nit-tih), s. verdeeldheid. Mims age (dis -joe'zidgj), — e ( - foes'), a. onbruilt. —e (-joes), v, a, ontwennen, niet meer gebruiken. Disvailu atlon (dis.vel-joe-ee'sjun), a. gering!whetting. —e (-vei'joe), v. a. kleinachten. Disvouch (diz - vautar), v. a. weerspreken. v. a. Ditch (ditsj'), a. gracht, sloot; goot. met tent gracht omgeven; v. n. cent gracht, enz. maken. —er, a. graver. —delivered, a. van loge geboorte. Dithyramb (dith'i-remb), a. bacchuszang. —ic (-retn'hik), a. dithyrambisch. Dittander (dit-ten'dur), a. peperkruid. Dittany (dit'te-nib), s. esschenkruid. Ditto (dit'to), a. hetzelfde, dito. Ditty (dit'tih), s. gangvers, lied, deuntje. Diurnal (daj - uenel), a. dagboek. — , a. dagelijksch. —ly, ad. dagelijks. Diuturn al (daj-oe.tur'nel), a. langdurig. —ily, a. lange duur. Divan (di-van'), a. turksche read; rookkamer. Divarica te (daj - verl.keet), v. a. in tweeen deelen; splijten; v. n. zich in twectn deelen. —lion (-kee'sjun), s. vorkswijze splijting; veerkracbt; dubbelzinnigheid. Dive (dale'), v. n. duiken. (into) uitvorschen, doorgrontien. (away; wegslutpen. —r, a. dottier; uitvorecher; zakkenrolier; northern ijeduiker. Diverge (di-vurdzj') v. n. (from) afwijken; eenloopen. - nce, s. afwijking, uiteenlooping. —cit. a. alwijkend; uiteenloopend. Divers (daj'vurz), a. verachillende. Divers e (daj'vurs), a. —ely, ad. onderscheiden; veelvormig —ificalion (di-vur-siti-kee'sjun), s, verandering; veracheidenheid. Divers ify (di - vur'si - faj), v. a. verachillend (atwisselend) maken. —ion (-sine), s. efieiding, atwending; uitspanning, vermaak. —ity, s. verecheidenheid. Divert (di-vurt'), v. a. aileiden; aftrekken (from); vermaken (with). —et., a. middel tot *Adding. —ing, —ire, a. —ingly, ad. vermakelijk. —ice OW, v. a. verlu,tigen. —izement (-tiz-ment), a. verlustiging, vermakelijkheid.

Factotum (fek-to'ttl ►n), a. doe-al, albedril. Faculty, (feleul-tib), s. vermogen; eigenschap; bevoegdheid; faculteit. Fecund (tek'und), a. welbespraakt. —ity (fe-kun' dit-tih), s. welbespraaktheid. Faille (ted'd1), v. n. beuzelen. Fade (feed), v. a. doen verwelken (kwijnen); afmatten; v. n. verwelken; kwijnen, verdwijmen, (away). Fade (fedzj), v. n. passen, voegen; overeenstemmen. Fading (fee'dieng), a. verwelkend; versehietend; vergankeltik. —ness, a. verganletijItheit:. Jag (feg'), a. slover; zondebok; knobbel (in liken). v. a. aandrijven zelfkant; uitschot. (met slagen); v. rt. zwoegen; zieh afeloven. Fagot (feg'ut), a. takkenbos, rijstbos; lorrendrnaier. —, v. a. in bossen hiuden. Fail (feel'), a. fell, font; gemis; verzuim; dood. without zonder mankeeren. —, v. a, begeven, verlaten, in den ateek laten; teleurstellen; v. n. falen, misdoen, te kort schieten, (in); in gebreke bliiven (to); vervallen; ophorden; bankroet gaan. — inf,, a. font, gebrek; (het) bankroet gaan. —ure ( joer) gebrek; verzuim; mialukking; bankroet. Fain (fen), a. blij, verheugd. —, ad. gaarne. Faint (feent'), a. —ly, ad. zwak, mat; moedelooa. —hearted, fla ► whartig. —heartedness, a. flauwv, a. ontmoedigen; v. n. kwijnen; hartlFhel a. —inglfit. ilauwte. —ish, a. bezwijmen. flauw-, zwakachtig. —/ing, a. vreesachtig, —ness, a. matheid, flauwheld. —y, a. zwak, kwijnend. Fair (leer'), a. —ly, ad. achoon, haat; helder; blond; zuiver; gunstig; billtlk; eerlijk; oprecht; gemakkelek; wellevend; minzaam. bedaard;bevallig; gedienatig; beleefd; in goede veratandhouding. —and squarre, ronduit. —and softly, zachtjea aan. to bid —, de hoop geven. to copy —, in het net overschrijven. to keep —, vrlendachap houden. to play —, eeritik te week gaan. to stand —, gunstig staan; trouw blijven. —colored, licht van kleur. -econditioned,goedhartig.—dealing, emit*. held, opechtheid. —play, est./0k spel. § —shake, goede negotia. —spoken, beleefd, innemend, lief. Fair (fate'), a. kermis; (eene) echoone. the —, he, achoone geslaeht.—iag, s. kermisgeschenk. —ish, a. net , lief; tamelijk. —ness, a. fraaiheid; eerigkheid, Fairy (fee'rlh), a. fee-achtig. e. fee, toovernimf. —land, land der toovergodinnen. —like, tooverachtig. Faith (feeth'), a. geloof; geloofsartikeli vertrouwen; trouw; oprechtheld —, int. op Mijn wooed! waarlillt! —breach, trouwbreuk. —tut, a. —fully, ad. geloovig; trouw. —fianess, a. getrouwheid. —less, a. trouweloos. —lessness, s.trouweloosheid. Fake (leek), s. slag van een opgeschoten touw, catch —, klink. Falco te (fel'keet), — ted, a. sikkelvormig. —tion (-kee'sjun), a. kromte. Falchion (faorejun), a. kromme sabel. Falciforsn (fend-form), a. sikkelvormig. (fao'kn). a. vatic. —, —et (faol'kttn.net), a. felconet (zeker gese hut). —er,, s. valkenier. —ry,

Wat is Bitcoin maas in de wet VAE


uitgeven, voordoen. (to) etch oveegeven aan, — toeleggen op; — one's heels, het haaenpad klezen., (up with) %Leh vergenoegen met; wonen bij. (with) behagen, bevel len. Take able (teeklb1), a. te nemen; te vatten —in (-in), s. bedrog; bedrleger. nick an. Taken (tee'kn),part. to be Talc er (tee'llnr), s. neuter; kooper; aennemer, a. lokeend. —inp, e. het nemen, vatten; ve rlegenheid, angst; a. innemend; aanstekend. —ingness innemendheld. Talbot (faorbut), a. hazewiedbond. Talboy (tel'hoj), a. grocte ladeicast. —on (tel.koos'), Talc (telk"), s. telkaarde. —one, a. telkaehtIg. Tale (teel ► , a. vertelling, eerteleeltje; getal, tel. oorblazer, —bearer, to test —a, klappen, klikken. klikker. —bearing, a. kwandeprekend; a. norblazing —'e-nian, zegsman. —teller, verteller von sprookjes. Talent (tel'ent), s. talent; begaafdheid. —ed, a. taientvol, begaafd. Tales (tee'liez), s. pl. —men (teelemen), pl. plaatavervangef s der gez worenen Tabun (tel'jun), e. wedervergelding. Talisman (tel'iz-men), s. talisman, toovermid. del . Talk (taoie), a. gesprek; *semen; gerucht. small - gesnap, tont. —, v. a. & n. apreken, praten, keuvelen. — big, groatopreken, snoeven. book, eprek,n ale een bock. — by the hands, op de vingera spreken. (away) verpraten; opdr,inen. (into) overt:mien tot. (out) overpraten. out of) afhouden, arbrengen van. (over) verhaleni overreden. (to) vermanen. (up) overreden. —alive (-etie), a. preatechtig. —atiaeness s. pipetachtigheld. —er, s. epreker, prater; grootapreker. —sag, a. gepritat. Tall (taoln, a. lang, rtjzig; koen, dapper. —nest, s. grootte,lengte, hoogte. Tallow (tel'lo), e. talk, emeev, —cake, talkkoek. —candle, ameerkaars. —chandler, kaarsenmaker. —copper, vetketel. —faced, bleek, fiets. —grave.. pl. kanen. keech, klomp vet. --tree, talkboom. - v. a. inameren; vet waken. —ash, —y, a. talkachtig, vet. Tally (tenth), e. kerfatok; keep; weergade. —man, die op den kerfstok (op de week) verkoopt. —shop, wankel, wear tegen woeker geborgd wordt. —, a. a. trikepen; pas waken; v. n. pause'', oareenkomeri (to. with). Talmud (tel'imnd), e. Talmud. —let, a. nitlegger Volt den Talmud. Talon (tel'an), a. klauw; Won. Tamable (tee'mlb1), a. tembaar. Tamar Intl (tem'e-rind), s. tamarinde. (•risk), a. tamarisk. Tambour (tem'boer), e. troin, tanoboerlin; tarnboereerraarn; tamboereerwerk. —inn (-bur-len% s. tamboerlin. Tame (teem'), a. —ly, ad. tam, mak; gedwee; moeleloos, said. —, a. a. temmen. —able, a. teutbssr. —lost, a. ongetemd, wild. —Rees, "37
T. Tabard (telt'urd), a. tabbaard; wapenrok, Tallsby (tab-bihl, a. geetreept, ge,vlamd, gewaa. gewaterd tat. tabijn. —, v. a. wateren. teed. fitti011 (teb-e-fek'sjun), a. tattering. qab'e-taj), v. n. uitteren, wegkwijnen. Tribeliion (te-berjun), s. dorpanotatis. 'Iraberoncle (teb'ur-nikl), a. tent; loothut; hostiekasje; tabernakel. —, v. u. verblijf houden. Tab.id (teb'id), a, uitgeteerd.teringachtlg. -nets, a. uittering. Tevbritvaure ‘ tebile-tjoer), s. moureahildering ; scheiding van het bckkeneel ; saadulAing der tonen door teekens. Table (tee'b1), a. tabel; diech; bled pleat; dischgezelschap; knot; tabel. register; vlakke hand. —basket, tafeimandje. —leer, tafe'bier. —book, achrijtboekie. —clock, pendule. —cloth, tafeliaken. --jaattner, schuss aan eene tafel. —land, vlak laud. —man, otuk, schicif. —money, tafslgeld. - »toying, tafeldans. —plate, tafeliliver,-saivies.
I threw in some fractals to guess what is going on with LTC. I used a fractal from when the trend reversed at the bottom this year and one for the 2018 ATH. Personally, I believe that fractals are highly subjective. They only reinforce the analysts confirmation bias. There is no set rules or back testing for fractals. So these fractals are here to see how much...

liteasi ce (rai'Mz), pl, mithelen; gortegheid. —y . Medilerraneau (med-i-ter•ree'ni-en), a. mida. middetlandsche zee. deliandsch. (-z1111), a. Zie Measles!. s. middel; midden; middelMeaPura ble (mezj'oee-ibl, -11r-1, a. mcetbaar; Medium matig. —bleness, s. meetbaarheid; matigheid. stoat, -term. —paper, mediaanpapier. —price, middelprijs. —bip, ad. matig. Measure (mezroen, -ur, e. meat; maatregel. Medlar (meeler), a. mispel; mispelboom. —, v. a. meten; of-, toemeten; v. n. melee, in- Medley (med'lth), a. vermengd, vera ard. —, a. Camden. —less, a. onmetelijk. —meet, a, meting; rnengelmoes. Medull nr (me-duPler), —ary, a. mergachtig. tonnemaat. —r, a. meter. —ine (-lin), a. zonnebloempit. —a, s. merg. Meat (miet'), a. vleeseb; spije, kest. --ehopper, Meed (mied), a. belooning, fooi. —hasteners, p1. kastrollen. apijsoffer. —pie. vlee,chpastei. —screen, etene- Meek (miek), a. —1y, ad..zachtzinnig; nederig. —en (mie'lcii), v. a. verteederen; gedwee maken. bast. —y, a. vleezig. zachtmoedigheid. /reels/snit, (are-ken'ik), s. handwe:Icsman. —al, a. —ally, ad. werktuigelijk; van (volgens) Meet (mitt), a. —ly, ad. gesehikt, dienst1g, pansend. —news, a. gesehiktheid, gepastheid. da weActuigkunde. —alness, a. werktuigelijkheid; overeenstemrning met de wetten der werktuig- Meet (miet') [met]. v.. a. ontmoeten; to gemoet Comen; v. n. been komen; (with) aantreffen, kunde. —tan (mek-e-flislen), a. werktuigkundige. vinden; ondervinden. ondergaan; voorkomen; let —s, pl. werktuigkunde. Meebanis u s (meleen•izrn), s, werktuigelijk sa- hoofd bieden RAU. —er, s. ontmoeter. —ing, s. menetel; bewerrauiging. —t, n, wuktuigmaker; ontmoeting; bijeenkomat, vergadering. —inghouse vergaderhuis; /tack. werktuigkundige. Megrim (rai'grim), s. schele hoofdpijn; gr11. Mechlin (meklin), s. meehelsche kant. Met:hostel... (me•ko'e-ken), s. wine rhaharber. hleluy (mi'nihl„ 8. gevolg, stoet. Melosts (mi - o's1s), s. hyperbolische verkleining. (me-Ixo'nt-urn), s. maankop-, papaMeconiuns Molanapode (merem.pood) s. zwart nieskruid„ versap; aerate afg,ang van kinderen. , —y, a. zwaarMelsne/sol is (mel'en-kolik) gedonkpenning. Medal (med'el), s. (me-derik), a. van =listen oY gedeukpenningen. moedig, droefgeestig. —ic, a. zwaarmoedige, droefeestige.—iness (-i-nest), a. aanleg tot await, —lion (meederjun), a. medallion, legpenning. moedigheid, —y. a. zwaarmoedigheid, droefgees—list, a. penningkundige. Meddle (med'd1), v. u. rich beinoeien, — inlaten tigheid. (with)) nick mengen (in). —r. a. bemoeial. —some, Melange (me-laanzj'), s. mengsel. a. bemoeiziek, overgedienstig. —someness, a. Melasses (me-les'siz), pl. melasse, stroop. Melleerous (me-lis'ur-us), a. eene honigachtige bemoeizucht, overgedienstigheld, s. etof bevattend. Meddling (medidlieng), a. bemoeiziek. Mellleat Imel'i-lot), s. honigklaver. bemoetzucht, inrnenging. Meliorate Inaierjo-reed, v, a. verbeteren. —ation Mediceval (med-i - ie'vel), a. middeleeuwseh. (-ree'sjun), a. verbetering. —ity . .(-jor'it-tih), a. Medi al (mOdi-e1), a. middelbaar,gemiddeld. --ant beterheid, voortrefrelijkheid. (-ent), miadeltoon. —.tine (•est'in), tt. middel- ref. —ate, a. —ate?;', ad. (-et), veim,Ideld; mid- Mellif trees (niel-ilf'ur-na), a. honig voortbrengend. —ication (-i-kee'sjun), a. honigbereictellijk. —ate (-eat), v. a. nsiddelea, hij!eggen; s. honigvioeitng. —luent, ding, —luence v. tuuachenbeide komen. — ation. ( es..'sjun . a. —luaus (-floe-I, a. van honig vloeiend, honigzoet. bemiddeling. —ator (-ee•tur), a. bamiddelaar. —atorial (e-to'ri•e1), a. bemiddeleu•i. —atrix Ielolllt e (tnerlajt(, a. honigsteers. —ic (-lit'sk), a. van den honigsteen; uit honig verkregeu; (-ee'triks), a. bensuldelitarster. — acid, honigzuar. Medic trned'ik), a. elakkenklaver. Media able (med'i - kibl) a. geneesbaar. —al, a. Mellow (merlo), a. zacht, raurw, malsch, rijp; —ally, ad. geneeskundig. —ament (-ke-ment), a. drunken. —, v. a. & n. zacht, inure, malsch geneesmiddel. —amental (-ke-men'tel). a. ge- of rijp maken (worden). —ness, a. zachtheid; murwhelti ; rijpheid. —y, a. zacht, murw ; zalneeskrachtig, heilzaan, —aster (-ketetur), s. vend. kwakzalver. —ate (-keet), v. a. met arteenij ver- mengen. —ation (-kee'sjun), e. bereiding gebruik) Meloeoton (mel.o-ko-toen'), a. kweeperzik. ad. welluidend. Melodious Ime. lo'di-usl, a. van geneemiddelen; genezing. Meslicin able inie,ditel-nibl), a. geneeskrachtig. —ness, a. welluideadheid. —al, a. —ally, ad. van (volgens) de geneeskunde; Meted ize (mel'o dajz;, v. a. welluidend maken. --y, a. weliuidendheid; zangwijk. s. geneesmichtel, geneeskrachtig. —e Ttielodrause (mel'o-dreem), 8, melodrama. artrsenij; geneeskunde. Medlety (me-darit-tib), a. middelstand; midden; Melon (mei'un), R. meloen. —ground, meloenbed. —thistle, meloendiste/. —tree, meloenboom. helft. Medlocr e (mi'di-o•Lur), a. middelmatig. —iat, Melt (melt'), v. a. emeiten; (down) versmelten, oplosaen; diep roeren; verkwisten. —, v. n. amels. middeimatig melted, --ity (-ok'rit-tih), a. ten; (away) wegsmelten; verdwijnen; (down) vermiddelmatigheid. a. smelter. —tag, a.smslMcdlta to (med'i-teet), v. a. overpeinzen, over- vloeten; vergaan. wegen, beramen; v. n. peinzen. —lion (tee'sjun), tend; zielroerend; weekhartig; a, melting; verzachting. —ingness, s. weekhartigheid. n, overpeinzing, overweging. —tier, R, overpein- Meiwel (mel'wel). n. klipvisch. zend overdenliend.
Ml 1t-- MID. 533 Merei, V. blalthird. Itliet000r, rn. meteor. ov. w. to moor, to belay, Meter, ..triluthef• 111ialrg , u. marrow; pith, qui ntwoience. —been,—pitp, Rile ter, tn. meantrer,gativr; meter.—ertje \ o.ruler. marrow-bone. —houdend, marzowy. —Pepel„ Mei- gametal, m. --lin, v. companion. —trekker, marrow-lade. —achtig, by. marrow- not twig, v. measuringomeaentement; gauging. like, inarrowy. Met r tell, v. metrics. —itrh, by. nintrierl. m. marl —aorde, rattily earth. —graver., Meteet ear, us. mason, bricklayer; —*Oak, bed; marier. —hail, steen, marl-r.tone. —sknecht. journernati-mvon. v. masonry. —acAtig, be. like marl, marly. —en, DC. W. to —ett, ov. w. to to niche,, to MM., on. w. manure with marl. to to ina,on 's work. — homer, reason 's hot-nicer. lilleiriettaass, in. meridian. —talk, mortar. —steen, brick. —week, masonry, /Reek, o, mark; sign, token. brick-w•rk. Mcrkbatar, be. & bw. perceptible (-oly), visible Olsettnn, v. me. matins. torte — molten, to make ( - bly), obvious Hr. no ceronorty. "emend de -- learn, to chide (to MerkvalUk, be. & bor. Zie Aftnan.ekelltik. ret..uke, to i.,:cture) a. o. neck co, or. w. to 'nark; tie lie•nterken itleAter (toad, be'. indeed, rtally.. in fact. —fiyd, —User, oiarking-iron, — jab', .may kinK-tols. —ha- ow. in time. Ire procetos of time. —woos, biv. torn, marking-cotton, —lop, nampler. —letter, rich --restigen, to fix one 'a abode, to pill up. eignature. —90aald, marking-n

Welke is de goedkoopste cryptogeld


Id are, s. idea. useless (-1y); frivolous (-1y), trifling (•ly); selfleder, tw. its vow. every, each. —, coneeited. —darns. glutton —telt, thouehtlette vow. every one, every body, any one, any body. (giddy-headed) person. — fallen, to rave. —tuiJewel/a*, tw. & vow. every. tig, thoughtless, giddy headed. —held, v. vainilentaind, vow, somebody, some one, any body, neag, vanity; fruitlessneas; frivo,ityissitconceit. Any one. • m. yew-tree. lots. vow. aomeihicis, any thiug. Lek, m. site, assize; standard-mark: place where bv. & bor. vain (-)y), fruitless (4y), measurer are squared —geld, assize ea fee. —smut,


—sekrOvers, or. & on. w. to Write close. —sehroe• ven, or. w. to screw to —.Mules*, ov. w. to shove (to push) into. —1/aan, ov. w. to strike togetber,to join; de handen —, to act of one accord, to make common cause. —slititen, on. wr. to be fit, to fit in (with), to sntt. —ssit,lten, on. w. to melt, to mingle. —inserting. v. melting, mingling. —vloeien, on. w. to flow together, to meet. —rloeiing, v. conflux, confluence. —voegen, ov. w, to join, to adjust, to dove-tail (with). —voeging, v. joining. Itnent en, or. we to graft. to ingraft. to inoculate; to vaccinate. —er, m. inoculator:vaccinator. —ing, V. grafting, ingritfting, inoculation; vaccination. Inetsen, or. w. to etch in. w. to fester, to grow deeper by Inetterais, suppuration. Infanterle,s. foot, infantry. In finnsen, or. w to throw in carelessly. Intflutt,teran, ov. w. to whisper, to prompt, to suggest. Infreni, by. very fine. Imgaan, on. w, to enter, to go (to walk,to step) in, — into; to begin. Ingnarder, m. collector. Ingaeler en, or. NV. to gather, to collect. —ing, v. gathering, collection. Itagnaig, an. entrance, entry, ingress. —rinden,to take. Ingebseld, bv. Imaginary; self- conseited. Itageboren, by. innate; native, born. Ingeeride, m. & v. landholder. Ingcest en, or. w. to inspire. —kg, v. inspiration. Ingekankerd, hr. inveterate. Ingeleand,m. landholder, freeholder. Ingelegd, hr. laid (put) in; pickled, preserved; inlaid, tessellated, mosaic. I ugenteur, m, engineer. lagenonsen, hr. taken; captivated, prepossessed. —he;d, v. prepossession, affection. Ingeschapen,bv. innate, inborn. Ingesloten„ by. enclosed; inclosive,incl tided. Ingetogein, hr. & bw. continent (.13y); modest (-13, ), composed (.;y), sedate (•1y) —he d, v. continence; roodesty,andateness. Ingevni, vw. in case. loge-v en, or. w. to give in, to adminieter; to present; to prompt, to suggest, to inspire. —ing, v. suggest Ion, inspiration. Ingevolge, bw. pursuant (agreeably) to, in consequence of, in compliance with. 110401,17nntc9, o. entrails, bowels. I,,gewelde,o.intestinee. IngewUde, s. adept, initiated. Ingewikkeld, be. intricate. —held, v. Intricatenese, intricacy. Ingovvorteld„ bv. inveterate. Ingezetene, m. &v. inhabitant. Itasslertg, by, very covetous. Inglet en, or. w. to pour in, to infuse. —ing,v. infusion. lisgUts.nt, ov w. to reeve in. InglUden, on. w. to slide in, — into. InglIppen, on. w to slip in, into.
SWO. —The. aenduidend; door kenteekenn. sterkste. —man, —amen (soordemen), krtjger, soldaat, —player, nchermer, vechter. —shell, Synagogue (aIn'e-gog), a. synagoge. Synchron al (aing'krun-e1)„ (-kron'ikl), steekblad. —stick, degenatok. —out, a. gelijktbdig. —ism, a. gelijktijdIgheid, Sworn (swoorn), a. betedlgd; gezworen; vet—ice, (-ajz ), v. n. gelijktijdlg zijn. trouwd. Sybaritic (nib.e-rieik), a. sybaritisch, wulpsch. Syucop ate, (sing'kup-eet). —ate, (ajz.)., v. a. Sycamore (sik'e•moor), s. plataanboom, wilde samentrekken. —e (-kup-ih), a. eamentrekking; flauwte. vijgeboorn. Sycophant (sik'o-fautl, a. vIeter, pluimetrtjker. Syndic (sin'dik), a. gemachtlgde; hootdman; Curator, syndikua. —ate, ( di-keet), v. a. veroor—it, (fent'll), a. vleiend, pluimstrtjtend. deelen; berispen. Gyliabite (11-leb-lk), —al, a. —ally, ad. letterSynod (aln'ud), a. kerkvergadering, synode. —al, grepig. —ic, ical (-od'ik-), a. k•inodal. a. 1ettergreep. --busye-bua), Synsx bie Synonym a (sin'o-nim), a. gelijkbeteekenend a. uittreksel, kort begrip. woord. (-on'i-majz), v. a. door synoniemen Syllog Ism (stinud-zjiem), a. aluttrede. —ist:ck, uitdrukken. —outs (•on'i-rcus), a. geltjkbeteeke—ital.?, a. —istically, ad. ( zjist'!k-), nend, aynonien, —y (-on'i-mih), a. geltjkhaid deck. —ire (-zjajz), v. n. sluitredenen maken van beteekenie. Sylph (silt'). a. luehtgeeet, nimt. —id, a. sylphide. Sylvan (eil'ven), a. hoechacht13; bosch•. a. Synop rtls (si nap'els), a. b ✓ knopt overzicht, kort begrip. —tical (Ala, a. aamengevat, een boachgod, eater; bosehbewoner. overzicht gevend. Symbol (atm"bul), a, kenteeken; nebeeld. --ie, —leaf, a. —leant+, ad. (-boi'lk-), zinnebeeldig. Synovy (sin-o'vih), a leawater. a- van de syntaxis (-ajz , , v. a. zinnebeeldig voorstellen; v. n. Sytet actical (tain-teetckl), of woordvoeging. —ado (aln'teks), a. syntax's, (in. with). overecheteknmen woordvoeging. Syaaanetr Ica1 (also-meerik1). a. trelijkmatig, —tic, Synthe Nis (sio'the-sic), a. samenstellIng. evenredig. —y, (aim-met'rik), o. gelijkmatIgheid, —tical a. —tically, ad. (-thet'tk..), eamenetellend, evenredigheid. verbindend. Sympathetic (taim-pa-thet'ik), a. —ally, ad. medegevoalend, deelnemend, in 't gehelm wer- SyrIng e, (eir'indzj), a. spuit. —e, v. a. spuiten„ inspulteu. —otoncy (-1ng•gut'um mih), s. kend. anode. S yan pat h Ire (sinfpe•thajz), v. n. medegevoelen, deelnemen, overeenetemmen. —y. a medegevoel, Syrup (air'up, s. airoop. stroop. System (sietim), a. ste)eel. —atic, —atical, a. dealnaming, verwantechap. —atically, ad. (-et'ik-) stelselmatig. —atist, Symphon lames Isim•fo'ni-ue), a. samenstem(-e-tilt —atiser (-e-taj• zur), a. steleelmaker. —atise mend, weiluidend. —y (aim'fun-ih), a. *amen(-e-tam.), v. a. tot een stelsel brengen, stelaeste mming, sy cn phonie. matig regelen. Symptom (eireturn), a verschijasel, kenteeken, ziektetecken. —atic, atical, a. —atically, ad. 298
LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

J oer, complier, man Js, bw. yes, yea ; ay, nay. that has never an opinion of his own. —woord, yam, consent. Jiang trianr, by. huntable. gee', —loon, money for drawing. — lout, flying jib - boom. — 1(in, towing - line. — pad, horsc•path. — schuit, draw - boat, m. cat, gsa ► , stash. tenr, o year, twelvemonth. 'a—a, a year. —boeken, annals. —buckle, annuary. —dicht, chronogram. —fecal, anniversary. —gang, year. —geld, salary, pension, annuity, yearly allowance, --pets;), tilde, season. —Inning, annual revolution, cycle. —markt, fell% —xleutel, enact. —tat, year. —telling,

Waarom is cryptogeld gedecentraliseerd


—er, a, scheitser, boerter. —ingly, ad. schertweelkistje. —house, —office, koninklijka achat- karoer. —, v. a. met juweelen versieren. —ler, send. Jole (dzjool), a. wane, koon; kop (van een' visch). n• jawelie'r. juweelen; juwelierevak. Jew C. (dzjoe'ese), a. jodin. —ish, a, joodech, cheek by. —, dichtbij; vertrouweltjk. Joil (dzj ool), v. a. met bet hoafd stooten tegen. —ry, a. (het) joodsche land; jodenbuurt. Jun y (dOol'Iih), a. —ily, ad. vroolijk, lustig. Jezebel (dzjeee-bel), s. onbeachaamd wijf. Jib (dzjib'), a. kluiver (tell); kraanarm. —boom, —iness, —sty, a. vroolijkheid, prat. —y-boat,joh kluiverboom. —guy, bakstag van den kl -alver. Jolt (ctzjoolt'k a. stoot, gehots. —head, botterik. —iron, kluiverring. —stay, boegspriettouw. —, v. a. & n. stooten; hotlen. v. a. 93 de andere zijde van den mast breugen. Jonquille (dzjon'kwi!), s. tijloos, jonquille. Jig (dzjig'), s. hopsa, boerendans. —., v. n. dan- Jordan (dzjor'dn), a, waterpot. sen, huppelen. —ger (-gur). s. huppelaar; staart- Jostle (-dreos's1), v. a. met den elleboog stooten, blok en echijf. --gash (-jos)), a. huppelend. —jog duwen. Jot (dzjot), s. jots, stip. not a --, geen tier. —, (-dzjog), s. stoot, schok. v. a. aanstippen., aanteekenen. Jlgot (dzjig'ut), a. bout, leeidestuk. Jounce (dzjowns'), v. n. schokken, stooten. Jill 'Me Gill. —flirt, slat, sieerie. Jilt (dijilt), s. coquette. —, v. a. misleiden (een' Journal (dzjur'nel), s. dagboek; degblad; jourv- a. naal. —ist, s. dagbladschriover. —ise minnaar); v. n. de coquette spelen. in het dagboek (jaurnaal) schrtven. Jim (dzjim), a. Zie Gin. Journey (dzjuerlih), s, rein, landreis. —chopper, Jingle (dzjing'g1), Zie Gingie. daglooner; gezel, knecht. —man, Job (dzjob'), s. karrewei, gewaagde onderneming; garenkoopman. ernoutwerk. by the —. bij aanneming, bij het —work, dagwerk. —, v. n. reizen. • stuk. —, v, a. steken, stooten; v. n. bij aanne- Joust (dzjust), a. steekspel, toruooi. —,v.u. torming (bij het stub) werken; ejouwen; beunhazen; nooien, een steekspel houden. windhandel drijven. —ber, s. daglooner, sjouwer; Jovial (dz)o'vi-e1), a. —ly, ad. blijgeestig,luimig. —ity —ness, s. blijgeeatigheid, vroobeunhaas; sp , eulant. —bernowl (-bur-nool), a. lijkheid. domkop. Jockey (dzjok'ih), a. rOnecht; paardentuischer; Jowl (dzjool). a. Zie Jove. —er, s. apeurhond. Jowter(dzjau'tur), s. vischjager, -kooper. bedrieger. —, v. a. bedriegen. Jocose (dzjo-koon'), a. —ly, ad. sehertserid, grap- Joy (dzjo('), a. vreugde, blijdschap; gelukwenaching. my —, mijn lief. —, v. a. verheugen; geluk pig. —ness, s. grappigheid. Jocular (dajoldoe-ler), a. —ly, ad. kortswijlig, wenschen; v. n. zich verheugen. s. vroolijkheid, ad.verheugd, blijde. —fulness, a. blijdschap. —less, sneaked'. —ity a. —lessly, ad. vreugdelOoa, --lessnesa. s. vreugsnaakschheid. deloosbeid. —au*, a. —ously, ad. vroolijk„ biijde, Jocund (dejok'und). a. —ly, ad. vroolijk, blijde. beugelijk. —ousness,a. vroolijkheid, blijdschap. —ity (dzjo-kun'dit-tih), —ness, a, vroolijkheid. Jog (dzjog'), s. stootje, achok; bezwaar. —trot, Jubil ant (dzjoe'bi.lent), a. jubelend. —ation (-lee'sjun), a. gejuich, gejubel. —ee (-lie), a. eeuwv. a. a. sukkeldraf; slendergang; a. sukkelend. feast; jubeijaanjubelfeest. horten; aanatooten; v. n. ejokken; (on) voortauk- Juda is (dzjoe.dee'ik), —ical, a. —ically, ad.(-ikl-), kelen. —ger (-gur), s. sukkelaar; stenderaar. Joggle (dzjorgt), v. a. hcliudden, hutselen; v. a. joodseh. —ism (dzjoe'de-izrn), a, het joodschegedrentelen, strompelen; waggeien, nchudden. loot —ize (dzjoe'de-ajz), v n. joodsche gebruiken John (dzjou' ► , 0. Jan; keret, vent,kinkel.—ct-dreams, waarnemen. droomer. —apple, paradijsappel. —bull, het en• Juddoeli (dzjud'duk), s. haarsnip. Judge (dzjudzj'), e. redder; beoordeelaar. — gelsche yolk. nal, strafrechter. — lateral, assessor, bijzitter.—, Join (dzojn'), v. ft. tamenvoegen, verbinden (with); toevoegen (to). — :battle, handgemeen warden. v. a. richten, veroordeelen; beoordeelen; v. n. v. n. be- rechtspreken; oordeelen (be,from, naar. of over). - interest, gemeene zaak maken. —r, s. veroordeelaar, beoordeelaar. —ship, a. rechleaden (to); zich vereenigen; instemmen; (in) dealsemen aan. —der, s. samenvoeging, vereentging. terschap. —er, a. schrijnwerker. --ergs,s.schrijnwerk.—ing, Judgment (dzjudzj'ment), s. oordeel; vonnis. in a. samenvoeging; scharniee; voeg. my —, near mikjn oordeel. —chamber, —hall, racistJoint oizjojnt')., s. gewricht, geld; scharnier; zeal. —seat, rechterstoel. knobbei; bout. out of —. uit het lid. —, a. ver- Judicat awe (dzjoe'di-ke-tiv), a. beoordeelend; — eenigd,gemeenechappelijk.—business,compaguie- faculty, oordeelskracht. —ory, a. rechteriijk, geschap. —heir, mede•rfgenaam. —stock, meat- rechtelijk; a. gerechtshof, rechtbank; gewkisde. schappelijk kapitaal. —stock , company, mast- —ure (-tjoer), s. rechterlijke macht; gerechtshof. schappij in aandeelen. —stool, vouvistoel. —, v. a. Judici al Ictsjoe - dierel), a. —ally, ad. —ary (-i-erih), a. rechterlijk, gereehtelijk. —ary(-1-e-rih), a. tamenvoegen; ontleden. —er, a. ploegsehaaf. ad. gesamenlijk. —ress, rechtertijke macht. —ous, a. ously, ad. oordeela. zonder geiedingen. kundig, verstandig. —ousness, a. oordeel, yens. bezitster van een weduwgoed. —are, (-joer), s. stand. weduwgoed. Joist (dzjojst), a. dwarsbalk, ebb. —, v. a. net Jug (dzjug), a. kruik; nachtegaalsleg. —, v. n. slaan (van den nachtegaal). balker, (ribben) voorzien. Jack a (dzjook), a. scherts, kwinkslage —e' v. a. Juggi a letzjug'gt). a. goocheletnk. —e, v. a. gooAMP.; bPKOochelel); V. u. goocheleu. —er, N. your tea gek ho ► deo, v. in. aches - taco (at. .05),
45S tle el Cep , G el 'spell, tn. Hoping. Gelling, v. fimble-hemp. o lowing, bellowing, roaring. ge (done, v. vow, promise. eerie, — doers ; to make is vow. o, caterwaul. G o. ogling. le eloof, o. belief ; trust, credit ; faith ; creed. — Aechten (clean) eon, to attach (to give) credit to. —eartihel, —spurt, utak, article of faith. —sbe • lijdenis, confession of faith. —sbrieven, credentials. —sdwang, intolerance, constraint in religious opinions. —egenoot, —±verwant, fellow-belteyer. —atwist, controverey. —eheld„ champion of faith. --sliver, religious seal. —steer, doctrine of faith. —"lease creed, belief. —sonderwij zer, catechist. —sonderzoeker„ inquisitor. —sregel, rule of faith. --eves rake,- inquisitor. —verseking, apostasy. —irorkiheid, religious liberty. —mak, matter of faith, —boar, —efiek, by. credible. —baarheid, elijk held, v. crediblenese, credibility. —waardig, hr. credible, trustworthy. —woordigheid, v. cred • iblenees, credibility, trustworthiness. eadrit,tap, o running. Golocre en, or. & on. w. to believe, to have (to put) faith in, to give credit to ; to think, to be of ',pinion. —ig, by. believing, faithful. —igen., m. & v. my. believers, faithful. --igheid, v. faithfulnese. Galt, by. sterile, barren. —rarken, boar. —esnoek, reale pike. (1 elul, o. tolling, peal or bells. G 'laid, o. sound; noise. --broker, mute, sordet, sardine. (•aluie r , o. idling, lounging. Geluintd, be. humored. G oink, o. fortune; happiness, felicity; good fortune, luck, good luck. bij fortunately, luckily. op goed at a venture, at random. chit is sneer - dan retisheid, fortune favors fools. —wensch, —wentaing, congratulation, felicitation. —wenschen, to congratulate (With) (met, upon), to wish (to give) )0y (met, of). — ea/ig, all-happy, blessed. —zatigheid, happiness, blessedness, bliss, felicity. —sucker, adventurer, fortune-hunter. —sbode, messenger of good tidings, —rgodin, Fortune. —epoederen gifts of fortune , riches. —skied, —srogel, favorite of fortune, upstart. —soon, propitious star. —je, o, lucky chance, piece of good fortune. eleluhlk en, on. w. to succeed. —ig, hr. & bw. fortunate (-ly), ham, (-1y), lucky (-ly), successful (-ly). cafe (-13). pesternte, propitious star. —igerwUs, bw. fortunately, happily. eiolterk, o. sucking. onp.w. to please, to suit. to like. Gentaialet, by. affected. —Acid, v. affectation. Getman!, al. consort, husband. o. grinding; vexation, trouble; tax upon meal. (Aeneas., o. dunning. o. gentian., privy parts. Goereatelst lade, m. & T. mandatory, deputy, delegate. proxy, agent. Giornale, o ease, leisure; comfort, convenience, room. op um, —, at your leisure. seem ow pit down. geheim —, privy, water-closet.
BAN.-BED. -brief:P. -coot, hank-note. -break, -breakig, sic Baukrost. -geld, bank-money. -header, banker; pawn-broker. -papier, paper-currency, -en, on. w. to feast; to atey; to gamb!e. lineolket, o. banquet, feast, entertainment; sweetmeats, junkets. -bakker, confectioner. -bakkerswicket, confectioner's shop. -eeren, on, w. to banquet, to feast. liouktrkr, m. booker. -skantoor, banking-house. -croak, banking- businefix. liankroet, o. bankruptcy. -, by. bankrupt. goon, slaan,to turn a bankrupt. Bann 'Hug, no. & v. Zie Belting. -en, ov..w. to banish, to exile; to exorcise; to trump --ing, v. banishment, exile; expulsion. liar, by. barren; rough, severe, nipping. Harok, v. barrack. liarboar. in. barbarian, - seA. by. & b w. barbarous (-ly). -sehheid, v. barbarity. B arbeel, m. barbel. liarbler, on. barber. --sknecht, barber's man. -minket, barber's hop. - en, ow. w. to share. Bard, m. bard, poet. -.gang, song of a bard. liordezaan, m. partisan halberd. Barer), ov. w. to bring forth. to bear; to create, to cause. o. child-birth. -snood, labor. -sweet., throes. nt. barrow, gelded hog. Burnie, v. barge. liargoonych, o. cant, slang, jargon. Hartseld, v. barrenness, roughneas. Baring, v. delivery, bringing forth; causing. Hark, a. bark; boat, lighter.
306 Tie (taj), s. baud; knoop, strik; vlacht. —, v. a. binders, kneopen; verplialt ten; (down) verplie hten, verbInden; (up) op-, vastbInden; veirbinden; weerhouden. —r (terra), a. vaatbinder; sehortje. Tier (tier), a. reek., ft); lung. Tierce (tiers, tun), s. derde, tiers; torts, —major, derde van het Ras. Ties-met (tier'sit), s. drieregelig veraje. v. n. Tiff (lilt';, 8. alokje s teugje; twist, gemok. twister, mokken. —any (-a-nib), s. gaits, Boers. —in, s. tweede ontbijt. Tig(tig)., s. tilt, lantstje (kinderspel). TZge (tiedzj), s. achacht (eener zu il). Tigecr )ta)'gur), s. tkiter. —cat, tijgethat. —flower, tijterbloem„ great —moth, beermot. —ists, a.tijger• achtig. Tight MIA'), a. —ly, ad. vast, hecht; dieht; atrak, gespannen; nauw; vasthoudend; net, zindelijk. —ea (tajen), v. a. vast (stevig, gesps.nnen, 'miry) dichthalen. —er, s. veter, rijgsnoer. —men, s. vastheid, heehtiteid; dichtheld; strakheid; nauw heid; karigheid; netlaeid. —a, pl. spanbroek. Ticer age (targresa), s. tijgerin. —irk, a. tijgerRetitle. Tike (taik),.. took; bond; beer, lummel. Tilbury (tirbur-ih), a. tilbury (licht rijtuigi. TIC a (taji), 8. dakp an; —kiln, pannenbokkeriji —soaker, pannenbakker. —e, v. a. met pannan dekpannenaekker,-Bakker. —ing, s. panken, nen dot. prp. tot, tot aan. —, Tilt (till'). s. ge:dlade. conj. totdat. —, v. a. beploegen, bebona en. —able, a. beboawbaar. —age, a. gloating; akkerbouw. -Ler, a. landbouwer; geldlade; spruit, loot; roerpen, helmstok; —rope, stu.trreep; —sweep, Culwage n. Tilkot itirlut)„ s. overtrek. (tiiiiih-fel-iih).int lade i gekheid Tilt WW1, s. legentent, dekzeil, hull; steekspel, stoot; belling. —boat, tentboot. —hammer, stoned—place, —yard, tornooiveld, renperk. hawser. —, v. a. met eon tail ovordekken; vellen (de lane); steken; op zijn' tent zetten; omstooten; erneden; v. n. tornoolen, acme laps breken; kenteren. s. tornoolor, schermer; smeder; ondersteek (van eon vat). Tlith (filth). s. behouwde toestand, aanbouw, Tilting* (til"tiengs), a. pl. drab, droesem. Tinelbel (tim'bel), a. pauk, keteltrom. Timber (tim'bur), 8. timmerhout, now bout; oosnetam; slot', bouw8tor; v eertigtal (Widen). —broker, —merchant. houtkooper. —head, bolder. —mark, kuipersnaerk. —sow, houtworns. —toe, houten been. —trade, houttiandel. —wood, timmerhout. —work, timmer-, dskwerk; buitenheid. —yard, timelerwerf. —, v. R. met houtw erk besehieten, bouwen; v. n. etch nestelen. Timbre (tircebar)., s. belmaieraad. s.handtrom, tamboerijn. Ticnsbrel Thine (taint ) ), a. tijd; Beer, magi; meat. at -a, sontw ijlert. at any —, ooit; to alien tijde. Ett no nooit. by —a, afwisseland. for a —, een" tijd tang. for the — being, van Coen; thane. in —, in tads; met der tijd. oat of —, ontbdig; your onhcurlijke tijden; nit de meat. when— was, voor-

AAN. 376 to look (to glance) at; to show one's teeth; on. Anndijken,ov. W. Zie Anudanninen. Anndikken, ov. & on. w. to thieken. w. to dawn, to appear. Aandinarben,ov. w. to serve (to bring) np, Annbilinken,ov. w. to shine at. Aandoen, or. w. to put on; to touch at; to put Aniabod.o.offer, tender, proposal. into (eene haven); to cause, to give; to affect, to Aneaboeken, ov ev. to book. move, to touch; to attack, to snail. den oorlog Annbooten, ov. w. to feed, to stir up. —, to make war upon, to declare war against. een Anoboffen, or. w. to fling (to bump) against; on. prime. —, to enter an action against. —ing, v. w. to fall against. emotion, feeling, sensation. —10h, by. & bw. afAtenbouzers, on. w. to bounce (to bump) at, — fecting (-17), moving (-4). touching (-1y), pathetic against. —lijkheid, v. moaingness, patheticalness. Aanboorden, on. w. to fall aboard of a ship. Aaendrasgceter,v. Zie Aandrager. Anoboettn, ov. & on. w. to bore (on), to broach. Aanbotr eat, on. w. to dash (to knock, tostrike) Anndrnalen, or. 77, to turn to, — closer; to stretch; to fasten upon; on. w. komen to come against. —ing, v. paehing, chock (to approach) turning. Aanbouve, m. raising; construction, building; cultivation. —en, ov. w. to raise; to construct, to /Vanden* en, ov. w. to bring, to carry nearer; to inform of. to make known. —er, m, bringer; inbuild (bij, to); to augment, to enlarge (by buildformer, tell tale, tale-bearer. ing); to cultivate. —er, m. raiser; builder; culAundrang, m. crowd, thronging; pressure, nrtivator. —ing, v. Zie Aanbou w. geney ,rstress. Annbrand en, on. w. to burn, to scorch. ---toy, Aandraven, on. w. to trot, to run fast, — apace, v. burning, scorching_ —eel, o burned part. Aanbrass en, or. W. to brace, to brace in. —ing, to w elk nimbly. Aandeenteleo, on. w. komen —, to come (to v. bracing. Aanbrellen, or. w. to knit to, to new-foot; on. w. approach) sauntering. Aandribbelen, on. w. komen —, to come (to apto knit on. Aanbrek en, o. dawn, day-break; met het — van proach) tripningly. den dap, at daybreak, about sunrise. —en, ov. w. Aandrift, v. impulse; instinct. to begin, to break, to open, to touch. —lag, v. Zie AandrUfater, v. Zie Aandrijver. AandeUv en, or. w. to key up; to press (to push) Aanbrekec, o. an; to impel, to stimulate, to urge, to incite; on. Annbeeng en, or. w. to bring (nearer, on); to w. komen —, to float hither, to be cast onshore. impeach, to inform against, to denounce, to de—er, m. driver, pusher; stimulator. instigator, pose; to produce, to yield. —er, m. —ater, v. abettor. inciter. —ing, v, driving (puebing) on; inbringer; informer, denouncer; tell-tale,tale-bearatigation, incitement. er. —rug, y. bringing nearer; information, denunAandring en, or. w. to push (to press) on. — dal°n. against; to urge, to incite; on. w. to insist (op, Aanbelesehen, or. w. to neigh at; to roar (at). upon). —er, vu. —ater, v. urger, imitater. Antabeovannen, ov. w. to grumble (to grow) at. Aleindr arisen, on. w. to be contrary (to), to clash Aanbruien, ov. & on. an. Zie Artaborten. (with). Aanbruiv en, on. w. to roar, to foam, to rush on; Aandeukk en, ov. w to print to; to press(against. to use one roughly. —kg, v. tegen iemand —, to); on. w. to print on --lag, v. printing to; foaming, rushing. pressing against. Annbrull en, or. w. to roar at. —iny,v . roaring /Cantonal* en, or. w. to bend nearer. —ing, v. Alandssid en, ov. w. to indicate, to denote, to signify, to show, to point to. --mg, v. indication, bending. signification, denotement. Annbuitallen, on. w. to tumble near, to approach Aaadoeven,ov.w. to dare attack. tumbling. Aandoween, ov. w. to push on, — forward; to Annbulderwn, 'iv. w. to roar at. push (against). Aatabulken, or, w. to bellow (to law) at. Aandaeht, v. attention; devotion. —ig, by. & bw. Annelinwellen., ov. w. Zie Dw attentive (-Ty), intent (-Iy); devout -1y), pious Anneen, bw. together; successively. —binden, ov . w. to bind (to tie) together. —binding, v. binding (-1y). —igheict, v. attentiveness. (tying) together, junction. —breien,ov. w. to knit Anodanin3en, ov, w, to dam up. to dike. together. —brengen, or. w. to bring together, to Aantinnsen,on.w. !omen—, to approach dancing. Join. —flames, ov w. to botch (to patch) toAandeet, o. portion, part, contingent, shore. — hebben, to share in, to have a hand in. — nemen, gether. —geachakeld, bv. linked together, concateto take a share, to partieie ate; to take an interest nated, compact, concise. —gesloten, by . close, closely united. —groeiert, on. w. to grow together. (in). —howler, —houdster, shareholder. —groeiing,v.gvowing together,symphysis.—hakes, Anndenken„ o. remembrance, memory; keepsake. ov. w. to hook together. —hangen, on. w. to hang tot — van, in commemoration of. together, to cohere. —hechten, or. w. to fasten Aendlcht en, ov. w. to impute, to charge with. together, to attach. to join, to unite, to connect. —ing 7 • imputation. —hechting, v. joining, connecting. —ketenen, ov. Aandienen or. w. to tall, to announce, to give notice of; to* give In a. o. 'a name to usher in. zich w. to chain (to link) together. —keening, v. linking together. —klampen, or. w. to clamp together. fates —, to send in one's name. —kleven, on. w. to stick together. —klinken, or. Aandlepen, ov. w. to deepen,to make deeper; on. w. to rivet together. —knoopett, or. w. to knot w. to eound (to try) the depth.

Hoe kan ik bitcoins in Australie kopen


hoer), —grain, paradijskoreu. —hen, flare) ten. —pepper, apaanvehe peper. —pig, guineesch var. ken; kadet (op Oostindie-vaarders). —wheat, t urkeehe tarwe, mays. Guise (gajz'), s. wijze, manier; voorkomen; kleeding. —r„ s. vermomde. Guitar (gih-taar'), a. guitar. Gulch (gultcj'), —in, s. guisigaard. Gules (gjoelz), a. rood (in 't wapenachild). G sal (gulr), s. zeeboezem, golf; draatkolk; afgrond. —Y, a. vol zeeboezems; vol draaikolken. Gull (gull'), s. zeemecuw; streek, bedrog; onnootele hats. —catcher, hedrieger. —, v. a. bedriegen, beet nemen. —er, m. bedrieger. —ery, a. bedrog, verschalking. Gullet (gullit), m. keel, alokdarm, halo (toner flesc h). Gull' bIlity (gul-li-bil'It-tih), s. lichtgeleovig he'd. (guPlibl), a. liehtgeloovig. Guinea' (rullisj), a. onnoozel, dam. --nen, s• onnoozelheid, domheid. Gully (gul'ith), s. gout; goat, riool. —hole, Boot-, rioolgat. —, v. a. geulen waken, wegspoelen; v. n. ruischend vl:eten. Guloalty a. gulzigheid. Gulp (gulp), s. sink. —, v. a. inzwelgen, inslokken; v. n. kloppen (van het hart). Guns (gum'), a. gom; tandvleesch; dracht (van de oogen). —arable, arabische gom. —elastic, gomelastiek. —boil, gezwel aan het tandvieesch. —lac, gomlak. —resin, gomharm. v, a, gommen. —miness, —mosity ( mos'it-tili), s. gommigheid; kleverighed. —mous (-mus), R. gomachtix; kle. verig; drachtig. Gossip (camp), s. onnoozele bleed; zot. Gumption (gump'sjun), s. verstand, kennis. Gun (gun') s. geweer; kanon; atuk geschut. —boat, kanonneerboot. —cotton, achietkatoen. —deck, geschutdek. —evening-watch, nachtschot —flint, vuursteen. —gear, geschutgbn. —ladle, laadlepel. atukgoed (geschutmetaal). —morning-watch, dagschot. —port, geschutpoort. —powder , s. buskruit; a. Joosjes (thee). —rack, geweerrel. —rod, laadatok. —room, konstabels-, kruitkamer. —shot, schot; dracht van ten schot. —side-tackle,siitalie. --sling, geschutleLg.—smith, geweermaker. —stick, laadatok. —stock, lade. —stone, steepen kogel.--strappling,geschsttstrop. —swivel, steenmortier. —tackle, geschuttalie. —tackle.purchase, benoodigdheden voor het geschut. —train-tackle, inhaaltalie. —vessel, kanonneersloep. —vice, staartschroef. —wale, potdeksel; dolboord. Gun (gun') v. n. schieten. —eel (-nil), s. lie Gunwale. —ner, s. kanonnier, konstabel. —nerp, s. geschutkunst, artillerie. Gurge (gurdsj ► , o. drasikolk. —, v. a. vervwelgen; inslokIcen. Gurgle (guegl), v. n. klokken (els uit eene tlesch).
- 433 belly, paunch-belly, gorbellied person. —bastig, —kuidig, —vellig, thick-skinned, thick coated. thick-shelled. —bek, chub•faced person. —bekkly, —koonig,—wangig, eh ub.cheaked,ohn b-fac ed. —bladerig, thick-leave& —bloedig,thick-blooded.—kop„ jolt-head , numskull , thick-skull, blockhead. —koppig, thick-headed, thick-skulled, chubby. —lijvig, thick-bodied, thick-set, corpulent. —lippig, blubber-lipped. —nekkig , thick-necked . —neuzig, thick-nosed. —acidly, be. rather thick. —Arid. v. thickness; deepness. —ken, or. & on. w. to thicken; to grow thick; to curdle, to clot, —herd, m. fat (plump) fellow, —te, v. thickness, bigness. Dikniaals, Dlkwerl, bw. often, often times, frequently. Dille, v. dill. 'thing, o. thing. MUnheer. -.11, Mr. Thingum. Ding on, on. w. to bargain, to cheapen; to aspire (tot, to strive (for). —er, m. —stir, v. bargainer; st river. Diostaal, v. solid arguments. by spreekt —, he speaks to the purpose. Diusdag, m. Tuesday. Diplom a, o. diploma. —aat, m. diplomatist. Dircant, in. descant, treble. Mach, .n. table. —yenoot, fellow-boarder, messmate; guest, Discosee seven, or. w. to discount. —o, o. discount. Diesel, m. thin, beam; adze, aldice. —b000r,thill, beam. —paard, thill-horse, wheeler. Distal, m. thistle. —bloom, thistle-flower. —rink, thistle-finch. —ig,by chietly. Distill ateur, m. distiller. —mile, v. distillation. —germ ov. w. to distill. —eerglas, —kolf, retort, still. Dit, yaw. Ohio. DU°, bw. dtto. Dobbs', tn. game at dice. een pities — hebben, to hove a lucky throw at dice. —biker, —hares, —hroes, dice-box. —epel, dice-playing; gams at dice. —steen, die; square; cube. —ziek, given to dicing (gambling). —suet, fondness of dicing (gambling). —aar, dice-player, gambler. —mil., v. dicing, dice-playing, gambling. —en, on. w. to play at dice, to gamble; tepee twaal f ooges —, to play a desperate game, to be in a hopeiesa state. Dubber, m. float, quill, cork; small boat; buoy; bunch of bulrushes. —on, on. w. to float; to fluctuate, to waver. —ing, v. fluctuation. Duch, vw. but, yet, however. Doehter, v. daughter; girl. jonge —, girl. trodden. spinste.i. —skied, grauct - child.—aman, son in-law, Doctor, m. doctor. — in de letteren. doctor of letters. —eat, o. doctorate, doctorahip. —eerie, on. w. to be admitted a doctor. Dodderig, be. drowsy. —held, v. drowsiness. Dodo!, o. foul egg. Dodoor, m, & v. humdrum, drone. Doedninak, tn. bag-pipe. —speler, bag-piper. Dock. in. eloat, towel; swaddling-band; shawl. —, o. cloth, linen, cane ase. —maker, cloth-maker. —veld, brooch. —acheerder, cloth-shesdier. -en, ay. w. to cozeu, to take in, to impose upon; to

CHA—CHI dom. —, v. a, bij charter inatellen,hevoorreeh- kooper. —paring, kaaakorst. •—press, kanapers. ten: bevrachten. —land, vrijgood, —party, char- —running. kaaswei. —runnet, —wort, lidkruid. tepartij. —r, a. bevrachter. Cheesy (tajte'zih), a. k 4 ...chtigChary (tsjee'rih), a. zorgvuldig, behoedzaam; Chely ikelih). a. kreePtschaar. zaiuig. Chemic (kem'ik), —al, a. —ally, ad. scheikundig. Chase (tsjees') s, jueht, vervolging; wlldbaan; Chemist (kem'istl, a. scheikundige. —ry, a. acheidracht (van geschat); vorinraam. —. v. a. jagen; kande, vervolging; najagen. —gun. boegstuk. —r, a. ver. Cheque (tajek), a. bon, assignatte. volger. nsjager. Cherish (tajer'isj), v. R. koesteren, verplegen; Chassis (kezml„ a. kloof, afgrond. Itelhebben. —er, s. verzorger; beachermer. Chasselas (sjes'ae-les), a. snort van druif. Cheroot Itsje-roet'), a. sloe, Chaste (tajeest'). a. —1y, ad. kuisch, eerbaar. Cherry (tsjer'rih), a. kers. —, a. kerskleurig. s. kuischheld, zuiverheid. —tree, knisch- —bay, --laurel, laurierkera. —pit, kailtjeaspel. boom. —stone, kersepit. —tree, kerseboom. —checked, Chasten (tmlees'n), v. a. kaatijden, vernedereu. roodwangig. Chastise (tsjes-tajz'). v. R. kastliden, tuchtigen. Chert (tspart,*), a. kwarta. —y, a. kwartaachtig. —meat (tsjes'tiz meat), s. kastijding. —r, a. kas- Cherub (teler'ubl, a. engel, cherub. —ic, —ical, tijder. (taje-roe'hik-), a. entrelachtig. Chastity (tsjes'tit-tih), s. kuischheid. Cherubim (tajer'oe-bim), a. cherubim. Chat (tajet), a. gesnap, gekeuvel; katje (Ran Cherup (tsler'upl, v. n. tjilpen, kweelen. boomen). —, v. n. snappen, keuvelen; (away) Chervil (tajuevill, a. kervel. keuvelend doorbrengeu. Chesible ftsjeeibli, a. kasuifel. Chattel (tsjet'til), a. have en goed; roerend goed. Cheslip (teleslip), a. varkensluia. Chatter (tsjet'tur), a. gesnap, gekakel. v. n. Chess (tsjeal, a. sehaakspel. —board, eclutaksnappen, kakelen; klappertanden (with cold). bord. —man, achrtakflguur. —player, schaakspe-box, snapper, anapater. —ce, a, praatvallr. —ing, ler. —tree, halskl a. geanap, gekakel. Chessosu (tales'sum), a. lame aarde. Chatty (tsjet'tih), a. praatgraag. Chest (isjeat"), a. kist, kart; Borst. —of drawers, ChM WOOd (tajet'woed), a, brandhout. latafel. —foundered, a. dempig. Chavender (tajev'en-tor), a. rivierbaars. Chestnut (tsjes'nut), a, kastanje; -kleur. —, a. Chaw (tsjao), bie Chew. kastartjehruin. —plot, kastanjeboach. —tree, liasCheap (tsjiee,'), a. —ly, ad. goedkoop. dog—, tenjeboom. srhandekoop. —en, v. a. dingen, bteden. —ener, Clievcril (tslev'nr-i1), a, geitje; zeemleder. a. clinger, bieder. —nem, a, goedkoopheid. Chevisance (sjev'i-zens) a. onderneming. Cheat oijietn. a. bedrag, schelmerij. —, v. a. Chevron (sjev'rnr), a. spar; chevron. bedriegen. —er, a, bedriver. —ing/y, ad. Chew (tsjoe), v. a. kanwen;overdenken:v.n.peinzen, bedriegelijk. § Chrwink (taloe'ink), a. roodborslje, Chek (tajek'), a. Faulting, beteugeling; beletsel; Chicane (sji-keen'r, —ry, a. gezocht voorwendtegenspoed, nederiaag; verwijting; geruit bunt; eel, —haarklooverij. —, v. n. haarklooven, vit. contraboek; assignatie; schaalt. to give a — to, ten. —r, a. twiatzoeker, haarkloover. in bedwang houden. clerk of the —, oppercon- Chick (tsjikl, —en, a. kniken. —en-hearted, a. trOleur. —, v. a. stuiten, beteugelen; berispen; lathartig. —en-pox, windpokken. —ling, a. kidcollationeeren; v. n. StlifitRall. —mate. schaakinat. kentje. —pea, sisser. —weed, muurkruid. —roll, staatalijst. —less, a, zonder contrOle.—er. Chide (*.BAN') {chid. chid, chidden], v. a. beknors. beteugelaar, hedwinger. raw v. n. knorren, grommet, —r, s. berisper, Checker (tsjek'ur), a, geruit week. —board, dam- tthorrepot. of schaakbord. —s (-um), a, darn- ofsehaakapel. Chief (tsjier), s. hoofd, Ranvoerder. commander —, v. a. schakeeren, geruit maken, —ed, a. boat, in —, opperbevelhebber. voornaamate, eergesel, a based. —work, ingelegd week. ste. —less, a: zonder aanvoerder. —/y, ad. voorCheek (tt,jiele), a. wang, slooiknie. —8 of a door, namelijk. —fain (-tin), a. opperhoofd. —tainry, deurponten. —8 of a balance, schaar eener ba- —ship, a. aanvoerderachap. — by jole, onder vier oogen. —bone, kake- Chilblain (tslirbleen), a. winter (Han handed been, —hoop, ijzeren band om den hommer. of voetenl. —tooth, baktand. Child (tsjalld'), a. kind. from a —, van kindsbeen Cheer (tajier'), a. onthaal; opgeruimdheid; toe- of. with —, manger. —bearing, baren. —bed, latching; begroeting. to be of good —, opgeruimd kraambed. —birth, bevelling. —hood, ktndschheid. zijn. what —1 hoe gnat bet? a. verheugen, —ish, —like, a. kinderaehtig, kinderlijk. —ishness, vroolijk maken; toejuichen; begroeten; v. n. a. kinderachtigheid. —less, a. kinderloos, vroolijk worden; juicben; (up) moed acheppen. Childer - mas - day (tsjirdur-men-dee), a. onnoo-er, a. opvroolijker. —ful, a. —fully, ad blij- zele-kinderendag. moedig, vroolijk, —fulness. a, blijmoedigheid. Children (tsjirdren), a. kinderen. —less, a. neerslachtig. —ily (•ii-lih). ad. —y, R. Chiliad (kil'i-ed1, e. duizendtal; tien eeuwen. vroolijk, opgeruimd. a. koud, kil; Chill (tajil'), a. koude, huivering. Cheese (tsjiee), a. kelt.. —bow!,kaasnap. —cake, ongevoelig. —, v. a. koud maken; afschrikkeni kaaawronget. —frame, —vat, kaaskoek. v. a. huiveren. —iness, —ness, a. koude, kaaavorm. —lip, kartsleb.,stremeel.—monger,knas —y, a. & ad, kilaehtig; koeltjes.

—tong, zit Flisetn•r. —er, m. —tier, v. coaxer, Fiuksch, be. clever, dexterous, expert. FLUT, Fluteliers, bw. presently, anon, by and by. fawner, wheedler, —er(i, v. coaxing, fawning. Fluureol, o. velvet. —bloem, amaranth. —boon, Floor, v. clot, giglot, dowdy. velvet-tree. —werker,velvet-weAver. —acklier, —en, Fivers, m. flap, blow, slap, be. & bw. phlegmatic be. velvet, velveted, velvety. Flagrone, o, phlegm, —tisch, o. weasel. (-ally). Fnlexen, on. w. Zie Flenters, in. me. Zie Flardera. Flap, v. mallet, infant's cap. non de — si,n, to Fnulk en, ov. w. to clip the wings to, to break, ion given (addicted) to drinking, —pen, no. w. to check, to stop. —big, v. clipping the wings, breaking, stoppage. Lie Fe pen. Footless', n. race. FierecUs, o. gout. Fleacle, v. bottle, flack, flacon. op flessehen trekkers, Foe, tew. fy t for shame ! to bottle. Leidsehe —, Leyden ar. op as — zips, Foel le, v. mace; foil, silvering. —'fa, ov. W. to foliate, to silver (over). to be ruined. —je, o. phial. Fileaseke lbak, ie, o. bottle-tray, -stand. —ebar. Fok, v. fore-tail; spectacles. —bebrav, fore-brace. stet, bottle-brush. —ebiater, —maker, bottle- —bentast, fore-matt. —keret, fore-yard. --barest, maker. —nbeider, bottle-cate. —nrek, bottle-rack, fore chain-wale. —keiehoot, fore-skeet. —kestag, ', Sets, be. faded, pale, pallid. —heid, v. paleness, fore-etey. —ksateng, fore-topmast. Fokit en, ay. w, to breed; on. w. to wear specpalildnses, pallidity. Fleur, m. bloom, prime; flourish; mirth. —, v.. taclee; to drop out, to stink off. —er, m. breeder. fishing-line. —en, on. w. to fish with a tine. —erif, v. breeding' of cattle. —ig, by flourishing, sprightly. —igeeid, v. flour- Foteu, ov. w. to handle, to paw; to vex, to tease, ishing et-ate, sprightliness. Foil nut, m. folio, folio-volume. —eeren, or. w. FIliellool en, ov. w. to cola, to fawn, to to page. —o, v. folio, page. wheedle, to cajole. —er, m. — afar, v. coaxer, Falter ear, in, torturer, tormentor. —en, ov. fawner, wheedler, cajole, —eri), v. coaxing, to torture, to torment. —bank, rack, torture. fawning, whue ;Mug, cajoling, instruments of torture, —jog, v. torture. Flak ken, or. & on. w. to gplees to patch, to Fontwel ee r, m. fumbler, rumple, —en, ov. w. cobble. --er, ra. piecer, pate, er ; caper ; ten — to fumble, to rumple. —ing, v. fumbling, Elwin, to cut capers. rumpling. Filkkoe en, on. w. to glitter, to sparkle, to Fundament, o. foundation, fundament; bum, arse. glare. —leht glittering light. —roar, finch, gilt- tering fire. —ing, v. glittering, eparkiing, glimpse. Fonds, o, fund, stork, capital. —en, ma. stocks. public funds; capital. Fllketer, v. Zie Flakker. Flank, be. & bw. clever (-ly), brisk (-1y), lively; Tonkel en, on. w. to sparkle. —nieuw, bran-new, spick-and•span new. —ing, v. sparkling. very well . Fontein, v. fountain, well. —oder. fountain-head. Fitts, m. dart, arrow. Flodder, in. dirt, mire. —bleed, loose garment. —bask, —Lane, basin of a fountain. —bale, —boo, stacking that hangs down upon the heals; pipe of a fountain. —water, spring-water. sloven, slut. —natie, fougade. —weer, slut. —meta, FonttseCI, v. fontanel., issue. loos cap. --roe, sloven- --en, on. w. to dangle, Fool, v. fee, veils, drink-money. Fop peso, ov. w. to cheat, to mock, to hoax, to to flap; to bungle; to splash trough the mire, quiz. —per, m. —ester, v. cheater, wag. pert), v. Floers, o, crape; veil, shadow. Flonker en, on. w. to sparkle, to twinkle, to cheating, banter. glare. --Licht, sparkling light, luminary, —ater, Fort.l, v. trout. v. sparkling, Formant, o. form, size. —repel, stamp, twinkling star; luminary. Fortune!, be. & bw. formal (-ly). twinkling, glare. o. ferret. —garen, fer- Formeer der, m, former. —en, ov w. to form. Floret, a. foil, floret. —ing, v. formation. ret-thread. —tint, ferret-ribbon. —side, ferret- Forum' e, v. formula. —ier, o. form, formulary; Bilk. fiere•-silk. —ten, be. ferret. —gebed, formulary-prayer. FlorLJn, m. florin, Fornsie, o. furnace; kitchen-range. F10118, v. pretext, shift. Forsch, bv. & bw. robust (-1y), stout (-1y); %tern Flonw, v. snipe -net. Fiala", v. phlegm. —aohtig, be. pltaitous, phleg- (-1y), harsh (-1y). —held, v. robustness, stoutness; sternness-, harshness. made. —en, on. w. to expte.torate. Fluileter tsar, in. —aarster, v. whisperer. —ex, Fore, o. fort, fortress. ov. & on. w. to whisper. —ing, v. whispering, Fortuln, v- & o. fortune. --roeker,fortuue-hunter, adventurer. whisper. foselle. Fl v. fine, de — fawn, Gp de — opelen, to Foselel., by. & o. testa, site. v. forage. —ageeren, on. w. to forage. play the flute —does, •—baker, flute-box, Mite- Four —ier, m, forager, quarter master. case. —olas, long necked glass. --eehle, flute. Font, v. fault, mistake, blunder. sender —, —spa, flutirre. —sprier, flute-player, fluter. —en, & on. W. to clay on t•e flute, to whistle; out, fail. certainly. —ief, bv. faulty. to hiss; to sing (van vogels). —er, m. 'whistler. Frani. by. & bw. handsome (-1y), pretty (-fly), fine (-1y). —had, v. handsomeness, prettiness, —je, o, whistle. beauty, —tjes, be. prettily, nicely. bar. Immediately, quickly.

Wat is de beste e-portemonnee cryptogeld


splintennleuw. —piece, knijper op de mars, se!tieten; oulstaan, voorkomen. —er, kuiter. —saw, handzaag. —shackle, ben, -1 der pent,- —sag, e. het •nitmeitieten; poartijd. baiken. —, v. a. spannen, °map.. eon, afmeten. Spay (epee), v. a. anijdett (willjeadieren). Spandrel (spen'drilr, a. begin van een geweif. Speak (snick') [spoke. spoken (spo'ku)), v. a. spreSpangle (speng'g1), s. ioovertje. —, v. a. to ken; uitepreken„ zeggeta; to kenn geven; —the word.. conduit spreken ; v. n.apreken; — fair, goede loovertjes veraieren. woorden Spaniel (spenlil), s. pa.trijabond; kruiper, victor. (onj voorrspreketi. (out) luid (vrij• —, v, a. ale een hand ualoopen; v. n. kruipen, rnoedig) apreken. ( to) groeten. —able, a. ill tapre• vleien. kelijk, hespreekhaar; gproSeucl. —cr, a. apreker; Spanish (spon'isj), a. spaanseh. —coin, admire woordvaerder. —ing, a. het spreken; —trumpet, — apreektrompet,roeper. •oorden. —fly. soaanache licorice, drop. — paint, — white, loodwit. — red, Spear (spiee), a. spear, Inns; elger. --blade, spitse vermllioen. kling --box, zu4er (acne]. pomp). ;_—/not,rechter Spook (spengk'), v. a. met he viakke hand achterpoot. —grass, ' speergras. —hand, rechteralaan . a. Wein muntstqk; groote, a`erke. hand. —head, speerpunt. —man, speerrolter. vent, Was; pronker; —boom, boom voor het —mint, , ronwenrnunt. —shaped, lanavormig. brikzeil; —, —sail, brikzetl, bezaan. —big, a. —ntaff,apeerachaebt. speerdistel. —wort, borsch, stevig; opgetooid. speerwortel. v. a. met eerie spear doorboren v. Spanner (spen'nur), e. spanner; karabijnelot; 0. opachteten; ale to !pair].-. schroevendraaier. Special (ti?earell, a. —1y, ad. bijzonder,. soorteSpar ispaar), a. ,,,paath; spar; sluitboam.--, v. a. lilt; huitengewoon; uitrnuntend. ty a. bijzonderheld; hijzonder geval. met cen' boom aluiten; v. n. met de vuiat veelt- ten. Sps ale lapi'sjih), a. specie. gemunt geld. —t (•ndiz), Spar* Isle isper'ibil, s. sehoenspijker, MIN,. a snort, geslacht; bestanddeel. —drap (-e deep), a. waspletater. Specific (ripe-sit'ik). a. bijzonler middel. —al, -Spare (spec].'), a. —IP, ad. spaarzaam; thinoehraal; —att., ad. bijzo,der; soortelijk. —ation (al,osflOoA, a - bed, et, teed karig, mistier; overig, if t kee'sjun), a. uiteenzetting, arzonderltike vermelding. over. —dark, overlain,. —diet. wheel]. kost. —hour, snipperuur. —money, spaarpennin!;,-,n. var- Spec, (speei-faj), v. A. uiteen zetten; aizonderkenssratinetje. —time, vrije —topmast., bore. - 10 (at nit voor awl() opgeven. —men (-men), a. along. —yard, waarlooze ra. —. v. a. aporen; be- proof, staaltje. aparen; veeschoonen (from); ontberen, n,).asen; v. Specious lapi'sjua), a. —ly, ad. oogenschiinlijk, n. sparer); spaacz3am zijn;zich onthouden (foot,. schoonschijnend. —wens, s. schijr, glimp; echoon-ness, s. magerheid, mehrattliteid. —r, a. apaar- achijnendheid. der. Speck ispek), s. vlekje. v. a. vlekken St ntrIng (speOrioig), a. —1y, rd. aoarzaam; Speckle tapek'kl), s. apatje, apikkeltje. —, v. a. achraal, verschoonend. —fleas, a. spaatzaatniteid; spIkkelen, neignkkelen. schraalheid; orazichtighcid. Spectacle (apek'tikl), a. schouwapel,verfecultig• Spark (apaartti), a. vane; pronktr;minuattr. —ink, --maker, brillen%lijper. —snake, brilalang. —d, a, a. l'achtig, vroolijk; opgescht kt. gehriid. —s, pl. brit; a pair of --, can 1► 11. verapveiden; Speeta tear (spek- tee'tur), s. toeachouwer; beSpark; e (spaaekt). s. conk. v. a. vonkeien, fonkelen, flikkeren ;with ;. —er, a. achouwer. --tress, s.toesebouwater. die glinsterende oogeu heart. —of, a. vonkje, Spectr at (spek'trel), A. itookachtig; spook-. sprznkje. —ing, a. —ingly, no. vonketend, tattle- ( , tur), a. spook, verschijning. —um, . beeld, kienlend, parelend. ingness, s, gevonkel; glanerijk- renbeeld; geatalte. held. Special ear tapek'joe-ler), a. spiegelvormig7 apie• Sparrow (speero), e, munch. --gram zie Aspic. gel-. —ate 1-leer), v. r. peinzen, bespiegellugen ragus.--Actuilc,sperwer. waken; speculeeren (in. on). —ation (-lee'f-jun), a. Sparry (apaaerib), a. spaathachtig. beapiegeltng; speculatie. —ative, a. —at ively, ad. Spasm (*ppm), s. kramp. a. (-le-tic-), beltpiegelend. tbeoretisch. —aloe (-lee➢ rarnpachtig; kramp-; a. kramptitillend middel. s. beschonwer, peinzer; speculant. —um, e. Spat (spet), a. knit (van °eaters); also met een plat spiegel. voorwerp. —, v. n. knit achieten (van °eaters); Speech (spiet4'), s. spraak; tanl; toeapraak; cedetwisten; alga". vocring. § —ify (-i-fe,j).v. n. eene rettevoering hoc. Spath (*peel li), s. bioenischewlde.—ic(speth'ikli den. —less, a. aprakeloos. —leanness, a, bprakelcos• a. schilferachttg. held. Spatial. (apee'aji-eet),•• 0. zw. ,,en• Speed (spiee), a. spoed, haest;sneilleidtultkornat, Spatter (speetur), v. a„ beapatten; bekiadden, be- uitslag. at (with) full —, speorsings. eeretwat ken; uitslaan; v. n. apuwen; spatten. —dashes prOn 'plant). (-de"sj-iz), p1. alopkoumen. Speed (aped') [sped], v. a. hespoedigen. vechasa. Spatula (spet'joe- a. spate;. —le (-let), a. s paten; afzenden; uit data wag rumen, bevordereu; telvormig. v, n. Melt ballet.; alagen; amen. --lip, ad. —y., a. SpavIn (spev'in),.. spat. —ed (-ind), a. anatzfek. spoectig, anel. ( 1-nese), s. synod, enelSpawl (apsol),.. speeksel. held. . Spawns (spaon'), a. buil, zaad; gebroed. —, v. a. Spell (spell'), s. betoovering; schoft.(tkid); ploeg voortbrengen; v. u. knit schleten, leggen, telen, (troop). —bound, bstooverd. —word, tooverwoord.

209 Oz (oks'), s. os; rund. —bane, oseendood (plant). —bill, (soort van) schildpad. —bird,amerikaansehe pellikaan. —bow, oseenjuk. —cheek,ossekinnebak. —eye, ossenoug. —eyed, met ossenoogen. koevlieg. —gall, ossengal. —gang, zooveel land ale een os ban beploegen. —heal, :wart bilzenkruid. —lip, groote sleutelbloem. —stall, ossenstal. —tongue, ossentong (plant). Oxalic loks-el'ik), a, —acid, zuringzuur. Old ate (oks'i-deet), v. a. verzuren, oxydeeren. —ation (-dee'sjun), s. verzuring, —e (-W),s. halfa. verzuren, oxynoun, oxyde. —ire (-id•ajz), deeren. Oxycrate (oks'i-kret), a. azijn-, gorgelwater. Oxygen (oks'i-dzjen), s. zuurelof. —gas, zuurstof-
lead. —1(ist,—stuk, abacus,—mantel, cloak, mask, degnise, pretext. —riot, —stroo, hawm, thatch. — schild, wing-shell. --stem, ledger, coping-brick. —stet, woes- pillar, stanchion. —cart, body-color, opaque color. Mikan, v. blanket, qr lit, coverlet. —, ra dean; master. —achap, o, deanship, deanery. pek ken, ov. w. to cover; to clothe; to slate prat islet), to thatch (mat shoo), to tile (net pantsex), to shingle (met harden); to Wend, to protect; to shade teens teaming); to leap, to line; to answer (eon wised), to make good, to reimburse. de !apt - to lay the cloth. gedekt ace, to have security. —tar, in. coverer. —king, v. covering; security, reimbursement. —eel, u. cover, covering; lid; raiment; cloak. Del. v. dale. D•ltitof, v. mineral. —fel0k, by. mineral; HA, mineral kingdom. DeIg an, or. w. to eradicate; to pay, to sliek. —kg, v. eradication; payment, sinking; —.fonds, einking-fund. Delling,v. Pie Del. Doluw, bv. livid. Deli/ en, ov. w. to dig, to delve; Male de aarde —, to bury. —or, in. digger, delver. —big, v. digging, delving. Damp en, ov. w. to extinguish, to quench; to smother, to quell, to euppreso; to deaden (the sound ot); to fill up; to haul up (stn m. extinguisher, quencher; queller, suppteseor; mute. —ig, by. pursy, broken-winded. —20464 v. pursineee. —isg, v. extinguishment, extinction; suppression; filling up. Den,I. the; to the. Den, m. fir. fir-tree. —neboom,11r-tree. —nenboseh, forest of fir-trees. —nershost, sir-wood. —nen, by. of fir. Dank biter, by. imaginable, conceivable. bearacid, a. conceivableness. —el0k, by. probable; bw. probably, likely. — en, ov. & on. w. to think (of); (arm) to remember; to consider, to reflect, to muse, to ponder; to believe. to suppose, to imagine. to fancy ;• to judge, to intend, —beeld, idea, notion. teeldig, imaginary, ideal. —kraeht, —vernsogen, faculty of thinking, intellectual power. —mijse, manner of thinking; opinion.—end, by. thinking, rational. —er, m. —ster, v. thinker, reaeoner. speculator. Dior, 1. of the; to the. Deed*, by. third. —, m. third person, umpire. - v. tierce. o. third (part). —deer, third part. bv. two and a half. —ndaapsch, ha. tertian. Doren, or. w. to hurt, to injure, to harm, to ail; to give concern, to mike sorry. seal deert x ? what ails you? what is the matter with you? Dergeilik„bv. such, such like, similar. Derkelvo, bw. therefore, conaequently. Dermate, bw. is such a manner. so mush. Dorsi*, v. stratum of clay below the mud. Dart/en, tw. thirteen. —de, by. thirteeath. —dehalf, bw. twelve and a half. —tarsal, bw. thirteen times. —tai,o. (number ef) thirteen. Dertig, tw. thirty. —deep, by. of thirty days.

Wat is een Monero portemonnee


KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,

cryptogeld debit card


dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.

Call (kaol), a. roep, geroop; vordering; roeping; 'Candid (ken'did), a. —/y, ad. oprecht, salver. —ate, a. kandidaat. —ness, s. oprechtheid. ultnoodiging; bezoek; lukfluitje. —, v. It. & n. roepen; noemen. — one names, iemand echeld- Candle (Icen'd1), a. boars, light. kaarslicht. —mass, Maria ticistmis. —stick, kandelaar. omen seven. — to account, ter verantwoor—stuff, ka,svet, talk. —feaster, dief nail de ding roepen. — in question, in twijfel trekkers. kaars; naehtbraker. —wood, eitroenisout. — to mind, herinneren. (at) aangaan bij. (afCandor iken'clar), a. opreehtheid, open ha rtigheid. ter) noernen near. (for) vragen om; (in) binnenroepen. (off) afleiden. (out) buiten- Candy (ken'dih!, a. kandij. —, v. a. koufijten; v. n. hard warden. roepen; uitdagen. (over) atlezen. (upon) bezoeken. Cane (keen'', a. riet; rotting. sugar —, suikerriet. —er, a. roeper. —ing, a. roeping; beroep. —, v. a. of rossen, slaan. —bottom, rieten kitting. Called (kellid), a. ',kiw i arglistig. —ity (-lid'itCanhook (ken'hoek), a. sei► inkelh,ak. Uhl, a. sluwheid. Calligraphy (ltel-lig're-fih), a. sehoonschrijven. Canicular (ke•nik'joe-leri, a. tot he Hondster behoorend. —days, hondsdagen. Call osity (kel-los'it-tih), a. colt. —ous, a. eeltCanine, (ke-najn"), a. hondsch. hunger, gee.,acting; veratompt. —ousness (kel'lus-neat), hanger. vereeltheid; ongevoeligheid. Canister (ken'Is•tur), a. korfje; bun. —shot, Callow (keno), a. vederloos, kcal. schot met schroot. Calm (kaam), a. bedaardheid, kalmte. —, v. a. stillen, doen bedaren, —, a. —1y, ad. balm, Canker (keng'kur), a. kanker; invreting; bederf. —, v. a. verkankeren invreten; v, n. bederven, bedaard. —ness, 8. stilte, bedaardhoid. vervallen. —sus, a. ksinkerachtlg. tr•jellor lc (ke-lor'ik), a. warmtestof. —ific (lcel' —worm, kankerworm. lur-irik), a. verwarmend. Cannabine (ken'ne-bajn), a. van hennep. altrop lkertrop), a. voetangel; sterredistel. alumet (kel'joe-met), a. indiaanache vrede- Cannel coal (ken'nel•Rool), a. fijne soort van kolen. POP. nlate (ke-lum'ni•eet), v. a. belastereu; Cannibal (iren'ni-bel), a. menscheneter. v. n. lasteren. —niation (-ni-ee'sjun), a. baste- Cannon ken'nun), a. kanon; grot geschut. —ball, —bullet, kanonakogel. —proof, tegen het geschut ring. —niator, a. lastersar. —nious, a. lasterlijk. beatand. —shot, kanonschot —ode (-eel') a. be—ny (kel'um-nih), a. Laster, lastering. Calve kaav), v. n. kalven. schieting; v. a. beschieten. —eer (-ier)., a. kanonier. Calvity s. kaalheid. Calx (kmike), a. kalk. Canoe (ke-noe'), a. kano • Camber (kem'bur), a. boog, kromming. Canon (ken'un), a. kerkregel; domheer; de bee• ken den bijbels; kanon (drukletter). —bit, gebit. Cambrel (kem'bril), a. vleeschhaak. Cambric licem'brik), a. kamerdoek, batiat. —law, kerkelijk recht. —ess, a.stiftavrouw.'—icals Camel (kemT., a. kameel. —driver, kameeldrijver. (ke-non'ik)z), a. plechtgewaad. —tst, s. leeraar Camelopard (ke-mel'o-paard), a. ksmeelpardel. in het kerkelijk recht. —izalion (-i-zee'sjun), a, Camera to (kem'er-eet), v. a. welven. —lion, hetligverklaring. (-ajz), v. a. heiligverklaren. —ry, s. dumheersambt. (-ee'sjun), a. welving. Canopy (ken'o-pili), a. troonhentel. —bed, Camlet (kenelit), a. kamelot (vvollen stof). —couch, overdekt rustbed. —, v. a. met ten verCamomile (kem'o-majl), a. kamille. hemelte isedekken. Columns (kee'rnus), a. stomp van neus. Camp (kemp), s. legerp)aats, kamp. —, v. a. & n. Canorous (ke-no'rus), a. welluidend. legeren, kampeeren. —aign (Icem-peen')„ s. vlakte, Cant (kept.'(, s. bargoensch; gemaakte spraak, geteem; worp. —word, kunstwoord. —, v. a bij veldtocht. —azgner (-peen'ur), a. veteraan. Cavnpan iform (kem•pen'i•form), —slate (-jeeafslsg verkoopen; stoutest, werpen; v. n. barlet), a. klokvormig, goenseh spreken; temen; huichelen; § amkantelen. Camnpeatral (kem-peetrel), a. op het veld groeiCanteen (ken-tiers'), a. veldfiesch. end. Camphor (kem'fur), a. kamfer, —ate, —ated, a. Casstelopse (ken'te- loop), a. muskaat-melnen. Canter (ken'tur), a. femelaar; korte galop. —, gekamferd. Campion (kem'pl•un), a. hemeirooaje. v. n. iu handgalop rijden. Cantharides (ken-ther'i-diez), a. apaanache Can (ken), a. ban, kroea. —buoy, tonneboei. :Ian (ken) [could (koed). [past. part. ontbreekt], vliekeu; enkelv. Cantharis (ken'the•ris). Canticle (ken'tikl), a. lofzang. the —s, a. het v. n. kunnen, vermogen. lloogded. (ke-nel'), a. gracht, vaart; bait. nary (ke-nee'rih), a. kanariewijn; oude dans. Cantle tken't1), Contltett (kent'lit),s. stuk, brok. —bird, kanarievogel, —, v. a. in atukken deelen. ..ncel (ken'sil), V. a. doorhalers, uitschrappen; Canto (ken'to), a. zang (van een dichtstuk)• , ernietigen. —lation (-lee'sjun), a. doorhaling; Canton (ken'tun), a. kanton. v. a. kantonneevrnietiging. ren (troepen). —ire (-ajz), v. a. in kantons ver,kncer (ken'aur), a. kreeft; banker. —ate, v. n. deelen. —ment, a. troepenkwartier. ifirktinkeren. —ous, a. kankerachtig, Canvas (ken'ves), a. zeildoek, .11; dock. to use Cancrine (ken'Icrin), a. kreeftachtig. all one', alle zellen bijzetten. —bag, sandrandent (ken'stent), a. gloeiend heet. zak. —climber, matroos. —edging., zoom van `andicant (ken'sii•kent.), R. witachtig. een ZPii.


klank; tegenstrthlig ► eid. a. wanluideuil;;Inculcft te (iu-kuPkeet), v. a. inpreuten (o?, tegenatrijdtg. upon). —lion (-kee'sjun), a. inprenting. Inconspicuous (tn-kun-spik'joe-us), a. onmerk- Inculpa ble (in-kuPp151), a. —lily, ad. onsehulbear; onasnsienlijk. dig, onberlspelijk. —Meness, s. onberispelijklteid. lnconstan cy (in-kon'sten-sih), a. onstandvas—te (-peet), v. n. betichten, berispen. —lion tigheid. —t, a. —try, ad. onstandvastig; onbe• (-pee'sjun), s. hetichting, berisping. —tory (-pastendig. tur.rih), a. betichtend, berispemi. Inconsumable (in-kun-sjoem'ibl), a. °nye, Inc/anthem, cy (in-kum'ben-sth), s. (het) ltF;gen teerbaar. op lets; verplichting; bezit (yen een ambt, een Inconsonttnate (in-kun-mun'inet ), a. onvoltooid. kerkeitjk goed,; —f, a. o!)liggend, rustend; Ye, plichtend, opgelegd (on. •pon), a. bezitter van Incont est', hie (in•kun. tes'tibl), a.—bly, ad. on een kerkelijk coed. betwistbaar. Incontignons (in•kun-tig'joe-us), a. niet aan- Incur (in-kur'), v. a. beloopen, zich op den halo Wen. . grenzend, niet belendend. Inconitnen ce (in-kon'ti-nene), —ey, u. onto- Uncut' able (in.kjoe'ribn, a. —ably, ad. onge• neeelkjk. —able, a. nngeneeslijke. —ability (-regetogenheid; onkuirschheid. --t, a. —tly, ad. oningetogen; onkuisch. -ableness, s. ongeneeslijitheid. Incontrov ► rti blc(in-kon-tro,urt'ibl), a.—bly, a. —tautly, ad. onoplettend, achteloos. —iousness, ad. onbetwistbaar. s. onoplettendbeid, achteloosheid. Incouvenlen ce (In-kun.vienlens), incursion ('n-kur'sjun), s. inval. genheid, ongemak. a. a. lastig vallen, on- Incury ate (in-knevet), a. ingebogen, gekromd. gelegenileid veroorzaken. --t, a. —tly, ad. on. —ate (.vert), —c.v. a. buigen, krommen. —ation gelegen, lastig. (-vee'ajun), a. inbuiging; gebogenheid. —ity, a. Inconversable (in-kun-vurs'ibl), a. ongezeIltg. kromte, hocht. Inconverttble (in.kun-vutt'ibl), a. onveran- Indegftt ion (in-de-gee'sjuft), a, ultvoraching. derlijk, onverwisselbaar. —or tingde-gee.tur), s. uttvorscher. Incontinsi ble (in-kurt-vitesibl), a. —bly, ad. Indart (in-daart'), v, a. Inwerpen, intmbieten. onovertuigbaar. Indebted (in-derld), a. echuldig; verpl'cht; verIncorpor ate fin.kor'po-ret), a. ingelijfd; verschuldigd (to). —neon, s. (het) verschuldtgd zijn, bonden. (re,t), v. a. /i6 n. (zich) inlOven; verplichting. verbinien, vereenigen (tot Oen lichaam). —ation Indecen cy s. onw,lvoeglijk(..ree'sjun), a. inlljving; vereeniging. —eat, a. heid, —t, a. —tly, ad. onwelvoegelijk. —eallg, ad. (-po'ri-e1-1, onfichamelijk, onstoffe- Indeciduous tin-do-sid'Joe-:is}, a. nict afval lijk. —city (ri'it-tih), s. onlichameltjkbeid, onlend, altijd groan. stoffelijkheid. Indecianable (in-des'i-mibl), a. tiendvt, . Incorrect Iin.kur-rekt'), a. —1y, ad. onnauw- Indecia ion (in-de-sizyttn), a. besluitel , ..tsheid. keurig, onjuist. —nese, a. onnauwkeurigheid, —ive, a. —ivtly, ad. (-sarmiv-), hesluitel-os. onjuistheid. --iteness a. besluiteloosheld. Incorrigl ble (in-kor'rid-zjbl), a. —bly, ad. on- Indeclinable (In -de-klajn'ibl)) a. onver) utgbaat. verbeterlijk. —bleness. a. ortverbeteriWthel•). Indecor ours (in-de-ko'rus), a. —nasty, ad, onIncorrodible (in-kor.rcod'ibl), a. °nye' teerbetamelijk, onvoegzaam. —oneness, —uw, a. onbaar. betamelijkheid, ongemanierdheid. Incorrupt (in-kor-rupr), —ed, a. onbedorven. Indeed (in-died'), ad. inderdaad, werkelijk. (-i-bWit-tib), —ibleness, a. onbederfe- Indefatfga ble (In-de-fet'i•gibl), a. —Oly, ad. lijkheid; onomkoophaarheid. —ible, —ive, a. onvermoetbaar; ouvermoeid. —bleness, s. waveronbederfbaar; onomkoopbaar. —ion (-rup'sjun), moeibaarheid; onverm oeid bet J. Indefensible (in-de-ti'zib1), a. onherroepelijk. —nevi, s. onbedorvenheld. (in-kres'seet), v. a. & n. verdikken. Indefecti ble (in-de-fek'tibl), a. onbederfeltjk; Incrassa te —lien (-see'sjan), e. verdraking. onvergankelijk. —bility a. onbea. verdlkkend. derfelijkbetd; onvergankelijkheid. —re, a. ongeIncrease (in.kries'), a. ranw aa, toeneming, verschonden, vodledig. meerderitv. —, v. a. vermeerderen, vergrooten; Indefensl ble an-de-fenleibl), a. onverdedigbasr. v. n. aanwassen, toenemen. —r, a. vermeerde—ve, a. onverdedigd, c ► besehut. rear, vergrooter. Indeticten cy (in-de-flaren-aih), s, volkomertIncreat-e C,, zekri-eet), —d, a. ongeschapen. held. a. volkoneen, Incred ible ((n-kred'ibl), a. —ibly, ad. ongeloo- Indefin able (In•de.fajn'tb t), a. ouverkiaarbaar. felijk. —ibility --ibleocas, a. ongea. —itely, ad. (.deri-nit.), onbepaald, on. loorelijkheid.—n/ity(-kre-djoe'lit-tiit),—nlonsneas, begrensd. —itenees (-deli-nit-), a. cnbepaaldheid, a. ongeloovigheid. —lavas (-joe-lus), a. ongeonbegrensdheid. loovia. Indellberate (in-de-lileur-et)„ a. —/y, ad. onIncrement (in'kre-ment), s. aanwaa, toenemtng. voorbedacht. Increscent (in-kres'sent), a. toenemend.. Indell ble (in-del'ibl), a. —51p, ad. onuttwischIncrust (in-kruse), --ate, v. a. overkorsten; be- bear onvernietighaar. (-i-hil'it-tih), a. plehteren. —ation (-tee'sjun), a. overkorating. onuitwischbaaTheid. Jacub ate (!n'kjoe-beet), v. n. broeiing. —ation Indellett cy (in-deli-Ite.sih), a. onkieFehhetd. (-bee'ajun), a. uitbroeiting. —us, a. nachtmerrie. —te, a. —tely, ad. (-ket-), onkiesett.
J oer, complier, man Js, bw. yes, yea ; ay, nay. that has never an opinion of his own. —woord, yam, consent. Jiang trianr, by. huntable. gee', —loon, money for drawing. — lout, flying jib - boom. — 1(in, towing - line. — pad, horsc•path. — schuit, draw - boat, m. cat, gsa ► , stash. tenr, o year, twelvemonth. 'a—a, a year. —boeken, annals. —buckle, annuary. —dicht, chronogram. —fecal, anniversary. —gang, year. —geld, salary, pension, annuity, yearly allowance, --pets;), tilde, season. —Inning, annual revolution, cycle. —markt, fell% —xleutel, enact. —tat, year. —telling, 

Waarom is cryptogeld gedecentraliseerd


W RI. —W ID. ij:weep. —nosinting, zweepbeslag. —poor-will, virginisehe geitenmelker (vogel). —rope, takeigaren. —saw; spanzaag. —staff, kelderetok. --stick, —stock, zwedpetok; zweop; voerman. —stitch, enijder, kleormaker. Whip (wip'), v. a. zweepen, geeselen, tuchtlgen; dorsehen; kinteen: insert rijgen; betrkelen; lijk dant, bewegen; snel wegnemen; wippen. (about) omwikkelen. (off) 'mei ardoen; wegkepen. —, v. n. ztch noel be siegen, wippen, springen. —per, s. sweeper; katitijder; —in, e. jachtknecht, hondenjongen; bans, hootd. e. het geeselen, afroseen, kaatfjden; —post, geeselpaal. —pietree, zie Whiffle-tree. —ster, n.vtvg (handig) ventje. Whir (wur), v. a. wegdraden; wegrukken; v. to, enorren, rcnd-, wegsnorren. Whirl (wart'), s. ronddraating; draaikolk. —bat, meliekolf; strijdknote, -handechoen. —beetle, zwemkever. —bone, knielcbij f. —pit, —pool, draaikolk, maalstroom. ,lwarlwind. —, v. a. snel roridraaien; v. n. rondsnorren, ronddwarrelen. —igig (-I-gig), s. drasitol. Whirring (wur' rienz), n. gefladder, geklapwiek. Whisk (wisk'),s. boretel, stoffer, winch; kuipe•sBehind% halskreag; ruk. —, v. a. at boretelen, atstoffen, vegen; v. n. ztch nnel bewegen, rend, draeten; (about) rondfladderen. —er, s. veger, afstoffer; bakkebaard; eluwe von. --et (-it), a. mond. —ey (-iit), —y, s. (court van) brandewijn; ejees, licht rijtuig. —ing, a. hevig, onstulmig; ontzettend. Whisper (wie'pur), e. gefluister. v. a. (toe-) fluIsteren; inblazen; v. n. ftuisteren. —er, s. fluieteraar. —ing, e. gefluister. Whist (wist), r. stil. s. whist (zeker keartopt!). — v. a 'Mien; v. n etil eon. —, int. at! still Whistle (wie)), a. getluit, gehlaas; fluitje, —, v. a. flatten; v. n. fluiten, blazen, euizen. —r, s. flutter. Whit (wet), s. pun.tje, stipje; kleinigheid. every —, in alle onzichteu. not a —, gear z.ter. White (waft'), a. wit, blank, bleek, grije; rein, onbevlekt; vreexachtig. —bait, zekere visch. balse► , Itlekka-balseee. —beam, lotushoom. —chalk pencil. krijtetift. —cordage, ongeteerd touwwerk. —corn, tarwe, rogge, genet en haver. —ear —tail, w itstaart. --facP,b1 en (van eon paard). —jib, —lie, leugen om bestwIl. —foot, witte vlek (aan den pout van een peerd). galappel. —game, --gsPouseoneeuwhoenders. —headed, met grkjze haren. —heat, K:neihitte. —herring, versehe haring. —horses, pl. hooge, achuimende gllven. —iron, bilk. —land, ktelgrond. --teal, loodwit. —lime. wit kalk. —limed, gewit. —line, wit tusschen de kolomrnen.— livered, nij dig; lathartig. —maiden-hair, eteenruit. —meat, melkepijs; vieeech van hoenders, konijnen, enz. —mosey, zilvergeld. —oakum, ongeteerd work. —oil, walschot. —owl. huisuil. —paint, loodwitveil. —paper, schoondruk. —pot, roomvlade; eler. klas. —swelling, :welling tiergewricliten; zwangersehep. —thorn, baged000n. —rash, e. eehoonheidewater; wltkalk; v. a. witten. —seasher,witter. —wood, dennenhout.
• schoen. —, v. a. slaan, kalt.en; v. n. tieren, Rabate (re-beet'), v, a. duen dalen. Rabbet (reb'bit), 8. aponoing. —plane, spanning- 1 , ven waken. —y, a. schreeuwend. tierend. schaftf. —, v. a. met sponntngen Wean voegen. Racking (rek'leng). a. tottering; kruising eener tails; aftapp'ng —pace, telgang. Rabbi trebibib, -ha)), a. rabbijn. Bobbin (reb'bin), a. rabijn. —ical (-bln'tkl), ft.!Racy (ree'sih). a. geurtg; alert. v. a. cameo Raddie (red'd1), a. tulastaak. rabbijnach. --sat, a. rabblinst, talmudist. Rabbit (reb'biti, s. kontjn. poor —, arme rot. vlecbten. Radi at (ree'di-oil, a. stralend, straalvormig. warren, kont) nenberg —ant,a.—antly, —ance, —aney, a. stralluo,glaing. Rabble (rOeb1), a, grauw, jarbagel. Rabid (reb'id), a. dol. woedend. —Rees, a. dol. at. stralend. —ate (est), v. a. bestraleu; v. n. stralen. —ation )-es'sjun), s. atraitog. held, woedc, Radices 1 (red'fitt), a. grondwoord, grondstof, Rabies (ree'bi-iez), a. dolbeld. radikaal. —1, a. —11g, ad. oorspronkelij k; geheel . Rabinet (reb'i-net), s. veldetu.k, veldslang. —lions, a. stelnel der radikalen.—tity Raccoon (rek-koen'), a. wagchbeer. s. oorspronkelijkheid; grondigheid. —te Race (reel'), a. rae, geslacht, stem; wedloop, wedrea, eterke smnak- gear —coarse. reubaau. (-i lest), v. a. deep plauten .' doen inwortden. —lion (-1-kee'.jan), s. inworteling. —ginger, gemberwortel. —horse, renpaarii. —, iiadlcie (redvilti), a. worteikiern. v. n. harddraven, rennen. Raven, anon (res-a- , oee'sjun),s. trots; —of eggs, Radish (red'tsj), s. (re-mesa`), a. tros. —Vero. (-raft'- Radium (reidt us), a. radius, straal; [Teak. elerstok. Radix (ree'diks), a. wortel, ur-uo), a. troadragend. Rae er (ree'sur), a. wedlooper; reupaard,.-iness, HMI {reit), R. verwarde hoop; gespois• Raffle (relit , s. taker dobbellpel. —, v. a. doba. kracht, geurigheid. Rack trek"), e. rekker, scanner; pijnbank; folte- bales, rijfeleu (for). ring; rek; kapstok; spinru.teen; cull; braadbok, Haft (raaft')e a. viol. --'a-man, boutvlotter. —, wagenladder• vile dude walk; telgang: soured; v. a. op (ale) eon via vervoeren, arak; dutzendbeen,nagelbank. —rent, drnkkeode Rafter Craar'tur), s. dwarsbalk, dekapar. takbeut. pacht. —renter, die eene drukkende yacht be- Rag (reg"), a. vod, lamp, lor. —bolt, taalt. —, v. a, rekken, spannen; ptjnigen, fo)- —man, vaddenraper. —sorter. voddenuttzoeker. teren, uitmergelen; verwringeu; aftappea, kla- —atone, zandsteen. —wheel, kamrad. —wort, St. rep (off); a'. u. drijveu, gejaagd warden ale wol, Jacobs-kruld. ken); den telgang gaan. —er, a. rekker; pijuiger; l'Ingesnuftin (reg-e-mutila), s. schobbejak. ultzuiger. Rage (reed j), a. woede, razernki (for of ). Racket(rekli),s.raket;geraas,gebabbel,§ mem, v. n. woeden, razen, tieren. —fat, a. verwoed.

In preparing this little work for the press I have contemplated the supplying a want sensibly felt by our young students of English, especially by those who have no daily opportunity of eon. suiting a master. It has been my design to adopt this hook not only to the use of beginners bet also to that at the higher schools in our country. By a judicious use of the scope allotted to me I have endeavored to render this Dictionary as comprehensive as possible, and have exerted myself to give the greatest quantity of useful matter in the most condensed form. Therefore I trust it will be found to contain more words, Anglicisms and prepositions than any Dictionary of equal compass. Muth care has been taken in exhibiting the pronunciation of the English part. To those who are no strangers to this department of literature I need scarcely observe that my task was rather difficult, the more so as there is much diversity with respect to the pronuncletionofmany words. For this part I have had recourse principally to the Dictionaries of Worcester and Webster. Respecting words of various or disputed pronunciation 1 have either indicated the different modes or given that which is in accordance with the best usage, as far as it is possible to know this from personal observation. Much attention has been bestowed on the insertion of numerous prepositions that govern. and pronouns. They have been carefully compiled and arranged from the newest and best Mstionaries, Grammars and Manuals and will be found to take up no small portion of the work; and as the verbs active and neuter are easefully distinguished this point may be deemed a material end valuable improvement and one well calculated to enhance the usefulness of this Dictionary. Though having bestowed upon this book a great deal of labor, research and care I am well aware that it is in various respects defective. Apologizing for the typographical errors which, despite every effort to be accurate, may no doubt be detected in it, I venture to hope that it will receive an equitable judgment. How far I have euceeeded I humbly leave to others to decide, but if to all that are engaged in acquiring or teaching the English language this Dictionary shall prove an acceptable and useful assistant, I shall not regret having devoted my leisure hours to its preparation. T . P.
AVO.-13AL. Awkward (aowk'wurd), a. —ly, ad. lamp, onbandig. —nets, a. lempheid, onhandigheid. Awl (now!), a. els. AWIlk (aowm), a. sam. Awn (town), a. beard (van gray of koren). Awning (aown'ieng)„ a. dekzeil. Awry (e-ra]'), ad. scheef, verkeerd. Axe (eke), a, Mil. Axiom (ekalum), a. axioms. —atic , —sliest (ekei-o-met'ikl.), a. onweersprekelkjk. Axis (eLs'is), a. as. Axle (ek'al), a. —tree, a. wagenas. Ay (aid), ad. ja. —green, s. maagdenpalm, Aye (eel), ad. vow altijd. Azimuth (ezn-moth), a. azimuth. Azot a (ez'ot, e-soot'), a. atikatof. —lc (e-zot'ik), a. atikatofachtig. Azure (ee'zjoer), a. hemelablauw. —, a. uitspansel. • v. a. blauw kieuren. Azymee (ez'ima), a. feest der ongehevelde bros. den.

In welk land Bitcoin is legaal


Quab (kwob), s. kwabaal. Quack (kwer), s. gekwaak;kwakzalver;snoever; knoeier. —doctor, —salver, e. kwakzalver. —, v. n. kwaken; kwakzalveren; snoeven. —ery, s. kwakzalverij. a. kwakzalverachtIg. Quackie (kwek'kl), v. a. & n. bijn a (doen) stikken. Quadragenarious (kwod-re-dzje-nee'ri-us), a. veertigjarig. Quadragesima (kwod-re-dzjes'i-me), s. vasten. - (-mel), a. van de vasten. Quadrang le (kwod'rengl, s. vierkant vierhoek. —ajar (kwod-ren'gjoe-ler , a. vierhostig Quadrant (kwoVrent), s. wart-eirkel; quadrant, hoogtemeter. Qaadrat (kwod'ret), a. kwadraatje. —e (-ret), a. vierkant; geschikt; billijk; a. vierkant, kwadraat. —e (reet), v. n. passen, geeehitt zijn. —ic (kwedret'ik), a. vierkant. —are (-re-tjoer), s. vierkantmaking, kwadratuur; vierkant; kwartier (der =an. Quadrennial (kwed-reteni-e1), a. vierjarig; vierjaarltjtsch. Quadri ble (twod'ribl), a. vierkant te maken. —fid (-rigid), a. gevierendeeld, vierepouwIg. —lateral (-let'ur-ei), a. vierzijdig. —latoralnest let'ur-el -), a. vierzkjdigheid. —literal (-lit'ur -el), a. van de vier letters. Quadrille (ke-dril'), e. cinaddlle (snel en dans). Quadri nonclal (kwod•ri-no.mi-e1), a. viernamig. —partite (kwe-drip'er-tajt), a. vierdeelig. —reuse (kwod'ri-riem).s.galei met vier roeibanken. —syllabe s. vierlettergrepig woord. —valve (-velv), a. vierkleppig. —valves (-velvz), pl. deur met vier vleugels.—via/(kwe-driv'i-e1), a. viereprongs, Quadroon (kwod'roen), a. quateron (nit eon' blanks en can mulattin geboren. Quadruman a (kwod-roe'me-ne), pl. vierhazdige dieren. —out, a. vierhandig. Quadru ped (kwod'roe-ped), a. viervuetig. —pie, a. —ply, ad. viervoulig. pie, —plicate (-roe'plikeet), v. a. verviervondigen. —plication (-plikee'sjun), s. verviervoudiging. Quaere (kwrrih), v. a vrage. Quaff (kwer), v. a. & n. zuipen; (off) near binnen slam —er, s. zuiper, zuiplap. Quag (kweg'), —mire (-majr), a. moerasgrond; mere, —pp (-gih), a. moerassig. Quail (kweel), a. kyvartel. —, v. a. ter neder slaan, den moed benemen; v. n. verkwijnen; den moed laten zlnken. Quaint (kweent'), a. —ly, ad. net, keurig; fljn ultgedacht; slaw; gemaakt, gekunsteld; vreemd, wonderlt) k. —nese, a. netheid; gemaaktheid; wonderitjitheid: Quake (tweet), a. schudding, siddering. —, v.


Zebulon (zeb'joe-lun, tn. Zebulon. ZneLeheus (zek-ki'us), m. Zaccheue. Zarb (zek'), t.vaor Zachary. —aria.1(-e-rara), —ary Zeno (zi'no), na. Zeno. Zephr (zet'ur); —us (-1-rus), my. Zephyr. (-a-rib), Zacharlaa. Zeus (zjoes), my. Zeus. Zack (zek'), —y, f„VOOr Zachary. Zeuxle (zjoekels).. m. Zeuxis. Znnguebar (zen-ge-base), R. Zanguehar. Znat (zent) —e i-i), g. Zante. Zoroaater (zo-ro-est'ur), m. Zorosater. Zurich (Eoe'rik), g. Zurich. Zealand (zi'lend), g. Zeeland.
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-

Hoe kan ik gebruik maken van Bitcoin in Maleisie


VOL.— —owl, a. —misty, ad. wellustig. —mimes, a. wet. inetigbeid. V olu te (vo-ijoetn, a. krul. —lion (-.)joe'Fjun), 4. spiraalvormige omloop. Vona° (voneik), a. — nut, kraaienoog, brasknoot. -a (-1-ke), a. longsweer. Vomit (voinfit), a. braakael; braakrniddel. black —, gale koorts. —, v. a. & n. braken, overgevan (out. up). —ion (To-intorno), a. braking. —ire, —ory, a. braking yerooraakend; —potion, braakdrank. —ory, a. breakeatddel; uitgang. Voraci one (vo-ree'ejus), a. —oualy, ad. guizig, verslindend. —ounieree, -ty (-res'elt-tih), a. gulzigheld, vraateucht. Voraginous (vo-yed'Iji-nun), a. vol kolken. Vort ex (vort'eks), s. draalkolk; dwarlwind. —teal, a. draaiend, dwarroiend. Voter ess (vole-rem), a. ordezuster; aanbangater, vereerater. —y, a, ten gevolge saner gelofte; tewijd; a. ordebroeder; aanhanger, voreerder. Vote (voot'), a. atom. to put to the —, in stemming brengen. —. v. a. & a. stemmen 07000; — by ballot, balleteeren. —r, a. eteram3r. Votive (voliv), a 'Lie Votary. Vouch (vantaj'), a. getuigente, biwijo. —. v. a. & n. tot getuige roapen; bevestigen, bekrashtigen; getnigen, getulgenta afieggen; (for) inataan (borg blijven) vont. —ec (-je'), a. in vrijwarlag opgeroepene. —er, n. oproeping (oprorper in vrijwaring; getuige; getulgente; bewijeette.k.
notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Wat cryptogeld is het makkelijkst te mijnen


MOP.- MON. Tied crat In (mod'ur-et), a. —tely, ad. gem atigd, Monach al (mon'e-kel), a, monniks-; kloosterlkjk; eenzaam. —ism (-kizm), s. rnonnikenwezen; kloosmatig, middelmatig. —re (-eat), v. a. matigen, terleven. temperen, does bedaren; v. n. bedaren. —tenets t-et-1, a. gernatigdheid; middelmatigheid. —lion Monad (mon'etl), a. ondeelbaar lets, monade. i-ee'sjun), R. gematigdheid; hetlaa7 dheitl. --for, Monarch (mon'erk), a. al leenhearscher, monarch. -rat, (mo-naark'el), —ic, —icel Ono- naarklk- j, a. (-en- tar), s. tnattger; vredernalrer; voorzit'er. alleenheerachend; vorstelijk. —ist, a. voorstander oderii (mod'urn). a. nieuw, nieuwerwetsch; der monarchic. —ice (-ajz), v. a. ale monarch bes. hedendaagache, tijdgenoot. hedendaagsch. —ism, a. nieuwigheid. —ize (ajz), v. a. nieuwer-1 heerschen; v. n. den monarch spelen. —y, a.alleenheerschappij; monarchie. wetach maken. —nest, a. nieuwemtachheid. Modest (ruod'tst), a. —ig, ad, hescheiden; zedig; Monaster ial (mon-ea-ti'rt-e1), a. kloosterlijk. —y (mon'es. ter-ih),a. kleoster. ingetog,en, Perim?. —y, s. zedigheid, Ingetogenheld, eerbaariteid; —piece, kanten hoezernstrookje. 171onastle (nao-nes'tik,, s. kloosterling —, —al, a, —ally, ad. (-tikl-), klooaterlijk. —ism (-ti-sizm), Modicum (mod'i-kum), a. weintgjs. a. kloosterlaven. Modifiable (mod'i-faj-ibil, a. vatbaar voor wij—ication ;41- kee'sjun), s. wijziging. —y, Monday (mun'dee), s. maandag. to make a saint ci - masndag houden. V. R. wijzigen; verzachten; — upon a matter, een Monde (mond), a. wergild; rijksappel. onder•erp uitputten. Modish (rno'disj), a. —1y, ad, modiech, naar de Monetary (mon'e-te-rih), R. gelsleiijk, geld-. Money (mua'ih), a. geld. ready —, in hand, mode. —rem a. moderucht. gereed geld. to make —, geld verdlenen. to make Modal ate (mod'joe-leet)„ v. a. , de stem) buigen, — of, is gelde maken. —bag, geldzak. —balance, rooduleeren. —ation (-lee'sjun), a. stembuiging, geldschaal. onderstands bill. —box, spaarmodulatie. —ator, a. mtembuiger. —e (-joel), 3. not. —broker, gellhandelaar. —changer, wissemodel, monster. filar. —lender, geldschieter. —making, geldwinModwall Imod'vcaol), a. bijenspeeht. nine:. —matter, geldzaak. —proof, onomkoopbaer. Mogul (mo'gul),s. Mogul. —serivener.geldmakelaar.—'8-tvorth,geldswaarde. Mohair (rno'heer),a, kernelshaar. k (mo'haok), s. straatroorer. —wort, penningkruid. —ed (-id), a. rijk,berniddeld. Mob Molder (mol'dnr), v. a. verbluffen,verlegen waken. —er, a. witselaan.mtinter. —less, a. zouder geld. Monger (mung'gur). s. koopman, kramer. ed, a. vermorseld, fijn gewreven. Mongrel (mung'gril), a. van gemengd rat, Moiety (morit-tik,), e.belft. bastaard. s. bastaard. MiLoti !me))), v. R. be& ijken; lawellen, afmatten; Monied (mun'id), a. rijk. bemiddeld. v. n. zwoegen„ sick sf'looven. Moist (rnojat,')., a. vochtig. —en (nnola'n), v. a. be- rtionish (morilaj), v. a. vermanen, waarschuwen. vochtigen. (moja'n-nr), a. bevoch tiger. --er, R. vermaner, waarschuwer. Monition (mo.nisPun), a. aantnaning, wenk. —nese, —ore (-joer), e. vochtigheld. —ory, A. vermanend , Monit lye Moke (mock), a. mast. net •erk. Moky (mo'itill), a. don kPr, somber. nars,huwend. —or, a. vermaner, waarschuwer. Molar (rno'ler), a. fijomalend, moat-. - tooth, —cry, s. vermaning, waargchuwing. Monk (mungk'), a. mon•ik; vlek (hi) drukkeral. MR3,1tR11(1., kies. —fish. zeeengel. —sheet, vet miadruk. —'s-head, Mol aarven lmo-les'siz), a. suikerstroop. Mole (moor), ps. tool; dam, havendam; moedervlek. papenkruid. —'s-hood, monnikakap. —"a-rhubarb, monniks-rhabarber. —cry, a, monnikenwezeu, -le--bat, ven. —hood,a.monnikachap.—iah,a.monnikachtig. mollenvanger. —cricket, veentuol. —eyed, met seer kleine oogen. —track, moilengang. —trap, Monkey (mung'kih), a. Rap. —flower, guichheil. —"e-bread, apenbrood (plant). mollenval. —warp, mol. —, v. n. molshoopen opMono chord (mon'o-kord), a. eenanarig apeelruimen. Molecule (mol'e- kjoel), s. stofdeeltje. trig, —chrome 1.1croom), a. eenkleurtg schilderMolerit (mo-lest'), v. a. overlast aondoen, kwellen. stub. —chromatic (-kro-met'ik), a. eenkleurig. —Winn (mol-ea-tee'ajun), a. overlast, Wed. —er, Monocut ar (mo-nok'joe.ler), —out, a. eenoogig. T►llonodon (mon-o'don), a. zeeeenhoren. a, verontruster,kweller. Moll! eat (molli-ent), a. verzacht,d. —feeble Monody ;rnon'a-dth), 8. alleenzang. ( faj-ibl), a. verzachtbear. —,fication (-fl kee'sjun), Monogstm 1st (mn-nog'e-mist), a. vijand van a. verzachting. —fler (-faj-ur),s. verzschter. het bertrouwen; die dêne vrouw heeft• a. huwelijk met 6ene vrouw. (•faj), v. a. verzachten,'Ienigen. Mono grant (raon'o-grem), a. naameiger; SAMollusk (11110P1i100, R. weather. mengestelde letter, ldnregelige rspreuk. —graph Molt. Zie Moult. (-grei') s, beschrijving van eene enkele zaak. Molten (mool'tn), a. gesmolten. Moly (molih), a. wild knoflook. —PraPbY (mo-nog're-fih), a. lijnteekening; Monograph. — UM (-11th), e. gedenkzuil nit Mollybdena (mol-ib di'ne), a. waterlood. a. alleenapraak. 6dn stern. —logue lone (moom) ; a. totskop, domoor. Moment (mo'mint), a. oogenblik; gewicht,belang. Monomachy (mo-norn'e-kih), s. tweegevecht. Monomania (mon-o-mee'nI-e). a. monemanie —orgy, ad teder oogenblik. --ary, a. vluchtig, voorbjjgaand, kortstoadig. —out (-ment'us), a. Mononne (mon'om), a eenvoudige groothetd. gewichtig, van belting. —um (-men'tnm).s.beweeg- Monopnthy (mo-nop'e.tik), e. alleen•laden. Mr,nopetaloos (mon-o-pere Ins), a. tlenbladig. kracht, sandrijvingakraeht; toppunt.

Kun je de mijne Crypto met een laptop


VCR. —TWi. Turk isle (turklej), a. turksch. —oil (-iez', ojz'), a. turkoois (edeletien). Turmeric (tur'mur-ik), s. kurkema. Turmoil (tuemoj1), a. onrust, gewoel, awe!ling. — (ook -moj1'), v. a. verontrusten; kwellen; afiaatten; v. n. in onrust zijn. Turn (turn'), s. dr aal, wending; krommlng, boeht; keer, beurt; verandering, afwieseline; kens, gelegenheid, aanleiding; slag, handeline; vorm, gedaante„ gesteldheld; toar, nitetapje; neiging, stemming; dienst, nut; poets, streak. by —e, beurtelings. — for —, leer om leer. —baci, bloodaard. —bench, draaibank. —bridge. draaibrug. —broach, spitdraaier. —coat, arvallige, draaier. —key, (sinter. —out, uttwijkplasts; opbrenget; staking van werk. —pik3, slagboom, draalkruie; straatweg; voetangel; —man, tolgaarder; —road, straatweg. —plate, —rail, —table, draaisehijf (op enoorwegen). —screw, sehroevedraftier. —sick, dnizelig.—sole,aannebloell. —spit., spitdraaier. —stile, draaikruts, -boom. Turn (turn'), v. a. draaien, omdraaien, wooden, keeren, omkeeren; richten; vormen; dot waken; sour maker, doer echitten; doen walgen; gebrulken, besteden. — the back, vluehten. coat, atvallig worden, overloopen. head. onder de Bogen zien. — loose, later varen. — the penny, Min geld goad besteden. to be —ed for, gesehikt zijn tot. — ed of, ouder dan. (about) omkeeren; overleggen. (away) atwenden; wegjagen. (back) teruggeven. (down) toevonwen., (in) insiaan; inbuigen. (into) veranderen, omzetten, vertalen in. (e) atkeeren, atwenden, afleiden; overlaten, opgeven; wegjagen. (out), ultdrij ven; afeetten, wegjagen; te voorsehijn brengen. (over) omelaan, doorbladeren; overdragen; overdeuken; verwijzen (to). (up) omslaan, omkeeren; opgraver; opslaan, opwerpen, ophalen, opeehorten, opstrijken; optoomen; aflichten. —, v. n. draaien; rich omkeeren; rich riehten: worden; atwtjken, veranderen; uitvallen, blijken; (hazel* worden; zuur worden, schitten. — bankrupt, bankroet gaan. — to .recount (advantage, profit) voordeel afwerpen. (about) omkeeren. (away) afwijken; rich atkeeren. (in) Mei) near binnen Wen; .0 intrek nemen; near kora gaan. (off) atwijken. (on upon) athangen van; loopsn over; rich warden tot. (oat) uiteukken; te voorsehijn homes; opstaan; uitvallen, blijken. (over) rich omkeeren; ooerloopen. (to) etch wander tot; zijne toevlucht nemen tot. (up) te voorsvhija komen. —er, s. theater. —ery, a. het draaien; gedraald werk. Turning (turn'teng) e. het draaien; kromming, bocht. wervelbeen. —lathe, draaibank. —point, keerpunt, Turnip (tur'n1p), a. reap. kuol. —cabbage, koolreap. Turpentine (tur'pin-tajn) a. terpentijn. Turpitude (tur'pi-tjoed), a. sehandelbkheid. Turr (tur), v. n. kirreu; elaan (van teenweriken). Turr el (tuer11), a. bodemtrekker. —et (-rit), 5. torentje. Turtle (tur't1), a. torte!; zeenzhildpad. —dove, tortelduif. —shell, achildpadschaal, —soup, schildnadsoep. Trash (tneJ), Int. et! still bah! tog i

Paychoinaney (sayko-men-sih) : a. geeatenbe. Pugh (poe), int. poe! bah! Pugll (pjoe'dzji!), a. handjevol. -ism, a. bet vuistswering. veehten. -ist, a. ratistveehter. Ptarnsigan, (tatter:II-gen), a. aneeuwhaen. Pterodactyl (ter-o-dekstil), s. voorwereldlijke Puguaicl oats (pug-nee'sjus), a. etrijdlustig. -ty a. strOdlustigheiti. hagedis of vledermuis. Pulane (pjoe'nih), a. jonger; Klein, Bering. Zftlean (tiz-en ), a. gerstewater. Ptyernagogue (tiz'me-gog), a. twijlverdrij vend , Patialinn ce (pjoe'ia-sent), a. macht. -t, a. -tly, ad. mach'ig, steel. middel. Puke (pjoek), a. Zia Puce. -, a braakmidde,l; )Puberty (pjoe'hur-tih(, a. buwbaaaheid. braakael. - V. n. brakes. Pteltescen ce (pjoe-bes'aens)„ a. huwbaarwor• Pulchritude (purkri-tjoed), a. sehoonheld. ding. -t, a. huwbaarwordend. v. n. pieces; kraunen. -ing, a. Pul e Public (pubnik), a. algemeen, publiel. in -, 't openbaar. -, a. algomeen, epentaar, publish.; gepiep; gekreun. -debt, staatssebuld. - funds, pl. staatspapteren, Pull (poell'), a. ruk, trek; strijd. -back, beletsel. -, v. a. & n. rukiten, trebles; plukken, scheneffeeten. - good, algemeen welzkin. -hearted, minded, -epirited, bezield met tjver voor het Ten; roeien. (down) neerhalen; aloopen, vernedecent afmatten. (of') aftrekken, uttrukken. (en) algemeene weizijn. - house, tapperij, kroeg. - paper', - prints, nleuwabladen - sate, open- aantrekkett. (out) ultrukken; op de reeds Wes. (up) aptreklen; uitrukken; aitraelen. -er, a. bare verkoop, veiling. - scales, pl. stadswaag. plukker, Welker. Public ass (publi-ken), s. herbergier; tollenaar. -ation (-lies'ajun), a. bekendmaking; uitgave , Pullet (poePlit), a. kuiken. -ist (-slat), a. rubliatat.-ity -nen, Pulley (poerlih), a. katrol, take'. -door, deur met eon gewiehi .-piece,kniestuk(aan eats hulas). a. openbaarheid. 1Pribilab (pub'l(e!), v. a. bakend mabaia; nitgeven. Psalluln to (pul'ijoe leet)„ v. n. kiemen, ultlooe. bekendmaker; uitgever. -ment, a. hapen. -tion (-leefsjun), P. kleming. Pullmoutiry (prilfrnun.e-rib), a. vas de longen; welijksafsondiging. long-. - a. longkruid. Peace (pjoes'), a. donherbruin. -ron (-se rots), a. Pulmonle (pul-mon'ilt), a. van de lougen; long-. bladluts. - a. longrniddel; longlijder. -fist, boviat Puck (puk', a, berggeeat. Pulp (pulp'), a. zaehte mem; merg; vleeech (van (aardawam). vruchten). -ing-mill, moles ter ontbolstering Packer (prileur), a. wijd bleed; kreukje, vouw; der kolliaboonen verlegenheid. -, v. a. & n. plooien, krenken. Pudder (pud'dur), a. oceans, getter. v. a. Pulpit (poelfpit), a. spreekgestoelte, kennel. -tkumper,kanselklopper.-ica/(-pit'ikli,a.kansel-. overbluffen, oversebreeuwen; v, n. razes, tieren. Pudding (poed'dieng), a. podding; beuling, vat POP Wig (pulp'ua), -y,a.weekivieezig.-ousness, hoed. clack bIoedworat. white, - leverneuling.! e. vesekheid; vleezi,gbeid. -bag, -cloth, poddingzak. -fish, (snort van) , Polaat e (puleeet), v. n. kloppec, tikken. -ilg braaem. vleeaebpodding. -sleeve, wijda (-e-til), a. geslagen kunnende warden; a. slagmouw. -stone, poddingsteen. -time, etenstip; ; instrument. -ion (-aee'sjun), a. klopping; palsjoist tijdetip. I slag. -or (-seetur), s. klopper, tikker, houtworm. Puddl c (pud'd1), a. modderpoel. -c, v. a. mod-orY (-e'tetr-r/h), a. kloppend, tikkend. derig ;troebel) makes; met madder diehtetoppen; Pula e (pule), a. pole; polsslaKi schommeling; peulvrue ht. --e, v. a. stooteu, druven; v. n. clean, v. n. plassen, marsen. -y, a. modderig. Puddoek (pudfduk)' a. omheining. -ific (-ink), a. den pole opwekkend. a. ion (purtjun), a. voartatooting. Pad ency (pine'denaith), -icity Pulver able (pervur-ibl), a. vergruisbaar. exhaamaehtigheid, eerbaarheid. (-i-zee'sjun`, a. vergruising, fijnataanP',10,1QUICINV (pjoe'fel-lo),3. Zie Pew-fellow. (-ajz), v. a. fijn (tot poeder) wrkiven e (ploe'e-Ti1) a. kinderaebtig. --ity ping. a. Itinderachtighotd I of stoat.. -u!ence (-varfjoe-lens), a. stotSgtold. P nia rye esti (pjne - ur'pe - Tel), a. kranm , van het - a lent ( -ver'jae- lent), a. stoftig. C. a. met reukbream bed. — fever, zogkoorts. Pcalril (pul'vll(, a. reukpoeder.

Is Bitcoin een algoritme


MOO.- HOU. Iloogerhuls, o. house of lords. Hoogsrwal, m. wind-side. 110ogesehool, v. university. Iloogheld, v. highness; grandeur; tallness; elevation. Hooging, v. heightening; outbidding. Ifoogikik,bw. Zie IloeigeltJk. Iloogoed, o. light, bright part; relievo, embossment. Ilooget, by. highest. —deceive, His (Her) Majesty. —derzelver, His (Her) Majesty's. ten —e, at best, at most; highly. lloogte, v. height, elevation, eminence; hill; altitude. op de — lion, off. op de — zOn van, to be conversant with. de — hebben, to be tipsy. sit de —; haughtily, superciliously; with scorn. —cirkel, aloiacantae. —meter, altimeter. —meting, altimetry. Maul, o. hay. —berg, hay-stack, -rick. —boter, bay-butter. —bouw, hey-herveer, -making. —gaffe, —cork, hay-fork. —hare, winter-chases. —land, —veld, hay-field. —maaier, hay-maker. —maaiing, hay-making. —mated, July. —markt, hay-market. —milt, —opper, hay-cock, -rick. —echuur, hay-barn. —tijd, hay-time. —wages, hay•cart; field-spider. —solder, hay-loft. —en, on. w. to make hay; to sell below the price. —er, m. hay-maker. 110055, m. insult, taunt, gibe, scoff, scorn. —gelack, scornful laughter. —en, )ov. w. to insult, to taunt, to gibe, to ecoff, to fieer at; to bias pheme. —er, m. —sler, v. insulter, taunter, scoffer, blasphemer. sloop, in. heap, pile; gang, set; multitude, troop, flock. bij den — rerkoopen. to sell in the lump. to — loopen, to gather in a crowd. de groote —„ the vulgar, the mass of tho people. —loepers, yo tinkers. Hoop, v. hope, hopes. in de —, hoping, in hopes. de — voeden, to entertain (to cherish)) a hope. Hoorbaar, be. & bw. audible (-bly). —held, v. audibleness. Hoorder,m. —es, v. hearer, auditor. llooren, or. & on. w. to hear, to hark, to listen; to learn. —de, be, hearing; — doof zik, to turn a deaf ear. —swaardig, worth to be heard. Hoorn, m, horn; sea-shell; vellum, parchment x(Ine opstcken, to show one's teeth. — van overvloed, horn of plenty., cornucopia. —band, binding of eperchment. beeeten. --tees, horned beasts, — cattle. —blaser, horn-blower, trumpeter. —drager, cuckold. —geld, tax upon horned cattle. —peschal, sound of horse, flourish of trumpets. —slab, horned snail. —slang, horned viper. C3r,,etelt. —riles, cornea. —vormig, hornshaped. —werk, horn-work. —acktig, by. horny, corneoue. —en, be. of horn; —band, binding of parchment. —loos, by. hornlees. lions, v. stocking, hose; hurricane; water-spout. —band, garter. —gat, well n room. —vat. 'coop. Hoovaard ig„ be. & bw. proud (-1y), haughty (-fly). —igheid,v. —(1, v. pride, haughtiness. Holtz en, or. w. to scoop. —er, to. scooper. Hop, m. whoop. --, v. hop, hops. —akker, hopfield. —coot, hop-oast. --betel, hop-kettle. —booper, hop-man. —perank, hop-sprig, tendril. --pe
zellende vertuien. —age, a. ankerplaats. —togs Morplon (mor'pl•un), a. platluis. (-iengz), pl. havenankers, rneertouwen. Morris (mor'ris), a, —dance, moorsche dan*, heti Moose Imes), s. eland. tendons. Moot Itnoet'), a. oefenpleidnot. —case. —point, Morrow (mor'ro), a. morgen. to —, morgen, after opgeworpen reWsvraak. —hall, —house, dispu- to —, overmorgen. to — morning, morgen ochtend. teerzaal, roadhuis. v, a. & n. hepleiten, plei- Morse (moral, s. zeekoe, walrus. ten, disputeeren (tot oefening(. —ed, a. net den Mz)esel (rnor's11), a. beet, hap, brokje. wortel uitgerukt. a. redetwister; nagel. Mort (mort'), s. hallalt (der jagers), both, romp. Mope stomp; driejarige zalm. —al, a. sterfelijk, men. Mop (mop), a. stokdweil; teerkwast; scheef ge- ' schelbk; doodeltik. — enemy, doodvijand. —al, a. zioht. —, v. a. dweilen; v. r.. ern scheggezicht sterveling. —a/ity r. sterfellak. trekken. held; &011ie; bill of —, sterffilst. —ally. ad . doo. Mop e (moop'), R. droomer, druiloor. —e, v. n.
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-

Is Zebpay portemonnee veilig


Volit ion (vo-lisfun), a. wil, wilskracht. (vol'i-tiv), a. willend; — faculty, wilvermogen. Volley (vol'lih), e. vlueht; salvo; losbarating; stortvloed. —, v. a & n. uttatooten; /own; (doen) losbaretan; zich ontlasten. Volt (voolt), a. zwenkinr,v o 1 l e. Voles: ble (vol'joeb1), a. —bly, ad. rolbaar; rotlend; beweralijk; rad van tong, woerdenrijk; aloe, vloeiend. — bilify ( - birit - tih), a. drattiing, roiling; bewegelljkheid; radheid van tang; woosdenrijkheld; vlotheld. Volume (vol'joem), a. rot; omvang, mesas; boekdeel; go:f. Voluminous (vo-)joe'mi-nus). a. —ly, ad. to vele rollen (boekdeelen); uitgebreid; dik. —nest, a. ultgebreidbeid; omvang, grootte. V &cant arily (vol'un-te-rli-iih), ad. —ary, a. —arinesa (-ri.ness), a. vrijwilligheid. —ary, a. phantom's (in de muziek); vrijwilliger. —ter (-tier"), a. vrijwilliger. --ear (-tier'), v. a. veijveillig aanbieden; verriehten; v. n. ids dianen. Voluptu easy (co-lueljoe-e-rib),s. wellasteling.
Sfte10.1!syg (oek'ri-ledzj), s. heiligschennis; beck • yo,f. —iota. a. —tautly, ad. (-11'dzjita.), beingechenr,nd. (-li-dzjist), a. belligsehenner. Stice-LA k.iv (N•:Oris-ten), a. eakristijn, batten. --y, s, eakriatij. Sad (sect', a. —ly, ad. droevig, treurig; somber; neerslac-htig; verdrietig; lafnig; ellerdig; wonderi)jk. —den (sed'dr.), v. a be.droeven; v. n. bedroefd warden (at). —nest, a. treur;ghcld; neerelseittigheiti: errrt. Satliele (sed'd1),.. nodal; halve wandklamp. —back, bale rug. —bag, zadelzak. —bow, —tree, zanelbong. —cloth, zaclelkleed. —horse, rijpaard. —sick, gewond order den 'aide'. —., v. a. zadetcn; be. laden. —r, a. zadeltraker. Safe (seer), a. —ly, ad. veilig; gerust; ongedeerd, behouden. —conduct, vrkjgeleide. —guard. bedekking, gelei.te. vliegenkast; geldkist. —, v. a. verzekeren. —ness, ts. vctilighetd. —ty. s. veitighoitt; bewaring; v eilighddslamp; valve, vetligh.idsklep. Safflower (sef'flau-ur), a. safflaers. Saffron (aerfrun). a. saffraankleurig. —, a. ear-, v. a. met saffraan kleuren. Sag (see), v. a. beladen, does buig,en; v. n. zakken, doorbutgen gadrukt warden. s Saga leee'ge), legendo, sage. eras (se-gee",jusn, a. —ously, ad. sehrander„ seberpzinnig. —tit (-ges'it-tih), a. achrandet bed, seberpzinnigheid. Sagathy iseg'e-thih), a. sergie. sajet. Sage (seedzr), a. salie, waive, wijsgeer. —, a. —ly, ad. wijs. —ness, s. wijaheid. Sagging seg'giang). kromte, loorbuiging. Sagltia it (sedzrittel), a. pijlvormig; —.suture, pijlnood. —rive (-tee'ri-us), e. (de) Schutter. —ry
471 — makes, to nuke haste. to be quick. —a(jk, bw. soon, speedily. —en, ov. w. to hasten, to hurry; rich —, t. w. to hasten, to make haste, to be quick. —4, , by. & bw. hasty (-1y), speedy (-11y1, quick (-33)., passionate (-Iy); in a hurry. — tight t, v. hastiness, speed, quickness, precipitation; paeeionateness. Ilona, m. hate, hatred. —dragend, by. revnegeful, vindicative. —dropendheid, v. revergefulneax, vengeful disposition. —offer, v. hater, enemy. Hach, v. risk, hazard. illacito,Itik, be, hazardous, dubious, eriticsl. heid,v. hazardouenrsa, dnblotioneas,et i tilealnerse Illactoje, 0. fool-hardy fellow, belswegger. flacht, in. lump, lunch. Haft, o. ephemera. Illagedis, v, lizard. Ilagedoern, an. L'ie illangdoorn. nage', no. hail ; (small) shot, seat —, what the deuce! odds my life 1 —bui, hail- storm; .q bower. —gans, wild some. —slag, hail-storm, -stroke. —steen, hall-stone. —tract, shot-belt, -bag..• wit, as white as snow. —acidly, by. like ht.ii. top. w. to hail. link, v. hoe; heel. --band, heel-piece. —sink, heelpiece. fink, m. hew, cut; time of cutting wood; pique, grudge, ill-will. —bank, chopping-board. —tijt, --met, chopper, chopping-knife. —kick, choppingblock. —cord, chopping-hoard; dulcimer; tafferel. — knack, copse. —lout, coppice, copse. —noes, minced pot- herbs. Mk en, on. w, to hook, to clasp, to catch ; to crotchet; on. w. to be caught; to long, to hanker (naar, after, for). —ing, v. hooking, clasping longing. Ilakkabord, o, Zie Idakitord. Ilakkel oar, m. —aarater, v. stammerer. on. w. to stammer, to stutter. —kees, — tong, stammerer , stutterer. —ing, v. stammering, stuttering. Bakken, ov. & on. w. to hew, to shop, to hash, to trines. in de pan —, to cut to pieces. Ilakkenei, v. hackney, ambler, pacer. limkker, IX!. hewer, chopper, cutter. liakktfeer en, on. w. to wrangle, to squabble, —ing, v. wrangling, squabbling. Sinker). as. chopped straw; minced meat. 11111), v. hall; shambles. o. frozen earth. ii•fon, no. w. to fetch; to draw., to pull; to reach. later. —, to send for. dot haalt er niet diti. that to not to be compered with it. wear haalt IA; dad van dawn? where did you pick it up? how doou y come by it ? by, & bw. he!?, almost. een, half past twelve. — Mei, the middle of !nay. — en —, no so, in a neannet. halve deur, folding door. ten halve, half, by halves. —bakken, would-be. —b.roeder, half- brother, step-brother. —dek, quarter-deck. —dood, half-deed. —donker, dusk, dawn. —dronken, half-seas-over. —geleerde, smatterer, —god, half-god, derni-god. —herndje, front, shirtfront. —jaar, half-year. —jarie,, aeral-annual, of (lasting) nix months. —jaarlirkteh, taking place every eix menthe. —blinker, semi-vowel. --road, hemisphere. —slaehtig, amphibious. —eleten, half

Wat is het voordeel van het gebruik van Bitcoin


Erasmus+ (2014-2020), also called Erasmus Plus, is the new 14.7 billion euro catch-all framework programme for education, training, youth and sport.[9] The new Erasmus+ programme combines all the EU's current schemes for education, training, youth and sport, including the Lifelong Learning Programme (Erasmus, Leonardo da Vinci, Comenius, Grundtvig), Youth in Action and five international co-operation programmes (Erasmus Mundus, Tempus, Alfa, Edulink and the programme for co-operation with industrialised countries). The Erasmus+ regulation[10] was signed on 11 December 2013.[11]
221 dam. -glass, penantspiegel.--table,penant-tafel. -ape, 5. kadege/d. Plere e (piers'), v. a. doorboren; doordringen; doorgronden; opensteken; schakken• v. n. indriagen (into). -er, s. doorboorder; boor; prism; ' angel. -ing, a. -ingly, ad. doordringend. Piet ism (paytt-lzut), s. dweperti. -ist, s. dwe per. --y, s. vroomheid; ouderliefde. Pig (pig'), s. big, varken; klomp, blok. -badger, daezwIjn. -brass, geel koper in rollen. -driver, varkensdrijver. -headed, groot van hoed; dour, eigenzinnig. ruw tjzer. -nut, aardnoot. - running, hen varkensvangen (spel). -sty, var. kenskat. -tail, pruikstaart; pralmtabak. -widgeon, foe; klein schepsel. - . v. n. biggen, Pigeon (pid'sjun), e. duif. cock-, doffer. hen-, dui!. -dung, dulvennest. -foot, kraanbek (plant). - hawk, duifvalk. -hearted, vreeeachtIg. -hole, gat in een duivenelag; loket, hokje; zeker spel. - house, duivenelag. -livered, zachtmoodig. -pie, duivenpastei. -, v. a arzetten, plukken. -ry, s, dulvenslas. Pig gery pig . gur-rih), s. varkenshok. -gin ( - gin). s. tobbetje, houten nap. -gish 1-giej), a. manechtig. -ment, a. bereide vent; blanketsel. -my, a. dwerg. Pignorat ion (pig-no-ree'sjun), s. verpandIng. - ire (plg'no-re-iiv), a. verpandend. Pigsney (pigz . nih), a. lle.je, echatje. Pike (pajk'), e. pick, spies; punt; stele]; vork, gaffe); snack. -hook, enoekbaak. -man, piekenier. -staff, lansetok. - d, a. puntig. Pilaster (pi-les'tur), a. pilaster, sail. Pilch (piltsr), -er, a. pale; met boot gevoerd voorwerp; zadeldek; scheeds. -ard (-urd), a. stroomlIng (soort van eardijn). Pile (pajl'), s. peal; hoop, stapel; kolom; ruigte, nop; muntztjde; pippunt, gebouw. cross or -, kruis of munt. funeral -, brandatapel. -driver, heiblok. -engine, heitoestel. -work, paalwerk. -worm, paalworm. -wort, speenkruid. -, v. a. opstapelen, ophoogen (up). -r, s. opstapelaar. (pajlzi, yy1. aambeien. Pileate ( eet-id), a. hoed-, kap• vormtg. Pilfer (pirfur), v. a. & n. kapen, briezelen, op den kop tikken. -er, s. diet. --ing, a. dlefachtig. --y, 5. dieverg. pli•garlic s. kaalkop; Rome drommel. Pilgrim (pil'grim),s. pelgrlm. -ageo. pelgrimetoeht, bedevaart. Pill (pill'), s. pit. -, v. r. sehillen, pelien, afstroopen; berooven, uitkleeden; v. n. afeehilfe• ren; plunderer. -age, s. roof, buit; plundering; v. a. plunderen; verwoesten. --alter, s. plunderaar. Pillar (pil'ler), s. pllaar, pfdler; stut, sttjl. -ed (-lend), a. door pijlers gedraeen. Pillion (pil'jun), s. vrouwenzadel. Pillory 'pill° rib), s. kaak, sehandpaal. -, v. a. aan de kaak stellen. Pillow (p11 . 10), 8. oorkussen. -beer, -case, kusseneloop. -, v. a. ep een lumen leggen; onder• steunen. Pilo3Ety s. harigheid. Pilot (parlut), a. loe ds. - boat, loodsboot. -water,
EXC —EXO. Excommunica to (eks-kurn-Injoe'ni-keet), v. a. In den ban doen. —tion (-kee'sjun), s. ultbanning; kerkban. Excorin te (eks-ko'ri-eet), v. a. ontvellen. —tion (-ee'sjun), 8. ontvelling. Excorticati on (eks-kor-ti-kee'sjun), a. ontbasting. Excreate (eks'kri eel), v. a. uitrochelen, opgeven. Excrement (ekalre-ment), s, uitwerpsel, drekatof. —al (-ment'el), —itious (-tisj'us), a. drekachtig. Exerescen cn (eks kres'aens), a. uitwas, knobbel. —t, a. uitgroeiend. Exert te (eks-kriet'), v. a. ontlasten,afscheiden. —tion (-krbe'sjun), s. ontlasting; uitwernsel. —tive (eka"kre-) —tory (eks'kre ), s. afscheidend, out lastend. Exeruela to (eks-kroe'sji-cet), v. a. folteren. (-ee'eju•), a. foltering. Exeubation (eks-kjoe-bee'sjun), a. (het) nachtbroken, nachtwaking. Exeu1pa ble (eks-kurpibl), a. verschoonbaar. —te (-pect), v. a. rechtvaardigen. —tion (- pee'sj an), a. reehtvaardiging. —tory ( pe-tur-rih), a. reekvaardigend. Excu4s Ion (eks-kur'ajun), e, uitstapje; uitweiding, etrooptocht. —ive, a. —ively, ad, zwer vend, afwtlkend. Excus able (eks-kjoez'ibl), a. —ably, ad. verschoonbaar. --ableness. a. verschoonbaarheid. —atory (-ze-tur-rih), a. verontschuldigend. —e •kjoes'), s. verontschuldiging, verschooning, —e -kloer), v. e. ontschuldigen; verscLoonen, outleffen, (from). —elms, (-kjoes'less), a. ouveruehoonlijk. —cr, a, verontachuldiger. Excels') (eks-kus'), v. h. in beslag nemen. —ien (-sjun), a. gerechtelijk beslag. Execra bin (eks'e-kribl), a. —Up, ad. verfoeielijk. —te (-kreet), v. a. verfoeien; vervloeken. —tion (-kree'sjun), s. vervloeking. Esteem te (eks'e-kjoet), v. a. verrichten, uitvoeren; ter dood brengen. —ter, s. uitvoerder. —lion(kjoe' ajun), a. verrichting, uitvoering; strafoefening. —tioner (-kjoe'sjun.ur), e. scherprechter. Execut lye (egz-ek'joe-tiv), a. uitvoerend; s. ult. voerend bewind. —or, 43. bocdelredder. —orship, s. executeurschap. —ory, a. uitvoerbaar, Exego sis s. uitlegging, verkIaring. —tical(-ctsjet'ikl) a. uitleggend, verklarend t Exempl ar (egz-em'pler), 8, voorbeeld. (egz'em-ple-r11-11h), ad. —ary (egz'em-ple-rib), a. voorbeeldig. —ariness (ege'em-ple-ri-ness), a. voorbeeldIgheld. Hfication (-p)i-fi -kee'sjun), 8. ophelderIng (door voorbeeld); afschrift; navolging. —ifier (•pli-faj-ur), s. verklaarder (door voorbeeld; afsehrijver. — ify (- pli-faj), v. a. door voorbeelden verklaren; afechrilven. Exempt (egz emt'), a. ontheven, vrijgesteld, v. a. ontheffen, vrijstellen, (front). —ion (-em'sjun), s. vrijetelling, vrijdom. Exequi al (egz-F-kwI-el, a. eene lijkplechtigheid betreffend. --en (eks'e-kwiez), 8. lijkplechtigheid. Exercise (eks'ur-sajz), 8. oefening, uitoefening; lichasms- krijgo-, godsdienstoefening. v. a. g oefenen; beoefenen; uitoefenen; gebruiken; v. 8. etch oefenen. — r, ts. oefevinar; uitoefenen,
tiA14.—HA1'. Loog. — breadth, handbreedte. —cloth, zakdoek. —cuff, a. handboei; v. a. boeien. —fast, hechtenue. —fetter , handboei. handvol. —gallop, handgallop,driesslag. —gearing, atuurtoestel (aan locomotieven). —glass, glazen klok. —grenade, haedgranaat. —gun, geweer. —kerchief, zie beneden. —language, vingerspraak. —loom, handweefgetouw. dienatmaagd; kamenier. handmolen. —rail, belie, lettering. —sails, kleine zeilen. —saw, handzaag. --screw, handechroef; domtnekracht. —seizing, bovenbindael. —spike, handapaak, knevel. —staff, werpapiea. —stroke, handalag. —tiller, roerpen, —vice, handschroef. --weapon, handwapen. —woman, vroedvrouw. —work, handenarbeid. —writing, achrift, schrijfhand. Mandl craft (hend'i-kraaft), a. handwerk. —crafts-man, haudwerks-, ambachtsman. —ly, ad. handig. —ness, a. handigheid. —work, hendenarbeid, -werk. Handkerchief (heng'kur-tsjif). s. dock; zakdock; halsdoek. pocket—, zakdoek. Handle (hen'd1), s. handvateel,• steel; hengel, hengsel; zwengel; gevest; hecht; aanleidinpa voorwendsel. —, v. a. bevoelen, betasteu; hanteeren; behandelen. Handless (hend'less), a. zonder handen. Handsel (hen's11), a. eerate gebruik; haudgift. —, v. a. voor de eerate maal gebruiken; handgift geven. Handsome (hen'sum), a. —1y, ad. fraai, lief, sierAjk; hupsch; geriefelijk; grootmoedig. a. fraaiheid; sierlijkheid; hupschLeid;kieschheid. Handy (hen'dih), a. handig; knap. —blow, slag met de hand. —dandy, handjesspel. —gripe, greep met de hand, aanpakking. —stroke, slag met de hand. Hang (heng') [Mote]. v. a. opbangen; behangen; neerlaten. (down) laten hangen. (out) uithangen. (up) ophaagen; verschuiven. —, v. n. hangen, zweven; afhangen (back) dreier, (en) zich hechlarge —, text — (round —), small —, running —, ten ann.; afhangen van. (on, upon) aanhangen; groot, middelsoort (staand), klein, loopend schrift. with — and heart, met hart en ziel. of tot last zijn. (to) aanhangen. —dog, galgebrok. —man, beul. —nail, groote nijdnagel. —by, a. quick —s, handig. to be — rand glove. twee Minden op edit' buik zijn. all —a high! overall at afhangeling. —er, a. hanger; hengsel, hank, hartsur-ore), a. afhangeling; tafelvanger. —er-on, Ano —, in geen geval. at the —s of, van wege; van den kant van. near at —, aanstaande. by —, vat achuimer. de hand. by the —, of, door tueschenkomat van. Hanging (heng'ieng), a. hangend; de galg verdionend. s. ophangtng; behangeel. —room, van de from — to mouth, gelijk op. even —a, droogkamer. haul in den tend. to go — in —, met gemeen overleg to werk gaan. now in —, onder handen, Hank (hengk), a. streng garen; strik, kuoop; in de maak. to fall in —s with, beginnen. money invloed; maatband; stagring. —, v. n. tot stren• in —, geld in handen; content. to take in —, gen maken. hunkeren, sueginnen, onder handen nemen. off onvoor- Hanker (hengk'ur). v. n. (after, for) sterk verlangen near. —ing, a. gehunker, aterk bereid; van de hand. out of —, op etaande vast. verlangen. money out of —. betaald geld. — to —, man tegen lianseatIc (hen-ei-et'ik), a. hanzeatisch. —body, man. — over head, hats over kop. hanzevetbond, (de) Haim. Hand )head'), v. a. overhandigen, aanreiken; hanteeren; geleiden; beelaan (een zeil). — (about) Ilanse.town (heria'teauu), a. hanzestad. Hansom (ben'sum), a. 'wort van huurrkitnig. inpalmen; (in) rondgeven. (down) overleveren. hrengen (helpen) in. (out) uitleidei. (over) over- Hap (hep'), a, toeval; tref,geluk. —hazard thez'urdl, a. bloot toeval. —less, a. onge1ukkig. —/y, ad. reiken, overerengen. a. hand aan band; misschten, mogelljk. met handen. —er, a. overhandiger, overbrenger. Hand (hend') [in samenst.] —barrow, berrie. Happen (hep'pn.), v. n. gebeuren, voolvallen. (upon) aantreffen. —bill, —basket, hentelmand. —bell. tafelschel. hit jet, ktffiche handbook. —bow, hand- llapp mesa (hep'pi-uese), a. geluk; gelukzallg130
Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip.

cryptogeld kya hai


(keti'vf.ss), 0. 011(1P17.( , tqc, zifting, kui- Captation (ket tee'sjun), s. gunathejag. Canyti pert.). —, v. a. onderzoeken, ziften; weven; v. Capti on kel , sjun), a inhechterlianemtng; bevel dasrtoe. —ous, a. —.sty, ad. misleidend; bedilstemmen werven. ziek. —ousness, t. vitzneht. Cany (kee a rith), a. vol riet. Captiv ate ikep'ti-veet,), v. a. innemen, boelen; § Canyon (ken'jun), a. bolle weg. Csoutchouc (koe'tajoek), s. goin-elaatiek. vangen. —a/ion (-vee'sjun), s. gevangennemIng, Cap tkep'), s. mats, pet, kap; ontdekking; hoofd; hoeitng. —e s. gevangene; R. gevangen; ezelahoofd. and bells, zotakap. — a-pie le-pie), geboeid. —ity a. gevangenschlp. van top tot teen. —case, hoeded()os. —maker, Capt trr (kep i t111. ), R. miser, nemer. —are pettenmaker. —paper, pakpapier. —scuttle, luik. (kep'tjoer), s. buit, vangst; v. a. nemen, butt —, eene routs opzetten; bedekken; § over- mak.. treffen. to — a pair of shoes, nieuw overieder aan Crpuchin (kep-oe-sjien'), s. kapueijner; franeisschoenen maken. v. n, den hoed afnemen. kaner; kap; gesuifde duif. Capability (kee-pe-bil'it-tih), s. bekwaarnheid. Car (kaar"), s. kar, wagon; groote Beer. —man, Capable (kee'pibl), a. bekwaam. —ness, B. be- karreman. kwaamheid. Caralkin e (ker'e-bajn, —bin), s. karabijn, —eer Capne Ions (ke-pee'sjus), a. ruin,, veel omvattend. (ker-e-bin-ter"), s. karabinier. —ness, s. ruirnte. Car ark (ker'ek), a. kraak (vracbtschip). Capacit ate (ke-pes'i-teet), v. a. bekwaam ma - Caracole (ker'e-kool), s. wenteltrap; halve ken. —y, s. ruimte, onivang; vermogea, be- zwenking. —, v. n. halve zwenkingen makers. kwaamheid. Carat (Iter'et), s. karaat. Caparison (ke-per'l-sun), s. sehabrak. v. a. Caravan (ker-e-ven'), s. karavaan. —nary (-se-rib), opttigen. a. karavansera. Cape ,keep'), P. kaap; kraag. —wine, kaapsche wijn. Caravel (ker'e-vel), a. karveel. Caper (kee-par), s. kaperachip; nprong; kapper. Caraway (keee-wee), s. karwij (plant). —, v. n. springen, huppel en . —er,s. springer,danaer. Carbon kaar' b on), s, koolstof. —ace.* (-ban-nee' Capillary (kepithle-rih), Et. haarbuis. —, a. haar- sjus), a. koolstaboudend. —ale (-bun-art), s. vormig; haarfljn. koolzuur. (ker-bon'tki, a. koolatof betreffend. Capital (kep'i-tel), s. kapitaal; hoofdatad; ka- —ic -acid, koolzuur. -ize (-bun-ajz), V. R. in toolpiteel; hoofdletter. —, a. —ly, ad. voornaamst, via veranderen. hoofdzakelijk; nitmuntend. — crime, misdaad Carbuncle (kaar'bunkl), s. karbenkel; point. waarop de doodstraf staat. — punishment, dood- Cat.•anet (kaar'ke-net), s. pare:snoer. etre. —1st, s. kapitalist. Carcass (kaar'kess), s. geraamte; ARR. Capitation Ikep i tee'ajun), s. boofdelijke Card (kaard'), s. speelkaartt vistteknart; wolling; hoofdgeld. hoards; kompasroos. —, v. a. kaarden; v. n. Capot ular Ike-pit'joe-ler). s. kapittelverorde- kaart spelen. —match, kaartpartij. —table, speel. kapatelheer; a. van het kapittel. —ulate, tafeltje, —er, kaarder. —ivy, s. wolkaarding. v, n. onderhandelen over de overgave. —ulationl Card.' mine tkaar'de-majn), a. koekoeksbioem. —mom, a, hardamom. (-lee'sjun), a. verdrag; overgave. Capon (kee'pn), s. kapoen. v. a. hapoen.. Cardi ac (kaarldi , ek), —acal (ker-darikl), a. hartsterkend. —algy Capot (ite-pot'), v. a. beest maken. a. ...gz.. , Capote (lre-poot'), a. kapotjas. Cardinal (kaar'di-nel), s, kardttiaat; § k!eine Capouch (ke-poetvj'), a. monnikskap. R. voornaanuste; hoofd-. — ate, damesmantel Capric e (ke-pries"), s. grit, hum. —ions (-ajus)., — ship, s. kardinaalschap. a. —tousty, ad. grillig, eigenzinnig. —iousness, s.( Cardoon (ker-does'), 5, wilde artikiok. eigenzinnigbeid. I Care (iteer',, s. zorg; zorgvuldigheid. Co have a —, Capricorn tkep'ri-korn), s. steenbok. zich in acht nemen. to take —, zorg dragon; Caprilication (kep-ri-11-kee'sjun), s, rijpmaking voorzichtig zijn. v. n. (for) Melt bekommeren van vugen. om; (to) genetgd zijn. —crazed, door zorgen geCeprifolle (kep'ri-fool), s. kamperfoelie. drukt. —jut, a. —fully, ad. zorg,vuldig. —fulness, Capriole lkep'ri-ool(, a. bokkeprong. a. zorgvuldigheid. —less, a. --testy, ad. zorKe" § Capaheaf (keptajtef), s. stroowisch; toppunt. boos. —lesness, a. zorgeloosbeid. Capsicum (kep'si-kum), s. apaansche peper. Careen (ke-rien'), s. kiel; kielhaling. to lay on Capsize (kep-sajz'), v. a. omwerpen; v. n. ken- a —, kielhalen. —., v. a. kielbalen, kielen. —age, teren, omslaan. s. kielbaan. hellingblok. jeers, Capstan (kep'sten), Capprtern Ikep'titurn), s. naaiing der loefliaiken. spil, kaapatander. pawl of the —, pen van den k. Career (ke-rier'), a. loopbaan, renbaan; groote to paint the —, den k. vastzetten. come up —! spoed. —, v. n, snel loopen. launch out the —! vier den Sabel! —bar, wind- Caress (ke.reel,.. lierkoozing. v. a• liefkoozen. boom. —barrel, braadspit (van den k.). —tap- Caret (kee'rit), s. intassehingsteeken. hoop, ijzeren band om den top der spit. Cargo (kaaego), s. lading. Capaul ar (kep'sjoe-ler), a, hot. —ate, —ated, a. in Caricature (ker'l-ke-tioer), 5. apotprent — (ter- ieene holte gesioten. —e (kep'ojoel), a. zaadhnisja. ke-tjoeri, v. a. bespottelijk voorstellen. Captain (kep'tinl, a. hoofdman, kapitein, veid- Caries (kee'ri-iez), a. beenbederf. he,. — of horse, ritmeester. —ship, Itapiteins- Cariosity (kee-ri.os'it-tih), s. Zie Caries. port: veldbeeratal.nt. Cariwas (kee'ri-no), a, aangestoken, rot.

cryptogeld veiligheid


Circumvent (our-bum vent'), v. a. misleiden, I v. a. doen kletteren; v. n. kletteren. —or (kleng' verstrikken. —ion (-ven'sjen), a. onderkruiping,I gun), a. gekletter. misleiding. —ive, a. verschalkend, bedriegelijk. I Clank (bleak), a. goratel, gekletter. —, v. n. ratelen, kletteren. etrenttivetti tsur-bum Nest'), v. a. random be- Clap (klep'), a. slag, kraal; donderslag; handgekteeden. Circ nonvolation (Bur bum vu lee'sjun), s. om- kiap; ontsteking. at one —, eensklaps. —board, i maanstuk, duig. --bread, krakeliug. —dish, houvtieging. Circn ut volution (our kum.vo ljue'sjun), a. , ten bard. —net, Blagnet. —trap, kunstgreep. I Clap (klep), v. a. toejuichen: sanhechten, bijrondomwenteling. Clreutinvolve (stir kum-volvi), v. a. rondom. voegen (to); toestaan (to); beametten. —spurs, de ' aporen geven. (into) opsluiteu. (on) aandoen; roller. Circus (sur'kus), a. circus, renbaan. — all sails, alio zeilen bijzetten. (up) noel tot Cisalpine (sis-el'pin), a. aan deze zijde van! stand brengen; vaatzetten. (up together) inpakde Alpen. I ken. (upon) zetten op. — a trick upon one, remand Cistercian (sis.tur'sjen), s. cistereiewer,monnik. I eene poets spelen. —, v. a. in he handen klapCistern (sis'turn), a. waterbak, ppen; knallen. (in) beginnen. —per, a. toejuicher; lepel; klopper. Clsttnta (sisAus), a. steenroos. Clapperclaw (klep'pur-klao), V. a. bekijven, Cit (sit), epitaburger, stee-aap. uitschelden. Citadel (alt.'s del), s. citadel; vesting. Cit al (sartel), a. dagvaarding; aan haling, —ation, Claret (klar'it), a. roode wiji, (-tee'sjun), s. dagvaarding; aanhaling. —atory, Claricord (kle'ri-kord), s. claveeimbaal. (-te.tur rill), a. dagvaardend. —e (aajt), v. a. aan- Clarif ication (kler.i-fi-kee'sjun), a. klaring, zuivering. —y (kler'i faj), v, a. zulvering; v. n. balen; dagvaarden. —er, s.aanhaler; dagvaarder. klaar warden. Cite. (ait'est), a. atedelinge. Clarinet (kler'i-net), a. klarinet. Citliern (sith'urn), a. harp, citer. Citizen (sit - izn), s. burger; stadsbewoner. ¢ —ire Clarion (kler'i-un), a. klaroen. (-ajz), v. a. burger waken. —ship, s. burgerrecht. Clarity (kler'it-tib), a. helderheid. Citrine (eit'rin), a. donkergeel. —, B. citroen- Clary (klee'rih), s. scharlei. Ciarty (klert'ib), a. sliikerig. kleurig kriatal. Citron (eterua), a. Citroen; citroenboom. —wa. Clash (klesr), a kleto, stoat; tegenaprauk, tegenstand. —, v. a. stooten; doen kletsen; v. n. ter, citroenbrandewijn. klinken, kletaen. (with) strijden tegen, aandruiCitriti (sit'rul), a. watermeloeu. schen tegen. —illy, a. botsing, kletsing; aandruiClty (sit'tih), a. (bisechoppelijke) stad. —, a. aching. stedelijk, steedsch. Clasp (klaasp), a. haak, brain, klamp, gesp; Civet (siv'it), a. civet. --cat, civetkat. orshelzing. —, v. a. toehaken, vastklampen; Civic (siv'ik), a. burgerlijk. —crown, burgerkroon. omhelzen. —arm (of an iron knee), tab (eener Civil (siv•il), a. —ly, ad. burgerlijk; minzaam; ijzeren kale). —headed-nail, —nail, duiker. beseliaafd. —list. civiele lijst. —law, burgerlijke wet. —inn (si-virjen), a. burgerlijk ambtenaar; —hoop. spijlband (om den mast). —knee, knit beoefenaar van het burgerlijk recht. —ity (si-vil'it- met lijf en tab. —knife, knipmes. —er, a. haakje; tib), s. wellevendheid; minzaamheid. —izution rank (eener plant). (-i-zee'sjun), a. beachaving. —ize (-ajz), v. a. Class (klaas), a. klasse. —, v. A. rangschikken. beschaveu. Classic (ictes'sik), —al, a. klassiek. —, a. klasChian) (siv-izm), s. burgerachap, -zin, -deugd; aiek schrijver of week. Classif 'coition (kles-si-ii-kee'sjun), a. indeeling vaderlandsliefde. in klassen. —y (liles'ei-faj), v. a. rangachikken Clack (klek), a. geklep; klap; gekakel. —, v. n. kleppen; babbelen. to — wool, het meek nit de (in klaocen). (klet'tur). a. gekletter, gerammel, geraas. Clatter schapenwol snijden. —, v. a. doen kletteren; v. n. rammelen, klateClad (bled), a gekleed. ren; babbelen. —er, s. levetunaker, babbeloar. Claim (kleem'), a. eiach, aanspraak (to). —, v. a. eischen. —able, a. vorderbaar. —ant, —er, a. Claudicat a (klao'di-keet), v. n. hinken, mank eiseher. roan. —ion (-kee'sjun), a. (het) mank loopen. Clara (klem), v. a. vastlijnien; v. n. vastkleven. Clause (klaoz), a. volzin; zinspreuk; voorwaarde. —miness (mi'ness), s. kleverigheid. —my, a. kle- Clanstral (klaos'trel), a. kloosterlijk. Clausure (klao'zjoer), s. opsluiting. verist, vochtig. Clavated (klev'eet-id), a. knoeatig. Clamant (kIee'rnent), a. emeekend. Clavicle (klev'ikl), s. sleutelheen. Clanibar (klem'bur), v. n. klauteren. (Mao), a. blown; schaar; beak (eener dreg). Chow Clamor (kleninr), s. geachreeuw, getier. —, —, v. a. krabben, klauwen. (away) doorhalen); v. it. schreettwen, tieren. —ous, a. —.sly, ad. afdoen. (off) afscheuren; bekelen, afrossen. schreeuweud, tiereed. (out) uttldeeden (kmands geld aftrochelen). Clamp (kiemp), s. klamp; atapel; aware teed. —, v. a. vhstklampen, lasschen; v. n. zwaar loopen., Clay (klee'), a. klei, Teem. —, v. a. met klei Clan (klen), s. stain; geslacht. 1 bedekkeu, - zuiveren. —cold, a. ijskoud. levenloos. Clandestine (iden•clem'tin), a. —ly. ad. heiinc- I —ground, kleigrond. —land, kleiland. —marl, lijk, steelswijze. —trade, sluikliandel. 1 kleimergel. —pat. leemput. —stone, kalksteen, let:ulster' , --ey (klee'ilt), —ish, a. kleiachtig. Clank (kleng'), s. schelJe klank, gekletter. —,
hoer), —grain, paradijskoreu. —hen, flare) ten. —pepper, apaanvehe peper. —pig, guineesch var. ken; kadet (op Oostindie-vaarders). —wheat, t urkeehe tarwe, mays. Guise (gajz'), s. wijze, manier; voorkomen; kleeding. —r„ s. vermomde. Guitar (gih-taar'), a. guitar. Gulch (gultcj'), —in, s. guisigaard. Gules (gjoelz), a. rood (in 't wapenachild). G sal (gulr), s. zeeboezem, golf; draatkolk; afgrond. —Y, a. vol zeeboezems; vol draaikolken. Gull (gull'), s. zeemecuw; streek, bedrog; onnootele hats. —catcher, hedrieger. —, v. a. bedriegen, beet nemen. —er, m. bedrieger. —ery, a. bedrog, verschalking. Gullet (gullit), m. keel, alokdarm, halo (toner flesc h). Gull' bIlity (gul-li-bil'It-tih), s. lichtgeleovig he'd. (guPlibl), a. liehtgeloovig. Guinea' (rullisj), a. onnoozel, dam. --nen, s• onnoozelheid, domheid. Gully (gul'ith), s. gout; goat, riool. —hole, Boot-, rioolgat. —, v. a. geulen waken, wegspoelen; v. n. ruischend vl:eten. Guloalty a. gulzigheid. Gulp (gulp), s. sink. —, v. a. inzwelgen, inslokken; v. n. kloppen (van het hart). Guns (gum'), a. gom; tandvleesch; dracht (van de oogen). —arable, arabische gom. —elastic, gomelastiek. —boil, gezwel aan het tandvieesch. —lac, gomlak. —resin, gomharm. v, a, gommen. —miness, —mosity ( mos'it-tili), s. gommigheid; kleverighed. —mous (-mus), R. gomachtix; kle. verig; drachtig. Gossip (camp), s. onnoozele bleed; zot. Gumption (gump'sjun), s. verstand, kennis. Gun (gun') s. geweer; kanon; atuk geschut. —boat, kanonneerboot. —cotton, achietkatoen. —deck, geschutdek. —evening-watch, nachtschot —flint, vuursteen. —gear, geschutgbn. —ladle, laadlepel. atukgoed (geschutmetaal). —morning-watch, dagschot. —port, geschutpoort. —powder , s. buskruit; a. Joosjes (thee). —rack, geweerrel. —rod, laadatok. —room, konstabels-, kruitkamer. —shot, schot; dracht van ten schot. —side-tackle,siitalie. --sling, geschutleLg.—smith, geweermaker. —stick, laadatok. —stock, lade. —stone, steepen kogel.--strappling,geschsttstrop. —swivel, steenmortier. —tackle, geschuttalie. —tackle.purchase, benoodigdheden voor het geschut. —train-tackle, inhaaltalie. —vessel, kanonneersloep. —vice, staartschroef. —wale, potdeksel; dolboord. Gun (gun') v. n. schieten. —eel (-nil), s. lie Gunwale. —ner, s. kanonnier, konstabel. —nerp, s. geschutkunst, artillerie. Gurge (gurdsj ► , o. drasikolk. —, v. a. vervwelgen; inslokIcen. Gurgle (guegl), v. n. klokken (els uit eene tlesch).
Zigzag (ztiezeg), a. hoekig, zigzagavijze. —. a. zigzag. ---, v. a. zigzsgawba maker;. Zino (;ingk'), s. zink. —ley, a. zinkachtig. Zodiac (so'dl-ek) a. dierenriem. —al (-(1/0111). a. van den dlerenriem. Zone (noon), a. gordel; luchtstrerk. Zotegraph er (zo•og're--fur), a. dierbeachriiver. —y, e. dterbeanheiiving. —atry Zool its (lio'ul-lajt)„ a. diersteen, ( ol'e-trihi .1. dleraanbidding. Zoning teal (zo-ui.lod'zjiki), a. dterkundig, zoOlogiach. — garden, diergaarde. —y a. dierkunde. Zoophyte (zo'uf-fajt), a. plantdier. Zootont let (so-ot'nm-tat), a. dierontleder. —y, s. dierontledieg, -ontleedkunde. Zounds (irasundr), int vordufveld! clrommelal Zygouta (zaj•go'me), a. jukbeen. — tie (hig-ummet'ik), a. van het jukbeen. Zyzno logy (saj4nol'ud-zjth), s, leer dee gisting. — meter (-naorn't-tur), 5. glatingmeter,

La (lao), int, kijk ! ale 1 Labe faction (leb-e-fek'ajun), a. verz vrakking, —y (-faj), v. a, verzwakkeu. s. opschrift,naambriefje;etiquette; Label codicil, rand van het veld. —, v. a. van ten naambriefje (etiquette) voorzien. Labeni (lee'bint), a. glijdend. Lab, al (lee'bi-el), a. van de lippen, lip ; n. lipletter. —ate (-et), —ated (-eet•id), a, geiipt; mtg. —odentat I o•den'tel), a. met behulp van In lippen en tanden uitgemproken. Labor (lee'bur), s. werk, arbeid; moeite; barensnood. v. a. bewerken, vervaardigen; afrossen; v. n. werken, arbeiden; zich moeite geven (at. for); lUden (under); woretelen (with ); in arbeid zijn. —atory (leb'ur-re.tur-rill), a. werkplaats, laboratortum. (-}),,,d). , t.ijf; gedwoiven; door-
up in, to doe on, to be smitten (taken) with. waken, to drive (to make run) mad. —, in. fool; madman, buffoon, clown; joint of a pomp-handle; movable cap (cowl) of a chimney. roar den — houden. den — steken met, to make a fool of, to banter. —sekeren, on. w. to jest, to banter; o. jesting, triflug --kepraat, foolish talk. —keniuis, mad house, bed!am. —strap, T. fool's cap; m. fool. o. murrnuying,beating. cackling; tattling, chitchat. Gekakell, o.

informer. — geneot, --.tether, copartner. —ieg, v. ecownunication, informetien. —.an, by. coinmunieative ; liberal, charitable. —xaamAeid, v. communicativeness ; liberality, charitableness. Itkededienst kneeht, In. --tnaapd, v. fellowservant. NtedeclInig en, on w. to rival, to compete., to stand in competition. —er, m. —..ter, v. rival, competitor. — mg, v. competition. fledednen, or. w. to join in; on. w. to be of the party. Riodedoouen, o. compassion; pity, COMMISetitti on. —d, by. ens. Zee Ivieedoogend,eny. Mededrintlen, ov. vv. to drink with a. o. Irtedei'eftwiei, bv. coeternal. litedeiiiit.it oar, M. —area, v. joint-owner. Itediee'rfgentsam, tn. coheir; v. coheirs.. 19Iettetlit en. on. w. to partake of a dinner (breakfast, supper), to dine (to breakfast, to sup) with a. o. no. guest; fellow-boarder. Mede seen, on. w. to go (along) with a. o., to accompany. —ganger, m. companion. Riletleigenotst„ m. & v. partner, consort. , --..chap, o. partnerehip., consort 4 on. participation. friledegettaag e, rr., & v. fellow-witness. —en, on, W. to bear witness with others. —eats, v. joint evidence. m. & v. fellow-prisoner.. Meet Medegeven, ov. w. to give along with, to send with, to charge with; to give for a portion; on. w. to yield, to give way. Wileedegetroel, o. fellow - feeling (for), sympathy (stitth). Medelnundolastr, m. copartner. Alledeluelp on, on. w. to contribute, to aselst. —er, sn. —..ter ;, v. assistant, help-mate, coadjutor; coadjetrix. ftliedehasip, v. joint assistance, cooperation, coadjuvarmy. Itiledehustrder, m. joint tenant. lelestelugwectence, m. & v. fellow-inhebqaut. ritedekeizer, m. coensperor. Mell!eklezer, tn. fellow- else tor.


Sum (.um'), s. tom; totaal; hoofdinhoud; toppunt; elotenm. in — kortom. —, v. a. opteilen, opeommen (up). —less, a, tattoos. Sammaach (sjoe'mek), s. ;mink. Snentuar y (eurreine-rih), a. --i/y, ad. beknopt, kort. —y, a. kort begrip. Summer (eum'atur), a. zomer, hoofdbaik; opsommer. —bird, kapel. —bonnet, zomerhoed. —cock, joule zomerzalm. —corn, zomerkor an. —fallow, s. zomerbraak; v.a.zomervoren.—freckle 4 zornersproet. —house, zomerverblijf. —savory,kenle, boonenkruld. —snowdrop, teat eneeawklokje. —aolatiee, zomerzonneettistand. —stir, v. a. somervoren. —suit, zomerkleeding. —weather, zomerweder. —, v. n. den zomer dnorbrengen. Suninserget, (suna'niter. ant), a. Zia Somerset. Summit (sum'mitf, a. top. train; to ppunt. Summon (sum'mun), v. a bijeen :roepen (ur); roepen; aanmanen; dogvaarden. —er, a. dagvaarder; aarimaner. —a (-munz ), pl. dagvaarding. Sump (suinlo,e. poet; emeltkroee. Sumpter (sum'tur), a. lastdier,pakpaord. —horse, pakpaard. —mule, pakezet. —saddle, pakzadel. Sunoptei my (sumtioe-e-rih), a. de weelde (nitgaven) batraffeud; — laws, wetten tegen de weelde. —osity tih). —ousness, a. weelde; hostbaarheid. —out, a. —oueiy, ad. prachtig; twatbear. Sun (sun"), a. zon. zonneetraal. —beat, fel door de zoo beschenen. —blink, zonnestraal. —bright, zonneklaar. —burning, verbranding door de zoo. —burnt, door de zoo ver brand. —clad, schitterend, bestraald. —dew, zonnadauw (plant). —dial, zounewijzer. —doten,zonsondergeng. —fish. zonnevisch. —flower, zonnebloem. —light, zoolicht. —tit, door de zoo verlicht. —riae, —rising, zoneopgang. —set. —setting, zonsondergang. —shine, zonneschijn. zonnig, balder. —spurge, zonneepurrie. —stroke, zonnesteek. —, v.. in de zoo zetten Sunday (suu'dee), a. condag. —fetter, zondageletter. —school, zondagesthool. Sounder (outedur), a. in —, in tweeea, doormid. den. —, v, a. scheiden, afzonderen; vaneen echeuren. Sundr les (sun'driez), a. pl. verechttlende Bingen, divereen. —y, a. versehillende, diverse. Sun leas (sun'tese). a. zonder zoo. —like, a. zonachtig. —ny, a. zonnig. Sap (sup), a. elok, zoopje. —, v. a. sturpen; des avonds onthalen; v. n. het avondolen gebruiken. Sopera bit (ejoe'par ibl). a. —Ply, ed. overkoinelijk. --bleness, a. ON erkornelijkheid. Superabound Isjos-pur-e-baaund'). v. n. overvloedlg zijn; ;with) rtjkeliiik voorzten aim n van. Superabundan ae (Noe pur-e-bun'lene), a overvloed. —t, a. —tip, ad. overtloedig. Superadd (e)oe-pur-ed"), v. a. nog bijvoegen. —ition( dial'utu), a. bij uoegIng; toevoegsel. Sosperannua to (sjoe • pur .en'njoe-eet), v. a. door ouderdom ongeschikt waken; op pensioen stetlen; v. n. varoudeten; overjarig worden. —tion veroudering, ongeschiktheid (door euderdom); pensioen. Superb (sjoe-purb*), a. —ly, ad. prachtig, beerprachtlette. grootec h.
Geld en, or. w. to concern., to regard; on, w. to cost, to be worth, to bear a price; to prevail, to be valid. by. monied, dear, costly; valid. v. costliness; vaiidi y. Goleden, by. past. bw. ego, 6111CO, ling —, long since. GeirdIng, v, articulation. G aired, by. articulate, jointed. Grleerd, be. & bw. learned (-1y). de —e wereld, the republic of irttere. —e, m. & v. scholar, learned rear, -- woman. —keld, v. learning, erudition. G,Irgyee, by. situated; convenle»t. er is reel aan —, it in of much importance. er is niet cars —, it is of no consequenee. to, conyenlent (due) time. Gelegenheld, v., siteattou,state; seat, positron; occasion,opportuntiy.—sgedieht,occetional poem. —spreek, 0i:castanet sermon. —srede, occasional speech. Gelid!, v.jolly. Gale t , o. Zie Gelrlde. —brief, ease-port, pass, safe. conduct. —Gals, conduit-pipe. —geest, tutelar genies. e, o. atteudAnce; guidance; guard, escort, convoy. —elijk, by. & bw. orderly, regular (-Or), motto:1.4feet (-lye. v, orderliness, regularity, metbodicaluens. —en, or. w. to lead, to conduct; to attend, to eccoraparty; to escort, to convoy. —er, m• leeder, guide; conductor. —ing, v. leading, guiding, attendance. Galen, ay. w. to make (to die) yellow; on. w. to grow yellow. Gelep. Gollepper, o. sipping. Goirtirrd, by. lettered, literary. —held, v. learning, erudition. tielealf sr, o. loiterieg, wavering, trifling.. o. joint; reek, file. —Ancor, vertebre. —stutter, bringer-up, last man of a file. Gell*fd, by. dear, beloved. —e, err. & v. lover, lady, sweet-heart; love, beloved, tenetu. Gallefkonad, by. ferorite. GeDsven, m, my. lovers. —, se. & on. w. to pirate. by. similar, alike, equal, same, even, smooth, level, strAight. to to —er to, at the same time. kij heefl skins —e niet, he has not
crying. —enact, ascension; Meria —s4onel, sherpherd's dog. —that, shepherd's cot. Assumption (-day); —sdag, Holy-Thursday, Ascension—skriaap, shepherd's boy. —about, pastoral diaday. —varier, heavenly loather, —vreugd, joy of logue. —eleven, pastoral life. —shied, pastoral Heaven, heavenly blies. —Wawa, sky-blue. score. song. — lefty', crook; crosier. —stases, pouch, —.tweed, immense —sbreedte, latitude. scrip; shepher d 's-puree. —auurtje, happy (critical) —abroad, manna. —egezind, heavenly-minded. hour, I overre hour. —evolk, pastoral tribe. —szang, —egezindheid, heavenly•mindedneas. —eteeken, pastoral song. sign of the zodiac. —en, on. w. to ascend to Ilerdoen, or. w. to do over again. heaven; to die. —ivy, m. & v. inhabitant of lIerdoop, m. rebaptization. —en, on. w. rebaptize. —er, m. rebaptizer, anabaptist. —ing, v. Heeven, celestial, celestial, heavenly. —watts, bw. heavenwa• d, towards Heaven. rebaptizatlon. Hemmen, ov. & on. w. to hem (After). Het drank, m. reimpresaion; new edition, reprint. Hen, v. hen. —nebezie, raspberry. —negat, helm—ken, or. w. to reprint. —king, v. reprinting. port. —nekleed, shroud, pall. —netaster, zie Ai- II ereenig en, ov. w. to reunite. —er, m. reuniter. befit!. —nenei, heu's egg. --lag, v. reuniting, reunion. lien, vow, them. HereeriEjk en, or. w. to rehabilitate. — ing, v. rehabilitation. bw. Zie IJien. Hang, v. hinge. Herelseh en, ov. w. to redemand, to reclaim. )binge), m. angling-rod; handle. —korf, —mand, —er„ m. reclaimer. —tog, v, redemanding, reclahand-basket. —roede, —etok, angling- rod. —vnoer, mation. —etoof, zie lIengselmtoul. —aar, lifferrenzint, s. anachoret, recluse, hermit. m. anger. —en, on. w. to angle (near, for); to Itl ereent en, ov. w. to regraft, to inoculate Again. —lag, v. regretting. hover;" to sail to and fro leaning on the wind, —ing, v. angling. lierfet, m. autumn. —day, day of autumn. —deaden, gossamier. —hooi. after-math. —lucid, anHengeell, o. hinge; handle. —kart, — mand, hand. tumnai air. —mactnd. September. —naehtevening, basket. —stoat, foot-tetore with a handle. m. stallion, stone• horse, eteee. —rbron, autumnal equinox. —t(jd, harvest time. —vrucht, Hippocrene. —ig, by. lubric, salacious. autumnal fruit, —weer, autumnal weather. —wind, II enker, m. hangman, Jack-Ketch; deuce. autumnal wind. —eon, autumnal tun. —aehtig Itennep, rn. hemp. --abler, hump-field. --broth, by. autumnal. hemp-brake.—braker,hemp- broker, —eraren,hemp- Ilergann, ov. w. to go (to walk) back again, to yarn. —bode, hemp-sernl-rake, —the, hemp-seedretrace. oil. —stok, hemp-stalk. —.ot, hemp-reed- —en, Hergeven, or. w. to give bock, to restore; on. by. (of) hemp. w. to give (to deal) again. Ilex, bw. hence. van ouch Hergleten, ov. w. to refound, to recast. of ola, Il•rndena en, on. w. to breathe again, to re- Itergioelen, ov. w. to neal again, to anneal. spire. — ivy, v. respiration. Hergoolen, ov. w. to recast, to throw again. Illernitt.m herald. Ilergrneen, or. w. to dig again. II erbakken, ov. w. to rebake. Ilergrkjpen, ov. w. to Leila again, to take op Herbaren, ov. w. to regenerate. again, to rename. Herberg, v. inn, ta7ern, public house, hotel. liergroe.leen, on. w. to grow ag —en, ov. & on. w. to lodge, to harbor. —ier, linrgrueneti, on. w. to become green again. m. innkeeper, host. —ierater, v. 'unless. —ins, Illergronden, ov. w. to ground again. v. lodging, halboring. be. hospitable. lierhaniater, v. Zie Herlinter. —aavonheid, v. hospitableness, hospitality. Herbal en, ov. w. to repeat, to reiterate. —er, Illerbinden, or. w. to bind (over) again. m, repeater, —ing, v. repetition, reiteration; Ilerbilaken„ on, w. to !shine again. tautology; bij —, repeatedly. Ilerbloet en, on. w. to flourish again. —ing, v. lierhuren, ov. w. to hire again. flonrishing again. Ilerhuwen, or. w. to remarry. Ilerboren„ be. regenerate. warden, to be new- liertik, no. second astoze, gauging (stamping) born, to be regenerated, to revive. again. —en, or. w, to assize (to gauge, to stamp) Ilerbotten, on. w, to rebud. again. v. Zie Ilerbouw, an. rebuilding. —en, on. w. to re- lien-inner en, Or. W. to remember, to call to build. —er, m. rebui;der. —jay, v. rebuilding. mind (tan) to remind of ; itch w. to reIlierbrongen,ov. w. to bring again. member, to recollect. —ing, v. rememloance, Herbuig en, or. vv. to rebend. — ing, a. rerecollection; —evermogen, memory. bending. Herknuw en, ov. w. to ruminate, to chew the Ilerdngen, ov. w. to summon again; on. w. to cad. --end, by. ruminant; — dier, ruminant. —er, dawn again. m. ruminator. —inr, v. rumination. Hardee' en, or. w. to redistribute. —ing, v. Herken bane, by. recognizable. —nen, ov.w. to redistribution. recognize. —ning, v. recognition; —steeken, mark Herdekken, on, w. to cover again. of recognition, badge. Illeordenk en, ov. w. to remember, to recall to lierkette en, or. w. to reexamine. — ing, v. reexmind. —ing, v. remembrance. amination. Herder, no. shepherd, herdsman; pastor. —Belicht, nitrides/mar, bv. reeligible. hid. v. reelfgipastoral, idyl. —Oat, shepherd's reed, — pipe. bility.

LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Is cryptogeld legaal in Kenia


stralend. Glean (glien'), s. (bet) naarstig bijeengelezene. —, v. a. & n. salmon; bijeenzamelen. —er, s., nalezer; bijeenzamelaar. —ing, a. nalezing, nao t (dish e (glieb'), s. grondstuk, grasland, aardklomp. —e, —e-land, pastorieland. --ous, —y, a. aardachtig. Glesie (glied ► , s. hoendergier. Glee (ghee), s, vroolijkheid; lied. —fat, —soce, a. vroolijk, jolig. (gliek), a. muziek; speelman; spot; zeker kaartspel. —, v. n. spotten, gekscheten. ti;ieen (glien). v- n. gloeien, glinsteren. Gleet (gliet'), a. dunne etter, —, v. n. etteren; droppelen. —y, a. druipend; etterig. Glen (glen), a. dal, bergpas. Glens. (glien), a, ongappel. Glib (glib'), a. —ly, ad. glad, glibberig; rel. —, a. groote haarbos over de oogen hangend). v. a. glad (rad) maker,, lubber, —news, a. glibberigheid. Glide (glajd), s. glijdina; verloop. —, v. n. den, sluipen. — r, s. glijd.er ; strik. Glimmer (glim'inur), H. scbemerlicht, glimmer (delfstof). —. v. n. schemeren. —iny, a. schemering, schijn. Glimpse (glimps), s. straal, kort schijnsel; vluchtig gezicht; teeken; zweem. —, v. n. 'etch even vertoonen. Glist (glist), s. moscovisch glas, mica. Glisten (glis'sn), v. n. fonkelen (with). v. n. GPlster (glit'tur), s. glinstering, glans. glinsteren, fonkelen (with). Ginter (glit'tur), s. glans, luistcr; klatergoud. —, v. n. blinker, glinsteren. Gloar (gloor), v. n. gluren, seheel zien. Gloat (gloot), v. n. met groote oogen stares!
—0U8hCSti, a. cngte, gebrek ahU ritimte. —late laaaalla finny (ku-di-re bii'it•tihl, n. na v (-pea'i-teat), v. a. onbekwaam lijkheid. —ble a. onvriendelijk, atug, krachteloos maken, (for, to). —ty ongezeilig. a. onbekwaamheid. Itualrectntion (in-ef-fek-tee'sjun), s. ongekun- steldheid, ongedwongenheid. incarcera te (in-kaar'sur-eet), v. a. gevangen inallena his (in-eerjen-ibl), a. --bly, ad. onver- zetten. —lion (-ee'sjun), a. gevaugeuzetting. vreemdbaar. —bleness, a. onvervreemdbaarheid. Incarn (in-kaarn'), v. a. met vleesch bedekken; v. n. vleesch zetten. —adine (-e-din), a. vleeschInaliceental (in-el-t-men'tei), a. niet voedzaam. kleurig. —ate (-ct), a. met vleesch nekleed, vleesch lnamissible (in-e-mis'aibl), a. onverliesbaar. geworden.. —ate (-eat), a. a. met vleesch bekleeinamorata (in-em ur-ree'to), a. minnaar. den. —ation (-ker-nee'ejun), a. vleeschzetting; s.ledige ruimte. inane (in-een'), a. ledig, ijl. Inanl wale (in-en'i•met), a. levenloos, onbe- vleesch-, menschwording; vlieschkleur. —alive (-e-tiv), a. vleeschmakend. zield. —lion (-c-nisj'un), s. ledigheid; krachte- Incase (in-kees'), v. a. in een' koker aluiten; looeheid. —ty, a. ledigheid; ijdetheid. inappeten ce (in-ep'pe-tens), —cy, a. gebrek bedekken, inwikkelen. Incastell ated (in-kes'til-leet•id), a. (als) in aan eetlust. inapplica hie( in-ap'pli-kibl), a. ontoepaaae- een kasteel opgesloten. —ed, a. ingemetseld; onbruikbaar. —bility (-ke-bil'ittitt), a. ontoe- hoevig (van paarden). paerelWtheid. —lion (•kee'sjun), s. nalatigheid, Incatenaticn (in-ket-e-nee'sjun), a.aaneenschabelong. teraagheid. Inapposite (in-ep'pozit), a. ongepast, onvoeg- Incautious (en-kao'sjus), a. —ly, ad. onvoorziebtig (of). —now, h. onvoorziehugheid. VIIIIII, ondienstig. Inappreciable (in-ep-pri'sj-ibl), a. onachatbaar. IncnaratIou (in-ke-vee'sjun), a. uitholling. Inapprehens lisle (in-ep-pri-hen'sibl), a. on Incendiary (in-sen'di-e-rih), a. brandstichtend; opruiend; oproerig. verstaanbaar. —ire, a. onoplettend (of). s. brandstichter; stokeInappropriate (in-ep-pro'pri-et), a. ongepast. brand. Inaptitude (in-ep'ti-Hoed), a. ongeschiktheid. Incense (inisens), a, wierook. v. a. beInarable (in-er'ibl), a. onbepAoegbaar. wierooken. Inarch (in-aartsj'), v. a. at,igen, enter. Incens e (in-sent'), v. a. warren, verbitteren. —orient, a. toorn, woede, verbitteriUg. --ion Inarticula te (in•er-tik'joe-let), a. onduidelijk. a. aanateking; ontbranding. —ive, a. onveretaanbaar. —tote., —lion (-lee'sjuu),s. en- sarrend; opruiend. —or, a. stokel'rand. —asp, a. duidelij kheid. wierookvat. Inartllicial tin-anr.ti•tb,j'el), a. .—ly, ad. kun- Incentive (in-sen'tiv), a. aonaporend, aanvustelooe, ongekunsteld. rend (to). —, a. prikkel, spoorslag; drtjtveer. Inasmuch, (Zia Insomuch.) Inattention (in-et-ten'ajun), a. onopletteadheid. incept ion (in-sep'sjun), a. aanvang, begin. —ive, a. —ively, ad. onoplettend. —ive, R. beginnend. —or. a. beginner, Inaudi ble (in-aow'dibt), a. —tly, ad. onhoor- InceratIon (in-se-ree'sje.n), a. bedekking met was; weekmaking. boar. Inaugura I (in-aow'gjoe-rel), —tory (-re-tur-rih), Incertitude (in-sueti-tjoed), a. onzekerheid. a. inwijdings-. —te i - reet), v. a. inwijden. —tion Incrssan cy (in-kses'een-sih), a. aanhoudendheid. —t, a. —tly, ad. onophoudelijk. (-ree'sjun), a. inwijding. lnauration (in-aow-ree'sjun), s. vergulding. Incest (in'sest), a. bloedschande. --nous, a. Inauspicious (in-aow-spispe.10, a. —ly, ad. on- —uously, ad. (-sest'joe-us.), bloedschendig. gunetig, onheilspellend. Inch (intsj), a. duim (meat); kleinigheid. at an—, a. aanhanging, onafechei- op een hear. not an —, Keen aaaje. every —, geInbeing heel en al. — by —, by —a, aura voor voet, bangdelijkheid. In born (in'born), a. aangeboren, ingeschapen zamerhaud, van lieverlede; apaarzaa-m. —meat, atuk van een' duim lang; by —, atlenga. —. v. a. (with). —breathed (briettfld'), a. ingeblazen, inNe. (out) bij duimen meted; karig toemeten. —, v. n. ademd. —bred, a. inlandsch; aangeboren. Incase (in-keedzy), v. a. in eene boot aluiten; langzaam vorderen (wijken). InchastIty (in - tsjeetit - tih), a. onkuischheid. opsluiten. —meat, a. opslulting. Ida kniculable (in-kel'kjoe-libl), a. onbereken- incised (intejd), a. duimen bevatton , i. lnchoat e (in'ko-et), a. —ely, ad. aangevangen. bear. Incaleseenee (in-ke-lea'scns), a. warinwording. —ion (-ee'sjun), a. begin, aanvang. —ice (.1to'eIncandesces' ce (in.ken-des'isens). a. gloeibitte. tiv), a. aanvaugend. Inelden ce (in'sf-dens), s. toeval; inval (van de —t, a. gloeiend. Incur-Atact Ion (in , ken-tee'sjun), s. betoovering; cane lijn op de andere). —t, a. toevallig; btikotooverspreuk, -formulier. —cry, (-lien'te-tur-rih),1 mend; elgen (to). —t, a. voorval; bijkomend Kea. betooverend. val. —tat, a. —tally, ad. (-dent'cl-), toevallig; Incanton (in-ken'tn), v. a. tot eon kantou vor-1 btjkomend. men. 'llucluera te (in-sin'ur-eet), v. a. tot ascii verHint:apt% ble (in-kee'pi!,1). a. onbekwaam (of). branden. —lion (-ee'ajun), a. verbranding tot —tleneea, a. onbekwaam- Recs. —bility heid. Incipient (in-sip'i-ent), a. beginnend. Incapacl ous (in.ke-pee'sjos), a. eng. niet ruin, incIrcumscrIptible (in•sur-kum-ekript'ibl), a,

Geld en, or. w. to concern., to regard; on, w. to cost, to be worth, to bear a price; to prevail, to be valid. by. monied, dear, costly; valid. v. costliness; vaiidi y. Goleden, by. past. bw. ego, 6111CO, ling —, long since. GeirdIng, v, articulation. G aired, by. articulate, jointed. Grleerd, be. & bw. learned (-1y). de —e wereld, the republic of irttere. —e, m. & v. scholar, learned rear, -- woman. —keld, v. learning, erudition. G,Irgyee, by. situated; convenle»t. er is reel aan —, it in of much importance. er is niet cars —, it is of no consequenee. to, conyenlent (due) time. Gelegenheld, v., siteattou,state; seat, positron; occasion,opportuntiy.—sgedieht,occetional poem. —spreek, 0i:castanet sermon. —srede, occasional speech. Gelid!, v.jolly. Gale t , o. Zie Gelrlde. —brief, ease-port, pass, safe. conduct. —Gals, conduit-pipe. —geest, tutelar genies. e, o. atteudAnce; guidance; guard, escort, convoy. —elijk, by. & bw. orderly, regular (-Or), motto:1.4feet (-lye. v, orderliness, regularity, metbodicaluens. —en, or. w. to lead, to conduct; to attend, to eccoraparty; to escort, to convoy. —er, m• leeder, guide; conductor. —ing, v. leading, guiding, attendance. Galen, ay. w. to make (to die) yellow; on. w. to grow yellow. Gelep. Gollepper, o. sipping. Goirtirrd, by. lettered, literary. —held, v. learning, erudition. tielealf sr, o. loiterieg, wavering, trifling.. o. joint; reek, file. —Ancor, vertebre. —stutter, bringer-up, last man of a file. Gell*fd, by. dear, beloved. —e, err. & v. lover, lady, sweet-heart; love, beloved, tenetu. Gallefkonad, by. ferorite. GeDsven, m, my. lovers. —, se. & on. w. to pirate. by. similar, alike, equal, same, even, smooth, level, strAight. to to —er to, at the same time. kij heefl skins —e niet, he has not

Acu leate (e-kjoe'li-et), a. stekelig, puntig. —men, Adit (ed'it), a. toegang; mijnWaterleiding. Adjacen cy led-zjee'sena-sih), a. nabijheid. —t, s. scherpe punt; acherpzinnigheid. —minate a. aangrenzend, belendeud. fleet!, v. a. wetten, acherpen. —mination (-mi- nee'sjunl, a. scherping. —te (e-kjoet'), a. scherp; Adject led'-zjekt'),v.a.bijvoegen.—ion(-ziek'sjun), hevig; scherpzinnig; —angle, scherphoek. —tenets, a. bijvoeging. —itious (-tis'sjus), a. bijgevoegd, —ive (ed-zjek-tiv), s. bijvoegelijk naamwoord. (e-kjoet'ness), s. scherpheid; hevigheid; s,herp- Adjoin (ed zjojn'), v. a. bijvoegen; v. n. aanzinnigheid. grenzen. Adage (ed'idij), a. spreekwilze; apreuk. Adamant (ed'e-ment), a. zeilsteeu. —ine (-men' Adjourn (ed-amuen'), v. a. verdagen, uitstellen. —meat, s. verdaging, uitstel. tin), a. hard els diamant; onverbreekbaar. Adapt (e-dept'), v. a. (to) toepassen; geschikt Adjudg a (ed-zjudzj'), v. a. uitwijzen; toewijzen, veroordeelen (to). —meat, a. toewijzing, maken. —ability s. dienstigheid, vonnia. bruikbaarheid. —able, a. dienstig, bruikbaar. —ation(ed-ep-tee'sjun),—ion(-dep'sjun),s.toepas- Adjudicat o led-zjoe'di-keet), v. a. toewijzen. —ion (-kee' slim), 8, toewijzing; vounis. sing; gesehiktmaking, —edness, —nese, a. aan- Adjunct (ed'zjunkt), a, helper; bijvoegsel. —, wendhaatheid; geschiktheid. Add led), v. a. bijvcegen (to); (up) optellen. —, a. verbonden; ,toegevoegd. —ion C-zjunk'ejunl, a. bijvoeging, —ive (-zjunk'tiv), a. bijvoegend, v. n. vermeerderen. —ible, a. vermeerderbaar. Adder (ed'dur), a. adder. —fly, korenbout. —'s. verbindend. grass,—'s-tongue, —'s•wort, adderkruid, slaugen- Adjur nation led-zjoe-ree'sjun), a. bezwering; beeediging; eedsformulier, —e (-zjoer'i, v. a. wortel. Addice (ed'diml, a. dissel. bezweren (by); beeedigen, —er, a. bezweerder, Addict led-dikt' ►, v. a. toewijden; overgeven(to). beeediger. —edness, s. verslaafdheid. —ion (-dik'sjun), a. Adjust led-zjust"), v. a. regelen, in orde brenovergegevenheid, neiging, verslaving, Ito). gen; vereffenen, (to. with). —er, a. hij, die regeit, Addit anient (ed-dit'e-ment), s. bijvoegsel, enz, --meat, a. regelingt vereffening; schikking. —ion (-dis'sjun), s. bijvoeging; toevoegsel; op- Adjut ant (ed'zjoe-tent), a. helper; adjudant. —or telling. ional (-dis'ejan el), a. bijgevoegd. —ive izjoe'tur), a. helper. —ary (-tur-rihl, a. helpend, (ed'di-tiv), a. bijvoegend. —ory (ed'di-tur-rih), behulpzaam. —rix (zjoe'triks), a. helpater. a. vermeerderend, vergrootend. Adjuva nt (ed'zjoe-vent), s. helper; a. behulpAddle (ed'd1), a. wijnmoer, loon, verdienste. zaam. —te, v. a. bevorderen; helpen. a. ledig, onvruchtbaar. —egg, windei. —brained, Adyneasurement (ed-mez'zjoer-ment), a. toe- beaded, —pated, dom, ijlhoordig —plot, spel- meting; afmeting. bederver. —, v. a. onvruchtbaar maken; bent- Adanensuration (ed-men.sjoe-ree'sjun), a. toevelen, groeien. deeling. Address led-dress'), a. toespraak; verzoekschrift; Administ er (ed-min'is-tur), v. a. beheeren; voorkomen; bedrevenheid; adres. —es, a. lief- toedienen; —an oath, ten' eed afnemen; v. n. desverklaring. —, v. a. aanspreken; het hof ma- bijdtagen (to). --ration (-tree'sjun), a beheer; bewind; toediening. —rative (-tre-tiv).a.beheerend; ken; toezenden; (to) wendeu tot. —ed-bill, gedo- micilieerde bedienend. —rator (-tree'tur), s. beheerder; boeAdduc e (ed-djoes' , v. a. bijbrengen; aanvoe- delredder; toedeeler. —ratorship, s. ambt van ren. —eat, a. aantrekkend. —ible, a. aanhaalbaar. beheerder, enz. —ratrix (-tree'trika), s. beheerderes, enz. -tion 1-duk'sjun), s. aantrekking; aanvoering. —tor (-duk'tur), s. aantrekkende spier. Admiral Lonny (ed-mi-re-bil'it-tih), a. bewonAdemptIon (e-dem'sjun), s. ontneming; be- derenswaardigheid. —ble (ed'mi-ribl), a. bewonderenswaardig. rooving. Adenology (ed-i noPud-zjih), a. klierenleer. a. admiraal; admiraalschip. Admir al Adept (e-dept'), a. ingewijde; goudmaker. —, a. rear —al, schout-bij-nacht. —al-ship, a. admiraalachap. —alty, a. admiraliteit. —ation (-ree"ingewijd, ervaren. Adequa cy (ed'i-kwe-sih), a. ge evenredigdheid sjun), e. bewondering. taken up with —ation, vol bewoudering. (to). —te ( kwet). a. —tely, ad. evenredig, over- eenkornatig, (to). —tenets, a. gee‘enredigdheid; Adinir a (ed-majr'1, v. a. bewonderen; beminnen; juistheid. v. n. (at) verbaasd staan. —er, s. vereerder, beAdher a (ed-hier'), v. n. aanhangen; (to) blijven wonderaar. —ingly, ad. bewonderend; met vet.bij, zich houden aan. —ence, —carp, a. aankleving; wondering. toegedaauheid. —cat, a. aankleveud. —er, a. Admissibility (ed-mia-si-bil'it-tih), s. aannemelijkheid; geldigheid. aanhanger. Adlae sion (ed-hi'zjun), s. aankleving. —sive, a. Admin. ibie (ed-mis'sibl), a. aannemelijk, geldig. —ion s. toelatinj (to); toegang; opaanklevend. —sive plaster, hechtpleister. —sive- name (into); aanneming. nests. aanhankelijkheid. Adhibit (ed-inh'it), v. a. aanwenden. —ion (-hi- Admit (ed-mit'1, v. a. toelaten (to); opnemen biesjun), a. aanwending. (into); toegeven; laten gelden (of). —table, a. Adhortatory (ed•hoete-tur-rih), a, vermanend. aanuemelijk, geldig. --tance, a. toelating. no Adieu (e-djoe'), 8. & ad. vaarwel. —tance, verboden toegang. Adipo were (ed-i-po.8ier'), 8. vetwas. —se Admix (ed-miks"), v. a. bijmengen. — tion (-tjun), s. bijmenging. —ture (-tjuer), s meng8el. (-pooz'), a. vet.


In order to attend the Meeting, bearer or dematerialized shareholders shall deposit their shares at the Corporation’s principal place of business register them in an approved establishment, not less than five (5) working days before the date set for the Meeting. Shareholders with registered shares shall be listed in the Corporation’s ledger or registered shares not less than five (5) working days before the date of the meeting and shall notify the Corporation in writing of their intention to attend the Meeting by the same deadline, indicating the number of shares of which they shall avail themselves. solvay.com
Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.

Wat is IOST cryptogeld


D. Hand, v. dead, act, action. achievement. op hector betrappen, to take in the very act (deed). —cook, v. Zie Felt. Hangs, by. a day; on the day. des —, by day, by the day. — te voren, the day before. —daarna, the following day. Daagsackker, o. kedze-oucher. 'Meow/3h, by. doily, every-day.. Daagstsr, v. Zie Hager. Deal, v. pump-dale. [Molder, m. dollar, Dater, bw. there. vw. as, since, because, whereas. Dearaau, bw. at (on, to, about) :it, thereat, thereon, thereto. nonreader, bw. behind it, there bellnd. Demirel, be. of that, thereof. Doarbeueden, bw. down (below) there, beneath that, therebeneatb. Daarbenevena, by. betides (that). DaarbU,bw. thereat, thereto; isbr sides. DnerbInusn. bw . within there. Deerboven, bw. up (above) there. Daarbuiten, by. without (there); besides. Daardoor, bw. by (through) it, thereby. Daerenboven, bw. moreover, besides.
Abeeedar ian lee-bi- si-dee'ri-en), a. a-b-c-onderwljzer; a-b-c-scholier. —y (-si'de-rih); a. a-b- book; a. tot het alphabet behoorend. Abed (e-bed'), ad. te bed. Abele le-biel'I, s. abeel, witte populien Abel tree (ee'bl-trie), a. Zie Abele. Aberdeen (eb-ur-dien'), —fah, labberdaan. Aberrn nee (eb-er'rens), —tion t-ree'ajun), a. afwijking, afdwaling Aberuncate (eb-i-run'keet), v. a. ontwortelen; uttroeien. Abet (e-bet'), v. R. aanhttsen, opstokea; bijstaan. —meat, a. opstoking; hull, —tor, a. aNnhitser; medeplichtige; valsche beschuldigerAbeyance (e-bee'ens), a. toekomstig bezit.in—, onbeheerd. Abhor (eb-horl, v. a. verafschuwen, gruwen van. —rence (-rena), a. verfoeiing, afsehuw (from. of). —rent, a. gruwend; (from. to) mtrijdig met. Abid e (e-bajd') [abode (e-hood')], v. a. verwachten; dulden, bijstaan. —, v. n, vertoeven, wonen (at. in. with); (by) volharden bij. —er, a. 1nwoner. —ing, a. verblijf, duur. —ing-place, a. verblijfplasts. Abigail (eb"-i-Reel), a. kamenier. Ability (e-btrit-tih), s. bekwaamheid. —ies (-tiez), 5. begaafdheden. Abintestate teb-in-tea'ret), a. zonder testament. —, a. erfeenaam volgens de wet. Abject (eb'dzjekt), a. — ly, ad. verachtelijk, gemeen, snood. —, a. verworpeling. Abject (eb-dzjekt'), v. a. verwerpen, verfoeien. —edness, a. verworpenheld. —ion (-dzjek'sjun), (eb'dzjekt-nese), a. anoodheid; verootmoedicing. Abiludleat e (eb-dzjoe'dl-keet), v, a. bij vonnis aan een ander toewijzen. —ion ( kee'sjun), gerechtelbke ontzegging. Alklugate (eb'dzjoe-geet), v. a. bevrijden van het juk. Abjur ation (eb-dzjoe-ree'sjun), a. afzwering. —e (-dzjoer'), v. a. afzweren. Ablactat e (eb-lerteet), v. a. spenen; op-enters. —ion (-tee'sjun), a. spening; op-eating. Abinquention (eb-lee-kwi-ee'sjun), s. blootlegging der wortela. Abintl on (eb-lee'sjuo); s. wegneming. —re lebne-tiv), a. ablativus; a. wegnemend. Ablaze le-bleez"), a. vurig, in vlam. Able tee'b11, a. bekwaam; vermogend. to be —, in staat zijn, vermogen. —bodied (-bod'did), aterk; atevig gebouwd. —ness, 5. bekwaamheid; vermogen. Ably (ee'blih) ad. handig.
251 Renavigete (ri - nev'i-geet), v. a. weder bevaren. Rencounter (ren-kaaun'tur), a. ontmoeting; boteing; schermutaeling, gevecht. —, v. a. aanta8ten; v. n. op elkander atooten; handgemeen worden. Rend (rend) [rent], v. a. scheuren verecheuren. Render iren'dur), a. verseheurder; overgaaf; bekentenis. v. a. terug-, overgeven; over-, opieveren; overzetten (vertalcn); vooratellen ; geven, maken, doen. —able, a. over te leveren; over te geven. Rendez-vous (ren.de-voe;, a. samenkomat; verzernelplaats. —, v. a. verzamelen; v. n. Wren

Is Bitcoin zoals gokken


held. onbuigzaamheid. Stubby (etub'bih), a. vol stronken• tie Stubbed. Stucco (stuk'ko), a. stukadoorskalk. —, a. a. stukadoren. Stuckle Isturk1), a. hoop schooven. Stud (stud'), s. post, still; knopje; hemdtknoopje; stocterij. —book, register van volbloed paarden. —groom, pikeur. —horse, henget. —, v. a. met knopjes heslaart of versieren. —ding, a. bet be-

Wie ontwikkelde Bitcoin


Arabia (e-ree'bi-e), g. Arable. —n, a. Arabisch; Arabier. Aragon (er'e-gon), g. Arragon. Arcadia (aar-kee'di- el, g. Arcadia. Archangel (aark-een'dzjull, g. Archangel. Archibald (aar'tsji. held), m. Archibald. Archimedes (aar-kim-rdiez), m. Archimedes. Archipelago (aar-ki-pere-go), g. Arc hipel. Ardennes (aar-den'),g. the de Ardennen. Areopagus lee-ri-op'e-gus), h. Areopagus. Argyle (aar'dzjajl), g. Argyle. Arian (ee'ri.en), r. Arleen. Aristotle (er'is•tot1),m. Aristoteles. Arkansas (aar-ken'ses), g. Arkansas. Armenia (aar-mrni-e), g. Armenia. —n, a. Arnienisch; i. Armenier. Arnold (aar'nuld), m. Arnold, Arnoud. Arrnean (er-re-ken'), g. Arrakan. Arras (er'res), g. Atrecht. Arthur (asethur),m. Arthur. Aefa (ee'sji-e), g. Azii. —Minor, Lesser—, KleinAzle. —tic (-zi- erik), a. Aziatisch; i. Aziaat. A sphaltites les-fel-taptiez) Lake, g.1)00de zee. Assy (es'sih), f. voor Alice; Lisette, Liesje. Assyria g. Assyria. —n, a. Assyrisch; 1. Assyrian Astoria (es-toe'ri-e), g. Asturie. Athenian (e.thrni- en), a. Atheensch; i. Athener. Athena (eth'enz), g. Athena. Athlone (eth-loon'i, g. Athlone. Atlantic (et-lent'ik), a, Atianttsch; g. Atlantisehe oceaau. Attic (et'tik), a. Attisch. —a ( ke), g. Attica. Attila (erti-le), m. Attila. Aubry (ao'brih), m. Alberik. Augsburg (aoge'lirg), g. Augsburg. August a (ao-gust'e), w. Augusta. —in, —we (-in), m. Auguetinus, A ugustijn. Aurell a (so-1111.e), w. Aurelia. —an, m. Aurelianue. —us, m. Aurelius. Aurora (ao-ro're), my. Aurora. Austin (aos'tin), f. voor Augustin; A ngust. Australia (aos- tree'l 14), g. Australia. Austria (aos'tri-e), g. Oostenrtjk. —n, a. Oosten• rijkech; i. Oostenrjjker. Avon (ev'un), g. the —, de Avon. Azof (ez'uf), g. Azof. Azores (e-zo'riez), g. the —, de Azoriache eilarden,
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den 

cryptogeld voor beginners

×