More than 9 million people have participated to the Erasmus program since its creation. The number of young participants has increased significantly since 1987. Nearly 300,000 a year for only 3,244 in 1987. Spain is the country that allowed most people to participate to Erasmus with more than 40,000 per year, ahead of France, Germany and Italy. The countries receiving the most students are Spain with more than 39,000 students and then Germany.[16] There are currently more than 4,000 higher institutions participating in Erasmus across the 37 countries. In 2012-13 alone, 270,000 took part, the most popular destinations being Spain, Germany, Italy and France.[17] Erasmus students represented 5 percent of European graduates as of 2012.[18]

COU.—CRA. ring. .--seuffie, vechtpartij. —sense, tegenover4estelde beieekenis. —sign, a. wachtwoord; tegenonderteekening; v. a. tegen-onderteekenen. —signal, tegensein. —signature, mode onderteekoning. —stroke, terugslag. —taste, bijsmaak. —tenor, alt. --tide, tegentkj. —timber, wulfhout. —time, tegenstand, hinderpaal; tegenspoed; teleursteiling; mistily. —transom, dekworp. —turn, onverwachte wending, plotselinge omkeer. —rail, a. tegenwicht, vergoeding; gelijke waarde; v. a. in waarde (kracht) evenaren; bettionen, vergel. den; v. n. van gelijke waarde (kracht) zijn. —view, keerzijde; contrast. —work, tegenwerken, belemmeren. Countess (kaaunt'ess), e. gravin. Counting-house (kaaunt'ieng haus), s. bantoor. Countless (kaaunt'least, a. ontelbaar. Countrified (kun'trl fajd), a. boersch. Country (kun'trih), s. land; platteland; land. —, a. landeliik, plattelands . —dance,contredans. —house, landhuis. —life, (het) buitenleven. —man, landgenoot; buitenman. —seat, buitenplaats. —song, volkslied, —squire, landedel. man. —wake, boerenkermis. County (kaaun'tih), a. graafschap. —court, provineiaal gerechtshof. Couple (kup'pl), a. paar, koppel. —, v. a. samenvoegen, koppelen; v. n. zich vereenigen, paren. Couplet (kuplit), a. paar; couplet. Courage (kur'idzj), a. mood. —ous, a. —ously, ad. moedig, kloek. —ousness,s. dapperheid, kloekheld. Courant (koe rent'), s. nieuwahlad, brunt, zekere ♦lugge dans. Courb (koerb), v. n. zich bulges. Courd (koerd), a. pompoen; kalebas. Con-ter (coe'rier), a, renbode. Course (boors'), s. wedloop; loopbaan; gang; reeks; beurt; zeil; koers, richting; curette; gerecta; neiging; laag. — of exchange. wisselkoera. by —, beurtelings. of natuurlijk. — of life, levenswijs. to take a —, een' maatregel nemen, to follow the — of time, net den tijd medegaan. — 8 ( iz), a. maandstonden; onderzeilen. —, v. a. vervolgen, jagen; v. n. rennen, jagen. —er, s. renpaard; Jager. Court (koort), s. hof; plein; straatje, plichtpleging. — of guard, wacht. — of chancery, kanselarij. — of exchequer, algemeene rekenkamer. to make one's —, zkjn hof maken. —baron, leengerecht; burgerlijk gerechtshof. —breeding, hoof ache opvoeding. —chaplain, hofprediker. —day, rechtadag. —dress, gala bleeding. —hand, bureautichrtft. —lady, hofdame. —leet, adellijk leengerecht. —martial, krijgsraad. —plaster, engelach pleister. —yard, binnenplaata. Court (koort), v. a. zijn hof maken aan, vrijen naar. Courteous (kur'ti us, koort'jas), a. —ly, ad. beleefd., vvellevend. —ness, a. beleefdheid. Courtesan (bar ti zen'), a. boeleerster. Courtesy (kur'te zih), a. wellevendheid; beleefdheld. — (kurt'sih), s. nijging, buiging. —, v. n. eene nijging maken. Court ler (koortjar), a. hoveling. —like, a.

Kan ik cryptogeld door middel van TD Ameritrade


Acu leate (e-kjoe'li-et), a. stekelig, puntig. —men, Adit (ed'it), a. toegang; mijnWaterleiding. Adjacen cy led-zjee'sena-sih), a. nabijheid. —t, s. scherpe punt; acherpzinnigheid. —minate a. aangrenzend, belendeud. fleet!, v. a. wetten, acherpen. —mination (-mi- nee'sjunl, a. scherping. —te (e-kjoet'), a. scherp; Adject led'-zjekt'),v.a.bijvoegen.—ion(-ziek'sjun), hevig; scherpzinnig; —angle, scherphoek. —tenets, a. bijvoeging. —itious (-tis'sjus), a. bijgevoegd, —ive (ed-zjek-tiv), s. bijvoegelijk naamwoord. (e-kjoet'ness), s. scherpheid; hevigheid; s,herp- Adjoin (ed zjojn'), v. a. bijvoegen; v. n. aanzinnigheid. grenzen. Adage (ed'idij), a. spreekwilze; apreuk. Adamant (ed'e-ment), a. zeilsteeu. —ine (-men' Adjourn (ed-amuen'), v. a. verdagen, uitstellen. —meat, s. verdaging, uitstel. tin), a. hard els diamant; onverbreekbaar. Adapt (e-dept'), v. a. (to) toepassen; geschikt Adjudg a (ed-zjudzj'), v. a. uitwijzen; toewijzen, veroordeelen (to). —meat, a. toewijzing, maken. —ability s. dienstigheid, vonnia. bruikbaarheid. —able, a. dienstig, bruikbaar. —ation(ed-ep-tee'sjun),—ion(-dep'sjun),s.toepas- Adjudicat o led-zjoe'di-keet), v. a. toewijzen. —ion (-kee' slim), 8, toewijzing; vounis. sing; gesehiktmaking, —edness, —nese, a. aan- Adjunct (ed'zjunkt), a, helper; bijvoegsel. —, wendhaatheid; geschiktheid. Add led), v. a. bijvcegen (to); (up) optellen. —, a. verbonden; ,toegevoegd. —ion C-zjunk'ejunl, a. bijvoeging, —ive (-zjunk'tiv), a. bijvoegend, v. n. vermeerderen. —ible, a. vermeerderbaar. Adder (ed'dur), a. adder. —fly, korenbout. —'s. verbindend. grass,—'s-tongue, —'s•wort, adderkruid, slaugen- Adjur nation led-zjoe-ree'sjun), a. bezwering; beeediging; eedsformulier, —e (-zjoer'i, v. a. wortel. Addice (ed'diml, a. dissel. bezweren (by); beeedigen, —er, a. bezweerder, Addict led-dikt' ►, v. a. toewijden; overgeven(to). beeediger. —edness, s. verslaafdheid. —ion (-dik'sjun), a. Adjust led-zjust"), v. a. regelen, in orde brenovergegevenheid, neiging, verslaving, Ito). gen; vereffenen, (to. with). —er, a. hij, die regeit, Addit anient (ed-dit'e-ment), s. bijvoegsel, enz, --meat, a. regelingt vereffening; schikking. —ion (-dis'sjun), s. bijvoeging; toevoegsel; op- Adjut ant (ed'zjoe-tent), a. helper; adjudant. —or telling. ional (-dis'ejan el), a. bijgevoegd. —ive izjoe'tur), a. helper. —ary (-tur-rihl, a. helpend, (ed'di-tiv), a. bijvoegend. —ory (ed'di-tur-rih), behulpzaam. —rix (zjoe'triks), a. helpater. a. vermeerderend, vergrootend. Adjuva nt (ed'zjoe-vent), s. helper; a. behulpAddle (ed'd1), a. wijnmoer, loon, verdienste. zaam. —te, v. a. bevorderen; helpen. a. ledig, onvruchtbaar. —egg, windei. —brained, Adyneasurement (ed-mez'zjoer-ment), a. toe- beaded, —pated, dom, ijlhoordig —plot, spel- meting; afmeting. bederver. —, v. a. onvruchtbaar maken; bent- Adanensuration (ed-men.sjoe-ree'sjun), a. toevelen, groeien. deeling. Address led-dress'), a. toespraak; verzoekschrift; Administ er (ed-min'is-tur), v. a. beheeren; voorkomen; bedrevenheid; adres. —es, a. lief- toedienen; —an oath, ten' eed afnemen; v. n. desverklaring. —, v. a. aanspreken; het hof ma- bijdtagen (to). --ration (-tree'sjun), a beheer; bewind; toediening. —rative (-tre-tiv).a.beheerend; ken; toezenden; (to) wendeu tot. —ed-bill, gedo- micilieerde bedienend. —rator (-tree'tur), s. beheerder; boeAdduc e (ed-djoes' , v. a. bijbrengen; aanvoe- delredder; toedeeler. —ratorship, s. ambt van ren. —eat, a. aantrekkend. —ible, a. aanhaalbaar. beheerder, enz. —ratrix (-tree'trika), s. beheerderes, enz. -tion 1-duk'sjun), s. aantrekking; aanvoering. —tor (-duk'tur), s. aantrekkende spier. Admiral Lonny (ed-mi-re-bil'it-tih), a. bewonAdemptIon (e-dem'sjun), s. ontneming; be- derenswaardigheid. —ble (ed'mi-ribl), a. bewonderenswaardig. rooving. Adenology (ed-i noPud-zjih), a. klierenleer. a. admiraal; admiraalschip. Admir al Adept (e-dept'), a. ingewijde; goudmaker. —, a. rear —al, schout-bij-nacht. —al-ship, a. admiraalachap. —alty, a. admiraliteit. —ation (-ree"ingewijd, ervaren. Adequa cy (ed'i-kwe-sih), a. ge evenredigdheid sjun), e. bewondering. taken up with —ation, vol bewoudering. (to). —te ( kwet). a. —tely, ad. evenredig, over- eenkornatig, (to). —tenets, a. gee‘enredigdheid; Adinir a (ed-majr'1, v. a. bewonderen; beminnen; juistheid. v. n. (at) verbaasd staan. —er, s. vereerder, beAdher a (ed-hier'), v. n. aanhangen; (to) blijven wonderaar. —ingly, ad. bewonderend; met vet.bij, zich houden aan. —ence, —carp, a. aankleving; wondering. toegedaauheid. —cat, a. aankleveud. —er, a. Admissibility (ed-mia-si-bil'it-tih), s. aannemelijkheid; geldigheid. aanhanger. Adlae sion (ed-hi'zjun), s. aankleving. —sive, a. Admin. ibie (ed-mis'sibl), a. aannemelijk, geldig. —ion s. toelatinj (to); toegang; opaanklevend. —sive plaster, hechtpleister. —sive- name (into); aanneming. nests. aanhankelijkheid. Adhibit (ed-inh'it), v. a. aanwenden. —ion (-hi- Admit (ed-mit'1, v. a. toelaten (to); opnemen biesjun), a. aanwending. (into); toegeven; laten gelden (of). —table, a. Adhortatory (ed•hoete-tur-rih), a, vermanend. aanuemelijk, geldig. --tance, a. toelating. no Adieu (e-djoe'), 8. & ad. vaarwel. —tance, verboden toegang. Adipo were (ed-i-po.8ier'), 8. vetwas. —se Admix (ed-miks"), v. a. bijmengen. — tion (-tjun), s. bijmenging. —ture (-tjuer), s meng8el. (-pooz'), a. vet.
zetten. Strophe (stro'fih), s. strophe, vers. Strom' (stro) [atrowed. °frown' (stroon)], v. a. etroolen, bestrooien. Structure (etruktioer), s. bouw; bouwtrant; inrichting; gebouw. Struggle Istrug'g1), s. inspanning; getob; strijd; worsteling. —, v. n. zich afmatten, tobben; worstelen (against. with). —r, a. worstelaar. Strum as (stroe'r2e), s. kropgezwel. —ass, a. aan

Unmentioned (un-men'ajund), a. onvermel Unmer chuntable (un- muetajent-i bl), a. onverkoopbaar. ad. onUnmerciful (un-mur'ai-feel), a. barmbartig. —nese, a. onbermhartigheld. Unisnoplted (un-raer'it-id), a. onverdtend. —neat, a. onverdiendheid, Unmighty (un- majelh), a. ono ,chtlg. Unmild (un-majld'), a. niet zachtaardtg. Ut► mintary (un-mill-to-rih), a. een' krijgaman niet betamend. Unranked (un.milkan, a. ongemoiken. Unwind ed (an-majud'id), a. onbehartIgd„ niet opgemerkt. —fel, a. sehteloos (of). —fastness, b. achteloosheld. Unmingied (un-ming'gld), a. ongemengd. Unnalstak able (nn-unie-tee'kibl), a. onmiekenLear. —en ( -tee'kn), a. niet mitkend. Unmitiga ble (un-mit't-gibl), a. Met to versed, ten. —ted (-gee-tid), a. onverzacht, ongetemperd. Unmixed (un-mtket"), a, onvertnengd. Unmoaned (un-moond'), a. onbetreurd. Usimodif labia (un-mod'i-taj-ibl), a. niet vatboar veer wijsiging. —ied (-raid), a. ongewijzigd. Unmodish (an-mo'dirj). a. niet near de mode. Unmoistenrd (un-moje"nd), a. onberoehtigd. Unmolested (un.rno-lest'id), a. ongekweld, on getetoord. Unmoor Inn-ntoer'), v. a. ontmeeren, Iosmaken. Unmort gaged (un-moegidzjd), a. vnbezwaard. —{Pied(-ti-fejd), a. onverswakt; onvernederd. Unanotherly (un-mnflh'ur-litt), a. onmoederlijk.


CIIA. - CIle• 38 Challenge (tejel'lendzj), s. nitdaging; opeisching; Q hope (tejeep), a. haak, kram, beslag (aan cane scheede) beuget van een gasp. v. a. uitdasen; eischcn; besel ► ut- verwerping. Chapel (tajepils, s. kapel. —Zany (-Ie-nih) a. digen; wraken. —r, a. uitdvger. Chamber (tsjeem'bur), a. Isomer, slaapkamer; kapelanij. —ry, a. gemeente eener kapel. setter kanon. --, v. a. in eene banter sluiten; Chaperon (sjep'ur-oon), a. kap, hoed. —, v. a. v. n. eene homer bewonen; dartelen. —council, begeleiden (eene dame). geheime road. —yellow, kameraad. —maid, home- Chapfallen (tsjop'faoln). a. neerslachtig. nier. —oil, walrustraan. —organ, huisorgel. —pot, Chapiter (tsjep'i-tur), a. kapiteel. —ship, a, kawaterpot. —practice, kamerprgktijk. —stool, ka- Chaplain (tsjep'lin), kapelaan. pel aanspost. merstilletje. Chaplet (tsjeplit), s. krani. rozenkrana. Chamber., (ssjeesn'bur-ur), a. wellusteling. Chapman (tsjep'men), a. kooper, klant. Chambering (tsjeem'bur-ieng), a. kuiperij. CisansberIain (tsjeem'bur-lin), s. kamerheer; Chappy, (tsjep'pih), gebersten, gespleten. Chapter (tsjep'tur), a. hoofdstuk; kapittel. kamerdienaar. Chaptrel (tejep'tril), a. kapiteel. Chameleon (ke-mi'li-un), a. kameleon. Chamfer ,tsjem'fur), a. gleuf; spanning. —, v. a. Char (tsjaar'), a. achar. —, v. a. tot kolen branden. —coal, houtakool. nitgleuven, uitsponnen. Char (tsjeer'), Chare, a. dagwerk, karwei. —, Chamfret (tsjem'frit), s. Zie Chamfer. Chamois (sjem'i, sje-moy), a. gems. —leather, v. n. karweitjes doen; nit weaken gaan. —man, zeemleder. daglooner. —woman, werkster, schoonmaakster. Champ (tsjempl, v. a. verslinden (up); v. n. —work, dagwerk. Character (ker'ek-tur), a. karakter, naam, aard; kanwen (upon). —er, a. bijter, verslinder. letter. schrijfwijze; kentoeken; getuigenia. —, Champagne (sjem-peen'), a. Champagne-wijn. v, a. beschrijven; inprenten. Champaign (sjem'peen), s. veld, vlakte —, a. Characteristic (ker-ek- tur-is'tik), a. kenteekeu. vlak, open. Champerty (tsjem'pur-tih), a. procesvoering your —, —al. a. kenmerkend, eigenaardig, —alness, a. kenmerkende eigenschap; eigenaardigheid. een ander, near een aandeel in de winat. Character ize (ker'elt-tur-ajz), v.a. kenmerken. (sjem pin'jun), a. paddenstoel. Chain —less, a. karakterloos. C11.1111.1011 (tajem'pi-un), a. kampioen, voorvech- Charade (sje-reed'), a. charade. ter. —, v. a. uitdagen. spits blad. —s of artiChance (tsjaans , ),s. kans, toeval. by —, toevallig. Chard (tsjaard), a. tang, —8 of beet, jonge beet-, a. toevallig. —game, kansspel. —medley, toe- chokes, artisjokstoelen. grij- planten. vallige —. v. n. gebenren, pleats bij geval Charge (tsjaardzj'), a. last; lading; opdracht; ambt; toevallig ontmoeten. (to) (on. upon) pen. aanklacht; aanval; overdrijving: zorg; pleegkind. doen of zijn. —ful, a. gevaarlijk, gewaagd. —8, s. onkosten. —, v. a. laden, beladen, beta.Chancel (tsjen'sil), s. keikkoor. bevelen; inprenten; ten; beschuldigen van (with); Chancellor (t,jRan'sil-lur), a. kanselier. —ship, in rekening brengen. —, v. n. aanvallen (upon). a. kanselierschap, —able, a. —ably, ad. kostbaar; bezwaarlijk; verChancery (tsjaan'se rih), a. kanselarij. court of —, antwoordelkjk. —r, a. leder; groote achotel; kanselarijhof. strijdros. Chancr e (sjeng'kur), a. ajanker. —008, a. sian- Chart ly (tsjeer'il- lih), a. behoedzaam. —ness, s. kerachtig. behoedzaamheid. Chandelier (sjen-de lie;'), a. armkandelaar. Chandler (tsjaandlurt, s. verkooper, winkelier. Chariot (tsjer'-i-ut), a. wagen. —, v. a. rijden, wagenwedren. —ear (tsjer-iship—, winkelier iu scheepabehoeften. —'s-shop, vervceren. —race, komenij. —8, s. komenijwaren. ut-lee'), a. voerman. ad. liefdadig, Change (tsjeendzj'), a. verandering; verwisseling; Charit able (tajer'i-tibl). a. —ably, mild, goedhartig. —ableness, a. liefdadigheid; ruiling; klein geld; sehoon linnen; beurs; wis- mededeelzaamheid. —y. a. liefde (christelijke); selkoers; nieuwe moan. —, v. a. verwisselen, verruilen, ,eranderen; v. n. veranderen (from liefdadigheid; aalmoea; —school, armenachool. in —in, into, to). —for the better, verbeteren. —for —, orn Gods wil. (sjaar'le-ten), a. kwakzalver. —ical, the worse, verergeren. —able. R. —ably, ad. sera.- Charlatan (-ten'ikl), a. kwakzalverachtig. —ry. a. kwakderl'jk, —ableness, a. veranderlijkheid. —less, R. zalverij. onveranderlijk. —lint', s. ondergetchoven kind; Charles's-vain(tsjaarlViz-ween), a. groote Beer wispelturig mensch. —r, s, ruiler, wisselaar. (sterrenbeeld). Channel (tsjen'n11), a. bedding; kanaal; zee- Charlock (tsjaar'luk), a- wilde moaterd. engte; waterloop. —. v. a. uitgraven. Chant (tsjaant'), 0. gezang; zangwijze. —, v. a. be- Charm (tzjaarm'), a. toovermiddel; betoovering; bekoorlijkheid. — v. a. It n. betooveren, bekozingen; v. n. zingen. —er, a. zanger. voorzanger. ren. —r, a. betooveraar. —fist, a. betooverend. -ress, s. zangeres. —ry, a. zangkapel. —ingly, ad. bekoorlijk. —ingness, a. bekoorliJkChanticleer (tsjen'ti-klier),s.haan;groote kraaier. Cha os (kee'oe), s. verwarring, chaos. harnel (tjattenil), a. lijken bevattend. --house, Charnel Chaotic (kee-otiik), a. verward. beenderhule. Chap Itsjep), a. apleet, acheur; vent, kwant. muil.bek.—, v. a. Chart (tsjaart), s, !mart; zeekaart. ltsjoio, a. Icaltebeen. —8, a. Charter (tsjaar'tur)., 8. oorkonde; bandvest; vrijsplijte,
33fi woordenrijk; anapziek. —osenese (-boos'), —osity. l Vertfistnoub (var-tid'zji-nus), a. drasiend; dui zellg, —nese, a. draining; duizellgheid. (-bois'it-tih)., a. woordenrijkheld, anapaehtigheid. Verd ancy (vueden-sih), a. groenheid. —ant Vicirtlogo (gur-taj'go)-ti'iro),. duizeling. a. groan; bloelend. —ere, (-dur-ur), a. houtvester. Vervain (vur'vin), a. bzerkruld. i Very (ver'ih), a. wear, werkelijk, eeht; de-, hetVerdict (vat'dIkt), a. uitapraak, beelleaing. I zeltde; zelfs, —, ad. zeer. Verdigris (var•d•-gries'), a. kopergroen. Verdur a (vurd'joer, -jar), a. groan. —.8, a. V•sic ate (vea'i-keet), v. a. met eene trekpleta- , ' groenend, groan. ter beleggen. —ation (-kea'ojun), s. blaartrekvereculid (ver'e-kuud), a. be.seheiden, Actium- king. —atury (ve-eire-tur-rit), s. trekplefater. achtig. —ity (-kund"it-tlh), a. beieheidenbeid, —le (-1k1), a. blaoaje. —ular (ye-OW.106,1er), n. blaas-; bl000vnrinig; hot. —Mute (ve-sik'jee n let), echeamachtigheid„ Verge (vurdzf). a. ataf, roede; spit; rand, zoom; a. vol blues)ea grene; reentagebied, —, v. n. neigen, hellen; Vesper (veu'pur), a. wonds , er; avond. —a (•pars), I pl. vesper, avonddienst. —tine (-tajn), R. avant-. overgaan (to). —r„s. statdrager. faj-/b1), a. bewijabliar.—ication Vespiary (veepi•er-rlh), a weepen-, btjenneet. Verifiable (-it-i-kee'sjun), s. onderzoek, waermaking, be- Vessel (vea'Al), a. yeas, kom; vaartuig, schip. krachtiging. —ter (-faj-ur), a. onderzoeker, be- Vest (vest), a. owaid; bole, vent. —, v. a kleekrachtiger. —y v. a. onderzoeken, waar den; bekleeden; in het bezlt atellen; beleggen; v. U. (in) overgaan op. —wry, kleedkamer, geroaken, bekrachtlgen. derobe. ad. voorwaar, waarlijk. Verily ( (ver-i•eim ler), a. waarechijn)tk. Vestal (veeteD, a. vestaalseh, knieele. —, a. vetsVerimmil taalsehe neasscd. s. waarisehijnlijkhe/d. Vern able (verl•tibl), a. —ably, ad. wear; echt. Veat tad (veat'id), a. ten deal gevallen; vastgetteld. —iary (lt-a-rth), a. kleedkarner. (-1-bjoall, —y (-It.tih), a. waarheid. a. voothuie, porteal. —ige ( Ida)), a. voetatap; VerJuice (vur'dzjoea), s. sap van onrijpe appelen spoor. —meat, a. gewaad, kleeding; misgewaad. of druiven, verjuts. Vermicul ar (our milejoe-ter). R. wormvormlg. Vestry (ves'trih), a. sakriutle; kerkeraad. —board, —ate (-leet), v. a. wurmvormig inleggen. —ration —keeper, koater. (-lee'sjun), s. inlegging; kronkeling. —e (vur, Vesture (vest'joer), a. kleedIng, gewaad. milt Joel), a. wormpje. —use (-loots) --out, a. Verb (vetsji, a. wikke. —nag, a. epurrle. —y, a. wikke-; van wackeetroo. wormt g; wormachtig. Vermlf wren (vnym'i-form), a. wormvoratig. Veteran (vet'ur•en), a. beproefd, eriaren. —, a. oud-gediende, beproefd krkjgeman. —age (fieedz,j), a. middel tegea de wo?reee, Verrallion (vur•mil'jun), a. vermiljoen. —, v. a. Vaterinar Ian (vet-ur-i-nee'rl-en), a. veeartc. —y Ivet'ur-i-ne.r:), a. veeartsenij-, — school, rood lerven. Vermin (ruemin) a. ongedierte; gespuis. --ate veearteenijeehool; — surgeon, veearts. I•eet), v. n. ongedterte voortbrengon. —Oki* Veto (vi'co), a. verbod, afkeurende stem. ( ee'ffijun), a. voortbrenging van ongedierte. Vex (vein'), v. a. kwellen, ergeren; verontrusten; v. n. verdrietig zijn; zich ergeren. —ation (-ee• —ous, a. ongedierte voortbrengend. Vernacular (cur-nek 'j oeler), a. inheernsch, va- sjun),akwelling; ergernis; verentrueting.—atious, a. —atiouely, ad. (-ee'sjus.), kwellend; ergarlijk. derlundeeh. — tongue, rnoedertaal. Vern al (vur'nel), a. van de lente, lente-. —ant, moeielijk. —atiotssness (-ea'ajus..), a. kwelling, ergernis, verdrietelijkheld. —er. a. kweller. —ing, a. groenend, bloelend. a. draaibaar) veranderlijk; a. —imply, ad. kwellend, ergerlijk. Versatil a haiwam. —eness, —ity (-tll'it Oh), a. drani- Via (vars), ad. over,langs. Via bin (vaj'ibl), a. tot leven gesehlkt. bitily baarheid; veranderlijklieid; buigtaamheid. Vera a (vane), a. Vera. e, v. a. berijmen, been- (-e-bil'it-tih), thlevensvermogen.—duct(-e-dukt), gen. —ed (Vtl,t) R. ervaren. bedreven (in). a. viaduct. boogbrng. ( -ikl), a. vereje —icolored (-1-kul'urd). a. Vial (vspel)., a. llesebje. veelicieur)t.T. —ificatiou (-if-i kee'sjun!, a. rijo, Viand (varend), a. (vieeseh.), epije), gerecht. kunst; verabauw. —ifier (-i-faj-ur), a. berijtner, Vlatic (vaj et'lk), a. van eene (de) rely —ern. a. verzenrneker. —ify 040), v. a. berijmen; v. n. relegeld, teerpenning; eakrament dee avondmaals (ban een' stervende). verzen nnaken. 'Went • (varbreet), v. a. & n. (taco) erillen, Version (vur'sjun), a. verandering; overzetting. slingeron, sehommelen. — ion (-bree'sjuit), a. Verauto (vur-ejoet'). a. listig, slaw. (-bre-tie), —cry (-bretrilling, slingering. Vert (vurt), a. green; kreueelhout. tur-rih), a. trlilend, slingerend. Vertebra (vur'te- bre), a. wervelbeen. —I, a. war- eel-, gewerveld; ruggegraats, —te (-brat), —ted Vicar (vik'ur), t. plaatsvervanger; hnlpprediker; a. vleartaat; pre( bree.tid), A. gewerveld. —te (-bret), a. gewer- vicarls; dorpapredikant dikantselaats, -wooing. veld Bier. Ver teber (vuete-bur), a. wervelbeen. —tax Vicar int (vi-kee'riel), a. predikanlo-; pleats(-teka), a. top; kruin; toppunt. yervangend. —hate (-et), —ions, a. piaatave rvanVertical (vuetik1). a. —ty, ad. loodreeht. —neat, gent. —fate (-et), a. plaatavervanging. —ship (vileOr.), a. vicartaat. . loodrechtheid. Vartleity (vur-tia'ait-t1h), e. omdraalIng, on, Vice (vale), a. ondeugd; gebrek - gratip; haneworet. v. a. dwingea; verleiden. wenteling; richtingskraeht.
De verzekerde wil het beveiligingsbeleid toepassen dat voor de groep besloten werd met behoud van de specifieke behoeften en de autonomie van het beheer in elk filiaal op basis van het bijzondere profiel van de debiteurenportefeuille (franchise, verzekerd bedrag) van elkeen en het financiële vermogen om deel te nemen aan het programma (premie). tc-re.com
In preparing this little work for the press I have contemplated the supplying a want sensibly felt by our young students of English, especially by those who have no daily opportunity of eon. suiting a master. It has been my design to adopt this hook not only to the use of beginners bet also to that at the higher schools in our country. By a judicious use of the scope allotted to me I have endeavored to render this Dictionary as comprehensive as possible, and have exerted myself to give the greatest quantity of useful matter in the most condensed form. Therefore I trust it will be found to contain more words, Anglicisms and prepositions than any Dictionary of equal compass. Muth care has been taken in exhibiting the pronunciation of the English part. To those who are no strangers to this department of literature I need scarcely observe that my task was rather difficult, the more so as there is much diversity with respect to the pronuncletionofmany words. For this part I have had recourse principally to the Dictionaries of Worcester and Webster. Respecting words of various or disputed pronunciation 1 have either indicated the different modes or given that which is in accordance with the best usage, as far as it is possible to know this from personal observation. Much attention has been bestowed on the insertion of numerous prepositions that govern. and pronouns. They have been carefully compiled and arranged from the newest and best Mstionaries, Grammars and Manuals and will be found to take up no small portion of the work; and as the verbs active and neuter are easefully distinguished this point may be deemed a material end valuable improvement and one well calculated to enhance the usefulness of this Dictionary. Though having bestowed upon this book a great deal of labor, research and care I am well aware that it is in various respects defective. Apologizing for the typographical errors which, despite every effort to be accurate, may no doubt be detected in it, I venture to hope that it will receive an equitable judgment. How far I have euceeeded I humbly leave to others to decide, but if to all that are engaged in acquiring or teaching the English language this Dictionary shall prove an acceptable and useful assistant, I shall not regret having devoted my leisure hours to its preparation. T . P.
MAA.—MAK. 527 ginal flower. —enblos t virginal blush. —moiart ore (for). — etaan, to beat the time. in he — heart of a virgin. —enhosig, virgin-honey. —en. 610ves, to keep time. sit he — gaan, to break virgin-milk, Benjamin. —enpalin, periwintime. —gesang, metrical singing. —Mash, prosokle. —caret, chorus of virgins —enroof, rape dy. cadence. —meter metronome. —repel, meas(ravishment) of women. —easehaar, —enstoet, ure. —stet*, seal•, standard, ' proportion, rate; troop of virgins. —ensehenner, &flouter. — en- naar den — van, at the rate of. —atop, measuringschennis, denoration. — ensiles, hymen. —exam, stick. • rod, rule; time-keeper. —streep, bar. virgin wax. -elijk, be. virginal, maiden, maid- —vast, keeping-time. —sang, musical song, air. enl. y —manger, chorister. Min isla dona, m. virginity, maidenhood. Mantle, o. little measure; little man, mate, emu itlearichap, v. kindred, kin, relations. o. rade; main, mammy. —opeer, bergamot•pear. alliance, affinity, cousanguluity. Maatsettop, v. fellowship, partnership —peltik, Moat en, or. w. to mow, to reap, —geld, —loon, by. social. - p(f, v. society; company, partnership. fee for mowing. —land, mowing-field. —tijd, Machin act, be. & bw. mechanical Op. —e, v. mowing-time. —rod, m. & v. one that tarns his machine, engine. —eree, v. machinery. —tat, m. feet outwards. —mates, to turn one 'd feet out- machinist, engine driver. wards. —er, m. mower. —ing, v. mowing. Macht, v. might, power, authority; forees. sit Mack, v. making, fashion. in de —, a-making, alle —, with might and main. —brief, warrant, ordered to be made. —loon, making. —eel. o. power of attorney. —heibeude, —heifer, one that malty, making, fashion; figure, shape; workhas authority, plenipotentiary; ruler. —spresk, manship. —ater, v. maker. decisive sentence, arbitrary decision. —word, Masi, v. time; Mail. o. meal, repeat. —slot, arbitrary word, word of command. padlock. —Nil, meal, repast, dinner; — hOALICA, Maehtelooi, by. powerless, impotent. —held, to dine, to cup. v. impotence. Maalloon, o. miller 's fee. Itinchtig, be, mighty, powerful; able; heaey, rich. Meaieter, v. raving (doting) woman. - worden, to get hold of, to master. het Esgelsch — sijn, to be conversant with tht English lanMaaistroom, m. whirlpool, eddy; bustle, guage. —, bw. very, exceedingly, mightily.—en, Maaltand,m.grinder.iaw-tooth. , Moen, v. moon; satellite. afnemende —., wane of Sc. empower, to authorise. —held, v. to the moon. wassende —, increase of the moon. mightiness, powerfulness, —ing, Y. authorisation. Made. v. maggot. near de —, gone, lost, loop soar de gone, spent, go to the —6esehriaving, se/enography. itindellef, v. —je, o. daisy. —eirkel, lunar circle. —jeer, lunar year. —heart, Mndlg, be. maggot y. seienographtc map. —keeping, lunation. —kop. Slat, be. heavy, sultry; weary, dull. —hatid, heavim. poppy-head; v. & o. poppy. —kring, cycle of ness, sultriness; weariness, dullness. —,1e, o. imitaxel roor het — hoed., to make a fool of a. o. the moon. —kraid, moon-wort. moonshine. -1164.fid, lunar month. —oog, lunatic eye MingeszUn, o, magazine, store-heuse. —meeeter. —oogig, moon-eyed. —stuk, last stave of a cask. store-keeper. —shaken, spots of the moon. —sick, —suchfig, Mager, by. meager, leen, thin; barren ; scanty, lunatic —idea*, lunatic. —sickle, lunacy. —Overpoor. —wild, rascal deer. —man, foretop-bowduistering, eclipse of the moon. line. —held, v. —te, v. meagerness, leanness. MaanbrIef, m. dunning-letter. fps, bw. scantily, poorly. Maand, v. month. —bloeiers, (a kind of) straw- Magletraet, m. magistrate; magistyacy. —eperherder. —brief, —reel, seaman's ticket. —geld, coon, magistrate. monthly pay, — wages, — allowance. —goed, Magneet, lo. magnet, load•stone. —naald, compass-needle. —stern, sie Itlagnest. monthly publications, — bale. —schrift, —werk, monthly paper, — review. —staat, monthly Magnetlis oh, by. magnetic. —acres, or. w. to statement. —tirades, monthly courses, menses. magnetise. —ear, m. magnetizer. —me, o. magflowers. —wijser, hand that shows the months. netism. Maandag, en. Monday. Mauled —, St. (Saint) Illabornadann, m. Mahometan. —.eh, by. MaMonday. een blaawen —, a very short time. —sch, hometan. by. Monday. MahOulehout, cs. —en, by. mahogany. MaandelUk o, bw. monthly, ts .very month. —sch, Male, ci. maize, mills. be. monthly. Med est eit, v. majesty. --sehennia, high treason. Maaneter, v. dunner. /Raj nor, tn. major. —achap, o. majorehip. Maar, we/. but. only. Mak, bv. bw. tame (-1y), gentle OW. Maar, v. news, report, rumor. Itinkelaar, m. broker; pimp. —*loon, brokerage. Maarsehalk, m marshal.—settsf, marshal% staff, v. brokerage. —.chap, o. broker 'a busi—eshap, o. marehalship. ness. —ater, v. match-maker, go-between, proMaart, m. March. —sch, by. of March; —e buien, corm. Aprll-showers. linkelten, ov. w. to procure, to bring about; on. Maas, v. mesh; stitch. —bal, m. ball to ifinedraw. w. to play the broker. Moat, m. mate, comrade, companion, fellow; Maken, on. w. to make, to render, to do ; to sailor. fabricate, to manufacture, to form, to create, Must, v. measure, time, metre. met mete, mailer. to compose; to cause, to produce. Latin —, to ately. iemand de — semen, to take a. o. 'e messhave made, to cause to be made het sleeht —, to
Dab (deb'), s. brolcje; tikje; spat; klets; heilbot; bedreven gest. —chick, waterhoen. a dirty —, een smerige kerel„ fat —, vet stub vleeseh, lekhere beet. —, v. a. streelen; zachtlafwisschen; v. n. met den hengel visschen. Dabble (deb'b1), v. a. beatrijken, besmeren; bemorsen; v., n. plassen; morsel); broddelen. —r, a. broddelaar. Dabster (deb'atur), a. kenner, ervarene. Dace (dees), a. WitVinfil, halfoog. Dactyle (dek'til), a. dactyius (—u u). Dad (ded), Daddy (ded'dih), s. pa, regisseur, handlanger. Daddle (ded'd1), s. hand; soot. —, v. n. waggelen, langzaam gaan. teerling. Dado(da'do), a. slab gedeelte eener Daedal (the'del), —ian (di dee'li-en), a. kronkelend; geschakeerd; kuustig. Daffodil (derfo-dil), a. narcisbloem. Daft (deft). a. dwaas, dots, mal. Dag (deg'), e. dolk; zakpistool; reep, strook. —ger (-gur), a. dolk; kruisje(t)• —gees drawing, vechtpartij. Daggle (deg'al), v. a. beslijken; door het 'slijk aleepen; v. n. plassen, ("oar (irk en dun loopen —tail, a. beslijkt; a. morsebel. Dagguerrotype (de-ger'ro-tajp), daguerreotype. Dahlia (dee'li-e), a. dahlia. Daily (dee'lih), a dagelijksch. —, ad. dagelijks. Daint fly (deen'til-lih), ad. —y a. lekker, keurig; sierlijk; gemaakt. —iness, a. lekkerheid; kenrigheid; gemaaktheid. —y, e. lekkernij. Dairy (dee'rih), s. melkerij, boerderij. —maid, melkmeid. Dais led (dee'zid), a. vol madeliefjes. —y, a. madeliefje. Dale (deel), a. dal. Dail lance (delli-ens), a. gedartel; getalm. —ler (-11-ur), a. stonier; talmer; losbol. —y, v. a. nitstellen; v. n. dartelen; dralen. Dam (dem), a. dam; moan —. v. a. bedijken atuiten; vervulln; (up) afdammen, beperken.
Minaret (tein'e-ret), s. minaret. klnatory (min'e-tur-rih), a. dreigend. Mine e (mina'), v. a, klein hakken; verzaasten, verbloemen; v. n. trippelen; gemaakt apreken. --ed-meat, gehakt. —e-pie, vleeschpaetei. —ingly, a. bij Mane gedeelten;gemaokt. Mind (mejnd'), a. gemoed; geeet; verstand, gehettgen; neigittg; lust; massing, gevoelen. out of —, onlieugelijk. to cull to herinneren. to change one's mind, van gedachte veranderen. to have a —, lust (zin) hebben. to ;nuke up one's —, besluiten. to pat in —, indachtig maken. —stricken,a. bewogen, aangedaan. Mind (majnd'), v. a. letten op; denken om; bcdenken; in ache nemen; behartsgen; etch sloven aan; v. n. geneigd ztjn. —ed, a. gezind. —edness,..gezindheid.—ful, a. fully, ad. in dacht ig,oplettend „ —fulness, a. oplettendheid. —less, a. onoplettend, gedachteloos. Mine (mails), pr. he (bet) mijae, a friend of eon mijner vrienden. Mine (majn'), a. mijn. —digger, —man, mijnwerker. —pit, mijngroef. —v. a. ondermijnen; v. n. mijnwerk verrichten. —r, a. mijnwerlor, ineur. Mineral (min'ur-el), a. delfstoffelijk. s. delfstof. —ist, a, kenner van delfetoffen. —izsation (-i-zee'sjun), a, verandering iii eene delfatof.—iee (-ajz), a. a, in eene delfstof veranderen. — apical (-e-lod'zjikl), a. delfstofkundig. —split a, delfstelkundige• —ogy (•el'ud-zjih), a. delfstofkunde, Minever (min'e-vur), a. Zie Meniver. Mingle (ming'gl), s. mengsel. --, v. a. tit n. (zich vermengen. —mangle, z. nnengelmoes. —r, a. mengee, vermenger. Miniard (min'jurd), a. zacht, teeder, lief. —ize I chkjz), a. a. vertroetelen. C (min'i-eet), v. a. rood verven, menien. —ure (-i-e-tjoer), a. verkleind, op kleine schsal; s. ieiniatuur. Manikin (min'i-kin), a. klein, lief, —, a. speldje; dreume,je, lieveling. Minim (roin'im), s. dwerg; minderbroeder; klein gedicht; kleine letter; halve coot; grondeling. —um (-i-mum), I. (het) minste; minste grand. Mining (maj'nieng), s. bergbouw, mijnarbeid. Minion (min'jun), a. lieveliug, gunsteling; kolouci (drukletter), menie. —like,—ly, ad. lief, aardig, gemaakt. —ship, a. liefkoozing, ataat van gunsteling. Miasisaurc (mious), a. menie - road. (min'i.j), v. a. verminderen, Minist er (min'is-tur), a. minister, ataatsdienanr; gezah-t; predikant; werktulg. —, v. a. geven, verBehaden; v. n. oppassen, medicijnen geven; benulezaam zijn; dienst doers. —erial, a. —erially, ad. (-teri-el-1, ministerieel; ondereeschilt. —rant, a. dienstdeenci, bedienend. —ration (-tree'sjun), a. di,enst; bediening. —ry (-trih), a. minieterie; enlist; ambabediening; kerkelijke dieust. Minium (min'ium), menie. § Mink (mink), s, ((sort van) wezel. Minnow (inin'no), a. grondeltje, atekelbaarsje. Minor (maynur), a. minder. gernager; jaeger, unnderjarig. --, a. mindeejarigeLtweede stelling

Hoe koop ik Bitcoins bij een geldautomaat


451 Flti0e•Ir en. ov. W. to curl. —Ozer, curling-pin. rvistor, m. hair-dresser. Frommelen, ov. w. to arum*. to fumble. Fro', v. —es, v. frown. wrinkle. —en, on. w. to frown, to wrinkle, to knit (one 'a brows). —61 9, v. frowning. Front, o. front. — makes, to face. to make face. Fruit, v. & o. fruit. —ben, —.mend, fruit-basket. —kandel , fruit-trade. —hider, fruit-cellar. —trooper, —koopeter,, fruiterer, ft ult-monger. —mum', fruit-market. —rijk, fruitful, —schwa, fruit dish. —sadder, fruit-painter. —stuk, fruitpiece. —rroure fruit-woman. —wicket, fruit-shop, fruiter y. Fruit an, ov. w. to fry. —pan, frying-pan. Eulk, v. weel, bow-net. in de — loopen, to fall into the !snare. o. velvet. —en, by. velvet, velvety. m. rogue, rascal, scoundrel. Veenctle, v. function. Fundament, o. Zie Fondement. Fungterrn, qn. w. to officiate. Fast, v. fudge, fiddle-fuddle. —, taw. fudge fiddle. ,stick I Futsell car, in —aareter, v. trifle, idler. —artj, v. trifling, fiddle.faddle. —en, en, w. to trifle, to fiddle-faddle. —werk, tie Futselarkl.

ScoVel (skuvq), a. ovendweil. Scrotum (skro'tum), a. balhak. Scowl lakaaul'i, a. miur gezicht. —, v. u. aunt Scrub (skrub'), s. schrobber; sukkel, tobber, prul, vod. —, v. a. schrobben, schuren; v. n. zien. —4 .0Y , ad. met een zuur gezicht. Scrabble (skreb'b1), a. gekrabael; gegrabbel. zwoegen, ploeteren ( for). —by, a. sleeht, army. n. krabbelen; grabbelen, z Scrag (8.kreg'), a. dun stuk; scherminkel. —ged Scruple (skroe'pl), a. b eawaar, bedenking, wetfeting; acrupel; klelnIgheid —, v. n. bezwaar . ( - Kid ), — tip ( - git), a. mager; ruw, oneffen. vinden, bedenking hebben (at); aarrelen. —gedneas. pisses (-gi-ness), a, magerheid; ruw- bezwaarmaker • herd, oneffenheid. Scramble (akrem'b11, a. gegrabbel. —, v. n. Seratpul ous tekroe'pjoe-lus), a. —ously, ad. nauweezet; schroomvallig. Mfg (•los'it•tih), grabbelen f at. far); klauteren. —r, a. grabbelaar. Scrauch (.kraantaj), v. n. hoarser, kraken. —oesnese, e. nauwgezetbeid; achroornvalligheid. Scraunel (akren'nt1), a. alecht, ellendig. Serial able lakroe'tibll, a. nit. to vorachen. —ation (•tee^ajun• a. nit•, navoraching.—ator (-tee'tur), Scrap Iskrep'), e. brokje,stukje, anlpper. —book, album, anippertoek. —ineer (-ti•nierl„ a. nit-, navorscher. navorschen. —tacos (-ti najz), v. a. & n. Scrape (akreep'), z. gekrob, gekras; strijkveetje; (- ti-nus,, a, navorschen uitpluizend. —iny (-tinklem, verleeen !(eid. —penny, schraper, vrek. nib), a. navorscbing, ondersoek, atemopneming. y. a. afschrappen, afkrabben; krassen. — a top, een strijkvoenie maken. — acquaintance with, Scrotoira (skroe-twor'), e. echrijfater. kennis trachten to molten met. afkrabbcn. Scrum. (ekroez). v. a drukken, knellen;kneuzen. (out) ultkrabben. (oplopkrabben; bison schrapen. Scud (skud). a, regenvlsag: vliegende walk; overhassle vluobt. v. a. dourloopen; v. n. loopen, -, v. n. krabben, kraaaen. —r, 8. krabber; ochre- enellen lawo); lenzen. — under bare poles, voor per; vioolkrasser. top to takel lenzen. Scratch (akretsr), a. krab, schram; pruik. —back, rugkrabber. —brush, bras-, draadborstel. Scuddle fakust'd1), v. n. wegiflen, dribbelen. v. a. krabben, ashram- Scoftle (skuffi), a. kloppartij; geharrewar, go. —weed, kliskruid. v n. plukharen. wool. men; krabbelen. —er, a. krabber; krabbelaar; krablizer; krashorstel. achnilhouden; sluipen . Sees lk (skulk'), v. n. Scrawl (skrann, a. gekrabhel. -. v. a. & n. er, 0. schuller; eluiper; mall( rger. krabbelen, kladden. —er, a. krabbelaar. Scull (16kIlii'), a. schedel; achoel, menu; hulk; wrikriem. —, v. n. wrikk, ti. —er, a. roeleehuitje; Stray ,skree), a, zeezwaluw. wrikker. —ery (-ui . -ih), a. schuurplaate, vat.Screnk, (ekriek) a. gekrijech; gekras, geknars. waascherij. v. n. krtschen; krasseu, knarsen. Scullion (annuli), a. keukeujongen; vatenScreens (skriem), a. gil. —, v. n. waschster. Screech (akrietej'), a. gil, angatkreet gekrijsch, Sculpt lie (ekulpt'il), a. gebeeldhouwd. —or,s . - v. n. gillen, krijscben. —owl, nachtull. beenthouwer —ural(-ine-rel), a beeldhouw-.—ure Screen (skrien), a. scherm, schen; zandzeef. (-joer),a. beeldhouw-, graveerkanat; v. a. beachutten, beschermen 'front); alit., Screw (ekroe') a. achroef. —chase, achroenraam. anilwerk; gravure; v. a. beeldhouweu; anijden. graveeren. —driver, acbroefdraaier. —hook, sehreefhask. v a. afsehuimen. —jack, dommekrrcht. —knob,ichroefint.op. —nut, Scans (skum'), a. achuim. bee, s voasendrek. —nee;, a. echuirrispaan. mob-Nehmen —propeller, achroef; schroefboot. --worm, schroefdraad. —tap.schroefboor. —tree, Scupper (ekup'por), s bpie, apt). —holes, Plapijgaten. —hose, mam.iering voor de epljgaten. echroetboom. —, v. a. ecbroeven. vastschroeven; —nails, pl. mamieringspijkers,platkoppen. —plug. drukken, knellen, spai.nen, rotten; verdraaieu. eptjgatprop. —pumpdale, stortkoker. -- one 'a self into, zich deluges in. (down) toe achroeven. ir., i lotoehroeven. (out)afpersen. (out Scurf (abort'), a. korai, roof; echurft; oppervlakte. —iness (-1-mess), a. achurftigheid. --11, a. of) nntlokken. (up) opsch•oeven; opviJtelen. schurftig. Scribble (eltrib'b1), a. krabbel-, prulnchrift. v. a, & n. krabbelen, bladder,. —r, a. krabbelaar; Scurril e(skueril), —oat, a. —oualy, ad. gemeen, —oneness, a. gemeenheid, plat. —ity prulachrifver. platheid. schrbver; nntaris; rtchriftge- Scribe (akrajb), Settee, fly Iskuevi1-1111), ad. —y, a acbeurbuikig; leerde• —,, v. a. met den passer teekenen. schurftig; laag. gemeen. sieeht. —inns vrek. Scrimp (art.: tort, bekrompen. e. echurftigheid; laagheid, gemeenheid. —y, a. —, v. a. tort (oekrompen) maken; bekrimpen. scheurbuit; —grass. lepelblad. Scrip iskrip'), a. zakje, taschje; note; ben ifs van snorting, voorloopige oblig•ie. —page (Oda), Scant (skirt), a. torte 'quit, stornpje. Scotch (skuter) v. a. hehelen (vlaa). —eon(-un), a. (seal zak-vol. —tory, a. sehrifteltik. a. wavenechtld. P3 - criptur at (skriprjoe-reel, a. schriffnuritik, btjbel-. —e; s. achriftuur; de Heilige Schrift. Cr utiform (skoelti-form), a. achnidvormig. Scuttle (eltut'll), a. mend; koleubah; luik; —ist, a. achriftgeleerde• treehter; dribbelgang. —, v. a. let maken, doer Scrtvosaer (skriv'n-ur., a, notaris; geldmakelaar. Milken; v. n. snel loopen; dribbelen, Scroful r (skrorjoe•le), a. koningezeer, trop- Scythe (eajtb), a. anis. v. a. nnaaien. geewel. —one, a. nlierachtig. Sea (ale'), a. see; golf. bear; roenigte. at —, ter Scroll (eltrooll), a. rot, lijet; patroon. see. by —, over see. half —4 over, half besohonSorotocele.(skroeo-siel), s. 7.slcbreuk.
At rm.: iri VIE, on. ao moul , er away. rteteis ant, (it. W. to i , eor .d dlawit,e -may, linsit. purnert Aftat n trelt,„ ov. a', to ,,,,pavate Ly a wall. Afclattilt,n,ov xi , to fini.;.11. AInresn;rtor, Zie A fascnaer, w. to take di wrt, — off, —from,, Alele711 en, (iisimount; to shorten, to to pal. out off, to amputate; to cut tkaarten); to cheat (to ease) of, to ehargr, to force from; to free Ito deliver) from; to wipe off, to clean; to clear the table; to infer, to conclude, to guess. het ,auk —, to unyoke. den mom —,to skim (to cream)

Kun je geld verdienen kopen en verkopen van Bitcoin


AS.—BA A, As, v. tonic exle-tree, spindle, beam. —beugel, iron hoop, —punt, pole. /tech., v. ashes; dust. keete —, embers, in de — leggen, to reduee to ashes, to burn down. —bat, dusttub; ash-pan. —belt, ash-pit. —bus, rm. —day, Ash- Wednesday. --doek, lie-cloth. —get, uh-hole, slut. —grout. —kleurig, ash-colorel, cinereoue. —hot, ash-pit. —kar, duet-Dart. —man, dustman. cineraria. —pot, ash-pot. —scoop, shovel. —varken. broom (to sweep the ashes away with), —vat, ash-vat. —water, lie, buck. —aelitig, bv. Asperge, v. aaparagns, sparage, sparrow-grass. Asphalt, o. asphaltum. Aspfm, a. — slang, a,apic , a s p. Ansehepoetatertje, 0. cinderella, slut,scullion. &comb Ig, bv. ashy. Aseligrarsat, 0. aavignate. Ansignatie, v. aesignment, check, bill. Assurarfeur, m. Insurer, underwriter. Angurantle, v. insurance. —tastier-, inenrance-pee. office. —maatachappij, insurance saie, insurance-money, premturn of !willow ce. Assureereu, or. w. to Insure. Aster, v. star-wort, China-niter• A terlIng, m. bastard; wretch, roc reant Atlas, m. & o. Attentatle, v. testimonial, certificate, attestation. Attlee), hr. ,coat, attic wit. Await*, v. auction, public sale, Assgmrk, v. :Me Agurk Augustus, m August.
uitgeven, voordoen. (to) etch oveegeven aan, — toeleggen op; — one's heels, het haaenpad klezen., (up with) %Leh vergenoegen met; wonen bij. (with) behagen, bevel len. Take able (teeklb1), a. te nemen; te vatten —in (-in), s. bedrog; bedrleger. nick an. Taken (tee'kn),part. to be Talc er (tee'llnr), s. neuter; kooper; aennemer, a. lokeend. —inp, e. het nemen, vatten; ve rlegenheid, angst; a. innemend; aanstekend. —ingness innemendheld. Talbot (faorbut), a. hazewiedbond. Talboy (tel'hoj), a. grocte ladeicast. —on (tel.koos'), Talc (telk"), s. telkaarde. —one, a. telkaehtIg. Tale (teel ► , a. vertelling, eerteleeltje; getal, tel. oorblazer, —bearer, to test —a, klappen, klikken. klikker. —bearing, a. kwandeprekend; a. norblazing —'e-nian, zegsman. —teller, verteller von sprookjes. Talent (tel'ent), s. talent; begaafdheid. —ed, a. taientvol, begaafd. Tales (tee'liez), s. pl. —men (teelemen), pl. plaatavervangef s der gez worenen Tabun (tel'jun), e. wedervergelding. Talisman (tel'iz-men), s. talisman, toovermid. del . Talk (taoie), a. gesprek; *semen; gerucht. small - gesnap, tont. —, v. a. & n. apreken, praten, keuvelen. — big, groatopreken, snoeven. book, eprek,n ale een bock. — by the hands, op de vingera spreken. (away) verpraten; opdr,inen. (into) overt:mien tot. (out) overpraten. out of) afhouden, arbrengen van. (over) verhaleni overreden. (to) vermanen. (up) overreden. —alive (-etie), a. preatechtig. —atiaeness s. pipetachtigheld. —er, s. epreker, prater; grootapreker. —sag, a. gepritat. Tall (taoln, a. lang, rtjzig; koen, dapper. —nest, s. grootte,lengte, hoogte. Tallow (tel'lo), e. talk, emeev, —cake, talkkoek. —candle, ameerkaars. —chandler, kaarsenmaker. —copper, vetketel. —faced, bleek, fiets. —grave.. pl. kanen. keech, klomp vet. --tree, talkboom. - v. a. inameren; vet waken. —ash, —y, a. talkachtig, vet. Tally (tenth), e. kerfatok; keep; weergade. —man, die op den kerfstok (op de week) verkoopt. —shop, wankel, wear tegen woeker geborgd wordt. —, a. a. trikepen; pas waken; v. n. pause'', oareenkomeri (to. with). Talmud (tel'imnd), e. Talmud. —let, a. nitlegger Volt den Talmud. Talon (tel'an), a. klauw; Won. Tamable (tee'mlb1), a. tembaar. Tamar Intl (tem'e-rind), s. tamarinde. (•risk), a. tamarisk. Tambour (tem'boer), e. troin, tanoboerlin; tarnboereerraarn; tamboereerwerk. —inn (-bur-len% s. tamboerlin. Tame (teem'), a. —ly, ad. tam, mak; gedwee; moeleloos, said. —, a. a. temmen. —able, a. teutbssr. —lost, a. ongetemd, wild. —Rees, "37
E IN it. —E Enravish (en-rev'isj), v. a. verrukkeu. —meet, Enthrone (en-thmone), v. a. op een' troon zetten. s. verrukking. Enregleter (en red'zjis-tur), v. a. inschrijven; Enthuslas m (en-thioe'zi-ezm), s. geestdrift. inboeken. —t (-est), s. ilveraar; geestdrijver. —tic, —tical, Enrich (en-titan, v. a. verrijken; vruchtbaar (-wank.), a. ijverend, hartstochtelijk; geestdrij , vend. maken. —er, s. verrijker. —menu, a. verrijking. Entic e (en.tajs'), v. a. verlokken,verleideia; aanEnridge (en-ridzr), v. a. met voren maken. trekkers. —ement, s. verleiding; aasloksel. —er, Enripen (en-raj'pn), v. a. rijp maken. s. verleider. —ingly, ad. verleidelijk. Enrobe (en-rook'), v. a. kleeden; tooien. Enroll (en-rcol'), v. a. inschrijven; sanwerven; Entire (en-tajr'), a. geheel, volkomen; oprecht; inrollen. — one's self a soldier, diesst nemen. getrouw. —1y, a. geheel. —nese, s. geheelbeid; —er, s. inschrijeer; werver. —ment, s. inschrij- rechtschapenheid. —ty, s. geheelheid; volkoEmenheid. —horse, s. henget. ving; aanwerving; register; rol. ntitative (eneti-te-tiv), a. op zich self beEnroot (en-roet'), v. a. doers wortelen. Ensanguine (en-seng'gwin), v. a. met bloed schouwd. Entitle (en-taj'tl), v. a. betitelen; benoemen; besmeren. Enschedulc (en-skedejoel), v.' a. iu eene reel gerechtigd maken. Entity (en'tit-tih), s. zijn; wezen; aanwezen. inlasechen. Ensconce (en-skone"), v. a. omsehansen; be- E \natnogieln. (en-tojle), v. a. omstrikken, in een' strik schutten. n,tgonva il4 (. en-toem'), v. a. begraven. —meet, s. E bra Ensearn (en-sierra'), v. a. cosines, omzoomen. Ensear (en-stern, v. a. dichtschroeien. Entomolog 1st (en-to-mol'ud-zjist), insectenEnshield (en-sjield'), v, a. beschermen. l E Enshrine (en- sjrajn"), v. a. zorgv uldi g (ale lets ntetnrnaeirl..—( !e/n(,-,zrjeitz)), , iinnegeec,teannkduennd. e. heilige) bewaren. ey't intrede; toegang; Enshroud (en-sjraude), v. a. in een lijkkleed Ebnetgrin.ance(nen —money, e-geld. hullers. Entrance (en-traans'), v. a. verrukken. Ensiform (en'si form), a. zwnardvormig. Ensign (en'sajn), s. vaandel; vaandrig; onder- Entrap (en-trep'), v. a. vangen. scheidingeteeken. —bearer, vaandeldrager. --cif Entreat (en-triet'), v. a. bidden, smeeken; v. n. • een verzoek aanbieden. —er, s. bidder, emee(en'sin•sih), s. vaandrigcehap. Enslave (en-sleeve), v. a. tot slavernij brengen. ker. —ingly, ad. —ite, a. biddend, emeekend. —meet, s. verslaving; clavernij. —r, s. nor- E;ter, tde., (sareerkeininge..,), s. tueschengerecht. drukker. Ensnare (en sneer'), v. a. verstrikken, ver- Entrepot (an-tre-po'), s. goederen-magazijn. Entry (en'trih), s. ingang; intocht; backing; sehalken. Ensnarl (en-sonar!'), v. a. [very arren, In ver- aangifte. Enuclea te (e-njoe'kli-eet), v. a. ontwarren. legenheid brengen. —tion (-ee'sjuu), 8. ontwarring. Ensue (en-s)oe'), v. a. volgen, vervolgen; v. n. E,numera te (e-njoe , mur-eet), v. a. optellen. volgen, voortvloeien. (-ee'sjun), a. optelling. —tire, a. oplettend. Ensure. etc. Zip Insure, etc. Entablature (en-tebele-tjoer), s. zeiltop; dek- Enuncia te (e-nun'sji-eet), v. a. verklaren; uiten; aankondigen. —tion (-ee'sjun), s. verklaring; mestuk; rollaag. Entail (en-teen, s. vastgezet (onvervreemdbaar) dedeeling; uitdrukking, voordracht. —tire, a. erfeoed; ingelegd werk, snijwerk. —, v. a. be- —tively, ad. (-e-tiv-), te kennen gevend. —tory palingen maken omtrent den overgang van een (-e-tur-). a. uitend, verklarend. erfgoed; inleggen, insnijden; opleggen (on upon). Envelop (en-vel'up), s. omslag, oinkleeding. —, v. a. ontwikkelen, inwikkelen. —went, s. inwikEntnme (en-teem'), v. a. tenamen. Entangle, ten-teng'g1), v. a. verwarren; inwik- keling; verwikkeling. kelen; in verlegenheid brengen. —ment, s. ver- Eavelope (an-ve-loop', en'veloop), s. brietomwikkeling; verwnrring; kwelling. —r, a. ver- slag; omkleedscl. Envenom (en-ven'um), v. a. vergiftigen; verbitetrikker. teren. Enter (en'tur), v. A. intreden, inkomen; Ran- geven; inboeken; inwijden; v. n. binnenkomeu; Envi able (enevi-ibl), a. benijdenswaardig. —er, s. benijder. —ou8, a.—ouay, ad.nijdig,afgunatig. (into) treden in; (upon) beginnen, aanvaarden. —ing P. ingang; begin; —ladder, staatsie-trap. Environ (en-vaj'run), v. a. omringen. —a, (enEnter° cele (en-tereo-siel), s. liesbreuk. —logy vaj'runz, enevi-ronz), s. omstreken. (-tur-ol'ud-zjih), s. beschrijving der ingewan- Envoy (en'voj), s. afgevaardigde, gez-ant. Envy (enevih), s. nijd, wangunst. —,v. a. benijden. den. omsluiten. Enterprise (en'tur-prejz), s. onderneming. V. a. ondernemen. ondernemer• s. epacta. Entertain (en-tur-teen'), v. a. onderhouden; ver- Epact a. onderhcuEpaulement (e-paorment), s. borstwering. —er, oaken; onthalen; koesteren. der; onthaler. —ing, a. —ingly, Rd. onderhou- Epaulet (ep'ao-lit), a. epaulet. dend, vermakelijk. —meat, a. onderhoud; ont- Ephenser a (e-fem'e-re), s. tindaagsche koorts; haft. - al, —ic, a. tendaagsch; kortstondig. —an, bss1; vermakelijkheid.
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.

cryptogeld regelgeving pdf


Vouchsafe (cautsj-seen, v. a. veroor!oven, toeetaan, mimes; v. n. Melt verwaardigen, geHaven. e. verleening, vergunning; verwaardiging. Vow (van'', gelofte, plechtige belofte. —, v. a. (van'', toewijden; v. n. eene gelofte doen; doen; zweren. —el (-11), a. klinkletter. —er, a. afiegger owner gelofte. Voyage (voridej), s. (see-)reis. —, v. a. hereizea, bevaren; v. n. ems seereis doen. Vulgar (vul'gur), a. —ly, ad. gemeen, Meg; *1iedaegsch, gewoon; algemeen. fractions, gewane briuken. — language, volketael; moedertool. — translation, Vulgate. —lam, s. gemeene (platte) ultdrukking. —tit/ (-g'r'it-111.), a. ilerneenheid, platheid. —ize (-ajz), v. a. gement makon. Vulgate (vurgei), a. Vulgate (latijnsche hijbel. vertaling. Vulnera hie (vul'nur-tb1), kwetzbeer. —bility (-e- ► il'it-tih), —Neves., n. kwetebaarbeld. —ry (-a-rib), a. heelend; — balsam, wondbalsem; — plaster, wondpieteter. —ry (-e-rth), a. heel-, e•ondroiddid. —te (-eat), v. a. kwetsen, wonden. —tion (-ee'ejun), a. kwetalng. verwonding. Vulpine (vuPpin), a. vosachtig;

Solitaire (ril-i-i,eer'). t.s. kluizenaar; enkel geSod (rod), a. zude. —, part. gekookt. zette diamant. Soda (so'de),..soda. —water, coda-,seitzerwater. S VA ltar Al y (mori-to-ril-lib), ad. --y, a. eenzaam, Sodality (so.del'it- tihl, a. broederschap. afgezonderd. —iness t-ri masa), a, eenzaambeid; Sodden (sod'n(, part. gekookt. verlatenhetd. —y, a. kluizenaar. Soddy (bod'dih), a. met grAszoden bedekt. ,Solittode (soll-tjoedl, a. eenzaarcheid. Sodomy isod'um-mth , , a. eodomie. Solmazation (sol•rni-zee'sjuu), a. oefening iu Soever so-ev•ur,., ad. ook, slechts. hrt ztngen van den toonladder. Sofa (eo':e), a. sofa. Soflit (sortil), a. paneelzoidering; beiveegbaar Solo (so'lo), s. solo. Solstl re is:Wstis),s.zonnestand.—tia/(-stierel), aekatuk lop hat tooneel). Soft (soft'), a. & ad. —/g, ad. scent, week, a. zonnestands, inalsch; vloelend; onnoozel. —brained, dwass, Soles bie (soPjoeb1), a. ontbindbaar, oplosbaar. onnoozel. —hearted, vi et,L II ertig. —roe, horn van —bility (-hint-10),e. ontbindbaarhr-id,oplosbearheid.—te, a.;os,vrk).—tton(so-lioe'sjun),s.ontbinvisch).—, int. za,itt wet! bedaard! —en (corfn), din,, oplosring. —tire, a. ontbindend, openend. v. a. zacht (week) maker; oerzachten; verteede- ren; bevredigen; v. n. cache ,week, verteederd] Sole able (solvq1,1), a. ontbindbaar s oplosbaar; betaalbaar; in atnat ona to betalen. - ability wordeu. --ever I sorfn-uo, - ner, a. verzachter; verzachtend !fluidal. - aeon, %, zaehtheid, week - ( - e - bit'it - tib), --easy, a. vermogen um to betalen. -e, v. a, outbinden, oplosaen. - ent, a. °plusheld; verwkjtitheid; kleinnioedigheid. Soggy (eog'gth), a. vochrig, darnpig. send; in etaat ant to betalen. - eta, a. oploesend Soho (mo-ho'), int. bollal hol middel. Soll ;soy!, E. grond, land; veil, alijk, molder; Sons her (sootrebur), —brows isom'brue), a. SOM• her, docker. moiderpoel; vlek., met; merit. to take, —, to water goon. —, v. a. bemoecen, bezoedelen; s.,,,,,c , (sure'), a. & pr. een zeker; een weinig, lets; een4e, sornmige. --bogy, a, iernand. —how, meeten. —ing, a. voedering net ventelt voer. —ure I joen, z. vlek; bevierking. ad op de erne of andere wrjze. —thing, —what, 8. lets; ad. ernigazine.•tinie, voorheen eenmaal. Soj ► orn (aq'dzjurn), a. verblijf. -, v. n. vet. - bltif heuden. -er, a. gait, vreemdeling, reiziger. times ( tajn.z), ad. somttdo. - where, ad. ergens. - rnent, a. tijdeRjk oponthoui. - while, ad. een poo'je. Solace (enpes), a, troost; leniging; verkwikking. Sowereel (murn"nr-set), a: buitehprong. -- v. trooaten, lentgen; ver&wikken. St.► 1111011Dh11111/6 no (sum-nem'bjoe-lism), a. het Soiancler (no-len , dur) a. echurft (olj paarden). elaapwandelen. —t, slaspwendelaar. Solar (so'ier), a. van de ' zon, zonne-. So ► nif erous (sutra-htf'ur-us), — lc, a. sleepverwekkend. Soldan (sol'don), a. Zie Sultan. Solder (seisdur,, s. auldeersel. —„, v. a. eoldeereu; Somnolen cc (som'no-lens), —ray, s. slaperigverhinden, —er, s. solde,der. heid. —t, a. cloperig. Soldier (seol'dtjur), s. solduat. —like, —ly, a. Son lean), a. zoon. —in-law, behuwd-, sehoonkrijgshaftig. —ship, a. eoidatenetand. —y, a. stiefzoon. kri,jgsvolk; krijgsdienet. Sonata (inn-pale), a. sonata. Sole (soul'), a. zoo!: voetzool; tong (viscb). - , Sond (sand), v. a. atampen (van schepen). a. —ly, ad. eentg, alleen. —, v. R. 'emote. Song (song'), s. zang, gezvng, lied. —stet, a. Solecism (solte-eizat), s. zinstorende taalfout, cancer. —stress, a. .angeres. verkeerde woordvoeging. Sonlferouri (son'sifn ur•us), a. klinkend. Solemn ieol'em), a. —ly, ad. plechtig, ernstig, Sonnet (eon'nit), a, sonnet, klinkdieht. —eer, stattg. —ere, —ity(so-lem'nit-tih),..s.plechtigileid, ( far'), s. r')melaar. ernst. —ization (-ni-zee'ejuri), a. veering. —ize Sonometer (so-nom'i-tar), a. klankmeter. (-najz), v. a. viereu. rif'ik), a. klinkend. So norltle fat, Sonormis (so-no'rus), a. —1y, ad hslderkllnkend, Snlen (sonn), a. spalk. Soleneaa (soorness), s. net alleen Ain (8taan). welluidend. —nese, s. wellutdendbeid. Sonshi ► (eun'sjip), 8. zoonechap. Soli. (sol-ra 1 ), v, n. op notes leeren zingen. Solicit (.•lis'sit), v. a. verzoeki , n, aanzoek dean Soon (seen).. ad. spoedig, weldra; vroeg; gaarne. om, laetig vane.. —ation(-i-tee'sjuu),s. aanzoek; as — an zoodra. (het) lastig vallen; sansporing.--nr,e. verzoeker; Soot (seat' ► , a. roet, —, v. a. met roet besmezaakwaarnemer; aellicitei,r, proeurepr. -- ot.e, a ren. . - .sly, ad. begeerig; bekommerd. bezorvd (about Sooterkln (soet'ur - kin), s. misgeboorte. fork - rent, a. aanzoekster. --acre (-1-ijoed), a. Sooth (wetit'),.. waarheid; voorspelli.g. forj,n) —, voorwaar, inderdaad. —say, v. n. voorspelbekommering, bezorgdheid. Solid (a.'id), a. —ly, ad. vast, dick; heeht; ate- len, waarzeggen. —sner,s. waarzegger. —saymg. vig; gedegen, groudig; eeht, wezenlijk; kubiek. a. a . garzeggerii, voo,pelling, - , a. vast lichaam. - ify (so - lid'i - fai), v , a. Soothe isoeth), v a. vleien, atreelen; verzaeh-r, s. aleier, stiller; verdichten -if!, n f,c, lint -t.thl , -nevi a. va-s-tr d,l a pid1. , rz a r stiller; itll i;. tvred.igen. he verzachtend heciobeld; grondgebied; wezeulAjltheid. Pasts deelen. 'Sootiness (soet'i-nees),s. roetigheid.— ish, a.roetaehtig. —y, a. roctlg; zwart. Soliloquy (eo-lil'o-krih), s. alleenspraak. Sollped (sol'i ped), .. dier met ongesp:et,o hoe- %lo ► (sop'), s. nonje; verzachteud middel. —, v. VEU• a. soppen. —in-wine, plutniaujelier.

Zal Stellar ooit bereiken 1000

×