Tartar (taar'tur), i. Tartaar. —las (ter-tee'ri-en), a. Tartaarsch.—us, my. Tartarus. —y,g,Tertarue. Ted (tell'), —dy, f. your Edward. Tees (ties), g. the —, de Etach. Telemachus (te•lein'e-kus), m. Telemachus. Temple. (tem'pl), m. Temple. Tenerife (ten'e-rif), g. Teneriffe. Tennessee (ten-nie-ate'),g. Tennessee. Terenee (ter'ens),m.Terentlas. Terpsichore (tur-siit'ur-1). my. Terpsisitors.
146 onbeKrensbanr., —spection (-gpek'sjun). a. OD, n- Incompasslontite (in-kurn-pettrun-et), A. ad. onmeédoogend. —ness, a. onmeedoogendheid. zachtigheid. Incis e (in...30, v. a. insnijden. — ion ( - sizri.ii), Incompatil tie (In-kum-pot'ibl), a. —bly, ad. onbestaanbaar (with). —bility (-1.bil'it.tih), a. — ore (-sizj'oer)„ s. insnijding; snede. —ire, onbestaanbaarheid. ( - sajs' - ), a. insnijdend. — or ( - sajs'ur), s. snijta ad. knelt ant (in - saftent)., a. prikkel, opwekk,rd Inconspeten ce (in-kom'pe-tens), —cy, s. onmiddel. — ation (-si-tee'sjun), —ement, s. Ramp° bevoegdheid. —t, a. —tly, ad. onbevoegd (to). ring, prikkelIng, ophitsing. —e, v. a. aan,p0- Incomplete (in-kum-pliet"), a. —ly, ad. onvolren, prilckelen, ophitsen, — cr, s. aanspoorder, ledig, onvolkomen. —ness, a. onvolledigheid, ophitser. onvo lkomenheid. Inclv filly (in-si-vil'it-tih), s. onbeleddheid. Incomplian ce (in-kum-plarens), a. oninsehikkelijkheid. —t. a. oninscbikkelijk (with). -ism (-siv'rzm), s. gebrek aan burgerzin. Inciasp (in-klaasp"), T. a. omvatten, vasthouden, Incompos tte (in-kum-poz'it), a. niet amengesteld, eenvoudig. —title (-pos'ibl), a. onverInclitvatc,-1 (in'kle-veet-id), a. bevestigd. s. onbarmhar- eenigbaar. Inclemen cy tigheid, guurbeid. —t, a. onbarmbartig; guur. Incomprehensi ble (in-kom-prd-ben'sibl), a. —hly, ad. onbegrijpelijk. liraciln able (in-klajn'ibl), a. geneigd, gezind —bleness, s. onbegrweltkheid. —on (..ajun), ((a). —ation (-kli.nee'sjun), s. neiging; geneigd- afwijking. — atory, onbevattelijkheid. —ve (-sIv), a. onbevattelijk; heid; genegenheid; beperkt. a. —atorily, ad. (.klin'e-tur-), overhellend. —e, a. onsaa, a. neigen; geneigd waken, (to); v, n. overhel- Inconapressi ble (in-kum.pres'sibl), s. onsamenlen, geneigd zijn, (to). — er, s. hellende tonne- mendrukbaar. —bility drukbaarheid. wijzer. Incolumputible (in-kum-pjoe'tibl), a. onbere(in-klip"), v. a. omvatten, ornhelzen. kenbaar. Inclolster (in-klojs'tur), v. a. in ten klooster Inconcealable(in - kun-siel'ibl),a.onverbergbaar. opsluiten. Inclose (in-klooz), v. a. —ore (-zjoer), a. Zie Inconcelva ble (in-kun.aiev'ibl), a. —bly, ad. —blend°, a. oubegrijpelijkheid. onbegrijpelijk. Enclos e, --are. —ly, ad. Incloud (in. klaud' I, v. a. omwolken; verduisteren. Inconclusive (in - kun - kloe'ziv), a. niets bewijzend, niet beslissend, onafdoend. Irwin de (in - kloedl, v. a. insluiten, in zich be- —neon, s. geniis aan bondigheid, onbeslissendgrijpen. —sion (-kloe'zjun), a. insluiting. —sive, held. a, —sively, ad. (-kloe'siv.), insluitend; ingeslo- Inconcoct (in-kun-kokt'), —ed, a. onverteerd, ten, daaronder hegrepen, (of ). (-kok'sjun), a. onverteerdheid. Inconguleable (in-ko-eg'ioe-libl), a. niet stol- Inconcntring (in-kuu-kur'rieng), a. niet overboar. Iriceerclble (in-ko.ur'sibl), a. onbedwingbaar. eenstemmend. Incogit ancy (in-kodzri-ten-sih), s. iedachte- Inconcussible (in-kun-kus'aibl), a. onwrikbaar. loosheid. --ant, a. gedachteroos. —ative (-to-tiv), Incondensable (in-kun-den'sibl), a. onverdika. zonder denkverrnogen. bear. Incolleren ce (in-ko-hPrens), —cy, s. gebrek Incondite (in.knn'dit), a. ruw; onbesehaatd. aan samenhang. —t, a. —tty, ad. onsamenhan- Inconforan able (in-kiln-form'ibl), a. ongelijkvormig. —ity, a. ongelijkvormigheid. gond, zonder verband. inconabusti ale (in-kuna-bus'tibi), a. onbrand- Incongcnlal (in-kun-dzji'ni-el), a. ongelijksoortig. baar. —bility (41.-bil'it-tili). —blends, s. on- Incongru enco (in-kong'groe-ens), —ity (-kunbrandbaarheid. groe'it-tih), s. ongepasthetd, gebrek aan overIncome (in'kum), s. inkomaten. Incomniensurn ble (in.lcum-rnens'joe•ribt), een , in ► ming. —eat, —oats, a. —nasty, ad. niet paesend, niet strookend, ongerijmd (with). —te (-ret), a. onderling onmeetbaar. —bility (-re Ineonnection (in-kun-nek'ejun), a. getais van bil'it-tih), s. onderiinge onrneetbaarheid. Incomin Iscible (in - k,m - mi.'8ibl), a. onver - samenhane. (-rnikst'joer), s. ouvermengd- Iuconsequen ce (in-kon'ee-kwens), s. valsche mengbaar. gevolgtrekking, ongerijmdheid. —t, a. niet volheid. Incommod e (in-kuni - mood'), v. a. lastig vat- geed; zich niet geiijkblijvend. —tial (kwen'ejel), a. zonder gevolg; onbelangrtjk. len, hinderers. —ions, a. —iously, ad. lastig, on- Incoassidera tale (in-kun-sid'ur-ibl), a. onbegemakkelijk. —iousness, a, lastigheid; ongemaks. onbelangrijkheid. langrijk, gering. kelijkheid. —te, a. —tety, ad. (-et ), aehtelooe, onbedachtlincornmunica ble (in-kum-rnjoe'ni-kibl), a zaam (of). —terted (-et.), —tion (-eirsjun), -tly, ad. onmededeelhaar.—bility (-ke.bil'it tih), teloosherd, onbedaehtzaamheid. onmededeelbaarheid. —tive (-ke-tiv), a. achtet • Inconsisten en tin-kun-sist'ens), —cy, s. onhoudend. bestaanbaarheid; onbestendigheid. —t, a. —tly, Incommutta ble (in-kurn-mjoet'ibl), a. onver- ad. onbestaanbaar, in tegentipraak (with); ons. onverander- anderlijk. —bility gerijrnd. iijkheid. Inconsola ble (in.kurposool'ibl), a. —bly ad. Incompact (in-kum-pekt'), a. los, ijl. incompara ble (in-kum'pe-ribl). a. —bly, ad. ontroostbaar. onvergelijkelkjk. —bleness, 6. onvergelijkeltjkheid. inconeonan co (in..kon'eo.nens), —eV, a. wan-
WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Betaalt u belasting over Bitcoin winst


s. geheel; geheel bedrag. -ity -ness, a. (hot) geheel. '!'otter (tot'tur), v. 0. wat;gelen. Touch (tutsj"), a. gavoel; aroaralting; toetsing, bepeseving; toets; trek, gelaatstrek; street, penseeletresk; greep,aanslag; berisping; stock, wenk; betrekkingt zweem, welnigje; slag; Debts poping, aanval; aendoentog, aandoenlijkbpid. to keep - with, woorc: houden jrgena. -bath, stortbad. -hole, zundgat. -needle, toetanaald• -pan, pan (van een geweer). -atone, toetasteen, -wood %want (verrot bout).
Conconguln te (kong-ko-eiejoe.leet), v. a. to zanier,' doen stollen. —lion (-lee'sjun), a. samenstolling. Concoct (kun-kokt'), v. a. verteren; tot rjjpheid brengen; door hitte zuiveren. —ion (-kok'Njun), a. vertering; rijping; zuivering. —ire. a. verterend; rijpend; zutverend. Concont Unit cc (kum-kotu'i-tens), —cy. R. 8amenbestaan. —t, R. —fly, ad. vergezellend, samengaand. —t, a. metgezel. Concord (kong'kord), a. overeenstemming, eendracht; accoord. Concord ance (kun.kord'ens), a. overeenstemwing) index op den hijbel. —ant, a. overeenstemmend. —at (-det), a. verdrag, overeenkomst. Concorpora te (kun-kor'po-reet), v. a. vereenzelvigen, inlijven; v. u. tot den lichaam worden. —lion (ree'idun), a. vereeniging tot een lichaam. Concourse (kong'koors), a. aamenloop; toevloed; menigte, vereeniging. Concre anent (kong'kri-meat;, a. samengroeisel. —licence (kun-kres'sens), a. ineengroeiing. — te (kong'kriet), a. Mani, lichaam. Concret e (kun-kriet'), v. a. & n. (tot eerie Inas.) brengen, worden; ineen groeien. —e, a. —ely, ad. ineengegroeid; concreet. —eness, a. gestoldheid. —ion (-1cri'sjun), a. samengroeiing, verdlkking, massa. —ive (-tit), R. verdikkend, atollend. Concubin age (kun-lijoe'bi-tid*, a. onechtelijke aamenleving. —ary, a. onechtelijk. —e (kong' kjoe-bajn), a. bijzit. Conculcate (kun-kurkeet), v. a. vertrappen, vertreden. Concuplsc ence (kun-kjoe'pis-sens), a. begeerte; wellustigheid. —eat, a. wellustig. —ible, a. begeerend, wellustig. Concur (kun-kur'), v. n. samenloopen; medewerken (to); iustemmen (with); overeensternmen omtrent (in); mededingen. —retire, a. samenloop; medewerking; inatemming; mededinging; medeaanspraak. —rent, a. —neatly, ad. samenwerkend, mededingend. —rent, a. mededinger. Colic:us slot. (kun.kus'tijun), a. achokking, botsing; knevelarij. —sive, a. schokkend, schuddend. Gond (bond), v. a. loodsen; sturen. Condetnn (kun-dem'i, v. a. veroordeelen, afkeuren; verbeurd verklareia. Condem 'table (kun-dem'nibl), a. strsfbaar, laakbaar. —nation ( nee'ajun), a. veroordeeling. —.tory (-ne-tur-rih), a. veroordeelend. —ner, s. veroordeelaar. Condens able (kun-den'sibl), a. verdikbaar. —ate, —e, v. a. verdikken; samenpergen; v. n. verdikken. —ation ,•Ree'sjun), a. verdikking; samenperming. —alive, a. verdikkend. —e, a. verdikt; samengepergt. —er, a. verdichtingawerktuig. —ity, a. dichtheid. Conifer (kon'dur), a. geleider der haringvisscheras. Condescen d (kon-de-send'), v. n. zich ver.waardigen; nebrbuigend (inschikkelijk) zijn; zich laten welgevallen. —dence, —sion (-ojun), e. verwaardiging; voorkomendheid. —ding, a. —dingly, ad. zich veewaardigend, voorkomend. Condign (kun-ditju'), a. welverdiend. —ity (mu-
Their (cheer), pr. hun, haar. —a, theta.* pr. de (het) hunne, de (het) hare. Theis no (thi'lzm), a. godisterij, tbeisnaue. .-t (-ist), a. godiet, theist. —tic, —tical (-iat'lk.), godiatisch, thelstiech. Them (them), pr. hen, bun, haar. Theme (thlem), a. onderwerp, them ; grond. woord. Themselves (them-selve), pr. rich; z13 zeiven; itch zeiven; het (hun, hear) zeiven. Theu (then), ad. dan; daarop; toen. conj. dan, derholve, daerom. Thence (the.), ad. vandaar, —forth (-foorth"), —forward (for'wurd), ad. van dten tljd af. Theocra cy (thi ok're-eih), s. goderegeering. —tic, —tieal (-o-kret'ik.), a. theoeratiech. Theodolite (thi-od'ul-lajt), a. hoogtemeter. Theogony (thi-og'un.nih), a. afetamming dor heidensehe godheden. Theolog Ian (thi.o.lo , dzji-en), —iet (-ol'ud.rj13t), —ue (thl'o-log), a. godgeleerde. —ie, —iecti, a. —ically, ad. (-led'zjik-), godgeleerd. —y zjih), a, godgeleerdheid. Theorem (thi'o-rem), a. stelling. —atical (-et-ik-), --ie (.rem'ik), a. in atellingen tervat. Theoretic (thi-o-retnic), —al, a. —ally, ad. Met). retiech. Theor lel (thi'o-riot), a. heselegelaar, theoretic.. —ice (rajz), v. it. theorien maken. —y, a. bespiegeling, theorie. Theosophy (chi.os'o-fih), a. goddeltjke wijsheid. Therapeutic (then e-pjoe'tik), a. geneeskundig. —a, a. genecskunde. There (Cheer). ad. dear, er; aldaar. —about, —ebonite , ad. dear omtretit —after (-aaf'tur), ad. daarna;daarnstar. —at (-et'), ad. dear; daaraan; daarover. --by (-bar), ad. daardoor; daarbtj. —fore, ad. daarom, derhaive. —from (.from' ► , ad. daarvan, daaruit. —in (-in'), —tato (-in-toe'), ad. daarin. —of (-ov'), ad. daarvan. —on (-on'). -.upon (.up-on'), ad. daarop. —out (-ant'), ad. daarttit. —to (-toe'), —unto (-on-toe'), ad. deartoe. —under (-un'dur), ad. daaronder. —with (-with' ► , ad. daarmede. —withal (-oat'), ad. dearmode; daarenboven. Therleo (tht'ri.ok, s. tegengif. —al (the-rej'ilti), a, ale tegenglf werkend, Thermal (thur•nael') a. warm. Thermonve ter (tbur-tnom'i-tur), a. warmtemeter, wearglas. —tric, —trivet (-mo-metrrik.), a. van hat wetrgtaa. These (thin), pr. p1. van This, Thesis (thi'ets), a. stalling. Thespian (thes'pl-en), a. dremati,ch, van het treurapel. ognedderrakgr; a its. ei)",urad T Itlu i vveg(rhgh glieiw h6 o oaintew; a pier, r, pees; epierkracht. —ed, a. gewoon, gewend. They (thee), pr. pl. van he, she, it. — say, men seat, Thick (thir), a. (het) dikke; gedrang; dicht ge. boomte. a. & ad. —4., ad. dik; dlcht, vol, gedrongen; troebel; grof; menigvuidig; getneenream; and, to speak —, brouwen. — and threlfold, dabbel an dware. — of hearing, hardhoorend. —bodied. zwaarlijvig. —coated, dik an huid. —head, dikkop; domkop. —head, --headed, dik van
BYE—CAL. wer. —street, achteratraat. —view, bijoogmerk. opjager lin eene veiling.). —dist, tusschengereeht. —way, geheime weg. —wipe, steek onder water. —end, bijo3gmesk. —gains, buitenkaneje; vernal. —word, spreekwijze. —gone, verleden. tear. —name, bijnaam. —path, bijpad. —place, eenzame pleats. —road, Bye ibaj), good —, gaeden dog; vaarwel. (Oorspronkel.: good of Gcd be with ye.) btweg. —room, aciaterkamer. —stander, toeschou-
YOR.—PAL Imperfect Tense or Past Participle. Forgot, i. & p. p. Forgotten, p. p. Forsook, i. Forsaken. p. p. Fought. i. & p. p. Found, 1. & a. p. Fraught, I. & p. p. Froze, i. Frozen, p. p. Gave, I. Galt, I. & p. p. Gilt, 1. & p. p. Girt, & p. p. Given, p. p. Gone,p. p. Got, & p. p. Gotten, p. p. Grew, i. Ground, i. & p. p. Grown. p. p. Had. i. Hes 7d, f. & p. p. Hold. i & p. p. Heipt, & p. p. He Hid,1.& p. p. Hidden, p. p. BUJ. &p.p. Hove, 1. Hovers, P. P. Hung, 1. & p. p. Hurt, 1. & p. p. Xept, i.& p. p. Knelt, i. & p. p. Knew, I. Knit, 1. & p. p. Known, p. p. Laden, p• p. & p. p. Lain, p. p. Lay, 1. Leant, i. & p. p. Leapt, i. & p. p. Learnt, & p. p. Led, 1. & p. p. Left, i. & p. p. Lent, i. & p. p. Lent, 1. & p. P. Copt, 1. & P. P. Let, 1. & p. p. Lift, I. & p. p. Lit, i. & p. p. Leaden. p. P. Lost, i. his p. p, Made,1. & p. p. Meant, I. & p, p. Met. I. & p. p. Might,i. Makes, p. p. Mown, P. P. Must, I. Ought, I. Patd,i. & p. p.
The platform stores 98% of customers funds offline to ensure the security of the cryptocurrency assets you purchase and store within Coinbase. On their website, Coinbase assures customers that "sensitive data that would normally reside on our servers is disconnected entirely from the internet." Data is then encrypted, and transferred to USB drives and paper backups, and distributed in safe deposit boxes vaults all over the world. 
243 kern, bloom, puik; fljnste of bests van lets. —et 1Quixot is (kwiks'o-tik , , a. avontaurlijk; onge(-tat% s. quintet. —in, s. ateekpaal. rijmd. (kwiks'ot-izm), s. donquiehotterij, belachelijke sada near avonturen. Quintuple (kwin'tjoepl), a, vijfvoudig. 8:1.1eikMettlegheevuet;. steak. —, v. a. & Quiz (kwie), s. raadsel; fopperij; spotvogel. v. a. foppen, voor den gel houden. —zer, s. topper, spotvogel. —izical (-sill), a. apatztek. Quir a (kwaji), a. koor; boek papier. —inter —zing.glass, lorgnet. tkWirls-tar), s. koorzanger. Quirk (k wurk'), s. kwinkslag, net, steek;ultvlucht; Quodlibet (kwocili-bet). a. spitsvondigheid; mengeimoes. a. —let, spitavondigheid, loopje; luchtig liedje. Quoit' (kwojf), s. Zie Coif. sned!g, etekelig; epitsvondig. Quit (kwit), a. vri), ins, ontalagen, (of) to go —, Quoin (kwojn). a hoek; hoekateen; wig; item-, a. afstanddoening; v. ft. afzien stelhout. Zie Coin. loskomen. Quoit (kwojtios. werpschtif. —caster, sehijfwerv. a. yerlaten; opgeven, erfpacht. —rent, van. per. —, T. n. met de werpeabtf spelen. laten varen, afstaan; ontelaan, hevrijden; vergoedin; volduen, kwtten, k al teeren; volbrengen. Quondam (twon'dem), a. voormaltg. — one's self, Rich gedragen —scores, afrekeuen. Quorum (kwo'rum), a. vereiseht (toereikend) getal. Quitcbgrass (kwitargraas), a. hondsgras. Quota (kwo'te). s. sanded. —ble, a. aangehiald Quh'e (kwajt), ad. geheel, get_eel en al. kunnende warden. —lion (-tee'ajun), s. aanhalingi Quits (twits), ad. effen, lamp op, gelkjk. noteering. Quittance (kwit'tens), a. voldoentng; vergelding; Quote (kwcaot.'), v. a. annbalen; noteeren. —r, a. kwitantie. aanhaler, vermelder. Quitter (kwit'tur), a. verlater; hevrijder; etter. Quolb (irwooth, kwuth), v. n. zeide. —bone, kroongezwel (bp paarden). a. Quiver (kvOv'ttrl, a. pijlkoksr. —, a. viug, leven- Quotidian (kwo tid'i-en), a. dagelijksch. alledaagsche koorts; — zaak. n. tliien, aidderen (with). —ed, a. dig. —, Quotient (kwo'ajent), a. uitkomst. van een' pijlkoker voorzien.

cryptogeld o que e


A . 1,` rondborstig. —stocks, Wilde gewaes,n. —stone, Frame (freemn, s. bouw, sane enetel; etellaadje; hardsteen. —thinker, vrijdenker.• —warren, vrije antwerp; raam, lijst, vorm; orde, regelinat,g- wil; vrijwilligheid. held; spant, inhout. — of the mind, geinceds- jacht. gesteldheid. —knitter, kouseuwever. —.w, trek- vrije vrouw. Free (frie'), v. a. bevrtjden, vridetellen; vrij mazaag, cpauzaag. —work, raariwerk, lijstwerk. —r Frans :a (freem"), v. a. in eene lijst zetten; van ken. —dont, a. vrijhei4; vrjidom; voorrecht. (frie'ur), a. vrijmaker; bevrijder. —ness, s. vrijpas maken, inriehten, vormen, rnaken; uittlen- heid; openhartigheid. ken, ontwerpeo. —er, a. vervaardiger; ()rawer- per. —ing, a. samenstelling; timmerwerk; om- !Freed (fried') a. vrijgemaakt. —man, vrijgelatene. Free. e (frlez') [froze. frozen (fro l zn)], v. a. trek. doen bevriezen; v. n. vriezen; bevriezen. Frasuposid (frem'poold), a. knozrig, gemelijk. point, vriespunt. Franc (frank), s. frank (geldstnk). vrijdom,,00rrecht, vrij Freight (freer'), a. lading; vrachtprijs. —, v. a. Franchise (fren'tsjiz), beladen, bevrichten. —er. a. bevrachter. terrein (distrikt). —, v.- a. vrijdom verleeuen, French (frentar) a. franseh. — bean, snijboon. vrijatellen; vrij maken. —meat, s. vrijstellikg. cowslip, Franciscan (fren-sieken),s.franciskaner monnik. — chalk, teekenkrbt ; meerechuith — a. breekbaar• aleutelbloem. — disease, — pox, spaausche pokFrangi ken. —horn,waldhoren. —niarigold,fluweelbloern. heid. —ble (fren'dzjibl), a. breekbaar. noneFrank (freak') a. —1y, ad. vrij; mild: openhar- to take — leave. met stille trom (meta.de verfranderzon) vertrekken. —ify (-i•faj), v. tip;; vrti van boaters. —, a. Frank; gefrankeerde schen. brief; varkenakot. —, v. a. fraukeeren; opprop- a. waanzinnig. Frenetic (fre-net'ik). vrij nets e vetmoaten. —(in, a. ►ezitter van Frenzy (fren'zih), a. wan'nzin. goed. -11.11, 8. openhartigheid. Frank - 0111°4n (frenk-el-moja"), a. ker'.;goed. Frequen ce (frie'kwena), a, menigte; omenFrank bc.nk 4 (frenk'benk), a. weduwgoed. loop. —0, s. herhaaldheid, menigvuldigheid; —fee, toevloed. — t, a. gedurig; menigvuldig. —tly, vrij pachtgoed. —chase, vrije jacht. —farm, s,d. gedurig, dikwijls. --tenement, vrij leen. —fold, driftrecht. —incense, equent (fre•kwentl, v. a. dikwijls bezoeken; wierook. —law, vvettig recht. —marriage, geede- verkeeren met. —ation lfri-kwea-tee'sjun), s. (het) ren-substitutie door huwelijksverdrag, —pledge, (•te-tiv), gedurig bezoeken; druk verkeer. borgtocht van ean' vriiburger. a. lterhaleerd; a. werkwoord van berhallag.—ed, razend, -waart- Feetiatic (fren'tik), a. —ly, ad. a, veel bezecht. —er, a. gedurig bezoeker. —nesd, a. razernii. Fresco (freteko), a. frtschheM; donkerheid; Feap (frep), v. a. ajorren. freseo - sehildering. Frappish ifrep'pigp, a. snorrend, kniezerig. Fratern 3.41 (fre - tur'nel), a. —ally, ad. broeder- Fresh (fresj), a. —1y, ad. versch, frisch; (nieuw; onverrnoeid. —blown, bloeiend. —man, nieuwe• —ization broedersehap. li;k. —ity (-nit-till), 3. ling; groen. —warship, a. nieuwelingschap. —new, (tret-nr-niezee'sjuzi),s. verbroederinge—ize (-neje), nieuwbakken; onervaren. —shot, stroom wet v. n. broederiijk leven. water (in zee). —water, s. zoet water; a. onerFratricide (freCri-sajd), 8. broederntoord; brae- dermoorder. Fraud. (traod'), s. bedrog. —ful, a. —fully, ad. Freak (fre , j'), a. zoet water. —, —en, v. a. verfrisscben; v, n. frisch worden. —es, —et, a. bebedriegelijk. --ulence (-joe-lens), a. bedriegelijk- a. frisehheid, venwater, rivierzwelling. heid. —7,:ent, a. —ulently, ad. (-joe-lent-). be- verechheid. driegelijk. tad* re'raught (fraot'), a. bevracht, geladen; vol (with). Fret 'free), s. rioting; ergering; greep; info —age, s. vracht. rijzend week; zeetngte; buikkramp. to put metFray (free), a. gevecht; ruzie; glee (in etoffen). a —, boos maken. —saw, meekzaag. —work, wilting —, v. a. v,echrikken; wrxjven. v. slijten. seiwerk met verhevenbeden. —, v. a. in breugen; ergeren; afslijten; invreten; metselen —, v. a. spikkelen, Freak (ftiek') s. grit, met verhevenheden; v. n. in gletiniezijn; wegvrebout maken• —isn, a. —ishly, ad. grills. t en; zieh ergeren, kniezen. to for anger, toornig -ishaees, a. grilligheid. —fat, a. —folly, ad. gemelijk. —fatness, s. gee zije. Freans (frietn), v. a. brormeerr (al,t een beer). mei)jkheid. —ter, s. kniezer. —ty. a. met verFrecki e (frek'111), s. eproet; vlekje. —e, v. a. heven werk versierd. sproetig reaken; v. n. sproetig vaurden. —ed, IVembility (fraj-e-bil'it-tih), 8. vergruisbaarheid. a. sproetig; vol vlekjes. ad• or)); vrijmoedig, gerneeu- Friabie (frertb1), a. verg,ruisbaar. —ness,s. verFree (frie'), a• zoom; ongebonden; mild (of,. —bench, weduw- gruisbearbeid. slecht afgedrukt proefgoed. —hooter, vrkjbuiter. —booting, vrtjbuiterij. Friar (f,ai'er), a. monnik; brad. white —, domiuskaan. gray—, franciakaan. -bern, vrijgeboreit. —chapel, bijzondere bagel. beriedictijn. —'s-cowl, monnikskap. )slack —cost. vrijdom van onkosten. —denizen, vrij- dwaallicht. —y, a. mounikachtig; a. burger. —footed, onhelemmerd. —hearted, gill; openhartig. —hold, vrij leen. —holder, bezitter monuikerklooster. van een vrij leen. —man, vrijman, poorter. ['ribble (frib'b1), a. —. beuzelaehtig, —r, beuzelaitr, ant. — , v. n. beazelen. -mason. vrijmetselaar. — masonry, vrijmeteelarij. ealsie'); a. ;efruit vleeecb. , —school, Fricassee (frIk• m inded, onbeschroomd; onbekonterd — minded, a, at . fruit ,n, vrijehool, armeneehool. —spoken, —tongued,

Hoe werkt Facebook geld verdienen op Weegschaal


COB —I/A.D. 429 Contra! a, v. control. —eeren, ov .w . to co ntro1.1C onisis, v. Brougham, coupt; coupee. —eur, m. controller. Coupeeren, 0V. W. to cut. Conyers att., v. conversation; circle of acquaint. Couplet, o. couplet, stanza. a -ace. —earen, on. w. to converse. Coupon, v. coupon, dividend; cut. COUVOtS10, v. conversion. Courant, by. current. —, v. newspaper, gazette; emperor. by. coquet, coquettish. —te, v. coquette. cu :trency; zit Kraut. —ter, m. gazetteer. —erie. v. coquetry. —.leaven, on. w. to coquet. Courtage, v. brokerage. Cordaat, by. & by. resolute (-1y). —held, v. Couvert, o. cover. resoluteness. Credit, by. & o. credit; Cr. (creditor). in het — Corporals', o. corporal. brengen, to pass (to place) into the credit. —ziide, Corporal'', v. corporation. credit. —egrets, ov. w. to credit, to give credit (met, for). —ear, Dr, creditor. Corpulent, by. corpulent. —ie, v. corpulence. Correct le, v. correction, revbion. by. Creooi, m. creole. corrective, relative to miedemeenors. --or, m. Crimlneel, by. & bw. criminal (-Iyi. rf;rit, caiine , v. crinoline, corrector, reviser. Correspond eeren, on.fe. to correspond. —cot, Criodo, v. crisis. m. & v. correspondent. —entie, v. correspondence. Crit sous, m. eritlte. —iek, v. erit!que; criticism. Corridor, o. corridor. --itch, bY. & bw. critical (-ly), —iaeeren, ov. w. Corrigeeren, ov. w. to correct, to revise. to criticise, to review. Cortes, m. mv. Cortes. Cabo.. m. cube. Coryphee, 02. coryphens, Cuitour,v. culture. Coaneetleik, v. co , Tnetic. Coral eels, v. guardianship; order — steals, to Cosine graphic, v. cosmography, —logie, v. have a guardian. —or, m. guardian, curator; assignee, trustee. cosmology. —pallet, m. cosmopolitan, cosmopolite. —ratite, o. cosmorema. —a, Di. COSMOS. Cornier, by. italic. —,o. italics. b w. in italles. Curios, m. course. Cost) (ft), bw. of (at) your place. Cosios, Oporter; catchword. Costumes. o. costume, dress. Cycloop,rn. Cyclops. Coteiet, Y. cutlet, chop, eteak. Csaar, tr. czar. Coterie, v. coterie, clan, set, circle. CotIllon, ra. cotillon. C earfu, v. czarina. Coollose, v. movable scene, side-scene.
A. A (apr. ala de toonlooze e in del; an (-en), art. eon, eerie, eenen. Aback (e-bek'), ad. rugwaarts; tegen den mast. Abaci tion (e-bek'sjunl, a. veeroof. —tor, a. veedief. Abacus (eb'e-kus), a. rekentafel; dekstuk van een kapiteel. Abaft (e-baaft'), ad. naar den achtersteven. Alvaitem% te (eb-eePjen-eet). v. a. vervreemden, afkeertg maken. —tion (-ee'sjun), s. vervreemding. Abanlon (e-ben'dun), v. a. opgeven; verlaten; laten varen, (to). —ed, a. opgegeven, verlaten, (by. of); verdorven. —ed wretch, volslagen schurk. —meet, a. verlating, verlatenheld. Abannitlon (eb-en•nis'slun),a. uitbanning (voor den jeer). Abnptiston (ee-bep-tietunl, a. sehedelboor. Abarticulation (eb-er-tik-joe-lee'sjun), a. geletting. Abase (e-bees'), v. a. verlagen, lager maken; vernederen. — the flag, de vlag strijken. —meet, a. verlaging; vernedering; neeralachticheid. Abash le-bear), v. a. beschamen, verlegen maken. —ed, a. (at) verlegen (over). Abate (e•beet'), v. a. en n.verminderen,afslaan, korten (from, of)• ontzeggen; ontmoedlgen.—, v. n. afnemen, minder warden (of. in , . —went, a. vermindering, korting, enz. —r, a. verminderaar. Abature (eb'e-tjoer), e. spoor van een hert. Abb lob), a. gareu van de schering. Abb acy a. waardigheid eons abts. —em (ebnis), a. abdis. —ey (eb'bih), a. abdij; —lubber, s. kloosterzwn, amulpaap. —et lob' but), a. abt; —ship, a. abtschap. Abbrevin te (eb-bri'vi-eet), v. a. verkorten. (•ee'sjun), a. verkorting. —tor, a. verkorter. —tory (e-tur-rih), a. verkottend. —ture 1-e-tjoer), a. verkortingsteeken. ABC (ee-bi-st), a. het alphabet; a-b•boek. Abdica te (eb'di-keet), v. a. afstand doers van. —,v. n. de regeering nederleggen.—tion (-kee'sjun), a. afstand; nederlegging der regeering. —live, a. afstand veroorzakend. Abdit ive, (eb'dt-tiv), a. verbergend. —cry, e. geheirne bergplaats. Abdom en (eb-do'men), a. onderbulk. —inal (-doml-nel), a. onderbuika-. —inous (-dom'i-nue), a. onderbuns•; dikbuikig. Abduce (eb-djoes"), v. a. aflelden; wegtrekken. —nt, a. aftrekkend. Abduct ion (eb-duk'sjun), a. aftrekking; wegvoering; gevolgtrekking. —or, a. wegvoerder; aftrekkende spier.
hEA League (1leg"), a. verbond; urijl. —, v. n. een verbund aluiten. --r, a. bondgenoot. Leak (liek'), a. lek. —, v. a. laten nitlekken; v. n. lekken. —age, a. lekkage. —y, a. Lek; babbelachtig. Leant (Hem), a. kop: , elband (voorjachthonden). —er, a. lei-, speurhond. Lean (lieu'), a. —ly, ad. wager, schraal; dor; annzalig, —. a. (het) mature (eau vleeach). —netts, a. magerheid, schraalheid. Lean (lien'), v. a. doen leunen; v. n. leunen, ateunen (on, upon)• overhellen, neigen (to). —ingstaff, kruk. —stock, stut, steun. Leap sprong; hespringing. —frog, haasjeover 000). —year, schrikkeljaar. —, v. a. overnpringen, bespringen; v. n. epringen. —er, a. springer, Learn (lurn'), v. a. & n. leeten; vernemen. —eel, a. —edly, ad. geleerd, kundig. —er, a. leerling; —ing, s. geleerdhetd; bedrevenhetd, Leasable (lies'ibl), a. verhuurbaer. Lease (lie a'), a. hour-,pacht contract, huur, pac ht. to let by —, verburen, verpachten. —hold, a. gehutted, gepeeht; s. pachtgoed. —holder, pachter. —, v. a. verpachten, verhuren. Lease (lieu'), v. n. nalezen, inzamelen.—r, s. na• naoogater. Leash (liesno. leis, koppel,riern; drietai. —, v. a. binders, koppelen. Least (lieat), u. kleinste, minute. —,ad.minst. at —, ten minste. not in the —, in het gateel niet. Leather (leth'nr). a. leder. —, a. lederen. —dresser, lederbereider, leertouwer. —seller, lederkooper. —sling, riem. —, v. a. afranselen. —n, a, ledere.- lederachtig, taai. Leave (liev'), a. verlot, vergunning; afecheid. to take French—, tie French. Leave (Hey') [left], v. a. verlaten; laten, nalaten. (off) steken, ophouden; laten varen. (out) nit-, weglaten, verzuinten. —, v. n. ophouden, aflaten. —d, a. gebladerd. Leaven (lev'n), a. zuardeeg. —, v. a. doen rljzen; doordringen, beametten. 1LeavIngs (lievlengz), pl. overblijfsels, uitschot, kliekje. Lecher Ileterur), a. lichtnale, boeleerder. —, v. n. ontuehtig leven. -sue, a. —ously, ad. wellustig, ontuchtig. —ousness, —y, E. geilheid, welluet, ontucht. 1LectIon (lek'ejun), a. lezing; voorlezing. —ary, s. voorleesboeir. Lecture (lekt'joer), a. lezing, voorlezing; etrafpreek. v. a. onderrichten; de lec lezen (for, over); v. n. voorlezingen houden (on). —r, e. yourleZer, lector; hutipprediker. —ship, a, voorlezer-, lectorschap; ambt van hulpprediker. Lecturn (lek'turn), a. leseenaar, lezenaar. Led (led'), part. geleid. —captain, pluitestrijtcer, klaplooper. —horse, handpaard. Ledge (ledzj), a. rand, richel, Nat; laag,schicht; rib, zwalp. Ledger Iledzrur), e. grootboek. Lee (lie'), a. lii, Iowa zijde, —board, liii.waard. —bow, lijboeg- —braces, lijbratoen. —brails,oitouwen aan lij. —leader, veorzeiler under non wind. —lurches, gteringen. —quarters, lijwind-

EST.—EVI. lEatrapatle (as-tre.perr), a. kromme 'prong. Retreat (es-triet'), s. afsehrift. —, v. a. nittrekken, afsehrift waken. Retrepement (es-triep'ment), s.uitputting (verwuesting) van landerijen. Eatriela (eetrit, , j), a. strulavogeldons. Estua ry (estioe-e-rih), s. monding; zeearm; dampbad. —te (.eeti, v. n. opbruisen, koken. —lion (-ee'ejun), a. opbruising, koking. Etch (star), v. a. etsen. —ins, a. (het) etsen; etsplaat. —ing-needle, etsnaald. Etern at (e-tur'nel). a. —ally, ad. eeuwig. —at, a. ( de) Eeuwige. —alive (•ale), —ixe (-najz), v.','a. a. eeuwiyheid. vereeawigen. —ity Etesian (e-trzji-en), a. op bepialde tijden waaiend. —winds, peeseatwinden. Ether (ie'thur), a. ether. —eat, —eous (e-thicr-i), a. ethertach, hemelach. Ethic (eth'ik), —a/, a. —ally, ad. zedenkundlg, sedelljk. —a, s. zedeuleer, nedenkunde.1 Ethnic (eth'nik), —al, a. heldenach. Ethno graph y (eth-nog're-11 , 1), a. besehqving tier rasaen. —Logy (-nol'ud-ajih), a. menschenraaknnde. Ethology (a- thol'ud-zjih), a. verhandeling over de zeden. Etiolate (ie . ti-o-leet), v. a. bleek maken; v. n. Week worden. —lion (-lee'ejun), a. bleekmaking. Etiology (ie-ti-ol'ud-zjih), a. oorzaken- leer (van zlekten) Etiquette (et-i-ket'), s. ,tiquette. Etui (ee-twi'), a. foedraal. koker. Etymolog Ica, (et-i-mo-lod'ajikl), R. woordvorachend, etyrnologisch. —CO (-mol'ad.zjiat), a. woordafleider. —y (-rnol'ad•zjih), a. woordafleiding; woordgronding. Etyanon iet'i-mon),.. groudwoord, wortelwoord. Eucharist (joe'ke•rist), a. Avondmaal; Cornmanic. —ie., —teal, (-riettk.), a. bet Avondmaal betreitend. EutIrasy (joe'kre-eih), a. gezonde toestand (des llchaarns). Eudionieter (joe-di-om'i-tur), e. luchtweger. Eulog 1st (josnud-zjist), a. lorredenaar. —inn (.zjajz ►, v. a. priizen, verheffen. —y, a. lofspraak, lofrede. Eunuch (joe'nuk), a. gesnedene. Eupepsy ijoe'pep-sih), a. goede eptjeverte;ing. Euphemism (joe'fe-miarn), a. verzachtende uitdrukking. Euphon la (joe-fon'ik), —teal, a. welluidend. —y (joe'fun-nih), a. welluidendheid. Eupleraey ijoe'fre-ally, e. oogenklaar (plant). Euroclydon (joe-rok'li-don), a. noordoostenwind (in de Middellandsche zee). Eurus (joe'rus), a. oostenwind. Eurythmy (joe'rith-mih), a. joists overeenstemmilitC, evenredigheid. Eutbanaay (joe-then'e-sih), a. zechte dead. Evaeua nt te-velejoe-eat), a. buikzuiverend middel. —te (-eet), v. a. loozen, ultdrgven, ledigen, ontruirnen.—tion (-ee'sjun),.. loosing; outlasting, stoelgatig; opheffing. —tire (-e-tiv), a. atdrtjvend, zutverend. Evade (e-veed'), v a. it rt. ontwijken, vermijdeu; ontsnappen.
melk. het rerband —, to unbandage, ionand een eed —, to swear a, o., to pnt ta. o to his oath. irwal(jk —, to take Rothe tested —, to overcharge. —, on. w. to abate, to lessen, to decrease, to decline, to d ,, car, to fall; to wane, to lie on the wane —end, bv. declining, diminishing; waning; fainting. —er, m. taker: customer. —ing, v. taking down, — off, — from — away; descent; decrease, decline, decay. wane. Aftp, omen, on. w. Zie A ['Olken. A fnijpen, on. w. to pinch off, —from. Aforigen„ on. w. Zie AfkU ken. Afoogetten, on. w. to get in the crop, to reap. Afpneltten, on. w. to farm, to rent, Afpnkken, on. w. to unpack. to pack off, to unload; to snatch sway, — from. Afpnlen, on, w. to mark (to fence off) with pales, to limit, to incloseAfprissen, on. w, to equt.re, to proportion, to Fytitist; to count out a fixed sum of money. Afuelleta, ov w to sound, to gauge. Arpeinzen (etch), t. w. to rank ,,ne'sbrAin. Arnell•n, on. w. to peel (off), to husk. to "hell. Afperk en, av, w. to impark, to fence in, to fold, to mark out. --ing, v. enclosure, marking oat. Afperu en, ov. w, to extort (to exact, to wrest, to wrist) from. —er, ir. extorter. extortioner. —asp.. v extortion, exaction, wresting from, AFyikken, on. w, to peck to pick) off. Afplatxen, ov w, to flatten, to level. —big, v. flattening, levelling; oblate for. AlpbeRten, ov. w. to save by pleading. Afpinegen, on.w. to plough off. Afplist! 'sell, o. arts pickings• —ten, o•. w. to pick off. —rer, no. picker —.vino, v. picking. At pltikk en, on. w. to plunk off, to gather. —er, in. plucker. —ing, v. plu•cing, gathering. Alpoenoen. ov. w. to wipe off, to clean. Afprnehen, ov. w. spineta by coaxing. Afpraiton, on. w. to prevent by talking; to diseuade to arrange. A fpun to,n, zv.w. to paint off,to nib. Airtsadailer, v. Zie Meader. Afraid en, ov. w. to dissuade, to dehort (a. 0. horn); to advise (a. o. against). —er, In. dissuader. —ing,v. dissuasion. Afrnfelen, ON. & on. Iv. to ravel oat, to unravel. Afrageta, on. w. to clear from cobwebs, to dust. Afraken, on. w. to get off', — down; to get rid of. t in den iveg —, to go astray, to lose one's way. Afranden, on. a'. to take off the border (the margin) from Afroneelen, ov.w. to rib-roast, to drub, to thrash . Altrap ea, ov. a'. to rasp off. —er, rn. reaper. —ing, v. rasping. —set, o. raspinga. Afrotgenen, on. w. to lie beaten (worn) tiff by the rein. Afreikets,on. w. to reach down; to deliver. Afrei a, v. departure, netting out —sens on, w. to traoel over; on. w to depart, to net out. Ala- ricers on, on. w. to deduct, to abate; on. w. to settle (to cli ar) aecounts, to liquidate, to account with. —ing, v. deduction, eat tang (clear. ing) of accounts. liquidation; —harden ; to balance accounts; op —, on accoont.

Moet ik belasting betalen voor cryptogeld


125 GRA.—G.RE. Gratis (grek,'ti9, ad. am niet, gratis. Gratitude (gret'i-tjeed), a. dankbaerheid. Gratuit ous ();re-tjoe'i-tuto, a. --eles/Y,ad. geschonken; ongegrond. —y, s. lige gift. Gratvila to (grerjoe•leet), v. a. geltskyrenschen. —tion (-lee'sjun), a. gelukwensching. —tory (-lctur.rih), a. gelukwenschend. Grave (greev'), n. graf. —clothes. doodskleederen. —digger, doodgraver. —stone, grafsteen. —yard, begraatplaats. —less. a. onbegraven. —, v. a. begraven, graveeren; kalefateren; v. a. graveeren. —r, a. grave.; graveerstift. ad. ernstig; deftig; stemGrave (greev'), a. mig; swear (van t oon), donkey (van kleur). —teas, a. ernstigheid; deftigheld, stemmigheid. Gravel (grev'il), a. gent zand, grint; graveel. —pit, gandpit. —walk, grintpad. —, v. a. sect kiezelzand hestroolen; verlegen maken. —ly, a. zandig, grintig. Gravid (grev'id), a. zwanger. —ity (gre-vid'it-Ch), a. z wangerheid. Gravimeter (re-viml-turl, e. zwaartemeter. Graving (greev'teng), s. snnwerk;indruk. —dock, droop dok, havendok• —tool, graveerstift. GravIt ate (grey% tart), v. n. zwaarte hebben ; near het middelpunt (van zvraartekracht) hellen. —alion (-tee'sjun). a. zwaaste, zwaartekracht. Gravity (grevit-tih), a. zwaarte, zwaartekraeht; ernstigheid; gewichtigheid.. specific —, soortelnk g ewicht. Gravy (gree'v1h). s. vleeschnat; jus. Gray (gree') s, grijs; grijs tiler (paard; das; a. grip, grauw. veal. —beard, grnattard. —brock, des. —eyed, met graze oogen. —fly, brews. —friar, kapucljner. —ilk, a. grauwachfig. —ling, a. amber (soort van zalos). a. grauwheid. Graze (greet'), v. a. welders, doen grazen; afweiden; strijkelings Taken; v, n. grazen; grasgeven; strijkelings raken. —r, a. grasetend then Grazier (gree'ejur), a. vetweider. Grease (griefs). a. smear, vet; mock. Groan e (griez"),,v. a. merest; omkoopen. —iness, , —y, a. vet, smeriga. omerigheid. —sty groot; gros. by the — in bet Great (greet';, groot, bij massa. — a. groet; aannenliji; swan grout, ger. drachtig, (with); vertrouwelnk, vriendschappelnk, (with), a — deal, veel. —born, van goede afkomet. —coat, °aerials. —grandfather, overgrootvader.—grandaon,achterkjeinzoon.—heerted„ hooghartig; onversehroliken. —horse, mandgepear& —seal, grootsegel. —ly, ad. grootelijks. —nese, a. grootheid, aanzieu. Greaten (greet'n), v. a. vergrooten; v. in grooter warden. Greaves (grlevz), s. beenschenen; drab van ge• smolten talk. Gee clan (gri'Oen), a. grieltse.h; a. Griek. —cism (-sizm), s. griekseh taaleigen. —cize (-salt), v. a. in het Griedkech vertalen; v. n. Griekech spreken. G ree (grie), s. welwiliendheld; gunst; trap, trede. Greed iness (gried'i•ness), a. gretigheId; guta, gretig, gni*. — gift, -ily, ad, s. slok-op.

Kan Blockchain bestaan ​​zonder Bitcoin


tlkarnulit, m. comrade, companion. Koroester. v. Dutch oyster. Korporned, tn. coeuoreti. Korpo, o. corps, 'oody. Koree., v. oyster-net. Korrel, v. grain. —en, or. & on. W. to break into grains, to granulate. —ig, by. grainy, granAar. K orren, ov. w. to halo (for oysters) with a dragnet; on 'a. to coo. Koraet, o. pols of stays. corset. K.ornt, v. crust, —achtig, be. ornety. —en, on. W. to cruet, to gather a crust. —ig, by. crusty. —igheed, be, cruetiness. Kart, be'. & bw. short (-Iy), brief (-Iy); tender. — begrip, rbridgmeut, compendium. —s inkaude eummory, epitome. in het —, shortly. in —, warden, in a few words. Cnnen —, shortly. — en toed, in short, ha brief, to be short. em to goon, to be (to cut) short, to be brief. — en bandit, snip-snap. — ran stof, of few words, pert, irritable. to wanting. te komen NJ, to fall (to CO•ne) fi'.0yt of, to fail in, to be a loner by. — en kl , in slaan„ to beat into a jelly, to make root- and brariert-work, —ademig, short-breathed, -winded, aettonatic. —ademigheid, shortness of breath, short-windedneee. asthma. —bondig, b7. & bw. brief (-.13O, concise (-)y), laconic (•ally). —jan, sword. knife, cutlass. —nagelen, to cut (to pare) the nails of. —our, crop-ear. —cores, to crop the ears of. —siaart, bob-tail, curtail•dok, -horse, docked Horse. —staarten, to curtail., to dock. —voer. strong (spirituous) liquors. —wieken, to clip the wings of. —ziebt, short date. —*hag, near-1**We,', short-sighted, purblind; narrow. —zichtigheid, short-aightedneee, myopy. —aehtig, by. rather short. —of, bw. flatly, plainly, abruptly, in a few words. Kortio e, v. brokerage. Kerrie gaited, v. watch .house. --lad, v. cutlaas. Kori1,11 Uk, bw. shortly, briefly. m. small stick (need as fuel). —loge, bw, lately, not long ego. Korien, on. & on. w. to shorten; to clip, to crop; to pant; to abate, to deduct. Korelield, v. shortness, brevity; tenderness. — &halve, bw. for briefuese' sake, for the sake of b. erity. tiortUd, ru„ oyster-season, Knortiog, v. deduction, abatement, allowance, discount. K02101/4 bw. in short, in a word. Koriewekji, v. pastime, fun, jest, sport. —en, on. w. to fan, to jest, to snort. —ig, bv. funny, facetioue, sportive. —igheid, v. funniness, facetiousneon. sport leeriest. ov. W. to put into a basket (hamper). leor O. coroat. Karsoe:„ be. & bw. fretful (-1y). poenish (-ly), haty (-iiy). —hoofd, peevish (hasty) person. —hoofdig, zie 1Roraert. —hoofdigteeid, zie Korr eithelel.—heist, v. pee vishnese, hastiness, touchiness. —ig, be. Zie Kea tier. Kissistelts. en. dewlap. K'ee'i, tn. food, 'victuale, meat; board; livelihood, aubsleterte; cost, expense. in den —
(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al,
maken. afleveren; voordragen; utter.; (aver) overgeven. (up) uitleveren. —ance, a. bevrijding; verloaaing; Demotic (di-mot'ili)„ a yolks—, van het yolk. allevering; overlevering; voordracht. —er, s. be- Demulcent (de-mursent), a. verzachteud. s. verzachtend middel. vrlider, veriosser. —y, a. bevrijding; levering; Demur (de-tour'), a. aarzeling, weifeling; voerdracht; verslag; bevelling. stel. —, v. a. opschorten; betwijfelen; v. n. Deli (del), a. groove; hull; dal. —e, misleidbaar. (di.ljoed"ibl), a. aarzelen, weifelen; tegenwerpingen maken ; Dediud able exceptien opwerpen (in eenreehtsgeding). —rage (-1joed.'), v. a, mialeiden. --er, a. misleider.
road. —hunting, (hat) bezichbtgen van to hum otaande woningen. —keeper, huisvader; moeder; -houdster. —keeping, hutshouding; gastvrkjheid. —lamb, leplam. —leek, huirslook. —maid, weekmeld. —painter, kladschilder, nerves. —rent, hulahuur, —room, ruimte in een huffs. —snail, hubsslab. —warming, welkomstfeest (bij 't betrekken van eene nieuwe wooing). —wife (oak huewif, huz'zif), huisvrouw; goede huishoudster; neatkistje, -mandje. —wifely (huewit-lih, a. & ad. Iruishoudelijk. —wifely, (huz'wif-rih, -zif-r1h), a. huishoudelijkheid; bestfer eener hutshouding. —less, a. zonder wooing, zonder thuiskomen. Hout‘e (bane), v. a. huiavesten; onder dab brengen; stallen; v. n. huizen, wonen. —ing, a. huizing; (het) in hula brengen; achabrak. Hovel (hov'il), a. loods; hut, kot. —, v. a. in eene loods onder dak brengen. v. n . Hover (huv'ur), s., beschutting, luifel. tweven; zwerven. -befit (brit), ad. How (hau), ad. hoe. —be desniettemin. —ever; —soccer (-ev'ur), ad & conj. hoe ook; echter evenwel, niettemin. (hauw'itz .), —er. a. houwitser. v. n. Howl (banal'), —ing, s. gehuil, gejank. huilen, janken. —et (-it), B. nachtuil. Hoy (hoj), a. heu, hang, lichter. —, int. belle! holla! Hub (hub'), a. naaf; handvatse,l; hecht; mikpunt. —bub, a, geraaa, rumoer. Huck (hub'), v. n. knibbelen, afdingen. —aback (-e-bek!, a. grof servetlinnen. Huekle (huekl), a, heap. — backed, gebocheld. —bone heupbeen. Huckster , (huk'stur), a. venter, marskramer; bedrieger. v. n. rondventen. —ess, s. ventster, koopvrouw. Ilud (had), s. dop, schel; ook Husk. Huddle (hud'd1), a. verwarde hoop; rumoer, verwarring. —, v, a, ove,haast verrichten, bijeen rapen, — door elkander snaijten. (on) aanschieten. —, v. n. to zamen dringen; in Ben' verwarden hoop aankomen. (along) voortstroomen. (into) hinnendringln. (together) samenstroomen. Hine (joe'), a. blear, tint; (het) naschreeuwon; slarmkreet. Iluff (huff'), s, aanval van toorn of verwaandheid; (het) opbruisen; snoeverij. —, v. a. opblazen; uit de hoogte behandelen; v. n. zwellen; blazen (with); wooden, tieren (at). —er, a. anoever, windbuil. —ish, —y, a. razend; anoevend; opgeblazen, verwaand. —ishness, a. opgeblazenheid. Haig (hug), a. omarming; vatting. -, v. a. omhelzen, liefkoozen; omklemmen. to — one's self, rich gelukwenschen. Huge Ijoedzji), a. —ly, ad. zeer groat, vervaarlijk; blister. — 'ness, a.. verbazende grootte, monsterachtigheid. (lugger-mugger (hug'gur-mug'gur), s. schuilhock. in — hetmelbjk. Hoak (hulk'), a. acheepsromp; sleet loud veertuig). —, v. a. ontweien. —y. a. log, swear, aar. onhandelb Bull (hull') a. hulael, schil; romp (van een schip). to lie a — , soar top en take! loops', to strike a
SWE.—SWO. •97 tweeter. —iness (-i-ness), s. zweeterigheld. —ing, (-urn), p1. noodwant. —ing-line, zwiehting, e. het zweeten; —bath, zweetbad; —house, bad- zwiehtlijn, —nese, a, viugheld, enelheld; gez windetoot; —room. bedstoca; drocgplaate. —y, a, held. zweeterig, beg west. Swig (swig), a. groats nlok. —, v. a. & n. met Swamp (swisel, a, (het) reigns, veep, atreek; sleep; groote teugeu driuken. zwaai; omtrek, bong; awengel; naeleep; veruie- Swill (wwill), a. groote sink; spoeling. —, v. a. inzwelg , n (down), zalpen; dronken makers; v. n. ling; echoursteenveger; lavuar; echeopsrlem; visehtouw. —bar, zwattenhals (bij waeenmekere). nick bedriniken. —er., a. zulper. --inge, (•ienite). —net, werpnet. —stake, —stakes, prtjn; die alley Pl. spooling. wint. Swint (swim), a. zweinmen; Sweep (awiep') [swept), v. a. vegen, solioonve- —bladder. zwemblnas. gen; voorkiegon; buigea; tokleceen. — the stakes, Swims (swim') [swam. swum], v. a. overzweinmen; alley winnen. (away. off) we ,:vegen; wedazoalea; v. n. zwemtneu; drijven vacua; ziek baden; duiyerntelen. (up) opvegen, bijeen vegeu. —, v. n. zelig zljn. --naer, a. zwemmer. —ming, a. het voorbijeneilen, -eehleten; pronkend voorhijstap- zwemmen; duizellng; —jack, zweaibuis; pen, (along); wegnluipen; overdrtj en. (for) vas - zwemeehool. —.singly, ad, rear wallah, zanier echen near. (ever) overheen bezwattr, vlot. etrijkea. —er, e. veger. —lags (-lenge), pl. veegael. Swindl re (swin'd1) v. a. bezweudelen Izetten, Sweet (e.iet'), a. coed; soetheid; (het) liefelijice: oplichten. —er, a. zwendelaar, oplichtee, --ing, welriekendbeid; lietje. —, a. —ly, Ad. aver; a. zweadelarij. liefelijk; aaugenaatn; lisetallig; frisch; well'• Swine (awejn'), e. zw (In, varken. —, pl. z ,vijnen, 'rend. —bag, reukzakje. —boll, reukitalleje. varkeus. —,.read, varkenabrood. —case. —eras, baellieum. —4firch, zwarte beck, --bread, —sly, varkenekut. —grass, cluiaendknoop. —herd, kelfsawezerik —brier, egiantier. zwijnenboeder. —pipe, luster. —pox, ateen, beide kratd. --ease, —flag, —grass, —rush, kalmues, waterpokkeu. —atone, stinkateen. —cicely.—fern.spantasche kervel.—gale,—willians, Swing (swing'), s. achommeliter, matt'. stoat; baardanjeller. —.gloves, wthiekende hendeci.oe• eehornmel; epeling; vrije loop; melt/Lg. —bar, rasa. —guns, ntorax, (snort van) ahorn. --heart, —tree, zwengelhout. —bridge, drassibi 0- , —pate. neje. —hey5s, pl. keakenreoenteu. —lipped, glad valdeur. bangle mp. —plough .p ueg 'nonVon tong. —meat. eutkerwerk, confituren.—m9ute, der wielen. —wheel, drijrrad. —tooth, lekkerbek. —natured, zaelaaaraig. —oil, Swing (swing) [awanv], v. a. & n, eo ommelen, Lournolte. —orange, elnaasappel. alingeren, sweeten. weirie- kende wikke, —pot, reukpot. —potatoes, pi. ba- Swinge (swindkr), v. a. afroteee , geeselen, taten. —root, zoethout. —scented, —smelling, wei- —buckler, adoever, zwetser. —ing, a. ,rroot, ontriekend. —sounding„ itetelijk kliekend. —spoken, zaggelijk. —/ (swiu'dkill), a. awe t, el van sea' dorsehvlegel. atearnbloern.—toneued, welluldeni; met eene iluweslen tunic. —water, Swing er (swing'ur), J. die schoremelt; slingszoet water; (snort van; &tile, —weed, thee der rear. —lag, a. seholetnelicg . , a sealing. —sng Autillen . — willow , laurierwilg. —wood, iudiseh (swin'dzjieng), a. 'Me S witageling. Swing! ss (swinegl), s. —staff, viaarepel; —treeSvveetess, (swie'tn), v. a. zoeten. zoet maken; zwengelhout. —e,v. a. zwingelen, repelera. —ing„ verzoeteu, verfriesehen; verzaehren, bewimpelen; a. het zwingalen; —knife, —staff, wand, vinev. n, zoet (eargenartm) worden. —er, a. verzueter, repel. verzaehter; aanlokker. S wInlah (swanalmj), a. —1y, ad. zwijnaehtig. S wield hag, (ewleeteng), s. St. Jans-appei, liege. —ness, s. rwijnachtiebeld. —lab, a. zoetachtig. —ness, a. zoetheld; Ilefelijk- Swipe (ertajp), is. zweegel, uphaatetok; wlp. —s, pl. dun bier. held; aangenaamhaid; lieftelligheid; eribehheid; swipple (ewip'pl), a. Z1e Svell4vgel. geurigheid. Swell (ewoll), e. zwelling, uitzetting; payee); Switch (swit.j), a. teentje, roed,; beweagbare ieieing, branding; fat. rails (op spoorwegen). V. a. net cane garde S well (dwell') [swelled. swollen* (awoolu)] , v. a. of roede doer opblazen; vergrootee; trotseit Swivel (seiv'l), a. spit, wervel; vrartel; draitibas. mob-n; v n. zwelten, opawelleu, oploopert; dijen; —gun, draaibas. —hook, wartelhaak. toenemen, eaneroelen; opgeblazen (toornig) wor • S weebbevel,(swoh'burz), n. pl. ant, hose, vroaw en boor (in 't whistepell. den. —lag, a. zwelling, ult. tting; gezw el. Swot ter (swel'tur), v. a. & n. verschroelen; Swoon (swoen), e, bezwtimin , llauwte..—, v. n. in z,vijin vallen (cto..y). (doen)etihken, —verismachten. —try, a. etikkend, suel. Swoop (swoep), s. nedersch e.ting. at a —, its Swerve (ewurv), v u. zwerven ; afdwaleu eons —, v. n. nedereebieten (van roofvogels). (from). Swop (swop), s. rail, verrutlieg. —, v. a. ruilen, Swift (swift'), a. —ly, ad. anal, clog; vaardig verrulleu. (to). —footed, —heeled, mei ,' ostig. —sailing, sue- Sword (moord') a. zwaard, de,, en. —bayonet, eabeleajonet. —belt, —girdle, dal. ankoppel. —blade. zellenl. —winged, vlug ge wiekr. — s. stroom; deeenkling. —cutler, %wearily, ger. —fish, swaardretuurtwalaw; hags tin; garerthaeuel. —, v. a. bevestlgen, vastmakeu. —er, s. boom- ei vetch. —grass, heat. —kilt, ci;,. engetebt. —Mot, —era tonw, loopstaw, knoopspen, borg,sjorrisg. degenkwnst. —law, vaistreeht, set reeht van den
Quab (kwob), s. kwabaal. Quack (kwer), s. gekwaak;kwakzalver;snoever; knoeier. —doctor, —salver, e. kwakzalver. —, v. n. kwaken; kwakzalveren; snoeven. —ery, s. kwakzalverij. a. kwakzalverachtIg. Quackie (kwek'kl), v. a. & n. bijn a (doen) stikken. Quadragenarious (kwod-re-dzje-nee'ri-us), a. veertigjarig. Quadragesima (kwod-re-dzjes'i-me), s. vasten. - (-mel), a. van de vasten. Quadrang le (kwod'rengl, s. vierkant vierhoek. —ajar (kwod-ren'gjoe-ler , a. vierhostig Quadrant (kwoVrent), s. wart-eirkel; quadrant, hoogtemeter. Qaadrat (kwod'ret), a. kwadraatje. —e (-ret), a. vierkant; geschikt; billijk; a. vierkant, kwadraat. —e (reet), v. n. passen, geeehitt zijn. —ic (kwedret'ik), a. vierkant. —are (-re-tjoer), s. vierkantmaking, kwadratuur; vierkant; kwartier (der =an. Quadrennial (kwed-reteni-e1), a. vierjarig; vierjaarltjtsch. Quadri ble (twod'ribl), a. vierkant te maken. —fid (-rigid), a. gevierendeeld, vierepouwIg. —lateral (-let'ur-ei), a. vierzijdig. —latoralnest let'ur-el -), a. vierzkjdigheid. —literal (-lit'ur -el), a. van de vier letters. Quadrille (ke-dril'), e. cinaddlle (snel en dans). Quadri nonclal (kwod•ri-no.mi-e1), a. viernamig. —partite (kwe-drip'er-tajt), a. vierdeelig. —reuse (kwod'ri-riem).s.galei met vier roeibanken. —syllabe s. vierlettergrepig woord. —valve (-velv), a. vierkleppig. —valves (-velvz), pl. deur met vier vleugels.—via/(kwe-driv'i-e1), a. viereprongs, Quadroon (kwod'roen), a. quateron (nit eon' blanks en can mulattin geboren. Quadruman a (kwod-roe'me-ne), pl. vierhazdige dieren. —out, a. vierhandig. Quadru ped (kwod'roe-ped), a. viervuetig. —pie, a. —ply, ad. viervoulig. pie, —plicate (-roe'plikeet), v. a. verviervondigen. —plication (-plikee'sjun), s. verviervoudiging. Quaere (kwrrih), v. a vrage. Quaff (kwer), v. a. & n. zuipen; (off) near binnen slam —er, s. zuiper, zuiplap. Quag (kweg'), —mire (-majr), a. moerasgrond; mere, —pp (-gih), a. moerassig. Quail (kweel), a. kyvartel. —, v. a. ter neder slaan, den moed benemen; v. n. verkwijnen; den moed laten zlnken. Quaint (kweent'), a. —ly, ad. net, keurig; fljn ultgedacht; slaw; gemaakt, gekunsteld; vreemd, wonderlt) k. —nese, a. netheid; gemaaktheid; wonderitjitheid: Quake (tweet), a. schudding, siddering. —, v.
Trithe ► sm (trarthi-ism), a. driegodendom; (het) Treowsera (trAu'zurz), a. pl. wijde broek. Troy 1, troY). a. —weight, trootech gewleht. geloof can drie goden. Triton (trej-tun), s. triton (zeegod); tritonsho- Tr ►tant (tros'entl, a. —ly, ad. Jai, leeg(oopertd. —, a. ledigganger, etraatelijper. to ploy the —, ren. —e (-toon)., s. dileklank. Tritura ble Oritloe-rib)), a. vergrufsbaer. —te etuklee draaien, epijbelen. --, v. n. leegloopen, etraatelijpen; equities draaien. —ship, a. ledtg(-rect), v. a. melon, vergruizen. —tion (ree'ejun), gang, luthetd. A. vermaling, vergrutztng. Triumph (trarumf), e. zegeprool, triomf; trod. Truce (troee'), a. wapenatilatand; verpoozing. —, v. n. triomfeeren (in); zegevieren (over). --at —lees, a. onverpooek (-amrel), a. zege-, triomf-; a. zegeteeken. —ant, Trackman (trotermen), a. tolk, a. —ant?y, ad. (-urarent-), zegevierend. —er, a. Trueldattors (troe•ei-dee'ejen), a. alaohting, moord. zegevlerder, overwfonear. Triumvir (traj-um'vir), e, drleman. —ate (-et), Truck (teuk'), a. ruil, ruilhandel; wial; kloot; a. driemanachap. h..andwagen; § hulaelijke behoeften; butaraidTrial,' a (trenoen), a. drieeenig. —is;) (-joenit- deltje. —carriage, blok-, rotwagen. —wan, voerman, karreman. —, v. a. ruilen, verrutlen; op tih), a. drteeenigheld. een' roiwagen vervoeren; v. n. rulthandel drijTrivet (trtv'lt), a. drievoct, treeft. van. —age, a. ruillng, ruilhandet; § vrachtioon. Trivial (trtv'1 , e1), a. — 1y, ad plot, alledeagech; —er, a. miler. onbeduidend, —ity (-el'it-tih), — mess, a. plat held, Truckle (truk'kl), a. rolletje. —bed, rolbed, —, alledaageehheid. v. n. zich onderwerpen, krulpen (to watt). Trost (troot I. v. n. sehreetiwen (vett herten). Tracer (tro'ker), a. trocar (werktutg om het Tructilets re (troeirjee-lens), e. wneatheid, wreedheid; verschrikkel ijk geztcht. — t, a. woeet, water at te tappen), wired; vereehrikkelijk. Trochee (tro'klo), a. trocheit, (-- ---). Trudge (trude)'), v. n. te voet gaan, strompelen, Troglodyte (teoglo-dajt), e. holbeoroner. etch voorteleepen; zich artobben, zwoegen, —max, Troll (trooll'), v. a. rollen, voortrollen, snot bewegen; (been rondgaan; (away) afroffelen; v. n. zie Truchnene, rondrollen f een' rondzang zing.n ; rondgean ; True (troe'), a. wear, eebt; oprecht (to); juist; getrouw (to). —blue, eerlijk, gotrouw, —born, echt. rondelenteren. near anoek hengelen ; (about) —bred, eat, wear; volbloed. —hearted, trouw har—madam, kutltjesepel. tig. —heartedness, a. trouvhartigheid. —lore, Trollop (trollop), a. stet, sioerte. Trombone (trore'boon), s. trombone, achuif- gellefde;wolfebes —love-knot, ltefdestrtk, -knoop. --penny, eerifjke s'el. —ness, a. oprechthetd, setrompet. trouwheid. Tromp (tromp), a. blaaspijp. Truffle (troere, truf'fl),e. truffel. Trtsmeter (tro-nee'tur). a. woleeger. Tramp (troep'), a. troop, drom, bende. —, a, n, Tang (trug), a. bak, kalkbak. troel. wijze gaan (about); (away. off) zich weg - Trulam (troe'flem), s. onrniekenbare waarheld. Trull (trail), a. stet.• et raat hoer. pakken. ---er, e, rotten Truly (troe'lth), ad. waarl ilk, inderdaad. Trope (troop), a. overdrachtelijke uitdrukking. Troph led (trolid), a. met zegeteekenen getoold. Trump (trump'), a. trompet; troef. —ace, troefaas. —, v. a. trocven; (op) verdichten, ameden; -y, a. zegeteeken. v. n. troef apelen. —ery, a. zottekiep, onztn; Tropic (troplk).... keerkring. —al, a. keerkringe-, prullen, vodden; ijdele praal. aroplach; lignunijk, overdrachtelijk. Tropolog left)) (trop-o-lod'zjikl), a. figuurlijk. Trumpet (trumplt), a. trompet; roeper; trompester. —, v. a. met trumpetgeachal bekend ma--Y (tro-poPud-zjth), a. leer der tropen; fignur- ken, rucbtbaar elaken, nitbazuluen (forth). —er, lijke nitdrukking. a. trompetter; uitbazutner. Trot (trot), a. deaf; end wilt. —, v. n. draven. Troth (troth'), a. trouvr. waarheid. —plight. Tresneet te (truneket), a. afgeknot. —te (-keet ' , v. a. verminkeni knotten, arkappen. —tie); (-kee'.. —less, a. trouwelooa. trouwbelofte, vett-loving. ejun), a. verminsing; knotting. efkapping. Trotter (tret'tur), a, Braver; echapepeot. Trouble (trub'l), a. onrunt; moeite. ongemak, Truncheon (trun'sjun), a. knuppet; kommandolane; verwarring; verlegenbeid; kweiling, ver- stet. —, v. a afrossen. --ear (-lea'), a. knuppetdrager. driet. —feast, epelbreker. —state, ruetvereto, der, onruetetoker. —, v. a. troebel maken; vet.. Trundle (trun'd1). a. rot; rolwagen. —beat, rolontrueten; lastig vallen; etoren; kwel!en, gr;even; bed. —tail, rondst hart; -stet. ,—., v. a. & n, rollen, bezommeren; verdrlet aandoen. --r, a. kweller, ronddraalen. verontrueter. —some, a. —comely, ad. laatig, Trunk (trengk'), a. romp; stem; kafer; Ws, koker; emit, blaer,pkj p. —breeches, p1. —hose, *noels/tilt; kwellend. ---,oneness; a. 1 gettie,beid. wijde broek —clips, pl. kofferbesiag. —maker, Trough (trot), a. frog koffermaker. Trout (troo)), v. a. & n. Z ► e to Troll. Trunnel (trun'nil), a. Zle Tree-na 11. Trounce (trattune), v. a. efroseen. Trunnion) (trun'jun), a tap (van seta kanon). Trousers, Zie Trowserx. Trusion (troe'ziun),e. dawiag, stoot. Trout (traut),e. fore; sul. Truss (truss'), a. breukband; bundel,boa;ateunder, Trove' (tro'vur), a. cinch tot teruggave. schooretuk; rak (eener ra). --tackle, rakketalie. Trow (tro), v. u. meenert.vertrouven. —, int, he, —, a. a. inpakken, ophinden, ophalen, upstrooTrowel (tran'11), s, troffel.
404 Bement en, ov. w. to mast. —ivy, v. meeting; — wonem, to live on the ground-floor. dat is — n,ij, that is on low for me. — den wind. leeward. ma4te. Hamer; bear, be. perceiyaide, observable, — bear, ground•fioo•neltehhor. — einde, lower —en, ov. w. to perceive, to remark, to observe, ena. —hate, ground-floor. — lamer, lower room. to diecover. —Say, v. percept,m, obAervatton, —rood, earth, world. —clad, lower town. — ate, thisensfery, notice taken, by lowest:, undermost. — waarts, boa. downBetneat en, ov. w. to manure, to dung. —ing, wards. 110214.1iVitilli, M. benedictine. v. !canoeing. tater, m. mediator, intercessor, in Besniedkj.tos, on. w. to Wiese. de gebenedijde ',Voogd, the ble , sed Virgin. teepooer. — aarster, snediatrems,mediatrix. —4, by. to easy circumstances, at eaee, warm, well- Ilten2enaster, v. Zie Benemer, to-do, kunst/11,CA. ov. w. to niediete, to fiesseemen, or. w. to deny, to say no to. accomarniate, to come.% to settle. —ivy, v. 11,404111 en, no. w. to deprive ot, to take away toodi3tiou, accommodation, interces,,ion. from. --er, m. deprive, — icy, v. privation. Ileniauct, by. to , ed. beloved. —e, rn. & v. lover, deprivation„ sweetheart, mistress, lady, spouse. licirepen, be. pinched, straitened, perplexed, Heiman Mk, be, & bw,, lovely (-sly), amiable dtatreeeed. —beid, v. straits perplexitylijkheid, v. ioneline,, amiableness. Bessevell d, be. cloudy, foggy, nosy, dim. —en, --nen.. or. w to love, to cherish, to be food of or. w. to cloud, to darken, to dtm, to fuddle. — ing, v. clouding; cloudiness, darkneea. —ne,,e,aurdigr. by. Zie IleanLalkjk. — nenswaar dig ,keid„ v. Zie LienciniUfah,id. —.sr, irs Benevens, vz. besides, together with. Flettgel, cc. bell; naughty boy, sirrah, reacal, lover; amateur. Ben...101er en, ov. w. to bemire, to bedaggla. blackguard. —braid, mercury. — en, ov. w. to ring the bell). —mg, v. bemiring, sijn, to be desirous —, Rousysettig er,ae, ov. w. to encourage, to animate. B.E11411121V d, dw. anxious —, longing (to know, to hear, to see). —icy, v. encour,gement, animation. Benstael at., na. & v.. bury body, do-all, med. —ea ono. sr. het cal — cif, I long to know (I woryier) rinether. dler. — en (zieh), t. w. to ins.ddie (wIth). v. meddling; trouble, etiort. — lkiken, ov. w. to Bentitt en, err. w. to envy, to grudge, to be jealous of —ensamardig, be. enviable. — er, thwart, to cr.., to hinder. — eel, o. bueiness. b-fiat cliff. —ster, v. en tier, envious person. BensuK, m. b flat_ w. to pinch, to squeeze. lienstareven,ov. w to moil, to dirty. illess,ions bear, hv. appointable. — en, no. w. to 111emtest, name, to denominate; to appoint, to nominate. Ben:Asir eon, ov. w. to wall. —tag, v. walling. — er, m. appointer. nominator. --ling, v. denoiniBen, v. basket, scuttle, lienanie., no. w. to sew for. met 6e.c.ssehen en noting; appointment, nomination; --abrief, letter of appointment, diploma. won , ing and sewl ng imcluded. (Wieir), t. w. to plod, to ply, litentstsdiligd, by. wanted, required, necessary, Bessearalig welt — lay, a. close — Ain, to want, to stand in need of. to apply (to exert) 04. rev. necessaries. application, assid,ity. liessotsrelen, vz. on the north side of. neion , estieut, or. w. Zie Netat4ess. lienadreol sess, ay. vv. to wrong, to barm, to Bent, a company, band; corporation, academy. wronger, injurer. — leas, badge of a corporation, —naam, se:OmInjure, to prejudice. —er, kid name, —roye/, member of a corporation. -rag, v. harm-doing, prejudice. kwvt zips, to Benhder en, no. w. to eel., to confiscate; to Beunl, o. conscrou,cess. zijn fr:elaute; Adoption.; approxi- • tan, not to have lost one's wits. peen — fieriest adopt. —bay, v under-tand. *-nation. Beeefen ear, m. student, practitioner. — en, isteinansisig, v. name, denomination, ov. to study., to cultivate; to exercise, to n v. puzzled, perplexed; embareaseed, difficult, etraisenee. —neid, v. perplexity, em- profess, to follow, to practise. --3nd, be. pracbecra,snient„ difficulty, strait. tined. —ing, v, study, cultivation, cultcre; praclienergen, on. w. to puzzle, to embarrasses; to the. Nicol Cilia, no. w. to oil. ', trailers, to put to the lost shift. nctinatliN ci f hv. & bw. narrow (•IY), close (-1y); lieziog sax, .ov. w. to have in view, to aim at. v, aim, Intention, design. sultry, oppressive (Ay.; abort-iireath,d, asthmatic; sort,O.et.ed, trouble -t; bard; afraid, Bermordes► ietee, na. judge, critic. —en, ov. w. to uneasy, anxious (-1y); — waken, to frighten, to jedga, Its criticise. —tny, a. judgment, criticism. terrify. —dheid. v ortirowoes, c!oneness; sot- ilite..ring en, no. w. to make war upon, to wage was against. --inn, v• waging war adunet• trine.; asthma; straits, hardship, oppressiou; unessiness, anxiety. --en, on. w. to oppreRre; to Illeotistsii,yz. on thereon ride of. straiten. to distress, to vex, to banana; to make Depersati, be. & bw. determined, determinate v. oppressolon. (-13), fixed, definite (-3y), povitive (-ly). — heid,v. --ins), oppressor, anxious. —er, de, erminatenees, defini Armee, posStiv eness. it,nthe, v. bond, troop, Lady. gang, Repel en, no. w, t ,. empale, to prop, to limit, elee,e,desa, ha, below, down, down stairs. Y.. under, underneath. naar — , clown, down to bound; to fix, to appoint; to determine, to t. w. (tot) to limit define; to stipulate; zien stairs, ran int.. none —, from top to bottom.
75 Dimpl es. kuiltje In de wangenl. —e, v. a. kuiltles doen krijgen; v. n. kuiltjes krilgen. —ed, —y, a. met kuiltjes. Din (din), a. geraas; gekletter. —, v. a. verdoo• ven, doen daveren. Dinarcby (din'er-kih), a. tweehoufdige regeerieig. Dine (dajn), v. a. een middagmaal geven aan; v. n. het naddugmaal gebruiken. § Ding (ding'), a. zeer, uitermato. —hot, smoorheet. Ding (ding'), v. a. tegen elkander slaan, kletson; met geweld indrukken; v. n. men, tieren. —dung, a. klokgebom. Dinginess (din'dzji-ness), s. donkerheid; morsigheid. Dingle (ding'g1), a. dal, vallel. —dangle, a. slingerend; wapperend; I. klokgelui. Dingy (din'dzjih), a. duister, morsig. Dining (dajn'iengl„ a. (het) middagmalen. eatzatil. —set, tafelservies. Dinner (din'nur), s. middagmaal. —party, middagmaal (met gasten;. —time, etenetAjd. Dint (dint), a. slag, deuk; kracht, geweld. by — of, door veel....; met. Dinunscration (daj-rijoe-mur-ee'sjun), 11. opsomming. Dioces en (daj-os'i-sen, daj-o'si-sen), a. 'an een bisdom; s. bisschop. —e (dayo-sea), s. hisdone; diocese; kerepel. Dioptric (daj-op'trik), —al, a. de straalbrekina betreffend; tot het vbrzien dienend. —a, a. leer der atraalbreking.• Dip ;dip') a. indooping; inzakking. — of the needle, afwkiking (helling) der kompasnaald. — of the horieon, kimduiking. —chick, waterhoen. —a, a. getrokken kaarsen. Dip (dip, v. A. indompelen, nat Trinket]; indoopen; (from. out of; scheppen; verpanden. —, v. n. onderduilken; (into) zich inlaten met, viuchtig doorzien; hellen (van; de kompasnaald). Dipetalous (daj-pet'e-lust, a. tweebladerig. Dipthong (dip'thong), a. tweeklank. Diploma (di-plo'me), a. diploma; handvest. a. kennis van staatszaken; diplomatic; de gezamenlijke diplomaten. —te (dip'lo met), —fist, a. staatsman, diplomaat. —tic (dip -lo-inet'ik), a. diplomatiek. —tics (dip-lo-met'iks), a. kennis van nude oorkonden. Dipp er (dIp'pur), s. duiker; lepel. —ing, s. indooping; inzakking. —ing-needle, aangestreken kompaenaald. Diradiation (dej-ree-di-eo'sjun), s. straalverspreiding. Dire (dale), ful, a. —fully, ad. ijselijk, akelig. —fulness, — ness, a. ijselabeld, akeligheid. Direct (di-rekt'), a. recht; rechtstreeks. v. a. regelen; volschrijven; (to) richten, verwijzen, adresseeren. —ion (-rek'sjun), s. riehting; beacon voorschrift; adres. —ive, a. besturend; aanwijzend. —ly, ad. aansinnds; rechtstreek, —ness, a. rechtheid; oprechtheid. —or,a. bestuurder; bteehtvader; richtsnoer. —oriel (to'ri-el), a. beAtarand. —ory, a. besturend; a. bewind; riehtsnoer; adre book. —revs, —rix, a. bestuurster. Direption (di-rep'sjun), e. plundering. Dirge (drirdzj), a. 10kzang.
bery, --jabbing, wirtd handel in effecten, beurstspel. —lock, grendelelet. —market, fondsenmarkt, —shave, sehaalmes. —shears, pl. enoeischaar. —still, doodstii. —, v. a. voorzien (with); opdoen, inslaan; opleggen; in den stab sluiten; (up) nitroeien. Stocking (stok'ieng), s. bows. —breeches, p1. onderbroek net lange pijpen of kousen. —frame, —loom, kousenweefgetouw. —trade, handel in gee breide goederen. —weaver, kousertwever. Stock lab (stok'isj ), a. hard, ongevoelig.—n, pl. veetblek; stapelblokken, stapel; effecten. —y, a. etevig, kort en dik Stoic (sto'ik), o. stoieijn. —, —al, a. etoi.eijnseh, ongeveelig. —alness, s. magevoeligheid. —ism (-1.-eizni),8.1rer der Stoleijnen. Stoker (sto'kur), 8. stoker. Stole ((goof), s. stool, lank bleed. groom of the —, opperkamerheer. Stolid (atorid), a. dam, dwaas. —ity (sto-lid'Ittits), a. doneheid, dwaasheid. Stomach (stum'ek1, e. maag,eetlulit;tret,Deiging ; drift, toorn; hongmoed. v. a. mokken (gebelgd zijn) over; veuluwen; v. D. boos (gemelijk) nun rich ergeren, (at). —ed (-ekt), a. boost, gebelgd. —er (-e-tS)Ur), s. borstlap. —fill, a. mokkend,- etijfhoofd Snow tichic (sto-mek'ik), —al, a.maagvereterkend; maag•. 0. maagversterkend middel. Stone (stoon'(, a. eteenen, vast s•een. s.steen; kern, pit; teelbal; veertiert pond (weal); aeht pond (yleetteh). —alun, bergaluin. —basil, tijm. stekeblind. —blue, emelt. —break,, steenbreke. —cast, steenworp. —check, pluvier, welp. —cholic, greveelpijnen. —coal, tteenkool. —crag, krijfziekte. —crop, steenruit, muerpeper. —curlew, dikpoot (vogel). —cutter, ateenhbuwer. —dead, morsdood. doublet, geaangenis. —duck, kraagrend. —falcon, steenvalk. —fern, steer( v aren. —fly, waterkrekel. --fox, steenvos. —fruit., steenvrueht. —gall, bastas rdvalk. —prig, uteenbiiter. —hawk, sateen valk. —hearted, hardvochti4. —horse, henget. —mason, —squarer, steenhouwer. —pincer, stemmoasel. —pit, —quarry. steengroevo. —pitch, bergpek. zwameteen; versteende plant —plover, poelsnip. —puck, paint; uitslag. —'s-cast, '8throw, etemsworp. —smirk, yekbloem. --still, doottsti I, enbewegeliik. —stud, hoekpijler. —wail, brandmuur. —ware,aardew erk, steengoed. —work, metselwerk. —wort, hertstong. —, v. a. eteenigen; van eteetten of pitten ontdoen (voorzien); verbal. den.

(-kee'sjun), s. verdnokering.. n-it), a. —ly, ad. oneindig. —fleas, Infos e (in-fjoee), v. a. ingteten; laten trekken; inprenten, inboezemen (into). —er, a. inprenter, a. orteine:4heid. —sintat, (-fitt-i-tea'i,rnel), a. oneindig klein. inboezemer. —ibility (-zi-bil'it-tih), s. onsmeltIn 'hitt lee (in-fin'i-tiv),a.onheraald.--vde(-tjoed), haarheid. —ible, a. Ingietbaar; onsmeltbaar. —ion (-fjoe'zjun), s. ingieting; doortrehking; aftreksel; —y. a. oneindigheid. Infirm (in-furm), a. zwak, gebrekkelijk(utith, van); inprenting, inboezeming. —ire (-fjoe'siv), a. instortend, inwerkend. bealuiteloog. —ary, a. ziekenhnis. — ity, — ness, Ingtithering (in'geth-ur-ieng), s. inzameling; a, zwaltheid, gebrekkelijkheid. Inflks (in-filts'), v. a. indrijven, inzetten; inoogst. l nffnite'
FRC.. GAD. Freak, v. dress-coat. Frnmboon. v. raspberry. Frambose boom, tri. —straik, raspberry-bush. —npelei, raspberry-jelly. —nstroop, rasp- berrysyrup. Francisk scan, tn. franciscan. —aver monnik, franciscan, gray friar. Framed, be. & bw. free, paid, post. paid. Franie, v. fringe. met —a, fringed. dat zijn maar —a, that is nothing to the purpose. —maker, —maakster, fringe-maker. Frank, tn. Frank; franc. Fraiskeeir eft, or. W. to pay the postage (carriage) of, to prepay, to send postpaid. —ing, v. payment of postage (carriage), pr.tpayment. Freneklie, o. parchment. Frateten, v. mv. pranks, frolics, tricks, whtme. —maker, —maakster, buffoon, wag, fancy-monger. Frog/se, o. frigate. Fret, v. ferret; mumble, gimlet. —boor, wirnble. —ten, on. w. to ferret. Firculo, v. miss; the honorable miss. Fries, v. film, frize. Friokknelel, v. pellet of forced meat, veal-ball. Frisch, be. fresh, refreshing, cool; florid, heal thy, hearty, well. —, bw. freshly, heartily, soundly, well. —heid, v. freshness, floridness,

Wat is de prijs van Monero


onbestendig; onstandvastig. — Wettest, a. °vibeetandigheid; onstandvastigheld. Unstald (un-steed'), a. wet, veranderitjk. —nese, a. Nsuft held; onbestendigheld. Unstained (un-attend'), a. ongevertd; onbeviekt. Unstamped (un•atempt"), a. ongeetempeld. Unit auc had (un ctaantejr), a. ongesteld; outerzadigd. Unstat a (un.eteet'), v. a. Outten, nit zljnen htaad stooten. —atable (•stetioe-tibl), a. onwettig. Una( tadiast (nu-Merle/kit), a. —1y, ad. onbestendig; onatandvatufg. —nen, e. onbestendigheid; onstandvaatt gheld. Unstead sly (un-sted'11-11h), ad. —y, a. onges;44.dig; veranderlijk. (-i-ness), t. ongestadigheld; onstandvastlg'aeid. Unsteeped (un-attepti)., a. Met ingedoopt. Unstified (un-staj'AM, a niet veratikt, niet ronoord. Uniting (on-sting') [irr.], v. a. van den angel berooven; verttompen. (us.etint'id), a. niet beperkt. Unsti Unstirred (un-sturd'), a. ongeroerd. Vont itch (uu-stitar),v.a lostornen. —ed (-atitsje), a. losgotornd;ongenaaid. Ens tooping (un-stoepleng), a. onbutgzaam. Unstop (unstop'); v. a. van den stop (eene belernmering) cntdoen. —ped l-stopt'), a. solider atop; geopend; onbelernmerd. ItTustored (un-stoerd'), a. niet opgeslagen; niet voorzlen (with); niet veralerd. Unstralned (un-streene), a. ongedwongen; niet getlitreerd. Unstraitened (un-street'nd), a. niet vernauwc1; onbeleumerd. Unstring (nu-string') tier.), v. a. van lumen ontdoen; losuaaken. Unstruck (un- atrnkl, a. niet getroffen; ongesehok t. Unstrung (un-strung'), a. onbeanaard; ongespannen. Unstudi ed (un-stni'ld), a. onervaren; onbeetudeerd; onupzettelijk. —out (-atjoe'di-us), a. niet leergierig. Unst u fled (un. stet"), a. ongevuld; ongestopt. Unsub duel (an-eub-djoed'). —jeeled t• dzjekt'id), a. Islet underworpen. —mime() (-rair'alv), a. Wei onderdanig. —milting (-untt'tteng ► , a. weerspannig. —etantial (-aten'ejel), a. onstoffelijk; nick wezenlijk, ondegelijk. Usakineessetuil (un•euk-sessnoei). a. —ly, ad. onvuorapoedig. nest, a onvoorspoedigheid. Unancked (en-sukt"), a niet gezuogd. Unsugared tun-sjoe'surd, R. ongesutkerd. Uneult able (un-tjoet';b1), a. —ahtse, ad. ongepast. —ableness, a. ongepastheld. ed, a. ongesehikt (for. to). —irg„ a. ongepaet, onvoegzaarn. Unhullisd (un-eui'ltd), a. onbezwalkt. Unsum moue d (un-aum'mund), a. niet opgerospen, niet sangemaand; Islet gedagvaard. Unsung (un-sung'), R. ongezongen; Wiesengen.

Buz tos, v. miatress; virago, vixen. Mauls., v. trombone; trumpet; sack-but.-L-6/axer, trombone-player, trumpeter. -gesehal,sound of trumpets. -en. or. rr. to trumpet; on. w. to pl ay on the trombone, to stoned the trumpet. Ilenardeo, ov. w. tG cover with earth. Bendenaen, ov. w. to breathe upon. lleasssbte, m. functionary, officer. ileains on, or. w. to assent to, to approve of. -tag. v. assent (to), opproval (of). Eitentoget,lov. uneasy (about), afraid (for), unquiet. -laid, v. uueasiness fear, dread. -igen, ov. w. to make uneasy, to frighten. 11Zettni woe.rsi en, ov. w. to answer, to reply to. — lag, g. ana vrering; sue w er, reply. Basks bald on, ov w. to work at; to compose; to el+borate; to cultivate, to till. — er, m. author, composer. -ing, v. working (at), manipuietion; composition; cultivation. 'Rebind en, ay. w. to tie about, to bind with. • Beali,ed, by. bloody, gory. - en, °v. w. to etain w nth blood, to ensanguine. 11*bloorrren, ov. w. to cover to adorn) with flowers. lieboet bear, be. finable. ov. w. to fine, to mulct. -ing, v. Infliction of a tine. liebolaverkon, ov. W. to fortify (to enclose) h bulw,rks. with lieboussi bear, be. arable. -en, so. w. to build upon; to cutivate, to till. -ing, v. covering with buildin2s; cultivation. o. bed; marriage; layer, stratum; channel. naar -, to bed, to -, a-red. -van eer, field of honor. -genoot, m. & v. bed fellow. -genii*, bed.curtain. -lege7ig, bed-ridden -legerigbeid, state or being bed-ridden. -roede, curtain-rod. sermoen,cartale-lecture.-ziede,bedereAd.-efroo, bed-straw. -dedeken coy • rlet bienket, quilt. — degoed, bedding, bil - liurn. - 2dejak, night - rail, night - gown. -deksassn. pillow. -dekteast. bed , or d, suspensory. -delaken, sheet. - depas,, arming-pan. --dgplank, slider, shelf (in a bedstead). -decprei, quilt. -detafe!, Meld-stand. -AGA, bed-tick, *let. -dezak, cover. pillow • case. -dentmoper, upholsterer. -denmaker -de*• inaakster, upholsterer; bed-vaaker. -Jenwinket upholsterer's shop.

Waar kan ik Bitcoins in India


(de-ploor'ibl), a. —ably, at. bekla. jammerlijk. —ablenegs, a. betreurens. waardigheid. (-ploor'), v. a. beweenen, be. jammeren. —er, a. beweener. Deploy (de-ploy), v. a. ontwikkelsn, ontploolen. Deplunt ation (dep-loe-mee'sjun;, a. outvede. riAg. —e (de•ploem , ); v. a. ontvederen. Deponent (de po'nent), a. nederleggend. a. ge. tuige; deponens. D ,pepula he (de poploe-leet), v. a. ontvol.. ken. —tion (-lee s. ontvolking. —tor, a. ontvolker. Deport (de-poort'), v. a. gedragen (one's self). —ation (dep-ur-tee'sjun), e. verbanning. —meat, a. bonding, gedrag. Depos at

Patti (puff' , a. geblaas; hail; rukwin ,i; poecierpoeder bestroolen. 1,,aat; chef, pot; boyish; opvijzeling, blot', none i Poottce (pjoe'mis), a. pelinsteen. -out (-miar us), — boll, --fist, boviat. —paste, loch gebak. a. puimateena•:htig. T. a. ophYazen, opgeblazen Pomp (pump, '), s. pomp; danssehoen. forcing -, — atone, tutateen. ,aken, np:ijzelen, (op). (away) w,gbiazen, vet persporop. - bolt, pompbout. -bore, hart eenec driven. (up) °darn. -, v. n. blazen, btgen: pomp. --borer, achulpboor. -brake, pompgek. zwellen; vnreven; zeer bedroetd zijn. away. off) ) cistern, pomphak. -dale, pompdaal. -gear, Tomptoentel.. -handle, pomuslinger. -hot,k,poznpweganellen. by) vaorbijituiven. -er, e. blazer, snnever; opjager. -iness, a. opgeblazenheid; win batik. -hose, manilering. -knife, knipmes. -roost,
125 GRA.—G.RE. Gratis (grek,'ti9, ad. am niet, gratis. Gratitude (gret'i-tjeed), a. dankbaerheid. Gratuit ous ();re-tjoe'i-tuto, a. --eles/Y,ad. geschonken; ongegrond. —y, s. lige gift. Gratvila to (grerjoe•leet), v. a. geltskyrenschen. —tion (-lee'sjun), a. gelukwensching. —tory (-lctur.rih), a. gelukwenschend. Grave (greev'), n. graf. —clothes. doodskleederen. —digger, doodgraver. —stone, grafsteen. —yard, begraatplaats. —less. a. onbegraven. —, v. a. begraven, graveeren; kalefateren; v. a. graveeren. —r, a. grave.; graveerstift. ad. ernstig; deftig; stemGrave (greev'), a. mig; swear (van t oon), donkey (van kleur). —teas, a. ernstigheid; deftigheld, stemmigheid. Gravel (grev'il), a. gent zand, grint; graveel. —pit, gandpit. —walk, grintpad. —, v. a. sect kiezelzand hestroolen; verlegen maken. —ly, a. zandig, grintig. Gravid (grev'id), a. zwanger. —ity (gre-vid'it-Ch), a. z wangerheid. Gravimeter (re-viml-turl, e. zwaartemeter. Graving (greev'teng), s. snnwerk;indruk. —dock, droop dok, havendok• —tool, graveerstift. GravIt ate (grey% tart), v. n. zwaarte hebben ; near het middelpunt (van zvraartekracht) hellen. —alion (-tee'sjun). a. zwaaste, zwaartekracht. Gravity (grevit-tih), a. zwaarte, zwaartekraeht; ernstigheid; gewichtigheid.. specific —, soortelnk g ewicht. Gravy (gree'v1h). s. vleeschnat; jus. Gray (gree') s, grijs; grijs tiler (paard; das; a. grip, grauw. veal. —beard, grnattard. —brock, des. —eyed, met graze oogen. —fly, brews. —friar, kapucljner. —ilk, a. grauwachfig. —ling, a. amber (soort van zalos). a. grauwheid. Graze (greet'), v. a. welders, doen grazen; afweiden; strijkelings Taken; v, n. grazen; grasgeven; strijkelings raken. —r, a. grasetend then Grazier (gree'ejur), a. vetweider. Grease (griefs). a. smear, vet; mock. Groan e (griez"),,v. a. merest; omkoopen. —iness, , —y, a. vet, smeriga. omerigheid. —sty groot; gros. by the — in bet Great (greet';, groot, bij massa. — a. groet; aannenliji; swan grout, ger. drachtig, (with); vertrouwelnk, vriendschappelnk, (with), a — deal, veel. —born, van goede afkomet. —coat, °aerials. —grandfather, overgrootvader.—grandaon,achterkjeinzoon.—heerted„ hooghartig; onversehroliken. —horse, mandgepear& —seal, grootsegel. —ly, ad. grootelijks. —nese, a. grootheid, aanzieu. Greaten (greet'n), v. a. vergrooten; v. in grooter warden. Greaves (grlevz), s. beenschenen; drab van ge• smolten talk. Gee clan (gri'Oen), a. grieltse.h; a. Griek. —cism (-sizm), s. griekseh taaleigen. —cize (-salt), v. a. in het Griedkech vertalen; v. n. Griekech spreken. G ree (grie), s. welwiliendheld; gunst; trap, trede. Greed iness (gried'i•ness), a. gretigheId; guta, gretig, gni*. — gift, -ily, ad, s. slok-op.
on. w. to shiver (van, with), to shudder (vest, at). roughness, uneouthness; plumpness, bluffnese; —leg, by. shivering, chilly; 'whimsical, freakish, bluntness, dullnem. —hada', v. mv. ab ielve capricious; fantastic, droll. —/igheid,v.chilliness; words. whimsicalness, freaklehness, caprleionsness; fan- Grol, v. silly tale, antic. —len ',taken, to play tasticainess, drollery. —ling, v. shivering, antler —lenmaker, antic, buffoon. —Zen, on. w, to grumble; zie Krollen. —lig, by. & bw. shiver. Grim, v. wrath, anger. —beAken, to show one's facetious (-Iy), foolish (-iy), silly ( fly). teeth. —Zech, malicious smile, grin, —/achen, to Groin, o. entrails (of a Ash). —pot, grumbler. Grommet en, on. w. to welter, to wallow. —in, grin. Grimes, y, grimace, antic, wry face. --‹en ma- be. weltering; dirty.—ing, v. waIlowing;dirt,rnire. ken, to cut faces, to 1)1 , Y antics. --serimakir, Groner"' en, ov. w, to gut (flsh);on.w. to grumble, buffoon, to growl, to scold. —ig, by. grumbling, cross; not well gutted. GrImmelen, on. w. to sworn. GrIntin en, on. w. to loam with raga, to roar; firmed, no. ground, floor; earth; field; bottom; to whine, to whimper. —cc, m. whiner. —ig, be. bank, shallow, depth; basis; principle- cause, & 9w. grim (-iy), furious. (-Iy), wrathful (-Iy). reason. in den —, thorough:y, entirely, radically, perfectly. in den. — boren, to sink, to run down. —4, held, v. wrath, wrath/One., rege, anger. GrIoniken, on. w. to neigh; to sheer, to eunper. to —e gaan, to 'sink, to founder, to be ruined. Grine, v. second flour (of buck- wheat); gravel, to —e richten. to ruin, to undo. —beginiel, principle. —belasti up, grit. —weg, gravel-path. ground-tax. —bestanddeel, fundamental part. —bew(ys, principal proof. Grist en. no. w. to pilfer. —er, in. pilferer. Greet', v. furrow, channel, groove, noteh; grave; —break, breach in a dike. —brief, mortgage. schattine, ground-rent. —eigenaar, landpit, quarry. — *jeer, groovl.g-tool. —werk,chati- holder, landed proprietor. —eiyandoni, real estate, melted work. Groel, m. ;growth. —kracht, vegetation, vegetative landed property. —gebied, territory. —gebouw, faculty. —en. on. w. to grow; (in) to delight in. foundation. —petal, cardinal number,- —haak,gaff, —ing, v. growing, growth. —eel, rr.grov th,—zaam, boat'ehook. —hem landlord, lord of the manor. by. favorable to vegetation. —zaamheid, MAY.- ground-ice. kleur, prime color. —kundig, knowing all the shallows. —Teen, fief. —leer, funabtenees to vegetation. Groan, by. green; unripe; verdant; young, unex- dementsl doctrine, principle. —/egger, founder. o. green, —legging, foundation. —lea, zie Groqdroorel. m. novice. green-horn. perienced. — corrosalc, first cause. —peal, stake to build upon. —color; greens, vegetables; verdure. --beer,—man, —verkeoper, herb-man, green-grocer. —boerin, —paeht, —rente, ground rent. —repel, principle, —verkoopster, —cream, herb-woman. —haring, fundamental rule,axioru.—recht,rights of a mono' green herring. —kelder, cellar where green* are —sap, —sop, grouuds,dregs,sediment.—scheiding, to be had. —mand, green-basket. —markt, herb- dernarcetior► . —slag, basis, foundation, ground. market, green-market. —meisje, girl that sells --vtlenefoundation-stone.—stelling i aitlommaxinr, greens. —noes pot-herbs, green, —tuin, kitchen- —stem, bass. —atof,ele (gent; raw material. —t aal„ cantharie. original !anima? —teekening, plan, ichnography. garden. —wink, green green-shop. —achtig, be. greenish. —en, —tekst, original text. —torn, tonic, key-note, funon. w. to grow green, to sprout out. —heed, v, dements"! tone. —touw,relievinte rope.- -trek,primgreenness. —ig, by. greenish, verdant. —igheid, v. itive 'stroke, — trait, cheracterietic solid, firm, —verdeeling, division of grounds; primitive greeniehnees, verdure. —ling , no. green-finch. Groente, v. verdure; greene, pot-herbs, vegeta- division, diatrieution, —verf, prime color, —terven, to prime. —rest, foundation, fundament,baee. • -soep, soup with greens. Groen —vesten, to found., to ground, to ley the foundaVoor de verdure samenstellingen zie onder tion of. —nester, founder. —vesting, foundation. Grevereitje, o. novice, green-horn; bergamot. —viable, surface, Area, ground-plot, base. —weer(Cree ► , v. group, cluster, crowd; ditch, trench. held, fundamental truth. —werk, ground-work. - eeren,ov.w. to group. Greet, m. greetlrg.oalutation,bow, salute. —en, --wet, fundamental law; constitution. —mord, tvr. w. to greet, to salute, to 'aow to; to take primitice word, radical. —cl a m. —elingon.grouudleave. tic gruel a, adieu! farewell I greet hem van ling. —neon,, by. groundless, bottomless, unfath' msj,remember me to him,preeent my CO ► plitnenrm omable; boundless, inexhaustible, infinite; un(reepects) to him. —eerie, v. salutatio ►., compli- searchable. —eloosheid. v. groundleneness; unfathmente, respects, remembrance. omable depth; boundleeeness, infinitude. —en, Groev e, v. Zie Groef. —en, or. w. to reeve. ov. w. to fouled, to ground. to lay the foundation of, to hue, to prime (Wee/lade', ; on. w. to sound. Groeso, v. first verdure. Grof, be. & bw. coarse (-1y), roogl ► (-1y), uncouth —ig, b v. & bw. fundamental (-1y); thorough (-1r), solid (-1y), profound (-Iy); tasting of the mud. (-1y); plump (-1y), bluff, blunt (-1yo dull (-y); great (-1y). grove fast. groins fault, blunder. — —igheid, v. solidity, profoundness, radicality. geschut, heavy guns, ordnance. grove stem., hellow Groot, o. groat. hall a sliver; wholesale; largevoice. — spelen, to play deep. Alj maakt het to —, hand. in het —, wholesale. de —en, the great. een he goes too far. —grein, grogram. —Wag, cor- spaarisc' d —e, a grandee. —, ha. great, large, big; palest, plump. —/iivigheid, corpulence. —sekrift, bulky, capacious, roomy; tall, high; grown tip; large.hand. black-emith. —echtig, by. important, renowaed, grand, eminent. —e letter, rather coarse, — groan. —held, v. coarsenese, capital (letter). — ear, good hour. — secedes,
orint (off► , to imprint; to finish printing; to die- I Afgifte, v. handing over, delivery. e.hsrge, to let off. —eel, o. impress, print, im• AfolUden, on. w. to elide (to glide) down, —off, A follppein, on. w. to slip (to slide) down. pression,imeze. Afdrneinolen, on. w. to drop (to drip, to trickle) Afgod, tn. idol. —endienaar, m. idolater. —endlenaree, idolatress. —endienet, idolatry. —abseld, down. idol. —*printer, pagan priest. —ery, v. idolatry. trinaven, °v. w. to push oft Aid yeol en, on. w. to go astray, to stray, to —leek, by. idolatrous. wander, to err; to deviate (from). —illy, v. wan- Af000ten,ov. w. ens. Zie Afwerpen,enz. Afoorden, or. w. to ungird. Foraying; error, deviation. linintr, rs‘fgrauxo en, or. w. to snarl (to growl) at. Aft , wellen, ov. w. to mo;, . Afewlno en, or. w. to extort—, to wrest (from). Algreven, ov. w. to dig off, to separate (by digging). —er, Fn. exiorter. —ing, v. extortion. Afeisch en, or w. to require, to claim, to exact, Atoronen, ov. w. to graze, to browse, A floreppeten, ov. w. to separate by trenches. reowisition, claim. (rrom). Afgrfjpen, ov. w. to snatch from. Afeten, ov. w. to eat (to nibble) off, to hrowae. AWL' sefljk, bv. & hay. horrible (-bly), horrid Anent*, v. eorrioze. von tie — nemen, to dimount. ( - ly), — selijkkeid, v. horribleness, horridness. Afecove, v. Zie Aroeete,o. Alga on, os. n. to welk off, to measure (by steps); —zen, o. horror, abhorrence; een hebbenvancto on. w. to on , lown, to deoeend; to decoy, to abate, abhor. to dim nisi,. to vanish; to go to stool, — to the Afgrond,m. abyss, precipice, gni f. privy; to po off; to start; to reit; to wear oit Afounst, v. envy, grudge, jealousy. --io, be. & jealous (.1y),—igheid,v, envy, bw. envious (• to tad, to blot; (vat,) to leave; to give up, to jealousy. resign, to deport (to deelvte) from; to chenge; to he token off. (op) to to up to, to rush in upon; to Afbnken. ov. w. to unhook, to unclasp. Afhakken, ov. w. to chop off, t, cut away. het gnat o, to confide in; to one tor. trust to, tent goe of, he 11,11 a ger tett. wry of doinw it. —, 0. Afbollen, ov. w. to fetch down; to fetch, to call for; to strip (to pull) off, to Say; to strip )peahen; going Flo wn,riescendine: decay, decrease, decline; woo.; depa:ture, deviation; going oulnevacuation, eec bed); to pick (boonen); to *trip of. laten to nendfor sitool, declivity. A foonnell. by. on the decline, waning; intermit- Afbandel en, or, & on. w. to conclude, to tertent (van boort.); s lucking (van het tij). mieate; to ;settle, to arrange; to treat of. —lug, Algona, rn. excrements, faeces; sale; ole terrier v. termination; treatise. Albondig, by. iemaad jets — makes, to deprive Afgeton, o. (to rid, to ease) any one of. Airoo5eeenken.hv. disjointed, broken; abrupt. Alban genus, m. & v. dependent, retainer. Afnecionio, dw. finishee, dove for. —gets, or. w. to take down; on. w. to hang Algeiclonbt.bv. oroken; tie Afdanken. down; (van) to depend upon. — gent. be . doping, Afgedavoold, be. stray, gone astray. shelving. —ger. tn. dependent. —kelOk. by. deAfonieefd. hv. decrepit. —heid, v. decrepitude. AfteNerton, by. distant, remote, —heitl,v.distance, pendent. —Itelijklzeid, v. dependence. on. w , to lose the hair. , Afhesreo s. eemotene Afgeloliii, be. Zie Atleiden. —woord. derivative. Arhaspelen, °v. w. to reel (to wind) off. Afgetont, by. wearied out, spent. —heid, v. weed- Albebben, or. w. to have done,— finiohed. A fbeffets, ov. w. to take (to heave) off; to cut. nesn. Afbein en, ov. w. to fence (in), to hedge (about). Aroopnet,bv. squared, adjustod; counted (out). --ing, v. fencing in, enclosure. Afgene hottlene, in. et v. dissenter. Afbe II en. on w. to elope, to incline. —ins, v. Afireeleten, bv. worn oft, -- opt, gone. sloping; slope, declivity. Afnoolloofd, by. Zie Afgenunt. Arceeptorven, he. deceased; dead (irsensible) to. Afbelpen, ov. w. to help down; to deliver —, to relieve (front), to rid —, to cure (of). —e, m. we deceased, dead. Afgetrokken, hr. abstract, distracted. —heid, v. Afhinizen, ov. w. to measure by hopping; on. w. abstrActedne?s,abse , re of mind. to comedown (to descend) hopping. Afhljschen, ov. w. to let down by means of a Afteryttordlooeen, m. deputy, delegate, envoy. pulley. Aloes, al terve m. & v. apostate, renegade. Algol, en, ov. w, to deliver, to hand, to give up; Afbouren, ov. w. to hear, to listen to; to — met, t. w. In have arnine,to overhear, toquestion, to confront. (een wine; etch draw to blot, Afhoud en, c.v. w, to keep off,— back, — from; intercourse with; to meddle with; on. w. to to fend off, to detain, to debar, to withhold; to to stRin, trl one that delivers; drawer. —ing, deduct; on. w. to sheer off, to keep aloof, to keep v. giving (hAtvi(ng) over, delivery. off (the shore). —er, na. detainer; guy. —inp, v. Afoonnnied., by. triteotale, hackneyed, common- keeping off, hinderance; deduction. place. Afhonw en. ov. w. to cut (to chop, to hew) off; Atoennett, to. rnmenger, en,y; tie tlenant. ternand het honfil — , to behead a. o. —er, Afe;oz000derd, bv.retired, solitary; seeretitIons. hewer off. —ing, v. hewing off. Afnioren, on. w. to be cant off, to sheer off. Afgket en, or. w. to pour off, to decant, to cast, Afbniebelen, ov. vr.toobtainbyhypocriry from. o found. —er, m. moulder, caster. ---ing, v. /Winer en. ov. w.to hire (from), --ing, v. Afbnur der, tn. —atm v. hirer. eosting...eel, o coot, copy. 

AA N attractiveness, charm. -ken, ov. w. to allure, to er. -kg, v. acceptation, acceptance; reception; adoption; contract; admission; confirmation. entice, to inveigle, to decoy. -ker, m. Minter, enticer, inveigler. -king, v. anal ement, entitle- Anunopen, ov. w. to animate, to induce. ment, inveigling. -set, o. allurement, lure, decoy. Annpnkken„ ov. 47. to seise, to lay hold on, to take hold of, to attack. -step, v. enticing woman, siren. Annpaleu, on. w. Zie Anngrenzen. -d, %nnlonken, on. w. to ogle at. bordering upon, adjacent. Aanioup, in. run. veil - kitten, to be much frequented, - solicited for. -en, ay. w. to solicit Annpnasen, or. w. to try on. for; on. w. to run (against); (op) to run no to, Asmpereen, on, w. Zie Anndringen. to rush noon; to take a run; to run hither; to run AnnpinkbilJett, O. placard, bill. Anuptnit k i. , ov. w. to paste on, to post up; on, to walk fester; to look in upon. imand lets -, vie Annsmeren. --ker, m. Annan/Ink, in. fabrication, construction, prepav. bill-stickce. -king, v. pasting on. posting up. ration, preparing. -otter, v. Zie lonmitker. Annpinni, m. planting, plantation. -en, ov. w. Antinannuster, v. Zie At-Mina:nor. to plant, to cultivate, to grow. -er, to. planter, Aannank en, on. w. to join, to fasten (to); to cultivator, grower. -ing, v. Zee Annisinut. light, to kindle. to make burn; to prepare, to cseason, to dress, to oil. -er, ro. tighter, kindier; Amonpleisteren, ov. w. to plaster. Assupieumiten, on. w. to fill up,to dam up. preparer, seasoner, Messer; author. AsomPsan en, on. w. to admonish, to exhort -er, Annploenec, on. w. to loin by plonghing. m. admovisber, exhorter. -lag, v. admonition, Aasapor der, in- inciter, stimulator, prompter. -yen, ova w. to incite, to etimulate, to goad.-ring, exhortetion. v. incitement, instigation. -,:ter, v. Zia AnnAniumareheerens on. w. to march on; to march porder. (upon). homes -, to march hither. Attnurnt en, es. w. to persaade to; to make acAanulareoh, tn. advance. ceptable. -er, rn. persuader. .-ing, v. persuasion. Annnentlag en (ziets). t. 'Iva to arrogate to one's self, to assume, to peening, to usurp. -end, be. Anapreek en, on. w. -er, m. Zie Attraprnten. & bw. arrogant (-1y), presumptiae, oresumptuous Attnprilz en, or. w. to cornmend, to recommend, entwaurdig, by. recommendable. -sr, m. eom(aly), haughty (-Iy). -ing, v. arrogance, premender, recommender. -lag, v. recommendation. sumption, usurpation. Anumeltien„ay. w. to *monocle, to give notice Aonprikkel en, on. w. to stimulate, to excite, of. rich -,tt present one's self. sick rates -, to to prick on, to goad. -lag, v. stimulation, excitement. send in one's name. Annmoug on, or. w. to mix, to admix, to dilute. 1napunt en, or. w. to point, to sharpen, to nib. -er, m. -*ter, v. sharpener, mender. -lag, -ing, v. admixtion, dilution. v. sharpening, mending. Aunmennen, ov. w. to drive on. Anurandeter, v. Zie Acorns:ler. Anntneren, ey. w. to moor. Anurnerk &Mk, by. & bw. considerable (-hly), Annrad en, or. w. to advise to. -en, o. -ing, v. advice, persuasion. -er, ua. adviser. remarkable (-Sly). -elijkheid,v. co netderab:eneen, rematkableness. -en. or. w. to remark, to observe; Anurak en, on. w. to touch. -ing, Y. touch, to consider; (op) to find fault with. -eneteaardig, touching, contact..-ingspont, o. point of contact. hr. remarkable, worth oaserving. -er,m, -ster, Annrannnueless,on.w. kansen -, to come rattling. v. reinatker, observer. -lag, v. remark, observe, Annrand en, on. w. to ae“ill, to invade. -er, m, assailant. -ing, v . attack, assult, injury. tion; consideration; note, annotation; in - semen, to take into consideration;uit -von,on account of, Anurateleu, on. w. Zie Annrammelen. Annrocht, a. -bank, -Wet, dresser, side-board, Aniline ten, on. w. to oake one's measure for. -en, ov. w. to prepare, to dress, to serve, to Assansetseion, on. w. to more to. AnuminiUk, - nig, tv. bw. lovely, dish up, -er. m, -.ter, s. preparer, dresser. -log, v. ranging, serving, dressing. amiable (-sly), charming (-ly). -lijkheid, Aanrelken, ov. w. to hand, to reach. held, -nigkeld,v. lovellnees. Anumnedig on, ov, w. to encourage, to animate. Annrekenen, on. w. to charge for; - with, to impute, to attribute. -er, in. encourager. -ittg, v. encouragement. Ann...meter en, ov. w. to enlist, to enroll.-ing, Anurennen, on. w. to run (againet), to tumble up (against). Icemen - , to come running, - galloping. v. enlistment. Annricht en, ov. w. to cause, to commit, to perAanmunten, on. w. to mint, to cola. Ammunition, ov. w. to sew to oaten-, to !moose petrate. -er, in. -.ter, v. causer, committer, perpetrator. -lag, v. commitment, perpetration. upon; on. w. to new on. Aunrilden, on. w. to carry (to drive) hither; to Annunderou, on. w. Zie Natieren. drive (against); to entreat; on. w. to drive (to ride) Annuagelon, on. w. tonal! on, to. hither ; to drive (to ride) no; to stop (to call) at, Aanneoniater, v. Zie Annnemaar. Anunern olUk,bv. accoptabl e, ,td missible,reason- AnnrtJg en, ov. w. to string, to thread, to file up; to baste, to sew loaleely. ing, v. stringing, able. -eiljkheid, v. acceptableness. -en, ov. w. Aline up. sewing loosely. to take, to accept (of), is receive. to adopt; to admit (of); to assume; to begin, to enter upon; to Anurtipem, on, w. to ripen, contract for; to bind one's self; to engage, to hire; Annristen,ov. w. to make ropes of (onions). to believe; to embrace; to confirm; to suppose; on. Annelt, tn. approach; charge. -*geld, impressmoney, bounty, w. to improve.-er,m. receiver; contraetor;aceept-
sEm.—TER S ean (setn), an. Sem. Semiramis (se-mir'e•mis), w. Semiramis. S ane ca (sen'e-ke), m. Seneca. —pa/ (•gaol), g. the —, de Senegal. —Dinah& (4rent'bi-e), g. Ssnegambiii. seewia (eueri-e), g. Serb16. —is, a. Servisch; 1. Servier. Setia(seth),m. Seth. Severn (sev'urn), g. the de Severn. Seymour (see'mur), an. Seymour. Shaftesbury (sjaAftt'bir-zh), m. Shaftesbury. Shakespeare (sjeek'spicr), m. Shakespeare. Shanghai (sjeng'haj), g. Shanghai. Shelley (ejellib m. Sheridan. Sham (sjeui), m. Sam. Shetland (sjet'lend), g. Hitland. — /s/ands, (de) Hitlandsehe eilanden. Shy lock (ejarlok). m. Shylock. Sleaze (usrem), g. Slam. —ese (-c-mien'), a. Slit. meeseb; i. Sterne., (de) Stameeten.. Sib (nib), f. voor Sebastian 1Yt Sibyl. Siberia g Siberte. —n, a. Slberisch. Sibyl (sib'il), w Myna. SteEl Ian (si-eil'i-en). a. Siciliaanach; i. Sternest*. —y if. Sicilie. Sigismund (sid'sjts-mund), m. Sigismund. MI leaks (.11. ► 01.e), g. Sainte. S2ns (aim'), f. voor Simeon & Simon. —eon (-Min), m. Simeon. —on (ear raon)sid. Simon. Sinai (ssrnee, -nee-aj), g. Sinai. Sinde (Mild). S. Sinde. Singapore (sing-zee-poor'), g. Singapore. Si on (.arun),g. Sion. —rack (-rek), m. Shush. Shins isirn-us), g. Sirius, de hondanter. Sic Isis'), ;f. your Cecily. —yphus (-1-fus). my. Sisyphus. Slavonic g. Slavoutt. --tt, a. Siavoonach; i. Slavontdr. S ieswick (ales' wik), g. Smollet ‘smolltt),m. Smyrna (emur'ne), g. Smyrna. Socrates (sok're-ties), an. Soeratee, Sodom (soenin). g. Sodom. Sot (son, f. Solomon. —orison (-um-un), Saloon°. —on (sontin), m. Solon, Suph (sorj, t. voor Sophia. —ia (so-fare), w. Sophia —odes m. Sophooles. —y, f. your Sophia. Sound (seaund), g. the —, de Sond. Southampton (sauth•em'tn), g. Southampton.

Waar kan ik crypto met pinpas


385 Adasin, or. w. to nobilitate; to ennoble. Adel bv. noble; smelling, high. Aden', in. breath. in. Oise* —, without atopplrg. van iatsge.a —, requiring time, tedious. —tocht, breathing, gasp. —en, or. & on. w. to breathe. —liaise, on. w. to breathe. —haling, —ing, v. breathing, respiration. Ader, r. vein; course; streak. —break, phlebor• rhage. —gestate!, — spat, eerie. — rijk, full of vtint —slag, pulsation. —vlies, chorion. —achtig, be. ov. w. to vein. —lie, by. veiny, veined. vetny, --tutee, ov. w. to bleed. —lating,v.bleedlnx. Adjudant a nt, a•judant. —splaats. edjutreory. Admirals!. m. admiral. —roceip, admiral —stela°, Admiral's-flag. —.thew, a. admirainhip; to oat' in company. Atha's...Melt, v. admiralty. —shot, court of admiralty. Attires, a. direction; card; address, petition. —trek, directory. —.smart. address-curd. —letter°, iutelligence-offiee. —semen, or. w. to direct; oiea — aan, to apply to. Adverteutio, r. advertisement. —b!ad, advertiser, ---hosten, advertising. Advertearen, ov. & on w. to adrertime. Adwies, o, advice. —trief, letter of advice. —jacht, 'a. advice-bola. Adviseeren,ov. w. to counsel, to tacit.. Ads/mutt, M. advocate, la wyer, barrister (at law). —generaol. attorney-general. Alf, bw. off, down, — en van, to and fro, —, by. finished, done; exhausted, up. Afbaken ess, or. w. to mark (to trace) out; to mark with beacon.; to delineate. --ing , v, tracing (marking) out; delineation. Aibedeless, or. w to beg of, to get (to obtetn) by begging. Afrsotaid en, ov. w. to paint, to draw, to portray; to represent; to delineate, to typify. —Cr. in. painter; drawer; rcprraeoter, typifier —lag, v. painting, drawing, portraying; cture; representation; delineation. —se', o. pitture, portrait, portraiture; figure. imaeo. Arbeitelen, or. w. to take off with a chief'. Afftersidon, on. w. to burnt to crock) off. Afbestell en, or. w. to countermand. -hip, v. counter-order. Arbetal an, ov. w. to pay off. —fog, v. paying off; full payment. Albetten, or. w. to bathe, to wash. Afbevilen, ov. w. A rich t. w. to overdrive;to harass (oue'e f). Afbeureu, ay. w, to lift off. Afbidd en, or w. to implore; to deprecate. —er, tn. deprecator. —ing, v. deprecation. AftsIgtaiess, oat. w . to trickle down, AlbUten, or. w. to bite (to nip) off, de spite —, to etude the first shock (brunt). Afbtk.ken, ov. w. to pick off. Arblastian, °v. w. to tittle; to laud off, to etring. Afbiaderen, or. ve_ to strip 4,ff ,theleave*). Afbiazen, or. w. to blow off; to scale; on. w. to round the retreat. Afbilivon, on. w. van. to keep off.froin, to let alone, to leave untouched, not to meddie with; to stay away from.
Aveganr, m. auger, nimble. Avorechts, bw. wrong, the wrong way, preposterous/y. Averecilitseb, by. wrong, sinister, preposterous. Averke, v. average, damage. Averult, v. a brotanum, southern wood. Avond, in. evening, eve, night. van —,thla evening. ginteren —, last night. 's in the evening, at night. —brad, evening-paper. —eten, supper. —gebed, evening-prayers, completory. —kers, evening- eervice. —Mole, evening-ball, curfew. —lied, evening-hymn, -song. —lutist, evening-air. —maal, supper; Lord 'a tripper, Communion. —nsitalaganger. communicant. —muriek, nightmusic, serenade. —parte:We, evening-party. —acheerring, evening-twilight. —nth iol,evening school. —sten, evening-star. —stond, erecting. Avont mares, ov. w. to hazard, no risk, to venture. —crier, m. —uriereter, adventurer, fortunehunter. —cur, o. adventure, hazard. —curl jjk, by. & bw. adventurous (-ly), casual (-I y). Aran, on. w. to feed to prey (upon); (op) to oovet. itait)a, tn. vinegar. —puts, vinegar-bottle, crust. —maker, vinegar-man. —maker(j , vinegar-house. —moss, vinegar dregs. —race, 5. acetic acid; by. acetic; —rout, acetate. —aehtig, by. acetone. —en, or. w. to sen,on with vinegar. fazing, v. l'eding, preying; coveting. Amaral", by, azure, snored, sky-colored. A . cuur, m. lapis lazuli, azure-stone, o. anueeolor, sky- blue.

Wat is het verschil tussen Blockchain en cryptogeld


(il-ledzyibl), a. —bly, ad. onleesbaar, —bility (-i-bil'lt-tih), s. onleesbaarheid. Illegitima cy s. onechtheld. —te, a. —tely, ad. (-met-), onecht, onwettig. —te (-meet), v. a. voor onecht (onwettig) varklaren. Illeviable a. onhcfbaar. Illiberal (il-lib'ur-ell. a. —Iy, ad. onedel; onvriizinnig; karig. —ity (-el'it-tih), a. onedele denkwijze, karigheid, Illicit (il-1is'it), —ous, a. ongeoorloofd. —nes s, a. onvvettigheid. Illimitable (ii-lim'-i-tibl), a. onbegrensbRar. Illiter acy (il-lit'ur-e-sih), —ateness s. ongeletterdheid. —ate (-et), R. ongeletterd. a. sleehtheid, boosheid; ongestelciheid, ziekte. Illogicaal (11-lodzY ikl), a. —/y, ad. onlogisch, onberedeneerd. Blade (il-ljoed'), v, a, misleiden, begoochelen. llluiaae (il-ljoem'); v. a. verlichten. Illumin ate (il-ljoe'mi-neet), --e (-min), v. R. verlichten; ophelderen; illumineeren; versieren, kleuren. —anon (-nee'sjun), s. verlichting; —alive (-ne-tiv), a. verlichtend. —ator (-nee-tsar), a. verlichter; versierder, kieurder. Illusion (11-Ijoe'zjun), s. bedrog, misleiding, begoocheling. —ire (-siv), —ory ( sur-rili), a. bedriegelijk, begoochelend. Illustra te v. a. vent) chten; opluisteren; ophelderen; versieren.. —lion (-tree'sjun), e. opheldering; versiering. —tire, a. —tirely,ad. ( ere-tiv-), ophelderend. —tor, a. toelichter; versierder; R. —1y, ad. doorluchtig; beroemd, vermaard. —mess, s. doorluchtigheld; vermaardheid. Image (im'idzj), s, beeltenis; braid; vooretelling, begrip. —worship, beeldendlenst. —, v. R. afbeelden, zich voorstellen. —ry, s. beeldwerk, afbaelding; hersenschimmen. Imagin able (im- edzrin-ibl), a. denkbaar. —ary, a. ingebeeld. —ation (-nee'sjun), s. verbeelding; verbeeldingskracht; ;vinding. —atire 1-e-tiv), a. vindingrbk. —e (-in), v. a. zich voorstellen, ver beelden, verzinnen. —er, s. verzinner, uitdenker. Imbank (im-benk'),s. in-, bedijken. —meat, a. indijking; ingectijkt bind. Imbatbc (im-beeth'), v. a. indempelen. a. zwak (near Imbecil a (im-bes'il, lichaam en geest). —ity(-be-sil'it-tih), a. z wakte, on vermogen. Imbed (im-bed'), v. R. lnleggen. Itubellle lim-bellik), a. onkrijgshaftig. Imbibe (im-bajb'), v. a. inzulgen. Imbitter (tm-bit'tur), v. R. verbitteren. Insbody (im-bod'ih), v. a. Zle to Embody. Imbolden (im • bool'dn),v Zie to Embolden. Imborder (im-bor'clur), v . R. omzoo men, begren zen. Imbosom (im-boeeum), v. a. in den boezem verbergen, dragon; toevertrouwen; insluiten. Imbound (im-baaund'), v. a. insluiten. Imbow (im-bo', bau."1„ v. a. welven. Imbrangle (im-breng'g1), v. R. verwarren. ImbrIert te (im'bri-ket), —fed (-keet-id), R. al,

klankleer. -oloyical (-no-lod'ziikl), a. van de geluidsleer. -ology (-norud-zjih), a, geluidsleer. Phosphate (foa'fet), a. phosphorzuur zout. Phosphor (fos'fur), -us, a. phosphorus; morgenster. -ate (-eet), v. a. met phosphorus yeabinden. -vice (-eel, v. n. zacht lichten, men. -eseence 'ees'aens), a. ltehting, -esrent (-eesent), a. lichtend, glimmend. cc (-for'ik), a. phosphorisch; -acid, phosphorzuur. -one, a. phosihorachtig. Photograph teto.grefi„ s. llohtbeeld. -, v. a. & n. lichtbeel en vervaardigen. -er (tog're-fur), s. photograaf. -ic (greeik., a. photographisch. - y (tog're-fih), a. kunst om lichtbeelden to vervaardigen, photographie. Photo logy (fo•tol'ud-zjih),.. leer van bet licht. - meter (-tom'i-tur), a. liehtmeter. Phrase (freez), a. ispreekwijse; zinsnedei volzin. - , v. a. uitdrukken, noemen; v. n. bijzondere spreekwijzen gebruiken. -ology a. spreektrant; verzanaeling van spreekwijzen. Phren etic (fre•net'ik), a. waanzinnig, razend. itia (-Aid' tie), a. ontstekisg; waanzin, razernij. Phrenolog 1c (fren-o-lod'zjik), -al, a. van de schedell ear. - y(fre-nol'ud- zjih), a. achedelleer. Phrenzy (fren'zih), a. Zie Frenzy. Phthis ic (tiz'ik), a. tering. -ical, a. teringachtig. -is (tharsis), a. tering. Phylactery (fi-leklur ih), s. amulet, toovercedel. Phyllite kfillajt), a. versteend bled. Physalite (fiee-lajt), s. zwelsteen. Physic (fiz'ik), a. geneeskunde; genees-, purgeerdrankje. middel. to take -. Innemen. - nut, purgeernoot. -pork, amerikaansche kermesbes. -, v. a. geneeskundig behsndelen, doers purgeeren. -al, a. -ally, ad. genees-, natuurkundig; natuurlijk. -ion (fi-zisj'en), a. geneesheer, nets. -s, pl. natuurkunde. Physiognom er (13.z.i.og'no-mur). -jet, a. gslaatkundige. -ic, (-nonfik-), a. van de gelaatkunde. a. gelaatkuude; gelaatsuitdrukking, gelaat. Physiolog er (fiz-i ol'ud-zjur), -tat a. pbysioloog, natuulkundige. -ic, -ical (-o-lodizjik-), a. playsiologisch, natuurkundlg. -y, a. leer der org.ische lichamen, natunrleer, natuurlijke historie. a. grasetend. Phyt Ivorous (fi-tiv'o-rus) - ography (-tog're fib;, s. planlbesehrijving. Phytolog 1st (fi-tol'ud. zjist), s. plantenkenner. - y, a. plantenkunde, plantenleer. Placul gar (paj-erjoe-ler), -ous, a, misdadig; boetend. Pla-neater (paj-e-mee'tur), a. bersenvlies. Plan et (pape-net), s. kleine apecht. ekster. -ist (ook: pi-a'nist), a. pianist. -oforte (pi-a'noforle), a. piano. Plaater (pi eetur), a. piaster. Plbcorn (pib'korn), a. fiuitpijpje. Pibroch (paj'brok), a. kriagsmuziek der Bergachotten. Pica (paj'ke), a. belustheid; ekster; cicero-letter. small -, brevier-letter. Picaroon (pik e roan'), a. zeeroover, vrijbuiter. Piccage (plk'kidzj), v. steangeld.

UNP H. 327 —Val/Y, ad. (4-toel.), —yiag (-1-leng), a. Diet Unprlz able (un.prargb1), a. onschatbs,. zuedelt dend, onbarrnhartig. —ad ( - pi:dn. a. ongeschat; Diet geweardeard. Unplaced (an-pleeetn, a. ongeplaatst. Unpro aimed (an-pro•kleenad'). a. onafge• Unplaguad (un-pleegdn, a ongek weld (with). kondigd. —ductive ( dukt'iv), n. onvrusbtbaar. Unplass nett (un-gland'), a. onontworpen. —ted —fatted (-fsendn, a. ntet ontheiligd. (-plentid), a. ongeplant; onbeplant. Unprotlta ble (un-protl.t1131), a. —bsy, Unplausible (un•plao'zIbl), R. onwaarmehOnlijk. voordeettg. —Menace, s. onvourdeellgheld. ad. on. —we (-My), a. mint goadkeurend. Uupro Whited (un-pro-bib'it-td), a nlet verboUnpleasant (un•plez'ant), a. —ly, ad. °mange- den. —jected (•dijekt'id). c.. niet ontworren. —/ific naani, onbehagelijk. --near, e. onamagenaamheid, (-lit ik), a. onvruchtbaar. (-propelsonhehagel(i kheid. Ieng), a. well,* belovend. Unpleas eel (un-pltezd)) ) a. mlantiegd. —lag, a. Unprompted (un-proutt'id), a. nieCingegeven. --ugly, ad. (•pltezneng-), onaaugensam, onbeha- ongedreven. gelkjk --ingmaa (-plieeieng-), a. onaangenaam- Unpronounce able (un-pro•ulattusiibl).a. inlet held, onbehagelt kheid. nit to spreken. —d (nitaunstl, a. onuitgesprokeu. Unpiedged (an-pled:IC, a. ourierpand. Unprop fun-prep"), v. a. van stutten berooven. Unpli able (uu-pla)'ibl), a. onbuigbaar. —ant. —stk.* (-prop•plq'us), a. ongunatig. a. —antly, ad. onbuigzaain. —antaeas, a. onbuig- Unproportion able (un-uro-poor'sjun-lb1), zaamheld. —ate (-at),—ed ( ajond), a. —ably, ad. oneveuredig. Unploughed (nn-plaud'), a. onbeptoegd. Un prop osed (un pro-poo:dn,n. niet vcorgeateld. Unplume (un-piton'), v. a. plukken; vernede• Unpropped (un-propt'), a. oiet [mint, ran. Unprosperous (an.pros'pur-us), a. —ly act. Unnoetleal (un-po-et'lltl), a. — ly, ad. ondlchter- onvoorapeedig. ltfk. Unprotected (un-pro-tekt'id), a. on.beseherind. Unpainted (un- pojnt'id), a. ongepunt. Unprov ed (un pr,:evit'), a. onbewezen; onbeUnpolished (an-pol'iajt), a. ongepolti at; oube- proefd. —ided (-pro-vardid), a. onverzorgd; islet schaafd. voorzien. Unpolite (un-po-lajt'), a. —/y, ad. nnbeleefd. Unprovok ed (un-pro-vooktn, a. ongete:gd; — aces. a. onbeleefdheld. niet uitgedasgd. —lag ( -roglieng), a. Met teeUnpolluted (un-pol-ljoe'tid), a. onboolekt. gend; geene aanieiding gevdnd. Unpopular (un-poejoe-ler), a. niet cony het Unpruned (un-proen0), a. ongesnosid. volt geachikt; niet bij het yolk gotten. —ity Unpublished (um-publimjt) a. onuitgegeven. (-ler'it-tih)., a. volksongunst; nugeachlktheid cony Unpunished (un-puu'lsjt), a. ongeetratt. hat yolk. Unpur ehased (un-puetsieet), a. ongekocht. Unportable (un-poort'ibl), a. ondraagba.tr . —ged (-purdzjd'), —ified(-pjoe'ri.fajd), a. ongezulthapossess ed (uu-pus zest'), a. onbezeten. —ing verd; ongelouterd. —posed ( past), a. onvoerbe(-zes'10.0, a. nietg bezittend. dacht. —sued (-sjocd'), a. onvervolgd. Unpractised (un-prertist), a. onervaren (1.). Unquallf led (un-kwoll-raja), a. ongeaehlkt; Unpralsed lun-preezd'), a. ongeprezen. onbevoegd, (for). —iednase, a. ongeschikthei► ; Unpre reiterated (un-pres'e-dent-id), a. noolt onbevoegrtheld. —y (-faj), v. a. ongeschikt (ongehoord, zonder voorbeeld. (erred (-pre-ford'), bevoegd) waken. a. nlet voorgetrokken; ntet bevorderci. —judieate Unqueen (tzu-kwien'), v. a. onttroonen (eene (-pre-dr) oe'di-ket). —judieed (-pred'zjoe- dist), a. kontnyln). onbevooroordeeld. —meditated (-pre-inedil-tee• Unquelled (an kweld') a. mist onderdrukt, lid), a. on voorbedacht. onbedw onrn. Unprepared (un-pre-peerdn, a. —ly (-pee'rid•), Unqueneis sable (nn-kwenteribl), a. —ably, ad. ad. onvoorbereid. —nen (-pee'rld-), a. onvoor- ontiabluschbaar; onleaohloaar. — ableness, a. bereldhaid, onultbluschbaarheld; onleachbas Meld. —ed Unprepossesised (an-pri-pux-zest'), a. Wet 1-kwentsW) a. ongebluscht; ongeleseht. Tooringenomen. Unquestton able (un-kwast'jun-ibl), a. —ably, Unprepeed (un prest"), a. ongeperat; ntet ge- ad. ontwOfelbaar. —ableness, a. ontwljtelbaardwongen. held. —ed (-jand), a. ongevraagd; ongetwijfeld. Unpresumptucitis (un-pre-zum'tjoe•us), a. —ly, Unquick (un- kw ile), a. islet "mg, — levendla; ad. islet verwaand, beacheiden. levenloon, —ened (-kind), a. onbeztetd. Unpretand rd (un-pre•tend'Id)., a, Rift conga- Unquiet (un•kiverit), a. —ly, ad. ongernat. wend; ntet aangematigd (to). —kg, a. niet aan- onrn —ness, a. ongeruatheld. ovirnatfghtad. matlgend. —.ingness, a. beseheideuheld. Unriseked (un-rekt'), a. ongeklaard. Unpre walling (nn-pre-veerieng), a. machteloos, Unraked (un-reekt'), a. ongeharkt; islet tigersnutteloom. —vented Oman d), a. islet verhoed. Unpriest (un- prittat'), v, a. van he prleaterlUke Unr ke nci aaa. sacked (un-ren'nekt), a. ongeplunderd. weardigheld berooven. —ly, a. onprtesterlAjk. —coned (-aumd), a, ntet vrtigekscht. Unprine ely (un-prIno'llh), a. onvoratelijk. Unmated (un-ree't1d), a. ougesehat; onbelast. —ipled ( -ipid), a. beginselloos. Unravel (un-rev'1), v. a. & n. los-, ultrafe)en; UnprInted (an-print'id), a ongedrukt. ontwarren; opheldaren; (zieb) ontwikkalen. Unprlsoned (un-prls'und), a. vitgelaten. Unreached 11..onberaikt. Ueprivilleged(un-priv i l-ledsld),a.onbevootr•cht. Unread (un-red'), a. ongelesen, onbelezen. —ily,
Klep, v. flop, valve, shutter, trap-door; sucker (tatter pomp); cover. m. clapper; bill (of a stork). Kleppe!, m. clack, clacker. Kiepp sac , ov. & on, w. to clap, to chime. —er, Tn. clapper, chimer; watchman; steed, courser. Klepper en. on. w. to clap, to clack, to chatter. —man, watchman. —tje, o. death watch. Kiosk, m. clerk. —amat, —sehap, o. clerkship. Kieft, v. lash, slap, clash, clap. —, tow. slap I splash ! —en, OT. W. to fling, to dash; on. w. to lash, to slap, to clash, to clap; to tattle, to —top, scald-head. —oor,long whip.—praaf, ing, tattle. babbling, Klett•sen, on. w. to clatter. to nelt, to patter. K let-am en, on. w. to be benumbed with cold. —mfr. —star, v. chilly person. —set, by. chilly. 1Kleumen, ov, w. to drub, to thrash. Klee's, v. color, hue; blush, complexion. —blind, color-blind. —houdend, keeping color, dyed in grain. —slof, pigment, color. —endruk, colorprinting,c hronnolithograp h y.—en/eer,ehrora atics. —mope!, blending of colors. chetoyment. —der, no. colorer. —en, ov. w. to color; on. w, to blush. —by, by. colored, blooming, rosy, ruddy; gaudy. —igheid, v. colore:iness, ruddiness, gaudiness. —ing, v. coloring, coloration. —ling, m. & • . man (woman) of color. -1008, by. colorless, chromatic. —te ,„o. color. Kleist's, v, little girl, hussy. —verd e small money, change. Kiev en, ov. & on. w, to stick, to cleave, to cling, to adhere. —*rig. by. gluey, glutinous, sticky, viscous. —erigheld, v. glutinousness,stickiness, viscosity. --log, v. sticking, cleaving, adhesion, Klibber, o. gum, glutinous matter. Kliek, v. fleam; clique, set. —oehs'd, trifling debt, driblet. —en, my. scraps, leavings, remnants, odds and ends, rest. —en, on. w. to omit, to expectorate; to leave remnants of victuals. —er, m, snifter. —jet, o. MY. Zie Kileken; —de,, day en which the remnants are eaten. —sfer, v. Zie Klieker. v. gland; kernel; tonsil. —oezteel, glandular swelling, mumps. —ziekte, scrofulous disease. —.hag, by. glonduloue; scrofulous. —en, my. scrofula, scurf. ov, w. to cleave. to split. o. declivity; cliff; brow. K iijf, o. ivy. m butt-eiad (of a bat or club); after-piere of the rudder; clumey fellow; prelude. —ken, ov. & on. w. to tell, to tell tales, to peach, to inform. —klakken, to clack, to clang, to clash. —tpaan, —spillen, to idle, to loiter. —bee, m. --ster,v. tell-tale.
Ineckenren, ov. & on. w. to tear, to rend, to ' Incase'ten, ov. w. to melt in, — among; to grow less by melting. burnt. Inschleten, ov. w. to shoot in; to destroy by Inemeren, ov. w. to grease, to smear. shooting; to shove Into on. w. to enter suddenly, InemUten, ov. w. to throw (to dash) in, —. into; to break. to weal (to rush) into; to go in ; to come to one 's mind, to occur to memory. er bti to InenUd en, on. w. to cut into, to make an inloss by, cision; to crotch, to carve; to indent: to scarify. —ing, v. incision; notch, engraving; eoarilictition. leischUnen. on. w. to thine in. Inac ► ikk ellijk, be. yielding,compliant, sienna- Inenolv en, ov. w. to snuff up, to inhCe. v. snuffing up, inhalation. modating, indulgent. v. yieldingnese, compliance, indulgence. —en. ov. w. to excuse, Its solven t, be. insolvent. —tie, v. insolvency. to bear (to comply) with, to indulge (in. to); inionppen, or w. to dip in, to sop. on. w. to make place, to sit (to stand) close; Inspann en, ov. w. to put to (the carriage) to exert; later —, to order the coach. —tag, v. to yield, to come down. —ing, v. bearing with, putting to exertion. compliance. indulging (in. to). Heap cot t en, on. w. to spatter in, to bounce in. Inschoon,bv. very beautiful. Inachoppen, ov. w. to kick in, — into; — down. Inibisttkeren, ov. w. to nail in. Inepfltes, on. w. to dig tn. Inechenp en, on. w. to scrape in. —er, la ►spoelen, ov. & on. w. to wash to swim, to scraps Pennystream) io, — into. Inschrkplers. on. w. to stalk (to stride) in, — into. Itusptrersk, v. dictate, suggestion, inspiration, Inschrkifeter, v. subscriber. Inschrtjv ess, ov. w. to ineeribe; to note, to regisinstinct; objection. ter, to enroll; to subscribe. —er, m. registrar; Inspreken, on. w. to inspire (with); (mold) to subscriber. —ing, v. inscription; enrollment; encourage; on. w. to meddle with. subscription. litaspring an, on. w. to leap (to jump) in, — into; to stand back. Inachroeven, ov. w. to screw in. Inschrokken, ov. w. to swallow, to gulp Inaptitit au, ov. w. to inject. —dip, v. injection. down. Inapuoven, on. w. to spit in. — iuto. 'Rackoff hind, o. leaf (of a table). —Wel, v. Inatitan, on. w. to answer (for). Instal, in. barn. table with lengthening-pieces, — with leaves. Issocitulven, ov. w. to shove (to push) in, — "waving, by. in a bad repute. —makers, to cry Into; to edge in, to interpolate. down. lhasettuld, v active debt. —.oar, rn. creditor. Instrmip en, ov. w. to ram (to drive, to force) insect, o. insect. —enloinde, entomology. in, — into; to inculcate. —illy, v. ramming (forcing) in; inculcation. bw. likewise, too, also. lissUpellen, on. w. to trickle in, — into, to ooze. Itsstraudb.outting, v. maintenance. Inaltsen, on. to beat (to drive, to ram) in; to Instappeu, ov. w. to overtake; on. w. to step in. — Into, to enter. knock out; to break (open); to lay in, to boy; to take (to turn) in; to AWallOW, to gulp down; insteek 'tamer, v. entresol, mezzanine. —eel, on. w. to fall in (van den bliksenz); to take (een o. that which is inserted, — tucked in, iseatek deo, ov. w. to put (to push, to stick) in, weg). — into; to sow together; to intompt, to euggeet; "luting, to. lsying in, purchase, supply; tuck. (ern drawl) to thread a needle; sick t. w. to overcast; woof. —boet, book of purchases. —eeel, meddle (with). —er, m. prompter, suggester. permit. —draad, thread of the woof. —sport, —ing, v. insertion; suggestion, instigation. shuttle. Inalapen, on w. to fall asleep. Instell en, ov. w. to institute, to establish; to Isseleeperat, on. w. to drag (to tag) in, into. give, to propose (ern toast) (rear vervalging) Ittellemteiress, on w. to enter sauntering. enter a lawsuit; leen onderzoek) to make an enHaelltipen, ov. w. to grind in. quiry, — inquest; sick t. w. to begin. —sr, in. institutor. —ing, v. institution. lisstllkk en, on. w. to swallow. —ing, v. swallowing. Inatensm en, on. , to consent; on. w. to agree 'lief tippets, on. w. to slip in, — into. to fall in) with. ing , v. agreement, Intelokk son, on. w. to swallow (down), to devour; [tastes, wan, on. w. to sett in, — into. to usurp.—ittg, y. swallowing, devoration; usurpa- Itsatiligen, on. w. to step in. tion. ov. w. to stitch in Iiseiores ere, one NV. to sip; to absorb. —ing, v, Instinct, o. instinct. toj —matig, instinctively. sipping; absorption. Inatippen, ov. w. to dipin. Inaluitneren, on. w. to fell into a slumber. Ioetovaanelen, on. w. to come in with a great bustle, Inaluip en, on. w. to steal (to sneak) into. Inatoornen, on. w. to enter steaming, to enter — ing, v. moiling (sneaking) in. (by railway, by steamer). Inatuft en, ov. w. to lock in; to enclose, to include, to comprehend; to block up, to invest; linstisotets, ov. w. to push (to thrust) its; — into. on. w. to fit in. —ing, v. enclosure; inclusion; Ioatop Lion, ov. w. to cram in, — into. Inctorrnen, on. w. to rush in, — into. blockade. investment; —stetken, parenthesis. Inatort en, ov. w. to throw (to poor) in, — into: Inslurpen,ov.w. Zielinsissrpen. to infuse; to inspire with; on. w. to fall (to Inansnkkerv, en. to hurl in, — into.
[arose (e-rooz"), arisen (e-rizn')], oprijzen, optreden, voortspruiten. a. ndelregeering; de aanzienlijken. —t (e-rieto-kret), a. ariatocraat. —tic (-to-kret'ik), —tical, a. ariatocratisch. Arithmetic (e-rith'me-tik), a. rekenkunde. —al Ier-ith-met'ikl), a. rekenkunstig.;—ian (-tis'ajen), a. rekenkundige. Ark (aark), a. ark; § rivierschip. — of the Covenant, arke des Verbonds. Arm (aarm'), a. arm; tak. —chair, armstoel. —hole, —pit, °keel. at —'s-end, —'s-length, op behoorlijken Ostend. —, v. a. wapenen, op behoorlijken afatand. —, v. a. wapenen, ultruaten; v. n. zich wapenen. —ament,a. krijgsmacht. —ature,(-tjoer), a. wapenrusting. —igerous (er.mid'zjar-us), a. wapendragend. —ings, a. schans bekleeding. —ipotence (er-mip'o-tens), a. wapenkracht. —ipotent (er-inip'o-tent), a. machtig van wapenen. —istice s. wapenstilatand. —let (-lit), a. armband. —or (-mar), a. wapenruating. —orial (ermo'ri-e1), a. wapenboek; a. geslachtwapena betreffend. —ory (-murrih), a. wapenkamer; wapeorusting; wapenschild; heraldiek. —8 (aarmz), a. wapenet. coat of —s, wapenrok; wapenaehlld. Arise (e-rajz), v. n. Aristoera cy

M M.— Da U T pelen. -Cr, 0. vermomae. —try, a. vermomming, filusesiass (tojoe-sl'uni),s. museum. rettekerade. —ify (-rni-faj), v . a. inbalseraen, als Mushroom (musj'roem), a. paddenstoel; :parVenn. muraie bewares. —y, a. mimic; entwas; to beat Music (mjoe'zik), a. muziek; toonkunst. —master, to a —, boot en blauw slaan. muslekmeester.—pen,muzlektrekpen. —room, eonMunn, (mump'), a. knabbelen; mompelen; bade—shell, Eotenschelp. —stand, muzieklescertzaal. klaplooper, bedelaar. s. —er, len; bedriegen. settaar. —al, a. —ally, ad. (-zik1-1, muzikaal, wel—er's-hall, bedetaarsherberg. —ing, a. bedelaaasluldend. —alness,s.welluidendheid.—ian (-sisj'en), list. —lab, a. gemelijk, morrend• -8, pl. geniea. toonkunatenaar. lijkheid, kw ade ham; klier-, keelgezwel. Musing (mjoez'ieng), s. gepeins, mijmering. Munch (muntsj), v. a. & n. guizig eten. (-dik), Musk (musk', a. nauskua; muskusdier. —apple, Mund ane (mun'deen;„ a. wereldseh. muskadel appel. —ball, muskusballetje. —bearer, a. zwavelkies. mueksarot. —cabbage, bIsamkool. —cat, eivetkat. Mitandif bent lois (mun-dif-i-kee'ejtie), a. reini—cherry, muskadel-kers. —melon, muskus-meloen. - icative (-di?%-ke •tiv), a. & a. reinigend —pear, muska.del-peer. —quash, muskusbever. (miattel). —y (mun'tli-fajl, v. a. reiuigen. —rose, mueltusroos. —seed, bisamkerrels. —iness Mundivagant (mus-div'e-gent), a. door de we(-1.near), s. musk u,geur. —y, a. artskusaehtig. reld zwervend. Mundungass (nittn•dun'gus), a, knief, stinkende Musket (mus'kit), a. musket, anaphaan. —ball, geweerkogel. —basket,echanskorf. —proof ,kogelvx ,.3. tabak. a. musketier, —shot, geweereehot. —eer Muneratry (injoe-ne're-rih), a. als een gemehenk. —oon (-oen'), a. moaketon. Municipal (mjoe-nis'i-pel), a. gemeentelijke, gemeente-, —ity (-pel'it-tilt), s. gerneente; gerneen- Muslin muz'lin), a. mousseline, neteldoek. —, a. s. grofneteldoek. —et (-eV), van neteldoek. tebestuur. Munilicen ce (injoe•niri-aens), a. milddadigheid. §fiasistillash (rnua'kwosj), a muskusrat, -bever. usrol (rnuz'rool), a. neusriem. —t, a. —tly, ad. milddadig. Muni ntent (mjoe"tri-ment), a. 'aterkte, vesting; Muss (muss), a, gegrabbel, wanorde. vent edigin g; oorkonde. —lion (-nisrun),s.sterkte, Mussel (m_us'sl), a. mussel. (mus"aul- men), s. Muselman. vesting; krijgsvoorraad; —bread, kommiesbrood. M 111.14 91 Mur age (atjoe'ridzi), a. muurgeld. —at, a. van Must (must), a. moat. —, v. a. doen besehimmelen; v. n. besebimmelen. eon' muur-; —crown. muurkroon. Murder (nter'dur), .s. sword. —, v. a, vermoorden. Must (must) [must], v. n, moeten. —er, a. moordesaar. —ess, s. rnoordenaarster. Mustach e (mus-taasji, —io (-i-o), a. knevel, —owl, a. —ously, ad. moorddaaig. Muse (ntjoer), a. muur. —, v. a. bemuren; (up) toe- § Mustang (mus'teng), a. wild paard. (rnueturd), a. mosterd. —pot, mosme tselen. terapot. —seed, mosterdsaad. ► uri ate (mjoe'ri-et), a. zoutzuur tout. —atic (-et'ill), a. zoutzuur be atttend; acid, zout•uur. Mustee (mus - tie'), a. treaties. —form, R. ateenachtig. —ne (-gin), a. muisaebtig; Muster (mus'tur), a. monstering; monsterrol; troop. to pass —, gemonsterd warden; goad doormuizen-. komen, geduld warden. --, v. a. monsteren; Murk ;murk'), duisternis. —y,a.dosker,somber. (up) verzamelen; v. n. zich versamelen. —book, Murmur (mur'mute, . gemurmel; gemor. —, v. n. —roll, monaterrol. —maater, k•ijga-kommissaris. tritirmelen; morren (at. against,. —er, s. morder. besehimmeldheid, —ing , s. gam°, —ingly, ad. marrend. -ass, a. Must Ines ;Iniveti - ness), s, mu fheid. —ily, ad. —y, a. besebimmed, mad, gemor verwekkm)d vunzig; log, loom. Murnived Itniteni-vel, ► , a. vier gelijke kaarten. a Mutat his mjoe'tibl), a. veranderlijk, oubesten— of aces, vier stun. —bleness, a. veran-bility Murrain (rauerin), s. veepeat. a — take you, de derlijkheid, onbestendigheid. — iron ( - tse'sJun), drommel host je. a. verandering. Murr e (flour'), s. alk, (snort van) pans. —ey ad. aprakelooa; zwijgend. —1y, (mjoet'), a. a. donke) rood. —ion (-jun), a. Zie Mor!on. —y- Mute —, a. stomme; figurant; atoms. letter; toon• bird, tie Murze. demper; drek (van vogels). drek loners Murth (murth), Ft. overvloed; ruim besehot (van (van 'vogels). —ness, a. sprakeloosbeid; stilgrain). zwitigen. Muscat del (mus'ke-del), —dine (-dajn), —t (-bet), Muttta to (mjoe'ti-leet), v. a. verminken. --tion —tel, H. muakadel (peer en druif;;muekaatwijn. klee'sjun), a. verminking. —/or, a. verminker. Muscle (mus's11, a. NPier , m... 1 Mutineer (mjoe-ti•nier 1, a. rnuiteling. Muscosity (rous - koett - tah), a. movsighead„ a. —ously, ad. opro Muscovado (mus-ko-vee'do), s. ongeraffineerde Martin, ous (mjoe'tt-nus), rig. 2-ousnese, a. oproerigheid. —y, s. muiterij; sulker. opstand. —y. v. n. molten. Muscul air (mus'kjoe-ler), a. gespierd; spier-. v. a. & n. gemompel. —arity (-ler'it-tih), a. gespierdbeid. —ous, a. Mutter (mut'tur), a. elaar; mormorape,len, grommen. —er, s. mOmp spieraehtig; gespierd. her. —zngly, ad. mompelend. Merge (njoez'), a. muse; gepeins, nAjmering. Mutton (mut'tn),s.sehaapAchapen , leeseb.. — chop , v. a. overpeinzen; v. n. to.- up.) Peinzen; seltapenrib. —fist, dikke. grove vuiat. head, dom ren. —ful, a, peinzeut, miimerend. —r, a. painter, hop. nitj m era fir.

Litecoin remains in a vulnerable technical position, with the cryptocurrency threatening a deeper decline if the $50.00 support level is broke. The LTCUSD pair is trading below the neckline of a head and shoulders, with the $36.00 level the medium-term target. LTCUSD bulls need to rally the pair above the $66.00 level to encourage traders to move back into...

notorious, evident. —Acid, T. being known, no toriousness, evidence. Ken nen, ov. w. to know, to be acquainted WO to understand; to acknowledge; to consult; to genes, to make known, to signify, to give to understand. —letter, characteristic letter. —stork, characteristic, mark. —merken, to characterize, to mark. —schets, draught, sketch —schet,en to make known, to delineate, to devote. —spreuil, device, motto. —teeken, dietinguiehing character, mark, token. —teekenen, to characterize. Kalklaqtr, ant. eonnoisaeur, judge, Wale. Kennis, v. knowledge, notice. cognizance, information; acquaintance. buiten senseless. dragen van, to have knowledge of. — genes van, to give notice of, to communteate„ to advise of, to let know, to inform of. —geving, information. —making, getting acquainted. —coming, taking cognizance Kencler, v. Zee Kenner. Reactor en, on. w. to turn, to cant; to shift. —hook, cant-hook. —ing, v. turning, cant. Koper, v. twilling; chevron; beam. op de — besekottied, well-considered. —en, ov. w, to twill. Keret, rn. fellow. Karen, ov. w. to sweep (out). Kesirf,v notch. —bank, cutting-hanie. —bl, handhatchet —mei, cutting-knife. —atok, tally ; op den — hales, to buy upon tick; op den — xetten, to Bettye up. —ster, a. Zie Kerner. Kerk, v. church, temple ; divine service; congregation; sect, de strijdende —, the church militant. —ban, excommunication. --bank, pew, sten. —heeld, taunts iu a church. —belofte, religious vow. —beslutt, e,cleciaetical decree, church-ism. —bestow., church-government. —bewaarder, sac?fistfl. —bosh, church-book, prayer-book, parishegister. —bijbel, church-bible. —dag, church-day, holy-day. —deur, church-door. —diet, —roarer, church-robber. —dienst, divine service. —dieverU, —roof, church robbing, sacrilege. —Ong, going to church; cbuiching; x;jn—doen, to be churched. —ganger, —gangster, church• goer. —gebaar., ceremony. —gebed, common prayer. —gebied, Cote.. —gebod, ordinance of the church; ban (of marriage). —gebruik, rite, ceremony of the church. —genootoehap, community, church. —geschiedenil, ecclesiastical history. —gewelf, church-vault --gewijde s parson. —gezeg, ecclesiastical oaths Hy. —gezring, singing at church; spiritual song, canticle, hymn. —good, ecclesiastical property, fabric, church-land; sacred veseels. heer,—voogd, prelate. —liervormer. reformer. —hemming, reformation. —hof, church-yard ; —sbloessen, grey hair.. —fear, ecclesiastical year. —klok, churehclock ; church-bell. —broom, chandelier. —leer, doctrine of the church. —Ulmer, clergyman, minister, parson. —lied, canticle, hymn. —master, church-warden. —twig, wake. —*wide, churchmusic. —pilaar, pillar of the church. —poriaal, church porch. —regel, ritual, liturgy. —schender, macrileg let —schender47., —.chains', sacrilege. —sieread, church-ornament, —IOW, ecclesiastical style. —stoel, folding-chair ; stall, seat. —straf, ecclesiastical punishment. —tijd, church-time. —toren, (church-) ;steeple. —tueht, church-died-
diepgang; meat —, v. a. verpanden; meten (eels rehip). Gaggle (geg'g1), v. n. snateren. Gain (geeu'), a. —ly, ad. i handig. —, a. wine, voordeel; keep. —, v. a. winnen; verkrtjgen, bereiken. (into) overhalen tot. (over) overhalen. —, v. n. rijk worden; vooruitgaan. (on. upon) winnen op, invloed krijgen op. —er, a. winner, verwerver. —ful, a. —fully, ad. winstgeveud, —leas, a. onvoordeelig. Gainsay (geen'aee) [ire.], v. a. tegenspreken; ontkennen. —er, a. tegenspreker. Gainstand (geen'atend) [irr.], v. a. wederstaan. Gabel's!, (geeetsj), a. —ly, ad. zwierig, opzicht1g; buitensporig; uitgelaten. —ness, a. zwierigheid; uitgelatenheid. Gait ((eat'), a. gang, tred. heavy—ed, eete zwaren gang hebbend.eow —ed, ten' langzamen gang hebbend. Gaiters (gee turz), a. slopkousen. liallteritiite ige lek'te.11), y. melkmteen.

Hoe begin ik met cryptogeld uitwisseling


tiA14.—HA1'. Loog. — breadth, handbreedte. —cloth, zakdoek. —cuff, a. handboei; v. a. boeien. —fast, hechtenue. —fetter , handboei. handvol. —gallop, handgallop,driesslag. —gearing, atuurtoestel (aan locomotieven). —glass, glazen klok. —grenade, haedgranaat. —gun, geweer. —kerchief, zie beneden. —language, vingerspraak. —loom, handweefgetouw. dienatmaagd; kamenier. handmolen. —rail, belie, lettering. —sails, kleine zeilen. —saw, handzaag. --screw, handechroef; domtnekracht. —seizing, bovenbindael. —spike, handapaak, knevel. —staff, werpapiea. —stroke, handalag. —tiller, roerpen, —vice, handschroef. --weapon, handwapen. —woman, vroedvrouw. —work, handenarbeid. —writing, achrift, schrijfhand. Mandl craft (hend'i-kraaft), a. handwerk. —crafts-man, haudwerks-, ambachtsman. —ly, ad. handig. —ness, a. handigheid. —work, hendenarbeid, -werk. Handkerchief (heng'kur-tsjif). s. dock; zakdock; halsdoek. pocket—, zakdoek. Handle (hen'd1), s. handvateel,• steel; hengel, hengsel; zwengel; gevest; hecht; aanleidinpa voorwendsel. —, v. a. bevoelen, betasteu; hanteeren; behandelen. Handless (hend'less), a. zonder handen. Handsel (hen's11), a. eerate gebruik; haudgift. —, v. a. voor de eerate maal gebruiken; handgift geven. Handsome (hen'sum), a. —1y, ad. fraai, lief, sierAjk; hupsch; geriefelijk; grootmoedig. a. fraaiheid; sierlijkheid; hupschLeid;kieschheid. Handy (hen'dih), a. handig; knap. —blow, slag met de hand. —dandy, handjesspel. —gripe, greep met de hand, aanpakking. —stroke, slag met de hand. Hang (heng') [Mote]. v. a. opbangen; behangen; neerlaten. (down) laten hangen. (out) uithangen. (up) ophaagen; verschuiven. —, v. n. hangen, zweven; afhangen (back) dreier, (en) zich hechlarge —, text — (round —), small —, running —, ten ann.; afhangen van. (on, upon) aanhangen; groot, middelsoort (staand), klein, loopend schrift. with — and heart, met hart en ziel. of tot last zijn. (to) aanhangen. —dog, galgebrok. —man, beul. —nail, groote nijdnagel. —by, a. quick —s, handig. to be — rand glove. twee Minden op edit' buik zijn. all —a high! overall at afhangeling. —er, a. hanger; hengsel, hank, hartsur-ore), a. afhangeling; tafelvanger. —er-on, Ano —, in geen geval. at the —s of, van wege; van den kant van. near at —, aanstaande. by —, vat achuimer. de hand. by the —, of, door tueschenkomat van. Hanging (heng'ieng), a. hangend; de galg verdionend. s. ophangtng; behangeel. —room, van de from — to mouth, gelijk op. even —a, droogkamer. haul in den tend. to go — in —, met gemeen overleg to werk gaan. now in —, onder handen, Hank (hengk), a. streng garen; strik, kuoop; in de maak. to fall in —s with, beginnen. money invloed; maatband; stagring. —, v. n. tot stren• in —, geld in handen; content. to take in —, gen maken. hunkeren, sueginnen, onder handen nemen. off onvoor- Hanker (hengk'ur). v. n. (after, for) sterk verlangen near. —ing, a. gehunker, aterk bereid; van de hand. out of —, op etaande vast. verlangen. money out of —. betaald geld. — to —, man tegen lianseatIc (hen-ei-et'ik), a. hanzeatisch. —body, man. — over head, hats over kop. hanzevetbond, (de) Haim. Hand )head'), v. a. overhandigen, aanreiken; hanteeren; geleiden; beelaan (een zeil). — (about) Ilanse.town (heria'teauu), a. hanzestad. Hansom (ben'sum), a. 'wort van huurrkitnig. inpalmen; (in) rondgeven. (down) overleveren. hrengen (helpen) in. (out) uitleidei. (over) over- Hap (hep'), a, toeval; tref,geluk. —hazard thez'urdl, a. bloot toeval. —less, a. onge1ukkig. —/y, ad. reiken, overerengen. a. hand aan band; misschten, mogelljk. met handen. —er, a. overhandiger, overbrenger. Hand (hend') [in samenst.] —barrow, berrie. Happen (hep'pn.), v. n. gebeuren, voolvallen. (upon) aantreffen. —bill, —basket, hentelmand. —bell. tafelschel. hit jet, ktffiche handbook. —bow, hand- llapp mesa (hep'pi-uese), a. geluk; gelukzallg130
Coinbase has lost my money twice now. Once was due to an old account that, thanks to a bug in their verification process, I cannot re-authenticate. I bought 1 bitcoin back when they were only about $50 each with Coinbase. That money is gone forever now. And I acknowledge that it’s my fault that I did not set up a forwarding email with Coinbase, their support just refused to help. The second time was a month ago. I made a trade on Coinbase, and for some reason, the app glitched to think I have 5x more money than I actually… Read more »

Heeft Coinbase gebruiken Blockchain


WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Betaalt u belasting over Bitcoin winst


Mettle (met't1), s. woad, yaw:, 13vendiglield; etof. Messieurs (meaj'urz), p1. (de) ',waren. —d, —some, R. —somely, ad. moedig, vurig, Messuage (mea'swidzj). e. hula en erve. ijverig. 10∎estizo (mes.trzo), s. Mestiee. zij pasMew (injoe), e. kooi; omheining; meenw. —, v. a. Met (met), part. ontmoet. they are well —, sen goed bij elkander. I op-, insluiten; v. it. ruien; mauwen. —s (mjoez) Meta halls (me.teb'e-eie), a. overgang. —carpus pi yaardenatallen, stoeterti. (met- e-kaar'pue), s. middelhand. —chrontsm (-telt - Mewl (mjeel'), v. n. jankeu, grimmen. — er, a. grimmer, echreeuwer. ro-nizm), s. laterstelling( van datum of j aartal). Mezzotint° ;met-zo-tin'to), s. zwarte kunst. Meinge (mPtidzj), 5. (kolen-) meting; meetloon. Metal (metql), s. *etaal. —lie (me- telnik), a. Minaret (marezin), s. echadeltrte uitdamping. —atic met'ik), a. verpestend. metaal-; metalen; metaalachtig. (-lif'ur-us), a. metaal voortbrengend. —line (-lain), Mica (marke), s. glimmer, mica. —ceous (-kee'sjus), a. glirnmerachtig. a. metalen; metaalaehtig. —list, a. metaalwerker. a. metaalbeschrijving. Mice (mrja), pl. wuizen. —lography —harpist (me-tellur-dejist), a. bergwerkkundige. Michaelmas (mik'eI-mes). a. St. Michiel. llllckle (mik'kl). a. veal. bergwerkkunde. —lurgy Metalep els (met-e-lep'slii, a. neamverwiseeling. Micro 008M (maykro-kozm), a. wereld in bet klein; naensch. —meter (-krom'i-tur), s. vverktuig —tic, a. omgezet. —heal y (-tik1-1111), ad. oor tot het meten van kleineruimten. —scope (-akooik), naamverwieseling. a. mikrosko,p. —acopic,—seopical, a. --scop;catly, Metamorphos m (met-e-mor'foos), v. a. v ervorad. (-skoplit-), van (met) bet mikroskoop. men (into), van gedaante doen v lranderen. —is, a. Mid (mid'), a. middeu, micidelat; middelbaar. —age, gednanteverwiseeling. middelbare leeftijd; lieden van middelbaren beefMetaphor (met'-e.littr),s. overdrachtelijke spreek—course, halfweg. —day, a. middag; a. van tijd. ad. (-forik.), over—ical, a. —acally, wijze. —ic, den middag. —heaven, middelhemel. —land, a. draehtelijk, beeldaprakig. binuen in het land, tniddellandsch. --leg, midMetaphres e (met - e-frets), a. letter/Ake vertadeq van het been. —lent., haltvasten. —night, a. ling. —tic (-fres'tik), a. letterlijk, woordelijk. middernacht; a. middernachteltjk. —rib, mnidelMetaphysic (met-e-fleik), —al.. a. —ally, ad. rib (in een bled). —riff, middelrif. —sea, midboventiatuurkundig. —ian (-fi-zisj'en), a. bovendellandsche zee. —ship, midde sichip. —ship-beam, natuurkundige. -a, a. bovennatuurkunde. zeilbalk. —ship- frame, groot spent. —shipman, Metaplasni (raet'e-plezm), a. letterverelastaing. adelboret, vlaggejonker. —strips, a. midscheeps„ Metastasis (me-teete.sts), s. ziekteverplaateing. —stream, midden van den stroom. —summer, zuMetatarsus (rnet-e-taar'sus), a. middelvoet. merzonneetand. —summer-day, St. J ansdag. —way, Metathesis (rat-teth'i-sis), a. letterverplaatsing. a. halfweg; a. in hat midden gelegen; ad. hal—wand, meat—stick, Mete (miet'),s. meat; pens. verwege. —wife, vroedvrouw. —wifery, a. vroedstoic —. v. a. meten, afpassen. kunde. —winter, winterzonneatand. Metempsychosis (ine-temp•si-ko s sis) , a. zielsMiddle (mid'd1), a. middea. —, a. midden, midverheizing. delet; middelbaar. —aged, van middelbaren beefMeteor (mrti-ur),s.luchtverschijneel.—ic (-or'ik), tijd. —ages, middeleeuwen. —man, tueschenpera. van lechtverechtnselen; helder; kortstondig. soon. —sired, van niiddelbare grootte. —most, a. —elite (-or'o-/ajt), a. inehtsteen. —oligical middelet. (•er-o-lod'zjikl),s.. van luchtverschijnaelen; weer. Middling (mid'inieng), a. —ly, ad. middelniakundig. Meteorolog ist(mi-ti-o-rol'ud-zjist),Fs.weerkun - tig, tamelijk. Midi le (midzj), a. mug. dige, —y, a. beasts ran den dampkring; weerkunde. midMeteornseope (mi-ti-or'o-skoop), a. afstands- Mkt moat (mid'moost); a. middelst. —at, a. de.lst; a. midden; prp. to midden van. —ward meter ( , 00r hemellichamen). (-word), a. midden-; ad. in bet midden. Meter (miet'ur), a. meter. Mien (mien), a. voorkomen, utteritjk; blik. Metheglin (me-theglin), s. mede (drank). Miff (mif'), a. kwade luim, misnoegdheid. —, Methinks (mi-thinks'), v. i. anti duukt. v. a. kwetaen, kreuken. —y, a. gemelijk. Method (meth'ud), a. wijze, leerwijze, orde. —ac, Might (malt'), a. rnacht, gezag, kraeht. with — —ical, a. —ically, ad. (me.thod'ik-), etelaelmatig, (-i-need, a. machand main, met elle maeht. gele'deltik. —ism, a, leer der Methodisten. —ist, ad. y, a. machtig, var. tigheid; hoogheid. s. Methodist. —ire (-ajz), v. a. stelselmatig inmogend; voortreffelijk; gewichtig. —y, ad. zee, richten; rangschikken. Migniard (rniniurd), a. 'Lie Miniard. ltilethought (mi-thaoti„ v. i. mij dacht. Meton Jc (me-ton'lk), a. van den maateirkel. Mignonette (min-Jo-net"), s. reseda. —lion —ymicat (met-o-nim'ikl), a. beeldsprakig. —ynty Migra to (maygreet), v. n. verhuizen. (-gree'ejun), a. verhuizing. —tory (-gre-tur-rih), a, (-im-in1h), a. woordverwiseeling. Metop e (met'o-pit), a. tuseehendiepte. —oscOPY verhuizend• zwervend. Mich (miltej), a. meikgevend. (-poi'ko-pih), a. gelaatkunde. a. —/y, ad. zacht; zachtzinnige, Metr a (mi'tur), a. voet ► aat, metrum. —ical, a. Mild (reajld"), toegevend. —noes, e. zachtbeid; zachtaardig. —ically, ad. (meerikl-), in dichtmaat. Metropoll s (me-trop'o-lie), a, hoofdetad. —tan held. v. a. met hoofdstad betreffend; Mildew (mil•djoe), a. bonigdauw. (met-ro-pori-ten), a. Bert bie.abar. hnnivi.11, besmetten• aartsbisechoppelijk; s.
KUM, Kommles, m, custom-shiver, excise-man. -brood, soldier 's bread, munition-bread. Konspes, o. compass. reettttebteed -, corrected compass. siatetittend -, dipping compass. -beegel, gimbal. -demi, compass-box. -huisje, binnacle. -lamp, compass-lamp. -maker, compassmaker. -tumid, compass needle. -roes. compasscard. -atreek, point of the compass. Kompiot, o. plot, conspiracy. Komst, v. coming, arrival; accession. Kond. Sc. known. - does, to make known. ten tegelifk sij -, be it known to every one, ilLeendschnp, v. inform aeon. notice, intelligence. op - uitgaan, to reconnoitre. -pen, ov. w. to inform (to advise) of. -per, m. messenger, Informer; spy. Koniljt, o. confect, eomfit, preserves, sweetmeat. -en, ov. w. to confect, to comfit, to preserve. gekettfijt in, thoroughly versed in. -tag, v. preserving. Kougsrael, m. conger-eel. rabbit, cony. -erel, rabbit 's skin -anberg,-enboach,-experk, rabbit-warren. --enbob. cony-house. -enkel. cony-burrow. -enjuret, rabbit-hunting. -enkruid, sow-thistle. -enpastei, rabbit-pie. Keening, in. king; regulus, -sarend, royal eagle. -sblasta, king 's blue. ---abrood, fine breal. -8doehter, king 'a daughter. -sgeel, royal yellow, -veiled, royalist. -ogeoinde, royalist. -agetrindkeid, royalism. -shof, royal court. -skean, torch-weed -skied, royal child. -Alm., purple. --skroon royal crown, disdain. -smoord, -moorder, regicide. -sstaf, royal sceptre. -etroon, royal throne. -water, aqua regia. -stew, king 'a evil. -szoon, son of the king. -in, v. queen -sekap, o. royalty. Konink is, o. petty king ; wren. -lijk, bv. & o. kingdom. bw. royal ( ly). Konkel, tn. box on the ear. -, v. coffee-pot; distaff, slut, hussy, gossip; rag, tatter. -beet, intriguing plot. -hula, house where go,sipa meet. -meet, tie Konkeinarster. -pot, coffee-pot. -tar, in. plotter, intriguer. -aarster, v. slut, hussy, kosalp. -arij, v. plotting, gossiping. -en, on. w. to plot, to intrigue, to gossip. Konsta ► el, m. gunner. ---skamer, gunner 'a room. -smaat, gunner 's mate. Kont, v. arse; cotquean. Konterfeit en, ov. w. to counterfeit, to portray. -set, o. counterfeit, portrait. Koaavool, o. convoy. -en en liresten, export and Import-duties, custom-house-dues. -ceet,cocket. ship- broker. -sektp, convoy eshlp Konnenielje, v. cochineal. Kohl, v. fold, pen; cage; hammock, berth, bed ; coin, quoin. -tend, decoy-duck. -man, master of a decoy. -en, ov. w. to cage, to fold, to pen (up); to lire in coucubinage; to coin, to quoin. Kook, v. boiling. can de -, boiling. van de -, having ceased boiling; indisposed. -beek, cook. cry-book. -forests, cooking stove., furnace. -gereedsckap, kitchen-furniture. -bob, cooking-hut, -shed. -huts, cooking-house, kitchen. -hetet, boiler. -Cutlet, art of cookery, culinary art.
Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen.
KL1•—KLU. Kling, v. blade; sword. veer de — eisehen, to challenge. °verde — japan, to put to the sword. Kliegsl es t on. w. to tinkle, to ring. --bail, pane With ti bell. K ingest, v. inv. barren downs. Klink, tn. blow. slap. —, v. latch; cloak; rent; rivet. —deur, wicket. Klink en, or. w. to rivet; to settle. —bout, —angel, rivet, clinch•bolt. --homer, rivetinghammer. 4.-ilser, riveting-iron. —week, clincherwork. Klink en, on. w. to sound, to resound, to ring, to tinkle, to clink; to ;touch glnovea. —dieht, sonnet. —Maar, mere, pure. —latter, vowel. —end, be. sounding, resounding; —0 must, hard cash. —er, in. sounder; vowel; trick. Klimket,o. wicket, wicket-door. Kill), v. rock, cliff, crag; difficulty. —, ',irking rock. —geit, wild goat, chamois. —adsfig, hr. rocky, riffy. slipper, m. clipper. KIAppertend en. on. w. Zie Klappertnnden. Kilppig, be. rocky, riffy. tills, v. bur; entangled knot. —klas,(a'kind of) lace. —kraid, burdock. —son, on. w. to be entangled. Klisteer, v. clyeter. —der, m. —.ter, v. one that Oyster.. —en,ov. w. to administer s clyster to; on. w. to clyeterize. —spult, syringe, elyster- pump. Killt.y.Zie Kilts, v. bitch, prostitu► e. —, taw. Zit, K Monk, be. & bw. clever (-Iy), able, ably, sagacious; brave (-1y), valiant (-1y): stout. —liartie, —meedig, be. bw. brave (-1y), courage°. 1-4), valiant (-1y). —hartigkeid, —moedigheid, bravery, courageousness, valor. —o*onig, be. & low. ingenious (-ly), sagacious (-ly). —xinnigkeid, ingeniousness. sagacity. —aard,m. clever (brave) person. —Reid, v. cleverness; bravery, valor; bigness,stoutness. Kloen,o. Zie Kinw(sn. IiitAei, m. boat hook, pole; booby, clumsy fallow. --en, ov. w. to push on (with a pole). —etok, xie Kioet. —er, m. one that pushes on a boat with a pole. Wok, m. draught. —, v. clock, bell; cup, bowl; helm (of an alembic); clucking-hen. —gelol, bell-ringing. —deter, bell-founder. —detail, bell-foundery. —homer, jack. —nixie, belfry; rare. —luider, hell-ringer. —slag, stroke of the clock; met — van ceases, when the clock strikes six, et six o'clock precisely. —spijs, bell-metal; nice eating, favorite dish. —dereep, bell-rope, bellpull. —kendoop, benediction of a bell. —kenmaker, clock maker.—kenepef, chime, carrillon,bellm. —kenspeler, chimer. —kextoren, steeple, belfry. —je, o. little clock, — bell; bell-flower. Kiok ken. on. w. to clock, to gaggle, to gurgle. —ken, clucking-hen. Klokkenist, rn. chimer. Klonsinaerr, no. fib, story, sham. m• lump; clog; wooden shoe. —oak, drubbing, blows. —.matter, maker of wooden shoes. —achtig, bv.. clotted. Klongel, v. —ex, on. w. Zie Mongol, —es. Kiont, v. clod, lump, knob. Kionter„ m. clot. —achtig, —ig, by. olotty,

cryptogeld debit card


drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-
a. (het) luchten. —less, a. bedompt. —ling, s. —ion (-neesjun), s. afstamming in de inanne- windbuil. —pump, luchtpomp. —threads, herfstlijke lijn. Agnorn en (eg-no'men), a. bijnaam. —inate draden. —tight, luchtdicht. —y, a. luchtig; (-nom'i-need, v. a. sere bijnaam geven. —ination dartel. Aisle (0), a. vleugel, koorgang. (nom-i-nee'sjun), a. bijnaam, zinspeling. Agnua-eastus (eg'nus-kes'tus), a. kuischboom, Alt (set ), a. eilandje. Ajar (e-dzjaar',, ad. op een' kier. Ago le-go'), ad. geleden. Agog (e-gog',., a. vurig begeerend. to set —, be- Ajutage (ed'zjoe•tidzj), a. verlengpijp. Akimbo (e-kim'bo), ad. gekromd. with arms —, lust waken ( for. onl• met de handen in de zijde. Agoing (e-go'ieng), ad. in gong. Agonis to (et'o nizm), a. prijsgevecht. —t, s. Akin (e-kin'), a. vermaagschapt., verwant. Alabaster (cal-e-baatetur), a. albast. —, a. van prijsvechter. Agon ice (eg'o-najz), v. n. zieltogen; doodsangst albast. uitstaan. v. a. folteren. —y (-nih), s. dood- Atari( (e lek'), int. helaas ! ach I —a-day, int. o wee I o jerum! strijd; zieleangst. Alacrity (e-lek , rit-tih, s. opgeruimdheid, vrooAgouti (e goed'), ad. in ernst. lijkheid. Agrarian le-gree'ri-en), R. —law, akkerwet. Alamode (el-e-mood"), ad. naar de mode. —. s. Agree (e-grie'), v. a. vereffenen; verzoenen. v. n. overeenstemmen (with), (on. upon) eena zijn sonrt van tar. over. (with) lijken, peas.. (to) toestemmen in. Aland (e-lend'), ad. aan land. —able, a. —ably, ad, aangenaam; overeenkom- Alarna ( e-laarm'), a. rumoer; noodkreet; wapenatig (to. with.) —ableness, s. aangenaamheid; over- kreet; achrik ; wekker. —, v. a. to wapen roepen; eenkomstigheid. —d, a. overeengekomen; int. verontrusten. —ed. a. (at) ongerust over. —ing, top! afgesproken! dot blijft zoo! —sent, 8. over- a. verontrustend. —bell, alarmklok. —post, loopeenstemming; overeenkomst; schikking, verge- pleats. lijk. Alas ( e lame), int. helaas! Agrestic (e-gres'tik), —al, a.landelijk, boersch. Alb (elb), a. koorkleed. —atrosa (erbe-tros), s. Agricult or (eeri-kul-tur), s. landbouwer, —ural stormvogel. (-kuPtjoe-rel), a. den landbouw I etreffend. —era § Albany-beef (erbe-nih-bief), a. steer. (-kul-tjoer), a. landbouw; iandbouwkunde. —urist Albeit (aol-bi'it), ad. alhoewel. Albeocent (el-bes'sent), a. wit wordend. (-kurtjoe-rist), s. landbouwkundige. Albino (el-barno), a. witte neger. Agrimony (eg'ri-mun-nih), a. leverkruid. Albugo (el-bjoe'go), s. witte steer. Agronomy (e-gron'o-mih), a. akkerbouw. Agronnd e-granund'), ad. Ran den grond, ge- Alchem ical (el-kem'ikl) a. alchymistisch. —ist strand. to run —, non den grond rakes. to run a (erki-mist), 8. goudmaker. —y (ellki-mih), a. ship —, in den grond zeilen; op het droge zet- goudmakenj. Alcohol (el-ko-hol), a. alkohol. ten. to be —, in de them zijn; bedorven zijn. heete koorts. Aicoran (el'ko-ren), 8, (de) Koran. Ague (ee'gjoe), 8. koorts. burring Alcove (el-koov'), a. alkove. —jit, aanval van koorts. Aguise (e.ghajs'), a. bleeding. Alder (aol'dur), a. els. —man, a. schepen. —n, a. van elzenhout. Aguish' (ee'gjoe-isj , , a. koortsig. —new, a. koorts- achttgheid. Ale (eel), a. ,engelsch bier. —berry, biersoep. —conner, —taster, bierkeurder. —hoof, aardvell, 4 Agy (eg'ih), a. koude koorts. —house, bierhuis. —stake, uithangbord. —wife, Ah (aa), int. ach I ha I —me, orb he ) tapster; § elft. Ahead (e-hed"), ad. vooraan, hale over kop. Alee (e-lie'i, ad. aan lij. Ahold (e-hoold'), ad. dicht bij den wind. Ahoy (e-hof), int. heiho I all hands —, alle man Alembic (e-lem'bik), s. distilleerkolf. Alength (e-length), ad. overhangs. op dek. Alert #e-lurt'), a. wakker, slug. —new, a. wairAbull (e hul'), ad. soar top en take). Aid (eed), v. R. helpen, ondersteunen. a. hulp, kerheid, vlugheid. bijstand; onderstand; helper. —de-camp, adju- Alexandrine (el.egv.-aan'drin), a. twaalfletterdant. —er, a. helper. —less, a. hulpeloos. —s, a grepig vers. in- en uitgaande rechten en accijnsen. court of Algebra terdzji-bre), s, stelkunst. Algebra Ic (el-dzji-bree'ik), —ical (-11c1), a. stelaids, accij nsk.ntoor. Alguemarine (ee'gjoe-me-rien), a. berilsteen. kunstig. —ist, a. atelkundige. all (eel,, v. R. deren, pijn veroorzaken; v. n. pijn Aig or (e!'gor), a. hevige koude. —ous, a. vol hebben; onpasselijk zijn —ing,a.ziekelijk,—meat, zeewier. s. onpasselijkheid; smart. Alias (ee'li-eat, ad. anders gezegd. Aim (eem), 8. doelwit; oogmcrk. —, v, a, rich:ten; Alibi (el'i-baj), a. tegenwoordtgheid elders. Allen (eel-j en), a. vreemd,—.s. vreemdeling.—office, v. n. (at) mikken, doelen op. Air leer), a. lucht, hunting; lied. to take the —, paapoortenbureau. —able, a. vervreemdbaar, een luchtje acheppen. to take airs, zich aanzien —ate (-eet), v. a. (from) vervreemden. -ate (-et), geven. —, v. a. luchten. —balloon, luehtbol. a. (from) vervreemd van. § —age, a. vreemdheid, —built-castles, luchtkasteelen. —current, lucht- vreemdelingschap. —anon (-ee'sjun), a. vervreemstreom, —gun, windroer. —hole, luchtgat. —i/y, ding; — of mind, verstandeverbkistering. a, luehtig, vroolijk. —iness, a, luchtigheid. —ing, Allform (eri-form), a. vleugelvormtg.

Wat is het doel van Binance munt


n. beven, sidderen, trillen (with). —r, s. boyar, sidderaar; kwaker. a. leer der kwakers. Qualif labia (kwol'i-fej ibl), a. vatbear voor wijsiging. —ication (-if-i-kee'sjun), s. bevoegdheld; bevoegdmakiny; benoeming; wljziging, beperking; eigensehap. —fed (-fajd) a. bevoegd, gesahikt (for); gewijagd, beperkt. —ier, a. bevoegdmaker, ijziger. —y (-faj), v. a. gesehitt (bevoegd) maken (for); benoemen; wijzigeu, beperken, matigen. Quality a. hoedanigheid; aard, inborst; snort; amnion, rang. Qualm (kwaare., kwaom'), s. misselijkheid. —isk, a. mieselijk. —iohness, a. mieeeltjtheid. Quaudary (k won- dee'rihi, e.twijfelivet legenheid. Quantlt Mice (kwon'ti-te-tiv), —ire, a. voleens de hoeveelheid te echatten. —y, s. heeveelheld; menigte.; grootte; lengte. Quantum (kwon'tum), a. hoeveelheid; bedrag. Quarantine (kwor-en-tien), a. quarantaino. —, v. a. aan quarantaine onderworpen. Quarrel (kwor'r11), a. twist, krakeel; diamant; glasruit. —picker, twistzoeker. —, v. n. twiaten, krakeelen (about, for). —ler, a. twister. —lout —some, a. twietziek. —sameness, s. twistzucht. Quarry (kwor'rih), s. steengroeve; aan, grout; vierkant, cult. —man, steengraver. —stone, ruwe steep. —, v. a. uitgraven, opdelven. Quart (kwaort'g, a. vierendeel, kwart; vierde; kwartier. —an (-en), a. derdendaagseh. —at ion (-tee'sjun), a. vierendeeling. Quarter (lzwaur'tur), a. vierdeUel, vierendeel; vierde; kwartier; kwartaal; gewest, streak, wijk; veld• legerplaats; verbitjf, lijfsgenade; hieletuk; wlndvering. on the balketagswijze. —of mutton, sebapebont. —badge, valeehe Ejgalern. —bill, geschutrol. —cloth, achanskleed. —day, eerste dag van elk kwartaal; betaaidag, —deck, halfdek. —gallery, zijgallerij. —gaskets, pl. beelagseizingen. —gunner, konstabelsmaat. —ladder, stormladder. —lantern, bnieliehter. —master, kwartiermeester; schietnan, —netting, vinkenet van het achterdek. —piece, hieletuk;etaatshout. —rails, pl. regelingen der versehansing van het halidek. —ranger, beschwachter. —round, kwarttekeliog. —cessions, driemaandestet. ltjksebe reehtszitting. —staff, vechtknuppei. —tackle, handtalie. —wage, vierendeeljutrahuur. —wind, bakstagswind. Quarter (kwaor'tur), v. a. vierendeelen; intwartieren; voeren (in het wapen); v. n. in kwartier liggen; verblijf houden. —age, s. kwartaalgeld. —ing, a. viezendeeling; inkwartiering. —ly, a. driemaandelijksch; ad. driemaandelijks; s. driemaandeltjkseh tijdsehrift. Quart ern (kwaoeturn), a. kwert pint. —et
On 30 May, 2018, the European Commission adopted its proposal for the next Erasmus programme, with a doubling of the budget to 30 billion euros for the period 2021-2027.[14] Further negotiations were expected to take place during the 2019-2024 European parliamentary term with the European Parliament and the European Council before the final programme is adopted.[15]
N. Nab neb), v. a. betrappen, anappen. Nabob (nee'bob), a. nabob, rijkaard. Nacker (nek'ur), a. parelmoer; zadelmaker. Nacre (nee'kur), a. parelmoer. —one (-kri-us), a. parelmoeraehtig. adir (nee'dir), a. nadir, voetpunt. Naltlf(nefi,s. gekuifde duiker. Nag (neg), a. hit, paardje; minnaar. Naiad (nee'jed), a. waternimf. Nail (neer), a. nagel; blauw; spij ker; meat van 2 1 /4 inches. (down) on the —, content, met gereed geld. —brush, nagelachuier. —mould, spijkervorm. —nippers, nijptang. —smith, spijkermaker. —, v. a. epijkeren; vernagelen; beslaan; (up) dichtepij keren s. spijkeraar; apjjkermaker. —cry, s. spijkerfabriek. Naked (neek'id ► , a. —ly, ad. naakt, bloot; keel; weerlooa. —ness, a. naaktheid. Namby-pamby (nesn'bi-pem-bi), a. gemaakt, eentimenteel. Name (neem'), s. DRAM; goede naam. to call — 4, niteeheiden. —, v. a. noemen; benoemen. a. naamlooa; onbenoemd; onuiteprekelijk. —/y, ad. namelijle: —side (-seek), a. naamgenoot. Nankeen (nen-kien'), e. nankin. Nap (nep), a. dutje; alaapje; nop; done; knobbel. —, v. n. dutten, sea uiltje knappen. Noose (neap), a. nek; nekbeen. Napery (nee'pur-111), e. tafellinnen. Naphtha (nep'the), a. naftha, steenolle. Napiform (ne'pi-form), a. klokvormig, Nap kin (nep'kin), s. aervet. —less, a. ongenopt; kaalgesleten. —pines* (-pi-ness), a. nopptgheid; slaperigheid. —py, a. noppig, woltig; achuimend, sterk; alaperig. —taking (-tee•kierig), a. overrompeling.

Zal crypto ooit herstellen in 2019

×