71 trekken. (from) afwijken, laten varon. (with atstand doen. —meat, a. gewest. departement; werkkring. —ure (-Joer), a. vertrek, area; overlijden; afatand; afwijking. Depasture (de-paast'joer), v. n. afweiden. Depauperate (de-pao'pur-eet), v. a. verarmen. Depend (de-pond';, v. n. afhangen (on); vertrottwen (on, upon). —ant, a. afhangeling. —core, —ency, a. betrekking; afhankelijkheid; vertronwen; ondergeschikten. —eat, a. neerhangend; afhankelijk. Deperditlon (dep-ur-die'sjun), a. verlies. Depict (de-pikt'), —ure (-joer), v. a. afmalen. Depll ate (dep'i-lest), v. a. ontharen. —ation (-lee'sjun), s, ontharing; uitvallen der heron. —atory (de-pire•tur-rik, a. het uitvallen der harem ibevorderend; a. middel om het hoar te doen uitvallen. —one, a. haarlooa. Deplantation (dep-len-tee'sjun), s. verplan• Deplor able 

Hoe wordt Bitcoin iets waard


,ieekpaiin.--hork,h,,r1As. Holly r00a. —rose, cistusroosje. —tree, hoist. —wand, apitsroede. Hoists (hoolm), a. rivier-eilandje; ateeneik. 1Poloceinhat (hol'o-kaost), a. brandoffer. Holstet , (hoorstug), a. holster. holy (ho'iih), a. higlig. — cross-day, kruiRverher-day,zielliollitlity. —ghost, fleiligefleest. Heilige Land. —office, Inquisitie. —roodday, kruisverheffing. —rose, wilds sane. —thistle, gezegende distei. —thursday, henielvaartsdag. —water, NcOlvater. —waterpot. —wateratoek, wijwaterbak. —water-sprinkle, wijkwast. ,--week, Hog gerel .(hog'gur-il). —get (-git),.. tweeiarkg lige week (week soot Paschen). — writ, Heilige schaap. —gish, a. —gishly, ad- beestachtig, zwij. Schrift. nig; gulzig, vratig. —gishness, a. beertachtigheid, ',plunge (hom'idtj), a. hulde. a. huldi101, zwijneri,i; eigenbeat; vraatzucht. —r, a. huldiger. Hogshead (hogz'hed), a okshoofd, (hoone), a. hula, wooing, eigen heard; v. Holdcn (hopdul, a. boeroch, lamp, row. —, R. Home to huts; binnen 'a lands. long —, at —, derland. Wilde, rnwe mei* rows kerel, kinkel. —, v. n. (de) laatate woning. —, a. lints.; inheemach; 4101 stoelen, ravotten. duchtig. —, ad. huiswaarts; duchtig, rank, ter Mast (hojst), a. cspheffing, hijsching; broeking suede. —baked, huisbakken. --corn, —bred, in (Pence slag). —, v. a. opheffen, lichten; hijuchen, landsch; aangeboren; eenvoudig. —tuilt, in het ophijsche.n. land gebouwd. —department, department van Holty-t ► lty (ho,ftili-toj-tih), ad. huiterdetult. bInnenlandsche zaken, — driven, goed aangekomen uitgelaten. —, int. wet to drommel I (van eeu' slag). - example, famtlie-voorbeeld. Hold thoold a. vat, greep; houvast; steun; —expression, gepaste uitdrukking. —felt, innig scheepsrniin; bewarin g; hechtenis; sterkte; schazilIlevendigt gevoald. —jest, bijtende acherts. —keepto catch (get, lay, take) — at; hock; ruatpunt. —news, ing, thuiszittend. —made, eigengemaakt. to lay — on, grijpen, aangrijpen, vatten. —back. nieuws van hula; stadsnieuws. —office, mintaterie bcletsel. —fast, houvaat, kram; seek. —, int. van binneulandache zaken. —proof, krachtig behood op heimziek. NI' 8. —reason. gewichtige grond. —sick, Hold (lionld') [held], v. a. houden, hebben; be-, —sickness, heimwee. —speaking, kraehtige tart'. in - , ult. vaathouden; bevatten; 'louden voor; —spun, eigengesponuen, uit de hand geaponnen; ataande 'how:len; weerhoutien; bekleeden (een eenvoudig, lamp, grof. hnisplaats, —water, ambt). — an action, een process voeren-err. —thrust, genadestoot. waterdicht zijn. (back , terug-, aanhouden. (forth) bionic less khoorrtne.), a. zonder Vaderland; sonvoorhouden; aanbieden; voordra,9;en, (in) tegender thniskomen. —liness 1-11-neas), eenvoudig'louden; beteugelen. (oft) afhouden. (on) doorheld, grofheid, ruwheid. —ly, a. eanvoudig, plonip, zetten. (out) uithouden; nitsteken; aanbieden. row. —ward (-wurd), ad. huiswaarts. —ward(up) ophouden; ateunen. —, v. n. op-, stilhoubound, a. near 't vaderland bestemd, op de heden; dares zich staande houden; stand houden; rugreis. watt). (geldig, joist? zijn. — good, — true, ateek e (hom'i - sajd), a. manalag; doodsiager. houden; bewaarheid warden. (back)achterbli,jven, (-sardel), a. moorddadig. standhonden. (forth) preeken, vermauen. (from) Handl e0,Ie —caeca, a. preekend, afatammen; voortapruiten; afhangen; rich weervermanend; onderhoudend. —eties, pl. predik honden. (in) zich bedwingen. (off) afhouden; kunst. —ist `(horan-liat), a. kanselredenaar. —y ont , :cjjken. (on) (Ail houden, voortvaren; aanhou(hom'il-lilt), s. kauselrede. den. (out) dump; volhouden; uithouden. (to) aan- Hominy (horn'in-nib), a. maim-130,j, -pudding. kleven. (up) (Wind boucle(); ophouden. (with) het Ilommock (hom'muk), s. alleenstaande heuvel houden met, aan de zeekust. Hold er (hoold'ur), a. howler; leenberitter.—erlloinceoputh Ic (ho-mi-o-peth'ik), a. hoinceoforth, a. p -reeker; redenaar. —ing, a. pachthoeve; pathisch. —ist (-op'e-thist). a, homceopaath. —y invloed. thih), s. hoinceopathie. Hole {hool), s. gat; hol, kull. Homogene Al (bio-mo-dzji'ni-el). —ass, a. ge(hol'i-dem), a. ooze lieve Yrouw. dons Ilnll lijkaardig. —ity (-dzje-ni'it-tilit, —oneness, a. ge --day, a. heilige lag; feest-,vacantiedag; a. feeslijkaardigheid. a. —nese, telkjk, feest-, vacantie-. — ly, ad. heilig. homologous (ho-moro-gilk), a. evenredig. heiligheid. - nih). s. Zie 1Hlomlny. "Rolla (holne), Iloilo (hol-lo'), int. holla l —, a. homony (hom'un a. gelijkluidend homonym e, v. n. schreeuwen, roepen. geroep. —ass (ho-inon'i-mum), a. gewoord, naamgenoot. Holland (hoPlend), 8. flirt linnen. -a, a. hollandlijkluidend; dubbelzinnig. (ho-monii-mih), s, ache jenever. gelijkluidendheid; dubbelzinnigheid. Holt' tv (hoPlo), a. hol; vaisch. —, a. bolts, hol(boon), a. olieateen. —, v. a. op een' olielighaid; put, greet v. a.nithollen. -, eheeked, Hone steen nanzetten. met bolls wangen. —hearted, geveinsd. —netts, m. tioneut (ou'ist), a. —ly, ad• eerlijk; rechtschapen; holbeid; vfeetzal,, vets. - hen!, zwiipennueder. varkensluis. --pen, 7arkensgtat. —ringer. die varteri , 4 ringt.—'s•beuns,varkensbo , nen. — 's - bread, varkenstirood. --'s-cheek, varkenssnuit. —'s-ear, varkensoor (plant en schelp). — 'a - fennel, wilds venkel. —'s-grease, veuzel. —'s-harslets, varkensomloop. —'s-head, varlrenalcon. —'s-hearing, loos alarm. —'s - mushroom,ganzenclistel. —'s-pud ding, varkensworat. --'s-root, wilde veukel. —'s-akin, varkensteder. —stear, driejarig wild zwijn. —sty, varkenslrot. —wash, drat', spo,
Accouple tek-kupli, v. a. paren, koppelen. Acolyte (ek'o-lajt), a. altaardienaar. Aconite (ek'o-najt), s. wolfawortel; zwaar vergif. —meet, a. koppelitag; samenvoeging. Accoutre lek-koetur), v. a. uitrusten, opschik- Acorn (ee'kurn), a. eikel. —ed, a. met eikels gevoed. ken. —meet, s. uitrusting, opschik. Accredit (ek-krid'it), v. a. in aanzien brengen. Acorns (ek'o-rus), s. kalmus. —ation 1-tee'sjutf, a. (het) geven van aanzien of Acoustics (e-kaus'tiks), s. klankleer; gehoorkunde. vertrouwen. letters of —ation, geloofsbrieven. Acquaint (ek-kweent'), v. a. bekend maken met Accrescent (ek-kres'Kent), a. aanwassend. (with); onderrichten van (of). —once, a. bekendAccre lion (ek-kri'sjunt, s. aanwas. —tive, a. held; bekende. —ed, a. bekend. —edness, a. betoenemend. Acerimination (ek-kri-mi-nee'sjun), s. verweit. kendheid. Accroa ch ek.krootsr), v. a. aanktampen; zich Acquest (ek-kwest'), verworven goad. —, v. a. verworven, meester maken van, —meet, a. inbreuk. Accrue (ek-kroe'), v. n. voortspruiten; aan- Acqulesc e (ek-kwi-es'), v. n. (in to) berusten; instemmen. —ence, s. inetemming. ni.ent (.ek-kum'bentl, a leutland,liggend. Acquir able (ek-kwajetb1), a. verkrijgbaar. —e, Ac grenLien v a. verkrijgen. —ement, a. verkrijging; Accumulat e (ek-kjoe'moe-leet), v. a. ophoopen; kwaambeid. —er, s. verkrijger. (-1ee'sjuni, a. ophooping —ion n. toenennen. v. —ire (-le-tivl, a. ophoopend. —or, a. ophooper. Acquisi lion (ek-kwi-zis'ejun), ook Acquist, verwotving; aankoop. —tive (-kwiel-tiv), a verAccura cy (ek'kjee re-sib), —tenet. (-ret-ness), s. kregen. nauwkeurigheid. —te (-rm, a. nattwkeurig, stint. (-burst"), Acquit (ek-kwit'), v. a. kwiteeren; ontslaan, vrijAccurse (ek-burs' , v. a. vervloeken. epreken !from. of). —nient,—tal. s. kwijting; once. verwenscht: afsehuwelijk. slag, vriuspraak. —Lance, s. kwijting- kwitantte. Accus able (ek-kjoe'zibi), a. lsakbaar (of) we- gent(, —ation (-zee'sjun), s. aanklacht, beschul- Acre lee'kur)., a. morgen lands. — of rupees, (eon) iak (100.0001 ropijen. —tax, akkerbelasting. —d, dicing. —afire (ze-tiv). s. accusativus. —atory a. we)gesteld. (-ze-tar-rib), a. beschuldigend. —e, v. a. aan- d (ek'ridi, a. scherp, wrang. —monious (-riklagen. heschuldigen, berispen,(for. of). --er, s. beschuldier, mo'ni-us), a. scherp; vinuig. —mony (-ri-mun-ih), Accustom (ek-kus'tum), v. a. (to) gewennen aan. s. scherpheid; vinnigheid. --tude, —ty, a. wrang-able. —ary, —ed, a. gewend, gewoon. a shop held. Acroatic (ek-ro-et'ik), a. diepzinnig.' wel —ed, een good beklante winkel. op een Adrobate (ek'ro-beet), s. koorddanser, kunstenAce (ees), 8. ass; On; groin. within an maker. i.aar na. not an —, gren zier. Acropolis (e-krop'o-lis), s. bovenstad; citadel. Aceplkalous (-e-sere-lus), a. hoofdeloos. Acerb (e-surh'), a. wrong, scherp; streng. —ate, Acrospire (ek'ro-spajr), s. apiertje, uitspruitseltje. v. a. wrang maken; verbitteren. —ity, a. wrang- Across (e-kros'), ad. kruiselings, dwars over. it held; strengheid. Acervat c ( e-sur'veet), v. a. ophoopen. —ion came — my mind, het schoot tnij in de gedachten. with arms —, met over elkander geelagen (es-sur-vee'sjun), s, oehoopiug. semen Acescen cy (e-ses'sen-sih), s. zuurheid. —t, a. Acrostic (e-kros'tik), a. naamdieht. zuurachtisr. Act (ekt), s. daad, handeling, bedrijf; raadsbeAcetic (e-set'ilil, a. zuurhoudend. Acet ose (es-i-tooz'), a. zuurhoudend. —csity aluit; akte. in —, werkelijk; he was taken in the very —, hij ward (-toszit-tih), a. zuurachtigheid. heater daad betr.apt. by — s. wijn- of Parliament, bij Parlementsakte. to put into Acetous (e-sPtus), a. zuurachtig. —, ten uttvoer brengen. Acts of the Apostles, azijn. v. a. leiden; — Ache leek), a. pijn. —, v. n. zeer doen. —bone, Handelingen dee. Apoatelen. heupbeen. a part, eene rol spelen; v. n. handelen; rich geAchlev able (e-tsjiev'ibl), a. uitvoerbaar. —e, dragen. —ing, a. vermogen. —ing, a. waarnev. a. uitvoeren, volbrengen. —enient, a. uitvoe- mend, bestureud. ring, beldenfeit. —er, a. verrichter. Action lek'sjunl, a. handeling, daad; gehaar; Ache, lee'kur), a. hoofdzeer. peaces; aanklacht; gevecirt. —able a. in rechten Achromatic (ek-ro-met'ilil. a kleurloos. vervolgbaar. —ary, —ist, s. aandeeihouder. Acid !e,'id), a. & s. zuur. —iferous 1-irur-usl, a Act Owe (ek'tiv), a. tverig, bedrijvig; werkelijk. —deaf, uitstaande echuld. —iveness, —ivity (-tiv' zuurhoudend. —ity le-sid'it-tih), —ness, s. zuur- heid. —u/ae(e-sid'joe-lie),s. zuurbronnen. —slate it till), s. werkzaamheid, bedriivigheid. a. (e-sid'joe-leet), v. a. zuur makes. —u/ous (e-sid.' bedrijver; tooneelspeler. —ress, s. bedrijfeter; joe-inie, a. zurig. tooneelspeolster. (es-i-noos'), a. korrelig, gekorreld. Actu al (ek'tjoe-el), a. werkelijk; tegenwoordig. Aelnous (es'i-nut), a. Zie Aclnose. —ality (-el'it-tih), s. werkelijkheid. —ally, ad. Acknowledg e (ek-nol'idzj), v. a. erkennen, werkelijk; than!. .—ary grither• — ate , --the corn, zich gevangen geven, v. a. in werking brengen; aanaporen. bekannen. 4 door de ben Yellen. —meat, s. erkenuing, dank- Acuate (ek'joe-eet.), v. a. scherpen. Addition (ek-joe-i'sjun), a. verscherping, .verbaarbeid. ACIike (ek'nti), a. toppunt. sterkiug.

Hoe zet ik mijn Bitcoins in cash


kuip. —twietovater-, kettinggaren.--xay,boolgat. waterloop.—ways(-weee),pl.watergangen.—wheel. waterred. —willow, waterwilg. —work, teekening in waterverf. —works, pi. waterwerken. liVeater (wao'tur), v. a. besproeien; drenken; materen (etoffen); v. n. waterig warden; water innemen. to make one's mouth —, doen watertanden. —age), echuitenvrecht.—cr i a. beaproeior; (de) Waterman. —tness (.1.-nete), a. waterigheld. —ing, a. besproeling, het drenken, wide. ten. water !linemen; —engine. eProCiPoraP; —pa tee, wed, drenkple.ats; hadplaate; —pot, gieter; —trou:dt, waterhak. —fah, a, watereehtig; vocht:g. —e (-tar.), pl. gezondheidebronnen; for all —, van elte markten that, —y, a. 'water*, vochtig• water-. "Wattle (avot'r)), a. beard van ran' heats; horde. v. a. met horden bezetten; met teentjea bin. den; viechten. W. 0 I (wail), v, n. Zta tea Ca:or -watt' Wave (weev'), [4. golf, hair; holkeel;oneffertheld; weak. —, v. a. gulvend (gevianid) make.; wankel?, wn;ren; efzien va-, apgevert, laten canton; v. e. goiven; zweeen; zwaaten; wutven; weiNen. d, R. geg olyd, gevlarnd. —leo, a. elf., glad; kaltn. Waves- (wee'vur), v. at. wankslen, waggelen; wet-er, a. weifelaar. —ing, a. —ingly, ad. wankeiend, heelutteloos; oneeatendig. Vinarn.o. (weey'aen), a. ceedrift. Wavy (wee'vth), i. golvend; gegolfd. Wax (wake), a. wet; corsmeer;lak. —baby, —doll, wessen pop. —candle, watikeara. —chandler, wa3kooper, wakAraeroenmaker. —end, epinactidraad, —leather, gewaat leer. --light, —taper, waeka•rs. waepit. —wotk, waseen beet& —works, pl. kabinet van yelper' beelden. —, v. a. wain., met was bentrijken. (weks'a), a. van wee, weasel, —y, a. wagaehtig. Wax (weks) [waxed tacxeni, v. n. waseen, toenemen., worden. Way (wee'), v. weg; riehting, loop, voortgong, vaart; rnimte, alotand; rniddel; wijze, gawoontr, gebruTh wit, zin. a great —, ver. any op de sane of endures wijze. oy — of, bij wijze van. by the —, in 't voorbijgaan, ter loepo every —, in leder opzieh.. in the —, voor (bij; he hand, gereed. no —, geenezina. out of the —, nit den weg; batten den regal; buitentiporig: rats, whirls —, waerheen; o welko wijze. to break the halen, u%twljken. to cle, the —, nit den weg goon, plaate MAIM- to fall in one's, — iemand wedervaren, overkween. to give —,wijken; nemen; toe.geven. to have one's —, zij u ' ale volt.. to keep out of the --. 4rbergen; zichsehuil houden. to level the —, voorgettn. to state nit den wag Wean, plants maken. —bill, passogierm-. goederentijet. —bit, emit weegs. —bread, —broad, weegbree. —water, vuneiooper. weganjzer. —passtager, reiziger, die onderweg wordt opgenomert. —thistle, haverdistel. kruiedoom. —warden, opzienter der wegen. —wise, met den weg bekend. —wiser, weg:neter. —worn, door het rotten vermoeld. Way facer (wee'ree -rue), a. relztgor. —faring, R. reizend; —tree, meelboon, wilde wijngaard. —in, a. Ingeng.

Welke cryptogeld is het beste om te investeren in India


CIIA. - CIle• 38 Challenge (tejel'lendzj), s. nitdaging; opeisching; Q hope (tejeep), a. haak, kram, beslag (aan cane scheede) beuget van een gasp. v. a. uitdasen; eischcn; besel ► ut- verwerping. Chapel (tajepils, s. kapel. —Zany (-Ie-nih) a. digen; wraken. —r, a. uitdvger. Chamber (tsjeem'bur), a. Isomer, slaapkamer; kapelanij. —ry, a. gemeente eener kapel. setter kanon. --, v. a. in eene banter sluiten; Chaperon (sjep'ur-oon), a. kap, hoed. —, v. a. v. n. eene homer bewonen; dartelen. —council, begeleiden (eene dame). geheime road. —yellow, kameraad. —maid, home- Chapfallen (tsjop'faoln). a. neerslachtig. nier. —oil, walrustraan. —organ, huisorgel. —pot, Chapiter (tsjep'i-tur), a. kapiteel. —ship, a, kawaterpot. —practice, kamerprgktijk. —stool, ka- Chaplain (tsjep'lin), kapelaan. pel aanspost. merstilletje. Chaplet (tsjeplit), s. krani. rozenkrana. Chamber., (ssjeesn'bur-ur), a. wellusteling. Chapman (tsjep'men), a. kooper, klant. Chambering (tsjeem'bur-ieng), a. kuiperij. CisansberIain (tsjeem'bur-lin), s. kamerheer; Chappy, (tsjep'pih), gebersten, gespleten. Chapter (tsjep'tur), a. hoofdstuk; kapittel. kamerdienaar. Chaptrel (tejep'tril), a. kapiteel. Chameleon (ke-mi'li-un), a. kameleon. Chamfer ,tsjem'fur), a. gleuf; spanning. —, v. a. Char (tsjaar'), a. achar. —, v. a. tot kolen branden. —coal, houtakool. nitgleuven, uitsponnen. Char (tsjeer'), Chare, a. dagwerk, karwei. —, Chamfret (tsjem'frit), s. Zie Chamfer. Chamois (sjem'i, sje-moy), a. gems. —leather, v. n. karweitjes doen; nit weaken gaan. —man, zeemleder. daglooner. —woman, werkster, schoonmaakster. Champ (tsjempl, v. a. verslinden (up); v. n. —work, dagwerk. Character (ker'ek-tur), a. karakter, naam, aard; kanwen (upon). —er, a. bijter, verslinder. letter. schrijfwijze; kentoeken; getuigenia. —, Champagne (sjem-peen'), a. Champagne-wijn. v, a. beschrijven; inprenten. Champaign (sjem'peen), s. veld, vlakte —, a. Characteristic (ker-ek- tur-is'tik), a. kenteekeu. vlak, open. Champerty (tsjem'pur-tih), a. procesvoering your —, —al. a. kenmerkend, eigenaardig, —alness, a. kenmerkende eigenschap; eigenaardigheid. een ander, near een aandeel in de winat. Character ize (ker'elt-tur-ajz), v.a. kenmerken. (sjem pin'jun), a. paddenstoel. Chain —less, a. karakterloos. C11.1111.1011 (tajem'pi-un), a. kampioen, voorvech- Charade (sje-reed'), a. charade. ter. —, v. a. uitdagen. spits blad. —s of artiChance (tsjaans , ),s. kans, toeval. by —, toevallig. Chard (tsjaard), a. tang, —8 of beet, jonge beet-, a. toevallig. —game, kansspel. —medley, toe- chokes, artisjokstoelen. grij- planten. vallige —. v. n. gebenren, pleats bij geval Charge (tsjaardzj'), a. last; lading; opdracht; ambt; toevallig ontmoeten. (to) (on. upon) pen. aanklacht; aanval; overdrijving: zorg; pleegkind. doen of zijn. —ful, a. gevaarlijk, gewaagd. —8, s. onkosten. —, v. a. laden, beladen, beta.Chancel (tsjen'sil), s. keikkoor. bevelen; inprenten; ten; beschuldigen van (with); Chancellor (t,jRan'sil-lur), a. kanselier. —ship, in rekening brengen. —, v. n. aanvallen (upon). a. kanselierschap, —able, a. —ably, ad. kostbaar; bezwaarlijk; verChancery (tsjaan'se rih), a. kanselarij. court of —, antwoordelkjk. —r, a. leder; groote achotel; kanselarijhof. strijdros. Chancr e (sjeng'kur), a. ajanker. —008, a. sian- Chart ly (tsjeer'il- lih), a. behoedzaam. —ness, s. kerachtig. behoedzaamheid. Chandelier (sjen-de lie;'), a. armkandelaar. Chandler (tsjaandlurt, s. verkooper, winkelier. Chariot (tsjer'-i-ut), a. wagen. —, v. a. rijden, wagenwedren. —ear (tsjer-iship—, winkelier iu scheepabehoeften. —'s-shop, vervceren. —race, komenij. —8, s. komenijwaren. ut-lee'), a. voerman. ad. liefdadig, Change (tsjeendzj'), a. verandering; verwisseling; Charit able (tajer'i-tibl). a. —ably, mild, goedhartig. —ableness, a. liefdadigheid; ruiling; klein geld; sehoon linnen; beurs; wis- mededeelzaamheid. —y. a. liefde (christelijke); selkoers; nieuwe moan. —, v. a. verwisselen, verruilen, ,eranderen; v. n. veranderen (from liefdadigheid; aalmoea; —school, armenachool. in —in, into, to). —for the better, verbeteren. —for —, orn Gods wil. (sjaar'le-ten), a. kwakzalver. —ical, the worse, verergeren. —able. R. —ably, ad. sera.- Charlatan (-ten'ikl), a. kwakzalverachtig. —ry. a. kwakderl'jk, —ableness, a. veranderlijkheid. —less, R. zalverij. onveranderlijk. —lint', s. ondergetchoven kind; Charles's-vain(tsjaarlViz-ween), a. groote Beer wispelturig mensch. —r, s, ruiler, wisselaar. (sterrenbeeld). Channel (tsjen'n11), a. bedding; kanaal; zee- Charlock (tsjaar'luk), a- wilde moaterd. engte; waterloop. —. v. a. uitgraven. Chant (tsjaant'), 0. gezang; zangwijze. —, v. a. be- Charm (tzjaarm'), a. toovermiddel; betoovering; bekoorlijkheid. — v. a. It n. betooveren, bekozingen; v. n. zingen. —er, a. zanger. voorzanger. ren. —r, a. betooveraar. —fist, a. betooverend. -ress, s. zangeres. —ry, a. zangkapel. —ingly, ad. bekoorlijk. —ingness, a. bekoorliJkChanticleer (tsjen'ti-klier),s.haan;groote kraaier. Cha os (kee'oe), s. verwarring, chaos. harnel (tjattenil), a. lijken bevattend. --house, Charnel Chaotic (kee-otiik), a. verward. beenderhule. Chap Itsjep), a. apleet, acheur; vent, kwant. muil.bek.—, v. a. Chart (tsjaart), s, !mart; zeekaart. ltsjoio, a. Icaltebeen. —8, a. Charter (tsjaar'tur)., 8. oorkonde; bandvest; vrijsplijte,
Ma iul II Ion (men-dint:1), s. kapotjas. Mandolin (men'do-fin), a. mandoline Mandr agora (men-dre'go-re), --ake (mert , ,treeh 8. alruin. Mainterel(men'dril), a. spil eener draaibank. Manduca hie (men'djoe-kibl), a. kauwhaar. 1-beet), v. a. kauwen, eten. —lion (•kee'vjurt), v. kauwing. none (meen'), a. maan. —comb,manekam —sheet, vliegennet. —d, a. met manen. Manes (mee'niez), pl. schim. Manful (men'foel), a. —I)', ad. manhaft!g, block. —nest., a. manhaftigheid, kloekheid. Manganese (..meng'ge-niesi, s. bruinsteen. Mangeorn (meng'korn),e. mankzaad, mengkoren. Mang a (ineendir), a. schurft. --er, s kribbe, trog; piabak. —bless, s. schurftigheid. Mangle (meng'gl), a. mange!. rolpers. v. a. mongelert; acheuren; fijnhakken; ha•enen, varminken. —r, a. mangelaar. Mango (meng'go), a. mango. Mangonize (meng'gun-ajz), v. 8. opfiikken (lets suds). Mangrove (meng'groov, a. amandel., wortelboom. —grape, zeedrulf. -- snapper, lipvisch. Mangy (meenidzjih), a. schurftig. Manhood (men'hoed), a. menschheid, mannelOkheld; manhaftigheid. Mania (rnee'ni- e), a. waanzin. —e (-ek , , s. waan,innige. —c (-ek), —cal (me-narikl), a. waanzinnig. razend, Manich can (metr-i-ki'en), a. manicheesch. —eon, —cc (-ki'), a. Manicheer. Manieon(men't-kun), a. boschnachtschade. Manifest (m en'i- feat), a. —ly, ad. openbaar, klatir. v. a. openbaren, —, a. manifest, vrachtbrief. aan den dag leggen. —ation (-tee'sjun), a. openbaarms king. —nest, a. openbaarheid. —a (-feteto), a. bekendrnaking, manifest. Manifold (men'i-foola), a. —ly, s.d. menigvuldig. (me-niPjunz), p1. handvatsels (aan een kanon). mannetje. Manikin Manioc (mee'ni-ok), a. cassava-wortel. Mani pie (men'ipl),a. bandvolt manipel. —pulate (me-nip'joe-leet), v. a. met he handers bewerken. —pulation (me nip-joe-lee'sjun),.. bewerkingmet he hand, behandeling. Mankind (men-lcajnd'), a. menschdom. Man less (men'leaa), a. onhemand. —like (-DO), a. mannelijk. —liness (-1i-nes0, a. mannelijkh. d i manhaftigheid. —ly, a. & ad. mannelijk. Manna (men'ne), a. manna. Manner (men'nur), a. manier, wijze, gew ()mite. in a —, in fekeren nra, eeuigermate. —ed, a. gemanierd. —ism, a. gehechtheld aan tine mauler. a. gekunsteld achilder. —finest(-Ii-nets), a. welgeanierdheid. —ly, a. & ad. welgemanierd. —s (-ours), pl. zeden, gowoonten. Mannish (men'nisj), a mannelijk, kloek. Manoeuvre (me-njoe'vur), s• kriirslist; kunstgreep; be•eging. —, v. n. manceuvreeren, bevvegingen makes. M1111101. (nrien'ur), s. heerlijkheid,landgoed. —house, —seat, heerenhnis. lanagoed. —ial (one-no'ri••el), a . van eene heerlijkheid of een landgoed.
diepgang; meat —, v. a. verpanden; meten (eels rehip). Gaggle (geg'g1), v. n. snateren. Gain (geeu'), a. —ly, ad. i handig. —, a. wine, voordeel; keep. —, v. a. winnen; verkrtjgen, bereiken. (into) overhalen tot. (over) overhalen. —, v. n. rijk worden; vooruitgaan. (on. upon) winnen op, invloed krijgen op. —er, a. winner, verwerver. —ful, a. —fully, ad. winstgeveud, —leas, a. onvoordeelig. Gainsay (geen'aee) [ire.], v. a. tegenspreken; ontkennen. —er, a. tegenspreker. Gainstand (geen'atend) [irr.], v. a. wederstaan. Gabel's!, (geeetsj), a. —ly, ad. zwierig, opzicht1g; buitensporig; uitgelaten. —ness, a. zwierigheid; uitgelatenheid. Gait ((eat'), a. gang, tred. heavy—ed, eete zwaren gang hebbend.eow —ed, ten' langzamen gang hebbend. Gaiters (gee turz), a. slopkousen. liallteritiite ige lek'te.11), y. melkmteen.

Hoe begin ik met cryptogeld uitwisseling


Aveganr, m. auger, nimble. Avorechts, bw. wrong, the wrong way, preposterous/y. Averecilitseb, by. wrong, sinister, preposterous. Averke, v. average, damage. Averult, v. a brotanum, southern wood. Avond, in. evening, eve, night. van —,thla evening. ginteren —, last night. 's in the evening, at night. —brad, evening-paper. —eten, supper. —gebed, evening-prayers, completory. —kers, evening- eervice. —Mole, evening-ball, curfew. —lied, evening-hymn, -song. —lutist, evening-air. —maal, supper; Lord 'a tripper, Communion. —nsitalaganger. communicant. —muriek, nightmusic, serenade. —parte:We, evening-party. —acheerring, evening-twilight. —nth iol,evening school. —sten, evening-star. —stond, erecting. Avont mares, ov. w. to hazard, no risk, to venture. —crier, m. —uriereter, adventurer, fortunehunter. —cur, o. adventure, hazard. —curl jjk, by. & bw. adventurous (-ly), casual (-I y). Aran, on. w. to feed to prey (upon); (op) to oovet. itait)a, tn. vinegar. —puts, vinegar-bottle, crust. —maker, vinegar-man. —maker(j , vinegar-house. —moss, vinegar dregs. —race, 5. acetic acid; by. acetic; —rout, acetate. —aehtig, by. acetone. —en, or. w. to sen,on with vinegar. fazing, v. l'eding, preying; coveting. Amaral", by, azure, snored, sky-colored. A . cuur, m. lapis lazuli, azure-stone, o. anueeolor, sky- blue.

Waar kan ik gebruik maken van de digitale portemonnee


REC.—REO. 247 derbekeering. voor; rekenschap geven van. (of. on. upon) re• (-vee'), v. a. terugbrengen; kenen op. weder shim, —er, s. rckenaar. —tag, r. rekeni•g, berekening; Record (rek'urd1,e. gedenkeehrift; aanteekening; ginning; dead —, gegiate koera; —book, boek van protocol, oorkonde; register, arch's!. upon in ontvangst en uitgattf. de geschiedenis vermeld; geregietreerd, court of griffle. Reclaim (re-kleenV), v. a. terugvorderen; opeischen; terugroepen; terugbrengen; verbeteren; Record (re-kord'), v. a. op-, aanteekenen; verrneden; regiatreeren; in bet geheugen roepen; vieren. to maken; v, n. (against( opkomen tegen. —able, —er,e.gesehiedechriper; *Tolliver's; griffier; onta. varbeterlijk; terugvorderbaar. —ant, e. tegenverger der regietratte; rechter; hoogfluitje. epreker. —lees, a. onverbeterlijk. Reclamation (rek-le-mee'sjun), a. terugroeping; Reccuelt iri-kauten, v. n. wader ggaan liggen. Recount (re-kaaunt'), v. a. nauwlteurig verhalen, verbeteeing; terugvordering. opsommen. Reelin ation (rek.li-nee'sjan), a. (het) leunen; afw'jkivg. —e T. a. & n. (doen) !ennui, alecourse (re-koorel, e. toevlucht; toegang. to rusten. have — to, de toevlucht nemen tot. Recover (re-kuv'ur), v. a. terugbekomen; herRectos. (ri-kloos"), v. a. weder sluiten. etellen (from. of); bevrip en; innen; v. n. hersteiRectos a (re-kleee'), a. opgealoten, eenzaam; a. kluieenaar. —elms, --ion (-kloe'zjun), a. eenlen. —able, a. herkitgbaar; herstelbaar. —y, a. terugbekoming; berets'. zaamheid, arzondering. —ire (-kloe'aiv), a. tenneon, afeezonderd. Rccrea nt (rek'ri-ent), a. lafbartig; efvallig; a. Recognition ;rek-ug-niej'unbe. herkerning; er- lafaard; afvallige. —te (-eet), v. a. verkwikken; kenning. vette aken, verluatigen; v. n. etch ontspannen. --tion (•ee'sjun), a. verlustiging, uitepanning. Recograle able (re- kcrni-zibl), a. herkenbaar. —ance, a. herkenning; erkenning; kenteeken; on—Jive (-ee-tiv), a. verkwikkend; vermekelijk. —trderpand; sehuldbekentents. —e (rek'ug-najs), v. a. eeness (-ee-tiv), a. verkwikkelijkheid; vetrnakeherkennen; erkennen; op nteuw nazien. —ee l'jhhetd. (-ate'), a. houder eener obligatte. — or (-zor'), a. Recregnent (rek're-ment), a. afoot, vull rite; schuim. —al (-meneel), —Wow, (-tierusl, a. ongever eener obligatie. zulver, vutl. Recoil rre-kojl'), a. terugaprong. —, v. n. terugspringen; terugdelnzen (from), ineen krimpeu. Recrimina to (re.krim'i-neet), v. a. & n. weder—er, a. woordbroker. keertg bescLuldigen. —tion (- nee'sjun), a. tegenbeschuldiging. —tor, a. tegenbesehuldiger. —tory Rocoin (rl-koin'), v. a. herninnten. —age, a. hermunt ing. (-ne-tur-rib), a. cone tegenbeschuldiging inhoudend. Recollect (rek-ol-lekt'), v. a. weder verzamelen; itch herInneren. — one's self, zich heratellen; Recruit (re- kroet), a. versterking; recruut. —, v. a. veraterken, verkir ikken; aanvullen, voltallig zich bezinnen. —ion (-lek'sjun), a. herinnering; beginning. maken; v. n. herstellen; werven. —er, s. wereer. —tag, a. werving; —money, handgeld; —officer, Recent bine (rt- kum-bajn'), v. a. weder 'amenwerf-officler. voegen. —nrence (-mews'), v. a. weder treginnen. Recommend (rek-um-mend' ► , v. a. aanbevelen, Rectang le (rek'teng-gl, a. rechthoek. — ular, a. aanpr)jzen. —able, a. aanprijzenewaardig.—ation —ularly, ad. (-teng'ajoe-ler-), reehthoekig. (-dee'sjun), a. aan bev eiing. — atory (.ae.tur-rih), Recall liable (rek'ti- faj-ibl), a. verbeterlijk. —ficalion (-tif-i-kee'sjun), a. verbetering; overhating. a. aanbevelend. —er, a. aanbeveler. —fier (-faj- ur), a. verbeteraar; overhaler. —f, Recommit (ri-kum-mit'), v. a. op nieuw begaan. (-re)), v. a. verbeteren, heratell•n; overhalen. Reeompense (rek'um- pens), a. belooning, ver—linear (-lin't-er), a. rechtlijcig. —hide (-tjoed), vergelden; gelding; vergoedhag. —, v. a. beloonen, a. rechtheid; rechtschepenheld, juist oordeel. vergoeden. Recompos a (ri-ktun-peon'), v. a. wader eamen- Rector (rek'tur), a. predikant eener parochte; be',Murder, Teeter. —ial (-to'ri-e1), a. van een' recstation; — gernetarellen. — ition (-po-zierun), a. tor. a. rectorachap. —y, a. predikani 3nieuwe samenstelling; herstelling. pleats; pastortl; rectorewening. Reconcil e (rek'un-gajl), v. a. verzoeuen (to); overeen brengen, beetaanbaar makers (with). —able Recurnben ce (re-itum'bene), —cy, a. nederligging; met. —t, a. liggend, leunend; rwstend. (-aajl'ibl). a. verzoenlijk; vereenigbaar, bestaanbear. —ableneaa (-1 ajl'ibt.), a. verzoenitikheid; be- Recupera to (re-kjoe'pur-eet), v. a. terugbekomen. —tion (--ee'ejun), a. terugbekoming. —time staanbaarheid. —count, a. verzoeniwg. —ar c .. versoeivr. —iation (-sit-i-esiejun), a. verzoening; (-e-ttv), —tory_ (-e-tur-rah), a. ter terugbeitoming dtenatig. boeting; overeenbrenging. —iatory (-sil'i-e-turRecur (re-kur'),v. n. terugkomen; (to) de toevlucht rth), a. verzoenend, bevredigend. nemen tot. —rence, —rency, a. terugkeer. —rent, Recondite (reklun-dajt), a. verborgen, geheim. a. terugkeerend; de toevlucht nemend. —aion Reconduct (ri-kuu-dukt'), v. a. teragleiden. (-sjun), a. terugkeer. Reconnoitre (rek-un-nortur), v. a. verkennen. Reconquer (ri-kong'kur), v. a. weder tern- Recury ate (re-kurv'eet), —e, v. a. achterover raven. buigen. —ation (ri-kur-vee'ejun), —ity, a. terugbulging. —sue, a,. achterover gebegen. Recon eider (ri-kun-sid'ur, v. a. op nieuw o‘erwegen. —rene (-mien'), v. a. & n. weder bijeen Recrgsan cy- (re-kjoe'gen-gih), a. afwijking. —t (ook ; rek'joe-zent), a. afwijkend; a. afgesehetdene. brengen, — komen. —version (-vur'sjun), 1. we-

Iiiierkilez eta, ov. w. to reelect. —ing, v. re- Illorplitats en, Or. W. to replace. —ing, v. reelection. placing. inereknedan, or. w, to knead (to mould) over Illerpimalt en, ov. w. to replant, —ing, v. reagain. plantation. ilerkonepee, ov. w. to button (to tie) again) Herpineg en, 07. w. to plough (to till) again. to recommence, to renew. —ing, v. ploughing over again. Illearekr,k en, or. w. to boil over again; to con- illerOloollen, ov. w. t- plait 110 fold) again. side, again. —ing, v. second heiling, illerpeet en, or. w. —tag, v. Zie Herr,tauten. Ilerkieenees, on. w. to proeeed, to finite; to de- Herearoeven, 07. w. to taste again. mend, to derive. —, o, custoee, rive. Illierrekamtn, ov. w. to reckon (to calculate) over Ildereetrinot, v. deecent,extra-tion, birth; origiu, again. derivation. —ig, by. dcaleended, barn, sprung IfferrUz en, on. w. to rise again, to revive. tit (nom), native (of), originary. den dood --, to rise from the dead. —entie,—ing. literatreop, in. repurrhnve. —en, or. w. to re- T. Yie ...der Verrajnen, purchaee, to buy back again. ilicrepep elUk, by. revocable, repealable. —eNlerkonecen, ov. W. to copper again. ltikheid. v. yeeocableaess, —en, or. no, to recall, llerkrtJg an, or. Ir. to get back (again), to re. to revoke, to retract, to recant, to repeal. —in, cover. —ing, v. recovery. v. recoil, revocation, retraction, recantation, Ileelipsd ette, or. w. to load (to lade) again. —ing, repeal. v. loading (lading) again. nersehatt en, ov. w. to revalue. —er, m. reSEerlieee.n, or. w. to learn (to teach) again, valuator. —ing, V. reealuation. etalelatd i,,,t,P, by. reducible. —baarheid, V. ra- lilieriiebep en, on. w. to reship, to transship. ductbleeese. —en, ov. w. to redace. —ing, v. —ing, v. reshipment, trensshipeneet. reduction. iiliereicisepp en, or. w. to metamorphose, to Henley eon, on, w. to revive; to return to life, treusform ; to regenerate. —er, an. metamorto get a new life ; to renew one's age. —ing, v phocer, transformer; regenerator. —ing, v. metarevIval. morphosis, transfornnttion ; regeneration, lieeriez rot, 07. w. to read over again. --ing, Iliersehkin en,on.w. to chine again; to reappear, v. readiog again, second reading. —ing, v. shining again; reappearance. Illerwttlken, ov. w. to remake, to repair. illersehikk en, or. w. to arrange to regulate) Herts., en, or. w. to grind. again. —fog, v. anew. —ing, v. new arrangement. grinding again. llierEehousw en, ov. w. to inspect (to review) allernsuoiaen, or. iv. to don again. again. —ing, v. new inspection. IlltereneliUma, ro, Pa o. ermine, —en, by. (of) en. IllersehrOven, ov. w. to write over again. mine. Hersen en, v. my. brain, brains, —klier. pineal llilerneengen, we. w. to mix again, gland. —ontsteking, inflammation of the biotin, Illertnerkeera, coo w. to mark (over) again. brain-fever. —pan, skull. —boor trepan. —schim, llcc'enct en. oc. w . to measure (over) again, fancy, chileere. —schimmig, chimerical. ' —Irked-ing„ v. reeasering (over) egnie, eeconei mea, ding, cenrueeion of the brain. —riles, cerebral tiTe men t. membratite, meninge. —rorucht, Productionof the illie;rentant en, en. w. to recoin. —tag, v. re- brain,freit oftheunderetanding.—evoede.freney, e.oicege. delirium. —loos, by. brainless, addle headed. —a, lfiternardetto or. w. to new again. v. me. iv:nand de — insla.2n, to knock out a. o. '8 tlerni,11; Op, 0, W. to take back again, to retake; braille. te relay. -icy., a. recapture, retakiug. lilieralUpen, oe w. to whet (to grind, to polish) ellereda..atiee. an. Moravian brother. over again. GI.Vatitelllif P.,Itr, by. renewable. —en, ov. w. liferaraleden, ov. w. to forge again; to change. to renew. —lug, V. reuenal, le novetion. to reform. 'Werra oornon, ov. vv. to rename, to name again. Illieranyelit en, or. w. to remelt. —leg, 'v. re•


slager. 5oved, In goed gevat. coin, louden munt. —dust. stofgoud. —finch, gondviak; rtjkaard. —finder, goudzoeker, eekreetruimer. —,diner, goudscheider. —fish, goudviech. —foil, bladgoud. —hilted, met een gouden gevest. —lace, goudira.. lon. —leaf, bladgoud. —pleasyre, vliegenkruid, vlasdotter.—proof,proefhoudend;ononakoopbaar. —searcher, goudzoeker.—size, goudgrond. —smith, goudsmid. —thread, gouddraad. —weight, gondgewicht. —wire, gouddrattd. —wire-drawer, gonddroadtrekker. Golden (gool'dn), a. gouden, gulden; geel. —age, gouden eeuw. —number, guldengetal. —rule,regel van drieen. —ly, ad. schitterend, heerlijk. holding (goold'ieng), a. reuet. Goldney (goold'nth). a. goudviazhje. Goldy-locks (goold'ih-loks), a. goudhaar, motbraid. Golf (golf"), a. kolfapal. —stick, boll. Golore (go-loor'), s, overvloed. Gorse (goom), a. waffensmeer. Gonsphosis (gom-fo•sis, s. verbinding van een' tand me , de tandkas. Gondol a (gon'dol-le), a. gondel. —ier (-tier'), a. gondelier. Gone (gon), part. & a. gegaan; voorbtj; verdwe. nen, wag; dood, —by, a. verviogen. get you —, echeer je wag. Gonfalon (gon'fe-Inn), a. banter, atandaard. —her (-lee), s. banierdrager. Gong (gong), s. gong (trommel der Indiasien); sekreet.. Gonforde ter (go•nt.om'i-tur), a. hoekmeter. —try (-e-trilt), a. hoekmeting. Gonorrhea (gon•or-ri'e), s zaadvloed. Gdod (goed'), a. & ad. koed, jutmt, geschikt; grant, veal. —, int. goad zoo! for — and all, eens coot alWd. to make vervullen, honden.to think, —, goedvinden. in earnest, in called ernst. in — time, to rechter tijd. a — while, cene geruime pons. —breeding, wellevendheid. —conditioned, in goeden st a at. —fellow, vroolijke baas. —fellow. ship, vroolijk gezelschap. —jar-nothing, A. nutteloos; a. deugniet- —gracious! genadige hemel! —Henry, ganzevoet (plant). —hunter, opgeruimdheld. —humored, opgeruimd, good gelutmd. —lack! have hemel! — liking, goedkeuring. — luck. getub, buitenkansje. —man. bestevaar, hutsvader. —nature, goedaardigheid. —natured, goedaarchg. avondmuziek. — now! lieve tijd1 heere mijn tijd! --sense, gezond verstand. —turn, voorkomendheid. —wife, —wortan,moedertje,buisnaoedor. —will, welwillendheid, gunnt. —liness, a. bevalligheid --ly, a. bevallig; opgeblazenorelukkig. —mess, s. gozdheid —y, ss. moedertje. vrouwtje. Good (goad), n. (het) goede; welziln; nut, cootdeel. —s, (goads), a. goederen; hutsmad; waren. —, v. a. bemesten. G oosan.der (goes-en'dur), a. duiker. Goose (goes') s. gans; peraijzer; kruk; stumper. —berrg, kruisbes. —berrgfool, kruisbessenmoes. —cap, domoor. —foot, gatrzenvoet(plant). —giblets. afvai (van ganzen). —grass, kleefkrutd. —neck, ganzenhals (husk). —pen, onzenhok. —guilt, gan. zenpen. —rash, boretelbies. — skin, gauzevel; kippenvel, —wing, horen van een gegeid sell.
42f; BUI.—CAL Buitetssiogel, tn. outer-rampart. —vooge14, castellany. —create, astellan lady. —wal, rampart, canal. Buttensteande, bw. abroad Bulionolsalt en, ov. w. to exclude. —ing, v. Burigenseester,m.burgoniaster,mayor.—serosto, exnusion. mayoress. —10, bv. di bw. like a ourgomaster, Buteenspo , r1g, be. & bw. extravagant (-ly), consular. with authority. —eckap, o. office (digexorbitant (-1y), --hell, v. extravagance. nity) of a burgomaster. Burger, in. citizen, burgess, commoner- —deers, Bun taxisproing, KA. digression; false step. —doehter, —meisje, girl of the middle close. Bultenetston, un. w. to stand witbcut, to withdraw. —desspd, —tin, civic virtue, civism, public spirit. Bultenstakei, v. suburb. —draeht. —kleeding, dress of the middle class. —red, civic oath. —halt, house of a citizen. Bultenste, by, outmost, outermost. —, o. outOde. —jongen, boy of the middle class. —]shrews', wOman of the middle class. —hashes, Bli „rlte.saattlde, bw. out of season. kott, —pot, ordinary fare. —kind, child of the Bultearesel ar, m. gentleman-governor of tits general concerns of an hospital. middle class. —honing, citizen-king. ---tti)g, Bilittillita WILK, o. country-house, -seat. —oor/og, civil (intestine) wry. —kroon, civic Buitenwainria, bw, outward. crowns. —leven, private life. —lieden, citizens, people of the middle clans. —man, man of the filuitenwarbt, y. advanced guard, outguard. Buitensveg, rn. outer-road. middle class. sit, cotnmooer. —pliekt, citizen 'a Bullenwerk, o. outwork; tillage. —en, o. my. duty. —rectal, citizenship, civil law. —regeering, popular government, democracy. —school, cityoutwork,. —a, bw. without the clear. school. —stand, clasa of citizens, middle slats. niteuzUde, v. outside, exterior. Butter, m. freebooter. —trent, common-way. —trots, pride of the middle clays. —trouw, allegiance. —railer, father of aiukk en, on. w. to bow, to stoop; to submit. —log, v. stooping, submission. the citizens. burgomaster. —world, national Butts, V. nil,. —Loom, box, box tree. —kogel, guard, train-bands, —wet, civil law. —soon, son rifle-ball. —ectieter, of a citizen. —achtig, bv. citizenlike. —es, v. eitess. —, v. citizens. —49k, by. & bier. citizenBull, v. ball. like, civil; plain (-ly), common (.1y). —ackap, m. buil. —hood, bull-dog. —katf, bull-calf. v. citizens; o. eitizenabip. —oa, gelded bull, bullock. bug-bear. Burnie, v. barrow, baud-barrow. —lepeee, b til l's-pizz le. Bolder star, nn. blusterer. —en, on. w. to rage, Bus, v. box, urn; barrel, rifle, arquebuse. in de — Oaten, to pry (a fine), to come-down. —bewaarto bluster, to roar. —bast, m. blusterer, swearer, —ig, or. boiat,rous, blustering. —ing, v. raging, der, koeper of a box. —draper, box-carrier.—Pieter, gun-founder. arsenal.—hruit,gun-powder. blustering. —*stetter, reaster-gunner. —sclaieter, musketeer, Bunten, on. w. to low. to bellow. rifle-man. Buluter, v. bolate;, pillow, cushion. Bull, m. bunch, Minors boss, bump. —Popper, Bussed, an. Zie Bundel. —en, ov. w. to bundle ' to tie up into bundles. —rnaar, planisher. —os, bison. —sate, straw-bed. in. hump back, —acht4/, by, hump-backed, crook- But, v. bidon, can Butoasr, In. bittern. ed bv. bunchy, humpy, bonny. Buena', m. neighbor. —dochter,—Ineive,veighboring Hen it, v. trunk, lass. —jongen, neighboring lad. —kind, neighbor's m. bundle, truas; bottle; elleaf, fasces. child. —laeden, neighbors. —man, neighbor. iittudtar,o. hectare. —practje, neighborly chat, gossip. —vroato,neighlaunztrtg, un. bor. —akuis, neighboring house, next-door house unclit , Zie Burg. Buren, on. w. to visit one 's neighbors, to be —echo's, a. neighborhood; hamlet; good intelligence among neighbors. neighbors, to be ne!ghborly. Burg, In. borough, cattle, stronghold. citadel. Ber urrt, v, neigborhood; hamlet; ward, quarter. —bock, register of a ward. —briefje, notice to the —groat, burgrave, si , caunt. —groafeekap, burgravta te, yiscouotahip. —gravin, burg ravine, inhabitants of a ward. --hoer, gentleman of a hamlet. —tneester, warden; head of a hamlet. viacountess. —kook, dental. —mop!, castellsn.

Gabriel (gee'bri 11), m. Gabriel. Galatia Gb.latt6. —a, i. Galatier. Galicia (ge-liaj'i-e), g. Gailicit. Galatz (ge-lets'), g. Galati. Gall lean (ge1-11-1i'en), i. Galli ee ?. —lee (gel'. il-lie), g. fiancee, —leo 1.1Vokm. Galileo. Gallia (gei'll-e), g. Game. Galvesten (gePvis-tun), g. Galveston. Ganges (geir dzj fez), g. the —, de Ganges. Garrick (ger'rlit), en. Garrick. Gascon (ges'kun), I. Gaseonjer. —y, g. Gasconje. Gaul (gaol), g. Genie; i. Galilee. G e If (dzjef'), —cry. ry, f. vo,r Godfrey. G.nev. (dzje-ni've), g. Geneve, Gent) a (.1zjen'o-e), g. Genoa. —roe (-( Cc), a, ge• sneeseb; i. Genoeee. 

Hoe kan ik geld opnemen van mijn grootboek Nano S


Cuckhig-stool (kuk'ieng-stoel), s. duikstoel, Culture (kulrjoer), a. landbouw, kweeking; beBehaving. —, v. a. Zie Cultivate. dompe!stoel. Cuckold (kuk'uld), a horendrager. v. a. tot Culver (kul'vur), a. duif. —house, duivenhok. horendrager maken. —maker, verleider van ge- —key, akelei (plant). —tail, zwa , ,,staart (in trouwde vrouwen. -Om (-darn), a. horendrager- timmerwerk). schap. —ly, a. als een horendrager; verachtelijk. CulverIn (kul'vur-in), a. veldalang (1-anon). Cuckoo (knk'oe), S koelcnek; ellendeling. —bread, Culvert (kurvurt), a. overdekte doorloop (v6or koekoekshrood. —bud, —flower, koekoeksbloem, water); tunnel. —yinyflower,maagdenpalm. —pint, arum (plant). Cumbent (kum'bent), a. liggend. —sorrel, koekoeksklaver. —spit, —spittle, plan- Cumber (kum'bur), v. a. moeite (overlast) veroorzaken; belemmeren; overatelpen. —some, a. tenspeeksel. —comely, ad. lastig, hinderlijk. —someneR, a. lasCucullate (kjoe-kul'let, kjoe'kul-leet), a. met tiKheid. eene kap bedekt, kApvormig. Cucumber (kjoe'kum-bur,kau'kum-bur),s.kom- Cumbr ance (kum'brens), s. last, hinder.—ous, a. hinderlijk, lastig. kommer. Cueurblt (kjoe'kur-bit), a. distilleerkolf. —ace- Cumin (kum'in), s. komijn. Cumuli, te (kjoe'moe-)eet), v. R. ophoopPn.--tion nun (-tee'sjus), a. kalabasvormig. Cud (ktui), s. voedsel in de voormaag; tabaks- (•lee'sjun), a. ophooping, —tire, a. toenemend, bijkomend. pruim. to chew the —, herkauwen; ove-peinzen. Com (kun), v. a. weten; stucco. Cudden (kud'dn), s. stoffel, lummel. Coddle (kud'dl), v, n. dicht ineen liggen; elkan- Cunctator (kunk-tee'tur), a. draler. der omhelzen; zich neerhurken. 'Cline al (kjoe'ni el), —aced ( eet•id), —iforin Cuddy (kUd'dill), a, kinkrl; koolvisch; kajuit; (kjoe nit form), a. wigvormig. stookplaats. Conner (kun'nur). s. zeealak. v. a. afrossen. Cunning (kun'nieng), a. bekwaamheid; ervaren• Cudgel (kud'dzjil), s. knuppel. —play, knuppelspei. —proof,tegenslaagbestand. heid; sluwheid. —, a. —ly, ad. kundig, bedreCue (kjoe), s. staart; uiteinde; biljartstok, queue; ven, ervaren; behendic: loos. listig. —fellow, teeli en, wenk; stemming; steekwoord. to give looze schalk. —man, wasrzegger. —woman, wearone his. —, iemand de woorden In den mond zegster. —nes, a. sluwheid, geslepenheid. geven. Cup (kup), s. kopje, beker, kom; schaa); laat. Cull (tut), s, slag; ,00rveeg; handlubbe; oude man. bop. he has been in his —a, hij heeft Sr veel geto go to —s, handgemeen worden, bakkeleien. dronken. —and can, bests maatjes. parting —.,af• —, v. a. alarm (met vuist of klauw); v. n. pink- scheidsdronk. —hearer, schenker. —board, m. harem. schenkblad; pottenkast• v. a. bijeengAren. —rose, Coinage (kwin'idzj), a. oprolling (van blik). slaapbol. —shot, —ahotten, aangeorhoten, beCulrnaa (kwi-res'), s. borststuk, kuras. —ier achonken. —weight. gewicht, welks stukken in (kwi-res-sier'), s. kurassier. elkander sluiten. Cuish (kwis), a. dijharnas; dijstuk. Cup (kup'), v. a. koppen zetten. —per, a. koppcnColsh. Collage (kwis), a. zetter. —ping glass, kopglas. Culdees (kurdiez), a. MOTIllike. in Schotland. Cupel (kjoe'pil), a. smeltkroes; kapel. —dust, Culerage (kul'ur-id7j), a. vlooienkruid. louteringspoeder. —lotion (lee'sjun), a. loute. Culinary (kjoe'll•ne-ril ► ), a. tot de keuken be- ring Ivan metalen). hoorend. Cupidity (kjoe pid'it•tih), a. hegeerlijkheid. Cull (but'), a. aalrups, kwabaal; stoffel, domoor. Cupola (kjoe'po le), a. koepel. v. a ititzoeken, uitlezen. —er, a. uitzoeker. Cupreous (kjoe'pri on), a. koperlg, koperen. —ibility ( Cur (kur), a. boerenhond; schurk. a. lichtgeloovig. Curable (kjoe"ribl), a. geneeslijk. —near, a. ge. Cullion (kill'jtm), a. schurk, flelt; atandelkruid, neeslijkheid. ameerwortel. —ly, a. laag, gemeen. Cur.* cy (kjoe're sih), a. parochle, predikantsCuillls (kul'lls), a. zeef, doorzOgsel; vleeschnat. pleats. —te ( rat), a. hulpprediker: parochiepreCully (kunih), a. sul, domoor. —, v. a. bedrie- dikant. —tire, a. genezend. gen, kullen. —ism (-izm), s. sulachtigheid. Curator (kjoe-ree'tur), a. curator, voogd. Cnim (kulm), a. smeekool; grasstengel. —iferous Curb (kurb'), a. kinketting; beteugeling; hoefge(-rnit'ur•us), a. ha ►ndragend. —atone, randateen. —. v. a. een' kinmet. Cutminn (kurmi-neet), v. n. in het toppunt betting aandoen; in toom houden, beteugelen. zijn. —tion (.nee'sjun), a hnogste stand. Curd (kurd'), a. gestremde melk; stremsel. —, Culp ability (kul-pe-bil'it-tiii), a. schuldigheid. v. a. doen stremmen. —a, a. stremsel, wrongel. —able (kill'pt131), a. —ably, R. schuldig,misdadig —y, a. klonterig, gestremd. (af). —ableness, a, schuldighsid. —rit (kul'prit), Curdle (ktied1), v. a. doen stremmen; v. n. a. misdadiger, schuldige. klonteren, stollen, atremmen. curdled sky, lucht Coltch (knitsj), a. oesterbank. met witte wolkjes bezet. the blood curdled in nay (runty able (kurti-vibl), a. bebonwbaar. —ate, reins, het bloed stolde in mijne aderen. v. R. bebouwen; kweeken; beschaven. —allot, Cure (Icjoer'),.. genezing; geneeskuur; zielenzorg; (-vee'sjun), e, landbebouwing; aankweeking;ver. predikantsplaats. —, v. a. genezen , heelen, edeling. (•ve.e.tur), a. hebouwer; kweeker; drogen; zouten, inmaken. -less, a. ongenees. lijk, —r, a. geneesheer, arts. bearhaver.
keen, eertijds. when — Omit come, in vervolg; met der tkjd. —enough, vroeg genon. —6ezeoeted, vergaen van ouderdom. —enduring, standboudend, duurzaam. zandlooper. —keeper, —piece, chronometer, aurwerk. —pleaser,—server, weerhaan, hut chilies, —serving, she knit naar den wind baegend. —tables, pl. Wet der uren van vertrek en aankomat. -warns, door ouderdom vergaan. —, v. a. near den tijd regeien; den rashten tijd kiezen voor. —fat, a. —futtp, ati. Zis Timely. —less, a. —leanly, ad. ontijdtg, voorbarig. —linens (-ii-ness), S. tijdislheid, gepastheid. a. tijdig, gepaat. Timid (tim'id), a. —ly, ad. schroomvallig, bedeesd. blonde. —ity (-id'it- fib), a. nchroomvalligheld, bedeeadheid. Tiralst (tajm'ist), a. maathouder; tie Timeserver. TinaGineer (tim-un-ter'), s. roerouger, man aan 't mom TImoroue (tim'ur-us), a. —ly, ad. vreesaehtig. —ness, s. vressachtigheid. Ten (tin'), a. tin; bilk. —foil, bladtin. —glees, bismuth. —man, tinnegieter; bliksiager. vertind plaatiizer. tinmijn. —ore, tinerts. v. a. vertinnen. —tack, tinnea spijkertje. Thema' (ting'kel), a. rowe borax. s. kleur; tint; Timet (tingkt'), a. gekieurd. viek.—,v. a. kieureu, 'craven. —are (-joer, -jur), s. kleur; sehkjn, zweem; tinctuur, aftreksel; vat. verven; eon' zo eam (eene tint) geven. Tinder I tIn'dttr), s. louder. —box, tonderdoos. 'rise (tajal, s. tone; verlegenheid, nowt. —, v. a. in brand steken; inslaiten; v. a. lijden; woeden. — man, hoschwachter. v. a. & n. Thug (dug) s. klank, geklingel. (down) klingeten, Tinge Rind*, a. kleartje; geurtje, smaakje; zweena; viek. —, v. a. kleuren; eon' zweena teens tint) geven. Ting)) a (ting'g1), v. u. Clinton; buiten; tintelen, jeaken. —ing, s. tutting, gesuts; getintel. (tingle), v. n. Lie to Tinkle. T v. a. & n. Tinker (ting'knr), a. ketellapper. lappen, opiappen (up). Tlnkl (tinekil, v. a. & a. (doom) Minton, ritts. gerinkel; getnit. kelen; tuiten. tingraver. Trims ed (dud), a. vertind. —er, —ing, e. het vertinnen; vertined. —y (tin'ulh), a. tinhoudend; tinachtig. Tinsel (tin's11), a. klatergoud. —, a. schijnbaar, oppervlakkig. —, v. a. met klatergoud venter.. Tint (tint), 8. tint, kleur. —, v. a. Oaten, kieuren. Tiny (tarnih), a. klein, nietig, goring. Tip (tip'), s. top, punt, uiteinde, slag, worp;stofkolfje. —staff, dienderastok; gerechtsdienaar. —toe, top de, teenen; to stand on —, op de teenen stain. —top, a. hoog, boogst; uitstekend; a. hoogste greed, bests, voornaamste. —, v. a. beslats; lieht aenraken; omverpen (down. eeer);v. n (off; valleu; (off. over) uittntjpen, ster,vea. —pet s. halskraag. Tippl e (tIp'pl), s. drank. —e, v. a. & n. pimpelen, zuipen. —ed (tip'pid), a. drunken. —sr, a. drinkebroer,pimpelaar.—ing-honse,kroes.
J oer, complier, man Js, bw. yes, yea ; ay, nay. that has never an opinion of his own. —woord, yam, consent. Jiang trianr, by. huntable. gee', —loon, money for drawing. — lout, flying jib - boom. — 1(in, towing - line. — pad, horsc•path. — schuit, draw - boat, m. cat, gsa ► , stash. tenr, o year, twelvemonth. 'a—a, a year. —boeken, annals. —buckle, annuary. —dicht, chronogram. —fecal, anniversary. —gang, year. —geld, salary, pension, annuity, yearly allowance, --pets;), tilde, season. —Inning, annual revolution, cycle. —markt, fell% —xleutel, enact. —tat, year. —telling,
geparelde gerst. —bubble, parelblaaa (schelpdter). Pavo (pee'vo), 8. (de) Pauw. —nine (pev'o-najn), —colored, parelkleurig. — cowry, parelmoerstak. a, pauwestaartachtig. —diver, parelvisscher. —eyed, met eene parel op Paw (pao), e.. poot, klauw. cat's —, znehtje, het oog. —fishery, parelvisecherij. parelflauwe betas. —, v. a. trappen; krabben; ruw vlieg. —grass, parelgras. —oyster, pareloester. behandelen; streelen; v. n. trappelen. —ed (paod), —plant, parelplant. —seed, parelzaad. —shell, a. met pooten of klauwen; breedvoetig. parelschelp. —sinter, pareIsinter. —spar, parelPawky (pao'kih), a. listig, oclijk. spaatti. —stone, parelsteen. --white, a. & s. parelPawl fpaol'), a. pal. —bit, palbeting. —bolt, pal. wit. —wort, parelkruid. —, v. a. met parelen —cleat, palklamp. —head, palkop. --plate, scheen; tooien; v. n. parelen. —ed, a. met parelen bent. Me, —rim, palrand. v. a. pollen, van een —y, a. rijk can parelen; parelachtig. pal voorzien. Pawn (paon'), a. pond; verpanding; boar in 't Peasant (pez'ent), e. boar, landmau. —like, a. boarachtig, boersch. —ry, s. boerenstand; boerenschaakspel). at —, an to pand. —broker, houyolk. der van een pandjeshuie. —house, pandjeshuis, bank van leening. v. a. verpanden, verzetten. Pease (pieV), pl. erwten. —bolt, —haunt, erwtenstroo. —porridge, erwteneoep. —ee (-te'), s. pandhouder. —er, s. pandgever. Peat (piet"), s. turf. —bog, tuff.. veengrunn, Pax (pelts), a. crucifix. —borer, turfgraver. — moss, veen, veengrond. —y, Pay (pee'), s. betaling; loon; soldij. —day, bea. vol turf; turfachtig. tasIdag. —master, betaalmeester. —office, betaalPebbl e (peb'b1), a. —stone, kei, keisteen. —ed kentoor. (peb'bld), —y, a. vol keisteenen. Pay (pee') [paid (peed)], v. a. betalen; beloonen; harpuizen, teren; vieren. — attention to, acht Pecca tale (pek , kib1). a. zondig. —bility (-kegeven op. — a visit, eau bezoek afieggen. (away bil'it-tih), s. zondigheid. —dill° I- ke.dil.'10), a. geringe zonde. —ncy, e. slechtheid; vergrijp. uitbetalen; vieren. (down) content betalen. (ford —nt, a. zondig, slecht; strafbaar, achadelijk, betalen voor; hoeten voor. (in) storten. (cif) ofbedorven. betalen; ofdanken. (out) laten schieten, vieren. able, a. betaalbaar. —ee (-ie'). s. lactate houder Peccary (pek'ke•rib), a. muakuszwijn. van een wissel. —er, a. betalen; betrokkene; Peck (pek'), s. spint; hoop, menigte. —, v. .. pikken; (down) neigen; v. n. (at) plukharen; vitbetaalmeester. ten. —er, a. pikker, specht. Payment (pee'ment), a. betaling. on —, na inkomen. received —, voldaan, in dank ontvangen. Pectin al (pertl-nel), a. kamvisch, —al, —ate (-net), a. kamvormig. to procure —, incasseeren. Pectoral (pertur-e1), a. van he borst; burst-. winged grauwe erwt. grey —, Pen (OW), a. erwt. - a. borstmiddel; borstwapen. - sperzieboon. —boiler. erwtenketel. —jacket, Pecula to (pek'joe-leet), v. n. 'a lands kas bepijakker. —nut, aardnoot. —ore, korrelige bluer• besteerts. —pod, erwten in echilien. —"a-cod, —shell, stelen. —tion (-lee'sjun), a. verduiatering; ling van 'a lends bas. —tor, s. besteler der bas. erwteschil, peulschil. ehooter, erwtenblazer. Peace (pies'), s. vrede; stilte, kalmte. —breaker, Peculiar (pe-kjoe'li-er), a. —1y, ad. bijzonder, eigenaardig. s. uitsluitend eigendom; kapel. rustverstoorder. —establishment, voet van vrede. —ity (-er'it-tih),s. bijzonderheid, eigenaardigheid. —maker, vredestichter. —offering, aoenoffer. —ize (-ajz), v. a. bijzonder geschikt maken. —officer, rechtsbeambte. —parted, in vrede gestoryen . int. still zwijgl —able, a. —ably, ad. arced- Pecuniary (pe-kjoe'ni-e-rih), a. geldelijk, geld-. —mulct, geldboete. zaam, vredelievend; ruetig, —ableness, s. Ped (ped), s. pakzadel; pakmand. vreedzaamheid, rust. —ful, a. —fully, ad. vreedzaam, rustig, bedaard. —fulness, a. vreedzaam- Pedagogic (ped-e-god'zjik), —al, a. pedagogisch; held, gerustheid; ruatigheid. The queen's —, de opvoedings-. Pedago giszn (ped'e-go-dzjlzm'),.. het ambt aeon openbare orde. Peach (pietsj'), a. perzik; perzikboom. —brandy, opvoeders of onderwkizers. —gue (-gog), a. leermeester, opvoeder. —gy, a. opvoeding, onderperste°. —color, perzikbloesem (kleur). —tree, wijs. perzikboom. Peachick (pieitsjik), 'a. pauwkuiken. —cock, Pedal (ped'el), a. van den voet. — s. (-alt), voetklavier, pedaal. pauw; —tail, pauwestaart (plant). —hen, pauwin. Pedant (ped'ent), a. sehoolvos, pedant. —ic,—ical, Peak (piek'), a. top, spits; punt, tip; gaffel. a. —ically, ad. (-den'tik-), waanwijs, verwaand. v. a. toppen, optoppen (up); v. n. zieltelkik (near, —ry (-trih), a. verwaandheid. gen:leen) uitzien. —ed, a. puntig, spits; ziekelijk, Pedate (ped'et), a. voetvormig. afgevallen. —ish, a. bergachtig, puntig. a. rondventen; v. n. venten; Peal (piel), a. kual, gebutder, gelui; geschater. Peddl e (ped'd1),s.v. beuzelen. —er, rondventer, marekramer. —ing, — of rain, atortregen. —, v. a. bestormen;v.n. a. beuzelachtig. knallen, bulderen; kleppen. Pederast (ped'ur-est), e. knapenschender. —y, Penn (pi'en), a. —ism, s. Zie Paean. s. knapensenennis. Pear (peer' ► , s. peer. —bit, peerbit. —main, peerAppel. —pie, perentaart. perepruim. Pederero (ped-e-rrro), s. draatbas. —quince, kweepeer. —tree, pereboom. —shaped. Pedestal (ped'es.tel), s. voetstuk. Pedestri al (pe-dea'tri-e1), a. van den voet; voet- . —ifortn, a. peervormig. —an, a. to voet, voet.; a. voetganger, -reisiger. Pearl (purl'), a. parel. mother of —, parelmoer. —ous, a. loop end, met voeten; —animal, lauddier. —aloes. parel-aloe. —ashes, parelasch. —barley,
Forme, v. fame; report; reputation. ter gveder swan en — ataan, to be in good repute, to have a good character. —roovend, —rooter, ale Ear. ronvend, Ferroover. —loos, by. inferno.. Fake], V. fable; story, tale, quib. —bock, hook of fables. —dicker —schrtver, fabulist, fabler. —kunde, —leer, mythology. —achlig, be. febulous. Fabriceeren„ ov. W. to manufacture, to make, to fabricate, to forge. Fabriek. v. manufactory; coining, invention.--, m. surveyor of ;iblick buildings.—arbeider,—werher, manufactory •rn an, workmail.—diatriet,mannfactoring district. —gebouw, manufactory. —goed, —werk, manufact )re. —opzichter, foreman. —prti., factory-price, prime cost. —.OM, manufacturing- taw, —weave, manufacturing industry, factory-aptem. —en, no. w. to make, to fabricate. Falerik ant, m. — ear, m. manufacturer. Factle, v. faction. Fasctoor, m. factor; agent. v. factory. Factureeren, ov. w. to invoice. Fesetuur. v. Invoice. —bock, invoice-book. -, bedrag, invoice-amount. —warsido, value as per invoice.

Hoe kan ik kopen Bitcoins

×