ScoVel (skuvq), a. ovendweil. Scrotum (skro'tum), a. balhak. Scowl lakaaul'i, a. miur gezicht. —, v. u. aunt Scrub (skrub'), s. schrobber; sukkel, tobber, prul, vod. —, v. a. schrobben, schuren; v. n. zien. —4 .0Y , ad. met een zuur gezicht. Scrabble (skreb'b1), a. gekrabael; gegrabbel. zwoegen, ploeteren ( for). —by, a. sleeht, army. n. krabbelen; grabbelen, z Scrag (8.kreg'), a. dun stuk; scherminkel. —ged Scruple (skroe'pl), a. b eawaar, bedenking, wetfeting; acrupel; klelnIgheid —, v. n. bezwaar . ( - Kid ), — tip ( - git), a. mager; ruw, oneffen. vinden, bedenking hebben (at); aarrelen. —gedneas. pisses (-gi-ness), a, magerheid; ruw- bezwaarmaker • herd, oneffenheid. Scramble (akrem'b11, a. gegrabbel. —, v. n. Seratpul ous tekroe'pjoe-lus), a. —ously, ad. nauweezet; schroomvallig. Mfg (•los'it•tih), grabbelen f at. far); klauteren. —r, a. grabbelaar. Scrauch (.kraantaj), v. n. hoarser, kraken. —oesnese, e. nauwgezetbeid; achroornvalligheid. Scraunel (akren'nt1), a. alecht, ellendig. Serial able lakroe'tibll, a. nit. to vorachen. —ation (•tee^ajun• a. nit•, navoraching.—ator (-tee'tur), Scrap Iskrep'), e. brokje,stukje, anlpper. —book, album, anippertoek. —ineer (-ti•nierl„ a. nit-, navorscher. navorschen. —tacos (-ti najz), v. a. & n. Scrape (akreep'), z. gekrob, gekras; strijkveetje; (- ti-nus,, a, navorschen uitpluizend. —iny (-tinklem, verleeen !(eid. —penny, schraper, vrek. nib), a. navorscbing, ondersoek, atemopneming. y. a. afschrappen, afkrabben; krassen. — a top, een strijkvoenie maken. — acquaintance with, Scrotoira (skroe-twor'), e. echrijfater. kennis trachten to molten met. afkrabbcn. Scrum. (ekroez). v. a drukken, knellen;kneuzen. (out) ultkrabben. (oplopkrabben; bison schrapen. Scud (skud). a, regenvlsag: vliegende walk; overhassle vluobt. v. a. dourloopen; v. n. loopen, -, v. n. krabben, kraaaen. —r, 8. krabber; ochre- enellen lawo); lenzen. — under bare poles, voor per; vioolkrasser. top to takel lenzen. Scratch (akretsr), a. krab, schram; pruik. —back, rugkrabber. —brush, bras-, draadborstel. Scuddle fakust'd1), v. n. wegiflen, dribbelen. v. a. krabben, ashram- Scoftle (skuffi), a. kloppartij; geharrewar, go. —weed, kliskruid. v n. plukharen. wool. men; krabbelen. —er, a. krabber; krabbelaar; krablizer; krashorstel. achnilhouden; sluipen . Sees lk (skulk'), v. n. Scrawl (skrann, a. gekrabhel. -. v. a. & n. er, 0. schuller; eluiper; mall( rger. krabbelen, kladden. —er, a. krabbelaar. Scull (16kIlii'), a. schedel; achoel, menu; hulk; wrikriem. —, v. n. wrikk, ti. —er, a. roeleehuitje; Stray ,skree), a, zeezwaluw. wrikker. —ery (-ui . -ih), a. schuurplaate, vat.Screnk, (ekriek) a. gekrijech; gekras, geknars. waascherij. v. n. krtschen; krasseu, knarsen. Scullion (annuli), a. keukeujongen; vatenScreens (skriem), a. gil. —, v. n. waschster. Screech (akrietej'), a. gil, angatkreet gekrijsch, Sculpt lie (ekulpt'il), a. gebeeldhouwd. —or,s . - v. n. gillen, krijscben. —owl, nachtull. beenthouwer —ural(-ine-rel), a beeldhouw-.—ure Screen (skrien), a. scherm, schen; zandzeef. (-joer),a. beeldhouw-, graveerkanat; v. a. beachutten, beschermen 'front); alit., Screw (ekroe') a. achroef. —chase, achroenraam. anilwerk; gravure; v. a. beeldhouweu; anijden. graveeren. —driver, acbroefdraaier. —hook, sehreefhask. v a. afsehuimen. —jack, dommekrrcht. —knob,ichroefint.op. —nut, Scans (skum'), a. achuim. bee, s voasendrek. —nee;, a. echuirrispaan. mob-Nehmen —propeller, achroef; schroefboot. --worm, schroefdraad. —tap.schroefboor. —tree, Scupper (ekup'por), s bpie, apt). —holes, Plapijgaten. —hose, mam.iering voor de epljgaten. echroetboom. —, v. a. ecbroeven. vastschroeven; —nails, pl. mamieringspijkers,platkoppen. —plug. drukken, knellen, spai.nen, rotten; verdraaieu. eptjgatprop. —pumpdale, stortkoker. -- one 'a self into, zich deluges in. (down) toe achroeven. ir., i lotoehroeven. (out)afpersen. (out Scurf (abort'), a. korai, roof; echurft; oppervlakte. —iness (-1-mess), a. achurftigheid. --11, a. of) nntlokken. (up) opsch•oeven; opviJtelen. schurftig. Scribble (eltrib'b1), a. krabbel-, prulnchrift. v. a, & n. krabbelen, bladder,. —r, a. krabbelaar; Scurril e(skueril), —oat, a. —oualy, ad. gemeen, —oneness, a. gemeenheid, plat. —ity prulachrifver. platheid. schrbver; nntaris; rtchriftge- Scribe (akrajb), Settee, fly Iskuevi1-1111), ad. —y, a acbeurbuikig; leerde• —,, v. a. met den passer teekenen. schurftig; laag. gemeen. sieeht. —inns vrek. Scrimp (art.: tort, bekrompen. e. echurftigheid; laagheid, gemeenheid. —y, a. —, v. a. tort (oekrompen) maken; bekrimpen. scheurbuit; —grass. lepelblad. Scrip iskrip'), a. zakje, taschje; note; ben ifs van snorting, voorloopige oblig•ie. —page (Oda), Scant (skirt), a. torte 'quit, stornpje. Scotch (skuter) v. a. hehelen (vlaa). —eon(-un), a. (seal zak-vol. —tory, a. sehrifteltik. a. wavenechtld. P3 - criptur at (skriprjoe-reel, a. schriffnuritik, btjbel-. —e; s. achriftuur; de Heilige Schrift. Cr utiform (skoelti-form), a. achnidvormig. Scuttle (eltut'll), a. mend; koleubah; luik; —ist, a. achriftgeleerde• treehter; dribbelgang. —, v. a. let maken, doer Scrtvosaer (skriv'n-ur., a, notaris; geldmakelaar. Milken; v. n. snel loopen; dribbelen, Scroful r (skrorjoe•le), a. koningezeer, trop- Scythe (eajtb), a. anis. v. a. nnaaien. geewel. —one, a. nlierachtig. Sea (ale'), a. see; golf. bear; roenigte. at —, ter Scroll (eltrooll), a. rot, lijet; patroon. see. by —, over see. half —4 over, half besohonSorotocele.(skroeo-siel), s. 7.slcbreuk.
WI,O—B OM. Illoasom (blos'sum), 8. bloecem. —, v. n. blocsemen. —y, a. vol bloesem. Blot (blot), s. klad, vlek; nitwissehing. —. v. a. bekladden; doorhalen; (out) uitwisschen. —tingpaper, vloetpapier. Blotch (blood), a. blear. point. —, v. a. met puisten of vlekken hedekken. Mote (bloot). v. a. in den rook drogen. Blouse (bloez), s. kiel. Wow (blo), a. Wag. klap; ramp—pipe, blaaspijp. Blow (blo) [blew (bloe), blown (bloon)], v, a. blazen, aanblazen, doen zwellen; uitbazuinen; smelten; § bespotten, hoorten, (up) in de Incht doen springen; opgeblazen maken. (upon) in verediting brengert. — one's nose, zijn' news snuiten. —, v. n. warden; ademen; bloeien, (over) overwaaien. (up) in de lucht springen, driftig warden. Blown a (bloom), a. boersch ultziend melsje. • —y, a, roodwangig; door de non verbrand. Blubber (blub'bur), a. walvischmpek; zeenetel. —, v. n. achreien, dot de wangen zwellen. Bludgeon (blud'Ijun), a. knuppel. Blue (bloe), s. blauw. bittl:W; beschonken. to look —, verlegen zien. to letter one in black and —, iemand bout en blauw slaan. to look — upon one, iemand ached' aanzien. —bottle, korenbloem; bromvlieg. 4 —skins, (de) Blauwen (scheldnaam voor de Presbyterianen). —stocking, geleerde vrouw. —near, s. blauwheid. Blue (bloc), v. a, blauw verven. Sluff (blot), a, stuurach, norach; breed; wijd; § steil. § —. v. a. afgrauwen. —, a. stelle oeverkant. —ness, a. barschbeid, norachheid. Bluish (bloe'isj), a. blauwachtig, Blunder (bill1I'd1111, 8. missing, dater. —buss, donderbus. —head, domkop, v. a. verwarrea; lout) ultflappen; v. n. bokken molten. —er, s, lomperd. Blunt (blunt), a. —ly, ad, bot; lomp, ongemanierd. —ness, a. botheld; stompheid. —, v. a. bat maken; verstompen; verzwakken. Blur (blur), s. kind, sick. —, 7. a. bekladden. Blurt (blurt), v. a. onbezonnen apreken; (out) uitflnppen. Blush (blubj), a. blos, aehaamrood; onverwacht gezicht. —, v. n. blozen. —ful, a. —fully, ad. blozend. —less, a. onbeschaamd. Bluster (blus'tur). a. getter; geenoef. —, v. n. tieren; anoeven, —er, s. bulderaar. anoever. § --ation, (-ee'sjun ► , s. snoevertj. —ous, a, razend. tierend; blufterig. Boa (bo'e(, s. groote slang; boa. Boar (boor), a. ever. —ish, a. onbeschoft, beestachtig. —pig, wild —, everzvvijn, wild zwijn.
REC.—REO. 247 derbekeering. voor; rekenschap geven van. (of. on. upon) re• (-vee'), v. a. terugbrengen; kenen op. weder shim, —er, s. rckenaar. —tag, r. rekeni•g, berekening; Record (rek'urd1,e. gedenkeehrift; aanteekening; ginning; dead —, gegiate koera; —book, boek van protocol, oorkonde; register, arch's!. upon in ontvangst en uitgattf. de geschiedenis vermeld; geregietreerd, court of griffle. Reclaim (re-kleenV), v. a. terugvorderen; opeischen; terugroepen; terugbrengen; verbeteren; Record (re-kord'), v. a. op-, aanteekenen; verrneden; regiatreeren; in bet geheugen roepen; vieren. to maken; v, n. (against( opkomen tegen. —able, —er,e.gesehiedechriper; *Tolliver's; griffier; onta. varbeterlijk; terugvorderbaar. —ant, e. tegenverger der regietratte; rechter; hoogfluitje. epreker. —lees, a. onverbeterlijk. Reclamation (rek-le-mee'sjun), a. terugroeping; Reccuelt iri-kauten, v. n. wader ggaan liggen. Recount (re-kaaunt'), v. a. nauwlteurig verhalen, verbeteeing; terugvordering. opsommen. Reelin ation (rek.li-nee'sjan), a. (het) leunen; afw'jkivg. —e T. a. & n. (doen) !ennui, alecourse (re-koorel, e. toevlucht; toegang. to rusten. have — to, de toevlucht nemen tot. Recover (re-kuv'ur), v. a. terugbekomen; herRectos. (ri-kloos"), v. a. weder sluiten. etellen (from. of); bevrip en; innen; v. n. hersteiRectos a (re-kleee'), a. opgealoten, eenzaam; a. kluieenaar. —elms, --ion (-kloe'zjun), a. eenlen. —able, a. herkitgbaar; herstelbaar. —y, a. terugbekoming; berets'. zaamheid, arzondering. —ire (-kloe'aiv), a. tenneon, afeezonderd. Rccrea nt (rek'ri-ent), a. lafbartig; efvallig; a. Recognition ;rek-ug-niej'unbe. herkerning; er- lafaard; afvallige. —te (-eet), v. a. verkwikken; kenning. vette aken, verluatigen; v. n. etch ontspannen. --tion (•ee'sjun), a. verlustiging, uitepanning. Recograle able (re- kcrni-zibl), a. herkenbaar. —ance, a. herkenning; erkenning; kenteeken; on—Jive (-ee-tiv), a. verkwikkend; vermekelijk. —trderpand; sehuldbekentents. —e (rek'ug-najs), v. a. eeness (-ee-tiv), a. verkwikkelijkheid; vetrnakeherkennen; erkennen; op nteuw nazien. —ee l'jhhetd. (-ate'), a. houder eener obligatte. — or (-zor'), a. Recregnent (rek're-ment), a. afoot, vull rite; schuim. —al (-meneel), —Wow, (-tierusl, a. ongever eener obligatie. zulver, vutl. Recoil rre-kojl'), a. terugaprong. —, v. n. terugspringen; terugdelnzen (from), ineen krimpeu. Recrimina to (re.krim'i-neet), v. a. & n. weder—er, a. woordbroker. keertg bescLuldigen. —tion (- nee'sjun), a. tegenbeschuldiging. —tor, a. tegenbesehuldiger. —tory Rocoin (rl-koin'), v. a. herninnten. —age, a. hermunt ing. (-ne-tur-rib), a. cone tegenbeschuldiging inhoudend. Recollect (rek-ol-lekt'), v. a. weder verzamelen; itch herInneren. — one's self, zich heratellen; Recruit (re- kroet), a. versterking; recruut. —, v. a. veraterken, verkir ikken; aanvullen, voltallig zich bezinnen. —ion (-lek'sjun), a. herinnering; beginning. maken; v. n. herstellen; werven. —er, s. wereer. —tag, a. werving; —money, handgeld; —officer, Recent bine (rt- kum-bajn'), v. a. weder 'amenwerf-officler. voegen. —nrence (-mews'), v. a. weder treginnen. Recommend (rek-um-mend' ► , v. a. aanbevelen, Rectang le (rek'teng-gl, a. rechthoek. — ular, a. aanpr)jzen. —able, a. aanprijzenewaardig.—ation —ularly, ad. (-teng'ajoe-ler-), reehthoekig. (-dee'sjun), a. aan bev eiing. — atory (.ae.tur-rih), Recall liable (rek'ti- faj-ibl), a. verbeterlijk. —ficalion (-tif-i-kee'sjun), a. verbetering; overhating. a. aanbevelend. —er, a. aanbeveler. —fier (-faj- ur), a. verbeteraar; overhaler. —f, Recommit (ri-kum-mit'), v. a. op nieuw begaan. (-re)), v. a. verbeteren, heratell•n; overhalen. Reeompense (rek'um- pens), a. belooning, ver—linear (-lin't-er), a. rechtlijcig. —hide (-tjoed), vergelden; gelding; vergoedhag. —, v. a. beloonen, a. rechtheid; rechtschepenheld, juist oordeel. vergoeden. Recompos a (ri-ktun-peon'), v. a. wader eamen- Rector (rek'tur), a. predikant eener parochte; be',Murder, Teeter. —ial (-to'ri-e1), a. van een' recstation; — gernetarellen. — ition (-po-zierun), a. tor. a. rectorachap. —y, a. predikani 3nieuwe samenstelling; herstelling. pleats; pastortl; rectorewening. Reconcil e (rek'un-gajl), v. a. verzoeuen (to); overeen brengen, beetaanbaar makers (with). —able Recurnben ce (re-itum'bene), —cy, a. nederligging; met. —t, a. liggend, leunend; rwstend. (-aajl'ibl). a. verzoenlijk; vereenigbaar, bestaanbear. —ableneaa (-1 ajl'ibt.), a. verzoenitikheid; be- Recupera to (re-kjoe'pur-eet), v. a. terugbekomen. —tion (--ee'ejun), a. terugbekoming. —time staanbaarheid. —count, a. verzoeniwg. —ar c .. versoeivr. —iation (-sit-i-esiejun), a. verzoening; (-e-ttv), —tory_ (-e-tur-rah), a. ter terugbeitoming dtenatig. boeting; overeenbrenging. —iatory (-sil'i-e-turRecur (re-kur'),v. n. terugkomen; (to) de toevlucht rth), a. verzoenend, bevredigend. nemen tot. —rence, —rency, a. terugkeer. —rent, Recondite (reklun-dajt), a. verborgen, geheim. a. terugkeerend; de toevlucht nemend. —aion Reconduct (ri-kuu-dukt'), v. a. teragleiden. (-sjun), a. terugkeer. Reconnoitre (rek-un-nortur), v. a. verkennen. Reconquer (ri-kong'kur), v. a. weder tern- Recury ate (re-kurv'eet), —e, v. a. achterover raven. buigen. —ation (ri-kur-vee'ejun), —ity, a. terugbulging. —sue, a,. achterover gebegen. Recon eider (ri-kun-sid'ur, v. a. op nieuw o‘erwegen. —rene (-mien'), v. a. & n. weder bijeen Recrgsan cy- (re-kjoe'gen-gih), a. afwijking. —t (ook ; rek'joe-zent), a. afwijkend; a. afgesehetdene. brengen, — komen. —version (-vur'sjun), 1. we-

v. n. pralen; voorspoed hebben, bloeien; bloem(flit'), v. n. wegvliegen; verhuizen; fladderen. rijk spreken; zwaaien; krullen trekken; phanta—tiness, s. onbestendigheid. seeren, preludeeren; de .trornpet eteken. —er. Flitch (flitsj), s. zijde (spek). iemand, die voorspoed geniet. —ing, a. —ingly, 11, 114teranouse (flit'tur-maug), a. vleerniuis. ad. bloelend; praleud, weidacb. 11, 1111x (flubs), s. dons; bout; vlashaar. Float (flout"), s. dr)(cend voorwerp; vIrt; dobber; Flout (flout), a. beschimping, smaad. —, v. a. golf. —board, sehoffel (tan eon molenrad). —boat, besehimpen, Broaden; v. n. sehimpen, spotter. vlotschuit. —ground,elecItte ankergrond. —stone, —er. a. becpotter. —tingly, ad. hoonend. drijfatecn. —, v. a. under water zetten; v)ot ma- Flow (flu), s. vloed; stroom; overvloeiing; woorken; v. It. drij yen, dobberen. —age, s. schuim; wat denvloed. — v. a. overetroomen; v. n. vlieteu, op 't water drijft. —ages, a. zeedrift, wrakgoe- vloeien, stroomen; waesen; overvloedig (vol) zen; voortapruiten; loshangen, zwevey. dere.. —cr, a. vlottes•; zciler; dobberaar. —y, a. Flower (flauw'ur).e.bluem;bloesem;bloel;signet. dril vend slot. —de-luce (de-ljoes'), a. zwaardlelie —fence, pauFloating (flootleng), a. drijvend.—bridge. sehipbrug. —capital, vlottend (rouleerend) kapitaal. westaart. —gentle, duizendechoon. —inwoven a. (het) drijven; (•in-woov'n), gebloemd. —piece, bloemetuk. bereensehimrnen. —show, bloemententoonstelling. —stalk, bloemon derwaternetting. stengel. Fioccose (flok-koos'), a. wollig. —culent (flok' Flower (flauw'ur), v. a. met bloemen versieren; kjoe-lent), a. vlokkig; v. is, bloeien; mehuimen. —age, a. gebloemte. —et Flock (flea), a. troop, zwertn; kudde (klein veer; wolvlok; lok. v. n. toestroomen; —together, (-it), a. bloempje. —iness, s. bloeurtrijkheid. a, condor bloemen. —y, a. bloemrilk, gebioemd. sameneeholen. (floneng), a. —1y, ad. vloeiend, overFlowing Floe (floe), a. ijsgang, drijfije. vloedig. Flog( flog'), v. a. afrossen,geeselen. —ging, (gieng), Flowk (flock')) s. bot. —wort, navelkruld. 5. pak sla,ren. Flood (find'), s. vlocd, overatrooming, zondvloed. Fluctu ant (flukt'joe-ent), a. weifelend, dobbe—anchor, vloedanker. —gate, Hluis,verlsat.—mark., rend. —ate (-eel), v. n. golven; weifelen; dobbe. vloedteeken. —tide, wassend tij. —, v. a. over- ran. —ation (-ee'sjun), s. golving; dobbering; onzekerheid. stroomen. s. pijp, sehoorsteenpijp; dons, plots. Flue Flook (floekl, s. ankerklauw; but (nisch). Floor (floor'), a. vloer. verdieping, —cloth, vloer- Fluelin (floe-el'lln), 0. eereprijs (plant). bleed. —head, kim. —rider, vrang van een batten. Pilsen cy (lloe'en sib.), a. vloeiendbeid, welbespraakt'heid. —t, a. —tly, ad. vloeland. —t, s. vrang van een spent. ground—, spoor. —timber, gelijkvloers verdieping. thrashing —, dorsehvloer. vlietend water. —, v. a. bevloeren; op den grond werpen. —ing, Fluid (floe'ld), a. vloeibaar. a. vloeistof. —ity (-Id'it-tib), —ness, a. vioeibaarheid. a. bevloering. Fluke (flock). a. nnkertand; bot. Flop (flop), v. n. klapwieken. Flummery (flum•marih),a.meelbrt); laffe vlelerij. Floral (flo'rel), a. bloemen betreffend. Floren cc (flor'ens), —tine, (•tajn) s. florentijn- Flunkey (flun'kih). s. liverei bediende. Fluor (floe'or), a. vloeiende toestand; vioeispaat h. ache zijde (tat); florentijnsehe wtjn. Flurry (fluerib). a. windvlaag; verwarriug. —, Florescence (flo.rea'sens), a. bloei; bloeitijd. v. a. verontrusten. Floret (flo'rit). a bloempje. Florid (florld), a. —1y, ad. blozend; bloemrijk, Floats (flue)), a. frisch, bloeiend, krachtvol. versierd. —ity (flo-rld'it-tih), —ness, a. blozende overvloedig (in); mild (with); gelljk. —, R. toevloed; vervoering; blos; triller; euite (in 't kleur; bloemrijkheid. kaartspel). v. a. doer blazon, Doted' maFloriferous Illo-rirur-ruel. a. bloemdragend. kes,' (with). —, v. n. gutsen; komen aanstui• Florin (florn's), a. gulden, florijn. yen; blow; schitteren; een' trifler makers. —, Florist (flo'rist), a. bloemkweeker. ad. arms. Floscul e (floe'kjoel), a. bloempje. —ous, a• nit Fluster (flus'tur), a. opwe}ling; opgewonden. bloempjes bestaand. held. —. v. a. iverhItten; verwarren, oc erhaats. Floss (floss'), a. dons (op plauten). —silk, floretten; v. n. opgewonden zijn. (aloe-) Ode. Flut e (Soot'), s. Suit; groef, gleuf. —e, v. a. Flotagc (flolidzj), a. Zie Floatage. groeven; v. n. op de flail epelen. —er, —ist, s. Flote (Soot), v. a. afechuimen. fluitspeler. Flots um (flot'sem), —on (-sun), a. strandFlutter (flut'ter), a. trilling; (enelle en onregelvond. riatige) beweging; verwarring; verbtjstering. Flounce (flaauns), a. volant, strook. —.v. a. met —. v. a. opjagen; verwarren; verontrusten; v. n. strooken versieren; v. n. plonzen, plompen; sparfladderen, zweven, gejaagd zijn. —ing, a. Lie telen, woolen; opvliegen (in drift). Flutter. Flounder (flaaun'dur), a. bit. —man, botboer. Fluvia I ifioe'vi.e1), —tic (-et'ik), —ti/ (-e't11), —, v. n. spartelen. a. riviereu betreffend. Flour (flaur), s. meal, bloom —, v. a. tot meal Flux (fluke';, a. veranderlijk. a. vloeling; maken; met meet bestroolen. stroom; samenloop; uitwerpsel, buikloop; vloeiFlourish (flueisj ), v. n. pralerij; voorspoed, bloei; bearheid; smelting; ameltmiddel. bloody —, Tootle opelering; zwaat, krill; krulletter; voorspel; tromloop. --, v. a. tonelten; door bet tipeek , el ter• petgesehal. —, v. a. versieren; opsieren; ZWAftien; Flit
LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-
don’t use coinbase. They held my funds and I couldn’t use my bitcoins until their value dropped by 1/4. this company is awful. I verified my ID, bank account, email, and everything and they lied and said initially it takes 3-4 days for funds to be available. once the bought the bitcoin they said it will take one week. and that is still a lie because after one week the funds are NOT available. liars !!!!
orint (off► , to imprint; to finish printing; to die- I Afgifte, v. handing over, delivery. e.hsrge, to let off. —eel, o. impress, print, im• AfolUden, on. w. to elide (to glide) down, —off, A follppein, on. w. to slip (to slide) down. pression,imeze. Afdrneinolen, on. w. to drop (to drip, to trickle) Afgod, tn. idol. —endienaar, m. idolater. —endlenaree, idolatress. —endienet, idolatry. —abseld, down. idol. —*printer, pagan priest. —ery, v. idolatry. trinaven, °v. w. to push oft Aid yeol en, on. w. to go astray, to stray, to —leek, by. idolatrous. wander, to err; to deviate (from). —illy, v. wan- Af000ten,ov. w. ens. Zie Afwerpen,enz. Afoorden, or. w. to ungird. Foraying; error, deviation. linintr, rs‘fgrauxo en, or. w. to snarl (to growl) at. Aft , wellen, ov. w. to mo;, . Afewlno en, or. w. to extort—, to wrest (from). Algreven, ov. w. to dig off, to separate (by digging). —er, Fn. exiorter. —ing, v. extortion. Afeisch en, or w. to require, to claim, to exact, Atoronen, ov. w. to graze, to browse, A floreppeten, ov. w. to separate by trenches. reowisition, claim. (rrom). Afgrfjpen, ov. w. to snatch from. Afeten, ov. w. to eat (to nibble) off, to hrowae. AWL' sefljk, bv. & hay. horrible (-bly), horrid Anent*, v. eorrioze. von tie — nemen, to dimount. ( - ly), — selijkkeid, v. horribleness, horridness. Afecove, v. Zie Aroeete,o. Alga on, os. n. to welk off, to measure (by steps); —zen, o. horror, abhorrence; een hebbenvancto on. w. to on , lown, to deoeend; to decoy, to abate, abhor. to dim nisi,. to vanish; to go to stool, — to the Afgrond,m. abyss, precipice, gni f. privy; to po off; to start; to reit; to wear oit Afounst, v. envy, grudge, jealousy. --io, be. & jealous (.1y),—igheid,v, envy, bw. envious (• to tad, to blot; (vat,) to leave; to give up, to jealousy. resign, to deport (to deelvte) from; to chenge; to he token off. (op) to to up to, to rush in upon; to Afbnken. ov. w. to unhook, to unclasp. Afhakken, ov. w. to chop off, t, cut away. het gnat o, to confide in; to one tor. trust to, tent goe of, he 11,11 a ger tett. wry of doinw it. —, 0. Afbollen, ov. w. to fetch down; to fetch, to call for; to strip (to pull) off, to Say; to strip )peahen; going Flo wn,riescendine: decay, decrease, decline; woo.; depa:ture, deviation; going oulnevacuation, eec bed); to pick (boonen); to *trip of. laten to nendfor sitool, declivity. A foonnell. by. on the decline, waning; intermit- Afbandel en, or, & on. w. to conclude, to tertent (van boort.); s lucking (van het tij). mieate; to ;settle, to arrange; to treat of. —lug, Algona, rn. excrements, faeces; sale; ole terrier v. termination; treatise. Albondig, by. iemaad jets — makes, to deprive Afgeton, o. (to rid, to ease) any one of. Airoo5eeenken.hv. disjointed, broken; abrupt. Alban genus, m. & v. dependent, retainer. Afnecionio, dw. finishee, dove for. —gets, or. w. to take down; on. w. to hang Algeiclonbt.bv. oroken; tie Afdanken. down; (van) to depend upon. — gent. be . doping, Afgedavoold, be. stray, gone astray. shelving. —ger. tn. dependent. —kelOk. by. deAfonieefd. hv. decrepit. —heid, v. decrepitude. AfteNerton, by. distant, remote, —heitl,v.distance, pendent. —Itelijklzeid, v. dependence. on. w , to lose the hair. , Afhesreo s. eemotene Afgeloliii, be. Zie Atleiden. —woord. derivative. Arhaspelen, °v. w. to reel (to wind) off. Afgetont, by. wearied out, spent. —heid, v. weed- Albebben, or. w. to have done,— finiohed. A fbeffets, ov. w. to take (to heave) off; to cut. nesn. Afbein en, ov. w. to fence (in), to hedge (about). Aroopnet,bv. squared, adjustod; counted (out). --ing, v. fencing in, enclosure. Afgene hottlene, in. et v. dissenter. Afbe II en. on w. to elope, to incline. —ins, v. Afireeleten, bv. worn oft, -- opt, gone. sloping; slope, declivity. Afnoolloofd, by. Zie Afgenunt. Arceeptorven, he. deceased; dead (irsensible) to. Afbelpen, ov. w. to help down; to deliver —, to relieve (front), to rid —, to cure (of). —e, m. we deceased, dead. Afgetrokken, hr. abstract, distracted. —heid, v. Afhinizen, ov. w. to measure by hopping; on. w. abstrActedne?s,abse , re of mind. to comedown (to descend) hopping. Afhljschen, ov. w. to let down by means of a Afteryttordlooeen, m. deputy, delegate, envoy. pulley. Aloes, al terve m. & v. apostate, renegade. Algol, en, ov. w, to deliver, to hand, to give up; Afbouren, ov. w. to hear, to listen to; to — met, t. w. In have arnine,to overhear, toquestion, to confront. (een wine; etch draw to blot, Afhoud en, c.v. w, to keep off,— back, — from; intercourse with; to meddle with; on. w. to to fend off, to detain, to debar, to withhold; to to stRin, trl one that delivers; drawer. —ing, deduct; on. w. to sheer off, to keep aloof, to keep v. giving (hAtvi(ng) over, delivery. off (the shore). —er, na. detainer; guy. —inp, v. Afoonnnied., by. triteotale, hackneyed, common- keeping off, hinderance; deduction. place. Afhonw en. ov. w. to cut (to chop, to hew) off; Atoennett, to. rnmenger, en,y; tie tlenant. ternand het honfil — , to behead a. o. —er, Afe;oz000derd, bv.retired, solitary; seeretitIons. hewer off. —ing, v. hewing off. Afnioren, on. w. to be cant off, to sheer off. Afgket en, or. w. to pour off, to decant, to cast, Afbniebelen, ov. vr.toobtainbyhypocriry from. o found. —er, m. moulder, caster. ---ing, v. /Winer en. ov. w.to hire (from), --ing, v. Afbnur der, tn. —atm v. hirer. eosting...eel, o coot, copy.
PAS.— PAY . gesteente. —board, a. bordpapier; a. van bard- Patten ce (pee'sjens), a. geduld, volharding. papier.. —pot, etijfselpot. —t, s. lijder, patient. —t, a. —tly, ad. geduidig, v, a. plakken; (up) opplakken. volhardend, gelaten (of). Pastel (pes'til), a. weede; zie Pastil. Patin (pet'in), a. deksel op den mitkelk; echoPastern (pee'turn), a. hiel, koot (van een paard); teltje, blaadje. voetzool. —joint, voetgewricht. Pat ly (pet'lth), ad. jaist, net van pas. —nest, Pastil (pes'til), s. reukballetje; pastel. —painting, s. reschiktheid, passendheid. het pastel-schilderen. Patriarch (pee'tri- aark), s. aartsvader, patriarch. Pastime (paas'tajm), s. tljdverdrijf. —al (-aar'kel), a. eartavaderlijk. —ate(-et), Pastor (paan'tur), a. herder; geestelijke. —al, —y, a. patriarehaat, aartsvaderschap. a, herderlijk; landelijk. —al, s. herderszang, Patrician (pe-trisren), a. patriciach. s. pa-dicht. —ate (-et), s. herderlijk ambt. tricier. —/y, a. herderlijk. —ship, s. berderseb.ap; Patri tide (perri-sajd), s. vadermoord; vaderzorgersehap. moorder. —menial, a. —menially, ad. (-mo'ni-el-), Pastry (pees'trih), a. pastel, taart; pasteibak- geerfd; get, —mony(-mun-nih),s. vaderlijkerfdeel. kerij. —cook, pasteibakker. —work, pasteien. Patriot (pee'tri-ut), s. vaderlander, patriot. —, Pastor able (paast'joe-ribl), a. geschikt ter be- is (-ot'ik), a. saderlandslievend. —ism, s. vaderwelding. —age, a. weide; hoeding. —e, a. weide; landsliefde. voer. —ground, —land, wetland. —e, v. R. & a. Patristic (pe-tris'tik), —al, a. van de aerate kerkweiden. vadera. Pasty (pees'tih), a. deeg , , papachtig. — (oak Patrol (pe trool'), a. patrouille, rondo. —, v. a. pes'tih), s. pastel. doorkruisen; v. n. de ronde doen. Pat (per), a. & ad. geschikt, juist, precies. —, Patron (pee'trun). s. patroon, beschermer, bea. klapje, tilt: klompje. —, v. a. zacht glean, gunsttger; beschermhellige, sehutspatroon; kepitikken, kloppen. tein, gezagvoerder. —as, a. patrones, beschermPatotche (pe-taasj"), s. wachtschip, uitlegger. ster; besehermheilige. —less, a. zonder bescherPatch (petsr), a. lap , stuk, reepje; strook lauds; mer of patroon. reoesje; hens -worst; sehobbejak. —work, lap-, Patron age (pet'run-idaj), s. beschermer, beknoeiwerk. —, v. a. lappen, verstellen; semengunstiger; beschermheerschap; believing van een flansen; met moesjes beleggen; (up) oplappen; kerkelbk ambt. —al, a. besehermend. —ire(-ajz), eamenlappen; oppervlakkig genezen. —er, a. v. a. besehermen, begunstigen. —izer (-ajz-ur), lapp3r; knoeier. —cry, a. lap-, knoeiwerk. a. beschermer, begunstiger. —ymic (-nim'ik), s. Pate (peet), a. hoofd, kop, bol. geslachtsnaam. Patefaction (pet- e- fek'sjun), s.openbaarmaking. Patten (pet'tin), s. voetstuk; klomp, overachoen. Patel' a (pe-tel'le), s. kniesehljf; eenschalige Patter (pet'tur), v, a. (out) uitkrabbelen; v. n. achelp. —iform, a. schotelvormig. trappelen; kletteren. —er, a. marktschreeuvfer. Paten (pet'ln), s. Zie Patin. Pattern (pet'turn), s. patroon, model. monster, Patent (perent), a. open, openlijk, openbaar; steal. —book, staalboek. —card, staalkaart. —, eeoctroieerd. letters —, opene brleven. —, a. v. a. tot model dienen voor; namaken. open brief, octrooi, brevet. to take out a —, een Patty (pet'tih), a. pasteitje. —pan, pasteipan. oetrooi nemen. brevet. —rolls, register Patulous (pet'joe-lus), a. wijd, uitgespreid. der octrooien. — ee a. geoctrooieerde. ge • Panel loquent (pao-silo-kwent+, a. onspreakpatenteerde. zaam. —loguy (-kwih), a. onspraakzaganheid. —ty Patern al (pe-tur'ne11, a. vaderlijk. —ity ( nit(pao'sit-tih), a. klein getal, kleine hue'eelhetd. tih), a. vadersehap. Paunch (paantsj'), a. bulk, pens; zwichting, leiPaternoster (pee'tur-no,t'ter), a. paternoster, eels. —bellied (-bet-lid), a. dikbuikig. —, v. a. (het) Vadee Ons. ontweien. Path (paath'), s. pad, weg, Juan. —way, voetpad. Pauper (pao'pur), a. aime; bedeelde. —ism, a —, v. a. den weg banen; doen voortgaan; v. n. armoede. —ire (-ajz), v. a. & n. verarmen. gaan. —less, a. ongebaand. Pans e (paw), s. pauze, rust, verpoozing; gePathetic (pe thct'ik), —al, a. —ally, ad. Meldaehtestreep; rustteeken; tweestrijd, weifeling. roerend, aandoenlijk. —airless, a. zielreerend—, v. n. verpoozen, rusten, stilhouden (at); naheld, aandoenitjkl ► eld. denken (on. upon). —er, a. die ophoudt; nadenPathognom onic (pe-thog-no-mon'ik), a. de ker; weifelsar. —ingly, ad. met tussehenwezenlijke teekenen eener ziekte aanduidend. poozen. —anise, pl. leer der ziektekenteekenen. —y Pave (peev'), v. a. plaveien; bevloeren; banen. -thog'no-mih), a. kertnis van de teekenen der —ment, a. plavelsel; vloer; etraatweg; trottoir; hartatochten. —beater, etraatslijper. —r, a. ',leveler, straatPatholog 'cal (peth-o-lod'zjikl), a. van de maker. ziektenleer. —iat (pe-thol'ud-ziist), a. ziektenleer- Pavier (peev'jur), a. Zie Paver. kundige. —y (pe-thol'ud-zjil), a. ziektenleer, Pavilion (pe-villun), s. paviljoen; tent; vlag. ziektenkunde. , v. a. met eene tent beaehutten; van tenten Pathos (pee'thes), a. hartstoehtelijkheid, nadruk, voorzlen. gevoel. Paving (pee'vieng), a. beatrating. —beetle, streetPatibulary (pe-tib'joe-le-rib), a. van 0,e galg; stamper, duffer. —brick, vloertegel. —mar5le, galge-. marmeren vloers teen. —stone, vloersteen.

Hoeveel was Bitcoin 2009


LIP.—LOM. Lip. v. lip; tenon. de — laten *angel', to pout, to look gruff, — sulky. —klieren, labial glands —kuilfje, dimple in the lip. —letter. labial (letter), —ouch, —vorstig, 'ablated. —penpo-nrade, —petite', lip-salve. 11.2s, v. loop. —koord, covd, twist, loop-lace. Lisob. o. flag, flower-de-luce. —bloom, flowerde-lute. —dodde, —*nap, bulbous root of the flag. —world, iris-root. Llepelen, on. & oa. w. to lisp. Lisp on, or. & on. w. to lisp. —tong, m. & v. —er, m. ]leper. —tag, v. lisping. —.tier, v. lisper. Liman, ov. w. to provide with loops. List, v. artifice, trick, device, craft, cunning; be. dt hw. cunning (•y), sly atratagem. (-ly), artful (-ly), crafty (-11y). —igheid, y. conWing, slyness, artfulness, craftiness. Litteeken, o. soar, cicatrice. Mere', a. livery. —bediende,—knetht,livelyman, lackey. —rok, livery-coat. Lob, v. ruff; cuff; lobe. —nor, shagged dog, ehag. —oorig, shagged, with' shaggy ears, hermit., inoffensive. —oorigheid, shaggedness; inoffenslyenese. "Jobber on, on. w. to wade, to splash. —ig, be. gelatinous. —igheid, v. gelatinous quality, being gelatinous. 1Lobbe.a, in. booby, silly fellow, harmless creature. good-natured fellow. bv. lobate, lobed. Loroanotief, v. locomotive. Lodder, on. lecher, rake. —en. on. w. to ogle, to ernicker to cast a sheep 'a eye —gesicht wanton look. ' —cog, m. & v. one that looks amorously, ogler; o. languishing eye. —oven, to look amorously, to ogle. —aoet, amorous, languishing. —ig, bv. & bw. amorous (-1y), wanton (-1y); drowsy. —igheid, y. amorousness, wanton. neve; drowsinese. Loot', v. loof, lufp, weether•gage. de — afwInnen lafka(ipen), to gain the loft. howlen, to keep the luff. temand de — afeteken, to ottdo (to surpass, to get the of art of) a. o. —balk, outrigger- —braesen, weather-braces. —gierig, griping, leeward. —balk, weather-clew, -tack. —howler, good wind-niter; gripe. —spent, loof-timbers, loof-frame. —otjde, weather ride. —waarte, bw. luffward; — aanhraseen, to brace so as to becalm the sails. Loelson, on. w. to low, to bellow, to roar. Looneeb, by. & bw. squinting (-1y), squint eyed. — kOken, —sin, to squint (at) . —held, v. squinteyedness. Coer, m. clown, doodle, dunce. —, v. spying, watching. op de — liggen, to lie upon the lurch, to be on the catch. de mand eene draftiest, to gull a. o. —en, ov. w. to cheat, to gull; on. w. to leer, to lurk; to be upon the watch; (op) to spy, to watch. —gut, peep-hole. —huiso, sentrybox. —inoorder, assassin. —oopen, to leer, to peep. —pi.uste, lurking-place. —vogel, falcon, hawk; lurking fellow. Loeres, m. doodle. Loevots, on. w. to loaf, to luff, to ply to windward, to go to the weather-aide. Loover, Loovert (to), bw. Lie Loofwaarti,
ledigmaking. —live, a. aanvullend. —tory, vr. ver- Compound (hula paaund"). v. a. samenistellen; vullend. verbinden; verniengen; vereirenen. —, v. n. tot Completory (kom'pli-tur-rihVs. laatste gebed eene schikking komen, het eens worden (with), — for a fault, een' missing weder good makes. (eener kerkdienst); avonddienst. —er, a. vermenger; bentiddelaar. Complex (kom'pleks), a. —1y, ad. samengesteld, ingewikkeld. —ness, 8. samengesteldheid, inge- Comprehen d (kom-pri-hend'), v. a. begrijpen; wikkeldheid. s. samengesteldheid, verzarne- insluiten. omvatten. —sible (-hen'aibl), a. —sibly, ad. begrOpelijk, bevattelijk. —sibleness, a. bevat—ed (kum-plekst'), a. samengesteld, Inge- telijkheid, begrijpelijkbeid. wikkeld. (-ajun), a. omCOMplex edness (kum-pleks'id , ness), a. samen- yang; begrip, bevatting; bevattings vermogen; hoofdinhoud. —sive, a. —sively, ad. veelomvatgesteldheid, ingewikkeldheid. —ion (-jun), s. ge- tend. —siveness, a. veelornvattendheid, vlugheid laatskleur; lichaamsgestel; gemoedsgesteldheid. van begrip. --Tonal, —tonary, A. lichaamsgestel (gelantskieur) betreftend. —ity, s. samengesteldheid. —ure Compress (kom'press), s. kompres. Compress (kum-press'), v. a. samendrukken, (-joer), s. samengesteldbeid. samenpersen. —ibility (-i-bil'it.tih), —idleness, Compli able (kum-plaribl), a. buigzaam. toe- 8. samendrukbaarheid. —ible, a. mamendruk. gevend. —ante, a. invvilliging; inschikkelijkheid. baar. —ire, a. samendrukkend. —ion (-sjun), —ant, a. inschikkelijk, toegevend. Coniplica cy (kom'pli-ke-sih), a. ingewikkeld- —are (-sjoer), s. samendrukking. held. —te, a- —tely, ad. samengesteld; ingewik- Compels al (kum-prarzel), a. inhoud, bevatting. —e (-prajz"), v. a. bevatten. keld. —te, v. a. ingewikkeld maken, verwarren. —teness, a. ingewikkeldheid; verwarring. —Non Comproba te (kom'pro-beet), v. n. overeenatemmen. —tins (-bee'njun), s. bewijs. (-kee'sjun), s. samengesteldheid, ingewikkeld- Compromise (kom'pro-maj.), a. overeenkomt, held; sameuweefsel. minnelijke schikking. v. a. aan eene bealisComplicity (kum-plis'it-tih), 8. medeplichtig- heid. sing van scheidsrechters onderwerpen; in der Complier (kum-plaj'ur), s. inschikkelijk menscb; minne schikken, aan onaangenaamiteden blootoogendienaar, jabroer. stellen; v. n. overeenstemmen. —r, s. vereffeCompliment (kom'pli.ment), a. pllchtpleging; near. lot; groet, —, v. a. & n. gelukweuschen; vleien; Compromit (kom'pro-mit), v. a. beloven, waarbegroeten. —al (-pli-ment'el), —ary (ment'e-rih), borgen; in gevaar brongen. a. vol plichtplegingen. —er (oak: -ment'ur), s. Comprovincial (kom-pro-vin'sjel), a. van dezelfde provincie. maker van plichtplegingen. Compuls alive (kurn-pul'se tin), —Nary, —ire, Irompline (kom'plin), a. slotgehed. Cosuplot (kom'plot), a. samenspanning. —ory, a. dwingend, noodzakend. —ion (.sjun), Complot (kum-ploe),v.n.samenspannen. —meet, a. dwang. —ively, —orily (-ur-it-lih), ad, met dwang. —iveness, 8. dwang. a. samenspanning. —ter, s. samenspanuer. Comply (kum-plar), v. n. voldocn aan, berus- Compune lion (kum-punk'sjun), s. prikking; wroeging, berouw. —hints (-sjus), a. berouwhebten in (with). Component (kum-po'nent), a. samenstellend. bend. —live, A. wroeging veroorzakend. Compurga tion (kom-pur gee'sjun), S. beeedis. bestanddeel. Comport (kum-poort'), v. a. verdragen, dulden; ging van eon, anders geloofwaardigneid. —toe (kom'pur-gee-tur), getuige; bekrachtiger. v. n. voegen, passen; beataanbaar mot, (with). — one 's self, zich gedragen. —able, a. bestaan- C011Iptit. amble (kum-pjoe'tibl), a. berekenbsar. —ation (irom- pjoe-tee'sjun), s. berekening. —e, baar, voegzaam. Compos e (kum-pooe), v. a. samenstellen (of); v. a. berekenen. —er, —ist (kom'pjae-tist), 8. berekenaar. vervaardigen; doen bedaren; bijleggcn; letterzet- ten; componeeren; — one's self for, nick voorbe- Comrade (kont'reed, kum'reed), a. kameraad, makker. reiden tc.t. —er, a. samensteller, schrijver; kom- poniat. —ing-stick, zethaak. Con (kon), ad. pro and —, voor en tegen. Composed (kum poozd'), a. —ly, ad. bedaard, Con (kon), v. a. kennen; beoefetten; van buiten leeren. kalm. —flees, a. bedaardheid. Compost te (kum-poz'it), a. samengesteld. Concamera te (kun-kem'ur-eet), v. a. welven. —tion (-ee'8jun), s. welving; gewelf. —lion (kom-po-zis'sjun). s. samenstelling; op- stel; metaalmengsel; bevrediginv, bulegging, Concatena te (kun-ket'e-neet), v. a. aaneenschakelen. —lion (-nee'sjun), s. a,neenaehakeverdrag; letterzetten; muziekstuk. —five, a. samenstellend. —tor, a. letterzetter ling. Compost (kom'poost), s. mengsel; meat. , Concavation (kon-ke-vee'sjun), a. uitholling. Compost (kum-poost'), v. a. bemesten. —are, Concav a (kon'keev), s. holte, verwullsel. 8. holligheid, holte. —, (-joer), s. meat. R. hol, holrond. schikking, v. a. uithollen. —ity (kun-kev'it-tih), a. holligComposure (kum-po'zjoer), a. 8amenstelling; bedaardheid. ! held, holte. —one (kun-kee'vu8), a. holrond. Compota lion (korn po tee'sjun), a. drinkge- Conseal (kun-siel'), v. a. verhelen, bewimpelen, lag. --tor (konepo tee tur), s. drinkebroer.verbergen. (from). —able, a. verbergbaar. —ed. Compound (kom'paitund), a. samengesteld ness, a. verborgenheid. —er, a. verberger. —meat, a. "antenatal, meopel. a verberging, verheling; schuilplaats.
Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.

Heeft RBI verboden cryptogeld


Elllek (erlik), f. vont. Alexander; Alex. ladl O. g. the — Oost-India. Elsinore (el-al-noor'), g. Elmeueur. —an (..iti'djen)., a. 0,ist-Indiseh. Elysium (e-lizri-um), any. Elyetum. Eceleollenst en (ek-kli-zi.eat'tez), r. de Predrker Emanuel (e-meuloe-ell. m. Enaanuel. —ic State, g. (de) Kerke.liike Stoat. Emil la (e-mil'i-e), w. Emilia. —y Ecuador (ek - we - door'), g. Ecuador. noon Emilia; Emrnetje. Eden (i'dn), r. Eden. Eaunoa (etn'me), w. 'mma. Edgar (ed - sur). m. Edgar. Ent as (e-ni'ea). —e (-nie'), m. Eueas. —is, 1. Edinbor„gh led'in-burg). g. EA1uburir. the —, de Enelde. Ed nu und (ed'mund). an. Edmond. —ward (-ward), England (ing'glend), g. Engeland. m. Eduard. —win (-win). m. Eawin. Eeglloh (lneelisj), a. Engelach; 1. Engelseh; 1. Egypt (i'dzj1pt), g. Egypte. —ian (-dzjip'sjen), the —, de Engelschen. —man, I. Engeleehmen. a. Egyptisch; i. Egyptenear. Enoch (ie'nuk), 1111. Enoch. Elbe (elb), g. the —, de Elbe. Ephee tan (0. 11'zii - en). a. Ephesiseh; I. Ephoser. Eleanor (el'e-nor), w. Eloonera. 14, (ere-anal, g. Ephesus. Clammier (1.-11-ee'zur), m. Eleazaz. Ephraim (ie - fee - im), an. Ephratin. Eli (te'laj), m. Ell. Epirus (e•parrns), g. Epyrus. Ell ah (e-lare), m. Elia. —as_ m. Elia.. Equator (e-kwee'tur , , g. Equator. Elisabeth (e-liz'e-beth), w. Elisabeth. Erato (er's-to), my. Erato, Eli shah (e-larsje), se. Eliza. —ea (-se), w. Er is (Ie'rlh) g. Erie. —in. g. Erin. Ernest (neneat), an. Ernst. Ellen (el'In) f. your Helen ; Leant* E swlws (e-seejee), in. Jezaja.

Zijn Cryptocurrencies vluchtige


drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-
ABUI,ny indigo , aril. Antis, m. anise. —likeur, anise-eeect•rpiri^. —ells, of lrO sed-oil. tuad, An.oleft+er, v. pink. carnation. A -nicer, o, anchor; sober; brace, holdfast. ten — kora., het — werpen, to anchor, to cast anchor. ale/ sehip drift roar —, act — aleept, the anchor drives (comes home). het hanyt, the anchor's a- trio. —arm, arm of an anchor. — boei, buoy, — paid, anchorage. —vraad, anchoring-ground. — hook, cat. cat - hook, nut. — halo, trent of an author., flout; — atok, anchoroeam, -stock, h ook. — kruis., crown of an anchor. —photo, anchorage, anchorins4-place. —schacht, —steel, shank of. anchor. —bchoen, anchor-shoe. —tatie, capstan. —Loam, cable. ---roering, lining of the how. — en, On. to anchor, to cam, anchor, v, ren'thovy. Ant ichrist„ m. antichrist. 111,,sttleope, v antelope. "int woord, o. answer, reply; response. —en, ov. & on. w. to answer, reply., (to). s iren itinkfttsitt, o.-bait/oz.-v:1404,o ape's face, ugly Ala. —kop, IA. ape's bead, blockhead. —kuttr, v. ap;ah trick. —liefde, v. foolish fondneoa. —spel, o sir Ateerli. AperU, v. ap!sh tricks, buffoonery. Apin, v. she-ape, she- monkey. ApoAtel, in. apostle; bollard. —scitap, o. apostleship. Apostolloch, ho. & bw. apostolical (-1y). Apotheek, v. apothecary's shop. AptitLekter, ro. apothecary. —abediends, apothecary's assittant. —stock, dispensatory, pharmacoeceia. —agewicht, troy-weight. —skunst, pharmacy. —spo,`, gallipot. —minket, apothecary's shop. Aoptel., o. appeal; call. . , taut, m. appellant. —leeren, on. w. to appeal (to). Appel, tn. apple; bail, pupil; pommel. --eloctent, epple-bloEsom; pole-red. --boom, apple tree. —drank, —wijn, eider. —flauwte. fainting-itt, swoon. —groom, dapple gray. —koek, apple-cake. — man. apple-monger, costermonger. —sawed, a pple- bAsket. —markt apple market. —*toes, — pent, apple - sauce, apple marmalade. —pit, apple - kernel. —rood, round like an apple. apple-paring.—schimmei,dapple-grayhorse.--sino, orange. — taart, ai.ple - pie,apple - tart. — teef, — teijf, BilliugsgMe-wench, scold. —vrouw, apple-woman. pomatuat, —oar, m. appletree. April, m. sprit. tie eerate Arak, v. arrack, rack. Arbwid, rn. labor, work; pains; childbirth; fermentation. —sloon, wagers, pay, hire. —man. ate Ari",,Ider. --en, on. w. to work, to labor.
C1111.—C111Circin ► te (eur'si-nee)), v. a, runden; in cen' Chubbed (tejulfbid), a. dikwangig; plomp. cirkel afmeten. Chubby (tsjub'bils), a. Zie Chubbed. cirkel, omtrek, kriug, gentChuck (t)juk), s. geklok; tikje; stunt. my—, niijn Cirkie (surikl), :chap. —, v. R. ornringen, insluiten; v. n. roadliefje. —farthing, kuiltjesspel. —, v. a. lokken; loopen, omheeng,aan. —d, a. cirkelvormig. —t pitreelen; stnoten; smitten; v. u, klokkeir. Isur'kirt), a. cirkeltje; ring. Chuckle (tsjolekt), v. a. lokken, liefkoozen; v. n. circuit isuekit), a. omtrek; omloop; inhoud aeon schatercrid inch.; inwenitig !adieu. cirkels; umweg; rechtagebied. —, v. a. & n. roodChuff (tmjun, 8. Hoer, lomperd. —y, a. lamp; (aur-kjoe is'sjun), a. rondgang, omioopen. norisch. loop. —aus (air.kjoe'i•tum), a. omloopend; wijdChum (tsjun ► ), a. kamergenoot. Chump (t sjutnp), 8. zwaar st uk hour; bonk, tromp. loopig. —ous road, omweg. Circular Isur'kjoe-!er), a. cirkelrond; rondgaand„ Chunk (t•ju.,10, s. 'Lie Chomp. Church (tajurtaj'), s kerk — is ace, In kerk is kringswijn. --btaircase, wenteltrap. —, a. eireua. cirkelvormiglaire. —ity nit. —ale, kerkinwiidiii ,48feest. — authority, kerk- heid. —1y, ad. kringswitize. gezag. —book, kerktiock. —law. kerkelijke wet. —man, geestelijke. —plate, kerkzilver. —prefer- Circulat a isur'kjoe-leeth v. a. in omloop brenment, kerkeiijk arribt. — warden, kerk meester. gen; v. n. in omloop zkin. —ing library, leesbibliot ► eek. —ion I-lee'sjunt, a. omloop. —ory, a. am—yard. kerkhof. ioopend. —ory t-le-tut-rib), a. omloopvat. Church (tajortoj'). v. a. voor eerie kraatnvrouw danken. she ma churched, zij hee ft haren kerkgang Circuanam blency (sur-kum-em'bjen•stb). s. omgeving. —bient, a. omgevend. —bulate (-bjoegedaan. —lay, 8. kerkgaeg. leer), v. n. rondgaan. Churl (tsjurl'), a. lomperd: web, —ink, a. —ishly, Rd. row, onbeschott; vrekkig. —ishness, a. onbe- Circumcis a (sur'kum-sajz)., v. a. besuijden. —er, a be.nijder. —ion (-siezjun), a. beanijdents. schoftheid; vrekkigheid. Circ....feren ce (sir•kumlur-ens), s. omtrek. (Opine), a. barn. v. a. —staff Churn —tor lour- kum-fe-ren'tur), a. hoekmeter. karnen; schudden. Circuit) Heel (sur'kum-tlekt), —Pex, v. a. met Churrworm (tajur'worm), a. veldkrekel. a. het omgebogen toonteeken voorziett. Chyl a (kajl'), a. chiji, voedingsap. —ifaction (kil- omgebomen; a. omgehogen toonteeken. i•tek'iljun), a. chip/flaking. —Qua, a. uit chijl Cfrcunr,flueu ce (sir-kunilloe ens), a. ornvioetbest/made. ing. —t, a. onavloeiend. Ciborium. (si-bee'ri-vs), a. tot voedoel Circuniforancous (sur-kum•fo-ree'ni-us), a. rend; eethuar. onizwervend. Clbol (sitful). a. biealook; kleine niensoort. Cicatri ce (sik'e-trig), 8. litteeken. —.alien (-tri. Clecusialluis a (sur-kum-fjoeel, v. a rondgieten; verspreideu. —ion (-tjoe'zjun), s. rondgieting; ver. zee'sjun), a. wondheeling, (het) dichtgaan eener spreiding. world. (sik'e-trajz), v. a. heeleu; v. n. Clre.nagyration (sur-kum-dzji-ree'sjun), s. umgams. a. kervelkruid. draaiing. Cicely Clenrs. to (sik'joe-reet), v. a. ternmen. —lion Circunklacent(sur-kum•dzjee'sent),a.omliggend. Circumlocut ion isor•kum-lo-kjoe'ajunt, a. (-ree'sjun), s. temming. omschrijving. —ory (-lok'joe-tur-rih),s, omschrij(xi kjoe'te), a. doile kervel. Cider (sardur), a. appeldrank. —kin, a. geringe vend. Circumnaviga ble faur-kum-nevl-gibil, a. omsoon; urn apoeldrank vaarbaar. —te, v. a. omvaren. —lion (-gee'ajun), Cigar (ai-gaar'), a. Biguar. —box, sigarcnkoker, a. omvaring. —tor, s. omvaarder, °runner. Ingarenkistje. Ciliary (sil'je-rih), a. tot de oogleden behoo- Circumpolar (our-kum-po'ler), a. urn de pool • been liggend. rend. Circumrotat ion tour-kum-ro-ree'sjun), crondCilicioubr (si-lis'sjus), a. van haar gemaakt. omdraaiing. —ory (-ro'te-ter-rili), a. randomCimeter (aim'i-tur), a. turkache sabel. draaiend. Cimmerian (sim.mi'ri en), a zeer duister. Circuit". scribe (sur-kum-skrajbl, v. a. omschrijCincture (sink'tjoer), a. gordel, band; lijat. vent. beperken. —scription (..skrip'sjou), a. omCinder (sin'dur), 8. !lintel• —wench, —woman, schrijving; beperking; omschrift; grens. —scripaschophkalster. a. omschrijvend; beperkend. tiro Cinerary (sin e're-rib), a. aschachtig. Circumspect (aur'kum-spektl, a. — ly, ad, umCinereous (81-nPri-us), a. aachgrauw. zichtig. —ion (-spek'sjun), —ness, e, omzichtigClnerltlous (sin-e•ris'sjus), a. Rachachtig. herd. —ire l-spek'tiv), a. —ively, ad. omzichtig. Cingle (sing'g1), s. riem; singer (van eeu paard). Clrcumstan ce (sur'kum-stenti), omstandigCinnabar (ain'ne-ber), a. vermiljoen, heid; toeval. —Ted, a. geateld; uitvoerig. —t, a. Cinnamon (sin'ne-men), a. kaneel. omstaand. —tint (-sten'jel), a. —tially, ad. Cinquefoil (sink'foji), a. vigvingerkruid. uitvoerig; toevallig. --bate (-sten'aji-eet), v. a. Cinqueports (aink'paorte), a. (de) vijf havens uitvoerig bemehrnven. Cion (aarun), a. loot. Cipher (sayfur), s. cijfer; mil; letter; cij ferschrift; j Ci rcumvallat ion (sur-kum-vel-lee'sjun), s. onieleutel tot cljferschrift. —, v. a. in cijferachrittI walling. echrijven; v. n. ctiferen, rekenen. —ing, a, eij- Cirrumvection (sur-kurn.vek'sjun), ' voering. forkunst.
W Waldenses (waol-den'eiez), r. Waldenzen. Wales (weelz), g. Wallis. Walker (waok'ur), en. Walker. Wall ace (wol'las), ne Wallace. Wallachia (wel-lee'ki-e), g. Wailachije. —n, a. wallachi.jsch; i. Wallachijer. Walloon ('eel-loon'), a. Waal/sell; Weal. Wnlpole(waol'pool),g._ & m, W cipole. Walter (waol'inr), m. Wouter. Warren (wor'rn). no. Warrea. Warsaw (waor",ao), g. Wench, a. Warwlek (weor'ikl, g. Warwick. INashIngten (wasfleng-tn)„g & m. P1ashinglon. Wat (not'), — 1y, f. voor Wetter; W.nt. Waterloo (wao'tut-loc), g. Waterloo. Waverly (wee'vur-Ilhl,m. Ws.cerley. Wedgewood (wedzywoed), m. Wedgewood. Wellesley (welznilt), m. Wellesley. Wellingt ,an (wel'Ilenc-tn), Welsh tweld!), a. Wallach. —mos., Wesel (WW1), g. Wezel. Wetter (wiser), g. Wezer. Weetero lwest'rn)Litands, g. (de) Hebriden. West-ludics (west-in'silz), g. the — West-lo,te. Westminster (wetit'min-stur), g. Weetrunnster.

telligence office. —ing, v. employing, spending; boarding; me Annbeeteding. Beateedet•r, n. Zie Beeteder. B. eteektseans3 , re. head-band; bor. Elestek, o. compass; plan, draught; r'ckoning. — en voorraarden, specification and conditions. ten — sunken, to 'point the maps, in ten korter — brenpen, to abridge. Ilesteken, ov. w. to bestiek; to adorn, to garnish, to lard; to undertake, to attempt, Beefed, v. spiced biscuit. o. direction, Mating. Ment; nomination; fuss, bustle, ado. —geld, —loon, postage, carrier's fee. —kantoor, forwarding-home. !Bente* en, on. w. to rob; to bereave. — lag, V. robbing. Denten en, ov. w. to appoint; to deliver, to carry, to forward, to bespeak, to order, to get made; to manage, to arrange; to nominate; ter aarde —, to bury, to inter. —er, e.. postman, carrier. —ing, v. delivery; order, commission. ilitesteonnet, m. crony. Heaters d, by. appointed, fixed; designed, destined; bound (naur, for, to). —men, on. w. to appoint, to fix; to design — , to destine (for). —mar, m. appointer. —ming, v. destination. eleeteetnuer, v. grandam, granny. Beef Tnspelers, ov. w. to stamp, (met den naam van) to call, to name, to style Ilcstendig, by. kbw. lasting (-1y), durable ( - bly), Permanent (Ay); steady (•D ► , stable (-lily), settled. — en, on. W. to atabilitate, to confirm. —held, n. permanence, steadinees, stability. Resterveis, ov. w. to die of; on. w. to tern pale, — livid; to dry up; to grow tender. laten — , to mortify. Ilieste,Istsr, to. gaffer, grandeire, old man. Beetevesten, on. w. to steer towards, — for. etitlest, o. —en, on. w. ie Beetnur. Beettji; en, on. w. to .;limb up, to ascend, to scale. —ing, v. ascending, settlingov w. to point. to dot. Iltstok en, ov. w. to batter, to harass. —er, Tn. harasser, aggressor. —ins . , a. harassment, assault, aggression. Bcetoyp ron, on. w. to darn, to mend; to fill up. —ing, v. darning, tt ending; fl; (lag up. Beetorm en, on. W. to storm, to assail, to fall upon; to importune, to overwhelm. —er, in. atormer. —ing, v. storm, assault. Bestorten, on. w. to spill (to ehedi upon. IiieSiterVitti., by. dead; pale, livid; stale; orphan. Bentrnif elkjk, be. blamable, reprehensible. —eltilcheid, v. reprehensibility. --en, ov. ws to rebuke, to reprehend, to corract,to punish. — er, to rebuker, corrector, punisher. —ing, v. rebuke, correction, punishment. Heatrali en, on. W. to beam capon, to irradiate. —ing,v. beaming upon, irradiation. Dectrett en, ov. W. to pave. —ing, v. paving; pavement. liestrUd en, on. w. to fight, to combat; to oppugn; to dispute, to controvert; to defray, to afford. —er, in, opponent, adversary, antagonist. —fag, v comeating; opposition, controversy; defrayment.


419 Boat ♦, v. penitence, penance; penalty, fine, mulct, forfeit; — does, to do penance. is — be. skean, to fine; op — van, under penance of, m. & v. penitent. —en, ov. w. to mend; to feed, to kindle; to gratify, to indulge; on. w. to atone to suffer, to pay, (roar) to expiate. —gewaad; —kleed, penitential robe. — predikatie, sermon on repentance. —prediker admonisher to penitence. —psalm, penitential'psalm. —er, na. tnes. der, tinker. —imp, v. atonement, expiation. Boetaeer der, tn. modeller, embosser (tu wax). —en, ow. w. to model, to emboss. ...kunst, art of emboaaing. —werk,—sel, o. emboasment. —bag, v. embossing. Boetvaardig. bv. dk bw. penitent (.1y). —held, v. penitence, repentance. Boos, eojaeht, v. pursuit of thieves. —exklok. bell that Is rung st the opening of a fair. —enact, quarter-nettings. —enpraat, al sag, cant. —esstresk, —enatuk, roguish trick, —.At, v. villany,
The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age

Kun je dubbele besteden Bitcoins


Befoul (be-foeP), v. a. begotten. Belluine (bel'ljoe ajn), a. beestachtig. Before (be-Poor'), ad. to voren, vroeger; prp. voor, Belly (belnih), s. bulk; v. n. awellen. —ache, buikpijn. —band, buikriem. —bound, hardlijvig. eer. —hand, ad. van to voren, vooruit. —time, ad. voorheen. —friend, smulbroer. —ful, a. bekomat. —god, Befoul (be-Paul'), v. d. bevuilen. buikdienaar. —pinched, uitgehongerd. —timber, Befriend (be-fren(P), v. a. begunstigen. vaste spijs. —roll, rolblok. —worm buikworm. Befringe (be-frindzr), v. IL met franje versieren. Belong (be-long'), v. n. (to) toebehooren, beBeg (beg), v. a. verzoeken, vragen, (for, om. of, treffen. van). —, v. n. bedelen. Beloved (be-luvd'), a. bemind, geliefd. Beget (be- get') [beg ot • begotten'], v. a. telen; voort- Below (be-lo'), ad. beneden; prp. onder, beneden. brengen; baren. —ter, 8. teler. Belawagger (bersweg-gur), a. ancever; zedeBeggar Ibeg'ger), a. bedelaar., — v. a. tot den loos mensch. bedelstaf brengen. —/inese, s. berooidheid. —/y, Belt (belt), a. gordel, —, v. a. omgorden. a. & ad. armoedig. —y, s. bedelarij, armoede. Bemire (be-maje), v. a. beslijken. Begin (be-gin') [began. begun], v. a. & n. ann. Bemoan (be-moon'), v. a. beweenen. vangen, beginnen. —ner, a. aanvanger, leerling; Hemlock (be-mok'(, v. a. beapotten. stichter. —ning, a. begin. —ninget, a. eerate be- Bemourn (be-moorn'), v. a. betreuren. ginselen. Bench (bentsj), e. bank, rechtbank. —er, a. bijB egird (be-gurd') [begirt], v. a. omgorden; om!Bitter, rechter. ringen. Bend (bend), s. bocht, kromte; kniehout. Begnaw (be-nao'), v. a. beknabbelen. Ilend (bend) [bent], v. a. butgen, krommen, spanBegone (be-gon'), int. go weg! ga heen! nen; v. n. buigen; overhellen. —(against) zich Begrease (bc-griez"), v. a. besmeren. wapenen tegen. (on. upon) richt. op. (to) riohten B egrime (be-grajm'), v. a. bemorsen. near; zi.eh onderwerpen aan. to be bent upon, Begrudge (be-grudzy), v. a. misgunnen. genegen zijn tot. —able, a. buigtaam. —er, a. Beguile (be-gajl"), v, a. foppen, bedriegen. spanner, burger; grail. Behalf (be-haaf'), a. baat, voordeel. in my —, Bendlet (bendlit), s. kleine dwarabalk. to mijnen behoeve. Beneaped (be-niept'), a. ate den grand. Behav a (be-heev'), v. a. gedragen; v. n. zich Beneath (be-nietfa'), ad. beneden; prp. onder, gedragen. —ior Hurl, a. gedrag.
291 STU —SUB. rend; t)verig in; bedacht op. to be —, zich be- Subalmoner (sub-a'mun-ur), a. onderaalmoeiiveren. —ly, ad. aandachtig; zormldig, zanier. —nese, a. leergierigheld; vlijt, tjver. Subaltern (sub'el-turn), a. ondergeachikt. —, a. ondergeschikte. —ate, a. —ately, ad. (-turn'et-), Study (stud'ih), a. studie; nadenken: studeerkabeurtelingsch; bettrtelings. —atm. (-ee'ajun), mer. in a brown —, in diep gepeins; droefgeestig. a. afwisseling; ondergeschiktheid. —, v. a. beetudeeren; navorechen; bepeinzen; v. Subaqueous (sub ee'kwi'us), a. cinder bet water. n. etudeeren• trachtea, zich bellveren. Stuff (stuff'),' f. etof; vulsel; menasel, artseni); Subastral (eub-es'trell, a. aardsch. prullen, vodden, tuig; smeer; gereedechap; hoofd- Pi...tile: ►unter (sub- atjaant'ur), a. ondervoor :anger.. saak. —, v. a. opvullen, volstoppen ((up); v. n. Subcommittee (sub-kom-mit'tie), a. subcomsick vole toppen. —ing, a. opvulling; opvttleel. missie. Stultify (stuPti-faj), v. a. gab dwaas maken. Stum (atom), a. most. —, v. a. laten gluten; ma- Subcutaneous) (sub-kjoe-tea'ni-u0, a. onder de huld aanwezig. velen. Subdeacon (sub-dritn), a. onderdiaken. —ry, Stambi a (etum-bi), a. atrulkeling. —e, v. a. doen atruikelen; belemmeren; aanstoot geven; v. n. —ship, a. onderdiakensehap. struikelen; (at) sich etoren tan, zich ergeren Subdean (sub•dien'), a. onderdeken. —ery, a. over; (upon) aantreffen, bij toeval vindeu. —er, waardIgheid (ambt van onderdeken. u. onderafgevaara. strutkelaar. —ing, a. strulkeling; --block, Subdeagate —stone, eteen des aanstoots; struikelblok. digd. —, a. onderafgevaardigde. (-geet), v. a. voor een ander, afvaardigeu. Stump (stomp'), a. stomp, stronk. —orator, volksredenaar. —, v. a. atknotten; verlegen Subdltitioua (sub-di•tisrus), a. ondergeseboven. maken; v. n. plump stappen; zwetsen. —a, pl. Saabdiversity (sub-cli-vnral-fajl, v. a. btj herhaling veranderen: vermenigvuldigen. beenen. —y, a. vol atronken; kort en dik. Subdivi de (sub-di-vajd'), v. a. & n. in olderat• Stun (stun), v. a. bedwelmen; verdooven. deelingen splitsen (geuplitat zijn). —sion (visj'• Stunt (stunt). v. a. in den groel belemmeren. un), a. onderafdeeling. Stupe (stjoep), a. betdoekja; betting. —, v. a. Subduable (sub-djoe,ibl), a. ten onder to brtnbetten. gen, to onderdrukken. Stupefact loss (etjoe-pe fek'ajuu), a. bedwel. ming, verdooving; Nerbazing; ontsteltenis. —ire, Subdue a (sub-djoes'), —t (-dukt'), v. a. wege nemen, onttrekken; attrekken. —tion (-duk'ejun),. a. bedwelmend, verdoovend; verbazend; a. bes. aft rekking. dwelmend middel. Shape( ler (stoe'pe•faj-ur), a. verdoover; ver- Subdue (sub-djoe'), v. a. tea Louder brengen, bazer; verdoovend middel. —y (-raj), v. a. ver- onderwerpen; bedwingen. —r, a. onderwerper; bedwingee, onderdrukker. douven. bedwelmen; verbazen. (-djoe'p(i-k3t), Stupendous (atjoe•pen'dus), a. —ly, ad. ver- Subdupl e, (sub'djoepl), a half. —e, e. helft. bazend. Stupid (stjoe'pid). a. —ly, ad. dam, but. lotep. Scriber ate (ejoe'bur et), a. karktuutsout. —ic (-ber'ik), a. kurkzuur. —ity (-pid'it-t1h), —nest, 0. domheid, botheid. Stupor (etjoe'per), a. verdooving, gevoelloos- Subhastation (sub-hes-tee'ejun), s. openbare (gerecbtelijke) verkooping. held; verbazing. Stupra to (atjoe'preet). v. a. verkrachten. —tion Subludication (sub-in-dl-kte'sjun), a. (-preetijun), 8. verkrachting. ding door teekens. Sturd ily (atuedil-lih), ad. —y, a. forach, ate- Subitaneous(aub-i-tea'nl-us), a. plotseling. vie; stout, driest; hardnekkig; onbeschaamd. Subjacent (en b. dzjee'sent), a. ouderliggend. —lases (-di-noes), a. forschheld; stoutheid, hard- Subject (sub'dzjekt), a. onderwerpen, onderdantg, onderhevig (to). —, a. onderdasn; ondernekkigheid; onbeschaamdheld. warp. — (-dsjekt"), v. a. onderwerpen, verpiichSturgeon (sturd'zjun), a. steur. ten, blootatellen, (to). —ion (-dajek'sjun). a. onStutter (stut'tur), a. geetotter. —, v. n. stotteren. —er, 0. stotteraar. derwerping. —ire, a. —ively, ad. (-dzjekteiv.), onderw cepa! ij k, subjectisf. Sty, Stye WO, a. varkenshok; zwijnenboel; atrontje aau het oog). —, v. a. in een varkens- Subjoin (sub'dzjojn', v. a. toe-, btjvoegen. Subjuga to (anb'dzjoe-gset). v. a. ten onder kot opsiulten. (onder bet jok) brengen. —Non (-see'sjun), r. Stygian (stid-zjl-en), a. helach. 13tyl a (stajr)., s. ett)1; trant; wijse; titel, benaonderwerping. ming; edit, griffel, natild; — of court. kanselartj- Subjunction (sub.dzjungk'ejun), a. blj-, aan. attli. —e, v. a. noemen, betitelen. —lab, a. pronvoeging. —tire, a. aangeaoegd, aanvoegend, a. aanvoegende wijs. kend, nieuwmodisch, fatterig. Styptic (stip'tikl, a. &s. bloedetelpend (middel). Sublation (sub-lee'ejun), e. wegneming. Sublet (sub-let'; [irr.], v. a. onderverburen. Suable lajoe'ibl), a. vervolgbaar in recbten. Sue elan (aweezjun), a. overreding. --sire (-ale), Sublevation (sub-le vee'ajun1, s. ophetling. Sublieutenant (sub-liv-ten'ent), s. onderint. —sort/ (-cur rib), a. overredend. Suavity (swev'it•tih), a. lielelijkheid. tenant. Sublina able (eub•lejleibl), a. sublimeerbaar. Subacid (sub-send), a. zuurachtig. —ate (ittb'11-met), a. geaublimeerd; a. sublimeet. Substation (sub-ek'eJon), a. (bet) ten onder bran—ate (eubli.meet), v. a. embltineeren; verheffen; gen; smelting.
nagel — stealer, paardendief. —tail, i,aardestaart. —tongue, ' halskruid. —trappings, paardetuig. —twitchers, neusnijper. rUweg. —whip, a. rijzweep; v. a. met den rijzweep slaan. —woman, rijdster. Hors a (hors'), v. a, berijden; bereden maken; bespringen; op den rug dragen; v. n. opzitten. —ed, . bereden. —iny, a. tochtig, hengstig; —icons, kaliaatijzers. Hortat Ion (hor-tee'sjun), a. vermaning. —ire, —ory (hoete-), a. vermanend. Horticultur at (hor-ti-kult'joe-rel), a. den tuinbouw betreffend. —e (hor'ti), a. tuinbouw. Hosanna (ho-zen'ne), E4. Hosanna, lofzang. Hose (nooz), s. kous, kousen; broek; mamiering (lederen slang). Hosier (ho'zjur), a. kousenkooper; winkelier in gebreid goad. —y, a. gebreide wiren; handel in gebreide waren. llosplt able (ho.4it-tibl), a. —ably, ad. herbergzSam, gastvrij. —ableness, a. herbergzaamheld; gastvrijheid. —at, s. hospitaal, ziekenhuis; a. gaatvrijbeid. —algodshuis. —amity( ter (-el-lur), a. gasthuiameester, ziekenverzorger; Malthezer ridder. Host (boost"), a. gastheer; waard; leger; heer, schaar; hostie. —age (host'idzj), s. gijzelaar. —ess, a. gastvrouw; waardin. lloetll a (hos'til), a. vijandelijk; vijandig. —ity (-til'it tih), a. vijandelijkheid; vijandigheid. Hostler (os'lur), s. stalknecht. ad. heet; hevig; surig. —bath, Hot (hot'), a. badstoof. —bed, broeibak —brained, opvliegend, heethoofdig. —cockles, :handjeplak. —flue, droogkerne, — headed, zie llothralneal. —house, badstoof; oranjerie, trekkas; bordecl. —mouthed, halastarrig. —pot,warme wijn ; warm bier. —press, v. a. glanzen (laken). —pressed, gesatineerd, gewarme geboterde broodjes. —shot, glamsd. versehoten, verzwatt. —spur, heethoofd. —spurred, doldriftig. —ness, s. neetheid; drift. Hotchpotch jhotarpotsj), a. Lie Hodgepodge. Hotel (hot-ter), a. hotel, herberg. Slough (hok), a. kuieboog. —, v. a. de kniepees afankiden, verlammen. Hound (haaund'), s. jachthond; nommer; mastw a.ng. —bitch, tee?. zeekwab. —pieemnommerstukken. —'s-tongue, hondstong (plant). —tree, hondsbesseboom. —, v. a..jagen,ver , olgen. Hour (flue), s. uur. —g/a88, zandlooper. —hand, uurwijzer. wijzerplaat. —ly, a. & ad. om het uur, voortdurend. —8, s. gebeden, Ilousage (hauz'idzj), a. bergloon. House (hans'), a. hums; huisgezin; geslacht; parlement. — of call, herberg; bonded!. convenient —, — of offwe, sekreet, heimelijk gemak. upper —, — of lords, Hoogerhuis. lower —, commons, Lagerhuis. to keep huishouden. to keep the —, in huts blkjven. to keep a good —, eene goede tafel houden. —boat, tentboot. — breaker, hubsinbreker. — breaking, huts-inbraak. —clock, hubsklok. —dog, huishond. —eaves, dakgoot. — hold, a. huisgezin, huishouding; a. huishoudelijk; huffs-. —hold-bread, huisbakken brood. —holder, hotsvoter. —hold-gods, hulagodm. —hold-stuff`', huts.
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Heb ik een portemonnee als ik Coinbase gebruiken


v. a. & n. acildden, (zich) Afton- Sham (84111') it. valsch, voorgewend, verdieht. Sever —fight, isplegelgevecht. —. a. mialetding, klaren jr,n). —al P. verschedene., onber,che:- drop , nb!dwri..g -- airy, e:e:1;evnodozl dene, —ally, ad. afzo,derlijk. • al'a- Sh ,heitt. —once, a. arzande,iPg. ,heide (.depend) s e, e, --ell,, ad. streng, hard,. van. -. -es(sjerrCb!z), pl. vleeschhanken,vleeschhal. —,ng, a. waggelend, alepend; s. waggelende wrced( g yaina'!);stint (in).—enesa,—ity (-ver^it-tih), (slepende, gang, s. st,engheid, l)ardhaid, vreedheid; sliptbcdd. Sew (sjoe), v. a, drong legge, —el (..i1). a. no- S hnro e (aje.ein'), s. schaamte, schonde. for —,foei I fac ed, oao. dae. b—Sre eheteeens;, (Co'), v. 5),. n. naalen, er, a. kietrwa- onteeren; v. n. zich schaani'n. —ful, a. —fully, ker; banister. —ing, a, bet rantcn; —tuuhion, i ad. schandelijk. —fulness, a. schendeltjkheid, naaikussea; —desk. naaiklAtja; —less, a. —lessly, ad. cchaamteloos. —lessneae. j a. schaamtelow.heid. ngald: —silk, naaiziPe. (F,P.M, a. gir, 13cht, lzurine, Ochootn) sekse, ' Shev4:nto er (sjem'mur), a. bedtleger. — jay, a. edrtegelijk, liatig. Sex agetaar tan (aalra a dzje-nee )i-en), a. zes Shammy (9em'rnih), e. game; gemzeleder. tigjltige. —7; (-ed'zj ,,-an,:h), a. zastigjarig. ,41.8.(slim em ' l,.. ps ojee; m ), (,ks-e-dzjea'i-me), a. tweede zoo- :Itimi:in he t Lir:: it°s el hs dog. nom, in Vaatrn, — I., a. zes:igtallig,.. ear warm bad nemen. (,e1rs•en4'gjoe-ler), a. zethoelfig. Shamrock :sjem'rok). a. Mane, zesktrIg. e,Thi.e1), a. zesreRelse vers. — ant, a. Shank (sjengki, s. achenkell beenpljp; pip, Sext t eeed1, (Ti e n gket1),;a1 .tj1; stx,mit. _y e 0. 1,, a. aspect;ou ls, taiciihnt!s g e lat e ntd rzoeeit...—painter. zr.Atig ;ruder. —on (-tun), a. 'ondarkoster, door!. § Shant ee (sjen'tiel, — y, a. hut. foods, hot. 1. P.otte. —uple (.tjneri), a. zes,ondir,. Shape (sjeap'I., a. gedaante. geztalte; v)rm, fat S 47V . AIA1 (.! eks".joe-el . a. geOfiChiS -, torn; aard. wijze; denkbeeld. s. schurft; sehott. —bily. ad. —by, v. a. vormen; (S]eb'), ni ; nve.t% .s pftsszn a. , igffi — e tefik ana ,41t 1,e .wi r _ n. iorrix, hAneloom; armzallg, gemeeu. — biness g —n staiy1:tip —lines (.(ai-nna), a. 'naveloosheid; gemeenbeid. a. welgemaakt. 1 "PP' lveld; zwii'll'nv°"' land- Shard i ,,, ,jasrd'), s. acberf; stuk eters:Anal; vlento,pce. reqhfit ei kd aveiel;ng7i es argrney,agret n im.j ,teka;.. asr. hxh.ii — d rtngee,llogp. Sheckte (jek 7 1,1)„ a. paartring, beugel.—, v. a. -


Tees,Wive (tre-fien'„ -fain'), s. kletne eehedel- voudis huvielijk, driewijeert- —ger (-gur), a. trekker ; span-. remketting. boar. —. a. trepaneeren. Trepidation (trap•i-dee'ejun), a. eiddering , Trigon (trargun), a. driehoek. —al (trig'un-e1), angst. a. driehoeklg. —ometrieal (trig-un-am-met'rikl), Trespaan (trepee), a. overtreding, ve.grtp. —, a. van de driehoeksmeting. —ometry norree-trib), a. driehoekk neting. v. n. nt It vergriipta, (apainnt); (on, upon) inbreuk Trilateral (trej-let'ur-e1), a. drieiijdig. waken op, overtredeo. —er, a. overtreder, Trees (tress), a. lok., haariok. --ed (treat), a. ge- Trill (trill), a. triller. —, v. a. met eon- trifler zingen; v. n. triflers makeu. lokt, gevloenten. Trillion (trillun), s. trIllioen. Tres...re (t;esj'oer, ur), a. rand, zoom. Trestle (trelf1), a. driratal; sebraag; tafelscitel. Trim (trim'), a. —ly, ad. net, fraai; passend; op. gesehikt. —, a. opsehlk, toot; belegsel; gnede —trees, pl. laul•zalingen. etawing, stand (van ten (whip). —. v. a. opsehlkrefaetie. Tact (tret), a. ken (up); in orde (e4enwleht) brengen; belaggen; Travel (treVit), a. drievoet, treeft. opmaken; anoaien (off. up); bebakken; inrichten, Trey (tree), a. drie (in 't kaaropet). behoorltjk atuwen; doorhalen; v. n. weifaien, Tai able (traribil, a. bet ► reerbaar; v6rhoorbaar. s, opeehikker, opmaker; draftier; draaien. —ad (-ed), a. drietal; driek!auk. —al (-el), s. S. belegael. —ness e a. netheid. wetrhaau. proof; paging; verltoor, gereehtelijk ondertoek. —angle (•eog'gi), a. driehoek. —angular (-sag , Trio al (trapnel), —e, a. drievoudig. —e, a. aspert van 120 grades. gjoe-ter), rt. driehoektg. —archy (-er-kih), a. reTrinit simian (trin.i-tee'ri.en), a. voorstandet van gearing van drie p , rausen. de leer der Drieeeuheid, —y, a. Drieeenheid., Trihet (trajb), a. stem, ge,laght; klaaae, soort. Trinket (tring'ktt), a. apeelgoed; aieraad, snubs—, v. a. in klaesen vordeeten. terij; kenneling; branazeil. a. rondsptl (td,j goudameden). Tr:Met Tribulation (trIb-joe-lee'sjun), a, wede,rasr- Trinomial (traj-no'rat-el), a. drienamig. Trip (trip"), a. atoot, peep, voetltehting; strutdiglieid. holing, ntiaalag; uitatapje; vaart: gang. —hammer, Tribun a3 (traj-Noe'oel), a. reghtbank. trareghts- arneedhamer. —, v. a. den voet (eon beentie) 113!, rechterstlal. —e (trit.i'joen.), a. gemeenamau; lighten (up,; betrappen; liehten; e. n. struikelen; tribune. can' miaalag begaan; can ttitatapj, waken; triprairobut nay (trib'joe-te•vitt), a. sehatpliehtig„ s. aehateijnebaer; as, schatpliek.tige. —e Triparti tab (trip'er-tait), a. driedaelig. —lion ring, ecans. (-t:a)'tin„ a. verdeeling in draadn. Trice (trai9), a. oogwenk, oogenblik. (trikn., a. streak, list; kurAtgr,ap; poets. Tripe (traii , ' , , a. ingewand, pens. —house, pensgrip; aanwonsel: trek, slag. — for —, leer on hal. —wan, penaonan. —market, pensmarkt. —ry toe, --, v. a. bedAten, foppan; (off. out. up) op- (-ur-ih), a. penalaal. sinntrken; v. n. bedrog plegen. —er., a. Cie Tripetalous (traj-pet'e-lus), a. driebladerlg. Tricktitter &, Trigger. —ery, a. bedriegert(; Triphilmng (trip.thung), s. drieklank. a. —italy, TOO ae (trip'1), a. —y, ad. drlevoudig. --e„ v. a. kunatgreep; (hat) opsmitiarent. verdrievoudigen. —et (-lit), a. driebiad; drietal; ad. bedfiegalijk. ilatig. —iahnesg, s. badriegelijk- drierOwig vera; triool. held, Listighetd, Trl,ekic (triVic1), v. n. droppelen, druipen; b' g- Triplio ate (trip'11-ket), a. drievoudig. —alien (-kee'sjun), a. verdoievoudiging. —ity (traj gales (down). it-tilt), a. drievoudigheid. Trick soase (trik'surn), a. 'Me Trickish. —liter (-atm), a. lietlge bedrieger. —sy, a. Hof, Tripod (trarpod), a. drievoet. Tripoli (trip'o-11), s. tripe' (aardsoort). oat-dig. —track. a. triktrak. Tripp er (trip'pur) a. struikelaar; trippelaar; Tricolor (trarkul-nr), a. driekleur (viag). —ed stotteraar. —ing, a. —iagly, ad. strulkelead; (-urd), a. drieklearig. trippelend, vlug. 'rnitte (trajd), a. vlug, Oink, van M,40,11 kiaar. Trident itrardent), a. drietaud. —, —ate (-et), Tripodin ry (trsj-pjoe'di-e-rih) a. daneend, —ion (-ee'sjun), s. (het) danaen, a. driett.ndig. Triennial (traj-en'ni-e1), a, driejarig, driejaar- Trireme (traprtem),.. galel met dela roetbanken. Trisect (traj-sekt"), v. a. in drie gelijke deelen lijkech. —ly, ad. om de dole Jaren. verdeelen. —ion (-eek'sjun), s. verdeeling in drie Trier (traj'ur), a. crlderzoeker; rediter; tarpons- Keli,jke deelen. ter; toetssteen. (tris'mus), a. kaakkramp. 'rri fallow (trapfe:-!o), v. a. 'coot do derde Triapast (tria'pest), a. hijsehsuig met drie kadriesptetig. ( meal vmp!oege:a. troller. kiemlghe;d. bettzetiog. —e., * (traj'il), (trait') a. tee-, beastenraarkt; samenkomst, a. (away) vert,,zeten; v. n. beuzeben; dartelen. —, —pa, a. somber, trettrig, droevig, schavrasen. —er, a. bonnet., —icy, a ad. b , tnelattittig, o,tb,duidertd. —tog, a- gebeu- Trietyllia bac (tria-11-lebnk). --Neat, a. drielettergreplg. —tie (-Wibl; oak: tris'il-libi), a. nal: kottsv tjlu --layman. TO foliate (traj-tonl-et), a. driebiaderig. —form. weird van dais tettergrepeu. Trite (trait'), a. —ly, ad. veraleten, afgenaagd, (trafforno), a. d..ievortnig. alledaaga. —nese, a. versletenheid, alledaegachTrig (trig'), a. vol, gevutd; net, proper. —, v. a. held. eioPPel.; remmen: --any (-e-inib), t,. dile-
.7 1 &gaff *curl, 4, (sit{-uirtliens), .--/cancy,..hetee- Sin (sin'1,s.zonde. —, v. n. zoadtgen. —offering, kenis; gewicht; nadruti. — icant, a. — icantl. , ad. zoenotter. !,d; Since tains), ad. & prp. sedert, Hinds, long —, — icative ( - ke - tiV), P. .anduidead, sedert tang. —, conj. naardien. dewijl. veelbeteekenend; nadrukkelijk. — kat on ad. opte , ht; zulver. e (.,in-sier'), R. 811.111). s. betenkenis; heterkentng• — y (sien•laj), a. oprechtheid. — ity v. a. heteekenen; beduiden; to he.nnen gegen. —dish,rergiette,t;melk- Slnviput (sin'si-put), 8. voorhoofd. Site (raj!'), a. stijk, Sine (sa'n), a. sinus. zed'. —, v. a. doorzije.en Silence 'sarlens), s.atilzwijgen; geheimhouding; Sinecure (Barne kjoer), e. arnbt zonder week. V. —. v. a. tot zwilgen brengen. —, int. Sinew (sin'jne), a. zenuw, spier; kracht. a. gespierd, sterk. a. hecht vereenigen. — ed, stilts I z‘sAig! Silent (sayient), a. —/y, ad. zwijgend; stern, sal. Sinful (sin'toel), a. — 1y, ad. zonJig. —news, a. zondigh(•d. Stiex (saj'•ks(, a. vuursteen. Sill ca n siri.ke), a. kiszelasrde. —cious (ti-liej•u8), Sing (sing')![soitmsung], v. a. & n.zingen;bezingen. v. a., zengen, c,chroclen. a...kieselaelttlg.—quose(-kwoos"), ..- quous( - kwus)., Singe a. schillig, bastig. Singer (sineur), a. zai,ge,r; zangeres. Silk itaik'), 8. sijde. —, a. zijden. — dyer, zijde- Singing (sing'ieng), a. het zingen; gezaug.--hird, muziethoek. — boy, koorknaap. wryer. — engine, tweernmolen. —goods, pl zij- za,igvagel. den atolf,n. — lace, blonde —man, — mercer, zijd, I —man,voorzanger.—nutater,zangmeeater.—woman, handelaar. — thrower, zijarhereider, -t.eerner., zangetes — wearer, zlidewever. —worm, videwerm. —en Single (sing'g1), a. enkel, mealy, anent: cannon(ai n k'n), —y. a. zljden; zijneachtig; zacht. — en; dig, opreent; ongehuwd. — combat, —fight, twee(biOen,, v, a. zildeschtig !zacht) sunken. geverht, — life, ougehuwde staat. — handed. Ons. drempol; veusterbank. ' handig. — hearted, eprecht. —, v. a. afzonderen, Sill uitachieten; (oat) niikippen. — near, s.enkelheid; Silitsbut. (8il'ie-bub!, a. sillabub (drank v8n ',ammo melk inet viijn en saikerl. ! eenvoudi•heid, oprechtheid. Sill ilv (ail'i n 1•11h), ad , —y, a. onncozel, dom. Singly (ming'glih), ad. eenvoudig, oprecht; afzon(-11.negs), a. ennoorelheid, ton,heid deritik. ad. cial,elvoudIg; Silt 'silt). a. slip, slijfi. —, v. a. aanslibben, doen Singular (sing'gjoe-her), a. enkelvoud. varzanden. eentg, hijzonder, zanderling. s. zond,ling. —sty (•1rett•iih), e. enkelSllvnrr !sii'ven), a. & a. hie ! vondigheid; htizanderheid; zonderlingheid. Silver (811'wur), a. other. — , a. zilveren; zilver- achtig. — beater, zilversiager.. — cloth, zilvertaLen. Sinipt er (sin'ts - turi, — roan, a. — erly, — 10.81Y, — coin, zit( ergeld. Hitt, d e , —gilt, Ser. , ad. linker-; linkach; oneerlbk, snood; ouheilguld zilver. — gray, ztivergrijs. — lace. ztiverga- ,pellend; ongelukktg. tan. — mine, zilverulisjn. — ore, zike , erts. —smith, Sink (singk), a. gootste., n; riool; zinkput. zilversinid.--anake,wortn.lang.—thistle,vrouwen- Sink (aingk'i [sank. sunk], a. a. do. zakken (zin. dismal. — weed, zilverffrui4. —white, ss. & a. zit- kola. dalen); te granderichten, verminderen; opverwit. --wire, ziLverdraad. —, v. a. verzilve- steken; graven; amortiseeren; v. n. zakken. — ing, e. verztivcring. — ling. a. zliverling. ken, dalen; te gronde groan; atnemen; bezwijken; — ly, ad. ztherachtig. —ly, a. zilv,•klearig; zil-! vloeten. — ing, a. zinkend; —fang, anaortisatie veren, I has; — paper, filtreerpapier. lee), a. geliik,00rtig, dergeli,)k. Sinless (siu'less), a. zondeluos. - •ness, e. zunde-ority s. gelisjkaaortigheid, getijk• loosheid huid. —achy, ad. op dezelide wijze. — e ( ii), s. Sinner (sin'nur), a. zondaar. vergelijimig. SSztter Oin'tur), a. sintel. geitlkenis; vergeiliking. —o r (.1,), a apiusliek. Sinam tote Isin'joe•eet), v. a. buigen. — ation (-ea , Simmer (stru'mur), v. n. zacht kuken, razen. s. buigtug. — osity ( - os'it - tihl, s. bochtigSlinon fete (st-ino'ni!ek), a. stmanist. — ical heti'. —our, a. horhilK. , (strn-un•najrikl), rt. schuldtg itan sunonte. —y Siti(saY nus),.zeeboezeM,baiti;holte,OpeniDg Ft (sun'un nth) ; s. tornonie. sinus. Sintoiono (t,i-onoem!), s. samoem (heete win0). Sip (hip), a, teugje. —, v. a. met kleine teugen (Witten; v. u. slurp., lepperen. Simper (sim'pur), a. gemaakte (doinrne) Inch. —, a. n. genaaakt (darn) lichen. Sipe Igajp), v. n. Silsopi a (sirnipl), a. — y, ad, eenvondig; enkel. Siphon (sarfun), 8. bale, pijp, bevel. oaver.,,engd; onnoozel. — e, s. artsebijkruid. — e, Sipper (sip'pur), s. sharper, lepparaar. (sip'pit), e. sopje (sneedje) brood. v. n. kruiden zoeten. --mend, s. eenvoudigheid; onnoozelheid, —ctoa (-tun), a. hal•, onnootele Sir (stir), a. Sir; intinhearblond. —iciry (-pliett-til)), s. eenvoudigheid, on. Sfre (sajr, s. vaier; sire. —, v. a. voorttelen. {-plif.t.kee'sjun),, a. Siren (sarrin), 8. sirene; verleidster. gekunb t eidlield. rereeavoudiging, —ify(-pli-fej), v. a.vereertvou. Siriasis (si-rare-sis), a. zonnesteek. digett. — ist, s kruidkundige. Sirius (sir'i-us), a. hondseter. Sinouroto te (sim'joe.leetl, v. a. nabootsen; vein. Sirloin (sur-lojn), s. lendestuk. zen. —tion (-1er'sjun), s. VeinZing, veinzerij. Sirrnh (sleets), 8. knaapl kerell schavulil Slinositnneous (siln-ul-tre'ni us), a. — 1y, ad. Sirup (sir'up), a. stroop. —ed (-apt), a. met Kalijktijdig. —tress, s. geltjktijdigheid. stroop, zost. —y, a. stroopachtig.

Run let (runlit)„ a. valitje; beekie. —nel (-nil),; Rust (runt'), a. merest; bederf. —eaten, door den s. beekje. —ner, a. looper; renpaard; bode; ge-1 roest verteerd. —, v. a. & n. (deer) roesten; rec'ntedtenaar; uitlooper; mantel. —net (-nit), s.1 (doen) bedeilen. loopend Rustle (rua'tik). a. hue, —, —al, a. —ally, ad. ning, a loopend; kaasleb. renbean. 1 boerech. landelijk. —alness, —ity (-tial'it-tih), a. schrift; —knot_ echuifknoop; boerachi► eid, landelijkheid. —ate (-ti-keet), v. n. Runnion (run'jun), s. p;emeene keret. 1 op het land women Root (runt), s. oncierblijtscl (von dieren). Rustiness (rus'ti-ness), P. roestigheid. Rupee Iron-pie'), s. a opij. h ustie trus't,11, a. genteel. —, v. rt. ritaelen. lasrptloaa trup'sjunl, a. break. Rupture (rupejoar), s. break; vredebreuk. —,, Rusty (rus'tih), a. roestig; ranzig. v. & n. breker, beraten. —wort. brook-1 Rut (rut), s. wagenspoor; bronsf. —,v.n.brons1 ten, bronstig zijn. kruid. a. Rural froe'refl.s.landeii,jk.—i3t., a. landbewoner. lftutta (roth'). a. niedelljalen; ellende. 1 —folio, ad. medelijdend; jamme.eijk. —fatness, a. (-rel'it-tih), --nrss, a. landelOkheid. Rus h (ru,r), t'. hie.; prul; vaart; achok. —candle,1 mededoogen; ellende. —less, a. —leesly, ad. onv. n. stuiven; onellea; barmbartig, wreed. lestness, a. onbarmhartig-light, nachtlicht. held. upon) overvaflen; (upon) zich storten op. —iness (-i-ness), a. biesachtigheld; overvloeti van rice. Rult ter (rut'tjur), a. wecw'jzer, reiaboek, Lee1 fahkel; and reiziger; ervaren soldaat. —ish, a. -p., a. vol biczen. Rusk (rusk), a. mcheepsbeaciatit. taantig% geil. —y, a. vol wagensporen. Rye a. aogge. —breed, raggebrood, —grass IliumArt (rus'ait)„ a. roodbruin, nos.. boersch. dolik, onkruid. —ing, a. asgtappel. —y, R. ! a. boerenkleeding. ! Ryot (raj'itt), s. pachter (in lndie;. roodbrninachtig, roa,ig.

Ruble (roc'hi), a. roa!'el. Rommnge (rum'rnidzj), a. g•rafig; ondeizoe",, Rubric (roe'brikl, a. rood gemerkt. s. ru- geanuffel. —, v. R. doorsnufreien, doorzoekrn; brick; 1'00n:eche kerkregels. —al, a. met rood v. n. snuffelen (for, near). gemerkt; in rubriekert verdeeld. --ate (.ke,1!, v. Rumnber (rutreosur), R. merrier, bokahl. a. met rood tnerken. Rstranor ;roe'mur), a. gerueht. —, v. 8.. veebreiRuby (rne'biht, a. rood. —, a. rob)jo; roode puict. den, uttstrooien. —er, a. nitstrooier. Cluck (rub), a. krettlrel, Wool. —, v. a. brett',n, Rump (romp'), m. atuitbeen; bruin; Tompparlev. n. neerbukkett. ment. —bone, aehaambeen. —fed, dikbuikig. Ruetetion (rub-tee'dji1.11), R. opriaping. —steaks, lapjee van eon lendeatuk. Rudder trud'dur), a. roer. atoorreepko- Roiuiaie (rum 1 r1), u. kreuk. —, V. R. kreuken. ker. --chain,sorgkettlnK. —chock, roerk111, —coca, Run (run). a, loop, gang, vaari.; voortgaug; Ranroerbroeking. —head, roerkoc-, roermal. loop; toeloop, rummer, venom; omzet; bock: spot; —pint/e, roerhsak, vingerling. —dole, morale?. mauler. at the long —, op den dour, door leugte —stopper, roermeninkel. —strap. yneratrop. van tijd. —tackle, roertaiie. —yoke, Job van het roer. Run (run') [ra, run], v. a. loopen; 1,1(41:Iron, Rudd ill14.11(1'11(1. 1 di neon), B. roodheid. —te (rod'- ateken; jagen; Inedevooren; binnensmokkelen. d1), a. roodaarde. —ock (-4lukk ro.dbor.t.i.- —aground, eau den grond setten. --the hazard A. rood, blozend, of op 't repel zetten. — a horse, galoppeeren. Rude (rood'), a. —/y, ad. ruw; grof; Comp; onbe- — the risk, hot gevaer loopen. ;down) (nevertiellaltd. --near, a. ruwbeid; lompheid; onbe- loopen; in den pond zeilen; tot zw -kjgen brawn, aehenfdlield• in minaehtintr beengen. (out) doorbrenven. Iover Itudent.r. (roe'den-noer), a. kabeling (Ran doorloopen. (throrgh) dooriteken; doorbroneen. sullen). (up) °platen; opdrlIven; ophernelen. —, v. Rudiment (ree'di-ment). a. grondbeginsel. —al loopen, Teuton; vioeten, ,,troonien; ettoren; (-ment'el), a, aanvankelijk. druipeu, lekt, en; straiten; Itticien. — counter to, Rue (ror'), a. wijnruit; berouw. --,, v. R. betreu- eandrutachen tegen. foot of, in den W.nd root; berouw hebben over. —fat, a. —fal?y, ad. varen, overzeilen. —high, bolatasn; hosg toupee. treurig; berouwhebbend. ---fatness, a. treurigheid. into debts, Bch)) Wen ma— coed, gel( word.. insail' (ruin, a. p leat; hal,krnag, kapperne; good- ken, not of one's wits, zijn veratand verli,zen. imam kerephann; tract; hoadte. —, v. a. kreo- — to seed, sand zetten. (about) )0.4).01)*!) , ((Vier) ken; troeven. naloopen; it/nu:en. (down) aratrournen, afdrotpon. Ruffian (rurnen), a. —1y, ad. worst, barbearscit. (in upon) toelonpe, op. (in with) Watt:rumen met. a• woeatelinr, barbaer; booiwieht; ntoorde• (off) wegloopen• (on) volrtgann. (cot) of-, —like, R. Zte Rvalflenay. loopen. (over) overloopen, (through) dooyloopen. Ruffle (rut'il), a. manchet. lob, horn; getfer, (up) 01) 1 . 0 1,, n; ()Mu.) , (ep to) tuele,open 0 1, brakeel; roffet. —, v. a. fr,,mmelen, k•eulten; —away, a. vittehteling. plooten; bijeen capon; in verwarring brengetr; (rued'. ar tidle (run d'di ), rol, rorldsel; sport. doen ontatellen; v. ruw wordon; krakee)en; lit), a. vaatje. fladderen. Mine (corn), a. ronemchrift.


wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.

Wat is de meest winstgevende cryptogeld de mijne


(-1'ne), w. Chrisg. Christiania. tina. —opher, (-uf-ttr), re. Chrtstophorue, toffel. Chrysostom. —ostom (-us-turn), Chrys (kria , ), P. noon m. Chryeostomus. Cicero (sts'e-ro), m. Cicero. a. Clasabri (airebri), Cinnbren, Kimbren. Clmbriseb, Kimbrisch. Cincinnati (sin-ein-nail), g. Cincinnati. Circassta (eur-kespl-e), g. Circassie. —n, a.. Ctrenseiscb; 1. Circassler. f voor Cechy. Cis Clara (klee're), w. Clara. Clarence (kleeens), g. Clarence. Clarendon (kleeen-dale,), g. Clarendon. Claudius (klao'di-us), m. Claudius. Clem (klem"). f. voor Clement. —eat, in. Clemens. Cleopatra (kii-o-pee'tre), w. Cleopatra. CiaVer (kltevz), g. Kleet. Clio (klaj'o), my. Otto. Clive (klajv), m. Clive. Clyde (tlajd), g. the —, de Clyde. Cozhrane (kok'ren), in. Cochrane. Coeytus (ko-eartusi, my. Coeytus. Coleridde (kool'ridtj), ns. Coleridge. Cologne lko-loon'), g. Kenien. Cott (kon'), —ny, f. voor Constance. —rad (-red), m. Koenraad. Constan cis (kou'etens), w. Constance; g. Constants. —tina (tt'ne), g. Constantine. —tine ), m. Koustantljn. —tinople (41-no'pl), g. Cons' antinopel. Copenhagen ilco•pn-haegn), R. Kopenhagen. Cordilleras Ikur-dit'le-res, kor-diel jee'-res), g. the --. de Corlitilk.rae. Corinth (koeinth), g. Korinthe. —ian (ko-rinth'ien), Korintiseh; 1. Korinther. Cornell a (kur-nrii e), w. Cornelia. —us, in. Cornelius, Cornelis. Corsica (kor's1..ke), g. Conic*. —a, a. Corsicaanaali)1. Corstcaan. Courtray (koer-tree'), R. Kortrijk. Coatis (koeta), m. Coats. Cowes (keen), g. Cowes. Cowper (kan'eur), m. Cowper. Cracow (kras'ko), g. Krakau. Crecy (kree'slb), g. Crecy. Crate (Wet), p. Crete. Crimea (;trim-re), g. the —, de Krim. Crispin (kriepinl, m. Krispijn. Croat (kro'et),i. tamest. —ia (-ee'aji-e), g. Croatia. Crouse (kroe'iso), m. Gruen.. Culloden (kul-lo'dn), g. Culloden. Cupid (kjos'pid), my. Cupido. Corsica° (koe-re-seop, g. Curacao. Cybele (aib'il-i), my. Cybele. Cyclades (stkle-dice), g. the —, de Cycladen. Cyclops(sarklopal, my. Cyclopen. Cyprian (sin'rt en). m. Cypriaan. CypTus. Cyprus (saj'prus), Cyrus (sarrus), m. Cyrus.
c. CabuI (ke-boel'),g. Cabul. Cadiz (kee'diz),g. Cadtx. Caesar (siitur), in. Cesar. —ea (.se.li'e), g. Cesarea. Ca ffrarla Ike free'ri e), g. het Kafferland. Cafire (ketfur), I. Kaffer. Calapha (kee'e-fes), m.Kajaphas. Cain (keen), M Hain. Cairo (karro), g. Caro. Calabria (ke-lee'bri-e), g. Calabrie. Calais (ken*, g. Calais. Cnicutia (kel-kut‘te)., g. Calcutta, Caledonia (kel-e-do'n1-e), g. Caledonie, --n, 1. Caledonier. California (kel f-for'ni-e),g• Californle, Calliope (kat-taro-pi), my. Calliope.
—idokje, hare-bell. -400rts, spring-fever. —lied, vernal-song, —Need, spring-time air, vernal air. —emend, spring-month, March. —incrusts, morning in spring, —nachterexing, vernal equinox. —tijel , spring-time. —weer, spring weather. —son, vernal sun. Leaman, on. w. to free; to harpoon; on. w. to *Qua, to spoon. Lip, m. kick. Lepel, in. spoon, ladle; charger; (can een haat) ear. --bled, bowl (of a spoon;; spodn-wort, scurvygrass. —host, —.Aft, spoon-meat. —steel, handle (of a spoon). —stok, handle (of a charger). —link, small piece of artillery. —vet, spoonful. —sucAt, want of food. —ear, m. spoon-bill. —en, on. ar. to eat with a spoon Lap pen, ov. w. to rip, to lap; to bib; to kick (the ball). —lam, pet-lamb. —per, m. sipper, lapper. Lepperen, ov. & on. w. to sip, to lap, to bib. Leprome, by. leprous.—, m. leper.—heid,v. leprosy. ',ern:manhole, o. hospital for lepers. ',crater, v. eipper,.leprer. Lee, v. lesson; precept ; lecture. {emend de — lesen, to lecture (to rebuke) a. o. —heck, lesson book. —geefster, —veer, private teacher. Leach lank, us. —tray, cooler, quenching-tub. —drank, cooling (refreshing) drink. —water, quenching weter. Lesseb en, sue. w. to quen,b, to slake, —er, m. quencher. —ing, v. quenching, slaking. Leesieurteer, na. desk. Letsef, o. hindrance, impediment, obstacle; butt, injury, damage. Letters, oc. w. to hinder, to keep from; to ail; on, w. (op) to mind. to attend to. Letter, v, letter, character; ttjpe. naar de —, literally. —hoes, lettered man. —bake, latter-blokken, hard study. —bode, literary messenger. ecroitich. —diet, plagiary, pirate. —diefstal.—dieverii, plagiarism. —dash, nain.pier. —druk, impression, letterpress. —gieter, letterfounder. —oieterti.lettor-foundary. —greep, syllable. —held, man of letters, eminent Monitor. —heist, speckled wood. —has, letter cane. —heir, —kearclicht, —vergetting, anagram. —kennie, learnlag, erudition. —kloek, lettered. —kunde, literature. —kundio, literary, lettered. —kundioe, man of letters, literary man. —kunst, grammar. —boaters/Jar, gramtnarten. —nterk, character. —minnaar, lover of literature. —nieutee, literary news. —oefening, study, literary occupation. —schrift, writing (in letters). —.Oder, —steker, type-cutter. —soort, sort of types. —teeken, sr• cert. —wipe, knowing the letters; — in, having the knock of. —setten, composition. —setter, compositor. —sifter, caviller, critic. —sifterv, —sifting. cavilling, criticism. —en, v. . inv.letters, literature; awe — your letter, yoar favor. de fraaie —,, polite literature; in de — atadeeren, to study literature —en, ov, a. to letter, to mark. —10k, be. bw. literal (-1y). —tje, o. little lettar; eels — sekrtiven, to write a fevelines, to drop a line. Cougop, v. lie. —bank, comnany of liars. —facet, —tap, —sok, arrant liar. - Frofeet, false prophet.
Monopol 1st (mo-nop'o-list), —izer (-lajz'ur), droomerig, druiloorig bijziende. s. alleen-handelaar„ opkooper. (-lajz), v. a. I —ing, —ish, a. droomcrig, stomp. —ishness., a. opkoopen; aan zich trekken; v. n. alleenhandel j droomerigheid, druiloorigheid. drijven. —y, a. aileenhandel- Mop pet (mop'plt, —sey (-sib), R. pop, popje. Monosperntous (mon-o-sguemus), a. Unzadig.; norms (mo'pus), a. drailoor, droomer. Allossontich (mon'o-stik), s, 66nregelig vers. Moral (mor'el), a. zedeniter. —, a. —ly, ad. zeMontsaylItt bic (mon-o.sil-lch'ic), a.; delijk, deugdz.uam. —lit, s. zedenmtester. —ity
CIEL. --kilt, money-chest. —lade, till. —Iscning, loan. —ssakelnar, money-broker. —markt, money-market. —asiddeles, fiancee. —saunter, coiner. —nood, distress for money. —owner, money-borrower. —plakkaat, money-edict. —riem, belt (girth) for yin o ney.--tehaal, money- balance. --achiefer. moneylender. —slaan, o. coining. —anoeien, o. moneyclipping. —snoeier, money•clipper. --eonr,eum of money. —stuk, piece of money. —tafet, moneybosrd, counter. —trots, purse , pride. —rerlegenhes:d, pecuniary erobaeraroeient; in -- eijn, to be hard (,reared for money, to be hard pushed, to be bard no. —terties, loon of money. —winning, money-rnekieg, —zaak, money-matter. —.eat, love of money, coretoueneee. —zuchttg, greedy of money, covetoua- —eon-Lk/op, circulation of money. —sumanie, money's wort h. Getilde Mk, by. pecuniary. —loot, by. moneylean.
Being a student on exchange really lets you explore new cultures from a completely different perspective. You will meet lots of other exchange students from all over the world, make local friends and by the end of your exchange you maybe even have a home away from home. Our students recommend to just make sure you go on exchange and enjoy it to the fullest. 

Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.

Kun je af te schrijven bitcoin verliezen


Levant (le•vent'), g. Levant. Levi (Wye)), m. Levi. Lewis (Ijoe'le), m. Leyden (lardn), g. Leiden. Liberia (laj-bi'rl-e), g. Liberia. Liege (liedzj), g. Luik. Lille, Lisle (llel), g. litjesc.1. Lily (1111h) w. Leila. Lima (li'ma, laj'ene), 7. Lima. Lincoln (ling'ituni. g. Lincoln. Lingftrd (11)-ig'gurki), m. Lingard. Linnaeus (lin-nl'ue). ne. Linneus. Lisbon tliz'bun‘, g. Llesabon. Lithuania (1)th-joe-ee'nl-e).g Litbauen. g. Liverpool. Liverpool I 111.1 no), —p, m. LiNiun. —onia Liv g. Lljiiaed. Lizard (lieurd), g. the —, _'s Point, g. kaep Lezard. Locke (lok), m. Locke. Lonabard (inm'burd), i. Lombard. —y, g. Lout. bardije. London (lun'dn), g. Londen. L orraine (lor-reen'),g. Lothsringen. Loulciana (loe-is-i-a'ne), g, Louisiana. L ouvain (toe-veen'), g. Leuven. Lucas' (ljoe'ken), m, LUCtialls• lLuclen (ijoa'sji en), m. Lucia -tug. Lucifer (ljoe'si.fur). my. Lucifer. Lucreti a (ljoe kri'ejt-e), w. Lucretia. —us, m. Lucretius. w. Lucia, Lucie. Lucy Luke (ijoek), m. Lucas. g. Lausitz. Lusa ce (iolests), —lia Lybia ( 1 11)1-e),g.Lybie. Lycurgus(laj.kur'guel, in. Lycurgus. Lydia (lid'i-e), g. Lydie. Lyons (lartins), g. Lion. m. Lyda& Lysirts

The programme is named after the Dutch philosopher, theologian, Renaissance Humanist, monk, and devout Roman Catholic, Desiderius Erasmus of Rotterdam, called "the crowning glory of the Christian humanists".[1] Erasmus, along with his good friend Thomas More, became one of the main figures of European intellectual life during the Renaissance. Known for his satire, Erasmus urged internal reform of the Catholic Church. He encouraged a recovery of the Catholic Patristic tradition against what he considered to be contemporary abuses of the Sacraments and certain excessive devotional practices. He famously clashed with Protestant revolutionary Martin Luther on the subject of free will. ERASMUS is a backronym meaning EuRopean community Action Scheme for the Mobility of University Students.[1]

Stook (sleek), s. sehaof; v. R. in schooven binden. Stool (steel'). a. stoeltje, bankje; loot, uitopruitstoeleang. --halt, eteelbel (mt,e1z), pl. moederplanten; voetirig der galerti, runt noon de pardoens. Stoop isteep'), s. (bet) bukken; neerschieten; nederbuhe;en; stoop; Stoep, hordes. —., v. a. buigen; onderwerpen; v. n. htikken; bulge's; op zijcle helm nederstriiken (upon); (to) etch verlagen, — nederbnigen, — onderwerpen, bukken noon, toege".. a. —in/Y/Y, ad. bnkkend.

Hoe wordt cryptogeld geregeld


BOV —BRA Bovenate, bv. uppermost. o. uppermost pert, top, summit. Hoven steal, v. treble, distant; soprano. Boventaand, m. upper-tooth. Boventoon, in. high tone. den — singes, to assums an air of superority. Bovenvereilepttag, v. upper-story. Itovescwoning, v. iodgiug above stairs. Bovenzaal, v. upper-hail. liovenzUde, v. Zie Bovenkant. le ovenztnneakjk, by. metaphysical. Bread anal, m. spitch-cock. —appel, m. roasted apple. —haring, rn. herzing for broiling. —Vv.?, —rooster, o. gridiron. —oven, m. frying-oven. —pan, v. frying-pan. —nail, o. windlass, capstan. —spit, o. spit, broach; rapier. —spittlraater, m. turn-spit. o. meat to be roasted, roastbeef —vet, o. dripping. —worst. v. !sewage. Iliraaf, by. & bw. honest (-1y), virtuous (-1y), upright (-1y), just (-Iy); brave (-1y), gallant (-1y); a good deal. —held, v. honesty, upriehtnees, integrity; bravery, valor. Break, v. breaking, burglary; breach, brake —, by. fallow, waste. —drank, emetic, vomit., vomitory. braking-iron. —jaar, year in which a piece of ground lies fallow. —land, fallowground. —lust, ounces, qualm. —middel, use Braakdrank. --xi*, emetic wine. —te(insteen, emetic tartar. —world, ipecaeuanha. —eel, o. vomit. Bream, v. black-berry, bramble. —bezie, blackberry. —back, bramble, brake, blackberry-bush; burning bush. — struik, bramble, blackberry-hush. Brabbel ear, .—carater, v. jebberer. —en, ov. & on. w. to jabber. —fetal, gibberish, jabber. —ing, v. jabbering. Brad en, or. w. to roast, to fry, to broil, to bake; to bream. gebenden vleeseh, roast meat. —er, m. roaster; cook. —erij, Y. cook's shop. Beak, na. setting-dog, setter, beagle. —, by. brackish, briny. —held, v. brackishness. Brak en, ov. w. to vomit; to brake. —er, m. vomiter. beaker. —ing, v. vomiting; braking. Brattier*, on. w. to brag, to boast. Bram, m. lord. den — uithangen, to lord it. — toeren,to set the top-sails. —ra, top-gallant-yarde, —steep, top-gallant-mast. --eon, top-gallant-xeilvkoelte, top-gallant-sail's breeze, fresh gale. Brand, in. fire, burning, conflagration; fuel, firewood; . blight, blast, mild. w; inliammatioe, erupgeraken, to cateh (to take) lire. in — tion. in me,oure. steken, to set fire to, etaan, to he on fire. in Boyenineester, rn. heact.ne ester, to set on fi:e. in den — titter, to be in a scrape. sit den — helloes, to help out of a scrape. Adder Baveremeneehei Uk, be. superhuman. ale ern —, quite clean, without the least spot 114,vectinntleetr 'rude, v. metaphysics. —kun. be. supe-natural. or stain. —brief, incendiary letter- —emitter. liredig, be. metaphysical. bucket. —helder, ate Brandsritsoistan. --bout. fireBovenop, bw, on the top (or), er /comes, to wood, fuel. —has. —kart, lire-proof gain the better, to restore one's self. box. —klok, fire-bell. — koren, blighted corn. lic.v,, ett morn, o. upper-casew.eet. —kraal, amber-bead. —kruid, mullein. —ladder, Boveatreend, m. uppermost border. fire-ladder. —latuto, colt'a-foot. —ltin, caustic Bovenrapg, tea. precedency, superiori ty. curve. —lucid, tie Brandrenk, —trees, coalBow 1,t.rok, us. upper-coat; upper-petticoat. mouse, —wester, chief fire-man, stperintendant lloveirseli o. upper-works. dead-woiks. of the fire-brigade. --neck, burnt-mark; stigma, Illowetastrantsd, be. above-mentioned. stain. —marten, or. w. to mark wit a red-hot 31c:evens tad, v. upper-town.

MOP.- MON. Tied crat In (mod'ur-et), a. —tely, ad. gem atigd, Monach al (mon'e-kel), a, monniks-; kloosterlkjk; eenzaam. —ism (-kizm), s. rnonnikenwezen; kloosmatig, middelmatig. —re (-eat), v. a. matigen, terleven. temperen, does bedaren; v. n. bedaren. —tenets t-et-1, a. gernatigdheid; middelmatigheid. —lion Monad (mon'etl), a. ondeelbaar lets, monade. i-ee'sjun), R. gematigdheid; hetlaa7 dheitl. --for, Monarch (mon'erk), a. al leenhearscher, monarch. -rat, (mo-naark'el), —ic, —icel Ono- naarklk- j, a. (-en- tar), s. tnattger; vredernalrer; voorzit'er. alleenheerachend; vorstelijk. —ist, a. voorstander oderii (mod'urn). a. nieuw, nieuwerwetsch; der monarchic. —ice (-ajz), v. a. ale monarch bes. hedendaagache, tijdgenoot. hedendaagsch. —ism, a. nieuwigheid. —ize (ajz), v. a. nieuwer-1 heerschen; v. n. den monarch spelen. —y, a.alleenheerschappij; monarchie. wetach maken. —nest, a. nieuwemtachheid. Modest (ruod'tst), a. —ig, ad, hescheiden; zedig; Monaster ial (mon-ea-ti'rt-e1), a. kloosterlijk. —y (mon'es. ter-ih),a. kleoster. ingetog,en, Perim?. —y, s. zedigheid, Ingetogenheld, eerbaariteid; —piece, kanten hoezernstrookje. 171onastle (nao-nes'tik,, s. kloosterling —, —al, a, —ally, ad. (-tikl-), klooaterlijk. —ism (-ti-sizm), Modicum (mod'i-kum), a. weintgjs. a. kloosterlaven. Modifiable (mod'i-faj-ibil, a. vatbaar voor wij—ication ;41- kee'sjun), s. wijziging. —y, Monday (mun'dee), s. maandag. to make a saint ci - masndag houden. V. R. wijzigen; verzachten; — upon a matter, een Monde (mond), a. wergild; rijksappel. onder•erp uitputten. Modish (rno'disj), a. —1y, ad, modiech, naar de Monetary (mon'e-te-rih), R. gelsleiijk, geld-. Money (mua'ih), a. geld. ready —, in hand, mode. —rem a. moderucht. gereed geld. to make —, geld verdlenen. to make Modal ate (mod'joe-leet)„ v. a. , de stem) buigen, — of, is gelde maken. —bag, geldzak. —balance, rooduleeren. —ation (-lee'sjun), a. stembuiging, geldschaal. onderstands bill. —box, spaarmodulatie. —ator, a. mtembuiger. —e (-joel), 3. not. —broker, gellhandelaar. —changer, wissemodel, monster. filar. —lender, geldschieter. —making, geldwinModwall Imod'vcaol), a. bijenspeeht. nine:. —matter, geldzaak. —proof, onomkoopbaer. Mogul (mo'gul),s. Mogul. —serivener.geldmakelaar.—'8-tvorth,geldswaarde. Mohair (rno'heer),a, kernelshaar. k (mo'haok), s. straatroorer. —wort, penningkruid. —ed (-id), a. rijk,berniddeld. Mob Molder (mol'dnr), v. a. verbluffen,verlegen waken. —er, a. witselaan.mtinter. —less, a. zouder geld. Monger (mung'gur). s. koopman, kramer. ed, a. vermorseld, fijn gewreven. Mongrel (mung'gril), a. van gemengd rat, Moiety (morit-tik,), e.belft. bastaard. s. bastaard. MiLoti !me))), v. R. be& ijken; lawellen, afmatten; Monied (mun'id), a. rijk. bemiddeld. v. n. zwoegen„ sick sf'looven. Moist (rnojat,')., a. vochtig. —en (nnola'n), v. a. be- rtionish (morilaj), v. a. vermanen, waarschuwen. vochtigen. (moja'n-nr), a. bevoch tiger. --er, R. vermaner, waarschuwer. Monition (mo.nisPun), a. aantnaning, wenk. —nese, —ore (-joer), e. vochtigheld. —ory, A. vermanend , Monit lye Moke (mock), a. mast. net •erk. Moky (mo'itill), a. don kPr, somber. nars,huwend. —or, a. vermaner, waarschuwer. Molar (rno'ler), a. fijomalend, moat-. - tooth, —cry, s. vermaning, waargchuwing. Monk (mungk'), a. mon•ik; vlek (hi) drukkeral. MR3,1tR11(1., kies. —fish. zeeengel. —sheet, vet miadruk. —'s-head, Mol aarven lmo-les'siz), a. suikerstroop. Mole (moor), ps. tool; dam, havendam; moedervlek. papenkruid. —'s-hood, monnikakap. —"a-rhubarb, monniks-rhabarber. —cry, a, monnikenwezeu, -le--bat, ven. —hood,a.monnikachap.—iah,a.monnikachtig. mollenvanger. —cricket, veentuol. —eyed, met seer kleine oogen. —track, moilengang. —trap, Monkey (mung'kih), a. Rap. —flower, guichheil. —"e-bread, apenbrood (plant). mollenval. —warp, mol. —, v. n. molshoopen opMono chord (mon'o-kord), a. eenanarig apeelruimen. Molecule (mol'e- kjoel), s. stofdeeltje. trig, —chrome 1.1croom), a. eenkleurtg schilderMolerit (mo-lest'), v. a. overlast aondoen, kwellen. stub. —chromatic (-kro-met'ik), a. eenkleurig. —Winn (mol-ea-tee'ajun), a. overlast, Wed. —er, Monocut ar (mo-nok'joe.ler), —out, a. eenoogig. T►llonodon (mon-o'don), a. zeeeenhoren. a, verontruster,kweller. Moll! eat (molli-ent), a. verzacht,d. —feeble Monody ;rnon'a-dth), 8. alleenzang. ( faj-ibl), a. verzachtbear. —,fication (-fl kee'sjun), Monogstm 1st (mn-nog'e-mist), a. vijand van a. verzachting. —fler (-faj-ur),s. verzschter. het bertrouwen; die dêne vrouw heeft• a. huwelijk met 6ene vrouw. (•faj), v. a. verzachten,'Ienigen. Mono grant (raon'o-grem), a. naameiger; SAMollusk (11110P1i100, R. weather. mengestelde letter, ldnregelige rspreuk. —graph Molt. Zie Moult. (-grei') s, beschrijving van eene enkele zaak. Molten (mool'tn), a. gesmolten. Moly (molih), a. wild knoflook. —PraPbY (mo-nog're-fih), a. lijnteekening; Monograph. — UM (-11th), e. gedenkzuil nit Mollybdena (mol-ib di'ne), a. waterlood. a. alleenapraak. 6dn stern. —logue lone (moom) ; a. totskop, domoor. Moment (mo'mint), a. oogenblik; gewicht,belang. Monomachy (mo-norn'e-kih), s. tweegevecht. Monomania (mon-o-mee'nI-e). a. monemanie —orgy, ad teder oogenblik. --ary, a. vluchtig, voorbjjgaand, kortstoadig. —out (-ment'us), a. Mononne (mon'om), a eenvoudige groothetd. gewichtig, van belting. —um (-men'tnm).s.beweeg- Monopnthy (mo-nop'e.tik), e. alleen•laden. Mr,nopetaloos (mon-o-pere Ins), a. tlenbladig. kracht, sandrijvingakraeht; toppunt.
STA. net. —ing-horse, schietraard. --y, a. bard ale een els. stengel; stokkerig. ment (ate-bil'i-rnent),s.bevegtiging,vast.. Stall (staol Pa, a. stal, kriln etalletje, pothuis, held. —ty (.it-tih), vaetheid, hestendigheid. kraam; koorstoel; bank. —boat, kleiee boot. —fed, Staple (stee.b1), a. beotendig, duurzaam, vast. op stal gemeet. —feed, op stal mesten. —keeper, —mess, s. beatendigheid, ditur,aamheid, vast- stalletjesrnan. —money, s,anrgeld. —worth, ale held. Stalwart. —, v. a. stollen, op stet zetten; v. n. Stehle (stee'hl), a. stet .-boy, steltongen.—kee. op stal Intim; wonen. —age, a. atalgeld; ostaen-, marlitgeld. per, stnlhouder. —man, stalkuecht. —yard, ;nest- s. springhPnTst. werf. —, v. a. stollen; v. n. op stal staan. Staccado (etek-Iree'do), a: panlaerk, stake/eel. Stalwart (staorwurt), x. kloek, dapper. Stack tstek), a. hoop, stelae!, schetr; rij. -ewood, Stamina I eteml-ne), a pl. grondstof; ' ,mete be-
AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to

cryptogeld arbitrage


wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.

Wat is de meest winstgevende cryptogeld de mijne


loodevatawaier. —, v. a. loodeen. —aye, B. hoods- Finitude, (pin-tee'do), s. pareibloem. Pint) e Ipin'ti). 8. speldje; pinnetje; tap, bout; geld. roerhaak. Pilons (paj'lus), a, harig, ruig. Pinnie Ipin'jael), a. vizier (aan eon astrolabium). Pilser (porsur), a. nacht-, lichtmot. Piny (parnih), a. vol p;jnboomen. Pitneast (paj'ment), s. kruidenwijn. (paj•o-nier'), a. achansgraver, pioneer. Piment nj(pi-nien'te), —o (-toi, a. piment, epaan- Pioneer —, v. a. & n. pionierawerk verrichten. ache p aper. I'lw p (pimp'), a. koppelaar. —, v. n, koppelen. Phony (paro-nih), s. Zie Peony. —ernel ( ur-nel), a. pimpernel. —ing, a. gedien- P10115 (pafue). a. —ly. ad. vroom, godvruchtig; liefdevol; ouderlievend. stig; odleckt, nietig, geeing. Pip (pip;, a. pip (vogelziekte); oog (op apeels. puietje. —d, a. puistig. ptingqe kaarten), appelpit. piepen. a. speld; pin; stift; schroef; apia, bout, rin Pipe Obi drevel, luns; roostok; luira; beuzeling; oogvlek; (Pail)'), a. PUP; buts: fiaitje; stem. —clay, a. pijpaarde; v. a. met pijpaarde iniddelpunt. —basket, nestkuiken; laatste kind. —cushion ) , '4.strijken, —Ask, pupu tech. —Laying, het knoeien —bit, boorijzer. —case, naaldenkoker.. —feather, kanselarij 'der schatbu verkiezingen. —office, . 1 18 —dust, aPeldeavi3 bpeldenkusseu• ,,clauthok. kamer. —stake, speerhaak (aambeeld). —tree, seetoppel —feathered, niet vlug. n. op-head, speldenknop. bole, spAldenprikje. —maker. ringeboom. —weed. pihkruid. —. v. a.a.&pijper, speldenmaker. —money, speldengeld. —tail,—tail- de dolt spelen; flatten, piepen. —r, fluater, specimen. duck, piThtaart (eend). —tongs, pl. schuiftangen. Piping (paPpieng), a. teak; mat; kekend. —vice, veerscbroef. —wire, koper-, epeldendraad. —, v. a. va,otepelden; vastmaken; noluiten; Pipkin (pii•kin), a. potje, pannetje. Pippin (pip'pin), pi pelting (appal), (down to) binder eau; (up; opspelden. Piquan cy (pik'en-sth),s. scherpte,stekeligheid. Pinafore (pin'e tsar), s. schortje, slabberje. —to.—t/y.ad.scherp,prikkelend;stekelig,tobtend, Pinuster (pi-nes - tur), a. Wilde pijnbc,om. (piek), R. wrevel, wrok, geechil; gevoeligPique pl. klauv.en, nijpers; voorPincers (pitesurz), , hood; zestiger (in 't piket). — of honor, pant van tanden; pellikaan (tang;; nijptang. a pair of v. a. prikkelen; beleedigen, krenken; ee. cane nijptang. — one 'd self (in. on. upon). itch beroemen op. suuifje. Pinch (pintsf), a. leneep; bleu), nood; v a. knijpea, Piquet (pt-Itet'), a. piket (kaartspei). at a —, in geval van owed. Pleas cy (parre-sih), so. zeerooverij; letterdievetki; 't nauw drukken, pijnigen; nijpen, khet) nadrukkon. —te (-ret), a. zeeroover; roofbrengeo, \Yellen; v• n• knii pen. niapen; in 't nauw bchip, letterater, nadrukken. —te (-ret), v.a. roozi,jn; kirig (vrekkig) leven. —beck, s...spaisbek. nuper; Trek. yen; nadrukken, namaken; v. n. zeeroof plegen. —fist, —penny, vrek. —er, a• —tical (retiikl), a. roofzuchtig; roovend. —ere, pl. Zie Pincers. ',appal; an.' Pirogue (1 , i7roog'), s. boomechuitje. Pine ker- Pist,a ry (pialre-rth), a, vischrecht; vischmarkt; —grossbeak, blauvgvleugel. nay. —creeper, vischbun. —tory (-tur-rih), a. visch-; vtaschers, boom- senbijter. -grove, odjnboschje. martin, marter. --thistle, bleu ve dietel. —tree, pijnboom. Floe es (pis'-iez), pl. de Visschen. --tine a. visch-. —ivorous (-siv'o-rus), a. vischetend. —, v. a. van verdriet does vergittu; bejanomeren, v u. knilzen (at.) (away; wegkwunen. (after for, Fish (ptsj), int. bah! foci! —, v. n. afkeer betuigen (at). emachten near. —at. (pin't-el), a. pijnappelachtig. Pisifor in (pis'i-form), a. erwtvormig. ananae•kweekerij. —ry (-e-rib), Pismire (plemaJr), a. mier. Pingle (ping'gl.), a. kampje Piss (piss"), s. pis. —asphalt, bergteer. —burnt, Pinguid (pinegwid), a. vet. pisviekken. —, v. a. & n. pissen. —a-bed, Pinion (pIn'jun), a. vieugelspite, slagpen, wick; met pissebed; paardebloem. —ing-evil, pisvloed. boutje; radtand, rondsol; armnoei. —, v. a. de —ing-place, piahoek. vleugele binder; boeivn, kluieteren. —ed (-fund), Pistachio (pis-tee'sjo), s. pistache, pimpernoot. a. gevleugeld. (pisitil), etampertje. —laceous (-lee'sjus), Pink (I)IIFIC), a. anjelier; oogje; vleeschkleur; top- Pistil punt, puikje; pink (vaartuig); grondel. —colored, a. op den zaadknop groeiend. --livery. (-lirvleeschkleurig, bleekrood. —eyed, met kleine met een stampertje. (pis'tul), s. pistoo.i. —bag, —case, holster. Pistol (wen, —paper, rood papier vase kunatbloemen. —proof, tegen pistoolschoten ---sterned, met een smallen achtersteven. —, v. a. —butt, postoolkolf. doorateken; uitsnijden; met oogjes maken; v. n. bestand. —shot, pistoolschot. —, v. a. met ens schieten. knipoogen. —er, a. doorsteker; uitsnijder. pletool Piston Ipiretun), s. zuiger teener pomp). Pinnace (pin'ues), a. pines. (pit'), s. put., pit, kuil, groove; graf; afgrond; Pinnacle (pin'nikl), a. tinne, kasateel; toppunt. Pit bak, parterre, strijdperk. —coal, steenkool. —fall, —, v. a. van tinnen voorzien. a. valput; valstrik; v. a. in valkuilen leiden.—hole. Flaunt e pitenet). —ed j-nee-tid), a. vleugelvor- (-net'i-fid), a. vedervormtg kuiltje, pokput. —man, mijnwerker; onderman (bij mig; gevaderd. houtzagers). —saw, kraanzaag. —, v. a. met pitten gespleren. —iped (-net'i-ped), a. vinvoetig. (kuiltjes) makes; aanhiteen. Pints er (pin'nur), to. vastspelder, -Pinner; spel- Pit-a-pat (pIt'e-pet), s. klopping; trippelgang. —, denmaker; opzichter eerier schutkooi; strook; ad. tiktak, tikketik. lasso mats. —ock (-nook), s. mees. (pitsj'), s. pek; grootte, hoogte; g mad, topPitch bierkan. —pot, (pajnt,, s. pint. Pint
Tusk (tusk'), o. elagtand. —y, a. met slag. tandem. Tussle, Toilette (tua's1), s. gescharrel, woreteling. Tut (tut), int. Zie Tufa,. Tote! age (tjoe'te-lidzi), a. voogdtj. —ar, —cry, R. bosehermend; bescherrn, Tutor (tjoe'tur), a. voogd; leermeester; repetiteur; gou verneu r. —, v. a. onderri olden ; bort. p en. —age, a. vooletit; leermenstersehap. —ess, s. leermseeteree, gouvernante. —ial, (-to'ri-e)), a. van een' voogd 0 f let.rmeester. —ship, a. gouverneur; eektp. Tatty (tutitih), a. ovengalmel, sublimaat van rink. Twaddle (twod'd1)... & v. n. Zie Twattee. Twaiaa (tween), a. & a. twee, tweeen. Twang (tweng), a. ache! geluid; trilling.; gerekte uitspreak, neustoon. —, v. a. & n. (doea) trillen, anorren; door den news spreken. Twattle ftwot't1), a. gebazel, gekakel. v. n. bazalen, kakelen, kletsen. —r, a. bazelaar, kakelaar. Tweak (twieg), Tweak (twiek), a. kneep; verlegenheid, klein. —, v. a. kntjpen. Tweedie (twie'd1), v. a. each; behandelen; strealen, vleien; verleiden; fiedelen. kraesen. Twee' (twiel), a. & v. a. Zie Twill. Tweezers (twie'zerz), a. pl. haartangetje. Twelfth (twelfth'), a. twaaltda. —day, —lids, driekoningendag. —night, driekoningenavond. —ty, ad, ten twaaltde. Twelve (twelv') a. twaalf. —month, (ook: twer•)t j car. Twent t.th (twen'ti-ith), a. twintigete. —y, a. twintig. Twibil (twarbil), s. hellabaard; breektjzer. Twice (twaja), ad. tweemaal. Twifallow (twarfel-lo), v. a. your de tweede mast omploegen. Twig (twig') a. takje; roede. —, 7. a. met lijmroeden vangen; verechalken. —gy (-gill), a. vol takjes. Twilight (twarlajt), a. sehemerend. a, acheveering. Twill (twill), e. keper; peel, kloa. —, v. a. ke• perm Twin (twin'), a. & s. tweeltng. —born, tweelings- brother, tweelingebroeder. —sister, tweeling... ouster. —, v. n, tweeliveen barer; els tweelin• gen ter wereld 'omen; (front' rich seheiden van; (with) gepaard gaan met. Twine (t", ajn), a. getwijad garen; kronkeling; omhelzing. —, v. a. & n. twijnen, vlechten; (rich) ineen draaien; krovicelen; (etch) verbinden: oinetrengelen, omhelzen (about). Twinge (twiudzj), a. kneep, steak; kwelling. —, v. a. koUpen, steken; kwelien; v. n. sans stekende pija gevoelan. Twink (twtngkl, e. oogwenk, ommezien. Twink le (twing'kt), —hint; (twingknieng), a. oogwenk, ommezien; iiikkering. —le, v. n. kerma glineteren; knipoogen. Twin ling ' (twin'lleng), a. tweelingslam. —nor, s. vader (of neoeder) van tweelingen. —ter, a. tweejarig huiadier.
Abroach (e-brootsj'), ad. gereed om afgetapt te worden. v. a. een vat opsteken om of te tappen. Abroad (e-brand"), ad. buiten; buitenalands. Abrogat a (eb'ro-geet), v. a. atschailen, opheffen. —ion (-gee'sjun), a. afschaffing, opheffing. Abrood (e-broed'), ad. broeiend. Abrupt (eb-rupt'), a. a'gebroken, plotseling. —ion (-rup'sjun), a. afbreking. —ly. ad. .plotseling. —nets, a. aftebrokenheid; overtjling; steilte; kortileid van stiji. Abscess (eb'ses), a. gezwel; zweer. Absci nd (eb-rind'(, v. a. afanijden. —salon (-KW jun), a. afsnijding. Abscond (eb-skond'), v. a. verbergen. —, v. n. (from) zich verbergen; zich ult de voeten make. —er, a. voortvluchtige. —sion, a. vlucht. Absen ce leb'sens), a. afwezigb.eid; — of mind, verstrooidheid. —t. a. afwezig; verstrooid. Absent (eb.sent'), v. a. (from) verwijderen. —ee —er, a. afwezige. Absinth (eb'sinth), a. alpem. Absist (eb-eist'), v. n. (from) afzien, afiaten van; opgeven. Abaolta te (eb'so-ljoet), a. —tely, ad. onbepaald; voistrekt, onopzichtelijk, stellig; oppermachtig. —tenets, e. onbepaal dheid, will ekeur, despotisme. —tion (-ljoe'ajun), a. vrtspreking, kwttschelding. —tism, a. alleenheerschappit, despotisme. —tory (-solloe-tur-rih), a. vrtjsprekend. Absoiv atory (eb-aoi've-tur- rib), a. vrijsprekend. —e (eb-zolv"), v. a. vrijspreken (from. of); abaolutie geven. —er (-zol'vur), a. vrijapreker. Absonant (eb'so-nent), a. wanluidend; ongertjmd. Absonate (eb'so-neet), v. a. achuwen. Absorb (eb-sorb'), v. a. opslurpen, inzuigen; in zich opnemen; verslinden. —ed. a. (in thought) in gedachten verdiept. —ent, a. opdrogend; a. opdrogend middel. Absorp tlon leb-sorp'sjun), a. opslurping, enz. —tire, a. opslurpend, enz. Zie Absorb. § Absquatulate (eb-skwet'joe-leet), v. n. zich uit de voeten maken. Alhotain (eh-stem"), v. to. (from) zich onthouden v.. Abstemious (eb-sti'mi-us), a. — ly, ad. onthoudend, matig. —nets, a. matigheid. Abstention (eb-sten'sjun), a. onthouding; verhindering. Abater ge eb-aturdzj'), v. a. reinigen, zuiveren. —gent, —sive (-stur-siv),, a. reinigend, zutverend; afdrogend. —sion (-stur'ajun), v. afveging; zuivering. Abstlnen ce (eb'sti-ncns), s. onthouding. —t, a. —tly, ad. matig, onthoudend. Abstort (eb-stort'), v. a. ontweldigen, afpersen. Abstract (eb'strekt), a. afgetrokken begrip; ult. treksel. —s, e. orgeiregisters. v. a. Abstract (eb•strekt'), a. afgetrokken. aftrekken; uittrekken, afzonderen (from). —ed, a. afgetrokken; diepzinnig; verstroold. —edly, ad. op zich self beschouwd (from). —ednees, a. afgezonclerdheid; afgetrokkenheid. (-strek' *jun), s. afgetrokkenheid; afgetrokken denkbeeld. —ire, a. aftrekkend, afzonderend. Abstringe (eb-Istrindzn, v. a. ontbinden.
orint (off► , to imprint; to finish printing; to die- I Afgifte, v. handing over, delivery. e.hsrge, to let off. —eel, o. impress, print, im• AfolUden, on. w. to elide (to glide) down, —off, A follppein, on. w. to slip (to slide) down. pression,imeze. Afdrneinolen, on. w. to drop (to drip, to trickle) Afgod, tn. idol. —endienaar, m. idolater. —endlenaree, idolatress. —endienet, idolatry. —abseld, down. idol. —*printer, pagan priest. —ery, v. idolatry. trinaven, °v. w. to push oft Aid yeol en, on. w. to go astray, to stray, to —leek, by. idolatrous. wander, to err; to deviate (from). —illy, v. wan- Af000ten,ov. w. ens. Zie Afwerpen,enz. Afoorden, or. w. to ungird. Foraying; error, deviation. linintr, rs‘fgrauxo en, or. w. to snarl (to growl) at. Aft , wellen, ov. w. to mo;, . Afewlno en, or. w. to extort—, to wrest (from). Algreven, ov. w. to dig off, to separate (by digging). —er, Fn. exiorter. —ing, v. extortion. Afeisch en, or w. to require, to claim, to exact, Atoronen, ov. w. to graze, to browse, A floreppeten, ov. w. to separate by trenches. reowisition, claim. (rrom). Afgrfjpen, ov. w. to snatch from. Afeten, ov. w. to eat (to nibble) off, to hrowae. AWL' sefljk, bv. & hay. horrible (-bly), horrid Anent*, v. eorrioze. von tie — nemen, to dimount. ( - ly), — selijkkeid, v. horribleness, horridness. Afecove, v. Zie Aroeete,o. Alga on, os. n. to welk off, to measure (by steps); —zen, o. horror, abhorrence; een hebbenvancto on. w. to on , lown, to deoeend; to decoy, to abate, abhor. to dim nisi,. to vanish; to go to stool, — to the Afgrond,m. abyss, precipice, gni f. privy; to po off; to start; to reit; to wear oit Afounst, v. envy, grudge, jealousy. --io, be. & jealous (.1y),—igheid,v, envy, bw. envious (• to tad, to blot; (vat,) to leave; to give up, to jealousy. resign, to deport (to deelvte) from; to chenge; to he token off. (op) to to up to, to rush in upon; to Afbnken. ov. w. to unhook, to unclasp. Afhakken, ov. w. to chop off, t, cut away. het gnat o, to confide in; to one tor. trust to, tent goe of, he 11,11 a ger tett. wry of doinw it. —, 0. Afbollen, ov. w. to fetch down; to fetch, to call for; to strip (to pull) off, to Say; to strip )peahen; going Flo wn,riescendine: decay, decrease, decline; woo.; depa:ture, deviation; going oulnevacuation, eec bed); to pick (boonen); to *trip of. laten to nendfor sitool, declivity. A foonnell. by. on the decline, waning; intermit- Afbandel en, or, & on. w. to conclude, to tertent (van boort.); s lucking (van het tij). mieate; to ;settle, to arrange; to treat of. —lug, Algona, rn. excrements, faeces; sale; ole terrier v. termination; treatise. Albondig, by. iemaad jets — makes, to deprive Afgeton, o. (to rid, to ease) any one of. Airoo5eeenken.hv. disjointed, broken; abrupt. Alban genus, m. & v. dependent, retainer. Afnecionio, dw. finishee, dove for. —gets, or. w. to take down; on. w. to hang Algeiclonbt.bv. oroken; tie Afdanken. down; (van) to depend upon. — gent. be . doping, Afgedavoold, be. stray, gone astray. shelving. —ger. tn. dependent. —kelOk. by. deAfonieefd. hv. decrepit. —heid, v. decrepitude. AfteNerton, by. distant, remote, —heitl,v.distance, pendent. —Itelijklzeid, v. dependence. on. w , to lose the hair. , Afhesreo s. eemotene Afgeloliii, be. Zie Atleiden. —woord. derivative. Arhaspelen, °v. w. to reel (to wind) off. Afgetont, by. wearied out, spent. —heid, v. weed- Albebben, or. w. to have done,— finiohed. A fbeffets, ov. w. to take (to heave) off; to cut. nesn. Afbein en, ov. w. to fence (in), to hedge (about). Aroopnet,bv. squared, adjustod; counted (out). --ing, v. fencing in, enclosure. Afgene hottlene, in. et v. dissenter. Afbe II en. on w. to elope, to incline. —ins, v. Afireeleten, bv. worn oft, -- opt, gone. sloping; slope, declivity. Afnoolloofd, by. Zie Afgenunt. Arceeptorven, he. deceased; dead (irsensible) to. Afbelpen, ov. w. to help down; to deliver —, to relieve (front), to rid —, to cure (of). —e, m. we deceased, dead. Afgetrokken, hr. abstract, distracted. —heid, v. Afhinizen, ov. w. to measure by hopping; on. w. abstrActedne?s,abse , re of mind. to comedown (to descend) hopping. Afhljschen, ov. w. to let down by means of a Afteryttordlooeen, m. deputy, delegate, envoy. pulley. Aloes, al terve m. & v. apostate, renegade. Algol, en, ov. w, to deliver, to hand, to give up; Afbouren, ov. w. to hear, to listen to; to — met, t. w. In have arnine,to overhear, toquestion, to confront. (een wine; etch draw to blot, Afhoud en, c.v. w, to keep off,— back, — from; intercourse with; to meddle with; on. w. to to fend off, to detain, to debar, to withhold; to to stRin, trl one that delivers; drawer. —ing, deduct; on. w. to sheer off, to keep aloof, to keep v. giving (hAtvi(ng) over, delivery. off (the shore). —er, na. detainer; guy. —inp, v. Afoonnnied., by. triteotale, hackneyed, common- keeping off, hinderance; deduction. place. Afhonw en. ov. w. to cut (to chop, to hew) off; Atoennett, to. rnmenger, en,y; tie tlenant. ternand het honfil — , to behead a. o. —er, Afe;oz000derd, bv.retired, solitary; seeretitIons. hewer off. —ing, v. hewing off. Afnioren, on. w. to be cant off, to sheer off. Afgket en, or. w. to pour off, to decant, to cast, Afbniebelen, ov. vr.toobtainbyhypocriry from. o found. —er, m. moulder, caster. ---ing, v. /Winer en. ov. w.to hire (from), --ing, v. Afbnur der, tn. —atm v. hirer. eosting...eel, o coot, copy.
EXC —EXO. Excommunica to (eks-kurn-Injoe'ni-keet), v. a. In den ban doen. —tion (-kee'sjun), s. ultbanning; kerkban. Excorin te (eks-ko'ri-eet), v. a. ontvellen. —tion (-ee'sjun), 8. ontvelling. Excorticati on (eks-kor-ti-kee'sjun), a. ontbasting. Excreate (eks'kri eel), v. a. uitrochelen, opgeven. Excrement (ekalre-ment), s, uitwerpsel, drekatof. —al (-ment'el), —itious (-tisj'us), a. drekachtig. Exerescen cn (eks kres'aens), a. uitwas, knobbel. —t, a. uitgroeiend. Exert te (eks-kriet'), v. a. ontlasten,afscheiden. —tion (-krbe'sjun), s. ontlasting; uitwernsel. —tive (eka"kre-) —tory (eks'kre ), s. afscheidend, out lastend. Exeruela to (eks-kroe'sji-cet), v. a. folteren. (-ee'eju•), a. foltering. Exeubation (eks-kjoe-bee'sjun), a. (het) nachtbroken, nachtwaking. Exeu1pa ble (eks-kurpibl), a. verschoonbaar. —te (-pect), v. a. rechtvaardigen. —tion (- pee'sj an), a. reehtvaardiging. —tory ( pe-tur-rih), a. reekvaardigend. Excu4s Ion (eks-kur'ajun), e, uitstapje; uitweiding, etrooptocht. —ive, a. —ively, ad, zwer vend, afwtlkend. Excus able (eks-kjoez'ibl), a. —ably, ad. verschoonbaar. --ableness. a. verschoonbaarheid. —atory (-ze-tur-rih), a. verontschuldigend. —e •kjoes'), s. verontschuldiging, verschooning, —e -kloer), v. e. ontschuldigen; verscLoonen, outleffen, (from). —elms, (-kjoes'less), a. ouveruehoonlijk. —cr, a, verontachuldiger. Excels') (eks-kus'), v. h. in beslag nemen. —ien (-sjun), a. gerechtelijk beslag. Execra bin (eks'e-kribl), a. —Up, ad. verfoeielijk. —te (-kreet), v. a. verfoeien; vervloeken. —tion (-kree'sjun), s. vervloeking. Esteem te (eks'e-kjoet), v. a. verrichten, uitvoeren; ter dood brengen. —ter, s. uitvoerder. —lion(kjoe' ajun), a. verrichting, uitvoering; strafoefening. —tioner (-kjoe'sjun.ur), e. scherprechter. Execut lye (egz-ek'joe-tiv), a. uitvoerend; s. ult. voerend bewind. —or, 43. bocdelredder. —orship, s. executeurschap. —ory, a. uitvoerbaar, Exego sis s. uitlegging, verkIaring. —tical(-ctsjet'ikl) a. uitleggend, verklarend t Exempl ar (egz-em'pler), 8, voorbeeld. (egz'em-ple-r11-11h), ad. —ary (egz'em-ple-rib), a. voorbeeldig. —ariness (ege'em-ple-ri-ness), a. voorbeeldIgheld. Hfication (-p)i-fi -kee'sjun), 8. ophelderIng (door voorbeeld); afschrift; navolging. —ifier (•pli-faj-ur), s. verklaarder (door voorbeeld; afsehrijver. — ify (- pli-faj), v. a. door voorbeelden verklaren; afechrilven. Exempt (egz emt'), a. ontheven, vrijgesteld, v. a. ontheffen, vrijstellen, (front). —ion (-em'sjun), s. vrijetelling, vrijdom. Exequi al (egz-F-kwI-el, a. eene lijkplechtigheid betreffend. --en (eks'e-kwiez), 8. lijkplechtigheid. Exercise (eks'ur-sajz), 8. oefening, uitoefening; lichasms- krijgo-, godsdienstoefening. v. a. g oefenen; beoefenen; uitoefenen; gebruiken; v. 8. etch oefenen. — r, ts. oefevinar; uitoefenen,

EX11 . — EXT. Exptrobrn te (eks pro'breet), v. a, doorhalen, verwijten. —lion (-bree'sjun), s. doorhaling; verwitt. Exproprin te (eks-pr.fpri•eet), v. a. onteigenen, Meta ontdoen van, (from. of ► . —tion (-ee'sjun), a. ontetgening; afvtanddoening. Expugn (eks-pjoen"), v. a. stormenderhand vet , meesteren, veroveren. —able (-pug'nib)), a. te vermeesteren, nternbaar. —ation (-pug.nee'sjun), s. vermeestering. —er, a. verrneesteraar, overweldiger. Expn 1 a (eks-puts'), v. a. uitdrijven. —ion (-sjun), s. ultdrijving. —ive, a. nitdrijvend. Expun ct-ion (eks-nunk'sjun), s. nitwissehing; vernietiging. (-pundi.j'), v. a. nitwissehen, te niet doeu. Expurga to (eks-pur'geet), v. a. zuiveren. —tion •gee'sjun), a. znivering. —tory (-ge-tur-rth), a. zuiverend. Exquisite (eks'kwiz-sit), R. —1y, ad. uitgelezen. keurig, voortrefrelijk. s. keurigheid, vuortreffelijkheid. Exeangulous (eks-seng'gwi•us), a. bloedeloos. Exseind leks-sind'), v. a• nitsnijden. Exseet (eks-sekt'), v. a. uitanijding. —ion (-sek' ejun), a. uftsnijdIng. Exsieea nt (eks-stk'kent), a. opdrogend- —te (-beet), v. a. opdrogen• —tion (-kee'sjun), a. opdroging, —tire (-ire-tiv), a. drogend. Exapultion (eks-spjoe-isrun), s. u:tspnwing. Essuceons (else-suk'kus), a. saptoos, droog. Exsuetion (eks•suk'sjun), s. uitzniging. Exaudation (eks-sjoe-det'ajun), s. uttzweeting, Exsuile (eks-sjoed'), v. a. & n. •..itzweeten. Exautilation (eks-suf-ftee'sjun), a. uttblazing (bij bezweringen). Exaviscita te (eks-sus'si teat), v. a. apwekken. —thin (-tee'ejun), a. opwekking. Eaten cy, (ektrten-sih), a. uitsteking. —1, a. in bet oog vallend; bestaand, aanwezig. Exteinpor of (ekm•terrepur-rel), —aneone (-ree'nito.), —ary (-re-rih), a. onvoorbedaeht, voor de vuist gedaan. —e (-pur-rih), ad. voor de vulet. (-rojz), v. n. onvoorbereid spreken. Extend (els-tend?), v. a. uttstrekken, uitbreiden; v. n. zieb uitstrekken. Extensibility (elts-ten-ei-bil'it-tih), a. uitstrekbaarheid. lr.,xtcns *hie (eks-ten'sibl), a. uitstrekbaar, nitbreidbaar. —ion (-ajun), a. uttbreidlug; uitgestrektheid. —ional (-ajun-e1), —ive, a, ad. nitgestrekt, veelomvattend. —iveness, s.uitgeatrektheid, nitgebreidbeld. —or, a. uitstrekkende spier. Extent (eks-tent'), o. uitgestrekthetd, omvang; exeeutie. Exteputs te (ets-ten'joe•eet), v. a. dean vermageren (verminderen); verr.achten. --tion (-cc' sjnn). a. verzwakking; verzaettling*. Exterior (eks-trri-ur), a. uiterlijk, uttwendig, - a. uite.ritik. Extermina te (eks-tuOmi-neet), v. a. uitroeien, verdelgen. —lion (-nee'sjun), a. nitroeiing. —tor, s. verdelgrr. —tory (-ne•tur-rih), a. verdelgend. Extern (eke-turn'), —al, a. —ally, ad. niterlijk,
BUaettesiven, ov, & on. w. to shove to, to approach. m. coition. —, rxi. & v. bed-fallow. —liter, v. bed-fellow, concubine. m. bedlikigiap en, on. w. to copulate. — v. copulation. fellow. BUsteepers, ev. w. to drag to. Ilkj4mank, tn. tang, tinge, aftertaste. HUrtinlitan,ov. w. to throw to, to odd. B Ut10101, y. odd money. Blispreak, v. motto, inscription; metaphor. BUspring en, ov. w. to assist, to aid, to succor. —er, rn. succorer. —lag, v. v. assisting, succoring. 111Ustann, 07. W. to freest, to succor, to support, to hack. Militant% no. aesietance, succor, support, relief. —er, tn. assistant, supporter. IBUsiell en, no. w. to add, to join, —ing, v. adding; apposition. 81,14terf, bv.. confused, troubled, at a loss. het spoor — , out of the way, astray; out, wrong. —, bw. extremely, sadly. —nis,.y. confusion, perplexit y. Dv. crazy. —zinnigkeid, v. craziness. BLit, v. gap. —hatter, gap-maker. nehttg, by. biting, mordacious. —achtigheid, v. mordacity, --en, on w. to bite; op de tandem —, to grind the teeth. —tnidelei, corrosive. —end, by. biting, sharp, acrid, tort, sorcostic; corrosive. —er, in. biter; tooth. de, bw. betimes, timely, in due time. ▪ wind-fall;:approbo1111Jv nil, in. ae.indentol] tiou, applause. --fen, on. w. to fall to, to side
Medelleitink, m. consonance. ItliedekiPnk en, on. w. to sound with; to touch glasses with others. —er, rat. consonant. lttedeksatseht, m. fellow-servant. Medskomen, on. w. to come also, — along with a. o. ItliedekrUsen, or. w. to persuade (to prevail upon) to go with; to have for a portion. Medekridgeenan, tn. fellow-soldier. Itlisdaskuteren, on. w. to go (to walk) along with, to accompany. Medelachen, on. w. to join in a laughter. Bledeleur star, m. fellow-teacher, colleague. —ling, m, & v. school-fellow. Medidt-ten, ov. & no W. to read with a. o. Riedel td., o. fellow-member. Riledlelkiden, or. w. to suffer with a. o.; on. w. to partake of a. o. 'es suffering. —, o. compassion, pity. —d, by, compasaionate. —dheid, v. compassionateness. m. fellow-sufferer. Medeloopen, on. w. to run along with a. o. ; to meat with unexpected succea. Mede mast, m. —maker, m. companion, copartner. 1li edenaeensch, m. fellow-creature. Iriedesnlinn sear, m. —area, v. rival. Itiedenemen, ov. w. to take along with; to take in, to cheat. Medenorzank, v. concurring cause, concomitant motive. fricadeptschter, m. joint tenant. itiedepitichstig, by. accessory —, privy —, instrumental (to). —e,m. & v. accomplice, compile e, abettor, accessory. — heist, v. complicity. itiedepraten, on. w. to join in others talk, to put in one 'a word. Ittedersehter, m. fellow-judge. M ederoeder,m. part-owner. M edeeregent, tn. coregeut. Mederetzen, on. w. to travel with a. o. rtlederekenen, ov. w. to include in the reckoning.
Coinbase was founded in June 2012 by Brian Armstrong and Fred Ehrsam.[6][7] Blockchain.info co-founder Ben Reeves was part of the original founding team but later parted ways with Armstrong due to a difference in how the Coinbase wallet should operate.[8] The remaining founding team enrolled in the Summer 2012 Y Combinator startup incubator program. In October 2012, the company launched the services to buy and sell bitcoin through bank transfers.[9] In May 2013, the company received a US$5 million Series A investment led by Fred Wilson from the venture capital firm Union Square Ventures.[10] In December 2013, the company received a US$25 million investment, from the venture capital firms Andreessen Horowitz, Union Square Ventures (USV), and Ribbit Capital.[11]

GON.—CON. 5l dig'nit-tih), s. verdienate, —/y, ad. near verdict. (-sjun e-rih), a. de biecbt betreffend. —or, a. ate. —netts, R. evenredigheid, gepastheid. • belijder; biechtvader. Condiment (kon'di.ment), a. toehereiding, krui- Confidant (kon-fl-dent'), a. vertrouweling. ding; sans. Confide (lum-fajd'), v. a. toevertrouwen (to); v. Condlselple (wn- dis-aajp1'), R. medeleerling. n. vertrouwen (in). Conellte (kun-daft'), v. a. inleggen, inmaken. Contiden ce (kon'il•dena), s. vertrouwen; zelfCondition (kun-dis'sjun), a. voorwaarde; toe- vertrouwen; stoutheid. —t. a. overtuigd, verstand; stand.. —, v. a. overeenkoman, hedingen; trouwend, stout. —tie/ (-den'sjell„ a. v. n. bepalingen makes. —al, a. —ally, ad. ad. vertrouwelijk, vertrouwd. —tly, ad. vrij8. voorwaar- voorwaardeltjk. —ality moedig, vrijpostig; met zekerbeid. —tress, s. delijkheid. --(cry —ate, a. bepaald, overeengeko- vertrouwen, zekerheid, stoutheid. men, bedongen. —ed, a. hedongen gesteld, well configur atton iltun-fir-joe-ree'sjun), a. ge—ed, in siechten stoat. —ed, in goeden stout daante, vorm; betrekkelijke stand der sterren. Conditory (kon'dit-tur rih), s. bewaarplaats. —eikun-fiejoer), v.a. tot zekere gedaante vormen. Condo! atory (kun-dole tar-rib), a. van rouw- Conlin able tkan-farnibli, a. binnen grenzen te brief van rouwbeklag. —e epistle, beklag; — (kun- brengen. —e (kun-faj (01, a. aangrenzend. —e (kon' door), v. a. beklagen; v. n. deelneming betui- fajn), s. ere.; grenepaal. —e (kun•fajte), v. A. gen (with — on, upon). —entent, R. be- begrenzen; beperken (to); gevangen zetten (in); rouwbeklag; deelneming. . —er, a. die con- v. n. aangrenzen, belenden, (on. with;, —ed, a. doleert. —ing, a. ronwbeklag. bepaald, gebonden; bevailen. —eras a. untieCondonation (kon-do-nee'sjun), s. vergiffenis. grensd —ement, s. beperking; opsluiting; bevelCondor (koti'dttr), a. laintliergier. ling. —er, a. beperker; grensbewoner, nabuur. Condue c (kun•djoes'), v. a. strekken; leiden; —ity (kun-fin'it-tth), s. nabijheid. bijdragen, hevorderlijk zijn, t/e). —cutest, R. Confirm (kun-form'). v. a. bevestigen; bekeachstrekking. —ent, a. dienstig, bevorderend. —ible, tigen; inzegenen. —able, a. bevestigbaar. —ation —ire, a. bevorderlijk (to). —ibleness, —iveness, (kon-tir-mee'sjun), 8. bevestiging. -atter (-e-tiv), a. dienstigheid. —atory (-e-tur-rih), a. bevestigend. —edness, R. Conduct (kon'dnkt), a. gedrag; beheer, leiding; bevestigdheid. —ing, a. —ingly ad. beveatigend, bekracbtigend. v rkti 'gle, levid. a. beaturen; geleiden; Conflsc able (kun-ils'kibll, a. verbenrd te Co gen'ediAti ter. r (t —, du aanvoeren. — one's self, zich gedragen. —ion verklaren. —te (-bet), a. verbeurdverklaard. —te (-duk'sjun), s. geleiding; bestnreag„ --irieee ( tis' (-keet), v, a. verbeurd verklaren. —tion (konsjus), a. gehuurd. —ire, a. leidend; beheerend, tie kee'sjun), s. verbeurdverklaring. —tor (kon • beaturend. —or, a. rtanvoerder; bestuurder; ge- fis-kee-tur), a. verbeurdverk1Rring. —tory (-ke[eider. —rest, R. geleidster; beheerderes. tur-rih), a. verbeurdverklarend. Conduit (kun'dit), a. waterleiding; buffs. —pipe, Confiturer(kon'filjoer), a. snikergabak. waterpijp. Contlx (kun-fika"), v. a. bevestigen. —are (•joer). Condupitca te (kun dine' pit- ket), a. verdubbeld s. (bet) vastmaken. dubbel geslagen. —te, v, R. verduhheien dubbel Conlin grant (kun flee'grent), a. brandend. sloan. —lion (-djoe-pli-kee'sjun), verdtibbeling —gration (kon-fle-gree'sjun), a. algemeene brandCondyie (kon'dil), s. Cewricht, beenknoop. —tion (-sjuni, a. samensmelting, ondeWngieCone (koon'), s. beget; pkjnappel. —shaped, ke• ttng; harmonic. gelvormig. Conflict (kon'flikt), a. botRing, twist, strijd. Coney. zie Cony. Conflict (kun•flikt'). v. n. strijden, kampen. —ire, Confabolat e (kun-feb'joe.leet), v, n, kenvelen, a. tot strijd leidend. beaten. —ion (-lea'aiu.),( s. gekeuvel. —ory, a. confluen ce (kon'floe-ens), s. aamenvloeiing, samenvloed, toeloop. —t, a. samenvioefend. sea gekout betreffend. Confect (kon'fekt), s. snikergebak. Conflux (kon'fiuks), a. Lie Confluence. conform (kun form'), v. a. gelijkvorrnig maken, Confect (kun-fekt), v. R. kontijten. regelen, inrichten; v. n. (to) nigh zedragen near. Contagion (knn-fek'sJun), s. insuikering; sui- !cowed. —ary, a. suikergebak; banketbakkers. —able, —ate, (-met), a. gelikkvormig. —ably, sit. winkel. —er, a. bankethakker. overeenkomstig, volgens, (to), —ation Ikon-forContedern cy (kun-fed'ur.e sib), a. bonito- meesjuni, a. geltjkvormigmaking; vorming; nootachap, verbond. —te (-ur-et), a. verbonden. inrichting; gelijkvormigheid. —jet, s, lidmaat —te (-nr-eet), v. a. vereenigen; v. n. een bond• der engelache kerk. —ity, a. gelijkvormigheid, gennotsehap aangaan. —tion (-ee'sjun), s. bond- overeenkomstigheid. Confound (kun-faaund'), v. a. ondereen mengen; gennotschsp. Confer (kun rue), v. a. verieenen, opdragen, verwarren, vernielen; verbazen; beachamen. —ed, (on. upon); bijdragen (to). —, v. n. onderhande- a. verward, beschaamd; verbaasd; vermened. len, berRadalagen (zvith). —race (kon'fur.ens), a. verfoeielkjk, verwenecht. —edly, Rd. ontznprelilk; onderhoad, beraadalaging; satneekomat. —rer, 8. —edness, s. vereiagenheid, verwaroing. a. onderhandelaar; verleene.r. onrust zanier, vernieler. Confess (kun fea'), v. a. & n. bekennen, bteeh- Confraternity (kon-fre-tuenit-tib), a. broederschRp. ten. —ed (kun•fese), a. —ed/y, ad. openitik, onbetwistbaar. —inn (-slats), R. bekentenis, be- ConfrIcatIon (kon-fri-kee'sjun), s. wrUving. liktents. —tonal i-Rjrin- el), e. bieehtstoel. —ionary Confront (kun-front'), v. a. tegenoverstellen,
Louder bewijs. —tory (-1e-tur-rih), a. verzoekende Portress (poort'reso), a. portierater. Pory (po'rih), a. poreux, sponsachtig. gesteld, aangenomen. —turn (-lee'tuat), s. Zi; Pose (pooz'), v. a. verlegen maken, pal zetten. Postulate. Posture (post'joer), s. toestand; houding, ge—r, s. s. ondervrager, palzetter. Position tpo-zisrun), s.ligging, stand; toestand, atalte. —master, postuurmeester. gesteldheid; stelling. —al, a. betrekkelijk he Posy (po'zih),.s. zinapreuk; ruiker. stalling of gesteldheid, l Pot (pot'), s. pot, kan. —ash, potasch. —bellied, ad. stellig, bepaald; Positive (poz'i-tiv), a. dikbutizig• —b elly, dikbuik. —boiler, hnisvader. volstrekt; wezenlijk; setter; bevesttgend. —ness, —boy, knecht in eene gelalatuntner. —butter, pots. stelligheid, zekerheid. jesboter. —companion, drinkSbroer. —fta, pot-, kanvol. —girl, dienstmeisje in eene gelagkamer. Posnet (poz'nit), a. kommetje bakie. om. FOGS (pass), a. waterval; apoelk —hanger, schoorsteenhaak. —herb, moeskruid, Posse (potezel, a. gewapende macht; gepeupel. groente, —hook, pothengsel; hanepoot. —house, Possess (puz-zess'), v. a. bezitten; (of; in het bierhuis, kroeg. —ladle, polle:vel. —lid. potbezit stellen van. —ed (-zest"), a. bezeten; (of) deksel. —luck, gewone pat of kost. —man, kroegin het bezit van; (with) overladen; begaafd, voor- looper; zie rot-boy. —metal, mengsel van lood zien. —ion (-zesfun), a. bezitting, bezit, eigen- en koper. —pan, kook-, stoofpan. —proof, sterk don, —iz'e, a. bezittend; ease, tweede naamval; drinkend. —sherd, potscherf. —, v. a. in potten — pronoun, bezittelijk voornaamwoord. —or, a. zetten of bewaren; inmaken. hezitter, eigenaar. —ory (ook: poz'zis-sur-rib), a. Potable (po'tibl), a. drinkbaar. —ness,s. drinkbezittend; van het bezit, baarheid. Posnet (pos'eit), s. door wijn gesiremde melk. Potato (po-tee'to), a. aardappel. Poten cy (po'ten-sih), a. macht, vermogen. —t, P0.81 bie (pos'sibl), a. mogelfjk. —bly,ad. a. —tly, ad. machtig. —tate (•test), s. vorst, pogelij k, misschien. —bility (431-bil'it-tib),s.moge- , tentaat. —tial. a. —Nally, ad.(-ten'ajel mogelijkheid. s. mopPost (poost'), a. post; postbode; ambt; peal. to lijk; vermogend. —tiality per post reizen. —boy, postrijder,pos; li.jkhcid; vermogendheid. travel tilion. —chaise, postkoeta.—day,poatdag.—doetor, Pother (potieur), a. gewoel, rumoer. —, v. a. kwatzalver. —haste, groote spoed. —horse, post- kwellen, lastig vallen; v. n. tieren; levenmaken. paa-d. —house, posthuis. —man, potaboae; brie- Potion (po'sjun), a. drank, drankje. venbeateller. —mark, postmerk. —master, post- Pott age (pot'tidsj), s. vleeschsoep,gekookte spijsmeester. —note, postwissel. —office, postkantoor. Potter (pot'tur), a. pottenbakker. —'s-clay, pot-paid, gefrankeerd. —road,rtj- ,03 treat w eg. —stage, aarde,leem. —'s-ore, verglaamsel. —'s.ware, aarde. 1)ostatation werk. —y, a. pottenbakkerij; aardewerk. Post (poost'), v, a. eanplakken (up); op post zet- Pottle (pot'tl), s. kan; vochtmaat van 4 pint. ten; op de post doen; orerboeken; v. n.per post Potulent (pot'joe-lent), a. beneveld, dronken; drinkbaar. reizen. —rye, a. briefport; —stamp, postzegel. Post date (pooat'deet), v. a later dagteekenen. Pouch ;pautsj),s. zak; pens,dikke buik.birding—, —dilution (-di-ljoe'vi-en),a. van na den zondvloed. weitasch. —, v. a. in den zlk steken; opslokPoster (poost'ur), e. renbode, koerier; aanplak- ' ken; v. n. pruilen. Poult (pooh'', a. hoen, kuiken. —erer (-ur-ur), billet. Poster' or (pus-trri-ur), .later, volgend.—ority a. poelier. —ice i-is), s. pappleister; v. a. pappen. s. (het) later zijn. —ors (-urz), pl. —ry,s.tamgevogelte; —house,hoenderhok;—yard, achterste —ty (-ter'it-tih), s. nakomelingschap. hoenderhof. Pounce (paauns'), s. klauw (van een' roofvoPostern (pooetur.), s. achterdeur, poortje. a. grljpen; Postexietence (poost-egz-ietens), e. ,toekom- gel); puimsteenpoeder; sandrak. dcorboren; bestrooien; glad wrijven; v. n. (on) stig bestaar. Postilx (poosefiks), s. aehtervoepel. neerschieten op. —box, —than, stroolbus; sanv. a. achtervoegen. ' drakbusje. —d (paannet), a. met klauwen. Posthumous (post'jo,mus), a, nagelaten. —1Y, Pound (paaund'), a. pond; pond sterling; schutad. na den dood. v. a. lljnstampen; opsluiten (up). —age, hok. PoNtil (posetil), s kantteekening. v. a. van a. pondgeld. —er, a. stamper; ponder;pondepeer. kantteekeningen voorzien; v. n. kantteekeningen Poop eton (poe'pe-ton), s. popje. —ics, pl. ge• mak:In (upon , . —ier, s. uitlegger, acbriiver van recta van reepies kalfa-, schapen- en varkensk,ntteekeningen• eerseh. Postilion (pens trnjun), s. voorrij der, postilion. pvolu (poor',, v. a. gieten- schenken;uitstorten; (in upon. out upon) overfdelpen met; v. n. atrooPost log ,poostleng), s. het reizen per post. —bill, aanplekbitjet. men, vloeien, etorten; (doten) stortregenen; (upon) Postmerldigin (pooet-me neer8chteten op. —er, s. gieter; inschenker. Postpone (poost-p , on'), v. 11, uitstellen, ver poor 'attic (poor-kut't1), a. inktvisch.—pa , ty setiujven; achtermtellen. —meat, s. uttstel. (.paar'tih), s. verdeeling eener erfents. lamprei; steenbolk; berit-, hazelPostacript (pooerskript) a. nasehrift. Pout (pant), Postuin nt (post'ioe-lent), E. aanzoeker, (linger. ' boon; kwade luim. —, v. n. pruilen; vooruitste(-let), s. vereischte; aangenornen staling. ken. —to ( 'Pet,, v. a. varderen, aanzoek doen am; Poverty (pov'ur•tih), a. armoede. stellen —Pion (-lee'sion), o. aanzoek; stealing Powder (pau'dur), a. poeder, poeder, stof; bus-

KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,

Hoe lang duurt het om een ​​Bitcoin mijne


brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v

Maakt gebruik maken van Microsoft Blockchain


On 30 May, 2018, the European Commission adopted its proposal for the next Erasmus programme, with a doubling of the budget to 30 billion euros for the period 2021-2027.[14] Further negotiations were expected to take place during the 2019-2024 European parliamentary term with the European Parliament and the European Council before the final programme is adopted.[15]
4118 KAK —KitN. —, dandruff- comb. —borate!, comb-brush. —dock, combing-cloth. —hsiaje, comb-case. ...morsel, pectinal —red, cock-wheel, notched wheel. —menmaker, comb maker. m. camel. --driiver, camel-driver. —shear, camel's hair, mohair. —crag, camel's bunch. Kanseleon, o eameleon. Kamelot, o. camlet. Kasten, on. w. to grow mouldy. Kamenler, v. lady's maid, chamber-maid. —es, ov. w. to dress. Kamer, v. room, chamber; court-office; cavity, breech. —behanger, paper-hanger. —behooved, hangings, tapestry. —beuraarder. door-keeper, usher. —besets, hair-broom. —deer. chamberdoor. —dienaar, footman. —dock, cambric, lawn. —gasp, stool. —gereeht, imperial hail, —• court. —geared, undress —beer, chamberlain. —hour, chamber-rent. —juffer„rhanabe ...maid. —kat, kept mistress. —maagd sic Kamenler. —pot, chamber-put. —role, night-gown, ntorning-gown. —steel, close-stool. —stale, swivel-gun, pederero; painting representing a room. Kamera/441,m. comrade, companion. Kanter en, ov. w. to keep (in a room). —ling, in. chamberlain. Kavnfor, v. camphor, camphire. —boom, camphor-tree. —olie, camphor-oil. —poster, pulverized camphire. —sour, be. & o. camphoric (acid). —acktig, be. camphoric. Kantlipc, be. mouldy. r. camomile. Kamtzoul, o. waistcoat, Guernsey shirt. Kantinelling, v. short wool combed out. Kamm en, ov. w. to comb; to card. —er, m. comber; carder. IKentoesleer, o. shammy. Kamp, m. combat, fight, struggle; field, piece of ground. enclosure. —, —op, even, quits. —ge. vecht, —strijd, combat, light; duel, single combat. —plaats, place of combat, field of battle. —vechter, prize-fighter, gladiator; champion. kampauje, v. campaign; poop. Kenspentent, o. encampment. Kamp en, on. W. to fight, to combat, to struggle. -er, m fighter., combatant, struggler. champion. Kamperfoello„ v. honey suckle, woodbine. Kampernoelle, v. mushroom. Kampereteur, m. hard-boiled eggs with a mustard-sauce. Kantploett, tn. champion. K ampetenr. e. Zie Kemper. Karnster, v. Zie Kammer. Kantula leer, o. shammy. —seas, m. fiat note. Ken, v. pot, can, mug, tankard; (nederlaxdaehe) litre —negeluk, what remains in a pot or tankard, pot-luck. —nefid, lid of a pot. —newel/ocher, bottle-brush. Kimmel, co. channel, canal. sit een geed —, from (a) good authority. Kanalje,o, rabble ,Itag-rag, rift-raft; rogue. Kanarle, in canary ( -bird). —si, canary-egg. —kooi,onnary-cage. --sek, canary (•sack) —etdker, canary-sugar. —rolucht, breeding-cage (aviary) for canaries. —toga, canary-bird. —wijs, canary (-wine). —card, can try-seed.
notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Wat cryptogeld is het makkelijkst te mijnen

×