In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]

ongehan de zuster. —speech, eerste redevoering. ftletjor (mee'dzjur). a. grooter; meerderjarig. s. grootere, oudere; meerderjarige; majoor. —sword, ongebruikt zwaard. —wort, maagden- ( do'mo), a. opperhofmeester. — general, krnid. —head, --hood, 8. ntaagdom, maagdelijk- generattl-majoor. —ity (me dzjor'it-tilt), a. meerhe'd. —like, —1Y, a, ma agdelijk; zedig. derheid; meerderjarigheid; mejoorsehap. (-1i-ness), a. maagdelijkheid; zedigheid. Mali (steel'), a. pantser, mane; brievenmaal, -post; Make meek'), a. vorm, gedaante, maaksel. —bate, twietstoker. —peace, vredeatiehter.—shiff, hulp;Tote; vlek. —coach, pootkar. —day, postdag• middel, uitweg. —weight, toetrift, doorelag. -, v. a. bepantseren. —able, a. per post to see- zenden. —ed, a. gevlekt. Make (meek) [made], v. a. maken, vervaardigen; s. verminking, verlamming; bedoen; bereiken; winnen; dragon. —account, stoat, (rceem'), Maim na(leeling, letoel, gebrekkigheid. v. a. ver- maken. — the best of', zich ten nutte maken; zich sehikken in. — a boast ef, poehen op. minken. —edness, a. verminktheid. — a fool of, vase den gek houden. — good, ver. Males (mien), a. (het) voornaaroste, hoofddeel; maoot; geweld; oceaan, •ereldzee; vaeteland; goeden; vervulljen. head, het hoefd bieden. pakmand; worp; weddensehap. in the —, over — land, land zlen. — a roes, een verlies lijden. het geheel. upon the —, ten laatste, ten elotte. — love, vrtjen. — war, oorlogen, (away) uit. den Main (meen'), a. voornaamete, hoofd-, —bedy, weir mime], (out) ultmsken; verklaren; uitvaargros (van een leger). —boom, zeilboom, giek. digen. (over) overdragen (up) vergoeden; op-, —bowline, grants boeglijn. —braces, groote bras- uitmaken; vol waken; aanvullen; toevouwen; sen. —business, hoofdzaak, .vak. —channel, groot- sluiten; beelechten; — one's mind, eon beeluit rust. —deck, hoofddek. —fear, groot kardeel. semen. v. n. gaan, zich begeven; zich aan-guard, hoofdw seta, —hatchway, groat luik. stellen. — light of, liebt tellen, gering achten. —keel, vaste keel, —land, vasteland. —lifts, — merry, zich vermaken. muchof, veel ophebgroote toppenant, —mast, gyrate mast. —post, ben met, week waken van. (after) volgen; seeachtersteven. —preventer- stay, groote loom 'gag. volgen. (against) tegen. nsdeelig zijn.(at) —sail, sehooverzeil, groot zeil. —sheet, groote gaan op. away) zich wegmaken. (away with) doorschool. —shrouds, pl. groot want. —slide, groote brengen; zich ontdoen van. (for) Melt begeven roar. sehulfepter. groote spriet. —stay, groote (op Melt wegpakken. (on) voortmaten. (up for) vergoeden, heretellen; inhalen.!(up to) toetreden stag, —stay-sail, groat stenge-stagzeil. —tack, groote hale. —tackle-pendent, hanger aan den (afgaan) op, naderen. (with) overeensternmen; zich bemoeien met. grooten moat. --top, groote mars. Zie beneden. Make less (meek'lesa), a. zonder wederga; zender —yard, groote ra. echtgenoat of vriend. —r, s. molter; sehepper. Main 1y (meenqih), ad. hoofdzakelijk, grooten- deels. —pernable (.pur.nibl), a. ale borg toe to Making (meek'ieng), s. (het) maken; rnaaksel. —iron, kalfaatijzer. laten. --pernor (-par.-our), 8. horg, borgtoeht. --prise (-prajz), a. vrijlating tegen borgeteiling; Malachite imere-keji,), a. malachiet. v, a. tegen borgstelling doen onts!aan. —swear Malady (mel'e-dill), s. ziekte. (-s weer) Bra], v. n. valech zweren. Malaga (mere-ee), a, Malaga-au ijn. /11 airlift-du (men-teen', v. a. handhaven, in stand ittlalandera (meren•durz), pl. kniegezwellen. houden; onderhauden; staande houden. —able, Malapert (mere-purt), a. —1y, ad. onbesehaamd, a. houdbaar, verdedigbaar. —er, a. handhaver; onbeeehoft. —ness, a. unbeechasmdheid. Malaxate ( me•leks'eet I, v. a. zeeht (week) maken. onderhouder; beweerder. Maintenanre (trieen'tn-ens), a. onderhoud; hand- Male (meel), a. mannelijk. —. a. mann etje. having, verdedigine. . Male (met - ) administration, a. slecht beheer. Maintop (meen'top), a. groote mars. —content (mel'-), a. mienoegde, ontevredene. —content (mel'.), —contented (-kun-tent'id), a. Maintop-gallant igerlent-), —mast, a. groote misnoegd, ontevreden. —contentedness, s. misleramsteng. —royal-mast s. groote bovenbram- noegdheid, ontevredenheid. sieng. —royal-sail, a grout bovenbramzeil. —royal- shrouds, pl. groot bovenbvarnstengewant, —royal- Male diction (mel•e•dik'sjon), a. vervloeking. yard, s, groote bovenbramra. —sail, a. groot —faction (-fek'sjun), a. wanbedrijf. —factor (-fekt'ur), 8. booadoener. bramzeil. — shrouds, pi. groat bramsteligewent. Male leaswace (mel-tle'zens), s. misdrijf, wan• —yard, a. groote bramra. bedr ijf. —formation (-fur-mee'sjun), s. slechte vorMaintop-mast (meen-top'mast), a. groote stews;. - shrouds, pl. grout stengewant. —stay-sail, s. ming. —practice (-prek'tis), s. kwade praktijk, groot stengeetagzell. onwettige daad. Maintop (tateen-top , ), —sail, a. grant n ► arszeil. Mftlevolen ce (me-lev'o-lens), a. I, waadwillig-suit-yard, a. groote topzeilra. —yard, groote heid, boosaardigheid. —t, a. —tly, ad.kwaadwilmarszeilra. lig, boosaardig. Main - try-Rmeen - traY - ) sail - gaff, a. etormgaf• Malice (merle), a. boos-, kwaadaardigheid, boos fel aan den grooten mast. opzet. to bear —, wrok koesteren. Main-yard (meen'jaard), a. groote ra. Malicious (me-lisj'us), a. —1y, ad. boosaardig, valseh. -ness, a. booaaardigheid. Maize (meet!, a. mays, backache tarwe. Majest is (me•dzjes'tik), —ical, a. —ically, ad. Malign (me-lajn"), a. —1y, ad, boosaardig,nijdig. majestueus, verheven. —lea/tress, a. (het) ma- —, v. a. benijden, benadeelen. jestucuse, verhevene. —y (medzres tih), a. ma• Malign aney Ime-lig'nen•sih), —ity, a, boos, jesteit, verhevenheid. kwaadatadIgheid, valsehheid, —ant, a. —antiy,

cryptogeld api


bee in een" gemeentegrond; student van den Compass (kum'pes), a. omtrek, kring, omvang; rnimte; bereik; kompas. to keep within —, binnen tweeden rang (te Oxford). —ly, ad. gemeenlijk. —ness, s. gerneenheid. de palen houden. —blijven. corrected —, reehtwij Commons (kom'munz), s. de mindere man; (het) tend kompas. dipping miswijzend kompas. —box, kompasdoos„ —card, kompamroos. —needle, Lagerlatis; dagelijksche pot. ce (kom'mo-rens), a. verblijf, wo- kompasnaald. —saw, iijneznag. —stuff, boeghout. Co ► mor kromhout. —timber, —es, s, passer. a pair of —es, ning. — t, R. *woonhchtig. Commotion (kum-mo'sjun), a. beweging, op- een passer. schudding; ontroering. —er, s. onrustzaaier, Compass (kum'pes), v. a. omvatten, insluiten; beoogen; erlangen, bereiken. rustverstoorder. Commove (kum-moer), v. a. beroeren, veront- Compassion (kum-pes'ajun), a.inedelijden. —ate, a. —ately, ad. medelijdend. —ate, v, n. beklagen, rusten. deernis hebben met. COMID111/111 e (kum-mjoert'), v. n. zich onderhou- ke- tin), Compatibility kum-pet-i-bil'it-tih),a.bestaan-den, overleggen baarheid, vereenigbaarheid. s. mededeelbaarheid. —icabt e, a. mededeelbaar (to). --cant, s. A von d maalg anger ; Communi- Compatibl e(kurn-pet'ibi), a. bestaanbaar, atrookend. —eness, a. bestaanbaarheid; vereenigbaarcant. —irate. v, R. mededeelen (to); v. n. ge- heid. —, ad. gepast. meenschap hebben (will); ten Avondmaal, ter Cornmunie gum —ication (-ni kee'sjun), s. me- Compatriot (kum-pee'tri-ut), a. landgenoot, — , a. van hetzelfde land. detecting; beraad3laging; verkeer, gemeenschap. s. makker. —,v.a.evenaren. —icative ( ni-ke-tiv), a. mededeelzaam, spraak- Corapeer(kum• mina. —icativenesi (-ni-ke-tiv' ness), a, mededeel- Compel (knm-pel'). v. a. noodzaken; afdwingen onderwerpen. —lable, a. dwingbaar. —lation (lee' zaamheid, spraakzaamheid. —icatory, a. merle- sjun), a. wijze van aanspreken. —ler, s. dwinger. deelzaam. —ion (-njun). s. gemeenschap: A•ond- maal. —ion-cup, Avondmaelsbeker. —ion-table, Compered (kom'pend), a. kort begrip. (kom'mjoe-nizm), R. ge- Compendi ems (kum-peredi-usl, R. —ously, ad. Avondmaalstafel. beknopt, bekort. —ousness, a. bekuoptheid. —um, meenschap van eigendona. —ist (koni'mjoe•nist), s. kort begrip. a. communist. --ity, a. rnaatschappij; vereeniging; Comperes ate (kum-pen'seet), v. a vergoeden; (het) volk; gemeenschap. vergelden. —ation (kom-pen•see'ejun), R. vergoeCommutability (kurn•mjoe-te-bil'it-tih), a. vat- ding; vergelding. —ative, —story, a. vergoedend. baarheid om veranderd to worden. Commut aisle (lcum-mjoe'tibl), a. verwisselbanr. Compete (kum-plet'), v. n. mededingen; werlijveren (with). -ation (-teeajtin), s. verwisseling, verandering. —ative, a. verwisseling hetreffend. —e, v. a. ver- Compet enee (kom'pi-tens). —ency, a. genoegzaamheid; bevoegdheid; toereikend inkomen.—ent, wisselen, veranderen: afkoopen; v. n. boeten. a, —catty, ad, voegzaam, gepast; toerelkende be(-4joe el), a. wederzijdsch. voegd. —ition (kom-pe•ti•sjun), a. mededi ❑ ging Compact (kom'pekt), R. —/g, ad. dlcht, vast, a. verdreg, bedieg. saamgedrongen. Compact (kum-pekt'), v. R. nauw verbinden, Conpeti for (kum-pet'i-tirr), s. mededinger. s eni e nvoegee; v. e. etch snow verbinden. —edness„ —tress, —trix, a. mededingster. —ness, s. dichtheid, vastheid. —ure (-tjoer), a. Compilation (kom-pi-lee-sjun,) s. verzameling; samenflansing. bouw, samenstel, weefsel. Compile (kum-pajl'), v. a. verzamelen. —r, s. (bum. pee•dzjiz), a. samenstel uit Compages verzamelaar; opsteller. onderscheidene deeien. Companion (kum•pen'jtin), s. metgezel, mak- Coanpiacen ce (kum-plee'sens). — cy. a. voldoening, genoegen; inschikkelijkbeid; heuschker, here'. kaplutk; Bettor Itij den kajuitstrap; heid. —t. a. —tly, ad. aangenaam; vriendelijk; lantaarn. boon —, vroolijke kwant. —able, a, inschikkelijk. —ably, ad. gezellig. —ob/enees, s. gezenigheid. Complain (kum-pleen'), v. a. betreuren; v. n. —ship. s. vereettiging: kameraadschap. (of) klagen over. —able, a. beklagenswaard. —ant, Company (kum'pe-eih)), s. gezelschap, genoot- a. eischer, eischeres, —er. s. klager, klaagster, schen, maatechsppij, venpootschap; gilde; corn- pagnie; troep. to bear —, gezeischap houden, Complaint (kum•pleent.), s. klacht; beklag; kweal; ongesteldheid. to keep —, gezelschappen bezooken. —, v. a. ver- Co ► plaisan ce (kurn-ple-tens'), R. gedienstiggrueller; v. n. omgang hebben (with). heid; beleefdheid; heusch held. —t a. —tly, ad. Compara ble (kom'pe-rib'), a, vergelijkbaar (to) gedienstig; voorkome ❑ d, beleefd. —tness, a. wel—bly, ad. vergeliiketiderivijze. levendlieid; gedienetigheid, beleefdheid. Comp ► rative (kum-per'e-tiv), a. vergeliikend. s. vergrootende trap. —ly, ad. in vergelijkieg. Complain site (kum- plee'neet). —e, v. a. gelijk (effen, vlak) maken. (kum-peer ). s. vergelnking; gelnkents. Compare —, v. a. vergelijken (to. with). —, v. n. (with) Complement (kom'ple-ment), s. aanvulling; vol getal; volkomenbeid; voorr.d. —al (lcom-plewedijveren. ment'el), a. aanvullend. Comparison (ktim-perl sun), a. vergelijking; Complete (kum-pliet'), a. —1y, ad. volledig, vol. verhouding. gelijkenis. Compart (kern-pearl), v. a. afdeelee,verdeelen. homes. —, v. a. volledig, volkomen maken. —nets, a. volkomenheld, volledigheid. —intent, —meat, a, afdeeling., yak. —ition, (kom- Comple tion (kum-plesjun), a. voltooling; per-tis'sjun), s. afdeeling, afperking.
11E11.—DER,, Debit, o. sale. Debit sent, Di% teller, retailer. —eaten. op. w. to , to tell; to debit (with). sell, to retail; to utter —ear, m. debtor. Debossobls, o..channel,exportation, market. Dobnut, o. beginning, outset, debut, first appearance. Dee/ameoren, ov. w. to declaim, to recite, to deliver, to mouth. Doerest,o. warrant, decree. Deep, o. dough, paste. er ran hebben, to enjoy it. ter duly, heartily, thoroughly. —brood, paste-bread. —klomp, lump of paste. —achtig, bv. doughy. Deist-, v. deal, plank, board; thrashing floor. Doel,o part, portion, share; parcel;volume.—hebhes can, to be concerned in, to have a hand in. — semen (can), to participate in; (in) to gym. White with. ten — vatic's, to fall to one's lot (share). ten —e, partly. in alien — e, in every respect,. —genoot, —hebber —hebster, partaker, participant, partner, aesooiate. —genootsehap, partnership," association. —amend, partaking tat), sensible (to), compassionate, eympathizing (with). —unser, participant, interested party. —noting, participation; commiseration, interestoym pathy. —fat, dividend. —word, participle. —.blip. by. partaking of, participating in; — mai:en, to impart to. —aohtigheid, v. participation. —boar, be. divisible. —baarheid, v. divisibility. —en,ov. & on. w. to divide; to share; to participate. —sr, m. divider; divisor. —kg, v. dividing; dtvielon. —e, bw. partly. Deemoed, m. humility. —ig, by. bw. humble (-biy), submissive (-,y). ov. w. to humble. —igheid, v. humbleness, aubmissivenee. v. humbling, humiliation. Deseltik, by. bw. pitiful (Ay), miserable (-bly), wretcued (-1y). Deems, v. girl, lass. Deernie„ v. pity, commiseration, compassion. —uroardig, by. pitiable. Doeseon, m. leaven, yeast. —en, ov. w. to leaven. Detect, o. defect. —, by. defective. Deficit, o. deficit, deficiency. bw. grove t-iy),atately;respentable Deitig, by. (-bly), genteel (-1y). —held, v. gravity, stateliness; respectableness. Desalt. rn. platen. Degeikik, ha. & be. worthy (-fly), solid (-ly), thorough (-1y), sound (-1y), real (-)y), proper (-iy); to the purpose. —held, v. worthiness, solidity. Doges), in. sword, —draper, swordsman; bully, —parent, hilt. —reep, handle. —filing, swordblade. ..-knap, pommel. —koppet, belt. —haat, sword-knot. —.Weed*, scabbard, sheath. —stole, sword-stick. Doyens, vnw. he, she. —a, mv. they. Dolning, v. swell, surge. Datum en, on. w. to retreat, to retire, to give way; to thieve, to fall astern. —tag, v. retreat. Dolt, v. cover, bed-clothes; horse-cloth, dock. —balk.joist, croas-timber.—bed, feather-covering. upper-bed. —bled, floral leaf; wrapper. —bora. shingle. —dust, —prank, deck-deal, dock-plank. —homer, nall•drawer. —henget, stallion. —kleed,
Embroider (e.n-broj'dur), v. a. borduren. —er, s. borduurder, borduureter. —y, a. bordaarwerk. Embroil (em-broji'), v. a. verwarren, verlegen maken; (in) verwikkelen in. Embryo (em'bri-o), a. onvoldrggen vrueht; eerate ontwerp. —n, a. onvoltoold. Emenda bin (e mend'ibl), a. verbeterlijk. —Non (em-en-dee'Rjun), s. verbetering. —toe (em'endee tur), 8. verbeteraar. —tory (-de-turrih), a. verbeterend. Emerald (em'e-reld), a. smaragd. Emerge (e-murdzj'), v. n. oprijzen, opkomen, to voorschijn komen (from). —nee, —ncy, a. ophoming ; onverwachte , omstandigheid, toeval; noodzaak. —nt, a. opkcmend; onverwacht, plotsoling; dringend. Eaneriteel (e-mer'it-id), a. na volbrachten dienst ontslagen; emeritus. Emerolda (em'ur-ojdz), s. aambeien. Emersion (e-mur'sjun), a. te-voorsehijn-koming; wederverschijning (eener ater). Emery (em'ar-rih), a. amen'. Emetic (e-met'ik), a. braking verwekkend. —, s. braakmiddel. Emeu, Emew, (ie'mjoe), a. keener's. Entication (em-i-kee'sjun), a. vonkeling. Emlction (e-milesjun), a. waterloozing. Emigra nt (em't-grent), a. uitwijkend, verhuizend; a. landverhuizer. —te (-greet), v. n. uitwijken, verhuizen. —tion gree'sjun), a. landverhuizing. Eminen ce (em'i-nens ►, _cy, s. verhevenheid, hoogte; uitstekendheid; eminentie. —t, a. —tly, ad. verheven; hoog; uitstekend. Emissary (emle-se-rih), a. verspiedend. a. zendeling; verspieder. Emission (e-misj'un), a. uitzending; uitgifte. Emit (e-mit'), v. a. uitzenden, uitgeven, uitvaardigen; afechieten. Emmet (em'init), a. mier. Eminew (em-ntjoe'), v. a. opsluiten (in eene kooi). Etnolli ate (e-mol'ii-eet), v.a. verzachtend.—ent, a. verzachtend; a. verzachtend middel. —tion lem-ol-lisrun), a. verzachting. Emolument (a-morjoe-ment), a. voordeel; Emotion (e-mo'siun), a. ontroering. Empale (em-peel'), v. a. ompalen, apietsen. —ment, a. ompaling; spletsing. E-npanel (em-pen'il), a. a. naamlijst van gezworenen. v. a. op de naamlijat der gezworenen plaatsen. Empark (em-paark'), v. a. ombeinen; in een park sluiten. Eanpasm (em'pezm), a. stankverdrbvend poeder. Emperor (em'pur-ur), a. keizer. Empha sis (em'fe-sis), s. nadruk, klemtoon. —size (-aajz), v. a. nadruk leggen op. —tic, —tical, a. —tically, ad. (-fet'ik-), nadrukkelijk. Empire (em'pajr), a. keizerrijk; rijk; heerschappij. Empiric (em-pir'ik), —al, a. —ally, ad. op de ondervinding steunend, empirisch; kwakzalverig. —, a. kwakzalver. (-1-aims), s. empiric kwakzalverij. Emplast er (em-plaas'tur), v. a. met eene pietater beleggen. --lc, a. 1tjrnerig; kleverig.

Is Gemini uitwisseling verslag aan IRS


(thinTh1), a. vingerhoed; kolas. Thin (WO, a & ad. -1y, ad. dun, wager, eelaraat, iji; mr..haarach; ledtg; ze)dzaa;n; klein, Bering, zwak;licht. -bodied, ranger, tenger. -clad, licht gekteed. -diet, echrate kost. -drink, Beharrebier. -faced, -visaged, black (manes) van Rangezteht. -gouda, wollen station. --spun, dun (fijn) gesponnen. -strewed, licht bestrootd, don gezaatd. -, v. a. don makan. verdunnen. Thine (thajn), pr. de (het) owe. Thing (thing') a. (Eng, sank ; schepael. -a, pl. taken; plunje. ---um, a. Mr. -, trejnbeer Wogs. Think (thingk') [thought (thaot)]. v. a. denken, meenen, houdeu vaor. much, ongaarne doen; (of) een' hoogen dank koesteren ann. - scorn. veramaden. --, v. n. denken, oordeelen. bealuiten; galooven; (of) denken can, om; bedenken; (on, upon) nadenken, peinzen over; voornemens -er, a. decker. -tag, a. het denken ; gedaehte, meaning. Thinness (thin'neta), a. danheid, schraalheid, ij!heid; geringbeid. Third (toned), a, derde -borough, onderechout, gererhtAtenaer. s. derde deei; terte, -ly, ad. ten darde. Thing (tharl), v. a. borers, doorboren. Thirst (thuret.') a. dorat; begeerte, verlangen. (after. for. of, naarl, v, n. doraton, verlangen ((ater. for, near). -ily, ad. -y, a. doratig. -iness (-i•nesa), 0. doratigheid. Thin' teen (thuetten), a. derider, --teenth, a dortiende. -teenthly, ad. ten dertiende. -tieth 1-ti-ith), a. dertigete. -ly, a. dertig. This (g)itla), pr. daze, dezen, lit. Thfati (this'! ► ., s. diatel; -down, dtatelwo% --finch, d'astetvint, patter. --y„ a. dlatelig. TitIther (thith'uv), ad. daarhecn, derwaarts. -to, ad. tot duaverre. - ward, ad. derwaarte. Tbo' (the), conj. Zie 'Though. Thole (thool), a. koepe(dak; rooidol. -, v. a. verdrsgen; v, n. waehten, toeven. Thong (thong), a. riem. Thor owie (tho-retemik), a. van de borct, bore, (tho'reks), a. karat. Thorn (ttiorn'), a, doree; stake!. -apple, daresappal. -back, eteltelrog; nude vtijater. --oath, ii,freo,truik. -but, heilbot. - hedge, dorenhaag. -hound, dorenhaai, -less, a. sander dorena. -y, a, doora;g, etekelig; moelelijk, lastig.
Imperfect 'fame or Past Participle, Punt, I. & p. Puf , 1. to Quit, i. & p. p. Ran, Rang, i. Read, 1. & p. p. Rent„1. & p. p. Rld, 1. & p. p. Risen, p. p. Riven, p. p. Rode., 1. & p. Rose, 1. Rot, p. p. Rotten., p. p. Rove, i. Run, 1. & p. p. Rung, I. & p. Said, 1. & p. p. Sat,t. & p. p. Sate. i. & p. p. Saw, 1. Sewn, p. r. Seen, p. p. Sent,i. St p. p. Set, 1, & p, p. Shaken, p. p. Shapen„ p. p. n, p. p. p. p. Sim Shewo, u. p. Shod, I. & P.P. Shone, i. & p. p. Shook, i. Shore. I. Shorn, p. p. Shot, 1. p. p. Should, i. Shown, p. Shred, i. p. p. Shrift, F . r . Shriven., p. p. Shrove,t. Shrunk, 1. & P• P. p. p. Shut, i. & p. p. ti+latea, p. p. Slept, 1. & P. p.
nit-tih), s. verdeeldheid. Mims age (dis -joe'zidgj), — e ( - foes'), a. onbruilt. —e (-joes), v, a, ontwennen, niet meer gebruiken. Disvailu atlon (dis.vel-joe-ee'sjun), a. gering!whetting. —e (-vei'joe), v. a. kleinachten. Disvouch (diz - vautar), v. a. weerspreken. v. a. Ditch (ditsj'), a. gracht, sloot; goot. met tent gracht omgeven; v. n. cent gracht, enz. maken. —er, a. graver. —delivered, a. van loge geboorte. Dithyramb (dith'i-remb), a. bacchuszang. —ic (-retn'hik), a. dithyrambisch. Dittander (dit-ten'dur), a. peperkruid. Dittany (dit'te-nib), s. esschenkruid. Ditto (dit'to), a. hetzelfde, dito. Ditty (dit'tih), s. gangvers, lied, deuntje. Diurnal (daj - uenel), a. dagboek. — , a. dagelijksch. —ly, ad. dagelijks. Diuturn al (daj-oe.tur'nel), a. langdurig. —ily, a. lange duur. Divan (di-van'), a. turksche read; rookkamer. Divarica te (daj - verl.keet), v. a. in tweeen deelen; splijten; v. n. zich in twectn deelen. —lion (-kee'sjun), s. vorkswijze splijting; veerkracbt; dubbelzinnigheid. Dive (dale'), v. n. duiken. (into) uitvorschen, doorgrontien. (away; wegslutpen. —r, a. dottier; uitvorecher; zakkenrolier; northern ijeduiker. Diverge (di-vurdzj') v. n. (from) afwijken; eenloopen. - nce, s. afwijking, uiteenlooping. —cit. a. alwijkend; uiteenloopend. Divers (daj'vurz), a. verachillende. Divers e (daj'vurs), a. —ely, ad. onderscheiden; veelvormig —ificalion (di-vur-siti-kee'sjun), s, verandering; veracheidenheid. Divers ify (di - vur'si - faj), v. a. verachillend (atwisselend) maken. —ion (-sine), s. efieiding, atwending; uitspanning, vermaak. —ity, s. verecheidenheid. Divert (di-vurt'), v. a. aileiden; aftrekken (from); vermaken (with). —et., a. middel tot *Adding. —ing, —ire, a. —ingly, ad. vermakelijk. —ice OW, v. a. verlu,tigen. —izement (-tiz-ment), a. verlustiging, vermakelijkheid.
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-
a. bijkomend. —t (ed'vent), s. advent. —titious Adult:Dui ab (ed-mon'iej), v, a. aanmanen (to); waarschuwen (against, of.) —slier, s. vermaner. (-ven-tis'sjus), a. toevallig. —teal (-ven'tjoe-e1), a. den advent betreffend. —tion (-me-nis'sjun), a. aanmaning; terechtwij- a. avoutuur, waagatuk; zing. —tioner (-mo-nis'sjun-u r), s. zedepreeker. Adventure (ed-ven'tjoer), —tire 1.1-tiel, —tory (-i-tur-rih), a. vermanend , ken.; toeval. bill of —, bodemerijbrief. by —, btj waarschuwend. toeval. a all —a, op goed geluk. —, v. a. & n. Admortization (ed•mor-tizee'sjun), a. verwer- waken. —r, a. waaghals; gelukzoeker. —some, a. ving van belastingvrije landertjen. gewaagd, roekeloos. Adnoun (ed'naaun), s. btjvoegelijk naamwoord. Adventurous (ed-ven'tjoer•us), a. gewaagd,roeAdo (e-doe'), a. beweging, ophef. much —about kelooa. Adverb (ed'vurb), a. bijwoord. —ial (-vuebi-e1), nothing, veel geschreeuw en weinig wol. a. bijwoordelijk. Adoleacen ce (ed-o-les'sens), —cy 1-sen-sih), s. Advera airy (ed'vur-se-rih), a. tegenatander; a. jongelingschap. —t, a. jongeliog; a. jeugdig. tegenstrtldig. —ative (-vueee-tiv). a. tegenatelAdopt le-dopt"), v. a. aannemen. —ed ehild,aan- genomen kind. —er, a. aannemer. —ion (-clop'. lend. —e, a, —sly, ad. atrtjdig; onvoorspoedig. —eness, a tegenstand; aandruisching tegen. —ity sjun), a. aannemlng. —ive, a. aannemend; aan- (ed-vur'sit-tih), a. tegenspoed. genomaen. Ador able (e-door'ibl), a. aanbiddelijk. —able- Advert, (ed-vurt') v. n. (to) acht geven. —ence ness, s. aanbiddelijkheid. (ed-o-reesajun), (-tens), —ency, (-ten-sih,), s, oRmerkzaamheid. a. aanbidding. —e, v. a. aanbidden. —er, a. aen- —ent (-tent), a. opmerkzaam. —sae Ied'vur-tait), bidder. v. a. berichten, aankondigen. —isement (tiz-ment, -tajement), a. bericht, advertentie.—iser(tarzur), (e• Born'), v. a. veraieren. —ing, a. eieraad, a. aankoadiger, advertentieblad. versiering. Adown e-daoun , ), ad, near beneden; prp. langs. Advice, (ed-vaj's), a. raad; bericht. —boat, adviesjacht. /Ids-fit (e-drift'), ad. slot; drijvend. ad. vlug, behendig. Advigliate (ed-vi'dzji-leet), v. n. waken. Adroit (e drojt ► , Ativis able (ed-vajz'ibi), a. raadzas,m. —ableneaa, —ness, s. behendigheid. a. raadzaamheid. —e, v. a. raad geven; berichten; Adry (e-drarl, a. dorstig. v, n. beraadslagen. —ed, a. —edly, ad. (-id-), Adecititious (ed-si-tis'sjus), a. toegevoegd; ont- bedachtzaam; overlegd. —ement (-vejz'ment), a. raadgeving; berichtgeving. —er (-vajz'ur), a. readAdstrIct loss (ed-strik'sjun) a. samenbinding. gever. —ory (-ur-rih), a. raadgevend. (ed-strin'dzjent), a. samentrekkend. Adstringent —te Adulation (ed-joe-lee'sjun), 8. vleiertj. —ory (ed , Advoca cy (ed'vo-ke-sih), s. verdediging. joe-le -tur- rill), a. vleiend, pluimstrijkend. (-beet), v. a. platen soar, verdedigen. —te (-ket), (kee'sjun), Adult (-edule), a. volwassen; a. volwassene. a. pleitbezorger; voorspreker. —tion —crate (-tur-eet), v. a. vervalachrn, bederven; v. a. pleitbezorging, verdediging. n. overspel begaan. —eration (-tur-ee'sjun), a. Advow ee (ed-vaau-iel, a. schutspatroon; collater. —son led-vaau'zun), a. patronaatrecht; vervalsching. —erer (-tur-ur), a. echtbreker; af- recht can eollatie. godendienaar. —cress (-tur-ess), a. echtbreekster. —erine (-tur-ajn), a. onecht. —croon, a. overspe • Adz, Adze (edz). a. Zie Addice. lig. —ery (-te-rih), a. overspel. —ness, a. volwas- Aegilops (ed'eje-lopa), a. traanzweer. Aegis (te'dzjits), a. schild can Minerva. scnheid. Adumbra not (ed-um'brent), a. schaduwend. —te Aeolian (ie-o'ljen), a. —harp, Aeoluaharp. (-breet), v. a. echaduwen; aehetsen. —tion (-bree' Aer ate (ee'ur-rest), v. a. luchten. —ial, lee-Priel), a. be lucht betrellend; verheven. —is (ie'ri, sjun1, a. schaduwing. ee'ut•rih), a. nest van roofvogels. —ification (-riAdunation (ed-joe-nee'sjun), a. samenvoeging. Adsinc ity (e-dun'sit•ih), a. haakvormigheid. —ous 11-kee'sjun), a. culling met lucht. —iform, a. 1-i-fall, v. a. met lucht opluchtvormig. (-kua), a. haakcormig. sullen. —ography (og're-fih), a. luehtbeechrtjAdust (e-dust'), a. verschroeid; ontstoken.—ible, —elegy a. verbrandbaar. —ion (-jun), a. verbranding; ont- sing. —olite (-o-lajt), a. meteoorsteen. (-01'ud-zjih), a. luchtleer. —ometer (-onal-tur), ateking. s. luchtmeter. —onaut (-o-naot), s.luchtreiziger. Advance led-vaans'), a. voortgang; veredeling; a. luchtvaart —onautical, —onautic (-o-naot'ik), bevordering; winst; voorachot. v. a. bevorde- betreffend. —onautics 1-o-noat'iks), a. luchtv aartren; veredelen; bespoedigen; verhoogen; voordra- gen; voorschieten; v, n. vooruitgaan lin); verwer kunde. —oseopy (-os'ko-pth), a. waarneming der lucht. gee.; naderen (to). —ment, a. vooruitgang; be Aerostat (ee'ur-os-tet), a. luchtbol. —ic (-tet'ik), vordering. —r, a. bevorderaar. —ical 1-tet'ikl), a. de luchtweegkunde betreffend. Advantage (ed-vaan'tidzj), a. voordeel (of. over); --ica (-tet'ikal, a. luchtweegkunde. —ion (-tee' goed gevolg; gunstige gelegenheid. to take —of, zich ten nutte fflaee-i. to turn to —, winat at- sjun), luchtvaartkunde; luchtweegkunde. werpen. —ground, so , rdeelig terrein. personal Afar (e-faar"), ad, ver. from —, van veers. —s, gunstige eigensciv.ppen. —, v. a. bevoor- Afeard (e-fterd' ► , a. (of) bevreesd. deelen; bevorderen. —ous (ed-ven-tee'dzjus), a. Afer (ee'fur), a. zuidwestewind. voordeelic. —ousness (ed-ven-tee'dzjus-ness), a. Atrab fifty (ef-fe-bil'it-tih), s. minzaamheid. v oordeeligh —le leetible a. —1y. ad . minzaam, epraakzaam. Adven e (ed-vien'), v. n. bijkomen, —ient (-leot), —leness, a. minzaamheid.

PE R.—PER. `218 Perle•gy (per-i-nedzjih), e- noodelooze zorgvul- —, v. a. vtrgunnen, veroorloven, toelaten —tance, s. vergunning. digkeid, overdreven ijver; opbef. Perige a (per'id- Ole), —um (-i-dzji'um), a. naaste Peranixtion (par- miks'tjun), a. vermenging. Permut ation (puremjoe-tee'sjun), a. verwiseestand bij de aarde. Perigraph (peet-gref), e. vluchtige sehets. —he- ling. —e (-mjoet'), v. a. verwiseelen. Pernancy (puenen-sih), s. inning, hefting. tithes s. naaste stand bij de zon. lion in — tlenden in natura. Peril (peeil), s. gevaar. —, v. a. In gevaar bren- gen. —out, a, —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, s. PernIciouti (pur-nisrus). a. —1y, ad. schadelijk, verderfelijk. —nese, a. verderfelijkheid. gevaarlijkheid, Pernoctation (pur-nok-teelijun), a. (het) nachtPerimeter (pe-rim'i-tor), s.omtrek. Period (pi' ri - ud,, s. tijdkring, tijdperk; geregelde waken. —ic, Peroration (per-o-ree'ajun), a. alotrede. terugkeer; om-, afloop; einde; volzin, periode. telkens wederkee- Perpend (pur-Pend'), v. a. overwegen. —er, a. —teal, a. —ically, ad. kraagsteen. —icle (-1k1), a. schietlood. s. tijdsehrift. rend, periodiek, —teal Perpejnidicniar (pur-pen• dik'joe ler), a. —ly ad. Pericpci (per-J.4'8RJ), p•omwoners. loodrecht, rechtstandig. —sty l-ler"per-i-os'ti. um), a. beenvlies. PeirA it - tlh), a. loodrechtheid. Peripatetic, (per-1-pe-tet'ik), s. volgeling van Artstoteles. —, —al, a. omwandelend, peripate- Peepetra te (pnepe-treet), v. a. hedrijven, pie—lion (-tree'sjun), a. beditving; (het) plegen; ttsch. gen. Peripher tot I pe-rirur-el), a. van den orntrek. euveldsad. —tor, a. bedrtiver, dader. i.fer'ik.), a. van den omtrek; een Perpetu al (pur-petloe-e1), a. — ally, ad. aan — tic, — lea/ (per houdend, altijddurend, eeuwig; —screw, achroef omtrek vormend. —y, a. orntrek. zonder eind. —ate (-eat), v. a. doen voortduren, Peripbrac a (eer'i-freez), —is (pe-elf:re-sia.) , vereeuwigen. (-ee'sjun), a. voortduur; omsehrkiviug. —e, v. a. omsehtioven. —tic, —twat, voortzetting, vereouwiging. a. — tieally, ad. (-frea'tik-), ornschrijvend; door a. al tijddurendheid, eeuwigdurendheid. ornacheilving, Pertpneummby Iper-ip-njoe'inun-nth), a. long • Perplex (pur-pleks), v. A. verlegen maken, ver steld doen stsan; verwarren. — ed, a. —edly, ad. ontateking. Peripter al (pe-rip'tur-e1), —ma, a. met eene verlegen, veralagen; verward. —edness, —ity, a. verlegenheid, verslagenheid; verwardheid. zutienrij omgeven. pl. randomPrrquisit (pur'kwi - zit), a. nuitenkaneje, fool. Perisri ant (pe-risri-ens), —i —ion (-zisron), s. nauwkeurig onderzoek, doorachadowigen, zoeking. Pe•lscope tper'i- skoopl, s. gezicht In het road. Perish per'imj), v. n. omkoine., vet ungelukken, Parr ler (peed-or), s. steenwerper (kanon). —on (-run), a. stoep, hordes. —y, s. perendrank. to gronde gasp/ (by. of. with). —able, a. Terganke- Perscru t anon (pur-skroe-tee'sjun), nauwkeuiijk. —ableness, a. verg-anketijkhetd. Pert sperm (per'i-sperm), s. zaadvlies. — spheric ripe doorzoeking. a. holvorrnig. —staltie (-st,t1'tik), a. Persecu te (pur'ise - kjoet), v. a. vervolgen, k welhen. — lion ( - kjoe'sjun), s. vervolging. — ton, a. vex, • un), a. worm vormig, kronkel end. — terion vol,,e.r. lizerkruld. — stile (-staj)), s. eirkelvormige mot- Persever once (pur-se-vier'ens), s. volharding. darn-Mies. teltrij. — toneunt —ant, a. volhardend. — e, v. n. volharden (in). PerS veto; (pee'l_wigl, a. pruik; valach hear; v. a. met va I seta hear bedekken; — maker, preikmaker• — ingly, ad. met volharding. (..wing,1(1), a. mangdenpalm, hart- Persimmon (pur - sini'mun), 8. ditdelpruirrt, Pers8st ,pur-sise), v. n. volharden, volhouden nuissei (in). —enee,—ency,s.volharding;harcluekkigheid. P.eciur e (pur'dzjoer), v. R. (one's self) eon' vat - —ent, a. blijvend. —ire, a. volhardend; halo schen eed doe.. —ee, a. metneedige. —ions (-dzjoe' sta rrig. a. meinced. ri - us), a. meineedig. Perk purl), R. trotsch, verwaten, levendtg, wak- Peroon (pur'sn), a. persoon; rol,karakter; triterlip, —able. a. welgernaakt; bevoegd om te pleiv. R. tooten, op,chikken (up ; ; v. n. her, fltnk. ten. —age. a. per8onaadje; rol, karakter. —al, a. eere none horst zetten. persoonlijk, — goods. roerende goederen. —caity, Perkin (purNin),s. fruitwijn. .-el'it-till), a, persoonlijkheid. —ally, ad, in perPertustration Ipur-)us-tree'sjun), 8. heziebti- soon. —ally, a. persoonlijk eigendom. —ate ging. Permanevi ce (puemeen , us), —cy, s. voartdu- (-eel', v. a. vertegenwoordigen, voorstellen; zich uitgeven your; apelen. — ation t - ee'sjun), a. voor dourzaarn, voortdu- ring, dour. —t, a. —tly. ad stelling, nabootming. —ator ( - ee - tur), a. voorstelrend. ler, nabootser. — ificatioa ( - son.ir- i - keesjun), s. Per an eq., hie (puernt-ibt), a. doordringbaar. —bi- verpersoottlijking. — ify ( - son'i•faj), v. a. verpers. doordri, , gbaarheid. — te ( - e - bi aoonitIken • , - eet,), v. a. , loordrinren. —tion (-ee'sjun), a. door- Perspective (rur - spek'tiv), a. van de vergezichtdeluging. kande. —,,vergeziehtkunde;vergezieht,versehiet; Per miNellble (pur - rnim'sibl), a. doormengbaar. verrekijker. — /y, ad.door een glas of kijker gezien. Peemi.I tale (pur.rnis'aila)). a. vergunbaar. — on ), a. vergon uing, verlof. —re,P.—rely, ad. Perspficaci out pur-spi-kee'sjus), a• seheroziend; seherpzinnig. —ousness, — ty (-kes'it•tih), vergonnend, toelstend. a. seherpziehtigheid: seberpzinnigheid. P.•a.aat (pur-mit', pur'mit), a. ver)of; geleibrierje.

Hoe cryptogeld portefeuilles werk


CHA—CHI dom. —, v. a, bij charter inatellen,hevoorreeh- kooper. —paring, kaaakorst. •—press, kanapers. ten: bevrachten. —land, vrijgood, —party, char- —running. kaaswei. —runnet, —wort, lidkruid. tepartij. —r, a. bevrachter. Cheesy (tajte'zih), a. k 4 ...chtigChary (tsjee'rih), a. zorgvuldig, behoedzaam; Chely ikelih). a. kreePtschaar. zaiuig. Chemic (kem'ik), —al, a. —ally, ad. scheikundig. Chase (tsjees') s, jueht, vervolging; wlldbaan; Chemist (kem'istl, a. scheikundige. —ry, a. acheidracht (van geschat); vorinraam. —. v. a. jagen; kande, vervolging; najagen. —gun. boegstuk. —r, a. ver. Cheque (tajek), a. bon, assignatte. volger. nsjager. Cherish (tajer'isj), v. R. koesteren, verplegen; Chassis (kezml„ a. kloof, afgrond. Itelhebben. —er, s. verzorger; beachermer. Chasselas (sjes'ae-les), a. snort van druif. Cheroot Itsje-roet'), a. sloe, Chaste (tajeest'). a. —1y, ad. kuisch, eerbaar. Cherry (tsjer'rih), a. kers. —, a. kerskleurig. s. kuischheld, zuiverheid. —tree, knisch- —bay, --laurel, laurierkera. —pit, kailtjeaspel. boom. —stone, kersepit. —tree, kerseboom. —checked, Chasten (tmlees'n), v. a. kaatijden, vernedereu. roodwangig. Chastise (tsjes-tajz'). v. R. kastliden, tuchtigen. Chert (tspart,*), a. kwarta. —y, a. kwartaachtig. —meat (tsjes'tiz meat), s. kastijding. —r, a. kas- Cherub (teler'ubl, a. engel, cherub. —ic, —ical, tijder. (taje-roe'hik-), a. entrelachtig. Chastity (tsjes'tit-tih), s. kuischheid. Cherubim (tajer'oe-bim), a. cherubim. Chat (tajet), a. gesnap, gekeuvel; katje (Ran Cherup (tsler'upl, v. n. tjilpen, kweelen. boomen). —, v. n. snappen, keuvelen; (away) Chervil (tajuevill, a. kervel. keuvelend doorbrengeu. Chesible ftsjeeibli, a. kasuifel. Chattel (tsjet'til), a. have en goed; roerend goed. Cheslip (teleslip), a. varkensluia. Chatter (tsjet'tur), a. gesnap, gekakel. v. n. Chess (tsjeal, a. sehaakspel. —board, eclutaksnappen, kakelen; klappertanden (with cold). bord. —man, achrtakflguur. —player, schaakspe-box, snapper, anapater. —ce, a, praatvallr. —ing, ler. —tree, halskl a. geanap, gekakel. Chessosu (tales'sum), a. lame aarde. Chatty (tsjet'tih), a. praatgraag. Chest (isjeat"), a. kist, kart; Borst. —of drawers, ChM WOOd (tajet'woed), a, brandhout. latafel. —foundered, a. dempig. Chavender (tajev'en-tor), a. rivierbaars. Chestnut (tsjes'nut), a, kastanje; -kleur. —, a. Chaw (tsjao), bie Chew. kastartjehruin. —plot, kastanjeboach. —tree, liasCheap (tsjiee,'), a. —ly, ad. goedkoop. dog—, tenjeboom. srhandekoop. —en, v. a. dingen, bteden. —ener, Clievcril (tslev'nr-i1), a, geitje; zeemleder. a. clinger, bieder. —nem, a, goedkoopheid. Chevisance (sjev'i-zens) a. onderneming. Cheat oijietn. a. bedrag, schelmerij. —, v. a. Chevron (sjev'rnr), a. spar; chevron. bedriegen. —er, a, bedriver. —ing/y, ad. Chew (tsjoe), v. a. kanwen;overdenken:v.n.peinzen, bedriegelijk. § Chrwink (taloe'ink), a. roodborslje, Chek (tajek'), a. Faulting, beteugeling; beletsel; Chicane (sji-keen'r, —ry, a. gezocht voorwendtegenspoed, nederiaag; verwijting; geruit bunt; eel, —haarklooverij. —, v. n. haarklooven, vit. contraboek; assignatie; schaalt. to give a — to, ten. —r, a. twiatzoeker, haarkloover. in bedwang houden. clerk of the —, oppercon- Chick (tsjikl, —en, a. kniken. —en-hearted, a. trOleur. —, v. a. stuiten, beteugelen; berispen; lathartig. —en-pox, windpokken. —ling, a. kidcollationeeren; v. n. StlifitRall. —mate. schaakinat. kentje. —pea, sisser. —weed, muurkruid. —roll, staatalijst. —less, a, zonder contrOle.—er. Chide (*.BAN') {chid. chid, chidden], v. a. beknors. beteugelaar, hedwinger. raw v. n. knorren, grommet, —r, s. berisper, Checker (tsjek'ur), a, geruit week. —board, dam- tthorrepot. of schaakbord. —s (-um), a, darn- ofsehaakapel. Chief (tsjier), s. hoofd, Ranvoerder. commander —, v. a. schakeeren, geruit maken, —ed, a. boat, in —, opperbevelhebber. voornaamate, eergesel, a based. —work, ingelegd week. ste. —less, a: zonder aanvoerder. —/y, ad. voorCheek (tt,jiele), a. wang, slooiknie. —8 of a door, namelijk. —fain (-tin), a. opperhoofd. —tainry, deurponten. —8 of a balance, schaar eener ba- —ship, a. aanvoerderachap. — by jole, onder vier oogen. —bone, kake- Chilblain (tslirbleen), a. winter (Han handed been, —hoop, ijzeren band om den hommer. of voetenl. —tooth, baktand. Child (tsjalld'), a. kind. from a —, van kindsbeen Cheer (tajier'), a. onthaal; opgeruimdheid; toe- of. with —, manger. —bearing, baren. —bed, latching; begroeting. to be of good —, opgeruimd kraambed. —birth, bevelling. —hood, ktndschheid. zijn. what —1 hoe gnat bet? a. verheugen, —ish, —like, a. kinderaehtig, kinderlijk. —ishness, vroolijk maken; toejuichen; begroeten; v. n. a. kinderachtigheid. —less, a. kinderloos, vroolijk worden; juicben; (up) moed acheppen. Childer - mas - day (tsjirdur-men-dee), a. onnoo-er, a. opvroolijker. —ful, a. —fully, ad blij- zele-kinderendag. moedig, vroolijk, —fulness. a, blijmoedigheid. Children (tsjirdren), a. kinderen. —less, a. neerslachtig. —ily (•ii-lih). ad. —y, R. Chiliad (kil'i-ed1, e. duizendtal; tien eeuwen. vroolijk, opgeruimd. a. koud, kil; Chill (tajil'), a. koude, huivering. Cheese (tsjiee), a. kelt.. —bow!,kaasnap. —cake, ongevoelig. —, v. a. koud maken; afschrikkeni kaaawronget. —frame, —vat, kaaskoek. v. a. huiveren. —iness, —ness, a. koude, kaaavorm. —lip, kartsleb.,stremeel.—monger,knas —y, a. & ad, kilaehtig; koeltjes.
PAR.—PAS. 213 fine —, ik Len er mnoi aan toe. —book, klanParterre (paar-teer'), a. bloemperk; parterre. tenboek. —key, hoofdsleutel, looper. —parole, Partial (paar'ejel), a. —1y, ad. gedeeltelijk; een—word, wachtwoord. —rose. anemoon. zijdig, partijdig (to). to be — to, voorliefde heb• ben voor. —ity (-sji-el'it-tih), s. eenzijdigheid, Pass (peas), v. a. gaan (door, over); doorbrengen; doorlatIn; overzenden, te "uoven komen; overpartt digheid. treffen; boeken. — to account, in rekening bren Parti batty (paar-ti-bil'it-tih), a. deel-, echeidgen. — a ball, ten' bal maken. — a bill, cent baarheid. —ble (paart'ibl), a. deelbaar, Beheldbill aannemen. — a business, eene zaak uitmabear. ken. — a draft upon, een' wince! afgeven op. Participa ft (per-tiel-pent), a. deelnemend; — a jeer upon, bespotten. — a muster, gemon• deeihebben.i; a. deelnemer, deelhebber, aterd warden. — a sentence (judgment) on, vonv. a. & n. deelachtig zijn. deel hebben, deelnenis vellen over. — a Revere test, een etreng ondermen !in. of). —lion (-pee'sjun), a. deelneming, zoek cloorstaan. — a trick upon, eene poets apelen. deelachtigheid, verdeeling. —tor (-pee-tur), s, — one's verdict, sijn gevoelen zeggen. — one's Lie Participant. word, zijn wooed geven, instaan (for). (away) Partici plat (paar-ti-sip'i-e1), a. —piably, ad. doorbrengen. (by) over 't hoofd gen; overelaan. deelwoordelijk. —pie (paar'ti-sipl), s. deelwoord. (over) overleveren; ovarzetten; overelaan, over Particle (paar'tikl), a. deeltje; greintje; onver't hoofd (door de vingers) den; voorbijgaan. —, anderlijk rededeel. Particuiar (per-tikloc-ler), a. bijzonder; nauwv. n. gaan, voorbij-, overgaan; verloopen; er het oog loo. to make — in made door kunnen; pleats grijgen; ultiallen; keurig; zonderling. a. bijzonderheid; btzender perpaesen. to come to —, voorvallen, gebeuren. to — pend maken. into law, tot wet worden. (away) overgaan. (by) soon. in —, in 't bijzonder. —ity (-ler'it-tih), a. Mizouderhaid; nauwkeurigheid; zonderlingheid. voorbijgaan. (for) doorgaan voor. on voortgaan; vervolgen. (over) voorbij-, overgaan, overepringen. —are (-ajz), v. a. in al de Vzonderheden verbalen of opgeven; v. n. in bijzonderheden treden. Passa ble (paas'sibl), A. —bly, ad. begaanbaar, toegankelijk ; gangbaar • tamelijk , dragelijk, —1y, ad. in 't bijzonder, voornamelijk. Parting (paart'ieng), a. verdeeling; scheiding; —bleness, a. dragelijkheid. het driftig worden. —, a. afscheids-; ten einde Passado (pes-see'do), s. uitval, atoot. loopend. —breath, laato'e ademtocht. —cup, af- Passage (pes'sidzj), a. doorgang, goat; doorrein; veergeld: voorval; pleats (nit een boek). scheidsdronk. —kite, afscheidskus. —money, kletn bird of —, trekvogel. —boat, veerschuit. —money, geld. passagters-vracht. Partisan (paar'ti-zen), s. aanhanger; partijgan. ger; bardezaan; bevelhebber; commando-staf. Passant (pes'eent), a. gaand, etappend. Passftree (pes-se-rie'), a. hullentouw. Partite (paar'tajt), a. verdeeld. Partition (per-tierun), s. deeling, verdeeling; Passenger peesen-dzjur), a. passagier., reiziger. —hawk, zwerfvalk. —room, wachtkamer. —train, scheiding, beechot; vak; partituur. —wati,scheidspassagiers-train. muur. —, v. a. verdeelen; afechutten. Passer (paas'eur), a. voorbij ganger, reiziger, —hy,, Partitive (paar'ti-tiv), a. —1y, ad. deelend. a. voorbUganger. Part let (paart'lit), e. halskraag. —ly, ad. gePasserine (pee'se-rin), a. van de mueschen. deeltelijk. Partner (paart'nur), a. mairker, meat; deelge- Paint lie ipea'aibl), a. ltjdbaar, gevoelig. —bility (-si-bil'it-tih!, —bleness, a. lijdbaarheid, gevoe moot, vennoot; mededanser; viseching. —ship, a. maatschap; vennootschap; maatschappij. ligheid. Partridge (partetridzj', a. petits. —call, voge- Passing (paas'sieng), a. voortreffelijk. —, ad. uitermate, neer. in —, in het vooriagaen. laaretleitje. —shell, veder-, patrtp,horen. doodklok. —note, overgangsnoot. —place, nitPartite ent (per-tjoe'ri-ent), a. barend. —lion wkikplaate. (paar-tjoe-risrun), s. baring. Party (paar'tih), 8. partii; gezelechap; deelnemer. Paasion (pearuft), a. drift, haetstocht; lijden. to (fly) into a —, zich driftig maken. —flower, fall deal hebben. deelnemen aan to be a — in (to). passiebloem. —week, lijdensweek. —ary, s. book betrokken zijn bij. — in contempt, in gebreke der martelaren. —ate, a. —ately, ad. (-et-), blijvende parti,j. —colored, bout. —jury, gemengde hartstochtelijk; opvliegend. —less. a. ozgevoelig, jury. —man, parttiman. —rape, partawoede. be acrd, kalm. —spirit, partijgeest. —wall, tueschenmuur. Peony a (peesiv), a. —ely, ad. lijdelijk, lijdend. Parvis (paaevis), a. voorhof, kerkportaal. —cam, —ity a. lijdelijkheid; geduld; Pas (pa), a. pas, schrede; voorrang. 11jdende toestand. Paschal, (pee'kel), a. paasch-, van het paunchPassover (paas'o-vur), s. paaschfeest;paasohlam. feest. — lamb, paaachlam. Past (peep, a. hoofd; slag, etoot. —, v. a. stoo- Passport (paas'poort), s. pas, paspoort. Past (pewit"), a. verleden; geleden; voorbij. a. ten, kneuzen. (bet) veeleden. prp. over, buiZen, meet dan. Pasha. Pashaw (pe-sjao'), a. Lie Pacha. Pasque-flower (peak'fianw-ur), a. paaschbloem, a quarter — seven, iwart over seven. — a child, geen kiati meer. — cure, — recovery, onkerstelanemoon. bear. — dispute, on•etwistbear. — doubt. zonder Pasquinade (peeki-neect, a. schotschrift, pastwijfe. — hope, hopeloos. — marrying, te cud v. a. hekelen, doorhalen. kwil. om te huwen. — shame, sehaamteloos. Pass (peas'), a. pan, engte, toegang, doorgang; pas, paspoort; etoot; etaat, toestand. 1 am at a Paste (peest'), a. deeg, pap, beelag; valsche edel-
Doorvaart, v. passage. Doorvalten, or, W. to Weak (to wound) by falling; on. w. to fall through. Doeorvasren, ov. w. to transport through; to break by sailing againat; on. w. to pass through, to eroms, to sail over. Doorvijian, or. w. to tile asunder. Doorvtechten, ov. w. to entwine, to braid, to interlace, to intersperse. Doorviiegen, on. w. to fly through; to pass rapidly through; to peruse haetilly. DoorvIlienteu, on. w. to flow through. Doorvilfjaaetn, or. w. to open with a lancet. Doors/oaten, on. w. toil ow through. Doorvoehtlgen, on. w. to moisten thoroughly. Dotervostd, by. well-fed, fett,ned. Dotervoer, m. passage; transit. —itaada, transit. trade. —reeAtes, transit-dutiea. —en, or. w. to carry (to transport) through. Doorvrageo, on. w. to continue asking, — questioning, — begging. Driorvreteu, ov. w. to eat (to gnaw) through, to corrode; on. w. to continue glattteg. D o or vs, ans d bear, bv.fordable.--6areptuate,tord. Doorvvaalen, or. w. to blow through, to perHate; on. w. to blow through, to tie blown through, Doorwaskt, by. sleepless. Doortvasten, or. & on. w. to ford, to wade through. Doorsvaggeten, on. w. to stagger (to reel) through. Doortvak en, or. w. to pass waking. —ing, v. van den stacht„ pernoetation. Doorwandeleo, ov. w. to walk all over; to gall (to wear off) with walking; on, w. to walk (to pass) through; to walk on. Idoorwarnx, hr. thoroughly warm. Doorwer,echeo, or. w. to gall with welshing. 13 ,,ortvestsen, on. w. to grow through. —, Zie Doorregen. D9orweekeis„ or. w. to soak (through), to steep, to drench. Doorcverk en, ov. w„ to work, — properly, to elaborate; to interlace, to interweave; on. w. to keep on working, to work hard. Doorevo•pen, on. w. Zie Dourgoolen. Doorweven, or. w. to interweave, to intersperse. —, hr. interwoven. Doorvvippen, on. se. to skip (to slip) through. Doorvvorstelen, on. w. to struggle through; to eatricste one 't self out of. Doorvvrtiven, or. w. to rub sore, to wound (to break) with rubbing; to mix by rubbing. Doorwroeht, bv. highly finished, elaborate.
(rnis• be-lief•, a. dwaalgeleof. —re eener aluitrede, --ate C•ajt), a. Minori,t, sunder- Webs.lie (in het geloofe—ver ( •liev'ur), 1-lieu'), v.. n. dalen w broader. —ity (rni-nor'it-tihl, s. minderlieid; min- a. derjarigheid. Misbeseern (mis-be-siein'), v. a. misetnan. Minotaur (inji.i'a•taor), a. Minotanrue. MIneter (min'stur), a. Monster, geestelijke broe- Misbeatow )mis.be-sto"), v. a. verkeerd besteden. derschap; dom-, hoofakerk. Minstrel (min'stril), a. meistreel, zanger, speel- Miscalcuits to (mis-kerkjoe-leet), v. a. inierekenen. — tion (-lee'sjun), a. misrekening. 'flan. — ay 1-alh1, e. muziek; troep muziekanten• Mint (mint').,s.munt; kruizerriunt. — man, munter. Miscall (mis-knoll'), v. R. verkeerd noemen. Mi.carr Cage (mis-keerld4), a. mtelukking; mis— master, mentmeester, sunder, uitdenker. a. a. mutat.; beramen, sm.:den. — age, a. (het) kraam; wangedrag. —y. a. n. mislukken, weg- munten; muntloon. — er, a. munter; uttdenker, rakes; eene miskraam krijgen. Miscast (mis-kaast') [ire.), v. a. misrekenen. verzinner. Mi.scelihn e (mis'ail -leen), s. Zie Maslln . — roan, Minuet (min'joeeet), a. menuet. a. --eoe.a/y, ad. (•lee'ni-us), pemengd. — eoueness Minute (min'iti, a. minuut; opstel; bijtonderheid. (-:ee'ni-us-), a. gemengdheid. —y — book, klsdbosk--glassaninuut-,loggins.—guns, ininuutachoten. — hand, minnui.wtjter. — line, log- mengeling; mengelwerk. lijm. — man, mobiel aoldaat. —, v. a. aanteeke- Mischance (inis-tsjaans"). a. ongeval. Miacharge (mis-tajaardzji, a. verkeerde poet & ad. elke minuut. nen. — ly, (op eene rekening). —, v. a. ten onrechte an reMinut a ►ni.njoet')., a. .--ely, ad. klein, nietig; nauvikeurig. — mess, a. kleiuheid, nietigheid; keeing brengen. nauwkeurigheid. --iae (-ejoe'sji-i), pl. Keringste Iilieclrie I (mia'tajif), a. onheil; nadee); kwaad, m ► edwil; — maker, onheiletiehter. —vows, 0. bijzonderheden. — rously, ad. (-taji'vus-), onheilstiehtend, KelmMinx (minks!, a. wild meisie, nuf. delijk; moedwillig. — .mines( -tsji - vus.), a. boo, Mlny (maj'niht, a. mij.-; onderaardsch. Mtrac In (mir'ikl), a. wonderwerk,wonder.—u/ous, eardigheid, moedwilligheid. a. — ulously, ad. (-rek'joe-Ius-), wonderbaar. Miseboose (mis tajoez") [Ire.], v. a. verkeerd kiezen. — ulousness (-rek'joe-lus-), a. vond.erbitarheid. Miscible (misssibl), a vermengbaar. s, balkon. Mirador Misfit e (mis-sajt'), v. a. verkeerd Ran:Alen. Mirage (mi-raatj'i, a. luehtspieKeling. — alien 1-si-tee'sjun), a. verkeerde aauhaling. a. berried- e, v. Mir e (maje), a. m.6dder; mie•. — tlitscintste (min-kleem'), a. valseite cinch. deren. — ineas (-i-nears;, s. modderigheid. Miscomput e (mis-ladm-pjoet'), v. a. mierek, Mirky (murk1h), a. donker, somber. Mirror (mierur), a. epiegel; voerbeeld. —, v. a. nen. — align (-kom-pioe-tee'sjun', a. misrekening. Mscon ceit (rnis-kun-siet'1,—ception spiegeien, afspiegelen. a. dwaalbeg•ip .„ misverstan•. --cease (-sive), v. a. Mirth (inurth'), a. vroo(ijkheid. frrl, a. fully, verkeerd begrbpert. ad. vroolijk, opgeruimd. —fulness, a. vroolijkheid, Misconduct (mis-kon'dukt), a. wangedrag; wanopgeruimdheid. — less, a. treurig, droevig. (-kun-dukt'), v. a. Media beheeren; beheer. Miry (majr'ilal, a. modderig. , bemodderd. Mibacceptation (mis-ek-sep•tee'sjun, a. ver- v. n. tich misdragen. Misconjecture (inis-kun-dzjekejoer), a. VP, keerde opvattetg.. keerde giesing. —, v. a. & n. Misadventure (mis-ed-vent'loor), a. tegenepoed. Mimeo. struction (mis-kun•struk'sjun), a. vane Misadviaval (mis-ed-vejtd ) ), a, sleeht Keraden. keerde uitleggIng,tvesdulding.—strue(•kon'etroel, ected (mix..ef-fekt'id), a. ongenegen (to). v. a. verkeerd uttleggen, miscluiraen. — irm (-form'), v. a. valseh opgeven. Illiscorrect (mis•kur-rekt'), v. a. verkeerd (onMisainted (mis-eemd ), a. misgesehoten. *Mail ege (min-el-lechr), v. a. verkeerd aanvoe• Juist) verbeteren. Miscounsel (ants-kaaun'sil), v. a. verkeerd raren. — lance (-laj'ens)„ s. ongelljk huwelijk. den. Misanth•oge e (mis'en-throop). —ist (-en'thro• pint), a. mensehenhster. — ic (-throplk). a. men- Miscount (min-kaauut'), a. misrekening. v. a. & n. mistellen, (nigh) inisrekenen. sehenhatend.—y i•en'thro.plb), s.mensehenhaat. Mtsappi !cation (mis-ep-pli-kee'sjun), a. ver- Miscrea ant tmiekri-ent), s. bot,swieht, sneodcard. — te (-et), a. wansehapen. v. a. verkeerd keerde toepassing. —y Misdate (milt-dee') v. a. verkeerd dagteekenen. toepassen. s. miadaad, vergrijp. Misapprellen at (mis-ep-pri-bend'(, v. a. mis- Mistived verataan. — sion (-hen'sjun), a. misverstand, ante- Itetsdeens (ails-diem'), v. a. verkeerd beo•rdeelen, Misdenlean (mis-de-mien), a, is. zilch misdrav atting. s. wangedrag; wanbedrijf. or, — Mlisascribe (mts.es-krajb . ), v. a. ten onrecbte Ken. Misdevotien (mis-de..vo'ejun), a. valsehe venomtnesehrijven. held. Misassign (mis-es-sajn'), v. a. verkeerd sun- Misdirect (mis-di•relit'l, v. a. verkeerd leiden. wijzen. Misbecome a (mis-be-kum') (irr.), v. a. misstaan, Mtsdistinguirda (mis•dis-ting'gwis,j), v. a. verkeerd ondermeheiden. niet passes. — ing, a. onvoe4taarn. Iti tsdo (mis•doe') [im], v. a. & it. bedrijven, Misbegotten (mis-b a. onecht. teeekwaaddoen, miedoes. —c;, a. bonedoener, over , Misbehtly se (mia-be-heev'), v. n. each inisd,ag ra watabedriA, overireding. treder. (.jur), a, wangedrag.
notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-

Wat cryptogeld is het makkelijkst te mijnen


Because the blockchain works by verifying transaction history, and this verification process is labor-intensive and slow, only so many transactions can be verified in a certain timespan. So, if you sell your Bitcoin, but the purchase isn’t confirmed by the blockchain network, and the price of the currency changes, the sale won’t process. You'd have to sell your Bitcoin at whatever the new rate is (if you so choose to sell). Also due to the reality of blockchain, as well as for other reasons thus far unidentified, the Coinbase payout system can sometimes be unreliable. There have been reports of extensively delayed payout periods, and bugs sometimes keep the site from running as efficiently as it could or should. A word to the wise: if you are going to invest in and speculate on cryptocurrencies, do so carefully.​

verbetermiddel. Impost (im-poost), a. belasling, impost. Improvidon ce (im-prov'i-dens), a. gebrek aan Imposthank ate (im-post'joe-meet), v. a. ewe- voorzorg. —t, a. —tly, ad. zorgeloos (of). ran veroorsaken; v. n. zweren, etteren. —ation Improvise te (im-provl-seet), v. a. 84 n, year s. zwering, oftering. —e (-joerr)), de valet voordragen. —tion (-eee'sjun), s. voora„ zweer, otter; v. n. zweren. draeht voor de valet. •aptist or (tin -post'e r), s. bedrieger. —are (-jeer), Impruden ce (im'proe-dens), a. onvoorzichtig14. bedrog. held. —t, a. —tly, ad. onvoorzichtig. Pmpotco cc. (1111 1 1)o-tens). —cy. a. onvermogen, Impud ence (iirepjoe-dens), a. onbeaehaamdheid. zwakhtid. a. ---tly, ad. onvernaogend, zwak. —ent, a. —ently, ad. onbesehaamd. —icily ( - die' Impound (im-paaund'), v. a. schutten, opslui- s. onkuiechheid. ten. Impugn (im-en'), v. a. bestrOden, aanvallen. pp overish (im-pov'ur-isj), v. a. verarmen. litae' p —er, a. bestruder, aanvaller. —meat, a verarming, Impulse (im'puls), s. Zie Impulsion. lmpractlea ble (im-prek'ti-kibl), a. ondoen- Inipuls ion (im-pul'sjun), a. aandrijving, aan-
(-kee'sjun), s. verdnokering.. n-it), a. —ly, ad. oneindig. —fleas, Infos e (in-fjoee), v. a. ingteten; laten trekken; inprenten, inboezemen (into). —er, a. inprenter, a. orteine:4heid. —sintat, (-fitt-i-tea'i,rnel), a. oneindig klein. inboezemer. —ibility (-zi-bil'it-tih), s. onsmeltIn 'hitt lee (in-fin'i-tiv),a.onheraald.--vde(-tjoed), haarheid. —ible, a. Ingietbaar; onsmeltbaar. —ion (-fjoe'zjun), s. ingieting; doortrehking; aftreksel; —y. a. oneindigheid. Infirm (in-furm), a. zwak, gebrekkelijk(utith, van); inprenting, inboezeming. —ire (-fjoe'siv), a. instortend, inwerkend. bealuiteloog. —ary, a. ziekenhnis. — ity, — ness, Ingtithering (in'geth-ur-ieng), s. inzameling; a, zwaltheid, gebrekkelijkheid. Inflks (in-filts'), v. a. indrijven, inzetten; inoogst. l nffnite'
Westphalia tweet-fee'll-e), g. Westfalen. —n, a. Westfaslech; i. Westfaal. esvel (joe'll), rn. Whewel. Whitehall (wajt'llaolt), g. Whitehall. Wick (wik"), —in, f. coon William; Wm. —life Wickliff. Wight (waft), g.Wight. Wilberforce (wIl'eur-foors), m. Wilherforcc. m. Wilkie. Wilkie Will (will'), f. coot. William; Wire. —Mtn (-jem), m. WI( I em. —oughby (-o-bih),m. Willoughby. —y, r. coon William; Winapje. Wiltshire ( wilt'sjter), g. WItshire. Win (win'). f. your Winifred. --cheater (-tejem•tr),, g. -Winchester. Windsor (wiu'zur), g. Windsor. Windward (wind' wurd) lelgnde, g. Eilanden hoven den wind. '1W 'stir ed (win')-feed), en. WInfried. Wisconsin (wis-kon'sin), g. Wisconsin. Wniga (wol'ge), g. the —, de Wolga. %Voles), (woel'zih), xn. Woleey. Woolwich (woel'itsj), g. Woolwich. Worcester (woes'inr),g. Worcester. Wordsworth (wurdn'wurth), m. 'Wordsworth.
PAR.—PAS. 213 fine —, ik Len er mnoi aan toe. —book, klanParterre (paar-teer'), a. bloemperk; parterre. tenboek. —key, hoofdsleutel, looper. —parole, Partial (paar'ejel), a. —1y, ad. gedeeltelijk; een—word, wachtwoord. —rose. anemoon. zijdig, partijdig (to). to be — to, voorliefde heb• ben voor. —ity (-sji-el'it-tih), s. eenzijdigheid, Pass (peas), v. a. gaan (door, over); doorbrengen; doorlatIn; overzenden, te "uoven komen; overpartt digheid. treffen; boeken. — to account, in rekening bren Parti batty (paar-ti-bil'it-tih), a. deel-, echeidgen. — a ball, ten' bal maken. — a bill, cent baarheid. —ble (paart'ibl), a. deelbaar, Beheldbill aannemen. — a business, eene zaak uitmabear. ken. — a draft upon, een' wince! afgeven op. Participa ft (per-tiel-pent), a. deelnemend; — a jeer upon, bespotten. — a muster, gemon• deeihebben.i; a. deelnemer, deelhebber, aterd warden. — a sentence (judgment) on, vonv. a. & n. deelachtig zijn. deel hebben, deelnenis vellen over. — a Revere test, een etreng ondermen !in. of). —lion (-pee'sjun), a. deelneming, zoek cloorstaan. — a trick upon, eene poets apelen. deelachtigheid, verdeeling. —tor (-pee-tur), s, — one's verdict, sijn gevoelen zeggen. — one's Lie Participant. word, zijn wooed geven, instaan (for). (away) Partici plat (paar-ti-sip'i-e1), a. —piably, ad. doorbrengen. (by) over 't hoofd gen; overelaan. deelwoordelijk. —pie (paar'ti-sipl), s. deelwoord. (over) overleveren; ovarzetten; overelaan, over Particle (paar'tikl), a. deeltje; greintje; onver't hoofd (door de vingers) den; voorbijgaan. —, anderlijk rededeel. Particuiar (per-tikloc-ler), a. bijzonder; nauwv. n. gaan, voorbij-, overgaan; verloopen; er het oog loo. to make — in made door kunnen; pleats grijgen; ultiallen; keurig; zonderling. a. bijzonderheid; btzender perpaesen. to come to —, voorvallen, gebeuren. to — pend maken. into law, tot wet worden. (away) overgaan. (by) soon. in —, in 't bijzonder. —ity (-ler'it-tih), a. Mizouderhaid; nauwkeurigheid; zonderlingheid. voorbijgaan. (for) doorgaan voor. on voortgaan; vervolgen. (over) voorbij-, overgaan, overepringen. —are (-ajz), v. a. in al de Vzonderheden verbalen of opgeven; v. n. in bijzonderheden treden. Passa ble (paas'sibl), A. —bly, ad. begaanbaar, toegankelijk ; gangbaar • tamelijk , dragelijk, —1y, ad. in 't bijzonder, voornamelijk. Parting (paart'ieng), a. verdeeling; scheiding; —bleness, a. dragelijkheid. het driftig worden. —, a. afscheids-; ten einde Passado (pes-see'do), s. uitval, atoot. loopend. —breath, laato'e ademtocht. —cup, af- Passage (pes'sidzj), a. doorgang, goat; doorrein; veergeld: voorval; pleats (nit een boek). scheidsdronk. —kite, afscheidskus. —money, kletn bird of —, trekvogel. —boat, veerschuit. —money, geld. passagters-vracht. Partisan (paar'ti-zen), s. aanhanger; partijgan. ger; bardezaan; bevelhebber; commando-staf. Passant (pes'eent), a. gaand, etappend. Passftree (pes-se-rie'), a. hullentouw. Partite (paar'tajt), a. verdeeld. Partition (per-tierun), s. deeling, verdeeling; Passenger peesen-dzjur), a. passagier., reiziger. —hawk, zwerfvalk. —room, wachtkamer. —train, scheiding, beechot; vak; partituur. —wati,scheidspassagiers-train. muur. —, v. a. verdeelen; afechutten. Passer (paas'eur), a. voorbij ganger, reiziger, —hy,, Partitive (paar'ti-tiv), a. —1y, ad. deelend. a. voorbUganger. Part let (paart'lit), e. halskraag. —ly, ad. gePasserine (pee'se-rin), a. van de mueschen. deeltelijk. Partner (paart'nur), a. mairker, meat; deelge- Paint lie ipea'aibl), a. ltjdbaar, gevoelig. —bility (-si-bil'it-tih!, —bleness, a. lijdbaarheid, gevoe moot, vennoot; mededanser; viseching. —ship, a. maatschap; vennootschap; maatschappij. ligheid. Partridge (partetridzj', a. petits. —call, voge- Passing (paas'sieng), a. voortreffelijk. —, ad. uitermate, neer. in —, in het vooriagaen. laaretleitje. —shell, veder-, patrtp,horen. doodklok. —note, overgangsnoot. —place, nitPartite ent (per-tjoe'ri-ent), a. barend. —lion wkikplaate. (paar-tjoe-risrun), s. baring. Party (paar'tih), 8. partii; gezelechap; deelnemer. Paasion (pearuft), a. drift, haetstocht; lijden. to (fly) into a —, zich driftig maken. —flower, fall deal hebben. deelnemen aan to be a — in (to). passiebloem. —week, lijdensweek. —ary, s. book betrokken zijn bij. — in contempt, in gebreke der martelaren. —ate, a. —ately, ad. (-et-), blijvende parti,j. —colored, bout. —jury, gemengde hartstochtelijk; opvliegend. —less. a. ozgevoelig, jury. —man, parttiman. —rape, partawoede. be acrd, kalm. —spirit, partijgeest. —wall, tueschenmuur. Peony a (peesiv), a. —ely, ad. lijdelijk, lijdend. Parvis (paaevis), a. voorhof, kerkportaal. —cam, —ity a. lijdelijkheid; geduld; Pas (pa), a. pas, schrede; voorrang. 11jdende toestand. Paschal, (pee'kel), a. paasch-, van het paunchPassover (paas'o-vur), s. paaschfeest;paasohlam. feest. — lamb, paaachlam. Past (peep, a. hoofd; slag, etoot. —, v. a. stoo- Passport (paas'poort), s. pas, paspoort. Past (pewit"), a. verleden; geleden; voorbij. a. ten, kneuzen. (bet) veeleden. prp. over, buiZen, meet dan. Pasha. Pashaw (pe-sjao'), a. Lie Pacha. Pasque-flower (peak'fianw-ur), a. paaschbloem, a quarter — seven, iwart over seven. — a child, geen kiati meer. — cure, — recovery, onkerstelanemoon. bear. — dispute, on•etwistbear. — doubt. zonder Pasquinade (peeki-neect, a. schotschrift, pastwijfe. — hope, hopeloos. — marrying, te cud v. a. hekelen, doorhalen. kwil. om te huwen. — shame, sehaamteloos. Pass (peas'), a. pan, engte, toegang, doorgang; pas, paspoort; etoot; etaat, toestand. 1 am at a Paste (peest'), a. deeg, pap, beelag; valsche edel-
KER. —K1E. !line. —nil, church-owl, screech-owl; bigot. —ender, father of the church. —vergadering, synod, council. —teifiling., consecration (dedication) of a' church. —edienaar, church-man; sexton. —chanter, consistory, vestry, sacristy. —elms, fabric. —ekneckt, beadle. —eraad, consistory, vestryboard. —ereeht, church law, canon-law; privilege of the church. —enorde, ritual. —enardening, ecclesiastical lawn; holy orders, -• regulations. —egesind, attached to the church, devout. —egezinitheid, devotion. —aehtig, by. fond of going to church. —elijk, by. ecclesiastic (-al), church-. rn. ecclesiastic. —en, on. w. to go to church. Eterker, m. dungeon, prison. --hot, dungeon. —Nos, gaol-fee, carcelage. —meester, jailer. —steal, imprisonment. —en, ov. w. to imprison; to confine. —ing, v. imprisonment, confinement. Kerkeets, b7. zealous in going to church, devout. Kerns en, on. w. to lament, to groan. —er, iamenter. —lag, v. lamentation. Kerman, v. lair; fairing. — houden, to go to the fair. —ganger, —gangster, one that goes to the fair. —past, person that comes to the fair. —gift, fairing. —hock, gingerbread bought at a fair. —motive, partner at a fair. —pop, doll bought at a fair ; girl (woman) very much ornameated. —pret, —terntaak, —vreugde, plearn.res of fairtime, recreations of a fair, —ape!, 'show at a fair. —t(td, fair time. Kern, v. kernel, stone; seed; grain ; pith, heart, marrow, quintessence. —hole, core of en apple. —spreuk, pithy eentence. —achtig, by. kernelly; pithy. —achtegkeid, v. pithiness. Kers, v. cherry; cresses. —rood, cheery. —ebtoesect, cherry-blossom. —clown, cherry-tree. —ebonmenhowl, cherry-tree-wood. —eboomgaard. cherry-orchard. —spit, —esteen, cherry-stone. —entaart„ cherry-pie. —entijd, cherry-season. —eaveijn, cherry-wine. Kegs el, o. parish. Kerst avond, m. Christmas-eve. —dag, Christmas-day. —dieht, Cheistman-poem. —feat, ChrletDIU (-holy days). —gesehenk, Christmas-box. —kook, cake baked at Christmas. —lied, —rang. Christmas-carol. Christmas. —rackt, Christmas-night. —tijd, Christman. —week Christmasweek. Kersversch, bete newly, directly, straight along. 'terve], v. chervil. —eoep, chervil-soup. Kery en, on. w. to carve, to notch. to slash, to tally, to mince, to chop; on. w. to burst, to split, to fray. —er, m. carver, cutter. —ing, v. carving, notching, slashing, tallying; bursting. Keep, v. boor-timber. caldron. boiler, copper. —Roster, Ketei, m. —tapper, tinker. —from, kettle-drum. Ketelen,ov. w. Zie [(Mete.. Keten, v. chain. --pomp, chain-pomp. —lehakel, link. —en, ov. w. to chain. Ketsen, on. w. to mins fire, to flesh in the pan; to miscarry. pereecutor of Keller, rit, heretic. —beta, heretics. —moister, inquisitor. —dom, o. heretics. —if, v. heresy. —*a, by. heretical.
maid -servant. —orde, order of architecture, style. —stern, stone for building. —stoffen, materials. —tifd, plough-season. —trant, style of building, arceitteeture. —cal, ruin, ruins. —tea/ig, ruinous, decayed, era ey., worn out with age. —valligheid, decayed state, decay, craziness. —woe —zurht, rage (maids) for building. —en, ov. w. to till, to grow; to build, to erect, to raise; de zee —, to use the see, to navigate; — op. to depend (to rely) upon. —er,m. tiller; grower; builder. v, egricult ure„ husbandry. —ing, v. tilling; building. —eel, o. building. Burlap, bw. aloft, on high, up-stairs. ale ut supra. vz. above, over, upon. — den wind zijn, to have the weather-gage. le gaan, to excel, to surpass to — loosen, to get the better of, to surmount. eene karp to — alien, to weather a cape. ilovenann, bw. at the head, — top, the first. Illtevversatnrdsch, by. tuperterrestrial. Bovenall, bw. above all, especially. !lovterlibrarketeng, in. topgallent-reyal-mast, ►ltevezabroek, v. nantaloone; over-alle. avenbuur, m. & v. upstairs -neighbor. Howendertr, v. upper-door. ficsversdken, bw. bNides, moreover. Boveladoepell, rn. Bovondeliven, on. w. to fiott on the surface; to prevail. --d, by. ouperfluita ,t; preponderant, victorious. noveneinde, o. ripper-end. Bovengeirneltd, ilikesengerioetted, be. abovementioned, aforeseld. 11 owettgevell, m. ridge, top, gable. Ilowesegoed. o upper-dress, upper-clothes. no -venhertrid, o. upper-sbirt. iflovetatrc is, o. upper-part of a house. If teverskatiaer, v. upper-room. Bovenkrent, in. upper-side, right side. litteverukne, v. upper-case. Boveinkisederers, o. my. uppe. -clothes, uppergarment. Bervenk ore!, v. upper-crust. Bovenin ad, o. high country, upland. —er, highlander. rent :1st, upper-cargo; top. hamper. Illowenleder, o.upper-leather; vamp. • Bovereiljf, o. upper-part of the body. Boveleirp, v. upper-lip. How extivicitt, v. high-air, sky. Hovers's. t e, bw. extremely, exceedingly, exeessive!y. —ig, be. extreme, ..xceseive, beyond
Calvary (kel've-rih), g. de berg Calvaria, Krubsberg. Calvin (kel gin), m Calvijn. Cambray (kem'bree), g. Karnerijk. Cambridge (keent'brldz)),g. Cambridge. Cambyces (kem-barsiez), m. Cambyaeti. Campbell (kem'int, kern'b1), In. Campbell. Campeachy (kem-pietvrih).g. Campeche. Canaan (kee'nen), g. Kana hn. Canada (ken'e-de), g. Canada. Canaries (ke-nee'rierl, g. Canarische etlan den. Candla(k*edt-e), g. Candia. Canterbury (ken'tur-ber-ih), g. Kantelberg. Canton (ken-ton'), tr. Canton (in China). — (ken'tun), g. Canton (in N,Arnerlka).
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Is cryptogeld legaal in Turkije


Cork (knack'), a. zorg, bekommering. —, v. n. zieb Cary a (kaarn, v. a. beeldanijden, graveeren; bekommeren. —sag care, knagende zorg. voorsnuden. —er, a. beeldaznjder; vooranijder. Carle (kaarl), s. kerel; soort van hennep. —ing, s. snijwerk. —ing-knife, voasnijmes. Canine (kaarlin), a. everdistel. Cascade (kes-keed), a. waterval. Castings (kaar'liengz), a. sluitklossen. i Case (kees'), a. dons; kart; last; koker; overtrek; Carmelite (kaar'inel-ait), a. karmeliet. geval, omstandigheid; naamval. v. a. in eene Cornsinative (ker-min'e-try), a. verwarmend; kilt of dons sluiten; arstroopen. —harden, windenverdrijvend. v. a. hardon. —knife, acheedemea. —shot, schroot. — worm, etrooworm. Carmine (kaar'main), a. karmozijn. Cairn age (kaarinidz) , , a. bloedbad. —al, a. —ally. Casemate (kees'meet), a, kazemat. ad . vleeschelijk. —alist. a. wellusteling. —ality Casement (keez'ment), a. draairaam. zinnelijkheid. —at ion (ker-nee" Caseous (Itee'si-us), a. kaasachtig. sjun), a. vleescbkleur; nnjelier. —eous (kaaent- Caserta (kee'surn), a. kazerne. us), —ous, a. vleescheliik. —ifieation (kaar-nif-i. Cash (kes)'), a. gerund geld, kas. v. a. tegen kee'sjun), a. vleeechwording. —ify (-ni-fai), v. n. specie verwisselen. —book, kasboek. —ier Ikevleeech worden. —iv/a (-ni-vel), a. karneval. ajler'), s. —keeper, kashouder, kaasier. —ivorous (ker-niv'o rues). a. vleeachetend. -salty Cashier (ke-sjier'j, v. a. afdanken. a. wild vleeach (in eene woad), Cashmere (kesfmiery, s. kazimier, Carob (ker'ub), a. St. .lanabrood. Casing (keea'ieng), a. foudraal, omkleedsel; Carol (keen!), a. lofzang. —, v. a. bezingen; koker. —paper, pakpapier. v. n. lofzingen. Cask (kaaak';, a. vat, ion. —, v. a. in vaten don'. Carotid (ke-rot'id), a, halsader. —et, a. kietje, kotfertje. Carol's sal (ke-rau'zel). s. zwelgpartij. —e (ke- Casio° (kesic), a. helm, stormhoed. rauz'), v. n. zwelgen, slempen. —er, a. zweiger. Caseation (kes-see'sjun), s. vernietiging; canCarp (kaarpn, a. karper. —, v. n. vitten, —er, a, satin. bediller, vitter. —ing, ia. scherp, hekelachtig. Cassia (kes'aji-e), a. cassia. Canteen ter (kaar'pen•tur), a. timmerman. —try Cassldony (kes'sid.dun-nih), s. lavendel. s. timmerwerk. Cassock tkes'suk1, s. priesterlijk onderkleed. Carpet (kaar'pit), s. vloerkleed. —, v. a, met ta- Cassowary (kes'so-wee-rih), s. kasuaris. pi(jten beleggen. —knight, saletionker. —ing, a. Cassweed tkes'ivied), s. herderstasch (plant). tap(jtwerk. Cast (kaast'), s. worp, slag; vorm; gedaante; Carriage (keeridzj), s. rijtuig; vervo,r; wagen- gietsel; bonding, uiterlijk; blik. —away, s.verstel; affuit; hooding; gedrag. worpeling. Carrier (ker'ri-ur), S. voerman; brcnger, bode. Cast )kaast) [cast], v. a. werpen, strooien; neder-, Carrion (ker'ri-un), a. ass, kreng. —, a. rottend, at-, uit-, ontwerpen; gieten; berekenen. afdan• stinkend, op kreng azend. ken; vcroordeelen. — (away) te gronde riehten. Carrot (ker'rut). s. gele wortel. —y, a.•roodach- (by) situ ggen; verwerpen. (down) ter neder slaan. tig; roodharig. (forth) verbreiden. (off) of-, verwerpen; loslaten; Carrow (ker'ro), a. rondreizende speler. vooruitsnellen. (out) wegjagen; uiten. (up) opCarry (keerih), v. a. dragen; brengen; vervoe- rekenen; opsiaan; braken. (upon) werpen op; run; vseren; erlangen; bewerken; bevatten; overlaten. —, v. n. (krom) trekken, werken; v. n. § dweepen, jubelen. —one's self, Melt gedra• overleggen. (about) zich ronddraalen; overleggen. gee. — the day, de zege behalen. — it, Ain doel Castanet (kes'te-net), s. klaphoutje. bereiken. — at high, eene hooge horst zetten. Casteil an (kesitel-len), a. slotvoogd. —any (-lenih), s. slotvoogdij —ated, a. kasteelachtig. -(away) wegvoeren. (forth) vertoonen. (off) ten grave alepen; behalen. (on) voortzetten; bevor- Caster (kaast'ur, a. werper; gieter; berekenaar; deren. (out) te berde brengen; tot stand brengen, rol; strooibus. (through) doorhelpeu; volvoeren. Casters (kaast'ers), a. Wit- en azijnatel, Carry-ail (keerib-aol), s. familiewagen. karaffen. Cart (knart'), a. kar, wagen. —, v. a. in eene Icon Castigat a Ikesiti-geet), v. a. kasttjden. —ion (-gee vervoeren. —grease, wagensmeer. —horse, kar- ejun), s. kastijding. paard. —house, wag,enschuur. - load, wagen- Casting (kaastleng),. s. gietsel. —house, ieterij. vracht. —rut, wagenspoor. —way, wagenweg. —net, werpnet. —voice, —vote, beslisseride stem. —wright, wagenmaker. —age, s. karloon. —or, Castle (kaasq), a. kasteel. — in the air,luehtkaas. voerman. tees. —, v. a. rokkeeren fin 't achaakspel). —d, Cartel (kaar-tel'), a. verdrag tot uitwisseIing van a. met kasteelen voorzien. —builder, plannengevangenen; uitclaging. maker. —ry, a. alotvoogd. Carthusian (ker-thjoe'zjen), a. karthuizer mon- Castling (kaastlieng), a. ontijdige vrucht. nil. Castor (kaas'tur). a, Lever; kaetoren hoed. —nut, Cartllag a (kaar'ti-lidzi), a. kraakbeen. —moue purgeernoot. —oil, rIcinus-olie. —cunt (kes-to'ri(-led'zii-nua), a. kraakbeenig. um, s. bevergeil. Cartoon (ker-toen'), s, schets voor muureehil- Castrat e )kes)treet), v. A. ontmannen, snUden dering, kaftan. (kes-tree'sjun), a. ontmanning. Cartouch (ker-toetsj'), a. kardoes. i Casual Ikez'joe-el), a. —ly, ad. toevallig. —ty, Cartridge (kaaetrldzj), a. patroon. toevalligheld. patroontasch. 1 Casuist (keejoe-ist), a. gewetenarechter. —ica

Wat is het verschil tussen Coinbase en Coinbase pro


On 9 May 2012,[7] Fraternité 2020 was registered as Europe's first European Citizens' Initiative. Its goal was to increase the budget for EU exchange programmes like Erasmus or the European Voluntary Service from 2014. To be successful it would have needed 1 million signatures by 1 November 2013. It ultimately collected only 71,057 signatures from citizens across the EU.[8]

colliery. —masd, coal- basket. —meter, measurer of roam; Ma- meter; anthraconseter. —lei*, coalmine, coal-pit, colliery. —pan, See-pan. collier. —sehop, coal-shovel.—eoerder, coal -heaver. —rear, coal fire. —wagen, coal-cart. —oak, COMbag. Koff, v. bat, club, golf-stick; butt-end; receiver, recipient. --baste, place to play at golf; cricket. ground. —bat, ball. —apet, golf; cricket. —je, o. small bat; dat is een naar raijn ;band, that lust suits me. Holtbrie. in. humming-bird. Kolleft, o. colic, gripes. —pljn, griper. Kolk, v, pit, hole; suit, abyss; whirl-pool, —en, on. w. to whirl, to bubble up; to belch. Kollsibloesn, v. wild poppy. Kot lets, ov. w. to knock down; on. w. to ride upon a broom-stick.—b(j1. butcher's axe. —hante, butcher 'a mallet. Kollokwint, m. bitter-Apple. Kolons. v. colsmn. Kolonei, in. colonel. —splaati, —sehap, Solonelship. Kolon inal, by. colonial; in. soldier of the colonial troops. —be, v. colony, settlement. —is?, or. colonist, settler. --isatie, v. colonization. —ineren„ ov. w. to colonize. 1Kotortet, o. color, coloring. Kolos, m. colossus. —emit, by. colossal. Kolnens, rn. keelson. Kolv en, on. w. to play at golf; — cricket. —enier, m. burgher. —er, m. golf-player. Koos, v. basin, bowl; pond; dockKom bsnrs, v. sailor 's co.priet. rug. —he, cooking-hut. —babe, v. cook 's galley, caboose. Konsed taint, m. comedian, actor. —ie, v. play house, theatre. Konteet, v. comet. K•stssen, on. w. to COWIN to arrive; to get. hoe komt dat? why so? s hat is the reason of that? eaten —, to wend for, to order. ncder —, to approach. realer to advance, to improve. aehter i-ta —, to trnd out (to discover. to get the knack of) v thing. aan lets —, to get (to gala, to come by) a thing — es., to bethink one 's self of. er door —, to get theough, to pats. tot etch zelven —, to recover one 'S senses. in gehrutk —, to cone into fashion, to become cuetomary, in de gedaeltte —, to occibr (to eurgeet one 's self) to the mind, in kennis — meet, to snake the acquaintance of, to become to get) ftequainted with. KontenU„ v. —sw:nAel. grocer 's shop. Komfos,r, o. chafing-dish. Konskin, no. cumin. zwarte —, caraway. —kens, —ekaus, cumin-seed-che,see, clove-cheese. -tead, CUMICI-seed.
Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.

Zijn Bitcoins legaal in Australie


Tod (tod') s. struikgewas; yea; stem (gewleht). (tod'd1), v. n. waggelen, strompelen. —dy, s. paimdrank; (snort van) punch. Toe (to), s. teen; voorhoef. Toffy (tern h), s. boretp/aae, suikergoed. Toft (tort), s. erf, loads, homebje. Tog sated (to'gee-tid), —ed (-gid), a. getabberd, in de toga Together (toe-geth'ur), ad. te zamen; aohterern. — with, benavens met. Toggle (toeg)), a. korvijnagel, knevel. Toil (toll') a. mare arbeld; tobberij; net, web. v. a. bewerken; afmatten; v. n. zwoegen. sloven. — and moil, ploeteren. —er, a. zwoegee, glover. Toilet (toj'llt), s. kaptafel, toilet. Toilsome (tojl'eum), a. —ly, ad. moelelidk, vet, moeielijkheid. tnoetend. Token (to'kn), e. teekeu, aandenken. —, v. a. teekenen; bekend oaken, annduiden. Tole (tool), v. a. trekken; lokken. Toledo (to-IPdo), s. spakneche king. Toler able (tol'ur-ibl), e. —ably, ad. drage)ijk, tamelijk. —ablenese, s. dragelijkheld, mtddehn. Hebei& —once, —ation (-re'sjen), a. (het) dulden, verdragen; toelatiag; verdraagzseraheid. —ant, a. verdrangeaant (to. towards). —ate (-eel), v. a. verdragen, toelaten, dulden. Toll (tool ► ), a. tol; aceljus, gelut. —bar, tolhek,, —collector. el agb oom. —booth, tolhuis; gevan —gatherer, —man, toloarder. —corn, sehepkoren (oh maalloon). —dish, —hop, aehepinaat. —free, tolvrli. —gate, tolhek. —house, tolhuis. —money, tolgeld. —, v. a. heffen; lulden, kleppen; lokken, verleiden; ophelYen, vernietigen; v. n. chetting) betalen of heften. lulden; tol(e To I qtation (tol-joe-tee'ejue), e. telgang. Tom (tom"), s. krankzinnige. —boy, wildzang; Wilde (eleahte) meld; Kerosene kerel. —eat. hater. —foot (-foel'), zotekap. —foolery (-foel'ur-lb), zotternij. —poker (-po'kur), bulls balk. —rig, sell d.ctug, wilde rr aid. —thumb, dwerg. --tit (-tit'),

Is cryptogeld beschouwd geld


up in, to doe on, to be smitten (taken) with. waken, to drive (to make run) mad. —, in. fool; madman, buffoon, clown; joint of a pomp-handle; movable cap (cowl) of a chimney. roar den — houden. den — steken met, to make a fool of, to banter. —sekeren, on. w. to jest, to banter; o. jesting, triflug --kepraat, foolish talk. —keniuis, mad house, bed!am. —strap, T. fool's cap; m. fool. o. murrnuying,beating. cackling; tattling, chitchat. Gekakell, o.
BEL — B1S51. for concerning, with regard to. —hebbende,m. & v. participant, party concerned, --etik, be. important. —rUkheid, importance. —stellend, by & bw. eoncerned (- I y), t interest,(In). —.telling, v. concern, interest. —teekkend, be. interesting. Balappen, ov. wn to patch (ep). naiad' bear, by. texuble. ,arkeid, v taxability. —en, ov. w. to to.d, to burden; to charge to bid; to tax, to lay taxes upon; rich t. w. (met; to take charge of. Ilelaster en, ov. w. to calumniate, to asperse, to islander. —ing, v. ealurnhiatton, defamation. Belastlseig.. v. burdening, charging; duty, tax. —bit jet, bill of the taxes. —hantosr. collector's office. —pliehtige, taxpayer. Belf,edlg ale, cc. & v. (the) injured party, offended. —en, ov. w. to insult, to offend, to wrong, to injure, to hurt. —end, by. & bw. offensive ( - iy), injurious (-Iy). —er, m. —ster,in.ulter s offender, injurer. —fag, v. Insult, affront, offence. Belleefd, by. & bw. polite (-iy), civil (-ly), courteous (-Iy). —held, v. politeness, civility, courtesy. --heidshalve, bw. out of politenese, —c ivility. Haleennen,o, w. to loam. Baleen bear, by. fit to be pawned. —bank, v. loan-office, pawn-broker"' office. —en, ov. W. to enfeeff, to invest; to pawn, to borrow (to lend) upon a pledge, to mortgage. —er. rn. pawner; pawner, pawnbroker. —ing, v. eufeofffnent; loan, pawning, mortagi ng. Beteg, n. siege. het — titan your, to lay siege to. Bel egen, by. stale. Weleger ear, rn. besieger. —en„ ov. to besiege, to invent. —ing, v. besiegement„ siege; —egesckut, battering-artillery, -train; —dune, tactics of besieging; —stroepen, besieging troops; bwerkbatteriug-engine; --evrerken, approaches. Beteg gen, ov. w. to cover, to overlay; to line, to border, to lace; to appoint (eene vergadering), to pot out to use, to plane, to invest; to manage; to belay (ern toner). --heat, —Vamp, belayingcleat. ---etch, lining-piece; side-lining. —per, m. —ster, v. one that covers, etc. —gieg, v. covering; lining•; appointment; investment. o. lining; lace, galloon, edging, trimmings. Beleld, a. conduct, management; prudence, address. —en, ov. w, to conduct, to manage. —er. m. conductor, manager. —titer, v. conductress, manager. flostesisnier amkr, m. hinderer, abstracter. --en, ov. w. to hinder, to impede, to onetruct, to encumber. —end, be. impedtrig, encumbering, paralyzing. —ing, v. hinderance, iinpediment, encumbrance. liletend en, on. w. to border (upfin), to be con. tiguoue (to). —end, bv. contiguous, adjacent. —lag, v. contiguity, adjacency. Belet, o. hinderanee. aandoen, to hinder, to trouble, to disturb, to intrude. — preen, to decline receiving a visit. hebben, to be engaged. vragen, to desire leave to visit. hij heel, —, he cannot receive you. —eel, o. hinderenen, impediment, obstacle. —Ian, ov. w, to hinder, to prevent, to debar, (from). igelevats, ov, w. to live to see, to witneem, to experience

Wat doet de S staat voor Bitcoin


(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al,

cryptogeld t-shirts


c. CabuI (ke-boel'),g. Cabul. Cadiz (kee'diz),g. Cadtx. Caesar (siitur), in. Cesar. —ea (.se.li'e), g. Cesarea. Ca ffrarla Ike free'ri e), g. het Kafferland. Cafire (ketfur), I. Kaffer. Calapha (kee'e-fes), m.Kajaphas. Cain (keen), M Hain. Cairo (karro), g. Caro. Calabria (ke-lee'bri-e), g. Calabrie. Calais (ken*, g. Calais. Cnicutia (kel-kut‘te)., g. Calcutta, Caledonia (kel-e-do'n1-e), g. Caledonie, --n, 1. Caledonier. California (kel f-for'ni-e),g• Californle, Calliope (kat-taro-pi), my. Calliope.
410 Betwixt blear, by. contestable, Caputable. —baarheid, v. contestableness. —en, ov. w. to context, to dispute, to litigate. --er, m. disputer, antagonist. v. contestation, disputation. Ben, by. tired —,'Irk of. Mengel, tn. iron hoop. — ring, bow. crampiron; stirrup; spring, clasp. dat ken niet door den —, that cannot be excused, —Mach, springpurse. —en, 03. W. to bowl. Bank, tn. beech. —ebqom, beech-tree. —enbocels, beech-grove. —enhout„ beech-wood. Bank elenr, m. buckler, shield. —en, on. w. to mail; to lick, to drub. —tamer, mallet, sledgehammer. —er, in. beater. --kg, v. mailing; licking, drubbing. Beni, m. hangmen, executioner; torwrentor, tyrant. —sknecht, assietsnt-executioner. —ewerk, hangman's work. —acktig, be. cruel, bayberous. —en, on. w. to drudge, to toil. -Fa, v. hangman's wife; tormentrees, tyrannese, "Reuling, v. pudding, sausage; bungler,s1mpieton. Benisehnp, o. hangman'. office. Henn, v. fish-trunk; garret. —haat, interloper, spoil-trade, unlicensed : broker. —haven, on. w, to interlope, to follow a trade without being licensed. Beurder, In. lifter; receiver. —en, oe. w. to lift (up); to receive. —ing, v. lifting; rezetpt. illeuwei, v. purse; stipend; exchange. oP de —, on change. nose cte — gaan, to go on change. —deg, exchange-day. —draper, --header, purser, tree, seer. exchange-bell. —knecht, exc 'rangekeeper. —prtis, exchange-price. —reglentent, exchange-regulatiova. —spel, speculation, stockjobbing. —tejd, —uur„ time (hour) of exchange. —.eke., exchwege-business. Beursch, be. mellow, half-rotten. —held, v. mellowneas. Resort, v. turn. aan de— liggen, to be ovens turn, to be In torn. to — 'cane, to fall to one's share. ons bij —en, by turns. — gesang. alternate song. —man, —*chip, large, packet•boet. schip• per, barge-man. —wisseling, alternation, rotation. —clings, bee. alternately. —eisngeeh, bv. alternate. illenrzen maker, in. purse-maker. —snider, m. cut-purse, pick-pocket. Benzel nor., m. —aarster„ v. trifler, tier. —achtiff, be. & law, telling (Ay), frivolous HP, whittling. —achtigkeid, v, triflingnese, frivoloueness. —arij, v. fiddle-faddle, trifle. —en, on. we to trifle, to idle. —kraam.,toy-shop. —kennice, try-man, hawker, pedlar. —proof, —tail, noreenee, idle chat. —week, trifling work. —Sag, v. trifle, bees, ble. Bevanrbitnr, be. navigable. —held, v. navigablenem "Revell en, on, W. to be brought to bed, to be delivered; to please. v delivery. illevaidlOg, by & hw, charming (-lye, pleasing (-ly), pretty (-ily), graceful (-Iy). —held, v.cherengracetulneme. —.Wen, v. ma. champ, Kratee. Bevang on, or. w. to overwhelm, to seize, to overtake. Iievetercen, ov. w. to nevigate; to work(een
(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al, 

cryptogeld t-shirts


Dik, be. thick ; big; fat; swollen, bloated; curdled, clotted; clone. — van Auld (vet, schil), thickskinned, thick-coated; insensible. dikke eisd, butt-end. bw. thickly; clots. — gekleedgaan, to dress warmly. err — in zitten, to be monied. - o. thick part; dregs, sediment. grounds (vms kojle); calf (van hot boos). door — en dun, through thick and thin. —bast, -- bulk,-wrens, —oak, ,wag.

Sprout (sprout), p1. koolspruitjes. I Squn ► noun (skwee'mus), a. schubbig; gesehubd. --, v. n. opruiteu, nitspruiten. ! Squ (altwon'dur), v. a. verkwisten, doorSp•uce (sproes% S. pekden. —beer, jopentier. brengen (away). —er, a. verkwister. —leather. pritiaiseh leder. —yarn, ruw garen. Square (sit we,r'), a. vierkant, kwadraat; carte, a. — ly, ad net, helder; opaeschikt. —, v. a. & n, vierhoek, ruit,vinkelhaak; kwalraatfxetal; plain; (rich) opschink., opdirken. —ness, s. netheid, ' regelmaatiposheid; eelijkheld; overeen%temming; opf4es2litkri,id. oprerhtheid. a. vierkant, reeh.thoekla, hoekig; Spew, isproc)„ 8 , spru, pas, juist, vor.dborstig, oprrcht. —cap, tittp, tapdek ploy.. —collar, staand2 kraag. —eross,v;ernant (!"Pr 11 ... , !.. a. bedrkivig; itrachtig, levendig. a. atompje. kruim. --frame-saw, schulpzaag. —meas.re, vier.. a. levoldig, hante s at. Spey (spr,t;, . vierkante —number,kwa• s. kart mos; wiedioe,je. Sped draatgetal. —rigged, razeilen voerend. —root, Spullier (spulluri, a. tpoel:roest, -, lvadraatwortel, razell. breetuk. —aterned, a, sehuini. --e. v. a. athuimen. Slurp!, e me, ten' plattan spiegel. racht. spant. a. sehn4. -riOloid; bchuming. —toe, ouderwetsch men. --tack, platte --escence 8011.1iI,Pd —yard, ra, the rechthoekig eon den mast hangt. Spur, (spun'), a. gesponnen. --- ;are, schiemano- —, v. a. vierkant waken, brassen; in 't vierkant Karen. brengen; atmeten, inrichten. PR8 maken,!to); v. n. lan Sc..ouge, Spinal e (splindzil. gel link.; (to) paved. hi); (with) overeen stemmen, Speo.n.r.rog-locoetacr. strooken met; twIsten. —ness,e. vierkantheid, Spunk (,,,,nglo",, zwriin, tor d,r;cermolind bout; s. twister. levenoghei d; irmrd. —g, a. lovendtg; moedig. Sytararrotie (skwer-rocs';), a. gekarteld, getand, vur , g. prikkel; span; slag. Spoor epur') R. Proor —gall, Squash (akwosj), a. lets zaehts of weeks; points. spoorwond: v. a. r•et de sparer kwetsen, po•n; onrijpe rrucht; groene aehil; ernak; kneu-leather,spoor!eder.—,,,I.”eorradertjc,--way, —, v. a. plat rolaan, — drunken, kneuzen, a. de ,poreti got.; aansporen (on); Squat (skwot'), a. hurkend; kort en dik. —, a. hurv. n. met speed re; zee. king; smak, vat: tinspaath. —, v. a. neersnukken; H. Spurge (ap,rdzi'). spriugkruid, wolfamelk, v. n. nverhurken, op de.hurken zitten; neersrnak-flax, —lance!. lirlder1,1, —row`, spurriewortel. ken; bezit ne.reen van peas Finders grond. —ter, a. —wart. zwa,rdlelle r.at.rilnrker; onbevoegd ontginner. a. --Vg„ ad. oueelit, Ter- § Squaw 'aiman), a. indiaanachs vrouw. sittpu•tou,4 (sp'joe'ri vaiseht, nglerna,kt.. ---,less, a. oneehtheid. Squeuk ('kwiek';, a. ail. acheeeuw; geknars„ geSpurting ,puelieng. ), v. n. gillen, sebreeuwen; knarsen, piePleP• pen, arpasen, —er, a. eller. Spur. (8 intrn"), act , . p,striad elli ke behandeling. —, v. a. rehopper, verechoppen: met veraehting Squeal a. gegil, geschreeuw. —, v. n, versmaden: v. a. schoppen, trappen; len. schreeuwen; kerinen. versmaden (at:; rich Nerzotten; achteruitslaau. Squenntlab (iiikwiatn'isj), a. licht misselljk, walgmis-er, s. achopper ; versznader. aehtig; overdreven gevoelig, keurig. lru^ real a. ge , peord, van cronn too, aelijkheld, walgachtigheid; overdreven geroeligbeid. zien. Spats c: P, (a pireritr), a. sporendrager. —ier (•ri-ur), Stgueeze (akwier'), a. drunking, persing••knenzinK• . a. spontinaker —y, A. RoUrTi., —, v. a. drukken, pars., kneuren; onderdrukSpurt (spurt), P. & v, r4ie Spi•t. ken; (up) aamenpecaen; v n. dringen, doordringen. -Ill (-11 , 71, pl. kneurer; pera; sehroef. Spi4i ter (spilt111r), a, spop:lael; ge.puw; Retie], —, v, a. uttspuwer; uttstootrn; v. n. spuweit: spat- Squib (sloyib), a. voetzneker.flikkerinaopotternij, ten; rsmrne:en. a. spu wee; rarnmelaar (in het g%hveo nt.s,chrift. —, v. n. atekelig zijn, scherpe zetten apreken). Spy (apai'), a. bespieder, Pylon. --, v. a. beWeden, Squall )ekwill), seeajuin; garnaal, krab; wslvischverspl,den; (out) u. tvorr- ellen; v. n. spieden, loc- , luta. Soullutrecy n altwin'en.sib), a. Zie Quinsy. ri, o; !intM ilitvor,chen. —1,0,adviesjacht. Squint (alswint'), a. ache. (loenschel MM.—, a. vevrenisi ker. save], lornach. — eyed, seheelsiand; sfgunstic Sflot rah islorob'), s. geulde zitting, kns en;jonge ruenseh. —shirker, Jong hors. —, v. e. ached zien. —ing, a. —ingiy, al. wheel, dull'; dik. nd.vnet eon' smak. gevuldeploei,cluivelipa , tei. met loensche blikken. Stoir,re Fil,ti•ajr), a. schildknaan; landjonker; ---,—bish,•-67. R. vat, (Ilk, k•alAlg, aed,lous. Stputtibt), :e s. twist; kloppartij. --, v. grondbezitter. —, v. n.• begeleiden, vergere1a. twiater; n t,isten, rlukhatca. S0'011•1111 (eliwurrn),, v. n. schuirelen;ziehkronkeder. Sw,d (mkwod') r s. rot, troer --inn (-ear) ; a, eska. ! len iala een tab , ; klauteren. drool; ekskader, arnaldoel. Squirrel (samieril), a.eekhorentje. — fish,blan.wkop can reehaara , . Swittild ,,slvol'0.), a. vuil, inorsig. —Rye (skwe- v.a. Squirt (skwurt'), a. spoilt; wateratraal. tilt , —nest, a. vuil held, niorsigheict. Squall (skwitoll'), s. gil; rukwind. —, v. n. gillen.. spuit,n; v. n. buikloop hebben; snateren, babbea stormachtig,butig. --or,, a. gil!er. inn. ---,I., a. spoiler; spuitgast. v. a, daorste(ht.'', s.,toototee)f, wood. morsighe,id. *f. Squalor isnwee'lor). e.

Dorser (dor'eur), s. draagkorf. Dose ((loos), a, arteenljmaat, dosie. —, v. a. artsenij afpassen (toedienen). v. a. atippen. Dot (dot), a. stip, punt. Dota ge (do'tidzI), s. sufferigheid; verzothetd. —/, a, tot de buwelijksgift behoorend. —rd (-turd), a. suffer, oude gek. notation (do-tee'sjun).8. begiftiging; bruldachat. Dot a (doot'). v. n. stiffen. (upon) verzot Ain op. —er, a. suffer; verliefde gek. —tog, a. —ittgly, ad. mal verliefd. Dottard (doeturd), s. dwergboom. Dotterel (dot-tur'll), s. piuvier (vogel). Douaneer ;doe-e-nier'), a. tolbesenbte. Double (dub'b1), a. dubbel; bedriegelilk. —,s.dukbel; duplikaaat; . kunstgreep. —barreled, met dubbelen loop. —biting, —edged, tweesnijdend.--btock, tweeschijfsblok. —buttoned, met twee rijen knoopen. —capatern, dubbele seal. —charge, v. a. dubbel voorzien. —chin onderkin. —dealer, valachaard. —dealing, valachbeid, bedrog. —diamondknot, dubbele valreepsknoop. —eyed, bedriege10 uitziende. —faced, huichelachtig, —handed, dubbelhandig; bedriegelijk. —headed, dubbele headed-shot, kneppelkogel. bloemen dragend. —hearted, dnbbelhartig. —laid, kabelelag. —leaf, tweeblad. —lock, op het nachtslet sluiten. —meaning. a. dubbelzinnig; s. dubbelzinnigheid. —minded, dubbelhartig; bealuitelooe. —mouthed, —tongued, valach, arglistig. —natured, van sane dubbele natuur. —plea, dubbele verdediging. — quarrel, klacht over den blsschop bij den aarts bisschop. —rope, waarlooze schoothoren. —tack, dubbele halo. Double (dub'b11, v. a. verdubbelen; horhalen; omvouwen; omatevenen; v. n. dubbel warden; wenden; loopjes gebruiken. —nese, a. dubbelheid. —r, a. verdubbelaar. —t (-lit), a. borstrok; warngevangents. sues, dubbelworr twee; atone Doubling' (dub'l eng), a. verdubbeling; draaiett. — of the bitt, betinglap. — of a sail, stootlap cp een nil. —nails, huidspijkers. Doubloon (dub-loen'), a. dubloen. Doubly (dub'lih), ad. dubbel; valach. Doubt (daut'(, s. twijfel; weifeIlng; aehroom; v. a. betwijfelen; mistrouwen; v. n. err, aan. twijfelen; weifelen. —er, a. twijfelaar. —ful, a. —fully, ad, twijfelachtig; °tinker. —fatness, twijfelachtigheid; oneetierheid. —ing/y, ad. twijfelend. —leas, a. —levity, ad. ongetwejfeld. Dough (do"), a. deeg; 4geld. —baked, halfgebakken. —y, a. deegachtig, pappig. Doughtiness (dau'ti-ness), s. kloekheid. —y, a. kloek, onverschrokken. Douse (daus), v. a. & n. in bet water plompen. Dove (day'), s. duif. —cot, —house, duivenkot. —like, zachtmoedig. —tail, a. zwalawstaart; v. a. met zwaluwstaarten waken. Dowager (daaw'e-dzjur), a. adellijke weduwe; deuartere. Dowdy (dauw'dih), a. slat. —, a. slonsig. Dower (dauw'ur) —y, a. bruidechat; weduwgoed. —ed, a. met weduwgoed (huweNkegift) beschonken. —less, a. zonder ulteet (fortutn). Dowlas (dauwnes), a. soort van pot linnen. Down (daatue), a. dons; duin; opens vlakte.

—spenning, earnest. —sregeering, theocracy. —sriik, kingdom of God. —vrucht, piety, fear of God. Godde lijk, be. & bw. divine (-1y). —lijkheid„ v. divinity. —loon, by. & bw- impious (-Iy), ungodly, wicked (-1y), devilish. —logeheid, v. impiety, ungodliness, wickedness. —leezen, (del, the wicked. Godetedene, o. (the) heathen deities. Godes, v. goddess. G odheld, v. godhead, deity. Godin, v. goddess. tle %dist, m. deist. —mi. „ v. deism. Gourd, o. goods, things; linen, clothes, luggage; wares, stuff; estate, possession, property. —, bv. good; kind; lit, convenient. —, bw, well, properly. —e Vrildag, good Friday. —e week, Paseion-week. nick to — &en, to pamper one's self, to hebben, to have to claim, to houden, to credit (to give credit) for. ten —e hnuden, to eacuee, to tabs in good part. — en wel, well tend good. Goedeardig, by. & tee. good-natured (-ly), benign (-Iy). —hid, v. goo nature, benignity. G.,,,edhiljeren, on. w, to keep well. Goeddadig, by. & bw. Zie Weldadig. Goeldoen. on. w. to indemnify; on. w. to do well. to please, to give pleasure. —de„ bv. & bw. beneficent (-1y). Goeddunken, on. w. to think fit, — convenient, to choose. o. pleasure, fancy, opinion, will. C cede, o.good. het — does, to do good, to do ghat is right. Gteedenoirsg, m. good-bye. —zeggen, or. w. to hid (to with) good-bye. Goederrn, o. my. tooth, —kuntoor, goods-department. —rekening, merchandise-account. —trews, baggege-train. —wages, goods-truck, frelpht-car. Gorderitieren, by. & hw. merciful ( - ly), element (-1y), gracious (ly). —heid, a. merelfolness, clemency, graeiousuess. Geetacigeeefeelh, be. benevolent, charitable. Geretteicits seer, Ail. —seer, v. well-wisher. —stip, by. & bw. favorable (-bly), kind (-1y), —sfigheid, v. favor, kindness,. Goedhorlig, by. & bw, good-natured (ly), kindhearted (-ly). —heid, v. good-nature, kind-heartedneem. Gordheid, v. goodness, kindness, favor. de — hebben, to be so kind. terwee,heiratten, oe. v. to preserve, to conserve. t. w. to behave bravely; to keep well. eic Ceteedig, be. —heid v. Zie Goedhtertig. G...dk tor airs, 01. W. to approve. —ing, v. approbation, approval. Goedkoop, be. & Lw. cheap (-1g), —held, v. cheapness. G,sedenek en. ov. w. to mike good, to make emends (to make up) for; to indemnify, to defray. —log, v. indemnification, defrayment. Goetdechiles, Lw. willingly, voluntarily. Goetbinsoedm, by. — etjn, to be of good cheer, bw. to be in good spirits. weer —, cheer up deliberately, in cold blood. Goedsprekeo, on. wo to answer (to be Security) for, to past one's word for,
Call (kaol), a. roep, geroop; vordering; roeping; 'Candid (ken'did), a. —/y, ad. oprecht, salver. —ate, a. kandidaat. —ness, s. oprechtheid. ultnoodiging; bezoek; lukfluitje. —, v. It. & n. roepen; noemen. — one names, iemand echeld- Candle (Icen'd1), a. boars, light. kaarslicht. —mass, Maria ticistmis. —stick, kandelaar. omen seven. — to account, ter verantwoor—stuff, ka,svet, talk. —feaster, dief nail de ding roepen. — in question, in twijfel trekkers. kaars; naehtbraker. —wood, eitroenisout. — to mind, herinneren. (at) aangaan bij. (afCandor iken'clar), a. opreehtheid, open ha rtigheid. ter) noernen near. (for) vragen om; (in) binnenroepen. (off) afleiden. (out) buiten- Candy (ken'dih!, a. kandij. —, v. a. koufijten; v. n. hard warden. roepen; uitdagen. (over) atlezen. (upon) bezoeken. Cane (keen'', a. riet; rotting. sugar —, suikerriet. —er, a. roeper. —ing, a. roeping; beroep. —, v. a. of rossen, slaan. —bottom, rieten kitting. Called (kellid), a. ',kiw i arglistig. —ity (-lid'itCanhook (ken'hoek), a. sei► inkelh,ak. Uhl, a. sluwheid. Calligraphy (ltel-lig're-fih), a. sehoonschrijven. Canicular (ke•nik'joe-leri, a. tot he Hondster behoorend. —days, hondsdagen. Call osity (kel-los'it-tih), a. colt. —ous, a. eeltCanine, (ke-najn"), a. hondsch. hunger, gee.,acting; veratompt. —ousness (kel'lus-neat), hanger. vereeltheid; ongevoeligheid. Canister (ken'Is•tur), a. korfje; bun. —shot, Callow (keno), a. vederloos, kcal. schot met schroot. Calm (kaam), a. bedaardheid, kalmte. —, v. a. stillen, doen bedaren, —, a. —1y, ad. balm, Canker (keng'kur), a. kanker; invreting; bederf. —, v. a. verkankeren invreten; v, n. bederven, bedaard. —ness, 8. stilte, bedaardhoid. vervallen. —sus, a. ksinkerachtlg. tr•jellor lc (ke-lor'ik), a. warmtestof. —ific (lcel' —worm, kankerworm. lur-irik), a. verwarmend. Cannabine (ken'ne-bajn), a. van hennep. altrop lkertrop), a. voetangel; sterredistel. alumet (kel'joe-met), a. indiaanache vrede- Cannel coal (ken'nel•Rool), a. fijne soort van kolen. POP. nlate (ke-lum'ni•eet), v. a. belastereu; Cannibal (iren'ni-bel), a. menscheneter. v. n. lasteren. —niation (-ni-ee'sjun), a. baste- Cannon ken'nun), a. kanon; grot geschut. —ball, —bullet, kanonakogel. —proof, tegen het geschut ring. —niator, a. lastersar. —nious, a. lasterlijk. beatand. —shot, kanonschot —ode (-eel') a. be—ny (kel'um-nih), a. Laster, lastering. Calve kaav), v. n. kalven. schieting; v. a. beschieten. —eer (-ier)., a. kanonier. Calvity s. kaalheid. Calx (kmike), a. kalk. Canoe (ke-noe'), a. kano • Camber (kem'bur), a. boog, kromming. Canon (ken'un), a. kerkregel; domheer; de bee• ken den bijbels; kanon (drukletter). —bit, gebit. Cambrel (kem'bril), a. vleeschhaak. Cambric licem'brik), a. kamerdoek, batiat. —law, kerkelijk recht. —ess, a.stiftavrouw.'—icals Camel (kemT., a. kameel. —driver, kameeldrijver. (ke-non'ik)z), a. plechtgewaad. —tst, s. leeraar Camelopard (ke-mel'o-paard), a. ksmeelpardel. in het kerkelijk recht. —izalion (-i-zee'sjun), a, Camera to (kem'er-eet), v. a. welven. —lion, hetligverklaring. (-ajz), v. a. heiligverklaren. —ry, s. dumheersambt. (-ee'sjun), a. welving. Canopy (ken'o-pili), a. troonhentel. —bed, Camlet (kenelit), a. kamelot (vvollen stof). —couch, overdekt rustbed. —, v. a. met ten verCamomile (kem'o-majl), a. kamille. hemelte isedekken. Columns (kee'rnus), a. stomp van neus. Camp (kemp), s. legerp)aats, kamp. —, v. a. & n. Canorous (ke-no'rus), a. welluidend. legeren, kampeeren. —aign (Icem-peen')„ s. vlakte, Cant (kept.'(, s. bargoensch; gemaakte spraak, geteem; worp. —word, kunstwoord. —, v. a bij veldtocht. —azgner (-peen'ur), a. veteraan. Cavnpan iform (kem•pen'i•form), —slate (-jeeafslsg verkoopen; stoutest, werpen; v. n. barlet), a. klokvormig, goenseh spreken; temen; huichelen; § amkantelen. Camnpeatral (kem-peetrel), a. op het veld groeiCanteen (ken-tiers'), a. veldfiesch. end. Camphor (kem'fur), a. kamfer, —ate, —ated, a. Casstelopse (ken'te- loop), a. muskaat-melnen. Canter (ken'tur), a. femelaar; korte galop. —, gekamferd. Campion (kem'pl•un), a. hemeirooaje. v. n. iu handgalop rijden. Cantharides (ken-ther'i-diez), a. apaanache Can (ken), a. ban, kroea. —buoy, tonneboei. :Ian (ken) [could (koed). [past. part. ontbreekt], vliekeu; enkelv. Cantharis (ken'the•ris). Canticle (ken'tikl), a. lofzang. the —s, a. het v. n. kunnen, vermogen. lloogded. (ke-nel'), a. gracht, vaart; bait. nary (ke-nee'rih), a. kanariewijn; oude dans. Cantle tken't1), Contltett (kent'lit),s. stuk, brok. —bird, kanarievogel, —, v. a. in atukken deelen. ..ncel (ken'sil), V. a. doorhalers, uitschrappen; Canto (ken'to), a. zang (van een dichtstuk)• , ernietigen. —lation (-lee'sjun), a. doorhaling; Canton (ken'tun), a. kanton. v. a. kantonneevrnietiging. ren (troepen). —ire (-ajz), v. a. in kantons ver,kncer (ken'aur), a. kreeft; banker. —ate, v. n. deelen. —ment, a. troepenkwartier. ifirktinkeren. —ous, a. kankerachtig, Canvas (ken'ves), a. zeildoek, .11; dock. to use Cancrine (ken'Icrin), a. kreeftachtig. all one', alle zellen bijzetten. —bag, sandrandent (ken'stent), a. gloeiend heet. zak. —climber, matroos. —edging., zoom van `andicant (ken'sii•kent.), R. witachtig. een ZPii.

MOP.- MON. Tied crat In (mod'ur-et), a. —tely, ad. gem atigd, Monach al (mon'e-kel), a, monniks-; kloosterlkjk; eenzaam. —ism (-kizm), s. rnonnikenwezen; kloosmatig, middelmatig. —re (-eat), v. a. matigen, terleven. temperen, does bedaren; v. n. bedaren. —tenets t-et-1, a. gernatigdheid; middelmatigheid. —lion Monad (mon'etl), a. ondeelbaar lets, monade. i-ee'sjun), R. gematigdheid; hetlaa7 dheitl. --for, Monarch (mon'erk), a. al leenhearscher, monarch. -rat, (mo-naark'el), —ic, —icel Ono- naarklk- j, a. (-en- tar), s. tnattger; vredernalrer; voorzit'er. alleenheerachend; vorstelijk. —ist, a. voorstander oderii (mod'urn). a. nieuw, nieuwerwetsch; der monarchic. —ice (-ajz), v. a. ale monarch bes. hedendaagache, tijdgenoot. hedendaagsch. —ism, a. nieuwigheid. —ize (ajz), v. a. nieuwer-1 heerschen; v. n. den monarch spelen. —y, a.alleenheerschappij; monarchie. wetach maken. —nest, a. nieuwemtachheid. Modest (ruod'tst), a. —ig, ad, hescheiden; zedig; Monaster ial (mon-ea-ti'rt-e1), a. kloosterlijk. —y (mon'es. ter-ih),a. kleoster. ingetog,en, Perim?. —y, s. zedigheid, Ingetogenheld, eerbaariteid; —piece, kanten hoezernstrookje. 171onastle (nao-nes'tik,, s. kloosterling —, —al, a, —ally, ad. (-tikl-), klooaterlijk. —ism (-ti-sizm), Modicum (mod'i-kum), a. weintgjs. a. kloosterlaven. Modifiable (mod'i-faj-ibil, a. vatbaar voor wij—ication ;41- kee'sjun), s. wijziging. —y, Monday (mun'dee), s. maandag. to make a saint ci - masndag houden. V. R. wijzigen; verzachten; — upon a matter, een Monde (mond), a. wergild; rijksappel. onder•erp uitputten. Modish (rno'disj), a. —1y, ad, modiech, naar de Monetary (mon'e-te-rih), R. gelsleiijk, geld-. Money (mua'ih), a. geld. ready —, in hand, mode. —rem a. moderucht. gereed geld. to make —, geld verdlenen. to make Modal ate (mod'joe-leet)„ v. a. , de stem) buigen, — of, is gelde maken. —bag, geldzak. —balance, rooduleeren. —ation (-lee'sjun), a. stembuiging, geldschaal. onderstands bill. —box, spaarmodulatie. —ator, a. mtembuiger. —e (-joel), 3. not. —broker, gellhandelaar. —changer, wissemodel, monster. filar. —lender, geldschieter. —making, geldwinModwall Imod'vcaol), a. bijenspeeht. nine:. —matter, geldzaak. —proof, onomkoopbaer. Mogul (mo'gul),s. Mogul. —serivener.geldmakelaar.—'8-tvorth,geldswaarde. Mohair (rno'heer),a, kernelshaar. k (mo'haok), s. straatroorer. —wort, penningkruid. —ed (-id), a. rijk,berniddeld. Mob Molder (mol'dnr), v. a. verbluffen,verlegen waken. —er, a. witselaan.mtinter. —less, a. zouder geld. Monger (mung'gur). s. koopman, kramer. ed, a. vermorseld, fijn gewreven. Mongrel (mung'gril), a. van gemengd rat, Moiety (morit-tik,), e.belft. bastaard. s. bastaard. MiLoti !me))), v. R. be& ijken; lawellen, afmatten; Monied (mun'id), a. rijk. bemiddeld. v. n. zwoegen„ sick sf'looven. Moist (rnojat,')., a. vochtig. —en (nnola'n), v. a. be- rtionish (morilaj), v. a. vermanen, waarschuwen. vochtigen. (moja'n-nr), a. bevoch tiger. --er, R. vermaner, waarschuwer. Monition (mo.nisPun), a. aantnaning, wenk. —nese, —ore (-joer), e. vochtigheld. —ory, A. vermanend , Monit lye Moke (mock), a. mast. net •erk. Moky (mo'itill), a. don kPr, somber. nars,huwend. —or, a. vermaner, waarschuwer. Molar (rno'ler), a. fijomalend, moat-. - tooth, —cry, s. vermaning, waargchuwing. Monk (mungk'), a. mon•ik; vlek (hi) drukkeral. MR3,1tR11(1., kies. —fish. zeeengel. —sheet, vet miadruk. —'s-head, Mol aarven lmo-les'siz), a. suikerstroop. Mole (moor), ps. tool; dam, havendam; moedervlek. papenkruid. —'s-hood, monnikakap. —"a-rhubarb, monniks-rhabarber. —cry, a, monnikenwezeu, -le--bat, ven. —hood,a.monnikachap.—iah,a.monnikachtig. mollenvanger. —cricket, veentuol. —eyed, met seer kleine oogen. —track, moilengang. —trap, Monkey (mung'kih), a. Rap. —flower, guichheil. —"e-bread, apenbrood (plant). mollenval. —warp, mol. —, v. n. molshoopen opMono chord (mon'o-kord), a. eenanarig apeelruimen. Molecule (mol'e- kjoel), s. stofdeeltje. trig, —chrome 1.1croom), a. eenkleurtg schilderMolerit (mo-lest'), v. a. overlast aondoen, kwellen. stub. —chromatic (-kro-met'ik), a. eenkleurig. —Winn (mol-ea-tee'ajun), a. overlast, Wed. —er, Monocut ar (mo-nok'joe.ler), —out, a. eenoogig. T►llonodon (mon-o'don), a. zeeeenhoren. a, verontruster,kweller. Moll! eat (molli-ent), a. verzacht,d. —feeble Monody ;rnon'a-dth), 8. alleenzang. ( faj-ibl), a. verzachtbear. —,fication (-fl kee'sjun), Monogstm 1st (mn-nog'e-mist), a. vijand van a. verzachting. —fler (-faj-ur),s. verzschter. het bertrouwen; die dêne vrouw heeft• a. huwelijk met 6ene vrouw. (•faj), v. a. verzachten,'Ienigen. Mono grant (raon'o-grem), a. naameiger; SAMollusk (11110P1i100, R. weather. mengestelde letter, ldnregelige rspreuk. —graph Molt. Zie Moult. (-grei') s, beschrijving van eene enkele zaak. Molten (mool'tn), a. gesmolten. Moly (molih), a. wild knoflook. —PraPbY (mo-nog're-fih), a. lijnteekening; Monograph. — UM (-11th), e. gedenkzuil nit Mollybdena (mol-ib di'ne), a. waterlood. a. alleenapraak. 6dn stern. —logue lone (moom) ; a. totskop, domoor. Moment (mo'mint), a. oogenblik; gewicht,belang. Monomachy (mo-norn'e-kih), s. tweegevecht. Monomania (mon-o-mee'nI-e). a. monemanie —orgy, ad teder oogenblik. --ary, a. vluchtig, voorbjjgaand, kortstoadig. —out (-ment'us), a. Mononne (mon'om), a eenvoudige groothetd. gewichtig, van belting. —um (-men'tnm).s.beweeg- Monopnthy (mo-nop'e.tik), e. alleen•laden. Mr,nopetaloos (mon-o-pere Ins), a. tlenbladig. kracht, sandrijvingakraeht; toppunt.
smettelijk. joe-us-), s. helderheid, duidelijkheid, klaarheid. Pestillen ce (peeti-lens), a. pestziekte, pest. —t, —ou, a, —ously, ad. espik'joe-1,heider, duidelijk, —tial (-len'sjel), a. pestaardig; verpestend, beklaar. (pur-spajeibl), a. uitwasembaar; smettelijk, boonaardig, verderfelijk. Pernbir able a. uitwa- Peatillation (pee-til-lee'sjun), a. lijnstamping, (-e uitwasemend. Pestle (pes'elr, a. vijzelstamper. sembaarheld. —anion (-spi-ree i ejun;, a. uttwatte- Pet (pee). a. gemelijkheid, kwade hula-, —utory ( e-tur-rih), a. de ming. — afire lieveling, troetelkind. —, v. a. vertroele pp uitwaseming bevorderend. —e, v. a. & n. nit- t. lam; elen wasetnen; zweeten. a. verbanning (pet'el), a. bloemblad. Persian dable (per-swee'dibl), a. overreedbaar. Petal (in het oude Syracuse). —aus, a. hiaderig. (to); —de (sweed'), v. a. overredea, overhalen (-at- petard (pe-taard'), a. springbus. overtuigen (of I. —der, a. overreder. —aibility breedgerande hoed; Marc a. (pet'e-sue), petasits bil'it-tih), s. overreedbaarheid; lichtgeloovigheid. eius-hoed; (boort van) koepel. (-sibl),a.overreedbaar;lichtgeloovig.—sion —fever, slakLeitte;s.overreding;overtutging.—streaa.—szte y, Petechial (pe-tVki-e1), a. gevlekt. koorts. ed. (-siv-), —sory, a. overredend; overtulgeimPeter (pi tar), a. Petru Pieter; mantelzak. --boat, —sivenees 1-siv-}, s. overredingskracht gevat; visscher8boot. —man, visacher op den Teems. Pert (purl', a. —4, , ad. wakker, levendik, Wij! ,- —pence, St. Pieterspenning. —wort, peterkruid. neuswijs; vrijpostig, onbeschaamd. a. Peti, air (pet'i-o-ler), a. van den bladateel. —ate Petrol urns; onbeschaam (-let), a nit den bladateel groeiend. —e (-oo1), v. n. behooren, aangoan. Pertain (pur-teeu"), ad. e. bladateel. Pertlnaci sans (pur-ti-nee'sjus), a. —.sly, (pet'ih), a. klein, Bering, halastarrig, hardnekkig. —ousness, a. — ty (-nes' Petit Petition (pe-tisj'un), a. verzoekschrift; verzoek. it-t1h), a. haisstarrigheid, hardnekkitheid. v. a. verzoeken, meek., —are, a. verzotie. geechiktheid, —cy, (pueti-nens), Pertinen re —er, a. verzoeker; adreasant. tend, smeekend. dienatig, paaeend., —tly, ad. a. gepa,theid. —t. Petre (prturl, s. Lie Nitre. gepast. --torso, a. Lie Pertinence. S. raking , —t, rettrei (pet'ril, pi'trill, s. stormvogel. Pertingen cy (pe-tres'sent), a. versteenend. Petrescent a. raliend. action (pe-tri-fek'sjun), —ication Pertness (purt'neW, a. wakkeeheid, gevatheid, petril kee'ejun), s. eteenwording; venteening. —active, neuewijsheid; driestheid, (pe-tririk), a. versteenend. —y (pet'ri-faj), Perturb (pur-turb'), —ate (-eel), v. a. store,', v. a. & u. vereteen.n. verontrusten. —ation (-bee'ejun),s.verontrusting; stoornis; verwarrink • —.ter (puetur- bes-tur), Petrol (pi'trol), —eunt(pe-tro'li-um), s. steenolie. Petrottel (peeruu-uel), a. ruiterpistool. —er, s. versteorder; verontruster. Petticoat (pet'ti-koot), a. vrouwenrok. —governBat• Pertuallou (pur-tjoe'zjun), 8. doorboring, pruikmaker. meld, vrouwenregeering. —ho/d.konkelleen.—penu. pruik. —maker, Peruke (per'oek). .ianer, galant, die onderhouden wordt. (pe-roe'zel), a. do,rbladering, doortePerils til m. den advokaat epelen, zing. —e, v. a doorbladereu, doorlezen; onder - Pettifog (pet-ti'fog), v. beunhazen. —per, a. slecht advokaat, rechtsver zoeken. —er, s. lezer; onderzoeker. Pern'eltsobark (pi-roe'vjen-baark). a. kinabast. draaier.—gery,s.rechtsverdraaiing,haarklooverii. petti 'sees ( et'ti-ness), a. kleinheid, geringheid . Perva de (pur-veed'), v. a. doordringer.—eiOn ty, ad. gemelijk; korzelig. —tallness, —ish, a. g —ire (-vee (vee'zjun), a. doordringin. s. gemelijkhe(d. —Roes (-tooz), pl. pooten van doordringend, ad. verkeer i; een speenvarken. —aely, se (puevurte), a. Perver Petty (peetih), a. klein, kering, onbeduidend. o halestarrig,8tug;verdorvennood.—seness,--sitar, -dip. (-vur'sjun), —chaps, brotaardnachtegaal. —coy, gemeerfroers. verkeerdheid; verdorvenheid. —gods, ondergoden. — jury, kleinet jury. 8. ornkeerIng; bederving. —sive, a. omkeerend; kruid. — madder, kruisblad. verdraaien; be- — ledger, briefportenboek. bedervend. v. a. oYnkeeren, walatroo. — mullein, wolkruid. — pan, derven, verleiden. —ter, a. verdraaier; bederver. — muguet, —tible (-vurt'ibl), a. te verdraaien; te beder- taartpan. —Rhine,beneden-Rn. — sparge,'wolfsven. melk. — tally, seheepsportie. — whin, atalkruid.
427 Centerboor, 7. centre-bit. Corecnoni a, v. ceremony; —meester, mister of the Germanism. —eel, by. cermonial; o ceremonies. Ceroesa, o. seroon. CertIlicaat. o. certificate. Cereals, o. ceruse, white-lead. Cervelaet-worst„ v. Bologna eauaage. Cassie, v. cession. Ceautar, v. centre. Chaim, v. chalee. Chaos, rn. chaos. Charter, a. charter. Chef, m. chief, head, leader, superior. Chertepartij, v. charter•party. Cherub. Chercab(ln, m. cherub. Chtil, v. chyls —makend,—vormend, chylifsetlee. —achtiy, by. obylous. Chirur gie, v. surgery. —y(tn, us. enrgeon. Chloor, o. chlorine. —balk, chloride of lime. Chocolade, v. chocolate —ban, —hetet, chocolate-pot. —keekje, chocolate-drop. Chriet bw. christian (-(y). —en, In• —in, v. cbristian, —endons, O. e,r2stendom. —enheid , v. c brie tandom. chrietianity. —se, on. Christ; --beeld, image of Christ. Chronisch, by. chrontcal. Chronolog le, v. chonoloey. —itch, by. chronological. Chrysollet, m. chrysolite. Cichorel, v. succory, Cider, m. cider. CUifer, o cipher, digit. in —I echrijven, to write In (by) cyphers. acne not in het — Om, to rtar.d for a cipher. —bock, book of arithmetic. —kunst. arithmetic. —letter, cipher. —wester, arithmetician, ciphering-master. —schrift, cipher; Meganography. —car, tn. accountant, reckoner, arithmetician. —en, on. w. to cipher, to cast accounts. CUns, no. tribute: cense. —recht, light of Aeoylng a tribute. —boar, —plichtig, by. tributary, Clilnder, m. cylincier.Lhoriopa, cylinder-, leverwatch. —lamp, argand-la*np. —vernag, cylindric. Cinsbaal, Cinsbel, v. cymbal. Cipler, m. jailor, keeper. Capron, m. cypreso. —seboons, cypress-tree. Circa, bw. abaft. Wren* afire, v. circular (letter). —atie, v. circulation. —eeren, on. w. to circulate. Carter!, m. circle. --hoop, arch. —roe /nig, circular. —elate, surface surrounded b ij a circle. Citadel, v. citadel, fortress. Citer, v. aithern, guitar. —drand„ brush-wite. —spa, guitar-playing. —*peter, guitar-player. Cito, bw. quickly. Citroen, in. lemon, citron. —boom, lemon-tree. —peel, be. citrine. —hout, candle-wood. —kleur, lemon-color. —kruid, coin:non balm. —sop, lemon. , lemma. juice, lemonade. —schil,lamon peel.• custard. --zuur, lemon-field ; zest, citrate. Civet, o. cleet. —kat, civet-cit. Civiel, be. civil; reasonable, chap. Classicaal. by, class , simultaneous. — onderteijsen, to teach in classes. Classiek, by. & bm► . classical (-ly).
B. Ilia, tw. poh i pooh ! pshaw red wine. --hal, Heal, v. bay; baize; (roode) magazine of baize. —ranges, to skate nimbly. —ranger, Greenland- rnan;nlinble skater. —tureen, baite.weaver. —rout, bay-silt, —en, bv. (of) baize. —tje, o. tailor "sj %eke; op P.). — ',Oen, to be drubbed. firsftlerd, rn. chaos Beak, v. beacon, buoy. —, geld, bsaconage. Baal, r„ hale, hag. — dark, pack- cloth. Ileum, v. (smooth) path, beaten road, path-way; track, orb) t; rope-walk; breadth. op de lange — achuiven, to delay, to procrastinate. op de — brengen, to raise, to start, to bring upon the carpet. rules — snakes, to make room, to disperse the crowd, to clear the passage. de — Meter neaten, to prepare things beforehand, to break the ice. —geld, path-money. —hoer, common strumpet. —spinner, rope-maker. —veger,scavenger.sweeper. —der, m. rope-maker. —derhser, m. baron,knight, banneret. —der( , v. rope-yard. —tie, o. lucrative place, sinecure. Bear, y. bier, litter; billow, wave; ingot; bar. —,

Wat is de toekomst cryptogeld


Cynosure (saj'no-sjoer), a. noordster; kleine Beer; leidster, baken. Cypress (earpress), a. cipres. Cyprus (saj'prus), e. krip; wiin van Cyprus. Cyst (siat'), s. etterzak; zakgezwel. —ic, a. in een' zak bevat. —ocele (-to-siel), a. waterbreuk. —otomy (-tot'um-mih), a. opening van zakgezwellen. s. goudenregen. CytIsus Czar (vier), a. Czar, keizer van Rutland. —ins (za-ri'ne), s. Czarin, keizerin van Rutland. (zaar'o-wits), a. oudste noon des Czaars, erfgrootvorst van Rusiand.
colliery. —masd, coal- basket. —meter, measurer of roam; Ma- meter; anthraconseter. —lei*, coalmine, coal-pit, colliery. —pan, See-pan. collier. —sehop, coal-shovel.—eoerder, coal -heaver. —rear, coal fire. —wagen, coal-cart. —oak, COMbag. Koff, v. bat, club, golf-stick; butt-end; receiver, recipient. --baste, place to play at golf; cricket. ground. —bat, ball. —apet, golf; cricket. —je, o. small bat; dat is een naar raijn ;band, that lust suits me. Holtbrie. in. humming-bird. Kolleft, o. colic, gripes. —pljn, griper. Kolk, v, pit, hole; suit, abyss; whirl-pool, —en, on. w. to whirl, to bubble up; to belch. Kollsibloesn, v. wild poppy. Kot lets, ov. w. to knock down; on. w. to ride upon a broom-stick.—b(j1. butcher's axe. —hante, butcher 'a mallet. Kollokwint, m. bitter-Apple. Kolons. v. colsmn. Kolonei, in. colonel. —splaati, —sehap, Solonelship. Kolon inal, by. colonial; in. soldier of the colonial troops. —be, v. colony, settlement. —is?, or. colonist, settler. --isatie, v. colonization. —ineren„ ov. w. to colonize. 1Kotortet, o. color, coloring. Kolos, m. colossus. —emit, by. colossal. Kolnens, rn. keelson. Kolv en, on. w. to play at golf; — cricket. —enier, m. burgher. —er, m. golf-player. Koos, v. basin, bowl; pond; dockKom bsnrs, v. sailor 's co.priet. rug. —he, cooking-hut. —babe, v. cook 's galley, caboose. Konsed taint, m. comedian, actor. —ie, v. play house, theatre. Konteet, v. comet. K•stssen, on. w. to COWIN to arrive; to get. hoe komt dat? why so? s hat is the reason of that? eaten —, to wend for, to order. ncder —, to approach. realer to advance, to improve. aehter i-ta —, to trnd out (to discover. to get the knack of) v thing. aan lets —, to get (to gala, to come by) a thing — es., to bethink one 's self of. er door —, to get theough, to pats. tot etch zelven —, to recover one 'S senses. in gehrutk —, to cone into fashion, to become cuetomary, in de gedaeltte —, to occibr (to eurgeet one 's self) to the mind, in kennis — meet, to snake the acquaintance of, to become to get) ftequainted with. KontenU„ v. —sw:nAel. grocer 's shop. Komfos,r, o. chafing-dish. Konskin, no. cumin. zwarte —, caraway. —kens, —ekaus, cumin-seed-che,see, clove-cheese. -tead, CUMICI-seed.
Litecoin is an open source software project released under the MIT/X11 license which gives you the power to run, modify, and copy the software and to distribute, at your option, modified copies of the software. The software is released in a transparent process that allows for independent verification of binaries and their corresponding source code.
Koeta, v. coach, carriage; couch, bed. —hula, coach-house. —paard, coac•-horse. —poort, great gate, gate-way. —alede, covered sledge. —stoel, place of the coacher. —wages., travelling-coach. —en, on. & on. w. to couch. —er, m. toucher. —ier, so, coachman. Usti., v. —achip, a. two-masted voesel. Kotler, sea. coffer. trunk. —ranker, trunk-maker. —en., or, w. to coffer. —tje, o. email coffer; closestool. Koflie, v. coffee. sterke —, strong coffee. elappe —. weak (dilute) coffee. —boat, bale of coffee —boon, colas tree. —boon . , coffee-beau, -berry —bulk, lover of coffee. —brander, coffee-roaster. —hue, —trammel, coffee-canister. —dik, grounds of coffee. —goed, coffee-things. —hale, coffeehonse; —houder, coffee house-keeper; —kneeht, waiter in a coffee-house. —kamer, coffee-room; green-room. --ban, coffee-pot, •biggln. —betel, coffee-kettle. —kleur, coffee-color. —kilning, coffee-colored. —basket, coffee-pot. —kopje, coffee-cup. —machine, coffee-kitchen. —stolen, sof. see-mill, --plantage, toff to-plantation. —pot, coffee-pot. —water,w ater for coffee, Kog, Koggt., v. a. EnerchAntman. nu. bail. bullet, shot —bak, chest for bullets; shot-locker. —gieter, bullet-maker., caster of balls. —gieterij, place where bullets are made. —rob, shut-rak, -garland. —regen, shower of bullets. —rood, --vornsiy, globnar. —tang, forceps, crow's-bill. —trekker, bullet-drawer; worm; croNt'e-bill. —rem, ' ,spherical form, sphericity, bullet-mould. —en, at, w. to throw stones at; on. w. to fire with bails or bullets. Kok. m. cook. —rjongen, scullion, --ernaat, cook's mate. —*pomp, bar-pump. Kokarde, v. cockade. !Kok en, ov tts on. W. to boil, to cook, to dress; to seethe; to dicers, —er, us. boiler K3litssr, m. case, sheato; colysr. —ntaker„sheathmaker. —mof, (a kind of muff —en, ov. w. to sheath; to gull. Koker!j. v, rookery. Koksorseskul o». w. to grin, to sneer, Kokhsslzeas, on. w. to be almost choked. Kokisag, y. boiliroc, cooking; digestion. K.okirdle, v. sitear-harley. Kokket seats, m. cluck,. —en, ott. w, to cluck. Kokos boom., ro. cocoa-tree. ---noot,osess-nos Kol. m knock et the head. —, v. witch, sorceress; broom-stick (of a witch); blaze, white spot; horse with a blaze. —riper, sorcerer. —riAster, sorceress, witch, holder, m, short leather jacket, jerkin, buff-coat! staggers;, rage, madneea; k.te. —gat, whip-staff hole. --atok whip-staff. —en, on. w. to have the staggers; to be mad. --ig, tali. afflicted with the staggers; mad. Kolen, v, my, coal, coals. —dab, scuttle, coal-hod. —brander, charcoal-burner, forester, —branderij , charcoal-kiln charring-furnace. —dolt!, steam (vapor) of burning coals,. —gruis, coal-dust, small coals. —halide!, coal-trade, colliery. —hob, coed-hole.. coal-cellar. —kooper, coalmerchant, collier. —May, bed of coals. —mast, caaistriessmare. —rnagazijn, —palchuis, coal-house,

UN II. 323 Ungreeeful (an-greesloel), a. —ly, ad. cz6eval1ig. —seas, a. onbevalligheid. Ungracious (un-gree'sjus), a. — ly, ad. Wunsch, hatettjk; onaangsnaam; goddeloos. —nets, a. onheusrhheld; onaangenaamheid. Ungrafted (un•graafr ► d), a. ongetnt. Ungrammatical (un-grem-merikl), u. —1y, ad. strtjdig met de regeIe der rpraitkunat. Ungranied (un-graant'id), a. stet toegeetaala. Ungrateful (un-,ree r,oel), a. --ly, ad. ondaukboar; onaangea ,-. (to). —nese, e. ondankbaarheld; onaan4.- neamheid. Ungratla (un -greri-fajd), a. olbevredigd. Ungret.. (un-geries 1 ), v. a. van vet ?Outsell. Ung, vl -Aded (nn-graaund'id), a. ongegrond. Us (un grudzfleny), a. —ly, ad. gewiAig, sunder znorren. Unguarded (un-saard'Id), a. onbewaakt, onbeschermd; onbedsehtzaam. Unguent jung'gwent), a. fall. —eus (-gwenrua), a. zalfaehtig. Ungeeessed (un goat'), a. niet geraden,— gegist. Unguided (un-gaj'dtd), a. ongeletd. Unguilt Incas (uu-gini-nese), a. onszhuld. —y, a. onschuIdig Unhabit able (un-helei-tibi), a. ontewoonbaar, —sated (-he birjoe-ee tid), a. ongewend. Unpacked (un-hekr), a. ongehakt. Unhellow (un-hel'Io), v. a. ontheiligen. Unhand (un-bend'), v. a. loslaten. —inns, a. onhandigbeld. —led (-hen'old)„ a. onaiingerotrd. Unhandsome (un-hen'aurn), a. —1y, ad. onbeWHS. leelijk; onheuseh, onedel. —nese, a. onbeyallIgheld, leelijkheid; onbenachheid, onedelmoedi g held . Unhandy (un-hend'ih), a. onhandtg, linkach. Unhang (un-heng') v. a. utthangen, af. semen. .—ed ( - hellgd% R. ongehangen. Unhapp ily (un-herepil-Ith), ad. —y, a. ongelukkig. — tineii (-pi-nest), a. ongeluk. Unbar hoc (un-haarthur), v. a. storen, °pato°. ten. —bored (-burd), a. ontesehut, sender schuilpleats. —dened (-haard'nd), a. ongehard. —dy n, ongehard; vreentehtig, bedeesd. -.-med ( -ha armd'), a. ongedeerd. (-haartrefoel), a. onsehadelij•. —samosa (-her-mo'nt-us), a. onwelluidend. —sees, v. a. uttspannen; ontwapenen. Unfteep (us-haasp'), v. a, loshaken. Unhatched (un-hetajt'), a. ortuttgebroeid; verborgen. Unhazardsd (un-hez'ard-id), a. ongewaagd. Unbent able (an-hieribl), a. ongeneeelijk, onheeibaar. --ed (-Meld'), a. ongeheeid. Unhealtb Cul (un-helth'foel), —y, a. —fully, —ily, ad. orgezond. —fulness, —ineal (-1-nets), s. ongexondheid Unheard (un-hard'), a. — of. ongehoord. Unheated (un.lierld), a. niet aerhit. Unheed ed (un-hied'id), a. onopgemerkt, veronachtzaamd. fat, a. onopmerkzaam, onachtzaam. —ing, a. achteloos, zorgeloon. —y, a. enachtslam, onbezonnen; plotaelIng. Unhelp ed (un-helpt1 ), a, ongeholpen; huipeloos. —fat, a. onhnlpvaardig; slot batend. Unhesitating (un-hee'l-tee•tieog), a. —ly, ad. fonder *Melon, — drain, vast.
Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.

PAS.— PAY . gesteente. —board, a. bordpapier; a. van bard- Patten ce (pee'sjens), a. geduld, volharding. papier.. —pot, etijfselpot. —t, s. lijder, patient. —t, a. —tly, ad. geduidig, v, a. plakken; (up) opplakken. volhardend, gelaten (of). Pastel (pes'til), a. weede; zie Pastil. Patin (pet'in), a. deksel op den mitkelk; echoPastern (pee'turn), a. hiel, koot (van een paard); teltje, blaadje. voetzool. —joint, voetgewricht. Pat ly (pet'lth), ad. jaist, net van pas. —nest, Pastil (pes'til), s. reukballetje; pastel. —painting, s. reschiktheid, passendheid. het pastel-schilderen. Patriarch (pee'tri- aark), s. aartsvader, patriarch. Pastime (paas'tajm), s. tljdverdrijf. —al (-aar'kel), a. eartavaderlijk. —ate(-et), Pastor (paan'tur), a. herder; geestelijke. —al, —y, a. patriarehaat, aartsvaderschap. a, herderlijk; landelijk. —al, s. herderszang, Patrician (pe-trisren), a. patriciach. s. pa-dicht. —ate (-et), s. herderlijk ambt. tricier. —/y, a. herderlijk. —ship, s. berderseb.ap; Patri tide (perri-sajd), s. vadermoord; vaderzorgersehap. moorder. —menial, a. —menially, ad. (-mo'ni-el-), Pastry (pees'trih), a. pastel, taart; pasteibak- geerfd; get, —mony(-mun-nih),s. vaderlijkerfdeel. kerij. —cook, pasteibakker. —work, pasteien. Patriot (pee'tri-ut), s. vaderlander, patriot. —, Pastor able (paast'joe-ribl), a. geschikt ter be- is (-ot'ik), a. saderlandslievend. —ism, s. vaderwelding. —age, a. weide; hoeding. —e, a. weide; landsliefde. voer. —ground, —land, wetland. —e, v. R. & a. Patristic (pe-tris'tik), —al, a. van de aerate kerkweiden. vadera. Pasty (pees'tih), a. deeg , , papachtig. — (oak Patrol (pe trool'), a. patrouille, rondo. —, v. a. pes'tih), s. pastel. doorkruisen; v. n. de ronde doen. Pat (per), a. & ad. geschikt, juist, precies. —, Patron (pee'trun). s. patroon, beschermer, bea. klapje, tilt: klompje. —, v. a. zacht glean, gunsttger; beschermhellige, sehutspatroon; kepitikken, kloppen. tein, gezagvoerder. —as, a. patrones, beschermPatotche (pe-taasj"), s. wachtschip, uitlegger. ster; besehermheilige. —less, a. zonder bescherPatch (petsr), a. lap , stuk, reepje; strook lauds; mer of patroon. reoesje; hens -worst; sehobbejak. —work, lap-, Patron age (pet'run-idaj), s. beschermer, beknoeiwerk. —, v. a. lappen, verstellen; semengunstiger; beschermheerschap; believing van een flansen; met moesjes beleggen; (up) oplappen; kerkelbk ambt. —al, a. besehermend. —ire(-ajz), eamenlappen; oppervlakkig genezen. —er, a. v. a. besehermen, begunstigen. —izer (-ajz-ur), lapp3r; knoeier. —cry, a. lap-, knoeiwerk. a. beschermer, begunstiger. —ymic (-nim'ik), s. Pate (peet), a. hoofd, kop, bol. geslachtsnaam. Patefaction (pet- e- fek'sjun), s.openbaarmaking. Patten (pet'tin), s. voetstuk; klomp, overachoen. Patel' a (pe-tel'le), s. kniesehljf; eenschalige Patter (pet'tur), v, a. (out) uitkrabbelen; v. n. achelp. —iform, a. schotelvormig. trappelen; kletteren. —er, a. marktschreeuvfer. Paten (pet'ln), s. Zie Patin. Pattern (pet'turn), s. patroon, model. monster, Patent (perent), a. open, openlijk, openbaar; steal. —book, staalboek. —card, staalkaart. —, eeoctroieerd. letters —, opene brleven. —, a. v. a. tot model dienen voor; namaken. open brief, octrooi, brevet. to take out a —, een Patty (pet'tih), a. pasteitje. —pan, pasteipan. oetrooi nemen. brevet. —rolls, register Patulous (pet'joe-lus), a. wijd, uitgespreid. der octrooien. — ee a. geoctrooieerde. ge • Panel loquent (pao-silo-kwent+, a. onspreakpatenteerde. zaam. —loguy (-kwih), a. onspraakzaganheid. —ty Patern al (pe-tur'ne11, a. vaderlijk. —ity ( nit(pao'sit-tih), a. klein getal, kleine hue'eelhetd. tih), a. vadersehap. Paunch (paantsj'), a. bulk, pens; zwichting, leiPaternoster (pee'tur-no,t'ter), a. paternoster, eels. —bellied (-bet-lid), a. dikbuikig. —, v. a. (het) Vadee Ons. ontweien. Path (paath'), s. pad, weg, Juan. —way, voetpad. Pauper (pao'pur), a. aime; bedeelde. —ism, a —, v. a. den weg banen; doen voortgaan; v. n. armoede. —ire (-ajz), v. a. & n. verarmen. gaan. —less, a. ongebaand. Pans e (paw), s. pauze, rust, verpoozing; gePathetic (pe thct'ik), —al, a. —ally, ad. Meldaehtestreep; rustteeken; tweestrijd, weifeling. roerend, aandoenlijk. —airless, a. zielreerend—, v. n. verpoozen, rusten, stilhouden (at); naheld, aandoenitjkl ► eld. denken (on. upon). —er, a. die ophoudt; nadenPathognom onic (pe-thog-no-mon'ik), a. de ker; weifelsar. —ingly, ad. met tussehenwezenlijke teekenen eener ziekte aanduidend. poozen. —anise, pl. leer der ziektekenteekenen. —y Pave (peev'), v. a. plaveien; bevloeren; banen. -thog'no-mih), a. kertnis van de teekenen der —ment, a. plavelsel; vloer; etraatweg; trottoir; hartatochten. —beater, etraatslijper. —r, a. ',leveler, straatPatholog 'cal (peth-o-lod'zjikl), a. van de maker. ziektenleer. —iat (pe-thol'ud-ziist), a. ziektenleer- Pavier (peev'jur), a. Zie Paver. kundige. —y (pe-thol'ud-zjil), a. ziektenleer, Pavilion (pe-villun), s. paviljoen; tent; vlag. ziektenkunde. , v. a. met eene tent beaehutten; van tenten Pathos (pee'thes), a. hartstoehtelijkheid, nadruk, voorzlen. gevoel. Paving (pee'vieng), a. beatrating. —beetle, streetPatibulary (pe-tib'joe-le-rib), a. van 0,e galg; stamper, duffer. —brick, vloertegel. —mar5le, galge-. marmeren vloers teen. —stone, vloersteen.

Hoeveel was Bitcoin 2009


451 Flti0e•Ir en. ov. W. to curl. —Ozer, curling-pin. rvistor, m. hair-dresser. Frommelen, ov. w. to arum*. to fumble. Fro', v. —es, v. frown. wrinkle. —en, on. w. to frown, to wrinkle, to knit (one 'a brows). —61 9, v. frowning. Front, o. front. — makes, to face. to make face. Fruit, v. & o. fruit. —ben, —.mend, fruit-basket. —kandel , fruit-trade. —hider, fruit-cellar. —trooper, —koopeter,, fruiterer, ft ult-monger. —mum', fruit-market. —rijk, fruitful, —schwa, fruit dish. —sadder, fruit-painter. —stuk, fruitpiece. —rroure fruit-woman. —wicket, fruit-shop, fruiter y. Fruit an, ov. w. to fry. —pan, frying-pan. Eulk, v. weel, bow-net. in de — loopen, to fall into the !snare. o. velvet. —en, by. velvet, velvety. m. rogue, rascal, scoundrel. Veenctle, v. function. Fundament, o. Zie Fondement. Fungterrn, qn. w. to officiate. Fast, v. fudge, fiddle-fuddle. —, taw. fudge fiddle. ,stick I Futsell car, in —aareter, v. trifle, idler. —artj, v. trifling, fiddle.faddle. —en, en, w. to trifle, to fiddle-faddle. —werk, tie Futselarkl.
tornadoes*. —lijk,,bw. usually, corrineonly. —te, v. custom, habit, practice; use, usage, fashion. Geworden, on. w. to come to hand. demand latex —, to let a. o. have his own way, to let a. o. alone. Geworante, o. vermin, warms. Geworotell, o. struggling, wreetting, struggle. Gewright, o. joint; (van de hand) wriet; juncture. Gewrogise, by. wrought. o. work, effect. Gewroet, o. poking, raking, rummaging, ransacking, toil, drudging. Gewrok, o. grudging. Gewulf,o. waving, beckoning. Geworan, o. drudging, toiling, plodding. Geznag, o, cawing; scraping, fiddling. Genital, o. sowing. —de, o. what ham been sown; corn fields. Gezabber, o. slavering, drivelling. li ezag, o, authority, command, power; credit, influence. — hebben (coerce) over, to command, to rule. —hebber, —voerder, director, commander; captain, master. Gezalfde, s. anointed, Meesiah. Gezamenderband, bw. together, conjunctively. GezamenllUk, bv. & bw. collective (-1y), aggregate (-1y), joint (-Iy), conjunctive (-1y). Gemming, o. singing; song; hymn; canto. —bock, book of hymns, hymn book. Geznastk, o. eternal repetition, repeating the Fame thing over and over (again); vexation. G ezant, in. envoy, ambassador. paueetijk —, nuncio. —*chap, o. embassy. --sehapseecref aria, secretary of legation. G maid, be. bound, tied. G ezeever, o. slavering, drivelling. Gezegri, by. said, afore•said. --e, o. saying, expression; predicate. Gegemeld, by. sealed. — papier, !stamped paper. Gezeiggen, on. w. tick laten —, to be prevailed upon, to follow advice, to obey. Gezeglitjk, be. tractable, docile, submissive —head, v. traetablencee, docility. Gezel, m. companion, mate, comrade, fellow, partner; journeyman, workmen. — Ely, by. socia • ble, social; familiar, friendly. —ligheid, v. sociability, sociality, familiarity. —Ha ; v. companion. Gezetsefinp,o. company, society, party. Juffrou. van —, companion. ---tkomer, drawing-room. —ailed, social song. — arekening, rule of fel:owship. —toe, social game, round game. Gez et, by. thick-set, corpulent. replete; set, fixed; steady; sedate; (op) tie Geateld. —acid, v. corpulency; steadiness, assiduity; sedatenetzs; inclination. Ger,ur. o. loitering; tie Geznnik. Gezlcbt, o. sight, look; view, aspect, prospect; vision; face. op het eertte —, at fir mt eight. in het — krijgen, to get a eight of. nit het — verlieaen, to lose sight of. in het — saiiktrIten, to laugh in one 's face, can scherp hebben, to be keensighted. —en trek.t.en, to make faces. —cinder, horizon. —kuade, optics. —kundig, optical. —kundigs, optician. —zenuw, visual nerve. —abedrog, optic Illusion, —shock, optic (visual) angle. —string, horizon. —.flaunt, point of view.
193 MUT.--NAT. Myself (maj-self), pr. zelf, ik zelf,mij, mijzelveu. alleen. y Mystagogue(miaste-gog),.. uitlegger vtn verborgenheden; reliquien-bewaarder. Mysterious (axis tPri-ue). —ly, ad. geheimzinnig, verborgen. —nets, s. verborgenheid. Mystery (minis-rih), a. gebeim, verborgenheid; handwerk; mysterie (tooneelatuk). !flystic (mitetik), —al, a. —ally, ad. geheinazinnig, verborgen, duister, zinnebeeldig. —alness, a. geheimzinnigheid. •ti-sism), a. leer der myatieken; dweperij, geastdrkivend. Mystif bastion s. geheimzinnigmaking; misleiding. —y mieti-faj), v. a. in geheimzinnigheid holies; miajletden, bedotten. Myth (mith'; , , a. mythe, verdichtael, —ic, —ical, a. fabelachtig, verdicht. —ographer (mi-tkog'refur,, a. fabelsclutver. —ological (-o-lod'zjikl), a. mythologisch; van de fabe-Ileer. Mytholog 1st (mt-tholtud-zjiet), a. fabeikundige. —ire sjz), v. n. de fabelleer verkiaren. —y, s. mythologic, label-, godenleer.

cryptogeld libra prijs

×