Volit ion (vo-lisfun), a. wil, wilskracht. (vol'i-tiv), a. willend; — faculty, wilvermogen. Volley (vol'lih), e. vlueht; salvo; losbarating; stortvloed. —, v. a & n. uttatooten; /own; (doen) losbaretan; zich ontlasten. Volt (voolt), a. zwenkinr,v o 1 l e. Voles: ble (vol'joeb1), a. —bly, ad. rolbaar; rotlend; beweralijk; rad van tong, woerdenrijk; aloe, vloeiend. — bilify ( - birit - tih), a. drattiing, roiling; bewegelljkheid; radheid van tang; woosdenrijkheld; vlotheld. Volume (vol'joem), a. rot; omvang, mesas; boekdeel; go:f. Voluminous (vo-)joe'mi-nus). a. —ly, ad. to vele rollen (boekdeelen); uitgebreid; dik. —nest, a. ultgebreidbeid; omvang, grootte. V &cant arily (vol'un-te-rli-iih), ad. —ary, a. —arinesa (-ri.ness), a. vrijwilligheid. —ary, a. phantom's (in de muziek); vrijwilliger. —ter (-tier"), a. vrijwilliger. --ear (-tier'), v. a. veijveillig aanbieden; verriehten; v. n. ids dianen. Voluptu easy (co-lueljoe-e-rib),s. wellasteling.

Welke cryptogeld is onvindbaar


96 Evita ble (ev'i-tibl), a. vermijdelijk. —te (-teed, Excarn ate (eks-kaar'neet), v. a. ontvleezen. —ification (-ni-fi-kee'sjun), es. ontvleezing. v. a. vermijden. —tion (-tee'sjun), s. verrnijding. Evocation (ev-o-kee'sjun), s. oproeping; weg- Excava te (eks'ke-veet. eks-kee'veet), v. a. nithollen . —tion (-ke-vee'sjun), a. uitholling; holte. roeping. —tor, a. uitholler. Evoke (e-vookn, v. a. oproepen; § uittarten. Excecation (eks-si-kee'ajttn), a. verblinding. Evolallon (ev-o-lee'sjun), a. wegvlieging. Evolution (ev-o.ljoe'sjun), a. ontvouwing, out- Exceed (eks-sied'), v. a. overtreffen; overzchrijden; v. n. te ver glom. —log, a. —ingly. ad, onworteltrekking; beweging (van trot. gemeen, bu;tengewoon. pen). Evolve (e-volv'), v. a. ontvouwen, ontwikkelen; Excel (eks.eel'), v. a. overtreffen; v. n. uitmunten; —sior, a. booger. v. n. zich ontvouwen lopeneo)• Evotnition (ev-o-misrun), a. braking, opgeving. Excellen ce (ells'ael-lens), —cy, a. voortreffelijkheid, uitmuntendheid. —cy, a. excellentie Evulga te (e-vurgeet). v. a. ruchtimar maken, (titel). —t, a. —tly, ad. voortreffelkjk, uitmunverspreiden. —tion l ev-ul.gee'sjun‘, e.verbreiding. tend. Evulsion (e-vursjun), a. uitrukking. (eke-wept'), v. a. uitzonderen, ultsluiExcept Ewe (joe'), a. ooi. —Iamb, ooilam. —, v. n. lamten; v. n. tegenwerpingen maken (against. to). meren. prp. uitgezonderd, behalve. —ing, prp. ult. Ewer ijoe'ur), a. waschkom; lampetkan. genomen, met uitzondering van. —ion (-sep'vjunl, Ewry (joe'rih), s. koninklijke-tafeldekkersambt. a. uitzondering; tegenwerping. —ionable (-se? Exacerb ate (egz-es'ne-beet), v. a. verbitteren, sjun-ih1), a. betwistbaar. (-sep'sjus), a. —ation (-bee'sjun), a. verbatering. —ation (-bee' gemelijk, lichtgeraakt. —ire, a. uitzonderend. ajun), —escence (-bes'eens) a. hoogete punt (eener —less, a zonder uitzondering. —or, a. tegenziekte). strever, gisper. Exacervation (egz-es-ur-vee'sjun), a. ophaoExcern (eks-surnl, v. a. uitpersen; klenzen, afping. zonderen. Exact (egz-ekt'), a. —ly, ad. nauwkeurig, zorgvuldig, etipt. —ness, a. nauwkeurigheid, atipt- Excerpt (eke-surpt'), a. uittrekael. v. a. uitzoeken, uitkippen. —ion (-surp'sjun), a. uitheid. v. a. vorderen, eischen, afpersen; kipping. —or, a. uitkipper. v. n. (upon) te veel afnemen; drukken. —er, —or, a. eiacher; knevelaar. —ion (-ek'sjun), a. af- Execs* eks-ses')., a. overdaad;* overtolligheid; buitenaporigheid. —ire, a. —iveiy, ad. overmaverging. tig; verregaand; buitensporig. Exaggera te (egz-ed'zjur-eet), v. a. overdrij• Nen, vergrooten. —tion (-ee'sjun). a. overdrijving. Exchange (eks-tsjeendzy,, a. roil, wisseling; wissel; wieselkoers; beura. in —, in roil; dear—tory (-a tut...1. th), a. overdrijvend. entegen. till of —, wisselbrief. —broker. wisselExagita te tegz-ed'zji-teetj, v. a. bewegen; echudmakelaar. —, v. a. verruilen. wisselen. —able, den; beroeren; berispen. —lion (-tee'sjun, a. a. verwisselbaar. —r, s. wisselaar. beweging; beroering. Exalt (egz-aolt'), v. a. verheffen, prijzen; in ver- Exchequer (eks•tsjek'ar), a. (engelsche) schatkiet, rekenkamer. court of —, aleerneene rekenvoering brengen; zuireren. — at ion (.el - tee'sjun), kamer. —60/8, schatkisthiljetten. a. verhefilng; vervoering; zuivering. —edness, s. Excis able (eks-sajz,'ibl), a. onderbevig aan verheve,nhetd; trotschheid. aecijna. —e (-sajz"1„ a. accijns; —man, kommiee; Examin able (egz-em'i-nibl), a. dat onderzocht —office, accijuskantoar. —e, v. a. met acans ken warden. —ation (-nee'sjur), a. onderzoebelasten. king; examen; verhoor. —e (-in), v. a. underzoeken; navorschen; verhooren. —ee (-nie"), a. Excision leks-sizrun), s. uitenijding, uitroeiing. Excit ability (eks-saj-te•birit-tib), s. prikkela. onderzoeker, ondervrageexamineerde. —er, brierheid; lichtgeraaktheid. ger; Nerhoorder. Excit able (eks•sartibl), a. prikkelbaar, lichtExample (egz-aam'pll, s. voorbeeld. geraakt. —ant, a. opaekkend middel. —ation Exanim ate (egz-en'i-met), a. ontzield, leven(-si-tee'sjunk a. opwekking. —atise 1-te-ttv), loos; droomerig. —ate (-meet), v, a, ontzielen. —atory (-te-tur.), a. opwekkend, aansporend; —ation (-mee'sjun), a. ontzieling. —ous, a. leopwindend, —e (-slajt'1, a. a. aansporen, opwekvenloos. ken; opwinden. —ement (-sajt'ment), a. opgeExanthem (egz-en'them), a. huiduitslag..—atous wekt held; opgewondenheid. —er, a. opwekker. (-them'e-tus), a. uitslaand; vol uitslag. Exarch (eks'aark), s. onderkoning; landeoogd. Exclaim (eks kleem% v. n. uitroepen; (against) schreeuwen tegen. —er, a. schreeuwer. —ate (-er-keet,, a. onderkoningschap; landvoogdij. Exarticulation (ego -aar-ttk-joe-lee'sj un) , s. Exciama taw) i(eks-kle•mee'sjun), a. uitroepingsteeken. —ory (-klem'e•tur-rth), a. uitontwrtchting. roepend. lExaspera te (egz-es'pur-eet), v. a. verbitteren; tergen; verergeren. —lion (-ee'sjun), a. verbit- Exclu de (eks-kloed"), v. a. uiteluiten (front). —sign (-kloe'zjun), s. uitsluiting. —sive (-kloe'siv), tering; terging; woede. Excandescen cie (eks-ken-des'sens), a. gloei- a. uitsluitend; (of) met uiteluiting van. —*it'd!, (-kloe'siv-), ad. bij uttsluiting. ing; gloeihitte; toorn. —t, a. gloeiend; gloeiExcogita te (eks-kod'zji-teet), v. a. uttdenken; end heet. Excautation (eks-ken-tee.sjrn), a. ontt °mt. verzinnen; v. n. nadenken. —lion (-tee'sjun), s. denlr.ing, verzinnieg. ring.
Cuckhig-stool (kuk'ieng-stoel), s. duikstoel, Culture (kulrjoer), a. landbouw, kweeking; beBehaving. —, v. a. Zie Cultivate. dompe!stoel. Cuckold (kuk'uld), a horendrager. v. a. tot Culver (kul'vur), a. duif. —house, duivenhok. horendrager maken. —maker, verleider van ge- —key, akelei (plant). —tail, zwa , ,,staart (in trouwde vrouwen. -Om (-darn), a. horendrager- timmerwerk). schap. —ly, a. als een horendrager; verachtelijk. CulverIn (kul'vur-in), a. veldalang (1-anon). Cuckoo (knk'oe), S koelcnek; ellendeling. —bread, Culvert (kurvurt), a. overdekte doorloop (v6or koekoekshrood. —bud, —flower, koekoeksbloem, water); tunnel. —yinyflower,maagdenpalm. —pint, arum (plant). Cumbent (kum'bent), a. liggend. —sorrel, koekoeksklaver. —spit, —spittle, plan- Cumber (kum'bur), v. a. moeite (overlast) veroorzaken; belemmeren; overatelpen. —some, a. tenspeeksel. —comely, ad. lastig, hinderlijk. —someneR, a. lasCucullate (kjoe-kul'let, kjoe'kul-leet), a. met tiKheid. eene kap bedekt, kApvormig. Cucumber (kjoe'kum-bur,kau'kum-bur),s.kom- Cumbr ance (kum'brens), s. last, hinder.—ous, a. hinderlijk, lastig. kommer. Cueurblt (kjoe'kur-bit), a. distilleerkolf. —ace- Cumin (kum'in), s. komijn. Cumuli, te (kjoe'moe-)eet), v. R. ophoopPn.--tion nun (-tee'sjus), a. kalabasvormig. Cud (ktui), s. voedsel in de voormaag; tabaks- (•lee'sjun), a. ophooping, —tire, a. toenemend, bijkomend. pruim. to chew the —, herkauwen; ove-peinzen. Com (kun), v. a. weten; stucco. Cudden (kud'dn), s. stoffel, lummel. Coddle (kud'dl), v, n. dicht ineen liggen; elkan- Cunctator (kunk-tee'tur), a. draler. der omhelzen; zich neerhurken. 'Cline al (kjoe'ni el), —aced ( eet•id), —iforin Cuddy (kUd'dill), a, kinkrl; koolvisch; kajuit; (kjoe nit form), a. wigvormig. stookplaats. Conner (kun'nur). s. zeealak. v. a. afrossen. Cunning (kun'nieng), a. bekwaamheid; ervaren• Cudgel (kud'dzjil), s. knuppel. —play, knuppelspei. —proof,tegenslaagbestand. heid; sluwheid. —, a. —ly, ad. kundig, bedreCue (kjoe), s. staart; uiteinde; biljartstok, queue; ven, ervaren; behendic: loos. listig. —fellow, teeli en, wenk; stemming; steekwoord. to give looze schalk. —man, wasrzegger. —woman, wearone his. —, iemand de woorden In den mond zegster. —nes, a. sluwheid, geslepenheid. geven. Cup (kup), s. kopje, beker, kom; schaa); laat. Cull (tut), s, slag; ,00rveeg; handlubbe; oude man. bop. he has been in his —a, hij heeft Sr veel geto go to —s, handgemeen worden, bakkeleien. dronken. —and can, bests maatjes. parting —.,af• —, v. a. alarm (met vuist of klauw); v. n. pink- scheidsdronk. —hearer, schenker. —board, m. harem. schenkblad; pottenkast• v. a. bijeengAren. —rose, Coinage (kwin'idzj), a. oprolling (van blik). slaapbol. —shot, —ahotten, aangeorhoten, beCulrnaa (kwi-res'), s. borststuk, kuras. —ier achonken. —weight. gewicht, welks stukken in (kwi-res-sier'), s. kurassier. elkander sluiten. Cuish (kwis), a. dijharnas; dijstuk. Cup (kup'), v. a. koppen zetten. —per, a. koppcnColsh. Collage (kwis), a. zetter. —ping glass, kopglas. Culdees (kurdiez), a. MOTIllike. in Schotland. Cupel (kjoe'pil), a. smeltkroes; kapel. —dust, Culerage (kul'ur-id7j), a. vlooienkruid. louteringspoeder. —lotion (lee'sjun), a. loute. Culinary (kjoe'll•ne-ril ► ), a. tot de keuken be- ring Ivan metalen). hoorend. Cupidity (kjoe pid'it•tih), a. hegeerlijkheid. Cull (but'), a. aalrups, kwabaal; stoffel, domoor. Cupola (kjoe'po le), a. koepel. v. a ititzoeken, uitlezen. —er, a. uitzoeker. Cupreous (kjoe'pri on), a. koperlg, koperen. —ibility ( Cur (kur), a. boerenhond; schurk. a. lichtgeloovig. Curable (kjoe"ribl), a. geneeslijk. —near, a. ge. Cullion (kill'jtm), a. schurk, flelt; atandelkruid, neeslijkheid. ameerwortel. —ly, a. laag, gemeen. Cur.* cy (kjoe're sih), a. parochle, predikantsCuillls (kul'lls), a. zeef, doorzOgsel; vleeschnat. pleats. —te ( rat), a. hulpprediker: parochiepreCully (kunih), a. sul, domoor. —, v. a. bedrie- dikant. —tire, a. genezend. gen, kullen. —ism (-izm), s. sulachtigheid. Curator (kjoe-ree'tur), a. curator, voogd. Cnim (kulm), a. smeekool; grasstengel. —iferous Curb (kurb'), a. kinketting; beteugeling; hoefge(-rnit'ur•us), a. ha ►ndragend. —atone, randateen. —. v. a. een' kinmet. Cutminn (kurmi-neet), v. n. in het toppunt betting aandoen; in toom houden, beteugelen. zijn. —tion (.nee'sjun), a hnogste stand. Curd (kurd'), a. gestremde melk; stremsel. —, Culp ability (kul-pe-bil'it-tiii), a. schuldigheid. v. a. doen stremmen. —a, a. stremsel, wrongel. —able (kill'pt131), a. —ably, R. schuldig,misdadig —y, a. klonterig, gestremd. (af). —ableness, a, schuldighsid. —rit (kul'prit), Curdle (ktied1), v. a. doen stremmen; v. n. a. misdadiger, schuldige. klonteren, stollen, atremmen. curdled sky, lucht Coltch (knitsj), a. oesterbank. met witte wolkjes bezet. the blood curdled in nay (runty able (kurti-vibl), a. bebonwbaar. —ate, reins, het bloed stolde in mijne aderen. v. R. bebouwen; kweeken; beschaven. —allot, Cure (Icjoer'),.. genezing; geneeskuur; zielenzorg; (-vee'sjun), e, landbebouwing; aankweeking;ver. predikantsplaats. —, v. a. genezen , heelen, edeling. (•ve.e.tur), a. hebouwer; kweeker; drogen; zouten, inmaken. -less, a. ongenees. lijk, —r, a. geneesheer, arts. bearhaver.
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den
Misdoubt ( ► nie-daut'), s. argwaau; twijfel. —, Misnomer (aria-no'mur), s. stuk mat ten' verv. a. verdenken; betwijfalen. keerden naam; vergiseing, abuts. Mimexnploy (mis-ern-plor), v. a. verkeerd fre- 1 ltilsobserve (mis-ob-zurv'), v. a. verkeerd opbruiken. —awe, si verkeerd gebruik. merken. MiAentry (mis-enstrih), a. verkeerde boeking. AlLisogam 1st s. stand van bet Miser (msrzur), a. vrek, gierigaurd. hnwelljk. —y, 8. afkeer van het huwel0. Miser able (naiz'ur-ibl), a. —ably, ad. ellendig, Misogyn 1st (mi-sod'zji-nist), a. vrouwenhater. annzalig.—ableness,s, armzaligheid.—y s s. ellende. —y„ haat tegen de vrouwen. Misestimate (unix-eeti-meet), v. a. onjuist 1111sopInlon (mis-o-pin'jun), s. valsche meaning. schatten. Mispersua de (mis-par-sweedl, v. a. in een' verMisfall (mis-faoIP) [irr.], v. a. wedervaren. keerd en wean brengen. —aion (-swee'zjun), a. Misfare (mis-Peer'), o. ongeluk. —, v. n. kw alijk valsch begrip. vrAn. hion Misplace (mis-pleas'), v. a. misplaatsen. M Misfa fas lalon (m is - fesj'un), v. a. verknoeien. Misplay , a. verkeerd spelen. _ Misfeasance (mis-ti'.3ns), a. ratadriit Misple ading (mis - plied ieng), s.gebrekkiga plelt (mie-forne), v. a. misvorreen. Misform

Wat was de top prijs van Bitcoin


bery, --jabbing, wirtd handel in effecten, beurstspel. —lock, grendelelet. —market, fondsenmarkt, —shave, sehaalmes. —shears, pl. enoeischaar. —still, doodstii. —, v. a. voorzien (with); opdoen, inslaan; opleggen; in den stab sluiten; (up) nitroeien. Stocking (stok'ieng), s. bows. —breeches, p1. onderbroek net lange pijpen of kousen. —frame, —loom, kousenweefgetouw. —trade, handel in gee breide goederen. —weaver, kousertwever. Stock lab (stok'isj ), a. hard, ongevoelig.—n, pl. veetblek; stapelblokken, stapel; effecten. —y, a. etevig, kort en dik Stoic (sto'ik), o. stoieijn. —, —al, a. etoi.eijnseh, ongeveelig. —alness, s. magevoeligheid. —ism (-1.-eizni),8.1rer der Stoleijnen. Stoker (sto'kur), 8. stoker. Stole ((goof), s. stool, lank bleed. groom of the —, opperkamerheer. Stolid (atorid), a. dam, dwaas. —ity (sto-lid'Ittits), a. doneheid, dwaasheid. Stomach (stum'ek1, e. maag,eetlulit;tret,Deiging ; drift, toorn; hongmoed. v. a. mokken (gebelgd zijn) over; veuluwen; v. D. boos (gemelijk) nun rich ergeren, (at). —ed (-ekt), a. boost, gebelgd. —er (-e-tS)Ur), s. borstlap. —fill, a. mokkend,- etijfhoofd Snow tichic (sto-mek'ik), —al, a.maagvereterkend; maag•. 0. maagversterkend middel. Stone (stoon'(, a. eteenen, vast s•een. s.steen; kern, pit; teelbal; veertiert pond (weal); aeht pond (yleetteh). —alun, bergaluin. —basil, tijm. stekeblind. —blue, emelt. —break,, steenbreke. —cast, steenworp. —check, pluvier, welp. —cholic, greveelpijnen. —coal, tteenkool. —crag, krijfziekte. —crop, steenruit, muerpeper. —curlew, dikpoot (vogel). —cutter, ateenhbuwer. —dead, morsdood. doublet, geaangenis. —duck, kraagrend. —falcon, steenvalk. —fern, steer( v aren. —fly, waterkrekel. --fox, steenvos. —fruit., steenvrueht. —gall, bastas rdvalk. —prig, uteenbiiter. —hawk, sateen valk. —hearted, hardvochti4. —horse, henget. —mason, —squarer, steenhouwer. —pincer, stemmoasel. —pit, —quarry. steengroevo. —pitch, bergpek. zwameteen; versteende plant —plover, poelsnip. —puck, paint; uitslag. —'s-cast, '8throw, etemsworp. —smirk, yekbloem. --still, doottsti I, enbewegeliik. —stud, hoekpijler. —wail, brandmuur. —ware,aardew erk, steengoed. —work, metselwerk. —wort, hertstong. —, v. a. eteenigen; van eteetten of pitten ontdoen (voorzien); verbal. den.

Wat bepaalt de prijs van Bitcoin


33fi woordenrijk; anapziek. —osenese (-boos'), —osity. l Vertfistnoub (var-tid'zji-nus), a. drasiend; dui zellg, —nese, a. draining; duizellgheid. (-bois'it-tih)., a. woordenrijkheld, anapaehtigheid. Verd ancy (vueden-sih), a. groenheid. —ant Vicirtlogo (gur-taj'go)-ti'iro),. duizeling. a. groan; bloelend. —ere, (-dur-ur), a. houtvester. Vervain (vur'vin), a. bzerkruld. i Very (ver'ih), a. wear, werkelijk, eeht; de-, hetVerdict (vat'dIkt), a. uitapraak, beelleaing. I zeltde; zelfs, —, ad. zeer. Verdigris (var•d•-gries'), a. kopergroen. Verdur a (vurd'joer, -jar), a. groan. —.8, a. V•sic ate (vea'i-keet), v. a. met eene trekpleta- , ' groenend, groan. ter beleggen. —ation (-kea'ojun), s. blaartrekvereculid (ver'e-kuud), a. be.seheiden, Actium- king. —atury (ve-eire-tur-rit), s. trekplefater. achtig. —ity (-kund"it-tlh), a. beieheidenbeid, —le (-1k1), a. blaoaje. —ular (ye-OW.106,1er), n. blaas-; bl000vnrinig; hot. —Mute (ve-sik'jee n let), echeamachtigheid„ Verge (vurdzf). a. ataf, roede; spit; rand, zoom; a. vol blues)ea grene; reentagebied, —, v. n. neigen, hellen; Vesper (veu'pur), a. wonds , er; avond. —a (•pars), I pl. vesper, avonddienst. —tine (-tajn), R. avant-. overgaan (to). —r„s. statdrager. faj-/b1), a. bewijabliar.—ication Vespiary (veepi•er-rlh), a weepen-, btjenneet. Verifiable (-it-i-kee'sjun), s. onderzoek, waermaking, be- Vessel (vea'Al), a. yeas, kom; vaartuig, schip. krachtiging. —ter (-faj-ur), a. onderzoeker, be- Vest (vest), a. owaid; bole, vent. —, v. a kleekrachtiger. —y v. a. onderzoeken, waar den; bekleeden; in het bezlt atellen; beleggen; v. U. (in) overgaan op. —wry, kleedkamer, geroaken, bekrachtlgen. derobe. ad. voorwaar, waarlijk. Verily ( (ver-i•eim ler), a. waarechijn)tk. Vestal (veeteD, a. vestaalseh, knieele. —, a. vetsVerimmil taalsehe neasscd. s. waarisehijnlijkhe/d. Vern able (verl•tibl), a. —ably, ad. wear; echt. Veat tad (veat'id), a. ten deal gevallen; vastgetteld. —iary (lt-a-rth), a. kleedkarner. (-1-bjoall, —y (-It.tih), a. waarheid. a. voothuie, porteal. —ige ( Ida)), a. voetatap; VerJuice (vur'dzjoea), s. sap van onrijpe appelen spoor. —meat, a. gewaad, kleeding; misgewaad. of druiven, verjuts. Vermicul ar (our milejoe-ter). R. wormvormlg. Vestry (ves'trih), a. sakriutle; kerkeraad. —board, —ate (-leet), v. a. wurmvormig inleggen. —ration —keeper, koater. (-lee'sjun), s. inlegging; kronkeling. —e (vur, Vesture (vest'joer), a. kleedIng, gewaad. milt Joel), a. wormpje. —use (-loots) --out, a. Verb (vetsji, a. wikke. —nag, a. epurrle. —y, a. wikke-; van wackeetroo. wormt g; wormachtig. Vermlf wren (vnym'i-form), a. wormvoratig. Veteran (vet'ur•en), a. beproefd, eriaren. —, a. oud-gediende, beproefd krkjgeman. —age (fieedz,j), a. middel tegea de wo?reee, Verrallion (vur•mil'jun), a. vermiljoen. —, v. a. Vaterinar Ian (vet-ur-i-nee'rl-en), a. veeartc. —y Ivet'ur-i-ne.r:), a. veeartsenij-, — school, rood lerven. Vermin (ruemin) a. ongedierte; gespuis. --ate veearteenijeehool; — surgeon, veearts. I•eet), v. n. ongedterte voortbrengon. —Oki* Veto (vi'co), a. verbod, afkeurende stem. ( ee'ffijun), a. voortbrenging van ongedierte. Vex (vein'), v. a. kwellen, ergeren; verontrusten; v. n. verdrietig zijn; zich ergeren. —ation (-ee• —ous, a. ongedierte voortbrengend. Vernacular (cur-nek 'j oeler), a. inheernsch, va- sjun),akwelling; ergernis; verentrueting.—atious, a. —atiouely, ad. (-ee'sjus.), kwellend; ergarlijk. derlundeeh. — tongue, rnoedertaal. Vern al (vur'nel), a. van de lente, lente-. —ant, moeielijk. —atiotssness (-ea'ajus..), a. kwelling, ergernis, verdrietelijkheld. —er. a. kweller. —ing, a. groenend, bloelend. a. draaibaar) veranderlijk; a. —imply, ad. kwellend, ergerlijk. Versatil a haiwam. —eness, —ity (-tll'it Oh), a. drani- Via (vars), ad. over,langs. Via bin (vaj'ibl), a. tot leven gesehlkt. bitily baarheid; veranderlijklieid; buigtaamheid. Vera a (vane), a. Vera. e, v. a. berijmen, been- (-e-bil'it-tih), thlevensvermogen.—duct(-e-dukt), gen. —ed (Vtl,t) R. ervaren. bedreven (in). a. viaduct. boogbrng. ( -ikl), a. vereje —icolored (-1-kul'urd). a. Vial (vspel)., a. llesebje. veelicieur)t.T. —ificatiou (-if-i kee'sjun!, a. rijo, Viand (varend), a. (vieeseh.), epije), gerecht. kunst; verabauw. —ifier (-i-faj-ur), a. berijtner, Vlatic (vaj et'lk), a. van eene (de) rely —ern. a. verzenrneker. —ify 040), v. a. berijmen; v. n. relegeld, teerpenning; eakrament dee avondmaals (ban een' stervende). verzen nnaken. 'Went • (varbreet), v. a. & n. (taco) erillen, Version (vur'sjun), a. verandering; overzetting. slingeron, sehommelen. — ion (-bree'sjuit), a. Verauto (vur-ejoet'). a. listig, slaw. (-bre-tie), —cry (-bretrilling, slingering. Vert (vurt), a. green; kreueelhout. tur-rih), a. trlilend, slingerend. Vertebra (vur'te- bre), a. wervelbeen. —I, a. war- eel-, gewerveld; ruggegraats, —te (-brat), —ted Vicar (vik'ur), t. plaatsvervanger; hnlpprediker; a. vleartaat; pre( bree.tid), A. gewerveld. —te (-bret), a. gewer- vicarls; dorpapredikant dikantselaats, -wooing. veld Bier. Ver teber (vuete-bur), a. wervelbeen. —tax Vicar int (vi-kee'riel), a. predikanlo-; pleats(-teka), a. top; kruin; toppunt. yervangend. —hate (-et), —ions, a. piaatave rvanVertical (vuetik1). a. —ty, ad. loodreeht. —neat, gent. —fate (-et), a. plaatavervanging. —ship (vileOr.), a. vicartaat. . loodrechtheid. Vartleity (vur-tia'ait-t1h), e. omdraalIng, on, Vice (vale), a. ondeugd; gebrek - gratip; haneworet. v. a. dwingea; verleiden. wenteling; richtingskraeht.
Impark (im-paare), v. a. afperken, omheinen. Imparlance-(im-paar'Iens), a. verlof tot sehikking; ultatel. Imparsonee (im-paar-sun-nie'), a. rrnehtgebruiker van kerkelijke goederen. Impart (im-paart1,7 v. a. mededeelen;yerleenen; toeataan, (to). —ial, a. —Tally, ad. (-paar'ajel-), onpartijdig. —iality paar-sji-erit-tih), I. onpartijdigheid. —ibility s. mededeelbaarheid; nndealbaarheid. —ible, a. mededeelbaar; ondeelbaar. —ment, a. mededeeling. Impassable (im-paaa'aibl), a. oubegaanbaar; onoverkomelijk. Impose Ible (im-pes'aibl), a. onvatbaar voor aandoening, ijalcoud. —ibility (-si-bil'it. tib),
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-
319 Unconsidered (un-kun-sid'urd) ,ft onbeechouwa, Uselinet.(nn-kilnta)'), v. a. openen (de vufat). ouoveriegd. Unclipped (un-klipt'), a. ongeanoeld. Unconstitutional (nn-Iron-sti-tjoe'ejun e1), a. Unclog (un- klog'), v. a. ontlaitten, bevrijden. —ly, ad, etrbdig met de etaateregeling Unclose (un-klooe), v. a. openen, ontaluiton. Uncon strain/Ibis (un-kun-striten'Ibl), a. onUnclothe (an-klootle), v. a. ontkleeden. bedwingbaar. —strained ( etreend'), n.—strarnedly Unelhentd (nn-klaud'), v. a. ophelderen. —.ed. —y, s, onbewolktheld. (-atreen'id .),ad.ougedwongen.—etraist (atreenti, a. onbewolkt, helder. Um:locked (un-koltt'), a. onopgetoomd; islet ge- a. ongedwongenheid. —named (-ajoentd"). a. on'teetered. —summate (-eum'met), a. onvolbracht. apannen. —teminated (-temn-nee•tid), a. onbezoedeld. Uncofflued (un-kortInd), a. Louder doodkiat. Unroll (un-koje), a. a. van de muts ontdoen. —temved(-temd!),couveracht. —teneed(-tend'id), —tested (-teet'id), a. onbetwi at. —ttadieted (-kon—ed ( kojtV), a. zonder mute. tee -1tItt'ld), a. niet tegengesproken —trite (-Yon% v. a. loswlkkelen, -winden. Uncolf Uncesined (un-kojnd'), a. ongemunt. traj'), a. onboetvaardig. —trollable (-trool'ibl), Uncollected (un-ttol-lekt'id), a. islet verzameld, a. onbedwingbaar; onweerstaanbaar; onwederWet geind; Wet beiaard. legbaar. —trolled (-troold"), a. onbedwongent onwederlegd. —troverted (-kon'tro-vnrt-id), a. onUncoloimd (un-kut'urd), a. ongekleut d. Uncom bed (un-koomd') a. ongekamd. —biped betwixt. —versant ( -kon'7ura-ent), a. (its. with) (-kum-bajner), a. ntet verbonden. Wet seamen in, niet vertrouwd met. —verted Uncover/lel 'newt (un-ktun'11-neee), a. onbevallig- (-vortld), a onbekeerd. —victed (-vikVid), — reseed hetd. —y, a. onbevallig. -vinat'), a. ntet oveetulgd. Uncomforta ble (un-kum'furt-ibl), a. —bly, Uozord (un- kord'), v. a. loemaken. ad . ongemakkeltilt; onaangenaam; troostelooe Uncork (un-kork'), v. a. ontkurken. —blows*, a. oneangenaamheid; trooateloosheid. Uncor reefed (un-kur-rekt'id), e. onverbeterd. Uncom mandrel (un-kum-rnaand'Id), a. Inlet —rupted (-rupVid), a. onvervataeht,onbedorven. bevolen. —mendable (-mendl.b1), a. ntet prijzens- Uncount able (un- kaaunt'ibl), a. ontelbaar. waardig. —mended (-mendlet), a. ongeprezen. —erfeit (-ur-fit), a. Met nsgemaakt. —missioned (-miertind), a. van geene larageving Uncoople(un-kup'pl), v. a. loskoppeten. Uncourteous (un-kuetj-us, -koortlua), a. —ly, voorzien. Uncommon (nn-kom'mun), A. --ty, ad. onge- ad. onbeieefd, onwellevend. — noes, a. onbeleefdongewoonhetd, zeld- held. meen, ongewoon. Uncourt liness (uu-ko ort'llAtesa), a. onhoffelijkzoom held. Uncorn numb, Uwe (un-knm-mjoe'nt-ke-tiv), held, lompheid.—ly, onhoffelijk, lamp. a. onapraakzaamotehterkoudend. —velled(-geld'), Uncouth (un-koethl, a. —op, ad. zonderling; row, lamp. —near, a. eonderlinghetd; ruwheid, a. Diet gedwongen. —pensated (-pen'see-tid), a. lompheid. (-pleen'teag), onvergoed, onbeloond. (-pla)'ieng), a. niet Uncover (un-kuv'ur), v. a. ontblooteu. a. Diet klagend. ineehlkkelijk. —pounded (-pasundld), a. ntet Uncrente (un-kri-eet,') v. o. vernletigen. —d, a. ongesehapen. eamengesteld. Usecon celted (un-kun-ziet'id), a. nlet verwartnd, Uncredltable (an-kred'i-tibl), A. onvermaard, (-eurn'), a. onvereehtllig- Diet vereerend. —.eos i n. onvermaardheid. — ingebeeld. Uncropped (un kropt"), a. ongeooget. heid. —eerned (-eurnd'), a. —eernedly ad. on.versehtIlig (about. at. for). —meted (-koktgld), Uncrossed (un-kroat'), a. zonder kettle, Met doorgehaald, niet gedwareboornd. a. onverteerd; onbekookt. —donned (•demdl, a onveroordeeld. —ditiosal, a —ditionatilhad.(-dinr- Uncrowded (un-krandld), a. niet gedrongen. un-el ), onvoorwaardelijk. —leased (-feat'), a. Uncrown (us-krasun'), v. a. van de kroon bertha bekend, niet gebteeht; sonder bieeht. moven. —fined (-Iejnd') a. onbeperkt. —firmed n -f,rnurt, Unct ion (ungk'sjun). a. salving; balsam: a. onbeyeetigd. —formable (-formlb1), a. onge—ussity (-00e-05'U-till), —women (-t)oe-us-) R. zalfachtigheid, Yettigheld, —sous (.t.; oe-us) a. lijkvormig. —fortuity (-form-it-tih), s. onge- itikvormighetd. —fused (-fjoezd'), a. —fusedly zalfaehtig, amerig, vet. bebouw(..fjoe'sitt-), ad. ntet verward, dutdelijk. —futabte Uncultiva bite (urn-kurti-vib1), a. boar. —ted (-see. ttd), a. onbebouwd, cub whited. (-fjoe-tibl ), a. onwederlegbaar. —pealed 1-dzjield'), a. ongeetold, onbevroreu. —neeted (-nekt'id), a. Unctunbered (un-kum'burd), a. nnbezwaard, on belemmerd. onverhonden. Unconquer able (un-kong'kur-ibl), a. —ably, Uncurb (un-kurb . ), v. a. van den klnketting out. ad . onverwinnelijk. —ed(-kurdhconoverwonnen. doen; bevtijden. —ed (-karbd'), a. ongetemd; Unconsclona ble (un-kon'a)un-ibl), a. —bly, toomeloon. ad. onredelijk; l'uitenaporlg; gewetenlooa; out- Uncured (un-kjoerd'), e.ongenezen; enverholpen. saggelek. —Glenne, a. onredelijkheld; buiten- Uncurl (un-kurP), v. a. & n. (doh) ontkrullen, sporigheld; gewetenloosheld. Uncur rent (unkur'rent), a. ongangbaue. —tailed verminde ed. Unconneloue (un-kon'ejus), a. —1y, ad. cube- (teeld), a. Wet Yerkort, wunt, onkundlg (of). —wets, s. onbewuatheid, Uncoistomary (un-kuet'um-e-rib), a ongewoon. ongebrulkelkik. onkundlgheid. Unconsecrated (un-kon'se-kree-tid), a. onge- Uncut (un'kut), a. ongesneden, ona - ngleneden. Undamaged (un-dem'idajd), a, onbes,hadtgd. wijd, oningewf(jd.
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-

Is Market Cap belangrijk in cryptogeld


wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.  

Wat is de meest winstgevende cryptogeld de mijne


Supercargo (ajoe-pur-kaaegol, a.itiperearga. Supercilious (ajoe-pur-sillus), a. —ly, ad. trotaah; gebiedend; laatdunkend. —nest,s.trotech. held; laatdunkendheid. Supereealuen ce leiee-nur-emn-ne.8)4 11meerdere voortreffelijkheid., hoogere rang. — t, a. —6y, ad. hoogat voortreffelijk. Supereroga to (sjoe-pur-er'o.geet), v. n. racer duen dan noodig is. —Non (-goe'sjun), a. overdrij ving, overdreven plichtsvery tilling. —tory (-getur- rib), a. overdreven, onverplicht. Suparegeellen ce (ajoe-pur-ekesel-lens), a, bongo voortreffelijkheid. —t, a. hooget voortref- . felijk, Super excrescence (sjoe-par-eks-kree'sene), a. uitwaa. —fecundity (-fa-kun'dit-tih). a. overrnatige vr achtbaarheid. — fetation (-fe-tee'ajuut), a. overbevruehting. Supertici at (sjoe-pur-tiorel), a. —ally, al. opperviakkig. —oboes*, a. opperviakkigheid. —es (-fez), a. oppervlakte. Super line (ejoe-pur-fajn'), a. latent fijn. (-fir e'it-tib), s. overtolligheld. Superiluoun (ejoe-pur'floe-ual, a. —ly, ad, overtollig . s. overtolligheld. Super human (Ijoe-pur-joe'men), a. bovenmenechelijk. —incumbent (-in-lounthent), a. bovenoverliggendSuperinduc e (sjoe-pur-in-djoes"), v. a. havendien aanvoeren; toevoegen; (upon) toekennen; 'gerwekken. —tion (-duk'sjon), a. toevoeging; eauwenning. Superintend (sjoe-pur-in-tend'), v. a. het toezicht hebben over. —ence, —scary, a. oppertoezicht. —eat, a. opziener, opzicliter. Superior (sjos-prri-ur), a. beter, hooger, var. heven (to). a. hoogere, meerdere. —ity (-or'it-tin), a. meerderheid; betore hoedanigheld; voorrang. Superlative (6jos-puele-ttv), a. —4, ad. overtreffend; seer groot, buitentewoon; be den hongsten greed. — a. overtreffende trap. —nest, e. voortreffelijkheid; hoogate greed. Super lunar (ejoe-pur-ljoe'ner), —binary (-worth). —mundane (-man'deen), a. bovenaerdsch. Supernal (sjoe,pur'nel), a. hooger, hemeleeh. Supernatant (sjoe-pur-nee'tent), a. boveudrijvend. Super.aatural (s)Ce-pur-net'joe-rel)., a. bovennatuurlijk. —ism, a. leer van het bovennatuurltIke, openbaringsgeloof. --neat, a. bovennatuurlijkheid. Supernumeraty (sjos par-njoe'mur-e-rib), a. haven het bepaelde getal. —, a. aurnumuralr. Supersaturate (ejoe-pur-setioe-reet), v. a. overversadigen. Super scribe (sjoe-pur-skrajb'1, v. a. van een opazlselfi voorzten;adresseeren.—seription(-skrip'. 'inn), a. opsehrift, adres. Supersede (sjos-pur-vied'), v. a. opschorten, staken; krachteloos makers; opheffen, afachaffen; afaetten, vervangen. —as (-sPdi-ea), a. bevel tot opsehorting. Superstitl on (sjos-pur-stisrun), a. btgeloot. —sus. a. —oualy, ad. btjgeloovig. Snperstruct (sjoe-par-strukt.), v. a. bouvve
1.11W- BEM' . Oil ablenees, mobility. —grand , —retie* , motive, reason, argument. —kracht, moving (motive) power, impetus. —niiddet, moving power, motive, motor. —*fattish, moving principle, cause. —rad, prime mover. Between so, or. w. to deplore, to mourn for, to lament, to bewail. — er, rn, —stet, v. dep:orer, mourner, bewailer. v. deploring, deploretion, mourning, bewailing. Beweer der, rn. —stet, v. assertor, alleger. —schrift, written aseertion. ltisrveleg etijk, be. & bar. movable (.lily); mobile, sprightly; moving (-ly), effecting (-ly). —el(jkheid, v. movableness .. sprightliness, mobility; moving. nose. —en, or. w, to more, to stir; to affect; to persuade, to prevail on. --er. in. mover, stirrer, motor. —ing, v. movement, motion; emotion; commotion, tumult, bustle, stir, ado; nit gigot. —, of one 's own accord. newer en, or. w. to assert, to allege, to pretend. —ing, v. assertton, allegation. illowerk AWL, by. rewiring a great deal of ishor; feasible. --elifkheid, v. difficulty, feasibilOf. NV. to -work (at); to prepare, to ity. dress, to make up; to till; to effect, to effectuate, to okra. to bring about. er, m. —der, v. workman; agent, operator, author; cause, instrument. —ing, v. working; workmanship; agency; operaor. w. to bring tion. manipulation. — about, to perform, to effectuate, to realize. --atolligiro, v. bringing about, performance, ef. fectuatim e realization. —tuigen, on. w. to organize. —tuiging, v. organization; organism. Bowerpen, ov. w. to east (to throw) as far as; to cover, to rough•cast. Beweetcar, az. on the west elde of. Bewlerook en, ov. w. to incense; to extol, to exalt. —er, m. ineenser; extoller. —iv, v. incensing; extolling. o. proof, evidence; demonetration; warrant, title. ten bewijte van, its support of. —grand, argument. —krarhi, de ►nonstratice quakity. —p/oais, quotation. —schrift, —stuk, document. warrant, deed. —boar, too provable, demonstrable. —betarheid , v. demonstrableness, esincibleoess. —j o, o. a. little, some• newt/ken, ov. w. to prove; to evince, to demonstrate; to show. liswitlig en, ov. w. to grant, in allow, concede; w. (in) to consent (to agree) to. —er, m. granter. —tag, v. grant, allowance,;consent, concretion. OtWiftipel en, ov. iv. to disguise, t. o cloak, to mince, to palliate. —ing, v. disguiee olor, palarms. liation. Dewar en, or. w. to spare, to save, to keep, to Bewirld, o. direction, administratio ► , manageguard, to preserve. — tag, v. sparing, saving; ment, government. —hetber, ,—romitr, director, keeping, preservation; trust, custody, inletrator manager, ---sewn, statesman, ,Ittiamer. litewasetn en, or. w. to cover with vapor. - ing, , v, covering with vapor. Flowizsders, on. w. to wrap up, to wind about, Bewaeeeh en, or. w. to wash for. —kg, v. to swathe. - sel, o. wrapper, bandage, swath. washing. uop. to wind about, lIttsowno , re, et .wtrom)wprianpgup, Bewaseen, on. w. to overgrow, to be overgrown. Bowater en, on. w. to water, to irrigate; to Bewolk en, or. w. to cloud; on. w. to grow pies upon. v. watering, irrigation, cloudy, to become overcast. —t by. cloudy. Beweeg bear, by. movable, —baarheid, v mar Meld, v. eloodiness. Bevoorreebt en, or. w. to privilege. —ieg, privileging, privilege. Bevorder bar, m. —aarater, v. promoter. — en, or. w. to forward, to accelerate; to advance, to promote. —dap, v. promotion, preferment. —10, bv. serviceable, profitable, conducive, (to). Bovoreus,hw.&vw. before. Bevraeht en, ov. w. to freight, to charter. —er, m. freighter. —lag ,v. treightiug , chartering. Bevragen, ov. w. to inquire after. to for particulars apply to. ' Bevredig en, or. w. to pacify, to appease; to satisfy. —er, m. —ster,v pacifier,satiefier. v. pacification; gratifying; satisfaction. Bevreensd en, on. w. to surprise, to amaze. Act bevreemdt to j, I-wonder at it, —ins v. astonishment, surprise, wondering. Bevreesd, br. afraid (oft, tearful, timorous, —held, v. fearfulness, fear, anxiety. Bevriend, be. intimate, befriended. —Acid, v. intimacy, affinity. Bevel.z en, on, w. to freeze, to congeal. —ing, v. freezing up, congelation. Bevrtid en, ov. w. to free, to set free, to deliver, to release, to enfranchise. to emancipate; to rescue, to rid. —v., en. deliverer, liberator, —lag, v. deliverance, release, enfranchisement, liberation, emancipation. Bevroed en, or. w. to conceive, to apprehend, to comprehend. —ing, v. apprehension. Bevrucht en, or. w. to fecundate, to fructify, to impregnate. —ing, v. fecundation; impregnation. Bevullen, on. w. to dirty, to soil. Bewaatan, ov. w. to blow upon, aga:nst, to fan. Bavvaaketer, v. nurse Bewaarder, in. keeper, ward;guardian. Bewaathettten, ov. w. to confine, to prove, to testify, to verify. Bewaar mtddei, o. preservative. —plaats, depository. —school, infant-school, asylum. —ster. v. Zie Bewaarder. Hesvak en, ov. w. to guard; to watch; to tend. —or, m. watch, watcher. —lag, v. watching, nureing. Bewail en, ov. w. to surround with ramparts, to fortify. --iv, V. wailing; compacts. Bevvenctell ear, M. —aarster, v. walker. —en, or. w. to walk (to tread) upon; fo' Pad der deugd •—, to walk in the path of virtue. - ing, v. walking upon. Revirengen, or. w. to fish, to clamp. Bewapenen, ov. w. to arm, to prnvtde with
a. (het) luchten. —less, a. bedompt. —ling, s. —ion (-neesjun), s. afstamming in de inanne- windbuil. —pump, luchtpomp. —threads, herfstlijke lijn. Agnorn en (eg-no'men), a. bijnaam. —inate draden. —tight, luchtdicht. —y, a. luchtig; (-nom'i-need, v. a. sere bijnaam geven. —ination dartel. Aisle (0), a. vleugel, koorgang. (nom-i-nee'sjun), a. bijnaam, zinspeling. Agnua-eastus (eg'nus-kes'tus), a. kuischboom, Alt (set ), a. eilandje. Ajar (e-dzjaar',, ad. op een' kier. Ago le-go'), ad. geleden. Agog (e-gog',., a. vurig begeerend. to set —, be- Ajutage (ed'zjoe•tidzj), a. verlengpijp. Akimbo (e-kim'bo), ad. gekromd. with arms —, lust waken ( for. onl• met de handen in de zijde. Agoing (e-go'ieng), ad. in gong. Agonis to (et'o nizm), a. prijsgevecht. —t, s. Akin (e-kin'), a. vermaagschapt., verwant. Alabaster (cal-e-baatetur), a. albast. —, a. van prijsvechter. Agon ice (eg'o-najz), v. n. zieltogen; doodsangst albast. uitstaan. v. a. folteren. —y (-nih), s. dood- Atari( (e lek'), int. helaas ! ach I —a-day, int. o wee I o jerum! strijd; zieleangst. Alacrity (e-lek , rit-tih, s. opgeruimdheid, vrooAgouti (e goed'), ad. in ernst. lijkheid. Agrarian le-gree'ri-en), R. —law, akkerwet. Alamode (el-e-mood"), ad. naar de mode. —. s. Agree (e-grie'), v. a. vereffenen; verzoenen. v. n. overeenstemmen (with), (on. upon) eena zijn sonrt van tar. over. (with) lijken, peas.. (to) toestemmen in. Aland (e-lend'), ad. aan land. —able, a. —ably, ad, aangenaam; overeenkom- Alarna ( e-laarm'), a. rumoer; noodkreet; wapenatig (to. with.) —ableness, s. aangenaamheid; over- kreet; achrik ; wekker. —, v. a. to wapen roepen; eenkomstigheid. —d, a. overeengekomen; int. verontrusten. —ed. a. (at) ongerust over. —ing, top! afgesproken! dot blijft zoo! —sent, 8. over- a. verontrustend. —bell, alarmklok. —post, loopeenstemming; overeenkomst; schikking, verge- pleats. lijk. Alas ( e lame), int. helaas! Agrestic (e-gres'tik), —al, a.landelijk, boersch. Alb (elb), a. koorkleed. —atrosa (erbe-tros), s. Agricult or (eeri-kul-tur), s. landbouwer, —ural stormvogel. (-kuPtjoe-rel), a. den landbouw I etreffend. —era § Albany-beef (erbe-nih-bief), a. steer. (-kul-tjoer), a. landbouw; iandbouwkunde. —urist Albeit (aol-bi'it), ad. alhoewel. Albeocent (el-bes'sent), a. wit wordend. (-kurtjoe-rist), s. landbouwkundige. Albino (el-barno), a. witte neger. Agrimony (eg'ri-mun-nih), a. leverkruid. Albugo (el-bjoe'go), s. witte steer. Agronomy (e-gron'o-mih), a. akkerbouw. Agronnd e-granund'), ad. Ran den grond, ge- Alchem ical (el-kem'ikl) a. alchymistisch. —ist strand. to run —, non den grond rakes. to run a (erki-mist), 8. goudmaker. —y (ellki-mih), a. ship —, in den grond zeilen; op het droge zet- goudmakenj. Alcohol (el-ko-hol), a. alkohol. ten. to be —, in de them zijn; bedorven zijn. heete koorts. Aicoran (el'ko-ren), 8, (de) Koran. Ague (ee'gjoe), 8. koorts. burring Alcove (el-koov'), a. alkove. —jit, aanval van koorts. Aguise (e.ghajs'), a. bleeding. Alder (aol'dur), a. els. —man, a. schepen. —n, a. van elzenhout. Aguish' (ee'gjoe-isj , , a. koortsig. —new, a. koorts- achttgheid. Ale (eel), a. ,engelsch bier. —berry, biersoep. —conner, —taster, bierkeurder. —hoof, aardvell, 4 Agy (eg'ih), a. koude koorts. —house, bierhuis. —stake, uithangbord. —wife, Ah (aa), int. ach I ha I —me, orb he ) tapster; § elft. Ahead (e-hed"), ad. vooraan, hale over kop. Alee (e-lie'i, ad. aan lij. Ahold (e-hoold'), ad. dicht bij den wind. Ahoy (e-hof), int. heiho I all hands —, alle man Alembic (e-lem'bik), s. distilleerkolf. Alength (e-length), ad. overhangs. op dek. Alert #e-lurt'), a. wakker, slug. —new, a. wairAbull (e hul'), ad. soar top en take). Aid (eed), v. R. helpen, ondersteunen. a. hulp, kerheid, vlugheid. bijstand; onderstand; helper. —de-camp, adju- Alexandrine (el.egv.-aan'drin), a. twaalfletterdant. —er, a. helper. —less, a. hulpeloos. —s, a grepig vers. in- en uitgaande rechten en accijnsen. court of Algebra terdzji-bre), s, stelkunst. Algebra Ic (el-dzji-bree'ik), —ical (-11c1), a. stelaids, accij nsk.ntoor. Alguemarine (ee'gjoe-me-rien), a. berilsteen. kunstig. —ist, a. atelkundige. all (eel,, v. R. deren, pijn veroorzaken; v. n. pijn Aig or (e!'gor), a. hevige koude. —ous, a. vol hebben; onpasselijk zijn —ing,a.ziekelijk,—meat, zeewier. s. onpasselijkheid; smart. Alias (ee'li-eat, ad. anders gezegd. Aim (eem), 8. doelwit; oogmcrk. —, v, a, rich:ten; Alibi (el'i-baj), a. tegenwoordtgheid elders. Allen (eel-j en), a. vreemd,—.s. vreemdeling.—office, v. n. (at) mikken, doelen op. Air leer), a. lucht, hunting; lied. to take the —, paapoortenbureau. —able, a. vervreemdbaar, een luchtje acheppen. to take airs, zich aanzien —ate (-eet), v. a. (from) vervreemden. -ate (-et), geven. —, v. a. luchten. —balloon, luehtbol. a. (from) vervreemd van. § —age, a. vreemdheid, —built-castles, luchtkasteelen. —current, lucht- vreemdelingschap. —anon (-ee'sjun), a. vervreemstreom, —gun, windroer. —hole, luchtgat. —i/y, ding; — of mind, verstandeverbkistering. a, luehtig, vroolijk. —iness, a, luchtigheid. —ing, Allform (eri-form), a. vleugelvormtg.

boar. —sion (-misrun), a. intending, inlating; inspuiting. (im-mit'), v. a. inzenden; inspuiten.—igable (-i-gibl), a. niet to verzaehten; onvermurwboar. Immix (im-mika'), v. a. in. vermengen. —able, a. onvermengbaar. Immobility (im-mo-bifit-tib), a. onbewegelijkheld. Ininitodera te (im-mod'ur-et), R. —tely, ad. ontnatig, overmatig. —twee, —tion en'ajun, e. onmatigheid. Immodest (im-mod'est), a. —ly, ad. onbeseheiden, onbetamelijk; onzedig, onkuiseh. —y, e. onbeseheidenheid, onbetamelijkheid; onsedIgheld, onkuischheid. lfinxnole te (im'mo-leet), v. a. offeren; opofferen. —lion (- lee'sjun), s.offering; opoffering;offer.—tor, a. offeraar. Immomenstous (im•mo•men'tus), a. onbeduidend, nnbelangrijk. Immoral (im-mor'el), a. —ly, ad. zedelooa; onzedelijk. —ity (-mo-rel'it-tib), a. zedeloosheid, onzedelijkheid. Immortal (im-mor'tel), a. —ly, ad. onsterfeliik. —ity (-mur-tel'it-tik), a. onsterfelijkheid. —ire (-ajz), v. a. onaterfelijk maken, vereeuwigan. Immova ble (im-moev'ibl), a. —bly, ad. onbeweegbaar, onwrikbaar. —bleneas, a. onbeweegbaarheld. —61es (-iblz), pl. vaste goederen. Immunity (im-nsjoe'nit.-tih), N. vrijdom; etelling, ontheffing; voorreeht. immure (irn-n!oer'), v. a. ommuren; in-, opalui-ten. (im-mjoe'zikl), a. Zie Unmusical. Immuta ble am-trijoe'tibl), a. —bly, ad. onveranderlijk. —blenese, s. onveranderlij kheid. Imp (imp), s. entrijs; apruit; guit; duiveltje, nikker. —, v. a. enten; vergrooten. Impact (im-pekt), a. indruk, atoot. Impair (ini-peer') v. a. verergeren; besehadigen, benadeelen, verzwakken; v. n. verminderen, afnemen. —er, e. bederver. Impalpable (im-perpibl), a. onvoelbaar. Impalsy (im-paol'zie), v. a. verlammen. Impana te (im-peen'et), a. in't broodstanwezig. —tion (-pe-nee'sjun),.. aanwezigheid in het brood. Impanel (Im-pen'el), v. e. benoemen, oproepen (ala gezworene). v eonofesli ;Vet I it i(c) rakaevnli set (;,mg:poenrg'ee4 fig), dv; na .e h 11111n. It
This active collaboration between AEGEE and the European Commission and especially Domenico Lenarduzzi, Ministry of Public Education, allowed the approval of the Erasmus program in 1987. It became an integral part of the Socrates I (1994-1999) and Socrates programs II (2000-2006). Since 2007 it has become one of the elements of the Lifelong Learning Program (2007-2013).

Wat is Weegschaal Facebooks nieuwe digitale munt


Oregon (or'e.gan),g. Oregon. Orl gen (or'i-dzjen), m. Origenes. --11000 to-rlno'kok g. Orinoco. —on (o-rsynn), my. Orion. Orkneys (ork'n1z), g. the —, de Orkadieche elLinden. Orleans (or'11-euz), g Orleans. Orpheus (orljoes), my. Orpheus. Osiris (o-sania), my. Osiris. Ousian (001-en), nn. Ovalan. Ostrogoth (osstro-loth), i Oust Goth. Otaheite (o-te•hajt' •hajt'i), g. Otaheite. Otho(o'tho), tn. Otto. Otide (oed), g. Oude. Ovid (ov'id), tn. Ovidius. Owen (Win), m. Owen. Oxford (3zslurd), g. Oxford.
AAN (to tie, to button) together. —knoopiell, T. knot- Aengluipesa, ov. w. to look sneakingly at. ting (knitting) together. —koppelen , ov. w. to Aangluren, ov. w. to leer at. couple together; to leash. —koppeltng, v. coo- Aiszegoolen„ ov. w. Zie Aanwerpen. conulatidn. —lunches, ov. w. to scarf,to Aangorden, or. w. to gird on., join. —1(imen. ov• w. to glue together, to congin. Aangrauw en, ov. w. to snarl at, to reprove tinate. —lijming, v. conglutination. —naaien, ov. harshly. —ing, v. snarling, scolding. w. to sew together. —plakken, or. w. to glee (to Aangreep, in. seizing, laying hold of, attack. paste) together. —riagen, or. w. to atringtogether. Aangrenz end, lee. adjacent, contiguous. —ing, v. adjacency, contiguity. —schnkeleo, ov. w. to link together, to concate. AangrUnz en, ov. w. to grin (to sneer) at. —lath nate. —ochakeling, v. concatenation; series. t. w. v. grinning, sneering. ten, ov. w. to put close together; aich to press close (to each other). —ameden, ov. w. Aangrlip en, ov. W. to seize, to take hold of, to forge together, to weld. —euldeeren, or. w. to to lay hold on; to attack; to affect, to move; polder together. —eptjkerrn, ov w. to nail to- to fatigue, to exhaust. —er, in. assailant. —ing, get her. —voegen, ov. w. to join, to unite. —voeging, v. seizing; attack. Aangrimmen, or. w. to growl at; to threaten v. joining together; junction. Aomori, en, ov. w. to inherit; on. w. to fall to dreadfully. Aangroel, m. growth; increase. —en, on. w. to one's inheritance. —lag, v. Inhorittince. grow; to increase, to augment. —jag, v. Zie Aanfluiten, ov. w. to hies (to hoot) at. Aanfokk en, or. w. to breed. to rear; to raise. Aangroel. —er,m. breeder; rattier. —ing, v. breeding; relating. Aanbaken, ov. w. to hook on, to grapple, to Aningienn, or. w. to contract, to conclude, to accroach. make, to enter upon; to concern, to regard, to Annbal en, or. w. to draw (to pull) near, — close; to arrest, to seize; to allure, to caress; to matter; on. w. to call (at); to begin; to walk faster, allege, to quote; to afford; to mark. —er, m. to mend one's pace; to take tire, to kindle; to continue, to be practicable (becoming, allowable. mazer; alleger, quote, —ig, bv. alluring, courteborne with); to make noise, to keep a coil, to nun, engaging. —igheid, v. alluringness, courtlinen. —ing, v. drawing, palling; seizure; allurestorm, to scold. meat; allegation, quotation. —ingateeken, o. inAnnanntude, oz. concerning, as to, an for. Aaagaloppeer,sn,on.w. to approach at a gallop. vetted comma,. quotation. Aangang, m. op de , — komen, to happen to arrtoe Aasnhang, at. faction, party, sect, followers. —en, ov. w. to hang on, to append; on. w. to adhere when a thing takes place. (to stick) to; to add, to subjoin; to depend upon; Aangapen, or. W. to gape at. to grieve. —er, m. adherent, partisan, sectary, Aangeboren, hv. innate, inborn, nstnral. follower. —ig, hr. pending. —lag, v. Adherence, Aangebraead, bv. burnt to. adhesion. —set, o. appendix, supplement; codicil. Aangedaan, bv. moved, affected. Zie Aanbanger. Aangeetmter, v. Zie Aangever. ben, ov. w. to have on; to have lost. Aanbeb•• Aangeerfd, bv, inherited, heriditary. Aanhecbt 'in, ov. w. to affix (to fasten) to, to Aangebaald, bv. quoted, riled; seized. attach, to join. —er, m. Meer. —log, v. afflxion, Aangebsswd, tor. allied, in-law. Aangeblangde. m. & v. accused, defendant, in- fastening, attaching, joining. —set, o. appendix. —e'er, v. Zie Aanbeebter. dictee. Annigellegen, be. contiguous, adjacent; import- Atenhef, m. beginning, preamble; exordium„ inant. —held, v. importance; mutter, affair, concern, tonation. —fen, or. w. te begto; to set np, to APIDffellanill, ha. & bw. aereeable (-bly),pleaeant utter; to intonate. fee, m. —*ter, r. beginner. (.1y). —held, v. agreeableness, pleasantness, —Pig, v. Zie Aanhrf. Aanbellpen, or. w. to assist in putting or, to pleasure. help in, — to. Aangenonigp, ow. supposed, AanbUseben, ov. w. to hoist up; on. w. to holet AnnieschOftn, bv. half-seas-over, tipsy, quickly. Aengespen, ov. w. to buckle on Aangev en, ov. w. to hand, to reach; to glee Aanbinkan, on. w. homes —, to come halting information of, to inform against, to denounce; (hopping. limping). to enter (goederen); to declare, to state; to give, Aanhlts en, or. w. to incite, to instigate,to egg to strike (een loon). den toon —, to take the lead, on, to abet; to set together by the ears. —or, in. to bear the bell. —er, m. informer, denouncer, inciter, instigator, abettor. —ing, v. incitement, instigation. —log, v. information; declaration; entry. Aangezieht, o. face, countenance. —.Ain, foes- Aanboog en„ or. w. to heighten, to raise. —tog, v. heightening, raising. ague. Aenboop en, ov. w. to heap up. to accumulate. Aangezien, ow. es, since, whereas, seeing. Aongieten, ov. w. to cast (to); to pour (againet). —leg, v. heaping up, accumulation, Aaraglfe, —e, •. declaration, statement; entry; At1111100r der, tn. hearer. auditor. —en, ov. w. to hear, to listen (to give ear) to. —ig, bv. belonginformation, denouncement. —biljet, bill of de- ing (to). —igheid, v. appurtenence. —ing, a. hear claration. ing, ltetening (van, to). —Bier, v. anditress. AangiUdens, on. w. to slide (against), — hither. Aanglinsiner , , on. w. to catch fire, to kindle, Aanboud en, ov. w. to hold to; to keep on; to sail, to steer (op, to); to stop; to detain, to arto begin to glow.
Poll (pool'), s. achterhoofd, hoofd; naam-, kiezerelijat; getal sternmen; inschrijving der stemmen. —cattle, ongehorend see. —money, —fan, hootdgeld. —, v. a, toppen, sneelen, schema; berooven; stemmcn opnemen; stemmen. Poll and {pol'hurd), a. geanoeide boom; gesnoeid muntstuk; grintmeel. —en (-lila), a. stulfmeel, bloemstof. —eager (-Ian-dz.jur), s. hat-, rijahout. Polley. (pool'ur), a. sn.oeier; plunderaar; stemmer. PoilleitatIon (pol-lie-i-tee'sjun), a. belofte. Pella tee (pal-ljoet'), v. a. bezoedelen, bevlek• ken; serontreinigen; bederven. —tednela, a. bevlettheid, bezoadeldheid, onreinheid. —ter, a. bevlekker; verontreiniger. (-loe'sjun), s, bezoedeling, bevlekking; verontreiniging. Peat (poolV), a. slag, stoat. —foot, horrelvoet. —footed, a. mot krornme voeten. Poltroon (pol-troen'), s. lafaard; laaghartige. —cry, e. lafheid; laagbartigheid. Poly (pa'lih), a. Zie Poley. Poly an dry (pol-i-en'drib), s. veelmannerkj. —thus (-thus), a. aleutelbloem. Poly earthy —eraey (-kre-sih), a. veelhoofdige regeering. —direst (Area), a. van veelzijdig nat. Polygoca 1st (po-lig'e-mist), a. voorstander der veelwijverij• —y, a. veelivijverij. Poly gearchy (pori-gaar-kih), a. veelhoofdige regeering. —plot (-glot), a. in vele tales; e. weak in vele tales. Polygon (poll-gni), a. veelhoek. —al (po-lig'un-nel), a. veelhoeing. Polygraph (poll-gref), a. seelsehriiver took een werktoig). —y (po-lig're-t1h), a. geheimachrlykunst (met ctjfers), Polyberly at (pol-i-hi'drel), —out, a. veelnijdig. —on (-droll), a. veelzijdige polymath y (pa-lirn'e-thih), a. veelvreterij. Poly petalona) (pol-t-pet'e-lug), a. searoladerig. —phonic (•fon'alt), a veeltonig. Polypody (po-li ro-dih), a. boomvaren. Polyp ono (pol'i-pus), a. poliepachtig. —ut, s. poliep. Poly spermous (pol-i-epuernue), a. yeelzadig. -.syllabic (-sil-leb'ik), a. veellettergrepig. --syllable (-sil'11b1), a. veellettergrepig woord. —technic (-tek'nik), e. van vele kanten, polyteehnisch. Polytbe laws (pol'i-thai-lzra),B.veeigoderij, -let, e. aanhanger der veelgoderi). Pomace (purn'es), a. appeldrab, elderdroesem. —ous (po-mee'sjus), a van appelen; appelaehtig. Ponta de (po-meed'i, —turn (-meelum), s. pomade. Pomander (po-men'dar), a. reukbal. Pot.. (p.m), s. appal; kernvrucht. — citron, ettroenappel. —granate, granaatappel. — paradise, paradtisappel. —ray (pum'roj), koningsappel. —water (punt, 1. koolappel. Porniferons (po-mirur-us), a. appeldragend. Pommel (pum(roil),e. degeuknop; zadelknop. —, v. a. afroseen; platen. Pea cap (PoznP'), r, praCht, pnalvertoon; holster. —et (-it), s. inktbal (bij drlakkers). —ion (pum'pion). s. pompoen, —nutty iputn pos'it-till)„a.yronk- outly, nicht, boogdravendheid,
aanvoeren. —leader, belhamel. —plate, zorgket- Rooms (room';, v. A. d0OrnrerVAll; v. n. omzwertine. —rope, touwatopper. —streaked, met Rein- ven. —er, a. omzwerver. a, roode sehimmel. gen geteekend. — tail, ringelvalk; giekzell, brood- Roan (roan), a. roodgrije. winder. —toil-boom (-tee!'-), broodwinderepter. Roar (roar'), a. gebral; getter; gehulr'er; geechater. —. v. n. brullen; tieren; bulderen. —y, a. -thimble, neairing. —worm, datiwwortn. —, v. R. -ringen; van rtogen voorzien. danwaehtig. Ring (rine') [rang. rung;, v. a. & n- luiden; Roast (roost'), a. gebradert. a. gebraad; spat. (doen) klinkeu (of with). --er. a. belier; kiokeen. to rule the — , beorgetien, — , v. a. braden, rootten; beet maken; bespotten. — er, a, bender; Wider. —let ( lit), H. ringetje; oral. roover; apeenvarken. (rins'), v. a. ornspoelen. —e, a. onispoeler. Riot (rarnt), o. uitepatting, zwelgerij; oproer, Rob (rob';, a. vruehtenstroop, gelei. —, v. a.13emulterij. to ran — upon, uttenatten, zieh to but. : retie.; bevrOden, (of); rooven, atelen. — bar, a. ten gaan in. —, v. n. geweld (oproer) makes;', mover, diet —beep (-bur-ih), a. rooverij, diefuitspatten (in); zweigen; (on) verbrassen. eta!. zwelger; oproerneaker. -0148, a. —ouslu, act, 1... 1 Robe (rook), s, ttibbaard,staatsiemantel. master of the -a, kamerheer. —, v. R. den tabbaard baudtg; oproerig. —ouanesa, s. losbandigheid; orahangen; kleeden. oproerigheid. Rip (rip), a. acbeur; viechmsnd; prul; rude tool. Robin (robln), s. —redbreast, roodboretje. v. a. oprijten; openseheuren; lostornen, non Roboront (rob'ur.ent), a. & ts. versterkend (rrintriel). den dog brengen. (from) wegrukken. (off) afstrooRobust (miter), a. sterk, geoplerd, atevig, pen. (up) openrijten; opbreken, slooprn. a. sterkte, forechheid. formeh. Ripe (rain') a. — ly, ad, rijp —ness, a. rijpiteid. Roebet (roteit), a. koorhemd, minkleed. Ripen (rarpn;., v. a. & n. (doen) Ripp er (rip'pur), a. openk,ebeurder; elooper. Rock (rot'). a. rots; 8pinrokken lurking—, blinde klip. --alum, bergaluin. —bound, door rotarn a. het openseheuren; steekbeitel; higesloten. —cork, bergkurk. —cress, isteenkers. —iron, breekeizer. —crystal, bergkristal. —doe, gems, klipgeit.—milk, Ripple (rip'pl), a. gekabbel; virasrepel. —, v, a. bergmelk.—mots,rotamoc—oil,steenolle.—pigeon, doen rimpelen; repelen; v. n. kabbelen. leiednif — ray, steenrog.—rose,steenroos.—rube, floe (rsjo, a. (hoe) opstaan; opgong; opkomst; mode granaatsteen. —salt, kitpzout, —shell, kilt,verheffing, r jztng , stijging; ooreprone,,ontataan. echelvisch. — wood, hoot-asbest. —work, grotto give — to, aanletding geven tot, doen ontmtattn. weak. Rise (rajz') from (root). risen (ria'zn)], v. n. op- Rock (rok'),v.a. schudden; schommelen; wiegen; eine. ; °pea., opkomen; stijeen, ri.jzrn; zwellen; v. n. slingerett; waggelen. —er, a. wiener. —et (-it), a. raket, vuurptjt; raketten-kruit. —bless zich verbeffen; (from) ontstaan, vonrkomen. -in arms, de wapenen opvatten. —r, a. opataander; (-i-ness), s. rotsachtigheid. —ing, a. het sehomearly —, iervand, die voceg opstaet. melen, wiegen; — chair, schommelstoel; —horse, flail hie (rtz'ibil, a. belacheF.jk. hobbelpaard. —less, a. zonder klippen. —y, a. (-i-bil'ittih), a. belecheitikheid. roteachtig; hard. Rising (raj'zteng), a. (het) opstaan; opgaan; ge- Rod irod), a. roede, stang, vitae. knangdier. ewel; Gpstanding; opatand. Rodent (ro'dent), a. knagend. Risk (risk'), a. gevaar; waagstuk; kens; rieico. Rodomontade (rod-o•mun-teed ), a. enoeeertj. —, v. n. pochen, snoeven. —, v. a. wagen, op 't spot zetten. —er, a. wager. Rite (rajt), a. kerkgebrutit; elechtigiteid. Rogation (ro gee8jun), F. bode, titanic. —dope, kruisdaeen. —week, benielvaartsweek. Ritornello (ri-tor-neFlo), s. ritornel. Ritual (rit'joe-el), a. ad. volgens het ler:, Rogue (rong'i, e. echnirk, tlelt, sritsboet sehelk. gebruik; plechtstatig. — in grain, aartaacbelm. —, v. n. rondzwerven; rituaal. sehurken- of guitenstreken uitvoeren. a. Rival (revel), a. tnededingend, wedijverend —, sehurkertj; gutterij. a. merledinger; medeminnaar. v. a. wedijvelavigtelsta (ro'gisj), a. —ly, ad. sehurk-, Behalkren, mededingen met. —ivy (-vel'it-tih), —ship, a. wedijver, mededinging; merierninnarij. achtig. —nests, a. achurkaeletigheid; echalkaehRive Irajv'i [rived (rajvd). riven (riv'e)], v. a. & tigheid. epltjten, setieurete —r, spititer. Roister (rojs'turl, v. n. Leven maken, tieren, snoeven. —er. a. levenmaker, windbuil; tonoever. Rivet (riv't). v. rt. doen rimpelen, versehroeien. River (riv'ttr), a, rioter. —dragon, krokodil. Roil (mall'), a. rot; rolbloe; atrijkbout; Itist, register; neamrol; oorkonde, jaaranek; roffel; §. — driver, houtvlotter. —god, viviergnd, —4orse, broodje; velitoed; hoofrivvrong. master of the —s, rivierpaard. — et (-it). s. rivinriiP• Rivet (riv'it), s. klinknagel. —, v. a. vastklinken; oorkondenhewearder, eriffier. —brimstone, pijpInp renten, zwavel. — calling.. appal. —, v. a. tact -en rolWok gellek maken; inrollen, inwikkelen; oprolRivulet (riv'joe-let),, a. riviertje; beak. len (up); v. n. rotten, wentclent roffeien. — er, Rixdollar (riks-dolner). a. rilkedaalder. Roach (rootsj'), e. roller; rot; rolstok; valhoed; zwachtel; wrong. voren; nitgelling (van eon sell). —leech, mastlijk. —ing, a. bet rotten, elingeren. —board, rolplank; Road (rood'), s. weg, atraatweg; reede, dagreis; —mill, pletmolen; —pin, rolstok; —press, roltonal, strooptocht. enkerplaata. — way, pers; —tackle, stoottalie. straatweg,ripreg• —ster,a. ter reedeliggend acid p. Homage (rumndzj),.s. Zie Rutwinsage.
to put one's nose out of joint. -ina, V. building upon, framing. Beting, v. bit. -hop, bit-head. -tap, doubling of the bits. -slag, bitter. Bet Italian, ov. W. to eutitle. to style. Betogen, by. covered, cloudy. !Ketones., on. w. to accent. Betonn en, ov. w. to net up beacons along. -sing en Wakening, buoys and beacons. Betook, o. demonstration. -vend, argument. -tsar, le• demonstrable. -Oaarheid, n. demonstrability. -en, oe, w. to demonetrate, to prove. -ing, v. demonstration. B.toore loiter, be, reetrainable. -en, on. w. Zit Beteugetek, -er, to, bridles. ; checker, restrei net. -ing, v Zie Beteugel Ing. Below's, o. Zie - en, on. W. to shoe -ieg„ v, show, showing; token, mark. Beto,,wer sew, in. -uarater, v. enchanter, enchantress, bewitches., charmer; -en, ov. w. to enchant, to charm, to bewitch; to fascinate. -end, be. en bw. bewitching; charming (-ly), fascinating (-Iy). -ing, v. charming; enchaotment, spell, fascinationBete. wet), ov. w. to rig, to provide with rigging- . Botovergroot inowder, v. great-great-grandmother. -radar, m. great-;treat-grandfather. Betreend, b e. (ail) to tears, tearful. Betracht an, ov. w. to perform, to fulfil, to accomplish, to discharge; to practise. -er, to. performer. -ing, v. perforinaoce, accomplish• anent. ov. W. to grate (up). BetrrDpen, ov. w. to trample upon: to catch. to surprise, take (np. in). op heater dead -, to take in the very act. Betted..., ov. w. to tread (to walk) upon, to enter. to net foot upon OW. Betretren. us. w. to concern, to regard seat betrete, zie Botrtffende. -de, vz. as to,as for, concerning Betrekk etUk, by. bw. relative (-1y); vz. concerning. -en, on. W. to go into, to occupy, to take possession of; to involve; to Mlle; to draw upon; to trick, to cheat, to gull; ou• w. to grow cloudy; - dull. -lag, v. relation; condittoo; lietm, en np, to be re)attve to; wet - tot, with regard (let:peal to Betreur tier, M. WIWI/ter, mourner. -en, on. to IsEhent, to becalm, to deplore, to regret, to mourn at. -enauzardig, by deplorable--into, v, lamenting, deploring. -ster,v. Zie Betreurder. Betrokkeu., by. cloudy; dull, sad; concerned (in). -e, on It v. drawee. Betrouwen, ov. on. to trustoointrudtwIth, to confide; to get, (to acquire) by marriage. Bett en, on. w. to betioe. -ing, v. bathing. BetttIn en, or. w. to declare, to iteeure, to pioteet, to attest, to testify, to chow; dank -, to pay to return) thanks -ing, v. declaration, assurauee, protestation. Bet tveter, m. wlee-acre, pedant. -ij, v. pedantry. Betwkitelesa, on. Yr, to doubt, to question.
526 race, lazy person, sluggard, idler. —bakken,—baisex, to be lazy, to idle. —lab, sluggard, bedPreeser. —lakken, to idle, to lie a-bed till broad day. —ledi.c, very lazy. —lekkerland, Cocagne. —images, scrubbing-brush (with a long stick); transom, sweep, leefang lLuiti, bv, & bw. loud (.1y). m. soar — nun, according to the tenor of. —keels, aloud, with a loud voice. by. & bw. noisy (-11y), noisiness, clamor, ' ciamorous (-ly). —rachtigheid, ciamoroutnees. Luigi en, or. & oa. w to ring, to sound, to run, to purport. —er, m. ringer. —sag, v. Tinging, sounding. Euler), ov. & on. w. ens. Zte Leiden, ens. Luier, v. swaddling-cloth. —peed, child•bedlinen. —korf, —mend, child-bed-basket, childbed-linen. lLuieren, on. W. to idle, to loiter. v, penthouse. —schrift, intcription on a penthouse. Luihead, v. laziness, idleness ; sloth. Luilt, o. shutter; hatch; trap-door. —gat, scuttle. —ring, hutch ring. Lulken, ov. w. to abut, to close. Luint, v. humor, cue: whim, freak. in eene goede — skin, to he in spirits, to be of good cheer. is eene kwade zijn. to ace out of humor (aorta), to be in the mumps. —ig, by. & bw. humorous (Ay); sehrijeer, humorist. —igheid, v. humorOilenella, humor. Luipaard, m. leopard. ',nip an, (on. w. to leer, to sneak. —erd, in. sneaker, hypocrite. Lulls, v. louse. —keg, tatterdemalion, mean fellow, reseal. —kruid, lice-bane. —sickle, lousy disease Culater„ m. splendor, lustre, glows. —risk, by. & ha. splendid Op, Mastro. (-Iy), sumptuous (-1y), magnificent (Ay). ILstister ear, us. listener, eaves-dropper. —en, ov, w. to whisper; on. w. to listen, to hearken; (near) to listen to, to obey; near het veer to answer the helm. —seherg, —vast, Wee hearing. —rink, eaves-dropper. —rinken, to eavesdrop. Lute, v. lcte. op de — speten, to play on thelute. lute.caae. —maker, lete-maker. —sneer, lute-etring. —.pet, playing on the lute. —speeltiter, —.peter, lute-ptayee, lutist. Yauitenent, Tn. lieutenant. — ter see, lieutenant of the marines. —adrniraal, lieutenant-admiral.
PAS.— PAY . gesteente. —board, a. bordpapier; a. van bard- Patten ce (pee'sjens), a. geduld, volharding. papier.. —pot, etijfselpot. —t, s. lijder, patient. —t, a. —tly, ad. geduidig, v, a. plakken; (up) opplakken. volhardend, gelaten (of). Pastel (pes'til), a. weede; zie Pastil. Patin (pet'in), a. deksel op den mitkelk; echoPastern (pee'turn), a. hiel, koot (van een paard); teltje, blaadje. voetzool. —joint, voetgewricht. Pat ly (pet'lth), ad. jaist, net van pas. —nest, Pastil (pes'til), s. reukballetje; pastel. —painting, s. reschiktheid, passendheid. het pastel-schilderen. Patriarch (pee'tri- aark), s. aartsvader, patriarch. Pastime (paas'tajm), s. tljdverdrijf. —al (-aar'kel), a. eartavaderlijk. —ate(-et), Pastor (paan'tur), a. herder; geestelijke. —al, —y, a. patriarehaat, aartsvaderschap. a, herderlijk; landelijk. —al, s. herderszang, Patrician (pe-trisren), a. patriciach. s. pa-dicht. —ate (-et), s. herderlijk ambt. tricier. —/y, a. herderlijk. —ship, s. berderseb.ap; Patri tide (perri-sajd), s. vadermoord; vaderzorgersehap. moorder. —menial, a. —menially, ad. (-mo'ni-el-), Pastry (pees'trih), a. pastel, taart; pasteibak- geerfd; get, —mony(-mun-nih),s. vaderlijkerfdeel. kerij. —cook, pasteibakker. —work, pasteien. Patriot (pee'tri-ut), s. vaderlander, patriot. —, Pastor able (paast'joe-ribl), a. geschikt ter be- is (-ot'ik), a. saderlandslievend. —ism, s. vaderwelding. —age, a. weide; hoeding. —e, a. weide; landsliefde. voer. —ground, —land, wetland. —e, v. R. & a. Patristic (pe-tris'tik), —al, a. van de aerate kerkweiden. vadera. Pasty (pees'tih), a. deeg , , papachtig. — (oak Patrol (pe trool'), a. patrouille, rondo. —, v. a. pes'tih), s. pastel. doorkruisen; v. n. de ronde doen. Pat (per), a. & ad. geschikt, juist, precies. —, Patron (pee'trun). s. patroon, beschermer, bea. klapje, tilt: klompje. —, v. a. zacht glean, gunsttger; beschermhellige, sehutspatroon; kepitikken, kloppen. tein, gezagvoerder. —as, a. patrones, beschermPatotche (pe-taasj"), s. wachtschip, uitlegger. ster; besehermheilige. —less, a. zonder bescherPatch (petsr), a. lap , stuk, reepje; strook lauds; mer of patroon. reoesje; hens -worst; sehobbejak. —work, lap-, Patron age (pet'run-idaj), s. beschermer, beknoeiwerk. —, v. a. lappen, verstellen; semengunstiger; beschermheerschap; believing van een flansen; met moesjes beleggen; (up) oplappen; kerkelbk ambt. —al, a. besehermend. —ire(-ajz), eamenlappen; oppervlakkig genezen. —er, a. v. a. besehermen, begunstigen. —izer (-ajz-ur), lapp3r; knoeier. —cry, a. lap-, knoeiwerk. a. beschermer, begunstiger. —ymic (-nim'ik), s. Pate (peet), a. hoofd, kop, bol. geslachtsnaam. Patefaction (pet- e- fek'sjun), s.openbaarmaking. Patten (pet'tin), s. voetstuk; klomp, overachoen. Patel' a (pe-tel'le), s. kniesehljf; eenschalige Patter (pet'tur), v, a. (out) uitkrabbelen; v. n. achelp. —iform, a. schotelvormig. trappelen; kletteren. —er, a. marktschreeuvfer. Paten (pet'ln), s. Zie Patin. Pattern (pet'turn), s. patroon, model. monster, Patent (perent), a. open, openlijk, openbaar; steal. —book, staalboek. —card, staalkaart. —, eeoctroieerd. letters —, opene brleven. —, a. v. a. tot model dienen voor; namaken. open brief, octrooi, brevet. to take out a —, een Patty (pet'tih), a. pasteitje. —pan, pasteipan. oetrooi nemen. brevet. —rolls, register Patulous (pet'joe-lus), a. wijd, uitgespreid. der octrooien. — ee a. geoctrooieerde. ge • Panel loquent (pao-silo-kwent+, a. onspreakpatenteerde. zaam. —loguy (-kwih), a. onspraakzaganheid. —ty Patern al (pe-tur'ne11, a. vaderlijk. —ity ( nit(pao'sit-tih), a. klein getal, kleine hue'eelhetd. tih), a. vadersehap. Paunch (paantsj'), a. bulk, pens; zwichting, leiPaternoster (pee'tur-no,t'ter), a. paternoster, eels. —bellied (-bet-lid), a. dikbuikig. —, v. a. (het) Vadee Ons. ontweien. Path (paath'), s. pad, weg, Juan. —way, voetpad. Pauper (pao'pur), a. aime; bedeelde. —ism, a —, v. a. den weg banen; doen voortgaan; v. n. armoede. —ire (-ajz), v. a. & n. verarmen. gaan. —less, a. ongebaand. Pans e (paw), s. pauze, rust, verpoozing; gePathetic (pe thct'ik), —al, a. —ally, ad. Meldaehtestreep; rustteeken; tweestrijd, weifeling. roerend, aandoenlijk. —airless, a. zielreerend—, v. n. verpoozen, rusten, stilhouden (at); naheld, aandoenitjkl ► eld. denken (on. upon). —er, a. die ophoudt; nadenPathognom onic (pe-thog-no-mon'ik), a. de ker; weifelsar. —ingly, ad. met tussehenwezenlijke teekenen eener ziekte aanduidend. poozen. —anise, pl. leer der ziektekenteekenen. —y Pave (peev'), v. a. plaveien; bevloeren; banen. -thog'no-mih), a. kertnis van de teekenen der —ment, a. plavelsel; vloer; etraatweg; trottoir; hartatochten. —beater, etraatslijper. —r, a. ',leveler, straatPatholog 'cal (peth-o-lod'zjikl), a. van de maker. ziektenleer. —iat (pe-thol'ud-ziist), a. ziektenleer- Pavier (peev'jur), a. Zie Paver. kundige. —y (pe-thol'ud-zjil), a. ziektenleer, Pavilion (pe-villun), s. paviljoen; tent; vlag. ziektenkunde. , v. a. met eene tent beaehutten; van tenten Pathos (pee'thes), a. hartstoehtelijkheid, nadruk, voorzlen. gevoel. Paving (pee'vieng), a. beatrating. —beetle, streetPatibulary (pe-tib'joe-le-rib), a. van 0,e galg; stamper, duffer. —brick, vloertegel. —mar5le, galge-. marmeren vloers teen. —stone, vloersteen.
the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.

(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere
(WV RUA, 59 Rove (roov',, v. a. doorzwerven; v. n. rondzwal- Rufous (roe'llth), a , .• "d 3 cli t i ,, • ken. —r, rs. zwerve,; seesehultiter. (rug'), S. duffel; ruwe 4eken; kleedje. How (ran), e. rumoer s , tandie. —, v. u. Veren. Rug I A. —gedly, ad. (-01.), TuIg; hobbc11 ,7; ruw; wret”r, How (ro'), a. rlj —, v . a, & u. roelen. —barge, knorriti. —Deanne, s. ruigte; ruweeirt; bareehhetd. — boat, roeischuit. —lock. roeiklamp. t Hug lice (toe'd4jlen), a, 1),,, endvrvidl, raw. - ose poort. —er, a. rooter. (-goo*'), —ous (.gua),: a. timpslig. —osity Rowel (rauw11), s, raderne; helon (heartinuer). -it-tiht, a. rimPel , g'heldv• seta' setup zetten. rRuin (roe'in), a. vsl, verve), instorting, Roweu e, stoppelveld; nagroa. gang; verderf; puintloop. —, v. a vei'woesten; te Royal (1'0' 0 1), ad. koninklUlt. gronde rienten; in 't verderf *torten; v. n. vers. koningagezindheid, —ist, e . koningagezinde. vallen; instorten; to gronde xattn. —rm.', R. - cue ( -APO, a. koninklijk waken. —ty, —ously, ad. bouwvallig; verdeetelijk. —ousnese, koningsehap. bouwvalligheid; verderfolijkheid. Rub a. wrijving; steak; oneffenheld; zwa- lute (roe)'), a, liniaal; duitnntok; regel, orde, rirheid, hinderpaal. stone, wetste,n. —, v. a. voorsehrift; model; riehtsnoer; reseering. —, v. a. wri,jven; achuren, polljaren; kw enen, hinderen. het,linieeren; regolea; regeereu (over), —r, (down) roskammen; afurekiv,n. (off) afwrijveri. ocher; bestuurder; linleal. (out) uitwissehen. (up) gbvd wr,jven; opwekken. (rum), a. zonderilog. ouderwetoch. - v. n. wripen; ren eon' we bonen. —bee, s. rum; dorpspredikant. wriiver; wrkjflan; viji; alijpstetn; robber; India Rombi a, (Turri' ►l.1), B. gerommal, geotommel; goat-eiflatlek. N. puin; afval, vaunts; —e, V. n. zitplaate (achter een prullen. len. —ing, a. Zia Illosube.ie. Itubeerent (rue-bes'sent), a. roodwordend. fiumllit. ttt (roe'ml-nent), a. herkauwend; IFitobl eon (rue' R. roahont. —rood (-kun)), herkauweod dicer• —te ( - nrst#, v. a. & a. roodachtic blezend. --ed (-WA), a, robijnrood. kanwen; overpeinz,n (on. upon , . — tion —.fie (-birth), a. roodmakend. — fy (-fa)), herkanwing; overpeinzang. —tor (-ueeA. ajuu), rood waken.
383 AAR.— AC1.1. eight-leered, octopetalons. —dik, —dubber, by. eightfold. octuple. —ehalf„ by. seven seed a half. —eting, M. eighth. Aebteloom, be. & bw. careless (-4.). uomindful (-1y), negligent (-ly). —Acid, v. carelessnose, u,.voindfuineee, negligence. Aebteen, ov. w. to esteem; to value; to mind. —swaarclifb, by. respecteble, honorable. Acbtendeol, o. half a peck; eighth part. siin, to Aehter, bw. & az. behind, after. er i(in, to be in the have guessed right. er niet eikander, five times running. dark. viemoca — gavot, to go to slow. Aviators/nu, hw. behind; in the rear. —konen. on. Yr. tofollow (to loiter, to linger) behind. —sidling, v. neglect. Achtera f, bw. out of the way, isolated. Aehterbaks, bw. secretly, privately, raiderhand. AehterblUfster, v. Zie Aebterbltiver. Acta erblijv en, on. w. to linger (to stay) behind, to tarry. to lag. —er, m. straggler, terrier, lag. —lag, v. staying behind, lagging. Achterbout, ne hind-leg. Aehterburgevnt, tn. Zie h. chtargracltt. Aclatorbauri, v. remote quarter. Aehterdeel, o hind-part. itehterdek, o poop. Aehterdeor, v. hack-door; shift, loop-hole. Aebterdoeht„ v. suspicion..— hebben oratrent, to eurpret• —ig, by. suspicious. Achte•dwaretnavv., o stern-cable, 'mime. Acittoreb, v. dead neap. 3w. coneecutiyely, sueAehtereen, ceselvely. Aelatorelade, a. hind-part, tail. Aeihtortent, law. van —, (from) behind. near —, beck's ard. ten --, in arrears; behindhhud. Aehtererven, m. after-heirs; posterity. Aehtergalerli, v. stern-gallery. Acbitergeng, me back -paeluge; looseness, diar-
&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.

Hoe krijg je de handel Bitcoin voor contant geld


Bombard (bum-beard'), v. a. bombardeeren. Bore (boor), s. boor; bocrgat; wOdte, vervelend —ier. (bum-ber-dier'), a. bombardier. —tnent, a. mensch; lastige zaak. —, v. a. boreu; vervelen. bombardement. —r, a. boor; boarder. Bombast.' (bum'be-zien), a. bombazijn. Boreal (bo'ri-e1), a. noordelijk. Bombast (bum'bartet), a. i)del gezwets; hoog- Boreas (bo'ri-em), a. noordewiud. dravenda Vaal; katoenen stof. —ic (barts'tik), a. Born (born), part. geboren. base oneeht. hoogdravend. Borne (boom), part. gedragen. Bombycineus (bunt-bis'i-nus), a. zijden; zijde- Borough (bur'o), e. vlek, landetadje. wo rrnkleurig. Borrow (boriro), v. a. borgen, outleenen. —er, Botnbyx (bom'biks), a. zijdeworm. s. ontleener. Bonasus (bo-nee'sus), a. buffel-os. Boseage (bos'kidzi), a. bosschage. Bond (bond), a. band, boei; verbond; verbinte- Bosky (bos'kiii), a. boschrij k. nis;schulibewija;entrepOt. —holder, 'louder eener Bosom (boe'zum), a. boezem. schoot. —friend, obligatie. —maid, —man. —man- servant, lijf- boezemvriend. —, v. a. geheim houden. eigene. --eereice,lijfeigenschap. —s/ave,lijfeigene. Boss (boss), a. bult, knopje; boas. rneester —man, borg. —, a. dienatbaar, lijfeigen. —age, —age, s, uitspringende steen. —ed, —y, a. bultig; a, slavernij; gevangenschap. met knoppen versierd. Bond (bond), v. a. opalaan; zekeratelling geven. Botan;c (bo-ten'ik), —al, a. kruidkundig. —8, Bone (boon), a. been; groat. —a, s.dobbelateenen; a. kruidkunde. gebeente. 4 to make no blues (of),geen gew etens. Bolan 1st (boVe-nist), a. kruidkundige —ize bezwaar maken (van). —lace, kant. —setter, heel- (-najz), v. n. de kruidkunde beoefenen. —y, a. meeater. —setting, beenzetting. —spavin, spatten, kruidkunde. —less, a. zonder beenderen, graten of tanden. Botch (botsj), s. gezwel; lapwerk; stopwoord. Bone (boon), v. a. ontbeenen, ontgraten. —, v. a. lappen, broddelen. —er, a. lapper, Bonfire (bon'fajr), a. vreugdevuur, knoeier. —ery, s. broddelarij. Bonnet (hon'nit), a. hoed; mute; ravelijn; bon- Both (booth), a. beide; conj. zoo wel ale. net (zeil) Bother (botieur), a. kwelling; § wanorde, stoorBonny (bon'nih), A. Bonnily, ad bevallig, vroo- nis. —, v. a. kwellen, ergeren. lijk, aardig. —clabber, hang-op. te), s. wormen paarden). Hots (ba Bonum- magnum (bo'num-meg'num),s.konings- Bottle (bot't1), e. flesch; bundel. —flower, korenpruim. bloem. —nosed, dikneuzig. —screw, kurketrekker. Bony (bo'nih), a. beenachtig, vol graten. —stand, fiesscheblaadje. —, v. a. op fleaachen Booby (boe'bih), a. lummel; zeeooievaar. tappen. § Boohoo (boe-toe'), v. n. hard achreeuwen. Bottom (bot'tum), a. bodem, grond; bezinksel; Book (hoek),'s. bock. —binder, boekbtnder. —case kiel; dal; kluwen. —, v. a. gronden; steunen; boekenkeist. —keeper, boekhouder. (keeping), (bet) opwinden; v. n. berusten op (on. upon). —land, boekhouden. —learned, belczen,—/earning, bele- vruchtbaar, vlak oeverland. —less, a. bodemloos. zenheid. —madness., boekenkoorts. —mate, school- —ry, s. bodemerij. makker. —oath, eed op den bijbel. —seller, bolsi'. flood (baud), a. moutworm. verkooper. —trade, boekhandel. —worm, book- *gouge (boedzj). v. n. opzwellen. worm. —id., a. geleerd. —, v. a. boeken; to boek Bough (bau), a. talc. atellen, Bounce (baauns), S. bons; bluf. v. n. apringen; Boom (boem), a. leizeilspier; boom; baken. — bonzen; bluffen. —r, a. windmaker; leugen. v. d. not groote vaart aankomen. Bound (baaund), a. grens; grenapaal; sprong. Boon (boen), a. gunst; geachenk. —, a. aardig, —, v. a. beperken; begrenzen; v. n. apringen. vroolijk. —, a. gebonden; (for) bestemd near, —ary, a. Boor (beer), s. vlegel, lomperd. —ish, a. boersch, scheidspaal; grenv. —en, port. verplieht, verrochuldigd. --less, a. onbeperkt, grenzenloos. lomp. —ishness, s. boerschheid, Bounteous (baaun'ti-us), a. —ly, ad. mild; noose(boez), a. koeetal. Hooey (bo 'bih), a. beschonken. vriendeltik; goedgunatig. —news, a. mildheid; vriendelijkbeid. Boot (boet), a. learn; winst; bak (in cone koets). to —, ad. op den troop toe, —ed, a. gelaarsd. Donut y (baaun'tih), a. goedheid; milddadigheid; —hose, laarzekous, broeklaars. jack, laarzen- premie. a. mild; vriendelijk. kneebt. —leg, laarzeschacht. —tree, laarzeleest. Bourgeois (bur-dzjoiel, a. naam eener Mehra —less, a. zonder laarzen; vergeefsch. —8, a. drukletter; burger, —, a. burgerlijk. echoenpoetser in eon hotel. —, v. a. baton, Bourn (boors), a. grens. bevoordeelen. Bons e (boez), v. n. bekeren, zuipen. —y, a. Booth (booth), a. tent, kraarn. beschonken, drunken. Booty (boe'tih), a. bolt, roof. Boast (baut), a. beurt, beer, maal; poging; Bopeep (bo-piep'), to play at —, wegkruinertje,, proef. achuilhoekje spelert. Bow (bo), 8- boy • strijkstok. —anchor, vertui. hand. —legged, krombeenig. Borable (bo'rtb1), a. hoorbaar. an ker. —hand, rechter Borax (bo'reks), e. borax. —line, boeglijn. —man, boogschutter. —net, runt. Border (bor'dur), a, rand, grens, zoom. —, v. a. —piece, boegatuk. —shot , boogacbot. —sprit, omzoomen; a. n. (on. upon) grenzen, belenden. boegspriet. —string, boogpees. —window, nit—er, a. grensbewoner. springend venster. —yer (-fur), a. boogechutter
DIV.— POL. Si Divid able (di-vajd'ibl), a. verdeelbaar. —a, v. a. neeakundige behandeling zijn. —al, a, doctoraal. deelen, Beholden; verdeelen; v. n. uiteengeoln; —ate (-et), a. doctor-graad. —ate (eat), v. a. tot oneenig worden. —edly, ad. afzonderlijh. —er, doctor bevorderen. a. geneeskuudige vrouw. a. verdeeler; deeler; soort van kompas. —era, a. —a, s. valsehe dobbeisteenen.—s' commons (-kona' 'wort van passer. munz), collegie van civilians (rechtageleerden) in Dividend (divq-dend), s. deeltal; winstaan- Louden. —ship, a. leeraarechap, doctoraat. deal, dividend. Doctress (dok'tress), a. Zie Doctoress. Divinat ion (div-i-nee'sjun), s. waarzegging. Doctrin eel (dok'tri-nel), a. —ally, ad. cinder—or (div'i nee-tur), a. waarzegger. —ory, (di. wijzend; leerstellig. —e (-trin), a. leer; leervin e-tur-rih), a. waarzeggend. stelsel. Divine (di- v ajn'), a. —ly, ad. goddelijk. —, s. god- Document (dok'joe ment), a. bewijestuk; do , geleerde, geeatelijke. —, v. a. voorzeggen; v. n. cument. —, v. a. onderrichten; van voorschrifien gleam —r, a. waarzegger. —ress,.. waarzegeter, (documenten) vobrzlen. —al (-ment'el), a. tot eon plying (dajv 'ieng), a. & a. —bell, duikerklok. voorachrift beboorend; in documenten vervat. Divinity (di-vin'it-tih), s. godheid; godgeleerti—ary (-ment'e-rilt), ad. volgena documenten. held. Dodder (dod'dur), s. viltkruid, cuacuta, Divis ibility (di-viz-i-bil'it-tih), —ibleness, (-viz' Dodecagon (do- dek'e-gon), a. twaalfhoek. ibl.), a. deelbaarheid. —We (-ViVibi), R. deel• Dodge (dodzj'), v. a. behendig ontwilken (outbear. —ion (-vizrun), a. verdecling; verdeeldsnappen); v. n. ter zijde springen; draaien, met held; afdeeling. —ive (-vaj'siv), a. verdeelend. list to werk gaan (with). —r, a. draaier, ;wet—or (-vaj'zur), a. deeler. felattr. Divorc e (di-voora'), —ement, s. echtscheiding; Doe (do), a. hinds; vviij fie. —rabbit, wtjtjeskonijn. scheiding. —e, v. a. scheiden. —ee Doer (doe'ur), a. dader, bedrijver, doener. a. geacheiden peraoon. —er, a. echtscheider. Doff (dof), v. a. afdoen; uitdoen; atiiehten; uit—ive, a. echtscheidend, atellen. Divuigation (div-ul-gee'sjun), a. ruchtbaar- Dog (dog'), a. houd; hondster; mannetje; schelm, making. grappenmaker; vuurbok; houvast. to give to the —s, Divul ge (di-vuldzj'), v. a. verbreiden, openbawegsmijten. to go to the —a, telgronde gaan. ran. —ger, a, versprelder. (-vul'sjun), s. —, v. a. naapeuren; § ale een' bond behandewegrukking. --sive (-cureiv), a. wegrukkend. len; v. n. ale een hand zwoegen. —appetite, Wizen (dayzn), v. a. opschikken. hondahonger. —bane, hondsdood. —berry, korDizz insets (diz'zi-ness), a. duizeligheid. —y, a. noelje. hagedoorn. —buffer, hondendief. duizelig; wuft; v. a. duizelig mahen. —cheap, schandekoop. —collar, -halsband. —days, Do (doe) [did. done (don)] v. a. doen, makes, hondsdagen. —fish, haai. fly, hondsvlieg. —fox, verrichteu, volbrengen. —to death, ter dood been- mannetjes-vos. —hearted, hardvochtig. —hole, gee. — a part, eene rol spelen. (away) wegdoen. hondenhol; kot. —keeper, honden-oppaeser. —kenkeukentatijn. (into) venal. in. (off) afdoen. (on) aandoen. nel, hondenhok. (out) uitwisschen, uitdoen. (over) overtrekken; hondendoktor. —louse, hondsluis. —mad, bondsherhalen. (up) opvouwen; Ran kant maken; indol. —muzzle, muilkorf. —rose, hondercos.—'s ear, hondsgras. pakken. —, v. n. handelen; zich bevinden; vol—'a-grass, ezeleoor (in een boek). doende On. how do you —, hoe vaart gil ? I do —sick, ziek ale een bond. —sleep, hazenalaap. not know it, ik weet het niet. I de love her, ik —'s-meat, hondenkost. —star, hondseter.—'s-weed, bemin hoar waarlijk. do but come, koin slechts. biealook. —tooth, oogtand. —triek,gemeenestreek. pray do! eilieve, doe 't toch this won't —, dat —trot, pruikenmakersdrafje. —vane, verklikker. niet. § do tell) och koml is het mogelijkl — (by) —watch, hondeuwacht. —weary, moede als een hande handelen len jegens. (for) toereikend voor. hood. —whistle, dievenfiuitje. —wood, kornoel, (with) aanvangen met. —all, s. albedril. —little, jehout. a. leeglooper. Doge (doodzj), a. doge. Docibillty (doe- i-bil'it-tih), a. leerzrainheid, Dogged (dog'gid), a. —ly, ad. kribbig, norach. leergierigheid; gezeggeltjkheid. —ness, a. gemelijkheid, norachheid. Dori bie (doe'ibl), a. leerzaam; gezeggelijk. Dogger (dog'gur), a. visscherspink. —bleness, (dosil'it-tih), a. leerzaamheid; Doggerel (dorgur-i1), a. ellendig, Bleeht. a. gezeggelijkheid. —le (doa'il), a. leerzaam; gedwee. rumelarij. —rhymes, kreupeiverzen. DocIty (dos'it-tih), s. vlugheid van bevatting. Doggish (dogVisj), a. —ly, ad. hondsch. Docimacy (doag-me-sih), a. kunst om metaal- Dogma (dog'me), e. leerstuk, leerstelling. —tic ens to beproeaen. —Neal, a. —Neatly, ad. (dug inet'ik ),leeretellig; a. Dock (dole). a. dolt; staartriem; wilde roving. meesterachtig. —ticalness ( met —, v. a. in het dok brengen; kappen, ophinden leerstelligheid; meesterachtigbeid. —list, a. on(van paardeustaarten); korten. dry —, droog dok. derwijzer van leersteliingen; die op besliseenden v. n. leeretellingen floating —. drijvend doh. —yard, werf. —age, a. —tize, (-tajz), toon spreekt. —due, dokgeld. —et (dok'it), a. lijtaje van henvoordragen; meesterachtig beslissen. delsartikelen; adrea; uittreksel; lijst van orde; Dolly tdorlih), a. start van wollen stof; servet. v. a. op de naam- of ordelijst plaatsen. Doings (doeleugz), a. ,erriehtingen, bedrijven. Doctor (dok'tur), a. doctor; geneesheer. —, v. a. Dolt (dojt'), a. —kin, s. dolt. tot doctor bevorderen; geneeakundig bebande- Dote (dool'), n. deel; gift; droefheid. —, v. a.uitIan; v. n. de geneeskunde uitoefenen; onder gedeelen. — meadow, gemeenteweide. ful, —some.
Because (be-kaoz'), Conj. omdat, dewijl. —of, wegens, om. Bechance (be-tsj flans"), v. n.gebearen,overkomon. Becharin (be-tsjaarm'), v. rt. betooveren; voorinnemen. Beck (bek), , knik, wenk. —, v. a. & n. knikken, wenken. Beckon (bek'kn), s. knik, wenk. —, v. a. & n. kniii ken, wenken. Eleellis (be-kiln"), v. a. omarmen, omhelzen. Becloud (b,-kkud'), v. a. ornwolken, benevelen. B ecom e (be-kurn") [became. become], v. a. goedsta., pasoen, betamen; v. n. worden. —ing, a. —ely, ad. betamelijk, voegzaam. —ingness, s. betameliikheid. Bed (bed), s. bed; bedding; law. to make the —, het bed opmaken. to be brought to —, bevel len. —chamber, slaapkamer. —clothes, dekens-ding, s. beddegoed. —fellow, —mate, bedgenoot. —hangings, bedgordijnen. —post, beddastW.—premser, luilak. —rid, —ridden, bedleKerig. —room, slaapkamer. —side, sponde. —stead, hedstede. —swerver, echtbreker. —tick, beddetijk. —lime, tijd om mar bed to gaan. Bed (bed(, v. a. to bed leggen; planter, Bedabble (be-deb"b1), v. a. besproeien. hiedaggle (be deg'g1), v. a. bemorsen. Iledash (Ite-deAn, v. a. bespatten. Bedaub (be-daowb'), v. a. besmeren. Bedazzle (be-deezl), v. a, verblinden• Bedeck (be-dek"), v. a. opae,hikken. Bede/assume (bied'haus), a. godshuis, artnhuis. Bedew (be-djoe'), v. a. bedauwen. hiedight (be-daft' ► , v. a. en a. versieren, versierd. B edlm (be-dim"), v. a. verdnisteren. Bedizen (be-dajzre), v. a. opschikken. Bedlam (bed'lem), s. krankzinnigen-gesticht. —ite (-ajt), s. krankrinnige. Bedraggle thedreg'g1), v. R. bemodderen. Inedrench (be drentsj"), v. a. doornat maken. Betle9p (be-drop'), V. a. bedreppelen. Redick (be-fluk"), v. a. onderdompelen. Bedung (be-dung'), v. a. bemesten. B etinst (bP-dust' ► , v. a. bestuiven. Bedwarf (be-dwaorf'), V. R. knotten. Bee (bid), a. bij; § kranmje van vrienden, die een' hunner in zijn week helpen. —eater, bijenspeeht. —flower, mtandel krui d. —glue, maagdenwas. — hire, biienkorf. § —line, kortste )naaste)weg. —master, bijesfokker. —s-wax. Beech (bietsj), s. beukeboom. — en, a. van benkenhout. Beef (bier), a. rundvleesch. —steak (-Meek), runderlap, biefstuk. v. —eater. s. lijfwaeht, bewaker. Beer (bier), a. bier. --house, bierhuis. small —, dun bier. strong —, zwaar bier. Beet (biet), s. beet,beetwortel. v. n. Beetle (bie't1), a. tor, ke,ver; beukhamer. overhangen. —brewed, norsch. —headed, comp, but. Beetlerootsugor of Beetsugar, s. beetwortelmuikerBeeves (bievz), s. rundvee. Befall (he faol') [befell. befallen], v. a. overkomen , wedervaren; v. n. gebeuren. Befit (be - flt'), v. a. passes, betamen. H eroism (be-foom'), v. a. met schuim bedekken.

Request (re-kwest'), a.Tserzoek, verzoekschrift; i-dent), a. woonachtig; a. resident. —entiary v. a. ver- (rez-1-den'hji-e-rah), a. verblijfhoudend; a. geesaanzoek; vraag, navraag; aanzien. teltjke, die op gine standplaats woont. —ual verzoeker, requestrant. zoeken (of) —or, Requicken (ri-kwik'n), v. a. weder verlevendi- —nary (-zidijoe.), a. overig, overgebleven. —ue (ran-Aloe), a. overachot; saldo; berinkael. gen. Resigns (re-sajn'), v. a. afataan; opgeven; overgeRequiem (rPkwi-em), a. zielmis. Requir able (re-kwajeib1), a. vereiacht. —e, v. a. yen; nederleggen. — one's self to, berusten in. eischen, vordaren; vereischen. —anent, a. ver—ation (rez-ig-nee'ejun), a. afstand; °verged ; ge berusting. —ed (-zajnd), a. —edly, ad. ischer, vorderaar. elachte. —er,e rerui-nit), a. vereiseht, noodig (to). gelaten, onderworpen. —ee (rez-in-nie'l, a. hij, Requisl to I a. —te, a. vereischte. —tenets, a. noodzakelijkheid. can wien afgeataen wordt. —er, a. afetanddoe-Non (-zisrun), s. vordering; eisch; beslag. —tine ner. Res111 ence (re-zil'i-ene), —lion (rez-i.lisrun), (re-kwiei-tiv), a. verderend; verzoekeiad. Requit al (re-kwaWel), s. vergelding, belooning. a. terugspringing. —eat, a. terugepringend. —e, v. a. vergelden, beloonen. —er, a. vergelder, Resin (res'10, e. hors. —out, a. haraachtig. —mines., a. harsachtigheid. b elooner. Reelpiscence (res-i-plemens), a. beroaw, boetII eaten (el-seal'), v. n. terugzeilen. vaardigheid. Resale (ri-seel'), a. wederverkoop. Reenlist ation (ri-sel-foe-tee'sjun), a. teruggroet; Resist (re•zist'), v. e. wederstaan; v. n. waderstand bieden. —acre, a. tegenstand. —ant, a. berhaalde groet. —e (-se-ljoet'), v. a. tetuggroe- tegenstandbiedend. —er, a. die ofdatzegenstand ten; wader groeten. Hese lad (re-aired'), v. a. afentiden; opheffen, biedt. —ability a. weerstaanbaarheld. —able, a. weerstaanbaar. —less, a. onweerafschaffen. —ission ( airrun), a. afsnijding;o Rng afschaffiag. —awry (s z zur-rih), a. a sulk staanbaar; weerloos. Resole bier (rez'o-ljoeb1), a. oplosbaar. —te, a. dend; opheffenJ, afachaffend. —te/y, ad. (-1joet- ► 9 vastberaden, onverschrokken. Helier ibe (re-skrajb'), v.a. terug-, overschrtjvan. —Jena& (-1joet.), a. vaatberadenheid; standvas—ipt (ri'skript), a. terngschrift; beslissing; —ip- lion (-skrip'ejun), s. terugachrtiven; schriftelijk tlgheid. —tion (-1joe'sjun), a. oplossing; ontbinding; besluit; uitapraak; vastberadenheid. — tire, antwoord, a. oplossend. Rescue (res'kjoe), a. bevrijding; ontzet; geweil. dadtge terugneming. —, v. a. bevrijden (from); Resold able (re-rolv'ibl), a. oplosbaar, —e, a. besluit; bealissing. —e, v. a. oplossen; ontbinontzetten. —r, s. bevrijder. Research (re-Burbly), a. onderzoek; naeporing. den (into); verklaren; doen besluiten; v. n. beslulten (on. upon); zich oploaaen. —ed (-zolvd'), •, v. a. onderzoeken; nasporen. —er, e. onder- a. besloten, vaatberaden. —edness, a. vastberarocker; navorscher. denheid. —eat, a. & s. oplossend (middel.) Reseat (ri-siet 1 ), v. a, weder rotten. ,Resonan ce (rez'o-neus), s. weerklank, nagalm. Resection (re-sek'sjun), s. wegsnijding. It eselz e (ri-sler"), v. a. weder bemachtigen. —ore —t, a. weergalmend. Resorb (re•sorb'), v. a. inzwelgen, opalurpen. (-joer'), a. wederbemachtiging. —ent, a. inzwelgend, opslurpend. Resell (ri-sell') [irr.], v. a. weder verkoopen. Resembl ance (re rem'blenW, a. gelijkenis (to). Resort (re-zort',, a. samealoop, toevioed; bijeenkomst; toevlucht, drtlfvesr; ressort.—, v. n. zijne —e, v. a. vergelkiken (to); gealken. Resent (re-rent'), v. a. kwaad (goed) opnemen;ge- toevlucht nemen; zich begeven; eamenkomen; toevoelig zijn voor. —ful, a. lichtgeraakt, gevoelig vallen, (to). —ed, a. (to) bezocht. —er, a. bszce(of); haatdragend. —ingly, ad. met wrok. —meat, , ker. Resound (re-raaund'), a. weerklank. —, v. a.doen s. gevoeligheid; wrok. 114,i4 , rvation (rez-ur vee'sjun), 8. bewaring, orb- weergalmen; ultbaruiuen ; v. n. weergalmen (with, I van). t erhondendheid; voorbehoud. llesery atory (re rurv'e-tur-rah), a. bewaar- I Resource (re-soore), a. hulpbron, redmiddel, toeplants. —e, a. voorraad; bewaring; achterhou- vlucht. —less, a. hulpeloos. [im], v. a. op nieuw 'maim ding; achterhondendheld; behoedzaamheid; be- Resow scheidenheid; voorbehoud. —e, v. a. achterbou- Respect (re spekt'), a. eerbied, achting; opz(cht, den; bewaren; — to one's self, zich voorbehouden.' betrekking. — of persons, aanzien des persoons. '-.ed (-zurv.1'), a, —edly, ad. achterhoudend; he I in some —, in !miter opzicht. with — to, ten aanzien echeiden, —ednebs, s. achterhoudendheid; besebei- ' van. —, v. a. eerbiedigen, hoogachten; betreffen. denheid. —oir (rez'ur-vwar), a. vergaarbak, wa —ability (-e-bil'it tih), —ntleness,s.echtenswair' digheid. —able, a. —ably, ad. achtenswaardig. terbak. —ful, a. —fully, ad. eerbiedig.—ing,prp. betref. 11 eget (ri-set') [irr.], v. a. op nieuw zetten. fends. —ire, a. —ively, ad. betrekkell'Ilr; afzonder. Resettle (ri-set't1), v. a. weder in orde brengen; lijk; wederzijiia. c. oneerbiedlg. —s, pl. a. herstelling, ge- weder gerustatellen. —meant, groeten, compiimenten; echrij , en. Tuststelling. Weship (ri.-ejip'), v. a. overladen; weder versche- Respersion (re-epur'sjun), a. beapreakeling. Respir able (re-epqjr'ibi), a. adembaar. —ation ren. —meat, a. overlading. wederwrscheping. Rnald e (re-zajd'), v. n. cones, verblijven; real.' (res-pi-reePejun), a. adeenhaling; verademing. —atory (-e-tut-rah), a. ademhalings.. —e, v. a. deeren; gezonken rijn. —ence rez'i-dens), a. coon- pleats; verblijf; resllentie, herinksel. —eat (re;' ademen; v n. adem halen; rich verpoozen.


nought, coward, dastard. During, v. lasting, duration. Dark, na. sink, well. Darven, on. w. to dare. Das, bw. thus, in that way. —, aw. so, therefore. —danig, by. such; bw. thus, in such a manner. Dar, in. nap; slumber. vit den — helpen, to undeceive. een —je doers, to take a nap. —ten, on. w. to take a nap; to dote, to mope. —ter, in. doter, mope, reopus. Dour, m. duration, continuance, op den —, st the long run. Dour, by. dear, costly, expensive; solemn (ran een bw. dear, at a high price. —koop, be. eed). dear. —te, v. dearness, high price, dearth. Drsurznam, be. durable, lasting; strong; that wears well. —heid, v. durablenete, durability, lastingness. Dew, m. push, jog. —en, ov. w, to push, to jog. to press; to slip (into a. o. 's hand. Dweal,v. towel; shroud. — begrip, erroneous idea. —geest, wandering spirit; follower of erroneous opinions. —grend, Wee ground* —leer, false doctrine. —licht, ignis tattoos, jack-with-a•lantern, Will-o'-the-wisp. —pad, —spoor, —weg, wrong (erroneous) Neu; on een brengen, to lead astray, to lead into error, —eter, planet. —twin, labyrinth, maze. —§annig, erroneous, erring. —sinnigheld, erroneousness. Dwane, be. foolish (-ly), silly (-ily). m. fool. —hoofd, fool. —held, v. folly, foolishness. DwnI en, on. w. to err, to stray. to wander; to be mistaken. —er, m. wanderer. —kg, v. w and r ring; error, mintak.i. D Wang., m. constraint, compulsion, coercion. —arbe,d, compulsory labor; the galleys, penal servitude. —bevel, -warrant, writ. —bale, jacket.

EX11 . — EXT. Exptrobrn te (eks pro'breet), v. a, doorhalen, verwijten. —lion (-bree'sjun), s. doorhaling; verwitt. Exproprin te (eks-pr.fpri•eet), v. a. onteigenen, Meta ontdoen van, (from. of ► . —tion (-ee'sjun), a. ontetgening; afvtanddoening. Expugn (eks-pjoen"), v. a. stormenderhand vet , meesteren, veroveren. —able (-pug'nib)), a. te vermeesteren, nternbaar. —ation (-pug.nee'sjun), s. vermeestering. —er, a. verrneesteraar, overweldiger. Expn 1 a (eks-puts'), v. a. uitdrijven. —ion (-sjun), s. ultdrijving. —ive, a. nitdrijvend. Expun ct-ion (eks-nunk'sjun), s. nitwissehing; vernietiging. (-pundi.j'), v. a. nitwissehen, te niet doeu. Expurga to (eks-pur'geet), v. a. zuiveren. —tion •gee'sjun), a. znivering. —tory (-ge-tur-rth), a. zuiverend. Exquisite (eks'kwiz-sit), R. —1y, ad. uitgelezen. keurig, voortrefrelijk. s. keurigheid, vuortreffelijkheid. Exeangulous (eks-seng'gwi•us), a. bloedeloos. Exseind leks-sind'), v. a• nitsnijden. Exseet (eks-sekt'), v. a. uitanijding. —ion (-sek' ejun), a. uftsnijdIng. Exsieea nt (eks-stk'kent), a. opdrogend- —te (-beet), v. a. opdrogen• —tion (-kee'sjun), a. opdroging, —tire (-ire-tiv), a. drogend. Exapultion (eks-spjoe-isrun), s. u:tspnwing. Essuceons (else-suk'kus), a. saptoos, droog. Exsuetion (eks•suk'sjun), s. uitzniging. Exaudation (eks-sjoe-det'ajun), s. uttzweeting, Exsuile (eks-sjoed'), v. a. & n. •..itzweeten. Exautilation (eks-suf-ftee'sjun), a. uttblazing (bij bezweringen). Exaviscita te (eks-sus'si teat), v. a. apwekken. —thin (-tee'ejun), a. opwekking. Eaten cy, (ektrten-sih), a. uitsteking. —1, a. in bet oog vallend; bestaand, aanwezig. Exteinpor of (ekm•terrepur-rel), —aneone (-ree'nito.), —ary (-re-rih), a. onvoorbedaeht, voor de vuist gedaan. —e (-pur-rih), ad. voor de vulet. (-rojz), v. n. onvoorbereid spreken. Extend (els-tend?), v. a. uttstrekken, uitbreiden; v. n. zieb uitstrekken. Extensibility (elts-ten-ei-bil'it-tih), a. uitstrekbaarheid. lr.,xtcns *hie (eks-ten'sibl), a. uitstrekbaar, nitbreidbaar. —ion (-ajun), a. uttbreidlug; uitgestrektheid. —ional (-ajun-e1), —ive, a, ad. nitgestrekt, veelomvattend. —iveness, s.uitgeatrektheid, nitgebreidbeld. —or, a. uitstrekkende spier. Extent (eks-tent'), o. uitgestrekthetd, omvang; exeeutie. Exteputs te (ets-ten'joe•eet), v. a. dean vermageren (verminderen); verr.achten. --tion (-cc' sjnn). a. verzwakking; verzaettling*. Exterior (eks-trri-ur), a. uiterlijk, uttwendig, - a. uite.ritik. Extermina te (eks-tuOmi-neet), v. a. uitroeien, verdelgen. —lion (-nee'sjun), a. nitroeiing. —tor, s. verdelgrr. —tory (-ne•tur-rih), a. verdelgend. Extern (eke-turn'), —al, a. —ally, ad. niterlijk,
Hey to all. Since around 2 months, I am with 99bitcoins reading and getting info and I am very happy here, thanks for a good site. For my bad luck I did not check here for a review of coinbase, I would have save a lot of worthless time. To tell the truth, I hope there is a internet god out there and shut them down. I did not know about their support in US, but as I read the first reviews here, it seems they make themselves a pretty bad place there too. I am located in the D.R.,… Read more »

REM. —REP. middel; herstel; verhaal (in rethten); v. a. genem; herstellen, verhelpen. Remem ber (re-;nem'bur)., v. a. (ztch) herinneren; gedenken, in herinnering brengen. —trance (-brena), a. herieneriag; aandenken, gedachtenis. —brancer (-bren-aur), a. herinneraar. Remigra te (renal greet),v. ti. terugkeeren. tion (-gree'ajun), a. terugkeer. Remind (re-majnd'), v. a. herinneren, indachtig maken (of, aan). Reminiscen ce (rern-i• nis'aens), a. berinttering. —trial (--een'ejel), a. herinnevend. Remise (re-majz'), v. a. ongeven, laten raven. Remiss (re-miss'), a. —ly, ad. slap, traag; nalatig. —ible, a. vergefelijk. —ion (-misrun), a. verstepPing, verflauwing; kw" tschelding, vergiffesis. —ire, R. kwtjtechelden , vergevend. —nets, a. t1auwheid; nalatigheld. Remit (re-mit'), v. a. kwijtschelden, vergeven; doen verslappen; ongeven; terug-, toezenden, overmaken, remittesren, overgeven; v.n. verelappen; !linemen. —ment, a. gijzeling op nieuw; kwijtseheldimr. —tanre. s. overmeking, -_mdse. —tent, a. tusechenpoozend. —ter, a. kwijtschelder; overzender, -maker, remittent. Remnant (rem'nent), a. overig. —, a. overscbot, rentje; lap. Remodel (rt-mod 1 11), v. a. vervormen, omwerken. Remonatr ance (re-mon'strr, , , S. vertoog, bezwaar; aenmaning. —ant, a. bezwaren (vertoogen) indienend; a. remonstrant. —ate (-street), v. n. bezwaren opperen, vertoogen doe!, —ation (rem-un-stree'sjun), s. vertoog, annreanirg. Remora (rem'o-re), a. beletsal; zuigvisch. Remorse (re-morn'), a. wroeging, nerouw. —j'nl, a. berouwvol (for); vol medelijden (of) —less, a. veratokt; hardvochtig. e. onbarmharttgheid, wreediteid. Remote (re-moot'), a. —ly, ad. afgelegen, verwijderd, ver; vreemd, afgetrokken, (from). —ness., a. verte, afgelegenheid. Remount (ri-maaunt'), V. R. weder beetijgen; v. n. weder opetkjgen. Remov able (re-moev'kb1), R. verplaatabaar; te verwijderen. —al, a. verwijdering; afzetting; verplaataing; verhuizing. —e, a. verwijdering; afzetting; verplaatstng; trap, grand; zet; kleine afeland; afgenomen 8chotel. —e, v. a. verwijderen; wegruimen; afzetten; varplaateen; — the cloth, de tafel afnemen. —e v. n. itch verwijderen; verhutzen. —ed (-neoevd'), a. verwijderdi ere.legen. —ednese (-id-nese), a. verwridering, afgelegenheid. —er, a. die verwijdert; wegrutmer, verplaatmer. Remonera tie (re-m)oe'nur-ih?e),a.beloonbeer. —te ( eet), v. 0. beloonen. —tion (-ee'sjun), a. belooning. —tire (-e-tiv), —tory (-e-turieh), a. beloonsnd. Remurmur (rl-mremnr), v. a. — n. murmelend weerkaataen. — weergalmen. Renal (ri'nell a. van de nieren; nier-. Renard (ree'urd), a. reintje, you. Ilenesc once (re nea'seus), --carp, s. wedergebnorte, bernteuwde groei; herleving. —ent, a. vrederopkomend; herlevend. —ible, a. vernieuwbear; geechtkt om te herleren.

Is er een alternatief voor Coinbase


11E11.—DER,, Debit, o. sale. Debit sent, Di% teller, retailer. —eaten. op. w. to , to tell; to debit (with). sell, to retail; to utter —ear, m. debtor. Debossobls, o..channel,exportation, market. Dobnut, o. beginning, outset, debut, first appearance. Dee/ameoren, ov. w. to declaim, to recite, to deliver, to mouth. Doerest,o. warrant, decree. Deep, o. dough, paste. er ran hebben, to enjoy it. ter duly, heartily, thoroughly. —brood, paste-bread. —klomp, lump of paste. —achtig, bv. doughy. Deist-, v. deal, plank, board; thrashing floor. Doel,o part, portion, share; parcel;volume.—hebhes can, to be concerned in, to have a hand in. — semen (can), to participate in; (in) to gym. White with. ten — vatic's, to fall to one's lot (share). ten —e, partly. in alien — e, in every respect,. —genoot, —hebber —hebster, partaker, participant, partner, aesooiate. —genootsehap, partnership," association. —amend, partaking tat), sensible (to), compassionate, eympathizing (with). —unser, participant, interested party. —noting, participation; commiseration, interestoym pathy. —fat, dividend. —word, participle. —.blip. by. partaking of, participating in; — mai:en, to impart to. —aohtigheid, v. participation. —boar, be. divisible. —baarheid, v. divisibility. —en,ov. & on. w. to divide; to share; to participate. —sr, m. divider; divisor. —kg, v. dividing; dtvielon. —e, bw. partly. Deemoed, m. humility. —ig, by. bw. humble (-biy), submissive (-,y). ov. w. to humble. —igheid, v. humbleness, aubmissivenee. v. humbling, humiliation. Deseltik, by. bw. pitiful (Ay), miserable (-bly), wretcued (-1y). Deems, v. girl, lass. Deernie„ v. pity, commiseration, compassion. —uroardig, by. pitiable. Doeseon, m. leaven, yeast. —en, ov. w. to leaven. Detect, o. defect. —, by. defective. Deficit, o. deficit, deficiency. bw. grove t-iy),atately;respentable Deitig, by. (-bly), genteel (-1y). —held, v. gravity, stateliness; respectableness. Desalt. rn. platen. Degeikik, ha. & be. worthy (-fly), solid (-ly), thorough (-1y), sound (-1y), real (-)y), proper (-iy); to the purpose. —held, v. worthiness, solidity. Doges), in. sword, —draper, swordsman; bully, —parent, hilt. —reep, handle. —filing, swordblade. ..-knap, pommel. —koppet, belt. —haat, sword-knot. —.Weed*, scabbard, sheath. —stole, sword-stick. Doyens, vnw. he, she. —a, mv. they. Dolning, v. swell, surge. Datum en, on. w. to retreat, to retire, to give way; to thieve, to fall astern. —tag, v. retreat. Dolt, v. cover, bed-clothes; horse-cloth, dock. —balk.joist, croas-timber.—bed, feather-covering. upper-bed. —bled, floral leaf; wrapper. —bora. shingle. —dust, —prank, deck-deal, dock-plank. —homer, nall•drawer. —henget, stallion. —kleed,

Heeft u een bankrekening voor Bitcoin nodig


Bombard (bum-beard'), v. a. bombardeeren. Bore (boor), s. boor; bocrgat; wOdte, vervelend —ier. (bum-ber-dier'), a. bombardier. —tnent, a. mensch; lastige zaak. —, v. a. boreu; vervelen. bombardement. —r, a. boor; boarder. Bombast.' (bum'be-zien), a. bombazijn. Boreal (bo'ri-e1), a. noordelijk. Bombast (bum'bartet), a. i)del gezwets; hoog- Boreas (bo'ri-em), a. noordewiud. dravenda Vaal; katoenen stof. —ic (barts'tik), a. Born (born), part. geboren. base oneeht. hoogdravend. Borne (boom), part. gedragen. Bombycineus (bunt-bis'i-nus), a. zijden; zijde- Borough (bur'o), e. vlek, landetadje. wo rrnkleurig. Borrow (boriro), v. a. borgen, outleenen. —er, Botnbyx (bom'biks), a. zijdeworm. s. ontleener. Bonasus (bo-nee'sus), a. buffel-os. Boseage (bos'kidzi), a. bosschage. Bond (bond), a. band, boei; verbond; verbinte- Bosky (bos'kiii), a. boschrij k. nis;schulibewija;entrepOt. —holder, 'louder eener Bosom (boe'zum), a. boezem. schoot. —friend, obligatie. —maid, —man. —man- servant, lijf- boezemvriend. —, v. a. geheim houden. eigene. --eereice,lijfeigenschap. —s/ave,lijfeigene. Boss (boss), a. bult, knopje; boas. rneester —man, borg. —, a. dienatbaar, lijfeigen. —age, —age, s, uitspringende steen. —ed, —y, a. bultig; a, slavernij; gevangenschap. met knoppen versierd. Bond (bond), v. a. opalaan; zekeratelling geven. Botan;c (bo-ten'ik), —al, a. kruidkundig. —8, Bone (boon), a. been; groat. —a, s.dobbelateenen; a. kruidkunde. gebeente. 4 to make no blues (of),geen gew etens. Bolan 1st (boVe-nist), a. kruidkundige —ize bezwaar maken (van). —lace, kant. —setter, heel- (-najz), v. n. de kruidkunde beoefenen. —y, a. meeater. —setting, beenzetting. —spavin, spatten, kruidkunde. —less, a. zonder beenderen, graten of tanden. Botch (botsj), s. gezwel; lapwerk; stopwoord. Bone (boon), v. a. ontbeenen, ontgraten. —, v. a. lappen, broddelen. —er, a. lapper, Bonfire (bon'fajr), a. vreugdevuur, knoeier. —ery, s. broddelarij. Bonnet (hon'nit), a. hoed; mute; ravelijn; bon- Both (booth), a. beide; conj. zoo wel ale. net (zeil) Bother (botieur), a. kwelling; § wanorde, stoorBonny (bon'nih), A. Bonnily, ad bevallig, vroo- nis. —, v. a. kwellen, ergeren. lijk, aardig. —clabber, hang-op. te), s. wormen paarden). Hots (ba Bonum- magnum (bo'num-meg'num),s.konings- Bottle (bot't1), e. flesch; bundel. —flower, korenpruim. bloem. —nosed, dikneuzig. —screw, kurketrekker. Bony (bo'nih), a. beenachtig, vol graten. —stand, fiesscheblaadje. —, v. a. op fleaachen Booby (boe'bih), a. lummel; zeeooievaar. tappen. § Boohoo (boe-toe'), v. n. hard achreeuwen. Bottom (bot'tum), a. bodem, grond; bezinksel; Book (hoek),'s. bock. —binder, boekbtnder. —case kiel; dal; kluwen. —, v. a. gronden; steunen; boekenkeist. —keeper, boekhouder. (keeping), (bet) opwinden; v. n. berusten op (on. upon). —land, boekhouden. —learned, belczen,—/earning, bele- vruchtbaar, vlak oeverland. —less, a. bodemloos. zenheid. —madness., boekenkoorts. —mate, school- —ry, s. bodemerij. makker. —oath, eed op den bijbel. —seller, bolsi'. flood (baud), a. moutworm. verkooper. —trade, boekhandel. —worm, book- *gouge (boedzj). v. n. opzwellen. worm. —id., a. geleerd. —, v. a. boeken; to boek Bough (bau), a. talc. atellen, Bounce (baauns), S. bons; bluf. v. n. apringen; Boom (boem), a. leizeilspier; boom; baken. — bonzen; bluffen. —r, a. windmaker; leugen. v. d. not groote vaart aankomen. Bound (baaund), a. grens; grenapaal; sprong. Boon (boen), a. gunst; geachenk. —, a. aardig, —, v. a. beperken; begrenzen; v. n. apringen. vroolijk. —, a. gebonden; (for) bestemd near, —ary, a. Boor (beer), s. vlegel, lomperd. —ish, a. boersch, scheidspaal; grenv. —en, port. verplieht, verrochuldigd. --less, a. onbeperkt, grenzenloos. lomp. —ishness, s. boerschheid, Bounteous (baaun'ti-us), a. —ly, ad. mild; noose(boez), a. koeetal. Hooey (bo 'bih), a. beschonken. vriendeltik; goedgunatig. —news, a. mildheid; vriendelijkbeid. Boot (boet), a. learn; winst; bak (in cone koets). to —, ad. op den troop toe, —ed, a. gelaarsd. Donut y (baaun'tih), a. goedheid; milddadigheid; —hose, laarzekous, broeklaars. jack, laarzen- premie. a. mild; vriendelijk. kneebt. —leg, laarzeschacht. —tree, laarzeleest. Bourgeois (bur-dzjoiel, a. naam eener Mehra —less, a. zonder laarzen; vergeefsch. —8, a. drukletter; burger, —, a. burgerlijk. echoenpoetser in eon hotel. —, v. a. baton, Bourn (boors), a. grens. bevoordeelen. Bons e (boez), v. n. bekeren, zuipen. —y, a. Booth (booth), a. tent, kraarn. beschonken, drunken. Booty (boe'tih), a. bolt, roof. Boast (baut), a. beurt, beer, maal; poging; Bopeep (bo-piep'), to play at —, wegkruinertje,, proef. achuilhoekje spelert. Bow (bo), 8- boy • strijkstok. —anchor, vertui. hand. —legged, krombeenig. Borable (bo'rtb1), a. hoorbaar. an ker. —hand, rechter Borax (bo'reks), e. borax. —line, boeglijn. —man, boogschutter. —net, runt. Border (bor'dur), a, rand, grens, zoom. —, v. a. —piece, boegatuk. —shot , boogacbot. —sprit, omzoomen; a. n. (on. upon) grenzen, belenden. boegspriet. —string, boogpees. —window, nit—er, a. grensbewoner. springend venster. —yer (-fur), a. boogechutter
(-keet-id), a. .gaffelvorFtiren to (fur'ket), mig. —tion (-kee'sjun), s. gevorkthe!d. Furfur (furlor), a. sehim, schilfer (op het hoofd). —aceous (-fjoe-ree'sjus), a. sehilferend. Furious (fjoe'ri-u9, a. —ly, ad. woedend; weanzinnig; onstuimig. —ness, a. verwoedheid, razernij. Furl (furl'), v. a. (a sail) beslaan. —ing-lines, beslaglijuen. Furlong (furlung), s. 1j8 engelsche mij1 (220 yards). Furlough (fur'lo), a. verlof. —, v. a. verlof geven

teas, ticklishness. —tonoig, delicate. —ig, be. Kireitdinatee, v. cuetrm. m. sound; accent; noise; reputation. — ticklish. —igheid, v. ticklishness. Wittig, be. spruce, smart, brisk. —heid,v. spruce- &vex, to mound, to resound. —bard, sound-board. —mast, prosody, rhythm, meesure.—naboottend, net., emartnees, briskness. Klangeschtleg, be. plaintive, lamentable, quern—wooed —.bootaing, onomatopoeia, —When, Recent. —eerdoover, sardine, mute. ions. —held, v. plaintiveness, queralousness. Kiang hula, o. houteofmourntrg. —lied,—rang, KInut, m. customer; boon companion, chap, mourning song, dirge, lamentation, monody. blade, —psalm, penetentiary psaloa. —cede, complaint, Map, m. blow; stroke, elan, snap; idle talk, lamentation. —schrift, complaint, remonstrance. chat; clapper; tie Klep. op den — loopen, to —stem, plaintive voice. —tours, lamenting (plain- go a-spooning. —beentjes, —hostjee, castenete. —bee, goose berry. —brug, draw•beidge. —geld, tire) tone. —vroute, mourner. Kiang Mk, be. & bw. plaintive (-1y)., larnan. watchman's chattei. —hek, gate that shuts of itself. —host, gave.. —looper, smell-feast, spun• table (-bly). —tier, v. Zee Wager. Klanr, bv. clear, plain, evident, manifest; ready. ger. —mute, riding-cap; Nailer '13 cap; corner in - bw. clearly, evidently. —blUkel(jk, bv. & bw. a draw beat. —ore, clap, venereal tumor. —race, wild poppy, corn -peppy. —ape., mill-clack; evident (-ly), obvious (-1y). dense, obviouesees. —leggen, —makes, to set (to informer, tell-tale. —stok e farater's calendar. put) in rename., •to make ready, to prepare. —tofel, folding table. —tour°. whip-cord. —rites, —steer, to be ready. —sehilnend, bright, shining, valve, tractile. —waker, watchman. —wicket., to luminous. —eieade,eleas-eightea.—heid,v.ei6ar- clap the wings, to flap. —acktig, be. talkative, garrulous, nese, evideece. K lappet, v. gossip. —en, on. W. to gossip. Klee*, tn. ninny, dolt; w ooden mug. Kleelst, v. complaint. lamentation; commitoion Kteppen, so. & on. w. to clap, to smack; to to hear complaints. eene — inbrengen tegers, chatter, to prattle, to prate; to blob (out), to to complain of, to lodge a complaint against. conies.; to inform, to peach, to impeach. in de —ig, be. complaining; — rotten over, ti, sum- handen —, to clap the hands. Ktnpper, m. clapper; tattler, prattler, blabber; plain of. Kind, v. stain, spot, blot; roagh-draught, sketch, informer, tell-tale, peacher. —boom, asp, aspenminute; calumny, espersion; dirty slut. de — tree; cocoa-nut-tree. —.tan, watchman. —soot, trenyen in, to undersell, to depress the market cocoa-not. —olie,poppy-trii,coeoa -nut-oil. —tanof to bring down the value of. bij de —den den, does —, to make one 'al teeth chatter. AU krifgele, to get by the ears. —den, ov. & on. w. klappertandt, his teeth chatter. —en, on. w, to to 'stain, to spot, to blot, to coil; to scribble, rattle, to chatter. —ing, v. rattling, chattering. to scrawl; to undersell. --bock, waste-book, —4, v. chitchat, babbling. memorandum. —papier, blotting-paper. —schil- Klerers, ov. w. to clear; to settle, to wind up; der, dauber, scrawler. —schilderes, to daub, to bring about, to manage. to scrawl. —schilderil, daub. coarse painting, Klerigheld, v. readiness, preparations. —. makes, —seArkiver, scribbler. —schnld, driblet, petty to get ready, to prepare. debt. —werk, dawning. —debater, spoiled butter; Kleirinet, v. clarinet. Marling, v. clearing; clarifying, clarification. slut. Kladder, in. dauber, screwier; underseller. —ip, Kinroeni,v.clarion. be. Zie Kieaddtg. —0, v. daubing, scrawling; Kinsale, v. clam Kiefer, v. rattle. —en, on. w. to rattle, to clatundersallivg. Iiteddig, be. stained, blotted; nasty, sluttish; ter. Ktatergottd, o. tinsel, Dutch gold. dirty. —hid, v. nastiness, dirtiness. lli.losater sear, m. climber, clamberer. —en, on. Kindster, v. Zie Madder. King en, ov. & od. w. to complain (of); to la• w. to climb, to clamber. —Taal, combing pole. : o discover —lag, v.1011mbing, clambering'. meat; to sue at law; sign pond one 's distress, — one 's heart. —end, be. corn- Klanw, M. clew, clutch; pew, pounce, talon; planting, plrinti te. —es, me complainer; lamenter; hook (vane. ariker), weeding-hook; scratch. —en, ov. w. to claw, to scratch, —er, m. chimer, yeatntiff. scratcher.—lag, v. clawing, seratching. Kink, v. spot; crack; opera-but. —kebue, cracker, pog eun. —kelooa, be. & bw. oudden (-iy), unex- Kleivantobnerter, in. calking-hammer. pettedly; week (-1y), coward (-1y); witeout h itittveetros .seal, v. —bel, v. harpsichord. sufficient reason. —ken, ov. & on. w. to spot, to Klawcer, v. clover, trefoil; clubs. —tied, cloverleaf; trio; card of clubs. —dock, canvaes. —Aooi, blot, to dirty; to grove dirty; to crack. dried clover. —jaelen, to roll in the grass. IK.teloro, be. clammy, moist, Kinmafti, m. horsing-lion, calking-iron. en, clovered. —veld, —weide, clover-field. —sand, clover-seed. ov. w. to calk. Rhine &tattle', be. rather clammy, — moist. Kinsmress, v. me. clubs. —zeven, seven of clubs. —held, v. ellitriglille361, --ate. ace of clubs. —Goer, knave ofclubs.—Aeer, K le rep, m. clamp; cleat; heap. —en, ow. W. to king of clube. —vrouw, queen of clubs. —, on. w. clamp; on. w. to cleave, to 'stick; non beord —, to clamber; to grate in clover. to grapple and board, to fall foul upon; to Kiervierig,bv. elovered, cloeery. Klnyleg, o key-board; harpsichord, piano. accost.


KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,

Hoe lang duurt het om een ​​Bitcoin mijne


set apart; tick t. w. to withdraw, to retire. —inn. v. separation, isolation; retirement, bv. & bw. separate (-1y); private (-1y). Afzoonaen, or. w. to seam entirely. Afzulg en, or. w. to tuck off, to ablectate. —ing, v. ablactation Afzweepera, on. w to whip off. Afzweerder, m. abjurer. Afzweir en, ov. w. to abjure, to forswear; on. w. to fester away, to fall off by ulceration. —sag. v. abjuration; felling off by ulceration. Aftwoogen (zlch), ti,. w. to drudge, to toil and moil, to overlaeor one 'e self. Agent, in. & o. agate. —steels, agate(-stone). Agaten, be. agate. Agent, m. agent. — van policie, police-man —schap, o, agency . Agurk, v. —fie, o. gherkin. Ahem', us. —loons, maple, maple-tree. &lulu, in onion. Akaost, In. acanthus. Akelet, v. Zie Akolei. Akellg, bv. & bw. dreary (-ily), dismal ( - 134, gloomy ( - UV, dull ( - yi, sat ( ly'. —held, v. dreariness, &online., dulness, sadness. Aker, in. acorn; bucket, pail. Akker, tn. field. —boxes, tillage, agriculture. --bresss. dyer 's weed. —vereedschap. implements of husbandry, farming-utensils. —honeroet, crowfoot. — kruld, dwarf-elder, dane-wort. —land, arable land. —nsaalsboseh, copse. —maalshont, copse-wood. —man, husbandman. —week, tillage, husbandry. —wet. agrarian law. —co, on. & on. w. to plough, to till. Akolel. s. columbine. Akonlet o. aconite. Akte, v. document, deed, instrument, bill. Al, o all, whole, universe. —, be. all. every. —, bw. already; rather; — te, too. —, vw. though, although, even if. Aleut. m. elecampene, horse-heel. —ste(in, elecempane-wine. —swortel, elecampantowort, +starwort. Maine. 0. alarm. —kink, alarm-bell. —kreet, cry of alarm. Albeit, o. alabaster. —en, bv. alabaster. Alb* dli, m. & v. fault-finder, caviller. —drij) —dril, —schsk, m. & v. busy-body. Aldear, bw. there, of (at) that place. Aldus, bw. thus, this way, in this manner. Aleer, bw. before. near —, before. Algebra, v. algeors. --WA, by. algebraical. Algeancen, bv. & bw. universal (-1y), general (-1y), common (-1y), o, public. in (over) het —, general, in general. —head, r. universality, generality. A Igenowgzaarn, bv. all-sufficient. —held, v. all/sufficiency AlgssdetrU, v. pantheism. Algoe4, by. most-bountiful. —e, in. (the) Mostbountiful. —heid, v. supreme goodness. Albler, bw. here, of this place. Alhoewal, vw. although. Altkrulk, v. periwinkle, cockle. Alkoof, T. alcove. Alledasweb, by. daily, quotidian ;ordinary, in-

Elllek (erlik), f. vont. Alexander; Alex. ladl O. g. the — Oost-India. Elsinore (el-al-noor'), g. Elmeueur. —an (..iti'djen)., a. 0,ist-Indiseh. Elysium (e-lizri-um), any. Elyetum. Eceleollenst en (ek-kli-zi.eat'tez), r. de Predrker Emanuel (e-meuloe-ell. m. Enaanuel. —ic State, g. (de) Kerke.liike Stoat. Emil la (e-mil'i-e), w. Emilia. —y Ecuador (ek - we - door'), g. Ecuador. noon Emilia; Emrnetje. Eden (i'dn), r. Eden. Eaunoa (etn'me), w. 'mma. Edgar (ed - sur). m. Edgar. Ent as (e-ni'ea). —e (-nie'), m. Eueas. —is, 1. Edinbor„gh led'in-burg). g. EA1uburir. the —, de Enelde. Ed nu und (ed'mund). an. Edmond. —ward (-ward), England (ing'glend), g. Engeland. m. Eduard. —win (-win). m. Eawin. Eeglloh (lneelisj), a. Engelach; 1. Engelseh; 1. Egypt (i'dzj1pt), g. Egypte. —ian (-dzjip'sjen), the —, de Engelschen. —man, I. Engeleehmen. a. Egyptisch; i. Egyptenear. Enoch (ie'nuk), 1111. Enoch. Elbe (elb), g. the —, de Elbe. Ephee tan (0. 11'zii - en). a. Ephesiseh; I. Ephoser. Eleanor (el'e-nor), w. Eloonera. 14, (ere-anal, g. Ephesus. Clammier (1.-11-ee'zur), m. Eleazaz. Ephraim (ie - fee - im), an. Ephratin. Eli (te'laj), m. Ell. Epirus (e•parrns), g. Epyrus. Ell ah (e-lare), m. Elia. —as_ m. Elia.. Equator (e-kwee'tur , , g. Equator. Elisabeth (e-liz'e-beth), w. Elisabeth. Erato (er's-to), my. Erato, Eli shah (e-larsje), se. Eliza. —ea (-se), w. Er is (Ie'rlh) g. Erie. —in. g. Erin. Ernest (neneat), an. Ernst. Ellen (el'In) f. your Helen ; Leant* E swlws (e-seejee), in. Jezaja.

NUT.-0EN. 199 been. —brown, kastanjebruin. —crackers, noten- Nuzzle (nnez1( v. a. opkweeken, koesteren; r , 21, blauwspecht. j gee; v, n. wroeten, snuffelen; met den kop lenge —hatch. kraker. —gall, galnoot. —hook, noothask; diet. —shell, notedop. —tree, den grond gaan; zich verbergen. v. n. Nyctalop a inirte-lops), a. die beter bij nacht notenboom. —wood, notenboomenhout. noten plukken. den bij dog ziet. —y (-lo-pih), a, nachtzichtig; held. Nutmeg (nut'ineg), a. notemuskaat. (nioe'tri-ent), a. voedend. —ment, s. Nye (naj), s. vlucht, Loom (van jonge fasanteni. Nutrl ant voedeel. —mental (•Thient'ell, a. voedend, voed- Nymph (nime), 0. nimf. —a (-fe), s. pop (van zaam. —tion(-trisj'un), a. voeding; voedsel. —tious inseeten). —can (-i-en), —ish, a. nimf- —like, —ly (-trisfus), —live, a. voedend; voedzaam. —tare' a. ninifachtig(-tjoer), s. voedingskracht.


tend. —cloak, sluitjls. —cropt, kaal gesehoren. Cluck (kink), v. a. & n. klokken. —handed, karig. —jest, sehampere scherts. —man, Clownp (klurnp), s. klomp; groep (bowmen). achterhoudend man. —pent, dicht opgesloten. Clams Incas (klum'zi-ness), a. lompheid, on-stool, nachtstoel. —weather, drukkend wader. handigheid. —ily, ad. —y, a. lomp, plump, on- , —ly, ad. dicht; nauw; tank; oplettend. to handig. live —, zuinig leven. to study —, steak studeeren. Chinch (kluntsj), 8. verharde —ness, 8. dichtheid, engheid; gedrongenheid; Cluster (klut'tur), a. troy, hos, menigte, zwerm. achterhoudendheid; karigheid; verband. —, v. a. , erzamelen, bijeenbinden; v. n. in trosClose (klooz), v. a. sluiten; besluiten, eind'gen; sen groeien, rich opeenpakken. —y, a. in trosinsluiten; vereenigen, samenvoegen. (in) inslui- sen groeiend. ten; eindigen. (up) wegsluiten. —, v. n. zich slut- Clutch (klutsj), 8. groep; klauw. —, v. a. grijten, dichtgaan; overeenstemmen. (in) aanbreken. pen, omkuellen. (upon) overeenkomen wegens; naderen. (with. in Clutter (klut'tur), 8..verwarring, geraas, v. n. with)zich vereenigen met ; handgemeen warden met. geraas, rumoer makes. Closet (kloz'it), a. kabinet; bijzonder vertrek; Clyster (klie'tnr), a. klisteer. —pipe, klisteerkast. —, v. a. opsluiten; in het geheim verhan. spuit. delen. —reasoner, kamergeleerde. —sin, geheime Coacervatlon (ko-es-sur-vee'sjnn), a. samenzonde. hooping. Closing (klooz'ieng), a. einde, besluit. Coach (kootsj'), e. koets. 'v. a. & n. rijden Closure (klo'zjoer), a. singing; slot; omheining. (in eene koets). —box, koetsiersbok. —fare, v. n. klon- vracht. —hire, koetshuur. —horse, koetspaard. Clot (klot), 8. klonter; botterik. —house, koetshuis. —man, koetsier. teren. Cloth (kloth'); s. lakes; linnen; dock; kleeding. Cone Hon (ko-ek'sjun), a. dwang. —five, a. stof; tafellaken. to wear the —, het geestel0 dwingend, samenwerkend. gewaad, de uniform dwell. list of —, zelfkant. CoadJu taut (ko-ed'zjoe tent), a. helpend; me-beam, weversboom. —merchant, lakenkooper. dewerkend. —tor (-zjoe'tur), s. medehelper. —trix —shearer, lakenscheerder. —trade, lakenhandel. (•zjoe'triks), a. medehelpster. —weaver. lakenwever. —worker, lakenbereider. Coagent (ko-ee'dzjint), a. helper. Clothe (klooth), v. a. klerden, bekleeden; v. n. Coagula hie (ko-egjoe-libl), a. strembaar. —te, gekleed zijn. v. a. & n. doen stremmen; stollen. —tion (-lee' Clothes (kloothz), a. kleederen; gewaad; bedde- sjun), s. stoiling. —five (-le-tin), a. stremmend. —tor ( lee cur), s. stremmend middel. goed. —brush, kleerborstel. —horse, droogrek. —line, drooglijn. —man, kleerkooper. —peg, Coal s. kool. - —, v. a. tot kolen branden; met houtskool schetsen. burning —, gloeiende droogstok. Clothier (klootlejur), s. lakenkooper; voider. kool. dead —, drove kool, pit—, steenkool. Clothing (klooth'reng), s. bleeding. —basket. kolenmand. —box, —scuttle, kolenemClot ter (klut'tur), v. n. kionteren. —ty, a, klon- mer. —black, koolzwart. —heaver, kolendrager. —hod, kolenbak. —house, kolenschnur. —merterig. Cloud (kland'), a. wolk; donkerheid; gedrang. chant, kolenkooper. —mine, —pit, kolenmijn. v. a. bewolken; verditisteren; bedroeven; v. n. —mouse, koolmee8. —work, koolbergwerk. —cry, betrekken; treurig worden. —rapt, met wolken a. kolengroef. —34 a. koolaehtig. bedekt. —topt, de kruin net wolken bedekt. Coolest:, e v. n. samengroelen, zich vereenigen. —ence (-sens), a. samenvieeiing, ver—ily (it-lih), ad. met wolken. —less, a. onbe- wolkt. —ness, s. betrokkenheid. —y, a. betrok- eeniging. ken, bewolkt; somber. Coalition (ko-e-lis'sjun), vereeniging, verbond. Clough (klof), a. klip, steilte; goedgewicht. Coamings (koom'iengz), a. luikhoofden. Clout (klan;'), a. dwell, lap; stop; Inter. —nail, Coaptation (ko-ep•tee'sjun), a. juiste bijeenschoenspijker. —, v. a. happen, optlikken. —ed, schtkking van deelen. Coarse (koors'), a. —ly, ad. gaol, row, gemeen. a. geklonterd. —ed cream, dikke room. Clove (kloov'). s. kruidnagel. — of garlic, look- —neu, a. grofheid, ruwheid; gemeenheid. kruidnagelbloem. nolletje. Coast (koost), s. kust, never. —, v. a. dicht vaClove. (kloo'vn), a. gekloofd. —footed, met ge- ren langs; v. n. longs de knot saves. —er, knotvaarder. —ing, s. kustvaart. —ing-pilot, knot- spleten hoeven. Clover (klo'vur), klaver; overvioed, —ed., a. met loods. —ing-trade, kusthandel. klaver begroeid. Coast (knot), s. jao, rok; pets, yacht; vile,. hold, Clown (kIaaitn'), s. kinkel; hansworst. —iRb, a. schors; hag; stand. close —, slnitjas. dress —, gekleedo rok. great —, overjas. — of arms, vt a—ishly, ad. ongerranie,rd, !only. —ishness, s, on- peeschrld. — of mail, pant,er, —card, prentje gemani erdheid, lompheid. Cloy (kloy), .v. a. oververzadigen, volproppen; (in 't kmartspel). —, v. a. bedekketi, bekleeden. Coax (kooks'), v, a. pluimstrijken, vernagelen. —less, a. onverzadigend. Club (klub), o, knuppel; klub; aandeel, gelar.),.; vIcler, pluimstrijker. klaveren. —, v. a. zijo aandeel bijdragen; v. it. Cob (kob'), m kop, top; teelbal; vrek ; klophengst; pootig. —foot, zeemeeuw; spin; piaster, —coals, groote ronde medewerken, bijdra,,en. yacht van horreivoet, —he a ded, dikkoppig. ko i en. —iron, haardijzer. —nut, kinderspel (met noten). —web, a. sprnneweb: sulk; n. fijn, dun. den sterlote. —roan, klubliarn , . --hist. a lid —bp, a. sleek, kraehtig. Penes
melk. het rerband —, to unbandage, ionand een eed —, to swear a, o., to pnt ta. o to his oath. irwal(jk —, to take Rothe tested —, to overcharge. —, on. w. to abate, to lessen, to decrease, to decline, to d ,, car, to fall; to wane, to lie on the wane —end, bv. declining, diminishing; waning; fainting. —er, m. taker: customer. —ing, v. taking down, — off, — from — away; descent; decrease, decline, decay. wane. Aftp, omen, on. w. Zie A ['Olken. A fnijpen, on. w. to pinch off, —from. Aforigen„ on. w. Zie AfkU ken. Afoogetten, on. w. to get in the crop, to reap. Afpneltten, on. w. to farm, to rent, Afpnkken, on. w. to unpack. to pack off, to unload; to snatch sway, — from. Afpnlen, on, w. to mark (to fence off) with pales, to limit, to incloseAfprissen, on. w, to equt.re, to proportion, to Fytitist; to count out a fixed sum of money. Afuelleta, ov w to sound, to gauge. Arpeinzen (etch), t. w. to rank ,,ne'sbrAin. Arnell•n, on. w. to peel (off), to husk. to "hell. Afperk en, av, w. to impark, to fence in, to fold, to mark out. --ing, v. enclosure, marking oat. Afperu en, ov. w, to extort (to exact, to wrest, to wrist) from. —er, ir. extorter. extortioner. —asp.. v extortion, exaction, wresting from, AFyikken, on. w, to peck to pick) off. Afplatxen, ov w, to flatten, to level. —big, v. flattening, levelling; oblate for. AlpbeRten, ov. w. to save by pleading. Afpinegen, on.w. to plough off. Afplist! 'sell, o. arts pickings• —ten, o•. w. to pick off. —rer, no. picker —.vino, v. picking. At pltikk en, on. w. to plunk off, to gather. —er, in. plucker. —ing, v. plu•cing, gathering. Alpoenoen. ov. w. to wipe off, to clean. Afprnehen, ov. w. spineta by coaxing. Afpraiton, on. w. to prevent by talking; to diseuade to arrange. A fpun to,n, zv.w. to paint off,to nib. Airtsadailer, v. Zie Meader. Afraid en, ov. w. to dissuade, to dehort (a. 0. horn); to advise (a. o. against). —er, In. dissuader. —ing,v. dissuasion. Afrnfelen, ON. & on. Iv. to ravel oat, to unravel. Afrageta, on. w. to clear from cobwebs, to dust. Afraken, on. w. to get off', — down; to get rid of. t in den iveg —, to go astray, to lose one's way. Afranden, on. a'. to take off the border (the margin) from Afroneelen, ov.w. to rib-roast, to drub, to thrash . Altrap ea, ov. a'. to rasp off. —er, rn. reaper. —ing, v. rasping. —set, o. raspinga. Afrotgenen, on. w. to lie beaten (worn) tiff by the rein. Afreikets,on. w. to reach down; to deliver. Afrei a, v. departure, netting out —sens on, w. to traoel over; on. w to depart, to net out. Ala- ricers on, on. w. to deduct, to abate; on. w. to settle (to cli ar) aecounts, to liquidate, to account with. —ing, v. deduction, eat tang (clear. ing) of accounts. liquidation; —harden ; to balance accounts; op —, on accoont.
C1111.—C111Circin ► te (eur'si-nee)), v. a, runden; in cen' Chubbed (tejulfbid), a. dikwangig; plomp. cirkel afmeten. Chubby (tsjub'bils), a. Zie Chubbed. cirkel, omtrek, kriug, gentChuck (t)juk), s. geklok; tikje; stunt. my—, niijn Cirkie (surikl), :chap. —, v. R. ornringen, insluiten; v. n. roadliefje. —farthing, kuiltjesspel. —, v. a. lokken; loopen, omheeng,aan. —d, a. cirkelvormig. —t pitreelen; stnoten; smitten; v. u, klokkeir. Isur'kirt), a. cirkeltje; ring. Chuckle (tsjolekt), v. a. lokken, liefkoozen; v. n. circuit isuekit), a. omtrek; omloop; inhoud aeon schatercrid inch.; inwenitig !adieu. cirkels; umweg; rechtagebied. —, v. a. & n. roodChuff (tmjun, 8. Hoer, lomperd. —y, a. lamp; (aur-kjoe is'sjun), a. rondgang, omioopen. norisch. loop. —aus (air.kjoe'i•tum), a. omloopend; wijdChum (tsjun ► ), a. kamergenoot. Chump (t sjutnp), 8. zwaar st uk hour; bonk, tromp. loopig. —ous road, omweg. Circular Isur'kjoe-!er), a. cirkelrond; rondgaand„ Chunk (t•ju.,10, s. 'Lie Chomp. Church (tajurtaj'), s kerk — is ace, In kerk is kringswijn. --btaircase, wenteltrap. —, a. eireua. cirkelvormiglaire. —ity nit. —ale, kerkinwiidiii ,48feest. — authority, kerk- heid. —1y, ad. kringswitize. gezag. —book, kerktiock. —law. kerkelijke wet. —man, geestelijke. —plate, kerkzilver. —prefer- Circulat a isur'kjoe-leeth v. a. in omloop brenment, kerkeiijk arribt. — warden, kerk meester. gen; v. n. in omloop zkin. —ing library, leesbibliot ► eek. —ion I-lee'sjunt, a. omloop. —ory, a. am—yard. kerkhof. ioopend. —ory t-le-tut-rib), a. omloopvat. Church (tajortoj'). v. a. voor eerie kraatnvrouw danken. she ma churched, zij hee ft haren kerkgang Circuanam blency (sur-kum-em'bjen•stb). s. omgeving. —bient, a. omgevend. —bulate (-bjoegedaan. —lay, 8. kerkgaeg. leer), v. n. rondgaan. Churl (tsjurl'), a. lomperd: web, —ink, a. —ishly, Rd. row, onbeschott; vrekkig. —ishness, a. onbe- Circumcis a (sur'kum-sajz)., v. a. besuijden. —er, a be.nijder. —ion (-siezjun), a. beanijdents. schoftheid; vrekkigheid. Circ....feren ce (sir•kumlur-ens), s. omtrek. (Opine), a. barn. v. a. —staff Churn —tor lour- kum-fe-ren'tur), a. hoekmeter. karnen; schudden. Circuit) Heel (sur'kum-tlekt), —Pex, v. a. met Churrworm (tajur'worm), a. veldkrekel. a. het omgebogen toonteeken voorziett. Chyl a (kajl'), a. chiji, voedingsap. —ifaction (kil- omgebomen; a. omgehogen toonteeken. i•tek'iljun), a. chip/flaking. —Qua, a. uit chijl Cfrcunr,flueu ce (sir-kunilloe ens), a. ornvioetbest/made. ing. —t, a. onavloeiend. Ciborium. (si-bee'ri-vs), a. tot voedoel Circuniforancous (sur-kum•fo-ree'ni-us), a. rend; eethuar. onizwervend. Clbol (sitful). a. biealook; kleine niensoort. Cicatri ce (sik'e-trig), 8. litteeken. —.alien (-tri. Clecusialluis a (sur-kum-fjoeel, v. a rondgieten; verspreideu. —ion (-tjoe'zjun), s. rondgieting; ver. zee'sjun), a. wondheeling, (het) dichtgaan eener spreiding. world. (sik'e-trajz), v. a. heeleu; v. n. Clre.nagyration (sur-kum-dzji-ree'sjun), s. umgams. a. kervelkruid. draaiing. Cicely Clenrs. to (sik'joe-reet), v. a. ternmen. —lion Circunklacent(sur-kum•dzjee'sent),a.omliggend. Circumlocut ion isor•kum-lo-kjoe'ajunt, a. (-ree'sjun), s. temming. omschrijving. —ory (-lok'joe-tur-rih),s, omschrij(xi kjoe'te), a. doile kervel. Cider (sardur), a. appeldrank. —kin, a. geringe vend. Circumnaviga ble faur-kum-nevl-gibil, a. omsoon; urn apoeldrank vaarbaar. —te, v. a. omvaren. —lion (-gee'ajun), Cigar (ai-gaar'), a. Biguar. —box, sigarcnkoker, a. omvaring. —tor, s. omvaarder, °runner. Ingarenkistje. Ciliary (sil'je-rih), a. tot de oogleden behoo- Circumpolar (our-kum-po'ler), a. urn de pool • been liggend. rend. Circumrotat ion tour-kum-ro-ree'sjun), crondCilicioubr (si-lis'sjus), a. van haar gemaakt. omdraaiing. —ory (-ro'te-ter-rili), a. randomCimeter (aim'i-tur), a. turkache sabel. draaiend. Cimmerian (sim.mi'ri en), a zeer duister. Circuit". scribe (sur-kum-skrajbl, v. a. omschrijCincture (sink'tjoer), a. gordel, band; lijat. vent. beperken. —scription (..skrip'sjou), a. omCinder (sin'dur), 8. !lintel• —wench, —woman, schrijving; beperking; omschrift; grens. —scripaschophkalster. a. omschrijvend; beperkend. tiro Cinerary (sin e're-rib), a. aschachtig. Circumspect (aur'kum-spektl, a. — ly, ad, umCinereous (81-nPri-us), a. aachgrauw. zichtig. —ion (-spek'sjun), —ness, e, omzichtigClnerltlous (sin-e•ris'sjus), a. Rachachtig. herd. —ire l-spek'tiv), a. —ively, ad. omzichtig. Cingle (sing'g1), s. riem; singer (van eeu paard). Clrcumstan ce (sur'kum-stenti), omstandigCinnabar (ain'ne-ber), a. vermiljoen, heid; toeval. —Ted, a. geateld; uitvoerig. —t, a. Cinnamon (sin'ne-men), a. kaneel. omstaand. —tint (-sten'jel), a. —tially, ad. Cinquefoil (sink'foji), a. vigvingerkruid. uitvoerig; toevallig. --bate (-sten'aji-eet), v. a. Cinqueports (aink'paorte), a. (de) vijf havens uitvoerig bemehrnven. Cion (aarun), a. loot. Cipher (sayfur), s. cijfer; mil; letter; cij ferschrift; j Ci rcumvallat ion (sur-kum-vel-lee'sjun), s. onieleutel tot cljferschrift. —, v. a. in cijferachrittI walling. echrijven; v. n. ctiferen, rekenen. —ing, a, eij- Cirrumvection (sur-kurn.vek'sjun), ' voering. forkunst.

Torpent tor'pent, a. Zie Torpid. 'rorpeac oleo (tar-pes'sene), s. verdooving, verstiplog. -eat. a. verdoovend, verstijvend. Torp Id (tor'pid), A. verdoofd, verstijfd; werkelooa, Snow. -idity (tut-pid'it- Oh). -iduess. -itude (-pi-tjoed), -or ( pot), a. verdoovinfr, vernttjfdheid; werkeloosbeid, traaglteld. -orific (-pur-st'llt), a. verdoovend, bedwelrnend. Torrof action (tor-re-tersjun), a. droging, verzenging. -y (tor're-faj), v. a. drogen, ver-

UNIT--UNX. 324 Unintellig ant (un-in-telnid-z)ent), a. onkunUnhewn (un-joen 5 ), a, onbehouwen, ruw. —ibleness, s. severdig. Unbidden (un-hid'dn), a. onverborgen. staanitarhe!d. —We, a. —ibly, ad. ouvetstaanUnhindered (un-htn'durd), a. ongehinderd. Unhinge (un-hindir), Y. a. uit de hengsels Lich- bum Unintentional (un-in-teu'sjun-e1), a. —ly, ad. ten; tat zijn verband rukken, orniteerea. onopzettelijk. Unhit lun hit'), a. niet getroffe.n. Uuinter ested (un-in'tnr-est-id), a. belangeloos; Unhitch (un-littsrl, v. a. athaken. riet betrokken (in). —silted (-mit'tict), a. onUnhurt if y (in-ho , 111-11h), ad, —y, a. onhailig, s. onhetiigheid. afgebroken. —mixed (-mike(?), a. onvermengd. goddeloon. —rupted, a. —ruptedly, ad. (-rupt'id-), onafgeUnhonored (un-oreurd), a. ungeierd. Unhood (un-heed';, r. a. de kap afnernen. —ed, broken. Unin tired (un-in-joerd'), a. niet gewend (to). a, zonder kap. —vented (-vent'id), a. onuitgevonden. —reeled Unhook (vn-hoek') v. a. loehaken. (-vest'id), a. niet bekleed; niet belegd. —restigable Ulaboop (un-hoepl, v. a. van howls ontdoen• (-vest'l-gibl), a. onnaspeurlijk. —riled (-vaj'tid), Unikope d (un-hoopt'), a, — tor, ongehoopt. a. ongenood. (-hooploel), a. hopeloos. fret Unhorse (tin-horn'), v. a. van het paard werpen. Union (joe'njun), s. vereeniging; eendracht ; Unhositile (un-hotrtil), a. Met v(jandig. Unto. —flag, natlonale ',lag (van Groot- BritUtabousta lun-haue), v. a. uit het We jagen, tannii). Uniparotio (joe-nip'e•rus), a. tin Jong werpend, aan den dijk zetten. Unhumbled (un-hurebld.), a. onvernederd. Unique (joe-niek'), a. eenig. Unison ijoe'af-sun), s. een-, gelijkstemmigheid; I.Johring (11.1 hung') a. ongehangen. overeenstemming. —, —ant, —ous (-n;s'o-), a. Unhurt (un-hurt'), a. ongedeerd, onbeschadigd. gelijkstemmig, -klinkend. —Ail, a. —fully. ad , onachadalijk. Unit (joe'nit), e. eenheid. —anion (-ee'ri-en), a. Unbusk (un huak`. ), v. a. pelien, doppen. Uni corn (joe'ni-korn), a. eenhoren. —form, s. unitarts. —e (-neje), v. a. vereenigen; v. n. zich uniform. —form, a. —forstly, ad. eenvortnig. ver,nigen; itch verbinden; aaneengroelen. a. ad. (-najt'id), vereenigd, gezamenlijk. —fortuity (-form'i-tih), s. eenvormigheid. —genus —y, s. eenheid; overeenstenrning. (-ni 4'0e-tins), a. van din geslacht. —lateral (-let'- Univalve (jotent-volv), a. eensehalig. ur-el), a- eenztjdig. unItn aginable (un•int-ed'zji•nibi), a. ondenk- Univers at (joe-ni-vers'el). a: —ally, ad. Opmeen. —ality (-erit-tili), a. algerneenbeid. —e ium, —paired (-peerd'), a. onverzwalkt; onge- Ijoe'ni-vurs), s. heelal. —lip, a. huogirachoot, nehonden. —passioned (-pesj'und), a. onharts- universiteit. tochteltjk, bedttard. —peaehable (pitts'ibt),j a. niet to betchuldigen, onberispelijk. —peached Univocal (joe-niv'o-kel), s. & a- (woord) met slechts dine beteekents. (-pietajt.'), a. onbeethuldigd. —peded (-pie'dfd). a. ongehinderd. —portant (-port'ent), a. online- Unjoin (un-dzIojn'l, v. a. seheiden. —t, v. a. ontleden; ontwriehten. —ted (-tid), a. ontleed; langrijk. —pitted I-poozd'), a. vrijwillig. —posing ontwrieht; zonder gewricht. I-Po'zieng), a. n'et indrukwekkend; vrijwillig. Unimprov able (un-im-proev'tbI). a. onverbe- Uejoy tut (an-dzjorfoel), —ous, s. niet vrooltjk, nedralachtig. terlijk. —ableness, e. onverbeterlijkheid. (-proevd'), s. onverbettrd, onbeechaard; onge- Unjudged (un-dzjudzjd'), a. onbeourdeeld, onboalist. bruikt. —ing, a. niet verbeterend. Uninaputabl• (an-im-pjoe'tibl), e, niet toere- Unjust (un-dzjust'), a. —1y, ad. onrechtvaardig, onbilftjk. —nese, s. onrecbtvaardigheid. kenbaar. Unin alined (un.in-klajnd'), a. ongenegen, Unjustlit able (un•dzjnet'L-faj-ibl), a. —ab'y, ad. niet te rechtvaardtgen, onverantwoordelijk. —debted (-det'id), a. condor achulden; niet ver- schuldigd. —different (-dirfur-eat(, a niet on-—ablenese, a.onverantwoordelijkheid. —ed (-fajd), a. ongerechtvaardigd. verachilPg; niet onpartijdig. —dulyent (-dui', dzjent), a. niet toegevend.—d,.trioua (dus'tri-utt), Unkennel (un-ken'n11), v. A. nit het hok of hol drtiven; te voorschijn brengen. onbedtlivIg. —fected 1-fekt'idl. a. niet a. onbesmet. —famed(-fleemdl, a. nietontvlarnd. Unkepi (un-kept'), a. niet gehonden., — nage-flammable (-flenemibl)„ P. . niet OntvImbartr. komen. —flueneed (-in'iloe-enst), a, or!) van invloed. Unkind (un-ka)nd'). a. —ly, a. & ad. onvriencle(-1i-nese)„ —nest, a, onlijk. lieideloos. -formed (-POP.Cr), a. niet onderrieht. —onto. vriendelijkheid. (-dzjen'joe-us), a. niet openharttg, niet oprecht. Unintiobit ethic (un-in-heb'it-ibP, ,abewoon- Unklnlq (un-ki'ng') v. a. onttroonen. —!y, a. onhoar. —ableneis, s. onbewoonbaarheid. —ed (-id), koninklijk. Unkissed (un-kise), a. ongekuat. a. onbewoond. Unin lamed (un-in'dzjoerd). a. onbeleedigd; on- Unknelled (un-neld'); a. zonder geld der doodbesehadigd. klok. ouisitive (-kwh'i-ttv) , a. niet —spired nieuwaglerig, (-spajrdn, a. niet bezield; Unk•lghtly (un-najt'ith), a. onridderlijk. niet ingegeven. —strueted (-strukt'id), a. niet Unknit (tin-nit') [ire.], v. a. loetrekken, losonderwezen; zonder voorsehriften. —struetive waken. 1-strukt'lv), a. oniserzaam. —eared (-sjoerd'), a. Unknot (un-not'), v. a. nit den knoop doen; lonmaker. onverzekerd.


QUI. felachtlg; verdacht. —ablexess, e. to ijfelachttgheld. —ary. a. vrageard. —er, a. auger; onderzoeker. —lest, a. zonder twtfel. Quibble (kwib'bl), e. woord , peling, apitsvondig. held. —, v. n. woordapelingen maken. —r, a. die woordspelingen maakt. Quick (kwik'), a. levend vleesch, leven; groene plant. the — and the dead, de levenden en de dooden. to cut (sting) to the —, diep grieven. —, a. & ad. levend; manger (with); levendig, vlug, anel. a — ear, een acherp gehoor. —beam, norbenboom. —eyed, acherp van gezicht. —grass, bondsgrae. --lime, ongebluschte halt. —match, loot. —sand, drijf-, vlugzend. —scented, Bohm van reuk. —set, a. leverde plant; heester; v. a. met heestergewas beplanten. —set hedge, groene hang. —sighted, acherp van gezicht. — silver, kwiksilver. —silvered, met kwikzilver overtrokken. —tube, gerwindobje. —witted, scherpzinnig, gevat. —work, wagering; levend gedeelte (van een whip). Quicken (kwik'kn), v. a. verlevendigen; verhaasten; aanmoedigen; aanzetten; v. n. levend worden; rich and bewegen; levers gevoelen. —er, a. hezie1er; verhaaster; aanspoorder. Quick ly (kwirlih), ad. ens;, acbielkjk; weldra. —nest, a. levendigheld; vlugheid, sarelheld; acherpte. Quid (kwie), a. tabakaprulm. —dany (-de-nib), a. kweevieesch. —nuae, a. vrasgal. Qutddit (kwid'dit), u. woordspeling, dubbelzinnigheld. —y, a. (het) eigen;ijke, wezenlijke;.eyltsvondigheid. Qui/Idle (kwid'd1), v. n. den tijd verLeuzelen; talmen. —r, a. treuzelaar, Vanier. Quieac at tkwAj-esse), v. a, atom aijn. —encc, —ency, m. rust. —ent, a. rustend; fail, stow. Quiet (kwarit), a. —ly, ad. gerust, sill. s. rust, stilte. —, v. a. doen bedaren, —er„ a. stiller, sueser; bedarend middel. —tam, a. gemoedarust; leer der quiEtisten. —nest, —ude (kware-rjoed), s. runt, atilte, gerustheid. —us (-rttur), a. kwijting, onto-lag; rust. Quill (lcuill). a. slagpen, acbacht; schrijfpen; nickel; npoel; clobber. —boy, apoeljongen. —driver, pennelikker, broodschrliver. —, v. a. ploolen, vouwen; keperen. Quillet (kwillit), a. apitavondigheid, ioopje. Quilt (kwilt'), a. gestikte deken; matras. -, v. a. atikken. log, a. (het) etikken; gestikt werk. Quinary (kwaj'ne-ri ► . a. vijfiedig. Quince(kwine),a.kweehoom,kweevrucht.—peach, kweeperzik. —pie, kweetaart. —tree, kweeboom. Quincunx ,kwin'kuaglifs), a. Nijfvorm (ruitswijza planting). Quenderagon (kwin-dek'e-gon), a. vijftienhook, Quinine (kwi-najn'), a. quinine. Quinqu ageslinra (kwin-kwe-djea'-me), a. zondag vábr de Neaten. —angular (-kwen'gjoe-ler), a. aijfhoektg. —ennial (-kweteni-e1), a. Niejarlig. —Ina (-kwarne), a. kinabast, kina. Quinsy (kwln'zib), u. keelontsteking. Quint (kwint), a. vkjfde; quint. — aln -een), a, Zie Quintin. --al, a. centenaar. —an, a. trierdendaagaehe koorts. —essence (-es'sens), a. gent.
On 9 May 2012,[7] Fraternité 2020 was registered as Europe's first European Citizens' Initiative. Its goal was to increase the budget for EU exchange programmes like Erasmus or the European Voluntary Service from 2014. To be successful it would have needed 1 million signatures by 1 November 2013. It ultimately collected only 71,057 signatures from citizens across the EU.[8]
This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.
Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.
produce of the country, fruits of the soil. —weer, general levy of the people; dike. —snag, highway. . —werk, tillage. —wind, land-wind, -breeze. —winning, conquest. revenue of lands. ,—mat, —.satin, native —oaken, pubric affairs. — sickle, epidemical disease, epidemi c. —eight, rural prospect. —sheer, lord of the manor. —shuts, house for the assembly of the states. —aided, native. —ekneeht, soldier, lansquenet. —elcieten, taxe, of the coentry. --eioedes, countrymen. —surUse, custom of a country, Laindelljk, by. agreetic, rural, rusticot. —held, v. ruralnese, countryliire appearance. Landers, ov. Jt on. w. to land. Litraderig, by. wearied, sick and tired, lowspirited. —held, v. weariness, being sick and tired, low-spiritedness. Landers Vete, v. my. fields, grounds. lauded estate. Landing, a. lending, deecent. —eptaale, landing, place, —troepen, landing-troops. Landouw, v. field, country. Landsebap, o. province; landscape —eckilder, Ian &gape-paint er. latianneernarts, bw. towards the land, Lang, by. long; tell, high. — van edam, longwinded. bw. long, a long while. aedert —, long since. —Irciardig, long-boarded. —been, m. & v. long-legged person; V. father long-leg. —Seenig, having long legs. —dradig, prolix, tedtous, tiresome. —dradigheid, prolixity, tediousness. —durig, lone, ;tiering, durable. —durigheid, length, lastingness, durability. —hate, m. -& v, tong-necked person; v. long-necked bottle. —halsig, long-necked. —hand, long-handed parson. —handig, long-handed, iongimenotie. —harig, long-hatred. m. & v. chinned person. —lenders. m. & v. long-waisted person. —leveed, —levendkeid, lorgevity. —Wag, longwaisted. —news, rt. & v. long-nosed person. —oor, v. long-eared person; an. ass, master Grizzle. —toad, in. & v. long-toothed person, sweet-tooth. —tong, m. & v. blabber, tell-tale. —rverpig, oblong; — rend, oval. —werpigkeid, oblongness. be. & bw. tedious (-1y), longsome. —putiligheid,, tediousness, i_ongromenee, Langachtig,bv. longish, rather long. Langen, ov. w, to reach, to hand. Le,ngett, v. thread-lace. • Langheld, v. longneee, length; tallness. Lungs, vs. along. tamget, by. & bw. longest. op eirn —, at longest. —1svende, longest liver, survivor. Knennnantre, rv. & bw. slow (-13), tardy 1-ily), liugering (-Iy). v. slowness, tardiness. Lanweennerttnnd, hw. by degreee, gradually. Lan Utnoedig, by. forbearing. long-suffering, longeelmoun bw. patiently. —hsid, v. forbearance, longanineity. Lana, v. lance. --icr, act. Lancer. Lantuttra, Lantaren. v. lantern; glass-roof, sty-lieht. Made —, dark lantern. —drage; len. tern. carrier; lantern-fly. —geld, lanteru-money. —opsteker, lamp-lighter. —peal, lamp-post. Lanterfant, m. idler, loiterer. —ex on. w. to idle, to loiter. —oil, v. idling, loitering.

206 OUT.— OVE. 0 tt ter a ri a Is , s • buitenkerspel. Outstride (-strajd") [irr.], v. a. Zie to Outstep. Outpart, s. buitengedeelte. Outstrip ( strip'), v. R. voorbijitreven. Outpa am (-paas'), v. a. voorbijstreven. Ontswear (- sweet') [irr.], v. a. in het vloeken Outporch, s. ingang, portaal. overt reffen. 0 ettport., a. buitenhaven. Outsweeten swiet'n), a. R. in zoetheid over • Outpost, s. huitenpoat. treffen. Outpour (-poor'), v. a. uitgieten, uitntorten. Outswell [irr.], v. a. overatroomen. 0 utpray (-pree'), v. a': in het bidden overtreffen. Out talk (-took'), —tongue ;-tuog'), v. a. overpraOutpreach (-prietsfl, v. a. in het preeken overten. treffe n. Outtop (-top'), v. a. boven het hoofd groeien. Outprize ;•prajz'), v. a. te hoeg in prijs stellen; Oulvalue (-verjoe), v. a. in waarde te boven in waarde overtreffen. gaan. Outrage (aut'ridzjl, a. grove beleediging, hoon; Outvie (-vaj'), v. a. overtreffen, nitmunten boven. ge•elddadigheid. —, v. a. beleedigen, hoonen; Outvoice (-vok,'), v. a. oversehreeuwen. v. n. buiteneporigheden begaan. —ous, a. —on (p. Outvote (..vont')., v. a. overstemmen. ad. (•tree'dzjus-), beleedigend, hoonend; geweld- Outwalk (-wauk';, v, a. in het gaan overtreffen. dadig; woedend; ones dreven, buitensporig. Outwat I, a. buitenmuur; uiterlijk, sehtin. Oaatraze (-reez'), v. a. uitroeien. Outward iaut.'wurd), a. —ty, ad. uiterlijk,uitavenOutreach (-rietsp), v. a. corder reiken dart, dig. —, —8 (-wurdz),ad. naar buiten;buitenwaarte. Outreason (-rie'zn), v. a. door betere gronden Outvvatch (-svotsY), v. a. in waakzaamheid overoverwinnen. treffen; doorwaken, Outreckun (•rek'kn), v. a. in de herebening te Outwear (-weer') [irr.], v. a. uitduren; longer boven gaan. duren den; in verveling doorbrengen. Outride, a. rid. —(-rajd') [irr.], v. a. voorbij rij Outweigh (. wee"), v. a. zwaarder zijn dan; overden; v. n. nitrijden. —r (aut'raj-dur), s. voorrijtreffen. der ; deurwaarder van den sheriff. Outwit (-wit'), v. a. verachalken, te slim zijn. Outrigger (ook; -rig'gur), a. bokapier, donve jut Outwork, a. buitenwerk. —(-avurk'), v. a. weer ioefb al ir; wacht schip. (betel.) werken dan; overtreffen. Outright (- rajt'), ad. dadelkik„ geheel. Outworn( woorn'), a. afgesleten. Outriv (-raj'vel), v. a. de /oaf afsteken. Outvvrest (-rest'), v. a. afpersen, ontweldigen. Out rear (-rose'), v. a. boven.... nit loeien, 0 utwrought Croon, a. overtroffen. Out root (-met', v. a. uitroeien. v. a. in het grappenmaken Outzany Outrun (-run') [ire.], v. a. in het Joopen overtrefovertreffen. fen; to boven gaan. Ouzel a. Zie Ousel. Outten ( v. R. voorbij zeflen. Ova l (o'vel), a. & a. eirond, ovaal. —rious (-vee'Outscorn (-skorn'), v. a. fret verachting behanri.oa), a. van eieren. —ry (-ve.rih), a. eleratok. delen. —te ( vent), —ted (. veet'id), R. eivormig. --tion Outsell (cell'; [irr.], v. a. duurder (meer) verkoo(-vee'sjun), a. ovatle, kleine zogepraal. pen dan; hoogeren prima halm dan. Oven (uv'n), s. oven. —fork, ovengaffel. —ful, Outset, a. begin, aanvang. (een) oven-vol. —peel, ovenkrabber. —tender, Outshine (-ejajn'), v. a. in glans overtreffen. ovenstoker. Outshoot ( -sjoet.') [im], v. a. in het schieten Over (o'vur), a. bovenate, boven-. ad. & prp. overtreffen. over; op, boven; door; voorbij, gedaan. — a Oats. Out side, a. bui ten-. —, a. buitenzijde; voorkomen; of wine, bij een glee wijn. — and —, bij herbalinga uiterste ad. buit en . all —, overal; voor good voorbij. ten times —, Outsit (-sit') [irr,], v. a. longer zitken don; verzittienmaal achtereen. — again, nog eena. — against, ten. tegenover. — the way, a an de overzkjde. or 0 utsklp (.skip'), v. a. ontapringen, entgaan. under, meer of min. Outskirt, s. voorntad; buitenpoat. W oar, in de volgende samenstellingen, de uitapraak 0 nteleep (-aliep') [ire.], v. a. Lange -, elapen dan; niet is aengewezen, dear heeft o den klemtoon. verslapen Overabound (-e-baaund'), v. n. al te overvloe • Outspeak (-apiek” [irr.], v. a. in het sprekea dig zijn. overtreffen; overt refire, Overact (-ekt'A v. R. & n. overdrijven. Outaport (-spoon'), v. a. in het achertsen over- Overall (o'vur- aol), a overjas. —a (.aolz), pl. treffen (overdrij ven). overbroek. Outspread (-spred'i [irr.], v. a. uitspreiden. Overanxious (-enk'sjus), a. te angstig. Outstand (-extend') [irr.], v. R. uitetaan; weer- Overarch (•aartsy), v. a overwelven. staan; v. n. uitsteken. —ing, a uitstaand, onbe- Overawe (-ao'), v. a. in ontzag hluden. Overbalance,s.overwieht,meerderbeid. —(-bel'taald. Outstare (steer'), v. a. door onbeschaamd aanens), v. a. meer wegen don; overtreffen. etaren ver•agen maken. Overbear (-beer') [irr.], v. a. overetelpen; overOutstay (-stee') [ire.] , v. R. Langer 1,:ijven dan. weldigen, onderdrukken. —ing (-beer'leng), a. aanmatigend, trotsch. Outstep (-step'), v. a. voorbijstoppen; overst!hrijden. Overhead (-bend'), [ire.], v. a te aterk apannen. 0 utstreet, s. achterstraat. Overbid (-bid') [irr.], v. a. te veel bieden; meer Outstretch (-atretaj';, v. a. nitetrekken. bieden dan.
KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,

cryptogeld debit card


Furnace (for'nes), s. fornuie; smeltoven. Furnish (fnenisj), v. a. versehaffen; voorzlen (with!; stoffeeren. —ed lodgings, gemeubeleerde kamers. —er, a. verseheffer; leverancier. Furniture (fur'n1 tjoer), a. meubelen; gereed achap; tutgnge; sieraad. Furrier (fueri-ur), s. bontwerker. —y, a. pelswerk, pelterijhandel. Furrow (fuero), a. voor, groef. —faced, met .eon rimpelig gelaat. —weed, kweekgras, hondagraw. —, v. a. in voren beploegen; groeven. Furry (fuerilx), a. van (met) boot. ad. verder. Further (for'thmr), a. v. a. beverder, buitendien. —most, a. verst. vorderen. --ante, a. bevordering. —er, a. havocdenier. ad. vent. at the —, Furthest (furThest), a. ten langste. Furtive (fuetiv), a, —ly, ad. gestolen, steelsw ijze. Furuncle (fje 3'runkl), e. bloedvin. Fury (fjoe'rill), a. woode, razernij; forte. Furze (fan), a. brem, prteuakruid.
UPC.11"111RO. Upeast (up'kaast), e. worp. (ook : -kaavt'),a. in de hoogtegeworpen. Uphand (up-hendl, a. met de hand opgeheven. Upheave (up-MeV), v. a. opheffen. Uphill (up-hill'), a. moeilijk, zwaar; kllmmend. —, ad. bergop. Uphold (up-hoold') [irr.] v. a ophouden; understounen; onderhouden; staande houden. —sr, u onderateuner; ondnrhouder; ondernemer van begrafoniesen. Upholster ar (up-hoonstur-ur), a. kamerbehar, ger, stoffeerder. —y, e.stoffeerderswerk, -beroep; behangoel. Upland (up'lend). a. hooggelagen; ruw, sakeschaard. —, a hoogland. —er,s. hooglander. —ish (-lend'i , j), a. Zie Upland. Uplift (up lift'),v. a. optillen, opheffen. Upmost (up'moost), a. bovenst,boogst. Upon (up -on'), prp. op; blj; over; aan; near, vol. gets; w egens; ten aanz ten van; besig met. —this, hterop. Upper (up'pur), a. boven-, onper-, 1 ...Pt.—hand; overhand, voordeel. —house, Hoogerhute. —leather, bovenleer. —lip, bovenlip. —met, a. bovenet, hooget. Uppish (up'oisj), a. trotach, verwaand. Upraise (up-teen"), v. a. oprichten: verheffen; op. wekken. Uproar (up-rier ► , v, a. oprichten; opkweekeu. Upright (up'rajt), a. —ly, ad. rechtstandinrecht op, overeind; oprecht, reehtschapen. —netts, a. rechtschapenhetd. Uprise (up-rajz') [irr.] , v. n. opataan; rij z en. —a, —lap, e. (het) opgaan, opkomst. Upraise (up'roor), a. oproer; verwarring, geraas. —ions, a. —lowly, id. (-roor'i-us-), oproerig; geram makend, Uproll (up-rooll'), v. a. oprollen. Uproot ( np-roet'), v. a. nntwortel en. Uprouse (up-rant'), v. a. opweklten. Upset (up-set') [ir, ], v. a. outverwerpen; v. n. ornslaan. Upshot (op'ojot), a. besluit; nitkomat, uitslag. Upside (up'sajd), a. bovenzi,jde. — done, ad. het onderate boven. Upspring, Zie Upstart. Upstand (up-stead) [im], v. n. overeind (racht op) tam, Upstart (up'stasrt), s. gelukskInd, parvenu. — (-staart'), v. n. opapringen. Uptear (up-teer') [W.], v. a. nit den grond rukken ; can atukken echeuren. Upturn (up-turn'), v. a. opwoelen ; omploegen. Upward (up'wurd), a. opwanrtech. —a, (•wurds), ad. opwaart, near boven; honor, meet den. Upwind (up-wajnd") [tre ], v. a. opwinden. Uranography (joe-re nog're-ilk), e. hemelbeachrtjving. Urban (ur'ben), a stedelijk. Urban e (ur-been'), a. weitevend,minzattm.—ity (-ben'it-tth), a. wellevendheid, niinzaarnbetd. Urchin (netajin), a. angel; kielue echoic°, deugniet. Ure (joor), a. gewoonte, sleet, gang. Ureter (joe'ri-tur), a. pisleidcr.
ISED.— BedrInken,' or. w, to fuddle, to make tipcy• rich t. w. to toddle, to get tipsy, — drunk. Bedreastd, bv. & bw. afflicted, said (-1y), sorry (-fly), sorrowful (At ►, pitiful (-ly). het is —, it is a pity. —hid, v. afiliction, sadness, grief, nor. towfulnese, Bedroew en, ov. w. to afflict, to grieve; rich —, to grieve (for), to be grieved (at). —ing, v. grieving, dejecting. Bedrog, o. cheat, deceit, fraud, trick. Bedruppalen, C.V. W. to bedrop. alederAlo, en, ov. w. to drip upon, (met boterj to baste; sick kennen ,to have a competency. —ing, v. dripping; basting. llotirukketa, ov. w. to otiut upon. Bedrukt, by. dejected low-spirited. —Arid, v. lejectednems, dejection. 113f:duellit, by. afraid, apprehensive. —held, v. fear, apprehensiou. ildieduld en, or. w. to moan, to signify, to imply; to explain; to show, to betoken, to porteudi het heeft niets to never mind, it is uu natter. —esti,. v. meaning, significatioo. —ing, v. explication. Beduluael en, or wo to thumb. —lag, v. thurebiug. BeduIvel en, or. W. to confound, to perplex. —ing, v. perplexing. Bedunkese, o. opinion, luting --a, in my opinion, Beduur. tn. b-sharp. —aleutel, b sharp-chff. Bedwang, o. restraint, subjection. Bedwelni d, by. stunned, benumbed. —Wield, giddiness, numbueso. —en, ov. w. to stun, to benumb. -- tog, v. benumbneent, tainting, numbnese. BedwIng Wilier, by. w. restrainable. —en, or. w. to constrain, to restrain, to subdue; to check, to curb. --er, m. —ger, v. constrainer, subduer. Baaedlg d, by. sworn; upon an oath. —en, ov. w. to swear, to put to an oath; to swear to, to confirm by oath. —mg, v. swearing, confirming by oath. Reiernak so. torpedo, cramp-fish. Beek. v. brook, rill, rivulet. —je, o brooklet. Be.id, o. image, figure, statue; type; vision; metaphor; beauty. --vieter„ etatue-founder. —houteen, or. w. to sculpture, to carve. --houwer, Kcal: tor, statuary, —Aonwerie, ecolpture; statuary 'is workshop. —houtalcuttet, sculpture. —hautetverk, sculpture. —rijk, flowery. —roikheid, flowerloose. —echoon, most beautiful. —schrift, hieroglyphics. snijder, carver. —spraak. metaphorical style, figurative lengrage. —eprakig, teetspborical, —stormier, iconoclast. —stornier(i, imagebreaking. —tverk, Imagery. —endienaar, worshipper of idols, iconolater. —endienst, image-worship, iconolatry. —enetorm, image-breakiug, —elUlc, hr. & bw. figurative (-1y). metaphorical ( iy). —en, or. w. to form, to ohape, to fashion —rotor, m. draught, representation. —end, hr. imitative, plastic. —erig, —ig, bye beautiful (-1y), nit*, (-4). —jeskoop. seller of statues. BamItonli i v. image, effigi, portrait. mead, lea, field. skin and Beals, o. bone; leg; shank, eel over bone. gent — tinden in, not to scruple at, op de
Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip.

cryptogeld kya hai


HAL. worn out, second-hand, —matte., mid-Lent. —wee, half- way. —tund, side-wind. —luster, half-sister, step-sister. —je. o. halt'. o. do two. hallelujah. Iles rn, halm; strew, stalk, blade. —icecap, joint. —steel —,trod, stalk, stem. Hafts, rn. neck, throat; tack ; simpleton, dance. — over kop, headlong, precipitately. zich op den halen, to incur, to bring upon one's self. zich vats den — scheiven, to rid one's self of. an& — breopen, to kill. ont komen., to perish. am den — — band, vallen, to embrace. —gfs'er, juguler collar. —heel, ohnckie for the neck. —hoord)e, — brekend, perilous, break-neck. — dock, neck-handkerchier, neck-cloth. — peeling, criminal pro,ecution. — gereeht, crimi•al, court, penal judicatnre. — ijser, iron collar, pillory. —hole., neckehein. —klamp. Chesty tree. —klier, jugular gland. kraail, eollar, ruff, partlet,cepe, gorget.—kwane, dew-lep. —misdaad, capital crime. —recht, power over life and deeth. --reciter, criminal judge. — sieraart, neck-ornament, coreanet, ouch, brooch. — starrig, be. & bw. obstinats (-ly), headstrong (-ly).—atarrigheid,obstinacy.stubbornnese.—straf,

Wat is de tijd van de dag is het beste om cryptogeld kopen


nl.e), w. Eugenia. Euphrates ijoe-f•ee'ties), g. Euphraat. Europe (joe'roop). g. Europa. —an (-ro-pi'en), a. europeeseh; I. Muropeaan. Eus•hlue (Joe-arid-us), in. Ensebins. Eustaee (joe'etes), m. Eustatius. Ewan• ( ;oeks'in), g. the de Zwarte see. Evans (isivnz, m. Evans. Eve (lee), w Eva. Everard (ev'ttr-urd), m. Everard. Exeter (eltal-turl,g. Exeter. Ezeehiel. Ezekiel
In the case of Bitcoin, miners run computer programs to verify the data that creates a complete transaction history of all Bitcoin. A technology known as the blockchain, which is used to create irreversible and traceable transactions, makes the process of verification possible. Once a miner has verified the data (which comes in a block, hence, blockchain), they are rewarded with some amount of digital currency, the same currency for which they were verifying the transaction history. So mining Bitcoin, for example, would earn you Bitcoin.
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.
Fail ( ► ull), a. vat; hailing; afneming; widergang; timing; uitstorting; toonval; eb; waterva1; herfst. Fall (faoll) {fell. fallen (faal'n)], v. a. doen vallen; vellen; jongen werpen; v. n. vallen; afne, men; gebeuren; beginnen. — asleep, in elattp vallen. — astern, overstag wenden. — a note, eon' toon zakken. (away) afvallen, lzwijnen. (back) terugvallen; terugtreden. (down) nedervallen; afvareo. (from) afvallen. (in) invallen, inzakken; inatemmen. (in with) overeenstemmen met; ontmoeten; slangs geraken met. -- in hand with, ondernemen, wagen. — in love with., verlieven op. (into) justemmen met; toetredett tot; valien in; geraken in. — short (of), niet berei ken; gebrek hebben aan: teleurstellen in. (o) afvallen; Nervallen. (on) aanvatten; aanvalleu. (out) nitvallen; pleats grijpen; oneens warden. (over) overloopen. (to) toevallen; zich begeven aan, beginnen; — one's share, te heart vallen. (under) behooren tot; geraken ceder; een voorweep worden van. (upon) komen op, bedettken; aantasten. Fallacious (fel-lee'sjus). a. —ly, ad. ► edriegelijk. —ness, R. bedriegelijkheid. Fallacy (felne-sib.), a. nualetding; drogrede. Faint bility (fel-li-billt.•), a. fellbaarhel.d. —tile, a. —bly, ad. (fel'libt.), feilbaar. Failing (faoll'ieng), a. (het) vallen;holte. —ateey,s. afval. —off, a. giering, afhouding; Oval. —out,s. ruzie, uitvai. —, a. vallend. —sickness, vallende —star, vallende ster. —stone, donderkeil. Fallow (felgo), a. veal; break. —, a. braakland. —, v. a. voor de earste meal beploegen (break • land). —finch, a. kwikstaarrje. False (Paola"). a. —ly, ad. Taloa. —dealer, bedriege• — faced, geveinsd. —fire, blikvuur. —hearted, valach, verraderlijk. —heart edness, a. valschheid. —hood, a. onwaarheid, lettgen. —ness, a, valschheid. Falai,' fable (faol'ai-faj•ibl), a. vervalschbaar. —ieation (-11-kee'sjun), a. vervalaching. —ier (-faj-ur), a. vervalseher. —y (-fa)), v. a. verval, schen, schenti,n; logenstraffen; v. n. lieges. Falter, (faol'tur), v. n. stotteren; wankelen; weifelen; ha eren. —ing, a. gebrekltigbeid, hapering, —sag y, ad. stamelend; haperend. Fame (teem'), a. faam, gerucht; vermaardheid. —d, a. beroemd, vermaard. —less, a. onlytkend, zonder mum Familiar (fe-mirjer), a. —ly, ad. huiselijk ;retneenzaam; minzaam; ongedwougen; vertrous. huisvriend; huisgeeat. it-tittl, a. gemeenzaamiteld, vertrouiVe)ijkheid, (.ajz), v. a. gemeenzaam maken. Family (fern'11-1111), a. huisgezin; famille; geelacht. —tree, gesitehtsboona. —vault, familiegraf. Famine (fem'in), a. hongersnood. Famish (feneisj), a. a. uithongeren; v. n. ye, bongeren. —meet, e. hemgeranood: verhongering. Fe mostly (fe-rnos'it-tih), a. vernnaardheid. Famous (fee'mus), a. — ly, ad. vermaard. —nom, a. V Flikellie rd°11,j. a. vermaardheid. Fold (hold'), a. ochuthok, schaapakooi. —age, a. Fan (fen'), s, %artier; Wilasilalg; ',lenge% wan. perkrecht. —fee, sehut,:eld. — stoof knielbank, v, a. verkoehm, waitien; wAnnen. —light,
DRO..-DRU. on. w. to drink; to be given (addicted) to &linking. —Oak, watering-trough. —bakje, (bird's) trough. —baker, sup, goblet. —vela", drinkingbout, company of tipplers; —en retest, to keep an ale-house. —geld. —penning, drink-money, vails. —gesel, pot-companion. -seas, drinkingglass, tumbler. —*ore*, drinking.horn. —Auto, ale-house, gin-shop. —ken, jug, tankard. —lied, catch,drinking-song —schael,drinking cup, bowl. —vat, drinking-vessel. --seater, drinkable water. —sea, tap-room. —eOroer. pot-companion; toper, tippler. —er, m. —.ter, v. drinker; toper, tippler. v drinking. Drool', by. sad, afflicted. — te ssoede, sad, cast down, in low spirits. —enis. v. Zie Drotellteld. —geestig, by. & bw. sorrowful (-1y), depreased, dejected., gloomy 1-fly), melancholic. —geestighid, v. sorrowfulness, dejectedness, gloorninese, melancholy, —heed, v. sadness, morrow, affliction. Droes, m. strangles; deuce, devil. de —, the deuce I Droneene, m. dregs i lees.—ig,137.dreggish,dretgy. Drosvit4, by. & bw.;sad (-ly),affileted,Porrowful (-1y); gloomy (-11y), dismal (-1y); pitiful miserable (-bly). Droesig, by. having the strangles, glanderea, —Acid, v. strangles, glanders. Dross a, o. dry land, z(jae schaapos op het he3ben, to have a retiracy, to have feathered one'. nest. —en, ov. & on. w. t o dry; to wipe. —eriJ, v. drying-place. —erOen, v. my. drugs. —Art, m. druggist. Drogreden, v. sophism. —aar,m. sophist. Dr ok, bv. ens. Zie Druk, ens. Droll, M. turd; fun, drollery, droll, merry Andrew; thick-est fellow. —lig, by. funny; droll (-iegfy), drollich, merry (-ily), fecetioue (-1y). —ligheid, v. humor, merriment, facetiousness. Dram, m. troop, crowd, throng; woof. Dromodarts„ m. dromedary. Dromtuel, m. deuce, devil. wat the deuce at den —, all, the whole load. ores den — niet, by no means. —a, tow. the deuce! dickens! —sch, by. & bw. devilish (Ay). Dronk, m.draught; drinking. eenktnoulen— *ebbs*, to be quarrelsome to one 's cups. —card, m. drunkard, toper. —en, by. drunk, drunken, fuddled, tipsy. intoxitated (van, with), — waken, to wake drank, to intoxicate; — soorden,to get drunk —enacktig, by. half-seas-over. —enschap, v. drunk entitles, inebriety. Droog, bv. dry, arid; dull. —dock, towel. —korner, drying-room. —tat —stole, drying•itick. —oaten, to drain. —legging, —making, draining. —1(in, drying-rope. —pleat., drying-place. —ream, eiothes-horse, drying-frame. —seheerder, clot ki-sbearer. —ochre's, cloth-shearing. —rehuur, drying-shed. —roots, dryerhod. —solder, dryingloft, garret. — aehtig, by. rather dry. —kerb, v. dryness, aridity; dullness. —ing, v. drying. —je, o. op see sitten, to have nothing to drink. —08, bw. dryly. —te, v. dryness; drought, dry weather, shoal, shallow. Droom, m. dream. tit den — *elven, to undeceive. —beeld, vision, chimera. —gespuis, visions, phantoms, spectres. —gesicht, vision. —uitleggcr, oneirooritic. oneirocrities. —en, ov. &
Tartar (taar'tur), i. Tartaar. —las (ter-tee'ri-en), a. Tartaarsch.—us, my. Tartarus. —y,g,Tertarue. Ted (tell'), —dy, f. your Edward. Tees (ties), g. the —, de Etach. Telemachus (te•lein'e-kus), m. Telemachus. Temple. (tem'pl), m. Temple. Tenerife (ten'e-rif), g. Teneriffe. Tennessee (ten-nie-ate'),g. Tennessee. Terenee (ter'ens),m.Terentlas. Terpsichore (tur-siit'ur-1). my. Terpsisitors.
Seeing (sieleng), conj. daai, aangezien. Seek (nick') [sought (soot)], v. a. zoeken; •taan near; v,, n. (after) opzoeken; streeen near; (for) zoeken. to be to —, in veriegcnheld (rood) zlin. —sorrow, zelfkweller. —er, a. zoeker. Seel isle!), v. a. b!inddneken; (up) wegsluiten; v. n. slingeren, overhellen. Seem (diem'), v. n. schijnen. —er, a. die acbijnt. —ing, a. schijn. voorkomen; meaning. —ing, a. —ing/y, ad. sehijnbaar. —ingress, a. schtjn bearbeid. ( 11 nose). a, betamelijkheid, —/y, a. welvoegelkik; betamelijk. Seer (arur), s. ziener, profeet, See•aaw (sie'sao), a. wip, echo mmel; (het) slingeren. —, v. n. wippen,echommelen. Scribe (sieth'), v. a. & n. koken, xieden. —r, a. /taker; kookpan, ketel. Segar ei-gear'), a. Zie Cigar. Segment ,meg'ment), a. segment. Segrega te (segire-geetl, v. a. afzonderen. —lion (-gee'sjuni, e. afzondering. Seigneurial (at-njoe'ri-e1), a. onafhankelijk; heerschappellik. Seignior (sen'jur), a. beer, grand-Jeenbeer. grand Groote Beer. —age, a. oppermacht. —y, a. heerlijkheid. Selo (silent, a. zegen, elagnet. Selty (erit-tih), a eigenaardigbeid. Selz able (sieeibl), a. grtjebaar, neemleiar. —e, v. a. grijpen, vatten; nemen, bemacht igen; nen an.gen: aantaaten; in bealag newer; sjorren, beknijpen; V. IL (on. upon) in benlzg nemen; zich reeester maken van. —er, s. grijper; bealaglegger. —in, a. bezitnerning; hem t. —mite., a. hindsel, sjorring. —or, a. beslaglogger. —are (-Jur), a. bezitneming; aangehaa)d goed; Seldom (aerdum), ad. zelden, zeldzaam. —news, a. zeldtaam held. Select (ae-lekt'), a. uitgezoeht, uitgelezen. —, v. a. uitkiesert. —ion (-lek'sjun), a. keur. —nest, e. tiftgelezenheid. —or, a. uitille•er. Seien its tael'e-najt), a. epiegelateen. —ogrephy 1-nog're-1111), a. maandbesehriking. Self (colt' , , pr. zelf, zelve, zelren. one's zlch zeiven. —, a. vigen. —abasement, a. zeifverlaiging. —,buse, a. zeltbevlekking. —active, a zel fwer!tend. —assumption, —conceit, 0. eigenwaen. inbeelding. —conceited, a ittaldunkend, verwsand. —confidence, seltvertrou•eu. —conscious, a. selfbewust.—eonsciousnest,m.zelfbe.uet7tn.—control, s. zelfbeheersching. —deceit, zelfhedrog. —defence, a. zelfverdedigeng. —denial, r. zelfverloochenIng. —coded, a. zelfzechtig —ends. p1. eigenbelang. —esteem. e. zelfachting. —evident, a. klaarblijkeltjk. —extinguisher, a. zeltdom per. —heal, s. wordkruid. —interest, a. eigenbelang. —interested, ft, belangzuehtig. —love, a. eigenliefde. —moving, a. van melt hewegend. —murder, a. zelfmoord. —murderer, a. zelfmoordenaar. —opens, pl. natutu lijke openingen of holten. —opinion, a eigenween. —possessi,n, a. eeiNeheersehing hedaardheld. —praise. an eivenlof. —preservation, a. selfbehnud.—renuneiation,,zeifverzat inK.—rrpruach, e. zeifverw kit. —same, a. juin dezelltie. —seeking., a. zelfzuchtig; s. zelfzuaht. —sufficienee, a. selfgenoegtaarnheid, eigenwaan. —aufeircient, a. loot-
In 2018 Coinbase launched their independant mobile wallet for iOS and Android. The wallet stores the private keys on the user’s device and only they have access to the funds. This brings Coinbase full circle as it started out as a wallet, transitioned to an exchange only (claiming that they are not a wallet) and now they are offering wallet services again.

Heeft u belasting betalen over cryptogeld


ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111.

drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-
EJ U. --EMS . uiteturting. —dtent, a. uitstootingbrief; uitwerUlulation (ed-zjoe-lee'sjun), s. jammerkreet; gehuil. Eke (ielc,, ad. ook, insgelijks, —, v. a. vermeerderen; uittrekken; uitspinnen. Eking (iek'ieng), s. grooter- (langer•) wording. —piece, verlengatuk. Elabora te (e-leb'ur-ret), a. —tely, ad. doorwrocht. —te (-reel), v. a. met zorg bewerken. s. doorwrochtheid. —tion (-ree'ejun), a. zorgvu!dige bewerking. Elapse (e-leps'). v. n. verloopen, voorbijgaau. Elastic (e-les'tik), —al, a. veerkr achtig. —ity (i-les-tis'it-tih), s. veerkracht. Elat e (c-lest'), a. opgeblazen, trotach. —ed, a. opgeblazen (with). —e, v. a. opgeblazen maken; verheffen. —ion (-lee'sjun), s. opgeblezentkeid. Elbow (el'bo), a. elleboog; bocht. at —, bij de hand. to be always at one's —, steeds om en bi.j iemand —chair, armstoel. —room, ruimte, speling. —scraper, speelman. —shaker, dobbelaar. —, v. a. met den elleboog srootee; (out) uitstooten, V. .n. uitspringen (met een' hoelr). Elder (el'dur), a. ouder. a. ouder persoon; soonest; ouderling; vlierboom. —berry, vlierbe, —ly, a. bejaard. —e, s. oudsten (des yolks). s. ouderlingsehap; eerstgeboorte. Eldest (el'dist), a. oudste. Elecampane (el-e-kem-peen'), s. ala,ntswortel. Elect (e-lekt,'), a. verkozen; uitverkoren. —, v. a. verkiezen. —ion (-lek'ejun), s. verkieziug; voorverkiezing; —law, kieswet. --ioneering (-lek. sjun-ier'ieng), s. stemrnenwerving. —ive, a. —ively, ad. verkiezend; kiesgerechtigd. —or, skiezer; keurvorst. --oral, a. eeue verkiezing betreffend; keurvorstelijk. —orate (-ur- et), s. keurvorstendom. --cress. a. keurvorstin. —orship, s. kiezersehap. Electric (e-lek'trik), —al, a. electrisch, aantrekkend. —ity a. electriciteit. Electrification (e-lek-tri-fl-kee'sjun)," a. electriseering. Electri liable (e-lek'tri.faj-ibl), a. electriseerbear. —fy (-faj), —trite (-trajz), v. a. electriseeren. —fy:mg-machine, electriseer-machine. Elect rometer (i.lek- trourk'i-tur), s. elestrorneter. Electuary (e-lekt'joe-e-rih), s. slikartsen'.j. Eleemosynary (el-i-enoz'i-ne-rili), a. els aalrnoes gegeven. a. the van ealmoezen leeft. Ela.gan cc (el'e gens), —cy, s. sierlijkheid, netheid. —t, a. —tly, ad. sierlijk, keurig. Eleg lac (el-e.cizarek), a, klagend, treurig, elegisch; —poem, treurzang. —last (-est)r —ist (el' e-dzjist), s. treurzangdichter. —y (el'e-dzjih), s. treurzang. Element (el'e-ment), s. hoofdstof; bestanddeel. —at, —ary, (-ment'-), a. hoofdstoffelijk; oorspronkelijk; enkelvoudig; aanvankelijk. Elench (e-lengk', e-lentsy), s. drogrede. Elephant (el'e-Pent), a. olifant; ivoor. —driver, kornak. —iasis (-taj'e-sis), s. schurft. —.ins (-fen' tin), a. olifantachtig; ivoren. Eleva te (el'e-vet), a. verheven. —te (-vest),
(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al,

Medelleitink, m. consonance. ItliedekiPnk en, on. w. to sound with; to touch glasses with others. —er, rat. consonant. lttedeksatseht, m. fellow-servant. Medskomen, on. w. to come also, — along with a. o. ItliedekrUsen, or. w. to persuade (to prevail upon) to go with; to have for a portion. Medekridgeenan, tn. fellow-soldier. Itlisdaskuteren, on. w. to go (to walk) along with, to accompany. Medelachen, on. w. to join in a laughter. Bledeleur star, m. fellow-teacher, colleague. —ling, m, & v. school-fellow. Medidt-ten, ov. & no W. to read with a. o. Riedel td., o. fellow-member. Riledlelkiden, or. w. to suffer with a. o.; on. w. to partake of a. o. 'es suffering. —, o. compassion, pity. —d, by, compasaionate. —dheid, v. compassionateness. m. fellow-sufferer. Medeloopen, on. w. to run along with a. o. ; to meat with unexpected succea. Mede mast, m. —maker, m. companion, copartner. 1li edenaeensch, m. fellow-creature. Iriedesnlinn sear, m. —area, v. rival. Itiedenemen, ov. w. to take along with; to take in, to cheat. Medenorzank, v. concurring cause, concomitant motive. fricadeptschter, m. joint tenant. itiedepitichstig, by. accessory —, privy —, instrumental (to). —e,m. & v. accomplice, compile e, abettor, accessory. — heist, v. complicity. itiedepraten, on. w. to join in others talk, to put in one 'a word. Ittedersehter, m. fellow-judge. M ederoeder,m. part-owner. M edeeregent, tn. coregeut. Mederetzen, on. w. to travel with a. o. rtlederekenen, ov. w. to include in the reckoning.
For miners and enthusiasts though, litecoin holds a much more important difference to bitcoin, and that is its different proof of work algorithm. Bitcoin uses the SHA-256 hashing algorithm, which involves calculations that can be greatly accelerated in parallel processing. It is this characteristic that has given rise to the intense race in ASIC technology, and has caused an exponential increase in bitcoin’s difficulty level.
Consternation (kon stun-nee'sjun), a. ontstel- Contnbula te (lcun-tebloe-leet), v. a. met planteens, versiagenheid. ken beschieten. — lion (-tee':jun), s. beplanking, Constipa te (kon'ati-Peet), v. a. verdikken, ver- bevloaring. stoppen. — lion •pee'sjun), s. verdikking, ver- Contact (kon'tekt), a, aanraking. Conta gion(kun - tee'dzjan), s.besmetting..—gious stopping. Constituent (kurt-stit'joe-ent), a. samenstellend, (-dzjus), a. besmettelijk. —piousness, s. besmettelijkheid. R. lastgever. vormend. Constitute (kon'stit-tjoet), v. R. instellen, vast- Contain (kun-teen'), v. a bevatten, behelzen; in atellen; vormen; samenstelien; machtigev, at- teem hondert; v. n. zich onthouden. —able, a. vaardigen. —r, a. lastgever. bevatbaar. Constitution (kon-ati-tjoe'sjun), a. inatelling; Contamina te (kun-tem'i-net), a. bezoedeld, belichaamsgestel ; gemoedsgesteldheid; staatsre- vlekt. —te (-neet), v. a. bezoedelen, bevlekken. geliag. —at, a. —ally, ad. overeenkomstig de —lion (-nee'sjun), s. bevlekking. staatsregeling; oorspronkelijk. — ality (-el'it-tih), Contemn (kun•tern'), v. a. verachten.—er(-nur), a. grondwett;gheid. — ist, a. voorstander s. verachter. Contemper (kun-tem'prir), —ate. v. a. tempeder grondwet. Constitutive (kon'sti•tjoe•tiv), a. wetgevend, ren, matigen. — ament, a. grand; tempering. verordenend; wezenlijk. —ation ( ee'ejan), a. tempering, matiging. Constrain (kun-streen'), v. a. betengelen, be- Contempla te (kun-tem'pleet), v. a. benchesiemmeren; noodzaken. —able, a. eon dwang on- wen, overdenken; v. n. peinzen (on). — lion (Iconderworpen. — edly, ad. gedwongen. — cr, a. dwin- tem-plee'sjun), a. beschouvving, overdenking,beto have in —lion, beoogen. — tire ger. —t. s. dwene,., opsluiting. — tire, a. dwin- spiegeling. (-ple tin), a. — lively, ad. nadenkend, bespiegegeed, helemmerend. Constrict (kun-strikt'), v. a. samentrekken. —ion lend. — tire faculty, deukvermogen. —or, s. beschonwer. (-strik'sjan), a. sementrekking. — or, a. semen- Contemporaneous (C1111tom-p0.ree'lli.U.3). a. trekkende spier; reuzenslang. Constringe (kun-strindzj'), v. a. aamentrekken. — ly, ad. gelijktijdig. Contemporar iness (kun-tem'pore-ri-ness), —at, a. samentrekkend. gelijkttjdigheid. —y, a. gelijktijdig. —y, a. tijdConstruct (kun-strukt'), v. R. sarnenstellen. bout- wen; verdichten. — er, a. hoover, vervaardtger. genoot. —ion (-struk'sjun), a. bonne, samenstelling: nit- Contempt (kun-temt'), a. verachtieg. to hold in legging; woortivneg. ing. — ive ( - tiv), a. — ively, ad. —, minachten. for bij verstek. R. -ibly, sameestellend, verhindend. —ure (-tjoer), s bouw, ad. fverachtelijk. —ibleness, a. verachtelijkheid. —uous (-joe-us), a. — uously, ad. minachtend, gebouw. Construe (kon'stroe), v. a. samenstellen; ver- trotsch. — uousness, a. minachting. Contend (kun - tend) v. n. twisten; wedijveren, klaren. atreven, (about. for. with). — er, a. betwister, te.1.7onstnpra te (kon'stjoe - greet), v. a, onteeren; genstander; etrever. losbandigmaken. —lion (-pree'sjun), s. onteering; Content (kun-tent'), — ed, a. --eddy, ad. tevreliederlijkmaktng. den. —, a. tevredenh, id; omvang. —s, s. inhoud. Consubsist (kon - sub-sist!), v. n. medebestaan. eenzeltable of -8, inhoudsregister. —, v. a. tevreden Consubatanti al (kon-sub sten'sjel), stellen. — edness, a. tevredenheid. —less, R. onvig , medezelfstandig. — ality (-sji-slit-tih),s. me- dezelfstandigheid. — ate (-sji-eet), v. a. vereen- tevreden. —meng, a. vcrgenoegdheid; herniating. zelvixen, tot line zelfstandigheid vereenigen. Contest lion (kun-ten'sjun), s. strijd, twist; mededinging. —tious (-qua), R. —tiously, ad. twist-ation (-sji-ee'sjun), s. vereenzelviging. ziek. — tiousness, a. twistzucht. Consul tkon'sul), a. consul. — ar (kon'sjoe-ler), a. van een' consul. —ate (kon'sjoe-let), s. con- Contermi nate (kun-tur'mi-net), —nous, a. de• zelfde grenzen hebbend; aangrenzend. sekat. — ship. a. COI1SUISChap. Conu4nit (kon'sult), a. raadpleging; beraatisla• Contest (kon'test), a, geschil, strijd. Contest (kun toot), v. a. betwieten, bestrijden; gin,; ranflAvergmlering. v. n. twisten, wednjveren (unth). —able, a. beConsult (kun-cult'), v. a. raadplegen; v. n. be- twistbaar. — ant, R. betwister. —ation (-kon-tesraadslagen. —ation (kon-sul tee'ejitn), s. beraad- tee'sjun), s. strijd; betwisting; getuigenbewijs. raidplegend.—er, staging; raadpleging. a. rnatipleger. Context (kon'tekst), a. samenhang, verhand. — Consult. able (kun-ajoem'ibl), R. verteerbaar. (kun-tekst), a. semengeweven. — ure (kun - teks' — e ( - Fijoein'), a. R. verteren; verkwisten; v. n. tjoer), a. samenstel; samenweefsel. s.nabkjheid,beverteren; (away) wegkwijnen. — er, a. verteerder; Contign verkwister. lending. -,M8 (kun-tig'joe us), a. —ousty, ad. Consonant. te (kun•sum'met), a. —tell,. ad.vol- aanpalend, belendend. — ousness„ a. nabijheid, komen, voltooid. — te (-meet), v. a. voibrengen, aanpaling. voltnoien. --lion (kon-sum-mee'sjun), a, voltooi- Conti nen ce (kon'ti-nens), —cy, a. matiging; onthanding. ingetogenheid.. —t, a. matig, itigetotug, voleindiging; dond, vasteland. — tal (•nen't,e1), gen, kuisch. Consustap lion (ken-setn'sjun), a. verhruik,ver- a. van het vaste land; 4 de Vereenigde Staten tering; verwoesting; tering., —tive,a.—lively, ad. betreffend. verterend; teringeehtig. — tireness, s, tering9ch• C,+ntingen ce (kun.tin'dzjens), —cy, 9. toeval. tigheid.

'67 'tering. —ship, echip aan lij. —shore, la)5crwal. —side, lijbotard. —tackle, ziggijn. —tide, tij order den wind. —way, wreak, availing. L.zech (lleter), a. bloedraiger; arts; zeilli)k; zie Leach. —craft, heelkunde. —line, noklordiee. —tining, stootlap . —owl, schuifuit. —rope, e tea nd lijk. —worm, bloedzaiger. Leek (liet), E. look. Leer (lier), a. look, glaring. —, v. a. toelc.nken; v. n. lonken, gluren (on, upon). Lees (lies), pl. droasem, moer, grondsop. • (liet'), a. ondergereehtshof. —, —day, melts dig. Leeward (lielwurd), e,. & ad. aan lij, to lijwaart. Left (left'), a. linkerzijde. —, a. linkseh, linker-. —handed, a. linksch, onhandig.. Leg (leg), a. been; poot; boutje; bulging. Legacy (leg'e-eih), a. legaat. —hunting, a. (hen vleien in de hoop op een legaat. Legal (lrgel), a. —ly, ad. wettelijk, wetttfc.—ity (le gerit-tih), —ness, a. wettigheid. (-ajc), v. a. wettigen, bekrachtigen. Legat ary (leg'e-te-rih), —ea (- lie'), s. legataris, —e (-etl, s. gezant; afgezaut van den haul, legaat. —eship (-et.), a. legaatsehap. —ins (-tajn), a. vets, een' legaat of gezant. —ion (le-gee'ejun), e. gezantschap. —or (le• gee'tur), e. erflater. Legend rt. legende, eprookje; otn-, randsehrift. —ory (led'zjin.de.rih), a. fabeiachtig; a. legendeuboek; -verteller, L eger (ledzeur), a. blijvend, vast. —, e. grantbook; legger. grootboek. —demean (-demeen'), a. goochelarij. —ity (le-dzjer'it•tih), a. vlugheid, behendigheid. Legg ed (le, ,a1), a, met beenen of ponies. —ing (leg'gieng) s. beenlakleeding. Lag! Isle (ledzjnbl), ' a. —bly, ad. leeebaar. —bility (-i-bil'it-tih), —bleness,s.leesbaarheid. Legion (li'dzjun), a. legioen. —ary, a. van een legioen; talrljk; a. legioenasoldaat. Leglsla te (ledzria-leet), v, n. wetter ;;even. —lion (-lee'sjun), s. wetgeving. —tire, so. wetga'vend. —tor, s. wetgever. —lure (-liver), a. wetgevende macht. LegItImft cy a. wettigheid, echtheid. —te, a. —tely, ad.(-met-), wettig,cebt. —te (-meet), v. a. wettigen, eehten. —lion (-wee , sjun), s, wettiging, echting. Legunt a (lerjoem), a. peulvrucht. —ittous gjoe'mi-nu. ․ ), a. peulendragend, van peulvruchten. Leisure (li'zjoer, a, ledige tijd. at —, op zijn gemak. —hours., sdpperuren. —ly, a. & ad. betlaard (langzaam) verricht; op zijn gemak. Leman (li'men), s. liefste, beminde. Lemming (lem'miengl, s. sabeldier. Lemon (lem'un), R. citroen; citroenboom. --peel, citroenschll. —squeezers, citroenpers. —tree, citroenhoom. —adc (.eed'), s. limonade. Lend (lend') [lent], v. a. leer en; verleenen. —able, a. leenbasr; Nerleenhaar, --er, s leeeer; uitleener; verleener. Length (lengths'), a. lettere; afetAnd. full —, levensgrootte. at —, eindelkjk. in — e!f time, met der tijd. --en, v, a. verlengen; v, t,. lenge, omen.

Waarom kopen mensen Bitcoin

×