During this initial registration phase, you will be able to sign up for a Binance.US account and select the tier of verification required to achieve your desired withdrawal limits. Once verified, you will be able to make deposits across the initial selection of digital assets. Shortly after registration opens, we will provide an update detailing when trading will go live for specific pairs.

421 bilberry., wortle-berry. —brand, fire (contagrat ion) in a wood. —dna'', wild grape. —duif, woodpigeon, eulver. —gereeht, forest-court. —god, sylvan-god, satyr. --podia, —MeV, hansadryacl,woodnymph. —keen, wood-coot. —hakker, feller of trees. —hen, wood-hen. —viesster, —opeiette., wood ward. —recht, forest-law. —rechter,jastiee in eyre. —rijk, richly wooded. —weg, wood-path. —aciaig, be. woody. Bosithase, o. grove. If assess, ov. w. to tie up into bundles, to bun. die up. Bot, be. blunt; dull. stupid. —oor,looby, dolt. —, bw. bluntly, of a sudden. —, o.bone; loosening. — visren, to veer; to indulge, to give full scope. —, v. flounder; plaice; bud, eye, shoot. de — rergallen, to spoil it, to mar the business. — ranges, to be disappointed, to Le balked. Doter, v. butter. — b{1 de visa, money dolirn upon the nail. —been's, butter-cake. —bleem, butter- flower. —beer, butter-man. —boerin, butter-woman. —broodje, butter-roll. —gebak, light pastry•cakos. —ham, piece of bread and butter. —karn, churn. —Lek, butter-cake. —keeper, butter-merchant. —markt, butter-market. —*elk, butter-milk. —peer, batter-pear. —pot, butterpot. sans, butter-sauce. —spasm, butter-scoop, -print. —land, butter-tooth. —ton, —vat, buttercask. —vliep, butter-fly. —rlootje, butter-crock. —rrouto, butter-woman. —weep, fwelghing house for butter. —With/, be. buttery, butyraceous. --en, ov. w. to butter, to spread butter upon on. w. to make butter; to succeed. B ► thold, v. bluntness; dullaress. B oth e, o . — betalen, to club together. —bf --'11maalti ' d, picnic. Dote, v. shock, dash. --en, ov. & on. w. to shock —, to dash —, to strike (against), to clash (n —ing, v. shook, dashing, collision; conflict clash. Ballet, v. bottle. —bier, bottle-beer, beer in bottles. —hale, ale-house. v. pantry, buttery . —ter —en, ov. w. to bottle; on. w. to muftis ns. butler, steward. —lemma, steward's mate. Rotten. ou, w. to bud, to sprout out. Botterik, no block-head, dunce, numskull. Brrastit,. 11 otwag, bw. bluntly, plainly. Boud, bv. & bw. bold (-1y). Bout, rn. bolt, iron pin; leg, wing, dunk (ran geregate); leg, shoulder, quarter (van eensehaap). den -- op den kop krUgen, to come badly off. op de —en komen, to pick up one's crumbs. —We l, cross-bar-shot. —fang, bolt-tones. je, o. small leg; master-quill; mon —, my love my honey) Bower, m. (tilling, tillage; harvest; building, etruature. —gereedschap, implements of husbandry. —gevaarte, huge pile of building. —heer, founder, builder . —hoot, timber. —Avid, barn, oti t -house. —knecht, plough-man. —kostin, cost of building. —kunde,—kunst, arr.hitacture. —ksndig, —kuestig, architectural, skilled in architecture. —kundige, —kuisatenear, architect. —/and, arable lend_ —NOW, fond of building. —man, husbandman, farmer. —materia/ex, building•materials. —master, architect, surveyor; master-shipwright. —tneesterschop• fors eyorrbip. —meld, f rrmor's
brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-
Eveugoed, bw. (just) as w911,e9,ally well. Evening, v. dog- en nacht—, equinox. lEvestmatig, be. proportional. —held, v. proportionality, proportion. Evenmensch, Evenntrnete, m. fellow-creature. Evennachtellein, v. equinoctial line. Evenoud, be. equally old, COPV011u. Evenredig, be. & bw. proportionate (-Iy).—keid, v. proportion. Eve/Aloe, bw. slightly; just, a little, a moment. Eveneeel, bw. (pat) as nit ch. —tje, o. (a moat of) cake. Even w 1, bw. yet, however, nevertheless.
'67 'tering. —ship, echip aan lij. —shore, la)5crwal. —side, lijbotard. —tackle, ziggijn. —tide, tij order den wind. —way, wreak, availing. L.zech (lleter), a. bloedraiger; arts; zeilli)k; zie Leach. —craft, heelkunde. —line, noklordiee. —tining, stootlap . —owl, schuifuit. —rope, e tea nd lijk. —worm, bloedzaiger. Leek (liet), E. look. Leer (lier), a. look, glaring. —, v. a. toelc.nken; v. n. lonken, gluren (on, upon). Lees (lies), pl. droasem, moer, grondsop. • (liet'), a. ondergereehtshof. —, —day, melts dig. Leeward (lielwurd), e,. & ad. aan lij, to lijwaart. Left (left'), a. linkerzijde. —, a. linkseh, linker-. —handed, a. linksch, onhandig.. Leg (leg), a. been; poot; boutje; bulging. Legacy (leg'e-eih), a. legaat. —hunting, a. (hen vleien in de hoop op een legaat. Legal (lrgel), a. —ly, ad. wettelijk, wetttfc.—ity (le gerit-tih), —ness, a. wettigheid. (-ajc), v. a. wettigen, bekrachtigen. Legat ary (leg'e-te-rih), —ea (- lie'), s. legataris, —e (-etl, s. gezant; afgezaut van den haul, legaat. —eship (-et.), a. legaatsehap. —ins (-tajn), a. vets, een' legaat of gezant. —ion (le-gee'ejun), e. gezantschap. —or (le• gee'tur), e. erflater. Legend rt. legende, eprookje; otn-, randsehrift. —ory (led'zjin.de.rih), a. fabeiachtig; a. legendeuboek; -verteller, L eger (ledzeur), a. blijvend, vast. —, e. grantbook; legger. grootboek. —demean (-demeen'), a. goochelarij. —ity (le-dzjer'it•tih), a. vlugheid, behendigheid. Legg ed (le, ,a1), a, met beenen of ponies. —ing (leg'gieng) s. beenlakleeding. Lag! Isle (ledzjnbl), ' a. —bly, ad. leeebaar. —bility (-i-bil'it-tih), —bleness,s.leesbaarheid. Legion (li'dzjun), a. legioen. —ary, a. van een legioen; talrljk; a. legioenasoldaat. Leglsla te (ledzria-leet), v, n. wetter ;;even. —lion (-lee'sjun), s. wetgeving. —tire, so. wetga'vend. —tor, s. wetgever. —lure (-liver), a. wetgevende macht. LegItImft cy a. wettigheid, echtheid. —te, a. —tely, ad.(-met-), wettig,cebt. —te (-meet), v. a. wettigen, eehten. —lion (-wee , sjun), s, wettiging, echting. Legunt a (lerjoem), a. peulvrucht. —ittous gjoe'mi-nu. ․ ), a. peulendragend, van peulvruchten. Leisure (li'zjoer, a, ledige tijd. at —, op zijn gemak. —hours., sdpperuren. —ly, a. & ad. betlaard (langzaam) verricht; op zijn gemak. Leman (li'men), s. liefste, beminde. Lemming (lem'miengl, s. sabeldier. Lemon (lem'un), R. citroen; citroenboom. --peel, citroenschll. —squeezers, citroenpers. —tree, citroenhoom. —adc (.eed'), s. limonade. Lend (lend') [lent], v. a. leer en; verleenen. —able, a. leenbasr; Nerleenhaar, --er, s leeeer; uitleener; verleener. Length (lengths'), a. lettere; afetAnd. full —, levensgrootte. at —, eindelkjk. in — e!f time, met der tijd. --en, v, a. verlengen; v, t,. lenge, omen.

Waarom kopen mensen Bitcoin


praaien. Ha (ha), int. ha! int. hell! veel geluk I praaischuit. fellow , goede vrinnd. Habeas corpus (hee'bi-ea kor'pus), s. wet op Ilainoue (hee'nue), a. Zie Heinous. de proventleve gevangenig. Haberdasher (heb'ur-desj-ur), a. kramer, ga Hair (heer';, s. hear; dread, vleug; ztertje. to a —, ran- en bandverkooper. —y, s. kramerij. op een hear. against the —, met weerztu. —bag, haarzakje. —brained, onbeanisd. --breadth, hearilaberdine (heb-ur dien'), s. labberdaan. Habergeon (he-bur'dzji-un), s. borstharnas. breedte. —broom, kainerbezem. —brush, haarHabiliment (he.bil'i-rnen t),e.gew sad , uttruenting , boratel. —cloth, haardoek. —dresser, hopper-. fillet, —lace, haerband. —needle, —pin, hearHabit (heb'it), a. ewoonte, hebbelijkheid; gespeld. —powder, haarpoeder. —roller, papillot. steldheid, toestand; kleeding, rajkleed. —, v. a. kleeden. —able, a. bewoonbaar. —ability (-1-te—shirt, haren liemd. —side, nerf, —sieve, haren hint-till). —ableness, a. bewoonbaarlieid. reef. —star, haarkomeet. —stroke, ophaal (eener (.i•tikl), s. woning. —once, —ancy, s. wettige achrijfletter(. —trunk, ruige koffer. —weed, waneerzetting, verblijf. —ant, s. bewoner. —ation terms. —wcrrn, haarworm. —iness„ s.harigheid. (-i-tee'sjun), s. bewoning; wooing. —less, a, keel. —y, a. harig, ruig; haren. Habits' al (he-birjoe•el), a. —ally, ad. gewoon, Hake (beak), 0. roodoog (viscb). gebruikelijk; gewoonlijk. —ate i-et), a. bilge- Halberd (haol'berd), a. hellebaard. —ier, (-dice), worteld. —ate 1-eet), v. A. gewennea. s. hellebaardier. Habitude (heb'i•tjoed), s. gewoonte, hebbelijk- Halcyon (hel'sji-un), a. kalm, rustig, vreedheld; gemeenzoam verkeer. ream. —, a. ijsvogel. Habnab (heb'neb), Ad, luk of rank; door elkander. Hale (heel), a. `gezond, frisch. v. a. Zie to Hack (hek)„ a. hak, keep; oude knol,huurpaard; Haul. Half -koets. —, v. a. hakken; verminken; v. n. hak(haan, a. & ad. half; ten halve. —, a. helft. kelen; rich prijs geven. at (by) —, ten halve. my better —, mime weeerHackle (hek'k1), a. hekel. helft. —blood, halfbroeder. -roster. —blooded, v. a. hekelen. Hackney (bek'n1h), a. verhuurd wordend; veil; laag, verhaeterd. —breed, a. van gekruint ras; afgeznegd. s. telganger; huurpaard; huurling; s. halfbloed. — brother, stief-, halfbroeder. —comlichtekooi. munion, avondmaal cruder 6lne geetalte. —deck, huurkoets. —coachman, huur • koetsier. —horse, huurpeard. —man, verhtearder halfdek. —learned, hal fgeleerd. —pay, halve soldij ; van paarden en rijtuigen. —writer, broodechrtj- wachtgeld. —penny (hee'pen•nih), halve atuiver. ver, bundling. —, v. a. gewennen; in eene hour- —pike, halve (offIciers-) piek. --seasover, half koets vervoeren. —ed (-slid), a. vereleten, afgebeschonken. —sighted, kortrichtig. —sister, mt tef-, zaagd. halfzuster. —sphere, halfrond, halve wereldbel. Haddock (hed'duk), s. schelvisch. —strained,on7olkomen,—aword,lijfgevesIttit.—way, Hada (heed), s. stalls echacht, staande gang (in ad. halfweg. —wit, domoor. —witted, onnoozel, mijuen). dom. Haft (haaft), s. handvat, heeht. —, v. a. van een Halibut (hol'i-but), a. hellbot. handvat of hecht voorzien. Halidom (hert-duin), a. heilige maagd. Hag (beg'), a. heks, tooverkol. —born, van aene Hall (haor), e, zeal; gildgkamer; gerechtshol'; heice geboren. —ridden, beheket. —seed, heksenheerenhuie; voorportaal. cbmmon geineentekind. — v. a. kwellen; beangotigen. huis, verkoophuie. —day, gerechtedag. —age, 0. H aggar dIheg'gurd), ' a. —/y, ad. mager, verwilmarkt, staangeld. derd, wanstaltig, ontdaan. a. wilde (Itchtlwe) lllallelajjah (hel - le - loe'je), a. hallelujah. yolk; monster. Halliard, Halyard (hellurd), s. val. —block, Hag gess (heg'gess), s. leverworst. (-Os% valblok. a. hekeachtig, mievormd, afschuweltjk. Halloo (hel-loe'), int. hallo! —, v. a. door geHaggle (heg'g1), v. a. klein hakken; verminken; schreenw aandrijven of verjagen; aanschreeuv. n. knibbelen. —r, s. hokker; knibbelaar. wen; v. n. echreeuwen, hello roepen. Haglograph er (hee•dtji-og're-fur), a. keno- Hallow (hello), v. a. wijden, heiligen. —Inas niek Igevvild) achrijver. —y, a. de kanonieke (ge• (-mead), s. Allerzielen. wijde) boeken. Ilallucina to (hel-ljoe'si-neet), v. n. dwalen, llaguebuti(heg'but), s. musket, snaphaan. struikelen. '—lion (-nee'siunl, s. wean, rinsbeIlah (ha), int. ha! drog; dwaling, feil,mieslag. —tory (-ne-tur-rih), Hail (heel'), a. bagel. —shot, echot met echroot. a. dwalend, mistastend. —Mower, —storm, hageibui, jacht. —stone, bagel- Halo (haom), a. stroohalm, stroo. steen. —, v. a. & n. hagelen. —y, a. hagelachtig. Halo (hee'lo), a. liehtkrans. Hall (heel'), a, gezond, Meek. —, a. groet; liaise (hsos), a. kluis. Lie Hawse. stembereek. —, v. a. groeten, hell wenmehen; Halser (hewers), a. halo (touw). lie Hawser. 5
oak Cotter en Cottle, a. katoen. —gin, Cotton (kortn), a. katoenen. katoeuzurveringswerktuig. —spun, katoenen ren. —thistle. katoendistel. —tree, katnenboom. —weed, katoenkntid. —y, tt. katoenachtig; vol katoen. —, v. a. met katoen voeren; v. n. ring (pluizigi warden; ziell verdragen (with); § to — to one, behagen in iemand vinden. Conch (kant:D, m. rustbed; ;Rag, nchicht.
W Waldenses (waol-den'eiez), r. Waldenzen. Wales (weelz), g. Wallis. Walker (waok'ur), en. Walker. Wall ace (wol'las), ne Wallace. Wallachia (wel-lee'ki-e), g. Wailachije. —n, a. wallachi.jsch; i. Wallachijer. Walloon ('eel-loon'), a. Waal/sell; Weal. Wnlpole(waol'pool),g._ & m, W cipole. Walter (waol'inr), m. Wouter. Warren (wor'rn). no. Warrea. Warsaw (waor",ao), g. Wench, a. Warwlek (weor'ikl, g. Warwick. INashIngten (wasfleng-tn)„g & m. P1ashinglon. Wat (not'), — 1y, f. voor Wetter; W.nt. Waterloo (wao'tut-loc), g. Waterloo. Waverly (wee'vur-Ilhl,m. Ws.cerley. Wedgewood (wedzywoed), m. Wedgewood. Wellesley (welznilt), m. Wellesley. Wellingt ,an (wel'Ilenc-tn), Welsh tweld!), a. Wallach. —mos., Wesel (WW1), g. Wezel. Wetter (wiser), g. Wezer. Weetero lwest'rn)Litands, g. (de) Hebriden. West-ludics (west-in'silz), g. the — West-lo,te. Westminster (wetit'min-stur), g. Weetrunnster.

In April 2019, a UK corporate filing stated that Coinbase's non-U.S. revenue grew 20% to €153 million (U.S.$173 million) in 2018 resulting in a net profit of €6.6 million.[37] Coinbase UK CEO Zeeshan Feroz said the company's non-U.S. operations accounted for nearly one-third of the company's overall revenue and Reuters estimated that the company's global revenue totaled "around $520 million" in 2018.[38]

Hoe is Weegschaal verschilt van Bitcoin


Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.  

Is cryptogeld een actief


Rieder U den, on. w. to rids with A. o. lnedesthepael, o. fellow-creature. Modeschreeuwen, ou. w. to join in a cry. illedeschuidig, by. Zie Bledeplichtig. Medeeleepen, ov. w. to drag (to hurry) away, — along with; to involve; to seduce. Riede:wet en, ov. w. to join in a play; on. w. to play with a. o. —er, m. partner. Modespreken, on. w. to join in the Conversation; to meddle with. Ititedestender, rn. aeeociate, partisan, abettor. Itiedeste ► ns en, on. w. to vote likewise, to be amongst the voters. —iag, v. voting with others. ItledestrUd en, on. w. to join in the combat. —er, m. fellow combatant; competitor. Medevaillen, on. w. to meet with unexpected aucces, to succeed beyond expectance. Medevoeren, on. w. to carry along with, to bring off. inedevongd, m. —et, v. fellow-guardian, jointguardian. —(j, v. —ijschap, v. joint .guardianship. Itiledeveaken, on. w. to watch in company.

—er, a, scheitser, boerter. —ingly, ad. schertweelkistje. —house, —office, koninklijka achat- karoer. —, v. a. met juweelen versieren. —ler, send. Jole (dzjool), a. wane, koon; kop (van een' visch). n• jawelie'r. juweelen; juwelierevak. Jew C. (dzjoe'ese), a. jodin. —ish, a, joodech, cheek by. —, dichtbij; vertrouweltjk. Joil (dzj ool), v. a. met bet hoafd stooten tegen. —ry, a. (het) joodsche land; jodenbuurt. Jun y (dOol'Iih), a. —ily, ad. vroolijk, lustig. Jezebel (dzjeee-bel), s. onbeachaamd wijf. Jib (dzjib'), a. kluiver (tell); kraanarm. —boom, —iness, —sty, a. vroolijkheid, prat. —y-boat,joh kluiverboom. —guy, bakstag van den kl -alver. Jolt (ctzjoolt'k a. stoot, gehots. —head, botterik. —iron, kluiverring. —stay, boegspriettouw. —, v. a. & n. stooten; hotlen. v. a. 93 de andere zijde van den mast breugen. Jonquille (dzjon'kwi!), s. tijloos, jonquille. Jig (dzjig'), s. hopsa, boerendans. —., v. n. dan- Jordan (dzjor'dn), a, waterpot. sen, huppelen. —ger (-gur). s. huppelaar; staart- Jostle (-dreos's1), v. a. met den elleboog stooten, blok en echijf. --gash (-jos)), a. huppelend. —jog duwen. Jot (dzjot), s. jots, stip. not a --, geen tier. —, (-dzjog), s. stoot, schok. v. a. aanstippen., aanteekenen. Jlgot (dzjig'ut), a. bout, leeidestuk. Jounce (dzjowns'), v. n. schokken, stooten. Jill 'Me Gill. —flirt, slat, sieerie. Jilt (dijilt), s. coquette. —, v. a. misleiden (een' Journal (dzjur'nel), s. dagboek; degblad; jourv- a. naal. —ist, s. dagbladschriover. —ise minnaar); v. n. de coquette spelen. in het dagboek (jaurnaal) schrtven. Jim (dzjim), a. Zie Gin. Journey (dzjuerlih), s, rein, landreis. —chopper, Jingle (dzjing'g1), Zie Gingie. daglooner; gezel, knecht. —man, Job (dzjob'), s. karrewei, gewaagde onderneming; garenkoopman. ernoutwerk. by the —. bij aanneming, bij het —work, dagwerk. —, v. n. reizen. • stuk. —, v, a. steken, stooten; v. n. bij aanne- Joust (dzjust), a. steekspel, toruooi. —,v.u. torming (bij het stub) werken; ejouwen; beunhazen; nooien, een steekspel houden. windhandel drijven. —ber, s. daglooner, sjouwer; Jovial (dz)o'vi-e1), a. —ly, ad. blijgeestig,luimig. —ity —ness, s. blijgeeatigheid, vroobeunhaas; sp , eulant. —bernowl (-bur-nool), a. lijkheid. domkop. Jockey (dzjok'ih), a. rOnecht; paardentuischer; Jowl (dzjool). a. Zie Jove. —er, s. apeurhond. Jowter(dzjau'tur), s. vischjager, -kooper. bedrieger. —, v. a. bedriegen. Jocose (dzjo-koon'), a. —ly, ad. sehertserid, grap- Joy (dzjo('), a. vreugde, blijdschap; gelukwenaching. my —, mijn lief. —, v. a. verheugen; geluk pig. —ness, s. grappigheid. Jocular (dajoldoe-ler), a. —ly, ad. kortswijlig, wenschen; v. n. zich verheugen. s. vroolijkheid, ad.verheugd, blijde. —fulness, a. blijdschap. —less, sneaked'. —ity a. —lessly, ad. vreugdelOoa, --lessnesa. s. vreugsnaakschheid. deloosbeid. —au*, a. —ously, ad. vroolijk„ biijde, Jocund (dejok'und). a. —ly, ad. vroolijk, blijde. beugelijk. —ousness,a. vroolijkheid, blijdschap. —ity (dzjo-kun'dit-tih), —ness, a, vroolijkheid. Jog (dzjog'), s. stootje, achok; bezwaar. —trot, Jubil ant (dzjoe'bi.lent), a. jubelend. —ation (-lee'sjun), a. gejuich, gejubel. —ee (-lie), a. eeuwv. a. a. sukkeldraf; slendergang; a. sukkelend. feast; jubeijaanjubelfeest. horten; aanatooten; v. n. ejokken; (on) voortauk- Juda is (dzjoe.dee'ik), —ical, a. —ically, ad.(-ikl-), kelen. —ger (-gur), s. sukkelaar; stenderaar. Joggle (dzjorgt), v. a. hcliudden, hutselen; v. a. joodseh. —ism (dzjoe'de-izrn), a, het joodschegedrentelen, strompelen; waggeien, nchudden. loot —ize (dzjoe'de-ajz), v n. joodsche gebruiken John (dzjou' ► , 0. Jan; keret, vent,kinkel.—ct-dreams, waarnemen. droomer. —apple, paradijsappel. —bull, het en• Juddoeli (dzjud'duk), s. haarsnip. Judge (dzjudzj'), e. redder; beoordeelaar. — gelsche yolk. nal, strafrechter. — lateral, assessor, bijzitter.—, Join (dzojn'), v. ft. tamenvoegen, verbinden (with); toevoegen (to). — :battle, handgemeen warden. v. a. richten, veroordeelen; beoordeelen; v. n. v. n. be- rechtspreken; oordeelen (be,from, naar. of over). - interest, gemeene zaak maken. —r, s. veroordeelaar, beoordeelaar. —ship, a. rechleaden (to); zich vereenigen; instemmen; (in) dealsemen aan. —der, s. samenvoeging, vereentging. terschap. —er, a. schrijnwerker. --ergs,s.schrijnwerk.—ing, Judgment (dzjudzj'ment), s. oordeel; vonnis. in a. samenvoeging; scharniee; voeg. my —, near mikjn oordeel. —chamber, —hall, racistJoint oizjojnt')., s. gewricht, geld; scharnier; zeal. —seat, rechterstoel. knobbei; bout. out of —. uit het lid. —, a. ver- Judicat awe (dzjoe'di-ke-tiv), a. beoordeelend; — eenigd,gemeenechappelijk.—business,compaguie- faculty, oordeelskracht. —ory, a. rechteriijk, geschap. —heir, mede•rfgenaam. —stock, meat- rechtelijk; a. gerechtshof, rechtbank; gewkisde. schappelijk kapitaal. —stock , company, mast- —ure (-tjoer), s. rechterlijke macht; gerechtshof. schappij in aandeelen. —stool, vouvistoel. —, v. a. Judici al Ictsjoe - dierel), a. —ally, ad. —ary (-i-erih), a. rechterlijk, gereehtelijk. —ary(-1-e-rih), a. tamenvoegen; ontleden. —er, a. ploegsehaaf. ad. gesamenlijk. —ress, rechtertijke macht. —ous, a. ously, ad. oordeela. zonder geiedingen. kundig, verstandig. —ousness, a. oordeel, yens. bezitster van een weduwgoed. —are, (-joer), s. stand. weduwgoed. Joist (dzjojst), a. dwarsbalk, ebb. —, v. a. net Jug (dzjug), a. kruik; nachtegaalsleg. —, v. n. slaan (van den nachtegaal). balker, (ribben) voorzien. Jack a (dzjook), a. scherts, kwinkslage —e' v. a. Juggi a letzjug'gt). a. goocheletnk. —e, v. a. gooAMP.; bPKOochelel); V. u. goocheleu. —er, N. your tea gek ho ► deo, v. in. aches - taco (at. .05),
following a period represents the repetition of the English word or of the part of it chat stands before the blank. — following a comma ors semicolon represents the repetitions of the preceding word. is prefixed to words occurring chiefly in America. includes the irregular tenses of the simple verbs, i. e. the Imperfect Tense and the Past Participle. • after suck a word signifies that it is sometimes irregularly formed. Those of the compound Verbs are designated by [iu]. ineludee explanations in Homan letters and prepositions used before nouns and pronouns. The English preposition is in italics and the corresponding Dutch one roman. When a preposition is placed before the Dutch words it is always used in connection with the verb. The various meanings of words are separated by a semicolon, thus forming groups of words. Explanations and preposition', preeeded by a comma, apply to all the words of such a group ; when following it word immediately they are applicable to that word only.

Heb ik een portemonnee als ik Coinbase gebruiken


302 Kieed, a. coat, gown, garment. dress; cover. —en, or. w. to dress, to clothe; rich, t, w.to dress. —kanser, dressing-room. Klasid,er on, o. my. clothes, dress, garment. —draekt, costume, fashion, garb. —maker, tailor. —pracht, luxury in clothes. Mead (2, v. dress., clothes, raiment. costume, toilet. v. stressing; are —stuk, article of dress. —je, o. gown, robe. —tier, v. dressing-woman. Kleef stelstlg, by. viscous, gluey, sticky, clammy. —garen, trammel. —kruid, bur, burdock. Kisser en, o. my. traps; roe Kleedesen. —ben, —mond, clothe. basket. —boratel,—echnier, clothes brush, whisk. —tamer, ward-robe. —kcal, ward robe, clothes-press. —kist, linen chest. —trooper, merchant-tailor; ,old clothes-man, frippeter. —maken, tailor's trade. —maker, tailor. —seh9eht, —sink, pole to hang linen on, clotheshorse. —lob, washing-tub. —winked. (second-hand) clothee-shoo. --worm, moth, tiny. —solder, garret for linen, laundry. K1e 1 , v- clay, marl. —aarde clay-earth. —groeee, clay-pit. —grond, clay-ground. —long, layer (stratum) of clay. —spoor, clay-spur. —seep', elsy -road. —aehlig,bv. clayey, clayish. Klein., by. little, small, ens); t, petty, diminutive geld, change. in het —, by retail; in miniature. —achten, to slight, to disregard, so ins he el lghtly of. —achling, aright, slightingelisregard.--doeeter, granddaughter. — geestig, narrow-minded, petty, frIvolousa—geestigkeidoearrow -mindedness, pettinee., frivolousneee. —geloovig, faint-hearted, de ficient in faith, of little ta,t1s. —geloovigksid, faint-heartednetse, little faith. —handel, retail. trade, -business, —handela ar, retailer, retail-dealer. —hartig, —moedig, by. & bw. low-spirited, faint-hearted (-/y1,timid (-1r, pusillanimous (-1y). —kartigkeid, —mnedigheid., dejection, faint-heartedness, timidity, pusillanimity. —kind, grandchild. —kindersehooltje, infant-school. —sehild'r, miniature-painter. —schcift, small-hand. —smid, locket-smith; cutler. —stmedsek. like the inhabitants of a small town, countrified. —teeriy, delicate, touchy, coldly hurt, --terrigkeil, delicacy, touchiness, tenderneee. —room, grandson. —e, in. & v. little one. —held, v. smallness, littleness, minuteness, pettiness, meekness. lkilef ►allrghtsid, v. ttifle,batable. Kleinood, o. jewel., gem, trinket, treasure. Kleine, v. strainer, sieve. —dock. otrainer. Klein te, v. kie —tje, n, little one, baby; small matter, trifle. Kielnz en, ov. w. to strain, to nitrate. —er, m. atrainer. —ins, v. filtration. Mona, v. catch, caltrop; narrow pees; straits, pinch, scrape, dietrese; !trieenits; force- energy; weight; stress. met — spreken, to speak home. —grond, anchorage; forcible argument. —men, 0 , & on. w. to pinch, to jam, to nip; to clinch. —task, holdfaet. --retie, dilemma, convincing argument. —spreuk, forceble sentence. —slaarlig, having the accout on the termination. —loon, stress. —vogel, kite. —wooed, forcible word, clincher. —mer, m. pincher, ecreeezer; clincher. —ming, v. pinching, nip; clinching.


BYE—CAL. wer. —street, achteratraat. —view, bijoogmerk. opjager lin eene veiling.). —dist, tusschengereeht. —way, geheime weg. —wipe, steek onder water. —end, bijo3gmesk. —gains, buitenkaneje; vernal. —word, spreekwijze. —gone, verleden. tear. —name, bijnaam. —path, bijpad. —place, eenzame pleats. —road, Bye ibaj), good —, gaeden dog; vaarwel. (Oorspronkel.: good of Gcd be with ye.) btweg. —room, aciaterkamer. —stander, toeschou-

bloon Blown, p. p. boor Bare, I. born Born,p. p. bourn Borne, p. p. haat Bought, I. & p. p. baaund Bound. I. & p. p. bred Bred,t. & p. p. brook ii3oke, I. bro'kn Broken, p. p. bract Brought, i. & p. p. Wit Built., i. & p. p. burnt Burnt, t. & P. p. burst Burnt, i. & p. p. burst'n Burst,n, p. p. been Came, I. kasst Cent, i. & p. p. kaot Casugbt, I. & p. p. tsjid Chid, I. & p. p. tsitd5dri Chidden, p. p. tRjoot Chose, t. tsjo'zn Chose's*. p. p. kled Clad, i. &p. p. klert p. p. Cia.it, i. & kloom Clomb, i. & p. p. kloov Ciove,„I. klo'in Cio vela, p. p. kiunt Clung, t. & p. p. kum Come, p. p. boot Coat, i. & p. P. toed Could, i. ke pt Crept, i. & p. p. kroe Crew, i. kat Cut. i. F p. n2. (1,1 t Dealt, i. & p. p. did Did, I. (Opt Dint, t. At p. p. dun Mine., p. p. drengl: Drank. i. draon Drawn, p. p. dremt Dreamt. I.& p.p. drool Drew, i. driv'n Driven, p. p. droov Drove, J. drungk Drunk, P. P• dug Dug, I. & P. I, dung 00.11 ,1 . & lc... P. di,: vet Durst,i. dwelt Dvvelt,11. & p. p . let, et Eat, i. tern Eaten, p. p. fa.11'n Fallen. p. p. fed Fed. I. & p. p. fell Fell, t. felt Felt, i.8c p. p. fld Fled, i. & p. p. floe Flew, i. floor' 71ovvn, p. p. flung Flung, I. & p. p. Forbade, I. for-bed' for-'sid' Forbid, I. F p. p. for-bid'dn Forbidden, p. p. for-boor' Forbore, I. tor-boorn' Forborne, p. p. 

Nation (nee'eJun), s. natie, yolk. National (ne'sjun-el),; a. natlonaal, yolks- algemeen. —ity (-el'it-tin), —nests, a. volkskarakter; vaderlandsliefde. —ly, ad. volgens den landaard. Natty, e (nee'tiv), s. inboorling. —e, a. —ely, ad. geboortig; aangeboren; natuurlijk; — country, vaderland; — language, raoedertaal. —ity (netiv'it-tih), a. geboorte; -tijd; .plaats; to cast a —, sea horoskoop trekken. Natron (nealrun), s. loogzout, natron. Natural (net'joe-rel), a. ,ly, ad. natuurlijk. —, s. zot, dwaaa. —ism, a. natuurstaat; natuur,rodsdienst. —ist, s. natuurkundige. —ity —fleas, s. natuurlijkheid. —izatien
Marmot (maar'mut), a> marmot., bergrat. Maroon (me--roen'1, a. boschneger. —, v. a. op eene onbewoonde )(tat aan land zetten. rlarplot (maar'plot), a. spelbreker. Marque i(rnaark), a. kaperechip; -brief. letters of —, kaperbrieven. Marquee (mer-;fie'), a. velcItent. Martiraess (maar-kwis), a. markies. Mavtguetry (maar'ke-trib ► , a. ingelegd week. Marquasate (maar'kwie-et), s. markiezaat. Marrer (maaernr). a. bederver. Marriage (meeridzj), a. huwaijk. —articles, huwelijksvoorwaardert. —bed, huwelijksbed. —day, trouwdag. —dress, trouwkleed. — favors, brul• loftsruikers, -strikjes. —.portion., huwelijkagoed. —song, bruiloftelied. —supper, bruiloftamaal, tie, huwelijksband. —able, a. huwbaar.

Esau (ie'sao), no. Esau. Esay m. Jezaja. Esquimaux (es'itl-mo), i, the —, de Fikimoos. Esther (etetur), w. Either. Esttionia (es-tho'ni-e), g. Esthen, Esthland, Ethelbert (eth'II-burt), m. Adelbert. Ethiopia, g. A. & Zie /Ethiopia. Eton (iet'n), g. Eton. Etruria (e-troe'rle-e), g. Etrurie, Etruscan (e.truslen), a. Etruriech. Eubeea(joe-bi'e), g. Eubea. Euclid (joe'kIld), m. Euclides.
Run let (runlit)„ a. valitje; beekie. —nel (-nil),; Rust (runt'), a. merest; bederf. —eaten, door den s. beekje. —ner, a. looper; renpaard; bode; ge-1 roest verteerd. —, v. a. & n. (deer) roesten; rec'ntedtenaar; uitlooper; mantel. —net (-nit), s.1 (doen) bedeilen. loopend Rustle (rua'tik). a. hue, —, —al, a. —ally, ad. ning, a loopend; kaasleb. renbean. 1 boerech. landelijk. —alness, —ity (-tial'it-tih), a. schrift; —knot_ echuifknoop; boerachi► eid, landelijkheid. —ate (-ti-keet), v. n. Runnion (run'jun), s. p;emeene keret. 1 op het land women Root (runt), s. oncierblijtscl (von dieren). Rustiness (rus'ti-ness), P. roestigheid. Rupee Iron-pie'), s. a opij. h ustie trus't,11, a. genteel. —, v. rt. ritaelen. lasrptloaa trup'sjunl, a. break. Rupture (rupejoar), s. break; vredebreuk. —,, Rusty (rus'tih), a. roestig; ranzig. v. & n. breker, beraten. —wort. brook-1 Rut (rut), s. wagenspoor; bronsf. —,v.n.brons1 ten, bronstig zijn. kruid. a. Rural froe'refl.s.landeii,jk.—i3t., a. landbewoner. lftutta (roth'). a. niedelljalen; ellende. 1 —folio, ad. medelijdend; jamme.eijk. —fatness, a. (-rel'it-tih), --nrss, a. landelOkheid. Rus h (ru,r), t'. hie.; prul; vaart; achok. —candle,1 mededoogen; ellende. —less, a. —leesly, ad. onv. n. stuiven; onellea; barmbartig, wreed. lestness, a. onbarmhartig-light, nachtlicht. held. upon) overvaflen; (upon) zich storten op. —iness (-i-ness), a. biesachtigheld; overvloeti van rice. Rult ter (rut'tjur), a. wecw'jzer, reiaboek, Lee1 fahkel; and reiziger; ervaren soldaat. —ish, a. -p., a. vol biczen. Rusk (rusk), a. mcheepsbeaciatit. taantig% geil. —y, a. vol wagensporen. Rye a. aogge. —breed, raggebrood, —grass IliumArt (rus'ait)„ a. roodbruin, nos.. boersch. dolik, onkruid. —ing, a. asgtappel. —y, R. ! a. boerenkleeding. ! Ryot (raj'itt), s. pachter (in lndie;. roodbrninachtig, roa,ig.

Angola, Benin, Botswana, Cameroon, Ghana , Kenya, Mauritius, Namibia, Rwanda, South Africa, Tunisia, Uganda, Zambia, Armenia, Bahrain, Brunei Darussalam, Hong Kong, India, Indonesia, Jordan, Kazakhstan, Korea, Kuwait, Kyrgyzstan, Macao, Maldives, Mongolia, Nepal, Oman, Philippines, Singapore, Taiwan, Uzbekistan, Australia, New Zealand, Andorra, Austria, Belgium, Bulgaria, Croatia, Cyprus, Czech Republic, Denmark, Estonia, Finland, France, Gibraltar, Greece, Guernsey, Hungary, Iceland, Ireland, Isle of Man, Italy, Jersey, Latvia, Liechtenstein, Lithuania, Luxembourg, Malta, Monaco, Montenegro, Netherlands, Norway, Poland, Portugal, Romania, San Marino, Serbia, Slovakia, Slovenia, Spain, Sweden, Switzerland, Turkey, United Kingdom, Aruba, Bahamas, Barbados, Bermuda, Canada, Cayman Islands, Costa Rica, Curaçao, Dominican Republic, El Salvador, Guatemala, Honduras, Jamaica, Mexico, Nicaragua, Panama, Trinidad and Tobago, United States, British Virgin Islands ,Argentina, Brazil, Chile, Colombia, Ecuador, Paraguay, Peru, Uruguay


DEJ.—DEM. o Deject (de-dzjekt'), v. a. neerslachtlg maken; be- Deluge (del'joedzj), a. zondvloed; overstrooming. —edly, ad.neerslachtig, bedrukt. —, v. a. everatroomen. droeven. —ednets, —ion (-dzjek'sjun), a. bedruktheid; stool- Dein/ sion (de-ljoezjun),1 a. begoocheling; begang. —ory, a. stoelgang bevorderend. —ure drog. —sive, —sort', a. misleidend, bedriegelijk; hersenschimmig. s. uitwerpsel. Delve (delv), v. a. & n. delven, graven; uitvorschen. Dclapse (de-leps',„ v. n. afvallen; afglijden. Delat e (de-leer'), v. A. aanklagen, verklikken. Demagogue (dem'e-gog), a. volksmenner. —ion 1-lee'sjun), a. aanl:lacht,aanbrenglng. —or, Demain (de•meenl, a. domein, vast goad. Demand (de-maand'), a. each; vraag, on —, op a. verklikker. —ory, a. aanllagend. vertoon. —, v. a. eiochen; vragen. —able, a. Delay (ee-lee'), a. uitstel; oponthoud. —, v. a. eischbaar. —ant, a. eischer. —er, a. vrager; mauitstellen; ophouden; verhinderen; v. n. dralen, nor. talmen. —er, s. uitsteller. Dennarcatton (di-mer-keo'sjun(, a. grenslijn. Debbie (deribl)., a uitwischbaar. Delecta e Ide-ickt'ibl), a. —lily, ad. aange- Demean, Demesne (de-mien'), s. Zie Demain. nem, verukkelijk. —biene8s,s. verrukkelijkheid. Demean (de-mien'), v. a vernederen, verlegen. —tion (del-ek-tee'sjun), s. genot. — one's self, zich gedragen. —or, a. houding; Delega to (del'e-geet).. a. afgevaardigd. —, a. gedrag. argevaardigde. —, v. a. evaardigen; opdragen. Demen cy (di'men-sih), a. krankzinnigheid; —tion Igee'sjun), a. afvaardtging; lastgeving; waanzin. —tate (de-men'tet), —ted, a. waanzinoverdracht; (de) afgevaardigden. nig. —tate (de-men'teet), v. a. kraukzinnig maDele to (de-liet"), v. a uitwieschen. —terious keu. —tation (-tee'sjun), a. krankzinnigmaking. (del-e-Wri-us), a. vernielend; doodelijk. —tins Demerit (de-mer'it)., s. (het) laakbare, °flyerdienstelijke. —, v. u. Jeta laakbaars doen. (lt'sjan). B. uitwitoching; doorkaling. Demi, (dem'ih) [in samenst.), a.; half. —cannonDell (delft, s. oteengroef; aardewerk. Delibern te (de lib'ur-et), a. —tely. ad . be- lowest, 30ponder. —cannon-ordinary, 32ponder; hoedzaam; vastberaden. (-eat), v. a. over- —cannon of de greatest size, 86ponder. —culverin, wegen; v. n. beraadsiagen (on); besluiteloos halve veldLlang; lOponder. —devil, halve duivel. :Ain. —Jewess, a. bedaehtzaantheid; vastberaden- —ditone, kleine tarts. —god, halfgod. —john, heid; overlegging. —lion (-ee'sjunl, s. overwe- veldflesch. —/ance,lichte lane. —/une,halve mean. ging. beraadslaging. —tire, a. —tively, ad. over- —quaver, een 16e noot. —semi-quaver een leggend; beraadalagend. —tar, a. beraadslager. noot. —rep, vronw van verdachte levenswijze. Dellea cy (del'i-ke-sih), a. lekkerheid; lekkernij; wolfahond. kiesehheid: k eurIgheid; teederheid; netheid. —te, Demise (de-majz'), a. overlijden, vcracheiden; overdracht (bij uitereten wil). —, v. a. vermaa. —tely, ad. (-Vet.), lekker; kieseh; keurig; tee- ken; in erfpacht geven. der; net. —tenets, a. teederheid; tijnheid; lekker- Hernias ton (de-mis'sjun), s. ontslas; afdan. held. Delicious (de-lis'sjus), a. —ly, ad. heerlijk, king. —ive, a. —ive/y, ad. onderdanig, gedwee. Democra cy (de.mok're-sih), a. volksregeering. verrukkelijk. - nets, aangenaambeid; genot. —t (dern'o-kret), a. democraat. —tic, —neat. (del-i-gee'sjun), a. verbinding. a. (dem-o-kret'ik.), demoeratisch. Delight (de-Isjt'), R. vermaak; geneugte; verruk- king. —, v. a, verheugen; bekoren; v. n. beha- Desnol ish (de-mol'isj), v. a. afbreken, goo,-en seheppen, genot vinden t iv) .—ful, a. —fully, pen. —isher, a. afbreker, alooper. —ition (demolls'sjun), a. afbreking, stooping. gPnotvol. —fulness, a. vermake- Itikheid; bekoorlijkheid. —some, a. aangenaam. Demon (di'mun), a. booze geest, duivel. Delinen te (de-lin'i-eet), v. a. sehetseu; ant- Demon lac (de-mo'ni-ek), a. bezetene. —Jac, —iacal (dem-un-naj'ikl), —ian, a. duivelach. werpen. —tion (ee'sjun), s. afmaling, schetsing; —ology (di-mun-ol'ud-zjih), a. leer der booze oehetn. —tor, s. sehetser. Deliaquen cy (de-line'kweu-sih), a. vergrijp. geesten. Demonstr able (de-mon'stribl), a. bovijsbaar, —t, a. rehuldig; a. overtreder. leelf.ques ce (del-i-kwes", v. n. smelten; ver- betoogbear. —ably, ad. klaarblijkelijk. —ate (-street), v. a. bewijzen, betoogen. —atson (demvliegen. —cence 1-kwes'sens),s.smelting.vervlie- un-stree'sjun), a. bewijs, betoog. -stive, a. ging. —cent (-kwea'sent), n, smeltend; vervliegend. —ative/y, ad. (-stre- ay.), aanwljzend; betoogend ; Delicate ,, e-larreetl, v. n. Wen, raaskallen. Delhi oars (de-liei-ne), a. ijlhoofdig. —ousneas, klaarblijkelijk. —ator (oak: dem'un-atree-tur), a. betooger; bewijsvoerder. —atory, a. bewij—um, a. ijIhoofdigheid, cond. Deliteseence (del-i-teet'sens), a. teruggetrok- Demoral isation (de•mor-el-i-zeesjun), a. zekenheid. denbederf. —ize (-mor'el-ajz). v. a. zedelocs Deliver, (de liv'ur), v. a. bevriiden; verlossen;

Moet je belastingen op Crypto winsten betalen


UNIT--UNX. 324 Unintellig ant (un-in-telnid-z)ent), a. onkunUnhewn (un-joen 5 ), a, onbehouwen, ruw. —ibleness, s. severdig. Unbidden (un-hid'dn), a. onverborgen. staanitarhe!d. —We, a. —ibly, ad. ouvetstaanUnhindered (un-htn'durd), a. ongehinderd. Unhinge (un-hindir), Y. a. uit de hengsels Lich- bum Unintentional (un-in-teu'sjun-e1), a. —ly, ad. ten; tat zijn verband rukken, orniteerea. onopzettelijk. Unhit lun hit'), a. niet getroffe.n. Uuinter ested (un-in'tnr-est-id), a. belangeloos; Unhitch (un-littsrl, v. a. athaken. riet betrokken (in). —silted (-mit'tict), a. onUnhurt if y (in-ho , 111-11h), ad, —y, a. onhailig, s. onhetiigheid. afgebroken. —mixed (-mike(?), a. onvermengd. goddeloon. —rupted, a. —ruptedly, ad. (-rupt'id-), onafgeUnhonored (un-oreurd), a. ungeierd. Unhood (un-heed';, r. a. de kap afnernen. —ed, broken. Unin tired (un-in-joerd'), a. niet gewend (to). a, zonder kap. —vented (-vent'id), a. onuitgevonden. —reeled Unhook (vn-hoek') v. a. loehaken. (-vest'id), a. niet bekleed; niet belegd. —restigable Ulaboop (un-hoepl, v. a. van howls ontdoen• (-vest'l-gibl), a. onnaspeurlijk. —riled (-vaj'tid), Unikope d (un-hoopt'), a, — tor, ongehoopt. a. ongenood. (-hooploel), a. hopeloos. fret Unhorse (tin-horn'), v. a. van het paard werpen. Union (joe'njun), s. vereeniging; eendracht ; Unhositile (un-hotrtil), a. Met v(jandig. Unto. —flag, natlonale ',lag (van Groot- BritUtabousta lun-haue), v. a. uit het We jagen, tannii). Uniparotio (joe-nip'e•rus), a. tin Jong werpend, aan den dijk zetten. Unhumbled (un-hurebld.), a. onvernederd. Unique (joe-niek'), a. eenig. Unison ijoe'af-sun), s. een-, gelijkstemmigheid; I.Johring (11.1 hung') a. ongehangen. overeenstemming. —, —ant, —ous (-n;s'o-), a. Unhurt (un-hurt'), a. ongedeerd, onbeschadigd. gelijkstemmig, -klinkend. —Ail, a. —fully. ad , onachadalijk. Unit (joe'nit), e. eenheid. —anion (-ee'ri-en), a. Unbusk (un huak`. ), v. a. pelien, doppen. Uni corn (joe'ni-korn), a. eenhoren. —form, s. unitarts. —e (-neje), v. a. vereenigen; v. n. zich uniform. —form, a. —forstly, ad. eenvortnig. ver,nigen; itch verbinden; aaneengroelen. a. ad. (-najt'id), vereenigd, gezamenlijk. —fortuity (-form'i-tih), s. eenvormigheid. —genus —y, s. eenheid; overeenstenrning. (-ni 4'0e-tins), a. van din geslacht. —lateral (-let'- Univalve (jotent-volv), a. eensehalig. ur-el), a- eenztjdig. unItn aginable (un•int-ed'zji•nibi), a. ondenk- Univers at (joe-ni-vers'el). a: —ally, ad. Opmeen. —ality (-erit-tili), a. algerneenbeid. —e ium, —paired (-peerd'), a. onverzwalkt; onge- Ijoe'ni-vurs), s. heelal. —lip, a. huogirachoot, nehonden. —passioned (-pesj'und), a. onharts- universiteit. tochteltjk, bedttard. —peaehable (pitts'ibt),j a. niet to betchuldigen, onberispelijk. —peached Univocal (joe-niv'o-kel), s. & a- (woord) met slechts dine beteekents. (-pietajt.'), a. onbeethuldigd. —peded (-pie'dfd). a. ongehinderd. —portant (-port'ent), a. online- Unjoin (un-dzIojn'l, v. a. seheiden. —t, v. a. ontleden; ontwriehten. —ted (-tid), a. ontleed; langrijk. —pitted I-poozd'), a. vrijwillig. —posing ontwrieht; zonder gewricht. I-Po'zieng), a. n'et indrukwekkend; vrijwillig. Unimprov able (un-im-proev'tbI). a. onverbe- Uejoy tut (an-dzjorfoel), —ous, s. niet vrooltjk, nedralachtig. terlijk. —ableness, e. onverbeterlijkheid. (-proevd'), s. onverbettrd, onbeechaard; onge- Unjudged (un-dzjudzjd'), a. onbeourdeeld, onboalist. bruikt. —ing, a. niet verbeterend. Uninaputabl• (an-im-pjoe'tibl), e, niet toere- Unjust (un-dzjust'), a. —1y, ad. onrechtvaardig, onbilftjk. —nese, s. onrecbtvaardigheid. kenbaar. Unin alined (un.in-klajnd'), a. ongenegen, Unjustlit able (un•dzjnet'L-faj-ibl), a. —ab'y, ad. niet te rechtvaardtgen, onverantwoordelijk. —debted (-det'id), a. condor achulden; niet ver- schuldigd. —different (-dirfur-eat(, a niet on-—ablenese, a.onverantwoordelijkheid. —ed (-fajd), a. ongerechtvaardigd. verachilPg; niet onpartijdig. —dulyent (-dui', dzjent), a. niet toegevend.—d,.trioua (dus'tri-utt), Unkennel (un-ken'n11), v. A. nit het hok of hol drtiven; te voorschijn brengen. onbedtlivIg. —fected 1-fekt'idl. a. niet a. onbesmet. —famed(-fleemdl, a. nietontvlarnd. Unkepi (un-kept'), a. niet gehonden., — nage-flammable (-flenemibl)„ P. . niet OntvImbartr. komen. —flueneed (-in'iloe-enst), a, or!) van invloed. Unkind (un-ka)nd'). a. —ly, a. & ad. onvriencle(-1i-nese)„ —nest, a, onlijk. lieideloos. -formed (-POP.Cr), a. niet onderrieht. —onto. vriendelijkheid. (-dzjen'joe-us), a. niet openharttg, niet oprecht. Unintiobit ethic (un-in-heb'it-ibP, ,abewoon- Unklnlq (un-ki'ng') v. a. onttroonen. —!y, a. onhoar. —ableneis, s. onbewoonbaarheid. —ed (-id), koninklijk. Unkissed (un-kise), a. ongekuat. a. onbewoond. Unin lamed (un-in'dzjoerd). a. onbeleedigd; on- Unknelled (un-neld'); a. zonder geld der doodbesehadigd. klok. ouisitive (-kwh'i-ttv) , a. niet —spired nieuwaglerig, (-spajrdn, a. niet bezield; Unk•lghtly (un-najt'ith), a. onridderlijk. niet ingegeven. —strueted (-strukt'id), a. niet Unknit (tin-nit') [ire.], v. a. loetrekken, losonderwezen; zonder voorsehriften. —struetive waken. 1-strukt'lv), a. oniserzaam. —eared (-sjoerd'), a. Unknot (un-not'), v. a. nit den knoop doen; lonmaker. onverzekerd. 

JAK.--J Jeddah110, m. jackal; jade ; wretch, poor rabbit. Jadeites., on. w. — en jagen, to be continually on horseback. Jakob"' ladder, m. Jacob's ladder. —staf, m. Jacob's staff. Jallappe, v. jalap. Jaloerech, be. jealous. —held, v. jealousy. Juloezie, v. jealousy; shutter, blind. Jammer, o. lamentation misery. het is — it is a pity. —dead, deplorable action. —dal. abode of misery. —bertig, pitiful. —Aartigheirl. pitifulness. —klaeht, lamentation. —kreet, lamentable outcry, cry of distress. —poet, pool of misery. —en, on. w. to lament (for), to wait jot. over), —/Ok, by. & bw. pitiful (-ly). lamentable (-bly), miserable (-biy), woeful (-1y). — nit, v. lamentation. Jan, ra. John ; waiter. — en allentan, every one. hoses — Ain, to have carried one 'a point. — Rap en fejja meet, the ra ,oble, riff•raff, tag-ragand-bob-tail. —gat, —den, —settle, cotquesn. —havel, v. sort of ginxerliread; o. rabble. — moat, Jack-tar. — potaye, Jack-pudding, merry-Andrew. Janitearr, m. IenizerY,J , n1 ,8,, rYJituk en, on, w. to howl, to yelp ; to squall. —er, m. howler, yelper; squaller. — inj, v. howling, yelping. —sler, v. Zie Janzenist, nu. demonist. Jetsam', v. gown. --ache deken, quilt. —ache rok, chamber-gown. Jarig, be. one year old, of a year. AO is vandaag —, it is his birthday to-day. Jets, v. (great) coat, frock coat ; sie Jaakaart. --heart, knave of trumps, trump-cart. —stet', stuff fur costs. —seek, pocket of a coot, JassniJn, v. jessamine. Jaspin, m. & o. jasper. Jass en, ov. w. to hammer up ; to hurry; on. w. to play at trumps. —er, m. player at trumps. Javelljn. v. javelin. Je, tsw. eh! to ! Jegena, vz. towards, to. Jenever, v. gin. —beg ; bait!, juniper-berry. —boost, juniper-tree. —brander, —stoker, gin-distiller. —6randerij,—stokerb, gin-distillery. —intik, lover of gin, pot companion. —.leach, ;tin-bottle. —gios, gin-glass. --ineAt, gin-smell. —seas, red none ; toper. —olie, j auiperail. —vat, gin- cask. Jeng.elen, on. w. to be importune, to be teasing. Jeugd, v. youth. —ig, be. & bw. youthful (-ly). —igkeid, v. youthfaluene, youth. Jeuk en, on. w. to itch. —erig, by, itchy. —erigheld, v. itchiness. —ing, a. itching. —te, v. itch, itching. Jezzat, m. Jesuit. —itch, be. & bw. jesuitical (-Iy) —lime, o. jesuitiem. Jleht, v. gout. —ochtig, by. —ig. by. gouty. Joden besot % v. Jews' exchange. —buurt, —hoek, Jewry, ghetto, Jewa' quarter. — genoot, Jewish proselyte. —hark, synagogue. —kern, alkekengi. —pek, !bitumen, asphaltum, jey., e-pitch. —octisst, —woeker, exceasiv3 tamp. —dont, o. Judaism, Jews. Jodie, v. Jewess. Joedon, on. w. to shout, to make merry. Jok, m. jest, joke. nit —s, for fun's sake. —spreuk,
beweren. —, v. n. huiehelen; (about) van partij Fabaceous (fe-bee'sjus), a. hoonachlig. veranderen, ornslaan. Fabian (fee'bi en), a, talmend, voorm-htig. Fable (fee'bl), s. fake!; verdiehtsel. —, v. a. & n. Faced (feeed); a. gevormd, van gelaat, bare—, onbewimpeld. bold—, brazen—, onbeachaared. verdiehten; liegen. —r, s, verdiehter; fabelFacet (fes'it), a. ruitje (van een' diamant). sehrijver. Fabric (feh'rik), a. gebouw; fabriek; maaksel; Facetious (fe-st'ajus), a. —ly, ad. hoertig, granpig, sehertsend, geestig. —ness, a. boertigheid, stelsel; kerkelijk fonds. —ate (-bri-keet), v. a. gra p pighei d. bouwen; vervaardigen; verzinnen;s;neden. —ation (-bri-kee'ejun), a. bouw, vervaardiging; uitden Facial (fee'sjel). a. het gelaat betreffend. (fes'il), a. gemakkelijk, buigzaam, insehikking. —ator (bri•kee-tur), a. vervaardiger; fahrikant.
Gabriel (gee'bri 11), m. Gabriel. Galatia Gb.latt6. —a, i. Galatier. Galicia (ge-liaj'i-e), g. Gailicit. Galatz (ge-lets'), g. Galati. Gall lean (ge1-11-1i'en), i. Galli ee ?. —lee (gel'. il-lie), g. fiancee, —leo 1.1Vokm. Galileo. Gallia (gei'll-e), g. Game. Galvesten (gePvis-tun), g. Galveston. Ganges (geir dzj fez), g. the —, de Ganges. Garrick (ger'rlit), en. Garrick. Gascon (ges'kun), I. Gaseonjer. —y, g. Gasconje. Gaul (gaol), g. Genie; i. Galilee. G e If (dzjef'), —cry. ry, f. vo,r Godfrey. G.nev. (dzje-ni've), g. Geneve, Gent) a (.1zjen'o-e), g. Genoa. —roe (-( Cc), a, ge• sneeseb; i. Genoeee.

Hoe kan ik geld opnemen van mijn grootboek Nano S


Respite (rese'pit), a. uitstel; verpeozIng.—, v. a ting. —Aire zumliv), a. hernemend, hervatuitstellen, opachorten; laten ruaten. tend. eeplentien ce (re-splen'ders), —cy, a. glans. Resupina te (re-ajoe'pl-neet), onderste boron luister. —t, a. —tly, ad. schitterend, luisterrijk. gokeerd. —tion (-nee'sjun), a. achteroverligging; Respond (re.spond"), v. n. antwoorden; verant- omgekeerde stand. woordelijk zijn; (to) beantwoorden can. —ent, a. Demur ge (ri-surdsn, v. n. weder opstaan. —rec'to) beantwosrdend aan; a. antwoorder; verweer- tion (rez-ur-rek'sjun), s. opstanding. der, gedaagde. Resurvey (rinsur-vee'), v. a. weder overziera. Respond a (re-spans'), a . antwoord. —ibilitY Resuscitate (re sua'si-teet), v. a. opwekken,doen (-i- l'it-t ih), —ibleneas, a. eerantwoornelljkheld. herleven; v. n. opstaan, herleven. — tion(-tee'sjun), —able, a. verantwoordelijk. —tee, a. antwoordend, a. opwekking; herleving. beartwoordend. —ory, a, antwoordend; borg t- Retail (ri'teel), a. verkoop in het klein. —busbies', —trade. kleinhandel —dealer, kieinhandelaar. 13 (oesntd. (rest'), a. rust; Bleep; ruatpunt; ruetplaats; — (re- tier ), v. a. In 't klein verkoopen; in kleine overschot, rest. at —, ruatig. for the —, voorhet deelen splitsen; netnekeurig (ook: etukswijze) everige. to set up one's —, het uiterete wagon. verhaler. —er, a, winkeller, after. —harrow, oseenkruid. leenatok (bij achil- Retain (re-teen'), v. a. houden, behouden; terugeees). —, v. a. tot rust brengen; leggen; v. n. rue- houden; onthc.aden; in dlenst nemen; afburen; ten; alapen; sterven; overig zijn; blijcen; (on. sehoren. —able, a. terug (in) te houden. a„ pen) leunen, Mennen, berusten op. behouder; aanhanger; huurlakei; honorarium.) Restate (ri-ateot'), v. a. weder in orde brengen; Retake (ri-took') Dm], v. a. hernemen. op nieu ► verkIaren. Retails, te (re-tel i eat), v. a. &n. betsald zetten, Restnuraaon (ree.to-ree'ejun), a. Zia Rests- wedervergelden; met nelijke muntbetalen. —tion ration. (-ee'sjun), s. wedervergelding. —tive (-e.tiv), —torn Bentern (ri-etem'), v. a. tegen den etroom voort- (-e-tur-rih), a. wedervergeldend. stuwen. Retard (re-taard'(, v. a. belemmeren, vertragen. Restful (rest'foel), e. —ly, ad. rustig, stil. —anon (rot-er-dee'ejun), a. oponthoud, vertraging. Bestial' (reetif), a. tie Restive. —er, s. yertrager. Restinction (re-stingk'ajun), e. blussching. Retch (retsj), v. n. kokhalzen. Resting (restleng), a. rust. —place, reetplaats. Retecious (ri-tisrue), a. gevlochten. —stick, zie Beet-stick. Retell (ri-tell') [im], v. a. op niftier vertell en. Tteetitu te (res'ti-tjoet), v. a. teruggeven; herVel-- Retent lean (re-ten'sjun), a. bewaring, onthen. len. —tion (-tioa'ajuu.); a. teruggave, herstelling. ding, terughouding; ge'heugen: gevangenhouding; —tor, a. hersteller. verstopping. —ice, a. behoudend, onthoudend, Restive (res'tiv), a. —ly, ad. stag, koppig, weer- terughoudend. —irenees, a. behoudend (onthouepon-nig. —tiers, a. koppigheid, stugheid. dent) vermogen. Restless (rest' less), R. —ly, ad. rusteloos. —ness, Reticence (ret'i-sens), a. verzwilging. s. rusteloosheid. Reti rye (ret'iki), s. netje; reticule. —.lax (re. !Restos:. able (re-stoor'ibl), a. herstelbaar. —ation tik'joe-ler). —form, a. netvormig. —cute (-i.njoel), (eeeto-ree'sjun), a herstelling; teruggave. —afire o. werkzak, reticule. --ea (-1-ne), s. netvlies. (-e-tiv), a. & a. veesterkend (rniddel). —e, v. a. her Retinue (ret'i-njoe), a. gevolg, (stoat. etellen; teruggeven. —er, a. hersteller. Retire (re-teje). e. a. terugneinen; intrekken ; Restrain (rg-streen'), v. a. weerhouden (from); v. n. zich terugtrekken, — verwijderen(fron); afbedwingen, heteugelen; beperken. —able, a. be- treden; zich begeven (to). —d,a. teruggetrokken; dwingbaar. — edly, a t. met dwang; beperkt. —er, geheim; eenzaam. dnesa (-id-), a. teruggetroks. bedwinger, neteugelaar. —t, s. bedwang,beper- kenheid; afzondering, eenzaamheid. —meat, a. king, verband. terugtrek king; a fkonderIng, esnzaamheid. Restrict (re-strikti, v. a. beperken (to) —son Retort (re.tort'),,e. tegenbeackuldiging; krem(•strils'sjun), a. neperking. —ire, a. beperkend; hale, retort, —, v. a. terugwerpen, -steoten, eamentrekkend, —ively, ad. met beperking. -schuiven; tegenwerpen, antwoorden; v. n. (upon) Restring e (re-strindzj'), v. a. beperken; eamen- eene beschuldiging op den beschuldiger terugtrekken. —eery, a. samentrekkende kracht. —eat, warps). —er, s. tegenwerper, antwoorder. —ion a. & s. samentrekkend (middel.). (-tor'etun), a. temp, tegenwerping. Reety (resitih), a. Zie Restive. Retoss (ri-toe'), v. a. terugwerpen. Resubilme (ri-enb-lejm'), v. a. weder overha- Retouch (ri-tutsj'), v. a. weder aanraken; Yeelen. tijnen. Reendation (ri-sjee-dee'sjun), a. wederuitzwee• Retrace (ri-trees'), v. a. weder sehetsen; — be. ting. treden; — naeporen. Result (re-zult'), a. uitkomat, tilts:lag, gevolg; Retract (re-trekt'), v. a. & n. herroepen, intrek§ beellssing. —, v. n. (from) voortepruiten, voort. ken. —able, a. herroepbaar, in te trekken. —ation vloelen,„ vcelgen; (in) ultioopen op; § beslissen. (-ee'sjun), —ion teirek'sjun), a. herroeping, ina. ultvloeisel; gevolg. —art, a. vereende trekking. —ible, —ale ell), a. intrekbaar. kracht. Retreat (re-triet), a. terugtocht, aftocht; Own. Begun' able (re-zjoem'ibl), a, weder te nemen; dering; wtjkplaats; landgoed. v. n. terugtrekte hervatten. —e, v. a. hervatten; beknopt cameo- ken, wijken; de toevlucht nemen; zich aan to asvatten. —ption (•zum'sjun), a. herneming, hervat- ken onttrekken.
The platform stores 98% of customers funds offline to ensure the security of the cryptocurrency assets you purchase and store within Coinbase. On their website, Coinbase assures customers that "sensitive data that would normally reside on our servers is disconnected entirely from the internet." Data is then encrypted, and transferred to USB drives and paper backups, and distributed in safe deposit boxes vaults all over the world. 

Accidental (ek-si-den'tell, a, (to) toevallig. —ly, ad. bij toeval. —news, a. toevalligheid. Accite (ek-sajt'), v. a. oproepen, dagvaarden. 4ccialm (ek-kleem'), v. a. toejuichen. —. e. toejuiching. Acclamation (ek-kle-mee'ejun), a. toejuiching, Acelimat e (ek-klarmeet), ise (me-tajz), v. a. aan vreemde lucht gewennen. ion ( kii-mee'ejun), a. gewenning aan vreemde luchtstreek. Accilv(ek-kittjv"), a. steil glooiend, —ity (klivnt-tih), s. schuinte, ateile helling. —out a. steal. Aceioy (ek-klor), v. a. overladen, volproppen. Accoil lek-koji"), v. n. debrdringen; levee maken. Accolade (ek-ko-leed'i, s. omhelzing; verbindingshaakje; ridderelag, Accolent (ek'kolent), a. grensbewoner. Accommoda ble (ek-kom'nno dibl). a- (to) geschikt, bruikbaar. —bleness, 4. geschiktheld. —te (-deet), v. a. bijleggen; (to) bruikbaar maken.. nrichten; (with) voorzien; gerieven; v. n. passend (geschikt) zijn, —te (-det), a. —tely. ad. pasaend, overeenkomstig. s. geschiktheld. —tion (-dee'sjun), a. minnelijke schikking; gemak; —bill, proforma-wissel. —tions (-dee'sjuns), a. geriefelijkheden. —tor (dee-tar), a. lelder; bemiddelaar. Accompan lee (ek-kum'pe-ni-ur), a. metgezel, begeleider. —iment, a. begelelding. —y, v. a, vergezelleu; v. n. (with( omgang hebben met. Accomplice (ek-kom'plis), a. (to. with madeplichtige. —ity (-plis'it-tih), s. medeplichtigheld. Accomplish (ek-kom'plisj), v. a. volvoeren, vol. brengen; verfraaien. —ed, a. wel opgevoed. —er, s. voltooier. --meat, a. voltooling, vervulling. —mints, a. begaafdheden. Accord (ek.kord'), a. overeenstemining• akkoord; schikking, of one 'a own —, uit eigen beweging. v. a. tot overeenetemming brengen (to): vanelfenen; v. n. (with) overeenatemmen. —ance (-dens), a. overeenstemming (in —to or with). —ant, a. overeenetemmend; goedgeluimd. —ar, a. begunstiger, helper. —ing. prp. (to) volgene; naar; (as) :liar mate. —ingly, ad. bij gevolg, dienovereenkomstig. Accorporat a (ek.kor'po-reet), v. a. inlijven. —ion I-ree'-ejun), a. inlijving. Accost (ek-kost'), v. a. aanspreken. —able. a. toegankelijk, gemeenzaam. Account (ek-kaaunt'), e. rekening; bericht; verging; achting• belangrijkheld. Old, New —, Oude, Nieuwe Stijl. to call to —, ter verantwoording roepen. —current, rekening-courant. —sales, verkooprekening. Chamber of —a, rekenkamer. upon all —a. in leder geval. on — of, wegens. of no —, onbeduid end. to make voornemens zijn, to turn to —, rekening geven. —, v. a. in rekening brengen; van oordeel nun: (of) bericht geven van; in achting houden; v. n. rekenen; dienstig zip; (for) reden geven van; (to) nonvoijaen ; ( -math) afrekenen met. § (-e-bib' it-ih), a. verantwoordelijkheid. —able, a. rekenplichtig: (for. to) verantwoordelijk. —ablenek, a, verantwoordeltjkheld. —ant (-mit), a. rekebmeeeter; rsntmeester; boekhouder.

Wat is cryptogeld en Blockchain


ad. —y, A. ongereed; onbereidleillIg. —inese Unreplenlebed (un-re-plen'iejt), a. onaangevoid. (4-neas), a. ongereedheid; onbereldwilligheid. (un-rep-re-zent'id), a. niet voorUnreal (un-ri'et), a. ouwezenljjk.—ity (-ellte-tih), Unrepresented gesteid; niet Yertegenw oordigd. e. onwezenlijkheid. —Iced (-ajzd), a. niet Yerwe- Unre prievable (an-re-prier'thl), a. niet zentijkt. a. ongeooget. voor uttstel (kwijtethelding) vatbaar. —prieeed Unit...sped (un-rtept'), a. ntet ultgesteld; onhegehadigd. Unreason abbe (m-W=4bl), a. —bay, ad. onto- (-prievd'), (-prootejt'), a. onbeript. —provable delijk. —bleneas. a. euredelijkhetd. —proached —proved (-proevd'), Unre biakablo (un-re-bjce'kibl), a. onberisp, (-proeu'ibl), a. onntrispelijk. —baked (-bjoekt'), a. onberiapt. —callable a. onberlept. —pugnatst (-pug'nent), a. niet at-
Embroider (e.n-broj'dur), v. a. borduren. —er, s. borduurder, borduureter. —y, a. bordaarwerk. Embroil (em-broji'), v. a. verwarren, verlegen maken; (in) verwikkelen in. Embryo (em'bri-o), a. onvoldrggen vrueht; eerate ontwerp. —n, a. onvoltoold. Emenda bin (e mend'ibl), a. verbeterlijk. —Non (em-en-dee'Rjun), s. verbetering. —toe (em'endee tur), 8. verbeteraar. —tory (-de-turrih), a. verbeterend. Emerald (em'e-reld), a. smaragd. Emerge (e-murdzj'), v. n. oprijzen, opkomen, to voorschijn komen (from). —nee, —ncy, a. ophoming ; onverwachte , omstandigheid, toeval; noodzaak. —nt, a. opkcmend; onverwacht, plotsoling; dringend. Eaneriteel (e-mer'it-id), a. na volbrachten dienst ontslagen; emeritus. Emerolda (em'ur-ojdz), s. aambeien. Emersion (e-mur'sjun), a. te-voorsehijn-koming; wederverschijning (eener ater). Emery (em'ar-rih), a. amen'. Emetic (e-met'ik), a. braking verwekkend. —, s. braakmiddel. Emeu, Emew, (ie'mjoe), a. keener's. Entication (em-i-kee'sjun), a. vonkeling. Emlction (e-milesjun), a. waterloozing. Emigra nt (em't-grent), a. uitwijkend, verhuizend; a. landverhuizer. —te (-greet), v. n. uitwijken, verhuizen. —tion gree'sjun), a. landverhuizing. Eminen ce (em'i-nens ►, _cy, s. verhevenheid, hoogte; uitstekendheid; eminentie. —t, a. —tly, ad. verheven; hoog; uitstekend. Emissary (emle-se-rih), a. verspiedend. a. zendeling; verspieder. Emission (e-misj'un), a. uitzending; uitgifte. Emit (e-mit'), v. a. uitzenden, uitgeven, uitvaardigen; afechieten. Emmet (em'init), a. mier. Eminew (em-ntjoe'), v. a. opsluiten (in eene kooi). Etnolli ate (e-mol'ii-eet), v.a. verzachtend.—ent, a. verzachtend; a. verzachtend middel. —tion lem-ol-lisrun), a. verzachting. Emolument (a-morjoe-ment), a. voordeel; Emotion (e-mo'siun), a. ontroering. Empale (em-peel'), v. a. ompalen, apietsen. —ment, a. ompaling; spletsing. E-npanel (em-pen'il), a. a. naamlijst van gezworenen. v. a. op de naamlijat der gezworenen plaatsen. Empark (em-paark'), v. a. ombeinen; in een park sluiten. Eanpasm (em'pezm), a. stankverdrbvend poeder. Emperor (em'pur-ur), a. keizer. Empha sis (em'fe-sis), s. nadruk, klemtoon. —size (-aajz), v. a. nadruk leggen op. —tic, —tical, a. —tically, ad. (-fet'ik-), nadrukkelijk. Empire (em'pajr), a. keizerrijk; rijk; heerschappij. Empiric (em-pir'ik), —al, a. —ally, ad. op de ondervinding steunend, empirisch; kwakzalverig. —, a. kwakzalver. (-1-aims), s. empiric kwakzalverij. Emplast er (em-plaas'tur), v. a. met eene pietater beleggen. --lc, a. 1tjrnerig; kleverig.
c. Cab (keh), a. cabriolet. —, v. a. naloopen, pakken. § Cahoot (Ire-hoot"), a. bende; vereeniging. Cabal (ke-bel'), a. kabaal, kuiperij. —, v. n . kui- kee'tif)„ s. schurk. a.snood,schelmachtig. pen. —ler, a. kuiper; intrigant. Cajole (ke-dzjool'), v. a. vleien, liefkoozen. —r. Cabal a (keb'e-le), a. joodsche overlevering; ge- a. victor, pluimatraker. heime wetenschap. —lot, a. kenner der gehei- Cake ikeek), a. kook. —, v. a. & n. tot Ice menleer. —istie , —istical (keb-e-lis'tik-) , a. bakken. —twelfth —, driekoningenkoek. geheim, verhorgen. Calab.ish (kel'e-besj), a. kalabas. Cabbage (keb'bidzj), s. kool; lappen. —, v. a. Calamaneo (kel-e-men'ko), a. kalmink. door hot oog van de sehaar Italen; v. n. tot Calamine (kel'e-majn), s. kalameinsteen. kroppen groeien. —lettuce, kropaalade. —worm, Calamit ous (ke-leml-tus), a. rampspoedig. —y, koolrups, s. onheil, ramp. Cabin (keb'inl, a. hut; kajuit. —, v. a. In eene Cantinas (kel'e-mus), s. kalmus. but opaluiten; v. n. in eene but woven. —boy, Catfish (ke-lesj"), a. hales; gijden kap. kajnitsjongen. —et, a. kabinet; bijzonder ver- Calear (kel'ker), s. calctneeroven. —ious (keltrek. —et-councii,kabinetsraad.—et-maker,schrijn- kee'ri-us), a. kalkachtig. werker. Calceated (kel'sji-ee-tid), a. geschoeid. Cable (kee'bl), o. kabel. to bend the —, den Ica- Calci nate (kersi-neet), v. a. verkalken. —nubel wegnemen. to keckle (serve) the —, den babel tion (-nee'sjunl, a. verkalking. —natary, (-sin'emet slapping bekleeden. to splice the —, den tur-rih), a. calcineervat. —ne (kat-Rain ;., v. a. kabel Rplitsen. to play cheap the —, den' kabel & n. verkalken. —urn, a. kalkmetsal. langzaam nitlaten. to play (veer) more —, meer Calenlat a (kerkjoe-leet)., v. a. berekenen, bekabel vieren. —bitt, kabeibeting. —clinch, anker- grooten; v. n. voorzien; denken, § meenen, gesteek. —lid, splitshoren. kabelslag. —'s- leaven. —ion (-lee'sjun), a. berekening. I, length, kabelitlengte. —tier, kabelgat. —yarn, ha- berekenaar. —ory, a. berekenend. belgaren. —d, a. met een' hotel vastgemaakt. Calculons (leel'kjoe a. steenig, zandig. —t (kee'blit), s. slaglijn , paardelijn. Caldron Ikaol'drun). s. groote ketel. Cabman (keb'men), voerman van eene cab. Cale faction (kel-e-fek'sjun), a. verwarning. Caboose (he-hoes'), a. kombuis. —factive, —factory, a. verwarmend. —fy (kel'eCabriolet a. cabriolet. faj), v. a. & n. verhitten. Cacao (4eekol, a• cacao. Calendar (kel'en - der), s. almanak. Cachalot (ketsre-lot), a. potvisch. Calender (keren-dur), a. 1Rkenpers, wangel; Caebeetie, —al ike-kertik-), a. kwaadsappig. klander. —, v. a. persen, mangelen. Cincheyzy (ke-kok'sih), a. kwaadsapp!gheid. a. Berate dag der maand. Calends Cachinnation (kek-in.nee'sjun), a. echaterlach. At the Greek — op St. Jutmis. Cackle (kek'Acl), a. gekakel. —, v. n.kakelen. —r, Calentnre (kel'en-tjoee), a. heete koorts. a. kakelsar. Caleseenee (ke-lea'sens), a. heetwording. Cacography (ke-kog'rafih), s. wanspelling. Calf , knat), a. half; knit. —skin. kRlfsleder.. Cacophony Ike-korun-nth), s. wangeluid. pluck, kalfsomloop. —'s-foot, kalfsvoet (plant). Cad (keel), a. cenducteur bij eene omnibus. 's-smout, leeuwenbek (plant). Cadavereas ike-dev'ur-usl, s. lijkachtig. Caliber (keri-bur), a. kaliber; gehalte; inhout Caddy s. theekistje. —spoon, theelepeltje. snort; waarde. Cade (heed), s. vaatje. —, a. tam, gedwee. Calico (keri-ko), a. calica, ruw katoen. v. a. opfokken. Calld (kel'id). a. heat. —ity Cadence (kee'dens), warmte, a. toonval. hate. —act, a. verwarmingsbuis. Cadet (ke-det'), s. kadet; jongere zoon of broeder. CallgInons (ke-lid'gji-nus), a. duister. b Cadger iketi'zjur), s. venter; marskramer. Caliph (kee'lif), a. kalif. —ate Cadaelty (ke-djoe-stt-tih), s. afgeleefdheid. kalifaat. drag (keg), 8. vaatje. Caliver Ike'.'i-vur), a. handbus. Cage (keedzj), s. knot, hok, dierpork; gevangenis. Calk (kaok), v. a. kalfaten; § scherp zetten (poor-, v. a. in cone kooi sluaen. —work, doorbroken den). —or, a. kalfater. —ins, a. kalkoenen (win work. de hoefbzer), —ing-iron, breettwijzer.
Rieder U den, on. w. to rids with A. o. lnedesthepael, o. fellow-creature. Modeschreeuwen, ou. w. to join in a cry. illedeschuidig, by. Zie Bledeplichtig. Medeeleepen, ov. w. to drag (to hurry) away, — along with; to involve; to seduce. Riede:wet en, ov. w. to join in a play; on. w. to play with a. o. —er, m. partner. Modespreken, on. w. to join in the Conversation; to meddle with. Ititedestender, rn. aeeociate, partisan, abettor. Itiedeste ► ns en, on. w. to vote likewise, to be amongst the voters. —iag, v. voting with others. ItledestrUd en, on. w. to join in the combat. —er, m. fellow combatant; competitor. Medevaillen, on. w. to meet with unexpected aucces, to succeed beyond expectance. Medevoeren, on. w. to carry along with, to bring off. inedevongd, m. —et, v. fellow-guardian, jointguardian. —(j, v. —ijschap, v. joint .guardianship. Itiledeveaken, on. w. to watch in company.

Krnnk, bv. ill, indisposed, dizeand, sick. —bed, with currants. —eukakker, punctilious person crazy, mad. —hoof- coward ; close-fieted fellow. eick-bed. —hoofdig, craziness, madness. —eine Keep (Ozer, 0. crisping-iron. —pee, ov. w. to digheid, madhouse, crisp. nige, madman; —ngestieht, Krenk, v. —el, v. fold, wrinkle, rumple, crumple, lunatic asylum, bedlam. Kiranke, m. & v. patient, sick parson. —nbezoek, pucker. —elen, —en, or. & on. w. to wrinkle, to rumple, to crumple, to pucker, to ruffie. visit to a patient. —nbezoeker, comforter. —nbe—elig, be. crumpled, ruffled. —er, m. rumpler, zorger, overseer of an initreaery. —nbewaareter, erompler, ruiner. —ing, v. rumpling, crumpling, nurse. ruffling. Kraal& held. v. —te, v. illness, indisposition, Kreutlers, on. w, to groan, to whimper. eich disease, sicaoess. Kraus, m. wreath, garland; cornice, festoon; t. w. (can) to care, to mind. chaplet; circle, club, society. — kruid, sweet Krenpei, be. cripple, lame. — loopen, to halt. —beach, ticket, copse. —gra., knot-grass. —boat, marjoram. —lijat, cornice. —werk, festoons. —en. underwood, — riins, doggerel - rhyme. — achtig, ha. or. w. to wreathe, to garland. o. circle, somewhat lame. —held, v. crippleness, lamene.s. club, society. Kraut, v. newspaper, gazette, paper. —enberieht, Krene„ v. notch, cross-groove; core. advertiserneht, newspaper - report, — endruhker, Keevel, v itch, itching. —en, ov. w. to itch, to prick. —kruld, —sand, herb (seed) that causes are printer of a newspaper. —endruaerii, newspaperprinting-office. —enjongen, news - boy. —eniezer, itching. —fag, v. iich, itchinr. reader of a newspaper. —enntan, news-man. —en- Keib , v. manger, crib ; shrew, scold. —werk, bavtn. nreuws, news, newspapeereports. Kceibbe„ v manger, crib. —bijten, to have the Keep. v. madder ; clesp ; pork 'a eteak. Kresp. Xrapies, bw. closely ; tightly; narrowly, tick. --biter, crib-champing horse, crib-biter; crabbed (peevish, irritable; person. —bigster, scarcely, sparingly. —kat, shrew, scold, irritable woman. Kraig. by. hale, vigourous. brisk. Krebbelen, ov. w. to scrawl, to scribble; on. Kens, kris en —, by all that is holy. w. to be always quarrelsome. %erne., v. scratch. —Nen, on. w. to scratch, to scrape ; to croak; to spatter. —get, pocket-hole. Krlbb ere, on. w. to be peevish, — cross ; to --rjzer, worm. —her, m. scratcher, scraper; worm; quarrel. — ig, by. peevish, froward, irritable, fretful. —igheid, v. peevishness, fretfulness. sorry fiddler. Kraal, o. hindpart, movable hack (of a cart, etc.). Kriebel en, on. w. to itch, to prick. —schrift, cramped writing. Krtiter, m. creter. Kinney, v. scratch, —el, nil. crooked fork, cramp. Kriek„ a. cricket; black cherry, —eboom, blackiron ; nail, clutch, paw. —en, cv. w. to scratch; cherry-tree. Krleken, on. w. to dawn. —, o. day-break, scratcher; —liter, v. to rebuke; to extort. —er, m. dawn. reviler; extortioner. o. trash, Kriel, 111. & a. dwarf, pigmy, shrimp. Krentonr, 0. creature. stuff, refine, outshot. —haan, guinea-cork; —hen, Kreb, v. Zie Krib. openen guinea-hen zie KrIeltje. —, ha. petulant, wanKradiet„ o. credit; trust ; esteem. een on. w. to swarm, to crowd, to be full letter of ton. —en, bfj, to lodge a credit with. —brief, of. —held, v. petulance. wantonness. —tje, o. credit. Kireelt, m. lobster; crab; cancer. —engang, crab 's small chicken of a small breed. walk ; den — gaan, to go backwards. —sdieht, Kriernel sae, m. —aareter, v. trifler, sluggard; haggler. —en, on. w. to lounge, to idle; to hagpalindrome. --soog, crab 'a eye. —ssehaar, claws gle. --ig, by. sluggish, slow. of a oobster. Kreek, v. creek, cove, bay. Krieuveel, v. itch, itching. —en, on. w. to itch, Kroel, v. lace, edging, galloon, —en, ov. W. to to prick. —ing, v. itch, itching. Krieael, v. (tiny) bit, little. !ace, to edge. Kr1,10e, m. war. — voeren, to make (to wage) war. Kreet, m. cry, outcry, shriek. —voerend, belligerent, at war, engaged in war. Kregel, by. & bw. fretful ( - 13, CrOhS (Ay). peevish peevish kop, —zoehtig. warlike. — a - tin eam.),—artskei, article ar,Fcry ( - ily), crabbed ( - 1y). — of war; —bonier, —vaan, banner; — basuin. — Ma per,on. crab. --heid, v. fretfulness, croseness, raca, —trompet. war-trumpet ; —bedrijf, —daad, pevie,hlierm. — iy, ho. Zie Kregel. —igheid. v. feat of arms, exploit, achievement, warlike acZie Krogelheld. tion; —behoeften, —voorraad, ammunition ; —be. K retie, m. circle. —Orievert, circular letters. leid. tactics, military talent ; —betide, troop ; ra. cricket. —en, on. w. to chirrup. —bode, herald; —boutokettet. engineering, fortifiKrssrg, o. carrion. cation ; —bouwicundige, —bouterneester. engineer; Kering on, ov. & on. w. to careen, to heel, to —deugd, military virtue, heroism; —dieeet, give topping to ; to bend sideways ; to higgle. mervice ; —eed, military oath ; —eer, mili—lag, v. careening, heeling. tary honor; —fakkel, torch of war; —gebrizik, cusKrenk en, or. w. to hurt, to grieve, to mortify, tom of war; —gedruisch, —rumoer,tclamor (din, 1,, 'offend. to prejudice, to !More. --end, by, oftumult) of war; --geluk. chances of war, military fensive, hurtful, (to). — er, m. offender. injurer. success; —gereedsehap, inetruments'of war, — ing, v. grieving; grief, offence ; mortification. K re n t, v. currant. —enbrood,—enkoek, bread (cake) warlike implementfo—geroep,war-cry,war-whoop;
AAN. 376 to look (to glance) at; to show one's teeth; on. Anndijken,ov. W. Zie Anudanninen. Anndikken, ov. & on. w. to thieken. w. to dawn, to appear. Aandinarben,ov. w. to serve (to bring) np, Annbilinken,ov. w. to shine at. Aandoen, or. w. to put on; to touch at; to put Aniabod.o.offer, tender, proposal. into (eene haven); to cause, to give; to affect, to Aneaboeken, ov ev. to book. move, to touch; to attack, to snail. den oorlog Annbooten, ov. w. to feed, to stir up. —, to make war upon, to declare war against. een Anoboffen, or. w. to fling (to bump) against; on. prime. —, to enter an action against. —ing, v. w. to fall against. emotion, feeling, sensation. —10h, by. & bw. afAtenbouzers, on. w. to bounce (to bump) at, — fecting (-17), moving (-4). touching (-1y), pathetic against. —lijkheid, v. moaingness, patheticalness. Aanboorden, on. w. to fall aboard of a ship. Aaendrasgceter,v. Zie Aandrager. Anoboettn, ov. & on. w. to bore (on), to broach. Aanbotr eat, on. w. to dash (to knock, tostrike) Anndrnalen, or. 77, to turn to, — closer; to stretch; to fasten upon; on. w. komen to come against. —ing, v. paehing, chock (to approach) turning. Aanbouve, m. raising; construction, building; cultivation. —en, ov. w. to raise; to construct, to /Vanden* en, ov. w. to bring, to carry nearer; to inform of. to make known. —er, m, bringer; inbuild (bij, to); to augment, to enlarge (by buildformer, tell tale, tale-bearer. ing); to cultivate. —er, m. raiser; builder; culAundrang, m. crowd, thronging; pressure, nrtivator. —ing, v. Zie Aanbou w. geney ,rstress. Annbrand en, on. w. to burn, to scorch. ---toy, Aandraven, on. w. to trot, to run fast, — apace, v. burning, scorching_ —eel, o burned part. Aanbrass en, or. W. to brace, to brace in. —ing, to w elk nimbly. Aandeenteleo, on. w. komen —, to come (to v. bracing. Aanbrellen, or. w. to knit to, to new-foot; on. w. approach) sauntering. Aandribbelen, on. w. komen —, to come (to apto knit on. Aanbrek en, o. dawn, day-break; met het — van proach) tripningly. den dap, at daybreak, about sunrise. —en, ov. w. Aandrift, v. impulse; instinct. to begin, to break, to open, to touch. —lag, v. Zie AandrUfater, v. Zie Aandrijver. AandeUv en, or. w. to key up; to press (to push) Aanbrekec, o. an; to impel, to stimulate, to urge, to incite; on. Annbeeng en, or. w. to bring (nearer, on); to w. komen —, to float hither, to be cast onshore. impeach, to inform against, to denounce, to de—er, m. driver, pusher; stimulator. instigator, pose; to produce, to yield. —er, m. —ater, v. abettor. inciter. —ing, v, driving (puebing) on; inbringer; informer, denouncer; tell-tale,tale-bearatigation, incitement. er. —rug, y. bringing nearer; information, denunAandring en, or. w. to push (to press) on. — dal°n. against; to urge, to incite; on. w. to insist (op, Aanbelesehen, or. w. to neigh at; to roar (at). upon). —er, vu. —ater, v. urger, imitater. Antabeovannen, ov. w. to grumble (to grow) at. Aleindr arisen, on. w. to be contrary (to), to clash Aanbruien, ov. & on. an. Zie Artaborten. (with). Aanbruiv en, on. w. to roar, to foam, to rush on; Aandeukk en, ov. w to print to; to press(against. to use one roughly. —kg, v. tegen iemand —, to); on. w. to print on --lag, v. printing to; foaming, rushing. pressing against. Annbrull en, or. w. to roar at. —iny,v . roaring /Cantonal* en, or. w. to bend nearer. —ing, v. Alandssid en, ov. w. to indicate, to denote, to signify, to show, to point to. --mg, v. indication, bending. signification, denotement. Annbuitallen, on. w. to tumble near, to approach Aaadoeven,ov.w. to dare attack. tumbling. Aandoween, ov. w. to push on, — forward; to Annbulderwn, 'iv. w. to roar at. push (against). Aatabulken, or, w. to bellow (to law) at. Aandaeht, v. attention; devotion. —ig, by. & bw. Annelinwellen., ov. w. Zie Dw attentive (-Ty), intent (-Iy); devout -1y), pious Anneen, bw. together; successively. —binden, ov . w. to bind (to tie) together. —binding, v. binding (-1y). —igheict, v. attentiveness. (tying) together, junction. —breien,ov. w. to knit Anodanin3en, ov, w, to dam up. to dike. together. —brengen, or. w. to bring together, to Aantinnsen,on.w. !omen—, to approach dancing. Join. —flames, ov w. to botch (to patch) toAandeet, o. portion, part, contingent, shore. — hebben, to share in, to have a hand in. — nemen, gether. —geachakeld, bv. linked together, concateto take a share, to partieie ate; to take an interest nated, compact, concise. —gesloten, by . close, closely united. —groeiert, on. w. to grow together. (in). —howler, —houdster, shareholder. —groeiing,v.gvowing together,symphysis.—hakes, Anndenken„ o. remembrance, memory; keepsake. ov. w. to hook together. —hangen, on. w. to hang tot — van, in commemoration of. together, to cohere. —hechten, or. w. to fasten Aendlcht en, ov. w. to impute, to charge with. together, to attach. to join, to unite, to connect. —ing 7 • imputation. —hechting, v. joining, connecting. —ketenen, ov. Aandienen or. w. to tall, to announce, to give notice of; to* give In a. o. 'a name to usher in. zich w. to chain (to link) together. —keening, v. linking together. —klampen, or. w. to clamp together. fates —, to send in one's name. —kleven, on. w. to stick together. —klinken, or. Aandlepen, ov. w. to deepen,to make deeper; on. w. to rivet together. —knoopett, or. w. to knot w. to eound (to try) the depth.

Welke cryptogeld is het beste om de mijne


boar. —sion (-misrun), a. intending, inlating; inspuiting. (im-mit'), v. a. inzenden; inspuiten.—igable (-i-gibl), a. niet to verzaehten; onvermurwboar. Immix (im-mika'), v. a. in. vermengen. —able, a. onvermengbaar. Immobility (im-mo-bifit-tib), a. onbewegelijkheld. Ininitodera te (im-mod'ur-et), R. —tely, ad. ontnatig, overmatig. —twee, —tion en'ajun, e. onmatigheid. Immodest (im-mod'est), a. —ly, ad. onbeseheiden, onbetamelijk; onzedig, onkuiseh. —y, e. onbeseheidenheid, onbetamelijkheid; onsedIgheld, onkuischheid. lfinxnole te (im'mo-leet), v. a. offeren; opofferen. —lion (- lee'sjun), s.offering; opoffering;offer.—tor, a. offeraar. Immomenstous (im•mo•men'tus), a. onbeduidend, nnbelangrijk. Immoral (im-mor'el), a. —ly, ad. zedelooa; onzedelijk. —ity (-mo-rel'it-tib), a. zedeloosheid, onzedelijkheid. Immortal (im-mor'tel), a. —ly, ad. onsterfeliik. —ity (-mur-tel'it-tik), a. onsterfelijkheid. —ire (-ajz), v. a. onaterfelijk maken, vereeuwigan. Immova ble (im-moev'ibl), a. —bly, ad. onbeweegbaar, onwrikbaar. —bleneas, a. onbeweegbaarheld. —61es (-iblz), pl. vaste goederen. Immunity (im-nsjoe'nit.-tih), N. vrijdom; etelling, ontheffing; voorreeht. immure (irn-n!oer'), v. a. ommuren; in-, opalui-ten. (im-mjoe'zikl), a. Zie Unmusical. Immuta ble am-trijoe'tibl), a. —bly, ad. onveranderlijk. —blenese, s. onveranderlij kheid. Imp (imp), s. entrijs; apruit; guit; duiveltje, nikker. —, v. a. enten; vergrooten. Impact (im-pekt), a. indruk, atoot. Impair (ini-peer') v. a. verergeren; besehadigen, benadeelen, verzwakken; v. n. verminderen, afnemen. —er, e. bederver. Impalpable (im-perpibl), a. onvoelbaar. Impalsy (im-paol'zie), v. a. verlammen. Impana te (im-peen'et), a. in't broodstanwezig. —tion (-pe-nee'sjun),.. aanwezigheid in het brood. Impanel (Im-pen'el), v. e. benoemen, oproepen (ala gezworene). v eonofesli ;Vet I it i(c) rakaevnli set (;,mg:poenrg'ee4 fig), dv; na .e h 11111n. It
PE R.—PER. `218 Perle•gy (per-i-nedzjih), e- noodelooze zorgvul- —, v. a. vtrgunnen, veroorloven, toelaten —tance, s. vergunning. digkeid, overdreven ijver; opbef. Perige a (per'id- Ole), —um (-i-dzji'um), a. naaste Peranixtion (par- miks'tjun), a. vermenging. Permut ation (puremjoe-tee'sjun), a. verwiseestand bij de aarde. Perigraph (peet-gref), e. vluchtige sehets. —he- ling. —e (-mjoet'), v. a. verwiseelen. Pernancy (puenen-sih), s. inning, hefting. tithes s. naaste stand bij de zon. lion in — tlenden in natura. Peril (peeil), s. gevaar. —, v. a. In gevaar bren- gen. —out, a, —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, s. PernIciouti (pur-nisrus). a. —1y, ad. schadelijk, verderfelijk. —nese, a. verderfelijkheid. gevaarlijkheid, Pernoctation (pur-nok-teelijun), a. (het) nachtPerimeter (pe-rim'i-tor), s.omtrek. Period (pi' ri - ud,, s. tijdkring, tijdperk; geregelde waken. —ic, Peroration (per-o-ree'ajun), a. alotrede. terugkeer; om-, afloop; einde; volzin, periode. telkens wederkee- Perpend (pur-Pend'), v. a. overwegen. —er, a. —teal, a. —ically, ad. kraagsteen. —icle (-1k1), a. schietlood. s. tijdsehrift. rend, periodiek, —teal Perpejnidicniar (pur-pen• dik'joe ler), a. —ly ad. Pericpci (per-J.4'8RJ), p•omwoners. loodrecht, rechtstandig. —sty l-ler"per-i-os'ti. um), a. beenvlies. PeirA it - tlh), a. loodrechtheid. Peripatetic, (per-1-pe-tet'ik), s. volgeling van Artstoteles. —, —al, a. omwandelend, peripate- Peepetra te (pnepe-treet), v. a. hedrijven, pie—lion (-tree'sjun), a. beditving; (het) plegen; ttsch. gen. Peripher tot I pe-rirur-el), a. van den orntrek. euveldsad. —tor, a. bedrtiver, dader. i.fer'ik.), a. van den omtrek; een Perpetu al (pur-petloe-e1), a. — ally, ad. aan — tic, — lea/ (per houdend, altijddurend, eeuwig; —screw, achroef omtrek vormend. —y, a. orntrek. zonder eind. —ate (-eat), v. a. doen voortduren, Peripbrac a (eer'i-freez), —is (pe-elf:re-sia.) , vereeuwigen. (-ee'sjun), a. voortduur; omsehrkiviug. —e, v. a. omsehtioven. —tic, —twat, voortzetting, vereouwiging. a. — tieally, ad. (-frea'tik-), ornschrijvend; door a. al tijddurendheid, eeuwigdurendheid. ornacheilving, Pertpneummby Iper-ip-njoe'inun-nth), a. long • Perplex (pur-pleks), v. A. verlegen maken, ver steld doen stsan; verwarren. — ed, a. —edly, ad. ontateking. Peripter al (pe-rip'tur-e1), —ma, a. met eene verlegen, veralagen; verward. —edness, —ity, a. verlegenheid, verslagenheid; verwardheid. zutienrij omgeven. pl. randomPrrquisit (pur'kwi - zit), a. nuitenkaneje, fool. Perisri ant (pe-risri-ens), —i —ion (-zisron), s. nauwkeurig onderzoek, doorachadowigen, zoeking. Pe•lscope tper'i- skoopl, s. gezicht In het road. Perish per'imj), v. n. omkoine., vet ungelukken, Parr ler (peed-or), s. steenwerper (kanon). —on (-run), a. stoep, hordes. —y, s. perendrank. to gronde gasp/ (by. of. with). —able, a. Terganke- Perscru t anon (pur-skroe-tee'sjun), nauwkeuiijk. —ableness, a. verg-anketijkhetd. Pert sperm (per'i-sperm), s. zaadvlies. — spheric ripe doorzoeking. a. holvorrnig. —staltie (-st,t1'tik), a. Persecu te (pur'ise - kjoet), v. a. vervolgen, k welhen. — lion ( - kjoe'sjun), s. vervolging. — ton, a. vex, • un), a. worm vormig, kronkel end. — terion vol,,e.r. lizerkruld. — stile (-staj)), s. eirkelvormige mot- Persever once (pur-se-vier'ens), s. volharding. darn-Mies. teltrij. — toneunt —ant, a. volhardend. — e, v. n. volharden (in). PerS veto; (pee'l_wigl, a. pruik; valach hear; v. a. met va I seta hear bedekken; — maker, preikmaker• — ingly, ad. met volharding. (..wing,1(1), a. mangdenpalm, hart- Persimmon (pur - sini'mun), 8. ditdelpruirrt, Pers8st ,pur-sise), v. n. volharden, volhouden nuissei (in). —enee,—ency,s.volharding;harcluekkigheid. P.eciur e (pur'dzjoer), v. R. (one's self) eon' vat - —ent, a. blijvend. —ire, a. volhardend; halo schen eed doe.. —ee, a. metneedige. —ions (-dzjoe' sta rrig. a. meinced. ri - us), a. meineedig. Perk purl), R. trotsch, verwaten, levendtg, wak- Peroon (pur'sn), a. persoon; rol,karakter; triterlip, —able. a. welgernaakt; bevoegd om te pleiv. R. tooten, op,chikken (up ; ; v. n. her, fltnk. ten. —age. a. per8onaadje; rol, karakter. —al, a. eere none horst zetten. persoonlijk, — goods. roerende goederen. —caity, Perkin (purNin),s. fruitwijn. .-el'it-till), a, persoonlijkheid. —ally, ad, in perPertustration Ipur-)us-tree'sjun), 8. heziebti- soon. —ally, a. persoonlijk eigendom. —ate ging. Permanevi ce (puemeen , us), —cy, s. voartdu- (-eel', v. a. vertegenwoordigen, voorstellen; zich uitgeven your; apelen. — ation t - ee'sjun), a. voor dourzaarn, voortdu- ring, dour. —t, a. —tly. ad stelling, nabootming. —ator ( - ee - tur), a. voorstelrend. ler, nabootser. — ificatioa ( - son.ir- i - keesjun), s. Per an eq., hie (puernt-ibt), a. doordringbaar. —bi- verpersoottlijking. — ify ( - son'i•faj), v. a. verpers. doordri, , gbaarheid. — te ( - e - bi aoonitIken • , - eet,), v. a. , loordrinren. —tion (-ee'sjun), a. door- Perspective (rur - spek'tiv), a. van de vergezichtdeluging. kande. —,,vergeziehtkunde;vergezieht,versehiet; Per miNellble (pur - rnim'sibl), a. doormengbaar. verrekijker. — /y, ad.door een glas of kijker gezien. Peemi.I tale (pur.rnis'aila)). a. vergunbaar. — on ), a. vergon uing, verlof. —re,P.—rely, ad. Perspficaci out pur-spi-kee'sjus), a• seheroziend; seherpzinnig. —ousness, — ty (-kes'it•tih), vergonnend, toelstend. a. seherpziehtigheid: seberpzinnigheid. P.•a.aat (pur-mit', pur'mit), a. ver)of; geleibrierje. 

LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Zijn alle cryptogeld gedecentraliseerd

×