an (ee'dri-en), m. Adrlaan. — ample (-o.p1), g. Adrianopel. —atie (-et'lk) Sea, g. Adriatische 7ee. iEgoan (-dzj i'en ) Sea, g. Egelsehe zee.

Accouple tek-kupli, v. a. paren, koppelen. Acolyte (ek'o-lajt), a. altaardienaar. Aconite (ek'o-najt), s. wolfawortel; zwaar vergif. —meet, a. koppelitag; samenvoeging. Accoutre lek-koetur), v. a. uitrusten, opschik- Acorn (ee'kurn), a. eikel. —ed, a. met eikels gevoed. ken. —meet, s. uitrusting, opschik. Accredit (ek-krid'it), v. a. in aanzien brengen. Acorns (ek'o-rus), s. kalmus. —ation 1-tee'sjutf, a. (het) geven van aanzien of Acoustics (e-kaus'tiks), s. klankleer; gehoorkunde. vertrouwen. letters of —ation, geloofsbrieven. Acquaint (ek-kweent'), v. a. bekend maken met Accrescent (ek-kres'Kent), a. aanwassend. (with); onderrichten van (of). —once, a. bekendAccre lion (ek-kri'sjunt, s. aanwas. —tive, a. held; bekende. —ed, a. bekend. —edness, a. betoenemend. Acerimination (ek-kri-mi-nee'sjun), s. verweit. kendheid. Accroa ch ek.krootsr), v. a. aanktampen; zich Acquest (ek-kwest'), verworven goad. —, v. a. verworven, meester maken van, —meet, a. inbreuk. Accrue (ek-kroe'), v. n. voortspruiten; aan- Acqulesc e (ek-kwi-es'), v. n. (in to) berusten; instemmen. —ence, s. inetemming. ni.ent (.ek-kum'bentl, a leutland,liggend. Acquir able (ek-kwajetb1), a. verkrijgbaar. —e, Ac grenLien v a. verkrijgen. —ement, a. verkrijging; Accumulat e (ek-kjoe'moe-leet), v. a. ophoopen; kwaambeid. —er, s. verkrijger. (-1ee'sjuni, a. ophooping —ion n. toenennen. v. —ire (-le-tivl, a. ophoopend. —or, a. ophooper. Acquisi lion (ek-kwi-zis'ejun), ook Acquist, verwotving; aankoop. —tive (-kwiel-tiv), a verAccura cy (ek'kjee re-sib), —tenet. (-ret-ness), s. kregen. nauwkeurigheid. —te (-rm, a. nattwkeurig, stint. (-burst"), Acquit (ek-kwit'), v. a. kwiteeren; ontslaan, vrijAccurse (ek-burs' , v. a. vervloeken. epreken !from. of). —nient,—tal. s. kwijting; once. verwenscht: afsehuwelijk. slag, vriuspraak. —Lance, s. kwijting- kwitantte. Accus able (ek-kjoe'zibi), a. lsakbaar (of) we- gent(, —ation (-zee'sjun), s. aanklacht, beschul- Acre lee'kur)., a. morgen lands. — of rupees, (eon) iak (100.0001 ropijen. —tax, akkerbelasting. —d, dicing. —afire (ze-tiv). s. accusativus. —atory a. we)gesteld. (-ze-tar-rib), a. beschuldigend. —e, v. a. aan- d (ek'ridi, a. scherp, wrang. —monious (-riklagen. heschuldigen, berispen,(for. of). --er, s. beschuldier, mo'ni-us), a. scherp; vinuig. —mony (-ri-mun-ih), Accustom (ek-kus'tum), v. a. (to) gewennen aan. s. scherpheid; vinnigheid. --tude, —ty, a. wrang-able. —ary, —ed, a. gewend, gewoon. a shop held. Acroatic (ek-ro-et'ik), a. diepzinnig.' wel —ed, een good beklante winkel. op een Adrobate (ek'ro-beet), s. koorddanser, kunstenAce (ees), 8. ass; On; groin. within an maker. i.aar na. not an —, gren zier. Acropolis (e-krop'o-lis), s. bovenstad; citadel. Aceplkalous (-e-sere-lus), a. hoofdeloos. Acerb (e-surh'), a. wrong, scherp; streng. —ate, Acrospire (ek'ro-spajr), s. apiertje, uitspruitseltje. v. a. wrang maken; verbitteren. —ity, a. wrang- Across (e-kros'), ad. kruiselings, dwars over. it held; strengheid. Acervat c ( e-sur'veet), v. a. ophoopen. —ion came — my mind, het schoot tnij in de gedachten. with arms —, met over elkander geelagen (es-sur-vee'sjun), s, oehoopiug. semen Acescen cy (e-ses'sen-sih), s. zuurheid. —t, a. Acrostic (e-kros'tik), a. naamdieht. zuurachtisr. Act (ekt), s. daad, handeling, bedrijf; raadsbeAcetic (e-set'ilil, a. zuurhoudend. Acet ose (es-i-tooz'), a. zuurhoudend. —csity aluit; akte. in —, werkelijk; he was taken in the very —, hij ward (-toszit-tih), a. zuurachtigheid. heater daad betr.apt. by — s. wijn- of Parliament, bij Parlementsakte. to put into Acetous (e-sPtus), a. zuurachtig. —, ten uttvoer brengen. Acts of the Apostles, azijn. v. a. leiden; — Ache leek), a. pijn. —, v. n. zeer doen. —bone, Handelingen dee. Apoatelen. heupbeen. a part, eene rol spelen; v. n. handelen; rich geAchlev able (e-tsjiev'ibl), a. uitvoerbaar. —e, dragen. —ing, a. vermogen. —ing, a. waarnev. a. uitvoeren, volbrengen. —enient, a. uitvoe- mend, bestureud. ring, beldenfeit. —er, a. verrichter. Action lek'sjunl, a. handeling, daad; gehaar; Ache, lee'kur), a. hoofdzeer. peaces; aanklacht; gevecirt. —able a. in rechten Achromatic (ek-ro-met'ilil. a kleurloos. vervolgbaar. —ary, —ist, s. aandeeihouder. Acid !e,'id), a. & s. zuur. —iferous 1-irur-usl, a Act Owe (ek'tiv), a. tverig, bedrijvig; werkelijk. —deaf, uitstaande echuld. —iveness, —ivity (-tiv' zuurhoudend. —ity le-sid'it-tih), —ness, s. zuur- heid. —u/ae(e-sid'joe-lie),s. zuurbronnen. —slate it till), s. werkzaamheid, bedriivigheid. a. (e-sid'joe-leet), v. a. zuur makes. —u/ous (e-sid.' bedrijver; tooneelspeler. —ress, s. bedrijfeter; joe-inie, a. zurig. tooneelspeolster. (es-i-noos'), a. korrelig, gekorreld. Actu al (ek'tjoe-el), a. werkelijk; tegenwoordig. Aelnous (es'i-nut), a. Zie Aclnose. —ality (-el'it-tih), s. werkelijkheid. —ally, ad. Acknowledg e (ek-nol'idzj), v. a. erkennen, werkelijk; than!. .—ary grither• — ate , --the corn, zich gevangen geven, v. a. in werking brengen; aanaporen. bekannen. 4 door de ben Yellen. —meat, s. erkenuing, dank- Acuate (ek'joe-eet.), v. a. scherpen. Addition (ek-joe-i'sjun), a. verscherping, .verbaarbeid. ACIike (ek'nti), a. toppunt. sterkiug.
Aehtergebanw, o. back-house, out-house: Aehtergevel, m. back , iront. Aehtergraeht, tr. back-canal, back-moat. Achtergrond, m. back-brounde deepening (in eene achilderi)); Bat scene (van het tooneell. Aehterbal sell, ov. w. to overtake, to reach, to Come op with; to discover, to catch; to overreach. —er,, m. overtaken —ing, v. overtaking; catching. Aehterls ale. tn. nape of the neck . Aehterkand, v. back of the bend; hind-quarters (van een petard); yonngeet hand (it, let kaartspel). Aebtarboeds, v, rear. Aehterboofd, o. occIput. Aehterboud en, ov. w. to keep back, to lay aside; to withhold; to conceal; to spare. —end, be. reserved, close. —endheid, v. reserve, resery. y. withholding, concealment. edne4e. Achterhuls,o. beck-house, out-house. iikehtorbut, a. stern•cabin. Aehtertjaer, o hind-elioe. Achterto,bw. behind. Aehterkabel., en. stern•cable. Achtorkasisor. a. back-room. Achterkasteell, o. stern, poop; bum.
LIP.—LOM. Lip. v. lip; tenon. de — laten *angel', to pout, to look gruff, — sulky. —klieren, labial glands —kuilfje, dimple in the lip. —letter. labial (letter), —ouch, —vorstig, 'ablated. —penpo-nrade, —petite', lip-salve. 11.2s, v. loop. —koord, covd, twist, loop-lace. Lisob. o. flag, flower-de-luce. —bloom, flowerde-lute. —dodde, —*nap, bulbous root of the flag. —world, iris-root. Llepelen, on. & oa. w. to lisp. Lisp on, or. & on. w. to lisp. —tong, m. & v. —er, m. ]leper. —tag, v. lisping. —.tier, v. lisper. Liman, ov. w. to provide with loops. List, v. artifice, trick, device, craft, cunning; be. dt hw. cunning (•y), sly atratagem. (-ly), artful (-ly), crafty (-11y). —igheid, y. conWing, slyness, artfulness, craftiness. Litteeken, o. soar, cicatrice. Mere', a. livery. —bediende,—knetht,livelyman, lackey. —rok, livery-coat. Lob, v. ruff; cuff; lobe. —nor, shagged dog, ehag. —oorig, shagged, with' shaggy ears, hermit., inoffensive. —oorigheid, shaggedness; inoffenslyenese. "Jobber on, on. w. to wade, to splash. —ig, be. gelatinous. —igheid, v. gelatinous quality, being gelatinous. 1Lobbe.a, in. booby, silly fellow, harmless creature. good-natured fellow. bv. lobate, lobed. Loroanotief, v. locomotive. Lodder, on. lecher, rake. —en. on. w. to ogle, to ernicker to cast a sheep 'a eye —gesicht wanton look. ' —cog, m. & v. one that looks amorously, ogler; o. languishing eye. —oven, to look amorously, to ogle. —aoet, amorous, languishing. —ig, bv. & bw. amorous (-1y), wanton (-1y); drowsy. —igheid, y. amorousness, wanton. neve; drowsinese. Loot', v. loof, lufp, weether•gage. de — afwInnen lafka(ipen), to gain the loft. howlen, to keep the luff. temand de — afeteken, to ottdo (to surpass, to get the of art of) a. o. —balk, outrigger- —braesen, weather-braces. —gierig, griping, leeward. —balk, weather-clew, -tack. —howler, good wind-niter; gripe. —spent, loof-timbers, loof-frame. —otjde, weather ride. —waarte, bw. luffward; — aanhraseen, to brace so as to becalm the sails. Loelson, on. w. to low, to bellow, to roar. Looneeb, by. & bw. squinting (-1y), squint eyed. — kOken, —sin, to squint (at) . —held, v. squinteyedness. Coer, m. clown, doodle, dunce. —, v. spying, watching. op de — liggen, to lie upon the lurch, to be on the catch. de mand eene draftiest, to gull a. o. —en, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to leer, to lurk; to be upon the watch; (op) to spy, to watch. —gut, peep-hole. —huiso, sentrybox. —inoorder, assassin. —oopen, to leer, to peep. —pi.uste, lurking-place. —vogel, falcon, hawk; lurking fellow. Loeres, m. doodle. Loevots, on. w. to loaf, to luff, to ply to windward, to go to the weather-aide. Loover, Loovert (to), bw. Lie Loofwaarti,
crying. —enact, ascension; Meria —s4onel, sherpherd's dog. —that, shepherd's cot. Assumption (-day); —sdag, Holy-Thursday, Ascension—skriaap, shepherd's boy. —about, pastoral diaday. —varier, heavenly loather, —vreugd, joy of logue. —eleven, pastoral life. —shied, pastoral Heaven, heavenly blies. —Wawa, sky-blue. score. song. — lefty', crook; crosier. —stases, pouch, —.tweed, immense —sbreedte, latitude. scrip; shepher d 's-puree. —auurtje, happy (critical) —abroad, manna. —egezind, heavenly-minded. hour, I overre hour. —evolk, pastoral tribe. —szang, —egezindheid, heavenly•mindedneas. —eteeken, pastoral song. sign of the zodiac. —en, on. w. to ascend to Ilerdoen, or. w. to do over again. heaven; to die. —ivy, m. & v. inhabitant of lIerdoop, m. rebaptization. —en, on. w. rebaptize. —er, m. rebaptizer, anabaptist. —ing, v. Heeven, celestial, celestial, heavenly. —watts, bw. heavenwa• d, towards Heaven. rebaptizatlon. Hemmen, ov. & on. w. to hem (After). Het drank, m. reimpresaion; new edition, reprint. Hen, v. hen. —nebezie, raspberry. —negat, helm—ken, or. w. to reprint. —king, v. reprinting. port. —nekleed, shroud, pall. —netaster, zie Ai- II ereenig en, ov. w. to reunite. —er, m. reuniter. befit!. —nenei, heu's egg. --lag, v. reuniting, reunion. lien, vow, them. HereeriEjk en, or. w. to rehabilitate. — ing, v. rehabilitation. bw. Zie IJien. Hang, v. hinge. Herelseh en, ov. w. to redemand, to reclaim. )binge), m. angling-rod; handle. —korf, —mand, —er„ m. reclaimer. —tog, v, redemanding, reclahand-basket. —roede, —etok, angling- rod. —vnoer, mation. —etoof, zie lIengselmtoul. —aar, lifferrenzint, s. anachoret, recluse, hermit. m. anger. —en, on. w. to angle (near, for); to Itl ereent en, ov. w. to regraft, to inoculate Again. —lag, v. regretting. hover;" to sail to and fro leaning on the wind, —ing, v. angling. lierfet, m. autumn. —day, day of autumn. —deaden, gossamier. —hooi. after-math. —lucid, anHengeell, o. hinge; handle. —kart, — mand, hand. tumnai air. —mactnd. September. —naehtevening, basket. —stoat, foot-tetore with a handle. m. stallion, stone• horse, eteee. —rbron, autumnal equinox. —t(jd, harvest time. —vrucht, Hippocrene. —ig, by. lubric, salacious. autumnal fruit, —weer, autumnal weather. —wind, II enker, m. hangman, Jack-Ketch; deuce. autumnal wind. —eon, autumnal tun. —aehtig Itennep, rn. hemp. --abler, hump-field. --broth, by. autumnal. hemp-brake.—braker,hemp- broker, —eraren,hemp- Ilergann, ov. w. to go (to walk) back again, to yarn. —bode, hemp-sernl-rake, —the, hemp-seedretrace. oil. —stok, hemp-stalk. —.ot, hemp-reed- —en, Hergeven, or. w. to give bock, to restore; on. by. (of) hemp. w. to give (to deal) again. Ilex, bw. hence. van ouch Hergleten, ov. w. to refound, to recast. of ola, Il•rndena en, on. w. to breathe again, to re- Itergioelen, ov. w. to neal again, to anneal. spire. — ivy, v. respiration. Hergoolen, ov. w. to recast, to throw again. Illernitt.m herald. Ilergrneen, or. w. to dig again. II erbakken, ov. w. to rebake. Ilergrkjpen, ov. w. to Leila again, to take op Herbaren, ov. w. to regenerate. again, to rename. Herberg, v. inn, ta7ern, public house, hotel. liergroe.leen, on. w. to grow ag —en, ov. & on. w. to lodge, to harbor. —ier, linrgrueneti, on. w. to become green again. m. innkeeper, host. —ierater, v. 'unless. —ins, Illergronden, ov. w. to ground again. v. lodging, halboring. be. hospitable. lierhaniater, v. Zie Herlinter. —aavonheid, v. hospitableness, hospitality. Herbal en, ov. w. to repeat, to reiterate. —er, Illerbinden, or. w. to bind (over) again. m, repeater, —ing, v. repetition, reiteration; Ilerbilaken„ on, w. to !shine again. tautology; bij —, repeatedly. Ilerbloet en, on. w. to flourish again. —ing, v. lierhuren, ov. w. to hire again. flonrishing again. Ilerhuwen, or. w. to remarry. Ilerboren„ be. regenerate. warden, to be new- liertik, no. second astoze, gauging (stamping) born, to be regenerated, to revive. again. —en, or. w, to assize (to gauge, to stamp) Ilerbotten, on. w, to rebud. again. v. Zie Ilerbouw, an. rebuilding. —en, on. w. to re- lien-inner en, Or. W. to remember, to call to build. —er, m. rebui;der. —jay, v. rebuilding. mind (tan) to remind of ; itch w. to reIlierbrongen,ov. w. to bring again. member, to recollect. —ing, v. rememloance, Herbuig en, or. vv. to rebend. — ing, a. rerecollection; —evermogen, memory. bending. Herknuw en, ov. w. to ruminate, to chew the Ilerdngen, ov. w. to summon again; on. w. to cad. --end, by. ruminant; — dier, ruminant. —er, dawn again. m. ruminator. —inr, v. rumination. Hardee' en, or. w. to redistribute. —ing, v. Herken bane, by. recognizable. —nen, ov.w. to redistribution. recognize. —ning, v. recognition; —steeken, mark Herdekken, on, w. to cover again. of recognition, badge. Illeordenk en, ov. w. to remember, to recall to lierkette en, or. w. to reexamine. — ing, v. reexmind. —ing, v. remembrance. amination. Herder, no. shepherd, herdsman; pastor. —Belicht, nitrides/mar, bv. reeligible. hid. v. reelfgipastoral, idyl. —Oat, shepherd's reed, — pipe. bility.
Geen inmenging in het interne beheer en de klantenrelatie : Veel bedrijfsleiders willen hun klantenrekening veiligstellen en tegelijk de controle behouden over hun commerciële beheer en hun risico van niet-betaling autonoom blijven beheren, zoals ze dat gewoon zijn: zonder extern opgelegde kredietlimieten en zonder externe inmenging in hun relatie met de klanten. tc-re.com

top 6 cryptogeld


v. meal-trade; xi. Grutterkawisskol. -ach ,,baarkeid. venerableness, reverence. -admi- Gruwel, m. abomination, horrible (atrocious) bragger. raal, lord high-admiral. -Cele, bully; babbler. -Cork, ledger. -krengen, to bring deed. -en, on. ye. (van) zie G•uweu. & bw. horrible (-lily), horrid (-1y), enorrnotte up, to rear. -dadig, grand, magnincent, heroic, (-13 ,, shocking (-lyI, atrocious (-ly). -ijkheid, v. --handsel, magnificence, heroiceinese. --dedigheid, horribleness, horridness, enormity, atrocity. wholesele-tratie, -handelaae, wholesale dealer. -hartig. by. & low. high-minded, proud (-1y). Gruw ets, on. w. (van) to abhor, to hold in -hartigheid, higb-mindednese, pride. -het tog, abamivattou, -- abhorrence. --zaam, by. & bw. grand-duke. -herfoydroo. grand-dukedom. -her- hideous Hy!, atrocious (-1y). -zaamheid, v. hide(metiers., atrociousness. togelijk, grand-ducal. -kertogin, greed-duchess. - hoop., great headed fellow. - kruis, grand-cr... Gu.no, v. guano. -machtig„ mighty, powerful.--ntachtialteid,mighti- Gulch el ass, ov. & on. w. Zit Goothelen.-heil, o. anagellis. to exalt, to gierify. nests. --makers, to enlarg -making, mag,ni)ying,giorifying.-meester,grand - Gallic, v. ieetand de - ncsteken, to make months toaster. -rneesteree4ap, grand mitateri-hip. -moe- (wry faces) at a. o, m. blockhead; coward. -, v. mare that by. & bw. tier, grandmother. mons (-ly). -otordigheid, magnanimity. -ntogend, has never been with young. high-mighty. -moge,dheiti., htgh•mightmess. Galt, m. rogue, wag, urchin, scamp. -enetrsek, bottle-none , 1 psreon. ---oor, lung-eared --sneak roguish trick, piece of roguery. -arilperson, -.dere, grand-phrente. -spraak, bolet- fig, be. & bw. roguish (-ly), waggish(-ly).-aching, biu,ter; grandiloquence. -,:preken„ to talk tigheid, v. roguishness, waggishness. v.
153 iin'sti-tjoet). s. instelling, wet, Yours. geinis van dorht. lluoilttut e entry schrift; instituut. —e, v. a. in-, aan-, vaststellen; -On (-Sit4r1111), S. (in). —ion(-tjoe'sjun)., s. in-, aanstel • onderwijzen Inmate (in-sneer'), v. a. Zie 10 ling; verordening; stiebting; onderwijs; inriehInsuhrtet y (in•so-braj'e-tilt), s. onmatigheid, —ionary (-tjoe'sjun-), a. to beginsetin Inane table Itn-so's31-01), ongezell g. len bevattend; verordend. —ist, s. sehruver vat lassola to (in'so-Teat;, v. a. in de son drogen, grondbeginselen. —ire, a. instellend. —or, a. in(-1e.e'sjun), s. (het.) sonnen; — zette n , —tion atelier; onder nxijzer. zonnesteek. littutruet (in-struktl, v. a. onderwijsen (in); van Insofteza cc (in'so.lens), a. onbeschsamdheid, voorschriften voorsien; voorbereiden. onbeschoftheid. —t, a. —.fly, ad. onbeschaarnd, •struk'sjun), a. leerzaam, vatbaar (for). onhesehoft,aann,tigend. onderwijs; aanschrijving, lastgeving. —*re, a. a. onvastheitt. Insulting' —ire/y, ad. onderriclitend, leerrijk. —ireness, a. —bilitY onoplosbaar. Insolu hic (in-solijoehl), a. leerrijkheid. —or, s. on derwijser. —rest, s. on der(-bil'it-till , , e. onoptoRboarbeid, llusoiv able (in-solv'tbi), a. onoplusbaar, cube- i wijzeres. Instrum ent (in'stroe-ment), s. vrerktuig; speeltaalbaar. —envy (-en-silt), v. onvermogen to tuig; gerechtelijk gesehrift. —al, a. —ally, ad, toting. --eat, a, onvermogend nut tebe:alen. (-men'tel-), behulpzaam, dtenstig (in, to, towards); Insomnious instramentaal. —atity —alness (-men' in zoo verre, zoolusescolitek (in-so-muter), conj. te).), s. behulputtinheid; medewerking, tusdat. schenlimnst. Iquipect (in-spekt), V. a. in oogenssitonw nemen, (in-sub-dsjek'sjun), z. ongehoor(-spek'sjan), a. be- InsubJection onderzoekon, nag... saamheid. sichtiging, onderzoek. —or, s. opzichter, inapee- Insuburtillita to (in-sub-oritii-net), s. weerspantear. —orshi , 8. opzichtersehap. uig. —Non (-nee'sjun), s. weerspaunigheid,titehlInnpetetti,a (iri-spur'Ajun), 15. bespronkeling. baar. —ation, teloosheid. lhroptr able (in-spajetW), a. irtadetr. (in-suf'llir-lb1), a. —bly, ad. onlinsulffera (-spi-ree'sjon)„ a. inblazing, iugeving, bezieting. 1, verdragelijk, onuitstaanbaar. -e, v. a. inbiazen, ingeven, inboesemen (into. ) Insufficten cy (in-out-lisfen - sib), s. ontoereiwith); v. n. inademen. —er, s. ingevcr. kendheid. —t, a. ontoereikend. Inspirit (In.-spir'it), v. a. bezielen. verlevendigen. Inxutilfttion (in-suf-fiee'sinn), s. inbiazing. Inspissa to (in.spis'set), a. verdikt. gestreTd. Ittsula r (in'ajoe-ler), a. eilandvormig; van —te (-Beet)., v. a. verdikken, doers stremmen. —lion ten eiland. —r, a. eilander. —to (-leet), v. a. at• ( see'sj tin) , a. verdikking. —lion (-lee'sjuol, s. afsondering. —tor zonderen. —bility Inetta ble (in-steelW, a. onbestendig. (-lee-tar), a. afzonderaar,isoleerbankje. (-ste-bil'it-tih), s. on'oesteildigheid. In cult (in'sult),s. beleediging. hoot, In.stal I (in-stool'). v. a. bevestigen„installeeren. Insult (in-suit'), T. a. beleedigen, hoonen; v. n. —lotion (-stet-lee'sjun), bevestiging,instello.tie. spotters (over;. —er, a. beleediger, hooner. —ing, a. —runt, s. bevestiging, installatie; ternaiin. —inyly, ad. beleedigend, hoonend. Instance (in'atens),s. dringend verzoek,aandrang; insupera ble —bly, ad. onoverinetanlie, aanleg; gelegenheid, ornstandigheid; komelijk, onoverwinnelijk. —bility 1-e-birit-t lb), voorbeeld. —, v. a. als een . voorbeeid aanbalen; —bleness, s. onoverkomelijkheid;onoverwittnelijk, v. n. voorbeelden bijineng ,n. heid. lutanist lin'stent), a. dringend ; tegonwoord ,ig; Insiipporta hie (in-sup-poort'ibl). —My, ad. oowntblik; I oopende rnaand.—ty, mi kideltijk. —, a. onverdragelijk, —bleness, onverdragelijklteid. ad. op staande voet. Insuppress able (in-sup-pres stbl), —ire, a. met —ously,' Instantane oats (in-sten-tee'ni-us), a. te weerhouden of onderdrukkem ad. oogenblikkelljk, onrnitideliijk. —ity (-to-nr laatazar able (in-sjozeibl),,a.verzekerbaar. —awe, it-tilt), —ovsness.s. oogenblikkelijicheid. s. v‘irzekesing,assurantie; —company, assurantieInstate (in-steeti, v. a. plaatsen, et cllen. inaattichainti; —nioney, assurantie-premie. —e, lustours te (in-stao'reet), v. a. herstelien,ver- v. a. verzelteren, aissureeTen. —er,, a. verzekeraar, nieuren. —lion (.ree'nimo), s. herstelling, verassuradeur. nleuwing. —tor (iiestao-ree-tar), n. hersteller, Insurgent (in.suedzjent), a. oproelig. —, m. op. verttleuwer. etandeling. Instead (in-ated . ), ad. (of (in pleats van . Insurinounta ble (in-bur-inttaunt'ibl), v. a. indoopen; weeken. Insteep ad. onoverkomeiijit. eene Instep (in'step), s. wreef. to be high in the Insurrection ;in-sur-rek'sjutil, to. opstand, hooge horst zetten. terij. —at, —ary, a. oproerig, muitziek;oproer-. Instiga to (ltesti-Beet), v. a, aiinsporen,ophitnen Insusceptible (in-ntin , sep'tibil, a. onvatbaar. (to). —lion (gee'sjun), uphitsing. Intact (in- tekt'), a tonaingeroerd,ongedeord. — i blo, —tor, n. aanspooTder, °plats,. ontastbsar. a. (in-still, v. a. indroppelen; inboezemen, Intaglio qn-terio). n. genneden steen. inprenten (into). —lotion (-lee'siun), a. utdroppe- Ind ningl ble (tn-ten'dti ibt), a. ontastbaar. —Linty lint; inhoezeming, inprenting. ontastbaarheid. 1 1.0 'net (inNtirtittl, 8. instinct, natnurdrift. ita- , Intwitithie n- smakeloos. onWillekenrir, std. 1-stinsk'tiv geheel W•tr.1 • s. Inurdrift.

Befoul (be-foeP), v. a. begotten. Belluine (bel'ljoe ajn), a. beestachtig. Before (be-Poor'), ad. to voren, vroeger; prp. voor, Belly (belnih), s. bulk; v. n. awellen. —ache, buikpijn. —band, buikriem. —bound, hardlijvig. eer. —hand, ad. van to voren, vooruit. —time, ad. voorheen. —friend, smulbroer. —ful, a. bekomat. —god, Befoul (be-Paul'), v. d. bevuilen. buikdienaar. —pinched, uitgehongerd. —timber, Befriend (be-fren(P), v. a. begunstigen. vaste spijs. —roll, rolblok. —worm buikworm. Befringe (be-frindzr), v. IL met franje versieren. Belong (be-long'), v. n. (to) toebehooren, beBeg (beg), v. a. verzoeken, vragen, (for, om. of, treffen. van). —, v. n. bedelen. Beloved (be-luvd'), a. bemind, geliefd. Beget (be- get') [beg ot • begotten'], v. a. telen; voort- Below (be-lo'), ad. beneden; prp. onder, beneden. brengen; baren. —ter, 8. teler. Belawagger (bersweg-gur), a. ancever; zedeBeggar Ibeg'ger), a. bedelaar., — v. a. tot den loos mensch. bedelstaf brengen. —/inese, s. berooidheid. —/y, Belt (belt), a. gordel, —, v. a. omgorden. a. & ad. armoedig. —y, s. bedelarij, armoede. Bemire (be-maje), v. a. beslijken. Begin (be-gin') [began. begun], v. a. & n. ann. Bemoan (be-moon'), v. a. beweenen. vangen, beginnen. —ner, a. aanvanger, leerling; Hemlock (be-mok'(, v. a. beapotten. stichter. —ning, a. begin. —ninget, a. eerate be- Bemourn (be-moorn'), v. a. betreuren. ginselen. Bench (bentsj), e. bank, rechtbank. —er, a. bijB egird (be-gurd') [begirt], v. a. omgorden; om!Bitter, rechter. ringen. Bend (bend), s. bocht, kromte; kniehout. Begnaw (be-nao'), v. a. beknabbelen. Ilend (bend) [bent], v. a. butgen, krommen, spanBegone (be-gon'), int. go weg! ga heen! nen; v. n. buigen; overhellen. —(against) zich Begrease (bc-griez"), v. a. besmeren. wapenen tegen. (on. upon) richt. op. (to) riohten B egrime (be-grajm'), v. a. bemorsen. near; zi.eh onderwerpen aan. to be bent upon, Begrudge (be-grudzy), v. a. misgunnen. genegen zijn tot. —able, a. buigtaam. —er, a. Beguile (be-gajl"), v, a. foppen, bedriegen. spanner, burger; grail. Behalf (be-haaf'), a. baat, voordeel. in my —, Bendlet (bendlit), s. kleine dwarabalk. to mijnen behoeve. Beneaped (be-niept'), a. ate den grand. Behav a (be-heev'), v. a. gedragen; v. n. zich Beneath (be-nietfa'), ad. beneden; prp. onder, gedragen. —ior Hurl, a. gedrag.
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-

Kan Blockchain worden gehackt


(WV RUA, 59 Rove (roov',, v. a. doorzwerven; v. n. rondzwal- Rufous (roe'llth), a , .• "d 3 cli t i ,, • ken. —r, rs. zwerve,; seesehultiter. (rug'), S. duffel; ruwe 4eken; kleedje. How (ran), e. rumoer s , tandie. —, v. u. Veren. Rug I A. —gedly, ad. (-01.), TuIg; hobbc11 ,7; ruw; wret”r, How (ro'), a. rlj —, v . a, & u. roelen. —barge, knorriti. —Deanne, s. ruigte; ruweeirt; bareehhetd. — boat, roeischuit. —lock. roeiklamp. t Hug lice (toe'd4jlen), a, 1),,, endvrvidl, raw. - ose poort. —er, a. rooter. (-goo*'), —ous (.gua),: a. timpslig. —osity Rowel (rauw11), s, raderne; helon (heartinuer). -it-tiht, a. rimPel , g'heldv• seta' setup zetten. rRuin (roe'in), a. vsl, verve), instorting, Roweu e, stoppelveld; nagroa. gang; verderf; puintloop. —, v. a vei'woesten; te Royal (1'0' 0 1), ad. koninklUlt. gronde rienten; in 't verderf *torten; v. n. vers. koningagezindheid, —ist, e . koningagezinde. vallen; instorten; to gronde xattn. —rm.', R. - cue ( -APO, a. koninklijk waken. —ty, —ously, ad. bouwvallig; verdeetelijk. —ousnese, koningsehap. bouwvalligheid; verderfolijkheid. Rub a. wrijving; steak; oneffenheld; zwa- lute (roe)'), a, liniaal; duitnntok; regel, orde, rirheid, hinderpaal. stone, wetste,n. —, v. a. voorsehrift; model; riehtsnoer; reseering. —, v. a. wri,jven; achuren, polljaren; kw enen, hinderen. het,linieeren; regolea; regeereu (over), —r, (down) roskammen; afurekiv,n. (off) afwrijveri. ocher; bestuurder; linleal. (out) uitwissehen. (up) gbvd wr,jven; opwekken. (rum), a. zonderilog. ouderwetoch. - v. n. wripen; ren eon' we bonen. —bee, s. rum; dorpspredikant. wriiver; wrkjflan; viji; alijpstetn; robber; India Rombi a, (Turri' ►l.1), B. gerommal, geotommel; goat-eiflatlek. N. puin; afval, vaunts; —e, V. n. zitplaate (achter een prullen. len. —ing, a. Zia Illosube.ie. Itubeerent (rue-bes'sent), a. roodwordend. fiumllit. ttt (roe'ml-nent), a. herkauwend; IFitobl eon (rue' R. roahont. —rood (-kun)), herkauweod dicer• —te ( - nrst#, v. a. & a. roodachtic blezend. --ed (-WA), a, robijnrood. kanwen; overpeinz,n (on. upon , . — tion —.fie (-birth), a. roodmakend. — fy (-fa)), herkanwing; overpeinzang. —tor (-ueeA. ajuu), rood waken.
149 Iii' pt (in•ept'), a. —ly, ad. onges,bikt; dwaaa. (in-domg-tibl , , a. ontetnbaar. —itude (-ti-tjoed), —nest, S. ongeachiktheid ; Indoor (in 'door), a. huts-. dwaasheid. Indors able, Iin.dors'ibly, n. geendoeseerd kun- (in.•e-kwol'it-tih)., a. ongelijkhetd, Inequality (-dornande warden. —e, v, a. erotosa,cren. —ec ale'), a. geendosseerde, —enzent, a. endossennt. I oneffenheid. ; Inequitable (in-ek'wt-tib ►), a. onbiltijk. -er, s. endossant. Inermous (in-er'muz), a. ongewapend. Indraught iin'draaft), s. beat, inFam, ad. oueeilbaar. Indreneln (in-drentsj'), v. a. doorweekev, var. Inerra bale (in•certb1), a. —bly, —bility (-re-bil'it-tih). —bleness, s. unfelt baarheid. ad. traag, loom, werkeIndnbl out (in- djoe'bi-us), a.niettwijfelachtig,lInerl (in-art'). a. —4/,—nest, s. traagheld. loomteker. —table, a. —tally, ad. (-dbl.), ontwijfel- loos. —ion (ur'sjun), heid, werkeloosheid. baar, ongetwijfeld. —tableness (-tibl-), ontwij linemen to (in-es'keet), v. a. door age lokken; verfe I baarbeid. overbalen, nopen, lokken. (-kee'sjun), a. aanlokkiag, verIudne a v. a. aanleiding geven (to); to weeg brengen. —eanent, tokking. a. —bly, ad. ona. aanlelding, drijfveer. —er, e. santeidee, be- Inestima bale (in-esli-mibl), a. of to leiden; to weec t brengen ecbatbaar. wager. InevIdent (in-ev'i-dent), a. onduidelkik, niet Induct (in-dukt.')., a. a. inleideD,installeeren(intn). britkbaar. —ion (•duk'sjun), e. irrle(thng, aanstelling; ge- Inevitn bale (in-evl-tibl), a. —bly, ad. onvervolgtrekking. —ire, a. —lady, ad. 3anleidend, te-bilfit. tab), —bleness, a. onunpend, afleidend; afgeleid. —or. s. hevestiger, vermijdeliikheid. Indian (in-djo,'?, v. a. bekleeden, aandoen. (in-egz-ekt,'), a. onnauwIceurig; onjuist. Indulg; e (in-duldzy), v. a. toegeven, inwilligen. Inexact s. onnauwkeurigheid, onjuisthetd. —nest, zich overage- vergunnen, (in, With). –, v. n. (in-eks-kjoe'zin1), a. —bly, ad. van tan. —ence, s. toegevendhetd, inschikke- lnexensa bale onverschoonbaar„ onvergeeitijk. —bleness, B. onlijkheid; gunst; afiaat. —ent, a. —ently, ad. toe- verschoonbaarheid. ge,end, inachikkelijk. —r. a. toegever, inwil- Inexeeutlon (in•eks-e-kjoe'sjun), a. niet- volbrenging, nlet-volvoertrig. girt:a to (in'djoe-ret), a. gehard; veratokt. —te Inil (-rest). v. a. harden, Nerba•den; v. n. hard —, Inexlia,lalile (in-egn-heeribl), a. onverdampbaar. ed (in-er,z-haost'id), a. onuitgeput. veretokt worden. —tion (-ree'aJun), a. verhar- Inexhaust —ible, a. onuitputtelijk. —ibleness. a. onultputteding; verstokthetd. lijkheid. Industr lal (in-dus'tri-e'0. a, de nijverheid be-InexIsten ee to egz-ist'aus), s. (bet) niet head. nijver, viijtig; treftend. —ious, a. —ioutty, staa.n. —t, ad. niet bestaand. opzettellik. —y, a. vlijt; nijverheid. a. inwoner. —ing, e. Inexora ble (in-eka'ur-rib)), a. —b/y, ad. onIndwell er (-re-bil'it-tih, —Maness, a. verbiddelijk. inwontng; a. inwonend. onverbiddelijkheid. 85 a„ dronkanma- Inebrl ant (in-Pbri-entl. (in-eks-pt'dt-ens), —cy, ongece Inexpedlen (-eet), v. a. drunken (gek) trend rniddel. —ate paetheid, ondienstigheid. —t, a. ongeschikt, a. dronken zijn. —ation maker; ondlenatig, on,oegzaam. —ely (-e-braj'e , tih). a, droukens,hap, be,hon- Inexperience (in-eks-pPri-ens), B. oncrvarenkenheid. held. —d, a, onervaren. Inedtted (in-ed'it-ed), a. onnitgegeven. (in-eks-purl'1, a, o ► bedreven. Inexpert . onnitspre. ad --My. Iran's balsa (in•erfibl), buexpise ble (in.eks'pi-ibi), a. —bly, ad. olive, —blelesg, s. kelijk. —bility zocnlijk. tiprekelijkheid. —bly, ad. onble (in-eks'pli-Istb1), Inelreet lye (in-ef-rekt'iv), —nat.) a. —natty, ad. Inexpllea verklaarbaar. —bility (-ke-bil'it-tih), —bleness, a. Hoe- el-), niets ultwerkertd, vru,hteloos.---ualnesa onvcrkkarbaarheid. (-joe-e1-1, s. gevolgelooaheid, vruchteloroneid, InefiferYeseent (in-ef-fur-vea'sent), a. abet op. iltleXpliCit (in-eks-plis'it), a. onduidelkjk, on-
&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.

brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

Wat in aanmerking komt voor een 1031-uitwisseling


Warren (wor'rul, a. konijnenberg; vinthvijver; warande. —er, a. opzichter eener warande. .Warrior (wor'ri-nr), a. krijeamen. Wart (waorl?), a. carat; knont, uttwas. —wart, wolfemelk (plant). —ed, a. vol wratten of knobbele. —y, a. wrattlg. Wary (we'll). R. omzielttlg, behoedzaam; Wont) (woer), a. (het) wassehen; w ,h; vaat, waechwater; watertje; spotting; (bet) aangespotlhe; waterverf; moms, poet; zweem, streek; bled van ten' cleat. —ball, leepbal. —board. zetboord. —kaea-basin, waschkom. —house, waeabhuls. —leather, zeemleer. —stand. waschterel. —tub, waschtobbe. —, v. a. wasschen„ epoelen (away. off. out); bevochtigen; beepoelen; (ever) vtasschen echoonmaken; vernissen. —er, a. wencher. —erwoman, waechvrouw. —ing, a. bet wasschen, epoelen; watch; —day, waschdeg; —tub, waschtobbe. —e. st. vochtig; slap. Wasp (wosp')., a. Wes)).—bah. a. —ishly, ad. genielijk, knorrig, borsch, bite, iiehtgeraakt. —ishneae, a. gense.lijkheid,knorrigheid. Wassail vs os'sil.), a. appal bier; drinkgeleg; drinklied. —, v. a. vroolijk zijn, alenteen. —er, a. drinkehroer, eat per. Waste ( weest'), a. verwontine; v er k w istin g ; lamming; echade; veletas; woestenij, wildernia; onbebouwd land. —, a. wont; onbebouwd; overtaIlig, nuttelooe; ougebruikt. —board, nood.
tjoed . a. breedte, ruimte; vrijEattitud e held, hemelsbreedte. —anal (-tjoe'di-nelr, a. van de breedte. —inarian (-di-nee'ri-en), a. vrij; vrijdenkend; a. vrijdenker. —inarianism en-izm), a. vrijdenkerij. Latrant (lee'trent), a. blaffend, lLatten (let'tr), s. blik, gee) koper. —braes, toperhlik. —wire, koperdraad. Latter (let'tur), a. laatst, jonger. —crop, naoogst. —frail, late vrucht. —math, etgroeu, nahooi. Lattice (letlis), a. traliewerk; tralievenster. , —work. traliewerk. , v. a. van tralien voorzien. —d, a. getralied. v. a. 'oven, prijLaud (laod'), s. lof, prijs. nen. —able, a. —ably, ad. lofwaardig, prijseli;k. —ablenese„ a. lofwaardigheid. —otory (-e-tur-rih), a. pitzend; s. lorspraak, loftuttirg. —or, a. lover, prijzer. Laudanum (lao'do-num), a. laudanum. v. a. uftlaLaugh (lean, a. loch, gelach. chen; v. n. lachen (at, om); (at) uitlachen. to — in one's sloere, in zijn vlustje lachen. —able, a. —ably, ad. bJlachelijk, bespottelijk. —or, a. lather. —ingly, ad. lachend. —ing-stock, voorwerp van bespotting. —ter, a. gelach, Launch (laantsj'), e. (het) van stapel laten; large boot. v. a. to water laten; werpen, achieten; v. n. van stapel loopen; rich storten; (into) zich overgeven aan. (out into) zich verdiepen in, uitweiden over. out of) nfdwalen van. —ing-anchor, enter bij het afloopen gebrutkt. —block, hellingblok. Launder (laan'dur), a. waschvrouw; waschkuip. —. v. a. wasschen. —er, a. wasscher. Eassndr can (laan'drees), a. waschvrouw. —y, a. waschhuis, wrIescherlj. Lauren to (lao'ri-et), a. gelauwerd, bekroond; s. gelauwerd dichter. hofdichter.—tion (-ee'ejun), a. bekrooning. Laurel (lao'ril), a. laurler, lan.rierboom; lauwer. —fed (Old), a. met lauweren gekroond. Lava (lee've, la've), a. lava. Lavat ion (le-vee'sjun). a. wamsching. —ory (ley' e-tur.rih), a. wesehmiddel; waechplaats. Lave (leev), v. a. wasschen, bespoelen; v. n. zich wasachen, baden. Coveer (le-vies-1. v. n. laveeren. Lavender (lev'endur), s. iovendel. Laver (lee"vur), a. wasscher; waschkom. Lavish (lev'isj), a. —ly, ad. kwistig, verspillend. —, v. a. verkwisten (on, upon). —er, s. verspiller. —meat, —nese, a. kwistigheid; verspilling. Law (lao'), a. wet; rechtsgeleerdheid; (de) rechten. doctor at —, doctor in de rechten. to be at —, in procea liggcn. to go to —, tea proces beginnen. to study —, to follow the —. in de rechten studeeren. —breaker, overtreder der wet. —day, gerechtsdag. —giver, wetgever. —giving, a. wetgevend. —maker, wettenmaker. —suit, rechtegeding.—ful, n• —fully, ad. wett!g, wetteiijk; geeorloofd. —fi,/nese, s. wettigheid. — lees, a. —leerily, ad. onwettig; wetteloos. —lateness, 8. wetteloonhei'l; wanorde. Lawn (laon), a. opens grasvlakte; kamerdoek. Lawyer (lao'jur)„ s. rechtsgeleerde; n1eitbezorger . Lax (leks'), a. —ly, ad. 1,,o, Oar; onnauwkeu-
Splend cut laplea'dent), 0. II:taken& schitteresd. —ter, a. 4ikkelaor; bevlekker. —id, a. —idly, ad. praclitig, kostelijk —or, a. a. gevloktheid. —ly, a. gevlekt; gespikkeld; tepracht,lniater,glans. zoedeld. Splen elle(aplen'e-tik),—ish, a. Zie Spleenful. Spoon al (spaiezel), a bruilofts-; echtelbk. —ic, a. van de milt, milt•. s. brunt:in; huwelijk; bruiloftslied. Splent Isplent), s. splinter: spat, overbear, echtge000t, —e (spa.), v. a. 'Lie to Espouse. Splice (*pimp), a. spiitsing. —, v. a, splitsen. —less, a. ongAinwd. Splint (splint'), —er, a. splinter,spaander; spalk. S,pcsiat (spout'), s. pijp, Wit; gust; waterstraal; —er, v. a. doen splinteren, splijtenispalken; waterhoos; wolkbreuk. —hole, eguitgat. —, v. a. v. n. aplinteren, splijten• & n. spuiten; hoogdravend spreken, declamee. Split (split') [split], v. a. aplij ten, klooven; sebeu- sen. —er, a. declamat eve. ran; verbrijgeien; v. n. splijten; bereten;springen; Sprain (sprees,, a. verrekking, verstuiking. vergaan. --cauoc, advoksat. —stun, dubbele ode- v. a. verrekken, verstuil.en. lame. —fig, kruidenier.—ring, gesp)eten ring. —ter, Sprat I spret), a. sprat. —barley, baardgerst. o Sprawl w (spraol) V. n. srtelen. Splt a. itlitir'l° eterIskp1:e tv'.U. r), a. gerons, rumoer. —, v. n. Spray (spree), a. rijaje, tilde; schuim. ran:me:en, onversiatinbaar spreken. Spread (speed), s. uitgebrridhetd, omvang. Spoil (spop.), a. butt, roof; verwoesting; 00 , Spread (spred') [spread], v. a. & n. Ppreiden; worpen huid, uitbreiden, nitstrekken, verspreiden. —the v. a. rooven; beroo,n iol , ; bederven, verweesten; v. n, ror,v,,v ; bederven• cloth, de tafel dekken..(abroad) verbreiden. (out) —er, s. beroover; bedrever, ven.voester. vorsprePier; verbreider. uitspreiden. —cc, Spoke (spook), a. apauk, speck; sport. Sprig ieprig')., a. r ikje, apruide; atiftje. —bolt. 011p,,kessisan (spooluimen), a. woorcivoerder. V. a. met takbout. —crysta?, bergkrislal. Spolla sae v. a. bereoven, plunderer. tairjes tedrenen; met stiftjes vastruaken. —gy —lion ( ee'sjun), a. beroovi ► g, plundering. (-0,; ► , a. vol. rijsjes. Spun dee (spou'di), s. spondeus, ,rsvoet you spright (aprajt , , 8 spook, geeet. fiat, —/y, a. twee lange lettergrepen —dyl (-dil), a. leveedig, vro ►ltjk, —fulneatt, (-Itwerveibeen. Spong a (spundzj'), spons; wisncher. —e, v. a. Igt:s' t 'eloa.f.1.7tro1;1, '1'; h t' 'd ..K. ' i"°11ikh6d. — le", a. sponmen; bitwiescheu; v. n. inzulgen; tafel- Spring (spring), a. bran; eprong; veer, springschuimen (on, upon,. — er, a. tatetacbuimer. veer; oorsprong; veerkrachi; lente., voorjaar; (-1-neas), 8 sp ► nsschtigheid. —ing•house, acheur, barrt; lek; spring. —arbor, entl. (in can zomt.rgerst. —barrel, rolgorhorlogiel. a. aroneachtig; irdzeling. —soon zutgend, reha --box, tom k, rg rretid bolt„ e) :ve—e ba Spo t. al (epcua'el , , a, brullofis-; eehtelijk. apringbr;k. —shape, ee, d l, ue: inv ae el —ion (-ajun,a. borgtocht, ..... or, a. burg; doop- Petrel. veer. —dividers. pl. veerpasser.—CLg getuige, doopheffer. treehter. —grass, rekkgras. —gun, donderbua. Spr.ontane ous (spun-tee'ni-us), a. —ously, al. —halt, hanespat. —head, bran; oorsprohg. —hook, veerdekvrijwill:g; van zelf; wilt. —ity (spon-te-nl'it-tilt), veerklink. —lid, karabijnhask. —latch, -nuances, a. veil wil I igheld. eel. --lock, springslot. —quarter, tijd der langste Spontoon ispon-loon'), a. boric pick, dagen. -saw, beugrOzsag. —snuffers, pl. patentSpool (spel', a. spool. —, v. n. spoelen(opwiu- anniter. —steel, elastiek staal. —steel-yard, veerden), —ing-wheel, spuelrad. taotoeir „Te r t asipl,..aearr.d v to;ee.-6 at e, oaupwriknxplopeet Spoon) Impoein'), V. n. anal (vane den wind) u_ri 1en Lenten. zeolloenn;1, p ot ,en),—drif a. iet,pes ichu zomertarwe.—worm, binits iie le,epderill . —water, Spoon (een) lapel-vol. —hand, rechterhan ► . —meat, la- Spring (spring) [sprung], v. a. doen springen: pelkost. —shell, strande ► uisel. —wort,lepellolad. opjagen; aan den dog brengen. — a leak. een n. springer; ontepringen; —, v. n. Zie to Spoons. Lek ketjgen. v. Sporadic (spo-red'ik), —al, a. verstloold. uttapruiten; voortkomen, entstaan, zijn' oorSport (spaortir, a. ape1; lichens, kortswiTh veld- sprang kebben. (forth) nitspruiten, opschieten; verinstak ;jagen, visschen, vogelen, psardrijden. Noortkomen; nitspringen. ( forward) V.0 1,VaartS enz.)..tonzake—with,voor don gek houden.—'s-man, sprineen, zich atorten. (up) op , pringetll —saran, licihebber von veldverrnaken. —, v. a. schieten; ontstaan; itch verheffen. v. a. vern. (itch) vermaken, verlustigen; spelen;achert- Springe (sprindz,j), a. strik, knip. sen; (with) den gels ocheren met. --cr, rt. achert- strikken. see, spotvogel. -lye, a. --fully, —ively, Spring er (epring'ur), s. drijver; spruit. —inc.a a. veerkrachtig; ad. vionitk, giapptg, echertsend. —fulnebe, (-I neqi), a, veerkracht. s. vroolijkheid, clartelheid, kortawi,j1, bronrijk. Belem. —lees, a. treurig. —v,le (-Joel), 8. a. gesprenkel; Ritter, Sprinkl e mom fool. watersproeier. e, v. a. brsprenkelen; v.n.stofSpot (spot'), a. vlek; schandviek; pleats, plekje. regenen. —er, F4. hesprenkelear. —ing,B. besprenon (upon) the —, aanatonds; op stnande voet.—, keliug; weinigje. v. a. beslekken, bezoedelen; benpikkelen. —tetra, Sprit (sprit'), a. sprutt. epriet. --sail, sprietzeil. a. onbavlekt, suiver, vlekkeloos. —lcesnese, a. —. v. n. spruiten. vlekkalooshaid. —ted, a. gevlett; gespikkeld. Sprite (aprajt), a. Pie Sprlght.
Coinbase has lost my money twice now. Once was due to an old account that, thanks to a bug in their verification process, I cannot re-authenticate. I bought 1 bitcoin back when they were only about $50 each with Coinbase. That money is gone forever now. And I acknowledge that it’s my fault that I did not set up a forwarding email with Coinbase, their support just refused to help. The second time was a month ago. I made a trade on Coinbase, and for some reason, the app glitched to think I have 5x more money than I actually… Read more »
N, Nab (neb). f. voor Abigail. Nal (eel), f. voor Eleanor; Leentje. Nam (Item), f. roar Araltrosius. Namur (no-rnner'), g. Namen. N*In (nen% rY.•ny, f. voor Ann; Naatje. Nangasski (nen-ge-sa'ki), g. Nagasaki, Napier (nee'pi-ur), m. Napier. Naples (nee' ph). g Napela. Napoleon ,ne-nr:'11-ort), m. Napoleon. Nat (net), f. your Nathaniel. Nathan (nee'then),m. Nathan. —Lel (ne•then'1•1), m. Nathaniel. Nava•re (ne-vear'). g. Navatre. Nazareth (neee•reth), g. Nazareth. Neagh (rtie, ni'e), g. Neagh. Neapolitan (ni-e-poin-ten), a. Napalitaanech; 1. Napolitaan. Nebuchadnezzar (neb-jae ked nez'zur), rxt. Nebukadnezar. f. voor Edu,rd. Ned (nee), Negroland (rit'gro•)enti), g Nehemiah (ni- he-mare), m. Nehemia. Neil (sell'), —y, 1', vane Eleanor 4. Helen. Nelson (-nel'sn), ra. Nelson. Nemeals (nem'e.sis), my. Nemesis. Neptune (ncp'tjoeni, my. Nepturtus. Nerelds (nt'rt-idz), MT, Nertiden. Nestor (nee'tur), in. Nestor. —iant {-to'ri-enz) r. Nestorlaneu.
ABUI,ny indigo , aril. Antis, m. anise. —likeur, anise-eeect•rpiri^. —ells, of lrO sed-oil. tuad, An.oleft+er, v. pink. carnation. A -nicer, o, anchor; sober; brace, holdfast. ten — kora., het — werpen, to anchor, to cast anchor. ale/ sehip drift roar —, act — aleept, the anchor drives (comes home). het hanyt, the anchor's a- trio. —arm, arm of an anchor. — boei, buoy, — paid, anchorage. —vraad, anchoring-ground. — hook, cat. cat - hook, nut. — halo, trent of an author., flout; — atok, anchoroeam, -stock, h ook. — kruis., crown of an anchor. —photo, anchorage, anchorins4-place. —schacht, —steel, shank of. anchor. —bchoen, anchor-shoe. —tatie, capstan. —Loam, cable. ---roering, lining of the how. — en, On. to anchor, to cam, anchor, v, ren'thovy. Ant ichrist„ m. antichrist. 111,,sttleope, v antelope. "int woord, o. answer, reply; response. —en, ov. & on. w. to answer, reply., (to). s iren itinkfttsitt, o.-bait/oz.-v:1404,o ape's face, ugly Ala. —kop, IA. ape's bead, blockhead. —kuttr, v. ap;ah trick. —liefde, v. foolish fondneoa. —spel, o sir Ateerli. AperU, v. ap!sh tricks, buffoonery. Apin, v. she-ape, she- monkey. ApoAtel, in. apostle; bollard. —scitap, o. apostleship. Apostolloch, ho. & bw. apostolical (-1y). Apotheek, v. apothecary's shop. AptitLekter, ro. apothecary. —abediends, apothecary's assittant. —stock, dispensatory, pharmacoeceia. —agewicht, troy-weight. —skunst, pharmacy. —spo,`, gallipot. —minket, apothecary's shop. Aoptel., o. appeal; call. . , taut, m. appellant. —leeren, on. w. to appeal (to). Appel, tn. apple; bail, pupil; pommel. --eloctent, epple-bloEsom; pole-red. --boom, apple tree. —drank, —wijn, eider. —flauwte. fainting-itt, swoon. —groom, dapple gray. —koek, apple-cake. — man. apple-monger, costermonger. —sawed, a pple- bAsket. —markt apple market. —*toes, — pent, apple - sauce, apple marmalade. —pit, apple - kernel. —rood, round like an apple. apple-paring.—schimmei,dapple-grayhorse.--sino, orange. — taart, ai.ple - pie,apple - tart. — teef, — teijf, BilliugsgMe-wench, scold. —vrouw, apple-woman. pomatuat, —oar, m. appletree. April, m. sprit. tie eerate Arak, v. arrack, rack. Arbwid, rn. labor, work; pains; childbirth; fermentation. —sloon, wagers, pay, hire. —man. ate Ari",,Ider. --en, on. w. to work, to labor.

Ma iul II Ion (men-dint:1), s. kapotjas. Mandolin (men'do-fin), a. mandoline Mandr agora (men-dre'go-re), --ake (mert , ,treeh 8. alruin. Mainterel(men'dril), a. spil eener draaibank. Manduca hie (men'djoe-kibl), a. kauwhaar. 1-beet), v. a. kauwen, eten. —lion (•kee'vjurt), v. kauwing. none (meen'), a. maan. —comb,manekam —sheet, vliegennet. —d, a. met manen. Manes (mee'niez), pl. schim. Manful (men'foel), a. —I)', ad. manhaft!g, block. —nest., a. manhaftigheid, kloekheid. Manganese (..meng'ge-niesi, s. bruinsteen. Mangeorn (meng'korn),e. mankzaad, mengkoren. Mang a (ineendir), a. schurft. --er, s kribbe, trog; piabak. —bless, s. schurftigheid. Mangle (meng'gl), a. mange!. rolpers. v. a. mongelert; acheuren; fijnhakken; ha•enen, varminken. —r, a. mangelaar. Mango (meng'go), a. mango. Mangonize (meng'gun-ajz), v. 8. opfiikken (lets suds). Mangrove (meng'groov, a. amandel., wortelboom. —grape, zeedrulf. -- snapper, lipvisch. Mangy (meenidzjih), a. schurftig. Manhood (men'hoed), a. menschheid, mannelOkheld; manhaftigheid. Mania (rnee'ni- e), a. waanzin. —e (-ek , , s. waan,innige. —c (-ek), —cal (me-narikl), a. waanzinnig. razend, Manich can (metr-i-ki'en), a. manicheesch. —eon, —cc (-ki'), a. Manicheer. Manieon(men't-kun), a. boschnachtschade. Manifest (m en'i- feat), a. —ly, ad. openbaar, klatir. v. a. openbaren, —, a. manifest, vrachtbrief. aan den dag leggen. —ation (-tee'sjun), a. openbaarms king. —nest, a. openbaarheid. —a (-feteto), a. bekendrnaking, manifest. Manifold (men'i-foola), a. —ly, s.d. menigvuldig. (me-niPjunz), p1. handvatsels (aan een kanon). mannetje. Manikin Manioc (mee'ni-ok), a. cassava-wortel. Mani pie (men'ipl),a. bandvolt manipel. —pulate (me-nip'joe-leet), v. a. met he handers bewerken. —pulation (me nip-joe-lee'sjun),.. bewerkingmet he hand, behandeling. Mankind (men-lcajnd'), a. menschdom. Man less (men'leaa), a. onhemand. —like (-DO), a. mannelijk. —liness (-1i-nes0, a. mannelijkh. d i manhaftigheid. —ly, a. & ad. mannelijk. Manna (men'ne), a. manna. Manner (men'nur), a. manier, wijze, gew ()mite. in a —, in fekeren nra, eeuigermate. —ed, a. gemanierd. —ism, a. gehechtheld aan tine mauler. a. gekunsteld achilder. —finest(-Ii-nets), a. welgeanierdheid. —ly, a. & ad. welgemanierd. —s (-ours), pl. zeden, gowoonten. Mannish (men'nisj), a mannelijk, kloek. Manoeuvre (me-njoe'vur), s• kriirslist; kunstgreep; be•eging. —, v. n. manceuvreeren, bevvegingen makes. M1111101. (nrien'ur), s. heerlijkheid,landgoed. —house, —seat, heerenhnis. lanagoed. —ial (one-no'ri••el), a . van eene heerlijkheid of een landgoed.
In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]

cryptogeld hoe te beginnen


The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]

r cryptogeld memes


AVO.-13AL. Awkward (aowk'wurd), a. —ly, ad. lamp, onbandig. —nets, a. lempheid, onhandigheid. Awl (now!), a. els. AWIlk (aowm), a. sam. Awn (town), a. beard (van gray of koren). Awning (aown'ieng)„ a. dekzeil. Awry (e-ra]'), ad. scheef, verkeerd. Axe (eke), a, Mil. Axiom (ekalum), a. axioms. —atic , —sliest (ekei-o-met'ikl.), a. onweersprekelkjk. Axis (eLs'is), a. as. Axle (ek'al), a. —tree, a. wagenas. Ay (aid), ad. ja. —green, s. maagdenpalm, Aye (eel), ad. vow altijd. Azimuth (ezn-moth), a. azimuth. Azot a (ez'ot, e-soot'), a. atikatof. —lc (e-zot'ik), a. atikatofachtig. Azure (ee'zjoer), a. hemelablauw. —, a. uitspansel. • v. a. blauw kieuren. Azymee (ez'ima), a. feest der ongehevelde bros. den. 

In welk land Bitcoin is legaal


Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-

Is Zebpay portemonnee veilig


set apart; tick t. w. to withdraw, to retire. —inn. v. separation, isolation; retirement, bv. & bw. separate (-1y); private (-1y). Afzoonaen, or. w. to seam entirely. Afzulg en, or. w. to tuck off, to ablectate. —ing, v. ablactation Afzweepera, on. w to whip off. Afzweerder, m. abjurer. Afzweir en, ov. w. to abjure, to forswear; on. w. to fester away, to fall off by ulceration. —sag. v. abjuration; felling off by ulceration. Aftwoogen (zlch), ti,. w. to drudge, to toil and moil, to overlaeor one 'e self. Agent, in. & o. agate. —steels, agate(-stone). Agaten, be. agate. Agent, m. agent. — van policie, police-man —schap, o, agency . Agurk, v. —fie, o. gherkin. Ahem', us. —loons, maple, maple-tree. &lulu, in onion. Akaost, In. acanthus. Akelet, v. Zie Akolei. Akellg, bv. & bw. dreary (-ily), dismal ( - 134, gloomy ( - UV, dull ( - yi, sat ( ly'. —held, v. dreariness, &online., dulness, sadness. Aker, in. acorn; bucket, pail. Akker, tn. field. —boxes, tillage, agriculture. --bresss. dyer 's weed. —vereedschap. implements of husbandry, farming-utensils. —honeroet, crowfoot. — kruld, dwarf-elder, dane-wort. —land, arable land. —nsaalsboseh, copse. —maalshont, copse-wood. —man, husbandman. —week, tillage, husbandry. —wet. agrarian law. —co, on. & on. w. to plough, to till. Akolel. s. columbine. Akonlet o. aconite. Akte, v. document, deed, instrument, bill. Al, o all, whole, universe. —, be. all. every. —, bw. already; rather; — te, too. —, vw. though, although, even if. Aleut. m. elecampene, horse-heel. —ste(in, elecempane-wine. —swortel, elecampantowort, +starwort. Maine. 0. alarm. —kink, alarm-bell. —kreet, cry of alarm. Albeit, o. alabaster. —en, bv. alabaster. Alb* dli, m. & v. fault-finder, caviller. —drij) —dril, —schsk, m. & v. busy-body. Aldear, bw. there, of (at) that place. Aldus, bw. thus, this way, in this manner. Aleer, bw. before. near —, before. Algebra, v. algeors. --WA, by. algebraical. Algeancen, bv. & bw. universal (-1y), general (-1y), common (-1y), o, public. in (over) het —, general, in general. —head, r. universality, generality. A Igenowgzaarn, bv. all-sufficient. —held, v. all/sufficiency AlgssdetrU, v. pantheism. Algoe4, by. most-bountiful. —e, in. (the) Mostbountiful. —heid, v. supreme goodness. Albler, bw. here, of this place. Alhoewal, vw. although. Altkrulk, v. periwinkle, cockle. Alkoof, T. alcove. Alledasweb, by. daily, quotidian ;ordinary, in-
On 30 May, 2018, the European Commission adopted its proposal for the next Erasmus programme, with a doubling of the budget to 30 billion euros for the period 2021-2027.[14] Further negotiations were expected to take place during the 2019-2024 European parliamentary term with the European Parliament and the European Council before the final programme is adopted.[15]
1)09 437 run on. to wafk faster. —en, bv. streaked with Doo•roelen, ov. w. to row through; on. w. to fat. —end, hr. & bw. uninterrupted (-1y), con- tow through, to row on, — fast. tinnous I. ly); current. Doorrooten, or. w, to stir, •- about, — up. Doorlouterem, or. w. to purify (to refine) Doorrossten, on. w.to rust through. thoroughly. Donrrollien, ov. w. to roll through; on..w. to Doorluebtk, by. airy; pierced, broten; trans• roll through; to continue rolling, to roll on. er parent; illustrious, august; most serene. —, to get off, to get through. v. airiness ; transparency; illustriousness, col- Doorrooken, or. w. to stooks thoroughly, to nence; (serene) highness, serenity. fumigate, to perfume; to blacken (ease KT). Doormager, hr. very lean, skinny. Doorrukken, or. w. to snatch through; to Door grasirche.ren, on. w. to march through: wound (to break) by snatching; Gni w. to march — on. —osarech, ra. marching through, march, th• °ugh. 'resew. Dourecbemereta, on w. to shine through. tat Doormengen, or. w. to intermix, to mingle. —, to give to understand. Doortnesten, ov. w. to fatten (to dune) thor• Dooreetteuren, or. w. to rend, to tear asunder. oughly. Doorecbteten, ov. w. to shoot, — through; to Doorosositen, on. w. to be obliged to pass shuttle, to cut (koorien); to interleave; on. w. to through. shoot through; to slip through. Doormogen, on. Iv. to be permitted to pass DoorsehUnen, on. w. to shine through. —d, through. transparent, diaphanous,—dheid,v. transparency, Doorn, m. thorn. brier, prickle. —appel, thorn- diaphaneity. apple. —boons, thorn-tree, coral , tree. —bosch, Doornehrap pen, or. w. to scratch through; to :horn-bush, bramble-bush, brake, brier. —haag, scratch —, to dash out, to erase, —beg, thorn-hedge, quick hedge. —strmik,thorn. DoorsehrUven, on. w. to continua writing, to bush, brake, brier. —enkroon, crown of thorns. write on. hr. thorny. Doorsebuddrn, or. w. to shake through; to Doors/mien, or. w. to wound by awing; to joggle, to stir; to shuffle. quilt; on. w. to continue sewing; to sew fast. Doorschniven, or.w, topush(to shove through. Doornagelen, or. w. to pierce with nails.; Doorsehuren, or. w. to scour to rub) through; Doormat, by. wet through, —ten, or. w. to wet t3 gall to chafe) with scouring. l horough'v.Doomehutten, on. w. to parr through a hluice. Doorneurett, or. w. to take throLgh; to chide, DoorsUpelea, on. w. to trickle through, to to rebuke; on. w. to continue taking. ooze. Doorm en, be. of thorns ; —ig, by. thorny, Doorniaan, or. w. to beat (to knock) through; briery. — down, to open (een mouth to beat asunder; to DoornUptn, ov. w. to pinch through. strike home (een hal); to squander, to dissipate; Doorpripperi, ov. w. to open by cataplanms or 02. W. to continue beating: to begin to gallop; poultices; on. w. to continue poulticing to wet through; to sink, to blot (van papier); to Doorpetaxen, or. w. to pass (the night) medi- pierce (ran ink* to give (tan efts *tour); to turn, tating; on. w. to continue meditating (on). to bear down (ran eerie school); to rinse (Oases); Doorpersen, or. w. to press through; to Rress to talk without ceasing,. to declaim. siels to places; on. w. to continue pressing. to fight (to force) one 'a way, to break through; to finish out of hand. —d, be. palpableovident. Doorpraten, on. w. to continue talking. Doorallag, m. punch, puncheon; drainer; colanDourprtemem, or, w. to pierce with a bodkin. der, strainer; make-weight, overweight. Dourprikkerr„ ev. w. to prick thvou•sh; —open. Doorelapana, ov. w. to pass sleeping; on. w. to Doorraken, on. w, to get through. sleep ou, to 'sleep through. Doorredden, or. w. to help out, to extricate. Dooraleepen, or. w. to drag through; to help Doorrogen, by. interlaced; streaked. Doorregenen, on. w. to rain through, to be through, — out. soaked through by the rain; onp. w. to rain on. Doortitenteren,on.w. to saunter about. Doorrtiken, ov. w. to reach through, — out O. Dooretepsin, by. causing, artful, crafty. —held, Door rein, V. passage, progress. —relax, or. w. v. cunning, artfulness, craftiness. to travel through, — all over; on, w. to continue Doorsill,' pan, or. w. to grind (to whet) thronh. DoorslUten, or. & on. w. to wear out, — off. travelling. Doorrekenen, or. w. to reckon all over; to Dooreilikkete, or. w. to swallow (down). D cornball pen, on. w. to steal (to sneak) through. examine. Doorrennen, ov. w. to gallop through; to gallop DoorectiUten, or. w. Zie Doorgoottn. Doorsmede„ v. diameter, profile, section, interall over; on. w. to gallop faster. Doorrljtien, ov. w. to ride to drive) through; section. — all over; to wear off (to gall) with riding; on Doorcneetraven, onp. w. to snow through; to vv. to continue riding, — driving; to ride (to continue snowing. Dooranollen,on.w. to hasten (to hurry) through. drive) on, — with speed. Doornfigen, or. w. to stab, to pierce, to run DoorsitUdoss, ov. w. to cut through, — into pieces; to intersect. het et.rsaii —, to split the through. difference. DoorrUp, bv. thoroughly ripe. Doorsuutirel en, ov. w. to pry into, to search DoorrUten, ov.w. Zie Doorsebeurem.

BIJ Y.—BIN. with; to occur (to), to come into one 's mind. —lathes, o. my. by profits, perquisites, rails. 1lUvoeg en, ov. w. to add, to join, to subjoin, to annex. —end, by. adding, annexing; subjunctive, conjunctive. —ing , v. addition. ha. additional, conjunctive; — naamwoord,a , Ijective —eel, o, annex, supplement, appendix. H&lVoet, m. mug-wort. BUwegen, m. by-coach, extra-coach. BUweg, m. by-road, by-path. BUwerk.o. by-work, by-job; orr t. Bliworpen, or. w. to throw to, to odd. HU wenen, o prevents. HU vs, kjf, o concubine. —*chap, o. concubinage. 1113w1J1en, bw. Fometinite, now end then. Illiwon en, ov. w. to cohabit (to lie) with; to be present at, to assist at, to attend. —ee. m. neighbor.. inmate; stander-by, person present. --tag, v, cohabitation; presence. & bw. adIlkiwoord, o. adverb. verbial (-1y). 111,1znak v. by -matter, secondary thing, incident. BUzet, m. stake. —geld, stake. —ten, ov. w. to place (to put) near; to stake; to inter, to _en(tile zetten tomb; to heave out, to unfurl fern —, to clap on all the vale, to enOrrd Pell; to do one's utmost, to leave no stone unturned. Illanlend, by. mope-eyed, purblind. —held, v. myopy, nurblindnees. BUzUn, o. presence. 11,J.Itt, v. concubine, mistress. —ten. on. w, to sit near, — next to. —ter, m. ,weever. —tersehap, o. aasessorship. BUzon, v. mock-sun, parheli on. BUzunder, by. & bw. separate (-1y); particular (-1y), peculiar (-1y). special (-iv); private (-(y); singular (-Iy), eminent (-1y). la het —, particularly, especially; privately. —held, v. parti. cularity. Bikkel, m. cockal, hnekle-bone. —en, on. w. to play at cockals, — at buckle bones. —spa, game at huckle-bones. Ink ken, ov. w. to pick; to eat. —homer, pick. —*teen, brick-dust, grit. nil, v. buttock; ramp. —naad, perineum. —naadsleek, puncture. —stub, round of beet. —len, v. my. buttocks, bum; door de — lappen, to spend wantonly, to squander. 1311Jert, o. eene portij —, a game of billiards. —6a,t, billiard-ball. -longer, marker. —*pet, billiard.. —stok, stiet, cue. —cab, hazard. —en, on. w. to ploy at billiards. 11111Jet, o. bill, billet, note, handbill, ticket; billet for quarter. BI1Joen,o. base coin. B11 len, ov. w. to notch, to sharpen. —homer, —fixer, pick. by. & bw, equitable (-bly), just (-Iy); reasonable (-bly). —en, ov. w. to approve, to justify. —erte4ee, bw. Zie 1131111Jk. v equity; reasonableness. —he'debatre, bw. for equity's sake. —ing, v. approbation. 111111oen,o. billion. 1111zenUruld, 0. hen-bane. Bind en, ov. w, to hind, to tie. —garen, —tome,

Waar kan ik ruilen Bitcoins voor contant geld

×