VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i

Hoe kan ik de eigenaar van een Bitcoin


E Fat ling (fetlieng), s. jong —ly, ad. Feat:weft (fiet'neee), , behendOteid, knaplieid; vet. —ness, N. vetheid; vettigheid; vrachthaar•1 aardigheid, netheid. held. —ten (fet'tn), v. a. vetmesten; v. n. vet Feature (flet'joeri, 0. gelaatstrek, gelaat; trek. worden (on. upon. with). —tener (fet'tz,ur), a. —d, a. gevormd; met schoone trekker, vetmaker; meat. —ty, a. vettig, olieachtig, F enze (flea), v. a. uitrafelen, rossen, elaan. smerig. (fe-bririk), a. !root teverwekkend. —foge FebTI Fatty lty (fe-tjoa'it-tih), a. dwaaasiteid, onnoozel- (feb'ri•fioedzj), a. koortsverditivend middel. — le held. —ons (fet'joe-us), R. dwaas, dam; —tire. (fi'bril, feb'ril., a. koortsig. dwaallicht.. a. Februari, sprokFebruft ry Faucet (fao'sit), a. zwikje, tap. kelmaand. —tion (-ee's)an), a. reinigingsfeest, l'augh (fao), int. bah! Fecal )fle'kel), a. drab-, drekachtig. — matter, dreketof. Fault (faolt'), s. font, fell; phrek; misslag; achuld. at —, verlegen. to find — with, berispen; Feces (fle'sies), a. droesem, drab; ultwerpaelen. vitten op. —finder, berisper, vitter. —finding, Feculen cc (felejoe-lens), a. drabbighed, mod• berieping. —ily, ad. —y, a. gobrekkig; verkeerd, derigheid. —4, a. drabbig, rnodderig. berispelijk, schuldig. —inese, s. gebrekkighdid; Fecund (felt'und;, a. vruchtbaar. —ate (ook: verkeerdhetd; scbuldigheid. —less, a. zonder feel- fe-kun'dest), v. a. vruchtbaar maken. —otion (-dee'sjun), a. vruchtbaarmaking. ge.kun' len. —iciness, s. feilloosbeid. Faun (faon'), a. faun, eater, boschgod. —itt, c. dl-fajl„ v. a. vruchtbaar maken. —tip (fe-kun' dit-tih), a. vruchtbaarheid. natuuronderzaeker. —a, a. dierbesehrijving. Federa 1 (fed'ur-e1), a. eenen bond betreffend. Fautor (fao'tur), a' begunetlger. lonvIllotre (fe-vinue), a. van aach. —hien:, a. beginselen der federaiisten. —list, n. Favor (fee'vur), a. gunet; ganstbewijs; genegen- lid (vooratnnder) Vain een hondge ► ootschap. —te held; begunstiging; teeken, lens. in — of, ten (-et), A. verbonden. —tion ( ee'sjun).. a. verbond. behoeve van. under —, order verbetering. under —tine ( e•tiv). a. itch vereenigend, verbindend. your —, met uw welmeenen. your —, uwegeeerde Fee (fle'), a. loon; fool; leen. —farm, erfpachtleen. letteren. —. v. a. begunstigen; gelijken op. —able, —simple, vrij leen. —tail, beperkt leen. —. v. n. a. —ably, ad. gunstig. bevorderlijk. —ablenes, beloonen; lbezoldigen; omkoopeai; huren. a. goedgunatigheid. —ed (-vurd), a. begunstigd, Fee ble (ile'h1), u. —bly, ad. zwak. —bleness, a. bedeeld; well—, bevallig; ill—, leelijk. —er, a. ervalcheid. begunetiger. —ite (-it), fl. geliefkoosd; a. gun• Feed (fled), a. voeder, voelsel; maalttid; ateling. —less, a. onbegunatigd. Feed (lied') [fed], v. a. vcederen; onderhouden; koesteren; paaien (with). —, v. n. weiden; zich Fawn (faon'), a, jong hert; pluirnstrijkerij. v. n. image herten werpen, (on. upon) pluirnstrij- voeden met, leven van (on upon). —er, s. voeder, ken; atreelen. —er, a. pluimstrijker; etreeler. pluimgraaf; eter. Feel (tier) a. gevoel. —ing„ a. krniperij. —ingly, ad. flikflooiend. Fay (fee), a. toovernirnf; trouw. —, v. a. voegen, Feel (flel) [felt], v. a. & n. sevoelen, voelen; paaaend maken; v, n. in elkander sluiten, passer. (for) medelijden hebben met. —er, s. voeler; Feaberry (iPber-rih), a. doornbes. voelhoren. —ing. a. —ingly, ad. geroelig. —iny, Weague (flag), v. a. sloan, geeselen. a. gevoel. Fealty (frel-tih), a. hulde, getronwheid (aan Feet (flat'), voeten. --leas, a, condor voeten. den leenheer). Feign (feen'), v. a. veinzen, vuorwenden; re-Fear (tier'), a. \Trees; vogelschrik. --, v. a. & n. zinnen, uitdenken; v. n. veinzen, —ed. a. —ally, vreezen. —fad, a. —fully, ad. bev,reesd; vreese• ad. verdicht, geveinsd. —er,s. veiezer; yerdichter. lijk. —fulness, a. be,reesdheid. —less, R. —lessly, Feint (feent). a. liat; flat; Inane stont; halve toon. ad . unberreesd, onverschrokken. —Letteneu, a. Fellcit ate Ife lien-teet), v. a. g,elukkig waken; stoutmoedigheid. ge:uk wenschen (on). —ation (-tee'sjun). y. eFens! hi/My —bleness (ti'zibl- lukwensching. —ous, a. —ously, ad." voorspoedig; zeer gelokkIte. —y, a. gelukzaligheid. ness), s. doenlijkheid. —ble, a. —bly, ad. doenlijk. Feast (fleet'), s. feast, gastmaal. —day, feeatdag. Feline (felajn), a, katachtig. —family, katien-, v. a. onthalen; v. n. an.ullen. —er, a. gest• geslacht. lacer; gnat, smaller. —ful, a. feestelijk; weelde- Fell (fell'), a. —ly, ad, woest, wreed. —nest, a. rig, braaaend —ing, s. feestelijk onthaal; —money. woestheid, wreedheid. —, a. rel, fluid; heuvel; foettje; —rite, feestgebruik. gal, zwaarmoedigheid. —monger, huidenkeoper. —wort, gentiaan (plant). —, . a. yeller', nederFeat (Bet), a. felt, dead; grail. —, a. behendig, aellen. s. nederveller.'houthakker.' knap; eardig, net. Feather (feth'ur), a. veder, pitiful; snort, slag; Celiac (fello), a. Zie Feily. sieraad; ijdele titel; blew. birdu of a — flock Fallow (ferlo), s. kameraad, mast; vennoot; together, snort zoeht soar!. —bed, veerenbed. lid, rnedelid; weergade; kerel, kwant. to be —, —broom, —duster, vederbezem. —driver, zuiveraar bt,(een behooren, van tin poor sun. —eititen, van bedveeren. —edge, dunne kant eener plank. rnedeburger. —commoner, deelgenoot; student der —edged, dun Han de eene zijde. —grass, veder- hoogere klasse (Cambridge). —creature, modegras. —, v. a. met vederen vullen (tooien); tre• menech. —feeling,, medelijden; gerreenschappe• den. to— one's nest, zijne seltaapjes acheren. —eel, lijk belong, — izar, reede-erfgenaam. —helper, a, gevederd; gevieugeld. ....lean, a. vederlooe- —y, medehelper. —laborer, medearbeider, medewer• a. gevederd. leer. —lodrper, buisgenoot. —maiden, ePe,,,Igenoot.

splintennleuw. —piece, knijper op de mars, se!tieten; oulstaan, voorkomen. —er, kuiter. —saw, handzaag. —shackle, ben, -1 der pent,- —sag, e. het •nitmeitieten; poartijd. baiken. —, v. a. spannen, °map.. eon, afmeten. Spay (epee), v. a. anijdett (willjeadieren). Spandrel (spen'drilr, a. begin van een geweif. Speak (snick') [spoke. spoken (spo'ku)), v. a. spreSpangle (speng'g1), s. ioovertje. —, v. a. to ken; uitepreken„ zeggeta; to kenn geven; —the word.. conduit spreken ; v. n.apreken; — fair, goede loovertjes veraieren. woorden Spaniel (spenlil), s. pa.trijabond; kruiper, victor. (onj voorrspreketi. (out) luid (vrij• —, v, a. ale een hand ualoopen; v. n. kruipen, rnoedig) apreken. ( to) groeten. —able, a. ill tapre• vleien. kelijk, hespreekhaar; gproSeucl. —cr, a. apreker; Spanish (spon'isj), a. spaanseh. —coin, admire woordvaerder. —ing, a. het spreken; —trumpet, — apreektrompet,roeper. •oorden. —fly. soaanache licorice, drop. — paint, — white, loodwit. — red, Spear (spiee), a. spear, Inns; elger. --blade, spitse vermllioen. kling --box, zu4er (acne]. pomp). ;_—/not,rechter Spook (spengk'), v. a. met he viakke hand achterpoot. —grass, ' speergras. —hand, rechteralaan . a. Wein muntstqk; groote, a`erke. hand. —head, speerpunt. —man, speerrolter. vent, Was; pronker; —boom, boom voor het —mint, , ronwenrnunt. —shaped, lanavormig. brikzeil; —, —sail, brikzetl, bezaan. —big, a. —ntaff,apeerachaebt. speerdistel. —wort, borsch, stevig; opgetooid. speerwortel. v. a. met eerie spear doorboren v. Spanner (spen'nur), e. spanner; karabijnelot; 0. opachteten; ale to !pair].-. schroevendraaier. Special (ti?earell, a. —1y, ad. bijzonder,. soorteSpar ispaar), a. ,,,paath; spar; sluitboam.--, v. a. lilt; huitengewoon; uitrnuntend. ty a. bijzonderheld; hijzonder geval. met cen' boom aluiten; v. n. met de vuiat veelt- ten. Sps ale lapi'sjih), a. specie. gemunt geld. —t (•ndiz), Spar* Isle isper'ibil, s. sehoenspijker, MIN,. a snort, geslacht; bestanddeel. —drap (-e deep), a. waspletater. Specific (ripe-sit'ik). a. bijzonler middel. —al, -Spare (spec].'), a. —IP, ad. spaarzaam; thinoehraal; —att., ad. bijzo,der; soortelijk. —ation (al,osflOoA, a - bed, et, teed karig, mistier; overig, if t kee'sjun), a. uiteenzetting, arzonderltike vermelding. over. —dark, overlain,. —diet. wheel]. kost. —hour, snipperuur. —money, spaarpennin!;,-,n. var- Spec, (speei-faj), v. A. uiteen zetten; aizonderkenssratinetje. —time, vrije —topmast., bore. - 10 (at nit voor awl() opgeven. —men (-men), a. along. —yard, waarlooze ra. —. v. a. aporen; be- proof, staaltje. aparen; veeschoonen (from); ontberen, n,).asen; v. Specious lapi'sjua), a. —ly, ad. oogenschiinlijk, n. sparer); spaacz3am zijn;zich onthouden (foot,. schoonschijnend. —wens, s. schijr, glimp; echoon-ness, s. magerheid, mehrattliteid. —r, a. apaar- achijnendheid. der. Speck ispek), s. vlekje. v. a. vlekken St ntrIng (speOrioig), a. —1y, rd. aoarzaam; Speckle tapek'kl), s. apatje, apikkeltje. —, v. a. achraal, verschoonend. —fleas, a. spaatzaatniteid; spIkkelen, neignkkelen. schraalheid; orazichtighcid. Spectacle (apek'tikl), a. schouwapel,verfecultig• Spark (apaartti), a. vane; pronktr;minuattr. —ink, --maker, brillen%lijper. —snake, brilalang. —d, a, a. l'achtig, vroolijk; opgescht kt. gehriid. —s, pl. brit; a pair of --, can 1► 11. verapveiden; Speeta tear (spek- tee'tur), s. toeachouwer; beSpark; e (spaaekt). s. conk. v. a. vonkeien, fonkelen, flikkeren ;with ;. —er, a. achouwer. --tress, s.toesebouwater. die glinsterende oogeu heart. —of, a. vonkje, Spectr at (spek'trel), A. itookachtig; spook-. sprznkje. —ing, a. —ingly, no. vonketend, tattle- ( , tur), a. spook, verschijning. —um, . beeld, kienlend, parelend. ingness, s, gevonkel; glanerijk- renbeeld; geatalte. held. Special ear tapek'joe-ler), a. spiegelvormig7 apie• Sparrow (speero), e, munch. --gram zie Aspic. gel-. —ate 1-leer), v. r. peinzen, bespiegellugen ragus.--Actuilc,sperwer. waken; speculeeren (in. on). —ation (-lee'f-jun), a. Sparry (apaaerib), a. spaathachtig. beapiegeltng; speculatie. —ative, a. —at ively, ad. Spasm (*ppm), s. kramp. a. (-le-tic-), beltpiegelend. tbeoretisch. —aloe (-lee➢ rarnpachtig; kramp-; a. kramptitillend middel. s. beschonwer, peinzer; speculant. —um, e. Spat (spet), a. knit (van °eaters); also met een plat spiegel. voorwerp. —, v. n. knit achieten (van °eaters); Speech (spiet4'), s. spraak; tanl; toeapraak; cedetwisten; alga". vocring. § —ify (-i-fe,j).v. n. eene rettevoering hoc. Spath (*peel li), s. bioenischewlde.—ic(speth'ikli den. —less, a. aprakeloos. —leanness, a, bprakelcos• a. schilferachttg. held. Spatial. (apee'aji-eet),•• 0. zw. ,,en• Speed (spiee), a. spoed, haest;sneilleidtultkornat, Spatter (speetur), v. a„ beapatten; bekiadden, be- uitslag. at (with) full —, speorsings. eeretwat ken; uitslaan; v. n. apuwen; spatten. —dashes prOn 'plant). (-de"sj-iz), p1. alopkoumen. Speed (aped') [sped], v. a. hespoedigen. vechasa. Spatula (spet'joe- a. spate;. —le (-let), a. s paten; afzenden; uit data wag rumen, bevordereu; telvormig. v, n. Melt ballet.; alagen; amen. --lip, ad. —y., a. SpavIn (spev'in),.. spat. —ed (-ind), a. anatzfek. spoectig, anel. ( 1-nese), s. synod, enelSpawl (apsol),.. speeksel. held. . Spawns (spaon'), a. buil, zaad; gebroed. —, v. a. Spell (spell'), s. betoovering; schoft.(tkid); ploeg voortbrengen; v. u. knit schleten, leggen, telen, (troop). —bound, bstooverd. —word, tooverwoord.

Hoe lang duurt het voordat Blockchain om de transactie te bevestigen


In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]
Enchafe (en-Weer), v. a. tergen. Employ (ea -plot'), s. ambt, werk,bezlgheid.—, Enchain (en-tsjeen't, v. a. ketenen. —er; a. v. a. bezigen, aanwenden; gebruiken; in dienat Enchant (en-tsjaant'), v. a. betooveren. ad. verrukkelijk. —meat, a. hebben. —able, a. bruikbaar. —er, a. gebruiker; toovenaar. —ingly, baas, patroon; lastgever. —ment, a. bezigheid; betoovering. —ress, a. toovenarea. Enchase (en-tsjees'), v. a. invatten; indrijven, ambt, bediening. graveeren; grofachilderen. Empoison (em-porzn), v. a. vergittigen. —er, Encircle (en-suekl), v. a. omringen. s. vergiftiger. —meat, a. vergiftiging. Emporium (em-po'ri-um), s. markt, stapel- Enclos a (en-klooz') v. a. insluiten; omheinen. —mire (-zjoer), a. omhelning; besloten veld; ingeplaate. eloten brief of stub. Empoverish (em-pov'ur-isj), v. a. verarmen. Encoml sat (en-ko'mi-est), a. lofredenaar. —mint, s. verarming. —antic, —astical, (-ea'tik.), a. prijzend, lof toeEmpower (em-pauwittr), v. a. maehtigen. zwaaiend. —um, a. lofted.. Empress (em'press), a. keizerin. inEmprise (em-prajz), a. gewaagde onderneming, Encompass (en-kum'pes), v. a. omringen, sluiten; omwandelen; omzeilen. —meat, a. instout bestaan. sluiting; uitweiding. Empt ter (em'ti-ur), s. lediger. —iness, a. ledir heid; ijdelheid, nietigheid. —ion (em'sjun), a. Encore (eng-koor't, ad. nog tens; bid Encounter (en-ksaun'tur), a. ontmoeting; koop. echermutieling, gevecht. —, v. a. ontmoeten; Empty (em tilt), a. ledig: ijdel; onwetend. —hanhet hoofd bieden; aanvallen; v. n. elkander ontded, met leege handen. —headed, dom. —heart- moeten; handgemeen worden. —er, a. tegened, ongevoelig. —, v. a. ledigen; '(of) bevrijden stander. (berooven) vt.n. to — one's self into, uitloopen Encurage (en-kuri ► dz)), v. a. aanmoedigen, (.iengz), a. bezinksel, grondsop. in. —ings aansporen. —anent a. aanmoediging, aansporing. Empurple (em pur'pl), v. a. purperkieurig ma—r, a. aanmoediger. ken; (with) versieren met. aanmatigen; Empuzzie (e.m-puz'zi), v. a. inl verwarring Encroach ;ea krootert v. n. itch(on. upon). —er, indringen; inbreuk waken op. brengen. a. overweldiger; die inbreuk maakt. —meat, a. Emapyre al (em-pir'i-el),'—an (ook: em-pie-ri'en), inbreukmaking; aanrnatiging. a. hemelsch; zuiver. (ook: ri'en), a. hoogEncumber (en-kumibur), v. a. belemmeren; ete hernel. bezwaren. —brance (-bream), a. belemmering; Emula to (emloe-leet), v. a. wedijveren met; beslommering; overtollig bijvoegsel. nastreven, nabontsen. —tion (-lee'ajun), a. wedijvering, nastreving. (-le-tiv ), R. wedijve- Encyclical (en-siklikl), a. rondgaand. —epistle, rondgAande brief. rend, naatrevend. —tor, s. mededinger. nastrever. Encyciope ella (en-saj-klo-pi'di- e), a. algemeen Emutgent (e murdzjent), uitmelkend. Emulous (em'joe-lus), a. naijverig (of, op). — ly, woordenboek; encyclopedia. —dian (-pi'di-e.), —die, —dical, (-ped'ik-), a. eneyelopedisch. ad. naijveng. Emulsion (e mursjun), s. olieachtige, ver- Encyhted (en-sist'id), a. in een' zak bealoten. to zachtende drank. —sive, a. verzacbtend, melk- End (end'), s. einde; oogmerk, doel. to no—,ten vergeefa. on —, overeind. to the — that, achtig. einde; opdat. to be at one's wit's —, ten einde Ensuuctory (e-munk'tur-rih), a. afseheidingssteeds op , — rand zijn. to be all for one's Omen klier. eigen voordeel bedacht zijn. to make both —s Enable (en-eebl'), v. a. in stoat stellen. meet, de tering near de nering zetten. —all, a. Enact (en-ekt'), v. a. verordenen, vaststellen. besluit. —, v. a. & n. eindigen. all is well that —went, s. verordening. —or, a. wetsuitvaardiger. —s well, eind goed, al goed. Enallage (en-el'iidzj), woordverandering. besehadigen. Enambush (en-em'boesj), v. a. in hinderlaag Endaniago (en-dem'idzp, v. a.a, Endanger (en deen!dsjur), v. in gevaar brenleggen. gen. Enamel (en-em'el), a. brandverf; brandschllEndear (en-diet') v. a. bemind maken. —meat, derv.- erk; vergiaassel; 6mail. —, v. a. branda. geheehtheid; lief boozing. schilderen, 6 ► ailleeren. —ler, a. brandschilder. v. a. beEnamour, Enamor (en-em'ur), v. a. verliefd Endeavor (en-dev'ur), a. posing. —,naar). —er, proeven; v. n. pages, traehten (after, maken. s. beproever; trachter. ]narration (en-er-ree'sjun), a. omstandig verEndecagou (en-dek'e-gon), e. elf hoek. heal. —ices( -demlk-), Endem ial (en die'mi-el), Ennrthrosis (en-er-thru'ais), a. gelidvoeging. a. inheemach. Enatation (en-e-tee'sjen), a. ontzwemming. Endenizen (en-den'itn), v. a. naturaliseeren. Enate (e-neet'), a. uitgroeiend. Ending (endleng), a. besluit, Encage (en-keetizr), v. a. opeluiten. Endive (en'div), a. andijvie. Encamp (en-kemp'), v. a. & n. Iegeren. —anent, Endless (endless), a. —ly, ad. eindeloos. —ness, s. legering; legerplaats. s. eindeloosheid. a. Encaustic (en-kaos'tik), a. ingebrand. End long (endlong), ad. reehtuit, overlangs, (bet) brand- (was-) acbilderen. —most, (-moost), a. verat, niterat. Enenve (en-keev') v. a. in een' boil verbergen; Endow (en-dauw'), v. a. begiftigen: toerusten. it een' keleer bergen.
HAL. worn out, second-hand, —matte., mid-Lent. —wee, half- way. —tund, side-wind. —luster, half-sister, step-sister. —je. o. halt'. o. do two. hallelujah. Iles rn, halm; strew, stalk, blade. —icecap, joint. —steel —,trod, stalk, stem. Hafts, rn. neck, throat; tack ; simpleton, dance. — over kop, headlong, precipitately. zich op den halen, to incur, to bring upon one's self. zich vats den — scheiven, to rid one's self of. an& — breopen, to kill. ont komen., to perish. am den — — band, vallen, to embrace. —gfs'er, juguler collar. —heel, ohnckie for the neck. —hoord)e, — brekend, perilous, break-neck. — dock, neck-handkerchier, neck-cloth. — peeling, criminal pro,ecution. — gereeht, crimi•al, court, penal judicatnre. — ijser, iron collar, pillory. —hole., neckehein. —klamp. Chesty tree. —klier, jugular gland. kraail, eollar, ruff, partlet,cepe, gorget.—kwane, dew-lep. —misdaad, capital crime. —recht, power over life and deeth. --reciter, criminal judge. — sieraart, neck-ornament, coreanet, ouch, brooch. — starrig, be. & bw. obstinats (-ly), headstrong (-ly).—atarrigheid,obstinacy.stubbornnese.—straf,

Wat is de tijd van de dag is het beste om cryptogeld kopen


VOlgend. —lively ad. aohtereenvolgeue.—iveness peed. —an, s. wiNseehop. (-geet), v. n. a. on , 00repoedig, misiukt. stenimen; (with) tnstemmen met. —e ( trid.j), —or, a. opvolger; nazaat. stem,goedkeuring; voor beds. Sucelduous (auk.sidlne-ut), a. wagerieud. Suiffuntists to (eaf-fjos'inl.geet), v. a. berooken. Succiferoue )auk-alf'ur.us), a. saprijk. —tion a. berooking. Succinct (auk elugke), a. —4, ad. bekuopt. Saints a (suf.fjoez'), v. a. overgieten, oveedeks. beknoptheld. ken (wit/a). —ion (-tjos'aiun), a. overgieting„ overSuccor (euk'kur), a. hulp. bijstand. —, v. a. dekkiug; waas, schaaturood. helpen, bjjataan. —er, s. helper, —is a. hub- Suga- (sjoe'gur). a — of lead ,lboclauiktr. pelooe. —y, elehoree. baker, suikerbakker. —barley, aerate:mike, Stsece.bus (euk'kjoe-bus), a. dronnbee nacht. —basin, sulkerpot. —boiler. eulkorketel. —box, merrie. —dieh, enikerdoos. --candy, kaudijaulker. —cane, Succalen ce (suk'kjoe-leng), --cy, a. a. pigheid. autPerrlet. —house, suikerkokerti. —ladle, schen-t, a. eappig. lepel. —loaf, snikerbrood. —maple, auiker aStaeeumb (suk-kumb'), v. n. bezwijken .). horn. —mill, euikerinolen. sulkervorm. Succueva Lion (auk.kus-see'Njun), a. d at. —ion —nipper., —tongs, pl. Nuikertang. —pan, sulker(-kuerun), echudding, eehok. pan. —pea, suikererwt. —plum, Mein sulkergeSuch (anttj), a. & pr. sulk, zoo, — a ball (mutejes, bruidaulkers, one, die en die. — an, zij die. — are, bijcoor- riet. —refiner, suikerralinadadr. —refinery, mutbeeld. — like, dergelijke. kereatinadertj. —shell, yrouwentnunt. —sifter, Suck (euk'), a. (het) zutgen; zog, itnik. to give sulkeratr-offer. —trade, suikerhandel. —works, —, de burnt seven. —fiek„ zutgvisen. —, v. a. pl, suikerfabriek. —, v. a. suikeren, —y, a. suizuigen, inzulgen. —er, a. zuiger: zulgpijp; kerachtig, euikerzoet; van sulker houdend. viseh; echent, ultspruktael; onervarene, coon; Suggest (ang-dzjen'), v. a. ingeven, aangeven, suiplap. —er. v. n. van scheutjes ontdoen. —et Inblazen, aan de hand geven, vooralaan. —er, a. (.1t), a. bulletin, klontje (van saluerwerk). — jag. ingever, inblazer, aanrader. (-fun), a. ins• het zalgen; —bop, zulgpopje; —bottle, :tag- blazing, wenk. —ive, a. (of) inblazend, eon' wenk iiesch; —pig, speenvarken; inhoudend. zubCP..P• Sueki a (suk'kl), v. a. zogen. —lag, a. zuigeting; tataleld 1.11 (sjoe-i-eafdel), a. van den selfinoord. znigendiong. —e (sjoe'i said), a. zelftnoordizelfmoordenaar. Suction (suk'ejun),a. untiring. Stilt (sioet)), a. stel; pak kleeren; reeks; kleur, Sudat ion (tine-dee'ajun), a. zweetinst. —ory roam (In 't kaertepell; gevoig, Wet; verzoek, (siotede-tur•rih), a. zweetend; meet•; s. zn- set- verzoekachrift; aanzoek; recbtsgedlrg, prates, bad; broeikas. —, v. a. (doen) pawn; kleeden; voegen, betaSudden (and'dn), a. plotaeling, onverwacht. —, men; gelegen komew inrIchten, schikken, (to); a. on (of) a —, ploteeling. eenaklapN. —1y, ad. v. n. overeenkomen, panen (fo);overeehatemmen plotsellng. eensklaps. --neat, a. (het) ploteelinge, (with). —able, a. —ably, ad. paseend, voegzaana; on verwachte. overeenkometig, (to). —Ableness, a. gepaetheid, geSudorific (sjoe•dur-it'lk), a. zweetdrijvend. schiktheid. a. zweetmiddel. Suite (ewiet), a. gevoig,stoet; reeks, rtj. Scads (eadz),.. pl. zeepeop. in the —, in do klem, Suit or (sioet'ur), a. Nerzoeker; vrijer. —rena in het nauw. (-resal,s. verzoeltster. Sue (ajoe'), v. a. in reehten vervolgen; (out) uit Sulcate (eul'ket), (-kee-tid), a. net 'loran, werken, verkrkjgen; v. n. verzoeken, aauhouden gsgroefd. (for, ow). Sulk (sulk'). v. n. mokken, pruilen. —ily, ad. Suet (sjoe'it)„ a. niervet, reuzel, talk. —y, a. reu- —y, a, ge,eelijk, pruilend, mokkend. -tacos (-Izelig, tilkachtig. noun), a. gemeltjlcheid, pruiling, mokking. —e, pl. Suffer (armor), v. a. lijden (§y. from. with); uit- kwade luim. staan, dalden, verdragen, toelecan; v. r Itiden; Sullen (sul'In), a. --ty, ad. gernelijk, kuorrig, (for) boeten 'tool% —able, a. — ably, ad. dratel(jk, norech; boosaardIg; somber; treurig. droevig; —ablenese, a. lfjdelijkheid. ---ance, s. weerbarstig. —nest, a. knorrigheld, norschheld; Iiiden; geduld; toelating. — er,e, ilider; gedonger. eomberneid; weerbaretigheid. —1 (eul'inz), pl. toelater. — lag, e. Alden, pUn; Ilidtaamheid; toe - gemelkjkheld., kwadeluira. bating. Sally (suriih), a. smut, vlek. v. 8,. bevlekken, Suffice ieuf-fajz), v. a. voldoen, bevredtgen; (with) besoedelen. verechaffen; v. n. voldoende(toerelkend) zij a ( for) Sulphate (turret), a. zwavelzuur zout, Sufilletera Cy Ieuftisr-en-sib,, a. genoegzeateheld, Sulphur (sullur), a. aware!. —ate (-eat), v. a. toereikendheid; geachlittheid; eigenwaau. —t, a zwavelen. --ution (-ee'Njun), a. zeaveling. —eoue —fly, ad. genoegzaam, toereikend (for); geAchikt. (-fioe'ri-us), —one, —y, a. zwAvelig; zwavelachtig. bevcegd (for. to). —soueaese (•fjoel-ri-ue.), e. zwaveligheid; zwaStafflx (Nutlike), a. achtervoegsel. (-tike'), v. a. vrlachtigheid. —e (•fjoar), —et (-fjoe.ret),s. zwaachter aanhechteu. Tel verbinding. —is acid, z wavalrener. Sultana t• (autlo.keet), v. a, doen stikken.rno , Sultan (toti'teu), a. sultan. —a (-tee'ne), —ach e. ran. —lion (-kee'ejun), a. veratikking. —five, a eultane. veratikkend. loess (turtri-neaa), a. zwosIbeld; moor. einerrag am (3yr/re gen), A. ondergeschihi, he Suite. hitte. —y, a. renal, brandend heat. a. opvolging. —lets,
Monopol 1st (mo-nop'o-list), —izer (-lajz'ur), droomerig, druiloorig bijziende. s. alleen-handelaar„ opkooper. (-lajz), v. a. I —ing, —ish, a. droomcrig, stomp. —ishness., a. opkoopen; aan zich trekken; v. n. alleenhandel j droomerigheid, druiloorigheid. drijven. —y, a. aileenhandel- Mop pet (mop'plt, —sey (-sib), R. pop, popje. Monosperntous (mon-o-sguemus), a. Unzadig.; norms (mo'pus), a. drailoor, droomer. Allossontich (mon'o-stik), s, 66nregelig vers. Moral (mor'el), a. zedeniter. —, a. —ly, ad. zeMontsaylItt bic (mon-o.sil-lch'ic), a.; delijk, deugdz.uam. —lit, s. zedenmtester. —ity
AFS.—AFW. 391 Afatutven„ on. w. to fly off; to rush out of. Atvaren, on. w. to break off (by tailing agoinst); Afoturen,ov.w. to steer off; to despatch. on. w. to depart, to go off ; to go down. Afoul/en, on. w. to slide (to slip) down. Along en, ov. w to wipe (off). —er, m. wiper. Alta/Le/en, ov. w. Zie Onttokelen. Afverg en, ov. w. to require to eruct (from! --er, m. exatiter. —ing, v. requiettion, exAfteepp en, ov. w. to draw off; to bottle; to action. tap; to drain ; blued —, to let blood, to bleed. —er, m. tapper. —ing, v. drawing off; tapping; Afverven, ov. w. to paint entirely; on. w, to bloodeletting. lose its color, to lode, to dye, to stain. Afteeken ear, m. delineator, eketcher. —en. on. AfvUt en, ov. W. to file (off). —er„ m. flier. —eel. o. w. to sign; to mark out; to draw, to delineate, on. w. to flay —, to strip (off). to sketch. —into v. signing•; marking; drawing, Atvisechen, ov. w. to empty by fibbing; to Skim. delineation, sketch. Aftellen, on. w. to tell apart, — off, to count out. Afvtelen, on. w. to obtain oy dattery. ArvIllegen, on. w. to fly off, — down. ov. w. to lift (to twice) off. Afvlieten. on. w. to flow (to run) down Aftlppen, ran. w. to point off, to nib. Aftoblben, on. w. to tire out, to harass. sic.% —, Af vtUrnen, ov. w. to cut off, — away. to drudgo, to slave. Afvtoet en, on. w. to flow down. —ing, o. flowing down. Aftocht, m. retreat, marching off. Atvotor, m. conveyance, transport. —en, on. w. Alfloncoen, on. w. to set buoys along. Aftoomen, on. w. to unbridle, to unbit. to carry off, — down, to lead off, — away, to Aftoppen, on. w. to top, to lop. convey; to transport; to abduct; to deterge, to expel. —end, by. detergent, excretory. --ing. v. Aftornen, ov. w. to uniew, to rip off, — up. carrying off, — down; abdocnon; abetereioo. Aftonwen, on. w. to bang, to drub, to rib-roast. Aftrappen, on. w. to kick down, — off. Atvorder en, ov. w. to require —, to exact (from); rekening —, to call to account. —ing, v. demand, m. descent, step. —en, ay. w. to kick exaction. off; to pace, to measure by poesy ; on. w. to descend; to walk (to step) down, to step off, to Atvrag en on. w. to ask (ot ), to Interrogate. —ing, v. interrogation. deviate (from); to leave, to go away, to reatgn, to make one 's exit. —ing, v. pacing; exit; de- At vreten, ov. yr. to eat off, to knapple, to browse. Aterleeen, or. w. to freeze off, to ba bitten off viation; rerigration. by cold. Afreek, m. deduction, abatement; salt, demand. —ken, on. w. to draw (to pull) off; to withdraw; Afvuren, or. w. to fire (off) to discharge. to divert, to turn off; to strip, to day; to deduct; Afvvonlen. ov. & on. w. to blow off, — down. to subtract; to bottle; to infuse, to make an ex Afavaarts, bw. downward. traction of; to discharge: on. w. to go away, to Afweiebt en, on. W. to wait (to stay) to,, to a, lift; to abide. —ing, v. expectation. depart, to withdraw ; to retire, to rotreot, to march off. —ker, m. trigger; eubtracter. —king. Atvitiken (Meta), t. w. to fatigue one 'a self by watching or Rifting up. v. drawing off; deduction; subtraction. —eel, o. Alwatten, on. w. to , wall (to fence) in, to extract, decoction. secure. Aftroeven, ov. w. to trump; to give (R. .) a, tart reply. Alweandelen, on. ay. to walk to the fold of; on. Aftroggelen„ ov. ve. to obtain by coaxing, to w. to come (to walk) down, to descend. Aftveseth en, on. w. to wash. — off, — away. wheedle (a. o.) out of. —ing, v. washing off, lotion, ablution. Aftronornelen, on. w, to proclaim by the beatAfsvietee •-n, ov. w, to drain; on. w. to flow off. ing of drums. y. flowing off; drainage, draining. Aftrompetten, ov. w. to proclaim by sound of Afweok en, , an. W. to loosen by soaking; or. w. trumpet. to fail off. — lag. v. waking. Attroonen, on. w. to obtain by flattery; to draw Afweer der, m. —ster, v. repeller, repulser. off (to divest) from. Afweg, no. by - Way, way about, side way. np — en Aftnigen, ov. w. to unharness. geraken, to take oad cower,. Aftuitnelen, on., Yr. to tumble down. Afwmardig en, ov. w. to deepatch,i.a depute, to Afweg enc, on. w. to weigh; to adjust, to meta.• delegate. —er, m, despatcher, conatituent. —ing, tore. —er, m. weigher. —tog, v, weighing; adjuoting, measuring. v. despatching, delegation. Afweld en, or. w. to grate off, to browse; on. Afvenrt, v. vetting out, departure. w. to digress. v • digression. Afwal, m, falling off, — down; windfall; refuse, waste, trash, rubbish; offal, garbage, giblets; Afevend en, ov. w. to turn off. — *Ode; to avert, shavings, parings, clippingo, orts, dirt ; deflec- to divert; to parry. —ing, v. diversion. tion; forsaking, defection, desertion, Apostasy. Atwell.' en. ov. w. to dieaccuetom --, to deuce /.0m,, to brook of; to wean. --ing, v. diemige, —len, on- w. to fall off, — down; to grow thin, breaking ol; wooing to decay, to decrease, to decline; to deflect; to contrast (with), to differ (from); to apostatize, At wentel nsa, ov. w. to roll off, — dawn. —ing, v. rolling off, — down. (ran) to forsake, to desert. —lig, by. disloyal, unfaithful, apostatical; worden, to turn apos- Afovo,r en, ov. w. to wart off, to parry; to aver), tate. —ige, m. & v. apostate, renegade. big, v. a rAllk; off, por.ying; to prevent. v. disloyalty, apostaey.
( - najn), a. zwaarmoedig, droefgeesti ,Z , Satyr (see'tur), s. boscbgod, eater. — ion (se-tir'-iknaapjeekruid. boat, San.. , anon'), s. anus; onbescbaamdheid. — sauskommetie. —box,onbeschsamde vlegel. —pan, saaspan, -born. —, v. a. sausen, kruiden —r, s. schateltje; sauskom; --eye, groot oog, haltsoog. Sauce Wean (aao'si-ness), a. onbeschaamdbold. —Up, ad —y, a. onbeschaamd. Saunders- :?itutrecilurz), is. — wood, zie Sandalwood. Saunter (saan'tur),v. n.slenteren, ronddrentelrn. — er, s. larterfanter, straatslillier• Sauria n (sao'ri-en), a. hagedis. Sausage (sso'sidzj, aes'idzj). s, sauclijs. Savage (sev'idzj), a. — ly, wild. wrest, wreed. a. vvildheid,woestheld, wilde. — noes, wreedheid. S1,4111110 (se-ven'ne), s. savanna, illig.teekt grasvlakte. Save (seev'), ad. & prp. behalve; beholAdals. — , v. a. redden (from), behouden beware':; besparen; v. n. sparen, bezuinigen. — ill, a. profljter. —r, a. redder. verlosser; opgaarder; beznintger. Stavin (sev'in), s. zevenboom, Saving (seevierig), a. — /y, ad. spAarzaarn, zuintg (of); reddend. — , ad. tilt prp. behalve; behoudena.
(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.
Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.

Kun je af te schrijven bitcoin verliezen


atoffelijk. —punishment, liiistraf. —,s. korporaal; Cordelier (kor-de tier), s minilerbroede, Cordial (kor'di. el), a. harisierkund, tiartelijk. i iniadoek. —ity (kor-po-rel%), s. lichamelijklield; e.' stoffelijkheid. —, hartsterkend raiddet. —ity (-6'11 hartelbkheid. —ly, ad. on harte. --ness, B. bar- Corpora te (kor'po-ret), a. —tety, ad. ingelijrd. —teness, a. saamverbondenheid. —tion (-ree'ajun), telijkbeid. a. genootachap; gild; gemeenteraad. Cordon (kor'don), a. munrweik, cordon. Corpore al (kor-po'ri-el), a. —ally, ad. lichameCordovan (kor'do-ven), a. Zie Cordwain. liehamelijklijk, stoifelipc. —ity —road, Corduroy (kor'djoe-roj), a. bombazijn. § held, stoffelijkheid. weg van blokjes hoot. Cordwaln (kord'ween), a. spaansch leder. —er, Corposant (kor'po-zent), a. St. Elmusvuur. Corps (koor), a. bende; korps. a. lederbereider; schoenrnaker. Core (koor), R. binnenste, kern; blokhuts; etter. Corpse (korps), a. lijk; romp. Conscious (ko-ri-ee'sjus), a. lederachtig; taai. Corpulen ce (kor'pjoe lens), —cy, s. zwaarlkjvigheid. --C, a. zwaarlijvig. Coriander (ko-ri-en'dur), s. koriander. Corinthian (ko-rtn'thi-en), a. korinthisch. —or- Corpus cie (kor'pua-s1), a. lichaampje; stofa. losbandig deeltje.—etaar(kor-puti'kjoe - ler), —cutortan(-kjoeder, korinthische bouworde. lee'ri-en). a. stofdeeltjes betreffend. menseh. Cork (korle), a. kurkboom; kurk; § kalkoen (aan CorradiatIon(kor-ree-dt-ee'sjun),s. vereeniging eon haeflzer). —, v. a. dichtkurkent § van kal- van atralen in 66n punt. koenen voorzien, scherp zetten. —ing-pin, ha- Correct (kur-rekt'), a. —ly, ad. nauwkeurig, kerspeld; paknaald. —screw, kurketrekker. —tree, joist. —, v. a. verbeteren; kastijdpn. —ion (-rek' t,jun), a. verbetering ; berisping; kastijding. kurkboom. —y, a. kurkachtig; kurken. —tone, a. verbeterend. --ice, a. verbeterengi; s. Cormorant (kor'mo-rent), a. zeeraaf; vraat. Corn (korn'), a. koren, groan; korrel; likdoorn; verbeteringsmiddel. —ness, a. juistheid, nauwmats. —, v. a. korrelen; pekelen. —beef, pekel- keurigheid. —or, a. verbeteraar; tuchtiger; corvleesch. akkerwinde. —bottle, koreribloem. rector. —chandler, korenkooper. 4 —cracker, scheld»aarn Correia te (kor-re-feet'), v. n. eene wederkeerige your Kentuckter. —cutter, likdoornsnUder.§ —dad- betrekking hebben. —tion elee'sjuni, 8. wederger, soort van koek. —factor, korenmakelaar. zijdsehe betrekking. —field, korenakker. —flag, zwaardlelie. —floor, Correintive (kur-rere-tic), a. —ly, Rd. wederdorschvloer. —flower, korenbloorn. § —juice, bran- 10.4 betrekkelijk. —ness, s. wederkeerige bedcwijn. —loft, korenzolder. —merchant. koren- trekking. kooper. korenmolen. —poppy, klaproos. Correapon d (kor-re-spond'), v, on. briefwisite-rocket, berth. —salad, veidsaiade. —trade, graan- sing voeren; overeenkomen met, beantwoorden ran, (to. with). —deuce, —dency, s. briefwtsseling; handel. korenwaRg- overeenstemming. —dent, a. —dimity, ad. overCornea (koeni-e), s. hoornvlies. eenstemmend —dent, a. correspondent. —sire., Cornel (kor'n11), a. kornoeljeboom. a. overeenkomstig. Cornelian (kor-nle'li en), a. kornalijn. Corridor (kor'ri-door), s. gang, galerij. Cornernuse (korn'mjoes), a. herdersfluit, Corrigible (kor'rid-zjibl), a- verbeterlijk, straf. Corneous (kor'ni-us), a. hoornachtig. Corner (kor'nur), a. hook. —house, hoekli uis. —tile, boar. noknan. —tooth, hoektand. —wise, overhoeks. Corrival (kor-raj'vel), a. mededinger, -minnaar. —ed, a. gehoekt. 4 — , v. a. in het nauw brengen. —ry, s. raededinging. Cornet (kor'nit), a. boron; peperhuis; vaandrig; Corrivation (kor-r-vee'sjun), s. samenvloeiing. Corrobora nt (kor-rob'o-rent), R. versterkend. hoof. —cy, s. rang van kornet. (-ree' Cornice (koenis), a. kroonlijst. —te, v. a. veraterken, bevestigen. sjun), a. bevestiging; versterking. —tire, a. verCornicie (koentkl), a. horentje. Corniculaie (kor-nik'joe-let), a. horenvormig; sterkend; bevestigend. Corro de (kor.rood'), v. a. wegknagen; invregehoornd. Corniforni (kor'ni-form), a. horenvormtg. ten. —dent, a. wegknogend; invretend; a. bkitmiddel. -dibilily (kor-ro-di-bil'-), 8. vatbaarheid Cornigerous (koe.nid'zjur.ue), a, gehorend. voor invrettng. --dible (kor-ro'dibl), a. vatbaRr Corona te (kor-njoet'), v. a. horens opzetten, tot voor invrettng —sion (. ro'sjun), s, wegvreting. horendrager maken. —to (-njoe' to), H. horengl rager. —sive, a. —nicely, ad. (-ro'etv-), wretend; kwelCorny (kor'nih), a. horenachtig; gekorreld; groan- rijk; sterk, koppig. lend. —sive, a. bijtmiddel. --saneness, a. bijtendCorolla (ko-rolle), a. kreontje (eener bloem). heid, scherpheid. Corollary (koeul-le-rih), a. gevolgtrekking; toe- Comma nt (kor'rjoe gent), a. rimpelend. —te gift. (-get), R. gerirnpeld. —te (-:feet), v. a. rimpelen. Corona (ko-ro'ne), a. kroonlijst. —I, a. kroon, —tion (-gee'sjun), a. rimpeling. v. a, krona; R. tot de kruin hehoorend. --ry (kor'o- Corrupt (kor-rupt'), a. beglorven, snood. bederven; omkoopen; v. n. bederven, no-rib), a. eene kroon betreffend. —ry-vein, R. kroonader. —ry-artery, kroonslagader. —tion (kor- bederver; omkooper. a. kroning. ness, a. vatbasrheid voor bederf, voor omkooad. aan bederf onderheCoroner (koeo-nor), 8. lijkschouwer. ping, Coronet (kor'n-net). a. kraontje; hoofdsieraad. vig; voor omkooping vatbaar. —ion ( rup'sjun), Corporal (kor'pa-rel), a. —ly, ad. liehamelijk, s. bederf; verdorvenheid; omkooping; ettering.
adulteress. —breken to commit adultery. .—brekor, adulterer. —trestle, adultery. —genoot, m. husband. consort v. wife, lady, spouse. —keels, nuptial bed, —acheiden, to divorce. —seheiding, divorce. —ataat, married state, matrimony. —verbintettie, —vereeniginge marriage. —ebed, nuptial bed. —*Roden, married people, hu.iband and wife. —elijk, be. ik bw. conjugal (-IA; lawful (-1y),

Studies have discussed issues related to the selection into the programme and the representativeness of the participants. Some studies have raised doubts about the inclusiveness of the programme, by socio-economic background, level of study, or academic performance. Thus, one study analyses the financial issues and family background of Erasmus students, showing that despite the fact that access to the programme has been moderately widened, there are still important socio-economic barriers to participation in the programme.[19] Another study uncovered what seems to be an adverse self-selection of Erasmus students based on their prior academic performance, with higher-performing students less likely to participate than lower-performing ones. However, this case was based on a number of four hundred graduates in a Spanish university only.[20] Inversely, one study looking in details at French and Italian students found that the primary predictor of participation to Erasmus was students' prior academic records, not the occupation of their parents.[21]


E IN it. —E Enravish (en-rev'isj), v. a. verrukkeu. —meet, Enthrone (en-thmone), v. a. op een' troon zetten. s. verrukking. Enregleter (en red'zjis-tur), v. a. inschrijven; Enthuslas m (en-thioe'zi-ezm), s. geestdrift. inboeken. —t (-est), s. ilveraar; geestdrijver. —tic, —tical, Enrich (en-titan, v. a. verrijken; vruchtbaar (-wank.), a. ijverend, hartstochtelijk; geestdrij , vend. maken. —er, s. verrijker. —menu, a. verrijking. Entic e (en.tajs'), v. a. verlokken,verleideia; aanEnridge (en-ridzr), v. a. met voren maken. trekkers. —ement, s. verleiding; aasloksel. —er, Enripen (en-raj'pn), v. a. rijp maken. s. verleider. —ingly, ad. verleidelijk. Enrobe (en-rook'), v. a. kleeden; tooien. Enroll (en-rcol'), v. a. inschrijven; sanwerven; Entire (en-tajr'), a. geheel, volkomen; oprecht; inrollen. — one's self a soldier, diesst nemen. getrouw. —1y, a. geheel. —nese, s. geheelbeid; —er, s. inschrijeer; werver. —ment, s. inschrij- rechtschapenheid. —ty, s. geheelheid; volkoEmenheid. —horse, s. henget. ving; aanwerving; register; rol. ntitative (eneti-te-tiv), a. op zich self beEnroot (en-roet'), v. a. doers wortelen. Ensanguine (en-seng'gwin), v. a. met bloed schouwd. Entitle (en-taj'tl), v. a. betitelen; benoemen; besmeren. Enschedulc (en-skedejoel), v.' a. iu eene reel gerechtigd maken. Entity (en'tit-tih), s. zijn; wezen; aanwezen. inlasechen. Ensconce (en-skone"), v. a. omsehansen; be- E \natnogieln. (en-tojle), v. a. omstrikken, in een' strik schutten. n,tgonva il4 (. en-toem'), v. a. begraven. —meet, s. E bra Ensearn (en-sierra'), v. a. cosines, omzoomen. Ensear (en-stern, v. a. dichtschroeien. Entomolog 1st (en-to-mol'ud-zjist), insectenEnshield (en-sjield'), v, a. beschermen. l E Enshrine (en- sjrajn"), v. a. zorgv uldi g (ale lets ntetnrnaeirl..—( !e/n(,-,zrjeitz)), , iinnegeec,teannkduennd. e. heilige) bewaren. ey't intrede; toegang; Enshroud (en-sjraude), v. a. in een lijkkleed Ebnetgrin.ance(nen —money, e-geld. hullers. Entrance (en-traans'), v. a. verrukken. Ensiform (en'si form), a. zwnardvormig. Ensign (en'sajn), s. vaandel; vaandrig; onder- Entrap (en-trep'), v. a. vangen. scheidingeteeken. —bearer, vaandeldrager. --cif Entreat (en-triet'), v. a. bidden, smeeken; v. n. • een verzoek aanbieden. —er, s. bidder, emee(en'sin•sih), s. vaandrigcehap. Enslave (en-sleeve), v. a. tot slavernij brengen. ker. —ingly, ad. —ite, a. biddend, emeekend. —meet, s. verslaving; clavernij. —r, s. nor- E;ter, tde., (sareerkeininge..,), s. tueschengerecht. drukker. Ensnare (en sneer'), v. a. verstrikken, ver- Entrepot (an-tre-po'), s. goederen-magazijn. Entry (en'trih), s. ingang; intocht; backing; sehalken. Ensnarl (en-sonar!'), v. a. [very arren, In ver- aangifte. Enuclea te (e-njoe'kli-eet), v. a. ontwarren. legenheid brengen. —tion (-ee'sjuu), 8. ontwarring. Ensue (en-s)oe'), v. a. volgen, vervolgen; v. n. E,numera te (e-njoe , mur-eet), v. a. optellen. volgen, voortvloeien. (-ee'sjun), a. optelling. —tire, a. oplettend. Ensure. etc. Zip Insure, etc. Entablature (en-tebele-tjoer), s. zeiltop; dek- Enuncia te (e-nun'sji-eet), v. a. verklaren; uiten; aankondigen. —tion (-ee'sjun), s. verklaring; mestuk; rollaag. Entail (en-teen, s. vastgezet (onvervreemdbaar) dedeeling; uitdrukking, voordracht. —tire, a. erfeoed; ingelegd werk, snijwerk. —, v. a. be- —tively, ad. (-e-tiv-), te kennen gevend. —tory palingen maken omtrent den overgang van een (-e-tur-). a. uitend, verklarend. erfgoed; inleggen, insnijden; opleggen (on upon). Envelop (en-vel'up), s. omslag, oinkleeding. —, v. a. ontwikkelen, inwikkelen. —went, s. inwikEntnme (en-teem'), v. a. tenamen. Entangle, ten-teng'g1), v. a. verwarren; inwik- keling; verwikkeling. kelen; in verlegenheid brengen. —ment, s. ver- Eavelope (an-ve-loop', en'veloop), s. brietomwikkeling; verwnrring; kwelling. —r, a. ver- slag; omkleedscl. Envenom (en-ven'um), v. a. vergiftigen; verbitetrikker. teren. Enter (en'tur), v. A. intreden, inkomen; Ran- geven; inboeken; inwijden; v. n. binnenkomeu; Envi able (enevi-ibl), a. benijdenswaardig. —er, s. benijder. —ou8, a.—ouay, ad.nijdig,afgunatig. (into) treden in; (upon) beginnen, aanvaarden. —ing P. ingang; begin; —ladder, staatsie-trap. Environ (en-vaj'run), v. a. omringen. —a, (enEnter° cele (en-tereo-siel), s. liesbreuk. —logy vaj'runz, enevi-ronz), s. omstreken. (-tur-ol'ud-zjih), s. beschrijving der ingewan- Envoy (en'voj), s. afgevaardigde, gez-ant. Envy (enevih), s. nijd, wangunst. —,v. a. benijden. den. omsluiten. Enterprise (en'tur-prejz), s. onderneming. V. a. ondernemen. ondernemer• s. epacta. Entertain (en-tur-teen'), v. a. onderhouden; ver- Epact a. onderhcuEpaulement (e-paorment), s. borstwering. —er, oaken; onthalen; koesteren. der; onthaler. —ing, a. —ingly, Rd. onderhou- Epaulet (ep'ao-lit), a. epaulet. dend, vermakelijk. —meat, a. onderhoud; ont- Ephenser a (e-fem'e-re), s. tindaagsche koorts; haft. - al, —ic, a. tendaagsch; kortstondig. —an, bss1; vermakelijkheid.
61 URE.—CRO Croceous (kro'sjus), a. saffraangeel; van saffraall• Cress (kresm), ki kers. Cresset (kres'sit), a. vuurbaak; toorts; bakenvuur. Crock (krok'), a. kruik, pot; potzwart. —butter, gezouten boter. —er, o. roudventer. --y, a. beCrest (krest"), a. kuif; helmpluim, helntsieraad; rookt, roetig, hanekam; fierneid. —ed, a. gekamd, gepluimd, gekuifd. —fallen, a. moedelooa. —less, a. zon- Crockery (krok'ur-rib), a aardewerk. der kam, toot of wapen; gering. Crocodile (krok'o-d11), a. krokodil. Cretaceous (kri-tee'sjus), a. krijtachtig; krijt- Crocus (kro'kus), a. krokus; saffraan. houdend. Croft (kroft), s. besloten veld; erf. Crevice (krevls), a. spleet, scheur. —, v. a. Croises (krorsiz), a. kruisvaarders. Crone (kroon), s. oude not; oud wkif. splijteu, doen bersten. Cronet (kro'nit), s.thaar, dat bij den paardenhoef Crew (kroe), a. scheepsvolk; troep, ploeg. groeit, kroon. Crewel (kroe'il), 8. kluwen. Crib (krib'), a. krib; hut; koestal; § ledekant. Crony (kro'nih), s. oud vriend, oude kennis. —biter, kribbebijter. —faced, pokdalig. —hage Crook (kroek'),s. haak;herdersstatkromte.—back, bochel; buttenaar. —backed, gebocheld. —, v. a. t-bidzi), a. zeker kaartapel. —, v. a. opsluiten; krommen, buigen; v. n. krom zijn. —ed, a. —edly, steles; v. n. op stal staan. CrIbble(kribibl), s. korenzeef; grof meet. —bread,' ad. krom, gebagen, seheef; slinksch. —edneas, s. kronaheid; gebocheldheid; verdorvenheid. grof brood. —, v. a. ziften. Crick (krik), s. gekraak (van eene deur);stijve hats. 1 Croop (kroep), s. keelziekte. Cricket (krik'it), s. krekel; loge stoel; soort Crop (krop'), a. krop; top; stomp; oogst. —, v. inzamelen; maaien. —car, 1 R. afkorten, kappen; van kolfspel. —er, a. cricket-speler 1 kortoor. —eared, met gekapte ooren. —fat, prop. Crier (kraj'ur), 8. omroeper; mchreeuwer. door maagoverlading onCrime (kraim'), s. misdeed. —fat, a. misdatlig.' vol, verzadigd. —sick, maagziekte (door overlading). gesteld. —sickness, -less, a. onschuldig. —time, oogsttijd, —whip, voermanszweep. —per Certain al (krim'i-net), a. —ally, ad. misdadig —al, a. misdadiger. —ality (-nel'it-tih), —alness, (-pun), s. kropper (dolt). a. misdadigheid. —ate, v. a. beschuldigen. —ation Crosier (kro'ziur), s. bieschopestaf. (-nee'sjun), a. beschuldiging. —story, a. beachul- Croslet (kros'lit), a. kruisje; haarband. Cross (krom'). a. kruis; droefheld, lijden. —and digend. pile, kruis en munt. to creep to the —, zieh onCrImosIn (krim'zin), a. Zie Crimson. Crimp (krimp), a. broos, brokkelig; zwak. —, derwerpen. —aisle, zijvleugel (Pener kruiskerk). a. ronselaar; agent voor kolenhandelaars. —, , —armed, met gekruiste armen, werkeloos. —bar, v. a. krullen, friseeren;' krimp snijden; ronselen• dwarahout; kruim (van een venster); zwieping. dwarabalk.—bilt, Crimple (krim'pl), v. a. (taken) krimpen. (up) —bar shot, atangkogel. —beam, —bite, a. valstrik, kronkelen. kruisbek (vogel); tegenklacht. Crimson (krim'zn), a. karmozijn. —, a. karmo- bedrog; v. a. bedriegen..—bow, kruisboog. —bowram. zijnItleurlg. —, v. a. rood verven; v. n. blozen. er, kruisboogschutter. —breed, gekruist —cut, Crincum (krink'um), s. kramp, samentrekking; —bun, kruiskoek. —caper, dwarssprong. nub, grit. dwara doorsnijden. —cut-saw, trekzaag. —day, onderzoek door de Cringe (krindzj'(, a. slaafsche buiging; kruipende ongeluksdag. —examination, tegenpartij to hooren; onderzoek door strikvraonderdanigheid. —, v. n. laaghartig vleien; de tegenpartij in verhoor semen; —examine, gen. —r, 8. kruipende vleier. (to). kruipen Cringle (krin'g1), s. ring; oog van een touw. door strikvragen onderzoeken. § —eye, scheel. oog. —flow, in tegenovergestelde richting vloeien. —a, a. leuvers. —.fortune, tegenapoed, wederwaardigheid. —grain. Crinlgerous (kris-id'zjur-us), s. harig. ed, tegen den dread; stuursch. —jack, bree.fok. Crinite (krarnajt), a. haarachtig. —jack-yard, bagijnera. —lane, kruislaan, dwars. Crinkle (kring'kl), a. kronkel. —, v. a. & n. steeg• —legged, met de beenen kruiselings. —line, kronke?en, rimpelen. kruislijn. —marriage, —match, gemengd buwelijk. Crinbilne (krin'o- lin), a. stijve rob; hoepelrok. § —patch, bullebak. —path, kruisweg. —pawls, Cripple (krip'pl), a. kreupel. —, a. kreupele greenen senten. —piece, tiwarastuk. —piece of —, v. a. kreupel makes. the bitts, bettngbalk. —piece of a cleat, balkjein Crisis (kraj'sis), a. toppunt; crisis. een kruishout. —piece of the head, talkie in 't Crisp (krisp'), a. gekroesd, kronkPlig; broos, brok- galjoen. —pillar, stut . —purpose, mieveretand; kelig, murw; geroost. —, v. a. krullen, vlechten; niet passend antwoord; tegenstrijdig plan; streep bruin roosteni v. n. kronkelen. — a/ion (-pee'sjun), door de rekening —purposes, vraag- en ants.krulling. —ing-iron, —ing-pin, krulijzer. —nes, woordspel. —question, zie —examine. —road, s. kroesheid —y, a. kroes; broos. kruisweg, viersprong. —row, a-b• bock. —seizing, Criterion (kraj-tPri-un), 8. kenteeken, rnamtstaf. kruisbindsel. —staff, graadboog. —tree, dwarmsa. Critic (krit'ik), s. kunstrechter, beoordeelaar; he- —turns, mlagen van kelaar; beoordeeling. —, —a/, a. —ally, Ad. kunst- ling. —trees, kruishouten. —wind, tegenrechterli.jk; zorgvuldig; hoc helijk, netelig. —ise eene kruising. —way, kruisweg. (4-sajz), v. a. & n. beoordeelen; hekelen. —ism wind. —wise, kruiswijze. —wort, kruiswortal. Cross (krom'), a. kruiselingsch, schuinsch,dwars, (-i-shm), a. kritiek, beoordeeling; gimping. averegtsch• tegenstrijdig; eigenzinnig; stuurech. Croak (krook'), a. gekwattk, gekras. —, v. n. kwaken, brasses, rommelen. —er, a. knorrepot; —, v. a. bruiser; met een kruis merken, doorhalen; dwars oversteken; dwareboomen, belemmeongeluksprofeet.
(de-ploor'ibl), a. —ably, at. bekla. jammerlijk. —ablenegs, a. betreurens. waardigheid. (-ploor'), v. a. beweenen, be. jammeren. —er, a. beweener. Deploy (de-ploy), v. a. ontwikkelsn, ontploolen. Deplunt ation (dep-loe-mee'sjun;, a. outvede. riAg. —e (de•ploem , ); v. a. ontvederen. Deponent (de po'nent), a. nederleggend. a. ge. tuige; deponens. D ,pepula he (de poploe-leet), v. a. ontvol.. ken. —tion (-lee s. ontvolking. —tor, a. ontvolker. Deport (de-poort'), v. a. gedragen (one's self). —ation (dep-ur-tee'sjun), e. verbanning. —meat, a. bonding, gedrag. Depos at
Aldus moeten de directeuren-generaal en de diensthoofden de redelijke zekerheid verschaffen dat de middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer (efficiëntie, doeltreffendheid en zuinigheid) en dat het systeem van interne controle de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen waarborgt. eur-lex.europa.eu
Breech (brietej), s. achterate. v. a. in de Brinded (brin'did), a. gestreept, bout. broek steken; voor de broek geven.—es, a. broek. Brindle (brin'd1), a. bontheid. —11, a. gespikkeld, Breed (bried), s. ras, broedsel. bunt. Breed (bried) [bred], v. a. voortbrengen, teleu; Brine (brajn), a. pekel, zilt water, brem. the uitbroeien; opvoeden; iokken. — ill blood, foaming —, de schuimende zee. —pit, zoutwakwaad blued zetten. v. n. jongen werpen; terput. —, v. a. in de pekel leggen. opgroeien. a. fokker. —ing, s. opvoeding; Bring (bring) [brought, (brunt)], v. a. brengen, gebeschaafdlieid. leiden. (about) te weeg brengen. (down) verminBreeze (briez), s. koeltje; weep, brema. —, v. n. deren, verzwakken; vernederen. (down to) doen a. stil. Breezy, a. met —less, zacht waaieu. overeenkomen met. (forth) voortbrengen; verkoeltjes. toouen. (in) leveren; aanvoeren; bedwingen; geBret (bret), s. zeeschol. leiden. — in guilty, schuldig verklaren. ton) can Brethren (bretieren), a. broederen. den gang helpen. (over to) overhalen tot. (out Brevia ry (brie'vje-rihl, s. uittreksel; getijboek. of I helpen uit. (to) bijdrafuen. (up) opvoeden; in-te (-vi-et), a. uittreksel, —te (-vi-eet), v. a. voeren; voor anker leggen. — an action against, verkorten. —titre (-tjoer), a. verkorting, een proces aandoen. — word, bericht brengen. Brevier Ibre-rier'1, a. zekere drukletter. —er, a. brenger. Brevity Ibrev'it-till), s. kortheid. Marin hal braju'isp, —y, a. pekelachtig, tout. Brew (broe), a. brouwsel. —, v. a. & n. brouwen. Brink (brink), a. kant, rand. —age, a. brouwsel. —er, s. brouwer. —ery, s. Brisk (brisk•, a. —ly, ad. levendig, wakker, krach. —house, brouwerij. —ing, a. brouwsel. tig. —, v. a. verlevendigen, aanvureni Briar, ale Brier. s. levendigheid. Bribe (brajb), a. omkooping; steekpenning. —, Brisket tbrif.lr'it), a. borat van ern dier. v, a. omkoopen. —r, a. oinkooper. —ry. a. om- Bristle (bris'1), a. borate!. —, v. it. van bursitis kooping. voorzien; v. n. als borstels overeind staan, —d, Brick (brik), a. baksteen; broodje; vent. —, v. a. Bristly (bris'lih), a. borstelig. met bakateenen houwen. —bat, emir baksteen. Brittle Ibriet1), a. broos. —ness, a. broosheid‘ —built, van baksteen. —dust, steengruis. —kiln, Brine ibrajz), a. paardenvlicg. steenoven. —layer, metselaar. —maker, ateenbak- Broach (brO0t8j), a. spit. —, v. a. aan het spit ker. —wall, steenen muur. —work, inetse1w erk• steken; een vat opateken; te berde brengen. to — Brick In (brik'kl), § —ley (-11h), a. broos, breek- a lie, eene leogen emeden. (up) bijdraaten. —er, boar. a. to berde brenger, uitvinder; bracdspit. Brickol (brik'oll., s. terugsprong van cell': bal. Broad (bread), R. —ly, ad. breed, svijd; grof, —, v. a. & n. door terngstoot raken. plat. —awake, klaar wakker. —axe, etrijdbijl. Bridal (braj'del), a. bruiloft. —, a. tot eene —breasted, breed van borst. —brimmed,breed van bruiloit bel,00rend. rand. —cloth, iijn laken. —day-light, klaarlichte Bride (brajd), a. bruid, —bed, beuidsbed, —cake, dug. —eyed, scherphichtig. —faced, onbeschaaand. bruidekoelf. —chamber, bruidkawer. —greens, —seal, grout zegel. —side, batterijzijdc; voile bruidegom. bruidsjuffer.—man, leijonker. lung; in piano. —sword, slagzwaard. —wise, in —well, tuchthuis. de breedte. —ness, a. breedte. —en, v. a. breed Bridge (bridzj), a. brug; vioolkarn. —, v. a. eene makes; v. n. breed warden. brut; leggen. Brocade (bro-keed'), s. goudlaken. —d, a. geBridle (brardll, a. Loom, teuget. —, v. a. optoo- borduurd. men; beteugelen; v. n. bet hoofd ophouden. Broccoli Ibrok'ko-li), s. spruitkool. Brief (brief), a. opstel: uittreksel, concept; last- Brock (brok), a. dee. a. —ly, ad, be Brocket (brok'it), a. tweejarig Inert. brief; bundel processtukken. knopt, kurt. —ness, s. kortheid. IBrogue(broog),s. houten schoen; platteuitspraak. Brier (braj'or), a. doornetruik. sweet —, eglan- Broil (broji), a. rumoer, twist. —, v. A. & n. tierbezienstruik. to be in —a, in de knoei zijn. roosters. —er, a. rooster; krakeeler. —y, a. doornhaag; a. doornig• Broke (brook), v. u. niakelaardij drkiven. —r, Brig (brig), a. bruit; brik. a. makelaar. —rage, a. makelaardij; courtage. Brigade (bri-geed"), a. brigade. Broken (brookn), part. footed, lam van voeteu. Brigadier (brig-e-dier , ), a. brigadier. —general, —hearted, troostelous, kortademig.—/y, b rigade.generaal. ad. bki sloshes. Briton d (brig'end), a. struikroover. —dupe, a. Bronze (bras), a. brans. —, v. a. bronzes. struikrooverij. —tine (-tajn), s. brigantijn. Brooch (brootej), a. borstspeld. v. a. met Bright (braji), a. —1y, ad. helder, glinsterend; juweelen verger.. glansrijk. —en, v. a. polijsten; v. n. ophelderen. Brood (broed), s. broedsel, krooet. —, v. a. —seas, a. glans, mister. broeien; tot rijpheid brengen; v. n. uitbroeien; Brillian cy (brirjen-sih), a. glans, gloed. —t, peinzen (over). —y, a. broeiach. a. glanzend. —t, a. dfamant. Brook (brook), s. beak. —let (-lit), a. beekje.—, Brim (brim), a. rand, board, karat. —, v. a. tot a. verdragen, dulden. den rand vullen; v. n. boordevol zijn. —ful, a. Broosn (broem), a. hei, brem; bozem. bourdevol. —bier, s. voile roenier. heig rend. —maker, bezernmaker. —rape, metrBriniston es tlaiiin'stoonk s. zwavel. —ed, a. ge- kruid. — stick, bezenistok. —, v, a. echrobbein. a. z ♦ avelachtig. zwaveld. —y, a. v 01 hei.

—er, no person thirty years of age. —jarig,-bv. of thirty years. —mast, bw. thirty times. —ste, bra. thirtieth. —tat, o. (number ot) thirty. Derven, ov. w. to miss, to lack, to be (to do) without. —er, m... deprived, bicker. —ing, v. want, lack, privation. Derwatretn, bw, thither. Dee, 1. of the. —, bw. — to meer, so much the more, the more so. Desirevesolgd, by. competent. Deelbevernot, ho. informed (aware) of it. Desert eaten, on. w. to detect, to run away. —ear, 111- deserter, run•.awsy. Derevelliks, bw. likewise. Desktiodiet, be. expert. —e, m. export.—en,rn. mv. jury of artists. Detenl-st tesgenstaande, —tenth), bw. neverthelees, potwithstsnding, for all that. Desnantln,bw• if need be. Destelant, be. desolate, insolvent; sir Rooth+ knnior. Deepoot., m. despot, tyrant. Ilestecrt, o. dessert bw. at that time. Deevs.ege, bor. therefore, on account of that. Detr iget, v, virtue; good riaskity; good. —liteend, loving virtue., virtuous. —rijk, etch in virtue. virtuous. by. & bw. virtuous (sly); valid I-1y), real (-1y), true, Cdy. —elijkhsid, v. virtuoneness; validity, retOity. —seam, be. virtuous, honamt; good, substantial; bw. virtuously honestly. —en tnihet,i, v. virtuousness, honesty; virtue, good quality. Dents sin, on. w. to be worth, to be good (for) niet —, to be good for nothing, not to do for. — niet, re. rascal, knave, rogue, good-for-nothing fellow. Lesoris, v. dent, bruise. —en, ov. w. to dent, to bruise. Unseat, m. tune, sone. tie, & bw. niggard ( - 1y), stingy ( - IY); close, by, near. —en, on. W. toeing. — h,i(t. v. id • gardline., stinginess. — tje, o. air, tune; het nude —, the on clo - y. bw. nigDaus-, v. doer, Rote. met de — in 't huts to blunder cut. met geenten —en, (in) private. root. de — staan, to be et band, to draw near. —hengsei, hinge. — ketting, door-chain. door-cssc. —klink. latch. —klopper, knocker. --knot', door.handle. —((jot, —roam, do:Jr-frame. —post, —stiff, deor•post, —slot, look of a door. — vleugel, fold. — waarder, usher, shcriff's officer, tits - .staff, bailiff. —wat.tter, porter. door-keeper. Desteekater, in. Chrostmafecake. de —, the deuce! DOUN fie:, tn. bung, spigot. — en, ov. w. to tap, to bung, to drew off. evties• o. device, motto, legend. Deavelke, vnw. who, IV hich, that. vw. bet'auoe, as, since. Daze, vnw. this ; me. these. Dezelfdte, vnw. the same, the very. ['laconic, v. poor's (undo; body of deacons. van vie trekken, to be upon the purl's', —kind, parish. child. Dindeent, m. diadem, tiara.

Wat is Bitcoin Zambia


More than 9 million people have participated to the Erasmus program since its creation. The number of young participants has increased significantly since 1987. Nearly 300,000 a year for only 3,244 in 1987. Spain is the country that allowed most people to participate to Erasmus with more than 40,000 per year, ahead of France, Germany and Italy. The countries receiving the most students are Spain with more than 39,000 students and then Germany.[16] There are currently more than 4,000 higher institutions participating in Erasmus across the 37 countries. In 2012-13 alone, 270,000 took part, the most popular destinations being Spain, Germany, Italy and France.[17] Erasmus students represented 5 percent of European graduates as of 2012.[18]
405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114

Wat is arbitrage cryptogeld


—atien (•nee'sjun), 1. everheersching, beslissende etiptheid; nauwgezetheid. —ian (-sizj'en), a. feme- Invloed. laar, zemvlknooper. --ien ( sizrun.), a. stiptheid; juistheid; inlets bepaling. —ive(-saystv), a. nauw- Preeiect (pri-i-leke), v. a. vooraf verktezen. —ion (-2 ,k'sjun), s. voorverklezing. keurtg bepalend. Preclu de (pre-kloed'), v. a. uitelotben, verhin- Preeminence (pri-em'i-nens),s. voorrang,meerderheid, groote voortreffekkheid. —t, a. —t/y, deren, voorkomen. —zion (-kloe'zjun), a. uttslui- ad. (-Moe" ad. hoogat voortreffeltjk, verheven; bij uitnemendOng, verhindering. —rive, a. —sivety, heid. sty.), uitsluitend, verhinderend. Precoci sue (pre-ko'sjusl, a. vroegrijp. —ty Preemption pr I•em'itjun), s.voorkoop. —rigAt, recht van benadering. a. vroegrilpheid. Precogitate (pri-kod'zji-teet), v. a. Tooraf over- Preen (priers), a. gattel (bij lakenbereiders). —, v. a. glad strijken, netten. Pireaeoninition (pri-kug-nierun), s. voorkennts; Preengage (pri-en-geedzj'), v. a. earner verbinden. —ment, a. vroegere verbintenin. voorloopig verhoor. PrecomPose (pri-kum-pooz), v. a. vooraf op- Preestablish (pri-es-teb'llsj), v. a. vooraf vaststellen. —meat, a. vroegere vaststelling. stellen. Precou cell (pri-klin - stet'), a. vooroordeel.—eeire Preexantin a (prf- egz.em'in), v. a. vooraf onderzoeken. —ation (-1-nee'sjun), s. voorafgaand onc•siev'), v. a. vooraf oordeelen. --ception (-sep'- sjun), s. voorat opgevat begrip. —cert (-sort!), d-erzoek, vourloopig verhoor. v, a. vor,".ef beramen. —sign (-sajn'), v. a. vooraf Preexist (pri-egz-tat'), v. n. vroeger bestaan. —ence, s. voorbestaan. —ent, a. vroeger beter hand stelien, — afdoen. erecontrnct (pri•kon'trekt), a. voorafgaand nor- ',Viand. drag. — (-kin-trekt"), v. a. vooraf overeenko- Prefa ce (preres), a. "voorbericht. —ce, v. a. van een voorbericht vootzien; bewimpelen; v. n. voormen, Precurs ive (pre-kneeiv), —ory, a. voorafgaand, loopig ( bij 'nijee van inleiding) zeggen. voorberichtechrijver. —tory (-e-tur-rib), a. inletvoorloopig. —or, a. voorlooper, voorhode. Preds, aeons (pre-clee'bjun), a. van roof levend. dead• —tory (predle-tur-rih), a. roovend, roofzuchtig; Prefect (prilekt), a. prefect, atedebouder, landvoogd. —ure (prerekt-joer), s. prefectschap, pre— excuraion, strooptoclit. fectuur. Predeceased (pri-de-siese), a. vooraf overleden. Predecessor (pred-e-sesiur),s. voorganger; voor- Prefer (pre-fur'), v, a. verkiezen, de voorkeur geven aan (above. before, iv); bevorderen(to);verzaat. heffen; vooretellen;indienen. —able, a. —ably, ad. Peedestinarism (pre-des-ti-nee'ri-en), a, aan- (prerur-), verkielellk (to). —ableness (prer-nr-), hanger van de leer der voorbeschikking. Predestin ate (pre-des'ti-neet), v. a. voorbe- a. verkieselibkheid. —enc, (prerur-ene,„ a. voorkeur. —ment, a, bevordering. —rev, a. voorkeur—ation a. voorbeschtkt. echikken. —ate ( net), r-riee'sjun), s. voorbeechitking. —ator, a. voor- gayer; bevorderaar; indiener. Pretigur e (pre- firjoer), v. a. voorafvooratellen. besehittker. Zie Predestimeirtan. —e —ation (-ree'sjun), a. voorafgaande voorstelling, e. a. vooraf bettemmen, — bepalen. Perdeterinin ate (pri-de-tuemt-net), a. vooraf —alive ( re-tiv), a. vooraf voorstellend. bepaald. —ation (-nee'sjuni, n. voorat bepaling. Prefix (pri'fike), a. voorvoegsel. — (pre-flks'), v. a. voor-aanhechten; vooraf vastatellen. —e (-min), v. a. vooraf bepalen. Prefulgency n pre•furdtien-nth), a. grootere glans Predial (perdi-el), a. landbonw -; boerderij-, of lobster. tithes, yruchttienden. estate, landgoed. Predica h5e (pred'i-kbbl), a. toekenbaar, toe to Pregnan cy (preg'nen.sih), s. zwangerheid; vols. bepaalbaarheid, heid; vruchtbaarheid; vindingrtjkheid. —t, a. kennen.—bitity hevestighaarhetd. —Ole, s. predicaat, universeel; --tly, ad. zwenger, vol (with); vruchtbaar; -wat aan eene zaak ken torgekend worden. —ment dingrijk; gewichtig; nadrukkelijk. pre-dik'e-ment), a. klasse, orde; toeetand. —nt, Pregustation (pri-gus-tee'ejuri), a. (bet) yours. bevestiger; prediker; — friars, predikheeren, proeven; voorsmaak. Doreinikanen. —te i-ket), a, gezegde, predtcaat. Prehcn tine (pre-hen'si1), a. grijpend, tot grijpen —te (-keel). v. a. & n. beveetigen, toekenrien. geechikt. --sion (-ajun). s. (bet) grijpen. rdneee erl,eonirv . . ion (..kee'sjuo), a. bevestiging, toekenning.—tory Prejudg e (pri-dzjudrn, v. a. voorutt o(o k —ment, a. voorafgaand oordeel. (-Ice-tor-rib), a. bevestigend, beelissend. op n Predict (pre-dikt'), v. a. voorzeggen. yoorspellen. Prejudica te (pre-dzjoe'di-ket), (-dik'ejun., a. voorzegging. —ire, a. voor- oardeel gegrond, bevooroordeeld. te a. vooruit oordeelen. —tion (-kee'sjun), a. (het) —or, a. vonrzegger. spellend (of). vooruit oordeelen. PredileetiGn (pri- di- lek'sj un), e. voorl beide (for. Prejudi ce (pred'zjoe-dta), a. vooroordeel; nato). pri-dis-pnoV), v. a. voorberelden; deal. —e, v. a. voortnnemen; benedeelen. —tat, , Predleptes e a. —ial/y, ad. (-dtafel.), nadeelig.sehadelijk (to) roGraf geschntt (geneigd) makeu. — tition (-po- —iabiees (-disj'el-1, a. nadeeligheid. zierun), a. voorberetding; vroegere genegenheid. 1Predoinin ante (pre- donasi-nens)., a. overwieht, Preke (priek), a. Inktvisch. overhand. —ant, a. —ant/y, ad. over wegend., meest Preto cy (prel'e-sih), —teship (-et.), e. prelaat aehap. —te (-et), a. prelaat, kerkvoogd. —tic, heerechend. —ate (-neet)., v. VI. averwicht (de over- —tire/ (pre-let'ik-), a. van een' pretest. —fist band) hebben (over); meant heerechend zi.jn.
I3 7.M. —HI 1 4; 13 , 1 illens2ock (hernlok), s. dolls kernel. Hermaphodrite (her-merro.dajt), s. manwi.jf, kwee, hermaphrodiet. llemor rhaFe (hem'ur-ridzj), s. bloedstorting. Hermetic (her-met'ik), —al, a. —ally, ad. lucht—rhoids (-rojdz), p1. aambeien. dicht, hermetisch. Hemp (hemp'). a. hennep. —beater, hennepklop—dreoser, hennepbehennephekel. Hermit Ihuenalt), s. kluizenaar. —age, s. per. —comb, —cos, s. kluizenares. reider. —plot, hennepveld. —stalk, hennepstok. —seed, hennepzaad. —en (hem'pn), a. von hennep. Herni a (hueni-e), s. break. —at, a. eene break betreffend. —ous, a. met eene break. Alen (hen'), s. hen, hoen; wijfje. —hone, bilzenbraid. --coop, hoenderkorf; kippenhok. —driver. Hero khi'ro , , s. held. —ic, —ical, a. —ically, ad. heldhaftig. heroic poem, heldendicht. —harrier, hoendervalk, kiekendief. —hearted, lat. —in, —pecked, onder den kippenhok. (her-o'in), s. heldin. —ism (her'o-izm), s. Lartig. —house, heldhaftigheid. pantoffel. —roost, hoenderrek, -meat. Hence (hens'), ad. van hier; van nu af; hieruit. Heron (her'un), s. reiger. —ry, —Maw, s. reigernest, reigerboseh. —forth, —forwa,d, ad. voortaan. Herm,► boy (hentsj'boj), —man, s. wapendrager, Ilorp es(huepiez),a.huiduitslag.—efic(her-pet'ik), a. vurig, uitslagachtig. page; volgeling. Ifferring (heerieng)., a. haring. fresh ilendecagon (hen-dek'e-gon); s. elfheek. panharing. pick-led —, pekelharing. red bokking. limp (hap), s. rozebottel. —base, haringbuis. —gutted, langlijvig. —hang, Ileppen (hep'pn), a. net , geschikt. bokkinghang,. —season, haringtijd. —smack, halleptree (hep'trie), s. eglantier. ringjager. Hepatic (he-pet'ik), —al, a. van de lever. Clepta chord (hople-kord). s. zevensnarig speel- Hers (hare), pr. de (het) hare. de heron. tuig; stelae! der grandtonen. —go;; (-con), s. Cleric (hare), a. lijkkoets; valpoort. zevenhoek. —gonal (•teg‘on-nel), a. zevenhoekig. Herself ihur-sell';, p.m- zij (zich, Naar) hlsnit ancy (hez'i-ten-alh), s. aarzeling, beslui—rchy (-taar-kih). a. zevenhoofdige revering. Her (hur), pr. hear, hare, haren. teloosheid. ;—ate, v. n. aarzelen; haperen. —ation, Herald (her'eld), a. heraut; wapenkoning; voor(-tee'sjim), a. aarzeling, hapering. looper,bode. —,v.a.aankondigen. —ic(he-rei'dik), lileaperlan (hespi'ri-en), a. westeltik, westersch. a. do wapenkunde betreffend. —ry, a. heraldiek, Hest (hest), s. bevel.. Hetero elite (het'e-ro-klajt), a. & a. onregelwapenkunde. matig (woord). —elitic, a. herb (urb'), a. braid. —of grece, wijnruit. —8, onregelmatig. —dux, a. onrechtzinnig. —dozy, s. a. p1. groenten. sweet —8, welriekende kruiden. onrechtzinnigheid. —yeneal, —geneous, (dzji'ni-); —market, groenmarkt. —porridge, warmoee,greena. ongelijksoortig. —geneity, (-dzje-nrit-tih), a. tesoep. —woman, groenvrouw. Herbaceous (her-bee'sjus), a. kruiden betrefongelijksoortigheid. Clew (joe') [hewed, hewn'], v. a. hakken, houwen; fen d; kruideneterid. Herb age (hurb:idzj), a. kruiden; groente; weide- vellen. —er, s. hakker, houwer. recht. —al, s. kruiden betreffend; s. kruidboek. Hexagon (hekee-gon), a. zeshoek. —alist, —arist, e. kruidkundige. —arium, (her- il exes goual (hegz-eg'un.nel),a.zeahoekig. —meter (•ern'i-tur), e. zesvoetig vers. —regular (-engloebee'rium), e. verzarneling van gedroogde planler), a. zeshoekig. ten. —ary, a. kruidtuin. —escent (her•bes'aent), a. als kruid groeiend, plantasrdig. —tvorous Hey (heel, int. ei! ha! he? —day, int. heisa! e. vroolijkheld; nchsone tgd. (ber-biv'ur-us), a. kruidenetend. —oe'ization (-uri-zee'sjun), s. plantenafdruksel in steenen. —orize Hiatus (haj-ee'tus), s. gaping, lecmte, hiatus. (-or-azj), v. n. kruiden zoeken. --one, —y (urblhl, Hiberna I (h&j-buena), a. wintersch. —tion, (-ber-nee'sjun), s. overwintering. ruttier]; kruidaehtig. a, vol 1iv. n. hIkken. Hiccoagh (hik'kof), a. hik. herculean (her'kjoe'li-en), a. hereulisch. herd (hued'), a. kudde (van groat nee), troel); Hickup (hik'kup), s. Zie Hiccough. herder. —sman, veehoeder. —, v. R. tot eene Hide (hajd'), s, huid, vel. —bound, a. atrak, vastzitter. I; gierig. kudde verzarnelen; v. n. in kudden weiden. Here (hier'), ad. hier. —about. —abouts, ad. bier- Hide (hajd') [hid, hid, hidden], v. a. verborgen (in de voigende met here samen. ornstreeks. f, one, year); § afranselen; v. n. verborgen run. —and-seek, schuilevinkje. —r, a. verberger. gestelde bijwoorden heeft het voorzetsel den klenatoon). —after, ad. & s. hierna; hiernamaala. Hideous (hid'i-ui,), a. —ly, ad. afschuwelijk, a fziehteljjk. —nese, a. afschuwelijkheid. hierop. —by. hierdoar. —ice, —into. Merin. —of, hiervan. --an, --upon, hierop. —out. hieruit. Hiding (hajd'ieng). s. (bet) verbergen; pak alaag. —place, schuilplaats. —to, —unto, hiertoc. —tolore, voorheen, eertijds. Hie (hap, v. n. zich haasten, nick reppen. —ter t h, hierrnede. :11,,,retlita Isle (he-red'i-tibl), a. erfelijk. —meat, Hierarch (haj'e-raark), a. geestelijk opperhoofd. —ical ( rattekikl), a. de priesterheerschappt be(her-e-dit'e-went). s. erfeals. ad —ry, a. treffend. —y, s. priesterregeering. erfelijk. Hier° glyph (haye-ro-glif). —gly/phic liereslarelt (he-ri'zji-aark), s. aartsketter. s. ketterij. —tie, s. better. s. beeldschrift. --glyphic, —glyphical, Mere sy a. beeldaprakig, zinneheeldig. —graphy (-rog're—t;eat, a. —tically, ad. (lie•rerikl•), kettersch. flh), a. heilig schrift. —pliant (-fent), a. priester, Claret able (heel-CIA), a. erfbaar, —age, (-tidzj), a. erfd,e1, erfenis.
Kanaster, m. canister. Krindael, v. candle. —moat, gossip's feast. —rot, candle-pot. Kandeleer, m. candlestick. —sp(ip, socket of a candlestick. KandU,v candy. —Weep, syrup of candy. —miser, sugar-candy. Renee!, o. cinnamon. —boat, bark of the chinamon-tree, cinnamon. —bloc m, cinnamon-flow sr. —boom, cinnamon•tree. —knurly, cinnamon-colored. —koekje. cinnamon-cake. —elie, cinnamonoil. pipelroll) of cinnamon. —water, cinnamon-water. cinnamon-arine, hippoera.. Kanetas, o. cantata. Kant& by. having graves. Hanker, In. canker, cancer, gangrene. —61oem, corn-rose, wild poppy. —kruid, shave-grass. —acAtig, by. cankerous, cancerous. —en, on. w, to inveterate, to grow inveterate. Kano, v. canoe. Kanon, o. cannon, gun. —schot, cannon•shot. —skoget, cannon ball. —flier, m caunonnier, gunner, artillery-man. Kane, v. e.hance, hazard, prospect, opportunity. de — is verkeken. the opportunity be lost. —biljet, chance-bill. —rekaaing, calculation of chancre. Hammel, m. pulpit. —cede, e/rmon., homily. —redenaar, preacher. — st01, style of the pulpit. —welopreketoiheid, eloquence of the pulpit. K.1.8•1 1. 0,1, v. chancery. —ier, ta. chancelor. Kenide, o. god-send, luck. Jo• Kant, in. edge, side, border, margin, brink. aan — does, to arrange, to put in order. van — waken, to kill, to make away with. var. — ruses, to pariah. —beitel, iron crow. —hosteen, to square. —Answer, squarer. —teekening, marginal note, gloss. —shaak, grappling-iron. HAW, v. lees; point. —beerelsel, lace-edging. —does, lace-box. —work, lace-work. —werker, —werkster, Dace-maker„ lace-man (-woman). —enstopeter, lace-mender. Kant, by. well-squared; neat; clever; not full; tasting of the cask. — en kiaar, quite ready. Kanteet ,m. battlement. Kentelev, ov. & on. w. to overturn, to topple, to fall over. K anten, by. laco. Karat yea, or. w. to square. Kanterstok, in. whipstsff (of a helm). Kantlg, by. angular, edged; crasty; tasting of the cask. Kenton, o. canton. —gerecht, district-court. —tee/ter, justice of the peace. linsatioor, o, counting-house, office; commercial eetahlishmeut, factory. —bediende, —*chi-Over, clerk (in a counting-housft). —behoeften, notes • aerie& of r counting-house, mtationry. —inlet, double-ink. —knecht servant ilia countiug•house. —werk, writing- ve ork. Kanunnik, In. canon, prebendary. Kap, v. cap, hood, cowl; top (eener tears); teeter, roof: coping; head-piece (van can ache() atom). —taken, hat-money, primage. —strider, periwi stock. —stole, portmanteau, row of pegs, cloy peat. —ponnsoakster, milliner.
all over, to rummage. to examine narrowly. —ing, v. close examination, pertinisition. Doorspekken, or. w. to lard, to interlard, to intersperse. Doorepelen, or. w. to play through; on. w. to play on. Dooreptlite.n, or. & on. w. to split asunder. Doorspeant en, ov. w. to wash (to rinse) through, to rinse out, on. w. to flow through. —lug, v. flowing through.: current. Dooreporen. on. w. to pass, to traverse, to go through (by railway). Door sprank, v. sounding of an orgen-pipe -oefore the flaps are premised down. —epreken, on. w, to speak on; to sound before the flaps are pressed down. Dooreprengen, ou w. to leap through. Dooretaan, or. w. to endure, to muster', to suffer, to go through. Fen sekip lutes —, to hold course, to let the ship run. Doorstampan or. w. to stamp through; to make hole (to bruise, to mingle) by stamping; on. w. to continue stomping; to stamp quickly. Doon,lappen, on. w. to step through; to mend one 'a pare, to walk at a pretty rate. Doorateek, m, plate where a dike is pierced. Dooratek en, or. w. to put (to stick) through, to perforate, to open; to pierce; to suit), to run through. —er, m. piercer. —ing, v. perforation; piercing; stabbing. Doorsteveimsn, on. w. Zie Doorzeileosi'. Deorstoonion, sn. w. Zie Doorsporen. Doc.ratooten, or. w. to thrust (to push) through; to break by pushing against; ole vender Doorstektn. Dooratra1 en. ov. w, to shine through, to fill with rays; so illuminate; on. w. to shine (to , adtate) through; to circulate. —ing, v. circulation. Doorstrijken, or, w. to dash out, to erase, to efface; to rebuke, to teke through hand; to gall (to wear off) by smoothing; on. w..to steal away, , to abscond. Door.trosespelese, on. w. to stumble through, to pass stumbling. Doorstr,,orescsn, on. W. to flow (to run, to utreant) through. IDooretuditerso, ov. w. to study thoroughly; on. w. to continue studying. Doorstutiven, on. w. to fall through; to let duet fall through. Doorstoreo, ov. w. to utter through. Doorankketen, on. w. to pas loitering, to continue loitering. Doorsollee., ov. w. to chafe —, to gall (to wear off) by sliding; on. w. to glide (to elide) through. Doortaaten, or. w. to grope through; to pry into, to examine narrowly; on• w. to grope through; to take decisive naeasuros. —d, by. effectual, decisive; energetic. Doortiotelen, or. w. to tingle with, to move, to affect. teraortmeht, m. passage, march, course. Doortrappem, or. w. to break by trampling upon; to tread thoroughly; o •. w. to continue trampling. —t, br. crafty, arch, —Meld, v. craftiness, craft, slyness.
lijkheid. —e, v. a. beapotteitjk oaken. —out, a. —9'444, ad. (ri-dlit'joe-lus.), belachelijk. —ousnese a. belaehelükheid. Riding (raj'dieag), a. het rijden; kit, rijtoertje; district.—cap, rijpet. —clerk, reisbediende. —coat, reisjas. —habit, rljkleed. —hood, reiskap. —rod, karwats. —school, rtschool. Rldotte (ri-dot'to), s. danspartij. Rite (ra), a. —ly, ad. heerschend, algemeen; overvloedig. —nese, a. (het) heertehen, algemeenheld; overvloedigheid. Riff (r1r), a. nil', zandbank. —raff (-ref), a. echot; gespuis. Rine (rarile), a. geWeer, buka —barrel,getrokken loop. —man, scherpschutter. —, v. a. p1underen, rooven. —r, a. plunderaar. Rift (rift), a. spleet, acheur. —, v. a. splijten, klooven bersten; oprispen. Rig (rig'), a. rug, top; grap, poets; slat, lichtekool. to run a — upon, voor den gek houden. v. a. kleeden, opachikken; optakelen; v. n. uitgelaten zijn. —udoon (-e-doen'), a. rigadon (dans). —ger (-gun), a. kl e e der ; optnt ger, takel a ar. —ging (-gieng), a. tuigaadje, takelwerk, want. —gish (-gisj), a. dartel, wulpsch. Riggle (rig'g1), v. a. n. Zie to Wriggle. Right (raft'), a. & ad. —ly, ad recht; behoorlijk, juist, geeehikt; echt, wear; billtk; oar. —handed, rechta. — on, rechtuit. a. recht; held, rechterhand, -.Ode. by —, van rechtawege. to be in the —, geltjk hebben. to set to —a, terecht wtjzen; in orde brengen; bevredigen" to do - beseheld doen. v. a. reakt zetten, opbalen; weder oprichten; recht doen; rechtvaardigen; —one's self, Mob recht verschaffen. —, v. n. zich opriehten. Righteous (raftsjus), a. —ly, ad. rechtvaardlg, reehtschapen. —ness, a. rechtvaardigheid, rechtschapeuheid. Right ful (rajt'foel), a. —fully, ad. reehtraattg, wettig. —fulness, a. rechtmstigheld;opreehtheid; —nese, s. juistheid; oprecktheid, rechtechapenhei d. Rigi (ridzj'id), a. —ly. ad. atijf, onbuigzaam; atroef; atreng. hard. —ity(ri-dzjid'it-tih), —ness. a. stijfheid; atroefheid; strengheid. Riglet (rient), a. latje; reglat. Zie Re let. Rigmarole (rig'me-roof), a. zinledig gebabbel. Riga: (rig'ul), a. kring; kroon, Rigor (rig'ur), strengbeid. —ous, a. —may, ad, atreng; 'mach; stipt. —oneness, a. strengheid; Rile (raj!'), v. a. boosmaten, tergen. Rill (rill'), —et (-it), a. beekje. —, v. n. vlieten, murmelen. —y, a. vol beekjes. Rim (rim), a. rand; lijst. Rim, (rajne. ), a. rijm,rijp; scheur, spleet; sport. —e, v, D. rijpen. —ose (ri-moos'), —oda, a. vol spleten. —y, a. berijpt. Rimpie (rinepl), e. rimpe! —, v. a. rimpelen. Rind (rajnd'), s. bast, addl. —, v. a. afachillen. —ed, —y, a. bastig, met eene schil. Rindle (rin'd1), a. goot. Ring (ring'), a. ring; kring, gelui; klank; rand, —bolt, ringbout. —bone, ringbeen, overbeen. —dove, ringelduif. —ducat, gerande ducaat. —finger, ringvinger. flower, ringelbloem. —lead,

Om aan de vergadering te kunnen deelnemen, moeten de aandeelhouders, indien hun aandelen aan toonder luiden of het gedematerialiseerde aandelen zijn, deze ten minste vijf werkdagen vóór de voor de vergadering vastgestelde datum deponeren ten maatschappelijken zetel of ze inschrijven op rekening bij een erkende instelling; indien hun aandelen op naam luiden, moeten de aandeelhouders ten minste vijf werkdagen vóór de datum van de vergadering in het register van de aandelen op naam van de vennootschap ingeschreven zijn en, met inachtneming van dezelfde termijn, de vennootschap schriftelijk in kennis stellen van hun voornemen aan die vergadering deel te nemen, met vermelding van het aantal aandelen waarvoor ze opkomen. solvay.com
Decipher, (de-sarfur), v. a. ontcijferen, ont- Decrease (de-kries') a. vermindering; aineming; Riflemen (van de maan). —, v. A. vermiaderen, 'warren. —er, s. ontcijferaar, verklaarder. doen verralien; v. n. Riflemen, minder worden. Decision (de-siezjun), s. beslissing, beslechDecree (de-krie'), a. bealuit, verordening. —, v. a. ting; bealuit; uitslag. uitvaardigen, verordenen, bepalen; v. n. een Decis lye (de-marsiv), a. —vely, ad. bealiaaend; bealuit uitvaardigen. bepaald. —iveneu, a. bealisaendheid; bet. bealisDecrement (derre-mentl, a. vermindering. sende. —ory, a. beslisaend, beeindigend. Deck Idek"), a. dek, verdek; apel kaarten. main —, Decrepit (de-krep'it), a. afgeleefd. —ate, v. a. & n. verkalken, verknetteren (in het vuur), —ation geschutdek. quarter—, haltdek. —, v. a. beklee(-teetijun), a. verkalking, geknetter. —news, -rude den; versieren, (with) —hook, dekband. —plank, (-i-tjoed), a. hooge ouderdom, afgeleefdheid. dekdeel. —transom, dekworp. —er, a. versierder; Decrescent Ide-kres'sentl, a. afnemend. bekleeder, double- (two-) decker, a. tweedekker. Decret al (de-krietal), a. een decreet betrefthree decker , a. driedekker. fend; s. pauselijk edict; wetboek. —als. a. deDeclaim (de-kleeml v. a. voordragen; v. n. deeretalen. —ist, a. keener der decretalen. —ire, clarneeren; uitvaren tegen (against. on). —er, a. A. bepalend. —orily, ad. —ory, a. (dekare-turhoogdravend redenaar. rih•), beslissend, bepaald. peelama tion (dek-le•rneesiun). a. hartatochtelijke redevoering. —tor (cekne-mee-tur), a. Deer lanl (de-krarel), a. ultkrijting, minachting. —ier (-kraj'ur) a. uitkrijter; lasteraar. —y (-bra)'), oogd ra vend redenaar. —tory (de-klem'e-turv. a. uitkrijten; in kwaden reuk brengen. rib), a. boogdravend. a. nederDeclar able (de-kleer'ibl), a. verklaarbaar. Decimal) ence (de-kum'bens), —carp. ligging; verootmoediging. —eat, a, nederliggend. —ation (dek-lee-ree'sjunl, a. verklaring; klacht. —iture (-bi-tjoer), a. bedlegericheid. —alive (-kler'e•tiv), a. verklarend; aantoonend, —atory (-kleee-tur-rih)„ a. uitdrukkelijk; bepaald Decnple tdek'oepl), a. tienveudig. —, a. tienv. a. vertienvoudigen, voud. verklarend. —e, v. a. verklaren, uitleggen; v. n. —rent, —site, zich verklaren; (off) afzien van. —edly, ad. rond- Decor sloe (de-kuesjun), affoop. a. afloopend. borstig. —er, a. verklaarder. v. a. met echerpehoeken Deelnslon, (de-klen'ajun), a. vacant; verbuiging; De cuss ft te (de-kueseetl, dooranijden. —tion (dek-us-see'sjun), a. dooranil § atwijzing, weigering. ding. Pectin able ( de.klajnIbl), a. verbuigbaar. —ation Dedaious a. met kronkelenden rand. a• nijging; afhelling; afne- Dedecor (ded'e-lus), ate (de-dek'ur-reet) v. a, onteieren; ming; afwijking; afwijzing; verbuiging; —aloe onteeren, te schP.nde brengen. —ation (-ree'sjun), (de-klin'e-tur-rih) a. af—atory (dek'li-nee-tur). a. vervallen-verklaring van eereteekenen; oatwijkingswijzer. —e, a. afnerning, verval. —e, v. R. siering. —ous, a. ontsterend, emadelijk. nederbnigen; aislaan, weigeren; verbuigen; v. n, Dedenlitlon (ded-en-tis'ajtm), a. vealea der afwijken; bellen; Riflemen; weigerachtig atin. tan den. Declly 'tons —ous (de-klarvus), Didica to (ded'i-keet), a. toegewijd. —te, v. a. a. hellend. —ity, a. afhelling. toewijden; opdragen. —'ion (-kee'sjun), a. toeDecoct ide-kokt'), v. a. afkoken. —ion (-kok'sjun), wijding; opdaktit. —tor, a. toewijder; opdrager. a. afkokinc, afkooksel. —ice, a. atkokend. —ure —tory, a. toeifijdend, opdragend. —tory-epiatte, (-tj,;er), a. afkookael. opdraellt. Decolla te (de-korleet), v. a. onthoofden. —lion Dedition (de-dia'ajurt), a. overgave. idek-u1-lee'sjun), a. ontbalzing (van Johannea Deduc a (de-djoes'), v. a. aftrekken; afteiden den Dooper). (nit lets opmaken), —ement, a. afleiding, gevolgDecolor (de-kul'uff , v. a. doen verkleuren; trekking. —ible, a. of te leiden. —ive, a. ontlee—atinn (-nr-ee'sjun), a. ontkleuring, nend; afieidend, Decolorize, v. a. 'Lie Decolor. (de-dukt'), a. a. aftrekken, verminderen; Decom pose (di-ktun-pooz'). v. a. ontbinden, Deduct wegnemen. (-duk'sjun), a. aftrekking; oplossen; v. n. zich ontbinden. —posit (-poz'it) a. gevolgtrekking. —ire, a. —it-ely, ad. a? dubbel sam en gest el d.—ivosition(- korn te leiden; to betoogen; afieidend; betoogend. a. dnbbele samenRtelling; ontbinding. —pound Deed (died'), a. dead, handeling; dokument,akte. (-paaund'), a, dubbel mamengesteld; v. n, dubbel v. a. bij akte — of trust, akte van volmacht. § samenatelien; ontbinden. --poundaNe (-paaund" overdragen. —less, a. werkelooa. —y, a. werkibll, a. voor dlibbele eamenstelling (oplossing, ZAAM, bedrijvig. In the very deed, op heeterdaad. ontbinding) vatbaar. Deem (diem"), v. a. & n. oordeelen., het er voor Decor nee Idek'ur-rcet), v. a. veraieren. —anon rec ht er(o het ell and Man). houden. —s er, (..,,,, ,jun) a. versiering; versierael. —afar, a.' Deep (diep') a. & ad. diep; donkey (van kle.tr); ad. (de-ko'rus-), wel—.sly, versierder. —nun, a. geheim; diepzinnig; grondig; zwaar; liRtig, gevengelijk, betamelijk. —um (de-ko'rum), a. wel.slepen. —drawing, diepgaand. —mouthed, diep van stem. —musing, diep peinzend, —read, zeer Ileeortien te (de-kor'tl.keet), v. a. ontschorsen. belezen. —toned, diep van toon. —vaulted, diep a. ontbarsting. , , —lion (-Iree'sjun yea elfd. —waisted, met een 'nor- en aehterdelt. lok—bird, Decoy (de-kof), a. lokanse valstrik. —, a. diepte; zee. —en (die'pn), a. a. nitdiepen; vogel. jokeeud. —, v. a. lokken, verleiverdonkeren; nederdrukken; v. n. dieper warden; den; bedriegen. —man, a. vogelaar. —pond, a. danker warden. —1y, ad. diep; grooteltjks; diepeenJenicool.
—0U8hCSti, a. cngte, gebrek ahU ritimte. —late laaaalla finny (ku-di-re bii'it•tihl, n. na v (-pea'i-teat), v. a. onbekwaam lijkheid. —ble a. onvriendelijk, atug, krachteloos maken, (for, to). —ty ongezeilig. a. onbekwaamheid. Itualrectntion (in-ef-fek-tee'sjun), s. ongekun- steldheid, ongedwongenheid. incarcera te (in-kaar'sur-eet), v. a. gevangen inallena his (in-eerjen-ibl), a. --bly, ad. onver- zetten. —lion (-ee'sjun), a. gevaugeuzetting. vreemdbaar. —bleness, a. onvervreemdbaarheid. Incarn (in-kaarn'), v. a. met vleesch bedekken; v. n. vleesch zetten. —adine (-e-din), a. vleeschInaliceental (in-el-t-men'tei), a. niet voedzaam. kleurig. —ate (-ct), a. met vleesch nekleed, vleesch lnamissible (in-e-mis'aibl), a. onverliesbaar. geworden.. —ate (-eat), a. a. met vleesch bekleeinamorata (in-em ur-ree'to), a. minnaar. den. —ation (-ker-nee'ejun), a. vleeschzetting; s.ledige ruimte. inane (in-een'), a. ledig, ijl. Inanl wale (in-en'i•met), a. levenloos, onbe- vleesch-, menschwording; vlieschkleur. —alive (-e-tiv), a. vleeschmakend. zield. —lion (-c-nisj'un), s. ledigheid; krachte- Incase (in-kees'), v. a. in een' koker aluiten; looeheid. —ty, a. ledigheid; ijdetheid. inappeten ce (in-ep'pe-tens), —cy, a. gebrek bedekken, inwikkelen. Incastell ated (in-kes'til-leet•id), a. (als) in aan eetlust. inapplica hie( in-ap'pli-kibl), a. ontoepaaae- een kasteel opgesloten. —ed, a. ingemetseld; onbruikbaar. —bility (-ke-bil'ittitt), a. ontoe- hoevig (van paarden). paerelWtheid. —lion (•kee'sjun), s. nalatigheid, Incatenaticn (in-ket-e-nee'sjun), a.aaneenschabelong. teraagheid. Inapposite (in-ep'pozit), a. ongepast, onvoeg- Incautious (en-kao'sjus), a. —ly, ad. onvoorziebtig (of). —now, h. onvoorziehugheid. VIIIIII, ondienstig. Inappreciable (in-ep-pri'sj-ibl), a. onachatbaar. IncnaratIou (in-ke-vee'sjun), a. uitholling. Inapprehens lisle (in-ep-pri-hen'sibl), a. on Incendiary (in-sen'di-e-rih), a. brandstichtend; opruiend; oproerig. verstaanbaar. —ire, a. onoplettend (of). s. brandstichter; stokeInappropriate (in-ep-pro'pri-et), a. ongepast. brand. Inaptitude (in-ep'ti-Hoed), a. ongeschiktheid. Incense (inisens), a, wierook. v. a. beInarable (in-er'ibl), a. onbepAoegbaar. wierooken. Inarch (in-aartsj'), v. a. at,igen, enter. Incens e (in-sent'), v. a. warren, verbitteren. —orient, a. toorn, woede, verbitteriUg. --ion Inarticula te (in•er-tik'joe-let), a. onduidelijk. a. aanateking; ontbranding. —ive, a. onveretaanbaar. —tote., —lion (-lee'sjuu),s. en- sarrend; opruiend. —or, a. stokel'rand. —asp, a. duidelij kheid. wierookvat. Inartllicial tin-anr.ti•tb,j'el), a. .—ly, ad. kun- Incentive (in-sen'tiv), a. aonaporend, aanvustelooe, ongekunsteld. rend (to). —, a. prikkel, spoorslag; drtjtveer. Inasmuch, (Zia Insomuch.) Inattention (in-et-ten'ajun), a. onopletteadheid. incept ion (in-sep'sjun), a. aanvang, begin. —ive, a. —ively, ad. onoplettend. —ive, R. beginnend. —or. a. beginner, Inaudi ble (in-aow'dibt), a. —tly, ad. onhoor- InceratIon (in-se-ree'sje.n), a. bedekking met was; weekmaking. boar. Inaugura I (in-aow'gjoe-rel), —tory (-re-tur-rih), Incertitude (in-sueti-tjoed), a. onzekerheid. a. inwijdings-. —te i - reet), v. a. inwijden. —tion Incrssan cy (in-kses'een-sih), a. aanhoudendheid. —t, a. —tly, ad. onophoudelijk. (-ree'sjun), a. inwijding. lnauration (in-aow-ree'sjun), s. vergulding. Incest (in'sest), a. bloedschande. --nous, a. Inauspicious (in-aow-spispe.10, a. —ly, ad. on- —uously, ad. (-sest'joe-us.), bloedschendig. gunetig, onheilspellend. Inch (intsj), a. duim (meat); kleinigheid. at an—, a. aanhanging, onafechei- op een hear. not an —, Keen aaaje. every —, geInbeing heel en al. — by —, by —a, aura voor voet, bangdelijkheid. In born (in'born), a. aangeboren, ingeschapen zamerhaud, van lieverlede; apaarzaa-m. —meat, atuk van een' duim lang; by —, atlenga. —. v. a. (with). —breathed (briettfld'), a. ingeblazen, inNe. (out) bij duimen meted; karig toemeten. —, v. n. ademd. —bred, a. inlandsch; aangeboren. Incase (in-keedzy), v. a. in eene boot aluiten; langzaam vorderen (wijken). InchastIty (in - tsjeetit - tih), a. onkuischheid. opsluiten. —meat, a. opslulting. Ida kniculable (in-kel'kjoe-libl), a. onbereken- incised (intejd), a. duimen bevatton , i. lnchoat e (in'ko-et), a. —ely, ad. aangevangen. bear. Incaleseenee (in-ke-lea'scns), a. warinwording. —ion (-ee'sjun), a. begin, aanvang. —ice (.1to'eIncandesces' ce (in.ken-des'isens). a. gloeibitte. tiv), a. aanvaugend. Inelden ce (in'sf-dens), s. toeval; inval (van de —t, a. gloeiend. Incur-Atact Ion (in , ken-tee'sjun), s. betoovering; cane lijn op de andere). —t, a. toevallig; btikotooverspreuk, -formulier. —cry, (-lien'te-tur-rih),1 mend; elgen (to). —t, a. voorval; bijkomend Kea. betooverend. val. —tat, a. —tally, ad. (-dent'cl-), toevallig; Incanton (in-ken'tn), v. a. tot eon kantou vor-1 btjkomend. men. 'llucluera te (in-sin'ur-eet), v. a. tot ascii verHint:apt% ble (in-kee'pi!,1). a. onbekwaam (of). branden. —lion (-ee'ajun), a. verbranding tot —tleneea, a. onbekwaam- Recs. —bility heid. Incipient (in-sip'i-ent), a. beginnend. Incapacl ous (in.ke-pee'sjos), a. eng. niet ruin, incIrcumscrIptible (in•sur-kum-ekript'ibl), a,
liggenci, that draws much water. —gang, draught. —grondig, deep, profound. —lood,plu mmet,so an d• ing-line. —peintend, meditating, pensive. —sinnig. be . & bw. profound ebetruee (-ly). abstrueeness. —achtig. bv. rather deep. --en, ov. w. to deepen; to shade. —er, m. deepener; sbader. -in!, v. deepening, shading. —eel, o. shade. —te, v. depth; deepnege, profoundness. Dior, o. animal, beast. redeioos —, brute. —oarde, zoological garden, menagerie. —kunde, zoology. —homily, zoological. —kuadige, zoologist. —reenacts, brute. —plant, zoophyte. —soart, speales or animals, —onaaabidrieng, zoolatry. —enbeschliver, zoographer. —enbesclarijoing, zoography. —engevecht, combat of beasts. —enhuid, --onset, hide, skin. —enkweller, torturer of animals. —.lien, socilao. —enr(Pc„animal kingdom. —entemmer, tamer of animals. —enwereld. animal world. —aye, o. vixen, ?threw, (she-) devil. —144, be. animal; beastly, bestial. —ltjhheid, v. animality; beastliness, bestiality. —tje, o. little animal, animalcule. Mar, be. Vs Dlorlintir & Dsau ^. —boar, Irv. dear, beloved, precious. —kaarheid, v. dearness. Dierreitik be. Zie Dergelkik. Dies, vw. therefore. consequently. Diets, bw. — reek., to make believe, to persuade to. Dievegge, v. thief. Dleven, ov. & on. w. to thieve, to crib, to pilfer. —betide, —rot, gene (band) of thieves. dog-whistle. —gezicht, hanging face. —lantaren, dark lantern. —leider, thief-catcher. —Carl, cant, slang, gibberish. DieverU, v. theft, robbery, felony. D gel , v. potsherd. DU, v. thigh. —been, thigh-bens, —harst, leg, buttock. —*antes, —etuk,cuieh. —oak, breech. es-pocket, fob. Mien, on. w. to swell, to puff up. DUk, m. dam, dike, bank. clan den — jagen, to turn out of doors, to put out of employment. —boat, undertaker of dikes. —bestwur, —stoel, board of inspection of the dikes. —oreuk, rupture (breach) of a dam. —geld, —fasten, dike-tax, dikeretie. —graaf, —wester, dilee-grave, dike-reeve, —graafschap, office of a dike-reeve. —plichtig, obliged to keep a dike in repair. —recht, regulations relating to dikes. —school°, inspection of a dike. —scent, dike-work. —worker, dikeworkier. —secure, (the) dikes. —age, v. dike-work ,—en„ ov. & ore vv. to dike (to fence) in; to raise a —er, m. dike-worker. DiJals, be. foggy, hazy. —Arid, v. fogginess, haSOMA.
(rnis• be-lief•, a. dwaalgeleof. —re eener aluitrede, --ate C•ajt), a. Minori,t, sunder- Webs.lie (in het geloofe—ver ( •liev'ur), 1-lieu'), v.. n. dalen w broader. —ity (rni-nor'it-tihl, s. minderlieid; min- a. derjarigheid. Misbeseern (mis-be-siein'), v. a. misetnan. Minotaur (inji.i'a•taor), a. Minotanrue. MIneter (min'stur), a. Monster, geestelijke broe- Misbeatow )mis.be-sto"), v. a. verkeerd besteden. derschap; dom-, hoofakerk. Minstrel (min'stril), a. meistreel, zanger, speel- Miscalcuits to (mis-kerkjoe-leet), v. a. inierekenen. — tion (-lee'sjun), a. misrekening. 'flan. — ay 1-alh1, e. muziek; troep muziekanten• Mint (mint').,s.munt; kruizerriunt. — man, munter. Miscall (mis-knoll'), v. R. verkeerd noemen. Mi.carr Cage (mis-keerld4), a. mtelukking; mis— master, mentmeester, sunder, uitdenker. a. a. mutat.; beramen, sm.:den. — age, a. (het) kraam; wangedrag. —y. a. n. mislukken, weg- munten; muntloon. — er, a. munter; uttdenker, rakes; eene miskraam krijgen. Miscast (mis-kaast') [ire.), v. a. misrekenen. verzinner. Mi.scelihn e (mis'ail -leen), s. Zie Maslln . — roan, Minuet (min'joeeet), a. menuet. a. --eoe.a/y, ad. (•lee'ni-us), pemengd. — eoueness Minute (min'iti, a. minuut; opstel; bijtonderheid. (-:ee'ni-us-), a. gemengdheid. —y — book, klsdbosk--glassaninuut-,loggins.—guns, ininuutachoten. — hand, minnui.wtjter. — line, log- mengeling; mengelwerk. lijm. — man, mobiel aoldaat. —, v. a. aanteeke- Mischance (inis-tsjaans"). a. ongeval. Miacharge (mis-tajaardzji, a. verkeerde poet & ad. elke minuut. nen. — ly, (op eene rekening). —, v. a. ten onrechte an reMinut a ►ni.njoet')., a. .--ely, ad. klein, nietig; nauvikeurig. — mess, a. kleiuheid, nietigheid; keeing brengen. nauwkeurigheid. --iae (-ejoe'sji-i), pl. Keringste Iilieclrie I (mia'tajif), a. onheil; nadee); kwaad, m ► edwil; — maker, onheiletiehter. —vows, 0. bijzonderheden. — rously, ad. (-taji'vus-), onheilstiehtend, KelmMinx (minks!, a. wild meisie, nuf. delijk; moedwillig. — .mines( -tsji - vus.), a. boo, Mlny (maj'niht, a. mij.-; onderaardsch. Mtrac In (mir'ikl), a. wonderwerk,wonder.—u/ous, eardigheid, moedwilligheid. a. — ulously, ad. (-rek'joe-Ius-), wonderbaar. Miseboose (mis tajoez") [Ire.], v. a. verkeerd kiezen. — ulousness (-rek'joe-lus-), a. vond.erbitarheid. Miscible (misssibl), a vermengbaar. s, balkon. Mirador Misfit e (mis-sajt'), v. a. verkeerd Ran:Alen. Mirage (mi-raatj'i, a. luehtspieKeling. — alien 1-si-tee'sjun), a. verkeerde aauhaling. a. berried- e, v. Mir e (maje), a. m.6dder; mie•. — tlitscintste (min-kleem'), a. valseite cinch. deren. — ineas (-i-nears;, s. modderigheid. Miscomput e (mis-ladm-pjoet'), v. a. mierek, Mirky (murk1h), a. donker, somber. Mirror (mierur), a. epiegel; voerbeeld. —, v. a. nen. — align (-kom-pioe-tee'sjun', a. misrekening. Mscon ceit (rnis-kun-siet'1,—ception spiegeien, afspiegelen. a. dwaalbeg•ip .„ misverstan•. --cease (-sive), v. a. Mirth (inurth'), a. vroo(ijkheid. frrl, a. fully, verkeerd begrbpert. ad. vroolijk, opgeruimd. —fulness, a. vroolijkheid, Misconduct (mis-kon'dukt), a. wangedrag; wanopgeruimdheid. — less, a. treurig, droevig. (-kun-dukt'), v. a. Media beheeren; beheer. Miry (majr'ilal, a. modderig. , bemodderd. Mibacceptation (mis-ek-sep•tee'sjun, a. ver- v. n. tich misdragen. Misconjecture (inis-kun-dzjekejoer), a. VP, keerde opvattetg.. keerde giesing. —, v. a. & n. Misadventure (mis-ed-vent'loor), a. tegenepoed. Mimeo. struction (mis-kun•struk'sjun), a. vane Misadviaval (mis-ed-vejtd ) ), a, sleeht Keraden. keerde uitleggIng,tvesdulding.—strue(•kon'etroel, ected (mix..ef-fekt'id), a. ongenegen (to). v. a. verkeerd uttleggen, miscluiraen. — irm (-form'), v. a. valseh opgeven. Illiscorrect (mis•kur-rekt'), v. a. verkeerd (onMisainted (mis-eemd ), a. misgesehoten. *Mail ege (min-el-lechr), v. a. verkeerd aanvoe• Juist) verbeteren. Miscounsel (ants-kaaun'sil), v. a. verkeerd raren. — lance (-laj'ens)„ s. ongelljk huwelijk. den. Misanth•oge e (mis'en-throop). —ist (-en'thro• pint), a. mensehenhster. — ic (-throplk). a. men- Miscount (min-kaauut'), a. misrekening. v. a. & n. mistellen, (nigh) inisrekenen. sehenhatend.—y i•en'thro.plb), s.mensehenhaat. Mtsappi !cation (mis-ep-pli-kee'sjun), a. ver- Miscrea ant tmiekri-ent), s. bot,swieht, sneodcard. — te (-et), a. wansehapen. v. a. verkeerd keerde toepassing. —y Misdate (milt-dee') v. a. verkeerd dagteekenen. toepassen. s. miadaad, vergrijp. Misapprellen at (mis-ep-pri-bend'(, v. a. mis- Mistived verataan. — sion (-hen'sjun), a. misverstand, ante- Itetsdeens (ails-diem'), v. a. verkeerd beo•rdeelen, Misdenlean (mis-de-mien), a, is. zilch misdrav atting. s. wangedrag; wanbedrijf. or, — Mlisascribe (mts.es-krajb . ), v. a. ten onrecbte Ken. Misdevotien (mis-de..vo'ejun), a. valsehe venomtnesehrijven. held. Misassign (mis-es-sajn'), v. a. verkeerd sun- Misdirect (mis-di•relit'l, v. a. verkeerd leiden. wijzen. Misbecome a (mis-be-kum') (irr.), v. a. misstaan, Mtsdistinguirda (mis•dis-ting'gwis,j), v. a. verkeerd ondermeheiden. niet passes. — ing, a. onvoe4taarn. Iti tsdo (mis•doe') [im], v. a. & it. bedrijven, Misbegotten (mis-b a. onecht. teeekwaaddoen, miedoes. —c;, a. bonedoener, over , Misbehtly se (mia-be-heev'), v. n. each inisd,ag ra watabedriA, overireding. treder. (.jur), a, wangedrag.

maken. afleveren; voordragen; utter.; (aver) overgeven. (up) uitleveren. —ance, a. bevrijding; verloaaing; Demotic (di-mot'ili)„ a yolks—, van het yolk. allevering; overlevering; voordracht. —er, s. be- Demulcent (de-mursent), a. verzachteud. s. verzachtend middel. vrlider, veriosser. —y, a. bevrijding; levering; Demur (de-tour'), a. aarzeling, weifeling; voerdracht; verslag; bevelling. stel. —, v. a. opschorten; betwijfelen; v. n. Deli (del), a. groove; hull; dal. —e, misleidbaar. (di.ljoed"ibl), a. aarzelen, weifelen; tegenwerpingen maken ; Dediud able exceptien opwerpen (in eenreehtsgeding). —rage (-1joed.'), v. a, mialeiden. --er, a. misleider.
Barkers, o. barracan. liarkas, v. long boat, H arm. m. barbel. liarnsbartig, bv. & bw. merciful ;Ay). v. mercy. Bormte, v. heap of earth. o. heat. midst. liornen, on. w. to ti,rn, Barnsiteesk a. amber. -en, be. amber. Barometer, m. barometer. Boron, m. baron. -en, v. baroness. --ie. v. Iwo ny -ache.), o. barony, baronage. liairrevoet er, To. one that goes barefoot; -breeder, barefooted friar, Cordelicr. -s, bw, barefoot. liarrioad e, v. barricade. -eeren, ov. W. to barricade. B ernalls, be. & low. fierce ( - 1y). harsh ( - )y), gruff -ly). tart (-Jy). -heid, v. fiercenesri, harshttans, gruffness, tartness.
Voirelisic ,f0 re)Cak), a. gerecitteltik. Foreordain (-or- deen'), v. a. voorbescbikken. Fore part, a. voorste gedeelte; hoofd. begin; voorsteven. --passed, R. verieden. —peek (foot' piek), a. het (scheepswoord). Forepossessed (•pos-seat'), a. voorIngenomen. Fore-preventer-stay (•pre-vent'ur-stee), a. looze fokkestag. ForeprIze (-prole), v. a. vooraf schatten. Forerank, a. eerste gelid. ' Fore reach (-rietz)'), v. a. & n. voorbijzeilen, snelier zeilen dau (upon). —recited (-re-aartid), a. vroeger verhaald. Foreright, a. voorwasrtsch; vlug; ad. voorwaarts. Forerun (-run') [ire.], v. a. voorafgaan; voorloopeu. —net (-run'nur), 8. voorloopet; kwartierrnaker; vcorbode. Foresail, a. fok, stagfok. Fore say (-see') [im], v. R. voorzeggen. —see [irr.], v. a. voorzien. —shadow (-sled"o), v. a. vooraf afbeelden (sehetsen). Yore sheet, a. fokkeschoot. —ship, a. voorschip. Foreshorten (-sjort'n), v. a. van voren verkleinen. Foreshow (sjo"! [irr.], v. a. voorspellen; vooraf vertoonen. Fore shrouds, a. fokkewant. —side, a. voorzijde; fraai uiterlijk. —sight, a. voorwetenschap; vooroverleg; voorzorg. —sightful, a. voorwetend,voorzorgend. IF ores ignIf y (-sig'ni-faj), v. a. voorapellen, vooraf toonen. Fore skin, a. voorhnid. —skirt, a. voorpand. Fore slack 1-slekl, v. a. verzuimen. —slow, (-slo'), v. a. ophouden; vertragen; v. n. dralen, talmen. —speak (-spiek') [irr.], v. R. voorspellen, verWeiler,. —spent (-spent'), a. vernpild, uitgeput; voorbij. Foiresprit, a. voorspriet. Fore opurrer (-spuerur), a. voorrijder. —spy (-spa)'), v. a. vooruit raden (gissen)• Forest (for'est), a. boschaehtig, landelijk. a. bosch. woad. —law, wet op de houtvesterij, —ranger, houtvester. —age, s. boschgeid; bosehrecht. —er, s. houtvester; boschbewoner; hooch•achter. —ership, a. houtvesterschap. Forestall (-mtaol"). v. a. vooruit nemen; voorkomen; opkoopen. —er, a. opkooper. Forestay, a. fokkestag. —sail, s. stormfok, voorstengestagzeil. Fore tack, a. fokkehale. —tackle. s. sloeptakel. —tackle-pendent, a. fokkernaathanger. —taste, a. voorsmaak. Foretaste 1-teest'), v. a. voorproeven; een' voorsmash hebben van. —r (-teest'ur), a. voorproever. Foretell (-tell') [irr.], v. a. voorzeggen; v. n. profeteeren. —sr, (-tell'ur), a. voonegger. Forethink (-think') [irr.], v. a. vooraf battenken; een voorgevoel hebben van. Fore thought, a. vooroverleg, voorzorg. —token, a. voorteeken. Foretoken (-to'kn), v. a. voorbeduiden. Foretooth, s. voortand. Foretop, 8. iflilf; fOkkertlar,
N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling.

Zal crypto ooit herstellen in 2019


Minaret (tein'e-ret), s. minaret. klnatory (min'e-tur-rih), a. dreigend. Mine e (mina'), v. a, klein hakken; verzaasten, verbloemen; v. n. trippelen; gemaakt apreken. --ed-meat, gehakt. —e-pie, vleeschpaetei. —ingly, a. bij Mane gedeelten;gemaokt. Mind (mejnd'), a. gemoed; geeet; verstand, gehettgen; neigittg; lust; massing, gevoelen. out of —, onlieugelijk. to cull to herinneren. to change one's mind, van gedachte veranderen. to have a —, lust (zin) hebben. to ;nuke up one's —, besluiten. to pat in —, indachtig maken. —stricken,a. bewogen, aangedaan. Mind (majnd'), v. a. letten op; denken om; bcdenken; in ache nemen; behartsgen; etch sloven aan; v. n. geneigd ztjn. —ed, a. gezind. —edness,..gezindheid.—ful, a. fully, ad. in dacht ig,oplettend „ —fulness, a. oplettendheid. —less, a. onoplettend, gedachteloos. Mine (mails), pr. he (bet) mijae, a friend of eon mijner vrienden. Mine (majn'), a. mijn. —digger, —man, mijnwerker. —pit, mijngroef. —v. a. ondermijnen; v. n. mijnwerk verrichten. —r, a. mijnwerlor, ineur. Mineral (min'ur-el), a. delfstoffelijk. s. delfstof. —ist, a, kenner van delfetoffen. —izsation (-i-zee'sjun), a, verandering iii eene delfatof.—iee (-ajz), a. a, in eene delfstof veranderen. — apical (-e-lod'zjikl), a. delfstofkundig. —split a, delfstelkundige• —ogy (•el'ud-zjih), a. delfstofkunde, Minever (min'e-vur), a. Zie Meniver. Mingle (ming'gl), s. mengsel. --, v. a. tit n. (zich vermengen. —mangle, z. nnengelmoes. —r, a. mengee, vermenger. Miniard (min'jurd), a. zacht, teeder, lief. —ize I chkjz), a. a. vertroetelen. C (min'i-eet), v. a. rood verven, menien. —ure (-i-e-tjoer), a. verkleind, op kleine schsal; s. ieiniatuur. Manikin (min'i-kin), a. klein, lief, —, a. speldje; dreume,je, lieveling. Minim (roin'im), s. dwerg; minderbroeder; klein gedicht; kleine letter; halve coot; grondeling. —um (-i-mum), I. (het) minste; minste grand. Mining (maj'nieng), s. bergbouw, mijnarbeid. Minion (min'jun), a. lieveliug, gunsteling; kolouci (drukletter), menie. —like,—ly, ad. lief, aardig, gemaakt. —ship, a. liefkoozing, ataat van gunsteling. Miasisaurc (mious), a. menie - road. (min'i.j), v. a. verminderen, Minist er (min'is-tur), a. minister, ataatsdienanr; gezah-t; predikant; werktulg. —, v. a. geven, verBehaden; v. n. oppassen, medicijnen geven; benulezaam zijn; dienst doers. —erial, a. —erially, ad. (-teri-el-1, ministerieel; ondereeschilt. —rant, a. dienstdeenci, bedienend. —ration (-tree'sjun), a. di,enst; bediening. —ry (-trih), a. minieterie; enlist; ambabediening; kerkelijke dieust. Minium (min'ium), menie. § Mink (mink), s, ((sort van) wezel. Minnow (inin'no), a. grondeltje, atekelbaarsje. Minor (maynur), a. minder. gernager; jaeger, unnderjarig. --, a. mindeejarigeLtweede stelling

big, to bluster., to beak. -a preker, bragger, roguery, squish trick. noester, --ruder. grandfather. -vorat, grand-duke. Gut, v. codling. bw. dry; frank ( ly), sincere (-ly); --- tegelbeasaarder , lord Gut, be. liberal (-ly), cordial ( ly), kind (-ly). -hartay, I,eper of the great seal. -elijite. bw.groatly.-heicl, be. & bw. frank (-1y); liberal (-1y), cordial (-ly), v. greatnen, largeness, Witless, bulkineAs; tall- kind (-ty). -itartigheid, frankness; liberality, new-, height; importance, enormity, grandeur, eminence, magnitude, nobienees; - ran eiet, cordiality, kindness. magnanimity. -je, a. grandam, granny. -etch, Guldellus, tn. golding. on. guilder, florin. -stale,gullder-ploccsr. grand, Gulden, by. & b e. proud (-ly), haughty ( - UV; triavLificent,noble(-bly).-schhold,v.pride,baughtl - Gulden, by. golden. - petal, golden number, tress; grandeur. magnificence, nobleness. -te, vlies, golden fleece. v. greetnese„ gee, extent, capacity; burden (van Goisiheld, v. dryness; zie Gu3hattrtIgheld. Gulp, Y, billow; drought, gulp; flap. -et, on. w. eery erhip); stature; magnitude. to gulp down. G ro a. trench. o. gross, wholesale; mace, generality; main Guizt,g, be. & low. greedy (-ily), gluttonous (-1y). body. -, v. --se, so. engrossed copy. -setren, ov . -aard, in. glutton, greedy-gut. -Acid, v. grandincus, gluttony. w. to engross; to exaggerate. -sier, on. wholesale• Gunn en. ov. w. to grant, to Vouthsafe; not to dealer- -crab, wholueale-trade. G rot, v. grot, grotto, cave. - aver!, rock-work, envy. -er, m. granter. betoUsest, to grunt a favor. G tease, v. favor. eeite fretted wen k. werkrnaker. rock-work-maker. our sae - ver.oeken, to beg for custom. --tojay, C. Greeeneffille, law. Zie favor-hooting. -bet°. - bootie, favor, mark of gravel, grit, rubbish; powder; coal- (at,sle, m. at v. favorite. fa ion ---podia, grace. -dr,ing, quite dry, hone-dry. - hole, shunt, bv. & bw. favorable (-t.ly), kind (- ► y)• growing-iron. -trooper, coal- eeal place. , be. Zie Gnat, by. not with young, sterile. gravel- merchant. (darts, v. gouge. --en, on. w. to gouge; on w. to ,„,teine (out). Grratzig, by. geavelly. gritty. -head, v. grittiness tn; reit, a. groats; thrayh, ref., -mot:n, oat-m.11- G uttegom, v. gamboge. -teaotee,omittd 4,f•, be. cold, bleek, ebarp, keen; unkind. -held, 0-tt-rneal-porridAe. mill. -tenbrii, waterv. coldness, bleakness, keenness; unkindness. meal, ouckwheat-meal.. -teepee', gruel, Gynnatt4 iek, . gymnastics, pl. gruel. tartalter, tn. core chandler, meal-man. -waren.,


—, gold-wire. is — waard, he is worth his weight in gold. —aster, vein of gold-ore. --anent:, royal-eagle. —berg, —owl; —niOn„ gold-mine. --bears, purse of (for) gold. —t-tasent, dorado, gold-fish. —delver, gold-seeker. —eucht, thirst for (otter) gold, love of money. —dread, gold-wire.—droadtrekker, goldwire-drawer. —erts, gold-ore. —feel, gold-colored, golden. geld, gold coin, gold. —gewicht, gold-weigh!. —glid, —sc./ruins, litharge of gold. --golden, goldfloriu.—haantje,gold-beetle; golden• crested wren. —handel, gold-trade. —kever, brass-beetle. —kiat, strong box; casket. —kleur,goid-color; orptment —klomp, mass (ingot) of gold, —hornet, grain of gold. —host, gold-inset. —ink, gold-lac. —taken,, brocade. —lakensch, brocaded; —e infant, goldpheataut. — leer, gilt leather. —hijns, chryencol. —looter, gold spangle. --maker, alchemist. —makerij, alchemy. —mere!, witwal. —anent, goldcoin. --plotter, —slaver, gold-beater. —porter, gold-powder. --deAtIal, gold-weights, aseay-balonce. —stmederj„ gold.ernith'e art, — workshop. —smelter, gold-reelter, refiner of gold. —amid, gold-smith. —oteaf, ingot of gold. —*teen, touch.. stone; chryeolite. —itof, gold-duet; brocade, tineel. .old-place. —verf„ gold-color. —vervig, gold- colored, gtelden. —ringer, ring-ft-ger.— yin*, gold-finch. gold-flub, dorado, doree, —vlieg, spanish fly. —riles, '401d-beater's skin. - wasscher, ,gold-waaker. —work, gold-mmith's work, gold. —werksr, gold-amith. —worm, glowworm. —wortel, calanditee, daffodil. —send, soldsaad, gold-dust. —teeter, gold 'searcher; alchemist. —zinger, usurer, extortionsr. —enregen, Ittbarnum. —eiloom, marigold, gold-flower. —en, be. golden. Gon‘v, v. celeodlue. Grnatil, ne. degree; rook. —lock, book of charts. bong, crone-staff, Jacob's-staff. —meter, mettle. Grater, v. spade. —iiser, pick-axe. —weak, digging. Graaf, us. roust; (engelsche) earl. —achap, U. county, shire; earldom. Gmlag, bv. eager, greedy, sharp-set, hungry; in demand; — warden, to get an appetite, to take. - bw, eagerly, willingly, readily, with a good appetite. —heti, v. —te, v. eagerness; appetite, stomach. Grano, o. grain, corn. —bouw, cultivation of corn.—gewas, crop (of corn). —handel, corn-trade. —kooper, nom-merchant. —(sorrel, grain of cora. —moat, corri-measure. —markt, corn-market. —Id/ tear, granary. —vloot, corn-fleet, —sect, cernlaw. —colder, corn-loft. Graftatje, n. dram. ee;,— yikken, to dram. Grant, V. fish-bone. van de — caller, to grow very lean. Gratibbel, v. scramble. te gooien, to throw away (to make scramble for). —eve, scrambling. —oar, m. —aarster, v. scrambler. —en, on. w. to scramble (for). —ing, v. scrambling. G encht, v. canal; ditch, moat. Genf, o. grave, tomb, sepulchre. ten grave dales, to die. ten grave dreg., to bury. tot aan het —, till death. aan den rand van het — clean, to be on the brink of death. —gewelfs vault , catacomb. —heave', tumulus. —kelder, —keit, vault.. —tied,

DIetteolioni, v. diagonal. Makes, rn. deacon. —schap, o. deaconship, deaconry. Diakonee, v. deaconess. Dianaant, joa. & o, diamond. —gnat, --porter, diamond-duet, -powder. —atimer, diamond•Cutter. —of, by, diamond, adamantine. Diannseter, in. diameter. Dintrhee, v. Zie Dieht, o. poetry; poem, verses. —adv., pgettell vein. —kundig, poetical. —kunst, (art of) poetry. —hare, poetical whim. —mast, metre. —repel, line of a poem, sterile; —sink, —work, poem. —vane, poetize' rapture, ecstasy. —en, or. w• to •ersity, to compose; to invent, to contrive; on. w. to versify, to write poetry. —er, rn poet. —errs, v. poetess —esprit, be. & bw. poetic, 'poetical (-1y). —erlOkheid, v. Poetic/11nmDicht, by. shut; tight; thick; dense, compact, solid; close. —, bw. tight (-iv; compactly, close. — bit, bard by, close by, near. —en, ov. w. to close, to make close; to mend. —heid, v. tightness; density, compactness, solidity; closeness. vnw. who, which, that, those. DIsset,o. diet, regimen. Dtecf , m. thief. —.hag, bv. & bw. thievish (-ly). --achtigheid, v. thtevishness, m. theft, robbery, larceny; fetterkundio —, plagiarism. Disgene, vnw, Zie Decent.. 11)14init,o. dimity. —an, be. of dimity. Dienftestrunttude, bw. with respect to that. Dien star, m. servant; een — makes, to how. —arts, v. servant; erne makes, to make a courtesy. —der,rn. Zie Gerochtsdienoar.—ea, ov. it on. w. to serve, to be in service; to be of service (use), to suit; to answer. neaten, Monet, m. service, nee, favor, office. to go into the arrx► y, to enlist. een soeken., to look out for a place. — does, to be of service; to be on duty. het is tot uto —, it is at your service, you are welcome to it. de erne. — is de andere werard, one good turn deserves another. —aanbieding, offer of service. —betoon, service. —bode., servant, domestic. — Axis, house of bondage. —Aker—, professional zeal. —jaar, year of service. —kneeht. man servant, footman. -400,,, wage., hire. —niaagd, —add, maid-servant, band-maid. —sickle, risryant.gtrl. —pito/slip, liable to service, bound to serve. —Aid, time of service. —vaardig, by. & bw. ready to serve, officious (-1y). —vaardigheid, readiness to serve, offisioninees. —trii, free from service. obedient. —soak, official (ex officio) buolness. —boar, be. serving, in service; ministering; useful; — makes aan, to make serve. —boarlaid. v. being in service; usefulness; bondage, thraldom. —ire, by. ueeful, serviceable, suitable, pro; ee. —igheid, v. usefulness, serviceableness, suitableness. Dlesafengovolfge, Dienvolgensf, bw. comequently, accordingly. Diet), by. & bw. deep (-ly); profound (•1y), low 1-iyi; far. — gaan, to draw water.—indetkitia, a good deal past fifty. — in seAuldes steken, to be over head and ears in debt. in —e gedachten,

cryptogeld XRP prijs


scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer

Is Bitcoin verhogend


518 self. —looper, idler. —makes, to empty. —en, or. Leeraren, or. & on. w. to teach; to preach. Leer en, ov. to reach, to instruet; to learn. to w. to empty. —le, Y. emptiness. study. —tag, v. instraction, lesson; doctrine. Leek, m. layman, secular. —ebrooder, lay-brother. Leafing, m. & v. disciple, pupil; apprentice. —ereehter, secular judge. —esuster, lay-sister. LeoMk, be. ugly, deformed; had,naety, wicked; 1Leerzaant, by, docile; instructive. —held, v. docility; instructiveneas. angry, cross. —, bw. 1i. , nastily, wickedly, angrily_ crossly. —held, v. ueltness, deformity; Leesbner, be. & bw. readable, legible (-bly). —held, v. readableness, legibility. nestineee, viickednees, croariness. Lenses, o. clay, loam. —hail, loam pit. —achtsg. Lees begirt, v. turn to read. —bibiiotheek. —sntickling, reading-rooms ; circulating-library. by. clayey, loamy. —tack, reading-book. —geselschap, reading-soLeenerin, m. layman, mannikin. clety. —kabinet, —homer, —coal, reading-room. Lteernen, be. loamy. —, or w. to loam. —leseenaar, reading-desk. —teat, desire of readLetrote, v. defect; chum, gap. of ing. —school, resisting-school. —teelcsn, Le en, v. te (ter) — given, to lend. to (let) —era. punctuation. —tud, reading-time. —uur, readgen, to barrow. o fee, fief„ feudal tenure. ing-hour. —wile, —wijze, reading, lection. —besit ter. feoffre, feodary. —boek, fendal register. biii of feoffment. .—dienrt. vassalage, Least, v. last; statute; shape, form. —entnaker, last-maker. escuaae, feudal aerviee. —geld, relief; quit-rent; lion. —enbek, lion 'a-mouth. —enkavt, borrowed money. —goed, fee, lief; vrij —, free- Leoues, lions 'a heart, lion-heart. —enhuid, lion 'Is skin. hold. --beer, liege. —hof, —kanter, feudal conrt. —enhol, —enkuil, lion 'a den. —enemas*, lion 'a —header, —man, feoffee, voteiti. —mangehap, vaaealage. —plicht, fealty- —recht, feudal right, manes. —enmoed, courage of a lion, Intrepidity; law.--roarig,fenda , ,fendal.—roerioheid,feudel- met — besield, lion-hearted, lion •mettled. • —en—envoet, lion ' 8 Ity. —sehatting, feudal. tax. —spreuk, metaphor. land, lion 'is tooth, dandelion. foot, — paw, padelion. —enwelp, lion 's cub, —spreukip, instep horic al . --steleel, feudal system. —verh,liag, renewal of a feat, —erou,o, feoffer, young lion. —oehtia, by. lionlike. cage. —snest, 11.oeuasterik, rn, lark. --skooi,lark's lady uf the manor. lark 's nest. —ssatag, warbling of a lark. Lean en, ov. w. (can) to lend (to); (vox) to bar• .w (from); de hand —, to lend a (helping) hand, Leetrevere, m. me. Zie Louvers. Learev In, Y. lioness. —fje, o. lion 's whelp; lender; borrower. —tr i m. to assist. small dog. ILeekting, v. loan. eene sfaiten, to contract loan. tank vas lombard, loan-office, pawn- Leg, m. laying (eggs). —, v. oaary ; lay. o. legacy. Legsssat, m. legate. braking' establishment. w. to beLeep, he. blear; sly, cunning. —, 1 , w. cunningly; Legal earls, in. legatary. —wen, eq•tuting7y; with contempt. & v. blear- queath.. eyed person. —.gig, blear eyed. —oogigheid, ILegende, Y. legend. ':.,:marednesPs. —erd, in. knowing one, sly blade, Leger, o. bed, couch, litter; den, lair; haunt (ran een wolf); form, seat (ran een hems); camp; army, cunning dog. —held. v. slyness, cunningness. host. —afdeeling, corps.—berieht, —Ng, —ighcid, v. blearedness. battle-axe. —brood, munition-bread. —hoofd, geLeer, v. Zia Leader. trekken, to draw neral. —hut, —tent, tent. —jongen, sie l eer o. Zie Leder. van one ''s word, ..../ooien, o. tanning. —looter, tan- Troeboef, —koorts —siekte, camp-fever. —host, me, tsanery; tanner 'a trade. provizions, soldier 's fare. —kunst, art of enLeer, v. le,son; doctrine; apprentice:411p. in de carniwient. —macht, army, forces. —meter, mill- deen (zija) c(j, to bind (to be bou,d) &pore', tary surveyor, quarter-master. —meting. art of tice to, —hegeerte., —gierigheid s —sucht,studiona- mearuring a camp. caetramttation. —pleats, camp. —scharen, army, host. —stele, bed, bednet., application. —begrip, dovn, principle. —hoek, compendium. —dieht, didactic mere. side, conch. --focht, expedition. —tros, baggage. —gast, —jongen, —meisje, apprentice. —gang, —raven, haggage-waggon. —teacht, cemp-guard. t. w, to encamp. —bp, ov. & on. w. sick course of letters. --grid, apprentice's fee; zebu.), v. mesas meat fog, prem i um; — gecen, to buy wit. —gierig, — praag, desirods to learn. studious. —Jaren, Leg gen, ov. NV. to lay, to place 9 to put. —Gerd, hoard on which the wet paper is laid. —item, —lid, (tittle of) apprenticekhip; school-days. —holaying hen, layer. —hoed, setter. —perarvig, mer, echooi loom. —meseter, master, teacher, pre• counter, medal. —werk, inlaid work, marquetry, ce?!or. —ineesteres, nifstresk teacher. ---,neaterveneering; figures. —ger, tn. guard; sheet on the sehap, office of a teacher, preceptorahip. tympan; nethermost m.01-atone; lighter; board. nino, etudy. —rede, sermon. —regel, maxim, aphorism. instructive. —school. school. —ging, v. laying. spnt,n,e, otaxto,, apophthegm. — erel - Leglurms, o legion. /4g, dogmatical. — sinning, drfrm, dogma. — aid - Ifatcsel, o. Zie 1Legaverk. pelpit, chair. —tank. theo- Leal, v. & o. slate. —dekko*, slater. —gray. slateael, eystera. ;ern dogm, tenet; uncle; precept. —cur, lesson. quarry. —kleurig, slate-eo!ored. —steen, chits.

(hee'tritl), s, heat (oi. to). iiritter (lieVtur), n. hoedenmaker. Flentrberie (hao"burk), s. boretharnas, ad. trotsch, hoognaught y (haoitih), a. hartig, aanmatigend; hoog, verheven. —iness, s. trots, aantnatiging. v. a. & n. hales, )haul (haol), 0. heal, trek. trekker, siepen. —aft, voorhouden, aanhalen. —against the wind, weer aanloeven. —close to bij den wind opsteken. —home, aanthe wind, halen. —taught, stijf hales. (in) aanbrassen. (out) (un) geien; langs den kant zeilen. it nu' itiaorn), s. helm, stern. ihaantsfl, s. heap, eehoft; nehterste. Pitiuut (haant'), a. bezoehte pleats; sehuilhoek. hot. —, v. n. dikwijle bezoeken; verontrusten, kwellen; v. n. rondwaren; spoken. —er, U. druk bezoeker. (ho'boj), s. hobo. alave (hey") [had], v. a. hebben; houden; moeten; wennehen; doen. have a care, pas op, seem u in aeltt. have at you, het geldt u. — at heart, ter harte semen. Halve. (hee'vn), s. haven; vrijplaate. —er, s. havenmeester. (hev'ur)., s. bezitter; haver. —sack, ransel, knanzak. Having thevlenel, a, have, bezitting; gedrag. Havoc], (hev'ulr), s. verwoesting. —, v. a. verwoesten. lituw (loss'), s. erfje; hey; hagedoornbes; dal; heuveltje; nitwas onder het oog; gehakkel. kernbijter. —thorn, hagedoorn. —, v. n. hakkelen, stamelen, hanyek (hash') a. havik; gerochel. —eyed, met volkenoogen. —nosed, met een'hmviksneue. —owl, valkuil. —weed, havikakruid. —, v. a. rondventen; v. rt. met valken jagen; rochelen. —ed, hockig, krombekkig. —er, s. rondventer, marskramer; vaikenier. —ing, s. valkenjacht. 11114W.01 . (haOS'tkr)‘ a. kluis, boegseerlijn. (Any (boo'), a. hoof. —cock, hooiopper. —harvest, —time, hooioogst, —tijd. —loft, hooizolder. —maker, master. —making, hooibouw.. —monde, aardveil. —mow, —rick,—stack,hooiberg. —stalk, hooispier. 7.'errz.nerl (hez'ard), a. toeval, wisselvalligheid; kitno; gevear; dobbelspel. —, v. a. wages; v. n. zieh blootstellen, — wagon. —able, a. gewaagd. --er, s. waaghals, speler. —out, a. —ously, ad. gevitarlijk. tenet, (beer " , s navel, mist. Sinzei (hee'z1), s. hazelaer. --earth, bruise aarde. , Taszelhoen . —mould, thin-, pootaarde. —nut, — hazeleoot. —tree, hazelaar. —wort, hazelwortel. --f)i, so. iiehtbruin. (hee'zili), a. nevelig, mietig. lie ()(P), pr. hi); maneetjes-. —cat, hater. —cousin, neer. --goat, bok. —neighbor, buurman. —servant, )(Hecht. Zilend (hod'), s. hoofd; kop ; top, kruin; knop ; liopstuk ; hoofdeneind piiipunt; lemmer (van ,ere bi:11!; galjoen; hoofdpunt; bran, oorsprong; Inerschuitn ; yens( and. over — and ears, tot over Ito ooren. to Give —., ten teugel vieren. to make —, • hootd birder, to take —, eteigeren. — or tail, 

Is Zcash een vork van Bitcoin


on. w. to shiver (van, with), to shudder (vest, at). roughness, uneouthness; plumpness, bluffnese; —leg, by. shivering, chilly; 'whimsical, freakish, bluntness, dullnem. —hada', v. mv. ab ielve capricious; fantastic, droll. —/igheid,v.chilliness; words. whimsicalness, freaklehness, caprleionsness; fan- Grol, v. silly tale, antic. —len ',taken, to play tasticainess, drollery. —ling, v. shivering, antler —lenmaker, antic, buffoon. —Zen, on. w, to grumble; zie Krollen. —lig, by. & bw. shiver. Grim, v. wrath, anger. —beAken, to show one's facetious (-Iy), foolish (-iy), silly ( fly). teeth. —Zech, malicious smile, grin, —/achen, to Groin, o. entrails (of a Ash). —pot, grumbler. Grommet en, on. w. to welter, to wallow. —in, grin. Grimes, y, grimace, antic, wry face. --‹en ma- be. weltering; dirty.—ing, v. waIlowing;dirt,rnire. ken, to cut faces, to 1)1 , Y antics. --serimakir, Groner"' en, ov. w, to gut (flsh);on.w. to grumble, buffoon, to growl, to scold. —ig, by. grumbling, cross; not well gutted. GrImmelen, on. w. to sworn. GrIntin en, on. w. to loam with raga, to roar; firmed, no. ground, floor; earth; field; bottom; to whine, to whimper. —cc, m. whiner. —ig, be. bank, shallow, depth; basis; principle- cause, & 9w. grim (-iy), furious. (-Iy), wrathful (-Iy). reason. in den —, thorough:y, entirely, radically, perfectly. in den. — boren, to sink, to run down. —4, held, v. wrath, wrath/One., rege, anger. GrIoniken, on. w. to neigh; to sheer, to eunper. to —e gaan, to 'sink, to founder, to be ruined. Grine, v. second flour (of buck- wheat); gravel, to —e richten. to ruin, to undo. —beginiel, principle. —belasti up, grit. —weg, gravel-path. ground-tax. —bestanddeel, fundamental part. —bew(ys, principal proof. Grist en. no. w. to pilfer. —er, in. pilferer. Greet', v. furrow, channel, groove, noteh; grave; —break, breach in a dike. —brief, mortgage. schattine, ground-rent. —eigenaar, landpit, quarry. — *jeer, groovl.g-tool. —werk,chati- holder, landed proprietor. —eiyandoni, real estate, melted work. Groel, m. ;growth. —kracht, vegetation, vegetative landed property. —gebied, territory. —gebouw, faculty. —en. on. w. to grow; (in) to delight in. foundation. —petal, cardinal number,- —haak,gaff, —ing, v. growing, growth. —eel, rr.grov th,—zaam, boat'ehook. —hem landlord, lord of the manor. by. favorable to vegetation. —zaamheid, MAY.- ground-ice. kleur, prime color. —kundig, knowing all the shallows. —Teen, fief. —leer, funabtenees to vegetation. Groan, by. green; unripe; verdant; young, unex- dementsl doctrine, principle. —/egger, founder. o. green, —legging, foundation. —lea, zie Groqdroorel. m. novice. green-horn. perienced. — corrosalc, first cause. —peal, stake to build upon. —color; greens, vegetables; verdure. --beer,—man, —verkeoper, herb-man, green-grocer. —boerin, —paeht, —rente, ground rent. —repel, principle, —verkoopster, —cream, herb-woman. —haring, fundamental rule,axioru.—recht,rights of a mono' green herring. —kelder, cellar where green* are —sap, —sop, grouuds,dregs,sediment.—scheiding, to be had. —mand, green-basket. —markt, herb- dernarcetior► . —slag, basis, foundation, ground. market, green-market. —meisje, girl that sells --vtlenefoundation-stone.—stelling i aitlommaxinr, greens. —noes pot-herbs, green, —tuin, kitchen- —stem, bass. —atof,ele (gent; raw material. —t aal„ cantharie. original !anima? —teekening, plan, ichnography. garden. —wink, green green-shop. —achtig, be. greenish. —en, —tekst, original text. —torn, tonic, key-note, funon. w. to grow green, to sprout out. —heed, v, dements"! tone. —touw,relievinte rope.- -trek,primgreenness. —ig, by. greenish, verdant. —igheid, v. itive 'stroke, — trait, cheracterietic solid, firm, —verdeeling, division of grounds; primitive greeniehnees, verdure. —ling , no. green-finch. Groente, v. verdure; greene, pot-herbs, vegeta- division, diatrieution, —verf, prime color, —terven, to prime. —rest, foundation, fundament,baee. • -soep, soup with greens. Groen —vesten, to found., to ground, to ley the foundaVoor de verdure samenstellingen zie onder tion of. —nester, founder. —vesting, foundation. Grevereitje, o. novice, green-horn; bergamot. —viable, surface, Area, ground-plot, base. —weer(Cree ► , v. group, cluster, crowd; ditch, trench. held, fundamental truth. —werk, ground-work. - eeren,ov.w. to group. Greet, m. greetlrg.oalutation,bow, salute. —en, --wet, fundamental law; constitution. —mord, tvr. w. to greet, to salute, to 'aow to; to take primitice word, radical. —cl a m. —elingon.grouudleave. tic gruel a, adieu! farewell I greet hem van ling. —neon,, by. groundless, bottomless, unfath' msj,remember me to him,preeent my CO ► plitnenrm omable; boundless, inexhaustible, infinite; un(reepects) to him. —eerie, v. salutatio ►., compli- searchable. —eloosheid. v. groundleneness; unfathmente, respects, remembrance. omable depth; boundleeeness, infinitude. —en, Groev e, v. Zie Groef. —en, or. w. to reeve. ov. w. to fouled, to ground. to lay the foundation of, to hue, to prime (Wee/lade', ; on. w. to sound. Groeso, v. first verdure. Grof, be. & bw. coarse (-1y), roogl ► (-1y), uncouth —ig, b v. & bw. fundamental (-1y); thorough (-1r), solid (-1y), profound (-Iy); tasting of the mud. (-1y); plump (-1y), bluff, blunt (-1yo dull (-y); great (-1y). grove fast. groins fault, blunder. — —igheid, v. solidity, profoundness, radicality. geschut, heavy guns, ordnance. grove stem., hellow Groot, o. groat. hall a sliver; wholesale; largevoice. — spelen, to play deep. Alj maakt het to —, hand. in het —, wholesale. de —en, the great. een he goes too far. —grein, grogram. —Wag, cor- spaarisc' d —e, a grandee. —, ha. great, large, big; palest, plump. —/iivigheid, corpulence. —sekrift, bulky, capacious, roomy; tall, high; grown tip; large.hand. black-emith. —echtig, by. important, renowaed, grand, eminent. —e letter, rather coarse, — groan. —held, v. coarsenese, capital (letter). — ear, good hour. — secedes,

Wat is Binance waard


— into; to stake; to propose. —ter, m. first bidder. —tin, v. setting (in); first bidding. o. insigiA, view; design, intention. Inzied en, on. w. fie Inkoken. —eel, o. decoction Inzlen, 0. t(j sorter —, on a tearer examination. ntOns —e, in my opinion. —, ov. w. to look into, to examine; to peruse, to consider ; to see, to understand; to take into consideration, to excuse Inzln ken, on. w. to sink in,— into, — down. Inzitten, on. v. to kit in. er —, to be at a loss, to be in a (nice) ilx. Inznes, by. very sweet. Inzonderheid, bw. especially, particularly. Inzont en, ov. w. to salt, to pickle, to cure. —ing, v. 'siting, pickling, curing. Inzuig en, on. w. to tuck in. to imbibe, to absorb. —ing, v. imbibition, absorption. Inzulpen, on. w. to gulp 1:10W11. Inzuit en, on. w. to pickle. —ing, v. pickling. Inzwnebtel en, on. w. to swaddle in, to swathe. —leg, v. swaddling, swathing. Inzweig en, or. w. to swallow (down, up). —er, m. ewalluwer. —ing, v. swallowing. Inz•eromen, or. w. to overtake; on. w, to swim in, — into, to outer swimming. Ina werese, on. w. to fester in, to rankle, Inzweven, on. w. to come in hovering.. lezwieren, on. w. to come in staggering. Irian, v. iris. I4 our, o. ivory. --draaier, —werker, ivory-turner. —work, ivory-work, -ware. —sand, ivory-dust. —mart, ivory-black. livoren, by. ivory.
The platform stores 98% of customers funds offline to ensure the security of the cryptocurrency assets you purchase and store within Coinbase. On their website, Coinbase assures customers that "sensitive data that would normally reside on our servers is disconnected entirely from the internet." Data is then encrypted, and transferred to USB drives and paper backups, and distributed in safe deposit boxes vaults all over the world. 
23 Betake (be-teer) [betook, betaken], v, a. (to) zich wenden tot, toevlucht nemen tot. Beteem (be-tiem'), v. a. voortbrengen; verschaffen. Betel (bie't1), s. betel. Bethink (be-think') [bethought], v. a. bedenken. — one's self (of I zich te binnen brengen. Bethlehem-star (bethli-em-staar)., s. sterrebloem. Bethump (be-thump'), v. a. afrossen. Betide (be-tajd') [betid], v. a. wedervaren; v. u. uitvallen; (to) overkomen; (of) worden. Betime (be-tajrni, Betimes (-tajmz"), ad. bij tijde. Betoken (besto'hi), v. a. beduiden, voorapellen. Betony (bet'o-nib), s. betonie. Betoss (be-tos'). v. a. schudden) verontrusten. Betray (be-tree'), v. a. verraden. —er, s. verrader. Betrim (be-trim'). v. a. optcoien. Betroth (be-troth'), v. a. verloven. Betrust (be-trust'), v. a. toebetrouweu. Better (bet'tur), a. & ad. beter, meer. 4 —than a year, langer dan een jeer. so much the —, dee te beter. my — half, mijne wederhelft. a. betere; meerderheid. to get the — of one, he overhand over iemand krijgen. —s, s. meerderen. —, v. a. verbeteren, overtreffen. 4 —most, ad. ellerbest. Bettor (bet'tur), s. wedder. Betty (beetih), a. breekijzer. Between (be-twien'), prp. tusschen. Betwixt (be-twiksti, prp. Zie Between. Bevel (bev'il), a. acheef, schuin. hoekmeter. Beverage (bev'ur-idzj), s. drank. Bevy tbev'ih), a. vlucht, troep; kransje. Bewail (be-weal'), v. a. betreuren. Beware (be-weer'), v. n. (of) zich in acht nemen voor, paesen op. Bewilder (be-wil'dur), v. a. verwarren, verbijsteren. Bewitch (be-wits)'), v. a. betooveren. —ery, —ment, a. betoovering. —ing, a. —ingly, ad. betooverend. Beyond (be-jond'), ad. ginds; prp. boven, over, buiten, boorbij. to go —, bedriegen. Bezel (beeil), a. kas van ten' ring. Diemen fated (baj-en'gjoe-lee-tid ► , —bow, a. tweehoekig. Bias n bares), s. overhelling, neiging; vooroor deel. to put one out of one's —, iemand van zijn ;Auk brengen, v. a. doen overhellen, bevooroordeeld maken. —ad (barest), a. bevooroordeeld. Bib (bib), s. slabbetje. —, v. a. slurpen, drinkeu. aeiou8 (bai-bee'sjus), a. eau den drank verslaafd. —ber, a. drinkebrotr. Bibi e (barb1), s. bijbel. —ical (biblikl), a. bijbel , ch. Bibilograph er (bib-li-og're-fur), a. boekenkenner. —ical (-o-grerikl), a. bibliographisch. —y (-fih), s. boekenkunde. a. boekhandelaar. Bibliopolist s. boekverzameBibilotheca ling. —1, a. tot eene boekerij behoorend. —ry ke-rih), 8. bibliothekarts. Biblist (bib'list), a. btlbelkenner. Bibulous (bib'joe-ius),Leponeachttg,opalorpend
KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,

a. getal, aantal; nommer; eel. the golden —, het gulden getal. —, v. a. Not11 ieritiGn Ino-iir.i-kee'sjun),s.kennisgeving. tellen, optellen) —er, a. teller. —less, a; taboos, ( -8 ontelbaax, burz), pl. voetniaat; verzen; Nu—y, (no'ti-fsj), v. a. aankondigen, behead ma; marl (vierde boek van Motes). berichten. ,.en. begrip, denkbeeld . —at, a. Nuntbn,t,. (nunOness), verdooving,verstij dog. Nom.n ;Nuttier able injoe'inicr-ibl), a. telbaar. —al, a. —ally, ad. denitheoldig getalmerk.; telwoord, —at, a. een getal aandulNotoriety (no tar-rare-till), o. algemeene be• i dead; getals-; —figure, eijfer: —letter, getalletter. kendheid. —ally. ad . near het petal. —ary, a. tot een taker Notorious (no•to'ri-tts), a. —ly, ad. aigemeen getal behoorend, —ate (-eat,, v. n. tellen, rekea. Zte Notoriety. hekend, openbaar. (not'i, a. glad, kaalgesehDre ► . —headed.: ban. —atiun (-ee'sjun),s. telling, telkunst. —ator, f% ot v. teller. --ical (-mer'ikl), a. van getallen; een kaalhootdig. —paled, petal aanduldend, petal-. —ically (mer'ikl-), ad. N 441 us (no"tus), s, zuidenwind near het petal. e. rekenaar, teller. —tally Noivelic.1 (not'wlet), s. ongebaarae tarvve. (-os'it.tih), a taltijkheid; welluid.endheid. —out. Notwitbstandiog (not-with-etend'ieng), conj. a. —ously, ad, talri.jk; welluidend. —ousnes, a. nietteonstaande, talrijkheid; welluidendheid. Naught (coot). a. Diets. toset at —, niet tellen, Ntimalsruatic (njoe-miz-met'lk). a. munt-, penniet athten.. ningkundtg. —s, e. penningkunde. Noun (Henan!, s. naamwoord. Nourish (nur'isj), v. a voeden; onderhouden; Nututuary (num'me-rib), a. geld. .pkweeken; (up) groothrengert, —able, a. vathaar Numms (name), s, losse herndlikraag. , vuor yarding —er,s voeder;onde.rhouder.—ing, %mops (Dumps), a. domkop, sal. Numskull (uums'kul), uilskuiken, etoffel. —ed a, voedzaam, voedend. —meat, s. voedsel. (-skald), a. dam, onnoozel. %onset (nez'zI), N. a. opvoedqu; verstrikken Nwvat loar (no-vee'sjun), a. vernie.uvving; nieu- NUIR (nun), a. non; nonnetje wigheid; i,voering van lets nieuwe, —.or (-tar), Nunebion (.11. ' . 1.1), a. avondbrood. Nunci attire (nun'sji-e-tjoer), a. pauselijk pa. a. invoerder van nieuwightden. zantschap. —o, e. pauselijk gezant, aunties. Novel (nov%), a. nieuw. —, a, roman, novelle, N illieUpitt 117t, (nun-kjoe'pe-tiv),—ory,a.plechtig —ist, a. rornansehrijv , r. —ty, s nieuw igheid, November (no-vem'bur), s. November, alacht- verklarend; mondeling. N vanilla, al (nuu'di-nel), a. tut eene jaarmarkt monad. behoorend;jaarmarkt, —ation(-nee'sjun),s,banNoveo ftry (oov'in e-rift), s. negenlal. —nial, ino-vgVni el), a. negenjarig.
Sollars (bol'lurz), a. groote boeien. —timbers, apoatels. Bolster (boarstur). a. peluw; kompres. v. a. van kussenn voorzien; met eeu kompres beteggen; ondereteunen (up). Bolt (boolt), a. boat; grendel; pill; kluiater, —head, distilleerkolf, —rope. lijk (van een cell). Bolt (boolt). v- a. grendelen; kluisteren; ziften; nittlappen; v. n. plotseling to voorschijn springen. —er, a. builmolen. —ing-house, builkarner. —ing- hutch, butlkiat. Bolus (bo'lus). s. groote pit. ri Bonn (bom), a. eerie groote slang. Bomb (bum), a. bomkogel. —ketch, —vessel, bombardeergalloot. —proof, bomvri). —shell. bomkogel.
PON —POlt. 227 ad. prachtig, pralend; hoogdravend. --ouenese, (-lee'ajun), a. bevoiking. —ou s, s, oue tad. bevolkt, volkrijk. —ousness, :.u berolithel a. Zie Pomposity. Pond (pond'), a. vijver. —weed, zwemkruid, man- Porcelain (porsleen),s.porselein.—elay,—earth, poraeleinarde. —shell, porseleinechelp. gehrortel. Ponder, (pon'dur), V.A. overwerenoverpeinzen; Porch (poortaj), a. overdekte ingang, voorhof, v. n. peinzen, nadeoken (on). —able, a, weegbaar. portaal. —once, s, gewicht, zwaarte. —er, a. overv,eger, Porcine (por'sajn), a. zwijnachtig; —ousness,s. zwaarte. Porcupine (por kjoe-pajn), s. stekelvarken. peinzer. —salty —owl, a. —ously, ad. zwaar, gewichtig. 1Por e (poor'), s. zweetgaatje, purls. v. a. (on. upon) itch verdtepen in. (over) turen op. —iness Ponent (po'nent), a. westelijk. Pcniatd (pon'jurd), s. dolk. v, a. doorateken 1-i-neas), a. poreusheicl. Pork (poork'), a. varkenivleeseh; varken.-6ateher , (met eon' hulk). spekslager. —chop, varkensrib. —er, s. zwijn. —et, Punk (pungk). a. nachtapook, kabouter. Pontage (pon ttdzj), a. bruggegeld. —ling, o. big, jong varken. Pontee (pun-tie'), a. ileAbhouder (14) glas- Por ous (po'rus), a. poreus. —osity(-ros'it-tih), —ousneu, s. poreusheid. blazers). Pontiff (pon'tif), e. hoogepriester; pans. Porphyry (por'fl-rib), a. porlier. Pontitic !pun-tIfn), —al, a. hoogeprieeterlijk; Porp oboe (por'puu), —us, a. bruinvisch. feestelkjk. —ale (-el.), pl. prlesterlijk ambtsge- Parraceous , par-ree'sjus), a. lookgroen. wand. —ate (-kot), s. hoogepriesterschap; pause- Porret (poen°, s. ajalotte. lijke waardigheid. Porridge (por'rldni), a. soep; pap. —belly. papPontifice (pont'i flog, a. brugwerk. bulk. —dish, soepkom. —pot, soepketel. Pontoon (pun torn'), a. schipbrug; pont. Porringer (por'rin-dzjur), s, diep bord, soepPotty (po'nih), a. hit. bord, nehaaltja; laatbekken. Food (pooh), s. poed, pud (russisch gewicht). Port (poort'), b. haven; poort; ingang, opening; Poodle (poedi), a. poedel. geachutpoort; bakboord; tonnemaat; houding, pooh (poe), fat. pooh! b.111 oho! I voorkomen; portwijr, to clear the —, ultloopen. Pool (poet'), s, poet; inzet. ---ccunters, speel- —admiral. havenadrairaal. —bar, poortlegger. --charges , havengelden—eha8e,jaagoort—clear markjes. --snipe, poelsnip, . p . Poop (poop'), s. achtersteven, hut, kampanje. ing, bet uitloopen. —hinge, poorthengsel. —hole, gesekutpoort. -- last. potdeksel, dolboord. —lid, -.awning, zonnetent. —ladder, kampanjeladder. poortluik. --light, kajuitraana. —man. inwoner —lantern, heklantaren. --royal, bovqnkajuit. Poor (poer'), a. — ly, ad. arm; sehraal, dor; eener havenstad. —mote,havengerecht. —padlock, maser; rileudig, armzalig. (de) Armen. valiesslot. —reeve,sehouteener hevenstad. --rope, —box, armbus. —house, armhuis. —john, atok- poortschinkel.--sait,ballastkleed.—ea/e,spoedige vlseh. —law, armenwet. —man's-pepper,. peper- verkoop der lading (b het binnenloopen). wortel. —rate, armengeld. —spirited, moedeloom. poortdrenipel. —tackle, poorttalle. ---timber, iathartig. --4piritedness, a. laCharttgheid. —ish, poorthout. —town, havenrstad. —vein, poortader. a. armelijk, armzalig. —ly, a, ongesteld, lijdend. windpijp. —wine, portwijn. a. armnedigheid; sehraalheid; magerheid; Port (poort'), v. a. dragea; near bakboord wenden. —able, a. draagbaar. —ability (-e-birit-tih), Pop (pop), a. klap, slag, pof. —gun, a. klakke- —ableness, a. draagbaarkeid, —age, s. (het) drabus. —, v. a. and bewegen. (away) haastig rer- gen; draagloon. s. portaal; poort; ingang. bergen. (into) instoppen. (off)afschieten; afeche- —once, handing, voorkomen. pen. (out) later ontglippen. (out of) ult den zak Portcullis (poort-kuPlis), a. vaideur. kloppen. —, v. n. kioppen, potter; nick echielijk Porten d (pur•tend'), v. a. voorspellen. —t, s. vertoonea. (in) binnenstusven. (into) instoppen. kw aad v-aorteeken, voorbode. a.- onheil(off) nick nit he voeten waken. (on, upon) aantref- spallend. ten. (out) near buiten snetlen. Porter (poor'tur), a. pnrtier; krttier; porter ibier). Pope (poop'), a. pane. —fly b korenworm. —,Joan, —age, s. draag-, kruiloon. z'-ker kaartapel. eye,(net) vet in een' schape- Porifollo (poort•foli-o), a. porteteuille. bout. --'s-head, raagbol. --dom. a. paundom. —ry, Portico (poor'ti-ko), a. nuilengang, portieh. a. paungezindheid. Portion (noor'sjun), s. tkandeel; erfdeel, kindsPopinjay (pop'in-dnjee), s. mogul; boom- gedeelte; huwelijksgoed, uitzet. —, v. a. ultdeespeeht; fat, saletjonker. len; (with) ten huwelijk medrgeven. —er, s. nitPopish (po'pinj), s. —ly. ad. pauegesind, paapsch. denier. —ist, s. deelheb ber (eau zekere ink° oaten). Poplar (pop'ler), a. populier. —galls, populler- Port Illness (poort'll-news), s. deftigheid. —ly, knoppen. —tree, popullerboom. a. deftig; voraarlijvig. Poplin (poplin), a. stof van wol en zijde. Portmanteau (poort-men'to), a. valley, mantelPoppy (pop'plh), a. slag bob. zak, Popo' ace tpoplos les), a. gepeupel, grauw. Por2ofse (poort'is), a. Zie Portlast. —ar. a. —arty, ad. volke-; voor het yolk; hij Portrait (pooetreet), a. portret. —painter, porhet volk gezien. —arity a. votkagunst; tretsehilder. —urn (-joer). a. (het) portretschilgesehlktheid voor het volk. —arize (-ler-ajz), v. deren; portret, afbeelding. a. algemeen bemind maken. —ate (-beet), v. R. Portray (poor-tree'), v. a. portretteeren;afbeelbevolken; v. n. nick vermenigvuldigen. —ation den, afschilderen.

Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.


diepgang; meat —, v. a. verpanden; meten (eels rehip). Gaggle (geg'g1), v. n. snateren. Gain (geeu'), a. —ly, ad. i handig. —, a. wine, voordeel; keep. —, v. a. winnen; verkrtjgen, bereiken. (into) overhalen tot. (over) overhalen. —, v. n. rijk worden; vooruitgaan. (on. upon) winnen op, invloed krijgen op. —er, a. winner, verwerver. —ful, a. —fully, ad. winstgeveud, —leas, a. onvoordeelig. Gainsay (geen'aee) [ire.], v. a. tegenspreken; ontkennen. —er, a. tegenspreker. Gainstand (geen'atend) [irr.], v. a. wederstaan. Gabel's!, (geeetsj), a. —ly, ad. zwierig, opzicht1g; buitensporig; uitgelaten. —ness, a. zwierigheid; uitgelatenheid. Gait ((eat'), a. gang, tred. heavy—ed, eete zwaren gang hebbend.eow —ed, ten' langzamen gang hebbend. Gaiters (gee turz), a. slopkousen. liallteritiite ige lek'te.11), y. melkmteen.
In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]

cryptogeld hoe te beginnen


PAS.— PAY . gesteente. —board, a. bordpapier; a. van bard- Patten ce (pee'sjens), a. geduld, volharding. papier.. —pot, etijfselpot. —t, s. lijder, patient. —t, a. —tly, ad. geduidig, v, a. plakken; (up) opplakken. volhardend, gelaten (of). Pastel (pes'til), a. weede; zie Pastil. Patin (pet'in), a. deksel op den mitkelk; echoPastern (pee'turn), a. hiel, koot (van een paard); teltje, blaadje. voetzool. —joint, voetgewricht. Pat ly (pet'lth), ad. jaist, net van pas. —nest, Pastil (pes'til), s. reukballetje; pastel. —painting, s. reschiktheid, passendheid. het pastel-schilderen. Patriarch (pee'tri- aark), s. aartsvader, patriarch. Pastime (paas'tajm), s. tljdverdrijf. —al (-aar'kel), a. eartavaderlijk. —ate(-et), Pastor (paan'tur), a. herder; geestelijke. —al, —y, a. patriarehaat, aartsvaderschap. a, herderlijk; landelijk. —al, s. herderszang, Patrician (pe-trisren), a. patriciach. s. pa-dicht. —ate (-et), s. herderlijk ambt. tricier. —/y, a. herderlijk. —ship, s. berderseb.ap; Patri tide (perri-sajd), s. vadermoord; vaderzorgersehap. moorder. —menial, a. —menially, ad. (-mo'ni-el-), Pastry (pees'trih), a. pastel, taart; pasteibak- geerfd; get, —mony(-mun-nih),s. vaderlijkerfdeel. kerij. —cook, pasteibakker. —work, pasteien. Patriot (pee'tri-ut), s. vaderlander, patriot. —, Pastor able (paast'joe-ribl), a. geschikt ter be- is (-ot'ik), a. saderlandslievend. —ism, s. vaderwelding. —age, a. weide; hoeding. —e, a. weide; landsliefde. voer. —ground, —land, wetland. —e, v. R. & a. Patristic (pe-tris'tik), —al, a. van de aerate kerkweiden. vadera. Pasty (pees'tih), a. deeg , , papachtig. — (oak Patrol (pe trool'), a. patrouille, rondo. —, v. a. pes'tih), s. pastel. doorkruisen; v. n. de ronde doen. Pat (per), a. & ad. geschikt, juist, precies. —, Patron (pee'trun). s. patroon, beschermer, bea. klapje, tilt: klompje. —, v. a. zacht glean, gunsttger; beschermhellige, sehutspatroon; kepitikken, kloppen. tein, gezagvoerder. —as, a. patrones, beschermPatotche (pe-taasj"), s. wachtschip, uitlegger. ster; besehermheilige. —less, a. zonder bescherPatch (petsr), a. lap , stuk, reepje; strook lauds; mer of patroon. reoesje; hens -worst; sehobbejak. —work, lap-, Patron age (pet'run-idaj), s. beschermer, beknoeiwerk. —, v. a. lappen, verstellen; semengunstiger; beschermheerschap; believing van een flansen; met moesjes beleggen; (up) oplappen; kerkelbk ambt. —al, a. besehermend. —ire(-ajz), eamenlappen; oppervlakkig genezen. —er, a. v. a. besehermen, begunstigen. —izer (-ajz-ur), lapp3r; knoeier. —cry, a. lap-, knoeiwerk. a. beschermer, begunstiger. —ymic (-nim'ik), s. Pate (peet), a. hoofd, kop, bol. geslachtsnaam. Patefaction (pet- e- fek'sjun), s.openbaarmaking. Patten (pet'tin), s. voetstuk; klomp, overachoen. Patel' a (pe-tel'le), s. kniesehljf; eenschalige Patter (pet'tur), v, a. (out) uitkrabbelen; v. n. achelp. —iform, a. schotelvormig. trappelen; kletteren. —er, a. marktschreeuvfer. Paten (pet'ln), s. Zie Patin. Pattern (pet'turn), s. patroon, model. monster, Patent (perent), a. open, openlijk, openbaar; steal. —book, staalboek. —card, staalkaart. —, eeoctroieerd. letters —, opene brleven. —, a. v. a. tot model dienen voor; namaken. open brief, octrooi, brevet. to take out a —, een Patty (pet'tih), a. pasteitje. —pan, pasteipan. oetrooi nemen. brevet. —rolls, register Patulous (pet'joe-lus), a. wijd, uitgespreid. der octrooien. — ee a. geoctrooieerde. ge • Panel loquent (pao-silo-kwent+, a. onspreakpatenteerde. zaam. —loguy (-kwih), a. onspraakzaganheid. —ty Patern al (pe-tur'ne11, a. vaderlijk. —ity ( nit(pao'sit-tih), a. klein getal, kleine hue'eelhetd. tih), a. vadersehap. Paunch (paantsj'), a. bulk, pens; zwichting, leiPaternoster (pee'tur-no,t'ter), a. paternoster, eels. —bellied (-bet-lid), a. dikbuikig. —, v. a. (het) Vadee Ons. ontweien. Path (paath'), s. pad, weg, Juan. —way, voetpad. Pauper (pao'pur), a. aime; bedeelde. —ism, a —, v. a. den weg banen; doen voortgaan; v. n. armoede. —ire (-ajz), v. a. & n. verarmen. gaan. —less, a. ongebaand. Pans e (paw), s. pauze, rust, verpoozing; gePathetic (pe thct'ik), —al, a. —ally, ad. Meldaehtestreep; rustteeken; tweestrijd, weifeling. roerend, aandoenlijk. —airless, a. zielreerend—, v. n. verpoozen, rusten, stilhouden (at); naheld, aandoenitjkl ► eld. denken (on. upon). —er, a. die ophoudt; nadenPathognom onic (pe-thog-no-mon'ik), a. de ker; weifelsar. —ingly, ad. met tussehenwezenlijke teekenen eener ziekte aanduidend. poozen. —anise, pl. leer der ziektekenteekenen. —y Pave (peev'), v. a. plaveien; bevloeren; banen. -thog'no-mih), a. kertnis van de teekenen der —ment, a. plavelsel; vloer; etraatweg; trottoir; hartatochten. —beater, etraatslijper. —r, a. ',leveler, straatPatholog 'cal (peth-o-lod'zjikl), a. van de maker. ziektenleer. —iat (pe-thol'ud-ziist), a. ziektenleer- Pavier (peev'jur), a. Zie Paver. kundige. —y (pe-thol'ud-zjil), a. ziektenleer, Pavilion (pe-villun), s. paviljoen; tent; vlag. ziektenkunde. , v. a. met eene tent beaehutten; van tenten Pathos (pee'thes), a. hartstoehtelijkheid, nadruk, voorzlen. gevoel. Paving (pee'vieng), a. beatrating. —beetle, streetPatibulary (pe-tib'joe-le-rib), a. van 0,e galg; stamper, duffer. —brick, vloertegel. —mar5le, galge-. marmeren vloers teen. —stone, vloersteen.
—tong, zit Flisetn•r. —er, m. —tier, v. coaxer, Fiuksch, be. clever, dexterous, expert. FLUT, Fluteliers, bw. presently, anon, by and by. fawner, wheedler, —er(i, v. coaxing, fawning. Fluureol, o. velvet. —bloem, amaranth. —boon, Floor, v. clot, giglot, dowdy. velvet-tree. —werker,velvet-weAver. —acklier, —en, Fivers, m. flap, blow, slap, be. & bw. phlegmatic be. velvet, velveted, velvety. Flagrone, o, phlegm, —tisch, o. weasel. (-ally). Fnlexen, on. w. Zie Flenters, in. me. Zie Flardera. Flap, v. mallet, infant's cap. non de — si,n, to Fnulk en, ov. w. to clip the wings to, to break, ion given (addicted) to drinking, —pen, no. w. to check, to stop. —big, v. clipping the wings, breaking, stoppage. Lie Fe pen. Footless', n. race. FierecUs, o. gout. Fleacle, v. bottle, flack, flacon. op flessehen trekkers, Foe, tew. fy t for shame ! to bottle. Leidsehe —, Leyden ar. op as — zips, Foel le, v. mace; foil, silvering. —'fa, ov. W. to foliate, to silver (over). to be ruined. —je, o. phial. Fileaseke lbak, ie, o. bottle-tray, -stand. —ebar. Fok, v. fore-tail; spectacles. —bebrav, fore-brace. stet, bottle-brush. —ebiater, —maker, bottle- —bentast, fore-matt. —keret, fore-yard. --barest, maker. —nbeider, bottle-cate. —nrek, bottle-rack, fore chain-wale. —keiehoot, fore-skeet. —kestag, ', Sets, be. faded, pale, pallid. —heid, v. paleness, fore-etey. —ksateng, fore-topmast. Fokit en, ay. w, to breed; on. w. to wear specpalildnses, pallidity. Fleur, m. bloom, prime; flourish; mirth. —, v.. taclee; to drop out, to stink off. —er, m. breeder. fishing-line. —en, on. w. to fish with a tine. —erif, v. breeding' of cattle. —ig, by flourishing, sprightly. —igeeid, v. flour- Foteu, ov. w. to handle, to paw; to vex, to tease, ishing et-ate, sprightliness. Foil nut, m. folio, folio-volume. —eeren, or. w. FIliellool en, ov. w. to cola, to fawn, to to page. —o, v. folio, page. wheedle, to cajole. —er, m. — afar, v. coaxer, Falter ear, in, torturer, tormentor. —en, ov. fawner, wheedler, cajole, —eri), v. coaxing, to torture, to torment. —bank, rack, torture. fawning, whue ;Mug, cajoling, instruments of torture, —jog, v. torture. Flak ken, or. & on. w. to gplees to patch, to Fontwel ee r, m. fumbler, rumple, —en, ov. w. cobble. --er, ra. piecer, pate, er ; caper ; ten — to fumble, to rumple. —ing, v. fumbling, Elwin, to cut capers. rumpling. Filkkoe en, on. w. to glitter, to sparkle, to Fundament, o. foundation, fundament; bum, arse. glare. —leht glittering light. —roar, finch, gilt- tering fire. —ing, v. glittering, eparkiing, glimpse. Fonds, o, fund, stork, capital. —en, ma. stocks. public funds; capital. Fllketer, v. Zie Flakker. Flank, be. & bw. clever (-ly), brisk (-1y), lively; Tonkel en, on. w. to sparkle. —nieuw, bran-new, spick-and•span new. —ing, v. sparkling. very well . Fontein, v. fountain, well. —oder. fountain-head. Fitts, m. dart, arrow. Flodder, in. dirt, mire. —bleed, loose garment. —bask, —Lane, basin of a fountain. —bale, —boo, stacking that hangs down upon the heals; pipe of a fountain. —water, spring-water. sloven, slut. —natie, fougade. —weer, slut. —meta, FonttseCI, v. fontanel., issue. loos cap. --roe, sloven- --en, on. w. to dangle, Fool, v. fee, veils, drink-money. Fop peso, ov. w. to cheat, to mock, to hoax, to to flap; to bungle; to splash trough the mire, quiz. —per, m. —ester, v. cheater, wag. pert), v. Floers, o, crape; veil, shadow. Flonker en, on. w. to sparkle, to twinkle, to cheating, banter. glare. --Licht, sparkling light, luminary, —ater, Fort.l, v. trout. v. sparkling, Formant, o. form, size. —repel, stamp, twinkling star; luminary. Fortune!, be. & bw. formal (-ly). twinkling, glare. o. ferret. —garen, fer- Formeer der, m, former. —en, ov w. to form. Floret, a. foil, floret. —ing, v. formation. ret-thread. —tint, ferret-ribbon. —side, ferret- Forum' e, v. formula. —ier, o. form, formulary; Bilk. fiere•-silk. —ten, be. ferret. —gebed, formulary-prayer. FlorLJn, m. florin, Fornsie, o. furnace; kitchen-range. F10118, v. pretext, shift. Forsch, bv. & bw. robust (-1y), stout (-1y); %tern Flonw, v. snipe -net. Fiala", v. phlegm. —aohtig, be. pltaitous, phleg- (-1y), harsh (-1y). —held, v. robustness, stoutness; sternness-, harshness. made. —en, on. w. to expte.torate. Fluileter tsar, in. —aarster, v. whisperer. —ex, Fore, o. fort, fortress. ov. & on. w. to whisper. —ing, v. whispering, Fortuln, v- & o. fortune. --roeker,fortuue-hunter, adventurer. whisper. foselle. Fl v. fine, de — fawn, Gp de — opelen, to Foselel., by. & o. testa, site. v. forage. —ageeren, on. w. to forage. play the flute —does, •—baker, flute-box, Mite- Four —ier, m, forager, quarter master. case. —olas, long necked glass. --eehle, flute. Font, v. fault, mistake, blunder. sender —, —spa, flutirre. —sprier, flute-player, fluter. —en, & on. W. to clay on t•e flute, to whistle; out, fail. certainly. —ief, bv. faulty. to hiss; to sing (van vogels). —er, m. 'whistler. Frani. by. & bw. handsome (-1y), pretty (-fly), fine (-1y). —had, v. handsomeness, prettiness, —je, o, whistle. beauty, —tjes, be. prettily, nicely. bar. Immediately, quickly.

Wat is de beste e-portemonnee cryptogeld


Amability (em-e-bil'it.tih), a. lieftalligheid. Amadou (em'e-doe), a. zwam. Antaiganta te (e-mellge-meet), v. a. vermengen. —lion (-mee'sjunl, a. vermenging. Amanuensis (e-men-joe-en'sia), a. afschrijver. Amaranth (enee-renth), a, duizendechoon. —ins (-ren'thin), a. amarantben; onverwelkelitjk. Amass (e-maas') V. a. ophoopen. Amatory (em'eAur.rin), a. de liefde betreffend. —potion, minnedrank. Anna. a (e•meez'), v. a. verbazen. —ement, a. verbazing. —ing, a. —injiy, ad, verbazend; § ontzettend. Antezon (em'e-zon), a. amazon.. Ambages (em-bee'dzjiz), a. wijdloopigheid. Ambass ador (em-bea'ae-dur), a. gezant, —y lem'bes-aihl, a. gezantschap. Amber iem"bur), a. amber; a. van amber. yellow—, barnsteen. —prig, ambergrija. Ambidez ter (em-bi-deks'tur), a. iemand, die rechts en links te gelijk is; dubbelhartig mensch. —trous, a. rechts en links zijnde; dubbelhartig. Ambient (em'bi-ent), a. omring-end. Ambiguity (em-bi-gjoe'it-tih), s. dubbelzinnighetd. Ambiguous (em-big'joe us), a. —ly, ad. dubbelzinnig. —nees, a. dubbelzinnigheid. Ambit (emlbit), 8. omtrek. Anabiti on (eitt-bis'ajun), a. eerzucht; I, haat, wrok. § —on, v, a. jagen naar sets. —ous, a. (of), — ouslv, ad. eerzuchtig. Anibi a (em'b1), s. telgang. —e, v. n, den telgang giian. —er, s. telganger. —ingly, ad. in den telgang. Ambrosi a (em-bro'zji-e), a. 'ambrozijn. —al, —an, a. van ambrozijn; kostelijk. Ambry (ein'brih), a. provisiekast. Ambs ace (eenaz'ees), o, dubbel aft.. Ambui ante (ein'bjoe-lens), a. draagbaar hospitaal. —ant, a. rondtrekkend. —ation (-lee'sjun), a. rondtrekking; wandeling. —atory a. wandeleed. Ambuscade (em-bus-keed'),Ambusitlem'boesil, s. hinderlaag. —, v. a. in hinderlaag stellen v. n. iii hinderlaag ligeen. Amber at Ion ( em-bue'tjun), s.branding, schroeiing. Antellorat a (e-miello-reet), v. a. verbeteren. —ion (-ree'sjun), a. verbetering. Atnen tee'men), ad. amen; zoo zij het. Amenability (e-mi-ne-bil'it-tili), a. aartsprakelijkbeid; gezeggeitikheid. A litts'irsable (e-naPnibi), a. aanaprakelijk; gezeggelijk. —neon, u. Zie Amenability. Amend (e-mend'), v. a. verbeteren; v. n. beter worden. —able, a. verbeterkjk. —er, a. verbeterear. —went, a. verbetering; wijziging. —8, a. vergoeding. Amenity (e.men'it-tiix), a. bekoorltjkheid. Amerce (e-mars'), v. a. beboeten. —ascot, s.boete. —r, a. beboeter. ,%.tneihyst (ern'e-:hint), a. amethist. —ins (em-ethistlin), a. amethistkieurig. Amiability (ee-mi-e-bil'it-tih), a. beminnelijkheid.
Litecoin, however, uses the scrypt algorithm – originally named as s-crypt, but pronounced as ‘script’. This algorithm incorporates the SHA-256 algorithm, but its calculations are much more serialised than those of SHA-256 in bitcoin. Scrypt favours large amounts of high-speed RAM, rather than raw processing power alone. As a result, scrypt is known as a ‘memory hard problem‘.
dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.

Wat zijn de belangrijkste Cryptocurrencies

×