grumous. —en, on. w. to clot —ighoid, v. clottines*, grumousness. Kiont Ig, by. cloddy, lumpy. —le, o. lump. Kioof, v. cleft, gap, chasm, crevice; chink. — by1, cleaving-axe, —hamar. mallet, wedge. —heat, wood to be cleft. —kin, dimpled chin. —meg, cleaver. je,o. dimple; as Kiocaf. Klooster, o. monastery, cloister, convent, nunnery. —breeder, monk, friar, lay-brother. —ca., cell. —piing, cloister-alley. —garen, nun's thread. —pelof le, monastic vow. —geschtedenie, monastic history. —pewaad, monastic dress; veil. —geed, estate (goods) belonging to a monastery. — yuffor, nun. —kerk, monastery-church, cloister. chapel. —lattin, monk latin. —loves, monastic life. —meeder, —voogdee, prioress. abbess. —orde, monastic order. —repel, monastic rule. —twist, monastic discipline. —coder, —voopd, prior, abbot. —roogd(j, priorship. —wet monastic law. —ouster. nun, lay-sister. —aehtig, be. nionaetle, cloisteral. —en, ov. w. to cloister (up). —ing, v. cloistering (tip). —1(ilc, by. cloisteral, monaetie, conventual. —tiny, m. monk; v. nun. Kloot, na. ball; globe, sphere; testicle; truck. —hoop, cross-bow. —rend, —vormig, globular, spherical. —xak, scrotum. —aektig by. spherical-ye., o. little ball, —globe; —svolk,rabble, mob. —itch, by. spherical. m. Kloov con, or, w. to cleave, to split. cleaver, splitter. —ing, v. cleaving, splitting. Mop, on. knock, stroke, rap; stamp. — krijgen, to be beaten soundly, to be drubbed. —geest, rapping spirit. —geeatertj, spirit-rapping — homer, mallet. —henget, stallion. —hoot, beetle; planer. —jacht, track, hattue. —sckeen, etoorked shin; smoothing-stick; kit, small violin. —steam, stone to beat upon. —see, head-sea. Klop, v. —je, o. begulu. Klopp en, ov. & on. w. to knock, to tap ; to beat; to palpitate ; to fight ; to drub, to trash. m. knocker. —lap, v. knocking, tapping; palpitation, pulsation. Moe, m. bobbin, spindle ; log; chock ; bowl. —baan. bowling-green. —beitel, bat, club. --bengel, —poort, —ring, iron ring, — hoop. —koord, looplase —ten, ov. w . to twist with (to wind upon) bobbins; on. w. to make bobbins ; to play at howls. Klots en, on. w. to beat, to stamp, to dash, — log, v. dashing. Kincht, v. farce, joke. —maker, buffoon, merryAndrew. —epel, farce; —dichter, author of a farce. — epee, comic actor. —ig, by. & bw. comical ( - ty), droll (-inglyi, farcical (-1y), odd (-1yi. — iyheid, v. comicalness, drollery, oddness, oddit y. Klein, v. crevice, chink ; ward, perish. —hear, warden. —predikant, parson of a parish. —work, mast of several pieces. Muir, m. Zoe Mottle. —, v. claw, clutch, talon, pounce; gossip. —fok, fore-sprit-sail. —heist, jibboom. — je, o. bone to pick. —star, • . picker. Kloit, v. hermitage, cell ; vault; hawser. —got, hawse-hole. —bout, hawse-piece. —prop, hawseping. Moister, v. fetter, shackle. —en, ov. w. to fet • ter, to shackle.

Kan gestolen Bitcoins worden getraceerd


ligheid; gebeurlijklteid. —t, a. toevallig; gebeur. Contrast (kun.traast)., V. R. tegenover elkauder stellen; v. n. afsteken bij (with). lijk, --t. s. toeval; aandeel. —tly; ad. bij ge- Contravallation (kon-tre-vel-lee'sjun), s. teval. genverschansing. Connell. al (kun-tin'joe el), a. —ally, ad. aan- houdend, gehtedig- —Ones., s. aanhnudendheid. Contravene (kon.tre.vien'), v. R. weeratreven; belemmeren; o‘ertreden. —r, s. overtreder. —dace, s. onafgebroken opvolging; aanhoudend- heid; voortduur; verblijf; uitstel. —ate (-et), a. Contravention (kon-tre-ven'sjun), s. weer8tresing; overtreding. onafgebroken. —ate (•eet), v. a. nauw verbin- Contr.:version (kon.tre-vur-sjun), a. onikeeriag, den. --ation (-ee'ajun). a. voortzetting. —alive verkeering. (•e-tiv)., a. voortzettend, voortdurend. —ator, a. voortzetter. —e (kun-tin'joe), v. a. von rtzetten ; ('ontrectatioti Ikon- trek. tee'sjun), a. betasting. verschuiven; v. n. voortgaan, solltarden. —ed Contribut ary(kun-trib'joe-te•rib),a belastingschuldig; bijdragend. —e (knn.trib'joet), v. a. & (-joed), a —edly, ad voortdurend, onafgebroken. —ity (kun-tin joe'it-tih), a. samenhang. —ous, a. ' bijdragen, m dewerken (to); helpeu. —ion (kintri-bjoe'sjuu), a. bijdrage; belasting; braudscltat. samenhangend. Ong. —ire. —ory, a. bijdragend, medewerkend. Contort (kun-tort'), v. a. vleeht•n; verdraaien; —or, a. bijdrager; bevorderaar. wringer, —ion (-tor'sjun), 8. verdraai;ng, wrin- Contrista to (kun-tris'teet),v. a. bedroeven. —lion ging. Ikon-trig-tee'sjun), a. bedroeving. Contour (kon-toer'), a. omtrea. Contrabandj(kon'tre-bend), a. verboden. —, a. Contrit e (kon'trajt), a. —ely, ad. verbrijzeld, gebroken van hart; boetvaardtg. —encss s. boetsluikhandel; smokkelwaar. — of war, oorlogs- vaardigheid. —ion (kun-trie'sjun), s. verbrijzeliug; contraband. —ist, R. sluikhandelaar. berouw. Contract (kon'trekt)., a. verdrag; contract; over- Contriv able (kun-trajv'ibl), a. bedenkbaar; eenkomat. doenlijk.—ance,s.uitvindiug;aanalag.—e (.trajv'), Contract (kun-trekt'), v, a. samentrekken; be- korten; overeenkomen; verloven; aanwennen; v. a. uitdenken, beramen; ten uitvoer breitgen; zich op den hale bale. (a disease); aangaan, v. n. een plan beramen. —er, a. uitdenker, antmaken (debts). —, v. n. inkrimpen: een verdrag werper. aluiten. —ed, a. samengetrokken, bekort. —edly, Control (kun-troor), a. tegenregister; toezicht; v. a. order toeztcbtbouden; bedwang; gezag. ad. door saMentreltkiug. —edneu, s. bekortheid; beteugelen; vergelijken. —table, a. aan toezicht bekrompenheid; samentrekking. (i-bil' onderworpen. —ler, s. opziener; toezichthouder; it-Oh). a. samentrekbaarheid. —ible, R. eamen- trekbaar. —i/e (-ii),a. samentrekkend. —ion (-trek' —lership, controleurschap. —went, a. beperking; dwong; opzicht. sjun), s. samentrekking; bekorting. —or, H. Ran- newer; contractant Controversial (kou-tro-vuesjel), a. betwixt worContradance (kon'tre-darns), a. contredans. deed. Contradict (km, tre.dikt,), v. a. tegenspreken. Controver sy(kon'tro-vur-sill),8. twist, geschill tedetwist; geloofsstrijd. —t, v. a. betwisten. —er, a. tegenspreker. —ion (-dik'sjun), a. tegen- spraak; tegenstrijdigheid. —ions (-dik'sjus), a. —table (-vureibl). a. betwiatbaar. —tilt, s. redetegenstrijdig, strijdig; dwarsdrijvend. —iou8ness, twister, twistschrijver. s. tegenstrijdigheid; merit tot tegenspraak. —ive, Contumacious ikon-tjoe-mee'ojua). a. —ly, ad. a. tegenstrijdend, wedersprekend. —orily (-ur-il- weerspannig. —nest, s. weerspannigheid. lth), ad. —ory, a. tegenatrijdig; aandruischend. Contumacy (kon'tjoe-me.sth), s. weerspannigheld; niet-verachijning; scratch. - ary, s. tegenerraak; tegenstellirig. Contradistinct (kon-tre-die-tinkt'), a. tegen- Contumelious (kon-toe-rorli•us), a. —ly, ad. snaadelijk, hoonend; sehnndelijk. —nets, 8. begetoeld, onderscheiden. —ion (-tink'sjun), s. on- leediging; mchandelijkheid. derecheiding door tegenstelling. —ire, a. tegen- Cosvimiselly (kon'tjoe-mi-lib), a. smaad, Noon, gesteld. Contradistinguish (kon tre-dia-ting'gwitej), v. verwijt. a. door tegeuatelling onderscheiden. CODE U N e (kure tjoez'), v. a. kneuzen. —ion (-zjun), Contralndi cant (kon-tre-in'di-kent), s. tegen- a. kneuzing. atrijdig ziekteversehijnsel. —rate, v. a. een af- Conundrunt (ko-nuu'drum), s. raadsel; pots; strikvraag: wtjkend verschijnsel aanwijzen. Contranture (kon'tre-mjoer), a. buitenwal. Conusance of Connusance (kon'joe-zens), s. Contranatural (kon-tre-neejoe-rel), a. tegen- kenniegeving, kennismaking. Cons ales cense (kon-ve-les'aen8), a. heterschap, natuurlijk. Contraposition (kon-tre.po-ziesjun), a. tegen- herstel. —cent, a. betercnd, herstellend. —cent, overgesteldheid; tegenstelling. s. zielte, die herstelt. Contrar les (kon'tre-riez), e. tegenstrijdigheden. Cons-en able (kun-vien'ibl), a. overeenkomend, strookend; voegzaam. —e, v. a. samenroepen; —iety (• raj'e-tih), s. tegenstrijdigheid; oubestaan- (.ril 1:11), ad. strijdig. v. n. bijeenkomen; § passes, gelegen homes. —inert, a. b:tarheid. —ily strijdigheid; tegenstand. —iwise ( ti-wajz), ad. —ieace (-Jens), —iency, s. gemak; geschiktheid. integendeel; omgekeerd; tegenovergesteld. —y, —ient (-jent), a. —iently, ad. geschikt, gemakkelijk; passend, voegzaam; gelegen. a. tegenovergesteld; strudig. —y, s. tegendeel. Convent (kon'vent), a. klooster. — idle (kun - ven' on the — y, integendeel. Contrast Owa'(roaar), a. tcgentoeilinkr, ii!,11. R. heimelijke (godsdienetige) bijec ► konntt.,
a. brandstof. —ibleness, a. brandbaarheid. —ion Commenourn bllity (kum•men-ejoe-re-bil'it(-ljun), s. verbranding; opener. tih), It. geliikmatigheid. Come (kutn) [came (keen). come], v. n. komen; Commensura ble (kum-men'sjoe-ribl), a. gegaan; geraken. in time to —, ut lateren tijd. lijkmatig; meetbaar. —bleneas, a, gelijkmatigheid. (about) zich toedragen; veranderen; omloopen. —te, v, a. afineten; geiivenredigd maken. —te, (along) rnedegasn. (at) verkrijgen. (by) bereiken; a. —tely, ad. gelijkmatig, gedvenredigd. —tion, er toe. komen. (forth) te voorsehijn komen. (front. (-ree'sjun), s. evenredigheid; evenredigmakinsr. of) afkomen, afstammen van. (in) binnenkomen; Comment (kom'ment), a. uitlegging, aanteekein twang komen; toegeven. (in for). aanapraak lung. —, v. a. verklaren, toelichten; v. n. aanbebben op. (in to) te hulp kornen; inwilligen. teekeningen oaken (on. upon). —ary, a. uitleg(in to) komen in; geraken tot. (near) nabijkomen. ging; aanteekeningen. —ator, —er (ook kom(elf) afwijken; er afkomen; losgaan. (off from) ment'ur), a. uitlegger, aanteekenaar. —itiona lawn varen. (0.) aankomen; gedijen; vorderen,' (kom-men•tia'sjus), a, verdicht. slagen. (out) uitkornen; voor den dag komen; Commere c (kom'murs), a. handel; verkeer; omruchtbaar worden. (over) overgaan; herl►alen; tang. —e (kom-murs'), v. n- handelen; omgang overvallen. (to) hedragen; inwilligen; uttloopen hebben. —ial (kom-mur'sjel), a. den haudel beop. — to pass, gebe.nren. (up) in zwang komen: tretrend• — ial treaty, handelsverdrag. opkomen. (up to) naderen, gelijk zoin. (up with) Commit.. tion (kum-mi-nee'sjun), a. bedrei• (np.n) aanvallen. — short of, te kort ging. —tory (kum•min'e-tur-rih), a. bedreigend. sehieten hij. — upon an other man's market, iemaud Commingle (kum•min'g1), v. a. ondereenmenonderkruipen. gen; v. n. zich vermengen. Coined 8. tooneelspeler; blij- Commlnu te (kom'mi-njoet), v. a. tot ponder apeldiehter. —y (kom'e-dih), a. blijspel. stampen. —tion (-njoe'sjun), s. vergruizing, fijaComell limns (kum'ii-ness), a. bevalligheid. —y making. (kumlih), a. bevallig. Commisera te (kum-mieur-eet); v. a. beklagen. Come-off (kum-of'), a. uitvlucht. —tion (-ee'sjun), a. medelijden. —tine, a. —tively, Comer (kunt'ur), s. korner. —s and goers, de ad. medelijdend. —tor, a. die deernis heeft. gaande en koinende man. Commissary (kom'mis-ee-rih). s. kommissaris. Comestible (kom-es'tibl), a. eetbaar. —ship, a. kommissarisschap Comet (kom'it), a. komeet. —ary, —ic (km.- Commission (kum-mis'sjun), a. lastgeving, met'ik), a. kometen betreffend. opdracht, volmacht; aanstel ling; bestelling, cornComfit (kum'ifit), s. suikergoed. —, v. a. konfij- missie. —business, commissie-handel. —, v. A. velreacht, opdracht, bestelling, eanstelling geven. ten. —urn (-tjoer), a. suikergebak. Comfort (kunffurt), s. troost; gemak; gegoed- 8. gemachtigde: commissionair. heid —, v. R. vertrooaten; verkwikken; (up) op CommIssure (kum-mis'ejoer), a. voeg, naad, beuren. —able, a. —ably, ad. troostelijk; aange- zoom. Imam, gemakkelijk. —ableness, s. aangenaamheid, Commit (kum-mit'), v. a. toevertrouwen, ongemakkelijkheid. -er, s. troosier;bouffante. —less, dragen; bedrijven; kerkeren. —neat, a. bedrija. troosteloos; onaaugenaam. ving, kerkering, bevel daartoe, —tal. a. gevanConsfrey (kum'frib.), a. waalwortel. genzetting; borg, —tee (•tie), s. commissie; Comic (kom'ik), —at, a. —ally, ad. koddig, boor- comae. —ter, s. bedrijver, misdadiger. tig. —alness, a. koddigheid Commix (kum-mike'), v. a. ondereenmengen ; Coming (kum'ieug), R. aanstaande; voorkomend. v. n. zich vereenigen. —tion (-tjun), —tare (tjoer), s. aankomet. — in, s. geldelijk inkornen. s. vermenging, mengsel. Comilla' (ko-miesji-e1), a. eene volksvergadering Commodl ous (ku.rn-mo'djus). a. —ously, ad. gebetreffend. makkelijk, geriefelijk. —ousness, a. geriefelijkComity (kom'it-ti h), 8, heuschheid; wellevendheid. heid, doelmatigheid. —ty (kum-mod'it-tih), a. Comma (kom'me), a. komma. belang, gerief, voordeel; koopwaar. Command (kum-maand'), R. bevel, gezag, heer- Commodore (kom'mo-door), a. vlootvoogd; achappij. —, v. a. bevelen; bestrijken; ter be- kommandant van een eakader. achtkking hebben; v n. bevel voeren. —er, s. common (kom'mun), a. alledaagsch, gemeen; gebevelhebber; kommandeur; plavethamer; been- rneenschappelijk. a. gemeenteweide. —council, lade. —ery, a. babe; ridderschap, kommandeur- gemeenteraad. —crier, stadsornroeper. — hall, sehap. —meet, a. bevel, gebod. —a, s. (de) tien raadhuis, gemeentehuis. —law, oude ala wet geboden. 8. heveivoerderett, gebiedeter• erkende gebrutken, koatumen. —place, s. geCo immaterial (kom-me-teri-e1), a. gelijk van stof. meenplaats. —place, a. alledeagech , bekend. Comutemora ble (kum-mem'ur-ribl), a. ge —place-book, boek voor aanteekening onder aldenkwaardig. —te, v. a. herdenken, vieren. —lion gemeene 'words', —pleas, gerechtahof voor bar(-ree'8jun), a. gedachteniaviering. —tire, —tory, gerlijke taken. —prayer, algemeen kerkgebed. a. herinnerend, gedachtents, —report, volkaoverlevering. —sense:. gezond var. Continence (kum-wens'), v. a. & u. beginner, stand. —weal, —wealth y gemeenebest, etaat. aituvangen. —ment, a. aanvang, begin. Common (kom'eaun), v. 0. gebruik oaken van. Commend (kum-mend'), v. n. aanbevelen, prij- de gemeenteweide; te zamen eten. —able, a. gezen. —able, a. —ably, ad. loffelijk. —ablcness, s. meeroschappelijk. —ape, s. gemeenterecht, —ally, a. (de) stnalle gemeente; (het) Kerne.. —er„ a. prijzenswaardigheitl. —al ion (-dee'njuD), ar. aanbe- burgerman; lid van het Lagerhuls; aandeelheb • Veling; lof. —atory, a. tianbevelend. —er, a. prtjzer.
brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-
cheas,grouthertogin.—father,grootvader.—mother, grootmoeder. —sire, voorvader; grootvader. —son, kleinzoon. Grandam (gren'dem), a. grootmoeder; grootje. Grandee (gren-die';. a. Grande (spaaneche titel); aanzienlijk man. Grandeur (grend'ur), a. grootbeid, grootschheld, pracht. Grardev fly (gren•dev'it-ih), a. hooge leeftnd. (-diev'ils), a. hoog bejaard. Grandflo quence (gren-dil'o-kwens), e go. zwollenheid. —intent, —quous (-kwua), a. gezwollen, hoogdravend. Grandinous (gren'di•nue), a. vol Grange (greendzj), a. boerderij; korenschuur. Granit e (gren'it), s. graniet. —ic (gre-nit'ik), a. van graniet. Grani .vorous (gre-niv'o-rus), a. graanetend. Grannam, Granny, a. Zie Grandam. Grant (graant'), s. vergunning; verlof; schenking- —, v. a. aannemeu; toestemmen; vergunnen; verleenen; sehenken. —able, a. toe to staan. —ee (•tio'), a. begiftigde. —er,—or. a. begiftiger, verleaner. Granul ar (grenloe-ler), —cry, a. korrelig; Icorrelachtig. —ate (-feet , v. a, & b. kotrelen. — ation (-lee'sjun)„ a. korri ling. —e (•Joel). s. korreltje. —hue, a. korrelig. Grape (greep'), a. druif. bunch of —8, druiventros. —flower,—hyacinth, troshiaeint. —gathering, druf, venlezing. —less, a. den echtentdruivengeur missend. —shot, echroot. —atone, drnivenpit. Grapes (greeps), a. mock, muik. Graphic (grerik), —al, a. —ally, ad. duidelijk geschreven, goad afgebeeld; beschrijvend; schilderactatig. Graphite (gret'ajt) a. graphiet, potlooderts. Graphometer (gre-foru'i-tur), a. hoekmeter. Grapnel (grep'nil), s. dreg; enterdreg. Grapple (grep'pl), a. worsteling; enterhaak. v. a. aanklampen, vastbaken; v. rt. worstelen, plukharen. Grasp (grew'), s. greet.; bereik; macht. —, v. a. .grijpen; vasthouden; v. n. grijpen, tasten; etreven, (at, naar). —er, 0. grijper, strayer. Grass (grass'), a gras. —green,grasgroen. —grown. met graa begroeid.—hopperasprinkhaan.—plantane, slangenwortel. —plot, grasperk. —.vetch, graft. wikke. —week, bldweek (voor het genres). Grass (gratis'), v. a. met gras bedekken. v. n. gras voorthrengen. —iness, s. graarijkheid. —y, a. graarnk, graaig. Grate (greet) s. traiievrerk; rooster; vuurhaard. —, v. a. tralien (up); krahhen; rospen; doen weergalmen. —. v. a. & n. schrapen, schuren;knarsen; krenken, hekelen (upon). Grateful (greet'foel), a. —ly, ad. dankhaar; aangenaam, aannemelijk. —nees, a. dankbaarheld; aangenaamheid. Grater (greet'ur), a. krahher; rasp. Gratification (gret-i-ti:kee'sjun), a. bev red 'ging; genoegen; helooning. Gratify (gret-i-fej). v. a. bevredigen; genoegen doers. heloonen. Grading (greet'ieng), a. —/y, ad. krassend; keenkend. —, a. trallewerk; roosterwork.

Heeft TD Ameritrade aanbieding cryptogeld


Oregon (or'e.gan),g. Oregon. Orl gen (or'i-dzjen), m. Origenes. --11000 to-rlno'kok g. Orinoco. —on (o-rsynn), my. Orion. Orkneys (ork'n1z), g. the —, de Orkadieche elLinden. Orleans (or'11-euz), g Orleans. Orpheus (orljoes), my. Orpheus. Osiris (o-sania), my. Osiris. Ousian (001-en), nn. Ovalan. Ostrogoth (osstro-loth), i Oust Goth. Otaheite (o-te•hajt' •hajt'i), g. Otaheite. Otho(o'tho), tn. Otto. Otide (oed), g. Oude. Ovid (ov'id), tn. Ovidius. Owen (Win), m. Owen. Oxford (3zslurd), g. Oxford.

Wat is Blockchain goed voor


Sprout (sprout), p1. koolspruitjes. I Squn ► noun (skwee'mus), a. schubbig; gesehubd. --, v. n. opruiteu, nitspruiten. ! Squ (altwon'dur), v. a. verkwisten, doorSp•uce (sproes% S. pekden. —beer, jopentier. brengen (away). —er, a. verkwister. —leather. pritiaiseh leder. —yarn, ruw garen. Square (sit we,r'), a. vierkant, kwadraat; carte, a. — ly, ad net, helder; opaeschikt. —, v. a. & n, vierhoek, ruit,vinkelhaak; kwalraatfxetal; plain; (rich) opschink., opdirken. —ness, s. netheid, ' regelmaatiposheid; eelijkheld; overeen%temming; opf4es2litkri,id. oprerhtheid. a. vierkant, reeh.thoekla, hoekig; Spew, isproc)„ 8 , spru, pas, juist, vor.dborstig, oprrcht. —cap, tittp, tapdek ploy.. —collar, staand2 kraag. —eross,v;ernant (!"Pr 11 ... , !.. a. bedrkivig; itrachtig, levendig. a. atompje. kruim. --frame-saw, schulpzaag. —meas.re, vier.. a. levoldig, hante s at. Spey (spr,t;, . vierkante —number,kwa• s. kart mos; wiedioe,je. Sped draatgetal. —rigged, razeilen voerend. —root, Spullier (spulluri, a. tpoel:roest, -, lvadraatwortel, razell. breetuk. —aterned, a, sehuini. --e. v. a. athuimen. Slurp!, e me, ten' plattan spiegel. racht. spant. a. sehn4. -riOloid; bchuming. —toe, ouderwetsch men. --tack, platte --escence 8011.1iI,Pd —yard, ra, the rechthoekig eon den mast hangt. Spur, (spun'), a. gesponnen. --- ;are, schiemano- —, v. a. vierkant waken, brassen; in 't vierkant Karen. brengen; atmeten, inrichten. PR8 maken,!to); v. n. lan Sc..ouge, Spinal e (splindzil. gel link.; (to) paved. hi); (with) overeen stemmen, Speo.n.r.rog-locoetacr. strooken met; twIsten. —ness,e. vierkantheid, Spunk (,,,,nglo",, zwriin, tor d,r;cermolind bout; s. twister. levenoghei d; irmrd. —g, a. lovendtg; moedig. Sytararrotie (skwer-rocs';), a. gekarteld, getand, vur , g. prikkel; span; slag. Spoor epur') R. Proor —gall, Squash (akwosj), a. lets zaehts of weeks; points. spoorwond: v. a. r•et de sparer kwetsen, po•n; onrijpe rrucht; groene aehil; ernak; kneu-leather,spoor!eder.—,,,I.”eorradertjc,--way, —, v. a. plat rolaan, — drunken, kneuzen, a. de ,poreti got.; aansporen (on); Squat (skwot'), a. hurkend; kort en dik. —, a. hurv. n. met speed re; zee. king; smak, vat: tinspaath. —, v. a. neersnukken; H. Spurge (ap,rdzi'). spriugkruid, wolfamelk, v. n. nverhurken, op de.hurken zitten; neersrnak-flax, —lance!. lirlder1,1, —row`, spurriewortel. ken; bezit ne.reen van peas Finders grond. —ter, a. —wart. zwa,rdlelle r.at.rilnrker; onbevoegd ontginner. a. --Vg„ ad. oueelit, Ter- § Squaw 'aiman), a. indiaanachs vrouw. sittpu•tou,4 (sp'joe'ri vaiseht, nglerna,kt.. ---,less, a. oneehtheid. Squeuk ('kwiek';, a. ail. acheeeuw; geknars„ geSpurting ,puelieng. ), v. n. gillen, sebreeuwen; knarsen, piePleP• pen, arpasen, —er, a. eller. Spur. (8 intrn"), act , . p,striad elli ke behandeling. —, v. a. rehopper, verechoppen: met veraehting Squeal a. gegil, geschreeuw. —, v. n, versmaden: v. a. schoppen, trappen; len. schreeuwen; kerinen. versmaden (at:; rich Nerzotten; achteruitslaau. Squenntlab (iiikwiatn'isj), a. licht misselljk, walgmis-er, s. achopper ; versznader. aehtig; overdreven gevoelig, keurig. lru^ real a. ge , peord, van cronn too, aelijkheld, walgachtigheid; overdreven geroeligbeid. zien. Spats c: P, (a pireritr), a. sporendrager. —ier (•ri-ur), Stgueeze (akwier'), a. drunking, persing••knenzinK• . a. spontinaker —y, A. RoUrTi., —, v. a. drukken, pars., kneuren; onderdrukSpurt (spurt), P. & v, r4ie Spi•t. ken; (up) aamenpecaen; v n. dringen, doordringen. -Ill (-11 , 71, pl. kneurer; pera; sehroef. Spi4i ter (spilt111r), a, spop:lael; ge.puw; Retie], —, v, a. uttspuwer; uttstootrn; v. n. spuweit: spat- Squib (sloyib), a. voetzneker.flikkerinaopotternij, ten; rsmrne:en. a. spu wee; rarnmelaar (in het g%hveo nt.s,chrift. —, v. n. atekelig zijn, scherpe zetten apreken). Spy (apai'), a. bespieder, Pylon. --, v. a. beWeden, Squall )ekwill), seeajuin; garnaal, krab; wslvischverspl,den; (out) u. tvorr- ellen; v. n. spieden, loc- , luta. Soullutrecy n altwin'en.sib), a. Zie Quinsy. ri, o; !intM ilitvor,chen. —1,0,adviesjacht. Squint (alswint'), a. ache. (loenschel MM.—, a. vevrenisi ker. save], lornach. — eyed, seheelsiand; sfgunstic Sflot rah islorob'), s. geulde zitting, kns en;jonge ruenseh. —shirker, Jong hors. —, v. e. ached zien. —ing, a. —ingiy, al. wheel, dull'; dik. nd.vnet eon' smak. gevuldeploei,cluivelipa , tei. met loensche blikken. Stoir,re Fil,ti•ajr), a. schildknaan; landjonker; ---,—bish,•-67. R. vat, (Ilk, k•alAlg, aed,lous. Stputtibt), :e s. twist; kloppartij. --, v. grondbezitter. —, v. n.• begeleiden, vergere1a. twiater; n t,isten, rlukhatca. S0'011•1111 (eliwurrn),, v. n. schuirelen;ziehkronkeder. Sw,d (mkwod') r s. rot, troer --inn (-ear) ; a, eska. ! len iala een tab , ; klauteren. drool; ekskader, arnaldoel. Squirrel (samieril), a.eekhorentje. — fish,blan.wkop can reehaara , . Swittild ,,slvol'0.), a. vuil, inorsig. —Rye (skwe- v.a. Squirt (skwurt'), a. spoilt; wateratraal. tilt , —nest, a. vuil held, niorsigheict. Squall (skwitoll'), s. gil; rukwind. —, v. n. gillen.. spuit,n; v. n. buikloop hebben; snateren, babbea stormachtig,butig. --or,, a. gil!er. inn. ---,I., a. spoiler; spuitgast. v. a, daorste(ht.'', s.,toototee)f, wood. morsighe,id. *f. Squalor isnwee'lor). e.

Wat is Bitcoin in het Engels


487 —er,'tn. Importer; pawn-broker. —ihp,v. importation; allegation. —ster, v. female pawn broker. Inbreuk, v. infraction, infringement, transgression, encroachment. — maken op, to infringe upon, to transgress, to encroach upon. Itahrokketem, Inbroliken, ov. w. to break into; to 1040 successively. Inhruln, bv. dark-brown. Iea lortsisen, on w. to rush into. Enbutg en, or. w. to bend inward, to inflect. —leg, v. bending inward, inflection, Ince..eine en, or. w• to collect. —ing, v. collection. Inconsequent, by. & be. inconsoquent (-ly), inconsistent with one 's salt. —ie, v. loconsequense, inconsistence. Indschtig, by. mindful (aan, of). Thaken, to put in mind of. tinting en, ov. w. to summon, to cite. —er, m. summoner. —ing, v. summons. Indarona en, or. w. to dam up. to embank. —ing, v. embankments Indelven, ov. w. to dig into. Indeuken, or. w. to consider. Intrierd wad, bw. indeed, really. Indian, rw. if, in case. ludiets an, ov. w. to deliver in, to present. —ing, v. delivery, presentation. Indigo, v. indigo. indUk en, ov. w. to dike, to embank. —ing, diking, embankment. Indoen, or. w. to put (to get) in, — into, Indonapel en, or. w. to plunge into., to immerge. --ing, v. immersion. Indoop en, or. w. to turn (to twist, to screw) t. w. to intrude. Into; zich Indragen, ov. w. to carry into. Inds...wen, or. w. to enter trotting, — at a trot. IndrUv en, ov. w. to drive i to force) In, — into; to emboss, to enchase; to float into. —ing, v. driving (forcing) in; floating in. Indrillen, ov. w. to pierce. IndrIng en, or. 'or. to push (to mar, to force) in, — into; on w. to penetrate; (op) to press; each t. w. to intrude. —end, by. intrusive. —er, m. —.ter, v. Intruder. —ing, v. penetration; intrusion. IndrInken, or. w. to s callow, to such in. Intirog en, on. w. to shrink in, to dry in, up. —mg , v, drying in, — up, desiccation Indroog, hi. very dry. Indrutpen, on. w. to drop (to trickle) in, — into. Indrultien, on w. to ru'h into. Indruk, m. impression. —ken, ov. w. to press in, w into; to impress, to imprint, to inculcate. —king, v. pressing in, impression. —set, o. stamp, impression. Indruppelen, or. & on. w. to drop in, —Into, to instill. Induiken, ov. & on. w. to plunge (to dip) in, — into; to draw much water. Indewen, ov. w. to push in, — into, to bend inward. Ineen, bw. together, into one another. —groeien, on. w. to grow together. —krimpen, on w. to shrink, to writhe. —Zoom*, on. w. to meet
Respite (rese'pit), a. uitstel; verpeozIng.—, v. a ting. —Aire zumliv), a. hernemend, hervatuitstellen, opachorten; laten ruaten. tend. eeplentien ce (re-splen'ders), —cy, a. glans. Resupina te (re-ajoe'pl-neet), onderste boron luister. —t, a. —tly, ad. schitterend, luisterrijk. gokeerd. —tion (-nee'sjun), a. achteroverligging; Respond (re.spond"), v. n. antwoorden; verant- omgekeerde stand. woordelijk zijn; (to) beantwoorden can. —ent, a. Demur ge (ri-surdsn, v. n. weder opstaan. —rec'to) beantwosrdend aan; a. antwoorder; verweer- tion (rez-ur-rek'sjun), s. opstanding. der, gedaagde. Resurvey (rinsur-vee'), v. a. weder overziera. Respond a (re-spans'), a . antwoord. —ibilitY Resuscitate (re sua'si-teet), v. a. opwekken,doen (-i- l'it-t ih), —ibleneas, a. eerantwoornelljkheld. herleven; v. n. opstaan, herleven. — tion(-tee'sjun), —able, a. verantwoordelijk. —tee, a. antwoordend, a. opwekking; herleving. beartwoordend. —ory, a, antwoordend; borg t- Retail (ri'teel), a. verkoop in het klein. —busbies', —trade. kleinhandel —dealer, kieinhandelaar. 13 (oesntd. (rest'), a. rust; Bleep; ruatpunt; ruetplaats; — (re- tier ), v. a. In 't klein verkoopen; in kleine overschot, rest. at —, ruatig. for the —, voorhet deelen splitsen; netnekeurig (ook: etukswijze) everige. to set up one's —, het uiterete wagon. verhaler. —er, a, winkeller, after. —harrow, oseenkruid. leenatok (bij achil- Retain (re-teen'), v. a. houden, behouden; terugeees). —, v. a. tot rust brengen; leggen; v. n. rue- houden; onthc.aden; in dlenst nemen; afburen; ten; alapen; sterven; overig zijn; blijcen; (on. sehoren. —able, a. terug (in) te houden. a„ pen) leunen, Mennen, berusten op. behouder; aanhanger; huurlakei; honorarium.) Restate (ri-ateot'), v. a. weder in orde brengen; Retake (ri-took') Dm], v. a. hernemen. op nieu ► verkIaren. Retails, te (re-tel i eat), v. a. &n. betsald zetten, Restnuraaon (ree.to-ree'ejun), a. Zia Rests- wedervergelden; met nelijke muntbetalen. —tion ration. (-ee'sjun), s. wedervergelding. —tive (-e.tiv), —torn Bentern (ri-etem'), v. a. tegen den etroom voort- (-e-tur-rih), a. wedervergeldend. stuwen. Retard (re-taard'(, v. a. belemmeren, vertragen. Restful (rest'foel), e. —ly, ad. rustig, stil. —anon (rot-er-dee'ejun), a. oponthoud, vertraging. Bestial' (reetif), a. tie Restive. —er, s. yertrager. Restinction (re-stingk'ajun), e. blussching. Retch (retsj), v. n. kokhalzen. Resting (restleng), a. rust. —place, reetplaats. Retecious (ri-tisrue), a. gevlochten. —stick, zie Beet-stick. Retell (ri-tell') [im], v. a. op niftier vertell en. Tteetitu te (res'ti-tjoet), v. a. teruggeven; herVel-- Retent lean (re-ten'sjun), a. bewaring, onthen. len. —tion (-tioa'ajuu.); a. teruggave, herstelling. ding, terughouding; ge'heugen: gevangenhouding; —tor, a. hersteller. verstopping. —ice, a. behoudend, onthoudend, Restive (res'tiv), a. —ly, ad. stag, koppig, weer- terughoudend. —irenees, a. behoudend (onthouepon-nig. —tiers, a. koppigheid, stugheid. dent) vermogen. Restless (rest' less), R. —ly, ad. rusteloos. —ness, Reticence (ret'i-sens), a. verzwilging. s. rusteloosheid. Reti rye (ret'iki), s. netje; reticule. —.lax (re. !Restos:. able (re-stoor'ibl), a. herstelbaar. —ation tik'joe-ler). —form, a. netvormig. —cute (-i.njoel), (eeeto-ree'sjun), a herstelling; teruggave. —afire o. werkzak, reticule. --ea (-1-ne), s. netvlies. (-e-tiv), a. & a. veesterkend (rniddel). —e, v. a. her Retinue (ret'i-njoe), a. gevolg, (stoat. etellen; teruggeven. —er, a. hersteller. Retire (re-teje). e. a. terugneinen; intrekken ; Restrain (rg-streen'), v. a. weerhouden (from); v. n. zich terugtrekken, — verwijderen(fron); afbedwingen, heteugelen; beperken. —able, a. be- treden; zich begeven (to). —d,a. teruggetrokken; dwingbaar. — edly, a t. met dwang; beperkt. —er, geheim; eenzaam. dnesa (-id-), a. teruggetroks. bedwinger, neteugelaar. —t, s. bedwang,beper- kenheid; afzondering, eenzaamheid. —meat, a. king, verband. terugtrek king; a fkonderIng, esnzaamheid. Restrict (re-strikti, v. a. beperken (to) —son Retort (re.tort'),,e. tegenbeackuldiging; krem(•strils'sjun), a. neperking. —ire, a. beperkend; hale, retort, —, v. a. terugwerpen, -steoten, eamentrekkend, —ively, ad. met beperking. -schuiven; tegenwerpen, antwoorden; v. n. (upon) Restring e (re-strindzj'), v. a. beperken; eamen- eene beschuldiging op den beschuldiger terugtrekken. —eery, a. samentrekkende kracht. —eat, warps). —er, s. tegenwerper, antwoorder. —ion a. & s. samentrekkend (middel.). (-tor'etun), a. temp, tegenwerping. Reety (resitih), a. Zie Restive. Retoss (ri-toe'), v. a. terugwerpen. Resubilme (ri-enb-lejm'), v. a. weder overha- Retouch (ri-tutsj'), v. a. weder aanraken; Yeelen. tijnen. Reendation (ri-sjee-dee'sjun), a. wederuitzwee• Retrace (ri-trees'), v. a. weder sehetsen; — be. ting. treden; — naeporen. Result (re-zult'), a. uitkomat, tilts:lag, gevolg; Retract (re-trekt'), v. a. & n. herroepen, intrek§ beellssing. —, v. n. (from) voortepruiten, voort. ken. —able, a. herroepbaar, in te trekken. —ation vloelen,„ vcelgen; (in) ultioopen op; § beslissen. (-ee'sjun), —ion teirek'sjun), a. herroeping, ina. ultvloeisel; gevolg. —art, a. vereende trekking. —ible, —ale ell), a. intrekbaar. kracht. Retreat (re-triet), a. terugtocht, aftocht; Own. Begun' able (re-zjoem'ibl), a, weder te nemen; dering; wtjkplaats; landgoed. v. n. terugtrekte hervatten. —e, v. a. hervatten; beknopt cameo- ken, wijken; de toevlucht nemen; zich aan to asvatten. —ption (•zum'sjun), a. herneming, hervat- ken onttrekken.
829 Unseasun able (un-st'zn-ibl), a. —ably, ad. onttjdig, ongelegen. —ablenese, e. ontijdigheitt, ongeschittheid. —ed (-Wm!), a. ongekruld, ongezouten; niet geweud. Unseat tun-stet), v. a. van zijue zitplaats (nit den zadel) werpen, —eel, a. ongeseten. Unseaworth Incas (an-al'wurth-l.neas), a. onzeswaardlgheld. --y, a. onzeewaardig. Uuseconded (un-sek'und-id), a. ntet widersteund. Unsaduced (un-se-djoest'), a. onverleld. Unseetni these (un-sieneli-nesa), a. onbetameItjkheid. —y, a. & ad. onbetatnelijk, Unseen (un-sien'), a. ODESZien; onziehtbaar. Unselsed (un-rtezd'). a. niet in bezit genomen. Unselfish (un-seit'isj), a. —4/, ad. onoaatzucbtig. —nese, a. onbaatzuchtigheid. Unsent (un-sent'), a. niet gezonden. — for, ntet ontboden. Unsep emitted (un-sep'e-ree-tid), a. ongeschelden. —ulckered (-al- kurd), a. onbegraven. Unsery a (un-suiv'), v. a. ontkleeden (een touw). —ed, a. nlet gedlend; onbediend. —iceable, g. —ieeablY, ad. (-114•b1-), ondienstig. —iceablenese (-is-ibl-), s. ondienstigheld. —tte (-if), a. niet slantseh, Unmet (uti-set'), a. ongezet; ongeplant; ongeregeld; niet ondergegaan. Unsettle (un-set'tI), v. a. van gine pleats brangen; omverwerpen; in de war brengeu; down wankelen, onzeker rnaken; v. n. in de war (van One plants) geraken; wankelen. —d, a. ongeregeld, ongevestigd; onbestendlg, weitelend; onvereffend. —dness,e. ongeregeldheid; onzekerheid, onbestendigheld. Unsevered (un-sev'ttrd), a. niet geseheiden. Unsew (un•tto'), v. a. lostornen. Unsex (un- seks'), v. a. van geslacht veranderen. Unshackle (an-sjerkl), v. a. ontkluisteren. Unsha dad (un-ejee'dtd). —do:oed (-ejed'ood), a. onbesehaattwd, onverdnisterd. —kable (-klb1), a. ouwrikbaar. —hen (-ajee'kn), a. ongesehokt; onwrikbaar. —med(-sjetenad'), a. Wet baechanmal. Unehatnefaccd (urt-sjeem'feest), a. onbeschaarad, sehaamteloos, —nets, 5. onbesehaamd. held, sehaamteloosheld. Unshaven (un-ejee'pn), a. Plievermd. Unshaved (un-ejeerd'), a. ongedeeld. Unshaven (ua-sjee'vn), a. ongeschoren. Unsheathe (an-ejleth'), a. a. nit de atheede trekken. Unshed (un•ated'), a. ongestort. Unsheltered (un-sjer,nrd), a. enbesehut. Unshielded (un-aj ield'id), a. onbeachermd. Unship (un-ajip'), v. a. ontschapen, uitsahieten; flatten. Unshod (un.ejod'), a. ongeselioeid; enbealagen. 1J Hello e (un-sjoe') [(cr.], v. a. ontechoeten. Unshorn (utt-sjoorn'), a. ongesehoren. Unshot (un-sjot'), a. niet afgesehoten; niet getroffen. Unshrinking (unqdrinkleng), a. niet terugdeinsend, onvereaagd. Unshut (nn-ajut'), a. ongesioten. Unslfted (an•eift'id), a. ongeztft; niet anderzoeht.

Bewondee mar. m. —.rater, Y. adrcrer. —en, lieeztec, be. busy (at), active, occupied (with), ov. w. to admire —eneteaardia, be. & bee. ad- engaged (in). tan ieta — zijn, to be at a thing. mixable —ensteaardigheid, v. admirability. °v. w. to use, to make use of, to employ. —ing, v. admiration. m. employer. —held, Y. business, (TampaBewon en, ov, w. to inhabit, to, dwell in, -.er, tion, employment. v. use, tieing, employing. v. inhebit- Bezliden, Ow. & vz. next to, contiguous to, out m. inhabitant, inmate, tenant. ing, habitation,. of. — de teaarheid, not tree. Bewoon Issaettr , be, haettebie. —bua,heid, v, BezIng en, ov. vv. to sing, to celebrate. —er, m. v, celebration. habitableness. --ster, v. Zie Bewoner. —Ater, v. singer. Bewoord en, ov. w. to word, to express. —ing, Bezink en on. w. to settle. —ing, v. settling. v wording; expressIon, term --eel, o. sediment, lees. t. w. to Bewost, be. conscious —, aware (o'); In ques- Beziun emu', ov. w. to find out; zich tion. —elate, bv. eenFeless. —eloasheid, v, tense- consider, to reflect; to recoltect, to remember. lessees, —.held, v. —ztin, o. knowledge, coned- -•ng, v. consideration, rejection; reeollection; (manes. — konien, to recover one 's senses. tot IllezmeT1 en, ow. w. to cow, to strew, to cover. Dealt, a. pessession. property. is — nem... to —icy, —icy, v. Bowline etrewing, covering. take posseseion of. —nemer, occupant. —timing, .-Trinn, v. mizzen. —abets, brace at the mizzen- occupancy. —1,00, right of possessing. —ate?. yard. —sdentpgordinge, mizzen-broils. —shots, v. Zie BezAtter. —teltik, be. possessive. —ten, —mars, mizren-lop. —stnost, mizzen-tae• mt.- ov. w. to sit upon; to possess. —ter, Tn. poesesszsn-rnast. —spispotten,mizten-bowiines.--sseksif- or, prolrletor, owner. —tint, v. potheselon, skier, Inizzen-s11 , 1e, — 6spriet. mizzen-sprit. — s - property. stag, mizzen-stay. — sstagzeil, mizzen-staysail. Bezoedel en, ov. w, to dirty, to soil, to milmizzeo - ehrouds, iy, to stain. to contaminate, to defile. — ing, dirtying, eullying, contamination, defilement. llezmibbeerri, ot. w. Zie Bezeeevere,n.. Heed!;, 1, be. & bw compared (-1y), sedate ( iy), Br cock, o digit; company. een — afleggen Oren—Reid, v. composednees, gee), to pay a virot (to). —es, ov. w. to visit, to staid (-1,3e, calm sedateness, staidness. calmness. pay a visit to, to call upon, to go to see; to Itezend en, ov. w. to sand, to grate!. —lag, v, frequent, to afflict, to try. —er, m. —.tee V. minding. gravelling. visitor, visitant, guest. —ing, v. visit, eisitetion; Bezeter•n, nv. w. to hurt, to injure, affliction, trial. Ilezeevieren., ov. w. to elabber, slater, to BezoldelIng, m. &. v. mercenary, hireling. drivel upon. Bezolder en. Ow. w. to ern. —say, v. ceiling. ligezegeli en, or. w. to teal; to confirm, rats - Buzoidig en, oe, w. to pay, to keep in pay, to fy. — ing, v. sealing; confirmation. give salary to. —ing, v. pay. wages, salary. B•zeli d, bv teet•sailing; zee — schizo, good Beziendig en, ov. w. to charge with sin; sick (fast, fine) sailer. —ea ov. vv. to tail to, to —, t. w. to sin. —.big, v. sinning. reach — , to arrive at (!•3, , ,ailing). Bezonnen, bv. & bw. cons!derate, (-ly), cantine7.e:s.2, m. broom, hem°, —binder, —maker, out (-1y). —held, v. considerateness, mittbroom, — krvid, horse - 1 ousn,ss. oroom-rneker. tail —sehoonowept out.--steel, —Otok,broomPtick. Bezoone o'. w. to hem, to seam, to border Bezendlog, v. deputation, comrapotiott, erobae- —any, v. hemming, seaming, bordering. my, consignment, parcel. 113ezier,te d, by. anxious (about. for), solicitous Bezet, be, taken up engaged, occupied, (about', hij is —, he has got a competency, he Bezeieii, bv. poseewd. —e, m.. & v. posmemed, is tipsy —dheld, v. anxionsuctis, solicitude. —en, denconiat. —held. a, tieing ov, w. to deliver, to procure; to take care of, to Bezci betel, v. being crowded with butin,,,; conduct, to manage, to provide for, •—er, m, soldier of e get arson —teling, -,ter, v. carrier; steward; procurer, provider. ov. w to out (oti , , to stud, to adorn. to , debeery; management, providing. to border, to edge (met bo4aen); 1,, mount (rnet. Bezoidess. vz. on the south side of. , 1 op, to take up; to BezotnIg cn, ov. ve. to save, to spare, to toy to occupy. to 11 geschut); 1w/stet, to block up; to orri,o, —tiny, v. or,cup- vp, to be saving, to husband, to economize. ation; garrison; oppiestio• --er, m. —tier, v. thrifty man, -- woman, Goonomizer. y. economy, husbandry. Illezleihtile en, o:. w. to view, to examine, to t. w. inspect. to 8us,y. —er, tn. examtoer, , nope,lor, Benttiesert, ov, w. to make drunk. tick i‘urvoyor. —ing, v. exaretuatton in7pection, to get drunk. survey. oe. w. to sroart (to pay dear) for. , Bezwaar, o. burden, grievance, complaint, Mrv. berry. be. Beziel ere. bv. animate. --en ov. W. to animate. , ficulty, objection, e•ruple, prejudice. to give life to, to inspire. to inflame. — ing, v.1 burdened, grie'ed, oppressed, anxious. uneasy. inspiration, inflaming. —Ovid v. oppression, anxiousness, uneasiness. by. difficult; bw. scarcely, hardly, —nay, BezIon, ay. we to look at, to view, to behold; , v. grievance, grief. to examine. feet sat 1e -- staan of, the question in, looker at, viewer; examiner. Bezwmchtel en, ov. w. to swaddle, to swathe; Ra whethe custom officer. —swaardig, by. worth to be look-; to dress (eene wand); to disguise, —ing, y. swad! dlibg, swathing, dressing. ed at.

dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.

Wat was Bitcoin waard in 2012


n. beven, sidderen, trillen (with). —r, s. boyar, sidderaar; kwaker. a. leer der kwakers. Qualif labia (kwol'i-fej ibl), a. vatbear voor wijsiging. —ication (-if-i-kee'sjun), s. bevoegdheld; bevoegdmakiny; benoeming; wljziging, beperking; eigensehap. —fed (-fajd) a. bevoegd, gesahikt (for); gewijagd, beperkt. —ier, a. bevoegdmaker, ijziger. —y (-faj), v. a. gesehitt (bevoegd) maken (for); benoemen; wijzigeu, beperken, matigen. Quality a. hoedanigheid; aard, inborst; snort; amnion, rang. Qualm (kwaare., kwaom'), s. misselijkheid. —isk, a. mieselijk. —iohness, a. mieeeltjtheid. Quaudary (k won- dee'rihi, e.twijfelivet legenheid. Quantlt Mice (kwon'ti-te-tiv), —ire, a. voleens de hoeveelheid te echatten. —y, s. heeveelheld; menigte.; grootte; lengte. Quantum (kwon'tum), a. hoeveelheid; bedrag. Quarantine (kwor-en-tien), a. quarantaino. —, v. a. aan quarantaine onderworpen. Quarrel (kwor'r11), a. twist, krakeel; diamant; glasruit. —picker, twistzoeker. —, v. n. twiaten, krakeelen (about, for). —ler, a. twister. —lout —some, a. twietziek. —sameness, s. twistzucht. Quarry (kwor'rih), s. steengroeve; aan, grout; vierkant, cult. —man, steengraver. —stone, ruwe steep. —, v. a. uitgraven, opdelven. Quart (kwaort'g, a. vierendeel, kwart; vierde; kwartier. —an (-en), a. derdendaagseh. —at ion (-tee'sjun), a. vierendeeling. Quarter (lzwaur'tur), a. vierdeUel, vierendeel; vierde; kwartier; kwartaal; gewest, streak, wijk; veld• legerplaats; verbitjf, lijfsgenade; hieletuk; wlndvering. on the balketagswijze. —of mutton, sebapebont. —badge, valeehe Ejgalern. —bill, geschutrol. —cloth, achanskleed. —day, eerste dag van elk kwartaal; betaaidag, —deck, halfdek. —gallery, zijgallerij. —gaskets, pl. beelagseizingen. —gunner, konstabelsmaat. —ladder, stormladder. —lantern, bnieliehter. —master, kwartiermeester; schietnan, —netting, vinkenet van het achterdek. —piece, hieletuk;etaatshout. —rails, pl. regelingen der versehansing van het halidek. —ranger, beschwachter. —round, kwarttekeliog. —cessions, driemaandestet. ltjksebe reehtszitting. —staff, vechtknuppei. —tackle, handtalie. —wage, vierendeeljutrahuur. —wind, bakstagswind. Quarter (kwaor'tur), v. a. vierendeelen; intwartieren; voeren (in het wapen); v. n. in kwartier liggen; verblijf houden. —age, s. kwartaalgeld. —ing, a. viezendeeling; inkwartiering. —ly, a. driemaandelijksch; ad. driemaandelijks; s. driemaandeltjkseh tijdsehrift. Quart ern (kwaoeturn), a. kwert pint. —et
u ilJblety (joe-bare-tih), a plaataelijkhaid. Ublegiutit atry (joe-hik'wi-te-tih), —out, a. alumtegenwourft. —y. a, a1omtegenv,00rdigheid. Udder (nd'dar), a. uier. Udoesseter (joe-dom't-tor), e. regenmeter. Uiti ltiy (aglii-lth), ad. —2/, a. --inns ( - Iines.), a. ieelijkheid. Ult•r (ul'aur), a. zweer. —ate (-net), v. n. & (down) zwven. (-ec'sj ue), a. zwering, yerzwering. —ad (-surd,„ a tot nano zweer gewerden. —nue, a. vol zwereu. Uliginouts (joe-lld'ajt-nu'(. a. alijkig tectiderig. (ullidzj), e. aanyalling (v/oar lekkage). U‘terior (ul-ti'ri-ur), genatzijdath. venter. Ultima ate (uPti-met), a. laatat; Vera;. --ately, ad. ten alotte. ---ration (-rnee'ajon), —atom tuna), a. laatste — yoorwaarde. —.o, ad. van da vorige maand,pasaato Ultra. (uPtre), a. uitetat, ultra. —marine (-merlon), a, overzeesch; a. bergblaut, —onontane (-mon'ten), a. aan gene Ode tier bergen liggend. —tesundane (-xnun'tlen), a. boyenaardsch, butter& de went& 1LIkultasiots (ul-joe-lee'ajun), gehuil. Umbel (um'bil), a, acherm, Mauro. —tar (-ler), a. achermvormig. —late (-tet), —liferous a. bloemachernadragend. Umber (um'burl, a. omber (vettatot). —, v. a. mot umber kleureu. —ed (•burd), a. gebruind, geachaduwd. Uants1110 (um-bil'ik), a. navel: middelpunt. —at, a. navel-; cIrd, navelatreng.
GRAL—GB.1. funeral song. —maker, grave - digg,or, —naiad, obe- Greln, o. grain; camlet; small pepper. —en, bv. eamlet. —tje, o. keen —, not a whit. lick. —schrift, epitaph. --spetosk, cave, vault. —stede,tomb. —steen, tomb-stone. —teeken. mark Grating, m. horse-line. of a grave, monument. —locate, tomb, funeral Grenadter,m. grenadier. Grentlei, tn. bolt. —boom, bar. —slot, stock-lock. monument. --seek, grave-alone. G ralfettejk, he. of a count, of an earl. , bw. —en, ov. w, to bolt. Grencitt, hv. fir. —loom, fir-tree. —host, firlike a count. —held, v. earldom. wood. lintels, be. & bw. angry (-11y), wrathful (-1y), frontier; confine, boundary, 'wrathy. —sihap, v. anger, wrath. —stony, 'ay.& Grens, v. border,—beek, frontier-brook. —teeld, bw. Zie Grans. —storigheid, v. angrinesa, wrath- limit, bound. term. —belooner, borderer, eonfi ner. —boom, fronfulireee. Grimmest, m. pomegranate; garnet. --, v• pome- tier-tree. —doer, village on the frontiers.—Pad, —jagev, douaneer. frontier-god, Terminus. granate; gren ade, grenado. --aopet, —boom, 'wine. boundary-line, line of demareation.—paa/,boundgraa ate. —stern, garnet. ary post; limit, bound. —rivier, boundary river. Granite, o. granite. —btok, block of granite. iron—scheiding, frontiers; demarcetion. —rote, granitiek rock. —aehtig, be. granitic bound-atone, mere. G rap, v. farce, prank, fun, drollery, frolic. roar tier-town. —steen, de —, for fun'e sake. --pen makes, to droll, to stone. —teeken, boundary-mark. —vesting, froutier-fortress. frolic, to jest. —pencliaakste,, —penmaker, buf- loon, droll, droller, funny person. —pig. be. & Grednaen, on. W. to border, to confine, Clan, ludl. upon); to resemble, to be like.—/ooe,bv.boundless; bw. funny, droll (-ingly), faeetioue infinite. —looshoid, v. boundlessness; infinitude. tin de zaak was, van croon ( - 1y). het grapp 4 pole beat joke of all was. --pigbeid, v. facetiousness, G reppei, v. furrow, treneh, ditch, gutter. ludicrousness. Greelg, be. & bw. eager (-1y), greedy (-ily). Gras, o. gram, hij hoot en bij —, now and then, v. eagernees, greediness. v. grief. rarely. —anjelrer, sweet-John, sweet William. Grief, Greitele, m.ely,dog, Cunning blade. —tloem, gr ► saflower.—boter,gra,a-butter. nen, groovy Mils; in -- goon, to feast, to banquet. Griend, v. willow-plot. —land, marshy land covered with willows. —etend, grarninivorons. —green, grace-green. —ha)ns, grass-blade. —hoeing, coast-herring.—hop- Griep, v. influenza. per.grase-hopper. —korneoneadow c paeture.—land, G sleepless), o, oat-meal, pollard. coarse Geier, v. *.horn-back. —linnen, grasig land; pasture-ground. cotton. —look, chives. —maaier, grase-cutter, Grist ant', v. district, manor. —man, chief of a mower. --zaaand, A pril. —march, linnet. —opper, district, lord of a manor. grass - cock. —perk, grand-plot, lawn. —rijk, G riev e, v. grief. —en, ov. w. to grieve, to afflict, to break (to rend) one's heart. —earl, hr. 3a bw. grassy. —Reheat, g r axg. blade. —veld, grass-field. gvievous( - 1y), afflicting. --dakte, grassy plain, savanna. — worm, cater - pillar, —wartel, dog's-grass. —zoad, gra3s , s,ed. Grtexell en, on. w. to shudder (van, at). —O., — node, sod (of turtl e sawn. — ach fig, be. grassy, o. bit, small quantity. Grif, by, readily, fluently, glibly. gramfneous —Jr, o. blade of grass; satior'e cap. Grine!, v. slate - pencil; burin, graver; graft. —en, Q. rest5e, e. pardon; grace; CI raceov w. to engrave; to graft. Crest ig, be. bony. —held. v. boniness. -office.—ior, nt. recorder. Grill I., v. rolls, record-office. (i arattle, bw gratis;, gratuitoeely. G valley:, in, snarl, rebuke. — , o. rabble, scum, —iersehap. o. —ievspoat, to. office of a recorder. populace. — , by, grey, gray. -- papier, brown G ri Moen, Grillroom, m. griffin. paper. —e luck!, cloudy .sky. —brander, gray Gel amid, v. readinems, fluentuess. be. Graft, v. slate-pencil; ditch, moat. , Fran,lsean) friar, cordelier. —achtig, —ig, grayish. —achtigheid, v. grayishness. Go-Un, grumbler, crowd fellow. —en, on. w. to cry, to grumble, to fret. —ig, be. grumbling, to growl. (at). —er, m. e —en, on, w. to rotor1, v. fretfulness, peevishfretful, peevish. —star,c.on,r‘,er. —7.eid,v. grayness. —lje, a. don- nets. lcuy, maziat GrizLle. be. gravelly, af- G rkj ass, v. mask; grin. —aardon. grumbler. t. rav esA, o. gravel. be. gravelly; dear, exGrijnxen, on. w. to grin, to grumble. fected, with gravel. —ig, Gajp, an. griffin. —vogel, griffin; miser, usurer, pensive, COaVy. —righeid, v. expensiverterer. G rave,er der. m. engraver. —en, on. w. to en- extortioner. —achtig, be. covetous, thievish. —en, eagerly, to gripe, grate. —ijren, —naald, —steal, —stift,engraving- ov. & on. w. to seize, to catchplaats —, to take tool. —kunst,art of engraving. --week, engraving. tpola.clutch, to lay hold of; —set, o- engraving, to get gray toorden, hoary. — gray; digger. GrUtr, be. Grew en, ov. w. to dig, to delve. —er,m. hairs. —, o. gray, — color.—aard, m. gray-haired —ear, tn. engeaver..—ing, v. digging. man, gray beard; old man. —achtig, be. grayish, Gravies, v. countess. old age. Graz was, on. w. to graze. —ig, be. grassy, grizzly. —held, v. grayness,gray, — gray-haired, — GrUxen, on. w. to grow green. hoary. Grab, v. furl ow, trench; channel. prarok,trick. Gretp, ni. grasp, gripe, catch; knack. —, v. hilt, Grit, v. whim, freak. caprice: fancy, —werk, whims, trifles. —tick, whimsical. —len, handle; handful, grasp; pitch-fork.
Coinbase is not just a “wallet” for digital money, it is an entire platform that makes it is possible to store, transfer, buy and sell it. The process of signing up is similar to any other website. After logging in, it is possible to choose any national currency in the settings to show the relative rate of Bitcoin. In order to transfer money, it is necessary to add some to the account and then submit the information about the receiver. The latest news concerning Coinbase is that access to its system is now available for 24 countries. Coinbase offers two-factor authentication, exchange on stock markets where all operations are possible without leaving the account, instant confirmation of transfers, and partnership programs which gives users $10 for inviting friends to join the platform.

zieh. rir,hten. —er, a. aankleeder; kapper; bereider; aFrichter; keukentafel. —ing, a. aankleeden; toebereiding; verband; —box, kapdoos; —glass, toiletspiegel; —gown, kamerjapon; —room, kleedkamer; —table, kaptafel. —y, a. opzichtig gekleed. Dribble (drib'131), v. n. afdruppelen; kwijnen. —t, a. kleine soul; kladachuld. Drier (draj'ur), a. oparogend Drift (drift'), a. aandrift; ophooping; stream, geweld; atrekking. — of ice, drijfijs. — of sand, bewegend zand. — of snow, sneeuwstor ►n. —wind, stormwind. —wood, drijfhout. —, v. a & n. ophoopen, bijeendrijven. Drill (drill, a. drilboor; voor; greppel, beekje; exereitie; aap. v. a. boren; voortaleepen; aftappen; zaaien (met eon' zaaiploee); dril len; voor den gek houden; v. n. zacht vioeten. —bow, drilboog. —box, zaadstrooier. —plough, zaaiptoeg. Drink (drink'). a. drank. —money, drinkgeld. —offering, drankoffer. Drink (drink') [drank. drunk], v. a. & n. drinken; zuipen; (away. down) weedrinken (verdriet). (in) inzuigen. (off. up) opdrinken. —able, a. drinkbear. —er, s drinker. Drinking (drinkleng), a. (het) drinken; dronkenachap. —bout, —match, drinkpartij. —cup, drinkbeker. —glass, drinkglam. —gossip, drinkdrinklied ster. —horn, driukhoren. Drip (drip'), v. a. bedruppelen; v. n. druipen. —ping, a. braadvet. —ping-pan, braadpan. —pingstone, leksteen. Drive (draj,), s. rit; rijtoertje. Drive (draje), [drove (droov). driven (driv'n)_l, v. a. voortdrijven; rijden, mennen; noodzeken; errv °Igen- (away) wegdrOven. (back) terugdrijven. (in. into) indrijven in. (off) afdrijven; uitatrllen. (on) voortdrijven. (out) uitdrijven. (to) drijven naar; aanzetten tot. —, v. n„ drijven; rijden; beoogen. (against) zich richten naar. (at) van zinc zfin; in het achild voeten. (on) voortsnellen; eprijden. (up) voorrijden. —r, s. Edrijver; voer man; § slavenopzichter. Drivel (driv'v1).... never, kwijl. —, v. n. zabberen, kwijnen. —ler, s, kwijlbaard; dwaaa. Drizsl e (driVz1), s. stofregen. —e, v. a. in fijne droppels doen vallen; v. n. motteren, stofregenen. —y, a. motterig. a. grapDroll (drool'), a. snaaksch, kluchtig. v, n. grappen Timken, penmaker; klucht. schertsen (upon, over). —ery, a. boerterij, seakerij. Dromedary (drum'e-de rih), a. dromedaria. Dross e (droon'), a. hommel; luiaard; gegona. —e, v. n. gonzen; luieren. —ish, a. traag, vadzig. Droop (droop), v. n. nederbangen, kwijnen; bezw ij men. Drop (drop'), a. droppel; oorbel. —serene, zwarte steer. —stone, druipsteen. —, v. a. laten droppelen; beeprenkelen; laten varen; laten vallen. to — anchor, het anker laten vallen. (in) indroppelen. v. n. druipen; calico; vergaan; ophouden; verdwijnen. (in) binnen snellen. (off) vallen; zijn' post verliezen; verminderen; titeryen; etil heengaan. —let (-lit), a. droppeltje. —ping, a. afdruipsel; val. —pingly, ad. in droppelt, -8, a. droppels (artsenW; tabletjes.
Gaande, be. going; stirring, busy; angry. — holden, to keep a-going; to keep in pixy, — at bay, — in suspense. — ',taken, to eel a•going; to stir up, to raise, to excite, to put into a passion. — rakes, to akin, to drive from her anchors. therein emnething brewing (hatch. door is iete ing). seat in er —? what le the matter ? de — en komende man, goers and comers, chance-culttorrere. GaanderU, v. gallery. Goan dewrg, bw. consecutlytly. Gaapster, v Zie Gaper. Guar, by. done; dressed; clever, expert. te onderdone. —keuken, eatingoverdone. niet !lime, ordinary. —kok, eating house-keeper. Gssard, v. yard, garden. —enier, rn. gardener. Ganrder, in. collector, gatherer. Gahrheild, v. being done; being dressed. Gammas, bw. willingly, midi pleasure, readily. — doen, — mitten, to be fond of, to like very much. Gees, o. gauze. Gad., m. & v. mate; consort spouse. --/Ok, be. Zia GaiUk. —loon, by. without a spouse or mate; matchless, unmatched. altogether. —en, ov. w. to Gader, bw. te gather, to collect. —geld, collected money. —wester, collector, gatherer. —ing, a. collection, gathering.
Bar br (baat'ne-bih), m. Barnabas. Bartholomew ( baar•thol'o.injoe), m. Barthotome., Bartel. Has el (ba'zil), g. Bazel. nn. Bacillus. Bat (bet), f. voor Bartholomew; Bart. Batavia (be-tee'vi-e), g. Batavia: —n, a. Bataafsch, Bataviach; i. Batavier. Bavaria (be-vee'ri- e), g. Beleren. —ft, a. Beiersch; i. Beiersman, Beiersche. Beatrice (iXe-iris), w. Beatrice. Beattie ( biet'ti), Beattie. Beck (hek'), —y, f, voor Rebecca. Balgi an (bel'dzji- en), a, Belgisch; I. BelgiOr.—ani, gtiee Belgrade (bel greed'),g. Belgrado. ge B6lal Bele (bell), I. voor Ar2beila hatella; Bella. Ben (ben), f. voor Benjamin. Benarea (be-na'riez), g. Benarea. Benedict (ben'e-dikt), m. Benedietus. Bengal (ben-gaol'), g. Bengal., —re (-ge-lie'), a. Bengaleeech. —ease (-ga-lien'), i. Bengalees; tie —, is Bangaieezen. Ilen§atuin (ben'dzje-mtn), in. Benjamin, Bennet (ben'nit)., f, voor Besedict. Berkshire (burk'sjier), g. Berkshire. Berlin (burgin), g. Berlijn. Barnard (bur'naard), in. Bernard, Barend. Bertha (bur'the), w Bertha. Berwick (bur'wik, ber'ik), g. Berwick. Bess (bees), Bat (bet), f. voor Elisabeth; Bet, lietje. Bethlehem (beth'ie-hem), g. llethlehere. Belay (bet'sih), —ty, f. voor Eiisateth; Betsy,Betje. Biddy (bid'dih), f. voor Bridget. Bilbao (bil-ba'o), Bilbqa (bil-ho'e), g. Bilbao. B112 (bill'), —5, 1. noon William; Wirt, Biscay (biekee), g. Biscaja. (bath-in'i-e). g. Bithynie. Blthy Blanch Iblaantsj).. w. Blanca. Blaze (bleez). m. Blasi.. Bo (bob"), —by, t voor Robert. Becotia g. Bohemia (bo-hi'mi-e), g. Bohm& —n, a, Boheemsch; I. Bohemer.
The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]
Loon, o. reward, recompense ; wages, salary. —bedereer, one that underworks, tinderseller. —peer, pay-master. —trekkend, receiving wages. —trekker, one that receives wages, hireling. —en, or. w. to reward, to recompense; to pay; to make up for, to be worth. Loop, en. course, running, run; cane; career; stream ; dysentery; barrel (ran een geweer); train lean kruit) op den —, in the streets, abroad. op den — goon, to ran away, to take to one 'a heels. —achtig, by. fond of being in the streets. gadding. Loop en, on. w. to run, to walk; to flow, to stream; in het cog to be apparent, under den, root —, to run down ; storm —, to retake en assault, to storm; latest —, to let alone, to let go; (,tat sell) to strike sail. het loopt naar rhjf uur, it is near live. —bean, career, rites ; life ; orbit. —graaf, trench. —jongen, foot boy, errand boy. —kneekt, footman, errand-man. —mass, rumor. —Relate, errand-girl. —perk, race career, lists. —plaats, rallying-place, quarters. —plank, gangw ey, gang-board. —prijs, price for a race. —.chant:. retrenchment, trepan. —schuill Redding gonoip. —stag, man-lope. term. —wagers. go-cart. --end, ov. running, current; instant ; der —et maand. instant; — ruurlje, train of gunpowder. —er, rn. runner, racer; expreee, foot-p. st ; forefoot; upper-mill-stone; muller; bishop (in 't sehiakspeii ; master-key, double key; hoistingrope ; stair-carpet. onrrun quibble, fun ; trick, knack, sleight ; een nessen met, to rake a fool of. Looputb, be. gadding ; proud, ruttish. —held, v. pride. ruttishness. Loaopstsr, v. gadding gossip. Loser, v. to goats, to be lost. Loos, tr. old rope, slack. ll.nos, be. sly, cunning, subtle ; false, spare, empty; sham, mock. —., .bw. —eiijk, bw. slyly, cunningly. —held, v.:elineern cunning, craftiness; Loot, v. layer, shoot, sprig, branch. Loover, v. leaf, tinsel. o. foliage. —tje, o. spangle. Loos an, or. w. to void, to emit; to get rid of; sea zucht —, to heave a sigh ; xijn water —, to make one 'a wate• —ing, v. voiding, evseuetton. Lor, v. rag; worthless thing ; gooe-for-notaing fellow. —rewerk, burgled piece of work. —restdraaien, to /smuggle, to interlope, to trade unlawfully. —rendraaier, —rendraaister, interloper; cheat, sharper. —rendraaierij, smuggling, interloping; cheat, sharping. —renkist, box for rags, —reamand, rag-beeket. —renrrouw, rag-woman. —rensoeker, rag-man. Lording, v. belaying-rope. Lorgavet, o. spy-glass. Lore boon., rn. larch-tree. —.seam, /Tarte. Lorresi, 0^. w. to cheat, to gull, to /sharp. Lorreotie, o. parrot. faserrig, bv. & bw. worthless ; clumsy (-11y). Los, m. lynx. Los, by loose, untied, slack, unconnected, trio; vague, uncertain; lneonatant, unstable; carelesd, Lotten, bv. dt hw. henry (-ily), dill (-y), slow (-1y). —heid,v. heevinees, dullness, slowness. —ig, easy; dissolute, wild, wanton. — genie/It, flying by. Zie Loom. —igheld, v. Zie Loiumhaid. report. met — kruit. without shot. bw. —enzoeker, rag-man, rag-picker. —enhandet, trade with raga. —enkoopman, dealer in rage, rag-min. —entnand, rag -basket. —ensuiker. lump-sugar. Lonapen, ov. w. to cheat, to gull. Lome, erd, in. clown, clutney (unmannerly) fellow. —held, V. clumsiness, nwkwardness, dullum; unmannerlineas, impoliteness. —igheid, v. Zie Lonepheid. Long, in 'nies; lights. —older, 'pulmonary artery. —kruid, long-wort, pulmonar y. —kraal,—ziekte, —zucht, pulmonary diseaee. —ontstekistg, inflammation of the lungs. —pljp, wind-pipe. —tering, phthiste, pulmonary consumption. —neckties, be. phthisical. Look, m. ogle, smickering, sheep's eye. —card, ro. Zie Looker. —en, on. w. to glance, to ogle (at), —er, tn. —star, v. ogler. Loot, v. match, lune. ruiken, to smell a rat. —recht, force of arms. —stok, loot-stock, linstock. Etsociseee star, ni. —aarster, v. denier. —boar, by. deniable. —en, ov. w. to deny. —ing, v. denialo. lead; plummet, plumb; gram, half an ounce. (nederl) decigram. kruit en —, powder —erta, 'lead ore. and chat. —arch, elumbaeine. plumber. —gieterie, plum. ber's trade; — workshop, nlatmbery, lead-work*. —gilt, litharge of lead. —kalk, call of lead, massimot —kleur, lead-color. —aleurig, —vereig,losdcolored ; livid. —Zeikel, plumber's ladle. —16n. eounding- line; plumb-line, plummet; perpendicular. —metual, molder. —mien, lead-mine. —recht, bv. & bw. perpendicular (-1y). —.chunks, dross of lead. —*teen, plurnbaeo. —salter, sugar of lead, — of Saturn. —viiriool, sulphate of lead. —wit, white-lead, ceruse; —motels, w hite-lead-menufactory, white-lead-worke. —coat, salt of saturn. —swan , by. leaden; bw. heavily. —en., lsv. leaden. —en, or. NV. to plumb, to lead. —,fie, o. ticket; hit — leggen, to be a lacer, to pay for the %hole company. laseseds, V. booth, shed. --, m. (coasting-) pilot. —boot, pilot-boat. —geld, pilot's wages, pilotage. —man, pilot. —raarweter, pilot-water. —weaen, pilotage. —en, ov. w. to pilot. Loot', o. folinee, leaves; green. —hat, tabernacle. —4useeafeest, `east of the tabernacles. —rijk, leafy. —went, featooe-work, branches, leave, —worm, caterplilar. —achtig, hr. like leaves. Long, v. lye, hock. —a.ch, buck-ashes. —bak, backing-tub. —doek, bucking-cloth. --water, lye, buck. —.rout, alkali. —soutig, alkaline —achtig, by, alkaline. —en, ov. w. to buck. —inn, v. bucking. Loci, v. oak-bark, tan. —en, or. w. to tan. —kuip, tan-pit, to-a-vat. —star, tannin. —en, ov. w. to tan —er, to. tanner; —stalk, —erij, v. taunter's trade, tanning-brininess; tan-house, tat* yard, tannery. Look, o leak, garlic, scallion. —5ol, cove of —taus, sauce of girlie, onion-sauce. —acntig, by. smelling (tatting) of leek, — of

a. bitterkoekje; fat, kwast. Macaw (me-kao')„ a. indiaausche papegaai. —tree wnaierpalmboom. Mace (mees'), s. foelie; ataf; knots. —ale, krui erbier. —bearer, stafdrager. —oil, muskaat-olie. —reed, kolfriet. —r, a. pedel, bode; gerechtsdianaar. Macerate (ines'ur-eet), v. a. vermageren; kastijden; werken. —tion (-ee'sjun), a. vermagering; kaatijding; weeking. Machlave' Ian (mek-i-e-vellen), a. machiavelIlatisch, aluw, liatig; a. rnachiavalist. —ism (.'nek'i-e-vel-ittn), 8. mathiavellismus. Machina 1 (mekl-uel), a. werktuigePjlt• —te (-neat', v. a. sazeden, ontwerpen. —ti -n (-nee , ejuni, a. bekuiping; kunstgreep. —tor (-nee-tur), a. t,meder, beramer. Machin e (me-alien"), a. werktuig, machine. —cry, a• machinerte; werktuigkundc. a. machineamaker, machinist. Mackerel (mek'ur-e1), a. makreel; hoerenwaard. —boat, makreelbout. —gals, scherpe wind. —gu.l, lachmeeuw. —line, makreelliju. —mint, vrouwemunt. —sky, blauw an wit gestrePpte lucht. Macro corm (mee'kro-kozm), a. wereld, heelal. —logy (me-kratld-sjih),...wijdloopigheid. —meter (me-krom'i-tur), a. wart van) afstandameter. Mactation (mek-tee'sjun), a. offerelachting. !Uncut a (mek'joe-le), a. vlek. —ate (-let), a. bevlekt. —ate (-lea), v. a. bevlekken. —ation (-lee'sjun), a. bevlekking; smet. —atm res p1. mladruk. —0 ( joel), a. vlek, met. Mad (wed'), a. —ly, ad, gek, dol, uittinnig (with, van); vertoornd (against. at); krankzinnig; verzot (after. for. of. upon). —apple, dol appel. —brain, gek, kranktinnige. —brained, dolzinnig. —butter, harde boter. —cap, dolleman. —fit, vlsag van krankzinnigheid. —flower, steenbloem. —head, dolkop. —headed, dolzinnig. —house, delimits. —man, dolleman, gek. —wort, steenkruid. —, razend maken v. a. & n. dol Madam (med'ern), a. tnevroaw; juffrouvv. razond maMadden (men'dn), v. a. & n. dol
AFL. Arierigen, ov. w. to drive down,-- away; to chase off; to overdrive, to override, to founder, to jade. Apakkeiren, or, w. to founder, to jade; to rate. Afkaatten, ov. w. to east to parry; to ward) off; to avert, to prevent. Afkabbelen, ov w. to fret (to wear) away. Afkakelen,ov.w. to chatter, to jabber, to gossip. Afkalken, on. w. to lose lime. Afkommen, ov. w. to comb off. Afkanten, ov. w. to take off the corners. Afkapp en, or. w. to cut (to chop) off; to suppress. —fag, v. chopping off, elision, suppression. —ingsteehen, o. apostrophe. Afkeer, m. aversion (to), — hebben van, to dislike. krt)gen van, to take an aversion no. —der, m. averter. ov. w. to turn off, — aside; to avert, to prevent. —ig, by. & bw. averse (-1y). —igheid, v. averseness, aversion. —ing, v. turning (warding; off; averting. Afketar der, m. blamer, censurer. —en,or.w. to disapprove, to condemn, to censure, to cry down, —ing, v. disapprobation, condemnation, censure. Afk.marenswaard14, by. blamable, censurable. AfkUken, ov. w. to spy, to oboe... to learn by !coking at; to temporize, to watch on opportunity, to ferret, to te•rutinize. Af Madden, ov. w. to botch, to patch up. Afklar en, ov. w. to clarify, to clear off, to decent. --illy, v. clarification, decantation. Afklenteren, on. w. to climb off, — down. Afklenamen, ov w. to pinch off. Afkieppen, ov. w. to make known (to publieh, to proclaim) by rIngtng a bell. Afkllmnaen, on. w. to climb off, — down, to descend. Afkloppen, ov. w. to beat off; to drub, to thrash. Alkiniven. ov. w. to pick, to pick off. Atkreeibbelen., ov. w, to nibble off, to browse. Afknagen, ov. w. to gnaw off, Afknappen, ov. w on. w. to snap off; to break (to fly) off with a snap Alknauwen, ov. w. to gnaw off. Afknellen, ov. w. to pinch off„ Afkne•el scar, na extorter, extortioner. —en, or. & on. w. to extort. —ing . extortion. Afkasibbel a ss, ov. At on. w. to cheapen, to abate, to beat down the price, to get by haggiine. —ing, v. haggling, leggling. Afknfjpen, ov. w. to pinch off. Afkulp pen, ov. w. to clip (to cull off. —per, m. clipper. — ping, v. clipping. —eel, n. clippings. Afknoelen, ov. w. to botch (to hammer, to bungle) up. Afknotten, ov. w. to lop (off), to prune; to truncate; to clean (etas). Afkoel en, or. & on. w. to cool, to refresh. —rat, cooler, cooling-vat, —er, m. cooler. --ing, v. cooling. Afkok en. or. w. to boil (off), to decoct, to elixate. —ing., v. decoction, elination. Atkosn sling, m. & v. descendant. —elingschap, v, descendants, offspring, posterity. —en, on. w. to come down, to descend; to come (fro :A); to get rid off; to come off; to derive, to spring. Alkonsef, v. descent, birth, origin, Wt. /action;
CLI —MIA. Ceinture (sere-tjoer), s. ciseleerkunst. Celebrnt e (sere-breet), v. a. ,ieren, loven. —ed, a. beroemd. —ion (-bree'sjun), a. viering. Celebrity (seleb'ri-tih), a. beroemdheid. Celerity (se-ler'it•tih), a. anelbeid. Celery (sere-1.th). a. selderij. Celestial (se-lest'jel), a. hemelling. —, a. —ly, ad. hemelsch. Celestine (seres- tin), a. celestijner monnik; fijne blauwe bergatof. Celib any (seri-be sih), a. ongehuwde stoat. —ate (-bet), s. ongehuwde stoat; vrijgezel. Cell (sell, a. cel, kamertje. Cellar (seller), a. bolder. —age, s. kelderhuur. —et, a. likeurkeldertje. —ist, a. keldermecater. Cellular (serljoe-ler), a. celvormig; uit cellen bestaande. Celsitude (sel'si-tjoed), s. hoogte. Cement (sem'ent), a. balk; band. Cement (se-ment'), v. a. verbinden; v. n. samenhangen. —ation (sern-en-tee'sjun), s. cementee. ring; hechtmaking. —er, a. bouwer; verbinder. Cemetery (sem'e-ter.ih), a, begraafplaats. Cenobite (sen'o-bajt), a. kloosterling. Cenotaph isen'o-tef), a. praalgraf. Cense (lens'), v. a. bewierooken. —r, a. wierookvat. Censor (sen'mur), a. censor, zedemeester.'—ship, a. censorambt. Censor' al (sen-so'ri-el), —ous, a. —ously, ad, berispend, atreng. —ausness, 8. berispzucht. Censur able (sen'sjoe-ribl), a. —ably, ad. berispelijk. —ableness, a. beriapelijkheid. —e (sen' ajoer(, a. beoordeeling; berisping. —e(sen'sjoer), v. a. beoordeelen, berispen; v. n. oordeelen. —er, a. beriaper. Census (sen's.), s. volkstelliug. Cent (sent'), s. honderd; cent. per —, ten tonderd. —age, a. schatting ten honderd. Centaur (aengaor), a. paardmensch. Centnury (sen-tao.rib), s. duizendguldenkruid. Centen arian (men-te-nee'ri-en), a. honderdjarigs. —ary (sen'te-ne-rih), s. honderdtal. —nia/ (sen-ten'ni-el), a. honderdjarig. Centesimal (sen-terei-met), a. honderdste. Centi follows (sen-ti•foli. us), a. duizendbladig. —nody (sen-tin'ud-dih), a. duizendknoop. —ped (sengi-ped), a. duizendpoot. Cento (aen'to), saneengelapte verzen. Central (sen'trel), a. —ly, ad. middelpuntig. Centre (sen'tr), a. middelpunt. v. a. & n. ook Centralize, in het middelpunt stellen, an. (in, in. on, op) zich vereenigen. Centric (sengrik), —a/, a. middelpuntig. Contri fugal (sen-trirjoe-gel), a. middelpuntvliedend. —petal (sen-trip'i-tel), a. middelpuntzoekend. Centupi e (aen'tjoepl), a. honderdvoudig. —icate (sen-tjoe'pli-keet), v. a. verhonderdvoudtgen. Centurion (aen-tjoe'ri-un), a. hoofdman over honderd. Century (sent'joe-rth), a. seam. Cephalic (se•ferik), a. het hoofd betreffend. Cerate (si'ret), s. waszalf. —d (-reet-id), a. met was bestreken. Cere Otter'), v. P. WV —dlotit,-

Kun je stelen Bitcoin


206 OUT.— OVE. 0 tt ter a ri a Is , s • buitenkerspel. Outstride (-strajd") [irr.], v. a. Zie to Outstep. Outpart, s. buitengedeelte. Outstrip ( strip'), v. R. voorbijitreven. Outpa am (-paas'), v. a. voorbijstreven. Ontswear (- sweet') [irr.], v. a. in het vloeken Outporch, s. ingang, portaal. overt reffen. 0 ettport., a. buitenhaven. Outsweeten swiet'n), a. R. in zoetheid over • Outpost, s. huitenpoat. treffen. Outpour (-poor'), v. a. uitgieten, uitntorten. Outswell [irr.], v. a. overatroomen. 0 utpray (-pree'), v. a': in het bidden overtreffen. Out talk (-took'), —tongue ;-tuog'), v. a. overpraOutpreach (-prietsfl, v. a. in het preeken overten. treffe n. Outtop (-top'), v. a. boven het hoofd groeien. Outprize ;•prajz'), v. a. te hoeg in prijs stellen; Oulvalue (-verjoe), v. a. in waarde te boven in waarde overtreffen. gaan. Outrage (aut'ridzjl, a. grove beleediging, hoon; Outvie (-vaj'), v. a. overtreffen, nitmunten boven. ge•elddadigheid. —, v. a. beleedigen, hoonen; Outvoice (-vok,'), v. a. oversehreeuwen. v. n. buiteneporigheden begaan. —ous, a. —on (p. Outvote (..vont')., v. a. overstemmen. ad. (•tree'dzjus-), beleedigend, hoonend; geweld- Outwalk (-wauk';, v, a. in het gaan overtreffen. dadig; woedend; ones dreven, buitensporig. Outwat I, a. buitenmuur; uiterlijk, sehtin. Oaatraze (-reez'), v. a. uitroeien. Outward iaut.'wurd), a. —ty, ad. uiterlijk,uitavenOutreach (-rietsp), v. a. corder reiken dart, dig. —, —8 (-wurdz),ad. naar buiten;buitenwaarte. Outreason (-rie'zn), v. a. door betere gronden Outvvatch (-svotsY), v. a. in waakzaamheid overoverwinnen. treffen; doorwaken, Outreckun (•rek'kn), v. a. in de herebening te Outwear (-weer') [irr.], v. a. uitduren; longer boven gaan. duren den; in verveling doorbrengen. Outride, a. rid. —(-rajd') [irr.], v. a. voorbij rij Outweigh (. wee"), v. a. zwaarder zijn dan; overden; v. n. nitrijden. —r (aut'raj-dur), s. voorrijtreffen. der ; deurwaarder van den sheriff. Outwit (-wit'), v. a. verachalken, te slim zijn. Outrigger (ook; -rig'gur), a. bokapier, donve jut Outwork, a. buitenwerk. —(-avurk'), v. a. weer ioefb al ir; wacht schip. (betel.) werken dan; overtreffen. Outright (- rajt'), ad. dadelkik„ geheel. Outworn( woorn'), a. afgesleten. Outriv (-raj'vel), v. a. de /oaf afsteken. Outvvrest (-rest'), v. a. afpersen, ontweldigen. Out rear (-rose'), v. a. boven.... nit loeien, 0 utwrought Croon, a. overtroffen. Out root (-met', v. a. uitroeien. v. a. in het grappenmaken Outzany Outrun (-run') [ire.], v. a. in het Joopen overtrefovertreffen. fen; to boven gaan. Ouzel a. Zie Ousel. Outten ( v. R. voorbij zeflen. Ova l (o'vel), a. & a. eirond, ovaal. —rious (-vee'Outscorn (-skorn'), v. a. fret verachting behanri.oa), a. van eieren. —ry (-ve.rih), a. eleratok. delen. —te ( vent), —ted (. veet'id), R. eivormig. --tion Outsell (cell'; [irr.], v. a. duurder (meer) verkoo(-vee'sjun), a. ovatle, kleine zogepraal. pen dan; hoogeren prima halm dan. Oven (uv'n), s. oven. —fork, ovengaffel. —ful, Outset, a. begin, aanvang. (een) oven-vol. —peel, ovenkrabber. —tender, Outshine (-ejajn'), v. a. in glans overtreffen. ovenstoker. Outshoot ( -sjoet.') [im], v. a. in het schieten Over (o'vur), a. bovenate, boven-. ad. & prp. overtreffen. over; op, boven; door; voorbij, gedaan. — a Oats. Out side, a. bui ten-. —, a. buitenzijde; voorkomen; of wine, bij een glee wijn. — and —, bij herbalinga uiterste ad. buit en . all —, overal; voor good voorbij. ten times —, Outsit (-sit') [irr,], v. a. longer zitken don; verzittienmaal achtereen. — again, nog eena. — against, ten. tegenover. — the way, a an de overzkjde. or 0 utsklp (.skip'), v. a. ontapringen, entgaan. under, meer of min. Outskirt, s. voorntad; buitenpoat. W oar, in de volgende samenstellingen, de uitapraak 0 nteleep (-aliep') [ire.], v. a. Lange -, elapen dan; niet is aengewezen, dear heeft o den klemtoon. verslapen Overabound (-e-baaund'), v. n. al te overvloe • Outspeak (-apiek” [irr.], v. a. in het sprekea dig zijn. overtreffen; overt refire, Overact (-ekt'A v. R. & n. overdrijven. Outaport (-spoon'), v. a. in het achertsen over- Overall (o'vur- aol), a overjas. —a (.aolz), pl. treffen (overdrij ven). overbroek. Outspread (-spred'i [irr.], v. a. uitspreiden. Overanxious (-enk'sjus), a. te angstig. Outstand (-extend') [irr.], v. R. uitetaan; weer- Overarch (•aartsy), v. a overwelven. staan; v. n. uitsteken. —ing, a uitstaand, onbe- Overawe (-ao'), v. a. in ontzag hluden. Overbalance,s.overwieht,meerderbeid. —(-bel'taald. Outstare (steer'), v. a. door onbeschaamd aanens), v. a. meer wegen don; overtreffen. etaren ver•agen maken. Overbear (-beer') [irr.], v. a. overetelpen; overOutstay (-stee') [ire.] , v. R. Langer 1,:ijven dan. weldigen, onderdrukken. —ing (-beer'leng), a. aanmatigend, trotsch. Outstep (-step'), v. a. voorbijstoppen; overst!hrijden. Overhead (-bend'), [ire.], v. a te aterk apannen. 0 utstreet, s. achterstraat. Overbid (-bid') [irr.], v. a. te veel bieden; meer Outstretch (-atretaj';, v. a. nitetrekken. bieden dan.
11E11.—DER,, Debit, o. sale. Debit sent, Di% teller, retailer. —eaten. op. w. to , to tell; to debit (with). sell, to retail; to utter —ear, m. debtor. Debossobls, o..channel,exportation, market. Dobnut, o. beginning, outset, debut, first appearance. Dee/ameoren, ov. w. to declaim, to recite, to deliver, to mouth. Doerest,o. warrant, decree. Deep, o. dough, paste. er ran hebben, to enjoy it. ter duly, heartily, thoroughly. —brood, paste-bread. —klomp, lump of paste. —achtig, bv. doughy. Deist-, v. deal, plank, board; thrashing floor. Doel,o part, portion, share; parcel;volume.—hebhes can, to be concerned in, to have a hand in. — semen (can), to participate in; (in) to gym. White with. ten — vatic's, to fall to one's lot (share). ten —e, partly. in alien — e, in every respect,. —genoot, —hebber —hebster, partaker, participant, partner, aesooiate. —genootsehap, partnership," association. —amend, partaking tat), sensible (to), compassionate, eympathizing (with). —unser, participant, interested party. —noting, participation; commiseration, interestoym pathy. —fat, dividend. —word, participle. —.blip. by. partaking of, participating in; — mai:en, to impart to. —aohtigheid, v. participation. —boar, be. divisible. —baarheid, v. divisibility. —en,ov. & on. w. to divide; to share; to participate. —sr, m. divider; divisor. —kg, v. dividing; dtvielon. —e, bw. partly. Deemoed, m. humility. —ig, by. bw. humble (-biy), submissive (-,y). ov. w. to humble. —igheid, v. humbleness, aubmissivenee. v. humbling, humiliation. Deseltik, by. bw. pitiful (Ay), miserable (-bly), wretcued (-1y). Deems, v. girl, lass. Deernie„ v. pity, commiseration, compassion. —uroardig, by. pitiable. Doeseon, m. leaven, yeast. —en, ov. w. to leaven. Detect, o. defect. —, by. defective. Deficit, o. deficit, deficiency. bw. grove t-iy),atately;respentable Deitig, by. (-bly), genteel (-1y). —held, v. gravity, stateliness; respectableness. Desalt. rn. platen. Degeikik, ha. & be. worthy (-fly), solid (-ly), thorough (-1y), sound (-1y), real (-)y), proper (-iy); to the purpose. —held, v. worthiness, solidity. Doges), in. sword, —draper, swordsman; bully, —parent, hilt. —reep, handle. —filing, swordblade. ..-knap, pommel. —koppet, belt. —haat, sword-knot. —.Weed*, scabbard, sheath. —stole, sword-stick. Doyens, vnw. he, she. —a, mv. they. Dolning, v. swell, surge. Datum en, on. w. to retreat, to retire, to give way; to thieve, to fall astern. —tag, v. retreat. Dolt, v. cover, bed-clothes; horse-cloth, dock. —balk.joist, croas-timber.—bed, feather-covering. upper-bed. —bled, floral leaf; wrapper. —bora. shingle. —dust, —prank, deck-deal, dock-plank. —homer, nall•drawer. —henget, stallion. —kleed,

383 AAR.— AC1.1. eight-leered, octopetalons. —dik, —dubber, by. eightfold. octuple. —ehalf„ by. seven seed a half. —eting, M. eighth. Aebteloom, be. & bw. careless (-4.). uomindful (-1y), negligent (-ly). —Acid, v. carelessnose, u,.voindfuineee, negligence. Aebteen, ov. w. to esteem; to value; to mind. —swaarclifb, by. respecteble, honorable. Acbtendeol, o. half a peck; eighth part. siin, to Aehter, bw. & az. behind, after. er i(in, to be in the have guessed right. er niet eikander, five times running. dark. viemoca — gavot, to go to slow. Aviators/nu, hw. behind; in the rear. —konen. on. Yr. tofollow (to loiter, to linger) behind. —sidling, v. neglect. Achtera f, bw. out of the way, isolated. Aehterbaks, bw. secretly, privately, raiderhand. AehterblUfster, v. Zie Aebterbltiver. Acta erblijv en, on. w. to linger (to stay) behind, to tarry. to lag. —er, m. straggler, terrier, lag. —lag, v. staying behind, lagging. Achterbout, ne hind-leg. Aehterburgevnt, tn. Zie h. chtargracltt. Aclatorbauri, v. remote quarter. Aehterdeel, o hind-part. itehterdek, o poop. Aehterdeor, v. hack-door; shift, loop-hole. Aebterdoeht„ v. suspicion..— hebben oratrent, to eurpret• —ig, by. suspicious. Achte•dwaretnavv., o stern-cable, 'mime. Acittoreb, v. dead neap. 3w. coneecutiyely, sueAehtereen, ceselvely. Aelatorelade, a. hind-part, tail. Aeihtortent, law. van —, (from) behind. near —, beck's ard. ten --, in arrears; behindhhud. Aehtererven, m. after-heirs; posterity. Aehtergalerli, v. stern-gallery. Acbitergeng, me back -paeluge; looseness, diar-
Medelleitink, m. consonance. ItliedekiPnk en, on. w. to sound with; to touch glasses with others. —er, rat. consonant. lttedeksatseht, m. fellow-servant. Medskomen, on. w. to come also, — along with a. o. ItliedekrUsen, or. w. to persuade (to prevail upon) to go with; to have for a portion. Medekridgeenan, tn. fellow-soldier. Itlisdaskuteren, on. w. to go (to walk) along with, to accompany. Medelachen, on. w. to join in a laughter. Bledeleur star, m. fellow-teacher, colleague. —ling, m, & v. school-fellow. Medidt-ten, ov. & no W. to read with a. o. Riedel td., o. fellow-member. Riledlelkiden, or. w. to suffer with a. o.; on. w. to partake of a. o. 'es suffering. —, o. compassion, pity. —d, by, compasaionate. —dheid, v. compassionateness. m. fellow-sufferer. Medeloopen, on. w. to run along with a. o. ; to meat with unexpected succea. Mede mast, m. —maker, m. companion, copartner. 1li edenaeensch, m. fellow-creature. Iriedesnlinn sear, m. —area, v. rival. Itiedenemen, ov. w. to take along with; to take in, to cheat. Medenorzank, v. concurring cause, concomitant motive. fricadeptschter, m. joint tenant. itiedepitichstig, by. accessory —, privy —, instrumental (to). —e,m. & v. accomplice, compile e, abettor, accessory. — heist, v. complicity. itiedepraten, on. w. to join in others talk, to put in one 'a word. Ittedersehter, m. fellow-judge. M ederoeder,m. part-owner. M edeeregent, tn. coregeut. Mederetzen, on. w. to travel with a. o. rtlederekenen, ov. w. to include in the reckoning.
Tod (tod') s. struikgewas; yea; stem (gewleht). (tod'd1), v. n. waggelen, strompelen. —dy, s. paimdrank; (snort van) punch. Toe (to), s. teen; voorhoef. Toffy (tern h), s. boretp/aae, suikergoed. Toft (tort), s. erf, loads, homebje. Tog sated (to'gee-tid), —ed (-gid), a. getabberd, in de toga Together (toe-geth'ur), ad. te zamen; aohterern. — with, benavens met. Toggle (toeg)), a. korvijnagel, knevel. Toil (toll') a. mare arbeld; tobberij; net, web. v. a. bewerken; afmatten; v. n. zwoegen. sloven. — and moil, ploeteren. —er, a. zwoegee, glover. Toilet (toj'llt), s. kaptafel, toilet. Toilsome (tojl'eum), a. —ly, ad. moelelidk, vet, moeielijkheid. tnoetend. Token (to'kn), e. teekeu, aandenken. —, v. a. teekenen; bekend oaken, annduiden. Tole (tool), v. a. trekken; lokken. Toledo (to-IPdo), s. spakneche king. Toler able (tol'ur-ibl), e. —ably, ad. drage)ijk, tamelijk. —ablenese, s. dragelijkheld, mtddehn. Hebei& —once, —ation (-re'sjen), a. (het) dulden, verdragen; toelatiag; verdraagzseraheid. —ant, a. verdrangeaant (to. towards). —ate (-eel), v. a. verdragen, toelaten, dulden. Toll (tool ► ), a. tol; aceljus, gelut. —bar, tolhek,, —collector. el agb oom. —booth, tolhuis; gevan —gatherer, —man, toloarder. —corn, sehepkoren (oh maalloon). —dish, —hop, aehepinaat. —free, tolvrli. —gate, tolhek. —house, tolhuis. —money, tolgeld. —, v. a. heffen; lulden, kleppen; lokken, verleiden; ophelYen, vernietigen; v. n. chetting) betalen of heften. lulden; tol(e To I qtation (tol-joe-tee'ejue), e. telgang. Tom (tom"), s. krankzinnige. —boy, wildzang; Wilde (eleahte) meld; Kerosene kerel. —eat. hater. —foot (-foel'), zotekap. —foolery (-foel'ur-lb), zotternij. —poker (-po'kur), bulls balk. —rig, sell d.ctug, wilde rr aid. —thumb, dwerg. --tit (-tit'),

Is Steemit gebouwd op ethereum


AAN (to tie, to button) together. —knoopiell, T. knot- Aengluipesa, ov. w. to look sneakingly at. ting (knitting) together. —koppelen , ov. w. to Aangluren, ov. w. to leer at. couple together; to leash. —koppeltng, v. coo- Aiszegoolen„ ov. w. Zie Aanwerpen. conulatidn. —lunches, ov. w. to scarf,to Aangorden, or. w. to gird on., join. —1(imen. ov• w. to glue together, to congin. Aangrauw en, ov. w. to snarl at, to reprove tinate. —lijming, v. conglutination. —naaien, ov. harshly. —ing, v. snarling, scolding. w. to sew together. —plakken, or. w. to glee (to Aangreep, in. seizing, laying hold of, attack. paste) together. —riagen, or. w. to atringtogether. Aangrenz end, lee. adjacent, contiguous. —ing, v. adjacency, contiguity. —schnkeleo, ov. w. to link together, to concate. AangrUnz en, ov. w. to grin (to sneer) at. —lath nate. —ochakeling, v. concatenation; series. t. w. v. grinning, sneering. ten, ov. w. to put close together; aich to press close (to each other). —ameden, ov. w. Aangrlip en, ov. W. to seize, to take hold of, to forge together, to weld. —euldeeren, or. w. to to lay hold on; to attack; to affect, to move; polder together. —eptjkerrn, ov w. to nail to- to fatigue, to exhaust. —er, in. assailant. —ing, get her. —voegen, ov. w. to join, to unite. —voeging, v. seizing; attack. Aangrimmen, or. w. to growl at; to threaten v. joining together; junction. Aomori, en, ov. w. to inherit; on. w. to fall to dreadfully. Aangroel, m. growth; increase. —en, on. w. to one's inheritance. —lag, v. Inhorittince. grow; to increase, to augment. —jag, v. Zie Aanfluiten, ov. w. to hies (to hoot) at. Aanfokk en, or. w. to breed. to rear; to raise. Aangroel. —er,m. breeder; rattier. —ing, v. breeding; relating. Aanbaken, ov. w. to hook on, to grapple, to Aningienn, or. w. to contract, to conclude, to accroach. make, to enter upon; to concern, to regard, to Annbal en, or. w. to draw (to pull) near, — close; to arrest, to seize; to allure, to caress; to matter; on. w. to call (at); to begin; to walk faster, allege, to quote; to afford; to mark. —er, m. to mend one's pace; to take tire, to kindle; to continue, to be practicable (becoming, allowable. mazer; alleger, quote, —ig, bv. alluring, courteborne with); to make noise, to keep a coil, to nun, engaging. —igheid, v. alluringness, courtlinen. —ing, v. drawing, palling; seizure; allurestorm, to scold. meat; allegation, quotation. —ingateeken, o. inAnnanntude, oz. concerning, as to, an for. Aaagaloppeer,sn,on.w. to approach at a gallop. vetted comma,. quotation. Aangang, m. op de , — komen, to happen to arrtoe Aasnhang, at. faction, party, sect, followers. —en, ov. w. to hang on, to append; on. w. to adhere when a thing takes place. (to stick) to; to add, to subjoin; to depend upon; Aangapen, or. W. to gape at. to grieve. —er, m. adherent, partisan, sectary, Aangeboren, hv. innate, inborn, nstnral. follower. —ig, hr. pending. —lag, v. Adherence, Aangebraead, bv. burnt to. adhesion. —set, o. appendix, supplement; codicil. Aangedaan, bv. moved, affected. Zie Aanbanger. Aangeetmter, v. Zie Aangever. ben, ov. w. to have on; to have lost. Aanbeb•• Aangeerfd, bv, inherited, heriditary. Aanhecbt 'in, ov. w. to affix (to fasten) to, to Aangebaald, bv. quoted, riled; seized. attach, to join. —er, m. Meer. —log, v. afflxion, Aangebsswd, tor. allied, in-law. Aangeblangde. m. & v. accused, defendant, in- fastening, attaching, joining. —set, o. appendix. —e'er, v. Zie Aanbeebter. dictee. Annigellegen, be. contiguous, adjacent; import- Atenhef, m. beginning, preamble; exordium„ inant. —held, v. importance; mutter, affair, concern, tonation. —fen, or. w. te begto; to set np, to APIDffellanill, ha. & bw. aereeable (-bly),pleaeant utter; to intonate. fee, m. —*ter, r. beginner. (.1y). —held, v. agreeableness, pleasantness, —Pig, v. Zie Aanhrf. Aanbellpen, or. w. to assist in putting or, to pleasure. help in, — to. Aangenonigp, ow. supposed, AanbUseben, ov. w. to hoist up; on. w. to holet AnnieschOftn, bv. half-seas-over, tipsy, quickly. Aengespen, ov. w. to buckle on Aangev en, ov. w. to hand, to reach; to glee Aanbinkan, on. w. homes —, to come halting information of, to inform against, to denounce; (hopping. limping). to enter (goederen); to declare, to state; to give, Aanhlts en, or. w. to incite, to instigate,to egg to strike (een loon). den toon —, to take the lead, on, to abet; to set together by the ears. —or, in. to bear the bell. —er, m. informer, denouncer, inciter, instigator, abettor. —ing, v. incitement, instigation. —log, v. information; declaration; entry. Aangezieht, o. face, countenance. —.Ain, foes- Aanboog en„ or. w. to heighten, to raise. —tog, v. heightening, raising. ague. Aenboop en, ov. w. to heap up. to accumulate. Aangezien, ow. es, since, whereas, seeing. Aongieten, ov. w. to cast (to); to pour (againet). —leg, v. heaping up, accumulation, Aaraglfe, —e, •. declaration, statement; entry; At1111100r der, tn. hearer. auditor. —en, ov. w. to hear, to listen (to give ear) to. —ig, bv. belonginformation, denouncement. —biljet, bill of de- ing (to). —igheid, v. appurtenence. —ing, a. hear claration. ing, ltetening (van, to). —Bier, v. anditress. AangiUdens, on. w. to slide (against), — hither. Aanglinsiner , , on. w. to catch fire, to kindle, Aanboud en, ov. w. to hold to; to keep on; to sail, to steer (op, to); to stop; to detain, to arto begin to glow.


Cobalt (ko'baolt), s. kobalt. —it (ko-baollik), —ence, a. gelijktijdig bestaan. —eat, a. gelijktijdig bestaand. a. kobaltachtig. v, a. op- Coexten d (ko-eke-tend'), v. a. even ver uitCobble (kob'b1), a. visschersboot. strekken. —sion (-ten'sjun), a. gelijke omvang. lappen, knoeien. —r, a. knoeier, schoenlapper. Coeciferous (kok-sirur-us), a. bessendragend. I —sive (-ten'siv), a. gelijk ultgestrekt. Coffee (kof'fle), a. koffle. —berry, koffieboon. Cochineal (kotsre-niel), a. cochenille. —biggin, Illtreerpot. —cup, koftlekopje. —house. Cott'teary (kok'll-e-rits), a. schroefvormig. kofCochlettted (kokli-eet-id), a. Zie CochleorY• koffiehuis. —kitchen, kofflebranderij. Cock (kok'), a. haan; mennetje; kraan; kerf; ha- fiemolen. —pot, kofflekan. nengekraai, hooiopper; boot; optoomael; wkizer, Coffer (korfur), a. koffer, geldkist; achat; geeveriaar. —, v. a. opzetten, opsteken;optoomen, deelte van een kroonwerk; bedekte gang. —, apannen; v. n. cone hooge horst zetten. v, a. in een' koffer sluiten; opgaren; (up) potten. —dam, kistdam, —er, a. schatmeester; potter. hoop, haantje de voorste. —boat, kleine sloop.Coffin (korfln), a. doodkist; hoer; peperhuisje; —brained, onbezonnen, wuft. —bread, scheeps beachuit. —chafer, meikever. —crowing, hanen- taartvorm. —maker, doodkistenmaker. —, v. a. gekraai. —fight, —match, banengevecht. —loft, in eene doodkist leggen. zolderkamertje, vliering. —pigeon, duffer. —pit. Cog (bog'), a. tand (van een rad); kleine boot; v. a. van tanden voorhanenmat. —'s.comb, haneeam; fat. —shut, oche- fact. —wheel, kamrad. —,to — the dice, valsch meravond. —spur, hanespoor. —sure, a. zeer ze• Men; misleiden, vleien. liegen. —ger ker. —'s-tread, hanetred. —swain, bootsman. dobbelen. v. n. flikflooien; (-gur), a. bedrieger; flikflooier. —fiery, a. bedrie—throwing, haanknuppelen. —weed, hanekruid. gerij. —ging, a. bedriegelijk. —ging, a. bedrog. Cockade (kok-eed'), s. kokarde. Cogen cy (ko'dzjen-sih), 0. kracht, vermogen. Cockatrice (kok'e traj8), s. baziliskus. Cocker (kok'ur), a. hanenfokker. —, v. a. ver- —t, a. —tly, ad. krachtig, dringend. Coggle-stone (kog'gl-stoon), a. kiezelsteentie. troetelen. —el (-il), s. jonge haan. Cogita ble (kod'zji tibl), a. denkbaar. —te (•teet), Cocket (kok'it), a. tolbriefje. v. n. deniren. —tion (-tee'ajun), a. overdenking. Cockle (kok'kl), s. kammossel; korenroos. —, v. —tire (-tee-tiv), a. denkend. a. & n. kronkelen, plooien, krutIen. Cockney (kok'nih), a. bewoner van Londen;bot- Cogna te (kog'neet), a. verwant. —tion (kugnee'siun), a. verwant8chap. muil, ploert. Cocoa (balm), s. cacaoboom. —nut. Itokosnoot. Cognition (kug-nis'sjun), a. kennis. kenCocoon (ko-koen'), a. cocoa (van zijeewormen). Cognizable (kog'ni-z1b11, a. aan gerechteltike nisneming onderworpen. —zance (-zens), a. rechCoctile (kok'til), a. gehakken (van eteen). terlijke kennianeming, onderzoek; wapenteeken, CoctIon (kok'ajun), a, koking, verterin'g. onderscheidingateeken. Cod (kod'), e. schil, peul; kabeljauw. —fish, stok- visch, kabeljauw. —liver oil, levertraan. —pep- Cognomin al (kug-nom's-nel), a. tot den toeper, piment, —ware, peulvruchten. —dy, a. naam behooreod. —ation (-nee'sjun), a. toenaam; (net) geven van een' toet.aam. settling. Cognosc ence' (kug-nos'sens), a. kennia. —ible, Coddle (kod'd1), a. a. stoven, zacht koken. a. kennelijk, —ire, a. kennend. —ire faculty, kenCode (bond), a. wetboek. vermogen. Codger (kod'dzjur), a. verb. Codicil (kod'i-s11), s. aanhangeel (op een tes- Coguardlan (ko-gaard'jen), a. toeziend voogd. tament). Cohabit (ko-lieb'it), v. n. samenwonen. —ant, Codling (kod'lleng), a. jonge kabeljauw; etoof- a. medebewoner. —ation (-tee'sjun), s. 8amenwooing. appel. Coheir (ko-eer'), s.. mede-erfgenaam. —ess, s. Coeftleacy (ko.erfl-ke-sih), a. or. Coefticien cy (ko-ef-fis'sjen-sih), a. medewer- mede-erfgename. samenhangen, overeenking. —t, a, medewerker; a. niedewerkend, sa- Cohere (ko-bier), v. a. samenhang. —nt, a. —ntly, stemmen. —ace, —ncy, lnenwerkend. ek), a. onderbuiks-. passion, bulk- ad. samenhangend. Coeliac Cube sion (ko-hrzjun), a. samenhang; aantrekloop. kingskracht. —sire ( air), a. —sively (-sly-lib), ad. Coempflon (ko-emp'sjun), a opkooping. samenhangend. —siveness (-air-ness), rs. semenCoequal (ko-i'kwel), a. gelijk. —ity hangende eigenschap it-tih), a. gelijkheid. Cohort (ko'hort). a. krtigsbende. Coerc e (ko-urs'), v. a. bedwingen. —ible, a. bekap, bait. —ed, a. een kap dwingbaar, —ion (ko-neeitin), e. betellgeling. Coif (kojn, a. kepsel, dragend. —fare (kojefjoer), a. kapael, hoofdtooi. dwang. —ire (-siv), a. bedwingend. Coessenflall (ko-es-sen'ojel), a. —ty, ad. van gelijk Coil (kojl), a. opgeschoten kabet; rumoer, gev. a. (up) opachteten (den babe!). raaa. a. geflikheid van wezen. wezen. —ity Coetaneous (ko.i-tee'ni-us), a. gelijk van ja- Coln (kojn'), s. mnnt; muntstempel; hock; wig. v. a. muntee; current —, gangbare munt. ren, gelijktijdig, (to. with), verdichten, verzinnen. —age, a. mnnting; muntCoetern al (ko i tur'nel), a. --ally, ad. mede loon; atempel; verdichting. eeuvvig. —ity, a. mede-eeuwigheid. Coev al (ko-i'vel), a. gelijkjarige; tijdgenoot. Coincide (ko-in-sajd'), v. n. samenloopen; sementreffen; overeenkomen (in with). —ace (koal, —ous, R. gelijktijdig, even and, (to. with). fn'si-dens), s. eamenloop, overeenstemming. —nt Coexist (ko-egz-let'), v. n. gelijktijdig zije.
be very ill; to behave lilt aria -, to impoverish. beseitaamd -, to put to the blush, to confound. to explain. granter -, to enlarge. dusdelijk rersehillende blamer -, to lessen; ace reader by. hoe maakt pit het ? he w are you? Male er, or. maker, author. -icy, v. making. illiklare Id. v. tameness, gent/rue.. MakkellUk, be. & bw. Zie Gwmakkellik. Makker, in. comrade, companion, mate. Makevel, na. mackerel. Makrol, v. bawd. M. model, mould; caliber. Mal, by. & bw. foolish (-1yo, silly ( ily); by. fond, indulgent; puzzling. -zoet, Intetona. -zoetheid, lusciousness o. a corn-onea3ure. Malden. oa. Zie Mak en, oy. w. to grind; (droog) to drain; to paint, to limn, to draw; on w. to turn, to wriggle; to tease, to t.otber; to rave, to dote, to grumble. - er, mi. grinder, miller; painter, limner; raver, doter, grumbler. -er(j, v. painting, limning; caving, doting !lliu lileid,v. fooliehnebs, Matte, v. mesh, ring; tack; mall. -bun, mail. -head, coat of mall. -hula, inn belonging to a mall. -ktik.hanile of a mall, -half, mall, malletic on. w. to play at mall. -kolder,m. Coat of Mali.
aanvoeren. —leader, belhamel. —plate, zorgket- Rooms (room';, v. A. d0OrnrerVAll; v. n. omzwertine. —rope, touwatopper. —streaked, met Rein- ven. —er, a. omzwerver. a, roode sehimmel. gen geteekend. — tail, ringelvalk; giekzell, brood- Roan (roan), a. roodgrije. winder. —toil-boom (-tee!'-), broodwinderepter. Roar (roar'), a. gebral; getter; gehulr'er; geechater. —. v. n. brullen; tieren; bulderen. —y, a. -thimble, neairing. —worm, datiwwortn. —, v. R. -ringen; van rtogen voorzien. danwaehtig. Ring (rine') [rang. rung;, v. a. & n- luiden; Roast (roost'), a. gebradert. a. gebraad; spat. (doen) klinkeu (of with). --er. a. belier; kiokeen. to rule the — , beorgetien, — , v. a. braden, rootten; beet maken; bespotten. — er, a, bender; Wider. —let ( lit), H. ringetje; oral. roover; apeenvarken. (rins'), v. a. ornspoelen. —e, a. onispoeler. Riot (rarnt), o. uitepatting, zwelgerij; oproer, Rob (rob';, a. vruehtenstroop, gelei. —, v. a.13emulterij. to ran — upon, uttenatten, zieh to but. : retie.; bevrOden, (of); rooven, atelen. — bar, a. ten gaan in. —, v. n. geweld (oproer) makes;', mover, diet —beep (-bur-ih), a. rooverij, diefuitspatten (in); zweigen; (on) verbrassen. eta!. zwelger; oproerneaker. -0148, a. —ouslu, act, 1... 1 Robe (rook), s, ttibbaard,staatsiemantel. master of the -a, kamerheer. —, v. R. den tabbaard baudtg; oproerig. —ouanesa, s. losbandigheid; orahangen; kleeden. oproerigheid. Rip (rip), a. acbeur; viechmsnd; prul; rude tool. Robin (robln), s. —redbreast, roodboretje. v. a. oprijten; openseheuren; lostornen, non Roboront (rob'ur.ent), a. & ts. versterkend (rrintriel). den dog brengen. (from) wegrukken. (off) afstrooRobust (miter), a. sterk, geoplerd, atevig, pen. (up) openrijten; opbreken, slooprn. a. sterkte, forechheid. formeh. Ripe (rain') a. — ly, ad, rijp —ness, a. rijpiteid. Roebet (roteit), a. koorhemd, minkleed. Ripen (rarpn;., v. a. & n. (doen) Ripp er (rip'pur), a. openk,ebeurder; elooper. Rock (rot'). a. rots; 8pinrokken lurking—, blinde klip. --alum, bergaluin. —bound, door rotarn a. het openseheuren; steekbeitel; higesloten. —cork, bergkurk. —cress, isteenkers. —iron, breekeizer. —crystal, bergkristal. —doe, gems, klipgeit.—milk, Ripple (rip'pl), a. gekabbel; virasrepel. —, v, a. bergmelk.—mots,rotamoc—oil,steenolle.—pigeon, doen rimpelen; repelen; v. n. kabbelen. leiednif — ray, steenrog.—rose,steenroos.—rube, floe (rsjo, a. (hoe) opstaan; opgong; opkomst; mode granaatsteen. —salt, kitpzout, —shell, kilt,verheffing, r jztng , stijging; ooreprone,,ontataan. echelvisch. — wood, hoot-asbest. —work, grotto give — to, aanletding geven tot, doen ontmtattn. weak. Rise (rajz') from (root). risen (ria'zn)], v. n. op- Rock (rok'),v.a. schudden; schommelen; wiegen; eine. ; °pea., opkomen; stijeen, ri.jzrn; zwellen; v. n. slingerett; waggelen. —er, a. wiener. —et (-it), a. raket, vuurptjt; raketten-kruit. —bless zich verbeffen; (from) ontstaan, vonrkomen. -in arms, de wapenen opvatten. —r, a. opataander; (-i-ness), s. rotsachtigheid. —ing, a. het sehomearly —, iervand, die voceg opstaet. melen, wiegen; — chair, schommelstoel; —horse, flail hie (rtz'ibil, a. belacheF.jk. hobbelpaard. —less, a. zonder klippen. —y, a. (-i-bil'ittih), a. belecheitikheid. roteachtig; hard. Rising (raj'zteng), a. (het) opstaan; opgaan; ge- Rod irod), a. roede, stang, vitae. knangdier. ewel; Gpstanding; opatand. Rodent (ro'dent), a. knagend. Risk (risk'), a. gevaar; waagstuk; kens; rieico. Rodomontade (rod-o•mun-teed ), a. enoeeertj. —, v. n. pochen, snoeven. —, v. a. wagen, op 't spot zetten. —er, a. wager. Rite (rajt), a. kerkgebrutit; elechtigiteid. Rogation (ro gee8jun), F. bode, titanic. —dope, kruisdaeen. —week, benielvaartsweek. Ritornello (ri-tor-neFlo), s. ritornel. Ritual (rit'joe-el), a. ad. volgens het ler:, Rogue (rong'i, e. echnirk, tlelt, sritsboet sehelk. gebruik; plechtstatig. — in grain, aartaacbelm. —, v. n. rondzwerven; rituaal. sehurken- of guitenstreken uitvoeren. a. Rival (revel), a. tnededingend, wedijverend —, sehurkertj; gutterij. a. merledinger; medeminnaar. v. a. wedijvelavigtelsta (ro'gisj), a. —ly, ad. sehurk-, Behalkren, mededingen met. —ivy (-vel'it-tih), —ship, a. wedijver, mededinging; merierninnarij. achtig. —nests, a. achurkaeletigheid; echalkaehRive Irajv'i [rived (rajvd). riven (riv'e)], v. a. & tigheid. epltjten, setieurete —r, spititer. Roister (rojs'turl, v. n. Leven maken, tieren, snoeven. —er. a. levenmaker, windbuil; tonoever. Rivet (riv't). v. rt. doen rimpelen, versehroeien. River (riv'ttr), a, rioter. —dragon, krokodil. Roil (mall'), a. rot; rolbloe; atrijkbout; Itist, register; neamrol; oorkonde, jaaranek; roffel; §. — driver, houtvlotter. —god, viviergnd, —4orse, broodje; velitoed; hoofrivvrong. master of the —s, rivierpaard. — et (-it). s. rivinriiP• Rivet (riv'it), s. klinknagel. —, v. a. vastklinken; oorkondenhewearder, eriffier. —brimstone, pijpInp renten, zwavel. — calling.. appal. —, v. a. tact -en rolWok gellek maken; inrollen, inwikkelen; oprolRivulet (riv'joe-let),, a. riviertje; beak. len (up); v. n. rotten, wentclent roffeien. — er, Rixdollar (riks-dolner). a. rilkedaalder. Roach (rootsj'), e. roller; rot; rolstok; valhoed; zwachtel; wrong. voren; nitgelling (van eon sell). —leech, mastlijk. —ing, a. bet rotten, elingeren. —board, rolplank; Road (rood'), s. weg, atraatweg; reede, dagreis; —mill, pletmolen; —pin, rolstok; —press, roltonal, strooptocht. enkerplaata. — way, pers; —tackle, stoottalie. straatweg,ripreg• —ster,a. ter reedeliggend acid p. Homage (rumndzj),.s. Zie Rutwinsage.
lane. -now, ad. root dezen; voorheen. —while, ad. eenigen tijd goleden. Erect (e-reltt'), R. yeebtopRtaand; fler,onverschrokken, pal. —, v. a. oprichten, bouwen; opheffen; bemoedigen; v. n. zich oprichten —ion (-rek' sjun), a. oprichting. bouwing; opheftIng; bemoediging. —ire, a. oprichtend; opbeurend. —netts, a. rechtopstaande bonding; koenheid. —or, s. oprichter; oprichtende spier; hereoediger. Eretult a (er'e-majt.), s. kluizenaar. —ice (-mit ikl), a. kluizenaars Ereption (e-rep'sjun), a. wegrukking. Erlogo (e.ring'go), a. braakdistel, blauwe zeewort el. Erigtic (e-rietik), —al, a weerleggend. Ermine (nr'min), a. hermelte; hermelijn-bont. —d (-mind), a. in hermelijn gedost. Ero de (e-rood'), v. a. wegknagen, wegvreten. —sion (-ro'zjun), a. wegvreting. Erotic (e-roVik), —at, a. verliefd, wellustlg; erotiach. —, a. minnedicht. Err tar), v. n. dolen, dwalen; atwijken; zich var. gtssen. Errand (er'rend), a. boodschap. —boy, loopjongen. —man, boodschappen-looper. to run --s,boodschappee doen. Errant (er'rent), a. —ly, ad. ronddolend, ewervend. knight —, dolende ridder. —ry, a. randzwervine; dolende riddertehap. Erratic (er-ret'ik), —al, a. —ally, ad. dolend. dwalend; ongeregeld. Erratum (er-reetunn), a. drukfout. Errhine (er'rajn), s. snuifmiddel. Erroneous (er-ro'ni-us), a. —ly, ad. dwaleud; verkeerd, oniniet. —nem, a. dwaling; onjuistheid. Error (er'rur), a, dwaiirg; misslag, abuis. Erst (wet), ed. eeret; voorheen, weleer. Er“bescen ce (er-joe-bes'sens), a. roodwording; blos. —t, a. roodachtig; blozend. Eructa te (e-ruk'teet), v. a. oprispen. —lion (erak-tee'sjun), s. oprisping. Erudi te (er'joe-daft, —dit), a. geleerd, belezen. lion (-disruu), a. geleerdheid, belezenheld. Erugitsous (e-roe'dzji-nus), a. koperachtie. Ersap lion (e-rup'ajuu), a. uitbarating; uitslag; uitval. —live, a. uitbarstend; uitelag hebbend. Erysipelas (er-i-sip'e-les), a. room. Escalade (ee -ke-leed'), s. beklimming met stormladders. Escapade (es-ke-peed'), a. zijeprong; misstep; uitspattiug. Escape (es-keep'), a. ontkoming; uitvlucht; vergigging; misetap; uitstapje. —goat, zondenbok. --, v. a. & n. ontgaan; ontsnappcn; vermtden. —ment, a. gang (in eon uurwerk). Escarp (es-lrearp'), v. R. glooiendmaken. —ment, a. stole honing. Esckar (es' ker), a. karat (tenor wood). —otie (-kerot'ik), a. sehroelend; a. brandmiddel. Escheat (es-tsiiet'), a. vervallen leen. —, v. n. ran den leenheer vervallen. Eschew (es-tsjoe'), v. a. schnwen, vlieden. (es-kort'), v. a. Escort (es'kort), a. geleide. Inge) eiden. Escuage (es'Icjoe idzj), a. leenplicht tot krijgsetenst.
Because the blockchain works by verifying transaction history, and this verification process is labor-intensive and slow, only so many transactions can be verified in a certain timespan. So, if you sell your Bitcoin, but the purchase isn’t confirmed by the blockchain network, and the price of the currency changes, the sale won’t process. You'd have to sell your Bitcoin at whatever the new rate is (if you so choose to sell). Also due to the reality of blockchain, as well as for other reasons thus far unidentified, the Coinbase payout system can sometimes be unreliable. There have been reports of extensively delayed payout periods, and bugs sometimes keep the site from running as efficiently as it could or should. A word to the wise: if you are going to invest in and speculate on cryptocurrencies, do so carefully.​
melk. het rerband —, to unbandage, ionand een eed —, to swear a, o., to pnt ta. o to his oath. irwal(jk —, to take Rothe tested —, to overcharge. —, on. w. to abate, to lessen, to decrease, to decline, to d ,, car, to fall; to wane, to lie on the wane —end, bv. declining, diminishing; waning; fainting. —er, m. taker: customer. —ing, v. taking down, — off, — from — away; descent; decrease, decline, decay. wane. Aftp, omen, on. w. Zie A ['Olken. A fnijpen, on. w. to pinch off, —from. Aforigen„ on. w. Zie AfkU ken. Afoogetten, on. w. to get in the crop, to reap. Afpneltten, on. w. to farm, to rent, Afpnkken, on. w. to unpack. to pack off, to unload; to snatch sway, — from. Afpnlen, on, w. to mark (to fence off) with pales, to limit, to incloseAfprissen, on. w, to equt.re, to proportion, to Fytitist; to count out a fixed sum of money. Afuelleta, ov w to sound, to gauge. Arpeinzen (etch), t. w. to rank ,,ne'sbrAin. Arnell•n, on. w. to peel (off), to husk. to "hell. Afperk en, av, w. to impark, to fence in, to fold, to mark out. --ing, v. enclosure, marking oat. Afperu en, ov. w, to extort (to exact, to wrest, to wrist) from. —er, ir. extorter. extortioner. —asp.. v extortion, exaction, wresting from, AFyikken, on. w, to peck to pick) off. Afplatxen, ov w, to flatten, to level. —big, v. flattening, levelling; oblate for. AlpbeRten, ov. w. to save by pleading. Afpinegen, on.w. to plough off. Afplist! 'sell, o. arts pickings• —ten, o•. w. to pick off. —rer, no. picker —.vino, v. picking. At pltikk en, on. w. to plunk off, to gather. —er, in. plucker. —ing, v. plu•cing, gathering. Alpoenoen. ov. w. to wipe off, to clean. Afprnehen, ov. w. spineta by coaxing. Afpraiton, on. w. to prevent by talking; to diseuade to arrange. A fpun to,n, zv.w. to paint off,to nib. Airtsadailer, v. Zie Meader. Afraid en, ov. w. to dissuade, to dehort (a. 0. horn); to advise (a. o. against). —er, In. dissuader. —ing,v. dissuasion. Afrnfelen, ON. & on. Iv. to ravel oat, to unravel. Afrageta, on. w. to clear from cobwebs, to dust. Afraken, on. w. to get off', — down; to get rid of. t in den iveg —, to go astray, to lose one's way. Afranden, on. a'. to take off the border (the margin) from Afroneelen, ov.w. to rib-roast, to drub, to thrash . Altrap ea, ov. a'. to rasp off. —er, rn. reaper. —ing, v. rasping. —set, o. raspinga. Afrotgenen, on. w. to lie beaten (worn) tiff by the rein. Afreikets,on. w. to reach down; to deliver. Afrei a, v. departure, netting out —sens on, w. to traoel over; on. w to depart, to net out. Ala- ricers on, on. w. to deduct, to abate; on. w. to settle (to cli ar) aecounts, to liquidate, to account with. —ing, v. deduction, eat tang (clear. ing) of accounts. liquidation; —harden ; to balance accounts; op —, on accoont.

Moet ik belasting betalen voor cryptogeld


I. Icteric (ik-ter'ilt). —al, a. geeltneht; tegen de. I (aj), a. (de letter) I. —, pr. ik. geelzucht. — disease, geelzucht. —, a. middel leIamb ic (a) em'bik), a. jambisch; a. jambiaeh gen de geelzucht. vers. —,,,,, a. jambische veramaat (u—). Icy (arsthl, a. ijsachttg; vol ijs; koud, koel. Ibis (ajbis), a. ibis, nijlreiger. Ice (a);'), ii. ij'. —berg, ijsberg. —blink, ijsaehit - Ide a (aj - di'e), a. denkbeeld, begrip. —al, a. —ally, ad. denkbeeldig, ideaal. —al, a. ideaal. tering —bound, ingevroren. —cream, roorntjs. —alism (-el-iern), a. stelae' van het denkbeelijs. —field, ijsveld. — house, ijskelder. —plant, dige. —aline (-el- 10z), a. a. denkbeeldig maken; ijsplant. —spar. ijsaraath. —spur, ijsspoor. —. v. n. dentbeelden vacates. v. a. tot ijs maken; met ijs bedekken; oversui. Mem tordim),s. dezelfde, betzelfde, keret. Identi cal (aj-den'tik), a. —rally, ad. zelfd,, liclisnctmims (1k-n.loe'mun), a. ichneumon. eenzelvig. —fication (-tit i-kee'sjun), a. screenIclinograpby (ik-nog're-fib!, e. plattegrond; zeiviging. — f y I - ti- 1'0), v. a. vereenzelvigen; v. a. -teekenin),;.. eenzelvig warden. —ty (-tit-tile), a. eenzelviglabor (ai'kor), a. bloederig vocht,iymphe.—ous, heid. a. dun, wateracbtig. Ichthyology (ik-thi-ol'ud-zjih), a. beachiijving Idloc easy (id-i-ok're-sih),s.lichamelijke eigenaardigheid, —y (id'i-o-sih), a. onnoozelheid, der vis.chen. stompzinnigheid. Itchthyophaw.ts (ik-thi•of'e-gus), R. via,he.tend. ici ale (aj'ai1it), s. jjakegel. ijetap. — ness ( - si - ). Idiom (id'i - um), a. tongval, taateigen, — die. —atieal (-met'ik-), a. aan eeue taal teen' tongval) a. kjftaclitigheid. --ny, a. ijakorat. eigen. le0111) elitist (aj-kon'o-klest), a. becaldstormer. —gra; by (-be nog're-fib), a, beeldenbeschriiving,.. ldio pat hy (id•i-opie-thih), 8. Plaataelijke zlekte; hijzondere indrulc. —synerasy (-o sin'kre-eih), a. ---1,, PY ( te , a ,, i' , . 4 , i)h(, a, beetle, kande , heel- eigenaardigheid van eeatel; inizonder teasel. Ite.tee.r.
DIV.— POL. Si Divid able (di-vajd'ibl), a. verdeelbaar. —a, v. a. neeakundige behandeling zijn. —al, a, doctoraal. deelen, Beholden; verdeelen; v. n. uiteengeoln; —ate (-et), a. doctor-graad. —ate (eat), v. a. tot oneenig worden. —edly, ad. afzonderlijh. —er, doctor bevorderen. a. geneeskuudige vrouw. a. verdeeler; deeler; soort van kompas. —era, a. —a, s. valsehe dobbeisteenen.—s' commons (-kona' 'wort van passer. munz), collegie van civilians (rechtageleerden) in Dividend (divq-dend), s. deeltal; winstaan- Louden. —ship, a. leeraarechap, doctoraat. deal, dividend. Doctress (dok'tress), a. Zie Doctoress. Divinat ion (div-i-nee'sjun), s. waarzegging. Doctrin eel (dok'tri-nel), a. —ally, ad. cinder—or (div'i nee-tur), a. waarzegger. —ory, (di. wijzend; leerstellig. —e (-trin), a. leer; leervin e-tur-rih), a. waarzeggend. stelsel. Divine (di- v ajn'), a. —ly, ad. goddelijk. —, s. god- Document (dok'joe ment), a. bewijestuk; do , geleerde, geeatelijke. —, v. a. voorzeggen; v. n. cument. —, v. a. onderrichten; van voorschrifien gleam —r, a. waarzegger. —ress,.. waarzegeter, (documenten) vobrzlen. —al (-ment'el), a. tot eon plying (dajv 'ieng), a. & a. —bell, duikerklok. voorachrift beboorend; in documenten vervat. Divinity (di-vin'it-tih), s. godheid; godgeleerti—ary (-ment'e-rilt), ad. volgena documenten. held. Dodder (dod'dur), s. viltkruid, cuacuta, Divis ibility (di-viz-i-bil'it-tih), —ibleness, (-viz' Dodecagon (do- dek'e-gon), a. twaalfhoek. ibl.), a. deelbaarheid. —We (-ViVibi), R. deel• Dodge (dodzj'), v. a. behendig ontwilken (outbear. —ion (-vizrun), a. verdecling; verdeeldsnappen); v. n. ter zijde springen; draaien, met held; afdeeling. —ive (-vaj'siv), a. verdeelend. list to werk gaan (with). —r, a. draaier, ;wet—or (-vaj'zur), a. deeler. felattr. Divorc e (di-voora'), —ement, s. echtscheiding; Doe (do), a. hinds; vviij fie. —rabbit, wtjtjeskonijn. scheiding. —e, v. a. scheiden. —ee Doer (doe'ur), a. dader, bedrijver, doener. a. geacheiden peraoon. —er, a. echtscheider. Doff (dof), v. a. afdoen; uitdoen; atiiehten; uit—ive, a. echtscheidend, atellen. Divuigation (div-ul-gee'sjun), a. ruchtbaar- Dog (dog'), a. houd; hondster; mannetje; schelm, making. grappenmaker; vuurbok; houvast. to give to the —s, Divul ge (di-vuldzj'), v. a. verbreiden, openbawegsmijten. to go to the —a, telgronde gaan. ran. —ger, a, versprelder. (-vul'sjun), s. —, v. a. naapeuren; § ale een' bond behandewegrukking. --sive (-cureiv), a. wegrukkend. len; v. n. ale een hand zwoegen. —appetite, Wizen (dayzn), v. a. opschikken. hondahonger. —bane, hondsdood. —berry, korDizz insets (diz'zi-ness), a. duizeligheid. —y, a. noelje. hagedoorn. —buffer, hondendief. duizelig; wuft; v. a. duizelig mahen. —cheap, schandekoop. —collar, -halsband. —days, Do (doe) [did. done (don)] v. a. doen, makes, hondsdagen. —fish, haai. fly, hondsvlieg. —fox, verrichteu, volbrengen. —to death, ter dood been- mannetjes-vos. —hearted, hardvochtig. —hole, gee. — a part, eene rol spelen. (away) wegdoen. hondenhol; kot. —keeper, honden-oppaeser. —kenkeukentatijn. (into) venal. in. (off) afdoen. (on) aandoen. nel, hondenhok. (out) uitwisschen, uitdoen. (over) overtrekken; hondendoktor. —louse, hondsluis. —mad, bondsherhalen. (up) opvouwen; Ran kant maken; indol. —muzzle, muilkorf. —rose, hondercos.—'s ear, hondsgras. pakken. —, v. n. handelen; zich bevinden; vol—'a-grass, ezeleoor (in een boek). doende On. how do you —, hoe vaart gil ? I do —sick, ziek ale een bond. —sleep, hazenalaap. not know it, ik weet het niet. I de love her, ik —'s-meat, hondenkost. —star, hondseter.—'s-weed, bemin hoar waarlijk. do but come, koin slechts. biealook. —tooth, oogtand. —triek,gemeenestreek. pray do! eilieve, doe 't toch this won't —, dat —trot, pruikenmakersdrafje. —vane, verklikker. niet. § do tell) och koml is het mogelijkl — (by) —watch, hondeuwacht. —weary, moede als een hande handelen len jegens. (for) toereikend voor. hood. —whistle, dievenfiuitje. —wood, kornoel, (with) aanvangen met. —all, s. albedril. —little, jehout. a. leeglooper. Doge (doodzj), a. doge. Docibillty (doe- i-bil'it-tih), a. leerzrainheid, Dogged (dog'gid), a. —ly, ad. kribbig, norach. leergierigheid; gezeggeltjkheid. —ness, a. gemelijkheid, norachheid. Dori bie (doe'ibl), a. leerzaam; gezeggelijk. Dogger (dog'gur), a. visscherspink. —bleness, (dosil'it-tih), a. leerzaamheid; Doggerel (dorgur-i1), a. ellendig, Bleeht. a. gezeggelijkheid. —le (doa'il), a. leerzaam; gedwee. rumelarij. —rhymes, kreupeiverzen. DocIty (dos'it-tih), s. vlugheid van bevatting. Doggish (dogVisj), a. —ly, ad. hondsch. Docimacy (doag-me-sih), a. kunst om metaal- Dogma (dog'me), e. leerstuk, leerstelling. —tic ens to beproeaen. —Neal, a. —Neatly, ad. (dug inet'ik ),leeretellig; a. Dock (dole). a. dolt; staartriem; wilde roving. meesterachtig. —ticalness ( met —, v. a. in het dok brengen; kappen, ophinden leerstelligheid; meesterachtigbeid. —list, a. on(van paardeustaarten); korten. dry —, droog dok. derwijzer van leersteliingen; die op besliseenden v. n. leeretellingen floating —. drijvend doh. —yard, werf. —age, a. —tize, (-tajz), toon spreekt. —due, dokgeld. —et (dok'it), a. lijtaje van henvoordragen; meesterachtig beslissen. delsartikelen; adrea; uittreksel; lijst van orde; Dolly tdorlih), a. start van wollen stof; servet. v. a. op de naam- of ordelijst plaatsen. Doings (doeleugz), a. ,erriehtingen, bedrijven. Doctor (dok'tur), a. doctor; geneesheer. —, v. a. Dolt (dojt'), a. —kin, s. dolt. tot doctor bevorderen; geneeakundig bebande- Dote (dool'), n. deel; gift; droefheid. —, v. a.uitIan; v. n. de geneeskunde uitoefenen; onder gedeelen. — meadow, gemeenteweide. ful, —some.
AAN (to tie, to button) together. —knoopiell, T. knot- Aengluipesa, ov. w. to look sneakingly at. ting (knitting) together. —koppelen , ov. w. to Aangluren, ov. w. to leer at. couple together; to leash. —koppeltng, v. coo- Aiszegoolen„ ov. w. Zie Aanwerpen. conulatidn. —lunches, ov. w. to scarf,to Aangorden, or. w. to gird on., join. —1(imen. ov• w. to glue together, to congin. Aangrauw en, ov. w. to snarl at, to reprove tinate. —lijming, v. conglutination. —naaien, ov. harshly. —ing, v. snarling, scolding. w. to sew together. —plakken, or. w. to glee (to Aangreep, in. seizing, laying hold of, attack. paste) together. —riagen, or. w. to atringtogether. Aangrenz end, lee. adjacent, contiguous. —ing, v. adjacency, contiguity. —schnkeleo, ov. w. to link together, to concate. AangrUnz en, ov. w. to grin (to sneer) at. —lath nate. —ochakeling, v. concatenation; series. t. w. v. grinning, sneering. ten, ov. w. to put close together; aich to press close (to each other). —ameden, ov. w. Aangrlip en, ov. W. to seize, to take hold of, to forge together, to weld. —euldeeren, or. w. to to lay hold on; to attack; to affect, to move; polder together. —eptjkerrn, ov w. to nail to- to fatigue, to exhaust. —er, in. assailant. —ing, get her. —voegen, ov. w. to join, to unite. —voeging, v. seizing; attack. Aangrimmen, or. w. to growl at; to threaten v. joining together; junction. Aomori, en, ov. w. to inherit; on. w. to fall to dreadfully. Aangroel, m. growth; increase. —en, on. w. to one's inheritance. —lag, v. Inhorittince. grow; to increase, to augment. —jag, v. Zie Aanfluiten, ov. w. to hies (to hoot) at. Aanfokk en, or. w. to breed. to rear; to raise. Aangroel. —er,m. breeder; rattier. —ing, v. breeding; relating. Aanbaken, ov. w. to hook on, to grapple, to Aningienn, or. w. to contract, to conclude, to accroach. make, to enter upon; to concern, to regard, to Annbal en, or. w. to draw (to pull) near, — close; to arrest, to seize; to allure, to caress; to matter; on. w. to call (at); to begin; to walk faster, allege, to quote; to afford; to mark. —er, m. to mend one's pace; to take tire, to kindle; to continue, to be practicable (becoming, allowable. mazer; alleger, quote, —ig, bv. alluring, courteborne with); to make noise, to keep a coil, to nun, engaging. —igheid, v. alluringness, courtlinen. —ing, v. drawing, palling; seizure; allurestorm, to scold. meat; allegation, quotation. —ingateeken, o. inAnnanntude, oz. concerning, as to, an for. Aaagaloppeer,sn,on.w. to approach at a gallop. vetted comma,. quotation. Aangang, m. op de , — komen, to happen to arrtoe Aasnhang, at. faction, party, sect, followers. —en, ov. w. to hang on, to append; on. w. to adhere when a thing takes place. (to stick) to; to add, to subjoin; to depend upon; Aangapen, or. W. to gape at. to grieve. —er, m. adherent, partisan, sectary, Aangeboren, hv. innate, inborn, nstnral. follower. —ig, hr. pending. —lag, v. Adherence, Aangebraead, bv. burnt to. adhesion. —set, o. appendix, supplement; codicil. Aangedaan, bv. moved, affected. Zie Aanbanger. Aangeetmter, v. Zie Aangever. ben, ov. w. to have on; to have lost. Aanbeb•• Aangeerfd, bv, inherited, heriditary. Aanhecbt 'in, ov. w. to affix (to fasten) to, to Aangebaald, bv. quoted, riled; seized. attach, to join. —er, m. Meer. —log, v. afflxion, Aangebsswd, tor. allied, in-law. Aangeblangde. m. & v. accused, defendant, in- fastening, attaching, joining. —set, o. appendix. —e'er, v. Zie Aanbeebter. dictee. Annigellegen, be. contiguous, adjacent; import- Atenhef, m. beginning, preamble; exordium„ inant. —held, v. importance; mutter, affair, concern, tonation. —fen, or. w. te begto; to set np, to APIDffellanill, ha. & bw. aereeable (-bly),pleaeant utter; to intonate. fee, m. —*ter, r. beginner. (.1y). —held, v. agreeableness, pleasantness, —Pig, v. Zie Aanhrf. Aanbellpen, or. w. to assist in putting or, to pleasure. help in, — to. Aangenonigp, ow. supposed, AanbUseben, ov. w. to hoist up; on. w. to holet AnnieschOftn, bv. half-seas-over, tipsy, quickly. Aengespen, ov. w. to buckle on Aangev en, ov. w. to hand, to reach; to glee Aanbinkan, on. w. homes —, to come halting information of, to inform against, to denounce; (hopping. limping). to enter (goederen); to declare, to state; to give, Aanhlts en, or. w. to incite, to instigate,to egg to strike (een loon). den toon —, to take the lead, on, to abet; to set together by the ears. —or, in. to bear the bell. —er, m. informer, denouncer, inciter, instigator, abettor. —ing, v. incitement, instigation. —log, v. information; declaration; entry. Aangezieht, o. face, countenance. —.Ain, foes- Aanboog en„ or. w. to heighten, to raise. —tog, v. heightening, raising. ague. Aenboop en, ov. w. to heap up. to accumulate. Aangezien, ow. es, since, whereas, seeing. Aongieten, ov. w. to cast (to); to pour (againet). —leg, v. heaping up, accumulation, Aaraglfe, —e, •. declaration, statement; entry; At1111100r der, tn. hearer. auditor. —en, ov. w. to hear, to listen (to give ear) to. —ig, bv. belonginformation, denouncement. —biljet, bill of de- ing (to). —igheid, v. appurtenence. —ing, a. hear claration. ing, ltetening (van, to). —Bier, v. anditress. AangiUdens, on. w. to slide (against), — hither. Aanglinsiner , , on. w. to catch fire, to kindle, Aanboud en, ov. w. to hold to; to keep on; to sail, to steer (op, to); to stop; to detain, to arto begin to glow.

Wat er precies is Bitcoin


221 dam. -glass, penantspiegel.--table,penant-tafel. -ape, 5. kadege/d. Plere e (piers'), v. a. doorboren; doordringen; doorgronden; opensteken; schakken• v. n. indriagen (into). -er, s. doorboorder; boor; prism; ' angel. -ing, a. -ingly, ad. doordringend. Piet ism (paytt-lzut), s. dweperti. -ist, s. dwe per. --y, s. vroomheid; ouderliefde. Pig (pig'), s. big, varken; klomp, blok. -badger, daezwIjn. -brass, geel koper in rollen. -driver, varkensdrijver. -headed, groot van hoed; dour, eigenzinnig. ruw tjzer. -nut, aardnoot. - running, hen varkensvangen (spel). -sty, var. kenskat. -tail, pruikstaart; pralmtabak. -widgeon, foe; klein schepsel. - . v. n. biggen, Pigeon (pid'sjun), e. duif. cock-, doffer. hen-, dui!. -dung, dulvennest. -foot, kraanbek (plant). - hawk, duifvalk. -hearted, vreeeachtIg. -hole, gat in een duivenelag; loket, hokje; zeker spel. - house, duivenelag. -livered, zachtmoodig. -pie, duivenpastei. -, v. a arzetten, plukken. -ry, s, dulvenslas. Pig gery pig . gur-rih), s. varkenshok. -gin ( - gin). s. tobbetje, houten nap. -gish 1-giej), a. manechtig. -ment, a. bereide vent; blanketsel. -my, a. dwerg. Pignorat ion (pig-no-ree'sjun), s. verpandIng. - ire (plg'no-re-iiv), a. verpandend. Pigsney (pigz . nih), a. lle.je, echatje. Pike (pajk'), e. pick, spies; punt; stele]; vork, gaffe); snack. -hook, enoekbaak. -man, piekenier. -staff, lansetok. - d, a. puntig. Pilaster (pi-les'tur), a. pilaster, sail. Pilch (piltsr), -er, a. pale; met boot gevoerd voorwerp; zadeldek; scheeds. -ard (-urd), a. stroomlIng (soort van eardijn). Pile (pajl'), s. peal; hoop, stapel; kolom; ruigte, nop; muntztjde; pippunt, gebouw. cross or -, kruis of munt. funeral -, brandatapel. -driver, heiblok. -engine, heitoestel. -work, paalwerk. -worm, paalworm. -wort, speenkruid. -, v. a. opstapelen, ophoogen (up). -r, s. opstapelaar. (pajlzi, yy1. aambeien. Pileate ( eet-id), a. hoed-, kap• vormtg. Pilfer (pirfur), v. a. & n. kapen, briezelen, op den kop tikken. -er, s. diet. --ing, a. dlefachtig. --y, 5. dieverg. pli•garlic s. kaalkop; Rome drommel. Pilgrim (pil'grim),s. pelgrlm. -ageo. pelgrimetoeht, bedevaart. Pill (pill'), s. pit. -, v. r. sehillen, pelien, afstroopen; berooven, uitkleeden; v. n. afeehilfe• ren; plunderer. -age, s. roof, buit; plundering; v. a. plunderen; verwoesten. --alter, s. plunderaar. Pillar (pil'ler), s. pllaar, pfdler; stut, sttjl. -ed (-lend), a. door pijlers gedraeen. Pillion (pil'jun), s. vrouwenzadel. Pillory 'pill° rib), s. kaak, sehandpaal. -, v. a. aan de kaak stellen. Pillow (p11 . 10), 8. oorkussen. -beer, -case, kusseneloop. -, v. a. ep een lumen leggen; onder• steunen. Pilo3Ety s. harigheid. Pilot (parlut), a. loe ds. - boat, loodsboot. -water,
plank. —book, kladhoek. —good, —thrift, doorWenger. —lend, braakland. —paper, schaurpapler. —well, zInkput. —wool, kamwol (atval). Waste (went'), v. a- varwoeoten; bederven; verkwieten., doorbrengen; aerteren; v. n. afnemen, kwijnen, vervallen, (away). — fat, a. —fully, ed. eerwoestend; verkwistend. —fulness, a. verkwiatine. — .88, a. woestheid; wontentj. —r, a. errwooater; verktvister; diet (can de keara). Watch (wotay), a. (het) waken; waelteaamheid; wacht, -hula, -poet; horlogie. on (upon) the ---, op wacht; op atjne hoede; op den lose. —bell, scheepeklok. wachtrol.—boat,wachtboolje. —box, echilderbnie. —candle, nachtheare, -Itchy. --cage horlogiekaa. —chain, horioeleketting. —coat, kanotjae. —dog, kettinghond.—fire,wacht•uur. borlogiegin; echeepsglas. —hand, horlogleivijzer. —house, wachthuis„ —light, naohtItch, —maker, horlogtemaker. man, waker; tatehtwaker. —stand, horlogtekamtje, -etandaard. —tower, wachttoren. —word, waobtwoord. Watch (seate)'), v. a. bewaken; bespleden, be(noon, gattenloan; hoeden; v. n. waken, tie wacht houdec; aeht geven, loerers; (for) wachtan, loeren op. —er, s. waker; bespleder. —fail, a. —fully, ad.waaksaarn (against);opmerkzaam (of). —fianell, waakzeambeld. Watelsee (wotarit), A. Ilehtblauw. .ester (wan'tor), a. water. —break—, havendam; getoniten weak. b y — , to water. to make lek zifjn, water inkrijgen; wateren. to take the —, te water gam, waterechout. —bearer, ids) Waterman. —borne, viot, drijvend. —bottle, wsterflsach, karat. —carrage, —conveyance, vervoer te water. —carrier, sv AterdrAger. --easing, waterkinting. cask- weterton, -vat. —vim*, —dial, weternurwerk. —closet, eekreet met eene waterkraan. —cock, weterkraart. —color, watervent —course, waterloop, —cress, watacker,. —cure, watetkuur. —dome, —ordeal, waterproet —drop, waterdropnel; traan. —elver, gieter. —fall, watervel. — fiend, wetergee,t. —flog, gala zwaardielle. —flea, watervioa, zwemkever. —flood, watereload. —fly, watertuot. —fowl,watervogel; -gevogelte. —fox, karper. —frame, waterepinmaehine. —gage, peilechttal; waterkeeeing. —gall, wntergeul. —gang, waterloop. —gate, waterpoort, sluts, —gruel, waterpap. -brij. —hare, gekuilda duller. —hen, waterhoen. — hold, waterruin. --bole, cog (In de blinde). —hook, loom • hask. —eouse, vergaarbak. —Lemon. Phniebinem. —level, watersplegel. —lily, waterlelie, —line, waterIljn. —logged, door let onkla,tr geworden. —man, schultevoerder; Waterman. —mark, watermark; -lijn. —melon, wetermeloan. wetermolen. —pad, scheepedtef (op des Teems). —parsley, watereppe. waterpijp; -vat. —poise„ waterweger. --pot, waterpet. —proof, —tight, weterdicht .—rocket,waterr.. 'let—scenery, waterpartij. —sedge,water•irla.--shoot,bek,waterspuwer; water-, wortelloot. —shrew, kl eine water. mute. —shut, waterdarn; sluts. —sttake.weter.th.g. —soaked, van water doorweekt. —spaniel, waterhood. --spout, avatereproag; -hoos.—spring,waterbtou.--ttation,waterstatton.—tabie,onderste rand van eau' muur. —trough, waterkak. —tub, water-

Wat zijn de top 5 Cryptocurrencies


Krnnk, bv. ill, indisposed, dizeand, sick. —bed, with currants. —eukakker, punctilious person crazy, mad. —hoof- coward ; close-fieted fellow. eick-bed. —hoofdig, craziness, madness. —eine Keep (Ozer, 0. crisping-iron. —pee, ov. w. to digheid, madhouse, crisp. nige, madman; —ngestieht, Krenk, v. —el, v. fold, wrinkle, rumple, crumple, lunatic asylum, bedlam. Kiranke, m. & v. patient, sick parson. —nbezoek, pucker. —elen, —en, or. & on. w. to wrinkle, to rumple, to crumple, to pucker, to ruffie. visit to a patient. —nbezoeker, comforter. —nbe—elig, be. crumpled, ruffled. —er, m. rumpler, zorger, overseer of an initreaery. —nbewaareter, erompler, ruiner. —ing, v. rumpling, crumpling, nurse. ruffling. Kraal& held. v. —te, v. illness, indisposition, Kreutlers, on. w, to groan, to whimper. eich disease, sicaoess. Kraus, m. wreath, garland; cornice, festoon; t. w. (can) to care, to mind. chaplet; circle, club, society. — kruid, sweet Krenpei, be. cripple, lame. — loopen, to halt. —beach, ticket, copse. —gra., knot-grass. —boat, marjoram. —lijat, cornice. —werk, festoons. —en. underwood, — riins, doggerel - rhyme. — achtig, ha. or. w. to wreathe, to garland. o. circle, somewhat lame. —held, v. crippleness, lamene.s. club, society. Kraut, v. newspaper, gazette, paper. —enberieht, Krene„ v. notch, cross-groove; core. advertiserneht, newspaper - report, — endruhker, Keevel, v itch, itching. —en, ov. w. to itch, to prick. —kruld, —sand, herb (seed) that causes are printer of a newspaper. —endruaerii, newspaperprinting-office. —enjongen, news - boy. —eniezer, itching. —fag, v. iich, itchinr. reader of a newspaper. —enntan, news-man. —en- Keib , v. manger, crib ; shrew, scold. —werk, bavtn. nreuws, news, newspapeereports. Kceibbe„ v manger, crib. —bijten, to have the Keep. v. madder ; clesp ; pork 'a eteak. Kresp. Xrapies, bw. closely ; tightly; narrowly, tick. --biter, crib-champing horse, crib-biter; crabbed (peevish, irritable; person. —bigster, scarcely, sparingly. —kat, shrew, scold, irritable woman. Kraig. by. hale, vigourous. brisk. Krebbelen, ov. w. to scrawl, to scribble; on. Kens, kris en —, by all that is holy. w. to be always quarrelsome. %erne., v. scratch. —Nen, on. w. to scratch, to scrape ; to croak; to spatter. —get, pocket-hole. Krlbb ere, on. w. to be peevish, — cross ; to --rjzer, worm. —her, m. scratcher, scraper; worm; quarrel. — ig, by. peevish, froward, irritable, fretful. —igheid, v. peevishness, fretfulness. sorry fiddler. Kraal, o. hindpart, movable hack (of a cart, etc.). Kriebel en, on. w. to itch, to prick. —schrift, cramped writing. Krtiter, m. creter. Kinney, v. scratch, —el, nil. crooked fork, cramp. Kriek„ a. cricket; black cherry, —eboom, blackiron ; nail, clutch, paw. —en, cv. w. to scratch; cherry-tree. Krleken, on. w. to dawn. —, o. day-break, scratcher; —liter, v. to rebuke; to extort. —er, m. dawn. reviler; extortioner. o. trash, Kriel, 111. & a. dwarf, pigmy, shrimp. Krentonr, 0. creature. stuff, refine, outshot. —haan, guinea-cork; —hen, Kreb, v. Zie Krib. openen guinea-hen zie KrIeltje. —, ha. petulant, wanKradiet„ o. credit; trust ; esteem. een on. w. to swarm, to crowd, to be full letter of ton. —en, bfj, to lodge a credit with. —brief, of. —held, v. petulance. wantonness. —tje, o. credit. Kireelt, m. lobster; crab; cancer. —engang, crab 's small chicken of a small breed. walk ; den — gaan, to go backwards. —sdieht, Kriernel sae, m. —aareter, v. trifler, sluggard; haggler. —en, on. w. to lounge, to idle; to hagpalindrome. --soog, crab 'a eye. —ssehaar, claws gle. --ig, by. sluggish, slow. of a oobster. Kreek, v. creek, cove, bay. Krieuveel, v. itch, itching. —en, on. w. to itch, Kroel, v. lace, edging, galloon, —en, ov. W. to to prick. —ing, v. itch, itching. Krieael, v. (tiny) bit, little. !ace, to edge. Kr1,10e, m. war. — voeren, to make (to wage) war. Kreet, m. cry, outcry, shriek. —voerend, belligerent, at war, engaged in war. Kregel, by. & bw. fretful ( - 13, CrOhS (Ay). peevish peevish kop, —zoehtig. warlike. — a - tin eam.),—artskei, article ar,Fcry ( - ily), crabbed ( - 1y). — of war; —bonier, —vaan, banner; — basuin. — Ma per,on. crab. --heid, v. fretfulness, croseness, raca, —trompet. war-trumpet ; —bedrijf, —daad, pevie,hlierm. — iy, ho. Zie Kregel. —igheid. v. feat of arms, exploit, achievement, warlike acZie Krogelheld. tion; —behoeften, —voorraad, ammunition ; —be. K retie, m. circle. —Orievert, circular letters. leid. tactics, military talent ; —betide, troop ; ra. cricket. —en, on. w. to chirrup. —bode, herald; —boutokettet. engineering, fortifiKrssrg, o. carrion. cation ; —bouwicundige, —bouterneester. engineer; Kering on, ov. & on. w. to careen, to heel, to —deugd, military virtue, heroism; —dieeet, give topping to ; to bend sideways ; to higgle. mervice ; —eed, military oath ; —eer, mili—lag, v. careening, heeling. tary honor; —fakkel, torch of war; —gebrizik, cusKrenk en, or. w. to hurt, to grieve, to mortify, tom of war; —gedruisch, —rumoer,tclamor (din, 1,, 'offend. to prejudice, to !More. --end, by, oftumult) of war; --geluk. chances of war, military fensive, hurtful, (to). — er, m. offender. injurer. success; —gereedsehap, inetruments'of war, — ing, v. grieving; grief, offence ; mortification. K re n t, v. currant. —enbrood,—enkoek, bread (cake) warlike implementfo—geroep,war-cry,war-whoop;
Damage (dena'idd), a. schade, nadeel; sehadevergoeding; § prija, bedrag. —, v. a. beachadigen; v. n. schade lijden. —able, besehadigbaar. —feasant, besehadIgtng. —r, a. heschadigee. Demascene (dem'zu), a. darnastpruirn. Damask (dem'esk), a. damaat; rood. —blade, damaseener kling. —plum, damastpruim. —rose, damastroos. —een (-kien), v. a. ale damast weven; schakeeren, bloemen inwerken, —in, a. damascene!. zw Hard. Dame deeml, s.dame, vrouwe; huisvrouw;schoolmeeateres. —'s-riolet, nachtviooltje. Damn ;dem), v. a. verdoemen, vloeken; veroordeelen; afkeuren; uitjouwen. —, int. verdoemdl Damn able (denenibl), a. —ably, ad. verdeemeWk. —ableness, a. verdoemelijkheid; anoodheid. (-nee'sjun), a. verdoements. —atory (-netur-rih), a. verdoemend. —ed (-nid, dernd), a. verwenscht. (-rank), a. schadeltjk. —ify (-ni-faj), v. a. beschadigen. —ingness, a. doemwaardigheid. Dampdemi?), a, vochtig; nee rel achtig. s.vochtigheid; navel; neeralachtigheid. —8, a. nehadelijke dampen. —, v. a. voehtig maken; moedeloos maken. —en, v. a. vochtig maker!. —er, a. klep; damper. —ish, a. dampig, vochtig. —ishness, s. dompigheid, vochtigheid. —y a. vochtie; neerslachtig. Damsel (dem'zil), s.juffer; kamenier;jonge deern. Damson (dem'zn). a. damastpruiro. Dance (deans'', a. dana. —, v. a. dansen; doen dansen. to — attendance, staan blauwbekken. —, v. n. dansen. —r, a. denser, danseres. Dancing (daan'aieng), a. gedans. —master, dansmeester. —room, danazaal. —school, dansschool. Dandelion(den-de-larun),a.lecuwentand(bloem); mol-salade. Dandiprat (den'di-pret), e. dreumee. Dandle (den-di), v. a. wiegelen; liefkoozen; uitstellen. —r, a. kindergek. Dandruff (den'druf), s. hoofdzeer; oak Dander. Dandy (den'dih), a. fat, modegek. —ish, a. fattig, pronkerig. s. manteren van cell' fat. a
by land. wan a-eho n op het —, in the country. —card, nationality, character of auction, nation. —adel, country-gentry. —besehrijner. geographer. —beschrijving, geography. —trestour, government. —hemmer, country-man. —Ses000nster, countrywoman. —heart, posseesion of land. —hezitter, lend-holder. —bode, deputy, representatiee —Coosa, agriculture, husbandry. —Sooner, hueheadman. —bousokundo, agriculture, husbandry, rural economies.—houwkundie,agri cultur el;versed (skilled) in husbandry. —kundige, agrteuntuhat. —day, azsembly of the states, dist. —deice*, country-dean. —dekeneehap, rountry-deanship. —dief, embezzler of public money. —dier, land animal. —dieverii, embezzlement (of public money). —drost, sheriff, high-bailitf,governor. —droatamht, office (district) of a sheriff, eheritalty, bailiwick. —edeiman, country-equine.—einenaar, —eigenares, lend-holder, land-owner. —eigendcm, landed property. —eeple, isthmus, neck of land. —gedicht, georgic, pastoral. —genoot, (fellow-) countryman , countrywoman, compatriot. —gereeht, country-court. —fies000nte, custom of a country. —goed, estate, country-seat. —gracle, landgreee. —graateetstip, landgeaviate. —gravin, lendgravine. —key, landlord, lord of the manor. --aoere, farm. —hula, country-home, villa. —hulahoucikunde, rural eeenotny. —hulehoodkundio, of rural economy. —hoer, land-rent. —Amadei., farmer. —jeend, young country-people. —jonfcer, country-equine. —jvifer, country-laey. reins. —Icaart, map. --koorls, fever prevailing in the country. --krah, —rot, landloper, landlubber. —leven, country life. —lieden, country-people. —looper, vagabond, stroller, —louper0, vagabondry. --loopster, vagabond, gipay. —macht, landforces. —man, country-miss, peasant. —nteetkende, surveying, geometry. —nseetIcasndig, geometrical. —meetkundige, geometrician, —meisje, country-girl. —meters, surveying. —meter, surveyor. —militia, militia. —mute, country-mouse. —peat, boundary, limit. —palen, frontiers. —pacht, quitrent, landrent. —pachter, farmer, tenant. —pinup, plague, scourge, public dietreas. —read, provincial counsellor. —recta, common law, law of a country. —rechter, country-jedge, sheriff. —rats, journey, travel by land. —7(11c, landed, having landed property. —.Melding, boundary. —school, country-school. —schrijyrr, 8,retary to a provincial administrator. —slot, safe harbor. —made, taste peculiar to a country; taste of the soil. —soldaat, land-aollier. —wreak, idiom. —steed, inland-town. country-town.. —storm, gailCral levy of the people, posse. —Week, district, country. —taal, lenguage of a country, vernacular tongue. —tong, neck of land. —railing, sie lientertverkeettiivan. —verhuirer, emigrant, —vcrhuizing, emigration. —verkenning, I,nd-fall; recoannitring of the land; — !When, to hove anode the lend. —vetmaak, rural diversion, — anasement. —rented, high treaeon. —verrader, traitor. —vluektig, fugitive, vagrant. —vIveAtiOeid, fegitiveners. —yolk, country-people. —voogd, governor. —.IV dee, governess. —roogdir, governorship, bailiwick. —vrouto, landlady, lady of the manor. —vroelsten s

Biedt Apple accepteren Bitcoin


loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
—nets, a. stet, Maxim (meks'im), a. stet-, grondregel. —um felijkbeid; belangrijkiteid, gewieht. —toe (-ajz).1 ( 1-mum), a. (het) hoogste; haogate growl. v. a. stoffelijk makes; als star 1,schouwea. —a May (met), a. Met, bloeimaand. —bloom, Imagedorm. —bug, meikever. —bush, wilde kwee. (-elz), p1. bouwatotren. —day, meidag, aerate dag van Mei. —duke, meiMatern al (me-tur'nel), a. moederlijk. — ity, a. kers. —flower, hagedoorn. —fly, meikaver. —game, moederschap. meispel; apeelbal. —lady, metkoningin. Math (meth), s. suede, mailing. lelie der dalen. —morn, irischheid. —pole, meiMathematic (meth-e-mot'ik), —al, a. —ally, ad. boom. —weed, laondskamille. —worm, meiworm. —ian (-me-tisfen), a. wiskunstenaar. May (nice') [might onajt nJ, v. n. mogen, kunnen. —8, pi. wiskunde. —be, —hap, ad. misschien. Maths (met'in), a. ochtend-, vroeg. — , a. ochtend. Mayhew (mee'him, macs), s. verminking. — 8 (-inc.), p1. metten, (del vroegniia. Mayor (rnee!ur,, s. mayor, burgemesster. —ally Matrass (met'ress), P. distilleerkolf. (-el-tih), a. mayorschap. —ems, a. echtgenoot van Maisie a imet'rial, s. matrijs, vornt; (mee'tris) een' mayor. baarmoeder. —ide (-sajd), a. moedermoord; -moonier. —lees (me-trisrus), tt. van de baar- 1Nlaxard (mez'erd), a. kriek, zwarte kers; kakebeen. mo,der. Matrlcula in (me-trik'joe-let), a. ingeschreven; Mazarine(mez - e - rieu), a. donkerblauw; tussehengerecht; fljne hemdatrook. a. ingeachreven lid. —te (-leet), v. a. ale lid inMit. a (mete), a. doolhof; verlagenheid; oozeechrijven. — tion ( 11e'sjun). s. insebrijving. kernel& —e s v. a. in verlegenheid brengen; vet, Matrinson 'al (met rt-mo'ni-el), a. huwelijks., ateld doen stun. —edit.** a. verwarring; verechtelijk. —y (met'rt-inun-nih), e. huwelijk. baasdheid. —er, a. houten baker. —y, a. verMatrix (meetriks), 8. Zie Matriee. bluft, verward, vol kronkelpadeu. Matron (mee'trun), a. huismoeder, matsone. —al, —like, — 4, a. van (al.) eene huismoeder; be- Mazologle (me-zol'od-zjih), a. kennis der zoogdieren. dsagd; eerhaar, stemmig. Pie (mi), Pr- mij Matrons (tne-tros'), s. handlanger, helper. Itlesteoelt (mi'kok), a. laf, bloode; verwjjfd. —, Matted (met'tid), a. gevlochter., verward. a. janhen, verwede vent. Matter (met'tur), 8. stof, zelfstandigheid; onderwerp; zaak; etter; gewleht. — of fact, feit, Mead {rnied, a. made; vaide. wezenlijkheid. what is the — ? wat is er gaande? Meadow (med'o), a. weide, wetland. —bouts, pl. boterkloem. —bugle, klokbloem. —eampion, is geenazina. it Ran? no such —, wat acheelt er —pinks, pl. koekoekebloera. —grass. weidegrag. no —, het heeft Wets te beduiden. —, v. n. —ground, weidegrond. —iron-ore, weide.oer.—lark, etteren; van belting zijn. —y, a. etterig. grasleeuwerik. —rue, weidetult. —saffron, t ij loos. Mat tings (meetieng.), pl. matwerls; atroodek—sweet, weidebQksbaard. —trefoil, weideklaver. ken. —took (-tuk), 8. spade, houweel. —tress —wort, weidektuid. (-tress), s. matraa. Mature te (met'joe-reet), v. a, & n. Oh) maken Meagre (mi'gur), a. —ly, ad. maser, schraal. —nese, a. msgerheid. (woiden). —tie. (-ree'sjun), a. rtiPmaking; rijP wording; ettering. —tire (-re-tiv), a. rijpina- Ibeak (miek), a. (soon van) aikkel. Mead (mien'), a. meal; meal; maaltijd. —brimstone, kend; ettering bevordeeend. zwavelpoeder. —man, meelkooper. —meat, meet a. —ely, ad. rijp, —e, v. a. & Mestair a (me-goer') nip, —rent, belaating An meal. —sieve, mealn. rijp Timken (warden). — cam, 8. riipheid. sea. —time, etenstijd. —tub, meelton. —worm, — esceot (met - toe - resieent), a. rijpend. — ity, a. nteelworm. —, v. R. met meal bestroolen. —iness rijpheid; vervaltijd. (-i-ness), a. meligheid. Matutissal (met'joe-taj-eel), a. ochtend-, vroeg. Maudlin (maod'Iin) a. dronken, bedwelmd; dom. Mealy (mienih), a. melig; nacelach.tig. —mouthed, bedeesd; verbioemend, huichelachtig. —moutheda. leverkruid. ness, a, bedeesdheid; huichelhchtigheid. Matogre m ao'gur), ad. ondanks, in weertvil van. Maul ,rnaol'), a. houten hamer, beukhamer. —stick, Mean (mien'), v. a. meenen; van zing zijn• beteekenen; v. n. voorne.nens ztjn. —, a. midden; leunstok (bij schilders). —, v. a. beaten; misinii!delmaat; tenor. —, a. —ly, ad. laag, gemeen, handelen. going. —horn, van geringe af komet. —part, midMisused (monad', mooed'), a. mend, handkorf. delstem. —spirited, laag, verachtelijk. —time. —er, v. a. prevelen, mompelen; bedelen. —y, — while, ad. ruiddelerviijl. thurinlay (rnaon'dih-), witte donderdag. Mean der (mi-eredur). s. kronkeling, boeht. —der, Mausoleums (mao-so-li'um), a. praalgraf. 'a. a. & n. kronkelen. —drone (-drug), a. kron , Maw (trtaow'), s. maag, krop. —worn;, spoelkelig. v4orm. made. rillasvyk (maak'), a. made; slat —ingly, ad. alon- Mean lug (mien'ieng), a. meening; beteekenis. —ness, a. laagheid, gemeenheid; geringheid. —s zig, omerig. —ish, a. walgelijk; laf. —ishness, (mien.), s. rniddel, wijze; p1. middelen, inkoma. walgelijkheid; lafhuid. —a, a. slat, slons, sten; by all —, in elk gavel; by no —, in geen moreebel; pl. grillen. geval, geenazins. Maw suet Imao'rnit), a. popje, afgodabeeldje. (mies), a. vighonderdtal Iharingen) . . ;Manse a. izinderachtig; walgelijk. —y (•1e-ritil, a. vr,n de Measles' (rni"z1d), a. vol mazelen; gorttg; maMaxillae zelig, bask, van bet kakebeen. H. materialist. —ity
era. —wedde, pension, yearly allowance. —lijka, bw. yearly. annually, every y stir. —What, cv. yearly, annual. Jftcht. o. yacht. —, v. hunting, chase; haste. — maken op, to give chase to; to hunt after. op de s - hanting. —deirel, indefatigable hunter ; hurrier. -- gores. hunter 'a toils. —gerecht, court of jndteanare in the concerns of the chase. —gewaad, huntsman's dress. —geneer, —roer, hunting - piece, fowling-piece. —godin, goddess of
QUI. felachtlg; verdacht. —ablexess, e. to ijfelachttgheld. —ary. a. vrageard. —er, a. auger; onderzoeker. —lest, a. zonder twtfel. Quibble (kwib'bl), e. woord , peling, apitsvondig. held. —, v. n. woordapelingen maken. —r, a. die woordspelingen maakt. Quick (kwik'), a. levend vleesch, leven; groene plant. the — and the dead, de levenden en de dooden. to cut (sting) to the —, diep grieven. —, a. & ad. levend; manger (with); levendig, vlug, anel. a — ear, een acherp gehoor. —beam, norbenboom. —eyed, acherp van gezicht. —grass, bondsgrae. --lime, ongebluschte halt. —match, loot. —sand, drijf-, vlugzend. —scented, Bohm van reuk. —set, a. leverde plant; heester; v. a. met heestergewas beplanten. —set hedge, groene hang. —sighted, acherp van gezicht. — silver, kwiksilver. —silvered, met kwikzilver overtrokken. —tube, gerwindobje. —witted, scherpzinnig, gevat. —work, wagering; levend gedeelte (van een whip). Quicken (kwik'kn), v. a. verlevendigen; verhaasten; aanmoedigen; aanzetten; v. n. levend worden; rich and bewegen; levers gevoelen. —er, a. hezie1er; verhaaster; aanspoorder. Quick ly (kwirlih), ad. ens;, acbielkjk; weldra. —nest, a. levendigheld; vlugheid, sarelheld; acherpte. Quid (kwie), a. tabakaprulm. —dany (-de-nib), a. kweevieesch. —nuae, a. vrasgal. Qutddit (kwid'dit), u. woordspeling, dubbelzinnigheld. —y, a. (het) eigen;ijke, wezenlijke;.eyltsvondigheid. Qui/Idle (kwid'd1), v. n. den tijd verLeuzelen; talmen. —r, a. treuzelaar, Vanier. Quieac at tkwAj-esse), v. a, atom aijn. —encc, —ency, m. rust. —ent, a. rustend; fail, stow. Quiet (kwarit), a. —ly, ad. gerust, sill. s. rust, stilte. —, v. a. doen bedaren, —er„ a. stiller, sueser; bedarend middel. —tam, a. gemoedarust; leer der quiEtisten. —nest, —ude (kware-rjoed), s. runt, atilte, gerustheid. —us (-rttur), a. kwijting, onto-lag; rust. Quill (lcuill). a. slagpen, acbacht; schrijfpen; nickel; npoel; clobber. —boy, apoeljongen. —driver, pennelikker, broodschrliver. —, v. a. ploolen, vouwen; keperen. Quillet (kwillit), a. apitavondigheid, ioopje. Quilt (kwilt'), a. gestikte deken; matras. -, v. a. atikken. log, a. (het) etikken; gestikt werk. Quinary (kwaj'ne-ri ► . a. vijfiedig. Quince(kwine),a.kweehoom,kweevrucht.—peach, kweeperzik. —pie, kweetaart. —tree, kweeboom. Quincunx ,kwin'kuaglifs), a. Nijfvorm (ruitswijza planting). Quenderagon (kwin-dek'e-gon), a. vijftienhook, Quinine (kwi-najn'), a. quinine. Quinqu ageslinra (kwin-kwe-djea'-me), a. zondag vábr de Neaten. —angular (-kwen'gjoe-ler), a. aijfhoektg. —ennial (-kweteni-e1), a. Niejarlig. —Ina (-kwarne), a. kinabast, kina. Quinsy (kwln'zib), u. keelontsteking. Quint (kwint), a. vkjfde; quint. — aln -een), a, Zie Quintin. --al, a. centenaar. —an, a. trierdendaagaehe koorts. —essence (-es'sens), a. gent.

Because (be-kaoz'), Conj. omdat, dewijl. —of, wegens, om. Bechance (be-tsj flans"), v. n.gebearen,overkomon. Becharin (be-tsjaarm'), v. rt. betooveren; voorinnemen. Beck (bek), , knik, wenk. —, v. a. & n. knikken, wenken. Beckon (bek'kn), s. knik, wenk. —, v. a. & n. kniii ken, wenken. Eleellis (be-kiln"), v. a. omarmen, omhelzen. Becloud (b,-kkud'), v. a. ornwolken, benevelen. B ecom e (be-kurn") [became. become], v. a. goedsta., pasoen, betamen; v. n. worden. —ing, a. —ely, ad. betamelijk, voegzaam. —ingness, s. betameliikheid. Bed (bed), s. bed; bedding; law. to make the —, het bed opmaken. to be brought to —, bevel len. —chamber, slaapkamer. —clothes, dekens-ding, s. beddegoed. —fellow, —mate, bedgenoot. —hangings, bedgordijnen. —post, beddastW.—premser, luilak. —rid, —ridden, bedleKerig. —room, slaapkamer. —side, sponde. —stead, hedstede. —swerver, echtbreker. —tick, beddetijk. —lime, tijd om mar bed to gaan. Bed (bed(, v. a. to bed leggen; planter, Bedabble (be-deb"b1), v. a. besproeien. hiedaggle (be deg'g1), v. a. bemorsen. Iledash (Ite-deAn, v. a. bespatten. Bedaub (be-daowb'), v. a. besmeren. Bedazzle (be-deezl), v. a, verblinden• Bedeck (be-dek"), v. a. opae,hikken. Bede/assume (bied'haus), a. godshuis, artnhuis. Bedew (be-djoe'), v. a. bedauwen. hiedight (be-daft' ► , v. a. en a. versieren, versierd. B edlm (be-dim"), v. a. verdnisteren. Bedizen (be-dajzre), v. a. opschikken. Bedlam (bed'lem), s. krankzinnigen-gesticht. —ite (-ajt), s. krankrinnige. Bedraggle thedreg'g1), v. R. bemodderen. Inedrench (be drentsj"), v. a. doornat maken. Betle9p (be-drop'), V. a. bedreppelen. Redick (be-fluk"), v. a. onderdompelen. Bedung (be-dung'), v. a. bemesten. B etinst (bP-dust' ► , v. a. bestuiven. Bedwarf (be-dwaorf'), V. R. knotten. Bee (bid), a. bij; § kranmje van vrienden, die een' hunner in zijn week helpen. —eater, bijenspeeht. —flower, mtandel krui d. —glue, maagdenwas. — hire, biienkorf. § —line, kortste )naaste)weg. —master, bijesfokker. —s-wax. Beech (bietsj), s. beukeboom. — en, a. van benkenhout. Beef (bier), a. rundvleesch. —steak (-Meek), runderlap, biefstuk. v. —eater. s. lijfwaeht, bewaker. Beer (bier), a. bier. --house, bierhuis. small —, dun bier. strong —, zwaar bier. Beet (biet), s. beet,beetwortel. v. n. Beetle (bie't1), a. tor, ke,ver; beukhamer. overhangen. —brewed, norsch. —headed, comp, but. Beetlerootsugor of Beetsugar, s. beetwortelmuikerBeeves (bievz), s. rundvee. Befall (he faol') [befell. befallen], v. a. overkomen , wedervaren; v. n. gebeuren. Befit (be - flt'), v. a. passes, betamen. H eroism (be-foom'), v. a. met schuim bedekken.

Bei aAn, or. w. to afflom, to assent to. Being, o. pursuit, also. —en, os7. 7, - . to pursue, to strive (to stead) for, to aspire to; to obtain. —er, m. pursuer, striver. —ing, v. pursuing, striving (for). IleJlginneeren, ov. W. to regret, to lament, to deplore —.mantis', bv. lamentable, dee torah', 11..11 , gen on, ov. w. to meet (with); to treat, to use; On. W. to happen, to befall. —icy, v. treatment, usage, reception. link, in. mouth, muzzle, jaw, chaps, snout; Kullet; beak, bill; nib; socket, homer (eener lamp) --ken trekken, to make (wry) faces. —kesnjider. but ►y., hector. Bekettid, by. half dead, a little touched. (ran flack); abashed, at a Ioes ; at a nonplus; full of rents, — creeks. Ergent afkomen, to get the worse of it. Bee al', by. quite exhausted, over-apent with fatigue. —rfideet, to over-ride, to jade. Beknkken„ ov. w. to beebite. BeknIken, or. w. to plaster, to cover with lime Beknflen, ov. w. to pereuade. tee whe:,dle (into), to slander.

CLI —MIA. Ceinture (sere-tjoer), s. ciseleerkunst. Celebrnt e (sere-breet), v. a. ,ieren, loven. —ed, a. beroemd. —ion (-bree'sjun), a. viering. Celebrity (seleb'ri-tih), a. beroemdheid. Celerity (se-ler'it•tih), a. anelbeid. Celery (sere-1.th). a. selderij. Celestial (se-lest'jel), a. hemelling. —, a. —ly, ad. hemelsch. Celestine (seres- tin), a. celestijner monnik; fijne blauwe bergatof. Celib any (seri-be sih), a. ongehuwde stoat. —ate (-bet), s. ongehuwde stoat; vrijgezel. Cell (sell, a. cel, kamertje. Cellar (seller), a. bolder. —age, s. kelderhuur. —et, a. likeurkeldertje. —ist, a. keldermecater. Cellular (serljoe-ler), a. celvormig; uit cellen bestaande. Celsitude (sel'si-tjoed), s. hoogte. Cement (sem'ent), a. balk; band. Cement (se-ment'), v. a. verbinden; v. n. samenhangen. —ation (sern-en-tee'sjun), s. cementee. ring; hechtmaking. —er, a. bouwer; verbinder. Cemetery (sem'e-ter.ih), a, begraafplaats. Cenobite (sen'o-bajt), a. kloosterling. Cenotaph isen'o-tef), a. praalgraf. Cense (lens'), v. a. bewierooken. —r, a. wierookvat. Censor (sen'mur), a. censor, zedemeester.'—ship, a. censorambt. Censor' al (sen-so'ri-el), —ous, a. —ously, ad, berispend, atreng. —ausness, 8. berispzucht. Censur able (sen'sjoe-ribl), a. —ably, ad. berispelijk. —ableness, a. beriapelijkheid. —e (sen' ajoer(, a. beoordeeling; berisping. —e(sen'sjoer), v. a. beoordeelen, berispen; v. n. oordeelen. —er, a. beriaper. Census (sen's.), s. volkstelliug. Cent (sent'), s. honderd; cent. per —, ten tonderd. —age, a. schatting ten honderd. Centaur (aengaor), a. paardmensch. Centnury (sen-tao.rib), s. duizendguldenkruid. Centen arian (men-te-nee'ri-en), a. honderdjarigs. —ary (sen'te-ne-rih), s. honderdtal. —nia/ (sen-ten'ni-el), a. honderdjarig. Centesimal (sen-terei-met), a. honderdste. Centi follows (sen-ti•foli. us), a. duizendbladig. —nody (sen-tin'ud-dih), a. duizendknoop. —ped (sengi-ped), a. duizendpoot. Cento (aen'to), saneengelapte verzen. Central (sen'trel), a. —ly, ad. middelpuntig. Centre (sen'tr), a. middelpunt. v. a. & n. ook Centralize, in het middelpunt stellen, an. (in, in. on, op) zich vereenigen. Centric (sengrik), —a/, a. middelpuntig. Contri fugal (sen-trirjoe-gel), a. middelpuntvliedend. —petal (sen-trip'i-tel), a. middelpuntzoekend. Centupi e (aen'tjoepl), a. honderdvoudig. —icate (sen-tjoe'pli-keet), v. a. verhonderdvoudtgen. Centurion (aen-tjoe'ri-un), a. hoofdman over honderd. Century (sent'joe-rth), a. seam. Cephalic (se•ferik), a. het hoofd betreffend. Cerate (si'ret), s. waszalf. —d (-reet-id), a. met was bestreken. Cere Otter'), v. P. WV —dlotit,-


covetousness. —.Wig, be. & bw. selfish (-1y). Bal, 0. ball, dancing-party. —costuum, —kleed, covetous (-ly). —zuektigheid, v. Zie Boat. ball-dress. —saa/, ball room. litteht. Balaneeer en, ay, & on. w. to poise, to bal. m. babbling, tattling; mouth. —guidife, nuns, to equilibrate. —stole, troy, rope dancer's freak, childish trick. —tout, tie Bab- pole. heliometer. —nee, m. babbler, putter, tattler, Thalami, v. balance; equipoise. —rehentng, bal tell-tale. —acrster, a, gossip; zie Babbeelanr. anee-account. —.tanker, maker of i,lances. v. tattling, chitchat —en, ov. & on w. to Bnidaeltg, by. & bw. wanton (-In petulant (-1y). —Acid, v. wantonness, petulance. babble, to prate, to tattle, to tell tales. Babok, m. boor. —kig, be. & bw. boorish (-ly), Balddndlg, by. & be. foolberda• (•ily ). —held, v. unmannerly. —kigheid, v. boorishness. foolhardiness. Bad, o. bath. de —en gebruiken. to take the BRIderen, on. w. to roar, to thunder. w &term, —arts, —dotter, phyaicisn (in a. water- Bal•in, v. & ta, whale-bone. —en, by. (of) whaletug-place). —past, bather, visitor (at a water- hone. ing-place). —head, —.Weed, ba‘ hing-dress. —tan- Baia, m Can, slough; paunch; guts. der, —tinishouder, bagnio-keeper, — huiy, bath, Bali., v.rail; bar; tab. —eland, linen besket.—teelbagnie. —inrickting, bathing-place, -establish cprekendAeid, eloquence of the bar. meta. —tamer, b tthing-toom, beineary. —knecht, Baljuw, in. bailiff. —Like, v. bailiwick. —schap, vrziter (in a bagnio) —koala, bathing-weggon tr. office of a bailiff. bathing-tub. —Incur, use of mineral en- Balk, m. be ein,joist, ratter; bar. te rs. —plaats, wetering• place. --rein, journey to Balkan, m. loft. a watering plane. —seism?. bathing-seasoa. Balk en, on. w. to bray. —er, m. brayer. —aloof, hot-bath. —en, on. & on w. to bathe; Bailleon, o balcony eleA t. -iv, to bathe, to use Laths; to swim, Ballast, ra. ballast; luggage, lumber, encumto welter; sick in iranen brines. —kited, dort-sati, tarpawling, to seep bitterly. to ba bathed in tears. —ende, dw. (in) drenched in. —schuit, ballast-lighter. —vrackt, dead freight. —er, m. bather. —eft, ov. w. to ballast. Batten, on. w. to bark, to yelp. Batten, or. w. (de wait.) to clench. Bag, v. jewel, set-ring, Ballekbb, o. little ba;l, pellet. een — van ieta Baggage, v. baggage, luggage. —wages, baggage• apwerpen,to give a hint at a thing. wagon. Balling, m. 36 v. exile, o attest. —.hap, v. exile, Bagger, v. mid, mire, dredging.. —beugel, dredge. banishment; in — renden, to exile. —inolen, dredging • Bail wheaten, ()v.& on. w. to ballot. —man, dredger, e: machine. —net, dredging-net. —preens, —schuit, Bsaloorig, by. fretful, vexed. —held, v. fretfeldredg:ng-boat. —turf, miry turf. —en, on, w. to nest, vexadnees. dredee, to dig out the mud. Baleen), m. balsam, halm, —boom, balsam-tree. Balonet, v. bayonet. —gear, balsamic odor. —geurig, balmy —kruid, bairn of Gilead. —straik, balsam-ehrub, Bak, m. basin, bowl., pan; trough, crib; meat. fore-deck; boot (in eene koets); pit linden schouw- baieamic, balmy. —en, ov. to enbalm. —ins, v. burg); cheek. —been, colossus, w happer, huge and embalming. unwieldy thing. —board, larboard. —gnat, mese- Halaturig, be. cross, peevish, obstinate. —Acid, v. mate. —Luis, ale Bakken. —slag, box, on the crossness, peevishness, onetinacy. ear. —slede, large Ledge. —stag, back-stay. Bausba,ett, o. —riet, bamboo. —stapek,elle, —stagwind, aide-wind that fills all Ban, m. excommunication; jurisdiction; levy, in the sails. —tend, cheek-tooth, grinder. —kebaard, den — does, to excommunicate. —bliLsem, au atherna, ► rainat,on. whieker. Bakelaar,v. laurel-berry. Band, m. bend, cord, string; ligament, ferrule, Baken, o. beacon, buoy. —geld, beaeonage. —en, truss, bandage; hoop, fillet, astragal binding; on. w. to erect beaeans, to lay buoy., volume; bond, tie. —, o. tape, ribbon. —hoed, Baker, v. (dry) nerve. —maed, childbeci•basket, bandog; sluggard. —en, m. my. bonds, —mat, cradle; birth- place, origin. —spetd,swad- ties; chains, captivity tiling-pin. —en, ov. w. to swaddle; eieti —en,t. w. Handel, m. hoop. to bask. heel pebakerd rho, to be hot-spurred. Bandelier, tn. shoulder- belt, bandoleer. Bak ken, ov. vs. to bake, to try; iemand eene Bantilet, m. baudit,ruffian. Haman, ov. a,. to level, to pave, to beat. eieb een poet', — to play a, o. a trick; ik sat eat ham sot: I'll give him like far like (tit for tat). —hole, wry -,to open one's self a way. bake-house. —oven, baker's oven. —pan, fryingpan. Bang be. & bw. afraid (of), anxioas timor-steen. brick. —trog, baker's treueh, bunch. no I - 1y). co ward (-lye; fearful (-1y). — maker, Bakker. in. baler. —alzriedtt, journey inan-ba- to frighten, to make afraid. —held, v. anxiety, timoroaseess, fearful... v. bake-house; bakery man. ker, itaker Hauler, v. tanner, standard. —draper, standard—in .• baker's wife. bearer. Bakke'. o. face, chops, fin. Battler, m. —hear, lord. den — spelen,to lord it. Bake.% o. batch, baking, oven !Ill. m. ball; tea:idle. den — slaan, to play at Bank, v. bench, form, pew, stall; bask; loantennis, den — misslaaa, to be mietaken. —slunk office, lonebard; shelf door de — generally. on playing at tennis. —spel, tennis. —sak, scrotum. an average. —attic, bank- biii,bankestock. —biljet,
Zigzag (ztiezeg), a. hoekig, zigzagavijze. —. a. zigzag. ---, v. a. zigzsgawba maker;. Zino (;ingk'), s. zink. —ley, a. zinkachtig. Zodiac (so'dl-ek) a. dierenriem. —al (-(1/0111). a. van den dlerenriem. Zone (noon), a. gordel; luchtstrerk. Zotegraph er (zo•og're--fur), a. dierbeachriiver. —y, e. dterbeanheiiving. —atry Zool its (lio'ul-lajt)„ a. diersteen, ( ol'e-trihi .1. dleraanbidding. Zoning teal (zo-ui.lod'zjiki), a. dterkundig, zoOlogiach. — garden, diergaarde. —y a. dierkunde. Zoophyte (zo'uf-fajt), a. plantdier. Zootont let (so-ot'nm-tat), a. dierontleder. —y, s. dierontledieg, -ontleedkunde. Zounds (irasundr), int vordufveld! clrommelal Zygouta (zaj•go'me), a. jukbeen. — tie (hig-ummet'ik), a. van het jukbeen. Zyzno logy (saj4nol'ud-zjth), s, leer dee gisting. — meter (-naorn't-tur), 5. glatingmeter,
L. Lft, v. Zie Lade. --tafel, chest of drawers. Lied bun, v. barrel. —gat, touch-hole. —kruit, priming. —Lepel, charger, charging-ladle. —pan, pan. —prim, priming-needle. —stole, ramrod. Lang, v. layer. ;red, etretutn , row ; tier ; snare, ambush. de voile —, a broad-side. ien.and icsgen legges, to waylay a. o., to lay snares for a. o. Lang, by. & bw. low (-1y), base (-1y), mean (-1y). —hartig, by. & bw. moan (-1y). —loopers, cogged dice. —held, v. lowness, baeeeess, meanness. bw. lowly. —te, V. Iowness; tottom, lower part; valley; in de —, below, down. Lank bane, by. & bw. blamable (-bly), blameful. —baarkeid, v. blamableness. sick, censorious. —stseht, censorlousneas. Lean, v. alley, avenue, walk. Lanes, v. boot. —je, o. half-boot, buskin. Caarxen, ov. w. to put on boots; to breech. Lemma been, a. boot-tree. —kap, top of a boot. —knee/0, —trekker, lock, boot-Jack. —weaker, boot-maker. —echaeht, leg of a boot. —winkel, boot-maker 's shop. Laces, taw. alas Cant, by. & be. late. hoe — is het? what o' clock is it ? Cant band, m. —teindeel, —zwachtel. ligature, bandage, —When, beasts, pallet. —gat, opening in in artery. —User, —1/10m, lancet. —hop, cupping-glass. CarAdankend, by. self-conceited, arrogant. —held, v. self-conceit, arrogance. Lesatst, be. last. op bet —, at the end. ten —e, lastly, at last, finally, at the latest. bw last, lately, the last time. —leden, bv. last, ultimo. —toorgaasde, penultimate. —eitik, bw. lastly, finally. Labaar, v. large linen deck•cloth. Cabbel, v. gossip, blabber. —en, on. w. to gossip, to blab, to prattle. Cabbekak, m. & v. tell-tale, tale becrer, gossip. —ken, on. w. Zie Labben. Labb en, on. w. to gossip, to tell tales. —er, m. tell-tale, tale-bearer. Calabar, by. soft, light, slack. Cabbardaan, m. salt cod, haherdine. Cabbier en, on. w. to shiver. —koelte, soft breeze, loom-gale. tabberlot, m. rake, blackguard. —, v. (a kind of) row-boat. Loch, m. laugh, laughing. — en, on. w. to Laugh (on, at); in sijn vsiatje —, to laugh in one 'e sleeve. —lust, hilarity. —lastly, hilarious. —epier, laughing•muscle. —trek, laughing feature. —etch, laugher, simperer. —end, by. laughing, smiling, cheerful. —et, m. laugher. —je, o. smile. —sten, v. laugher. Ladder, v. ladder. Lade, v. drawer; till (coon geld); box. Lad en, ov. w. to load; to lade, to charge, to

220 Phaeton ffee'i-tun), a. phaeton (rijtuig). Phalanx Ifee'lengks, tel'engka), s. phalanx, gesloten krOgsbende, lidheentje der vingcrs en teenen. Phantasm (fen'tezm), -a (-tes'ine), s. droombeeld, heraenachim. -aftoria (-go'ri-e), a. vertooning van geestverschuningen. Phantom (fen'tum), 8. spook, droombeeld. pharis ale (fer-i-seelk), -aical, -ean (-si'en), a. farizeesch, schtinhoilig. -aiim (fer'l-see-itm), a. leer der Farizten; sebijnheiligheld. -ee (fee1 ale), a. Farizeer; achijnheilige. Pharsnac antic (faar-me-ejoe'tik), a. van de artseniamengkunde. -entice. pl . -y (faaeme-sih), artaenijmengkunde. -opceta (-ko-pi'e), s. arteenijboek. -opoliet (-kop'o-list), a. artsenijbe;elder. Pharos (fee'ros), s. vuurtoren. Pharyn gotonoy (fer-in-got'um•mih), a. luchtpbpsnede. -x it fer'ingks), a. strottenhoofd. plans e (feez), -is (fee'ais), a. schijngestalte. pheasant (fez'ont), a. fazant. painted -, gondlekensche fazant. pencilled -, zilverlakensche fazant. -poet, fazantkuiken. -walk, -ry, a. fazantentuin. Phees e ;fiez')., a. kwade luim. -e, v. a. hammen, rossen; mishandelen; verminderen. -y. a. elecht geluimd. Phenix (11'niks), a. tenths. Phenomenon (fe-nom"e-non), a. versehijnsel. Phial (faj'el), R. &genie. -, v. a. in can fieschje bewaren. Philanthrop ic (111-en- throp'ik) , -ical, a. menschlievead.-ist(fl-len'thro-pist),s.menschenvriend. -y (f1-!en'thro-pih), a. menschenliefde. Philippic (11-lip'pik), a. smaadrede. Philolog ar (ti-loVud• zjur) -int, e. taalgeleerde, philoloog. -ic, -ical (fil-o-lnd'zjik-), a. taalkundig, taalgeleerd. -y, s, taalwetenmchap, taalgeleerdheid. Philont nth (111'0-meth), a. beminnaar der geleerdheid. -el, -ela (-mi'le), a. nachtegaal, filomeel. Philonoph er (11-los'o-fur). s. wijageer. -ic, -ical, (fil-o-zorik-), a. wijageerig. . (-fizm), a. valsche wijsbegeerte.-ist,s.schunaqze,schijnphilosoof. -ice (-fajz). v. n. philosofeeren. -y, s. wijabegeerte; natural natuurkunde. Philter ilPturi, a. minnedrenk. -, v. a. door een' minnedrank betooveren. Phi. (fiz), s. gezicht, tronie. Phlebotom fat (fle-bot'o.mist , , 8. aderlater. -ice ( majz), v. a. aderlaten. -y, a. aderlating. Phlegm (flem), a. slijm, waterig yacht; coverschilligheid, kcelheid, bcdaardheid. Phlegm agogue (fleg'me-gog), a. slijmafdrijvend middel. -atic, a. -atically, ad. (metlk•)., alijrnig; onverschillig, koel, bedaard. -on (-mun), a. bloedzweer; ontsteking. -canoe ( - mun-ua), a. ontstoken. Phleme (fiiem), s. Zie Fleam. Ohloglst lc (fio-dzjisqik), a. brandstofhoudend -on (-tun , , z. brandatof. Platen", (fl Zie Phenix. Phon etic (fo-net'ik), a. van den klank; blankaanduidend. -etics, pl. -ice (fon'iks), a. geluid..

I3 7.M. —HI 1 4; 13 , 1 illens2ock (hernlok), s. dolls kernel. Hermaphodrite (her-merro.dajt), s. manwi.jf, kwee, hermaphrodiet. llemor rhaFe (hem'ur-ridzj), s. bloedstorting. Hermetic (her-met'ik), —al, a. —ally, ad. lucht—rhoids (-rojdz), p1. aambeien. dicht, hermetisch. Hemp (hemp'). a. hennep. —beater, hennepklop—dreoser, hennepbehennephekel. Hermit Ihuenalt), s. kluizenaar. —age, s. per. —comb, —cos, s. kluizenares. reider. —plot, hennepveld. —stalk, hennepstok. —seed, hennepzaad. —en (hem'pn), a. von hennep. Herni a (hueni-e), s. break. —at, a. eene break betreffend. —ous, a. met eene break. Alen (hen'), s. hen, hoen; wijfje. —hone, bilzenbraid. --coop, hoenderkorf; kippenhok. —driver. Hero khi'ro , , s. held. —ic, —ical, a. —ically, ad. heldhaftig. heroic poem, heldendicht. —harrier, hoendervalk, kiekendief. —hearted, lat. —in, —pecked, onder den kippenhok. (her-o'in), s. heldin. —ism (her'o-izm), s. Lartig. —house, heldhaftigheid. pantoffel. —roost, hoenderrek, -meat. Hence (hens'), ad. van hier; van nu af; hieruit. Heron (her'un), s. reiger. —ry, —Maw, s. reigernest, reigerboseh. —forth, —forwa,d, ad. voortaan. Herm,► boy (hentsj'boj), —man, s. wapendrager, Ilorp es(huepiez),a.huiduitslag.—efic(her-pet'ik), a. vurig, uitslagachtig. page; volgeling. Ifferring (heerieng)., a. haring. fresh ilendecagon (hen-dek'e-gon); s. elfheek. panharing. pick-led —, pekelharing. red bokking. limp (hap), s. rozebottel. —base, haringbuis. —gutted, langlijvig. —hang, Ileppen (hep'pn), a. net , geschikt. bokkinghang,. —season, haringtijd. —smack, halleptree (hep'trie), s. eglantier. ringjager. Hepatic (he-pet'ik), —al, a. van de lever. Clepta chord (hople-kord). s. zevensnarig speel- Hers (hare), pr. de (het) hare. de heron. tuig; stelae! der grandtonen. —go;; (-con), s. Cleric (hare), a. lijkkoets; valpoort. zevenhoek. —gonal (•teg‘on-nel), a. zevenhoekig. Herself ihur-sell';, p.m- zij (zich, Naar) hlsnit ancy (hez'i-ten-alh), s. aarzeling, beslui—rchy (-taar-kih). a. zevenhoofdige revering. Her (hur), pr. hear, hare, haren. teloosheid. ;—ate, v. n. aarzelen; haperen. —ation, Herald (her'eld), a. heraut; wapenkoning; voor(-tee'sjim), a. aarzeling, hapering. looper,bode. —,v.a.aankondigen. —ic(he-rei'dik), lileaperlan (hespi'ri-en), a. westeltik, westersch. a. do wapenkunde betreffend. —ry, a. heraldiek, Hest (hest), s. bevel.. Hetero elite (het'e-ro-klajt), a. & a. onregelwapenkunde. matig (woord). —elitic, a. herb (urb'), a. braid. —of grece, wijnruit. —8, onregelmatig. —dux, a. onrechtzinnig. —dozy, s. a. p1. groenten. sweet —8, welriekende kruiden. onrechtzinnigheid. —yeneal, —geneous, (dzji'ni-); —market, groenmarkt. —porridge, warmoee,greena. ongelijksoortig. —geneity, (-dzje-nrit-tih), a. tesoep. —woman, groenvrouw. Herbaceous (her-bee'sjus), a. kruiden betrefongelijksoortigheid. Clew (joe') [hewed, hewn'], v. a. hakken, houwen; fen d; kruideneterid. Herb age (hurb:idzj), a. kruiden; groente; weide- vellen. —er, s. hakker, houwer. recht. —al, s. kruiden betreffend; s. kruidboek. Hexagon (hekee-gon), a. zeshoek. —alist, —arist, e. kruidkundige. —arium, (her- il exes goual (hegz-eg'un.nel),a.zeahoekig. —meter (•ern'i-tur), e. zesvoetig vers. —regular (-engloebee'rium), e. verzarneling van gedroogde planler), a. zeshoekig. ten. —ary, a. kruidtuin. —escent (her•bes'aent), a. als kruid groeiend, plantasrdig. —tvorous Hey (heel, int. ei! ha! he? —day, int. heisa! e. vroolijkheld; nchsone tgd. (ber-biv'ur-us), a. kruidenetend. —oe'ization (-uri-zee'sjun), s. plantenafdruksel in steenen. —orize Hiatus (haj-ee'tus), s. gaping, lecmte, hiatus. (-or-azj), v. n. kruiden zoeken. --one, —y (urblhl, Hiberna I (h&j-buena), a. wintersch. —tion, (-ber-nee'sjun), s. overwintering. ruttier]; kruidaehtig. a, vol 1iv. n. hIkken. Hiccoagh (hik'kof), a. hik. herculean (her'kjoe'li-en), a. hereulisch. herd (hued'), a. kudde (van groat nee), troel); Hickup (hik'kup), s. Zie Hiccough. herder. —sman, veehoeder. —, v. R. tot eene Hide (hajd'), s, huid, vel. —bound, a. atrak, vastzitter. I; gierig. kudde verzarnelen; v. n. in kudden weiden. Here (hier'), ad. hier. —about. —abouts, ad. bier- Hide (hajd') [hid, hid, hidden], v. a. verborgen (in de voigende met here samen. ornstreeks. f, one, year); § afranselen; v. n. verborgen run. —and-seek, schuilevinkje. —r, a. verberger. gestelde bijwoorden heeft het voorzetsel den klenatoon). —after, ad. & s. hierna; hiernamaala. Hideous (hid'i-ui,), a. —ly, ad. afschuwelijk, a fziehteljjk. —nese, a. afschuwelijkheid. hierop. —by. hierdoar. —ice, —into. Merin. —of, hiervan. --an, --upon, hierop. —out. hieruit. Hiding (hajd'ieng). s. (bet) verbergen; pak alaag. —place, schuilplaats. —to, —unto, hiertoc. —tolore, voorheen, eertijds. Hie (hap, v. n. zich haasten, nick reppen. —ter t h, hierrnede. :11,,,retlita Isle (he-red'i-tibl), a. erfelijk. —meat, Hierarch (haj'e-raark), a. geestelijk opperhoofd. —ical ( rattekikl), a. de priesterheerschappt be(her-e-dit'e-went). s. erfeals. ad —ry, a. treffend. —y, s. priesterregeering. erfelijk. Hier° glyph (haye-ro-glif). —gly/phic liereslarelt (he-ri'zji-aark), s. aartsketter. s. ketterij. —tie, s. better. s. beeldschrift. --glyphic, —glyphical, Mere sy a. beeldaprakig, zinneheeldig. —graphy (-rog're—t;eat, a. —tically, ad. (lie•rerikl•), kettersch. flh), a. heilig schrift. —pliant (-fent), a. priester, Claret able (heel-CIA), a. erfbaar, —age, (-tidzj), a. erfd,e1, erfenis.
FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,
LUK, 171 Lukewarm Iljoek'waorm), a. — ly, ad. lauw, lijk zoet; ovetheerlijk. —ness, s. overzoetheid; overheerlijkheid. lank; onverschillig. —nes., a. lauwheid; onver- Lush (lnsj), a. sappig; donker (van kleur). schilligherd. a. 1 uiaard. —, v. en Lull (1u11'), a. (hot) sussende, stillende; alechtje, Lusk ausiC), —ish, a. traag. luieren. korte stilts, f—, v„ a. sawn, stillen, in alaap wiegen; v, n. pan Hagen (van den wind) —aby (-le- Lessor foul (ljoe so'ri- us), —y (Ijoe'sur-rih), a. spelend, dartel. baj), s. wiegelied, elaapdeuntle, Larnilla agtuuus (lum-bedzri-nos), a. van de len- Lust (lust'), a. lust, begeerlijkheid. —wort, zondepijn. — ago (-bee'go), a. lendepijn. —al (-bel), nedauw. —, v. n. (vleeschelijken) lust hebben; (after) vurig begeeren. —ful, a. —fully, ad. wel— ar (-bar), a. van de lendenen. Lumber (lum'bur), a. comma!, prullen; § tim- luatig, wulpsch. —fulness, a. wellustigheld, merhout. —room, prullentranter. —, a. a. ordeloos wulpsebheid. —sly, ad. —y, a. wakker; slug; op elkander werpen; met prullen vullen; T. n. zich krachtig, kloek. —bless (-i-ness), a, wakkerheid; vIugheid; kloekheid, kraeht. —less, a. lustelooa; log bewegen, zit+ voortaleepen. Lisir.br 1e (lum'In .1:), a. worm. —al (-brikl), a. krachteloo'. Lust, at (lus'trel), a. zuiverend; —water, wijwa• wormaehtig; van de lendenen. 11,unitra ary (ljoemi. ne- rth), a. lichtbol• Licht; ter. —ate ( treat), v. a. zuiaeren. —ation (-tree'. ajun), a. reiniging, zulvering. —e (-tur), s. glans; aeril , hter. —ous, a. — truly, ad. lichtend, schij- mad; verlicht, fielder. —ousness, a. glans; belder- luiater; armkandelaar. —ing (-trieng), a. geglanade tat. —ova, a. glanzig, schitterend. —urn Lump (lump'), a. klomp, klout; hoop. by the(Arum), 5. tijdkring van vijf Jaren. bij den roes, voetstoot, the —, door elkKader. Lusty iluetih), a. Zie under Lust. —fish, zeehaas. lompensuiker. a. a. cutl.nIlat (ljoeVe-nist), a. luitapeler. in den roes nemen, door el kander rekenen. —ish, Luta clout; (ljoe-tee'ri-ua), a. in het slijk levend; slijkachtig. —tion, a. dichtsmering (met leeml. a. —ishl y, art. plomp, log; loom. —isknele, a. plompheid, logheid; lompheil. — y, a. klompig. Lute (Ijoet'). a. luit; taai hm. —case, luitkae. —string, Initsnaar; zie LustrIng. a. met 1.usi nay (ij-oa'ne :ilk), a. maanzlekte, krankzinnigheid. --ar ( - tier), — ary (-ne-rib), o• de moan leem bestrijken. —r, a. luitspeler. (-nee'ri-en), a. moan- Luttaeraaa (ljoe'thur-en), a. luthersch. —, a. Mrbetreffend; maw', a. het Luthersehe geloof. bewoner. ---aced eneet-id), a. halvemaanvormig. theraan. —atie, a. maanziek, krankzinnig; a. maanzieke, Lutherta (ljoe'thurn), a. dakvenster. krankzinnige. —ation (•nee'sjun), a. maansom- taut lug (ljoetleng), a. Wei, kleetdeeg. —ulent (-joe-lent), a. slijkig, raodderig; drabblg. loop. Lancia Iloutsfl, —eon (-un), s. tweede ontbijt. , Euxa te (luks'eet), v. a. verstulken. —tion (-as , ajtin), a. veratniking. v. u. het tweede ontbijt g,ebruiken. —ianey, s. wealLune, Ili oen), ft. naive mas n; vlatig van krankzin- Luxor lance (lugz-joe'ri ens),ad. weelderig. —fate derigheid. —iant, a. —lastly, nigbeid. —t (-it', s. maantje; Yachter. (-eet), v. n. welig groelen. —ious, a. —iously, ad. Lung (lung ► , a. long. —sick, aan longziekte lijweelderig; wulpach, wellustig; brasseud. —loutdend. —wort, longkruid. nem, a. weelderigheld; wulpschheid, wellustg11,xa age (lundzj), o, uitval. Zie Lunge. Lung Pores (It oeni-form), a. maanvormig. —solar held. —y (luk'sjee-rih), a. weelderigheld; weelde, overvloed; braseerij. (-soler), a. nit den zoos- en moans analoop semeniLycanthropy (n-ken'thrs-p1), a. wolfayoede. geateld. —Vice (-stis), s. verste noordelijke en Lyceum (laj-si'urn), a. lyceum, hoogeschoot zuidelijke punt her moan. ILydlan (lId'i-en), a. Iydisch; zacht, weemoedig. Lunt (lout), s. loot, 11,uno ar (Ijoe'noe-ler), —ate (-10), R. halvemaan- Lye (laj), a. long. a. hot Eying (larieng), R. liegend; llggend. vorm , g. liegen; het liggen. --in, a. kraambed; bevalling. Euwereal (ljoe-pur'kel), a. Pansfeeat. —ly, ad. op eene leugenachtige wipe. Lupine (ljoo'pin), a. wolfabuom. Lurch tlurtsf), a. (het) afvallen (ea. eon schip); Lynx aim), a. bloedhond. kaput (ie 't spell; verlaten toeatand. to leave an Lytuph (limf"), a. bloedwater, kleurlooa vocht. atie (-fet'ik), a. van het bloedwater; a. bloodthe — ,)n den ateek laten. to lie upon the —, op den w atery at. leer liggen. to take a — , can' opzehieter waken. —, v. a. kapot maker, (in 't spel); te lour *Wien; iLynceous (lin'ei-us), a. lijnx-achtig; scherp van gezicht. stolen, kepen; inz-velgen; v. n. afvallen; laeren; zwendelen; kapot epelen. — er, a. loerder; diet; Lynch (lints)'), a. a. zonder vorm van proses ter dood brengen. —law, lynch-wet; yolksveelvraat. Lure (Ijoer), a. lokalts. —, v. a. lokken, verlokken juatitie. Lynx (links'), a. lynx, loach. —eyed, acherp van (to); (on, verlokken. gezicht, scherpziend. Los-id (ljoe'rid), a, akelig, somber, doodsch. a. Lurk (lurk"), v. n. op den loer liggen. — er,a. boar- Eyre a (laje), a. lier. —ie —ical —ist, lierdicht fyrisch. —ie loerplaats. —ing-rocks, der. —ing-place, lierernan; dich ter. blinde klippen. (lusy.), a, —by, ad. llonigzoet, walgeI neselo
Bombard (bum-beard'), v. a. bombardeeren. Bore (boor), s. boor; bocrgat; wOdte, vervelend —ier. (bum-ber-dier'), a. bombardier. —tnent, a. mensch; lastige zaak. —, v. a. boreu; vervelen. bombardement. —r, a. boor; boarder. Bombast.' (bum'be-zien), a. bombazijn. Boreal (bo'ri-e1), a. noordelijk. Bombast (bum'bartet), a. i)del gezwets; hoog- Boreas (bo'ri-em), a. noordewiud. dravenda Vaal; katoenen stof. —ic (barts'tik), a. Born (born), part. geboren. base oneeht. hoogdravend. Borne (boom), part. gedragen. Bombycineus (bunt-bis'i-nus), a. zijden; zijde- Borough (bur'o), e. vlek, landetadje. wo rrnkleurig. Borrow (boriro), v. a. borgen, outleenen. —er, Botnbyx (bom'biks), a. zijdeworm. s. ontleener. Bonasus (bo-nee'sus), a. buffel-os. Boseage (bos'kidzi), a. bosschage. Bond (bond), a. band, boei; verbond; verbinte- Bosky (bos'kiii), a. boschrij k. nis;schulibewija;entrepOt. —holder, 'louder eener Bosom (boe'zum), a. boezem. schoot. —friend, obligatie. —maid, —man. —man- servant, lijf- boezemvriend. —, v. a. geheim houden. eigene. --eereice,lijfeigenschap. —s/ave,lijfeigene. Boss (boss), a. bult, knopje; boas. rneester —man, borg. —, a. dienatbaar, lijfeigen. —age, —age, s, uitspringende steen. —ed, —y, a. bultig; a, slavernij; gevangenschap. met knoppen versierd. Bond (bond), v. a. opalaan; zekeratelling geven. Botan;c (bo-ten'ik), —al, a. kruidkundig. —8, Bone (boon), a. been; groat. —a, s.dobbelateenen; a. kruidkunde. gebeente. 4 to make no blues (of),geen gew etens. Bolan 1st (boVe-nist), a. kruidkundige —ize bezwaar maken (van). —lace, kant. —setter, heel- (-najz), v. n. de kruidkunde beoefenen. —y, a. meeater. —setting, beenzetting. —spavin, spatten, kruidkunde. —less, a. zonder beenderen, graten of tanden. Botch (botsj), s. gezwel; lapwerk; stopwoord. Bone (boon), v. a. ontbeenen, ontgraten. —, v. a. lappen, broddelen. —er, a. lapper, Bonfire (bon'fajr), a. vreugdevuur, knoeier. —ery, s. broddelarij. Bonnet (hon'nit), a. hoed; mute; ravelijn; bon- Both (booth), a. beide; conj. zoo wel ale. net (zeil) Bother (botieur), a. kwelling; § wanorde, stoorBonny (bon'nih), A. Bonnily, ad bevallig, vroo- nis. —, v. a. kwellen, ergeren. lijk, aardig. —clabber, hang-op. te), s. wormen paarden). Hots (ba Bonum- magnum (bo'num-meg'num),s.konings- Bottle (bot't1), e. flesch; bundel. —flower, korenpruim. bloem. —nosed, dikneuzig. —screw, kurketrekker. Bony (bo'nih), a. beenachtig, vol graten. —stand, fiesscheblaadje. —, v. a. op fleaachen Booby (boe'bih), a. lummel; zeeooievaar. tappen. § Boohoo (boe-toe'), v. n. hard achreeuwen. Bottom (bot'tum), a. bodem, grond; bezinksel; Book (hoek),'s. bock. —binder, boekbtnder. —case kiel; dal; kluwen. —, v. a. gronden; steunen; boekenkeist. —keeper, boekhouder. (keeping), (bet) opwinden; v. n. berusten op (on. upon). —land, boekhouden. —learned, belczen,—/earning, bele- vruchtbaar, vlak oeverland. —less, a. bodemloos. zenheid. —madness., boekenkoorts. —mate, school- —ry, s. bodemerij. makker. —oath, eed op den bijbel. —seller, bolsi'. flood (baud), a. moutworm. verkooper. —trade, boekhandel. —worm, book- *gouge (boedzj). v. n. opzwellen. worm. —id., a. geleerd. —, v. a. boeken; to boek Bough (bau), a. talc. atellen, Bounce (baauns), S. bons; bluf. v. n. apringen; Boom (boem), a. leizeilspier; boom; baken. — bonzen; bluffen. —r, a. windmaker; leugen. v. d. not groote vaart aankomen. Bound (baaund), a. grens; grenapaal; sprong. Boon (boen), a. gunst; geachenk. —, a. aardig, —, v. a. beperken; begrenzen; v. n. apringen. vroolijk. —, a. gebonden; (for) bestemd near, —ary, a. Boor (beer), s. vlegel, lomperd. —ish, a. boersch, scheidspaal; grenv. —en, port. verplieht, verrochuldigd. --less, a. onbeperkt, grenzenloos. lomp. —ishness, s. boerschheid, Bounteous (baaun'ti-us), a. —ly, ad. mild; noose(boez), a. koeetal. Hooey (bo 'bih), a. beschonken. vriendeltik; goedgunatig. —news, a. mildheid; vriendelijkbeid. Boot (boet), a. learn; winst; bak (in cone koets). to —, ad. op den troop toe, —ed, a. gelaarsd. Donut y (baaun'tih), a. goedheid; milddadigheid; —hose, laarzekous, broeklaars. jack, laarzen- premie. a. mild; vriendelijk. kneebt. —leg, laarzeschacht. —tree, laarzeleest. Bourgeois (bur-dzjoiel, a. naam eener Mehra —less, a. zonder laarzen; vergeefsch. —8, a. drukletter; burger, —, a. burgerlijk. echoenpoetser in eon hotel. —, v. a. baton, Bourn (boors), a. grens. bevoordeelen. Bons e (boez), v. n. bekeren, zuipen. —y, a. Booth (booth), a. tent, kraarn. beschonken, drunken. Booty (boe'tih), a. bolt, roof. Boast (baut), a. beurt, beer, maal; poging; Bopeep (bo-piep'), to play at —, wegkruinertje,, proef. achuilhoekje spelert. Bow (bo), 8- boy • strijkstok. —anchor, vertui. hand. —legged, krombeenig. Borable (bo'rtb1), a. hoorbaar. an ker. —hand, rechter Borax (bo'reks), e. borax. —line, boeglijn. —man, boogschutter. —net, runt. Border (bor'dur), a, rand, grens, zoom. —, v. a. —piece, boegatuk. —shot , boogacbot. —sprit, omzoomen; a. n. (on. upon) grenzen, belenden. boegspriet. —string, boogpees. —window, nit—er, a. grensbewoner. springend venster. —yer (-fur), a. boogechutter

bewinapelen (over). —er, a. vernisser, verlakker; Vette licla1.(ven-e-ilaj'el), a. —ficially, ad. vergiftigand, betooverend. —nate (ven'e-neat), v. a. +earverglazer. Vary (vee'rth), v. a. & n. veranleren; afwiaaelen; giftigen. —nation (-nee'ejun), a. vergiftiging. Veneta ble (ven'ur-ibl.), a. —Lty, ad. eer-, earverschillen, afwgken ( from). biedwaardig. —blenese, a. ear-, eerbiedwaardigVascular (vee'lljoe-ler), a. van de bloedvaten. held. —.te (-eet)% v. a. vereeren. —tion (-ea'ajuni, Vase (veez), a. vane; kel k. a. vereering. —tor (-ee-tur), a. vereerder. Vassal (vea'ae1), a. yam!, leeaman; knecht, Vener eel (ve•nrri-e1). a. veneriach; weilustig. Blast. —age, a. leendienat; dienstbeerheid. -eons, a. a elluetig. —y (ven'ttr•ih), a. mingenot, Vast (vaunt'), a. —1y, ad. uitgestrekt, ontzagge- vleeschelijke lust; jachtvermaak. onmetelAke ruitote. —nests, lijk, muneternk. a. groote nitgeatrekthei onmeteltjkheid. --y, a. VeneseetIon (vi-n3-sek'sjun), a. aderiatin 'Overage ranee (ven'dzjena), a. wreak; to take of, antzaggesijk proof. Melt wreken op. —fat (vendzyloal), h. wraak%at (vet), a. vat, kelp, zuchttg. %a:leln ul (ve.tie'st-nel), a. voorapellend. —ate (-nest), v. n. voorapellen. —cajun (-nee'sj an), a. Venial (vi'niael), a. vergefelijk; geoorloofd, —nest, a. vergefettjkheid. voorepelling. Vault (vsolt), a. gewelf; boog; kelder; eekreet; Venison (ven'izn), a. wildtraad. sprang. -, v. a. welven, overwelven; v. n, Venom (ven'am), a, verglf, ventjn. —out, a. —ously, ad. vergiftig, venijnig. °wiliest, a. vereprinaen, voltigeeren- ed, —v., a. gewelfd. —er. giftigheid, venijnigheld. a. springer; kunatenrnaker. Vaunt (e.4ont, mint), a. grootsraak , anoeverij. Venous (vi'nes), a. ader.; aderig, geaderd. v, n. roernen, verheffen:, v. n. pocben, zich Vent (rent'). a. lucht-, tochtgat, laadgat; gat; opening; afloop; nitstorting; vrtje loop, epee:beroellen, (in. of). —er, a. bother. —"11/, a. v.111,4e; verkoop, afirek. to take —, ruchtbaer —ingly. ad. pochend, anoevend. worden, uitlekken. —hole, luelitga. —peg, zwikje. Veivaaltry (vev'tesor-rih), a. achLerleen. v. a. luchten, lutist geven aan; uftstorten; Veal (viol), a. keterleeach Veer (vies), v. a. vieren , laten alippen, bkjzetten, uiten; ruchtbaar oaken; verkoopen; v. n. omit(away. out); enden; (aloft) hiFiehen. —, v. n. felon. —age, a. luchtgat. —au (-eel). a. vizier. &eaten; (about) lralzen, voor den wind era- --er. a. batendmaker; onderbuik; moeder. —iduct loopen. (-i.dukt), a. iucht-, windbuis. Veeeta bin (ved'eve-tibl), a. plantaardig; plan- Ventila to (ven'tl-lest), v. a. luchten; wannee; onderzoeken. --lion (-lee'ajun), a. luchting; wanten-; — acid, plantenzuur; — kingdom, planten- ping; onderzoek. —tor, a. tuchttrekker, -klep, (-te bit'it til), a. plantenroei. —lie, ?Wt. -rad. a. owes; groente. —te (-teet), v. n. groeien; . (vent-oelt-tih),%. windetigheid. (-teee'jun), s. Ventosity een planteuleven leiden. —tion plhntengroei. plantenleven• —tire (-tee-tiv), a. Ilentr aA (ven'trel), a. built-. — tide (-trikl), a. ale planten groetend; ontwikketend —tiveness manic; (hart.) kamer, holte. Ventrlloqu let (ven-tril'o.kwist), a. buikepre(-tee-tiv-), a. plantaaraige Vehenzen et (oPhi-mens). cy, a. heviaheid, on- ker. —oue (-kwue), a. buikeprekend. —y (-kwih), a. het buiksprek en. atutmigheid. — t, —tly, ad. hevig, onstuttnIg. Vcutur a (vent'joer, -jar), n. Vallg8tUk; toeval„ 'Vehicle e.voertaig, geteimiddel, kane, avonteur; goedaren op zee; at a —, op Well (reel), a. Outer; dektnautel. —, v. a. aluieran; good geiuk; to have no —, niete to veriiezen bedekken, verbergen, bemantelen. Vela (recta'), a. ader; gave; Niue, nelgIng; gun- hebben; to run the —, gevaar loopen. —a, v. a. waAen; up epeculatie zendezi; v, n. (at. on, upon. attg oogeeblik. —, v. a. aderen. —ad (veend), to) wage!, —er„ e. waagha's. —esome, —axe, a. —y, a. geadera, aderrijk. Vellferoua (re 11M..-us). a• van seller voorzien. —ourRy, ad. licht wagend, oadernemend; vermetel. —ourneas, a. Ett011theid a koenhld, vermetelheid. a. kraehtelocze wil. Vellelty • —ine(-ajn),tc fiju gouddraed; istroolgoud. Vell/ca em (vel'll-keel), v. a. —five (-kee'ejunl, Venue (ven'joe), a naburige piaate; etoot. a. (het) knijpen, pluIrken, rukken; aanzatten. Venus (venue), a. Venus (Odin en planeet). —'aVellum (verlum), s. ejn perkamcnt. —paper, basin, Venus gordel (plant). —e'comb, naaldker. vehjn-papter. vet. —'a-hair, vrouweultaar (plant). —'s-lookingVelocity (ve-lors'it-tih), a. snelheid. —ed, a. flaweeien. plass, vrouweapiegcl (plant). —'s-navel-wart, Velvet (vervit), e. Armee. treutra-navel (plant). , —een (-ion'), a. katoenfluweel. omkoopbaar, to Vernet our (re•ree'sjus), a. •aarheidltevend; Venal (vi'nel), a. ader-; koop. —ity (ve-nent-tih), a. veilheid, °tattoo), geloofwaardig. —ty (-res'it-tib), a. waarheldsHeide; geloofwaardigh ,, baarheid. Vans ry (ven'a-rih), —tic (ve-neVik), a. jacht-, Verb (verb'), a. wart ard. —a/, a. —ally, ad. van een werkvoord a ,,eleid; mondeling; woorjagers. —lion (-ve-nee'ajnn), s. (het) jagen. deltjk; letterltjk. (-el'it-tih), a. letterIbIce Vaud (vend') v. a. verkoapen. —ee (-its'), a boo. par. —er, —or (-or), a. verkoo per. —ibility beteekeals.—atim(-eettra),ad.woord voor wooed. it-tih), —iblenese, a. verkoopbaarheid. —ible, a. Verbena to (vur'aur-eet), v. a. Eileen, kaatijden. verkoopbaar. —I/ion (-)nrus), s. verkooping. —lion (-ee's' un), a. kattijdIng. v. Verb tags (vuebi-dej), e. ',Wed (onahaal) van Veneer (ve-niee), a. op-, ingelegd hoot. woorden, gesnap. —ose, a. —mil', ad. (-boos'-) . a. opleggan, Irleggen.
aanvoeren. —leader, belhamel. —plate, zorgket- Rooms (room';, v. A. d0OrnrerVAll; v. n. omzwertine. —rope, touwatopper. —streaked, met Rein- ven. —er, a. omzwerver. a, roode sehimmel. gen geteekend. — tail, ringelvalk; giekzell, brood- Roan (roan), a. roodgrije. winder. —toil-boom (-tee!'-), broodwinderepter. Roar (roar'), a. gebral; getter; gehulr'er; geechater. —. v. n. brullen; tieren; bulderen. —y, a. -thimble, neairing. —worm, datiwwortn. —, v. R. -ringen; van rtogen voorzien. danwaehtig. Ring (rine') [rang. rung;, v. a. & n- luiden; Roast (roost'), a. gebradert. a. gebraad; spat. (doen) klinkeu (of with). --er. a. belier; kiokeen. to rule the — , beorgetien, — , v. a. braden, rootten; beet maken; bespotten. — er, a, bender; Wider. —let ( lit), H. ringetje; oral. roover; apeenvarken. (rins'), v. a. ornspoelen. —e, a. onispoeler. Riot (rarnt), o. uitepatting, zwelgerij; oproer, Rob (rob';, a. vruehtenstroop, gelei. —, v. a.13emulterij. to ran — upon, uttenatten, zieh to but. : retie.; bevrOden, (of); rooven, atelen. — bar, a. ten gaan in. —, v. n. geweld (oproer) makes;', mover, diet —beep (-bur-ih), a. rooverij, diefuitspatten (in); zweigen; (on) verbrassen. eta!. zwelger; oproerneaker. -0148, a. —ouslu, act, 1... 1 Robe (rook), s, ttibbaard,staatsiemantel. master of the -a, kamerheer. —, v. R. den tabbaard baudtg; oproerig. —ouanesa, s. losbandigheid; orahangen; kleeden. oproerigheid. Rip (rip), a. acbeur; viechmsnd; prul; rude tool. Robin (robln), s. —redbreast, roodboretje. v. a. oprijten; openseheuren; lostornen, non Roboront (rob'ur.ent), a. & ts. versterkend (rrintriel). den dog brengen. (from) wegrukken. (off) afstrooRobust (miter), a. sterk, geoplerd, atevig, pen. (up) openrijten; opbreken, slooprn. a. sterkte, forechheid. formeh. Ripe (rain') a. — ly, ad, rijp —ness, a. rijpiteid. Roebet (roteit), a. koorhemd, minkleed. Ripen (rarpn;., v. a. & n. (doen) Ripp er (rip'pur), a. openk,ebeurder; elooper. Rock (rot'). a. rots; 8pinrokken lurking—, blinde klip. --alum, bergaluin. —bound, door rotarn a. het openseheuren; steekbeitel; higesloten. —cork, bergkurk. —cress, isteenkers. —iron, breekeizer. —crystal, bergkristal. —doe, gems, klipgeit.—milk, Ripple (rip'pl), a. gekabbel; virasrepel. —, v, a. bergmelk.—mots,rotamoc—oil,steenolle.—pigeon, doen rimpelen; repelen; v. n. kabbelen. leiednif — ray, steenrog.—rose,steenroos.—rube, floe (rsjo, a. (hoe) opstaan; opgong; opkomst; mode granaatsteen. —salt, kitpzout, —shell, kilt,verheffing, r jztng , stijging; ooreprone,,ontataan. echelvisch. — wood, hoot-asbest. —work, grotto give — to, aanletding geven tot, doen ontmtattn. weak. Rise (rajz') from (root). risen (ria'zn)], v. n. op- Rock (rok'),v.a. schudden; schommelen; wiegen; eine. ; °pea., opkomen; stijeen, ri.jzrn; zwellen; v. n. slingerett; waggelen. —er, a. wiener. —et (-it), a. raket, vuurptjt; raketten-kruit. —bless zich verbeffen; (from) ontstaan, vonrkomen. -in arms, de wapenen opvatten. —r, a. opataander; (-i-ness), s. rotsachtigheid. —ing, a. het sehomearly —, iervand, die voceg opstaet. melen, wiegen; — chair, schommelstoel; —horse, flail hie (rtz'ibil, a. belacheF.jk. hobbelpaard. —less, a. zonder klippen. —y, a. (-i-bil'ittih), a. belecheitikheid. roteachtig; hard. Rising (raj'zteng), a. (het) opstaan; opgaan; ge- Rod irod), a. roede, stang, vitae. knangdier. ewel; Gpstanding; opatand. Rodent (ro'dent), a. knagend. Risk (risk'), a. gevaar; waagstuk; kens; rieico. Rodomontade (rod-o•mun-teed ), a. enoeeertj. —, v. n. pochen, snoeven. —, v. a. wagen, op 't spot zetten. —er, a. wager. Rite (rajt), a. kerkgebrutit; elechtigiteid. Rogation (ro gee8jun), F. bode, titanic. —dope, kruisdaeen. —week, benielvaartsweek. Ritornello (ri-tor-neFlo), s. ritornel. Ritual (rit'joe-el), a. ad. volgens het ler:, Rogue (rong'i, e. echnirk, tlelt, sritsboet sehelk. gebruik; plechtstatig. — in grain, aartaacbelm. —, v. n. rondzwerven; rituaal. sehurken- of guitenstreken uitvoeren. a. Rival (revel), a. tnededingend, wedijverend —, sehurkertj; gutterij. a. merledinger; medeminnaar. v. a. wedijvelavigtelsta (ro'gisj), a. —ly, ad. sehurk-, Behalkren, mededingen met. —ivy (-vel'it-tih), —ship, a. wedijver, mededinging; merierninnarij. achtig. —nests, a. achurkaeletigheid; echalkaehRive Irajv'i [rived (rajvd). riven (riv'e)], v. a. & tigheid. epltjten, setieurete —r, spititer. Roister (rojs'turl, v. n. Leven maken, tieren, snoeven. —er. a. levenmaker, windbuil; tonoever. Rivet (riv't). v. rt. doen rimpelen, versehroeien. River (riv'ttr), a, rioter. —dragon, krokodil. Roil (mall'), a. rot; rolbloe; atrijkbout; Itist, register; neamrol; oorkonde, jaaranek; roffel; §. — driver, houtvlotter. —god, viviergnd, —4orse, broodje; velitoed; hoofrivvrong. master of the —s, rivierpaard. — et (-it). s. rivinriiP• Rivet (riv'it), s. klinknagel. —, v. a. vastklinken; oorkondenhewearder, eriffier. —brimstone, pijpInp renten, zwavel. — calling.. appal. —, v. a. tact -en rolWok gellek maken; inrollen, inwikkelen; oprolRivulet (riv'joe-let),, a. riviertje; beak. len (up); v. n. rotten, wentclent roffeien. — er, Rixdollar (riks-dolner). a. rilkedaalder. Roach (rootsj'), e. roller; rot; rolstok; valhoed; zwachtel; wrong. voren; nitgelling (van eon sell). —leech, mastlijk. —ing, a. bet rotten, elingeren. —board, rolplank; Road (rood'), s. weg, atraatweg; reede, dagreis; —mill, pletmolen; —pin, rolstok; —press, roltonal, strooptocht. enkerplaata. — way, pers; —tackle, stoottalie. straatweg,ripreg• —ster,a. ter reedeliggend acid p. Homage (rumndzj),.s. Zie Rutwinsage.

N, Nab (neb). f. voor Abigail. Nal (eel), f. voor Eleanor; Leentje. Nam (Item), f. roar Araltrosius. Namur (no-rnner'), g. Namen. N*In (nen% rY.•ny, f. voor Ann; Naatje. Nangasski (nen-ge-sa'ki), g. Nagasaki, Napier (nee'pi-ur), m. Napier. Naples (nee' ph). g Napela. Napoleon ,ne-nr:'11-ort), m. Napoleon. Nat (net), f. your Nathaniel. Nathan (nee'then),m. Nathan. —Lel (ne•then'1•1), m. Nathaniel. Nava•re (ne-vear'). g. Navatre. Nazareth (neee•reth), g. Nazareth. Neagh (rtie, ni'e), g. Neagh. Neapolitan (ni-e-poin-ten), a. Napalitaanech; 1. Napolitaan. Nebuchadnezzar (neb-jae ked nez'zur), rxt. Nebukadnezar. f. voor Edu,rd. Ned (nee), Negroland (rit'gro•)enti), g Nehemiah (ni- he-mare), m. Nehemia. Neil (sell'), —y, 1', vane Eleanor 4. Helen. Nelson (-nel'sn), ra. Nelson. Nemeals (nem'e.sis), my. Nemesis. Neptune (ncp'tjoeni, my. Nepturtus. Nerelds (nt'rt-idz), MT, Nertiden. Nestor (nee'tur), in. Nestor. —iant {-to'ri-enz) r. Nestorlaneu.

(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere
Some academics have speculated that former Erasmus students will prove to be a powerful force in creating a pan-European identity. The political scientist Stefan Wolff, for example, has argued that "Give it 15, 20 or 25 years, and Europe will be run by leaders with a completely different socialisation from those of today", referring to the so-called 'Erasmus generation'.[27] This term describes young Europeans who participate in Erasmus programme and are assumed to support European integration more actively when compared with their elder generations.[28] The assumption is that young Europeans, who enjoyed the benefits of European integration, think of themselves as European citizens, and therefore create a base of support for further European integration. However, questions are raised about whether there is positive correlation between the programme and pro-European integration.[29] According to the European Commissioner for Education, Culture, Youth and Sport, Tibor Navracsics, Erasmus programme is a soft power tool and it reflects the political motivation behind its creation,[30] including the task of legitimising the European institutions. This conception has already presented in the project of Sofia Corradi, an Italian educationalist creator of the Erasmus Program. She gives a particular attention to the need to activate an exchange between young people from all over Europe to contribute to the strengthening of its unity and integrity.[31]
In May of 2017, the world’s first ‘Lightning Network’ transaction took place using Litecoin, where 0.00000001 LTC was transferred from Zurich to San Francisco in less than one second. The open-source Litecoin software can be downloaded, used, modified and distributed by individuals without fear of corruption, as the independent verification of source code and binaries makes for a completely transparent process.
Lip (lip'), s. lip; tail; rand. to make a —, de lip laten haugen. —glue, monelijm. —labor, —wisdom, praatjes. lippenpomade. —, v. a. kussen. —ped (lipt), a. gelipt. Lipothym oats (11-poth'i-scut), a. bezwkjmend. —y, s. bezwijming, flauwte. Lippitude (lip'pi-tjoed), a. leepoogigheid. "Aqua ble (lik'wibl), a. arneltbaar. —limy (-webil'it-tih), —bleneas, ameltbaarheld. Liquefaction Ilik we-fek'sjun), a. smelting. Liquef labia (lik-weefaj-lb1), a. sn,ltbaar. (-faj), v. a. & n. smelten. Ciquescen cy (laj-kwea'seu•sih), a. uneltbaarheld. —t, a. ameltend. a. Liquid (lik'wid), a. vloeiend, vloeibaar. vloeistof; vloeiende letter. —ate (-net), v. a. vereffenen. —cation (-ee'sjun), a. vereffeuing. —ity 1-wid'it-tih), —nest, s. vloeibaarheid. Liquor (Brut.), s. vocht;geestrijk vocht,likeur. v. a. bevochtigen; inin —, beschonken. smeren. —ice (-is), a. Zie Licorice. Liriconfancy (lit-i-kun-fen'aih), a. lelie der dales, rneibloempje.
occupy; de plaats — van, to supply the place of, —er, m. ()Winner; ratifler. rind, v. confirmation ratification, sanction. to re; relent. —or, tn. dother, dre, sir; inverter; holder. —ing, v. clothing, aliening, arrayment; likekrealuseera, or. w. to crown with a garland, to wreathe. O. cover, wain.eottwf'; lining; inveetment. Illekrneseisiov. w. to cover with scratchee. covering, tegument. Beklern el, be. oppressed, anxious. —dheid, v. Bekreten,be. all in tears, bedewed with tears. Betereunen (akin), t. w. (am; to care for. oppreusion, anxiety. —men, ov. w. to pinch; to oppress, to afflict. —ming, v. pincbing, pressure; Bekrinsp en (zilelt), t. w. to retrench (upon), to reduce one's expenses. —ing, v. retrenchleave difficulty of breathing. scent. lliefetkiestes, on. w. to cleave, to stick; to prosper, Bekrompen., by. narrow (-Iy); straitened; scanto thrive., ty (441, niggard (-1y), shallow, narrow-minded; Beklirern en, or. w. to climb upon, to mount, to ascend, to scale. — er, err. climber, scaler. —ing, sparingly, poorly. —held, v. narrownessoscauttnetts, shallowness. v. mounting, *scaling; ascent, escalade. lielleAttattere, ov. 'se. to rivet; to armire, to settle. Bekro Iktitk, 07. W. to crown; to award s prize to. —ner, m. crowner. —sing, v. crowning. Itekl.nterece, ov. w. to bemire, to bedaggie. Bekroond„ by. crowned. — warden, to obtain the Bektantilbefeet, ov. W. to ',Wale at. prize. dichter, poet laureate. eletenersavera, os. w. to gnaw at. Bekrozen, bv. Booted. oe. w. to pinch, to perplex. Ilektilltebeeem, ov. w. to ittggle (to higgle, to Bekroiden, or, w. to season, to spice. Bekrnipen, ov. w. to creep upon, — to, to steal chaffer) with. into, to eurprise. de lust bekroop hem, be felt inRI keljpree, or. w. to pinch. clined, de angst bekroop hem, ha was seized with by. & 'ow. concise (-ly a succinct (-1y), fee, compeudious (-ly). —heid, v. eonciseneas, litekrctisen, or. w. to sign (to mark) with a cross, cross teers. to cross. 111.ekestrerere, ov. w to chide, to rebuke. Bekuip en, ov. w. to coop up; to intrigue to ztjn, to be take. in, to be bv. canvass for. —er,m. intriguer.—ing, v. intriguing, cheated, to have paid too dear ceuvassing (for). Reelect. en, ov. w. to cool, to refrigerate; on. clever, fit, proper, w. to grow cold; to abate, to relent, to subside. Belitwasuna, bv. able, capable, apt; sober. — ntaken,t o qualify. —heid,v. ability, --ing, v. refrieeretion. capableness, fitness. —heden, env. talents, part.. Bek,ken, ov. w. to cook for; to deliberate, to Bekwamen, or. w. to qualify, to capacitate. coneert. eicla t. w. to make one'oteelf convenient (with), nektetrase.a, or. w. to eat, to obtain; o, w. to recover (from). goed —, to Agree with one's to prepare (for). shay stomach. wel triage het a —, much good it do 13014,willen, or. w. to cover with slaver, to beupawl. you. to —, to be hal. hat 'cal hem uiecht —, be will Bel, v. bell; bubble. •—hanvel, bell-wether; ringrepent of it, he will coma off badly. leader. —root!, erysipelas. Bekonknxer d. by. concerned, uneasy,solicitous, anxiou..—dheid, v. e o ace ru, uneasiness, anxiety. Belengster, v. Zie Deluges. . —en, or. w. to trouble, to vex, to make uneasy; Beiabbered, by. bz bw. uilserable (-bly). —held, v. miserableness. zich t. w (over) to trouble one's head to be Bausch ell jk, br. &bw. ridiculous (-1y); —makes, anitheus) about, to feel concerned for; (am) to care, to ridicule. —el(ildssid, v. ridiculousness. —en, or. to meddle with , ine, v. —nis, v. trouble, sorrow, w. to laugh at, to deride. —er, m. —ster, v. grief, cure, uneasiness, solicitude. —ing, v. derision. derider. to have aljne hebben, Bekosnst, v. satiety, till. Bcledder en, or. w. to scale. —ing, v. scaling, to be sick (of) enough, to have one's real ado. alskotaileoriltest, or. w. to coecoct, to mechinate. Holed an, or. w. to load, to charge; to freight. flekoopeirt, or. w. to pay for. —ing, v. loading; freighting, shipping. Illekoor deer, no.. charmer, tempter. —/alitc, bw. charming lly), alluring (-1y),'delightful (-Iy). Being en, ov. w. to way-lay, to lay snares for. —er, m. way-layer, toe, —bag, v. way-laying. —kikheld, v. charm, charming..., grace, allureBelek ken, or. w, to seal; to blander. —Won. ment. —aver, v. Zie Ilekcatordoee —star, v. defamer, slanderer. —king, r. defamaticker tees , ov. w. to cher,u, to tempt, to allure, tion, slander. to delight, to captivate. —ivg,v. eltarn.teg; tempBehind eon, on. NV. to land; to arrive. taaar is hij tation, allurement. beland, what has become of him ? v. landing, leekoreten, ov. w. to elicruei, to cover with a arrival. crest. o. importance, weight, consequence; Ilitekrart seas, ov. av, to shorten; to abridge; to curinterest, concern. — hebben bij, to have an interest tell, to prejudice. --ivy, v. shortening; abridg(to be concerned) in. — etellen in, to take an inment; curtailmeat. egotist; selfish person. —sucht, in. —zoeher, terest jeleitteetig eat, o r. w. to defray, to bear the expertselfishness. —suchtig, selfish. —eloos, h•. & bw. sea of. —er. m. defrayer. —brag, v. defrayment. dieinteretted (-1y). —eloosheid, v. disinterestedISekrah beleti, or. w. —ben or. W. to ness. —en, or. w. to concern, to regard. teat... ecratch. helangt, zie Belengende. —ende, rt. as to, he Bekrrtchtlg was, or. w. to confirm; to ratify.
24 Billow (bil'lo), s. golf, baar. —, v. a. opzwelBice (bajs), a. lichtbiauwe of groene kleur. len, golven. —y, a. golvend. 1131ripit al (baj-slp'i-tell, —ous, a. tweehoofdig. Bicker (bik'ur), v. n. kibbelen; weifelen. —ing, Bimanous (baj-mee'nus), a. tweehandig. a. krakeel. I Binieby (bajm'baj), ad. apoedig, binne.n kort. Bicornous lbaj-kor'nusl, a. tweehoornig. Bimensal (baj - men'sel), a. tweemaandelijksch. Bid (bid) [bid, bade. bid, bidden], v. a. bevelen, Bin (bin), a. kist, bak,,trog. gelasten; noodigen; bidden. —farewell, afseheid Binary (baj'ne-rib), a. dubbel. nemeu. —der, s. binder. —ding, s. bevel; bod. Bind (bajnd), s„ hopatengel. k Biddy (bici'dih), s. kuiken. Bind (bajnd) [bound (baaund)], v. a. binden; verBide (bajd), v. a. verdragen, afwachten; v. n. binden (up); verplichten; beperken (in); opstopwonert; blijven. pen; v. n. zich verdIkken. — apprentice, in de leer doen. — over, dagvaarden. — out, verhuren. Bidental (baj-den'tel), a. tw, etandig. Bidet (bi-det"), a. hit; wasettkom. bound for, beatemd naar. — er, a. binder, band. Biding (baj'dteng), a. verblvjf. —ery, s. boekbinderij. — ing, a. verbIndend, verBiennial (baj-en'nt-el), a. tweejarig. plichteud. — ing, s. band; verband. — weed, Bier (bier), s. lijkbaar. winde. Blestings (biesetengz), a. blest. Binnacle (bin'tikl), s. kompashuisje. Hilarious (baj-fee'rt us), a. tweevoudig. Bino ele (bin'okl), s. dubbelkijker. — cuter (bajkilferous (bW.. us), a. tweemaal vrucht dra- nok'joe-ler), a. tweeoogig. gend. Binonil al (baj-no'ml-ell, a. tweeledig. —.us -Mild (barfid), a. gespleten. 1-nom'i-nus), a. tweenamig. Hillidated (1,11%-deet-id), a. Zie Billd. Biograph er ibaj-og're-fur), s. levensheschrijBilold (barfooldl, a. tweevoudig. arr. — ie, — ical (-osgrerik.), a. biographisch. 'Worm (baj'form). — ed, a. dubbelvormig. — ity — y, a. levensbeschrijving. (-torm'it-tili), s. dubbelvormigheid. Bipartit e (bip'er-tajt), a. tweedeelig. — ion ibaj-per-tis'sjun), s. verdeeling in tweeen. Bifurcate (baj-fur'ket), — d (-keet-id), a. twee- Biped (harped), s. tweevoetige. tandig, gaffelvormig. Big (big), a. dik, groot, zwaar; (of, with) zwanger. Bipennate (ba)-pen'net), a. tweevleugelig. to look —, zich trotach aanstellen, to talk —, Birch (burtsj), s. berk. —en, a. berkenhouten. bluffen, snoeven. — bellied, — bodied, a. kwaarlij - Bird (bard), a. vogel. — of passage, trekvovig. —ness, a. dikte, grootte. gel. — cage, vogelkooi. — call, vogelaarsiluitje. Bigam 1st (big'e-mtst), a. man, die twee vrou - — catcher, vogelaar. — fancier, llefhebber van vogels. — lime, vogellijm. — man, vogelkooper. wen heeft. —y, s. tweewijverij. Biggin n big'gin), s. kindermutsje. — 's-eye, s. sleutelbloent; a. van boven gezien. Bight (bajt), s. bocht; kreek. — witted, hersenloos. Bigot (bieutl, a. schijuheilige, dweeper. — ed, Bird (burd), v. n. vogelen, sinken. —big, a. vogela. schijoheilig, bevooroordeeld. —ry, s. schijn- vangnt. — ing -piece, VogelrGer. — ing-pouch, voheiligheid, dweeperij. geltasch. Bilateral (baj-let'ur-el), a. twee zijden hehbend. Birgander (bur'gen-dur), s. wilde gaps. Bilberry (bil'ber-rill), a. heidebes, braambezie. Birth (birth ► , a. geboorte. —day, geboortedag, Bill011 Ibil'b01, s. kling, torte degen. verjaardag. — place, geboorteplaats. — right, geboorterecht. Bith ors ,bil'booz), s. voetboeien (voor matrozen). Biscuit (bis'kit), s. beschuit. Bile (bajl), a. gal. Bilge (bildzj), s. kielwijdte. —, v. n. lek atooten. Bisect (bai-sekt'), a. a. in tweeen deelen. — ion 1-sek'sjun), a. deeling in tweeen. Hillary (birje.rth), Bilious (birjus), a. galachtig. Bishop (bisyup), s. bisschop; raadsheer in —duet, galleider. 't scbaakspel). — 'a - weed, bisschopskruid. — '8 Ililinguous (baj-ling'gwus), a. tweetongig. Bilk (bilk), v. a. bedriegen. wort, mane komijn. — ric, a. Insdom. Bill (bill), a. snavel: bij1; rekening; geschrijf; Risk (blab), a. vieeschnat. wetsontwerp; aanplakbiljet. —, v. a. aanplak- Bismuth ∎ bieinuth), s. bismuth. ken; v. n. trekkebekken. —of divorce, echtschei- , Bison (bajsn, bizn), a. wilde os. dingsbrief. —of entry, consent tot invoer. — of Ilissextlie ibis-sett:Ail), a. schrikkeljaar. exchange, wissel. — of fare, sptjslijst. — of lading, Bistre (Ws turi., a. roetverf. vrucht brief. —of mortality, sterflijst. — of parcels. IlIsulcous (baj-sul'kus), a. met gespleten hoeven. factuur. — book, wisselboek. — broker, wissel - , Bit (bit), s. beet; stukje; gebit; sleutelbaard. not mskelsar. — sticker, aanplakker. 1 a —, geen tier. —, v. a. optoomen. Billard ibirlurd), s. bastaard-kapoen. Bitch tbitsj), a. teef; lichtekoni. Billet (billit, s. briefje; blokje (brandhout). —, Bite (bajt), a. beet; aanbijten; bedrog; bedrieger. Bite (bajt) [bit. bitten.]. v. a. & n. bijten, wonv a. inkwartieren. Billiards (birjurdz), s. biljartspel. to play at — , I den; bedrtegen. —r, s. isijter;,bedrieger. biljart spelen._ Bitter (bit'tur), a. —ly, ad. bitter; hard. — ness, a. bitterheid; verdriet. —cold, nijpend koud. Billiard —ball, biljartbal. —cue, —stick, queue. —table, biljart. —apple, —gourd, kolokwint. —vetch, paardeBillingsgate (bil'liengz geet), a. viachmarkt in wik. —wort, bitterwortel. —s (bit'turz), a. bitter London; gemeene taal, vischwiivenpraat. (sterke drank). Billion (bil'jun), s. biljoen. • Bittern (bit'turn), a. roerdomp.

v. n. pralen; voorspoed hebben, bloeien; bloem(flit'), v. n. wegvliegen; verhuizen; fladderen. rijk spreken; zwaaien; krullen trekken; phanta—tiness, s. onbestendigheid. seeren, preludeeren; de .trornpet eteken. —er. Flitch (flitsj), s. zijde (spek). iemand, die voorspoed geniet. —ing, a. —ingly, 11, 114teranouse (flit'tur-maug), a. vleerniuis. ad. bloelend; praleud, weidacb. 11, 1111x (flubs), s. dons; bout; vlashaar. Float (flout"), s. dr)(cend voorwerp; vIrt; dobber; Flout (flout), a. beschimping, smaad. —, v. a. golf. —board, sehoffel (tan eon molenrad). —boat, besehimpen, Broaden; v. n. sehimpen, spotter. vlotschuit. —ground,elecItte ankergrond. —stone, —er. a. becpotter. —tingly, ad. hoonend. drijfatecn. —, v. a. under water zetten; v)ot ma- Flow (flu), s. vloed; stroom; overvloeiing; woorken; v. It. drij yen, dobberen. —age, s. schuim; wat denvloed. — v. a. overetroomen; v. n. vlieteu, op 't water drijft. —ages, a. zeedrift, wrakgoe- vloeien, stroomen; waesen; overvloedig (vol) zen; voortapruiten; loshangen, zwevey. dere.. —cr, a. vlottes•; zciler; dobberaar. —y, a. Flower (flauw'ur).e.bluem;bloesem;bloel;signet. dril vend slot. —de-luce (de-ljoes'), a. zwaardlelie —fence, pauFloating (flootleng), a. drijvend.—bridge. sehipbrug. —capital, vlottend (rouleerend) kapitaal. westaart. —gentle, duizendechoon. —inwoven a. (het) drijven; (•in-woov'n), gebloemd. —piece, bloemetuk. bereensehimrnen. —show, bloemententoonstelling. —stalk, bloemon derwaternetting. stengel. Fioccose (flok-koos'), a. wollig. —culent (flok' Flower (flauw'ur), v. a. met bloemen versieren; kjoe-lent), a. vlokkig; v. is, bloeien; mehuimen. —age, a. gebloemte. —et Flock (flea), a. troop, zwertn; kudde (klein veer; wolvlok; lok. v. n. toestroomen; —together, (-it), a. bloempje. —iness, s. bloeurtrijkheid. a, condor bloemen. —y, a. bloemrilk, gebioemd. sameneeholen. (floneng), a. —1y, ad. vloeiend, overFlowing Floe (floe), a. ijsgang, drijfije. vloedig. Flog( flog'), v. a. afrossen,geeselen. —ging, (gieng), Flowk (flock')) s. bot. —wort, navelkruld. 5. pak sla,ren. Flood (find'), s. vlocd, overatrooming, zondvloed. Fluctu ant (flukt'joe-ent), a. weifelend, dobbe—anchor, vloedanker. —gate, Hluis,verlsat.—mark., rend. —ate (-eel), v. n. golven; weifelen; dobbe. vloedteeken. —tide, wassend tij. —, v. a. over- ran. —ation (-ee'sjun), s. golving; dobbering; onzekerheid. stroomen. s. pijp, sehoorsteenpijp; dons, plots. Flue Flook (floekl, s. ankerklauw; but (nisch). Floor (floor'), a. vloer. verdieping, —cloth, vloer- Fluelin (floe-el'lln), 0. eereprijs (plant). bleed. —head, kim. —rider, vrang van een batten. Pilsen cy (lloe'en sib.), a. vloeiendbeid, welbespraakt'heid. —t, a. —tly, ad. vloeland. —t, s. vrang van een spent. ground—, spoor. —timber, gelijkvloers verdieping. thrashing —, dorsehvloer. vlietend water. —, v. a. bevloeren; op den grond werpen. —ing, Fluid (floe'ld), a. vloeibaar. a. vloeistof. —ity (-Id'it-tib), —ness, a. vioeibaarheid. a. bevloering. Fluke (flock). a. nnkertand; bot. Flop (flop), v. n. klapwieken. Flummery (flum•marih),a.meelbrt); laffe vlelerij. Floral (flo'rel), a. bloemen betreffend. Floren cc (flor'ens), —tine, (•tajn) s. florentijn- Flunkey (flun'kih). s. liverei bediende. Fluor (floe'or), a. vloeiende toestand; vioeispaat h. ache zijde (tat); florentijnsehe wtjn. Flurry (fluerib). a. windvlaag; verwarriug. —, Florescence (flo.rea'sens), a. bloei; bloeitijd. v. a. verontrusten. Floret (flo'rit). a bloempje. Florid (florld), a. —1y, ad. blozend; bloemrijk, Floats (flue)), a. frisch, bloeiend, krachtvol. versierd. —ity (flo-rld'it-tih), —ness, a. blozende overvloedig (in); mild (with); gelljk. —, R. toevloed; vervoering; blos; triller; euite (in 't kleur; bloemrijkheid. kaartspel). v. a. doer blazon, Doted' maFloriferous Illo-rirur-ruel. a. bloemdragend. kes,' (with). —, v. n. gutsen; komen aanstui• Florin (florn's), a. gulden, florijn. yen; blow; schitteren; een' trifler makers. —, Florist (flo'rist), a. bloemkweeker. ad. arms. Floscul e (floe'kjoel), a. bloempje. —ous, a• nit Fluster (flus'tur), a. opwe}ling; opgewonden. bloempjes bestaand. held. —. v. a. iverhItten; verwarren, oc erhaats. Floss (floss'), a. dons (op plauten). —silk, floretten; v. n. opgewonden zijn. (aloe-) Ode. Flut e (Soot'), s. Suit; groef, gleuf. —e, v. a. Flotagc (flolidzj), a. Zie Floatage. groeven; v. n. op de flail epelen. —er, —ist, s. Flote (Soot), v. a. afechuimen. fluitspeler. Flots um (flot'sem), —on (-sun), a. strandFlutter (flut'ter), a. trilling; (enelle en onregelvond. riatige) beweging; verwarring; verbtjstering. Flounce (flaauns), a. volant, strook. —.v. a. met —. v. a. opjagen; verwarren; verontrusten; v. n. strooken versieren; v. n. plonzen, plompen; sparfladderen, zweven, gejaagd zijn. —ing, a. Lie telen, woolen; opvliegen (in drift). Flutter. Flounder (flaaun'dur), a. bit. —man, botboer. Fluvia I ifioe'vi.e1), —tic (-et'ik), —ti/ (-e't11), —, v. n. spartelen. a. riviereu betreffend. Flour (flaur), s. meal, bloom —, v. a. tot meal Flux (fluke';, a. veranderlijk. a. vloeling; maken; met meet bestroolen. stroom; samenloop; uitwerpsel, buikloop; vloeiFlourish (flueisj ), v. n. pralerij; voorspoed, bloei; bearheid; smelting; ameltmiddel. bloody —, Tootle opelering; zwaat, krill; krulletter; voorspel; tromloop. --, v. a. tonelten; door bet tipeek , el ter• petgesehal. —, v. a. versieren; opsieren; ZWAftien; Flit
WI,O—B OM. Illoasom (blos'sum), 8. bloecem. —, v. n. blocsemen. —y, a. vol bloesem. Blot (blot), s. klad, vlek; nitwissehing. —. v. a. bekladden; doorhalen; (out) uitwisschen. —tingpaper, vloetpapier. Blotch (blood), a. blear. point. —, v. a. met puisten of vlekken hedekken. Mote (bloot). v. a. in den rook drogen. Blouse (bloez), s. kiel. Wow (blo), a. Wag. klap; ramp—pipe, blaaspijp. Blow (blo) [blew (bloe), blown (bloon)], v, a. blazen, aanblazen, doen zwellen; uitbazuinen; smelten; § bespotten, hoorten, (up) in de Incht doen springen; opgeblazen maken. (upon) in verediting brengert. — one's nose, zijn' news snuiten. —, v. n. warden; ademen; bloeien, (over) overwaaien. (up) in de lucht springen, driftig warden. Blown a (bloom), a. boersch ultziend melsje. • —y, a, roodwangig; door de non verbrand. Blubber (blub'bur), a. walvischmpek; zeenetel. —, v. n. achreien, dot de wangen zwellen. Bludgeon (blud'Ijun), a. knuppel. Blue (bloe), s. blauw. bittl:W; beschonken. to look —, verlegen zien. to letter one in black and —, iemand bout en blauw slaan. to look — upon one, iemand ached' aanzien. —bottle, korenbloem; bromvlieg. 4 —skins, (de) Blauwen (scheldnaam voor de Presbyterianen). —stocking, geleerde vrouw. —near, s. blauwheid. Blue (bloc), v. a, blauw verven. Sluff (blot), a, stuurach, norach; breed; wijd; § steil. § —. v. a. afgrauwen. —, a. stelle oeverkant. —ness, a. barschbeid, norachheid. Bluish (bloe'isj), a. blauwachtig, Blunder (bill1I'd1111, 8. missing, dater. —buss, donderbus. —head, domkop, v. a. verwarrea; lout) ultflappen; v. n. bokken molten. —er, s, lomperd. Blunt (blunt), a. —ly, ad, bot; lomp, ongemanierd. —ness, a. botheld; stompheid. —, v. a. bat maken; verstompen; verzwakken. Blur (blur), s. kind, sick. —, 7. a. bekladden. Blurt (blurt), v. a. onbezonnen apreken; (out) uitflnppen. Blush (blubj), a. blos, aehaamrood; onverwacht gezicht. —, v. n. blozen. —ful, a. —fully, ad. blozend. —less, a. onbeschaamd. Bluster (blus'tur). a. getter; geenoef. —, v. n. tieren; anoeven, —er, s. bulderaar. anoever. § --ation, (-ee'sjun ► , s. snoevertj. —ous, a, razend. tierend; blufterig. Boa (bo'e(, s. groote slang; boa. Boar (boor), a. ever. —ish, a. onbeschoft, beestachtig. —pig, wild —, everzvvijn, wild zwijn.
Spat, i. Sped, i. & p. p. Smelt, 1.& p. p. Spent, 1. & p. p. Spilt, I. & p. p. Spit. 1. & p. p. Spitten p. p. Split, i . & p. p. Spoke, 1. Spoken, p. p. Sprung. I. Spread, i. & p. ,. Sprung, t. Its p. p. Spun, t. & p. p. Staid, & p. p. Stole, I. St olovii, p. p. Stood, i. & p. p. Pitrick‘i.o, p. p. Stridden. p. p. Striven, p. p. Strode, t. Strove, i. Strown, p. p. Struek,i. & p. p. Strucken, p. r. Strung,!. & p. p. Stuck, t. & p. p. Stung, I. & p. v. Stunk, t. &p. p. Swans, 1. SWeat., 1. Sweater, p. p, Swept, I. & p. p. Swet,1. & p. p. Sw•rbIlart,p, p. Swain, P. P. Swore, I, Sworn. p. p. Swsr.,n,1. & p. p. Swung, I. P p. p. Taken, p. p. Taught.1.8/, p. p. Thought, 1. & p. p. Threw, i. Thriven, p. p. 'Throve, 1. Thrown, p. p. Thrust, I. & 14 p. Told, 1. & p. p. Took, 1. T ore, 1. Torn, p. p. Trod. 1. Trodden, p. p. Narrsehen, p. p. Wex,n.p. p. West, i. Wept, I. & p. p. Wet, 1. Wisp, i. & p. p. Woke, I. Woo, i• & P. li•
zuivering, !outering;verfijning; bnarklooverir gea. onthaai. —ia (-Ii- et, p1. zinnebeelden der koninklijke macht. —ity (-gel'it-tih), a. boningmaaktheid. —r, s. zuiveraer; r3fflnadeur; verfij'chap. ner; baarkloover. —ry (-ur•ih), a. rsffinaderij. Regard (re-gaard'), a. bilk; oplettendheid, twitRefit (ri-fle), v. a. herstellen; laptalven, ting; betrekking; aanzien; opsicht. in — of, nit Reflect (rellekt'), v. a. weérkaateen; v. n. weeraanmerking van. mita — to, ten opzichte van —, kaetsen; (on, upon) terugvailen; terugdenkan aan; v. a. beachouwen; in aanmerking nemen; aehten; nadenken over, overwegen; to aanmerking neRangaan, betreffen. fkl, a. —fully, ad. opletrnen; zich ongunsttg uitlaten over. —eat, a. tend, zorgvuldig (of). —less, a. —teesty, ad. onwetrkaataend. —ion (-1Iek'sjun), a. weerkaatsing; oplettend, onachtzaam (of). —lames., a. achteweêrschiln; overdenktng; berirping. —lye, a. loosheid. weerkaataend; nadenkend. —or, a. straalbreker Regency (ri'dtjen•eih), a. regentscbap. overweger. Regenera cy (re-dzien'ur-e-siih), —tette,. (•et)-, Reflex (riTelts), a. omgebngen. a. toeatand van wedergeboorte. —te (-et), a. wedergaboren. —te (-eel), v. a. wedergeboren doen Refle x ibis (re tleks'ibl), a. weerkaatabaar. warden. ( ee'sjun), a, wedergeboorte. —ibility (-bil'it-tih), s. weerkaatsbaarheld. Regent (ri'dzjent), a. regeerend. a. regeerder. —ire, a. Zie Reflective. regent. —est, a. rsgentes. —ship, a. regeering, weder bloelen. Refloarieh (ri furls)), regentschap. u. terugvloeiend. Reflow lri Refluent (r.noe-ent), a. terugvloe'end. Regertnination (rt-dzjur-ml-nee'ejuu), a. wederontkieming. Reflinic (ri'lluks), a. ebbe. Reform (re-form'), e. hervo•ming. —, v. a. her- Real Bide (red'sji-sajd), a. koningamoord; koningantoorder. —men (-men), a. leefregel; bevormen; (ri-form`) weder vormen. —, v. n. beter worden. —ation (ref ur-mee'sjun), a,hervormingt heerschte naamval; wijze, stelae'. —meat, a. regement. —mental (-men'tel), a. regements-, verbetering. —atory (-e-tor-rih), a. hervormend. mental. (-men'telz), pl. uniform. her. —jet, a. hervormde; hervormer. —er, a, vormer Refract (re-frekt'), v. a. breken. —ion (-trek'. Region (ri'dajun), a. atreek, steer. Pjun), e. straalbreking. —ive, a. straalbrekend. Regis ter fred'zjis-tur), a. register; bijlbrief; registrateur; —store, regiateroven. —ter, v. a. re—evinces (-ur-lh), a. weerapannigheid. —orily, wetrapannig. gtstrreren, aanteekenen; aanmonsteren; —ship, ad. —ory, a. a. ambt van registrateur of griffier. —trar (-trer), Refragable (ref're-gibl), a. wederlegbaar. a. registrateur, griffier. —tration (-tree-sjun), a. Refrain (re-Preen'), a. refrein. —, v. a. weerhou(het) registreeren, —try, s. regiatratie; -kantoor; den (frees); v. n. Ifrom) zieh onthouden van. Ina chit ving, Re ream e (ri-freem"),v- a. weder in elkan der zetten. Refrangi ble (re-fren'dsjibi), a. breekbaar. Reglet (reglit), a. zetlijn„ —Nifty (-dzji-bil'it-tih), a. breekbaarheid (der R•egorge (re-gordzj'), v. a. uitbraken; wader inslikken. /lchtstralen). Refresh (re-fresh), v. a. ververschen, verfria- Regraft-(ri-graafe), v. a. op nieuw enten. schen; verkwikken. —er, s. verfriescher; yen- Regreet (ri-graant'), v. , op nieuw vergunnen. kwikkend middel. —meat, a. ververrching, ver- Regrate (re-greet'), v. a. opkoopen; atbikken. —r, a. opkooper; uitdrager. frissching; verkwikking. Refrigerant ;ra-frid'zjur-ent), a. & a. verkoe- Regreet (re-griet'). v. a. weder groeten; teruglend (middel). —te (-eet), v. a. verkoelen. —tion groeten. (•ee'sjun ► , a. verkoeling. —tire (-8-tiv), —tory Regress (ri'gress), —ion (re greRj'un), a. terugbeer. —ire (re-gres'siv), a. teru keerend. (-e'tur•rih), a. verkoelend. Regret (re-gret'), a. spit, lee women, verdrlet, Roll (rift), a. beroofd. berouw, (for), —, v. a, betreuren, sat hebben Refuge (re/Iced*, a. schuilplaats ; toevIneht. van. —fat, a. bedroefd. —fully, ad. met leedwe—, v. a. beschermen. —e (-joe-dzjiel, s. viuchzen, ongilarne. teling; uitgewekene. Regal ar (regloe-ler), a, —arty, ad. regeimatlg. Refulgen ee (re-furdzjens), —cy, a. geregeld- regulier. —ar, a. ordebroeder. —arity achittering. —t, a. —t/y, ad. glanerijk, achit(-ler'it-tih), a. regelmatigheid; geregeldheld. terend. —ars (-fern), pl. geregelde troepen. —ate (-feet). Refund (re-fund'), v. a. teruggieten; betalen; v. a. regelen, schikken,ln orde brengen. —action dehken; teruggeven. (-lee'sjun), a. regeling, schikking; 'reglement. Rer1111. able (re-fjoceibl), a. to weigeren. —al, —ator (-lee-tur), a. regolaar, inrichter; ,linger; a. weigering. —e (refloez), a. uitgeschoten; a. regulateur. uitscbot, afval. —e, v. a. & n. weigeren, afRegurgita to (reuediji-teet), v. a. weder alaan. —et, s. weigeraar. inalokken; v. n. teruploeien; overwerpen, Belot able (re- fjoelibl), a. wederiegbaar. ation loopen. —tion (-tee'sjun), a. wederuitwerping. (ref-joe tee',)un), a. wederiegging. —atory (-te• -inelokking; overvloeling. tor rib), a. wederleggend. —e, v. a. wederleggen. v. a. heratellen, 1Rehabilita te —er, e. wederlegger. weder bevoegd waken. —tion (-tee'sjun), a. herRegain, (re•geen'), v. a. herwinnen. stelling. Regal (ri-gel), a. —ly, ad. koninklijk. Regal e (re-geek)., a. koninkiljk voorrecht; ont- Rehear (IA bier') [irr.], v. a. wader hooren. —ing, s. nader onderzoek, herziening, haal. —e, v. a, onthalen; v. n. ,mullen. —ement,
(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-

Waarom is XRP going down


BOV —BRA Bovenate, bv. uppermost. o. uppermost pert, top, summit. Hoven steal, v. treble, distant; soprano. Boventaand, m. upper-tooth. Boventoon, in. high tone. den — singes, to assums an air of superority. Bovenvereilepttag, v. upper-story. Itovescwoning, v. iodgiug above stairs. Bovenzaal, v. upper-hail. liovenzUde, v. Zie Bovenkant. le ovenztnneakjk, by. metaphysical. Bread anal, m. spitch-cock. —appel, m. roasted apple. —haring, rn. herzing for broiling. —Vv.?, —rooster, o. gridiron. —oven, m. frying-oven. —pan, v. frying-pan. —nail, o. windlass, capstan. —spit, o. spit, broach; rapier. —spittlraater, m. turn-spit. o. meat to be roasted, roastbeef —vet, o. dripping. —worst. v. !sewage. Iliraaf, by. & bw. honest (-1y), virtuous (-1y), upright (-1y), just (-Iy); brave (-1y), gallant (-1y); a good deal. —held, v. honesty, upriehtnees, integrity; bravery, valor. Break, v. breaking, burglary; breach, brake —, by. fallow, waste. —drank, emetic, vomit., vomitory. braking-iron. —jaar, year in which a piece of ground lies fallow. —land, fallowground. —lust, ounces, qualm. —middel, use Braakdrank. --xi*, emetic wine. —te(insteen, emetic tartar. —world, ipecaeuanha. —eel, o. vomit. Bream, v. black-berry, bramble. —bezie, blackberry. —back, bramble, brake, blackberry-bush; burning bush. — struik, bramble, blackberry-hush. Brabbel ear, .—carater, v. jebberer. —en, ov. & on. w. to jabber. —fetal, gibberish, jabber. —ing, v. jabbering. Brad en, or. w. to roast, to fry, to broil, to bake; to bream. gebenden vleeseh, roast meat. —er, m. roaster; cook. —erij, Y. cook's shop. Beak, na. setting-dog, setter, beagle. —, by. brackish, briny. —held, v. brackishness. Brak en, ov. w. to vomit; to brake. —er, m. vomiter. beaker. —ing, v. vomiting; braking. Brattier*, on. w. to brag, to boast. Bram, m. lord. den — uithangen, to lord it. — toeren,to set the top-sails. —ra, top-gallant-yarde, —steep, top-gallant-mast. --eon, top-gallant-xeilvkoelte, top-gallant-sail's breeze, fresh gale. Brand, in. fire, burning, conflagration; fuel, firewood; . blight, blast, mild. w; inliammatioe, erupgeraken, to cateh (to take) lire. in — tion. in me,oure. steken, to set fire to, etaan, to he on fire. in Boyenineester, rn. heact.ne ester, to set on fi:e. in den — titter, to be in a scrape. sit den — helloes, to help out of a scrape. Adder Baveremeneehei Uk, be. superhuman. ale ern —, quite clean, without the least spot 114,vectinntleetr 'rude, v. metaphysics. —kun. be. supe-natural. or stain. —brief, incendiary letter- —emitter. liredig, be. metaphysical. bucket. —helder, ate Brandsritsoistan. --bout. fireBovenop, bw, on the top (or), er /comes, to wood, fuel. —has. —kart, lire-proof gain the better, to restore one's self. box. —klok, fire-bell. — koren, blighted corn. lic.v,, ett morn, o. upper-casew.eet. —kraal, amber-bead. —kruid, mullein. —ladder, Boveatreend, m. uppermost border. fire-ladder. —latuto, colt'a-foot. —ltin, caustic Bovenrapg, tea. precedency, superiori ty. curve. —lucid, tie Brandrenk, —trees, coalBow 1,t.rok, us. upper-coat; upper-petticoat. mouse, —wester, chief fire-man, stperintendant lloveirseli o. upper-works. dead-woiks. of the fire-brigade. --neck, burnt-mark; stigma, Illowetastrantsd, be. above-mentioned. stain. —marten, or. w. to mark wit a red-hot 31c:evens tad, v. upper-town.
bewaarder; meat, gest. — of the hotel, kabelgast. Yoke (jook'), a. juk; span, koppel. —elm, hugebeuk. —fellow, —mate, makker, lotganoot; eeht—ly, a. van (ale) een yeoman. —ry, a. idt)klelne v. a. in het juk epannen; vereenigen, grondbezttters; ligtrawanten; bereden genoot. koppelen (to. with); ouder het juk torengen. York (jerk), e. rule r slag, stoot. —, v. a. & n. Yolk (junk), a. dooler. Vain (Jon'), Yond. Yonder, a. glndoch; ad, rukken, stun, stooten; springan. Rinds, ginder. Yes (jet),, ad. ja. Yore (ioor), ed. of — in days of — eertijda, veerVest (jest), s. Zia Yeast. been, in nude tijden. Yeutter ljes'tur), a. van &toren. —day, a. de dog van gisteren; ad. &tem. —night, a. de avond You (jue! pr, gij, u Young 'Wing.), a. Jong; ouwetend, (naeht) van giateren; ad. giateren avond (t teht) o. Jong. —ilk, a. nen. —man jongeling. Yesty (jelit'lh). a. Zie Yeasty. jengdlg. —ling, a. Jong. —/y, a. jangdig; ad. in Yet (jet), ad. nog, alanog; bovondien; sells. as voor alenog, tot dueverre. not —, nog Met. —, de jeugd. —eter, s. Jongeling; melkmull; Jong matrons. conj. nogtane, torh, echter. Yew (Joe"), a. —tree, taxieboom. —en (•in), a. van Younker (jungk'ur), a. Zie Youngster. Your ijoer), pr. ow, uwe, uwen. i.i0Prz), yr. texiehout. de (het) uwe. —self (-mei ► , pr. — selres (-Itelve), Yield liteld'), a. ophrenget. —, v. a. voortbrengen, set ten. pr. pl. ti, 'gij) tell, opleveren, atwerpen; toeataan, tt,elaten, tvege), a. jeugd; jongeling, joug rnensch. yen; overlaten. *lateen, opge ;en, tote,, varen, Youth (joeth , —ful, a. —fully, ad, jeugdtg -fulness, a. joug. overgeven (over. up); v. n, toegeven, zich tr.er;oven, — echikken, — onderwerpen; onde, doen, digheld. lY —y, a. Zie Youthful. swiehten, wijken, (to); nitslaan. —er, a. toegever; Ytteltin (joek'ke), e. yucca, adamanaald, broodworts) . Inwilliger. —ing, a. —inyly, ad. wiostgevend; toegevend, inerhikkelijk. a. het toegeven; Yule (Joel'), a. keretmie. --block, —clog, —log, houtblok voor het karetvuur. opbrengat, overgaaf. —ingnest, a. toegevendheid. Inachlkkelijklteld.

a. bijkomend. —t (ed'vent), s. advent. —titious Adult:Dui ab (ed-mon'iej), v, a. aanmanen (to); waarschuwen (against, of.) —slier, s. vermaner. (-ven-tis'sjus), a. toevallig. —teal (-ven'tjoe-e1), a. den advent betreffend. —tion (-me-nis'sjun), a. aanmaning; terechtwij- a. avoutuur, waagatuk; zing. —tioner (-mo-nis'sjun-u r), s. zedepreeker. Adventure (ed-ven'tjoer), —tire 1.1-tiel, —tory (-i-tur-rih), a. vermanend , ken.; toeval. bill of —, bodemerijbrief. by —, btj waarschuwend. toeval. a all —a, op goed geluk. —, v. a. & n. Admortization (ed•mor-tizee'sjun), a. verwer- waken. —r, a. waaghals; gelukzoeker. —some, a. ving van belastingvrije landertjen. gewaagd, roekeloos. Adnoun (ed'naaun), s. btjvoegelijk naamwoord. Adventurous (ed-ven'tjoer•us), a. gewaagd,roeAdo (e-doe'), a. beweging, ophef. much —about kelooa. Adverb (ed'vurb), a. bijwoord. —ial (-vuebi-e1), nothing, veel geschreeuw en weinig wol. a. bijwoordelijk. Adoleacen ce (ed-o-les'sens), —cy 1-sen-sih), s. Advera airy (ed'vur-se-rih), a. tegenatander; a. jongelingschap. —t, a. jongeliog; a. jeugdig. tegenstrtldig. —ative (-vueee-tiv). a. tegenatelAdopt le-dopt"), v. a. aannemen. —ed ehild,aan- genomen kind. —er, a. aannemer. —ion (-clop'. lend. —e, a, —sly, ad. atrtjdig; onvoorspoedig. —eness, a tegenstand; aandruisching tegen. —ity sjun), a. aannemlng. —ive, a. aannemend; aan- (ed-vur'sit-tih), a. tegenspoed. genomaen. Ador able (e-door'ibl), a. aanbiddelijk. —able- Advert, (ed-vurt') v. n. (to) acht geven. —ence ness, s. aanbiddelijkheid. (ed-o-reesajun), (-tens), —ency, (-ten-sih,), s, oRmerkzaamheid. a. aanbidding. —e, v. a. aanbidden. —er, a. aen- —ent (-tent), a. opmerkzaam. —sae Ied'vur-tait), bidder. v. a. berichten, aankondigen. —isement (tiz-ment, -tajement), a. bericht, advertentie.—iser(tarzur), (e• Born'), v. a. veraieren. —ing, a. eieraad, a. aankoadiger, advertentieblad. versiering. Adown e-daoun , ), ad, near beneden; prp. langs. Advice, (ed-vaj's), a. raad; bericht. —boat, adviesjacht. /Ids-fit (e-drift'), ad. slot; drijvend. ad. vlug, behendig. Advigliate (ed-vi'dzji-leet), v. n. waken. Adroit (e drojt ► , Ativis able (ed-vajz'ibi), a. raadzas,m. —ableneaa, —ness, s. behendigheid. a. raadzaamheid. —e, v. a. raad geven; berichten; Adry (e-drarl, a. dorstig. v, n. beraadslagen. —ed, a. —edly, ad. (-id-), Adecititious (ed-si-tis'sjus), a. toegevoegd; ont- bedachtzaam; overlegd. —ement (-vejz'ment), a. raadgeving; berichtgeving. —er (-vajz'ur), a. readAdstrIct loss (ed-strik'sjun) a. samenbinding. gever. —ory (-ur-rih), a. raadgevend. (ed-strin'dzjent), a. samentrekkend. Adstringent —te Adulation (ed-joe-lee'sjun), 8. vleiertj. —ory (ed , Advoca cy (ed'vo-ke-sih), s. verdediging. joe-le -tur- rill), a. vleiend, pluimstrijkend. (-beet), v. a. platen soar, verdedigen. —te (-ket), (kee'sjun), Adult (-edule), a. volwassen; a. volwassene. a. pleitbezorger; voorspreker. —tion —crate (-tur-eet), v. a. vervalachrn, bederven; v. a. pleitbezorging, verdediging. n. overspel begaan. —eration (-tur-ee'sjun), a. Advow ee (ed-vaau-iel, a. schutspatroon; collater. —son led-vaau'zun), a. patronaatrecht; vervalsching. —erer (-tur-ur), a. echtbreker; af- recht can eollatie. godendienaar. —cress (-tur-ess), a. echtbreekster. —erine (-tur-ajn), a. onecht. —croon, a. overspe • Adz, Adze (edz). a. Zie Addice. lig. —ery (-te-rih), a. overspel. —ness, a. volwas- Aegilops (ed'eje-lopa), a. traanzweer. Aegis (te'dzjits), a. schild can Minerva. scnheid. Adumbra not (ed-um'brent), a. schaduwend. —te Aeolian (ie-o'ljen), a. —harp, Aeoluaharp. (-breet), v. a. echaduwen; aehetsen. —tion (-bree' Aer ate (ee'ur-rest), v. a. luchten. —ial, lee-Priel), a. be lucht betrellend; verheven. —is (ie'ri, sjun1, a. schaduwing. ee'ut•rih), a. nest van roofvogels. —ification (-riAdunation (ed-joe-nee'sjun), a. samenvoeging. Adsinc ity (e-dun'sit•ih), a. haakvormigheid. —ous 11-kee'sjun), a. culling met lucht. —iform, a. 1-i-fall, v. a. met lucht opluchtvormig. (-kua), a. haakcormig. sullen. —ography (og're-fih), a. luehtbeechrtjAdust (e-dust'), a. verschroeid; ontstoken.—ible, —elegy a. verbrandbaar. —ion (-jun), a. verbranding; ont- sing. —olite (-o-lajt), a. meteoorsteen. (-01'ud-zjih), a. luchtleer. —ometer (-onal-tur), ateking. s. luchtmeter. —onaut (-o-naot), s.luchtreiziger. Advance led-vaans'), a. voortgang; veredeling; a. luchtvaart —onautical, —onautic (-o-naot'ik), bevordering; winst; voorachot. v. a. bevorde- betreffend. —onautics 1-o-noat'iks), a. luchtv aartren; veredelen; bespoedigen; verhoogen; voordra- gen; voorschieten; v, n. vooruitgaan lin); verwer kunde. —oseopy (-os'ko-pth), a. waarneming der lucht. gee.; naderen (to). —ment, a. vooruitgang; be Aerostat (ee'ur-os-tet), a. luchtbol. —ic (-tet'ik), vordering. —r, a. bevorderaar. —ical 1-tet'ikl), a. de luchtweegkunde betreffend. Advantage (ed-vaan'tidzj), a. voordeel (of. over); --ica (-tet'ikal, a. luchtweegkunde. —ion (-tee' goed gevolg; gunstige gelegenheid. to take —of, zich ten nutte fflaee-i. to turn to —, winat at- sjun), luchtvaartkunde; luchtweegkunde. werpen. —ground, so , rdeelig terrein. personal Afar (e-faar"), ad, ver. from —, van veers. —s, gunstige eigensciv.ppen. —, v. a. bevoor- Afeard (e-fterd' ► , a. (of) bevreesd. deelen; bevorderen. —ous (ed-ven-tee'dzjus), a. Afer (ee'fur), a. zuidwestewind. voordeelic. —ousness (ed-ven-tee'dzjus-ness), a. Atrab fifty (ef-fe-bil'it-tih), s. minzaamheid. v oordeeligh —le leetible a. —1y. ad . minzaam, epraakzaam. Adven e (ed-vien'), v. n. bijkomen, —ient (-leot), —leness, a. minzaamheid.

UNIT--UNX. 324 Unintellig ant (un-in-telnid-z)ent), a. onkunUnhewn (un-joen 5 ), a, onbehouwen, ruw. —ibleness, s. severdig. Unbidden (un-hid'dn), a. onverborgen. staanitarhe!d. —We, a. —ibly, ad. ouvetstaanUnhindered (un-htn'durd), a. ongehinderd. Unhinge (un-hindir), Y. a. uit de hengsels Lich- bum Unintentional (un-in-teu'sjun-e1), a. —ly, ad. ten; tat zijn verband rukken, orniteerea. onopzettelijk. Unhit lun hit'), a. niet getroffe.n. Uuinter ested (un-in'tnr-est-id), a. belangeloos; Unhitch (un-littsrl, v. a. athaken. riet betrokken (in). —silted (-mit'tict), a. onUnhurt if y (in-ho , 111-11h), ad, —y, a. onhailig, s. onhetiigheid. afgebroken. —mixed (-mike(?), a. onvermengd. goddeloon. —rupted, a. —ruptedly, ad. (-rupt'id-), onafgeUnhonored (un-oreurd), a. ungeierd. Unhood (un-heed';, r. a. de kap afnernen. —ed, broken. Unin tired (un-in-joerd'), a. niet gewend (to). a, zonder kap. —vented (-vent'id), a. onuitgevonden. —reeled Unhook (vn-hoek') v. a. loehaken. (-vest'id), a. niet bekleed; niet belegd. —restigable Ulaboop (un-hoepl, v. a. van howls ontdoen• (-vest'l-gibl), a. onnaspeurlijk. —riled (-vaj'tid), Unikope d (un-hoopt'), a, — tor, ongehoopt. a. ongenood. (-hooploel), a. hopeloos. fret Unhorse (tin-horn'), v. a. van het paard werpen. Union (joe'njun), s. vereeniging; eendracht ; Unhositile (un-hotrtil), a. Met v(jandig. Unto. —flag, natlonale ',lag (van Groot- BritUtabousta lun-haue), v. a. uit het We jagen, tannii). Uniparotio (joe-nip'e•rus), a. tin Jong werpend, aan den dijk zetten. Unhumbled (un-hurebld.), a. onvernederd. Unique (joe-niek'), a. eenig. Unison ijoe'af-sun), s. een-, gelijkstemmigheid; I.Johring (11.1 hung') a. ongehangen. overeenstemming. —, —ant, —ous (-n;s'o-), a. Unhurt (un-hurt'), a. ongedeerd, onbeschadigd. gelijkstemmig, -klinkend. —Ail, a. —fully. ad , onachadalijk. Unit (joe'nit), e. eenheid. —anion (-ee'ri-en), a. Unbusk (un huak`. ), v. a. pelien, doppen. Uni corn (joe'ni-korn), a. eenhoren. —form, s. unitarts. —e (-neje), v. a. vereenigen; v. n. zich uniform. —form, a. —forstly, ad. eenvortnig. ver,nigen; itch verbinden; aaneengroelen. a. ad. (-najt'id), vereenigd, gezamenlijk. —fortuity (-form'i-tih), s. eenvormigheid. —genus —y, s. eenheid; overeenstenrning. (-ni 4'0e-tins), a. van din geslacht. —lateral (-let'- Univalve (jotent-volv), a. eensehalig. ur-el), a- eenztjdig. unItn aginable (un•int-ed'zji•nibi), a. ondenk- Univers at (joe-ni-vers'el). a: —ally, ad. Opmeen. —ality (-erit-tili), a. algerneenbeid. —e ium, —paired (-peerd'), a. onverzwalkt; onge- Ijoe'ni-vurs), s. heelal. —lip, a. huogirachoot, nehonden. —passioned (-pesj'und), a. onharts- universiteit. tochteltjk, bedttard. —peaehable (pitts'ibt),j a. niet to betchuldigen, onberispelijk. —peached Univocal (joe-niv'o-kel), s. & a- (woord) met slechts dine beteekents. (-pietajt.'), a. onbeethuldigd. —peded (-pie'dfd). a. ongehinderd. —portant (-port'ent), a. online- Unjoin (un-dzIojn'l, v. a. seheiden. —t, v. a. ontleden; ontwriehten. —ted (-tid), a. ontleed; langrijk. —pitted I-poozd'), a. vrijwillig. —posing ontwrieht; zonder gewricht. I-Po'zieng), a. n'et indrukwekkend; vrijwillig. Unimprov able (un-im-proev'tbI). a. onverbe- Uejoy tut (an-dzjorfoel), —ous, s. niet vrooltjk, nedralachtig. terlijk. —ableness, e. onverbeterlijkheid. (-proevd'), s. onverbettrd, onbeechaard; onge- Unjudged (un-dzjudzjd'), a. onbeourdeeld, onboalist. bruikt. —ing, a. niet verbeterend. Uninaputabl• (an-im-pjoe'tibl), e, niet toere- Unjust (un-dzjust'), a. —1y, ad. onrechtvaardig, onbilftjk. —nese, s. onrecbtvaardigheid. kenbaar. Unin alined (un.in-klajnd'), a. ongenegen, Unjustlit able (un•dzjnet'L-faj-ibl), a. —ab'y, ad. niet te rechtvaardtgen, onverantwoordelijk. —debted (-det'id), a. condor achulden; niet ver- schuldigd. —different (-dirfur-eat(, a niet on-—ablenese, a.onverantwoordelijkheid. —ed (-fajd), a. ongerechtvaardigd. verachilPg; niet onpartijdig. —dulyent (-dui', dzjent), a. niet toegevend.—d,.trioua (dus'tri-utt), Unkennel (un-ken'n11), v. A. nit het hok of hol drtiven; te voorschijn brengen. onbedtlivIg. —fected 1-fekt'idl. a. niet a. onbesmet. —famed(-fleemdl, a. nietontvlarnd. Unkepi (un-kept'), a. niet gehonden., — nage-flammable (-flenemibl)„ P. . niet OntvImbartr. komen. —flueneed (-in'iloe-enst), a, or!) van invloed. Unkind (un-ka)nd'). a. —ly, a. & ad. onvriencle(-1i-nese)„ —nest, a, onlijk. lieideloos. -formed (-POP.Cr), a. niet onderrieht. —onto. vriendelijkheid. (-dzjen'joe-us), a. niet openharttg, niet oprecht. Unintiobit ethic (un-in-heb'it-ibP, ,abewoon- Unklnlq (un-ki'ng') v. a. onttroonen. —!y, a. onhoar. —ableneis, s. onbewoonbaarheid. —ed (-id), koninklijk. Unkissed (un-kise), a. ongekuat. a. onbewoond. Unin lamed (un-in'dzjoerd). a. onbeleedigd; on- Unknelled (un-neld'); a. zonder geld der doodbesehadigd. klok. ouisitive (-kwh'i-ttv) , a. niet —spired nieuwaglerig, (-spajrdn, a. niet bezield; Unk•lghtly (un-najt'ith), a. onridderlijk. niet ingegeven. —strueted (-strukt'id), a. niet Unknit (tin-nit') [ire.], v. a. loetrekken, losonderwezen; zonder voorsehriften. —struetive waken. 1-strukt'lv), a. oniserzaam. —eared (-sjoerd'), a. Unknot (un-not'), v. a. nit den knoop doen; lonmaker. onverzekerd.


covetousness. —.Wig, be. & bw. selfish (-1y). Bal, 0. ball, dancing-party. —costuum, —kleed, covetous (-ly). —zuektigheid, v. Zie Boat. ball-dress. —saa/, ball room. litteht. Balaneeer en, ay, & on. w. to poise, to bal. m. babbling, tattling; mouth. —guidife, nuns, to equilibrate. —stole, troy, rope dancer's freak, childish trick. —tout, tie Bab- pole. heliometer. —nee, m. babbler, putter, tattler, Thalami, v. balance; equipoise. —rehentng, bal tell-tale. —acrster, a, gossip; zie Babbeelanr. anee-account. —.tanker, maker of i,lances. v. tattling, chitchat —en, ov. & on w. to Bnidaeltg, by. & bw. wanton (-In petulant (-1y). —Acid, v. wantonness, petulance. babble, to prate, to tattle, to tell tales. Babok, m. boor. —kig, be. & bw. boorish (-ly), Balddndlg, by. & be. foolberda• (•ily ). —held, v. unmannerly. —kigheid, v. boorishness. foolhardiness. Bad, o. bath. de —en gebruiken. to take the BRIderen, on. w. to roar, to thunder. w &term, —arts, —dotter, phyaicisn (in a. water- Bal•in, v. & ta, whale-bone. —en, by. (of) whaletug-place). —past, bather, visitor (at a water- hone. ing-place). —head, —.Weed, ba‘ hing-dress. —tan- Baia, m Can, slough; paunch; guts. der, —tinishouder, bagnio-keeper, — huiy, bath, Bali., v.rail; bar; tab. —eland, linen besket.—teelbagnie. —inrickting, bathing-place, -establish cprekendAeid, eloquence of the bar. meta. —tamer, b tthing-toom, beineary. —knecht, Baljuw, in. bailiff. —Like, v. bailiwick. —schap, vrziter (in a bagnio) —koala, bathing-weggon tr. office of a bailiff. bathing-tub. —Incur, use of mineral en- Balk, m. be ein,joist, ratter; bar. te rs. —plaats, wetering• place. --rein, journey to Balkan, m. loft. a watering plane. —seism?. bathing-seasoa. Balk en, on. w. to bray. —er, m. brayer. —aloof, hot-bath. —en, on. & on w. to bathe; Bailleon, o balcony eleA t. -iv, to bathe, to use Laths; to swim, Ballast, ra. ballast; luggage, lumber, encumto welter; sick in iranen brines. —kited, dort-sati, tarpawling, to seep bitterly. to ba bathed in tears. —ende, dw. (in) drenched in. —schuit, ballast-lighter. —vrackt, dead freight. —er, m. bather. —eft, ov. w. to ballast. Batten, on. w. to bark, to yelp. Batten, or. w. (de wait.) to clench. Bag, v. jewel, set-ring, Ballekbb, o. little ba;l, pellet. een — van ieta Baggage, v. baggage, luggage. —wages, baggage• apwerpen,to give a hint at a thing. wagon. Balling, m. 36 v. exile, o attest. —.hap, v. exile, Bagger, v. mid, mire, dredging.. —beugel, dredge. banishment; in — renden, to exile. —inolen, dredging • Bail wheaten, ()v.& on. w. to ballot. —man, dredger, e: machine. —net, dredging-net. —preens, —schuit, Bsaloorig, by. fretful, vexed. —held, v. fretfeldredg:ng-boat. —turf, miry turf. —en, on, w. to nest, vexadnees. dredee, to dig out the mud. Baleen), m. balsam, halm, —boom, balsam-tree. Balonet, v. bayonet. —gear, balsamic odor. —geurig, balmy —kruid, bairn of Gilead. —straik, balsam-ehrub, Bak, m. basin, bowl., pan; trough, crib; meat. fore-deck; boot (in eene koets); pit linden schouw- baieamic, balmy. —en, ov. to enbalm. —ins, v. burg); cheek. —been, colossus, w happer, huge and embalming. unwieldy thing. —board, larboard. —gnat, mese- Halaturig, be. cross, peevish, obstinate. —Acid, v. mate. —Luis, ale Bakken. —slag, box, on the crossness, peevishness, onetinacy. ear. —slede, large Ledge. —stag, back-stay. Bausba,ett, o. —riet, bamboo. —stapek,elle, —stagwind, aide-wind that fills all Ban, m. excommunication; jurisdiction; levy, in the sails. —tend, cheek-tooth, grinder. —kebaard, den — does, to excommunicate. —bliLsem, au atherna, ► rainat,on. whieker. Bakelaar,v. laurel-berry. Band, m. bend, cord, string; ligament, ferrule, Baken, o. beacon, buoy. —geld, beaeonage. —en, truss, bandage; hoop, fillet, astragal binding; on. w. to erect beaeans, to lay buoy., volume; bond, tie. —, o. tape, ribbon. —hoed, Baker, v. (dry) nerve. —maed, childbeci•basket, bandog; sluggard. —en, m. my. bonds, —mat, cradle; birth- place, origin. —spetd,swad- ties; chains, captivity tiling-pin. —en, ov. w. to swaddle; eieti —en,t. w. Handel, m. hoop. to bask. heel pebakerd rho, to be hot-spurred. Bandelier, tn. shoulder- belt, bandoleer. Bak ken, ov. vs. to bake, to try; iemand eene Bantilet, m. baudit,ruffian. Haman, ov. a,. to level, to pave, to beat. eieb een poet', — to play a, o. a trick; ik sat eat ham sot: I'll give him like far like (tit for tat). —hole, wry -,to open one's self a way. bake-house. —oven, baker's oven. —pan, fryingpan. Bang be. & bw. afraid (of), anxioas timor-steen. brick. —trog, baker's treueh, bunch. no I - 1y). co ward (-lye; fearful (-1y). — maker, Bakker. in. baler. —alzriedtt, journey inan-ba- to frighten, to make afraid. —held, v. anxiety, timoroaseess, fearful... v. bake-house; bakery man. ker, itaker Hauler, v. tanner, standard. —draper, standard—in .• baker's wife. bearer. Bakke'. o. face, chops, fin. Battler, m. —hear, lord. den — spelen,to lord it. Bake.% o. batch, baking, oven !Ill. m. ball; tea:idle. den — slaan, to play at Bank, v. bench, form, pew, stall; bask; loantennis, den — misslaaa, to be mietaken. —slunk office, lonebard; shelf door de — generally. on playing at tennis. —spel, tennis. —sak, scrotum. an average. —attic, bank- biii,bankestock. —biljet,
Behead (be-bed'), v. a. onthoofden. Benedlc tine (ben-e-dik'tin), a. benediktijner Behest (be-hest'), s. bevel. monnik. —lion 1,sjual„ a. eegening; wijding. Behind (be-hajnd'), ad. achteraan, ten achteren; Rene faction (ben-e-fek'sjun), a. weldaad. —hand, prp. achter. ad. ten achteren, achterlijk. —factor, a. weldoener. —factlese, a. weldoenster. Behold (be-hoold') [beheld], v. a. aanachouwen. —fire (ben'e-flat, a. kerkelijk ambt. —ficed (-fiat), —, int. zie eens! zie1 —en. a. verplicht. a. een kerkeltk ambt bezittend. 'Reboot' (be-hoof'), s. gerief, nut. Beneficen ce (be-neri-renal, a. weldadigheid. Betio° ve (be•hoev"), v. a. voegen, passen. —t, a. weldadig. —cable, —reful, a. geriefelijk, dienatig. Benefici al (ben-e-Ils'ejel), a. —ally, ad. voorBeing (bileng), a. wezen; bestaan. —, part. dewijl. d eelig. —ary (-sje-rib), a. onderhoorig; s. kerkelijk Belabor (be-lee'bur), v. a. afrossen. beambte. Belated (be-leet'id), a. door den nacht overvallen. Benefit (ben'e fit), a. weldaad; voorreeht; voorBelay (be-lee'), v. a. insluiten, berennen; ejorren. deel. —night, benefice-voorstelling. —, v. a. beBelch (belts)), s. °primping. —, v. a. oprispen. voordeelen; v. n. voordeel trekken. Beldam (bel'dem), a. grootje; heks. Bonet (be-net'), v. a. verstrikken. Beleaguer (be-lie'gur), v. a. belegeren. Benevolen cc (be-nev'o-lens), a. welwillendBelfry (herfrih), a. klokketoren. heid. —t, a. welwillend, gunstig. Belie (be-larl, v. a. heeten liegen; belasteren. Benight be .n ajt!), v. a. in duisternis hullen. Belle f (be-lief'), a. geloof. —cable, a. geloof—ed, a. door den nacht overvallen. boar. —ve (-Her), v. a. gelooven (upon, op); v. n. Benign (be-najn'), a. —ly, ad. goedaardig, geloovig ziju (in). —ver, a. geloovige. —vingly,
melk. het rerband —, to unbandage, ionand een eed —, to swear a, o., to pnt ta. o to his oath. irwal(jk —, to take Rothe tested —, to overcharge. —, on. w. to abate, to lessen, to decrease, to decline, to d ,, car, to fall; to wane, to lie on the wane —end, bv. declining, diminishing; waning; fainting. —er, m. taker: customer. —ing, v. taking down, — off, — from — away; descent; decrease, decline, decay. wane. Aftp, omen, on. w. Zie A ['Olken. A fnijpen, on. w. to pinch off, —from. Aforigen„ on. w. Zie AfkU ken. Afoogetten, on. w. to get in the crop, to reap. Afpneltten, on. w. to farm, to rent, Afpnkken, on. w. to unpack. to pack off, to unload; to snatch sway, — from. Afpnlen, on, w. to mark (to fence off) with pales, to limit, to incloseAfprissen, on. w, to equt.re, to proportion, to Fytitist; to count out a fixed sum of money. Afuelleta, ov w to sound, to gauge. Arpeinzen (etch), t. w. to rank ,,ne'sbrAin. Arnell•n, on. w. to peel (off), to husk. to "hell. Afperk en, av, w. to impark, to fence in, to fold, to mark out. --ing, v. enclosure, marking oat. Afperu en, ov. w, to extort (to exact, to wrest, to wrist) from. —er, ir. extorter. extortioner. —asp.. v extortion, exaction, wresting from, AFyikken, on. w, to peck to pick) off. Afplatxen, ov w, to flatten, to level. —big, v. flattening, levelling; oblate for. AlpbeRten, ov. w. to save by pleading. Afpinegen, on.w. to plough off. Afplist! 'sell, o. arts pickings• —ten, o•. w. to pick off. —rer, no. picker —.vino, v. picking. At pltikk en, on. w. to plunk off, to gather. —er, in. plucker. —ing, v. plu•cing, gathering. Alpoenoen. ov. w. to wipe off, to clean. Afprnehen, ov. w. spineta by coaxing. Afpraiton, on. w. to prevent by talking; to diseuade to arrange. A fpun to,n, zv.w. to paint off,to nib. Airtsadailer, v. Zie Meader. Afraid en, ov. w. to dissuade, to dehort (a. 0. horn); to advise (a. o. against). —er, In. dissuader. —ing,v. dissuasion. Afrnfelen, ON. & on. Iv. to ravel oat, to unravel. Afrageta, on. w. to clear from cobwebs, to dust. Afraken, on. w. to get off', — down; to get rid of. t in den iveg —, to go astray, to lose one's way. Afranden, on. a'. to take off the border (the margin) from Afroneelen, ov.w. to rib-roast, to drub, to thrash . Altrap ea, ov. a'. to rasp off. —er, rn. reaper. —ing, v. rasping. —set, o. raspinga. Afrotgenen, on. w. to lie beaten (worn) tiff by the rein. Afreikets,on. w. to reach down; to deliver. Afrei a, v. departure, netting out —sens on, w. to traoel over; on. w to depart, to net out. Ala- ricers on, on. w. to deduct, to abate; on. w. to settle (to cli ar) aecounts, to liquidate, to account with. —ing, v. deduction, eat tang (clear. ing) of accounts. liquidation; —harden ; to balance accounts; op —, on accoont.

Moet ik belasting betalen voor cryptogeld


QUI. felachtlg; verdacht. —ablexess, e. to ijfelachttgheld. —ary. a. vrageard. —er, a. auger; onderzoeker. —lest, a. zonder twtfel. Quibble (kwib'bl), e. woord , peling, apitsvondig. held. —, v. n. woordapelingen maken. —r, a. die woordspelingen maakt. Quick (kwik'), a. levend vleesch, leven; groene plant. the — and the dead, de levenden en de dooden. to cut (sting) to the —, diep grieven. —, a. & ad. levend; manger (with); levendig, vlug, anel. a — ear, een acherp gehoor. —beam, norbenboom. —eyed, acherp van gezicht. —grass, bondsgrae. --lime, ongebluschte halt. —match, loot. —sand, drijf-, vlugzend. —scented, Bohm van reuk. —set, a. leverde plant; heester; v. a. met heestergewas beplanten. —set hedge, groene hang. —sighted, acherp van gezicht. — silver, kwiksilver. —silvered, met kwikzilver overtrokken. —tube, gerwindobje. —witted, scherpzinnig, gevat. —work, wagering; levend gedeelte (van een whip). Quicken (kwik'kn), v. a. verlevendigen; verhaasten; aanmoedigen; aanzetten; v. n. levend worden; rich and bewegen; levers gevoelen. —er, a. hezie1er; verhaaster; aanspoorder. Quick ly (kwirlih), ad. ens;, acbielkjk; weldra. —nest, a. levendigheld; vlugheid, sarelheld; acherpte. Quid (kwie), a. tabakaprulm. —dany (-de-nib), a. kweevieesch. —nuae, a. vrasgal. Qutddit (kwid'dit), u. woordspeling, dubbelzinnigheld. —y, a. (het) eigen;ijke, wezenlijke;.eyltsvondigheid. Qui/Idle (kwid'd1), v. n. den tijd verLeuzelen; talmen. —r, a. treuzelaar, Vanier. Quieac at tkwAj-esse), v. a, atom aijn. —encc, —ency, m. rust. —ent, a. rustend; fail, stow. Quiet (kwarit), a. —ly, ad. gerust, sill. s. rust, stilte. —, v. a. doen bedaren, —er„ a. stiller, sueser; bedarend middel. —tam, a. gemoedarust; leer der quiEtisten. —nest, —ude (kware-rjoed), s. runt, atilte, gerustheid. —us (-rttur), a. kwijting, onto-lag; rust. Quill (lcuill). a. slagpen, acbacht; schrijfpen; nickel; npoel; clobber. —boy, apoeljongen. —driver, pennelikker, broodschrliver. —, v. a. ploolen, vouwen; keperen. Quillet (kwillit), a. apitavondigheid, ioopje. Quilt (kwilt'), a. gestikte deken; matras. -, v. a. atikken. log, a. (het) etikken; gestikt werk. Quinary (kwaj'ne-ri ► . a. vijfiedig. Quince(kwine),a.kweehoom,kweevrucht.—peach, kweeperzik. —pie, kweetaart. —tree, kweeboom. Quincunx ,kwin'kuaglifs), a. Nijfvorm (ruitswijza planting). Quenderagon (kwin-dek'e-gon), a. vijftienhook, Quinine (kwi-najn'), a. quinine. Quinqu ageslinra (kwin-kwe-djea'-me), a. zondag vábr de Neaten. —angular (-kwen'gjoe-ler), a. aijfhoektg. —ennial (-kweteni-e1), a. Niejarlig. —Ina (-kwarne), a. kinabast, kina. Quinsy (kwln'zib), u. keelontsteking. Quint (kwint), a. vkjfde; quint. — aln -een), a, Zie Quintin. --al, a. centenaar. —an, a. trierdendaagaehe koorts. —essence (-es'sens), a. gent.
vocd,terkind. —dam, voed• zoogbroeder. titer, mln. —daughter, pleegdochter. —earth, kweekaarde. —father, voedstervader. --land, land tot onderhou.d. —ling, a. voedsterling. —mother, —nurse, voedstermoeder. zoogmuster. —son, pleegzoon. Fattier (foth'ur), s. gewicht van 2400 pond. —, v. a. een lek atoppen. Foul (faun, a. —1y, ad. vuil, morsig; ennuiver; leelijk, slecht; snood; grof; verward; onklear. to make — water, op den grond stooten. to run — of, aanzeilen. —paper, klatipapier. —play, bedriegelijke bandelwijze. —spoken, E. kwaadspreicend. — wind, tegenwind. —ness, a. vuilheid. Foul (faul), v. a. bevuilen, bemorsen, v. n. onMaar worden. Foainsart (fou'mert), s. bunsing. Found (faaund), v. a. gronden, stichten; gieten. —ation (-dee'sjun), s. grond; grondslag ; grandvesting, atiehthig. Founder (faaund'ur), a. gieter; stichter; bevangenheld (bij paarden). —, v. a. kreupel rijdsn; v. n. zinken; mislukken. —ass, a. grondelooe, gevaarlijk. —y, a. gletert. Foundling (fa aund'lieng), a. vondeling.—hospital, vondelingshuis. Foundress (faaund'ress), a. stichtster. Four taln (faaunt'in), s. fontein. bron; oaraprong. —head, hoofdbron, oorsprong. Four tfoor') s. vier. on all —a, op handen en voeten. —cornered, vierhoekig. —fold, viervoudig. —footed, viervoetig. —ling, a. vierling. —score, tachtig. -square, vierkant. —teen, a. veertien. —tecnth, a. veertiende. —th, a. vierde. —thly, ad. ten vierde. —wheeled, vierwielig. Fowl (faauP), a. vogel, govogelte. —, v. a. vogels schieter, —er, a. vogelaar. Fowling (faauPieng), a. vogeljacht. —piece, vogelroer. —shot, ganzenbagel. Vox (foils"), a. v.; eluwert. —es, a. foksjes. —case, vossevel. --chase, —hunt, —hunting, voesenjaeht —evil, vosaenkwaal. —glove, vingerhoedskruld. —hunter, vossenjager. —tail, vossestaart (plant). —trap, vossenval. —ink, —y, a. vosachtig; siw(v, ltstig. Foy (Poj), a, trouw; afscheidsfeest. Fract tfrekt), v. a. breken, schenden. Fraction (frek'sjun), a. bteking, breuk; gebroken getal. — al, —ary, a. eene breuk betreffend. Fractious (frek'sjus). a. —1y, ad. gemelijk, kribbig. —ness, s. kribbigheid. Fracture (frekt'joer), a. break; beenbrezIk. —, v. a. breken. Fragil e (fred'zjil), a. broos, —ity (fre'dzjil'ittih), s. broosheid. Fragiatent (freg'ment), a. atuk, brok, overbliljfact. a. uit brokstukken bestaand. Fragor (free'gor), a. gekraak. Fragran ce (free'gretas), —cy, s.geuriheid. —t, a. —tly, ad. welriekend. Frail (free!'), a, biezen korfje. —, a. broos; swak, onstandvastig. —races, —ty, a. broocheid; zwakheld. Fralse (freez), e. apekkoek ; spaansche miter, rij stormpalen.

Is Bitcoin juridische UK


514 thaw alternately ; to languish, to be sickly ; to gabble. —winter, open (inconstant) winter. —nickte. indisposition. —ig, by. sickly, lingering, languishing. Kwakken, ov. w. to hurl, to dash, to fling; on. w. to plump (down); to spew'. Kveakzalv ere, on. w. to quack. —er, m. quack. —ern, v. quackery. Kneel, s, sea•nettle. Kvvallea, on. w. to whine, to cant. KsvalUk, be. bad, wrong; ill, sick, squeamish. - bw. ill, wrongly; hardly, scarcely. — semen. to take ill, — amiss. —pealed, ill-intentioned. —evert. adversity, misfortune. —Acid, v. sickness, squeamishness Kavnim, pan. thick vapor, smoke, reek. —en, on. w. to smoke, to reek. Kwal ster, m. spawi. —boom, wild ash-tree. —en, on. w. to epawl. Kevensei arm en. —aerate,. v. trucker, barterer. —acAtig, be. fond of trucking —art, v. truck• ing, bartering —en, on. w. to truck. to barter. Kvviteueulle, be. as if, as it were. Kwant, m. fellow, blade, chap. Kweps, be. ill, unwell. Kvvarrel, m. any thing wrinkled together. —achtig, —ig, by. bv. wrinkled. Kwert, o. fourth (part), quarter. —flesch, half a pint. —gulden, fourth part of a graldet. Kwartael, o. quarter. Kwarteel, o. quarter of a hogshead. Kwareel, nit. quail. —.)eentje, —iluitje, bird-call, cat-call. Kwortior, o. quarter (or an hour, etc.); district; lodging, quartering; quarters; peen — gores, to give no quarter, — no mercy. —dap, assembly of a district. —weaker, one that prepares quarters. —tweeter, quarter-master. —svergadering, assembly of a district. Kwartljn, m. quarto. Kawarts, es, quartz. —achtig, by. quartsy. Kevaesiehout, o. quassia. IK waist, m. brush; pencil; knot; tuft, tassel; fop, coxcomb. Kwastorlg, be. foppish. —Acid, v. foppery, foppishness. Kwastig, be. knotty. —Acid, v. knottiness. Kwee, v. quince —appal, quince. —boom, quincetree. —doren, herberry-bush. —peer, quince-pear. Kwesk, v. dog 's grass. —, m. breed. Kwookeling. wn. & v. pupil, Kweek en, or. W. to cherish, to nourish; to foster ; to rear, to raise, to bring up, to cultivate. —hof, —tide, nursery. —school, seminary. -- erg. v. nursery. o. growth. Kweel eta, or. & ow. w. to warble, to chirp; on. w. to languis t, to pine away. —tje, o. little spot, — warbling. litWeeva, v. barren cow ; barren woman ; hermaphrodite. Kress, v. hand-mill, quern. Kuroest on, on. w. to woo. —er, m. wooer. —erij , v. wooing. Kwoken, Kwokkon, on. w. Zia Kwakon. ltiwolnobtag, by, vexatious, annoying.
DRO..-DRU. on. w. to drink; to be given (addicted) to &linking. —Oak, watering-trough. —bakje, (bird's) trough. —baker, sup, goblet. —vela", drinkingbout, company of tipplers; —en retest, to keep an ale-house. —geld. —penning, drink-money, vails. —gesel, pot-companion. -seas, drinkingglass, tumbler. —*ore*, drinking.horn. —Auto, ale-house, gin-shop. —ken, jug, tankard. —lied, catch,drinking-song —schael,drinking cup, bowl. —vat, drinking-vessel. --seater, drinkable water. —sea, tap-room. —eOroer. pot-companion; toper, tippler. —er, m. —.ter, v. drinker; toper, tippler. v drinking. Drool', by. sad, afflicted. — te ssoede, sad, cast down, in low spirits. —enis. v. Zie Drotellteld. —geestig, by. & bw. sorrowful (-1y), depreased, dejected., gloomy 1-fly), melancholic. —geestighid, v. sorrowfulness, dejectedness, gloorninese, melancholy, —heed, v. sadness, morrow, affliction. Droes, m. strangles; deuce, devil. de —, the deuce I Droneene, m. dregs i lees.—ig,137.dreggish,dretgy. Drosvit4, by. & bw.;sad (-ly),affileted,Porrowful (-1y); gloomy (-11y), dismal (-1y); pitiful miserable (-bly). Droesig, by. having the strangles, glanderea, —Acid, v. strangles, glanders. Dross a, o. dry land, z(jae schaapos op het he3ben, to have a retiracy, to have feathered one'. nest. —en, ov. & on. w. t o dry; to wipe. —eriJ, v. drying-place. —erOen, v. my. drugs. —Art, m. druggist. Drogreden, v. sophism. —aar,m. sophist. Dr ok, bv. ens. Zie Druk, ens. Droll, M. turd; fun, drollery, droll, merry Andrew; thick-est fellow. —lig, by. funny; droll (-iegfy), drollich, merry (-ily), fecetioue (-1y). —ligheid, v. humor, merriment, facetiousness. Dram, m. troop, crowd, throng; woof. Dromodarts„ m. dromedary. Dromtuel, m. deuce, devil. wat the deuce at den —, all, the whole load. ores den — niet, by no means. —a, tow. the deuce! dickens! —sch, by. & bw. devilish (Ay). Dronk, m.draught; drinking. eenktnoulen— *ebbs*, to be quarrelsome to one 's cups. —card, m. drunkard, toper. —en, by. drunk, drunken, fuddled, tipsy. intoxitated (van, with), — waken, to wake drank, to intoxicate; — soorden,to get drunk —enacktig, by. half-seas-over. —enschap, v. drunk entitles, inebriety. Droog, bv. dry, arid; dull. —dock, towel. —korner, drying-room. —tat —stole, drying•itick. —oaten, to drain. —legging, —making, draining. —1(in, drying-rope. —pleat., drying-place. —ream, eiothes-horse, drying-frame. —seheerder, clot ki-sbearer. —ochre's, cloth-shearing. —rehuur, drying-shed. —roots, dryerhod. —solder, dryingloft, garret. — aehtig, by. rather dry. —kerb, v. dryness, aridity; dullness. —ing, v. drying. —je, o. op see sitten, to have nothing to drink. —08, bw. dryly. —te, v. dryness; drought, dry weather, shoal, shallow. Droom, m. dream. tit den — *elven, to undeceive. —beeld, vision, chimera. —gespuis, visions, phantoms, spectres. —gesicht, vision. —uitleggcr, oneirooritic. oneirocrities. —en, ov. &
:lot THA.-TEN. Tea Olen, a. thee. - board, -tray, theeblad, Teleecop ca (tel.'s-stoop), a. teleakoop. -ie, -ical (-sitoynk.), a. teleekopisch. -caddy, tteekistje. -canister, theebue. -chest, theettat. -cup, theeltopje. -dish,thaeachoteltje. Tell (tell') [told (tepid)], v, a. & n. Reggen, toolden; vertellen; verklikken; barren; uttwerking -kettle, theeketel. -kitchen, thee-machine. --pot, theepot. -eervies, -set thmss , viss. -spoon, doers, (abroad) bckend maker, (of) am-toren: verwliten. I cannot -, .0, -west Wet- --ftwtnn. theelepeltje. -table,:theetafel. -things, pi. thee- upon the cards, de heart legAen. -tale, A. WOgoad. -voider, waterpot. belachtig, wrklikkend; s. babbelaar; oorblazer. Teach (tiend') [taught (MO], v. a. c nderw(jenn, -er, a. verteller; rekeraar; stentopnerner; be'term-able, a.leersaam. -ableness,s. leersaam- taalmeester. held. -er, e. onderwgzer. -in7, a. onderwije. Teatera rictus (tern• e-ree'i 1-11e), a. v ermeiel, Teague (tteg), a. ler (ale schel dnaern). roekeloos. -ity (te-rner'it-tih), a. vermetelbeld, Teal (tiel), a. taling. Team (Item'), a. span; vlucht. -, v. a. in-, eon- roekeloosheid. Temper (tem'yo,), e. temper„ tempering, men. eptnnen. -*ter (-star), a. voermart. Tear (tear'), a. scholar, torn. ging; nerd; lulm, gemoedsgesteldheld; bed/LardTear (tear' [tore. torn (toots)], v. A. seheuren, held; gehardheid. to de out of -, in eene eleehre verseheuren; (from) ontseheuren; (qff)atmeheuren; luim On. - v. a. temperen, toengen; matigen, (up) openscheuren; opbreken; v. rt. rano, tier., ve aachtert; harden; gesehlkt, (p.send)makcn, in-er, s schearder; raker. flatten; wen. -ament (-e-rnent), a, keistel.; ReTear Olen, a. traan. -falling, -;flat, a, tranen moedagesteldheld; varroengIng. -ante, a. mattfcstortend, weenend. - fey:, a. sonder trafien. held; bedaardhe14. -ate, a. -ately, ad. (-et-). Tease (ties'), v. a. kammen; kaarden; plagen, matig; gematigd, bedaard - ateneet (-et-1. a. matigheld; gematigdheid. -adze (-e-tiv), a. ten, kwellen. -1 W0%0, a. kaardedistel; kaard; v. a. perend, nustigend. -attire (-e Oyer), N. hOoorkammen, kaareen. -1e, (tit'cl-ur), a. kammer; lijke menging; gestyldheid; warmtegraad, ternkaarder. -r, a. kwel ler, plager. peratuur, gematigdkeld. -ed (-wird), a. g.Tent (tiet), e. tiler, tepel. Teed ly (teter11-11h), ad. knorrtg"gemeitjk. atemd, gelnimd; ttomperd, geltard; -er-en -, • gelijkinoedlg. -ness (-i-neon), s. knorrigheid, fiemeliCkheid. Technic al (tek'olkl), a. --ally, ad. kunatmalig, Tempest (tem'pest), a. storm; ontveder.-f, eaten, kunst-, teehnisch. -s, pl. leer der kunaten en -tort, door storm geteisterd, -, v. a. tfit,teren, ambaehten. techntek verontrusten; v. n. stormen. Tempestuous (tans-pese(ne-us), a. --ty, ad . Technology (tek-nol'ud tjth), teehnologie. storm. chtig. --ness, a. atorrnachtigi.eld. Tetchy f,teterlh), a. knorrig, gemelijk. Trusplar (tem'plar), e. tempelter; student_ in de Tectonic (tek-ton'ik), a. bouvvkunatig. reehten. -der, Ted ited), v. a. (gernaald gr.) sprettien. Temple (tem' pl), ciempel;slaitp our' het hoard). a. & v. a. Zia Tether. -t (-pill), a. stuitbout; runt, scut. Todiate& (ti'djue), i. -1y, ad. vervelend; lastig; langdradig, -ness, a. verveiendheld; lang.lra. Temper at (tem'pur-el), a, _ally, ad. iijdelljk, wereldllik; van de alapen. -ality (-el'A•tett), a. digheid. -ale (-ell), pt. -city, a. wereldlijke yruederett Tedium (ti'dI-um), e, verveling, valg. tijTeem (tienin, , a. bares, werpen; voortbrengen; of inkomsten. -arity, ad. -ary, a. (-e-rth-).,ikjaftdelijk; verganke?ijk. -arivtess (-e-ri.), a. 1 v. n. (want) manger -, drachtlg -, vol skin van; wernelen van. -er, a. berende. --Jul, a. swan- lijktteid; verganketbkh ,, id. -ire (At), v. n. tich ger, draehtig; boordevol; a emelend. -ing, a. near den ttjd (de ornstandigheden) s•hikken; vrnehtbasr. -less, a. onvrnehtbar,r. dralen. -Izer (.aj.zur), a. 034v:inner, tamer; Teener (liinas). a. pl. leeftild tuaschen dertien en weerhaan, &eater. Tempt (ternt'), v. a. In verzoektng hrengest; betwintig jaar. Miss in her -. huwbaar meleje. Teeth (tleth), a. pl. van Tooth. to the -, vlak proeven; verlelden; aaneporen. -able, a :tan In het aangesteht. versoeking blootgasteld. -ation (-ee'sjun), it. Teeth (tleth'), v. n. tendon krtjgen. -leg, v. bet versoeking; aunrechting. -cr. a. verzoeker, ver• letder. --leg, a. -ingly, Rd. verleidelijk. -rose, 'Widen kriagen. a. verntekster, verlerdater. Teetotal ti-tole1), a geheel., voikomen. -er, a- matIghe dsman, afechaffer van able geestruke Temse (tense'), a. zee. -. -11(teutst . ), a. hjtt draulten. -ton, a. strange ontatoudlug van she gesitt; - bread, tljn wittebrood. Ten (ten), a. lien. geeetrijka dranken. Tenable (ten'ibl), a. houdbaar. Tex (lex), A. tweelarig reek/tit. Togas tsar (tarjoe-ler), a dakpanvormig. -cent Tense' ems )te-nee'i.jus), a. -ously, ad. eauklevend; tact; vasthoudend (of, eon); hardnek(-meat), a. bekleedael, huidje, viiee. tip'; getrouv; gterle. -ousneis, -ty (.nex'lt-tih,„ Tahoe (te•hr ► , a. gegiehel. -, v. n. giehelen. a, aarikleving; veathoudendheid; bardnekklgbeld; Tell (tiel),.. nude. lindehoom. Telary (trio-rib), a. eptunend; 'web-. -, a. mph, gierigh(td. Tenancy (ten'en-sib)., a. pacht,Pachtl.g. newel). Telegr am (tare-greys), s. telegram. -aph (-Iry at), Tenant (totem), a. yachter, huunler; bewoner, a. telegrant; v. a.telegrafeeren. -aphic (-grerik), pin, lip. -saw, sebrobettag. -, v. n. in hour a. telegransoh. -aphy (to-leg're-flh), a. tele. bobber). -able, a. bunrhaar. -lees, a. onvergrate. huurd. -ry, a. (de) gesamenlitke pachters.
BAL,—BAR. (baol',;ur-desj), a. mengelmoes; wertaal. —, v. a. vervaleche, BaldrIck (baold'rik), a. gor lel; dierenriem. Bale (heel), a. beat; elle, de. —, v. a. in Wen darn; lout) uithozen. —ful, a. —fully, ad. droevig. Balk (bask), a. balk; braakgrond; telenratelling. —, v. a. teleuratellen (of). —cr, s. teleursteller; haringaan wijzer. Ball (baol), s. bal, bol. 'cage':; danspartij. Ballad (bel'led), a. ballade. —singer, liedjeszanger. Ballast (bellest), a. ballast. —, v. a. ballaaten. —shot, a. scheef geballast. Ballet lbel'lit (, s. ballet , danaspel. Balloon (bel-loen"), s. bol, luchtbol. Ballot (bel'lut), a. stemballetje; geheime stemming. —, a. n. balloteeren. —ation, (-tee'ejun), a. stemming met balletjes. Balm (beam.), a. balaem; citroenkruid. —, v. a. balsemen; verzaehten. —y, a. bfilneMaChtig. Balsam (baol'sem), a. leniging, troost. —ic, —ical (-sem'ikl), a. balsamiek. —ine (-min), balsamine. Baluster (bel'us-tor), a. atijltje. Balustrade 0,0'ns-treed), a. leuninghek, Bamboo (bem-boe'), a. bamboesriet. Bamboozle (bem-boe'zlI, v. a. bedotten. Ban (ben), a. huwelijksafkondiging; ban. —, v. a, vervloeken„ in den ban daen. Banane (be nee'ne), a. pisangboom. Band (bend), a. bet; band, lint; bende, troeP; plat deketuk. —, v. a. verbinden, vereenigen. —age Ibend'idsj), a. verband. —box, lintdoos, hoededoos. —dog, a. kettinghond. Bandit (ben'dlt), a. bandiet. Bandiet (bend-lit), a. bandje; amulet. Bam:og (ben'dog), a. kettinghond. Bandoleer (ben-do-Tier'), s. bandelier, patroonteach. Bamiroll (bend-roof), a. vaantje, wimpel. Bandy (ben'dih), a. kolfstok. — a. g,ekromd. —leg, krombeen. —legged, krombeen ig. —, v. a. over en weer alms; wiaselen; v. a. wedijveren. Bane (been'(, a. verderf; vergift. v. a. vergifOgee. —ful, a. vergiftig; verderfelijk. fulness a. verderfelijkheid. —wort (-wart), a. nachtsehade. Bang (beng), a. klap, slag. —, v. a.. Mean, atompen; § overtreffen. Bangle (ben'gl(, v. a. (away) verspillen, yeakw isten. Banian (benlen), a. indische ochtendjapon; indieche vijgeboom. Banish (ben'iaj), v. a. verbannen. —er, a. verbanner. —meat, a. verbanning. Bank (beak'), a. never, dam; sandbank; rroeibank; apeelbank; wiseelbank. —, v. a. indarnmen; v. n. bankzaken drijven. § —able, a. gangbear (van banknoten). —er, a. bankler; 4 vieschersvaartuig. —bill, —note, banknoot. —rupt, a. bankroetier; a. bankroet. —ruptcy (-rup-sih), a. bankroet. Banner (ben'nur), s. banter, vaan. —et (-it), a. vaantje; baanderheer. —ol a. vaantje; wimpel. Bannock (ben'nuk), a. haverkoek. Balderdagh
to tall erty, t0 grow poor. aan den drank (to take) to drinking. G trammel, o. rattling. G erased, be. edged, bordered; (van munten) mill —e dukaten, ring-ducats. G crate', o. rattling. Gerlach', o, (court of) justice, tribunal; jurisdiction, course, dish, service. jongste —, lost judgment, dooms-day. racy het dayen, to summon, to enter an action ageinst. houden, to administerjustice, to hear causes. —abode. appar itor, summoner. —.day, court-day. —sdienaar, tipstaff, summoner; constable. —ado!, court at justice. —sko;ten, law-charges, law-expenses —splaats, place of execution. —Lava, justiceroom. —sniffing, session, assizes. —, be, & bw . just (-1y), equVable (-blye —eligc, be. & bw. judicial ;-ly), legal (Iy); tervolyen, to punue at law. —ig, be. & ow. just (.1y), lawful (-ly), righteous Hyl. —igd, bv. authorised, qualified, entitled.. —iyheid, v. justice, equity; righteousness eredder, o. co.earing, arranging, G tweed, be. & bw. ready (-11y). —make), to prepare. —e'ljk, bw. readily. —held, v. readiness; brengen, to prepare, to make ready. t1,1 stresedeeleap, o. utensil., tools, implements, inetrtunent•; rigging, tackle. Gereforsneerd, be. reformed. Geregeld, be' regulated, regular, orderly, fixed, set. —heid, v. regularity, order. beret, Gzrelde, o, utensils, tools, implements; things, stuff. Gerels, o. travelling. (ierekcn, o, reckoning, calculations. Gerekt, br. tedious. —heid, v• tediousnets. Si a rel, o, !tieing, ranting, chat. Gereotel,o. rattle, rattling, prattle. Genf kamsr, v. escriety, vestry. —sehaat v. join r's plane. G trite", In. notch. coons-groove, Geribd, by. ribbed, nerved. (ierlclit,o. Zie G erect& G aerlsaf, o. accommodation. convenience, comfort. —JO, be. accommodating, convenient. cornmodioue, comfortable, serviceable. —elijkieid, v. a,commodetion, convenience, commediouenees. Gerleven„ or. w. to accommodate, to oblige. Garti, o. riding. erkitn,e). rhyming. Gerikkik, o. croaking (of frogs). Gering, by.low, mean, vile; smell, trilling. — ariaten, —echatten, to undervalue, to el,ght. —*chatting. ftoregerd. —heid, v. lo wneee, meanness; smallness, triflingnees. Getlogd, he. ringed. Gerinkel, o, jingle. citing. Gerit, o. bustle, stir. GerItsti,o. rustling. Gerothel, o. rattling, epawling. Geroep, o. calling, call, shouts, clamor. Zie Optist Geroer, o. stirring. Gerraezemoes, o. bustle, stir. Geroffel, o. bungling, botching. Gsrol,o.rolling.
The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]
MOO.- HOU. Iloogerhuls, o. house of lords. Hoogsrwal, m. wind-side. 110ogesehool, v. university. Iloogheld, v. highness; grandeur; tallness; elevation. Hooging, v. heightening; outbidding. Ifoogikik,bw. Zie IloeigeltJk. Iloogoed, o. light, bright part; relievo, embossment. Ilooget, by. highest. —deceive, His (Her) Majesty. —derzelver, His (Her) Majesty's. ten —e, at best, at most; highly. lloogte, v. height, elevation, eminence; hill; altitude. op de — lion, off. op de — zOn van, to be conversant with. de — hebben, to be tipsy. sit de —; haughtily, superciliously; with scorn. —cirkel, aloiacantae. —meter, altimeter. —meting, altimetry. Maul, o. hay. —berg, hay-stack, -rick. —boter, bay-butter. —bouw, hey-herveer, -making. —gaffe, —cork, hay-fork. —hare, winter-chases. —land, —veld, hay-field. —maaier, hay-maker. —maaiing, hay-making. —mated, July. —markt, hay-market. —milt, —opper, hay-cock, -rick. —echuur, hay-barn. —tijd, hay-time. —wages, hay•cart; field-spider. —solder, hay-loft. —en, on. w. to make hay; to sell below the price. —er, m. hay-maker. 110055, m. insult, taunt, gibe, scoff, scorn. —gelack, scornful laughter. —en, )ov. w. to insult, to taunt, to gibe, to ecoff, to fieer at; to bias pheme. —er, m. —sler, v. insulter, taunter, scoffer, blasphemer. sloop, in. heap, pile; gang, set; multitude, troop, flock. bij den — rerkoopen. to sell in the lump. to — loopen, to gather in a crowd. de groote —„ the vulgar, the mass of tho people. —loepers, yo tinkers. Hoop, v. hope, hopes. in de —, hoping, in hopes. de — voeden, to entertain (to cherish)) a hope. Hoorbaar, be. & bw. audible (-bly). —held, v. audibleness. Hoorder,m. —es, v. hearer, auditor. llooren, or. & on. w. to hear, to hark, to listen; to learn. —de, be, hearing; — doof zik, to turn a deaf ear. —swaardig, worth to be heard. Hoorn, m, horn; sea-shell; vellum, parchment x(Ine opstcken, to show one's teeth. — van overvloed, horn of plenty., cornucopia. —band, binding of eperchment. beeeten. --tees, horned beasts, — cattle. —blaser, horn-blower, trumpeter. —drager, cuckold. —geld, tax upon horned cattle. —peschal, sound of horse, flourish of trumpets. —slab, horned snail. —slang, horned viper. C3r,,etelt. —riles, cornea. —vormig, hornshaped. —werk, horn-work. —acktig, by. horny, corneoue. —en, be. of horn; —band, binding of parchment. —loos, by. hornlees. lions, v. stocking, hose; hurricane; water-spout. —band, garter. —gat, well n room. —vat. 'coop. Hoovaard ig„ be. & bw. proud (-1y), haughty (-fly). —igheid,v. —(1, v. pride, haughtiness. Holtz en, or. w. to scoop. —er, to. scooper. Hop, m. whoop. --, v. hop, hops. —akker, hopfield. —coot, hop-oast. --betel, hop-kettle. —booper, hop-man. —perank, hop-sprig, tendril. --pe

Fuse atIon (fus-keeNjun), a. verdonkering. -011,8 (fus')us), a. donker, dof. Fuse (fjoez), v. a. & n. smelten. Fusee (fjoe-ate'), a. kettingspil; Omer (van Rene bom); vuurroer. Fos' bility (fjoe-zi-bil'it-tih), a. emeltbaarlicid. (fjoe'zibl), a. smeltbaar. Fusil (fjoe'zil), a. emeltbear; vloeiend. —ier, a. (-tier'), fueelier. snaphaan. Fusion (fjoe'zjun), a. smelting; gesmoltenheid. Fuss (fuss), a. opechudding, rumoer. Faust (fast), a. schacht (eener null); dun reuk. —, v. n. duf rieken (smaken). Fustian (fust'jen), a. bombazljnen; hoogdravend. --, a. bumbailjn; bombast. Fustic (fuetik), a. geelhoue. Fustiga to (fuett.geet), v. a. afrossen. —tion (-gee'sjun), a. afrossing. Vast mesa (fus'tt-ness), a. duf held; be - chimnteldheid. —y, a. duf riekend; beschimmeld. Foul{ e (fjoe'til), a. beuzelaeht1g. —ity a. beuzelachtigiteid. Futtock (fut'tuk) t s. buikstuk, rib, titter, opbanger. — of the ',dere, oplanger van een battenspoor. —hook, puttinghaak. —line, verticale doorsnede. —plate, mareputting. —shrouds, puttingtouwen. —staff, sprijbout. —timbers, oplangers. Future (fjoeijoer), a. toekomend; a. toekomst. —ition (-risrun), a, toekometige staat. —ity (-tjoe' rit-tih), a. toekomatieheid. Fuzz (fun'), 8. vezeltjes, pluisjes. —, a. n. ultrafelen, veneer* stuiven. —ball, wo1faveest (pleat). 'Puzzle (Neal), v„ a. dronken maker. (Lie to Fuddle)., la. ruw, gepinkt. Fuzzy fnz'aiii). n Fy (faj), i t. foal!
Bombard (bum-beard'), v. a. bombardeeren. Bore (boor), s. boor; bocrgat; wOdte, vervelend —ier. (bum-ber-dier'), a. bombardier. —tnent, a. mensch; lastige zaak. —, v. a. boreu; vervelen. bombardement. —r, a. boor; boarder. Bombast.' (bum'be-zien), a. bombazijn. Boreal (bo'ri-e1), a. noordelijk. Bombast (bum'bartet), a. i)del gezwets; hoog- Boreas (bo'ri-em), a. noordewiud. dravenda Vaal; katoenen stof. —ic (barts'tik), a. Born (born), part. geboren. base oneeht. hoogdravend. Borne (boom), part. gedragen. Bombycineus (bunt-bis'i-nus), a. zijden; zijde- Borough (bur'o), e. vlek, landetadje. wo rrnkleurig. Borrow (boriro), v. a. borgen, outleenen. —er, Botnbyx (bom'biks), a. zijdeworm. s. ontleener. Bonasus (bo-nee'sus), a. buffel-os. Boseage (bos'kidzi), a. bosschage. Bond (bond), a. band, boei; verbond; verbinte- Bosky (bos'kiii), a. boschrij k. nis;schulibewija;entrepOt. —holder, 'louder eener Bosom (boe'zum), a. boezem. schoot. —friend, obligatie. —maid, —man. —man- servant, lijf- boezemvriend. —, v. a. geheim houden. eigene. --eereice,lijfeigenschap. —s/ave,lijfeigene. Boss (boss), a. bult, knopje; boas. rneester —man, borg. —, a. dienatbaar, lijfeigen. —age, —age, s, uitspringende steen. —ed, —y, a. bultig; a, slavernij; gevangenschap. met knoppen versierd. Bond (bond), v. a. opalaan; zekeratelling geven. Botan;c (bo-ten'ik), —al, a. kruidkundig. —8, Bone (boon), a. been; groat. —a, s.dobbelateenen; a. kruidkunde. gebeente. 4 to make no blues (of),geen gew etens. Bolan 1st (boVe-nist), a. kruidkundige —ize bezwaar maken (van). —lace, kant. —setter, heel- (-najz), v. n. de kruidkunde beoefenen. —y, a. meeater. —setting, beenzetting. —spavin, spatten, kruidkunde. —less, a. zonder beenderen, graten of tanden. Botch (botsj), s. gezwel; lapwerk; stopwoord. Bone (boon), v. a. ontbeenen, ontgraten. —, v. a. lappen, broddelen. —er, a. lapper, Bonfire (bon'fajr), a. vreugdevuur, knoeier. —ery, s. broddelarij. Bonnet (hon'nit), a. hoed; mute; ravelijn; bon- Both (booth), a. beide; conj. zoo wel ale. net (zeil) Bother (botieur), a. kwelling; § wanorde, stoorBonny (bon'nih), A. Bonnily, ad bevallig, vroo- nis. —, v. a. kwellen, ergeren. lijk, aardig. —clabber, hang-op. te), s. wormen paarden). Hots (ba Bonum- magnum (bo'num-meg'num),s.konings- Bottle (bot't1), e. flesch; bundel. —flower, korenpruim. bloem. —nosed, dikneuzig. —screw, kurketrekker. Bony (bo'nih), a. beenachtig, vol graten. —stand, fiesscheblaadje. —, v. a. op fleaachen Booby (boe'bih), a. lummel; zeeooievaar. tappen. § Boohoo (boe-toe'), v. n. hard achreeuwen. Bottom (bot'tum), a. bodem, grond; bezinksel; Book (hoek),'s. bock. —binder, boekbtnder. —case kiel; dal; kluwen. —, v. a. gronden; steunen; boekenkeist. —keeper, boekhouder. (keeping), (bet) opwinden; v. n. berusten op (on. upon). —land, boekhouden. —learned, belczen,—/earning, bele- vruchtbaar, vlak oeverland. —less, a. bodemloos. zenheid. —madness., boekenkoorts. —mate, school- —ry, s. bodemerij. makker. —oath, eed op den bijbel. —seller, bolsi'. flood (baud), a. moutworm. verkooper. —trade, boekhandel. —worm, book- *gouge (boedzj). v. n. opzwellen. worm. —id., a. geleerd. —, v. a. boeken; to boek Bough (bau), a. talc. atellen, Bounce (baauns), S. bons; bluf. v. n. apringen; Boom (boem), a. leizeilspier; boom; baken. — bonzen; bluffen. —r, a. windmaker; leugen. v. d. not groote vaart aankomen. Bound (baaund), a. grens; grenapaal; sprong. Boon (boen), a. gunst; geachenk. —, a. aardig, —, v. a. beperken; begrenzen; v. n. apringen. vroolijk. —, a. gebonden; (for) bestemd near, —ary, a. Boor (beer), s. vlegel, lomperd. —ish, a. boersch, scheidspaal; grenv. —en, port. verplieht, verrochuldigd. --less, a. onbeperkt, grenzenloos. lomp. —ishness, s. boerschheid, Bounteous (baaun'ti-us), a. —ly, ad. mild; noose(boez), a. koeetal. Hooey (bo 'bih), a. beschonken. vriendeltik; goedgunatig. —news, a. mildheid; vriendelijkbeid. Boot (boet), a. learn; winst; bak (in cone koets). to —, ad. op den troop toe, —ed, a. gelaarsd. Donut y (baaun'tih), a. goedheid; milddadigheid; —hose, laarzekous, broeklaars. jack, laarzen- premie. a. mild; vriendelijk. kneebt. —leg, laarzeschacht. —tree, laarzeleest. Bourgeois (bur-dzjoiel, a. naam eener Mehra —less, a. zonder laarzen; vergeefsch. —8, a. drukletter; burger, —, a. burgerlijk. echoenpoetser in eon hotel. —, v. a. baton, Bourn (boors), a. grens. bevoordeelen. Bons e (boez), v. n. bekeren, zuipen. —y, a. Booth (booth), a. tent, kraarn. beschonken, drunken. Booty (boe'tih), a. bolt, roof. Boast (baut), a. beurt, beer, maal; poging; Bopeep (bo-piep'), to play at —, wegkruinertje,, proef. achuilhoekje spelert. Bow (bo), 8- boy • strijkstok. —anchor, vertui. hand. —legged, krombeenig. Borable (bo'rtb1), a. hoorbaar. an ker. —hand, rechter Borax (bo'reks), e. borax. —line, boeglijn. —man, boogschutter. —net, runt. Border (bor'dur), a, rand, grens, zoom. —, v. a. —piece, boegatuk. —shot , boogacbot. —sprit, omzoomen; a. n. (on. upon) grenzen, belenden. boegspriet. —string, boogpees. —window, nit—er, a. grensbewoner. springend venster. —yer (-fur), a. boogechutter
composing•stick; clasp; rent; square. hates rn oogen, hooks and eyes; quarrels, broils. in den —, right, niet in den —, not right. not as it should be. in den — brengen, to square; to arrange. —beentje, —nook', —pen, crotchet. —bus, arquebume. —boekje, crotchet- n orb-hook. —v.rmig. hooked, crooked. --werk, crotchet-work ; tambor- •it. —swijze, hooked, crooked, —aehtig • siellaskvounnig. Drinks, losn. linakecb, be. squared,with hooks, — crooks. Matti, m. draught, pull; dash, stroke. —, v. pothook. —b er, beer bought, by:retail. —boom, beam of a pot-hook. —ban, pot to fetch beer In. —kettiny, pot-chain. —over, fresh-water-n[1,a% —tvint, wine bought by retail. Henna, o. hams, harness. Banta, re. cock; weather-cock; lighted match. den gebreden epelen, to lord it. — mart leonine kraaien, he is a cock-a-hoop. den rooden laten kraaien, to sat on fire. to set fire to, daar geen noar kraaien. it will pass unobserved. —knuppelen„ cock-throwing. —tje., o, young cock; bold fellow. Haander, m. fruit-basket. Haar, TIM. her; them; their. Haar, o. hair. geen —, not a bit, not a pin. — breed, a hair's breadth. op een —, to a hair. elkander in bet — titter', to felt together by the ears. nut de handen in bet — silica, to be greatly at a loss. — op de tand.en hebben„ to have blood in one 'a veins. met de Karen er b(j steepen, to force in, to drag in by the head aid shoulders. —band, —snoer, -lace —tiles, look of hair, fore-lock. —borstal, —Rehaier, hair-brush. — boa, tuft of hair. —tuieje, hair-tube, capillary (tube). —dock, hair-cloth. tolting-cloth.--fijn, by. as fine as a hair; subtle. — fijn —klein, bw, to a hair, minutely.in detail. —aieufeter,—klooter. caviller, quibbler. —/r/ooven., to cavil, to quibble. —klooverij, cavil, cavilling, quibbling. —knipper,—entider hair - cotter.— fok,i ock.—nactld, —epeld, hair-pin, bodkin. —set, hair-net. —pluis, flue, nap. —poeier, hair-powder. (pair of) hair-scissors. —coaliden, co. hair•cutting. —stir, hairy cornet. —tang, —trekker, (pair of) tweezers. tcoisel, hair-dress. —vlecht, plait (braid) of hair. —werk, ornamental hair, hair-plait. —werker, worker In hair. —worn, hairworm, ring-worm. —toortel, root of the heir; fibre. —oak. hair bag.— zeefhair-sieve.—acktf g,bv.hatry. m. hearth, flre-plAce, grate, abyss; fireside. ripen — is goad waard, home is tome, be it ever so homely. —each. ashes. —geld, chimneymoney, fumage. -- goden, ate Buts at rdetr. --(jeer, grate, lire-dog, fender. —plaat, iron plate of a hearth, hob. —set op. fire-shovel. —.We, hearth, tire-place. —tang, (pair of) fire-tongs. —vuur, chimney-fire. lissom loon, by. hairless, bald. —looskeid, v. baldness. —tje, o. small hair, fibre. slams, m. hare; inside of a eurioin of beet, chine, fillet. —je, o. leveret; —over spelen, to pay at leap-frog. bw. soon, shorty; nearly, almost, —, v. baste, speed, horsy. — hebten, to be in a hurry.
kuip. —twietovater-, kettinggaren.--xay,boolgat. waterloop.—ways(-weee),pl.watergangen.—wheel. waterred. —willow, waterwilg. —work, teekening in waterverf. —works, pi. waterwerken. liVeater (wao'tur), v. a. besproeien; drenken; materen (etoffen); v. n. waterig warden; water innemen. to make one's mouth —, doen watertanden. —age), echuitenvrecht.—cr i a. beaproeior; (de) Waterman. —tness (.1.-nete), a. waterigheld. —ing, a. besproeling, het drenken, wide. ten. water !linemen; —engine. eProCiPoraP; —pa tee, wed, drenkple.ats; hadplaate; —pot, gieter; —trou:dt, waterhak. —fah, a, watereehtig; vocht:g. —e (-tar.), pl. gezondheidebronnen; for all —, van elte markten that, —y, a. 'water*, vochtig• water-. "Wattle (avot'r)), a. beard van ran' heats; horde. v. a. met horden bezetten; met teentjea bin. den; viechten. W. 0 I (wail), v, n. Zta tea Ca:or -watt' Wave (weev'), [4. golf, hair; holkeel;oneffertheld; weak. —, v. a. gulvend (gevianid) make.; wankel?, wn;ren; efzien va-, apgevert, laten canton; v. e. goiven; zweeen; zwaaten; wutven; weiNen. d, R. geg olyd, gevlarnd. —leo, a. elf., glad; kaltn. Waves- (wee'vur), v. at. wankslen, waggelen; wet-er, a. weifelaar. —ing, a. —ingly, ad. wankeiend, heelutteloos; oneeatendig. Vinarn.o. (weey'aen), a. ceedrift. Wavy (wee'vth), i. golvend; gegolfd. Wax (wake), a. wet; corsmeer;lak. —baby, —doll, wessen pop. —candle, watikeara. —chandler, wa3kooper, wakAraeroenmaker. —end, epinactidraad, —leather, gewaat leer. --light, —taper, waeka•rs. waepit. —wotk, waseen beet& —works, pl. kabinet van yelper' beelden. —, v. a. wain., met was bentrijken. (weks'a), a. van wee, weasel, —y, a. wagaehtig. Wax (weks) [waxed tacxeni, v. n. waseen, toenemen., worden. Way (wee'), v. weg; riehting, loop, voortgong, vaart; rnimte, alotand; rniddel; wijze, gawoontr, gebruTh wit, zin. a great —, ver. any op de sane of endures wijze. oy — of, bij wijze van. by the —, in 't voorbijgaan, ter loepo every —, in leder opzieh.. in the —, voor (bij; he hand, gereed. no —, geenezina. out of the —, nit den weg; batten den regal; buitentiporig: rats, whirls —, waerheen; o welko wijze. to break the halen, u%twljken. to cle, the —, nit den weg goon, plaate MAIM- to fall in one's, — iemand wedervaren, overkween. to give —,wijken; nemen; toe.geven. to have one's —, zij u ' ale volt.. to keep out of the --. 4rbergen; zichsehuil houden. to level the —, voorgettn. to state nit den wag Wean, plants maken. —bill, passogierm-. goederentijet. —bit, emit weegs. —bread, —broad, weegbree. —water, vuneiooper. weganjzer. —passtager, reiziger, die onderweg wordt opgenomert. —thistle, haverdistel. kruiedoom. —warden, opzienter der wegen. —wise, met den weg bekend. —wiser, weg:neter. —worn, door het rotten vermoeld. Way facer (wee'ree -rue), a. relztgor. —faring, R. reizend; —tree, meelboon, wilde wijngaard. —in, a. Ingeng.
Coinbase is a terrible and unprofessional company. They’ve ignored my requests for escalation after providing no feed back on the issues I am having. These issues are costing this customer not only monetarily, but due to the lack of transparency with new policies in which coinbase will hold your funds hostage for 10 days while advising that it can be transferred “instantly” is not only false, but malicious contempt.
illidetnni Ideation (in-dern•ni•tl-kee'sjun), a. m. verontwaardiging. —ity, s. mehandelijkheid; s.th(ateloosstelling,schadevergoedtng.—fy(-dem , hlon, beachiniping. ni-faj), v. R. schadeloosstelien.—ty (-dem'nit.tib), Indigo (in'lli.go), a. indigo. m.e , hadeloosstelling, vergoeding; straffeloosheid. Indirect (in-di- rekt'), a. —ly, ad. middellijk Indemonstrable (in-de-mon'stribl), a. onbe- adelingseh, zijdelings; slinkseh; niet rechtwijabaar. streeks. —ion (-rek'sjun), a. slinkaehheid, dranierij. —netts, s. achuinsehheid; slinksehheid. Ind•nt (in-dent'), v. a. kartelen, Retai' maken; bij verdrag verbinden; in de leer doen (to); v. n• Indlacerni ble (in-diz-zuenibl). a. —bly, ad. zieh slingerend bewegen. I onbespeurbaar, niet te onderscheiden. —blencss, een verdrag —anon (-tee'sjun), a. nittandig; getandheid; a. onbemerkbaarheid. keep. —are •oer), s. verdrag, leerbrief; v. a. bij Indiscerpil ble (in-dis surp'tibl), R. onoploseontract verbinden. boar., onvernielbaar. —bility (-ti-bil'it-tih), s. onlindependen (in-de-peredeus), s. onafhan- vernielbaerheid. kelijkbeid. —t, R. —fly, ad. onafhankelijk (of). lndisciplinable (in-dis'si-plin-ib1), a. onhanindeptil► ensible (in-dep-ri-hen'sibl), a. onuit- delbaar. vormehbaar. Indiscoverable lin-dja-kuv'ur-ibl), a. niet te indeprivable (in-de-prajv'ibl), a. onroofbaar. ontdekken, onzie:tbaar. I wieseribable (in-de-skrajb'ibl), a. onbeschrij. Indiscre et (in-die-kriet'), R. —etly, ad. onbeseheifeNk. den; onbezonnen. —tion (-kresrun),a. onbeseheiIndesert a. verdiensteloosheid, denheid; onbezonnenheid. Indestr•ucti hie (ln - de•struklibl), a. onver - Indiscrimina to a. — tely, nielbaar. —Linty ( ti.bil'it-tih), s. onverniel- ad. niet onderscheiden, zonder onderseheid. baarheld. —lion (-nee'ajun), a. gebrek aan onderseheiding. Indetermina tale (in-de-tur'ml-nibl), a. onbe- Indispensa hie —bly, ad. onpaalbaar. a. —tely, ad. (-net-), onbepaald. verrnildelkjk, noodzakelijk (to). —bility (•se-bil' —teness (-net-), —lion (-nee'sjun), s. onbepaald- it-tih), s. onvermijdelijke noodzakeheid; besluiteloosbeid. lijkheid. Indev otion (in-de-vo'sjun), a. ongodsdienstig- Indispos e v. a. ongeschikt held. —out, a. —outly, ad. (-vaut , ), ongods- (ongesteld,ongenegeW maken (to. towards). —ed, dienstig. R. ongesteld; ongesehikt; ongengen. —edness, Zredex (in'deks), a. handwijzer; wijavinger; bled- a, ongeschiktheid; ongezindheid. —ition (-pa. wijzer; exponent. zisj'un), s. ongesehiktheid; ongesteldheid; ongeIndoxterity (in-deks-terit-tih), a, oahandig- negenheid. heid. Indisputa Me (in-dis-pjoe'tibl), a. —bly, ad. 11cdin lin'di-e), a. Indii!„ kantoor der onbetwisthaar. —6leness, s. onbetwistbaarlteid. onstindiache Coropagnie (in Lnnden). —wan, Indisso:u bls (in - dis'ao - ljoeb1), a. —bly, ad. ooatindievaarder. —rubber, gong-elastiek. onoplosbaar. (.1joe-bil'it-tib), —breness, Indian (in-djen), s. Indii4r; IndiRan; a. indiseh, a. onoplowbaarheid. onoplosbaar; indiaanseh. — corn, turkaCie tar•e, mazy, — ink, Indissolvable oostindisehe inkt. onverbreekbaar. Indicts: nt (ju'dj.keut), a. aanwijzend. (-keel), Indistinct (in.dia-tinIct 1 ), a. —ly, ad. onduidev. R. aanwijzen, aanduiden. —tion (-kee'sjun), lijk, verward. —nets, a. onduidelijkheid, vers. aanwijzing; kenteeken. —five, R. —tively, ad. wardheid. (-dik'e-tiv), aantoonend (of). —tor (in'di-kee-tur), Indistinguishable (in - dis - ting'rwisj.ibl), a. a. aanwijzer. —tory (iu'di.ke-tur-rfh), a. am- niet te onderscheiden. wljzend. Indisturbance (in.dis - tuebens), a. kalmte, on;Indict (in - daft'), v. a. sehriftelijk aanklagen; in gestoordheid. rechten betrekken. — able, a. beschuldigbaar. Indite (tn•dajtl, v. a. opstelien; vbOrzeggen, —er, a. aanklager. —ion (-dikajun), a. verklaring; dieteeren. — a, a. opateller; dicteerder. aankondiging; indictie. —ment.s. aanklacht, akte Individu ial (in-di-vidloe-el), a. enkel 'wean, van beschuldiging. individu. —al, a. —ally, ad. ondeellg; bljzonder, 1-nditicren cc (in-dit'fur-ens), F. onverachillig- persoonlilk. —ality (-el'it-tib), a. ondeeiigheid; held; onpartijdigheid. —t, a. —fly, ad. onver- persoonlijkheid. —alize (•ajz), —ate (-eet), v. a. sehillig (to); onpartijdig; middelmatig. onderscheiden; ala individu voorstelIen of beIndigent ee (in'di-dzjens), —cy, s. behoeftigheid, sehonwen. nooddruft. —e (-Ozjien), a. inboorling. —ous Indivisi ble (In-di-vieibl),, a. —bly, ad. ondeel ( - didzre.nus, a. inheemsch. —t, a. behoeftig, baar. —bility (-i-bil'it-tib), —bleness, a. ondeel noodlildendW). ' baarbeid. Indigest ed a. ouverteerd; on - Indoci le (in-dos'11), —ble (-ibl), R. onleerrijp, onbekockt. —ible, a. onverteerbaar. —ion zaant; ongezeggelijk. —lity (•do - ail'it - tih), a. on(-jun), a. sleehte aptjavertering; onbakooktheici. leerzaamheid, eagezeggelijkheid. Indigita te (in.didzj'i.teet), v. a. met den via - Indoctrina to (in - dok'tri - neet),v. a. onderwkjger aanwijzen. —lion (-teeN1111), R. duidelijke zen (in). —lion (-nee'sjun), s. ontierwija, leeaanwtizing. ring. Indigli an* (in•dig'n,nt), a. ad, ver- Indolen aye (in'do-lens), a, traagheid, VadRigortiwaitrdiol, (at). told. -4, a. --Hy, id. trang, vadmiK• (-nee'mjnn), 

s. onawolking; n. in gebruik (stand) blijven; de overhand hebverdnisteren. —tion ben. —able, a. verkrijgbaar. —er, e. verkrijger. ve.rduistering. —ntent, a. verkrejging, verwerving. Obole (&foot), a. penning; halve acrupel. Obtemperate (ob-tem'pur-eet), v. a. gehoorObovate (ob-o'vet, a. omgekeerd eivormig. zamen. Ob•eptl. on (ob-rep'sjun), a. insluiping, verscbalking. —tious (-tisrus), a. ingeslopen; door Obtund (ob-tend'), v. a. tegenatellea, voorwenden. verichalking verkregen. Obseen e (ob nien' ) , a. —ely, a I. ontuchtig,vuil, Obtenehration (ob-ten-e-bree'sjun), a. verdonlie lerlij k —enens, —ity a. ontuchtig- kering. heid, vuilheid, licderlijkheid. Oblension (ob-ten'ajun), a. tegenwerping; voorwendsel. Obacur ► tion job-skjoe-ree'sjun, a. yerduiete()West (ob-test'), v. a. smeeken; v. n. zich verring. zetten, zich aankanten (against). —ation (-tee% Obseur a ( ob-skjoer,, a —ely, act. duister, sjan), a. smocking, bezwering. danker. —e, v. a verduisteren; is. de achaduw duiatarnia; Obtreetation (ob-trek teesjun), a. lastering. —ity, stolen verbergen. Obtrude (ob-trose), v. a. (upon) opdringen aan; luisterheidi onduidelijkbeld. Obseera to (oo'se-kreet), v. R. sraeeken—tton v. n. zich indringen, lastig vallen. —r, a. opdringer; indringer. l-kree'sjun', a. s'neekbede. Obt•uucts te (ob-trun'keet), v. a. verminken. ObActesu ant (ob'se-kwent)., a, gehoorzaa ► . —tion (-kee'ejun), a. verminaking. (-kwies), p1. lijkplechtigheid, uitvaart. Obsequious (ob-si'lcwi-us), a. —ly, ad onder-, Obtrus ion (ob-troe'zjun', a. opdringing. —ive, a. —ively, ad. (-sly.), opdringenn. danig, dieniftvaardig; gedwee, alaafach. —near. a. onderdanieheid, dienstvaardigheid; gedweeneld. Obtund (ob-tund), T. a. stomp (bat) maker); verstompen. Obaery able (ob-zurv'ibl)., a, —ably, ad. opm•rkensivaardig, opmerkell.jk. —once. a. waar- Obtura lion (ob-tjoe-ree'sjuu), s. ver-,toestopneming, naleving, oxpolging; achting; opmerk- , ping, wegsluiting. —tor (obljoe-ree-tur), a. ain'tspier. paamheid; kerkgebru{k; regel. —ant, a .nalevend, in ads; nemend (of); opmerkzaam; eerbiedig; on- Obtusangular (ob-tioes-en'gjoe-lei), a. stomphoekig. derdanig; a, slaafech dienaar; observant (franciscaner mornik). —ation (-vee'sjun). a. opmerking; Obtus a (ob. tjoe4"), a —ely, ad. stomp. —ems, waarneming; nakoming. —ator (olizur-vet-tF), b. stornpheid; botheid. —ion (-tjoe'zfun), a. vet.( stomping. —er, a. opmerker, waarnemer. —at ory nemen; naleven; upmerk.m; v. n. opmerkzaam Obutiabra te (ob-um'breet), v. a. bescbaduwen. zijn; aanmerking waken (upon); de opmerking —Non (-bree'sjun), a. beachaduwing. molten. —er, s. opmerker; waarnemer. —ing, a. O bvailatlon (ob•vat-lee'sjun), a. versehansing. Obvention (ob-ven'sjun), a. buitenkan.ije. —inoty, ad oplettend, opmerkzaam. Obverse (ob-vurs'), a met het smallere etnd Obsesrion (ob-searun), a. belegering. near den stengel gekeerd (van bladeren). — a. van eene beiegeObsidional (obtvure), a. kopzUde (van eon muntatuk). ring, belegerings-. Ob,igua te (011-Sig'neet), T. a. bezegelen, be- Obvert (ob-vurV), v. a. toekeeren. Obvt ate (ob'vi-eet), v. a. voorkomen, afwenden. (-nee'sjun), a. bezegeling, bekrachtigen, —lion —out, a. —ously, ad. disidelijk, klaar. —manes+, l,achtiging. —Corp (•re-tur•rila), a. bezegelend, a. duidelOheld, klaarbltkelijkiseid. bekrachtigend. Obvolute (ob'vo-ljoet), a. ingebogen; opgerold Obooteacent (ob-so-l.esteent), a. verouderend. (van bladeren). Obsolete (ob'so-liet) ; a verouderd, in onbruik Occasion (ok-kee'zjun), a. gelegenheid, behoefte, geraakt. —nets, a. vetouderdheid. oorzaake —, v. a. veroorzaken. —al, a. —ally, Obstacle ;o‘I'tiki), a. hinderpaal, ad, toevaliig; an en dan. —ar, a. veroorzAker. stet'rik), a. verloskundig. —a, pl. tThbstetric Oceagive(ok-kee'alv), a. ondergaand, dalead. eerlos-, vroedkunde. Obstina cy (ob'ati-ne. sib), a. harduekkigtold, Occident (ok'si-dent)., v. weaten. —al (-den'tel), R. westelu k. stijfhontdigh,id. —te, a. —tely, ad. (• net ) hardOccip !la' (ok-sip't-tel)., R. achterhonfda, —at .ekkig, stijfboofdig (oksei-put), a. achterhoofa. tlobst;pation (oh-sti-pee'sjun;, s. verstopping. 0 bst reperous (ob strep'ur -us), a —ly, ad. laid- 0.eision (ek sizrun), s. doodalag,. ruchtig, sclareeuwond. —nese, a. luidruchtigheid, Oeclu gle ok-10.oed'), v. a. sluiten, --sine zjunl, a. glutting. groot geraa, Obstrictio71 (ob-strik'sjun), a. verplichting, ge- Occult (ok-kult'), a. verborgen. —tion (-tee'sjun), veiberging. —nese, a. verborgenheid. houdenheid. O bstruct (ob-strukt'), v. a belemmeren, verspei - Occup ancy (ok'joe.pen-sih), a. bezitneming. ran. —er, s, verhinderaar, verspetder. —ion --ant, a. bezitnemer, bezitter. —ate (-peat), v. a. in bezit nemen (hebben). —ation (-pee'sjun), a. a. veretopping; helemmering; be-ive, a. verstoppepd; belemmerend; ver- bezigheid, beroep; bezitneming. —ier (-pa-jur), a. bezitter; bekleeder; bezetter. —y, v. a. bezits,,errend ten; bezetter, innemen; bezig bouden; gebruiken; Oastracc (ob-stroes',, a. duister, verborgen. uitoefenen; v. n. bezig zun, handelen. 0 bstruent (ob'stroe-en,), a. Zie Obstructive. Wit ► lts ob-teen"), v. a verkri,jgen, bekomen: v. Occur (ok-kur'), a, u. voorvallen; wedervaren;


Sprout (sprout), p1. koolspruitjes. I Squn ► noun (skwee'mus), a. schubbig; gesehubd. --, v. n. opruiteu, nitspruiten. ! Squ (altwon'dur), v. a. verkwisten, doorSp•uce (sproes% S. pekden. —beer, jopentier. brengen (away). —er, a. verkwister. —leather. pritiaiseh leder. —yarn, ruw garen. Square (sit we,r'), a. vierkant, kwadraat; carte, a. — ly, ad net, helder; opaeschikt. —, v. a. & n, vierhoek, ruit,vinkelhaak; kwalraatfxetal; plain; (rich) opschink., opdirken. —ness, s. netheid, ' regelmaatiposheid; eelijkheld; overeen%temming; opf4es2litkri,id. oprerhtheid. a. vierkant, reeh.thoekla, hoekig; Spew, isproc)„ 8 , spru, pas, juist, vor.dborstig, oprrcht. —cap, tittp, tapdek ploy.. —collar, staand2 kraag. —eross,v;ernant (!"Pr 11 ... , !.. a. bedrkivig; itrachtig, levendig. a. atompje. kruim. --frame-saw, schulpzaag. —meas.re, vier.. a. levoldig, hante s at. Spey (spr,t;, . vierkante —number,kwa• s. kart mos; wiedioe,je. Sped draatgetal. —rigged, razeilen voerend. —root, Spullier (spulluri, a. tpoel:roest, -, lvadraatwortel, razell. breetuk. —aterned, a, sehuini. --e. v. a. athuimen. Slurp!, e me, ten' plattan spiegel. racht. spant. a. sehn4. -riOloid; bchuming. —toe, ouderwetsch men. --tack, platte --escence 8011.1iI,Pd —yard, ra, the rechthoekig eon den mast hangt. Spur, (spun'), a. gesponnen. --- ;are, schiemano- —, v. a. vierkant waken, brassen; in 't vierkant Karen. brengen; atmeten, inrichten. PR8 maken,!to); v. n. lan Sc..ouge, Spinal e (splindzil. gel link.; (to) paved. hi); (with) overeen stemmen, Speo.n.r.rog-locoetacr. strooken met; twIsten. —ness,e. vierkantheid, Spunk (,,,,nglo",, zwriin, tor d,r;cermolind bout; s. twister. levenoghei d; irmrd. —g, a. lovendtg; moedig. Sytararrotie (skwer-rocs';), a. gekarteld, getand, vur , g. prikkel; span; slag. Spoor epur') R. Proor —gall, Squash (akwosj), a. lets zaehts of weeks; points. spoorwond: v. a. r•et de sparer kwetsen, po•n; onrijpe rrucht; groene aehil; ernak; kneu-leather,spoor!eder.—,,,I.”eorradertjc,--way, —, v. a. plat rolaan, — drunken, kneuzen, a. de ,poreti got.; aansporen (on); Squat (skwot'), a. hurkend; kort en dik. —, a. hurv. n. met speed re; zee. king; smak, vat: tinspaath. —, v. a. neersnukken; H. Spurge (ap,rdzi'). spriugkruid, wolfamelk, v. n. nverhurken, op de.hurken zitten; neersrnak-flax, —lance!. lirlder1,1, —row`, spurriewortel. ken; bezit ne.reen van peas Finders grond. —ter, a. —wart. zwa,rdlelle r.at.rilnrker; onbevoegd ontginner. a. --Vg„ ad. oueelit, Ter- § Squaw 'aiman), a. indiaanachs vrouw. sittpu•tou,4 (sp'joe'ri vaiseht, nglerna,kt.. ---,less, a. oneehtheid. Squeuk ('kwiek';, a. ail. acheeeuw; geknars„ geSpurting ,puelieng. ), v. n. gillen, sebreeuwen; knarsen, piePleP• pen, arpasen, —er, a. eller. Spur. (8 intrn"), act , . p,striad elli ke behandeling. —, v. a. rehopper, verechoppen: met veraehting Squeal a. gegil, geschreeuw. —, v. n, versmaden: v. a. schoppen, trappen; len. schreeuwen; kerinen. versmaden (at:; rich Nerzotten; achteruitslaau. Squenntlab (iiikwiatn'isj), a. licht misselljk, walgmis-er, s. achopper ; versznader. aehtig; overdreven gevoelig, keurig. lru^ real a. ge , peord, van cronn too, aelijkheld, walgachtigheid; overdreven geroeligbeid. zien. Spats c: P, (a pireritr), a. sporendrager. —ier (•ri-ur), Stgueeze (akwier'), a. drunking, persing••knenzinK• . a. spontinaker —y, A. RoUrTi., —, v. a. drukken, pars., kneuren; onderdrukSpurt (spurt), P. & v, r4ie Spi•t. ken; (up) aamenpecaen; v n. dringen, doordringen. -Ill (-11 , 71, pl. kneurer; pera; sehroef. Spi4i ter (spilt111r), a, spop:lael; ge.puw; Retie], —, v, a. uttspuwer; uttstootrn; v. n. spuweit: spat- Squib (sloyib), a. voetzneker.flikkerinaopotternij, ten; rsmrne:en. a. spu wee; rarnmelaar (in het g%hveo nt.s,chrift. —, v. n. atekelig zijn, scherpe zetten apreken). Spy (apai'), a. bespieder, Pylon. --, v. a. beWeden, Squall )ekwill), seeajuin; garnaal, krab; wslvischverspl,den; (out) u. tvorr- ellen; v. n. spieden, loc- , luta. Soullutrecy n altwin'en.sib), a. Zie Quinsy. ri, o; !intM ilitvor,chen. —1,0,adviesjacht. Squint (alswint'), a. ache. (loenschel MM.—, a. vevrenisi ker. save], lornach. — eyed, seheelsiand; sfgunstic Sflot rah islorob'), s. geulde zitting, kns en;jonge ruenseh. —shirker, Jong hors. —, v. e. ached zien. —ing, a. —ingiy, al. wheel, dull'; dik. nd.vnet eon' smak. gevuldeploei,cluivelipa , tei. met loensche blikken. Stoir,re Fil,ti•ajr), a. schildknaan; landjonker; ---,—bish,•-67. R. vat, (Ilk, k•alAlg, aed,lous. Stputtibt), :e s. twist; kloppartij. --, v. grondbezitter. —, v. n.• begeleiden, vergere1a. twiater; n t,isten, rlukhatca. S0'011•1111 (eliwurrn),, v. n. schuirelen;ziehkronkeder. Sw,d (mkwod') r s. rot, troer --inn (-ear) ; a, eska. ! len iala een tab , ; klauteren. drool; ekskader, arnaldoel. Squirrel (samieril), a.eekhorentje. — fish,blan.wkop can reehaara , . Swittild ,,slvol'0.), a. vuil, inorsig. —Rye (skwe- v.a. Squirt (skwurt'), a. spoilt; wateratraal. tilt , —nest, a. vuil held, niorsigheict. Squall (skwitoll'), s. gil; rukwind. —, v. n. gillen.. spuit,n; v. n. buikloop hebben; snateren, babbea stormachtig,butig. --or,, a. gil!er. inn. ---,I., a. spoiler; spuitgast. v. a, daorste(ht.'', s.,toototee)f, wood. morsighe,id. *f. Squalor isnwee'lor). e.

Wat is Bitcoin in het Engels


rechtschapen, oneerlijk. —Cy, a. trouweloosheid; onrechtechapenheid. eel, dekmantet. —, v. a. vermommen, bewim- Dismal (diemel), a. —ly, ad. akelig, naar, sompelen. —a, a. vermommar. ber; droevig. —, a. begraver van pestlijken. —8, Disgust tdiz-guat' ► , a. afkeer, walging. —, v. a. a. droefgeestigheid. —near, a. akeligheid,, nearwalgen; ergeren. —ful, —ing, a. —ingly, ad. wal- heid. Dismantle, (diz-men't1), v. a. onimantelmontgelijk. blooten. Dish Idler), a. achotel, eehaal; gerecht. —, v. a. opdisschen (up); 4 verijdelen; vernietigen; arm Dismask (diz-maasit'), v. a. ontmaskeren. vaatdoek. —ful, a. (een) Dismast (diz-maast'), v. a. ontmasten. maken. —cloth, —clout, schotel vol. —stand, tafelkomfoor; tafelmatje. Distnay (diz-mee"), —edness, a. verslagenbeid; —water, vaatwater. achrik; angst. —, v. a. beangstigen, moedelooa idis-e-bil'i, a. ochtendp;ewaad. maken. Dishearten (dies haar'tn), v. a. ontmoedigen. Diame (diem), a. tiende. fiend. Dishevel (dis-sjev'v1), v. a. het hear in wanorde Dismember (diz-mem'bur), v. a. verbrokkelen; verminken. —ment, a. verbrokkeling; verminking. brengen. —led, a. met verwarde haren. Dishing idisriengl., a. holrond. Dismiss (diz-mis'), v. a. wegzenden (tc); afdanDishonest -dit-on'est), a. —ly, ad. oneerlijk; ken (front). —al (-sel), —ion (-mierun), a. afdanoneerhaar; trouweloos. —y, a. oneerlijkheid, onking; ontalag. —ice, a. afdankend. eerbaarheid; ontrouw. Dismortgage (diz- mort'gidzj), v. a. liftmen (een Dishonor !dit-ou'ur), a. oneer. —, v. a. ontpand). eeren. —able, a. —ably, ad. onteerend; eerloos. Dismount (cliz-maaunt"), v. a. nit den zadel Dishumor (diz-joe'muri, a. kwade luim. werpen; demonteeren (geschut); v. n. afstijgen. Disimprovement (dit-im-proev'ment), a. ach- Dlsnatur aline (diz-net'joe-rel-ajz), v. a. het teruitgang; verergering. burgerrecht ontnemen. —ed (-nee'tjoerd), a. ontaard. . Distincarcerate (die-in-kaar'sur-eet), v. a. op Disob, edience (dis-o-bi'di-ens), s. ongehoorvrije voeten stellen. a. ongezaamheid. —edient, a. —ediently, ad. ongehoorBlainelin *Mon (•klajn'), v. a. afkeerig (onge(-bee'), v. a. niet gehoorzamen, overzaam. —ey neigdheid. —e treden. negen) maken. Disinfect idit-in-fekt'1, v. a. zuiveren (van be- Disohligation (die-ob-li-gee'sjun), a. ondienat; ametting). — ing, a. besmetting wegnemend. —ion,' beleediging. Disoblig e (die-o-blajdzji, v. a. ondienst doen; (-fek'sjun), a. zuivering (van besmetting). beleedigen. —ing, a. —ingki, ad. ongedienatig, Disingenuous (die-in-dzjen'joe-us), a. —iy,ad.ononvriendelijk. —ingness, a. onbeleefdheid, ongeoprecht, valach. —near, a. onoprechtheid, valschheid. dienstigheid. Dislober tenon a. onterving. Disorbed (diz'orbds), a. nit zijnen kring ge—it, v. a. onterven. worpen. Disinter (die-in-tur'), v. a. opgraven. —meat, a. Disorder (diz-or'dur), a. wanorde, ongeregeld. opgraving. heid; ontsteltenis; storingiongeeteldheid. —, v. a. Disinterested (diz-in'tur-eat-id), a. —ly, ad. verwatren; doen ontsteillSn; atoren; ongeateld belangeloos. —nese, a. belangeloosheid. maken. —ed, a. onregelmatig; losbandlg; on esteld. —edness, s. ongeregeldheid, losbandigheid. Disinthrall (dis-in-thrao0), v. a. bevrijden. a. bevrijding. —1y, a. & ad. ongeregeld; wanordelijk. —meat, Disinvit ation (dis-in-vi-tee'sjun), s. afeegging Disordinate (diz-or'di-net), a. —1y, ad. ongereeen-r uitnoodiging. —e (.vaj0), v. a. eene nitgeld; buitensporig. noodiging afeeggen. Disorganiz ation (diz-or-gen-i-zee'ejun), a. ontbinding; storing van orde en aamenhang. —e Disinvolve (die-in-volv"), v. a. outwikkelen, ont warren. (-or'gen-ajz), v. a. ontbinden; den aamenhang Disjoin (diz-dzjojn'), v. a. seheiden. —t, v. a. veratoren. ontwriehten; v. n. uiteen vallen. Disown (diz-non'), v. a. niet erkennen; verlooDittlunct (diz-dzjunkt'), a. afgezenderd, gescheichenen; verzaken. den. —ion (-djzunk'sjun), a. afachelding. —ire, Dispair (die-peer' ►, v. a. een pear scheiden. a. —ively, ad. afacheidend, afzonderlijk. Dispansion (die-pen'sjun), a. uitspreiding. Disk (disk), sehijf; werpschijf. Disparage (die-per'idz), v. a. verkleinen, minachting brengen. verguizen; ongelijk verbinDislike (diz-lajk',, a. afkeer; weerzin. —, v. a. niet houden van. —n, v. a. ongelijkend maken. den. —merit, a. verlaging, verguizing; ongelijke vereeniging; aehade. —ness, a. ongelijitheid. Dislimb idit-Inn',, v. a. verminken. Dispar ate (dis'pe-ret), a. ongelijk. —ates (-recta). v. a. uitwiss-chen. a. 'Alt digheden; ongel)jke groothf,den.—ity ( -per' Disilynn it-tih), a. ongelijkheid; strk)digheid. Disloca to (dislo-keet), v. a. ontwrichten; verstuiken. —tine (-kee'sjun), a. verplaataing; ont- Dispark (dia-paark'), v. a. eene omheinde plaits wrichting. open stollen. Dislodge (diz-Iodtj . ), v. a. verdrOvan, does Dispart (dia-paarti, v. a. aeheiden; riehten verLirVven; v. n. vethuizen. (gesehut). 11;isguise (diz'gajzi, a. vermomming; voorwend-
Man en, or w. to dun. -er, m. dunner. Mennosoliftin, m. moon-shine, moon-light. Mangel, m. mangle, rolliog-press, calender. o. want, lock, absence. - bard, mangling - board. -good. mangle - clothes. -hale, mangliee-house. -homer, mangling-room. -rot, -stok, manglingroll. -190.0, mangler. -ear, m. -.twitter, v. mangler, caleeiderer; barterer. -en, or. w• to mangle, to amender , on. w. to be wanting; to barter. -icy., v. msngling ; bartering. Manlier, v. manner, way, fashion. -.1b1c„ bv. mannerly, polite. -ltikheid, v. mannerliness, good manners. Manifest, o menifeeto, manifest. !tinning, v. dunning. Monk, by. halt, crippled, lame. - gaan, to halt, t3 limp, to claudieate. -held, v. halting, cripple... lameness. SanniUk, hr. male, manculine. viral, maul) , --, bw. manly, manlike. -held, v. matioulinenese, virility, manhood, manliness. Monate. o. manne. Mgennekm. o. little man, boy, mannikin. Miennelkik, by. & by. -held, v. Zi•e -held. Messes, on. w. to take a husband, to matey. Mannetin, o little man, boy; male - en wWje, waken, to copy mimale and female. - voor nutely, -stroke by atroke. -skonijn,buck-cabbit. --amvsch., cock-marrow, - scoot, large nutmeg. 1111nnsilli, v. woman virago. he is not to 111 sum, kW. able. AU is toll wet
LUK, 171 Lukewarm Iljoek'waorm), a. — ly, ad. lauw, lijk zoet; ovetheerlijk. —ness, s. overzoetheid; overheerlijkheid. lank; onverschillig. —nes., a. lauwheid; onver- Lush (lnsj), a. sappig; donker (van kleur). schilligherd. a. 1 uiaard. —, v. en Lull (1u11'), a. (hot) sussende, stillende; alechtje, Lusk ausiC), —ish, a. traag. luieren. korte stilts, f—, v„ a. sawn, stillen, in alaap wiegen; v, n. pan Hagen (van den wind) —aby (-le- Lessor foul (ljoe so'ri- us), —y (Ijoe'sur-rih), a. spelend, dartel. baj), s. wiegelied, elaapdeuntle, Larnilla agtuuus (lum-bedzri-nos), a. van de len- Lust (lust'), a. lust, begeerlijkheid. —wort, zondepijn. — ago (-bee'go), a. lendepijn. —al (-bel), nedauw. —, v. n. (vleeschelijken) lust hebben; (after) vurig begeeren. —ful, a. —fully, ad. wel— ar (-bar), a. van de lendenen. Lumber (lum'bur), a. comma!, prullen; § tim- luatig, wulpsch. —fulness, a. wellustigheld, merhout. —room, prullentranter. —, a. a. ordeloos wulpsebheid. —sly, ad. —y, a. wakker; slug; op elkander werpen; met prullen vullen; T. n. zich krachtig, kloek. —bless (-i-ness), a, wakkerheid; vIugheid; kloekheid, kraeht. —less, a. lustelooa; log bewegen, zit+ voortaleepen. Lisir.br 1e (lum'In .1:), a. worm. —al (-brikl), a. krachteloo'. Lust, at (lus'trel), a. zuiverend; —water, wijwa• wormaehtig; van de lendenen. 11,unitra ary (ljoemi. ne- rth), a. lichtbol• Licht; ter. —ate ( treat), v. a. zuiaeren. —ation (-tree'. ajun), a. reiniging, zulvering. —e (-tur), s. glans; aeril , hter. —ous, a. — truly, ad. lichtend, schij- mad; verlicht, fielder. —ousness, a. glans; belder- luiater; armkandelaar. —ing (-trieng), a. geglanade tat. —ova, a. glanzig, schitterend. —urn Lump (lump'), a. klomp, klout; hoop. by the(Arum), 5. tijdkring van vijf Jaren. bij den roes, voetstoot, the —, door elkKader. Lusty iluetih), a. Zie under Lust. —fish, zeehaas. lompensuiker. a. a. cutl.nIlat (ljoeVe-nist), a. luitapeler. in den roes nemen, door el kander rekenen. —ish, Luta clout; (ljoe-tee'ri-ua), a. in het slijk levend; slijkachtig. —tion, a. dichtsmering (met leeml. a. —ishl y, art. plomp, log; loom. —isknele, a. plompheid, logheid; lompheil. — y, a. klompig. Lute (Ijoet'). a. luit; taai hm. —case, luitkae. —string, Initsnaar; zie LustrIng. a. met 1.usi nay (ij-oa'ne :ilk), a. maanzlekte, krankzinnigheid. --ar ( - tier), — ary (-ne-rib), o• de moan leem bestrijken. —r, a. luitspeler. (-nee'ri-en), a. moan- Luttaeraaa (ljoe'thur-en), a. luthersch. —, a. Mrbetreffend; maw', a. het Luthersehe geloof. bewoner. ---aced eneet-id), a. halvemaanvormig. theraan. —atie, a. maanziek, krankzinnig; a. maanzieke, Lutherta (ljoe'thurn), a. dakvenster. krankzinnige. —ation (•nee'sjun), a. maansom- taut lug (ljoetleng), a. Wei, kleetdeeg. —ulent (-joe-lent), a. slijkig, raodderig; drabblg. loop. Lancia Iloutsfl, —eon (-un), s. tweede ontbijt. , Euxa te (luks'eet), v. a. verstulken. —tion (-as , ajtin), a. veratniking. v. u. het tweede ontbijt g,ebruiken. —ianey, s. wealLune, Ili oen), ft. naive mas n; vlatig van krankzin- Luxor lance (lugz-joe'ri ens),ad. weelderig. —fate derigheid. —iant, a. —lastly, nigbeid. —t (-it', s. maantje; Yachter. (-eet), v. n. welig groelen. —ious, a. —iously, ad. Lung (lung ► , a. long. —sick, aan longziekte lijweelderig; wulpach, wellustig; brasseud. —loutdend. —wort, longkruid. nem, a. weelderigheld; wulpschheid, wellustg11,xa age (lundzj), o, uitval. Zie Lunge. Lung Pores (It oeni-form), a. maanvormig. —solar held. —y (luk'sjee-rih), a. weelderigheld; weelde, overvloed; braseerij. (-soler), a. nit den zoos- en moans analoop semeniLycanthropy (n-ken'thrs-p1), a. wolfayoede. geateld. —Vice (-stis), s. verste noordelijke en Lyceum (laj-si'urn), a. lyceum, hoogeschoot zuidelijke punt her moan. ILydlan (lId'i-en), a. Iydisch; zacht, weemoedig. Lunt (lout), s. loot, 11,uno ar (Ijoe'noe-ler), —ate (-10), R. halvemaan- Lye (laj), a. long. a. hot Eying (larieng), R. liegend; llggend. vorm , g. liegen; het liggen. --in, a. kraambed; bevalling. Euwereal (ljoe-pur'kel), a. Pansfeeat. —ly, ad. op eene leugenachtige wipe. Lupine (ljoo'pin), a. wolfabuom. Lurch tlurtsf), a. (het) afvallen (ea. eon schip); Lynx aim), a. bloedhond. kaput (ie 't spell; verlaten toeatand. to leave an Lytuph (limf"), a. bloedwater, kleurlooa vocht. atie (-fet'ik), a. van het bloedwater; a. bloodthe — ,)n den ateek laten. to lie upon the —, op den w atery at. leer liggen. to take a — , can' opzehieter waken. —, v. a. kapot maker, (in 't spel); te lour *Wien; iLynceous (lin'ei-us), a. lijnx-achtig; scherp van gezicht. stolen, kepen; inz-velgen; v. n. afvallen; laeren; zwendelen; kapot epelen. — er, a. loerder; diet; Lynch (lints)'), a. a. zonder vorm van proses ter dood brengen. —law, lynch-wet; yolksveelvraat. Lure (Ijoer), a. lokalts. —, v. a. lokken, verlokken juatitie. Lynx (links'), a. lynx, loach. —eyed, acherp van (to); (on, verlokken. gezicht, scherpziend. Los-id (ljoe'rid), a, akelig, somber, doodsch. a. Lurk (lurk"), v. n. op den loer liggen. — er,a. boar- Eyre a (laje), a. lier. —ie —ical —ist, lierdicht fyrisch. —ie loerplaats. —ing-rocks, der. —ing-place, lierernan; dich ter. blinde klippen. (lusy.), a, —by, ad. llonigzoet, walgeI neselo
(de-ploor'ibl), a. —ably, at. bekla. jammerlijk. —ablenegs, a. betreurens. waardigheid. (-ploor'), v. a. beweenen, be. jammeren. —er, a. beweener. Deploy (de-ploy), v. a. ontwikkelsn, ontploolen. Deplunt ation (dep-loe-mee'sjun;, a. outvede. riAg. —e (de•ploem , ); v. a. ontvederen. Deponent (de po'nent), a. nederleggend. a. ge. tuige; deponens. D ,pepula he (de poploe-leet), v. a. ontvol.. ken. —tion (-lee s. ontvolking. —tor, a. ontvolker. Deport (de-poort'), v. a. gedragen (one's self). —ation (dep-ur-tee'sjun), e. verbanning. —meat, a. bonding, gedrag. Depos at
[...] the Debt Agency endeavours to allocate the orders placed by the co-leads and the selling-group members on the basis of the following criteria: 1. the order is placed by an investor who is not yet registered in the ledger of lead managers, 2. the order is of excellent quality and represents true diversification or is placed by an investor whose loyalty the Agency is particularly keen to secure. debtagency.be
Teredo (te-ri'do),e. paahronn. Tenets (te-riet'1, a. rand, eptterond. Tergenelnone (tar-dzjem'i-nue), a. drIevoudIg. Tergiversa te (tuedsji-sur-seet), a. a. ultvluch • ten soelren. —ties (-Nee'ajnn), a. taitvlucht, &eelerij; veranderlljkh old. Term (turm), a. grena; termijn; term, ultdrnkking; voorwaarde; zittingtijci; etudiethd; =endstonden. to be upon good —a. op een' goeden noel staen. upon any — a, in elk genial. —, v. a. noem RD. Terrnagan cy (tur'me gen-eth), a. onstuimIgheld, woeligheid; twietzucht. —t, a onstuisaig. woelig; twittztek. —t, a. reeks, helleceeg. Tanner (tnrm'ur), a. huurdsr (pachter) vow lien' bepaelden tijd. Tannin able (turm'i-nibl), a. begrenebaar. —at (-nel), a. (Audi etndtgend. —ate (-nest), v. a. (-nee'ejun), a. & n. begrenzen; eindigen. begrenzing; grene; einde, beelutt, ulteang. —afire (-nee'tiv), a. beperkend. —er, a. Zia Oyer. (-nol'ut-zjIh), a. terminol Pee, leer (ken—ology ni s) der kunstwoorden. -ass, a. eindatation. Termite (tnemajt),.. witte mice. Termleme (turm'less), a. onbeperkt, eindelooe. Ternary (tur'ne-rih), a. trietallig. —, a. drietal. Terrace (teeres), a. terra.. Ter repin(ter're-pin), a. (soort van) echildpat. Terraqueons (ter.ree'kwi-ue), a. uit land en water beetaand. Terre one (tur-rien') —stria/ (-rea'tri-el), a. aardsch. —oats (ter'ri-us), a. van aarde; met aarde Termer gd. Terri ble (teeribl), a. —.6iy, ad. yerachrikkelhk. blenees, s. verectrikkelijkheid. Terrier (ter'ri-ur) a. dashond; chneregister; drilhzer, zwikboor. Terrific (tur-rink). a. net rikwekkend. —y (ter% rile)), v. a. vereehrtYken. Territor fel (ter-ri-to'ri-el), a. van het grondgebled. —y (teed-tut-1h), a. grondgebied. Terror (ter'rur), a. schrik, ontateltenis. —struck, met aehrik vervuld. —ism, a. sehrIkbewind. Terse (tore), a. —ly, ad. glad, sierlijk, net. —nese, a. gla.dheid, sierlijkheid, netheld, Tart!, an (tur'ejen), a. derdendasgseh; a. derdendeagache koorta. —ary (-41-e-rth)., a. van de derde vorming. —ate (-sji-eet), v. a. tea derden male does. Tessellate (tes'ail-leet), v. a. met rattan oaken; rultevri;ze inleggen. --d (-id), a. gernit. Test (teat'), a. kapel, stneltkroee; toots; retetief; toet.ing, beproevtng; onderacheid; proefeed. to put to the —, op de proef atellen. — v. a. tactgen; op de proef stele), —able, a. bevoegd am te getuigen. Teettareou (tea-tee'sjue!, a. sehazi-, sehelp-. Teetnanene (tes'te-rnent ► . a. testament. —ary (-ment'e-rib), a. van (volgena) een testament. Testa Sc (tes'te,,t), a. eon testament nalatend. —lion (-tee'sjun), a. getnigents. —tar (-tee'tur), a. oritater. —trix (-tee'triks). a. mile/dater. Teat ed (teet'it), a. getoetat, beproefd. —er, a. ledekanthemel; kopstuk (halve sehelling). (41(1). a. teethe). Testi(' icatlon (tea-ttf-i-kee'ejun), a. betuiging,
GES.—UES• 461 Gesnik, o.sobbing. Gesnipper, o. clipping, snipping. Geffinoef,o. boasting, bragging, boast. Gesnoel, o. lopping, pruning, clipping. Genie's, o. snooping, junketing. Gssnor, o. buzzing, whizzing. • Gesnork, o. snoring; boasting, bragging. G esnotter, o, snivelling. Gesnulfell, o. sniffing, snuffing, rummage. Gesorteord, a. assorted. G esp, m. buckle. —enmaker, buckle-maker. Gespalk, o.splinting. Gespan, o. team, net, span; beams and rafters of a roof; mate. G•spartel,o. struggling, sprawling. Geapeel, o. playing, dalliance. Geapeld, be. pinned. Gespelen, ri1. me. play-fellows. Gespen, o v. w. to buckle. Gesplerd, be. muscular, vigorous. —Acid, v. muscularity, strength. GespIkkeld, bv. spotted, speckled. hoopla, o. spinning; spun yarn. Gespook„ o. haunting; noise, ado. Gespoord, be, spurred. getaarad en —, booted and spurred. Gespost, bv. mockery. scoffing, railing. Geopr ► k, o. conversation, disc .urns. ern — aanknoopen, to enter into conversation. Act — eibreken, to drop the conversation. Geoprenkei, o. sprinkling. Geoprokkell, o gathering, picking up. Gespssis, o. bustle; rabble, scum. Gespuxw, o. spitting. Gest, v. yeast. Gostaaird, be. confirmed. Gestaaid, be. steeled. Goetftehlts,bv. yeasty. Gestadig, - 13v. & bw. steady (-ily), continual (-1y), constant ( ly), settled. —heid, v. steadiness, continuance, constancy, settleduess. Geste:He, —nts, v. figure, shape, form, size; stature. Gestamel, o. stammering. Gestensp, o. braying, stampii g. Genternpvoet, o stamping, trampling. G estrus d, bw. — doers, — OlOven, to keep. hesteen,o. groaning, moaning. Gesteente, o. precious stones, jewels; monument, tomb-stone. (iestel, o. structure, construction; triune, constitution. Geeteld, be. established; set, situated. — zijs op. to be fond of, to be bent on. —, vw. supposed.. —heid, v. situation, state, condition, nature. Gesteltesalis, v. Zie Gesteldheld. Gcsteand, bv. disposed. Zie Gestenipeld, be. stamped. Geste.), on. w. to ferment, to rise, to work. Gesternd, bv. etary, Gesternte, o. state, star, constellation. gelnisAig —, kind eonstellation, propitious star. hastens:, o. groaning, moaning Gest tette, o. edifice, building; establishnielit, institution; hospital, asylum. Gnat ig, be. yeasty. —ing, v. fermentation.

types cryptogeld


Bastaard, m. bastard, illegitimate child. v. bastardy; barbarism; spuriousnese. B eater al, m. Lis BssKtosard. Its ram.) bastard, mongrel; spurious, blue, counterfeit. -- maken, to disinherit. -nachtegaal, linnet. •-lehrift., secretary-hand, italics -woord„ foreign word. Bastin, be. bark'', husky. liataiJoas, o. battalion. lint :es), on. w. to avail; mists -.to be of no avail. - ip, be. -suite., -slot, surplus, overpius, balance at. credit (in one's favor). en, by. cambric. Elul let, o. cambric, lawn liatach, by. & bw. fierce (-1y), proud (-;y). -had, v. fie! wins., proudness. Batton U. v. battery. Min INV el, on a. Zie Nabauwen. B klIVI can, m. baboon. -anengezieat,baboon's face, ugly ph; t.

Its nr:nranta, ov. w. to gain back, to regain. inHeating. —‘ to take Worn ations. Irevelpprn, ov. w. to throw in, — into; on. w. to skip in ; to look in ur on. w. to gain by usury ; to relionvoviatrenr, gain ; on. w. to gain ground, to spread. Ilnvesseten, ov. w. to wrap up, to envelop. Inwon en, on. w. to dwell, to live, to board (with). —er, m. lodger ; inhabitant. —lag, v. hobitat:on, abode. nanvoconnaer, v. Zie Inw ostler, Fruwortel wee, on. w. to root, to take (to strike) root, to inveterate. — lag, v. rooting, taking root, inveteration. Invertiv era, ov. w. to rub in, — into. — ing, v.

Waar kan ik verkopen Bitcoins


C1111.—C111Circin ► te (eur'si-nee)), v. a, runden; in cen' Chubbed (tejulfbid), a. dikwangig; plomp. cirkel afmeten. Chubby (tsjub'bils), a. Zie Chubbed. cirkel, omtrek, kriug, gentChuck (t)juk), s. geklok; tikje; stunt. my—, niijn Cirkie (surikl), :chap. —, v. R. ornringen, insluiten; v. n. roadliefje. —farthing, kuiltjesspel. —, v. a. lokken; loopen, omheeng,aan. —d, a. cirkelvormig. —t pitreelen; stnoten; smitten; v. u, klokkeir. Isur'kirt), a. cirkeltje; ring. Chuckle (tsjolekt), v. a. lokken, liefkoozen; v. n. circuit isuekit), a. omtrek; omloop; inhoud aeon schatercrid inch.; inwenitig !adieu. cirkels; umweg; rechtagebied. —, v. a. & n. roodChuff (tmjun, 8. Hoer, lomperd. —y, a. lamp; (aur-kjoe is'sjun), a. rondgang, omioopen. norisch. loop. —aus (air.kjoe'i•tum), a. omloopend; wijdChum (tsjun ► ), a. kamergenoot. Chump (t sjutnp), 8. zwaar st uk hour; bonk, tromp. loopig. —ous road, omweg. Circular Isur'kjoe-!er), a. cirkelrond; rondgaand„ Chunk (t•ju.,10, s. 'Lie Chomp. Church (tajurtaj'), s kerk — is ace, In kerk is kringswijn. --btaircase, wenteltrap. —, a. eireua. cirkelvormiglaire. —ity nit. —ale, kerkinwiidiii ,48feest. — authority, kerk- heid. —1y, ad. kringswitize. gezag. —book, kerktiock. —law. kerkelijke wet. —man, geestelijke. —plate, kerkzilver. —prefer- Circulat a isur'kjoe-leeth v. a. in omloop brenment, kerkeiijk arribt. — warden, kerk meester. gen; v. n. in omloop zkin. —ing library, leesbibliot ► eek. —ion I-lee'sjunt, a. omloop. —ory, a. am—yard. kerkhof. ioopend. —ory t-le-tut-rib), a. omloopvat. Church (tajortoj'). v. a. voor eerie kraatnvrouw danken. she ma churched, zij hee ft haren kerkgang Circuanam blency (sur-kum-em'bjen•stb). s. omgeving. —bient, a. omgevend. —bulate (-bjoegedaan. —lay, 8. kerkgaeg. leer), v. n. rondgaan. Churl (tsjurl'), a. lomperd: web, —ink, a. —ishly, Rd. row, onbeschott; vrekkig. —ishness, a. onbe- Circumcis a (sur'kum-sajz)., v. a. besuijden. —er, a be.nijder. —ion (-siezjun), a. beanijdents. schoftheid; vrekkigheid. Circ....feren ce (sir•kumlur-ens), s. omtrek. (Opine), a. barn. v. a. —staff Churn —tor lour- kum-fe-ren'tur), a. hoekmeter. karnen; schudden. Circuit) Heel (sur'kum-tlekt), —Pex, v. a. met Churrworm (tajur'worm), a. veldkrekel. a. het omgebogen toonteeken voorziett. Chyl a (kajl'), a. chiji, voedingsap. —ifaction (kil- omgebomen; a. omgehogen toonteeken. i•tek'iljun), a. chip/flaking. —Qua, a. uit chijl Cfrcunr,flueu ce (sir-kunilloe ens), a. ornvioetbest/made. ing. —t, a. onavloeiend. Ciborium. (si-bee'ri-vs), a. tot voedoel Circuniforancous (sur-kum•fo-ree'ni-us), a. rend; eethuar. onizwervend. Clbol (sitful). a. biealook; kleine niensoort. Cicatri ce (sik'e-trig), 8. litteeken. —.alien (-tri. Clecusialluis a (sur-kum-fjoeel, v. a rondgieten; verspreideu. —ion (-tjoe'zjun), s. rondgieting; ver. zee'sjun), a. wondheeling, (het) dichtgaan eener spreiding. world. (sik'e-trajz), v. a. heeleu; v. n. Clre.nagyration (sur-kum-dzji-ree'sjun), s. umgams. a. kervelkruid. draaiing. Cicely Clenrs. to (sik'joe-reet), v. a. ternmen. —lion Circunklacent(sur-kum•dzjee'sent),a.omliggend. Circumlocut ion isor•kum-lo-kjoe'ajunt, a. (-ree'sjun), s. temming. omschrijving. —ory (-lok'joe-tur-rih),s, omschrij(xi kjoe'te), a. doile kervel. Cider (sardur), a. appeldrank. —kin, a. geringe vend. Circumnaviga ble faur-kum-nevl-gibil, a. omsoon; urn apoeldrank vaarbaar. —te, v. a. omvaren. —lion (-gee'ajun), Cigar (ai-gaar'), a. Biguar. —box, sigarcnkoker, a. omvaring. —tor, s. omvaarder, °runner. Ingarenkistje. Ciliary (sil'je-rih), a. tot de oogleden behoo- Circumpolar (our-kum-po'ler), a. urn de pool • been liggend. rend. Circumrotat ion tour-kum-ro-ree'sjun), crondCilicioubr (si-lis'sjus), a. van haar gemaakt. omdraaiing. —ory (-ro'te-ter-rili), a. randomCimeter (aim'i-tur), a. turkache sabel. draaiend. Cimmerian (sim.mi'ri en), a zeer duister. Circuit". scribe (sur-kum-skrajbl, v. a. omschrijCincture (sink'tjoer), a. gordel, band; lijat. vent. beperken. —scription (..skrip'sjou), a. omCinder (sin'dur), 8. !lintel• —wench, —woman, schrijving; beperking; omschrift; grens. —scripaschophkalster. a. omschrijvend; beperkend. tiro Cinerary (sin e're-rib), a. aschachtig. Circumspect (aur'kum-spektl, a. — ly, ad, umCinereous (81-nPri-us), a. aachgrauw. zichtig. —ion (-spek'sjun), —ness, e, omzichtigClnerltlous (sin-e•ris'sjus), a. Rachachtig. herd. —ire l-spek'tiv), a. —ively, ad. omzichtig. Cingle (sing'g1), s. riem; singer (van eeu paard). Clrcumstan ce (sur'kum-stenti), omstandigCinnabar (ain'ne-ber), a. vermiljoen, heid; toeval. —Ted, a. geateld; uitvoerig. —t, a. Cinnamon (sin'ne-men), a. kaneel. omstaand. —tint (-sten'jel), a. —tially, ad. Cinquefoil (sink'foji), a. vigvingerkruid. uitvoerig; toevallig. --bate (-sten'aji-eet), v. a. Cinqueports (aink'paorte), a. (de) vijf havens uitvoerig bemehrnven. Cion (aarun), a. loot. Cipher (sayfur), s. cijfer; mil; letter; cij ferschrift; j Ci rcumvallat ion (sur-kum-vel-lee'sjun), s. onieleutel tot cljferschrift. —, v. a. in cijferachrittI walling. echrijven; v. n. ctiferen, rekenen. —ing, a, eij- Cirrumvection (sur-kurn.vek'sjun), ' voering. forkunst.

ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to

Zal Bitcoin maken een comeback

×