113ekijk, o. reel —8 hebtSen. to be much looked (gaped) at, —en. ov. w. to look (to gaze) at, to vie, -or, tri. --*ter, v looker At illekijv en, on. w. to chtite, to eeold. —er, chlder, scoNier. --leg, v. chiding, scolding. Bekje, o. 7ie lick; buns, Liss, con lief —, a sweet (ptetty)giri. mijn —, my love I my derilog brein; pelvis; cymbal. in het Bekken, pew, to offer far sale. to sell by auction. —stager, cymbal-player, cymbalist. lliekkene ,ei, o. skull. —berg, (Mount) Calvary. —nand, suture. —thee, pericranium. bv. de& v. defendant. liteklteng ate, p(ovible, lamentable, woful, pitiful, —lijkheid, deplorablenees, pitifulnese. --sloe, v. 'tie Be•• kta/er. Ilekincita en, ov. w. to beideub, to besmear, to beecribble, to eully; to defame, to slander. —er, re. dauber, ecrittbier; defamer, slanderer. —lap, v. stsining;derainAtion,s1Ander. Baliling, 0 commieeration; eomplaint. In — rojet, to be pitied. —en. ov. Iv, to deplote,tolament, to pity, to commiserate; ode Anskingen; sick t. w. to complain lover, of); het sick —, to repent. of. —enroaardig, ho, lamentable, fcommliterable, 'worthy of compaerlion, —er, m, pitler, condoler; plaintiff. —leg, v. pitylog, lamenting. Beklant, by accuetotned, having custom. een good —e minket, a shop much in request. a shop with a good custom. B eklespp en, ov. w. tobetray. —er, m. betrayer te I I- tale. —ing, v. betrayal. 11.kituateren, or. w. to clamber upon. 114,kileed en. ov. w. to clothe, to attire; to apwire', to array; to wainscot, to line; to shoe teen alike.); to serve (een babel); to sheathe (een schiP); to give a good turn; to invest (with); to Ail, to

sjeni.), a. schil, dop; leiaarda. Shalt 'glair) [shuidd NO2d.], V. n. zullen; moe- Shave (sjeevi [shaved, shaven.], v. a, eatteren; achanen; dun enijden; nitmergelen. —grass, ten, behooren. schaafstroo. —ling„ a. geschorene; monntk. —r, Shall000 (ajelloen 1 ), a. soot. (-lot'), P.SP110t.. „ a. scheerder; uitzufger; hedneger. slue!). Shall op (sjel-lup), Shallow (sjel'lnl, s. °neap; oppervlakkig, zip- Shaving (ejee'vteng), a. het seheren. — basin,
Panoply (pen'o-plih), a. volledige wapenrusting. Pnracen teals (per.e-sen-ti'sia), s. buiksteek (ter aftapping van het water). —tric ( sen"trik), a. Panorama (pen-o ree'me), a panorama. van het middelpunt afwijkend. Pansy (pen'zill., a. driekleurig viooltje. Pant (paant'), s. hartklvpping. --, v. n. kloppen. Parachronisin (pe rek'ro-nizm), a. misalag in de tijdrekening. beven, hij pen; (after. for) hunkeren, verlangen Parachute (per- e-sjoet.'), a. valscherm. near. Pantaloon (pen.te.loen'), a. hansworst. — 8 Paraclete (per'e-kliet), a. trooater. Parade (ee-reedn, s. praalvertoon, pronk; afwe{-loenz"), pl. (lenge) brook. Pant ar (paant'ur). a. hijger; net. —ess, a. kort- ring; parade; paradeplaats. —, v. a. pronkea met; ademigheid (van valken). parade laten oaken; afweren; v. rt. vertoon maPantile lam (pen'thi-ism ►, F. pan theismus. —ist, ken; optrekken; parade maken. a. pantheist. -on (-thi'un), 8. pantheon, goden. Paradigm tper'e-dim), a. voorbeeld. the fool'. —, Paradis a (per'e-daja), s. paradijs; tempel. Luilekkerland. —kcal (-di-saj'ikl), a. paradijsPanther (pm'thur), a. panter. Pantile (pen'taajl), a. dakpan. Paradox (per'e-doka), s. wonderspreut. —teal, Pantie". (pent'lur). s. hof-, broodmeester. a. —ically, ad. (-doks'ikl.),wonderepreuhig. —ical?mitotic (pen-toefl'), a. pantoffel. Panto graph (pen'to-gref),s.teekenaap. —graphy nets (-dokeikl-), a. achijastr‘jdigheid. s. het gebra iten van den teekenaap. Paradrome (per'e-droorn), a. onovardekte gang. (-tog're —meter (-torn'i-tur), a. almeter. —mime (.Thajg), $, Pa•age (per' sclzj), a. geltj kheid. gebarenspel, pantomime; pantomimist. —mimic Paragog e (per-e-goodzj'), s. woordverlenging. —teal (-god' zjik-), a. woordverlengend. (-mim'ik), a. pantomirnisch Paragon n per'e-gunl, a. model, voorbeeld; matPantom (pen'tun), a. —shoe. pantoffelijzer. ter. —, v. a. vergelijken. evenaren; v. n. wedijvePantry (pen'trilt), a. provisiekamer, -kast. ren. Panurgy (pen'nr-dzjiW, a. bekwaamheid in alles. Paragram (per'e-grem), a. woordspeling. Pap (pep'), s. tepel; pap; vleesch cyan vruehten). Paragraph (per'e•grefi, a, parairraaf; -teeken. —, v. a. met pap voeden —ic, —teal, a. —ically, ad. (-grerik-)., in (bij' paPapa (pe-pa'), a. p , pa, Pap acy (pee'pe-sih), a. patiqdc.m ; psusschap. —a/ rag', fen of afdeelingen. Paraliellon (per-e. Wit un).. a, bijzen. (-Pei), a. pauselijk. Farall poetic (per-el-lek'tik), a. parallactisch. us), R. papavera chug. Papaverouc (pe-pev'ur —ax (per'el-leks , , vorschilzicht (in den stand Papaw (pe pan'), a. meloenhoom; meloen. doe aterren), parallax. Paper (peep), a. pans. a, a. pa- Paraliei (per'et. lel), a. evenwildig, gelijk. Paper (pee'pur), s. papier; nieuvablad. evenwijdice ltjn; gelijkbeid; vergelijking. —, v. a. Pleren; licht, dun. —blurrer, papterverknoeier. evenwtjdig waken; overeenetemmen; vergelijken. book, schrijfboek. —credit, —board, natplank. —ism, a. evenwijdigheid; gelijkbeid. —ogram apier-, wisselkrediet. —currency, omloop van s. parallelogram. —opiped (-o-pay ' andelapapier. —faced, met era, dondsbleek ge- (.1el'o-grem), parallelepipedum. laat. —hanger, hebanger. — hangings, pl. karnerbe. Paralog lam, (p•rel'ud-zjizm), a. drogrede, valvlieger. —knifesvouw. banged!. —kite, (papieren) been. —maker, papier. , ker. —man, koopman in ache sluttrede. —ite(-zjajz), v. n. valsche gevolgtrekiiingen makes. schrijfbehoeften. —manufactory, pa pierfabriek.Parlay slit (pe-rel'i-sis), a. verlamming. —tic, paplermolen; archief van King ' s bench. —tical (per-e-litik.), R. verlamd. --se(per'e-laJ , ), —money, papieren geld. —office, staate-archief. op papier geatoken. —scull. dom. v. a. verlammen. —pins, spelden drukker (verkooper) van g'ekleurd Paramount (per'e-maauut), a. hoogst, opperat. top. —stainer, lord —, opperste leenpapier. —weights, brievendekker. --, v. a. in papier —, a• opperhoofd; leenheer. pakten; bebangen (met papier). hoer. moor (per'e-moeri, a. minnaar. boel; minvlinder. —naceous (-nee , Para Papal() nitres. —nymph (-nimf), a. bruidsjonker; verdedisjus). a vlinderachtlg. gee. —pet (-pet), a. ty.rrativering. PnpIllnry (pep'il-le-riW, a. tepelachtig. ravage. Poraph (per'ef n, 8. naamtrek, naamteeken. —t, (pee'pizrn), a. pausdom. Papis pau'geeind. —try Paraphernalia (per-e-fur-nee'li-e), pl. goetieren, a. zinde. —tical die uttalnitend aan de vrouw toebehooren. (-pie-trih), a. pausdom, paperij. a. pap- Paraphras e (per'e-freez), 8. omschrijving. —e, —y, (pep'pus), a. harig,wollig. OUB Pa pp v. a. omsebrijven; v. n. paraphrasen maken. —t aehtig; week, vieht. —tied (-freetik), a. Papul sac (peploe-li), pl. puistjes, huiduitslag. : (-frest), s. onischrijver. omschrijvend. —ass, a. puistig. Paraaang (per'e-seug), a. perzische mijl. Par (pear), a. gelijke waarde, part to beat (upon a) Paraselene (per-e-se-Iten'), a. bijmaan. gelijlz staan. Paraalt a (per'e-sajt), a. tafelsehuitner; weekerParable (per'ibl), a. gelijkenis. Pnraboll a (pe-reb'n-le), a. kegelanede. —ic, —teal plant. —Sc, ica/ (-sit'ilt.), a. tafelschuimend; — (per-e-bol'it), a. van eene geltkenis; van de plant, wilikernlant. door ge- Parasol (per'e-sol), s, sonnescberm, parasol. tegelanede. —ically (per-e•borik1-), ad.verhalev Paravall (per-e-vee1 1 ), a. achterleenrnertg , tenant B. likjkentesen; ale eene kegelsnede. aehterleenman. van gelijkenissen.
Om aan de vergadering te kunnen deelnemen, moeten de aandeelhouders, indien hun aandelen aan toonder luiden of het gedematerialiseerde aandelen zijn, deze ten minste vijf werkdagen vóór de voor de vergadering vastgestelde datum deponeren ten maatschappelijken zetel of ze inschrijven op rekening bij een erkende instelling; indien hun aandelen op naam luiden, moeten de aandeelhouders ten minste vijf werkdagen vóór de datum van de vergadering in het register van de aandelen op naam van de vennootschap ingeschreven zijn en, met inachtneming van dezelfde termijn, de vennootschap schriftelijk in kennis stellen van hun voornemen aan die vergadering deel te nemen, met vermelding van het aantal aandelen waarvoor ze opkomen. solvay.com
Befoul (be-foeP), v. a. begotten. Belluine (bel'ljoe ajn), a. beestachtig. Before (be-Poor'), ad. to voren, vroeger; prp. voor, Belly (belnih), s. bulk; v. n. awellen. —ache, buikpijn. —band, buikriem. —bound, hardlijvig. eer. —hand, ad. van to voren, vooruit. —time, ad. voorheen. —friend, smulbroer. —ful, a. bekomat. —god, Befoul (be-Paul'), v. d. bevuilen. buikdienaar. —pinched, uitgehongerd. —timber, Befriend (be-fren(P), v. a. begunstigen. vaste spijs. —roll, rolblok. —worm buikworm. Befringe (be-frindzr), v. IL met franje versieren. Belong (be-long'), v. n. (to) toebehooren, beBeg (beg), v. a. verzoeken, vragen, (for, om. of, treffen. van). —, v. n. bedelen. Beloved (be-luvd'), a. bemind, geliefd. Beget (be- get') [beg ot • begotten'], v. a. telen; voort- Below (be-lo'), ad. beneden; prp. onder, beneden. brengen; baren. —ter, 8. teler. Belawagger (bersweg-gur), a. ancever; zedeBeggar Ibeg'ger), a. bedelaar., — v. a. tot den loos mensch. bedelstaf brengen. —/inese, s. berooidheid. —/y, Belt (belt), a. gordel, —, v. a. omgorden. a. & ad. armoedig. —y, s. bedelarij, armoede. Bemire (be-maje), v. a. beslijken. Begin (be-gin') [began. begun], v. a. & n. ann. Bemoan (be-moon'), v. a. beweenen. vangen, beginnen. —ner, a. aanvanger, leerling; Hemlock (be-mok'(, v. a. beapotten. stichter. —ning, a. begin. —ninget, a. eerate be- Bemourn (be-moorn'), v. a. betreuren. ginselen. Bench (bentsj), e. bank, rechtbank. —er, a. bijB egird (be-gurd') [begirt], v. a. omgorden; om!Bitter, rechter. ringen. Bend (bend), s. bocht, kromte; kniehout. Begnaw (be-nao'), v. a. beknabbelen. Ilend (bend) [bent], v. a. butgen, krommen, spanBegone (be-gon'), int. go weg! ga heen! nen; v. n. buigen; overhellen. —(against) zich Begrease (bc-griez"), v. a. besmeren. wapenen tegen. (on. upon) richt. op. (to) riohten B egrime (be-grajm'), v. a. bemorsen. near; zi.eh onderwerpen aan. to be bent upon, Begrudge (be-grudzy), v. a. misgunnen. genegen zijn tot. —able, a. buigtaam. —er, a. Beguile (be-gajl"), v, a. foppen, bedriegen. spanner, burger; grail. Behalf (be-haaf'), a. baat, voordeel. in my —, Bendlet (bendlit), s. kleine dwarabalk. to mijnen behoeve. Beneaped (be-niept'), a. ate den grand. Behav a (be-heev'), v. a. gedragen; v. n. zich Beneath (be-nietfa'), ad. beneden; prp. onder, gedragen. —ior Hurl, a. gedrag.

(hee'tritl), s, heat (oi. to). iiritter (lieVtur), n. hoedenmaker. Flentrberie (hao"burk), s. boretharnas, ad. trotsch, hoognaught y (haoitih), a. hartig, aanmatigend; hoog, verheven. —iness, s. trots, aantnatiging. v. a. & n. hales, )haul (haol), 0. heal, trek. trekker, siepen. —aft, voorhouden, aanhalen. —against the wind, weer aanloeven. —close to bij den wind opsteken. —home, aanthe wind, halen. —taught, stijf hales. (in) aanbrassen. (out) (un) geien; langs den kant zeilen. it nu' itiaorn), s. helm, stern. ihaantsfl, s. heap, eehoft; nehterste. Pitiuut (haant'), a. bezoehte pleats; sehuilhoek. hot. —, v. n. dikwijle bezoeken; verontrusten, kwellen; v. n. rondwaren; spoken. —er, U. druk bezoeker. (ho'boj), s. hobo. alave (hey") [had], v. a. hebben; houden; moeten; wennehen; doen. have a care, pas op, seem u in aeltt. have at you, het geldt u. — at heart, ter harte semen. Halve. (hee'vn), s. haven; vrijplaate. —er, s. havenmeester. (hev'ur)., s. bezitter; haver. —sack, ransel, knanzak. Having thevlenel, a, have, bezitting; gedrag. Havoc], (hev'ulr), s. verwoesting. —, v. a. verwoesten. lituw (loss'), s. erfje; hey; hagedoornbes; dal; heuveltje; nitwas onder het oog; gehakkel. kernbijter. —thorn, hagedoorn. —, v. n. hakkelen, stamelen, hanyek (hash') a. havik; gerochel. —eyed, met volkenoogen. —nosed, met een'hmviksneue. —owl, valkuil. —weed, havikakruid. —, v. a. rondventen; v. rt. met valken jagen; rochelen. —ed, hockig, krombekkig. —er, s. rondventer, marskramer; vaikenier. —ing, s. valkenjacht. 11114W.01 . (haOS'tkr)‘ a. kluis, boegseerlijn. (Any (boo'), a. hoof. —cock, hooiopper. —harvest, —time, hooioogst, —tijd. —loft, hooizolder. —maker, master. —making, hooibouw.. —monde, aardveil. —mow, —rick,—stack,hooiberg. —stalk, hooispier. 7.'errz.nerl (hez'ard), a. toeval, wisselvalligheid; kitno; gevear; dobbelspel. —, v. a. wages; v. n. zieh blootstellen, — wagon. —able, a. gewaagd. --er, s. waaghals, speler. —out, a. —ously, ad. gevitarlijk. tenet, (beer " , s navel, mist. Sinzei (hee'z1), s. hazelaer. --earth, bruise aarde. , Taszelhoen . —mould, thin-, pootaarde. —nut, — hazeleoot. —tree, hazelaar. —wort, hazelwortel. --f)i, so. iiehtbruin. (hee'zili), a. nevelig, mietig. lie ()(P), pr. hi); maneetjes-. —cat, hater. —cousin, neer. --goat, bok. —neighbor, buurman. —servant, )(Hecht. Zilend (hod'), s. hoofd; kop ; top, kruin; knop ; liopstuk ; hoofdeneind piiipunt; lemmer (van ,ere bi:11!; galjoen; hoofdpunt; bran, oorsprong; Inerschuitn ; yens( and. over — and ears, tot over Ito ooren. to Give —., ten teugel vieren. to make —, • hootd birder, to take —, eteigeren. — or tail,
DIV.— POL. Si Divid able (di-vajd'ibl), a. verdeelbaar. —a, v. a. neeakundige behandeling zijn. —al, a, doctoraal. deelen, Beholden; verdeelen; v. n. uiteengeoln; —ate (-et), a. doctor-graad. —ate (eat), v. a. tot oneenig worden. —edly, ad. afzonderlijh. —er, doctor bevorderen. a. geneeskuudige vrouw. a. verdeeler; deeler; soort van kompas. —era, a. —a, s. valsehe dobbeisteenen.—s' commons (-kona' 'wort van passer. munz), collegie van civilians (rechtageleerden) in Dividend (divq-dend), s. deeltal; winstaan- Louden. —ship, a. leeraarechap, doctoraat. deal, dividend. Doctress (dok'tress), a. Zie Doctoress. Divinat ion (div-i-nee'sjun), s. waarzegging. Doctrin eel (dok'tri-nel), a. —ally, ad. cinder—or (div'i nee-tur), a. waarzegger. —ory, (di. wijzend; leerstellig. —e (-trin), a. leer; leervin e-tur-rih), a. waarzeggend. stelsel. Divine (di- v ajn'), a. —ly, ad. goddelijk. —, s. god- Document (dok'joe ment), a. bewijestuk; do , geleerde, geeatelijke. —, v. a. voorzeggen; v. n. cument. —, v. a. onderrichten; van voorschrifien gleam —r, a. waarzegger. —ress,.. waarzegeter, (documenten) vobrzlen. —al (-ment'el), a. tot eon plying (dajv 'ieng), a. & a. —bell, duikerklok. voorachrift beboorend; in documenten vervat. Divinity (di-vin'it-tih), s. godheid; godgeleerti—ary (-ment'e-rilt), ad. volgena documenten. held. Dodder (dod'dur), s. viltkruid, cuacuta, Divis ibility (di-viz-i-bil'it-tih), —ibleness, (-viz' Dodecagon (do- dek'e-gon), a. twaalfhoek. ibl.), a. deelbaarheid. —We (-ViVibi), R. deel• Dodge (dodzj'), v. a. behendig ontwilken (outbear. —ion (-vizrun), a. verdecling; verdeeldsnappen); v. n. ter zijde springen; draaien, met held; afdeeling. —ive (-vaj'siv), a. verdeelend. list to werk gaan (with). —r, a. draaier, ;wet—or (-vaj'zur), a. deeler. felattr. Divorc e (di-voora'), —ement, s. echtscheiding; Doe (do), a. hinds; vviij fie. —rabbit, wtjtjeskonijn. scheiding. —e, v. a. scheiden. —ee Doer (doe'ur), a. dader, bedrijver, doener. a. geacheiden peraoon. —er, a. echtscheider. Doff (dof), v. a. afdoen; uitdoen; atiiehten; uit—ive, a. echtscheidend, atellen. Divuigation (div-ul-gee'sjun), a. ruchtbaar- Dog (dog'), a. houd; hondster; mannetje; schelm, making. grappenmaker; vuurbok; houvast. to give to the —s, Divul ge (di-vuldzj'), v. a. verbreiden, openbawegsmijten. to go to the —a, telgronde gaan. ran. —ger, a, versprelder. (-vul'sjun), s. —, v. a. naapeuren; § ale een' bond behandewegrukking. --sive (-cureiv), a. wegrukkend. len; v. n. ale een hand zwoegen. —appetite, Wizen (dayzn), v. a. opschikken. hondahonger. —bane, hondsdood. —berry, korDizz insets (diz'zi-ness), a. duizeligheid. —y, a. noelje. hagedoorn. —buffer, hondendief. duizelig; wuft; v. a. duizelig mahen. —cheap, schandekoop. —collar, -halsband. —days, Do (doe) [did. done (don)] v. a. doen, makes, hondsdagen. —fish, haai. fly, hondsvlieg. —fox, verrichteu, volbrengen. —to death, ter dood been- mannetjes-vos. —hearted, hardvochtig. —hole, gee. — a part, eene rol spelen. (away) wegdoen. hondenhol; kot. —keeper, honden-oppaeser. —kenkeukentatijn. (into) venal. in. (off) afdoen. (on) aandoen. nel, hondenhok. (out) uitwisschen, uitdoen. (over) overtrekken; hondendoktor. —louse, hondsluis. —mad, bondsherhalen. (up) opvouwen; Ran kant maken; indol. —muzzle, muilkorf. —rose, hondercos.—'s ear, hondsgras. pakken. —, v. n. handelen; zich bevinden; vol—'a-grass, ezeleoor (in een boek). doende On. how do you —, hoe vaart gil ? I do —sick, ziek ale een bond. —sleep, hazenalaap. not know it, ik weet het niet. I de love her, ik —'s-meat, hondenkost. —star, hondseter.—'s-weed, bemin hoar waarlijk. do but come, koin slechts. biealook. —tooth, oogtand. —triek,gemeenestreek. pray do! eilieve, doe 't toch this won't —, dat —trot, pruikenmakersdrafje. —vane, verklikker. niet. § do tell) och koml is het mogelijkl — (by) —watch, hondeuwacht. —weary, moede als een hande handelen len jegens. (for) toereikend voor. hood. —whistle, dievenfiuitje. —wood, kornoel, (with) aanvangen met. —all, s. albedril. —little, jehout. a. leeglooper. Doge (doodzj), a. doge. Docibillty (doe- i-bil'it-tih), a. leerzrainheid, Dogged (dog'gid), a. —ly, ad. kribbig, norach. leergierigheid; gezeggeltjkheid. —ness, a. gemelijkheid, norachheid. Dori bie (doe'ibl), a. leerzaam; gezeggelijk. Dogger (dog'gur), a. visscherspink. —bleness, (dosil'it-tih), a. leerzaamheid; Doggerel (dorgur-i1), a. ellendig, Bleeht. a. gezeggelijkheid. —le (doa'il), a. leerzaam; gedwee. rumelarij. —rhymes, kreupeiverzen. DocIty (dos'it-tih), s. vlugheid van bevatting. Doggish (dogVisj), a. —ly, ad. hondsch. Docimacy (doag-me-sih), a. kunst om metaal- Dogma (dog'me), e. leerstuk, leerstelling. —tic ens to beproeaen. —Neal, a. —Neatly, ad. (dug inet'ik ),leeretellig; a. Dock (dole). a. dolt; staartriem; wilde roving. meesterachtig. —ticalness ( met —, v. a. in het dok brengen; kappen, ophinden leerstelligheid; meesterachtigbeid. —list, a. on(van paardeustaarten); korten. dry —, droog dok. derwijzer van leersteliingen; die op besliseenden v. n. leeretellingen floating —. drijvend doh. —yard, werf. —age, a. —tize, (-tajz), toon spreekt. —due, dokgeld. —et (dok'it), a. lijtaje van henvoordragen; meesterachtig beslissen. delsartikelen; adrea; uittreksel; lijst van orde; Dolly tdorlih), a. start van wollen stof; servet. v. a. op de naam- of ordelijst plaatsen. Doings (doeleugz), a. ,erriehtingen, bedrijven. Doctor (dok'tur), a. doctor; geneesheer. —, v. a. Dolt (dojt'), a. —kin, s. dolt. tot doctor bevorderen; geneeakundig bebande- Dote (dool'), n. deel; gift; droefheid. —, v. a.uitIan; v. n. de geneeskunde uitoefenen; onder gedeelen. — meadow, gemeenteweide. ful, —some.
Tod (tod') s. struikgewas; yea; stem (gewleht). (tod'd1), v. n. waggelen, strompelen. —dy, s. paimdrank; (snort van) punch. Toe (to), s. teen; voorhoef. Toffy (tern h), s. boretp/aae, suikergoed. Toft (tort), s. erf, loads, homebje. Tog sated (to'gee-tid), —ed (-gid), a. getabberd, in de toga Together (toe-geth'ur), ad. te zamen; aohterern. — with, benavens met. Toggle (toeg)), a. korvijnagel, knevel. Toil (toll') a. mare arbeld; tobberij; net, web. v. a. bewerken; afmatten; v. n. zwoegen. sloven. — and moil, ploeteren. —er, a. zwoegee, glover. Toilet (toj'llt), s. kaptafel, toilet. Toilsome (tojl'eum), a. —ly, ad. moelelidk, vet, moeielijkheid. tnoetend. Token (to'kn), e. teekeu, aandenken. —, v. a. teekenen; bekend oaken, annduiden. Tole (tool), v. a. trekken; lokken. Toledo (to-IPdo), s. spakneche king. Toler able (tol'ur-ibl), e. —ably, ad. drage)ijk, tamelijk. —ablenese, s. dragelijkheld, mtddehn. Hebei& —once, —ation (-re'sjen), a. (het) dulden, verdragen; toelatiag; verdraagzseraheid. —ant, a. verdrangeaant (to. towards). —ate (-eel), v. a. verdragen, toelaten, dulden. Toll (tool ► ), a. tol; aceljus, gelut. —bar, tolhek,, —collector. el agb oom. —booth, tolhuis; gevan —gatherer, —man, toloarder. —corn, sehepkoren (oh maalloon). —dish, —hop, aehepinaat. —free, tolvrli. —gate, tolhek. —house, tolhuis. —money, tolgeld. —, v. a. heffen; lulden, kleppen; lokken, verleiden; ophelYen, vernietigen; v. n. chetting) betalen of heften. lulden; tol(e To I qtation (tol-joe-tee'ejue), e. telgang. Tom (tom"), s. krankzinnige. —boy, wildzang; Wilde (eleahte) meld; Kerosene kerel. —eat. hater. —foot (-foel'), zotekap. —foolery (-foel'ur-lb), zotternij. —poker (-po'kur), bulls balk. —rig, sell d.ctug, wilde rr aid. —thumb, dwerg. --tit (-tit'),
384 ACH..—ADE. back. —krabben, on. w. to retract. —slum, ten. Aebterkiel, V. stern-keel. w. to kink, to wince, to grow wild. —teres, on. Acisteerk5eip, in. slander, back-biting. —pen, ov. & on. W. to slander, to back- bite. —per, in. —star, w. Zie Interest. —varen, —seiten, on. W. to make stern-way. v. slanderer, back biter. Achterweettel,o. bind-quarter. Aelliterklinttv, m. bind-claw. Achterkieln dcsehter, v. great- granddeughter. &Otters ertrek, o. back room. v. mizzen-flag. —kind, o. great-grandchild. —coon, m. great- Aehte•wlels, Aehtervoeg en, or. w. to add behind, to affix, to grandson. postilx, suffix, —iny, v. adding behind. —set, a. &enter-aeon/4g, by. enspicione. —heid, v. suspiaffix, posttlx, suffix. ciousness. Achtervollg en, ov. w. to follow, to pursue; to Achterkwartler, o. back-quarter; bunt. Actaterlap, m. beel-places, heel. —pen, or. W. to observe; to continue. —ens, bw. successlyelY, consecutively; vz. in pursuance of, conformably heel-piece, to heel. Achterlase, m. cargo at the stern. — hebben, to to. —iny, v. pursuit, prosecution; observance; enceeesiou. want to go to stool (to the privy). As:sheer/Int on, or. W. to leave behind; to omit. Achterweerts, Inv. backwards. Achterwaertsch,bv. backward. —tog, v. leaving behind; omission. Aehterw nicht, T. stern-watch. Atettertederr, o. heel-piece. Achtertssen, o mesue-tenure. —heer,mesue lord. Aehterweg,m. bank-w ay, back-road. blijren to Achtorevese, bw. aside, away. — —wan, under-feudatory, under•tettent. stay away, not to appear, to remain behind. — Achteerlot, by. of eight sorts, eight kinds of. Achterliggen, on, w. to lie behind; to be disre- houffen, to conceal. Aehterwerk, o. back-work; stern-frame; bum. garded. — tie, to be inferior to. Achtersviel, o, hind-wheel. Achtsrl l o. hind-part, back-side. Achterlejk, hr. backward. —ketd, v. backward- AchterwInkel,m, back-shop; recess. Achterzak, m. hind-pocket. nest. Achterzell, o. mizeen-sail. Achterman, en. binder-man; Tear -rankman. Aehterzolder, m. back-loft, back garret. Achtortniddisg, In. afternoon. AchtgevIng, v. attention, beedfuluese. Achternmur, sn. beck-wail. Aeht hook, m. octagon. —iy, by. octagonal, octanAchterna, bw. after, behind; afterwards. gular. fiteehtersteet*, m. great-nephew, second cousin. Achting, v. esteem, regard. —seva4rdig, bi. Zie cousin. second Achternicht, v. great-niece, Achtenswaardlig. Achterone, bw. the back-way about. —hal., or. Aehtjartg, be. sight years old; octennial. w. to smuggle. Achtlanntig, by. octolateral. Actsteronder, o. stern-hold. Achterop, bw. (up) behind; disadvantageous. dee Achttettergrepl7g, by. octosyllabic. Achttanastl, bw. eight times. le —, that is the wrong way, Atobterovoir, hw. backwerde (over), eupinely, on Achtp ender, m. eight-ponder. Aeotreigelleg, be. of eight lines. — tem, octosiich. one's back. —liggend, to 7. suphie. o. eighth (part , ; crotchet; Aehtste, tw. eighth. fichterpassi, in. hind-pole, hind post. sequence of eight cards. ten —, eighthly. Achterphard, o. thill-borne. ihiller. Achtsptan, o. eight horses. Acisterpand, o. hind-skirt; out-house. Achttni, o. eight. Aehtergsinnts, v. back-yard. Aclatt ten, tw. eighteen. - de, tee. eighteenth. feehewrpoort.y. back gets; buo ➢ . Ache toon, m. octave. Achterpoot, Ira. hind-foot, hind-paw. Achevocelg, bv. of eight feet; eight-footed. Achterrad, o. hind-whee:, trailing-wheel. —iy. by. eightfold, octuple. Achtvoud, o. & Achterrilern, no. cropper. Achtzft.m, be• & bw. attentive (-1y), careful (-1y) Acitterresins, o. stern-hold. —held, v. attention, carefulness. Atlaterschtp, o. abaft, stern. to Achtztidlig, bee octolateral. Achteretattn, on. w. to stand behind, — Acontet, o. aconite. be inferior to. Athteretat, m. back•eteble; arrears. --lip, hr. in Adannettppol, m. edam's-apple. bite of a viper. Adder, v. viper, adder. —beet, arrears; —e aehuld; tie Achterstml. —engebtoed, —engebrondset, —kroost, breed of o. hackAchterat • , by. hindmost, hindermost. vipers. —kruid, viper's-grass. —spoil, venom of a part, back-aide; bum, asses. viper; viruiente,back-biting.—tone,viper'ssting; Acheerstell, o. back-part (of a. wagon). —len,ov. virulent tongue, back-biter; viper's-bugloss, w. to put (to place) behind; to postpone, to dissnake weed. regard. —Ling, v. placing behind; slighting. in. nobility. keeps —, nobility, pc,dge. Ad Achterateven, m stern. tie AdelliUk. —beret, ae —, gentry. yen Actiteratrnest, v. back-street, by-lane. midshipman, cadet. —stand, nobility; tot den — Aehteratuh, o. hind-piece. verkeffsn, to nobilitate. —revering, aristocracy. Achtertstche, re. rear. haughtiness, pride of ancestry. bw. backwards. —trots, Aehtertsit, o. back-door. —deinten, ors. w. to start back, to recoil-•gasn,on , Adelaar, m. eagle. w. to go (to draw) backwards; to decline, to decay, Adeldont, m. nobility. brief van —, patent (charter) of nobility. to grow worse. —4aten, or. w. to pall (to haul)
Buz tos, v. miatress; virago, vixen. Mauls., v. trombone; trumpet; sack-but.-L-6/axer, trombone-player, trumpeter. -gesehal,sound of trumpets. -en. or. rr. to trumpet; on. w. to pl ay on the trombone, to stoned the trumpet. Ilenardeo, ov. w. tG cover with earth. Bendenaen, ov. w. to breathe upon. lleasssbte, m. functionary, officer. ileains on, or. w. to assent to, to approve of. -tag. v. assent (to), opproval (of). Eitentoget,lov. uneasy (about), afraid (for), unquiet. -laid, v. uueasiness fear, dread. -igen, ov. w. to make uneasy, to frighten. 11Zettni woe.rsi en, ov. w. to answer, to reply to. — lag, g. ana vrering; sue w er, reply. Basks bald on, ov w. to work at; to compose; to el+borate; to cultivate, to till. — er, m. author, composer. -ing, v. working (at), manipuietion; composition; cultivation. 'Rebind en, ay. w. to tie about, to bind with. • Beali,ed, by. bloody, gory. - en, °v. w. to etain w nth blood, to ensanguine. 11*bloorrren, ov. w. to cover to adorn) with flowers. lieboet bear, be. finable. ov. w. to fine, to mulct. -ing, v. Infliction of a tine. liebolaverkon, ov. W. to fortify (to enclose) h bulw,rks. with lieboussi bear, be. arable. -en, so. w. to build upon; to cutivate, to till. -ing, v. covering with buildin2s; cultivation. o. bed; marriage; layer, stratum; channel. naar -, to bed, to -, a-red. -van eer, field of honor. -genoot, m. & v. bed fellow. -genii*, bed.curtain. -lege7ig, bed-ridden -legerigbeid, state or being bed-ridden. -roede, curtain-rod. sermoen,cartale-lecture.-ziede,bedereAd.-efroo, bed-straw. -dedeken coy • rlet bienket, quilt. — degoed, bedding, bil - liurn. - 2dejak, night - rail, night - gown. -deksassn. pillow. -dekteast. bed , or d, suspensory. -delaken, sheet. - depas,, arming-pan. --dgplank, slider, shelf (in a bedstead). -decprei, quilt. -detafe!, Meld-stand. -AGA, bed-tick, *let. -dezak, cover. pillow • case. -dentmoper, upholsterer. -denmaker -de*• inaakster, upholsterer; bed-vaaker. -Jenwinket upholsterer's shop.

Waar kan ik Bitcoins in India


Hauleer en, so. w. to handle. —ing, v. handling; ze Tit:a:e. v. Hanseatic league. —stad, Banns-town. Clap, ter. bite, snap; bit, mouthful. —.Maar, catahnoll, 'leper en, on. w, to falter, to stick, to hesitate; to be wanting. —ing, v. faltering, hesitation, hitch ; want. llapp en, ov. & on. w. to snap, to snatch, (ne.. , at). br. & bw. greedy (-11y), eager (-1y). —ighesd, v. greediness, eagerness. Dar, v. hingie. de deur shoat op eene —, the door fa a•jar, — upon LOA, Hord, by. &, bw. hard; strong k -13r), violent (-1y), severe (-1y), harsh (-I ); load (-1y); grievous (-1y), afflicting; (arm) hard up. — brood, stale bread. Mop., to walk (to run) fast. —maken, — worden, to harden. --bekkig, —bittig, hard-mouthed. —draven . to rare, to run (to trot) a race. —drover, race-horse. —draverij, race. —handig,bard- handed., rough. --teandigheid, v. herd-handedness, roughness. --hoop& numekull, blockhead; obstinate person. —hoofdip, stupid; headetrona, heady, obetinate. —h-iofdsgheid, limpidity; headstrongness., headinese, obstinacy. —hoorig, dull ithiek) of heemig. —hoorigheid, hard hearing, thickness of hearing. —teerend, dull (of comprehension). —leerendheid, dullness (of comprehension).—lijvig, coot-lye. coetivenees. —looper, runner, racer. —nekkig, by. at, hw. obstinate (-1y), stubborn (-Iy); Inveterate (-1y). —nekk:gheed, obstinatty, eta b bornne5s; inyeteracya•rijden,o. racing. --eteen,free-stoue.—steenea,(or)free-etone.—vochttg, hard-hearted. —vochtigheid,herd-heartednees. —seilerij, regatta. --seiler, fast-galling vessel. —achtig, be. rather hard. —ebol, ce. obstinate fellow. —ebollen, on. w. to knock the heads against one another; to dispute keenly. —en, ov. w. to harden; to stand, to endure, to bear. —held, v. hardness; strength, severity; harshness, vehemence, grievousneee. —igiseid, v. hardness; hard Revelling, callosity. II rasre^u . b4. hair, made of hair. 'Karen*, ten —, bw. at her house. —halve, hr. on her behalf, far her cake. —wege, as for her. nun — wege„ in her name. om —wit, for her sake. Ilarlg, by. hairy. —Arid, v. 'latrine.. Haring, tn. & v. herring. gerookte —, red herring. —bale, herring-buss. --drover, drier of herrings. —japer, herring-smack.—baleen, o. culing(gutting and pickling) of herrings. --baker, herring-curer. —net, herring-net.—pakker, her ring-packer.—pakkart+, place where herrings are packed, herringshop. —petrel, herring-pickle. —salad, herringsalad. —ttiid, herring-seaeon. —ton, keg. —vangst, her—visookerkj. herring- fishery. —vrouw, ring-woman. —zout, coarse salt. Hark, v. rake. —steel, rake-stick. —en, oc. w. to rake, to harrow. —er,m. --ster, v. niter. llarlekijn,m. harlequin. lIneaaras, o. trinities, entrees, armor. is het — j.gen, to provoke, Harp, v. harp; riddle, copper corn-niece. de — Orlon (bespelen), to play on (upon) the harp. —enact,. harp -string. —spel, harping. —Wier, —speelster, harp -player, harper. —toon, harp-
pack-thread. —rat, osier. —spies, ligament, —er, na, —ater, v, binder. —set, o. band, bandage, tie, stein t. Bingelkruld,e. mercury. m. bungler. Binnen, by. (in San.) inner, inward. —, hw, within, :within door,. eau —, inwardly, on the — door, by inland navigation, by a shorter cut. to brengen, to recollect, to remember, to call to mind. to — tehieten„ to occur to the mind. — hart, shortly. —, Ye. within, in. Binnennchtevet even, m. inner-pest. Hitinenbessil, an. private-executioner. BInnenbeure, v. fob. BInnenbryngen, or. w. to bring (to carry) into; to pilot (to steer) Into the harbor. Binneneicur, v. inner-door. illnwssadkik, m. inner-dike. —a, bw. on the inside of a dike. IlInnendring on, 0•. & on. w. to enter by force, to break in, to invade. —or, m. Invader. Illneentienn, or. & on. w. to enter, to go (to walk) in, —into. lillnwengataito, bw. in the fate-toy ore annel, at the entrance of a harbor. Illinnengs.ng, tn. inner pasaaxe. BInnengracht, v. inner canal. 111nnenhalen,or. w. to take (to Moil) iiirmenhaven, v. basin of a port. hithe 111nneohof, o. inner-court. Binnenknnser, v. inner-room. BInnenttent,m. inside. Ilitnnenksts, v. inner-care. lititanasnkiell, v. keelson.carline. Blunenkomen., ov. & on. w. to enter, to come (to walk) in, — into; t o arrive. BInnenknorts, v. internel (slow) fever. BInnenlend, o. interior. —.eh, bv. inland, domestic, home; civil, intestine; —vaxrder, riverboat; master of a river-boat. BInnenloode, m. river-pilot. —en, ov. W. to pilot (to steer)into the harbor. BInnenloopen, cv. & on. w. to put into (a harbor). 131nneninoeder, v. directre's of the domentic business of an hospital. BInneasinuur, m. inner-wall. Blunennfted, in. inner-seam. Bann...pad, o. by-path. IlInnenplente, v. inner-court. court-yml. BInnenrukken, ov. & on. w. to enter, to march into. Binneneehens, v. inter-bastion. Bannenshuis, bw. within doors, at home .. BInnenskamere, bw. within doors, in privr.te. BInneneleepen, Or. W. to drag in, — into. Illunoonemonde, bw. muttering;y, mumblingly. BInnenatatirt, v. inner part of a town. BInnenste, by. & o. inmost, innermost, inside. 11InneneWds, bw. withut the time appointed. 'Nineteen Ituivent, on. w. to flounce into.... IlInnentreden, or. & on w. to enter, to step in, — into, to tread into. IlInnenweart, v. inland navigation; canal. Filnnenveder, m. director of the domestic businese of an hospital.

Is bat een cryptogeld

×