Ostrich (os'tritsj), a. struisvogel. —egg, straits!. 0 utda re (-deer'), v. a. trotseeren. —feather, struieveder. Outdate (-deeti), v. a. in onbruik brengen. Otacoustie (ot-e-kausqlk), s. oar-, klankboren. Outdo (-doe') [hr.], v. a. overtreffen, Otal gift (o-terdsji-e), —gy dzjih), s. oorpijn. Outdoer (-doe'ur), s. overtreffer. —gic (-dzjik), s. middel tegen oor ptjn. Outdoor (-door), a. uithuizig. —e (doors.), ad. buitenshuts. Other (uth'ur), a. & pr. ander. each —, elkander. the — day, mileage. every — day, om den anderen O•tdrink (-drink') [irr.], v. a. in het drin!ien dag. some body or —, de eea of de andere. —gates overtreffen. (-dwell'), v. a. lenge? bltjven dan. (-geets), ad. op eene andere wijze. —guess (-gees), Outd —guise (-gajz), ad. van eon' anderen aard. —where Ouster (aut'ur), a. buiten. — court, bultenhof. —1y, ad. aan den buitenkant. — moat, a. uiterste. ( eer), ad. elders. —while (-wajl), sad. op een' anderen tijd. —wise (-wajz), ad. enders, enders- Outface (-fees'), a. a. trotseerers; verlegen maken. zins. Outlet!, s. uitwatering, Boot. Otter (oVturr, oak Attar en Otto, a. essence, ro- Outfawn (-fame), v. a. beter pluimatrtken dan. zenolie. Outfit, s. uitrusting. Otter (ot'tur), a. otter. —dog, otterhond. —hun- Outflank (-flenk'), v. a. overvleugelen. ting, otterjacht. —pike, pieterman (visch). Outfly (-flar) [irr.], v. a. voorbij vliegen; overs. Ottoman, treffen. Ottoman (ot'to-men), a. turksch. Outfool (-fool'), v. a. in dwaasbeid overtreffen. Turk; rustbank, sofa. Ought (sot), B. iota. for — Iknow, zoover ik meet. Outfrowu (-fraaun'), v. a. afschrikken. for — I see, zoover 1k zie. —, v. n. moeten, be- Outgate, a. buttenpoort, uitgang. Outgeneral (- dzjen'ur-e1), v. a. in krijgsbeleid hooren. overtreffen. Ounce (aauns), a. one; touch, lynx. Our (aur), pr. ons, onze, onzen. —s (oure); pr. (het) Outgive (-giv') [I rr], v. a. meer geven day. —.elf Outgo (-go') [irr], v. a. smeller (verder) gaan onus; a friend of —, can onzer vrienden. dan; voorbijstreven; misieiden. (self'), —selves (-solve ► , pr. wij (one) zelven. Outgoing, s. uitgang. —8, pl. uttgaven. Ousel (oe'21), a. meerl. Oust (aust'), v. a. uitstooten, verdrijven; berooven. Outgrow (- gro') [irr], v. a. ontgroeien; boven bet hoofd groeien. —er,s. ultatooting, verdrkjving. Out (aut), ad. A pr. uit; buiten; afwezig; weg; op, Outguard, s. voorpost; buttenpost. verbruikt, ontbrekend; uttgeput; uttgebluscht; Outherod (-her'ud), v. a. in wreedheid overambteloos; van ziju stuk ; luid. — and—, door en treffen. door. to be —, het mis hebben; ten elude read an; Outhouse, s. bgebouw; schuur. (with) in ortinin zijn met. my hand is—, ik ben niet OutJeer (-clejter'), v. a. door spotternij overbluffen. op etreek. — with it, voor den dag Cr mee I at elbows, met gaten in de mouwen. — of, uit, but- Outlast (-dkjestn, v. a. in het sehertsen overtreffen. ton, uithoofde van, wegens; berootd van, zonder. — of all, alles kwijt. — of design, met opzet. — Outknave (-neev'),v. a. in schelmerlj overtrefien of doubt, button twijfel. — of favor, in ongenade. Outlandish (-lend'isj ► , a. buttenlandsch. Outlast (-1aast'), v. a. tenger duren dan. van den — of heart, meedeloos. — of the way, a. Outlay*, a. vogelvrtj verklaarde, balling. weg af. a. vogelvr) verklaren, bannen. —ry Out (out), v. a. uitstooten. —, int. voort ! weg ! vogelvrij-verklaring. foci I Wear, in de volgende samenstellingen, de uitspraak nice is aangewezen, dear heeft out den Outlay, s. uitschot, veracbot, uitgaaf. , — Outlea'p, s. ontsnapping; onbesonnenheid. klemtoon. (-lisp'), v. a. voorbUspringen. Outset (-ekt'), v. a. overtreffen, to buiten gaan. Outbalance (- bel'ens), v. a. zwaarder wegen dan. 0 u ti earn (-learn'), v. a. in het leeren overtreffey. Outlet, s. uitgang, uttweg; verlaat, uttwatering. utbar (-bear"), v. a. uttsluiton. —a, pl. omstreken. Outbid (- bid') [irr.], v. a. hooger bieden dan. Out lie (-laj'), v. a. in hot liegen overtreffen. —der, a. meestbiedende. Outline, e. omtrek, schets. —(-lajn'), v. a. schet0 u tblown (-bloon'), a. opgeblazon. Outborn, a. uttheemsch, vreemd. v. a. overleven. —r (-1iv'ur), a. Outlive Outbound, a. near button 's lands bestemd. I angatievende. Out brave (-breev'), a. a. trotseereu, tarten. Outbrazen (-bree'zn), v. a. in onbeschaamdheid Outlook, s. voorzorg, waakzaamheid. v. a. verlegen (beschaamd) maken. overtreffen; overbluffen. Outlying (-layieng), a. afgelegen; buiten de geOutbreak, s. uitharsting. wone orde. Outbreathe (-brieth")„ v. a. eon' langeren adorn Outmarch (-maartsr), v. a. in het marcheeron hebben dan; den adorn doen uitblazen. overtreffen; voorbijmarcheeren. Outbud (-bud'')„ v. n. uitbotten. 0 u t measure (- mezroer,-ur),v. a. in grootte overOutburst, s. ultbarsting. F. !minding, treffen. Outcast, a. verstooten, vogelvrij. Outmost, a. uiterste, buitenste. verworpeling. Outnumber, (-num' bur), v. a. in aantal overtrefOutcralt (-kraaft'), v. a. versobalken. Outcry, s uitroep, gil; gejouw; veiling. — (-kran, fen. Outpace (-pees'), v. a. achter itch laten. v. a. overschreenwe.n.

Hoe maak je geld op cryptogeld


TOU —TR A. 309 Touch (tots)'), v. a. ♦odel', raken; aanraken; Toes (toot), V. a. Zie to Toluca. toe.aen; echetsen; aanslean, bespelen, beriapen; Trace (trees'), P. spoor, teeken; pad, peg; trekbetreffen. &engem aanroeren; aansteken; schokriem. —, v. a. no - , opspsren, pawn, op bet ken, treffen, roaren; aandoen; ontvangen; amspoor volgen; doorgaan; sebetsen; (out) opepokoopen. — to the quick, dlep treffen. (off) beet ren; aanwijten., besehrtive•, (up) uitvorsehen, nemen; afschteten; verbeteren, (up) veretellen; opeporen. —able, a. op to spores, na to goon. rerbeteren. —, v. n. eikander raken; in verband —r, a. opspoorder. —ry, versierselen (in Steen). staan; sandoen, binnenloopen (at). (on, upon) Trachyte (tree'kejt), a. treebiet. aenroeren, gewagan van; werken op. —able, a. Tracing (tree'sieng), a. (het) nagaan, naeporen; taetbaar, voeibaar. —bless (-1-nets), S. lichtgepad, weg. joke-, kernaattoww. —papers reaktheld. "—Ng, a. —ingly, ad. roerend, unpapier tot doorteekenen. doenlijk. —City, a. betreffende, aangaande. —me- Track (tr610), a. veer; pad, bean; zeegat; !rung, roam cog. —road, jsagpad. —, v. a. naeporen, not, a. kruldje-roer-me-niet. —y, a. liehtgeraakt, het spoor volgen van; opsleepen. —age, e. (het) gevoelig. opsleepen. —leas., a, solider spoor, ongebaand. 'rough (tuf'), a. —ly, ad. teat; kleserlg; hard; moellijk, (tuf'n), v. a. & n teat maken Tract (trekt), a. streak, nitgestrektbeid; %erloop; traktaatje. verhandeling. (warden). —nese, s. taatheid, kleverigheid; hardTracts bie (trekt'lle1), a. —bly, ad. handelbaar. held; aterkte. 'routs see (toe-pie'), —et (-pet'),e. kW?. —bility (•e-htl'it-tih), —bleneett, a. handcibaarheld, gedweeheid. —te (-eet), a. verhandeling. Tour ( toer'), a. refs, toer. —iet, a. retziger, toerist. —mcaine (-me-lin), toermalijn, trip. —tion (-ee'elun),.. behandeling. Touters (turn') a. gerecht van den sheriff. —ament Tractil a (trekt'Ll), a. rekbaar. —ity (-11'it-t1h),s. rekbaart etd. (-e-men*; sok; toer , ), —ey (ink: toer'nib), s. steak-, tornooispet. —ey (ook: toeenth), v. n. Traction (trek'ejnn),s. trekking. acne Inns broken, tornsoten. —iquet (-i-ket), s. Trade (treed'), a. h.endel; boekhandel; beroep, draaikruite handwerk; hcaigheid; rereedschap; verkee'r; gewoonte. —'e-man, --:man ;treede.), handelaar; Touse (taut), v. a irekken, rnkken, haeenen; winkelier; hendwerkarnan. —wind, ptteeutwind, v. n. stoelen; woeden. risen. —, v. n. handelen, handel drijven. —d (-id), a. Tousle (tau's1), v. a. Me to Towle, bedreveu, ervaren. —r, s. handelaar, gram/tier; Tont (taut'), v. n. nten zoelcen te lokken erreeen pereoon• Iroopvaardijechip. —a (treed:), (for) —er, a. klantenlokker. Tow (to') s. week. hede; eleeptonw. to take in p1. oandwerkslie'den. op het aleeptonw semen. --boat, boegseer- Teredialg (tree'dleeg), a. (het) handelen. a. handeldrijvend; hardel • . —company, handelumetboot. —cloth, paklinnen. --lire, -.rope, boegseerlijn. —, v. a. boegeeeren, sleepers. —age, a. (het) scheppij. —town, koopstad. Tradition (tre-disren), a. overlevering. —al, boegeeeren;elaepegeld. —ary, a. —ally, ad. overgeleverd; bij (volgen: de) Toward (to'urd), a. —ly, ad. gewillig, leerzaern. overlevering. —er, —ist, a. vooratander der over—linen (-1i. peas), -nest, s. gewilligheld, leer zaamheid. —, —a (-wurdz), prp. near; tegen, lererIng. Traditive (tred'i-tiv), a. overgeleverd. jegens; onistreeks. Trnduc a (tre-djoeni, v. a. doorhalen; belaeteTowel (tan'il), s. hauddoek. 'rower (tan'ur), a. toren; kacteel, burcht; k ^ 0,1; ren. —ent, a. lasterend, sehendeul. —er, a. lasteraar, schendtang. —tion (-duk'sjun), a. voorthooge vlucht. aindmoien. — mu ' , rd. planting; overhrenging; overlevering; overgeng. torenkruid. v. n. hoog sliegen; etch lion verheffen. —ed (-Ind), —Y, a. van torens voor—tire (-druk'tiv), a. of te leiden. Traffic (treflik), a. handel; koepwaar. —, v. a. elan. —ing, a. hoog, verbeven?Wien, verhendeletr. v. u. handel drijven. —able, 'rowing (to'leng), a. (het) boegaeeren. —path, a. verhandelbear. —ker, a. s. handelaar. lettgaad. —rope, boegeeerlijn, eleeptouvr. Town (taaun'), a. '300. —clerk, gemeenteeeere , T rn poems t treg'e-ken t ti ), e. dregant. tart, —crier, etadvorn, eper. —due, stedelijke Tre ford I sit (tre-dzji'di-en), a. treurepelsehrijver, .dlehter,speler. —y (tred'zje.dthl,s. treurepel. aceijne. —hall, —house, stadhute, raedhule. —market, marktviek. —'a-man,s—nsan (taaunz , ), Tragic (tred'zjik), —al, a. --1/y, ad. tragiseh; atedellner, medebnrger. --talk, etadepraatje. treurig. —ulnese, re (het) traglache; (bet) treurige, droevtge. —wall, etadennur. —ids, a. steedsch, —ship, a, Tragicona edy (trod-zji-kom'e-dib), 0, blijeinettulegebied deed treurspel. —te, —ical, a. treuIlg vroolijk, Towse (taut'), v. R. Zie to Touse. —r, e. bulls • tregleomisch. bijter. Toxic at (tokelk1), A, vergiftig. —odendron (-1- Trail (treer), a. epoor;ateart; sleep; straal.—board, kambout. v. al . eIeepen; op het spoor volgen; v. (-1-kol'ud-zjib), ko.den'drun), n. girbonrn. e. verhandeling over de vergiften. n. slepen. Toy (to)'), a. epeelgoed, snuieterij; beuzeling, Train (trees'), n. trees; gesolg, stoet; rij, reeks; neeterij; gedartel; grit, luirn; sprookje. —man, sleep, slip; ataart; nasleep; loop; loogvunr;- Het, epeelgoedvertooper. —shop, epeelgeedwinkel. kuustgreep; asnlokeel; •gze, minter. —band., v. n. spates; dartelen, etuelen. — er, a. hence- p1. echutterij. --bearer, sleep-, slippedrager. leer, etoeier. —tah, a. epealech, thole). —oil, trim. —tackle, aehtertalie. --, 'v. a. trekken, steepen; lokken, verleiden; groothrengen, -ishnees, a. eItelsehbeid.
West (wart'), a. & a.:. west, westelijk. oy north, Whence (wens), ad. vanwaar, 'wattrult. —soever west ten noorden. — by south, west ten maiden. (-se-ev'ur), ad. vanwaar ook. ergene. - a. (bet) Wastes, —grange (-ur-teng), a. west- Where (weer'), ad. waRr, alwaar. any waorte loopend.—erty, a. & ad, wastwaart. —ern every —, overal. —about, —about. (-e.bautz), ad (-urn), a. weeteiijk; weaterseh. —ward, —w4rdly, waarorntrent; waarever; e. verblijrgivta. —at I-wurd•), ad. weetwaarta. (-ez'), ad. rsaardien; tervrtl; dear tech. —at Wet (wet"), a nat, vochttg; regenachtig. —through, (-et), ad. waarop; waarover. —by (-ban, ad. door en door nat. — nurse, mitt. —shod, met waardoor. —fore, ad. wearom, weshalve. —in natte voeten. --, a. oat, vocht; vochttg weer. (-in'), —into (.in-toe'), ad. waarin. —of (-of'), ad. waarvau. —on e-on'), —upon {-up-on'). ad. waarop. —, v. a. nat makes, bevoehtigen. —ness, a. nat. —carver (-so-ev'ur), —o'er (-ev'ur), ad. waar ook. held, voehtigheld. —fish, a. aattig, vochtig. —to (•toe'). —unto (-nn-toe'), ad. waartoe. Vt, ether (weth'ur), s. hamed . —with (-with"), withal (-with aol'), ad. wearWhack (wek'(, a. & v. a. Zte Whop. weds. Whale (weer), a. walvisch. —bone, betels. walvischvaaidar, Wherrut (weerit), a. oorveeg. —, v. a. acne wp.lviachbeard. —fisher. —man, oorveeg geven; lasttg vallen, hinderen. —fishery, walviechvanget. —r,s. walvischvaarder. Wherry (weerth), a. veerachultje. —man, veerWhatne (warm), s paardenv lieg, breme. 'A hap (wopl, s. slag. amok. —, v. a. & n. clam; coon. —, v. a. overzetten, overvaren. neeremakken; (over) om,:aan. —per, a. bona boas, Whet (wet"), t. (het) eeherpen, prtkkel; b.srreltje. —atone. alijp , wetateen. —, a. a & n. elijpen, lets seer groots; leugeu, Wharf (waorr). a• werf, keel, laudinge pleat, wetten; aanzetten; opwakken, verbitteren. v. a. torn wet brengen, 'Whether (wetleur), pr. wie (walk) van beide. —porter, iteatwerkm .... or .... of .... or .... —, ad. of, hetzij. loosen. —age, H. kaafgeld. —finger (in-azjur), a. Wheite, (wet'tur), a. wetter, slljper. kaaiweenter. What (wot), pr. wet, dot; walk; heteeen; hoe- Whey (wee'), a. hal, wei. —ey (-th), —isk, a. veal. — day, op walkers dog; toes. — time, op weiachttg. welken tijd; ten tijde dot. — for, waarom, waar- Which (witsj), pr. walks, walk, wie, watt die, weten to onde, dot, hetwelk. to ksaw — is toe. — of that, woe kornt dot er op aArk? echelden; weten wie of wat. —ever (-rear), ad, (with) deels door. — though, ofechoon. —soever (-eo ev'ur), pr. welke (wie, wat) ook. int. wat ! hoe! — ho, helda! —ever Whiff (wif'), a. hall, trek; geniis, geanor. —, —soever (-so ev'ur), pr. wat oak. v. a. uttbiazer; v. n. blazen; suizen, enorren. Wheat (wiel 1. R. blear, win; puiatje. Whiffle (wit'fl), v. a. & n. blazes, snuivea; Wheat (wiet), a tarwe.bearded turksehe tarwe, mein.—flaer„ tsrwemeel. —grave flatten; been en wear fiadderen; onbestendtg tarwe. zijn; beuzelen. —tree, mange!, —r, e. blazer; kweekgrae. —plwn, witte pruint. sheaf, flatter; voorlooper; benzelaar. school. —en. (wieen), a. tarwen. van torwe. (wie'd3), v. a. & n. flikflooten, be- 'Whig (wig'), a. zure wet; Whig. —gery (-gun—gum (-glom), a. beginselen der NV hi gs. praten. —r, a. flikflooier,baprater. —gash, a. W hig-, van de W hi g-partij. Wheat (oriel'), R. oriel; rad; spiranawiel; scbijf; wages; otriraaling. to break upon the —, rad- W bile (waji), s. wiji, pose, tijd. a good —, eelie broken. —barrow, krutwagen. —boat, raderboot. gerutme poem, in tee mean —, intddelerwul. —cap, naatkap. —carriage, voortuig op wielen. it is not worth —, het is de moalts HIM wanted. v. a, rekken; (away) al then tijd. —drag, remsehoen, rem. —fire. radvuur. —hoop, all this naatband -ring. —horse, Morel pear& —lathe, verbeuzelen; v. n. toeven,talmen. —, ad. terwjjl. radsuoer. --lock, lune van can wiel, —nave. wiel- Whilom (warlum), ad. voorheen, areleer. near. —rope. atuurreep. —shaped, radvormig. Whilst (wajlat), ad. Zie While. —sheave, achijf ;n eon blok. —stone, sitipract, Whim (wira'), a. gril, oak; lokeend; winds.. -steep. —window, rood venater tale ten wiel). —gin, psardenkaapetander. —wham (-went), N. nesterij; klueht. —, v. n. gnillea (nukken) hebben. —work. raderwerk. —weight, wagenmaker. v. a. & n. kruien; rotten, voortrollen; sin-, —per, v. grammes, kreunen, klagen. —sey (-zih), ronddraolen; atwiseelen; zwenken. —ed (wield), a. grit, nuk. wagenmaker; Whimsical (wim'elk1), a. —ly, ad. grillig. —ity a. met .... wielen. er, a. ronddraater; disaelpaerd. --lag, R. vervoer per (-zi-kel'it-tih), —ness, a. grillighetd. as; ronddraating; het rollen; zwenking. —y, a. Whin (Wile), R. brem, priemkruid. —chat, bruinkeeltje.—etone,bazaltsteen; randstean. wielvormig. Whine (wajni, 3• geteem, gekail, gejank. Wheeze (mice, v.. anuivetr, hYge.- "WheP,k (walk'), s. blear, yin; putatje; trompet- v. n. temen, met eene huilende stem apreken. whelp, kinkhoren. —y, a. knobbellea puistig; —r, a. temer, huller, jauker. Whim my (win'nile), a. vol brem of priemkruid. uttpullend, met aerhevenheden. Whelm (webs), a. a. indompeiet; overdekken; —ny, v. n. hinniken. —yard (lard), a. zwaard, xiternem, wornisteker. begraven. Whelp (welp')„ a. wep,jong;jongehond; klamp; Whip (wip'), a. zweep, karwats, geesel; postiln jongen.— iny, a. schelmsch, Jon; staggareaat, klapleoper. -- and Spur, spoorguit, Bengal. slags. —breech, slag op het schterete. —cord, guitig; lichtvaardig. When (wen), ad. wanneer; toes; ale. —ever ( • ev'ur), — lash, zweeptouw. —graft, v. a. —gratilsag, s. zuigen (wljse van enter ).—hand,voorhands—horse, —toner (40.eVar), ad. wanneer ook.
The Erasmus Programme, together with a number of other independent programmes, was incorporated into the Socrates programme established by the European Commission in 1994. The Socrates programme ended on 31 December 1999 and was replaced with the Socrates II programme on 24 January 2000, which in turn was replaced by the Lifelong Learning Programme 2007–2013 on 1 January 2007.
REA.—REO• Rebut (re-but.'), v. a. terugalaan, -stooten; atRenegue (ri•el'ger), a. rood arsenicum. weren; v. n. op de tripliek antwoorden. Realm (relm). s. rijk, koninktijk. Recall (rs keel% s. herroeping. —, v. a. herReam lriera), a riein (papier). Reaninza te (ri-ee'-i-meet), v. a. wader bezielen. roepen; terugroepen. Recant (re-kent'), v. a. herroepen; v. n. terug—tion (-mee'sjun), a. wederbezieling. Reannew (ri-en-neks"), v. a. wader aanhechten. treden. —ation (ri-ken.tee'sjun), a. herroeping. —er, 8. herroeper. Reap (riep), v. a. & n. inoogsten, oogeten. —er, s. maaier. —ing- kook, sikkel. --ing-time,00esttijd. I Recinpit ula te (ri-ke-pit'joe-leet)„ v. a. in het Reap pear (rl•ep-pier';, v. n. winter versclikjnen.kort herhalen. —tion (-lee'sjun), a. korte herha-pearance,s.wenerverschijaing. —paint (.pojnt'i, ling. —tory (-le-tar-rile), a kortelijk herhalend. v. a. wader benoemsn. —pointment (-point'-) e. hernerser. —are (-tjoer), s. herneming, heroveherbenoeming. heroverde bait; v. a. hernemen, heroveren. Rear (rier , ),.s.achterhoede;achtergrond.—eubniral,, Recast (ri-kaast") [im], v. a. op nieuw werpen; schout•bij-nacht. —guard, achterhoede. —mouse, — gieten; berekenen. vieérmuis. —rank, achterste gelid.—ward(-waord), , Recede (re-sied'e v. n. wijken. terugtreden; v. a. op- I (from) terugkomen op; afstand down van. a. achterhcede; ad. achterwaarts. heffeu; oprichten; opkweeken; opvoedea, groat- Receipt (re-siet'), a. ontvangat; kwitantie; rectal recept. brengen, opbeuren; verheffen; opjagen; verwer- Reedy able (re-siev'ibl), a. aannemelijk. —e, yen; v. n. eteigeren. Bleaseend (ri-es-send'), v. a. weder beklimrnen; v. a. ontvangen; onthalen; aannemen; beg ripen; helen. —er, a. ontvanger; haler; vergahrbak. v. n. weder opritijgeo. Reason (Wm), a. rede, veretand; reden, grond- Receiebtate (riesel'e-breet), v. a. weder vieren. oorzaak; rekenechap; billijkheid. by — of, we- Recency (ri'sen-sib), s. nieuwheid. grins. to do —, bescheid doen; racist laten weder- Recension (re-sen'sjun), a. beoordeeling, recensie; hertellibg. varen. —, v. a. & n. onderzoeken, redeneeren. —able, a. —ably, ad. redelijk, billijk; veretandig; Recent (regent), a. nieuw, versch; onlangs tre beard. —ly, ad. onlangs. —ness, a. nieuwheid, middelmatig, dragelijk. —ablenes, s. redelejkheid, verechheld. billijkheid; matigheid. —er, a. redeneerder. a. redeneering. —less, a. redeem, a. onver- Receptacle (re-sept'ik1), a. ontvanger, vergaferbak; ochuilhoek. atandig. Itenseeneble(ri-es •sem'b1), v. a. weder verzeme- accept ion (re-sep'sjun), v. ontvangst; onthaal len; v. n. wader bijeenkomen. aanneming; wederopneming; bevatting; algemeen 11,asert (riees-suin ► , v. a. wader beweran. —ion attagenomen begrip. —ire, a. ontvankeljjk. —ory (-sur'ejan), a. herhaelde bewering. (oak: (res'ip-tar-rth), a. algeineen aangenomen. Helmet/en (ri-es-eajn"), v. K. weder aanwijzen. Fteeess (re-sass';, a. terugtreding, evejking; ver- afataan, I trek;:afgezonderdheld, eenzaamheitl; nes, alkoof, R4,118811111 e (ri-es-ajoem), v. a. weder fianvaar. inhann schuilhoek; achoraing, vacantie. —ian den, —ption (-aum'sjun), a. wedereanvaerding, (-sesrun), a. terugtreding, (het) afstand doen hervatting. (from). Renesor ance (ri-es-sjoer'ens), s. herverzeke- Recbange (ri-tsjeendz'), a. herwissel. —, v. a. ring. —e, v. a. wedergerustmtelien; herverzekeren. op nieuw veranderen; herwissel nernen. Recharge (ri-tsjaardzr), v. a. op nieuw aanvalitensty iriesitih), a. ranzig. Reattempt (ri-et-temt'l, v. a. weder beproeven. len; wader beechuldigen; herladen. Recbnrter (ri-tajaaetur), v. a. op nieuw beHeave (eiev), v. a. rooven; berooven (of ). vrachten. Itebeiptie ation (ri-bep-ti-zee'sjun), 8. hordao- ping. — e (•tajz'n v. a. herdoopen. —er (-taje- Recheat (re-tre;iet',, v. n. den tarugroep blazen. Rechoose (re-tejoez') [em], v. a. herkiezen. urn a. wederdooper. Rebate (re-beet'), ts. spooning; verminderIng; Recipe (reeip-pi), a. recept, voorscbeift. korting. —, v. a. etomp waken; eroeven; ver- Recipient (re-gip';-eat), a. ontvanger, Reciproc al (re-aip'ro-kel), a, —ally, ad. waderrninderen; korten, keerig; wederzejdsch. —alness, --sty (res-11.-pros'. "'Xebec (ri'bek), a. driesnarige visor Rebel (reed), s. oproerig, muitend. —, a. op- it-titt), s. wederkeerigheid. —ate (-keel), v. e• beantwoorden; e. n. wederkeerig handelen. roerling, inuiter, —ation (-kee'sjun), a. beautwoording, weaseling., Rebel (re-ben), v. n. opataan, muitea. —Zion, wedervergelding. opetend, muster)). —lions, a. —liously, (-jun.), Reel:slur. (re-elzfun), a afsnijding. ad. (-jes•, oproerig, muitend. •-liousness Recit at (re-sajt'e.n., —alien (res i-tee'sjun), e. a. oproerigheid. herhaling; opzegging; optelling; vertelling; ver. v, Rebound (re•baaund'), s. terugsprong, a. terugkiteteen; v' n. terugspringen. heal. — alive (res-i-te•tiev"); a. ieeitatief, verha• Rebuff (re-buff '), s. terugstoot; wederatand; af- lende eaugwijs. —e, v. a. herhalen; opzeggen; wijeing. —, v. a. terugstooten; afwijzeri. optellen; verbalen. —er, a. opzegger; verhaler. Rerkietts (rek'lees), a. —1y, ad. onbekommerd, v, a. herbouwen. Rebuild lri-bild') zorgeloos, — neat, a. zorgeloosheid. Rebuk bible (re-bjoetkibl), a, berispelijk. —e, s. berisping. —c, v. a. berispeu. —er, a. berisper. Reckon (rek'kn), v. a. rekenen, berekenen; ach• ten. (over) overrekenen. (up) berekenen, optela. op nieuw begraveu. Rebury (ri-her'ih)„ v. len. —, v. n. rekenen; afrekenen. (for) boeten Rebus (rebus), a. figuurraadsel.

404 Bement en, ov. w. to mast. —ivy, v. meeting; — wonem, to live on the ground-floor. dat is — n,ij, that is on low for me. — den wind. leeward. ma4te. Hamer; bear, be. perceiyaide, observable, — bear, ground•fioo•neltehhor. — einde, lower —en, ov. w. to perceive, to remark, to observe, ena. —hate, ground-floor. — lamer, lower room. to diecover. —Say, v. percept,m, obAervatton, —rood, earth, world. —clad, lower town. — ate, thisensfery, notice taken, by lowest:, undermost. — waarts, boa. downBetneat en, ov. w. to manure, to dung. —ing, wards. 110214.1iVitilli, M. benedictine. v. !canoeing. tater, m. mediator, intercessor, in Besniedkj.tos, on. w. to Wiese. de gebenedijde ',Voogd, the ble , sed Virgin. teepooer. — aarster, snediatrems,mediatrix. —4, by. to easy circumstances, at eaee, warm, well- Ilten2enaster, v. Zie Benemer, to-do, kunst/11,CA. ov. w. to niediete, to fiesseemen, or. w. to deny, to say no to. accomarniate, to come.% to settle. —ivy, v. 11,404111 en, no. w. to deprive ot, to take away toodi3tiou, accommodation, interces,,ion. from. --er, m. deprive, — icy, v. privation. Ileniauct, by. to , ed. beloved. —e, rn. & v. lover, deprivation„ sweetheart, mistress, lady, spouse. licirepen, be. pinched, straitened, perplexed, Heiman Mk, be, & bw,, lovely (-sly), amiable dtatreeeed. —beid, v. straits perplexitylijkheid, v. ioneline,, amiableness. Bessevell d, be. cloudy, foggy, nosy, dim. —en, --nen.. or. w to love, to cherish, to be food of or. w. to cloud, to darken, to dtm, to fuddle. — ing, v. clouding; cloudiness, darkneea. —ne,,e,aurdigr. by. Zie IleanLalkjk. — nenswaar dig ,keid„ v. Zie LienciniUfah,id. —.sr, irs Benevens, vz. besides, together with. Flettgel, cc. bell; naughty boy, sirrah, reacal, lover; amateur. Ben...101er en, ov. w. to bemire, to bedaggla. blackguard. —braid, mercury. — en, ov. w. to ring the bell). —mg, v. bemiring, sijn, to be desirous —, Rousysettig er,ae, ov. w. to encourage, to animate. B.E11411121V d, dw. anxious —, longing (to know, to hear, to see). —icy, v. encour,gement, animation. Benstael at., na. & v.. bury body, do-all, med. —ea ono. sr. het cal — cif, I long to know (I woryier) rinether. dler. — en (zieh), t. w. to ins.ddie (wIth). v. meddling; trouble, etiort. — lkiken, ov. w. to Bentitt en, err. w. to envy, to grudge, to be jealous of —ensamardig, be. enviable. — er, thwart, to cr.., to hinder. — eel, o. bueiness. b-fiat cliff. —ster, v. en tier, envious person. BensuK, m. b flat_ w. to pinch, to squeeze. lienstareven,ov. w to moil, to dirty. illess,ions bear, hv. appointable. — en, no. w. to 111emtest, name, to denominate; to appoint, to nominate. Ben:Asir eon, ov. w. to wall. —tag, v. walling. — er, m. appointer. nominator. --ling, v. denoiniBen, v. basket, scuttle, lienanie., no. w. to sew for. met 6e.c.ssehen en noting; appointment, nomination; --abrief, letter of appointment, diploma. won , ing and sewl ng imcluded. (Wieir), t. w. to plod, to ply, litentstsdiligd, by. wanted, required, necessary, Bessearalig welt — lay, a. close — Ain, to want, to stand in need of. to apply (to exert) 04. rev. necessaries. application, assid,ity. liessotsrelen, vz. on the north side of. neion , estieut, or. w. Zie Netat4ess. lienadreol sess, ay. vv. to wrong, to barm, to Bent, a company, band; corporation, academy. wronger, injurer. — leas, badge of a corporation, —naam, se:OmInjure, to prejudice. —er, kid name, —roye/, member of a corporation. -rag, v. harm-doing, prejudice. kwvt zips, to Benhder en, no. w. to eel., to confiscate; to Beunl, o. conscrou,cess. zijn fr:elaute; Adoption.; approxi- • tan, not to have lost one's wits. peen — fieriest adopt. —bay, v under-tand. *-nation. Beeefen ear, m. student, practitioner. — en, isteinansisig, v. name, denomination, ov. to study., to cultivate; to exercise, to n v. puzzled, perplexed; embareaseed, difficult, etraisenee. —neid, v. perplexity, em- profess, to follow, to practise. --3nd, be. pracbecra,snient„ difficulty, strait. tined. —ing, v, study, cultivation, cultcre; praclienergen, on. w. to puzzle, to embarrasses; to the. Nicol Cilia, no. w. to oil. ', trailers, to put to the lost shift. nctinatliN ci f hv. & bw. narrow (•IY), close (-1y); lieziog sax, .ov. w. to have in view, to aim at. v, aim, Intention, design. sultry, oppressive (Ay.; abort-iireath,d, asthmatic; sort,O.et.ed, trouble -t; bard; afraid, Bermordes► ietee, na. judge, critic. —en, ov. w. to uneasy, anxious (-1y); — waken, to frighten, to jedga, Its criticise. —tny, a. judgment, criticism. terrify. —dheid. v ortirowoes, c!oneness; sot- ilite..ring en, no. w. to make war upon, to wage was against. --inn, v• waging war adunet• trine.; asthma; straits, hardship, oppressiou; unessiness, anxiety. --en, on. w. to oppreRre; to Illeotistsii,yz. on thereon ride of. straiten. to distress, to vex, to banana; to make Depersati, be. & bw. determined, determinate v. oppressolon. (-13), fixed, definite (-3y), povitive (-ly). — heid,v. --ins), oppressor, anxious. —er, de, erminatenees, defini Armee, posStiv eness. it,nthe, v. bond, troop, Lady. gang, Repel en, no. w, t ,. empale, to prop, to limit, elee,e,desa, ha, below, down, down stairs. Y.. under, underneath. naar — , clown, down to bound; to fix, to appoint; to determine, to t. w. (tot) to limit define; to stipulate; zien stairs, ran int.. none —, from top to bottom.

Wat is Bitcoin hoogste prijs


BYE—CAL. wer. —street, achteratraat. —view, bijoogmerk. opjager lin eene veiling.). —dist, tusschengereeht. —way, geheime weg. —wipe, steek onder water. —end, bijo3gmesk. —gains, buitenkaneje; vernal. —word, spreekwijze. —gone, verleden. tear. —name, bijnaam. —path, bijpad. —place, eenzame pleats. —road, Bye ibaj), good —, gaeden dog; vaarwel. (Oorspronkel.: good of Gcd be with ye.) btweg. —room, aciaterkamer. —stander, toeschou-
10.. --, uoia, %no vlekte , (ruimte).— sport, veldvermaak (Jacht, vischvanget, vunzigheid. i wedrennen). —stuff; lontstok. —work, veldschaum. Fellieroue Ill-tif'er-ua), a. jongen werpend. i Fiend (fiend'), a. doodvijand; booze gee,t; (de) Fetlock (fet'lok), s. hoe.fhaar. 1 Booze. —ful, a. boa,aardig. --ish, a. duivelsch, Fetor (fi'tor), a. stack. helach. —like, a. duivelachtig. Fetter (feetur), a. kluister, boei. —, v. a. kluis- , Fierce tilers'), a. —iy, ad. bevig; fei; woest; teren, bocien. j grimmig. —ness, s. wildheid, woe theid; vinnigFettle (fct't1), v. n. beuzelwerk verrichten. held. Fetus (Irtus), o. ongeboreu vrucht. )ness (farur-i.nese), a. vurighcid, drift, —g, Feud (fjoed'), s. veete; leen. —al, a. leenroerig. Fier a. vurig, dratig. —alism (-el-ient), a. leenstelsel. —ality (- el'it-tih), a. leenroerigheid. —ary (-e-rih), —story (-e-tur- Fife (fajt'), s. pip, dwarsfluitje. —, v. u. pijpen. —r, e. puper. rih), a. leenroerig. —story (-e-te-rile), a.ieenman. Fifteen (fliqien), a. vkjftien. —th (tienth), a. vijf. —ist, a. schrijver over het leenrecbt. tiende. Feuillage (foel.jaazr), a. loiwerk; bladerwerk. Fifth (fifth'), a. vijfde. —ty, ad. ten vijfde. Feuille-suorte (foel.,;e-mort.'), a. bruingeel. —ty, rt. vijftig. Fever (fi'vur), a. koorts. —, v. a. koortsig maker. Fir steels (firti-ithi, a. vijftigste. a. vijg;vijgeboorn. I don't care a —for it, —few, moederkruid, —sick, de koorta hebbend. Fic(ilit'), g eef er Keen tier om. —apple, vijgappel. —gnat, —isle, a. koortsig; koortsachtig; onbestendig; vtjgc—marigold, vijgeblad. vijgen boorde r. —leaf, brandend. —ishnese, a. koortsuchtigheid. plant. —pecker, vijgeneter, vijgensnip. —tree, eij—y, a. koortsachtig. geboom. —wort, epeenkruid. —, v. a. hoonen —Yew tfjoe'l, a. weinige. a — eenige. in —, knot(door eon zeker hendgebaar). um. —ness, a. gering aantal. schanakleed. Fewel (fjoe'il), a. brandatof. —, v. a. met brand- Fight (fajt), a. geveeht; duel; etrijd; naval —, zeegevecht. running —, vervolging °neer stof voeden, opstoken. nd vuren. Fewmet (fjoe'mit), a. drek (adelijke reuk) van aanhoude Fight (NO [fought (faot)j, v. a. bestrijden, bewild. vechten; v. n. vechten. — hand to Acted, man Fey (fee), v. a. uitbaggeren. tegen man vechten. —er, a. Yachter, btrijder. Flat (fdret), a. toestemrning; bevel. —, int. het —trig, P. gevecht. gesehiede 1 toegestaan I Fib (fib'), 9. leugentje, floss. --, v. n. jokken. Figment (flg'ment), s. verdichtsaj. Figulate (ligloe.let), a. leetnen. —ber, a. jokkenaar. t-bril), a. yen!. —ous (-brus), Figurability (flg-joe-re-bil'it.tih), ts. vormbaar'Flbr e (faj'bur), heid. a. vezelachtig. (-rel), Figura bias tfiejoe-ribl), a. vorinbaar. Fibula (fibloe-le), s. kuitbeen. a. door lijnen afgebeeld. —te (-ret), a. ten' voren Fickl e (fik'kl)., a. —y, ad. veranderlijk, onbe(-ree'sjun), a. vorming, afbeel—lion hebbend. onbeetendigheid, e. etendig, wiopelturig. diag. —tive, a..-tively, ad. (-re-tiY-)., flplutlkik, • wispelturigbeid. zinnebeeldig; bloemrijk. • nettle (lik'til), a. aarden, leemen; gevormd. Figure (fiejoer), a. gedaante, gestalte, flour; Fiction (lik'sjun), a. verdichttng; verdiehtsel. voorstelling; cijferletter; zinnebeeld; horoscoop; Fictitious (iik-tierus), a. —ly, ad. verdicht, na§ bedrag eener rekening. to cut a —, liguur moeemaakt. —ness, a. verdichte voorstelling. lten, front glean. —caster, —flinger, planeettezer. Fictive (fIk'tiv), a. verdicht, heraenschimmig. FM (Mr), a. stenge-slothout. splicing—, splits- —, v. a. vor..*,en; verateren; afbeelden;tozinne— to marlpriew. setting—, houten beeldig voorutellen; (out) voorstellen. bores. Iron one's self, etch verbeelden. —, v. n. eene priem. Fiddle (Ild'al), a. viool, vedel. (addle (-fed-dl), epelen. Filaceoiss (fl-lee'sjus), a. dradig. s. beuzeling. —stick, a. etrijkatok; let. gekheid! mallepraat I —string, vioulanaar. —, v. n. fiede- Filament (fire-ment),s. vezeltje.—ous (-nen'tus), a. draderig, vczelig. len. —r, a. vioolkrasser. Filet ory (111'e-tur-rib).,, a. draadspinmachine. Fidelity (11-del'it-tih), s. getrouwheid. —ure (-tjoer), s. spinner)); (het) spinner, Fidget (fict'dzjit), a. onrustigheid, ge;aagdheid. Filbert (111'burtt, e. hazelnoot. —hedge, bazelheg. rustsa. —, v. n. hewl en weer dribbeien. —y, —tree, hazelaar. Filch (flits)'), v, a, briezelen, katen. —er, s. diet, Fiducia I (fl-djoe'sjel), a. --//v, ail. —ry wegkaper. a. toevertrouwd; a. bewaarder van toeverFile (fay), a. liaa; rij; riot; rol, naamlijet; gelid, trouwd goed. rot; vi 1. a rank and —, eon onderofleer ,fret Fie (faj), int. foei! zijne manechappen. —cutter, vijlsmid. — dust, Fief )lief), a. leen, leengoed. Field (field'), s. veld; slagveld. to take the —, te vvjloel. —leader, vleugelman. —stroke, villstreek. voids trekken. wilde basilieum. —bed, —, v. a. flan eene has rijgen; bezoedelen; vijlen; veldbed. —book, landmetersboek. —colors, veld- v. n. deflleeten; rich wegmakeo. —r, s. vijler. vaan. —cricket, veldkrekel. —day, inspectie-dag. Fllenzot (faji'mut,), s. braIngeel. —le (-i-vet), v. a —fare, kramsvogel, noordsche Water. —gate, bek, ralita I (fil'jel , a. kinderlijk. alagboom. —marshal, veidmaarschalk. -7)101411e, ale kind ainnemen. —lion (-i.ee'ejun), a, zoosscbap; afatamming. veldmuia. —officer, etafofficier. —piece, veldstak. 1.4' ET r —FIL •
196 FOilar . 11 .• itia't-greeol, —cc (grie). 5. flits loud.' —post, wegwe'tzer; geesteltike. —stall, viugerling. of enlverdrandwerk. —, v. a. betasten, fommelen; atrossen; v. n. tie lin5s (fafliengz), s. vajlsel. vingers zetten. —ed, a. gevingerd. —ing, s. yingerzstting; betasting. Fill (tills), s. bekontst; verzadiging. —, v. a. vul- len. vervullen; verzadigen. to — water, water. Fingleftingle (fien'gl-fengl).•s. beuzeling. inne.nen. (out) opvullen; sciaenken. (up) ainvul- Finical (fin'ikl), a. —1y, ad. xnodeziek, fatterig; gemaakt. —fleas, s. gemanktheid. lea; beelaan, innemen. —., v. a. vol worden; achenken. --er, 8. V1111 , 1, StOpWOOrd; trekpeard. leinDs (farnie), s. einde. (lin'isj), s. voltooiing, laatste (streak) s. haarbandje; kroonlijet; gouden Fillet randje; exhijf, lendeatuk. —, v. a. opbindvn (met hand. —, v. a. afmaken, ten einde brengen; v. n. eindtgen., ophouden. —er, s. voleinder. sea lint); met acne kroanlijat venieren, FiZlibeg , fil'ii-beg), s. rokje der Ilooglandera. voltooier. —ing, a. laatsto; —stroke, genadeslag, — jag, s. Fillip (111.'lip), s, knip (met de vingers). —, v. n. knippen lop den neus). Finite (faj'najt), a. —ly, ad. eindig, benerkt. Filly (fil'lih), s merrievettlen. —less, a. oupindig. —nes., s. eindigheid, be(film'), a. vlies. —, v. a, met cen vlies be- perktheid. dekko], —y, a. vliezig. Fluitor, (fin')-tur), s. geziehteinder. It (fil'ter), a. tlitreer, doorzijger, ze'. Finnikin (fin'ni-kin), t. tuimelaar. v. a. doorzligen, kleinzen. Fipple (fip'pl). a. stop (eener fiat). Filth (filth';, a. null. -mess, a. vuitheid. —ily, Fir (far),. a. denneboom, pijnboom. ad. —y, VIlil. Fire (faAr'), s. vuur; brand; glood; drift, hartstocht; 'per. to take —, vim (vuur) vatten. to Filtra to (fit'treet), v. a. doorzijgen, filtreeren. set on — , to set— to, in brand steken. —arms, your—lion (-tree'ejen), a. doorzijging. wapenen. —arrow, vuurpijl. —ball, vuurkogel, Fizoble (firn'bi), a. — hemp, gelline. granaat. —barrel, vuurton (op sea' brander). (fim'bri-et), a. gezoomd, net franjes. Fimbriate — board, schoorsteenscherm. —bear, vuurbaken. — (eel), v. R. zoomen. Fin ,fin'), a. yin. —fooled, —toed, a. zwemeoetig. —boom, brandhaak. —bole, gemeentehout, vrij brand. —brand, brandend bout; stokebrand. —scale, yore., —less, a. zonder vinnen. —like, —orush„ haardbezem. —bucket,brandemmer.—dog, a. vinvormig. —acd (-nid), —ay, a. gevind. haardijzer. —cater, vuurvreter. —engine, brandFinable (fajn'ibl), a. bekoetbear. spuit. —escape, reddingstnestel (hij brand). —fan, Finial (farad), a. laatat; beslissend (to); doode- fork , pook. Wk. --rause, grondoorzaak. —ly, ad. ten slotte, vuuracherm. —fly , lichtworm. —hearth,kombuis.—hook,branethaak. —insurance, eindelijk. brandverzekering. —irons, haardgereedschap. Finance a (fi-nens'), s. inkomen. —es (-sir), s. —lock, vuurroer, snaphaan. —man, spuitgast; geldmiddelen.—ia/ (-sjel), a geldelijk,—ier(fin-en- stoker; driftkop. —new, fonkelnieuw. —office, sier'), s. financier. Elnan, s. twecde smidse (in ijzer- brandwaarborgmaatschappij. —ordeal, vuurproef. violent). —pan, vtlurpan• kruitpan. --place, stookplaats. Finch (lints)), s. yin), —creeper, koelmees. brandspuitprop. —prigger, dial (hij brand). Find ilajnd') [found (faa-end)], v. a. vinden; aan- —proof, vuurvast. —room, kamer met stooktreffen; bevinden; veroehaIkea; vecklaren; goad- plaats. —screen, vuurseherm. —set, haardstel. keuren. —one's self, rich bevinden, varen. —fault — ship, brander. —shovel, haards.chop. —side. a. haardstee; hoekje van den hoard; a. huiselijk. (with), bedillen, %igen op. — in one's heart (to), —tongs, haardtang. —ward, —warden, brandtrek hebben. (out) ontdekken; ontraadselen; op- ineeater. --wood, brandhout.--work,—works,vuurloosen. --cc, s. vinder, uitvinde.r.,ontdekker. — ing, e. solid; mania. —logs , a. schoanmakerege-week. — worker, vuurwerkmaker. —worshipper,
Consternation (kon stun-nee'sjun), a. ontstel- Contnbula te (lcun-tebloe-leet), v. a. met planteens, versiagenheid. ken beschieten. — lion (-tee':jun), s. beplanking, Constipa te (kon'ati-Peet), v. a. verdikken, ver- bevloaring. stoppen. — lion •pee'sjun), s. verdikking, ver- Contact (kon'tekt), a, aanraking. Conta gion(kun - tee'dzjan), s.besmetting..—gious stopping. Constituent (kurt-stit'joe-ent), a. samenstellend, (-dzjus), a. besmettelijk. —piousness, s. besmettelijkheid. R. lastgever. vormend. Constitute (kon'stit-tjoet), v. R. instellen, vast- Contain (kun-teen'), v. a bevatten, behelzen; in atellen; vormen; samenstelien; machtigev, at- teem hondert; v. n. zich onthouden. —able, a. vaardigen. —r, a. lastgever. bevatbaar. Constitution (kon-ati-tjoe'sjun), a. inatelling; Contamina te (kun-tem'i-net), a. bezoedeld, belichaamsgestel ; gemoedsgesteldheid; staatsre- vlekt. —te (-neet), v. a. bezoedelen, bevlekken. geliag. —at, a. —ally, ad. overeenkomstig de —lion (-nee'sjun), s. bevlekking. staatsregeling; oorspronkelijk. — ality (-el'it-tih), Contemn (kun•tern'), v. a. verachten.—er(-nur), a. grondwett;gheid. — ist, a. voorstander s. verachter. Contemper (kun-tem'prir), —ate. v. a. tempeder grondwet. Constitutive (kon'sti•tjoe•tiv), a. wetgevend, ren, matigen. — ament, a. grand; tempering. verordenend; wezenlijk. —ation ( ee'ejan), a. tempering, matiging. Constrain (kun-streen'), v. a. betengelen, be- Contempla te (kun-tem'pleet), v. a. benchesiemmeren; noodzaken. —able, a. eon dwang on- wen, overdenken; v. n. peinzen (on). — lion (Iconderworpen. — edly, ad. gedwongen. — cr, a. dwin- tem-plee'sjun), a. beschouvving, overdenking,beto have in —lion, beoogen. — tire ger. —t. s. dwene,., opsluiting. — tire, a. dwin- spiegeling. (-ple tin), a. — lively, ad. nadenkend, bespiegegeed, helemmerend. Constrict (kun-strikt'), v. a. samentrekken. —ion lend. — tire faculty, deukvermogen. —or, s. beschonwer. (-strik'sjan), a. sementrekking. — or, a. semen- Contemporaneous (C1111tom-p0.ree'lli.U.3). a. trekkende spier; reuzenslang. Constringe (kun-strindzj'), v. a. aamentrekken. — ly, ad. gelijktijdig. Contemporar iness (kun-tem'pore-ri-ness), —at, a. samentrekkend. gelijkttjdigheid. —y, a. gelijktijdig. —y, a. tijdConstruct (kun-strukt'), v. R. sarnenstellen. bout- wen; verdichten. — er, a. hoover, vervaardtger. genoot. —ion (-struk'sjun), a. bonne, samenstelling: nit- Contempt (kun-temt'), a. verachtieg. to hold in legging; woortivneg. ing. — ive ( - tiv), a. — ively, ad. —, minachten. for bij verstek. R. -ibly, sameestellend, verhindend. —ure (-tjoer), s bouw, ad. fverachtelijk. —ibleness, a. verachtelijkheid. —uous (-joe-us), a. — uously, ad. minachtend, gebouw. Construe (kon'stroe), v. a. samenstellen; ver- trotsch. — uousness, a. minachting. Contend (kun - tend) v. n. twisten; wedijveren, klaren. atreven, (about. for. with). — er, a. betwister, te.1.7onstnpra te (kon'stjoe - greet), v. a, onteeren; genstander; etrever. losbandigmaken. —lion (-pree'sjun), s. onteering; Content (kun-tent'), — ed, a. --eddy, ad. tevreliederlijkmaktng. den. —, a. tevredenh, id; omvang. —s, s. inhoud. Consubsist (kon - sub-sist!), v. n. medebestaan. eenzeltable of -8, inhoudsregister. —, v. a. tevreden Consubatanti al (kon-sub sten'sjel), stellen. — edness, a. tevredenheid. —less, R. onvig , medezelfstandig. — ality (-sji-slit-tih),s. me- dezelfstandigheid. — ate (-sji-eet), v. a. vereen- tevreden. —meng, a. vcrgenoegdheid; herniating. zelvixen, tot line zelfstandigheid vereenigen. Contest lion (kun-ten'sjun), s. strijd, twist; mededinging. —tious (-qua), R. —tiously, ad. twist-ation (-sji-ee'sjun), s. vereenzelviging. ziek. — tiousness, a. twistzucht. Consul tkon'sul), a. consul. — ar (kon'sjoe-ler), a. van een' consul. —ate (kon'sjoe-let), s. con- Contermi nate (kun-tur'mi-net), —nous, a. de• zelfde grenzen hebbend; aangrenzend. sekat. — ship. a. COI1SUISChap. Conu4nit (kon'sult), a. raadpleging; beraatisla• Contest (kon'test), a, geschil, strijd. Contest (kun toot), v. a. betwieten, bestrijden; gin,; ranflAvergmlering. v. n. twisten, wednjveren (unth). —able, a. beConsult (kun-cult'), v. a. raadplegen; v. n. be- twistbaar. — ant, R. betwister. —ation (-kon-tesraadslagen. —ation (kon-sul tee'ejitn), s. beraad- tee'sjun), s. strijd; betwisting; getuigenbewijs. raidplegend.—er, staging; raadpleging. a. rnatipleger. Context (kon'tekst), a. samenhang, verhand. — Consult. able (kun-ajoem'ibl), R. verteerbaar. (kun-tekst), a. semengeweven. — ure (kun - teks' — e ( - Fijoein'), a. R. verteren; verkwisten; v. n. tjoer), a. samenstel; samenweefsel. s.nabkjheid,beverteren; (away) wegkwijnen. — er, a. verteerder; Contign verkwister. lending. -,M8 (kun-tig'joe us), a. —ousty, ad. Consonant. te (kun•sum'met), a. —tell,. ad.vol- aanpalend, belendend. — ousness„ a. nabijheid, komen, voltooid. — te (-meet), v. a. voibrengen, aanpaling. voltnoien. --lion (kon-sum-mee'sjun), a, voltooi- Conti nen ce (kon'ti-nens), —cy, a. matiging; onthanding. ingetogenheid.. —t, a. matig, itigetotug, voleindiging; dond, vasteland. — tal (•nen't,e1), gen, kuisch. Consustap lion (ken-setn'sjun), a. verhruik,ver- a. van het vaste land; 4 de Vereenigde Staten tering; verwoesting; tering., —tive,a.—lively, ad. betreffend. verterend; teringeehtig. — tireness, s, tering9ch• C,+ntingen ce (kun.tin'dzjens), —cy, 9. toeval. tigheid.
Despite the intricate technology associated with and necessary for cryptocurrency investing, speculation and possession, Coinbase has created an apparatus that makes this process remarkably easy and familiar, almost like buying and selling stocks. This screenshot from the Coinbase site shows real-time cryptocurrency prices and doesn't look too different from your ordinary online stock tracker.
Circumvent (our-bum vent'), v. a. misleiden, I v. a. doen kletteren; v. n. kletteren. —or (kleng' verstrikken. —ion (-ven'sjen), a. onderkruiping,I gun), a. gekletter. misleiding. —ive, a. verschalkend, bedriegelijk. I Clank (bleak), a. goratel, gekletter. —, v. n. ratelen, kletteren. etrenttivetti tsur-bum Nest'), v. a. random be- Clap (klep'), a. slag, kraal; donderslag; handgekteeden. Circ nonvolation (Bur bum vu lee'sjun), s. om- kiap; ontsteking. at one —, eensklaps. —board, i maanstuk, duig. --bread, krakeliug. —dish, houvtieging. Circn ut volution (our kum.vo ljue'sjun), a. , ten bard. —net, Blagnet. —trap, kunstgreep. I Clap (klep), v. a. toejuichen: sanhechten, bijrondomwenteling. Clreutinvolve (stir kum-volvi), v. a. rondom. voegen (to); toestaan (to); beametten. —spurs, de ' aporen geven. (into) opsluiteu. (on) aandoen; roller. Circus (sur'kus), a. circus, renbaan. — all sails, alio zeilen bijzetten. (up) noel tot Cisalpine (sis-el'pin), a. aan deze zijde van! stand brengen; vaatzetten. (up together) inpakde Alpen. I ken. (upon) zetten op. — a trick upon one, remand Cistercian (sis.tur'sjen), s. cistereiewer,monnik. I eene poets spelen. —, v. a. in he handen klapCistern (sis'turn), a. waterbak, ppen; knallen. (in) beginnen. —per, a. toejuicher; lepel; klopper. Clsttnta (sisAus), a. steenroos. Clapperclaw (klep'pur-klao), V. a. bekijven, Cit (sit), epitaburger, stee-aap. uitschelden. Citadel (alt.'s del), s. citadel; vesting. Cit al (sartel), a. dagvaarding; aan haling, —ation, Claret (klar'it), a. roode wiji, (-tee'sjun), s. dagvaarding; aanhaling. —atory, Claricord (kle'ri-kord), s. claveeimbaal. (-te.tur rill), a. dagvaardend. —e (aajt), v. a. aan- Clarif ication (kler.i-fi-kee'sjun), a. klaring, zuivering. —y (kler'i faj), v, a. zulvering; v. n. balen; dagvaarden. —er, s.aanhaler; dagvaarder. klaar warden. Cite. (ait'est), a. atedelinge. Clarinet (kler'i-net), a. klarinet. Citliern (sith'urn), a. harp, citer. Citizen (sit - izn), s. burger; stadsbewoner. ¢ —ire Clarion (kler'i-un), a. klaroen. (-ajz), v. a. burger waken. —ship, s. burgerrecht. Clarity (kler'it-tib), a. helderheid. Citrine (eit'rin), a. donkergeel. —, B. citroen- Clary (klee'rih), s. scharlei. Ciarty (klert'ib), a. sliikerig. kleurig kriatal. Citron (eterua), a. Citroen; citroenboom. —wa. Clash (klesr), a kleto, stoat; tegenaprauk, tegenstand. —, v. a. stooten; doen kletsen; v. n. ter, citroenbrandewijn. klinken, kletaen. (with) strijden tegen, aandruiCitriti (sit'rul), a. watermeloeu. schen tegen. —illy, a. botsing, kletsing; aandruiClty (sit'tih), a. (bisechoppelijke) stad. —, a. aching. stedelijk, steedsch. Clasp (klaasp), a. haak, brain, klamp, gesp; Civet (siv'it), a. civet. --cat, civetkat. orshelzing. —, v. a. toehaken, vastklampen; Civic (siv'ik), a. burgerlijk. —crown, burgerkroon. omhelzen. —arm (of an iron knee), tab (eener Civil (siv•il), a. —ly, ad. burgerlijk; minzaam; ijzeren kale). —headed-nail, —nail, duiker. beseliaafd. —list. civiele lijst. —law, burgerlijke wet. —inn (si-virjen), a. burgerlijk ambtenaar; —hoop. spijlband (om den mast). —knee, knit beoefenaar van het burgerlijk recht. —ity (si-vil'it- met lijf en tab. —knife, knipmes. —er, a. haakje; tib), s. wellevendheid; minzaamheid. —izution rank (eener plant). (-i-zee'sjun), a. beachaving. —ize (-ajz), v. a. Class (klaas), a. klasse. —, v. A. rangschikken. beschaveu. Classic (ictes'sik), —al, a. klassiek. —, a. klasChian) (siv-izm), s. burgerachap, -zin, -deugd; aiek schrijver of week. Classif 'coition (kles-si-ii-kee'sjun), a. indeeling vaderlandsliefde. in klassen. —y (liles'ei-faj), v. a. rangachikken Clack (klek), a. geklep; klap; gekakel. —, v. n. kleppen; babbelen. to — wool, het meek nit de (in klaocen). (klet'tur). a. gekletter, gerammel, geraas. Clatter schapenwol snijden. —, v. a. doen kletteren; v. n. rammelen, klateClad (bled), a gekleed. ren; babbelen. —er, s. levetunaker, babbeloar. Claim (kleem'), a. eiach, aanspraak (to). —, v. a. eischen. —able, a. vorderbaar. —ant, —er, a. Claudicat a (klao'di-keet), v. n. hinken, mank eiseher. roan. —ion (-kee'sjun), a. (het) mank loopen. Clara (klem), v. a. vastlijnien; v. n. vastkleven. Clause (klaoz), a. volzin; zinspreuk; voorwaarde. —miness (mi'ness), s. kleverigheid. —my, a. kle- Clanstral (klaos'trel), a. kloosterlijk. Clausure (klao'zjoer), s. opsluiting. verist, vochtig. Clavated (klev'eet-id), a. knoeatig. Clamant (kIee'rnent), a. emeekend. Clavicle (klev'ikl), s. sleutelheen. Clanibar (klem'bur), v. n. klauteren. (Mao), a. blown; schaar; beak (eener dreg). Chow Clamor (kleninr), s. geachreeuw, getier. —, —, v. a. krabben, klauwen. (away) doorhalen); v. it. schreettwen, tieren. —ous, a. —.sly, ad. afdoen. (off) afscheuren; bekelen, afrossen. schreeuweud, tiereed. (out) uttldeeden (kmands geld aftrochelen). Clamp (kiemp), s. klamp; atapel; aware teed. —, v. a. vhstklampen, lasschen; v. n. zwaar loopen., Clay (klee'), a. klei, Teem. —, v. a. met klei Clan (klen), s. stain; geslacht. 1 bedekkeu, - zuiveren. —cold, a. ijskoud. levenloos. Clandestine (iden•clem'tin), a. —ly. ad. heiinc- I —ground, kleigrond. —land, kleiland. —marl, lijk, steelswijze. —trade, sluikliandel. 1 kleimergel. —pat. leemput. —stone, kalksteen, let:ulster' , --ey (klee'ilt), —ish, a. kleiachtig. Clank (kleng'), s. schelJe klank, gekletter. —,
447 offend, to give offence to; to irk; sick t. w. to take offence (eau, over, at). be. & .) bw. offensive (-1y), irksome (-1y), scandalous (-1y). —1Ukheid, v. offensiveness, irksomeness, scandaloneness. — nit, v. offence, scandal. Erken nen, ov. w. to acknowledge, to own, to avow, t9, confess, to admit. —sing, v. aelmowledgemet.t. be . thankful, grateful. —teIiikkettl, v. thankfulness, gratefulness, gratitude. —testis, v. conception, perception, return for a favor; tie ErhentelUkheld. LI flanges:, or. w. to 'minim, to get, to obtain. Ernst, m, earnest; seal. in alien —, in sober earnest. — zaak, serious matter. —haitig, be. & bw. grave (-1y), sedate (-1y), serious (-1y). —haltigheid, y. gravity, eedateness, seriousness. —ig,bv. & bw. earnest (-1y), serious (Ay), grave (-1y). —igheid, v. earneetneee, seriousness. Erte, o. ore. —rigs, abounding with ore. Ervar en, ov. w. to experience; to learn. —en, be. experienced. expert, skilful, skilled, wellversed. —enheid, v. experience, expertness, skill. —ing, v. eeperience, practice; information. Etrve, v. appurtenances. —foes, be. heirless. —ft, inv. heirs. —n, ov & on. Tr to inherit. Erwt, v. pea. —embed, pease-plot. —endop, pea'scod. pea's-shell. - eioneel, pease-meal. —enrija, prop for peace. —ensoep, pease-porridge, peasesoup. —enstroo, p ease- haum. Escedron, o. squadron. Each, m. ash, ash-tree. Eska/der, o. squadron. Esp, m. asp —.bled, aspen leaf. —e5oorn, asp tree. —.about, aspen wood. —enheuten, aspen. —Woof, aspen leaves. Eseche boons, in. ash-tree. —shout, ash-wood, —sihouten, ashen. —nloof, ash-leaves. Easeleur, m. assayer. Eatrik, m, square brick. Elen, o. eating; food; dinner, supper. —, ay. & on w. to eat; to dine, to sup. —Oaks, seed- box, trough. —.kat, pantry, buttery, safe. —laird, dinner time, supper-time. Ever, m eater. Et raven, o. after-growth, after-math. Ether, m. ether. —tech, by. etherlal. Et usual, o. natural day. Eta ass, or. w. to etch. —(izer —naaid, etchingtool. —kunst, etching. —pfaat, ' etch-engraving. —er, m. etcher. —tag, v. etching. Et teltike, tw. some, several. Etter, m. matter, pus. —bcrst, empyema. —buil, imposthume, abscese.—dracht,suppuration.—gnat, fistula. —gezwel, aposteme, abeam. —prop, core (in au abscess). uurnient phlegm, matter. —word, suppurating wound. —zak, cyst, abecese. —achtig, be. inattery, purulent. —en, on. w to suppurate. —ig, by. purulent. —ing, v. suppura• tion. Eunjer, m imp, evil spirit. Envoi, o. evil, disertee, Unit. —, by. evil, bad. —, bw. ill. —disiden(opneesen), to take amiss. —dead, crime, wicked deed. —mocd, rashness, pride, in. sol -ace. —ssoedig, rash, proud, insolent. Evangel le, o. Gospel; het — prediken, to evau• golize; —dienaur, minister of the Gospel; --leer,
Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,
399 brettgen, to raise, seeder op de — komen, to recover. op de — rips, to be stirring, — on foot. —bederf, —eter, caries, caritsity. blot, lock, stocks. —boor, trepan. —breker, ossiftage, osprey, —bretek, fracture of the leg (of a bone), ooteosele. —droop, bone-dry. —harness, mirth, greaves• facile. —sateen, splint, cradle. —IV, rugtne, raspatory. —miles, perioseeum. —tvording, ossification. —mar', bone-black, ivory-black. —dercork, bone-oaken. —ilerbesehrliving, osteology. —derhuis, charnel-home. otteocolla. --(termed. bone-dust. —seep, soup of boner. —achtig, be. bony. —en, be. (of) bone. —ig, by. bony. —love, hr. boneless. —tie, o. small bone, oseicle; remand eau — lichten, to supplant (to trip up) a. o. Beer, m. bear ; boar ; mole, pier ; exerementa, dung, dirt; catapult, rammer; dun. jong.t —, beer's, cob. ongelikte unlicked cub. de groote —, the greater Bear. de kleine —, the lesser Beat. —tar, dirt-cart. —sicker, jukes-cleanser, night-man. Bees, en, ov. N►'. to inherit. —ing, v. inheriting, inheritance. Beast. o. beast, brute; basset, lucky hit. de — spelen, to ploy the devil, to bluster. —endetter, cow-leech. —.markt, cattle-market, -fair. —en. *pet. menagery. —enstat, ox stall, cow-house. —entcnimer, tamer of animals. —achtig, by. beastly, bestial (-1y), brutal (-4), brutish (-ly). —achtigheal, v, neeetlinees, ueetlality, breiality, brutishness. —iaal, o. cattle; tux upon cattle. —ig, by. & bw. Zie Bee5tftelatig. Beet, in. bite, bit, amortiel. 4ebt en, to hove firth at the angle. — hebben, — nemen, to cheat, to trick, to tooth off, Beet, v. (red) beet. —wortel, beet-root. —wortel. sulker, beet-sugar. Beetle, o, little bit, bit, little, mi.; somewhet. Dekker —, tit-bit, dainty. ran stukje tot —, to a hair, In all the particulars. Bet, v. band, met mantel en bef, gowned and banded. Bch:mind, br. famous., renowned, notorious. —held, v. famousness, renown, notoriety. Begaard, by endowed, indued (with), relented, gifted. —Acid, v. endowment, talent, abtlity. IleKaarr, or. 'a., to tread (to walk) upon. to beat; to to commit, to perpetrate; on. w. latex !tom) that to me. —, dw. leave to. last mtj affected (by), concerned (at), —Cesar, bv. passable. practicable. itegapau. or. w. to gape wide enough to swallow; to gape (to gaze) at. liagaven. ov. w. to eedow, to endue. Bagear der, in. deeiree, wither. —en, ov. w. to destre, to covet, to wish for, to require. --or, o. desire. —ig by. & bw. desirous (off; covetous, eager (-1y). —ig.4eid, v. desire, covetousness, greediness. —47k, hr. destraMe; covetous, greedy. —l)jtheid, v. deeirablenesio covetousness, avidity. —ster, v. Zie Begterder. —to, v. desire, wish. will. pleasure. Bev kken, or.' w. to hefool, to banter. ov. w. to accompany; to attend, Ilegeleld to escort, to convoy. —er, m. —ster, v. Vompan.
12o littdeudom. fat,,oeotql., (-ajz), v. n. als run heiden /even. Gentle (dzjen't1), a. van goede gebocrte; zacht, vreedzaam, —birth, fatsoenlijke afkomst. —folks (-looks). (de) fatsoenlijke stand. —man, man van eer; hoer. —manlike, —manly, a• wellevend; van een' gentleman. --manliness, s. wellevendheid. —ness, s. fatsoenlijke afkomst; zachtaardigheid. —woman, vroinv van geboorte, dame. Gently (dzjent'lib), ad. zachtjea. 4:entry (dzjen'trib), a. rniddelatand. G en. fl exi o ( dzji-njoe flekejun), s. kniebuiging. 4:ermine (dzjenijoe-in), a. —ty, ad. echt,onvervalscht. —ness, s. echtheid. Genus (dzji'nus), s. geslacht. Geocenaric (dzii-o-sen'trik), a. gelijkmiddelpuntig met de cards. Geode (dzji'ood), a. aardateen. —8y a. landmeetkunde. Geog nosy (dzji-og'no-sih), s. kennis der bergsehichten of aardlagen; bergkunde. --cmy (-unnth), N. leer van de w‘rding der anode. er(dzji-ogre-fur),s. aardrijicskundige. G eogra ad. (-o-gref'ikl-), aardrijks—ical, a. kundig. —y (41h), a. aardrkskunde, aardrijksbesehrijving. A. geoiogisch, Geological aardkundig. Geolog let (dx3i-ol'ud-zjist), a. geoloog. aardkeener. —y, a. geologie, aardkunde. s. waarzt Geolnancy (ult figuren). Grotne ter (dzji-om'i-tur, —trician —trical (-o-met'rik-), a. s. meetkundige. a. meetkunde. meetkundig. try (• Geoponic (dzji-o-poreiL), —al, a. dgn landbouw betreffend. —s. landbouwkunde. George (dzinrdzj)-, s. St. Jorisbeell; kommiesbrood. Georgic (dzjor:dzjikl, a. den lartdbouw betrefa. gedicht op het landleven. fend. Gectic (dzji-oVik), a. de aarde betreffend, Geranium (dzje•ree'ni-um), e. geranium. Gere ► t (dzji'rent), a. dra3end. Gerfalcon (dzjur'fao-kn), s. giervalk. Germ (dzjurrn), a. kiem; oorsprong. German (dzjar'rnen) a. verwant; duitsch. cousin—. voile neef (nicht). —flute, dwarstluit. —toys, Neurenberger waren. —ie, (-rnen'ilci, a. germaansch. ( -lam), a. duitsche spreekwijze. it ertntander (dzj ur. men'dur), a. manderkruid. Germin al (dzjuemi-nel), a. de kiem hetreffend. —ant (-neat), a. kiemend, spruiteud. —ate (-neet), v. a. duets komen; v. n. ontkiennen, uitspruiten. —shoe (.nee'sjun), s. ontkierning, groei. Gerund (dzjer'und). a. gerundium. Gest (dzjest, ), a. daad; reisdagboek. —ail. (-tee' r,jun), a. draeht (van dieren). —ic, a. van de gebaren; overgelever d • Gestieulo to (dzjes-tik'joe-leet), v. a. nabootmen; v. n. gebaren maker, —tion (-lee'sjun), a. gebarenepel. —tar, a. gebarermaker. Gesture (dzjestljoer), s. gebaar, beweging. Get (get) [got], v. h. bekomen, winners, verkriigen, verwerven; doe,; to weeg brengen; overre-
455 --Aoudendo secret, close, reserved. —Amsding, secrecy. —korner, cabinet, private room. —road, privy council; privy counsellor. steganography. —sehrijner, secretary, —sinnig, by. bw. mysterious (-ly). mYeteriowsness. —ante, o, mystery . Gehekei, o. hatceelling; criticising, censuring. Gehelutd, by. helrned. Geirsuieite, o. palate; twit,. —letter, palatal letter, palatal. Gehengeu, ov. w. to suffer, to tolerate, to allow. Geheugers. o. memory. —leer, mnemonics. —is, v. remembrance, memory, Gelteveld,bv. leavened. CA ehUg , 0 panting, gasping. Ge311k, o. hiccupping. ehink. o. halting, limping, Gebinalk,o. neighing. Gehabbel, o. jolting; stammering. Gehoest, o. coughing. ti ell° nee', o. bungling, huddling, tenburrapell, o. hobbling, stumbling. ea niaraor, o. beach, OAT; audience; auditory. — geven aa-a, to toys (to lead an) .r to. — vinden bij, to find a hearing with. —bale, auditory canal. --gang, auditor passage. —kande, —leer-, acoustics. —vlies, tympan. —salt, hall of audience, auditory. —geauw, auditory nerve. —40, bv. vertrek, room in which one mey cattily hear what is said or done near it. G ohoornd, by. horned. Gebuorsitern, by. & bw. obedient (ly), entlftil (ly). —held, v. obedience, dutifulness. Goltoorsatnen,ov. & on. w. to obey. i Gebeis,o. tossing, jolting. Gebotsdera, he. obliged, boanden. Gebueht, o. hamlet. Gehtilehel,o. dissembling. Gehuil, o. howl, howling,yelling. Gehulsd, by. lodged, having a bowie, (debunker, o. hankering. Gehuppel,o. skipping, hopping. Gel, v. bran. —form, brail,clew-garnet --tour/seine, clew-block. —en, ov. W. to clew (to clue, to br.,11) up. lied, by. too fat, rook; too much dunked; luxuriant; lascivious, lustful, lewd, lecherous. —held, v. rankness; linurian , y; lasciviousness, lewdness, lechery. Gel:loner, m. spark, glittering. (felt, v. goat, she goat. —eleer, goat 's -leather, kid, kid-leather. —evel, goat's skin. —evleeach, govt's flesh. —enbaard, goat's beard. —enblad, woodbine, honey-suckle. —endrek, goat's dung. —.hoar, goat's hair. —enhoeder, goat-herd. —enmelk, goat's milk. —enmelker, goat-milker, gout. sucker. —enutal, goat-house. o. kid. GeJaagd, by. hurried,. uneasy, agitated, nervous —Acid, T. hurry, uneasiness, agitation. GeJachl, o. hurrying. Geionatner,o.larnenting,lamentation. GeJank, o. howling, yelping. GeJeuk,o. itch,itchIng. Gr./ oel,o. sboutingatir. (b.Jonw,o. hooting. u Itch, o, shouting, cheer, cheering, applause.

Pervestiga te (pur-veeti-geet, v. a. nasporen. Petulan ce (pet'joe-lens), —cy, a. dartelheid, (gee'sjun, s. nasporing. uitgelatenheid; onbeschaamdheid. —t, a. —tly, --tion Pervicacl ous (pur-vi•kee'sjusi, a. —ously, ad. ad. liana, uitgelaten, brooddroziken, baldadig; halse,tarrig. —ty (-kes'it-tth), s. halastarrigheid. onbesehaamd. 8. kerkbank; uier. —fellow, kerkPcrwtou. (Pueri-11,), a. doordringbtar, toegan- Pew (pjoe"), buurtnan. —keeper, bezitter eener vaste plasts. kelijk (to). —ness, a. doordringbearheid. bankers —opener, bankontsluiter. —, v. a.a.van Pesade (pa zaad"), a. steigering. stovenzet1Pessintis in (pes'si•mizm), a. pessimiAnus. —t of kerkstoelen voorzien. —woman, ater. (-misV, a. pessimist. (pi'wit), a. kievit, hop. pewet P Pest (pest"), a. pest. —h ouse, pesthuis. Pewter (pjoe'tur), a. tin, spiauter; tinuen hubsPester (pes'tur), v. a. verontrusten, verwarren; re ad. —er, s. tinnegteer. kwellen. —er, s. kweller, plaaggeest. -out, a. alt nop (op taken). P euity hinderlijk, lastig.
illidetnni Ideation (in-dern•ni•tl-kee'sjun), a. m. verontwaardiging. —ity, s. mehandelijkheid; s.th(ateloosstelling,schadevergoedtng.—fy(-dem , hlon, beachiniping. ni-faj), v. R. schadeloosstelien.—ty (-dem'nit.tib), Indigo (in'lli.go), a. indigo. m.e , hadeloosstelling, vergoeding; straffeloosheid. Indirect (in-di- rekt'), a. —ly, ad. middellijk Indemonstrable (in-de-mon'stribl), a. onbe- adelingseh, zijdelings; slinkseh; niet rechtwijabaar. streeks. —ion (-rek'sjun), a. slinkaehheid, dranierij. —netts, s. achuinsehheid; slinksehheid. Ind•nt (in-dent'), v. a. kartelen, Retai' maken; bij verdrag verbinden; in de leer doen (to); v. n• Indlacerni ble (in-diz-zuenibl). a. —bly, ad. zieh slingerend bewegen. I onbespeurbaar, niet te onderscheiden. —blencss, een verdrag —anon (-tee'sjun), a. nittandig; getandheid; a. onbemerkbaarheid. keep. —are •oer), s. verdrag, leerbrief; v. a. bij Indiscerpil ble (in-dis surp'tibl), R. onoploseontract verbinden. boar., onvernielbaar. —bility (-ti-bil'it-tih), s. onlindependen (in-de-peredeus), s. onafhan- vernielbaerheid. kelijkbeid. —t, R. —fly, ad. onafhankelijk (of). lndisciplinable (in-dis'si-plin-ib1), a. onhanindeptil► ensible (in-dep-ri-hen'sibl), a. onuit- delbaar. vormehbaar. Indiscoverable lin-dja-kuv'ur-ibl), a. niet te indeprivable (in-de-prajv'ibl), a. onroofbaar. ontdekken, onzie:tbaar. I wieseribable (in-de-skrajb'ibl), a. onbeschrij. Indiscre et (in-die-kriet'), R. —etly, ad. onbeseheifeNk. den; onbezonnen. —tion (-kresrun),a. onbeseheiIndesert a. verdiensteloosheid, denheid; onbezonnenheid. Indestr•ucti hie (ln - de•struklibl), a. onver - Indiscrimina to a. — tely, nielbaar. —Linty ( ti.bil'it-tih), s. onverniel- ad. niet onderscheiden, zonder onderseheid. baarheld. —lion (-nee'ajun), a. gebrek aan onderseheiding. Indetermina tale (in-de-tur'ml-nibl), a. onbe- Indispensa hie —bly, ad. onpaalbaar. a. —tely, ad. (-net-), onbepaald. verrnildelkjk, noodzakelijk (to). —bility (•se-bil' —teness (-net-), —lion (-nee'sjun), s. onbepaald- it-tih), s. onvermijdelijke noodzakeheid; besluiteloosbeid. lijkheid. Indev otion (in-de-vo'sjun), a. ongodsdienstig- Indispos e v. a. ongeschikt held. —out, a. —outly, ad. (-vaut , ), ongods- (ongesteld,ongenegeW maken (to. towards). —ed, dienstig. R. ongesteld; ongesehikt; ongengen. —edness, Zredex (in'deks), a. handwijzer; wijavinger; bled- a, ongeschiktheid; ongezindheid. —ition (-pa. wijzer; exponent. zisj'un), s. ongesehiktheid; ongesteldheid; ongeIndoxterity (in-deks-terit-tih), a, oahandig- negenheid. heid. Indisputa Me (in-dis-pjoe'tibl), a. —bly, ad. 11cdin lin'di-e), a. Indii!„ kantoor der onbetwisthaar. —6leness, s. onbetwistbaarlteid. onstindiache Coropagnie (in Lnnden). —wan, Indisso:u bls (in - dis'ao - ljoeb1), a. —bly, ad. ooatindievaarder. —rubber, gong-elastiek. onoplosbaar. (.1joe-bil'it-tib), —breness, Indian (in-djen), s. Indii4r; IndiRan; a. indiseh, a. onoplowbaarheid. onoplosbaar; indiaanseh. — corn, turkaCie tar•e, mazy, — ink, Indissolvable oostindisehe inkt. onverbreekbaar. Indicts: nt (ju'dj.keut), a. aanwijzend. (-keel), Indistinct (in.dia-tinIct 1 ), a. —ly, ad. onduidev. R. aanwijzen, aanduiden. —tion (-kee'sjun), lijk, verward. —nets, a. onduidelijkheid, vers. aanwijzing; kenteeken. —five, R. —tively, ad. wardheid. (-dik'e-tiv), aantoonend (of). —tor (in'di-kee-tur), Indistinguishable (in - dis - ting'rwisj.ibl), a. a. aanwijzer. —tory (iu'di.ke-tur-rfh), a. am- niet te onderscheiden. wljzend. Indisturbance (in.dis - tuebens), a. kalmte, on;Indict (in - daft'), v. a. sehriftelijk aanklagen; in gestoordheid. rechten betrekken. — able, a. beschuldigbaar. Indite (tn•dajtl, v. a. opstelien; vbOrzeggen, —er, a. aanklager. —ion (-dikajun), a. verklaring; dieteeren. — a, a. opateller; dicteerder. aankondiging; indictie. —ment.s. aanklacht, akte Individu ial (in-di-vidloe-el), a. enkel 'wean, van beschuldiging. individu. —al, a. —ally, ad. ondeellg; bljzonder, 1-nditicren cc (in-dit'fur-ens), F. onverachillig- persoonlilk. —ality (-el'it-tib), a. ondeeiigheid; held; onpartijdigheid. —t, a. —fly, ad. onver- persoonlijkheid. —alize (•ajz), —ate (-eet), v. a. sehillig (to); onpartijdig; middelmatig. onderscheiden; ala individu voorstelIen of beIndigent ee (in'di-dzjens), —cy, s. behoeftigheid, sehonwen. nooddruft. —e (-Ozjien), a. inboorling. —ous Indivisi ble (In-di-vieibl),, a. —bly, ad. ondeel ( - didzre.nus, a. inheemsch. —t, a. behoeftig, baar. —bility (-i-bil'it-tib), —bleness, a. ondeel noodlildendW). ' baarbeid. Indigest ed a. ouverteerd; on - Indoci le (in-dos'11), —ble (-ibl), R. onleerrijp, onbekockt. —ible, a. onverteerbaar. —ion zaant; ongezeggelijk. —lity (•do - ail'it - tih), a. on(-jun), a. sleehte aptjavertering; onbakooktheici. leerzaamheid, eagezeggelijkheid. Indigita te (in.didzj'i.teet), v. a. met den via - Indoctrina to (in - dok'tri - neet),v. a. onderwkjger aanwijzen. —lion (-teeN1111), R. duidelijke zen (in). —lion (-nee'sjun), s. ontierwija, leeaanwtizing. ring. Indigli an* (in•dig'n,nt), a. ad, ver- Indolen aye (in'do-lens), a, traagheid, VadRigortiwaitrdiol, (at). told. -4, a. --Hy, id. trang, vadmiK• (-nee'mjnn),

If you don’t have the Store Item(s)/Expansion or Stuff Pack(s) mentioned in this item installed on your system, the item will download from the Exchange and can still be installed. Upon download of the content, you will see a warning icon in the status section in The Sims 3 Launcher notifying that you are missing content. In place of the missing content you will receive a similar default item in its place, or, no item at all.


ongehan de zuster. —speech, eerste redevoering. ftletjor (mee'dzjur). a. grooter; meerderjarig. s. grootere, oudere; meerderjarige; majoor. —sword, ongebruikt zwaard. —wort, maagden- ( do'mo), a. opperhofmeester. — general, krnid. —head, --hood, 8. ntaagdom, maagdelijk- generattl-majoor. —ity (me dzjor'it-tilt), a. meerhe'd. —like, —1Y, a, ma agdelijk; zedig. derheid; meerderjarigheid; mejoorsehap. (-1i-ness), a. maagdelijkheid; zedigheid. Mali (steel'), a. pantser, mane; brievenmaal, -post; Make meek'), a. vorm, gedaante, maaksel. —bate, twietstoker. —peace, vredeatiehter.—shiff, hulp;Tote; vlek. —coach, pootkar. —day, postdag• middel, uitweg. —weight, toetrift, doorelag. -, v. a. bepantseren. —able, a. per post to see- zenden. —ed, a. gevlekt. Make (meek) [made], v. a. maken, vervaardigen; s. verminking, verlamming; bedoen; bereiken; winnen; dragon. —account, stoat, (rceem'), Maim na(leeling, letoel, gebrekkigheid. v. a. ver- maken. — the best of', zich ten nutte maken; zich sehikken in. — a boast ef, poehen op. minken. —edness, a. verminktheid. — a fool of, vase den gek houden. — good, ver. Males (mien), a. (het) voornaaroste, hoofddeel; maoot; geweld; oceaan, •ereldzee; vaeteland; goeden; vervulljen. head, het hoefd bieden. pakmand; worp; weddensehap. in the —, over — land, land zlen. — a roes, een verlies lijden. het geheel. upon the —, ten laatste, ten elotte. — love, vrtjen. — war, oorlogen, (away) uit. den Main (meen'), a. voornaamete, hoofd-, —bedy, weir mime], (out) ultmsken; verklaren; uitvaargros (van een leger). —boom, zeilboom, giek. digen. (over) overdragen (up) vergoeden; op-, —bowline, grants boeglijn. —braces, groote bras- uitmaken; vol waken; aanvullen; toevouwen; sen. —business, hoofdzaak, .vak. —channel, groot- sluiten; beelechten; — one's mind, eon beeluit rust. —deck, hoofddek. —fear, groot kardeel. semen. v. n. gaan, zich begeven; zich aan-guard, hoofdw seta, —hatchway, groat luik. stellen. — light of, liebt tellen, gering achten. —keel, vaste keel, —land, vasteland. —lifts, — merry, zich vermaken. muchof, veel ophebgroote toppenant, —mast, gyrate mast. —post, ben met, week waken van. (after) volgen; seeachtersteven. —preventer- stay, groote loom 'gag. volgen. (against) tegen. nsdeelig zijn.(at) —sail, sehooverzeil, groot zeil. —sheet, groote gaan op. away) zich wegmaken. (away with) doorschool. —shrouds, pl. groot want. —slide, groote brengen; zich ontdoen van. (for) Melt begeven roar. sehulfepter. groote spriet. —stay, groote (op Melt wegpakken. (on) voortmaten. (up for) vergoeden, heretellen; inhalen.!(up to) toetreden stag, —stay-sail, groat stenge-stagzeil. —tack, groote hale. —tackle-pendent, hanger aan den (afgaan) op, naderen. (with) overeensternmen; zich bemoeien met. grooten moat. --top, groote mars. Zie beneden. Make less (meek'lesa), a. zonder wederga; zender —yard, groote ra. echtgenoat of vriend. —r, s. molter; sehepper. Main 1y (meenqih), ad. hoofdzakelijk, grooten- deels. —pernable (.pur.nibl), a. ale borg toe to Making (meek'ieng), s. (het) maken; rnaaksel. —iron, kalfaatijzer. laten. --pernor (-par.-our), 8. horg, borgtoeht. --prise (-prajz), a. vrijlating tegen borgeteiling; Malachite imere-keji,), a. malachiet. v, a. tegen borgstelling doen onts!aan. —swear Malady (mel'e-dill), s. ziekte. (-s weer) Bra], v. n. valech zweren. Malaga (mere-ee), a, Malaga-au ijn. /11 airlift-du (men-teen', v. a. handhaven, in stand ittlalandera (meren•durz), pl. kniegezwellen. houden; onderhauden; staande houden. —able, Malapert (mere-purt), a. —1y, ad. onbesehaamd, a. houdbaar, verdedigbaar. —er, a. handhaver; onbeeehoft. —ness, a. unbeechasmdheid. Malaxate ( me•leks'eet I, v. a. zeeht (week) maken. onderhouder; beweerder. Maintenanre (trieen'tn-ens), a. onderhoud; hand- Male (meel), a. mannelijk. —. a. mann etje. having, verdedigine. . Male (met - ) administration, a. slecht beheer. Maintop (meen'top), a. groote mars. —content (mel'-), a. mienoegde, ontevredene. —content (mel'.), —contented (-kun-tent'id), a. Maintop-gallant igerlent-), —mast, a. groote misnoegd, ontevreden. —contentedness, s. misleramsteng. —royal-mast s. groote bovenbram- noegdheid, ontevredenheid. sieng. —royal-sail, a grout bovenbramzeil. —royal- shrouds, pl. groot bovenbvarnstengewant, —royal- Male diction (mel•e•dik'sjon), a. vervloeking. yard, s, groote bovenbramra. —sail, a. groot —faction (-fek'sjun), a. wanbedrijf. —factor (-fekt'ur), 8. booadoener. bramzeil. — shrouds, pi. groat bramsteligewent. Male leaswace (mel-tle'zens), s. misdrijf, wan• —yard, a. groote bramra. bedr ijf. —formation (-fur-mee'sjun), s. slechte vorMaintop-mast (meen-top'mast), a. groote stews;. - shrouds, pl. grout stengewant. —stay-sail, s. ming. —practice (-prek'tis), s. kwade praktijk, groot stengeetagzell. onwettige daad. Maintop (tateen-top , ), —sail, a. grant n ► arszeil. Mftlevolen ce (me-lev'o-lens), a. I, waadwillig-suit-yard, a. groote topzeilra. —yard, groote heid, boosaardigheid. —t, a. —tly, ad.kwaadwilmarszeilra. lig, boosaardig. Main - try-Rmeen - traY - ) sail - gaff, a. etormgaf• Malice (merle), a. boos-, kwaadaardigheid, boos fel aan den grooten mast. opzet. to bear —, wrok koesteren. Main-yard (meen'jaard), a. groote ra. Malicious (me-lisj'us), a. —1y, ad. boosaardig, valseh. -ness, a. booaaardigheid. Maize (meet!, a. mays, backache tarwe. Majest is (me•dzjes'tik), —ical, a. —ically, ad. Malign (me-lajn"), a. —1y, ad, boosaardig,nijdig. majestueus, verheven. —lea/tress, a. (het) ma- —, v. a. benijden, benadeelen. jestucuse, verhevene. —y (medzres tih), a. ma• Malign aney Ime-lig'nen•sih), —ity, a, boos, jesteit, verhevenheid. kwaadatadIgheid, valsehheid, —ant, a. —antiy,
410 Betwixt blear, by. contestable, Caputable. —baarheid, v. contestableness. —en, ov. w. to context, to dispute, to litigate. --er, m. disputer, antagonist. v. contestation, disputation. Ben, by. tired —,'Irk of. Mengel, tn. iron hoop. — ring, bow. crampiron; stirrup; spring, clasp. dat ken niet door den —, that cannot be excused, —Mach, springpurse. —en, 03. W. to bowl. Bank, tn. beech. —ebqom, beech-tree. —enbocels, beech-grove. —enhout„ beech-wood. Bank elenr, m. buckler, shield. —en, on. w. to mail; to lick, to drub. —tamer, mallet, sledgehammer. —er, in. beater. --kg, v. mailing; licking, drubbing. Beni, m. hangmen, executioner; torwrentor, tyrant. —sknecht, assietsnt-executioner. —ewerk, hangman's work. —acktig, be. cruel, bayberous. —en, on. w. to drudge, to toil. -Fa, v. hangman's wife; tormentrees, tyrannese, "Reuling, v. pudding, sausage; bungler,s1mpieton. Benisehnp, o. hangman'. office. Henn, v. fish-trunk; garret. —haat, interloper, spoil-trade, unlicensed : broker. —haven, on. w, to interlope, to follow a trade without being licensed. Beurder, In. lifter; receiver. —en, oe. w. to lift (up); to receive. —ing, v. lifting; rezetpt. illeuwei, v. purse; stipend; exchange. oP de —, on change. nose cte — gaan, to go on change. —deg, exchange-day. —draper, --header, purser, tree, seer. exchange-bell. —knecht, exc 'rangekeeper. —prtis, exchange-price. —reglentent, exchange-regulatiova. —spel, speculation, stockjobbing. —tejd, —uur„ time (hour) of exchange. —.eke., exchwege-business. Beursch, be. mellow, half-rotten. —held, v. mellowneas. Resort, v. turn. aan de— liggen, to be ovens turn, to be In torn. to — 'cane, to fall to one's share. ons bij —en, by turns. — gesang. alternate song. —man, —*chip, large, packet•boet. schip• per, barge-man. —wisseling, alternation, rotation. —clings, bee. alternately. —eisngeeh, bv. alternate. illenrzen maker, in. purse-maker. —snider, m. cut-purse, pick-pocket. Benzel nor., m. —aarster„ v. trifler, tier. —achtiff, be. & law, telling (Ay), frivolous HP, whittling. —achtigkeid, v, triflingnese, frivoloueness. —arij, v. fiddle-faddle, trifle. —en, on. we to trifle, to idle. —kraam.,toy-shop. —kennice, try-man, hawker, pedlar. —proof, —tail, noreenee, idle chat. —week, trifling work. —Sag, v. trifle, bees, ble. Bevanrbitnr, be. navigable. —held, v. navigablenem "Revell en, on, W. to be brought to bed, to be delivered; to please. v delivery. illevaidlOg, by & hw, charming (-lye, pleasing (-ly), pretty (-ily), graceful (-Iy). —held, v.cherengracetulneme. —.Wen, v. ma. champ, Kratee. Bevang on, or. w. to overwhelm, to seize, to overtake. Iievetercen, ov. w. to nevigate; to work(een

.1 —J US. 161 goochelaar. —cry, P. goechelarii. —tag, a. (hot, Jeirlettlet Icsits (dzjoe-ris-tiik'sjun), e. rechtsge• goochelen; bedriegerij. —ingly, ad. bedriegelijk. "hied. —ional, a. gerechteltjk. —ire, a. rechterltk. Jugula r (dzjoe'gjoe-ler), a. van de keel. s. keel- Juriapruden ce (dzjoe-ris-proe'dens), a. recta. ader. —tc (-lest), v. a. worgen. —floe (-leesjun), a. geleerdheid. —t, a. reehtsgeleerd. —tial (-den' ajel), worgiug. a. van (betreffende) de rechtsgeleerdheid. Juice (dzjoes'), s. sap. —cleat, a. sappeloos. —iness Jur let (dzjoe'rist), s. rechtsgeleerde. —or (-ur), (-1-ness), a. sappigheid. --y, a. sappig. s. gezworene. Jujube (dzjoe'dzjoeb), s, jujube, roode borstbes. Jury (dzjoe'rih), a. jury, rechtbank van gezwoJuke (dajoek), v. a. roesten (van vogets); toeknik- renen. —box, bank der gezworenen. —leg, houken. teu been. —man, gezworene. —mast, rit,o d. Ju lap (dzjoe'lep), —leg, s. koeldrank. mast. Julian (dzjoe'li- en.), a. jeliaanech. — account,ju- Just (dzjust), a. rechtvaardig, oprecht, billijk, Paansche tijdrekening. eerlijk, uauwkeurig. —, ad. joist, even. — by, July (dzjoe-lajn, s. Juli, booimaand. dicht bit. but, — pas. — note, aanstonds, no. —, Jilinart (dzjoe'maart), s. buipaard, -ezel. s. Zie Joust. Jumble (dzjunfb1), a. reengelutoes. —, v. a. door Justice (dzjutetis), a. gerechtigheid, rechtvaarelkander rrnijten; v. n. geschud worden. —meat, digheid, bitlijkheid; rechtspleging; rechter. chief s. Zie Jumble. —r. s. verwarder. —, opperrechter. — of the peace, vredereclater. Jump (drjume), a. sprong; kens; IR"fie. —, v. a. in —, van rechtewege. —meat, a. rechtspieging. op 't spel zetten, wages; overbeen spring.. —r, a. rechtsbedeeler. —ship, a. rechterschap. —, stapnen, overstaan; v. n. epringen, huppeleu; Justlela bits (dzjum-tisfi-ibl), a. veneer vane hotsen; ;at) gretig aangrij pen. —r, a. springer. rechterlijke kennIsneming. —ry (-e-rih), a. rechtaJuncate (dzjun'ket), s. kaaskoek; lekkernij. bedeeler. Juncous (dzjung'kus), a. vol biezen. Justif lable (dzjueti fsj-ibl), a. to rechtvaardiJuntt Ion (dzjungk'sjun), s. vereeniging. —ore gen. —iableneas, s. rechtvaardigbaarheid. —iubly, (-tjoer), 8. need, voeg, gewricht; vereeniging; ad. op cone wijze, die to rechtveardigen is. —icatijdagewricht, station. lion (41.-kee'sjun) a. rechtvaardiging. —icatire , June (clajben), a. Junt, zamermaand. —icatory (-tiri-ke-), a. rochtvaardigend, bewijJungle (tzjung'g1), s, dicht botch. mad. —icator (41-kee-tur), —jer (-faj-ur), s. recbt Junior (dzjoen'jur), a. ouder. —, a. oudere. vaardiger, verdediger. —y (-raj), v. a. rechtvtterJuniper (dzjoe'ni.eur), a. jeneverboom. —berry, digen, verdedigen; rechtvaardig makes. jerteverbes. --tree, jeneverboorn. Justle (dzjua's1), s. echok, bottling. —, v. a. Junk (djungk'), s. jonk; slapping. —axe, mastbijl. stooten, duwen; v. n. schokken, botsen; strij-bottle , g ► azen ttesch. den (for). Junket (d,jungk'it), a. gebok; lekkernij, snoe- Just iy (dzjuseliW, ad. met goed recht; rechtvaa•perij. —, v. n. smullen, snoepert. —ing, a. smt-,1- ,, dig; nauw4e urig. —nest, a. rechtvaardigheid, partij. ! billijkheid; juistheld, nauwkeurigheid. Junto (dzjun'to), .. vergadering; partij; eedge ;Jut (dzjuti, s. uitstek. —window, uitspringend span. ream. —, v. n. ultspringen, overhangen. —ty, a. Jurist (dij.e're.t), a. gczworene, schepen. --ory, a. I uitstek; havendam, -Itoofd; v. n. Zie.to Jut. onder cede. ,Juveibll e (dzjoe've-nil), a. jeugdig, —ity (•nil'Juridical (dzjoe-rid'ikl), a. —1y, ad. gerechtellik. ! it-tih), a. jeugdigheid. Jurlaconsult (dzjoe-ria-kon'sult), a. rechtsge; Juxtaposition (dzjuks-teepo-zisj'un), s, naast• leerde. • elkander-plaateing.
Because (be-kaoz'), Conj. omdat, dewijl. —of, wegens, om. Bechance (be-tsj flans"), v. n.gebearen,overkomon. Becharin (be-tsjaarm'), v. rt. betooveren; voorinnemen. Beck (bek), , knik, wenk. —, v. a. & n. knikken, wenken. Beckon (bek'kn), s. knik, wenk. —, v. a. & n. kniii ken, wenken. Eleellis (be-kiln"), v. a. omarmen, omhelzen. Becloud (b,-kkud'), v. a. ornwolken, benevelen. B ecom e (be-kurn") [became. become], v. a. goedsta., pasoen, betamen; v. n. worden. —ing, a. —ely, ad. betamelijk, voegzaam. —ingness, s. betameliikheid. Bed (bed), s. bed; bedding; law. to make the —, het bed opmaken. to be brought to —, bevel len. —chamber, slaapkamer. —clothes, dekens-ding, s. beddegoed. —fellow, —mate, bedgenoot. —hangings, bedgordijnen. —post, beddastW.—premser, luilak. —rid, —ridden, bedleKerig. —room, slaapkamer. —side, sponde. —stead, hedstede. —swerver, echtbreker. —tick, beddetijk. —lime, tijd om mar bed to gaan. Bed (bed(, v. a. to bed leggen; planter, Bedabble (be-deb"b1), v. a. besproeien. hiedaggle (be deg'g1), v. a. bemorsen. Iledash (Ite-deAn, v. a. bespatten. Bedaub (be-daowb'), v. a. besmeren. Bedazzle (be-deezl), v. a, verblinden• Bedeck (be-dek"), v. a. opae,hikken. Bede/assume (bied'haus), a. godshuis, artnhuis. Bedew (be-djoe'), v. a. bedauwen. hiedight (be-daft' ► , v. a. en a. versieren, versierd. B edlm (be-dim"), v. a. verdnisteren. Bedizen (be-dajzre), v. a. opschikken. Bedlam (bed'lem), s. krankzinnigen-gesticht. —ite (-ajt), s. krankrinnige. Bedraggle thedreg'g1), v. R. bemodderen. Inedrench (be drentsj"), v. a. doornat maken. Betle9p (be-drop'), V. a. bedreppelen. Redick (be-fluk"), v. a. onderdompelen. Bedung (be-dung'), v. a. bemesten. B etinst (bP-dust' ► , v. a. bestuiven. Bedwarf (be-dwaorf'), V. R. knotten. Bee (bid), a. bij; § kranmje van vrienden, die een' hunner in zijn week helpen. —eater, bijenspeeht. —flower, mtandel krui d. —glue, maagdenwas. — hire, biienkorf. § —line, kortste )naaste)weg. —master, bijesfokker. —s-wax. Beech (bietsj), s. beukeboom. — en, a. van benkenhout. Beef (bier), a. rundvleesch. —steak (-Meek), runderlap, biefstuk. v. —eater. s. lijfwaeht, bewaker. Beer (bier), a. bier. --house, bierhuis. small —, dun bier. strong —, zwaar bier. Beet (biet), s. beet,beetwortel. v. n. Beetle (bie't1), a. tor, ke,ver; beukhamer. overhangen. —brewed, norsch. —headed, comp, but. Beetlerootsugor of Beetsugar, s. beetwortelmuikerBeeves (bievz), s. rundvee. Befall (he faol') [befell. befallen], v. a. overkomen , wedervaren; v. n. gebeuren. Befit (be - flt'), v. a. passes, betamen. H eroism (be-foom'), v. a. met schuim bedekken.
u ilJblety (joe-bare-tih), a plaataelijkhaid. Ublegiutit atry (joe-hik'wi-te-tih), —out, a. alumtegenwourft. —y. a, a1omtegenv,00rdigheid. Udder (nd'dar), a. uier. Udoesseter (joe-dom't-tor), e. regenmeter. Uiti ltiy (aglii-lth), ad. —2/, a. --inns ( - Iines.), a. ieelijkheid. Ult•r (ul'aur), a. zweer. —ate (-net), v. n. & (down) zwven. (-ec'sj ue), a. zwering, yerzwering. —ad (-surd,„ a tot nano zweer gewerden. —nue, a. vol zwereu. Uliginouts (joe-lld'ajt-nu'(. a. alijkig tectiderig. (ullidzj), e. aanyalling (v/oar lekkage). U‘terior (ul-ti'ri-ur), genatzijdath. venter. Ultima ate (uPti-met), a. laatat; Vera;. --ately, ad. ten alotte. ---ration (-rnee'ajon), —atom tuna), a. laatste — yoorwaarde. —.o, ad. van da vorige maand,pasaato Ultra. (uPtre), a. uitetat, ultra. —marine (-merlon), a, overzeesch; a. bergblaut, —onontane (-mon'ten), a. aan gene Ode tier bergen liggend. —tesundane (-xnun'tlen), a. boyenaardsch, butter& de went& 1LIkultasiots (ul-joe-lee'ajun), gehuil. Umbel (um'bil), a, acherm, Mauro. —tar (-ler), a. achermvormig. —late (-tet), —liferous a. bloemachernadragend. Umber (um'burl, a. omber (vettatot). —, v. a. mot umber kleureu. —ed (•burd), a. gebruind, geachaduwd. Uants1110 (um-bil'ik), a. navel: middelpunt. —at, a. navel-; cIrd, navelatreng.
W Zit (weet'), s. leer, hinderiaag. to lay — for, —tag, a. — ingiv, ad. zwervend, ronddolend; on;ItaPn Jeggen, strikken apannen. v. a. & 12, zsker, onbeatendig. waeltten, verwachten; vergezellen; volgen. (at) Wane (ween), a. (het) afnemen; vernal. —, v. n. bedl , nen• (for) wachten op. (on. upon) bedienen., afnemen, vervallen. tan dlenste etaen; zijne opwachting rneken bij; Wan mass (won'neie), a. bleekheld, ftetahald. begeleiden; volgen, —er, s. fan (bediende); Op. —nick, a. een weinig bleek, net., ► ammitr; preeenteerblad. a. het wachten. Want (wont), e. behoefte, gebrek, gents; mob. to egeleiden, bedienen; in —, dtenetdoend; —boy, be in — of, noodtg hebben. for — of, bij gebrek loop'Ingen; --gentleman, kamerdtenser; —maid, van. —, v. a. nnodig hebben, behoeven, gebrele —woman, oppasster; kamermeisje; kanienter. —s, hebben *RIO: ontbreken; wenechen, veriangen pi. stadsmurikanten, kerszangers. (van); v. n. gebrek hebben (for, in, lien), rnissen, (weev),.. verstootene. v. a. verlaten;buf- ontbreken; in gebreke blijven; to kort komen ten de beecherming der wetetellen.Zie toWnves. (in), moetim; veriangen1 'ilk, van). —ed, a. noodig, Wreke (week'), 8. (het) waken; nachtwake; kerk- gevrasgd; you are —. !Len vraagt near n. —ing, wijdingsfeeet; kietwater, zog. —robin, arons- a. & part. ontbrekend; behoevend; u1tgezonderd; wortel. v weklren; v. n. waken ., ontwa- s. gebrek, behoefte. —less, a. gegood, welgesteld ken --;uf, a. —fully, ad. weakzaam; wakend. Wanton, (won'tun), a. —/y,ad•wellustig,wuipsch, —fulness, s. waakettamheid; stapeloosheid. weelderig; uitgelaten, dartel, balddadig; vroolijk, (wee'ku), v. a. waken; v. n. ontwaken. echaikachtig; low. —, 8. lichtmle; liehtekooil —er, n. wekker; opwekker. beuzelaar. —, v. n. dartelen, uitgelaten rijn• sitoeien, mallen. —nest, a. wulpechheid, weelWeaver (wee'kur), 8. wekker; welter. derigheid; uitgelatenheid, dartelheid; eehalksch%Val (weal), s. striem, !greet); berghout. held. Walk (want'), n, wandeling; wandelpteats, loon; gang, tred; ruimte. to take a —, eene wandel', ► g Wamentake (wep'n-teek), a. distrikt, kanton; ho nde p rdtael. (teen. —, v. ar. bewendeten, doorloopen; doen etappen; Wet., — the rounds, de rondo doer, (wop'pnd), a. neerelachtig, bedroefd; —, v. n. wandelen, ;roan; etappen; spoken. (about) verwelkt, afgeleefd. rondloopen. (in) bienentreden. (off) rieh wegina- War (v, aor'), s. oaring, keijg; wapenen; legermacht; vijandetUkheid. to be at —, in oorlog On. ken (on) voortwandelon. (out) uttgaan. —er, e. to make (on, upon), den oorlog aandoen. wandelaer, voetgenger; voider; boachwachter. —beat, —beaten, —worn, door oorlogen uttgeout. ---ing het wandel en; —cane., —staff, —stick. wandelstok; --fire, dwaa I ileht; —place, wandei- —cry, oerlogskreet. —horse —steed, strijdros. —effiee, minieterie van oorlog. —proof, tegen een' pleats. %Vail (wao!P ► , rt. moor, wand; wal, veetingwerk. to S•L , A1 beetand; s. beproefde dapperheid. —rocket, give (to take) the—, de hnorer and late n (nemen). congreeische vutriti,j1. —scot, oorlogabelesting. —time, oorlogettid. v. a. beoorlogen; v. n. —creeper, muurepecht. —eye, eroene etAar, glee • oorlog voeren, etrOden (against. upon. with). oog. —eyed,Oaloogic —fern, muur veren. —flower, muurbtoene. —fruit, spalterooft. —gun. --piece, Wart)! to (waor'b1), a. lowing; gekweel; ealtgehaekbus. —hook , muurhaak. --knot, 8childknoop. -e, a. a. & n. kwellen, zingers, kwinke—louse, wandlute. —moss, eikenmoh. —nail, epeleeren; (doen) trillen, —er, e. kweeler; ranger; liernagel. —pepper, muurpeper huistook. —rue, eangvogel. —ing, s. gekweel, moor-,, et eenrnit. --3ided,atijf, met rethte zijden. Ward (waned'), o. wscht, bewaking, hdeeherming; —tree, leiboom. —wert, wilds viler. —, v. A. met afwering; voogdkj; pleegkind; siterkte, vesting; Pe't' moor oenr, en; verstarken; (up) diahtmetsebesetting; gekeneaal; etadswbk, kanton; hech• 1 - a. —ing, s. beuuring; metsetwerk, tents; week lin een slot); eleutelbaard. —mote, NiVallet (waorlit), 8. rei,eak, knepzak; avijkvergadering, eltting van het kantongeeecht. —penni„waakloon. —robs, kleerkas. -room, groote kwebbe. kajnit. --., v. a. bewaken; (from) bewaren, be• (wol'iup), s. horde slag; klomp. v. sebermen voor; (off) ofweren, atwenden; v. n. a. afrossen; v. n- Medea), koken. woken, op eijue hoede zijn; rich dckken. —en, Wallow (w WIG), o. waggeing, draaiende gang; (weord'n), a. oprlener, bestuurder, hooldnnan; wenteling. —, v. a. & n. (etch) rotten, wentelon. rector; voogd; opsiener der out zeehavens; ponds—er s. ear viw entelalr; rondsel. a. voxpeer. —ens ,iip (waord'n-), a. opeienerschap; reeseheald, smakelooe. ithneu, a. verechaaldheid ; torachap; voogdijschap. —er, s. wachter, be smekeloosheitt. aarder; herautestaf. s. voogdij; minderWn Inuit (witornut), a. okkernoot; notehootn. iarigheid• —husk, --peel. noteboleter. —tree, nntebnorn, Ware (went'), s, wear. koopwaar, Dutch —, Vot con (waerrus), —Iron (-ttun),s. walrus. dalftsch aar dewerk, plateelwerk. small —e, emitsWit!tr (wawte), se Walk -, v, n. waleen. terijen; Mein liner- en etaalwerk. —house, pak• Welly (weetih), R. vol. ateeteen, etrepen. huts, magazijn; —book, pakhuisboek; —charges, 1%nm:bite (worn'hi)., v n. mietelijk rijn, draaien. pakhulaonkosten, —hour; —clerk, pekhuimbedien 'Wan (won), a, bleek, fletr. de; keeper, —man, mactazijn., pakhuiemeester; Waled ( wood), a. staf f, roede; teoverstef. grotsier; —vent, pakhuishuur. —house, v. a. op Wander (won'etur). v. n. ewerven, ronddolen; slaan. —housing. a. (het) opelaan, opslag. reeskallen; (fro)n) afdwalen, afwijken van. —er , e. ronddoler, ewerveling; landlooper; ardwitier. Warl (wrer'), ar,. Zit Aware. —, a. n. Zie to itewatre. —lees, a. onvoorzicktig, —ing, es onerwerving; afetweling; verhijetering.

[arose (e-rooz"), arisen (e-rizn')], oprijzen, optreden, voortspruiten. a. ndelregeering; de aanzienlijken. —t (e-rieto-kret), a. ariatocraat. —tic (-to-kret'ik), —tical, a. ariatocratisch. Arithmetic (e-rith'me-tik), a. rekenkunde. —al Ier-ith-met'ikl), a. rekenkunstig.;—ian (-tis'ajen), a. rekenkundige. Ark (aark), a. ark; § rivierschip. — of the Covenant, arke des Verbonds. Arm (aarm'), a. arm; tak. —chair, armstoel. —hole, —pit, °keel. at —'s-end, —'s-length, op behoorlijken Ostend. —, v. a. wapenen, op behoorlijken afatand. —, v. a. wapenen, ultruaten; v. n. zich wapenen. —ament,a. krijgsmacht. —ature,(-tjoer), a. wapenrusting. —igerous (er.mid'zjar-us), a. wapendragend. —ings, a. schans bekleeding. —ipotence (er-mip'o-tens), a. wapenkracht. —ipotent (er-inip'o-tent), a. machtig van wapenen. —istice s. wapenstilatand. —let (-lit), a. armband. —or (-mar), a. wapenruating. —orial (ermo'ri-e1), a. wapenboek; a. geslachtwapena betreffend. —ory (-murrih), a. wapenkamer; wapeorusting; wapenschild; heraldiek. —8 (aarmz), a. wapenet. coat of —s, wapenrok; wapenaehlld. Arise (e-rajz), v. n. Aristoera cy


Kapal, v. chapel; band (of musicians); butterfly. —nicest Jr, master :of a chapel, conductor of a band. Kapelaan, m. chaplain. Kap en, ov. w. to pilfer; to take, to privateer. na. privateer, corur; shark; —brief, letter of marque; —kapitein, captain of a privateer; —.hip, privateer.. Kasper, v. sap, hood. Kapiteal, o. Capital; stock, fund. Kapttelint, in. capitalist, moneyed man. o. capital, chrtpiter, top. 14. malt Kapttein, in. captain; master; chief. —generaal, captain-general. —splaata, captaincy. —*chap o. captainship. Kapit,rol, o. capitol. Kapittel, o. chapter. —stole, sugar-plum; little bolt of gold. —en, ov. w. to npbratd,to lecture. Keple, o. little cap; circumflex. Ilicapoeta, m. capon. —en, ov. w. to capon, to caponize. K apoets, v. Zie Kepuitaranis. Kapot, v. capote. great-coat, watch-coat. —, by. capot, dead; in pieces, brolani. Kappolen, on. w. to clot, to turn. hap pen, ov. w. to eat, to hew, to fell, to mince, to chop; to lop, to prune; (Act ocher) to cut the cable; to cant; to draws the hair of). —beitel, chopper. —blok, chopping-block —does, dreseing-case. —homer, rig Hikbenser. —kamet, dresetng-room. —mes, hatchet, choppingknife, chopper. —spiegel, toilet-glass. —tap!, toilet, dreasing-table. —per, in. chopper, hairdresser. Kapper, v. caper. —boom, eaper-bush. —to, o. tufted pigeon. —tjeskool. headed cabbage. Knproase, v. hood; male, barnacle. litapeol, o. head-dress; minced stuff. itinpeter, v. ZieKapper, m. Kep - leijn, m. —er., in. capuchin. Kapultsraute. v. fur cap. Kew, v. cart. —repaaa, carter. —,:paard, cart-horse. --respoor, cart-rut. —revracht, tart-load. Kareat, o. carat. K era b lira, v. carubine. —icier, m.carabInier. Karol, v. decanter. Karekter, o. character. —trek, trait, feature, characteristic. —taco, bv. chart cterle,e, unprincipled. —matio, b v. accord:4 to the character. Karevatan, v. caravan. Kairlbeei, m, bracket. Karrusonada, v. cannonade, chop, cutlet, griskin. Karbonkel, na. & o. carbuncle. Kardeel, o. haliard, jeer, fall, Knecteanong, v. cardamom. Knrdiunial, m. cardinal. —shoed, cardinal's hat. —schax o. cardinalship. Kardoen, na. barbet, water-spaniel. —, v. cartridge; bracket. —duos, cartridge-box. --cooker, cartridge-mould. —krop, neck of a cartridge. —papier, cartridge paper. —echerp, —ochroot,ceseshot. —stok, eticit for cartridges. —truck, cartridge-pouch. Kareetisteen, m. brick. —bakkerij, brick-kiln. Karig, bv. & bw. niggard (-1y), stingy (-11y). —hold, v. niggardliness, stinginess.

Wat is IOST cryptogeld


— into; to stake; to propose. —ter, m. first bidder. —tin, v. setting (in); first bidding. o. insigiA, view; design, intention. Inzied en, on. w. fie Inkoken. —eel, o. decoction Inzlen, 0. t(j sorter —, on a tearer examination. ntOns —e, in my opinion. —, ov. w. to look into, to examine; to peruse, to consider ; to see, to understand; to take into consideration, to excuse Inzln ken, on. w. to sink in,— into, — down. Inzitten, on. v. to kit in. er —, to be at a loss, to be in a (nice) ilx. Inznes, by. very sweet. Inzonderheid, bw. especially, particularly. Inzont en, ov. w. to salt, to pickle, to cure. —ing, v. 'siting, pickling, curing. Inzuig en, on. w. to tuck in. to imbibe, to absorb. —ing, v. imbibition, absorption. Inzulpen, on. w. to gulp 1:10W11. Inzuit en, on. w. to pickle. —ing, v. pickling. Inzwnebtel en, on. w. to swaddle in, to swathe. —leg, v. swaddling, swathing. Inzweig en, or. w. to swallow (down, up). —er, m. ewalluwer. —ing, v. swallowing. Inz•eromen, or. w. to overtake; on. w, to swim in, — into, to outer swimming. Ina werese, on. w. to fester in, to rankle, Inzweven, on. w. to come in hovering.. lezwieren, on. w. to come in staggering. Irian, v. iris. I4 our, o. ivory. --draaier, —werker, ivory-turner. —work, ivory-work, -ware. —sand, ivory-dust. —mart, ivory-black. livoren, by. ivory.
Rhetoric (ret'ur-ik), s. redekunst. —al, a. —ally, ad. (re- tor'iki-), redekunstig. —ian(-ierett), a. leeraar in de redekunet; redenaar. Rheum (roeml, a. verkoudheid, zinking. —atic, (-et'ik), a. rheumatisch, zinking atism (-e-tizm), a. rheumatiek, —y, a. zinkingachtig. Rhino (raj'no),I. geld, splint. —ceres (-nos'e-ros), s. neushoren, rhinoceros. Rhouib frumbl, a. rust. —ic, a. ruitvormig. —oid (-0 d), s. langwerpige rait. —oidal (-ojd'el), a. langwerpig. Rhubarb (roe'baarb), a. rabarber. Rhumb (rumb'), a. windstreek. —card, kompasraoa. —lire, dwarskoera. Rhime (rajrn'), s. rijm. —, v. a. berijmen; v. n. rumen. —r, s. rijmelaar, Ajmer. Rhythm (rithrn'), a. maatklank, rhythmus. —ical. a. klankmatig; welluidend. Rib (rib'), s. rib. —grass, —wort, weegbree. —roatt, afrossen. —wall, vak. deel. v. a, geribd maken; van ribber'. voorzien. Ribald (rib'eld), a. liederltjk. a. liederltk menach. —ry, a. liederlijkheid. Riband (rib end), a. acheergang. Zie Ribbon. Ribbed(ribd), a. geribd. Ribbon (rib'bn), a. lint. —grass, lintgaas. —laver, watte. —snake, lintslang. —trade, handel in garen en lint. --weaver, lintwever. v. a. met linten versieren. Rica (raja"), s. rust; haspel. —bird, —beating, rijstvogel. —cowry, hazelnoot. —flower, rijatemeel. —mill, rijstmolen. —paper, rtjetpapier. Rich (Men, a. —ly, ad. rkik; koeteltk, prachtig; vet. —es (-1z), pl. rijkdom; pracht. —nese, a. rijkheid- kosthaarbeld, pracht, overvloed, vruchtbaarheld, kraeht, lekkerheid. Rich (elk'), a. hoop; opper, 'att. —eta (-its), pl. mgelsche ziekte. —ety (It -tih), a. met de engelache ziekte behebt; kromgegraeid; waggelend. Ricture (rik'tjoer), a. apleet, aeheur. Rid (rid), a. bevrijd, ontslagen. to get —of, ontslagen worden van! zich onidoen van. Rid (rid') [rid], v. a. (from. of) bevrijden, oatdoen; opruimen; wegjsgen. —dance (-dens), a. bevrij ding; opruiming. Riddl a (rid'd1), a. raadsel; grove zest —e, v. a. ontraadaelen; ziften; v. n. raadselachtig apreken. —er, e. raadselachtlg spreker. ingly, ad. rands elachtig. Ride (raid), a. kit, rijtoertje; rijweg. Ride (rajd') [rode. ridden (rid'dn)], v. a. bertjden; willekeurig behandelen; v. n. rijden; rustem, leanen, (on. upon), — at anchor„ voor anker liggen. —at the roads, op de reede liggen. (about) rondrtden. (by) voorbijrijden. (down) omverrijden, overrijden. —r, s. ruder, ruiter; pikeur;
KER. —K1E. !line. —nil, church-owl, screech-owl; bigot. —ender, father of the church. —vergadering, synod, council. —teifiling., consecration (dedication) of a' church. —edienaar, church-man; sexton. —chanter, consistory, vestry, sacristy. —elms, fabric. —ekneckt, beadle. —eraad, consistory, vestryboard. —ereeht, church law, canon-law; privilege of the church. —enorde, ritual. —enardening, ecclesiastical lawn; holy orders, -• regulations. —egesind, attached to the church, devout. —egezinitheid, devotion. —aehtig, by. fond of going to church. —elijk, by. ecclesiastic (-al), church-. rn. ecclesiastic. —en, on. w. to go to church. Eterker, m. dungeon, prison. --hot, dungeon. —Nos, gaol-fee, carcelage. —meester, jailer. —steal, imprisonment. —en, ov. w. to imprison; to confine. —ing, v. imprisonment, confinement. Kerkeets, b7. zealous in going to church, devout. Kerns en, on. w. to lament, to groan. —er, iamenter. —lag, v. lamentation. Kerman, v. lair; fairing. — houden, to go to the fair. —ganger, —gangster, one that goes to the fair. —past, person that comes to the fair. —gift, fairing. —hock, gingerbread bought at a fair. —motive, partner at a fair. —pop, doll bought at a fair ; girl (woman) very much ornameated. —pret, —terntaak, —vreugde, plearn.res of fairtime, recreations of a fair, —ape!, 'show at a fair. —t(td, fair time. Kern, v. kernel, stone; seed; grain ; pith, heart, marrow, quintessence. —hole, core of en apple. —spreuk, pithy eentence. —achtig, by. kernelly; pithy. —achtegkeid, v. pithiness. Kers, v. cherry; cresses. —rood, cheery. —ebtoesect, cherry-blossom. —clown, cherry-tree. —ebonmenhowl, cherry-tree-wood. —eboomgaard. cherry-orchard. —spit, —esteen, cherry-stone. —entaart„ cherry-pie. —entijd, cherry-season. —eaveijn, cherry-wine. Kegs el, o. parish. Kerst avond, m. Christmas-eve. —dag, Christmas-day. —dieht, Cheistman-poem. —feat, ChrletDIU (-holy days). —gesehenk, Christmas-box. —kook, cake baked at Christmas. —lied, —rang. Christmas-carol. Christmas. —rackt, Christmas-night. —tijd, Christman. —week Christmasweek. Kersversch, bete newly, directly, straight along. 'terve], v. chervil. —eoep, chervil-soup. Kery en, on. w. to carve, to notch. to slash, to tally, to mince, to chop; on. w. to burst, to split, to fray. —er, m. carver, cutter. —ing, v. carving, notching, slashing, tallying; bursting. Keep, v. boor-timber. caldron. boiler, copper. —Roster, Ketei, m. —tapper, tinker. —from, kettle-drum. Ketelen,ov. w. Zie [(Mete.. Keten, v. chain. --pomp, chain-pomp. —lehakel, link. —en, ov. w. to chain. Ketsen, on. w. to mins fire, to flesh in the pan; to miscarry. pereecutor of Keller, rit, heretic. —beta, heretics. —moister, inquisitor. —dom, o. heretics. —if, v. heresy. —*a, by. heretical.
Board (board). s. plank, bard; knot; commissie, raad; bordpapier; scheepsboord. on —, aan boord. — of trade, rechtbank van koophandel. —wages, koatteld. Board (hooch), v. a. bepla.. 'An; aanklampen, enteren; in den kost nemen; v. n. in den boat zijn, —er, a, kostganger. —ing-house, koathuis. —ing-school, kostachool. Boast (boost), a. pocherkj, snoeverij. v, a, ophentelen, pochen met; v. n. anoeven, pochen

206 OUT.— OVE. 0 tt ter a ri a Is , s • buitenkerspel. Outstride (-strajd") [irr.], v. a. Zie to Outstep. Outpart, s. buitengedeelte. Outstrip ( strip'), v. R. voorbijitreven. Outpa am (-paas'), v. a. voorbijstreven. Ontswear (- sweet') [irr.], v. a. in het vloeken Outporch, s. ingang, portaal. overt reffen. 0 ettport., a. buitenhaven. Outsweeten swiet'n), a. R. in zoetheid over • Outpost, s. huitenpoat. treffen. Outpour (-poor'), v. a. uitgieten, uitntorten. Outswell [irr.], v. a. overatroomen. 0 utpray (-pree'), v. a': in het bidden overtreffen. Out talk (-took'), —tongue ;-tuog'), v. a. overpraOutpreach (-prietsfl, v. a. in het preeken overten. treffe n. Outtop (-top'), v. a. boven het hoofd groeien. Outprize ;•prajz'), v. a. te hoeg in prijs stellen; Oulvalue (-verjoe), v. a. in waarde te boven in waarde overtreffen. gaan. Outrage (aut'ridzjl, a. grove beleediging, hoon; Outvie (-vaj'), v. a. overtreffen, nitmunten boven. ge•elddadigheid. —, v. a. beleedigen, hoonen; Outvoice (-vok,'), v. a. oversehreeuwen. v. n. buiteneporigheden begaan. —ous, a. —on (p. Outvote (..vont')., v. a. overstemmen. ad. (•tree'dzjus-), beleedigend, hoonend; geweld- Outwalk (-wauk';, v, a. in het gaan overtreffen. dadig; woedend; ones dreven, buitensporig. Outwat I, a. buitenmuur; uiterlijk, sehtin. Oaatraze (-reez'), v. a. uitroeien. Outward iaut.'wurd), a. —ty, ad. uiterlijk,uitavenOutreach (-rietsp), v. a. corder reiken dart, dig. —, —8 (-wurdz),ad. naar buiten;buitenwaarte. Outreason (-rie'zn), v. a. door betere gronden Outvvatch (-svotsY), v. a. in waakzaamheid overoverwinnen. treffen; doorwaken, Outreckun (•rek'kn), v. a. in de herebening te Outwear (-weer') [irr.], v. a. uitduren; longer boven gaan. duren den; in verveling doorbrengen. Outride, a. rid. —(-rajd') [irr.], v. a. voorbij rij Outweigh (. wee"), v. a. zwaarder zijn dan; overden; v. n. nitrijden. —r (aut'raj-dur), s. voorrijtreffen. der ; deurwaarder van den sheriff. Outwit (-wit'), v. a. verachalken, te slim zijn. Outrigger (ook; -rig'gur), a. bokapier, donve jut Outwork, a. buitenwerk. —(-avurk'), v. a. weer ioefb al ir; wacht schip. (betel.) werken dan; overtreffen. Outright (- rajt'), ad. dadelkik„ geheel. Outworn( woorn'), a. afgesleten. Outriv (-raj'vel), v. a. de /oaf afsteken. Outvvrest (-rest'), v. a. afpersen, ontweldigen. Out rear (-rose'), v. a. boven.... nit loeien, 0 utwrought Croon, a. overtroffen. Out root (-met', v. a. uitroeien. v. a. in het grappenmaken Outzany Outrun (-run') [ire.], v. a. in het Joopen overtrefovertreffen. fen; to boven gaan. Ouzel a. Zie Ousel. Outten ( v. R. voorbij zeflen. Ova l (o'vel), a. & a. eirond, ovaal. —rious (-vee'Outscorn (-skorn'), v. a. fret verachting behanri.oa), a. van eieren. —ry (-ve.rih), a. eleratok. delen. —te ( vent), —ted (. veet'id), R. eivormig. --tion Outsell (cell'; [irr.], v. a. duurder (meer) verkoo(-vee'sjun), a. ovatle, kleine zogepraal. pen dan; hoogeren prima halm dan. Oven (uv'n), s. oven. —fork, ovengaffel. —ful, Outset, a. begin, aanvang. (een) oven-vol. —peel, ovenkrabber. —tender, Outshine (-ejajn'), v. a. in glans overtreffen. ovenstoker. Outshoot ( -sjoet.') [im], v. a. in het schieten Over (o'vur), a. bovenate, boven-. ad. & prp. overtreffen. over; op, boven; door; voorbij, gedaan. — a Oats. Out side, a. bui ten-. —, a. buitenzijde; voorkomen; of wine, bij een glee wijn. — and —, bij herbalinga uiterste ad. buit en . all —, overal; voor good voorbij. ten times —, Outsit (-sit') [irr,], v. a. longer zitken don; verzittienmaal achtereen. — again, nog eena. — against, ten. tegenover. — the way, a an de overzkjde. or 0 utsklp (.skip'), v. a. ontapringen, entgaan. under, meer of min. Outskirt, s. voorntad; buitenpoat. W oar, in de volgende samenstellingen, de uitapraak 0 nteleep (-aliep') [ire.], v. a. Lange -, elapen dan; niet is aengewezen, dear heeft o den klemtoon. verslapen Overabound (-e-baaund'), v. n. al te overvloe • Outspeak (-apiek” [irr.], v. a. in het sprekea dig zijn. overtreffen; overt refire, Overact (-ekt'A v. R. & n. overdrijven. Outaport (-spoon'), v. a. in het achertsen over- Overall (o'vur- aol), a overjas. —a (.aolz), pl. treffen (overdrij ven). overbroek. Outspread (-spred'i [irr.], v. a. uitspreiden. Overanxious (-enk'sjus), a. te angstig. Outstand (-extend') [irr.], v. R. uitetaan; weer- Overarch (•aartsy), v. a overwelven. staan; v. n. uitsteken. —ing, a uitstaand, onbe- Overawe (-ao'), v. a. in ontzag hluden. Overbalance,s.overwieht,meerderbeid. —(-bel'taald. Outstare (steer'), v. a. door onbeschaamd aanens), v. a. meer wegen don; overtreffen. etaren ver•agen maken. Overbear (-beer') [irr.], v. a. overetelpen; overOutstay (-stee') [ire.] , v. R. Langer 1,:ijven dan. weldigen, onderdrukken. —ing (-beer'leng), a. aanmatigend, trotsch. Outstep (-step'), v. a. voorbijstoppen; overst!hrijden. Overhead (-bend'), [ire.], v. a te aterk apannen. 0 utstreet, s. achterstraat. Overbid (-bid') [irr.], v. a. te veel bieden; meer Outstretch (-atretaj';, v. a. nitetrekken. bieden dan.

Hoe wordt cryptogeld prijs berekend


I. Each (ietsj), pr. elk, ieder. —other, elkander. Easy (ie'zih), a. gemakkelijk; rustig; insehikkeEager (ie'gur), a. gretig; begeerig (after, of); ver- lijk; ongedwongen. langend (for. to); vurig; onstuintig; scherp. —ly, Eat (iet') [ate (eet). eaten (iet'n)), v. a. eten, opad. vung; scherp. —nese, a. vurig verlangen ; eten (up); invreten, doorvreten (in. into. through. gretigheid; seherpheid. out). —one's words, zij ne woordenherroepen•—able, E*vgle (ie'gl), s. arend. —eyed, —sighted, scherp a eetbaar; s. eetwaar. —er, a. star; bOtmiddel. van gezicht. —speed, adelaaravlucht. —atone, —ing-house, gaarkeuken. arendeteen. —t (te'glit), s. jonge arend. Eaves (ievz'), a. rand van can aflak; dakdrnp. Eagre (te'gur), s. springvloed. —chop, v. n. luistervinken. —dropper, a. luisEar (ter), a. oar; gehoor; ear. quick —, lijn ge- tervink. boor. over head and —s, tot over de ooren, to Ebb (ebb'), s. eb; afneming, vernal. —tide, laag have the prince's —, bij den vorst in gunst staan. tij. —, v. n. ebben; afnemen, vervallen. —jag, —ache, oorpijn. —drops, oorbellen. —lap, °oriel. a. (het) vallen (van het water); vernal, —mark, oormerk (bij seltapen). oorlepeltje. Chun (eb'un), a. ebbenhouten; zwart. —piercing, oorkweternd. —ring, oorring. —shot, v. a. als ebbenhout maken. —ist, a. kunstdraaibereik van het gehoor. —trumpet, oorhorentje. er. —y, s. ebbenhout. —wax, oorsmeer. —wig, oorworm; oorblazer. Ebri sty (e-brare-tih), —osity (i-bri-os'it-t1h), —witness, oorgetu ig e a. dronkenschap. Ear (ter) v, n. aren sehieten. Ebulli ent (e-bul'jent), a. overkokend. —lion Earl (urf), a, grant. —dam (-dum), s. - greafschap. (eb-ul-lisrun), a. overkoking. —marshal, graaf-maarsehalk (belast met het op- Eburnean (e-bueni-en), a. ivoren. zieht over militaire plechtigheden). Eccentric (ek aen'trik), —at, a. uitmiddelpunEarl Incas (tteli-ness), s. vroegheid. —y. a, & tig; zonderling. —ity a. uitmidad. vroeg, vroegtijdig. delpuntigheid; zonderlingheid. Earn (urn'), a. a. verdienen; verwerven. —er, a. Eccleslast es (ek-kli-zi-es'tiez), a. het bock Preverdiener; verwerver. —ing, —toga, a. verdict, diker. —ic, —ical, a. kerkelijk. --ic, a. geestesten, loon. lijke. —teas (-ti-kue), s. bock van Jeztta Strach. Earnest (ur'nest), a. —ly, ad. ernstig; ijverig; Echinate (ek't-neet), a. stekelig. gretig. --, a. ernst; onderpand; handgetd. in ii:chinus (e kaj'nua), a, zee-egel; atekel (aan good —, in vollen ernst. —money, handgeld; gods- planten). penning. —nese, s. ernat; ijver. Echo (ek'o), a. weerklank; echo. —, v. a. & a, Earth (urtle), s. aarde. —bag, aardzak. —bank, weerkaatsen; napraten. cordon wal. —board, pleegplank. —born, van Eclectic (ek-lek'tik). a. uitkiezend. —, 8. eeleede aarde geboren; aardsch; goring. —bound, - tints (wijageer). grondvast. —flax, a'niantateen. —nut, aardnoot. Eclip as (e-klips'), a. verdaistering, eklipa; dubs-quake, aardbeving. —worm, aardworm. ternis; v. a. verduiateren; oversehadrtwen. —tic, Earth (aril"), v. a. met aarde overdekken; v. n. a. den zonneweg betreffend; a. zonneweg. onder de aarde kruipen. —en (urth'ii), a. aarden; Eclogue (ek'log), a. herdersdicht. —ware, aardewerk. —iness, a. aardachtigheid. Economic (ek-un-nom'ik), —at, a. —ally, ad. —liners, aardsehgezindheid. —ling, is. eterve- huiehoudelijk; zuinig. -8,.. huishoudelijk beheer. a. aarasch; —minded, aardschgezind. Econom lst (e-kon'o mist), a. zuinige huishou-y, a, aardachtig; aardsch; zinnelija; grof. der; huiahoadkundige. —lee (-majz), v. a. met Ease (tea'), a. runt, gemak; ongedwongenheid. overleg gebruiken; spaarzaam zijn. —y, a. hulaat —, gemakkelijk. at hec.rt's near hartelust. houdelijkheid; huishoudkunde; goede inrichting; —, v. a. geruststellen; lenig,n; verlichten (from. spaarzaamheid; political —, staathuishoudkunde. of); vieren. —less, a. rusteloos. —ntent, s. ver- Ecsta sy (ek'ate-aih), a. verrukking. —tic, —tical, lichting, leniging. (-stet'ik.), a. opgetogen. Easel (ie'zI), a. schildersezel. Retype (ek'tajp), a. namaakao'; afdruk; atEwa! ly (te'zil-lih), ad. gemakkelijk. —near, a. beeldsel. gemakkelijkheid; rust; inschikkelijaheid; onge- Ecumenical (ek-joe-men'ikl), a. algomeen. dwongenheid. Edaci our (e-dee'sjus), a. vraatzuehtig. —ty East (test'), a. oost, ooatelijk. oost- (-des'it-tih), a. vraatzuc ittdie-vaarder. —, a. (het) Oosten. —ward (-wurd), Edder (ed'dur), a. bindrijs. v. a. opbinden ad. oostwearte. (met bindrijs). Easter ( ∎ est'ar), a. paschen. —day, paaschdag,. Eddish (ed'diaj), ook Eagrass en Etch, a, et-ere, paaschavonit. —fair, paaschmis, —monday. groen, nagras. paasehmaandag. —week, paaschweek. —ling, s. Eddy (ed'dih), a. ronddraaiend, dwarrelend.—, a. oosterling. —ly, a. & ad. oosterlij k. —n. a. tegenstroom, draaiko:k. —water, kielwater. —wind , oosterseh. dwarl•ind. —, v. n. ronddwarrelen.

EV. Dinsfini to (dis'si-peat), v. a. verstrooien, verkwisten. —ted, a. losbandig. . —tion (-pee'sjun), a. verstrooitug, verkwisting. Dissitscits —/ (-el), a. ongezellig. —te (•eet), v. a. ontbinden, scheiden. (-ee'ejun), s. ontbinding (van ten genootechap). Dissolu ble (dia'eo-ljoebl), a. oplosbaar, ontbindbaar. —te, a. —tely, ad. ongebonden, losbanchg. —teness, a. ongebondenheid. —tion (-ljoe' sjun), s. ontbinding; vernietiging; dood. Dims°iv able (die-solv'ibt), a. oplosbaar, emeltbear. —e, v. a. op;ossen, ontbinden; scheiden; te niet dote; opbreken; v. n. smelten. —ent, a. ontbindend; s. oplessend middel. DissAtman ce (dis'so-nens), a. wanklank. —t, A. wanluidend; strijdig. Dissua de (dia-sweed'), v. a. afraden (from). —der, a. afrader. --sion (-swee'zjun), a. afrading. —tire, a. —sively, ad. afradend. —sive, a. ontreding. Lissyila bic (dis•eil-leb'Ac), a. tweelettergrepig. —ble a. woord van twee lettergre pen. Distaff (dis'taat), s. apinrokken; (het) vrouwelijk geslacht. —thistle, gele distel. Distain (dis-teen'), v. a. bezoedelen; schandvIekken. Distan ce (dis'tens), a. afstand; terughoudend• heid; eerbied; v. a. aehter zich laten, overtreften. —t, a. (from) verwijderd, tang geleden; niet duidelijk; bede.d; achterhoudend. Distaste dis• t( eat'), s. tegenzin, afkeer. —, v. a. tegenstaen; ergeren. —ful, a. —fully, ad. walgelijk, stuitend. —fulness, a. wansmakelijkheid. Distemper (dis tem'pute, a. ongelijkmatig mengeel; ongesteldheid; kwade loin; wenord.e. v. a. oLgesteld maken; storen; verontrusten. --azure (-e-tjoeri, s onmatigheidl; verstoordheid. Distest d dis-tend'), v. a. uitspannen. —tible (-ten'eibil, —sire. a. uitrekbiar. —t, a. uitgerekt; (with) opgeblazen. —lion (-ten'sjun), a. uitrelating; uitspreiding. te idie-tuemi-neet), v. a. afseheiOen. —lion (-nee'sjun), a. afscheiding. Digtich (dis'tik), s. tweeregelig versje. Distil (dis•til';, v. a. overhalen; v. n. afdruiden. —lotion 1-lee'sjun), s. overhaling, afstoking. —ter, s. brander; (jenever-) stoker. —lery, A. atokerij. (dis-tinkt'), a, onderschealen. —ion (•tink'ejun), s. onderscheiding; oordeel; aanzien. —ive, a. —ively, ad. onderscireidend. —ly, ad. onderecheiden, duidelijk. —nest, a. duidelijkiteid. Distinguish (dis-timegwisj), v. a onderscheiden. —able, a. te ondersrheiden. --ed, a. wink. —er, a. onderacheider. —ingly, ad. onderseheidenlijk. —ment, a. onderscheichug. Distort (dis - tort')., v. a. verwrirgen. —ion (-tor' civic), s. verdraaiing; verdorvenheid. Distract (dis-trek'), v. a. aftrekken; kwellen; ontroeren; verbijsteren. —ed, a. —edly, ad. vvaanzinnig. —editess, a. waanzin. —ion (-trek'sjun), s. attrekking; afgetrokkenheid; versrtandsverbijstering. —ire, a. verbijsterend. Distrain (dig-treen'), v. a. & n. in beslag ne-
a. notaris. —tion (-sjun), s, opteekening; i ,eteekenis. Notch (notsji), s. kart, keep, achaard. —wheel, rondsel; eeheprad. —, v. a. kerven, inkepen. Note (noot'i, a. noot; loon; aanteekening;teeken; briefje; berieht, biljet; aanzien. —book, noklad-, ntuziekboek. —press, b r e v en dek k er —worthy, optnerkenswaardig. —,v. a opteekenen; marten; opmerken; betiehten; op noten zetten. —d, a. beroemd; vermaard. —dly, ad. nauwkeurig; inzonderheid. —dness, a. beheadheid. vermaardheld. —leas, a. onopgomerkt, onbekend. —r, a opteekenaar; notensehrijver. Nothing (nuth'imtg), s. niets. — but, niets den. --mess, a. nietigheid. Notice (soo'tiE), a. opmerking; herieht. —, v. a. opmerke, aeht slam) op —able, a. opmerkelijk,
—er, a, scheitser, boerter. —ingly, ad. schertweelkistje. —house, —office, koninklijka achat- karoer. —, v. a. met juweelen versieren. —ler, send. Jole (dzjool), a. wane, koon; kop (van een' visch). n• jawelie'r. juweelen; juwelierevak. Jew C. (dzjoe'ese), a. jodin. —ish, a, joodech, cheek by. —, dichtbij; vertrouweltjk. Joil (dzj ool), v. a. met bet hoafd stooten tegen. —ry, a. (het) joodsche land; jodenbuurt. Jun y (dOol'Iih), a. —ily, ad. vroolijk, lustig. Jezebel (dzjeee-bel), s. onbeachaamd wijf. Jib (dzjib'), a. kluiver (tell); kraanarm. —boom, —iness, —sty, a. vroolijkheid, prat. —y-boat,joh kluiverboom. —guy, bakstag van den kl -alver. Jolt (ctzjoolt'k a. stoot, gehots. —head, botterik. —iron, kluiverring. —stay, boegspriettouw. —, v. a. & n. stooten; hotlen. v. a. 93 de andere zijde van den mast breugen. Jonquille (dzjon'kwi!), s. tijloos, jonquille. Jig (dzjig'), s. hopsa, boerendans. —., v. n. dan- Jordan (dzjor'dn), a, waterpot. sen, huppelen. —ger (-gur). s. huppelaar; staart- Jostle (-dreos's1), v. a. met den elleboog stooten, blok en echijf. --gash (-jos)), a. huppelend. —jog duwen. Jot (dzjot), s. jots, stip. not a --, geen tier. —, (-dzjog), s. stoot, schok. v. a. aanstippen., aanteekenen. Jlgot (dzjig'ut), a. bout, leeidestuk. Jounce (dzjowns'), v. n. schokken, stooten. Jill 'Me Gill. —flirt, slat, sieerie. Jilt (dijilt), s. coquette. —, v. a. misleiden (een' Journal (dzjur'nel), s. dagboek; degblad; jourv- a. naal. —ist, s. dagbladschriover. —ise minnaar); v. n. de coquette spelen. in het dagboek (jaurnaal) schrtven. Jim (dzjim), a. Zie Gin. Journey (dzjuerlih), s, rein, landreis. —chopper, Jingle (dzjing'g1), Zie Gingie. daglooner; gezel, knecht. —man, Job (dzjob'), s. karrewei, gewaagde onderneming; garenkoopman. ernoutwerk. by the —. bij aanneming, bij het —work, dagwerk. —, v. n. reizen. • stuk. —, v, a. steken, stooten; v. n. bij aanne- Joust (dzjust), a. steekspel, toruooi. —,v.u. torming (bij het stub) werken; ejouwen; beunhazen; nooien, een steekspel houden. windhandel drijven. —ber, s. daglooner, sjouwer; Jovial (dz)o'vi-e1), a. —ly, ad. blijgeestig,luimig. —ity —ness, s. blijgeeatigheid, vroobeunhaas; sp , eulant. —bernowl (-bur-nool), a. lijkheid. domkop. Jockey (dzjok'ih), a. rOnecht; paardentuischer; Jowl (dzjool). a. Zie Jove. —er, s. apeurhond. Jowter(dzjau'tur), s. vischjager, -kooper. bedrieger. —, v. a. bedriegen. Jocose (dzjo-koon'), a. —ly, ad. sehertserid, grap- Joy (dzjo('), a. vreugde, blijdschap; gelukwenaching. my —, mijn lief. —, v. a. verheugen; geluk pig. —ness, s. grappigheid. Jocular (dajoldoe-ler), a. —ly, ad. kortswijlig, wenschen; v. n. zich verheugen. s. vroolijkheid, ad.verheugd, blijde. —fulness, a. blijdschap. —less, sneaked'. —ity a. —lessly, ad. vreugdelOoa, --lessnesa. s. vreugsnaakschheid. deloosbeid. —au*, a. —ously, ad. vroolijk„ biijde, Jocund (dejok'und). a. —ly, ad. vroolijk, blijde. beugelijk. —ousness,a. vroolijkheid, blijdschap. —ity (dzjo-kun'dit-tih), —ness, a, vroolijkheid. Jog (dzjog'), s. stootje, achok; bezwaar. —trot, Jubil ant (dzjoe'bi.lent), a. jubelend. —ation (-lee'sjun), a. gejuich, gejubel. —ee (-lie), a. eeuwv. a. a. sukkeldraf; slendergang; a. sukkelend. feast; jubeijaanjubelfeest. horten; aanatooten; v. n. ejokken; (on) voortauk- Juda is (dzjoe.dee'ik), —ical, a. —ically, ad.(-ikl-), kelen. —ger (-gur), s. sukkelaar; stenderaar. Joggle (dzjorgt), v. a. hcliudden, hutselen; v. a. joodseh. —ism (dzjoe'de-izrn), a, het joodschegedrentelen, strompelen; waggeien, nchudden. loot —ize (dzjoe'de-ajz), v n. joodsche gebruiken John (dzjou' ► , 0. Jan; keret, vent,kinkel.—ct-dreams, waarnemen. droomer. —apple, paradijsappel. —bull, het en• Juddoeli (dzjud'duk), s. haarsnip. Judge (dzjudzj'), e. redder; beoordeelaar. — gelsche yolk. nal, strafrechter. — lateral, assessor, bijzitter.—, Join (dzojn'), v. ft. tamenvoegen, verbinden (with); toevoegen (to). — :battle, handgemeen warden. v. a. richten, veroordeelen; beoordeelen; v. n. v. n. be- rechtspreken; oordeelen (be,from, naar. of over). - interest, gemeene zaak maken. —r, s. veroordeelaar, beoordeelaar. —ship, a. rechleaden (to); zich vereenigen; instemmen; (in) dealsemen aan. —der, s. samenvoeging, vereentging. terschap. —er, a. schrijnwerker. --ergs,s.schrijnwerk.—ing, Judgment (dzjudzj'ment), s. oordeel; vonnis. in a. samenvoeging; scharniee; voeg. my —, near mikjn oordeel. —chamber, —hall, racistJoint oizjojnt')., s. gewricht, geld; scharnier; zeal. —seat, rechterstoel. knobbei; bout. out of —. uit het lid. —, a. ver- Judicat awe (dzjoe'di-ke-tiv), a. beoordeelend; — eenigd,gemeenechappelijk.—business,compaguie- faculty, oordeelskracht. —ory, a. rechteriijk, geschap. —heir, mede•rfgenaam. —stock, meat- rechtelijk; a. gerechtshof, rechtbank; gewkisde. schappelijk kapitaal. —stock , company, mast- —ure (-tjoer), s. rechterlijke macht; gerechtshof. schappij in aandeelen. —stool, vouvistoel. —, v. a. Judici al Ictsjoe - dierel), a. —ally, ad. —ary (-i-erih), a. rechterlijk, gereehtelijk. —ary(-1-e-rih), a. tamenvoegen; ontleden. —er, a. ploegsehaaf. ad. gesamenlijk. —ress, rechtertijke macht. —ous, a. ously, ad. oordeela. zonder geiedingen. kundig, verstandig. —ousness, a. oordeel, yens. bezitster van een weduwgoed. —are, (-joer), s. stand. weduwgoed. Joist (dzjojst), a. dwarsbalk, ebb. —, v. a. net Jug (dzjug), a. kruik; nachtegaalsleg. —, v. n. slaan (van den nachtegaal). balker, (ribben) voorzien. Jack a (dzjook), a. scherts, kwinkslage —e' v. a. Juggi a letzjug'gt). a. goocheletnk. —e, v. a. gooAMP.; bPKOochelel); V. u. goocheleu. —er, N. your tea gek ho ► deo, v. in. aches - taco (at. .05),
Torpent tor'pent, a. Zie Torpid. 'rorpeac oleo (tar-pes'sene), s. verdooving, verstiplog. -eat. a. verdoovend, verstijvend. Torp Id (tor'pid), A. verdoofd, verstijfd; werkelooa, Snow. -idity (tut-pid'it- Oh). -iduess. -itude (-pi-tjoed), -or ( pot), a. verdoovinfr, vernttjfdheid; werkeloosbeid, traaglteld. -orific (-pur-st'llt), a. verdoovend, bedwelrnend. Torrof action (tor-re-tersjun), a. droging, verzenging. -y (tor're-faj), v. a. drogen, ver-
Neat (Wet'', a. —ly, ad. net, zindelijk, netjea. —nets, a. netheid, zindelijkbeid. !Weaving (ni'vieng)s s. blerschuim, gist. Neb (neb), s. bek, suave!; twit. Nebul a (neb'joe-le), s. wolkje; nerelvlek; golflijn. —osity (-los'it-tih), —ousness, a. neveligheld, mistigheid. —ous, a. n^velig, bewolkt. Necessar lee (nes'is-se-riez), pl. behoeften, benoodigdheden. —ily, ad. --y, a. noodzakelijk,
to give notice of; to advertise. —er,rn. —star, v. Berrie, v. barrow, hand-barrow. Here., m. burst, crack, chap, fissure. —en, on. informer, informant. w to burst, to crack, to chap, to chink, to split; Berleken, ov. w. to smell at. lachen, to split one's sides with laughBerijd boar, by. manageable; practicable. —en, rich to ov. w. to manage, to ride; to pass, to make use ter; darn —, to burst. of. —er, m rider, horseman; riding-master. Berucht, ha. famous, noted, notorious. —held, v. famousness, notoriousness. —ster, v. rider. Harikari en, or. w. to rhyme, to versify, to pat Berulken, ov. w. to emelt at. into verse. --er, m. rhymer, versifier. —ing, v. Bernet en, on w. to be committed to the care (of), to be deposited (with); to leave (off); (op) versifying; rhymed version. to rent, (to depend, to rely, to be incumbent) Berle, m. & o. beryl. upon; (in) to acquieece in (to), to submit to. Benin, v. she-beer. —ing, v. care ; acquiescence, submiselon. Beritagen. on. ev, to ring. iinrisee efljk, by. & bw. blamable (.bly), cen- Bps, v. berry; crone, granny. —seboom, curranttree- Voor de verdere samenstellingen aid Antisurable, —elijkheid, v. blamable... —en, ov. bes. to blame, to eeneure, to reprove, to rebuke, —er, rn. blamer, ceesurer, censor, reprover. Beschnsaftt by. & bw. polite 1-ly), civilized, civilly, well-bred. —Acid, v. politeness. —ing, v. censure, reproof, rebuke. Berk, m. birch, —eboom, birch-tree. —emeier, Heseltantud, by. ashamed (of), abashed (at), large drinking-glass. —enfold, birch-wood. —en- shame-faced, —heid, v. bashfulness, abashment, shamefacedness. wim, birch-wine. Boseiradig en, or. W. to damage, to hurt, to Berkoen, m. supporter, prop. Impair. —er, m. —ster, v. Zie Berendeeler. Beritinachebleauw, o. fruseian blue. —ing, v. damaging; damage, average, Berm, m. berme. nor seem d, be. lemons, renonned, celebrated. BeSchiCitel2W en, ov. w. to shade, to overehtdow, to inurnbrate. —ing, v. shading, —dheid, v. tame, renown, celebrity. —en (rich), t. w. (op) to boast to torte) of, to pride one's Beacham en, ov. w. to shame, to abash, to self in (on), to glory in. —er, to boaster, brag. confound; to put to the blush, to outdo, —er, tn. confounder. —leg, v. confounding. —ing. v. boestine, vain-glory. o. vocation; nomination; appeal; trade, BelehanSen, ov. W. to intrench, to fortify. busineas, calling, profession. van —, by proton- Beschav en, or. w. to plane; to revise, to cor%ion. eon — darn op, to appeal to, —Eberjvheid, rect; to pollah, to civilize. —er, m. polisher, —ing, v. revision, correction, polishing; business, function. —shatve, ad. by virtue of civilisation. one 'a prolesaton. —splicht, professional duty. —bal,r, be. appointeble. —en, ov. W. to call; to Beneheld, o. intelligence, advice; record, docudoes, to pledge a. o. — within to —, ment; reply. itnnanal convoke; to appoint, to nominate; rerden, to send word. kteaad geven, to answer call; zich t. w. (op) to appeal (to Teter) to. rudely. —en, ov. w. to appoint; to allot (to). —er, m. appealer, appcalant; conyoker; appoin—ing, a. appointment. ter, nominator. —ing, v. calling; convocation; Bescheldess, by. & bw. discreet (-ly), modest vocation. (-Iy). —held, v. discretion, modesty. Berner el, by. & bw. apoplectic; pitiful (-ly), miserable (-bly). —der, m. disturber, perturbator. Beschenk en, ov. w. to fuddle; to present with, to bestow upon, —er, in. donor, present—dheid, v. apoplexy; pitifulness. —.en, or. w. to er, —ing, v. donation. touch; to trouble. to disturb„ to stir, to alarm. —ing„ v. disturbing; trouble, disturbance, com- BeeeberPn, ov. w. to shave, to shear; to idiot, to grant (to). motion. —te, v. apoplexy, palsy; trouble, stir, Beseheren sling, m. & v. client, protected, tumult, dieturbance. —en, ov. w. to screen, to shelter; to shield, to Berneat en, on. w. so rust, to gaiher rust, to protect. —eagel, guardian (tutelar) angni, —Pent, grow rusty. —ing, v. growing rusty. fierokken tsar, an —aarster, v. cause, author, tutelar genius. —god, teteler god. —godin, tutelar goddess. —beer, patron, protector. —heilige, —en. on. W. to canoe, to create, to brew, to rn, & 7. patron, patroness, tutelar saint. --vroure, hatch. —tag, v. remain. patroness, protectress. —er, m. Zia BeschernsHeron&ter, v. Zie Pereoover. flee, —log, v. protection. —ate?, v. Zie BeHeronid, be. poor, indigent, needy, wretched; schertovrouvv• empty; desperate, at a nonplus. —Mid, v. inBesehiet en, ov• w. to fire at (upon), to candigence, wretebeeness; deseerateness. nco ode; to try (ern geweer); to hit; to astute ; Ilierook era, ov. w. to smoke, to seloke-dry, to to wainscot, to overlay ; on. w. to go on, to fumigate. —ing, v. smoking, fumigation. advance ; to grow dim, — drowsy. —ing, v. Herotaw en, ov. Yr. to bereave —, to deprive tiring, cannonade; wain , coting. to kill. to rob (of), to plunder; ran het feces —er, m. depeiver, robber, depredator. —ing, v. Besehtinen, or. w. to shine upon. Besehlk, o. Zie Beatchixking. —at m. & v. privation, robbing, depredation. busy-body. —tsar, bv. disposable. —baeraeid, lieronw, a. repentance, regret, penitence. — being disposable. —ken, ov. w. to procure; to hebben, to repent (of;. —iebbend, repentant, repentmanage, to arrange; on. w. (over) to dispose of. ing. —en, ov. w. to repent, to regret, to grieve m. —rter, v, procurer; manager, arranger; I repent of it, (to repine) at fief, b , rfrumt mi.?.
(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-

This active collaboration between AEGEE and the European Commission and especially Domenico Lenarduzzi, Ministry of Public Education, allowed the approval of the Erasmus program in 1987. It became an integral part of the Socrates I (1994-1999) and Socrates programs II (2000-2006). Since 2007 it has become one of the elements of the Lifelong Learning Program (2007-2013).

Wat is Weegschaal Facebooks nieuwe digitale munt


Maiden (mee'da), a. maagdeitjk, ongehuwd; rein, ongerept, viekkeloos; nieuw, ongebruikt. a. jonge dochter, meiaje, maagd, vrtlater; wenchkuip. —assize, vierachaar, die nog Been doodvonnie heeft gev.eld. —aunt, ongehuwde tante. —foritem, ongenomen vesting, —hair, vrouwenhaar, steenruit. —lip, kleefkruid. —pink, maagdenartjailer. renpaard, dat eersten prijs marrdenprnim. —sister, heeft gewennen.
This active collaboration between AEGEE and the European Commission and especially Domenico Lenarduzzi, Ministry of Public Education, allowed the approval of the Erasmus program in 1987. It became an integral part of the Socrates I (1994-1999) and Socrates programs II (2000-2006). Since 2007 it has become one of the elements of the Lifelong Learning Program (2007-2013).
B. Ilia, tw. poh i pooh ! pshaw red wine. --hal, Heal, v. bay; baize; (roode) magazine of baize. —ranges, to skate nimbly. —ranger, Greenland- rnan;nlinble skater. —tureen, baite.weaver. —rout, bay-silt, —en, bv. (of) baize. —tje, o. tailor "sj %eke; op P.). — ',Oen, to be drubbed. firsftlerd, rn. chaos Beak, v. beacon, buoy. —, geld, bsaconage. Baal, r„ hale, hag. — dark, pack- cloth. Ileum, v. (smooth) path, beaten road, path-way; track, orb) t; rope-walk; breadth. op de lange — achuiven, to delay, to procrastinate. op de — brengen, to raise, to start, to bring upon the carpet. rules — snakes, to make room, to disperse the crowd, to clear the passage. de — Meter neaten, to prepare things beforehand, to break the ice. —geld, path-money. —hoer, common strumpet. —spinner, rope-maker. —veger,scavenger.sweeper. —der, m. rope-maker. —derhser, m. baron,knight, banneret. —der( , v. rope-yard. —tie, o. lucrative place, sinecure. Bear, y. bier, litter; billow, wave; ingot; bar. —,
20 LT: U. --assder, -said, Contriver of faleeho.ods. -teal, ILeveudig, by. lively, brick, quick, Sprightly, rnett:egome; bright. -Arid, v. Avellness, brieklie, ?los. --oar, m. -aareter, v. liar. -achtig, by. false, lying:, deceitfal.. -acktigheid, v. false- neon, sprightliness, vivactty; brightness. ibeivenioni, by. lifeleas. -held, v. /ifeleesnees. ness.deceitfuiness. Lever, v. liver. -oder, hepatic vein. -healing, Lank,. be. & bw. lukewarm (-1y); cool (Ay), in-scored, liver-pudding. -Vow, liver-color. -lacenocent (-Iy). -laid, v. Initswarinneae; coolness, rig, liver-colored. -braid. liter-wori. -kwad, innoeence. -.reeat, dinette of the liver, er-comConn ten. on. vv. to lean. -steel, arm-chair, ae.y hepatie diceaFe. -loop. -efoed. heoette chair. -atokje, maul-stick. Learning v. leaning., reit, banister., baluster; back Max. -ontstekina, inflammation of the liver. -puisten, pimples In the face. -Alan. hepatite. (of a chair). -stoat, ale Leussetocs. -traan, cod-liver-oil. -veretopping. obstruction •• lure, appearance, chow; rag, shred; of the liver. -zuchtig, hepatic. etellen, to diseptie 1LettrwUn. oint, to fruatrete. ---kramer, petty merchant. Loyeran r, M. deliverer, furnisher, purveyor. -oerk, clumsy thangled) work. --gAns, A kind of Levernchtig, by .hapatic. wine obtained by peesoing the KrApite A second Leverancier, m. furnisher, purveyor, contractor. time. -achtig, -ig, be. worthless, trilling. Lens, v. aign, signal, watchword, war-cry; word, lfissaingarst le, v. delivery, purveyance, supply. Leverbcsar, ho. fit to be delivered, saleable. 'motto, device. roar de -. for show. era, or. w. to deliver, to tarnish, to purLevc v. lingerer, loiterer, -.rater, Lontar ante, en. to give (to Jain) battle. -ing, v. trifter; river. - en, on. w. to wobble, to waddle;) vey; slag to linger. to loiter, to trifle; to waver; to rave. delivery, furniehirg. -hol, fool. -knit, nentense. -werk, bangle, Leviet, in. Levity. -itch, be. levitical. bunged work, loitering work. -ig, by. wab- Leas on, ov, .% on. w . to read; to reap, to pick, to gather, to glean. --fr, M. -era, v. reader; tiling; loitering; wavering. -tog, v. waddling; gleaner. --lug, Y. reading; lectare; version; galingering, loitering, trifling; wavering; raving. thering. gicening. ILesniver. tn . erlogle of the bowline. Liao, v. tile. ;Watt. • Levant qa, m. leranter. --ins, v. leventine, Leven, tr. lire; delight; noise, hubbub, ado, rack- Mohnen). o. body; solid. load :-, corpse. -Abeet; quick. t(j zijn -, when living, in (van) mien weging, exercise. -show), stature. -tdeel, limb, ivy lite-time, in all my born days. near member. -wetted, eonetitution, franc of body. -aketitjdieg, mortifloation, --ekracht, bodily het -, from (to) the life. tin Aet brengen, to take the Idle of. to kill. om het - komen, tlyst - etrength, vigor.-soefeeieg, exercise. gymnastivi. latex, to lose one's life, to expire. op - en LIcharnellik, bv. bodily. cerporeat, corporal. keid, v. corporeality, corporaiity, corporeiiy. stood, for life and death. -gerend, life giving. o. light; candle; luminary can het vital. -maker, nol..e-msker. -wekker, brengen. to bring to light, to reveal, to divulge. -Aron, fountain of life. -ebegintel, her can het - hasten, to come to light. pr inciple of life. -ebehousi, preservation of life. wren to publish, to put fort. -, by, light, -4benoodigolheden, nerenvartes of 1:fe. -ebeschrip bright, clear. -Mateo, bright-blue. -b: sic. lighterr, btoicravher. --abeschriyv;ng, biography, life. light-bearer, candle-holder; -drager, brown. - sdoel, end of °nee life. -sdraad, thread of lir k-man. -gat, loop-hole. -gal, bright-yellow. --endear, the time, duration of life. -.gees-gevend, luminous. -grOs, pale gray. -gratin. fen,c hit) spirits. -vgenot, enjoyment of life l'.•glit-green. -bout, lunamous wood. - leer, optien. sgesehiedenichlography.-ageroar, danger (peril) -meter, photometer. -lain, -Candlemas of life. -sgeset„ -sfesellin, companion of (for) life. -sgroot, full length. -tgrootte,taa(who!e) libertine. -stillest, to riot, to revel. -rninery, size. -kiwi?, year of (ape's) life. --akracht„ vital revelry, debauchery. -punt, luminous point. —rood, bright-red. -whom, !Wean. -sehijneld, power. -slang, livelong, for life, everlasting. blight, luminous. -schwa, shunning left; het - eanachouteen, to be born. the light. -stem phosphoric etone -stof -sloop, course of life, career. -slucht, vital air. nous matter- -straal, ray :beam) of light. live. —dltatig, loving life. -s- ONO, love of -stroont. Itreival of light. -tea, sea (acct.) of 3ticidelen, previsions, victuals. -sonderhoud, livelight. -.Ude, lo.minoue (favorable, fair) ride. lihood, sustenance. -.react, moral role, rale --sires; -ertaai, bv, -e all in blue. of life. -estrar, eep:tal punishment. -etijd,life time -erereekering (-maattehappijk life- into. Licht, , & bw. light ( envy ( - 117); Wight (Ay), nimble (-bly); tive., (very) likely, possibly. rance (-eo.eantr). -erraag, matter of life and ntatrooe, apprentice seanihn; heir-pay sailor. death. vital question. -monde,. course of life, -e miters), light-horns. -anker, heave-anchor. conduct. -stearnite. ,vital warmth. -.meg, path of life. -suije, -volt., way of Me, manner of -geloorig, by. & bw. erednlons (-ly). -gelootigliving. -seat, tired of life, -seatheid, satiety of heid, credulity. -geraakt, touchy, irritable. -geragAtheid, ebuebineie, irritableness -kart, m. & life, v. light-hearted (nervy; person. -hartig, lightLevon, 611. w. to live (van, upon), to exist; to beerted, merry. -hartigheid, light-heartednese, behave, t,evnnd, he. alive, living; quick. de -en en de gaiety. -hoofed, m. & v. light-beaded (melee.) dooden, the quick and the dead. - maken, to person. -hoofing, light-headed, careless; giddy, dizzy. -hoofdigheid, light-heededness, carelersvivifi,:aie, to vivify. -making, 'vivification.

cryptogeld widget windows 7


231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;
203 OPL•ORD. Opnice (op'i-11s), a. handenarbeid. —r (o-piPi- Oracle (or'ikl), s. orakel, godspraak. au?), s. handwerkstran; kunstenaar. Oracul ar (o-rek'joe-ler), a. —arty, ad. -a 148, OpIn able (o-pajn'ibl), a. denkbaar. —ation (op• a. orakeiachtig; beslisrend; raadselachtig, dabi•nee'sjun), s. meeaing. —ator (-pin'ee-tur), a. belzinnig, sttjfkop. — e, v. n. meenen. --iative i-e tiv Oval (airs!), a. —ly, ed. mondelins. a. stiff boofdig, eigenwijs. Orange (or'indzj), a. oranje-. a. oraoje; -boom, Opinion (o-pin' un), a. meening, gevoelen. —ated -appal; sinaasappel. —chip, echijfjevan eon' (•eet-id), —afire (-e-tie), —ed (-jund), o. stijfsinaasappel —flower, oranje-blotesem. —house, hoofdig, eigenzinnig. —ist, a. stijtkop; eigenoranjerie. —lily, oranje-lelle.—man,sintees-appelzinnige. verkooper..—musk, oranje-peer. —oil, oranje-olie. Opiparous (o-pip'e-rue), a. prachtig. —peel, oranje-schil. —anuff,oranje,enuif.—tawny, Opines (o'pl-um), a. opium. oranje-bruin. —tree, oranje-boom. —water, Opietree (o'pl-trie), a. watervlier, sneeuwbaloranje.bloesemwater. —woman, sinaas-appelverboom. koopeter. —ade (-eed'), a. oranje-ilmonade. —ry Opo balsam (op-o-baol'sum), x. balsum van (-er-ih), s. oranjerie. Gilead. —deldoc (-del'duk), a. opodeldok. Oration (o-ree'sjun), e. redevoering. Opossum (o-pos'hum), s. buideirat. Orator (or'e-tur), a. redenaar, apreker; ether, Oppldan (op'pi-den), a. stedeling. sant. --ial (-to'ri-e1), —ical (-tor'lk1), a. wetOppignerate (up-pig'nur-eet), v. a. verpenden. sprekend; redenaars-. —io (-to'ri-0), a. oratoriu m. Oppila te (op'pi-leaf), v. a. verstoppen —tion —y, a. welsprekendheid; bidkapel, -vertrek. (-lee'ejun), a. veratopping. (-le-tiv), a. ver- Orate ess (or'e-tress).. —ix (treks), a. redenaarstoppend. ster, epreekater, woordvoerdater. Opponen ey (op-po'nen-sile), s. tegenwerptng, Orb (orb'), s. bol; ioopbaan; omloop; krinK• kogelvisch. —, v. a. ronden, tot eon' cirbestrtding. —t, a. tegenstrevend; s. tegenetrever, bestrijder. kel vormen. —ate (-et), a. beroofd, varier-. kinOpportun e (op-par-tioen"), a. —ely, ad. sunderloos. —ation (-bee'sjun), s. beroofdheed (von sets, geschikt; ter gelegener tijd. —sty, s. galeoudera of kinderen). —ed 1,-14, orbd), a. cord, genheid; gunstig oofeenblik. cirkelvormig. Oppose (op.pooz"), v. a. tegenstellen ( Ca); we- Orbicula r (or-birjoe-ler), a. —rly, ad. —te derstaan; beetrijden; te keer germ; v. n. zieh I-let ) , a. bolrond, eirkelvormig. —tion verzetten, tegenwerpingeo maken , (against)—less, ( -lee'sjun), a, bolrondheid, ctrkelvormigheid. a. onweder8taanbaar. —r, a. tegenatrever. Orbit (or'bit). a. loopbaan; oogholte, —al, —ual (-bitioe-e1), a. van eon' kring of eene loopbaan. Opposi te (orpo-zit), a. —tely, ad. tegenovergeMeld; strOdig; tegenover (to). —teness, a. tegen—ude 1-tjoed), —y, a. ouder-, kinderloosheid. gesteldheid; tegenatrijdigheid. —tion (-zisj'un), Ore (ork), a. noordkaper. a. tegenstend: tegenspraak; tegenstelling; tegen- Orebanet (or'ke-net), a. roode ossentong (plant). 'Nutt. —tionist (-zisrun-ist), a. oppositee-man. Orchard (or'tajurd), s. boomsaard. —tire (-pozl-tiv), a. tegen te etellen. Oreheste al (or'kes-trel), a. van het orchest. Oppress (op-pres'), v. a. drukken, onderdruk--tre (-tut), s. °reheat. ken. —ion ( preeyun), s. druk, verdrukking. —eve, Orchis (or'kis), a. standelkruid. a. drnkkend, verdrukkend. —ivenese, s. (het) druk- Ordain (or-dean'), v. a. afln-, inatelles; verordenen, bepalen; ordenen. —er, a. die verordant, kende. —or, a. verdrukker. Opprobri one (op-pro'bri-us), a. —mealy, ad. instelt, ardent. achandeltk. —ousness, s. schandelijkheid. —um, Ordeal (or'di-et), e. godscordeel. fire —, s. schande, sneer. proef. water —, waterproef. Oppugn (op-pjoen'), v. a. beetrt den.—ancyl- pug , Order (or'dur), a. ovde; rang; order; bevel, last; nen-sih), s. bestrijding. —er, a. beatrijder. bestelling; maatregel. in —, ten elude, —. v. s. regelen, inrichten; verorden en; bevelen; bestelOpsimathy (opositn'e-thih), te. late opvoeding, len; ordenen; v. n. bevel seven. —er, a. echikaanleering. Opta ble iopttibI), a. wenschelijk. —tion (tee , ker, inrichter. —less, a. ordeloos. —lineal i-li sjun), s. wensch, begeerte. —Cave (-te-tiv), a. nets), a. ordelijkheid —ly, a. & ad. ordeltik, wennchend; — mood, wenschende wijze. geregeld. —a ((durz), pl. geesteltke stand; to take —, de wijding ontvaneen. Optic (op'tik), e. geziehtswerktuig. —, —al, a. gezichts-; gezIchtkundig. —ian (-tipj'en), a. ge- Ordin al (or'di-nel), a. rangazhikk'nd; a. ordebook. rituaal; rangachikkend telwoord. —ance ziehtkundige. —a, pl. gezichtkunde. (-nens), a. verordening, voorschrift, regal. —arily, optim acy (op'ti-me-sih), a. adel. -inns (-mizm), ad. —any, a. (.ne-rih-), gewoon, middelrnatis. a. optimiamus. —eat, a. optimist. —sty it-tih), a. uitnemendheid. —ary (-ne-rlh), s. geestelijk rechter; bisachop; gevangenisprediker; gewoonle; gewoon ambt; Option (op'ejun), a. kens, verkiezing. —al, a. gaarkeukeh; maaltijd;prija van can maal;physician van kens afhangend. Optonneter lop tonri-tur), s. gezichtmeter., in Warts; professor in —, gewoou leeraar; ship in opgelegd rchip. —ate (-net), a regelOpulen ee (oploe-lens), —cy, a. rijkdorn. —t, matig; a. ordinaat (lijn). —ate (-neet), v. a. vera. —Hy, ad. ?Ilk, welgesteld; overvioedig. ordenen, bepalen. —ation (-nee'sjun), s verorOpuscule lo-pus'kjoel), a. werkje. dening, bepaling; ordenina. , wijdInT. —ative Or (or), conj. of. — else, enders, of wel. (-ne-tiv), verordenend, bevelend. Oracle (or'ek), a. melde.
Cryptocurrencies are experiencing a moment of unprecedented attention and speculation for several reasons. 1) The value of Bitcoin has been steadily climbing through 2017, with Ether seemingly poised to overtake the cryptocurrency giant any day; 2) Blockchain technology has purposes above and beyond cryptocurrency, and has been hailed by some as the backbone of the future financial system; 3) The increasing number of people who see cryptocurrency as a form of investment similar to gold. If cryptocurrencies stabilize in value, buying Bitcoin or Ether has the potential to be a worthy venture. 
Gestooll, o. rornpleg, dalliance. Geetoeite, 0. ',eat, pew, tribune. Geotof. o. dusting; vaunting, boasting. G eseoffeard, be. furnished; decked. ta resit/len, bv. stolen, robbed, pilfered. (a estosn enel,o. rumbling, bustle, noise. Gectoord, be. diaterbed; angry. —held, v, anger, displeasure, wrath. estoot, o. pushing, jogging. Geot otter, o. stamiaterieg. Geeteeel, v, stroking, caressing; flattery. G estreept, be. striped. Geetreken, be. rubbed; ironed. Gest reng, be. & bw. severe (-1y), rigorous (-1y), rigid (-1y), austere (-)y ). —held, v. severity, rigor, rigidity, austereness. t^ eatr!blzel , o. squabble, wrangling. G eetrompei, G oetrulkel, o. steambling. G 'sok, 0. buzzing; whistling, whispering; tingling (in dt oaten). tit esukkel, a. lingering, loitering; drudging, bother; indisposition, WAVY. G etannd, be. tawny. te etnbberd, be. robed. te etakt, be. branched, branchy, forked. Gain!, o. number. —leer, science of numbers. —letter, numeral letter, numeral cipher. --nterk, numeral character. —woord, noun of number. Gee:thin, o. lo.tering, trifling. to etend, be. toothed, cogged, indented, eteeen, o. whining, drawl, cant. G etemperd, hr. tempered, allayed; temperate, moderate. —heid, v. temperatenees, temperance, moderation. G et tent, o. loitering, lingering. o. noise, racket, clamor. ettj. o. tide; opportanity. —boek,brevlary. —de, o. season. —den, o. my. hours, prayers of the breviary. G etUgerce, be. spotted, speckled. (defile, 0. ticking, pit-pat; knocking. fietlinmer, o. carpentry. —te, o.. carpenter's work,timber-work, structure, edifice. Get Intel, o. tingling, twinkling. G et j ll p, o. chirping, twitter. Get oh, o. drudging. toil, mail, misery. etoet, o. sound of a horn; tingling. G etogen, by. gone; brought up. G etokket, o. touching, thrumming. G etongd, by. tongued. Getoo veer, a. sorcery; tricks. Getorn, o. ripping up, uusewing, unstitchlug. Getouvv, o. loom. te strewn, a. weeping. (d steadied, by. grated, net-worked, latticed, trellised. Getrnrepee, o. trampling. EA etretutr, o. mourning. G et reuzel, o. loitering, trifling. G et ripp *1, o. tripping. Gotroetel, o. caressing, fondling, cockering, Getronsinei, o. drumming. Getroosten (Mob), t. w. to bear patiently, to submit to, to take in good part. G eta . anew, by. & bw. faithful (-1y), loyal (-ly), trusty (41y), true, truly, exert (-Iy), accurate

Kan Bitcoin worden belast


On February 16, 2018, Coinbase admitted that some customers were overcharged in error for credit and debit purchases of cryptocurrencies. The problem was initiated when banks and card issuers changed the merchant category code (MCC) for cryptocurrency purchases earlier this month. This meant that cryptocurrency payments would now be processed as "cash advances", meaning that banks and credit card issuers could begin charging customers cash-advance fees for cryptocurrency purchases. Any customers who purchased cryptocurrency on their exchange between January 22 and February 11, 2018 could have been affected. At first, Visa blamed Coinbase, telling the Financial Times on February 16 that it had "not made any systems changes that would result in the duplicate transactions cardholders are reporting." However, the latest statement from Visa and Worldpay on the Coinbase blog clarifies: "This issue was not caused by Coinbase."[45]
MR.—JAC. Ir ii•el,;1 c i id 'zjen), s. ongothAlenstigheicl. Irrevoca tile (ir-rev'o-kibl), A. —bly, ad. onher-one „ a. —ously, r.d. (-zjus-), ongodsdienstig. roepelijk. —Wily (-ke-bil'it-tih), —blenass, 8. on(ir-ri'mi-ibl), s. geen terugkeer go-, herroapelijkheid. doogoid. :Irriga te (ieri - geet), v. a. besproeien, bevochIrrciasedla Ails (ir-re-mi'di-ibl), a. —bly, ad. tigen. —lion (•gee'sjun), E. besproaling. onherstelbaar. —bleness, s. o.nherstelbaarheid. Irriguous (ir-rig'joe-us), a. bevochtigd, nat. Irrentissi ble (ir - re-mia'sibli, a. —bly, ad. on Irrision (ir-rizfun), a. uitlaching. Irrita ble (iPri-tibl), a. prikkelbaar, lichtgeraakt. vergeellIjk. —bleness, s • onvergeellijkheid. Irremovable (ir-re-moevlb1), a. onverplaats- —bility ( te-bil'it-tih), s. prikkelbaarhtlid, lichtboar; onwrikbaar. geraaktheid. —nt (-tent), a. vernietigend; s. prikirremituerable Air-re•nsjoe'nur-ibl), a. oube-, kelend middel —te (-teet), v. a. prikkelen; verlocnbaar; onvergeldelijk. bitteren. —Lion (-tee'sjun), s. prikkeling; verbitIrrepara Isle (ir-rep'e-ribl), a, —bly. ad cuher-, tering. —live, —tory (-te-), a. prikkelend; verstel bear. —bility —blene&s, ;. on-1 bitterend. herstelbaarheid. Irrupt ion (ir-rup'sjun), a. inbraak; inval. —ire, ad. o,her- (. . tiv), a. indringend, instortend. Irrepeala his (ir-re-Diel'ibl), a. —bleness. s. Guile, Isinglass (arzieng-glaas). a. vischltjm. —stone roepelijk, —bility roepelijkheid. I mica, moskovisch glas. Irrepenismee (ir-re-pent'ens), 8. onboetvaar- Island (ajlend), a. eiland. —er, s. eilander. digheid. Isle (ajP), s. eiland. —t (-lit), e. eilandje. Irk eplevinble (ir-re•piev'i-ibl), s. niet los to Isolat a (iz'o-leet), v. a. afzonderen. — ed, a. alkoopen. l gezondord. (-lee'sjun), s. afzondering. Irt.eprehenoi 1,3e (ir-rep-ri-be , sibl), a. —/,/y, Issue (Woe), s. uitgang, uitweg; atioop, uitslag, al. ouberispelijk. —bleness, s. onberispejjk- uitkomat; uitstorting; fistel; uitgifte;'opbrengst; bcid. kroost, oir; geschilpunt; gevolgtrekking. at —. IrrepressUble (ir-re-pres'sibl). a. niet te o , n'er- in geschil. —, v. a. uitzenden; uitvaardi'gen; nitd ruk ken. ! geven; v. n. uitkomen, -springen, -atroomen, Irx,proacba lila (ir-re-prootsj'i' , 1), a. —bly, ad. -vallen; afstammeu; voortspruiten; eindigen. I —less, a. kinderloos. o iherispelijk. —bleness, s. onberispelijk. Or; eprovnble (ir•re - proevlb1), a. Zie Sr re Isthmus (fai'mus), a. landeugte. It (it), pr. het; htj; hem; 01; haar; er. roucliable. Ire eplltlous Air-rep-tisrus), a. ingeslopen. Italic (it-tel'ik). a. cursief. —s, pl, cursieve (ir-re-zist'ibl)„ a. —bly, ad. onweer- I letters, ler , sisti s. onweerstaan- Itch Main, s. jeuking; schu.rft; hevige begeerte. sta inhaar. ba, rheid —, v. n. jeuken. --ing, s. jeuken; veliangen. —y, Irrtriolu Isle (ir-rez'o-ljo,b1), a. onoplosbaar.I a. jeukerig, echurftig. bleness, 8. ouoplosbaarheid. —t.e. a. —tely, ad. Item (aj'tim), ad. inegelijks, evenzoo. s. ar(-Ijoet-), beslutteloes. —tenet's ( ljoet-), tikel, post; wenk. v, a. opteekenen. (-1joe'sjun), s. bealuiteloosheid. Hera nt (it'ur-ent), a. herhalend. —te(-eet). v.a• Irrespective (ir•re-spek'tiv), a. —ly, ad. onbe, herhalen. (-ee'sjun), s. herhaliag. —tire trekkelijk, onafhankelijk. (-e-tiv), a. herhalend. Irresponsi bin (ir - re,, pon'sibl), a. onverant - Itinera rat (aj - tin'ur - ent), a. rondtrekkend; s. woordelijk. —bility s. onverant-1 reiziger. —ry, a. reizend; rats-; a. relswijier, woordelijkheid. reiekaart. —te (-eet), v. n. reizen, rondtrekken. Irretentive (ir-re-ten'ti:), s. zwak (van het ge- Its (its), pr. zijn, haar. I Itself (it-self'), pr. zich, self. heugen). Irretrieva ble Air-re•triev'ibl), a. —bly, ad. on-' Ivied (arvi•id), a. suet klimop bedekt. herstelbaar. —bleness, s. anherotelbaarheid. ivory (arvur•ih), s. ivoor, elpenbeen. —. a. ivoIrreverets ce (ir-rev'ut , ens), s. oneerbiedigheid. net . —black, ivoorzwart. a. —tly, ad. oneerbiedig. Ivy (aj'vih).s. klimop.. ground—, aardveil. tree—, Irreversi ble (ir-re-vurs'ibl), a. —bly, ad. niet' boomveil. —berry, klimbes. —mantled, metklimop te veranderen, onherroepelijk. —bleAess, a. onher- 1 begroeid. —owl, grUze uil. —resin, kltraopharst. feepelijkheid. Izzard (iz'zurd), P. (de better) Z.
— into; to stake; to propose. —ter, m. first bidder. —tin, v. setting (in); first bidding. o. insigiA, view; design, intention. Inzied en, on. w. fie Inkoken. —eel, o. decoction Inzlen, 0. t(j sorter —, on a tearer examination. ntOns —e, in my opinion. —, ov. w. to look into, to examine; to peruse, to consider ; to see, to understand; to take into consideration, to excuse Inzln ken, on. w. to sink in,— into, — down. Inzitten, on. v. to kit in. er —, to be at a loss, to be in a (nice) ilx. Inznes, by. very sweet. Inzonderheid, bw. especially, particularly. Inzont en, ov. w. to salt, to pickle, to cure. —ing, v. 'siting, pickling, curing. Inzuig en, on. w. to tuck in. to imbibe, to absorb. —ing, v. imbibition, absorption. Inzulpen, on. w. to gulp 1:10W11. Inzuit en, on. w. to pickle. —ing, v. pickling. Inzwnebtel en, on. w. to swaddle in, to swathe. —leg, v. swaddling, swathing. Inzweig en, or. w. to swallow (down, up). —er, m. ewalluwer. —ing, v. swallowing. Inz•eromen, or. w. to overtake; on. w, to swim in, — into, to outer swimming. Ina werese, on. w. to fester in, to rankle, Inzweven, on. w. to come in hovering.. lezwieren, on. w. to come in staggering. Irian, v. iris. I4 our, o. ivory. --draaier, —werker, ivory-turner. —work, ivory-work, -ware. —sand, ivory-dust. —mart, ivory-black. livoren, by. ivory.
(tungd), a. met cane..., tong. -less, a. zonder tong, sprakeloos. Tonic (ton'lk), --at, a. spannend, versterkend, toongevend; van is tonen. s. veraterkend middel; grondtoon. Tonnage (tun'nidzj)., tonnemaat, -last; -geld. Tonsil (f011'811).c keelklier, -amandel. Tons Ile (ton'sil), a. echeerbaar. -or, s. scheerder. -are (-sjoer), s. sobering; toneuur. Tontine (ton-tier'), a. tontine, aangroeiende ltifeente. Tony (to'nih), s,1 urnmel, stoffel. Too (toe), ad. ook, insgelijks; to, site. Tool (4051). s. gereedachap, werktulg. Toc (lost'), a. getoet; geraas. -, v. Et. & n. toe• ten, blaze,. .-er, a. to, ter, blazer. Tooth (loath'), a. land; weak. -and nail, met band en tend. -rche, tandpijn. -brush, landborate. -drawer, k(ezentrekker. -letted, getaud. -pick, -pi,ker, tandenstoker. -powder, tandpoeder. -Rocket, randkaa. -wort, randworrel. -, v. a. van tanden voorzien; utttanden; loan Invatten. -ed, a, getan.1; schecp. -less, A. tandeloos. -some, a. timakelijk. -tomenaas, s. smakelAjkheid. Top (top') a. top; tipjo; bruin; spite; nok; kap; opporvlakte; bovenste, voornaamete; toppunt; oppervlakte; bovenste, voornaamate; toppunt; drijftol; morn. hamming-, bromtol. -armor, marskieed. -block, fttengewindreeps Wok. -boots, pl. koplaarzen. inarsraod. -cap, stengeezelehisofd. -chains, p1. mareputtinga. -cloth, -ful, boordevot. -gallant, vcornaamst, zonder mededinger; -naast„ branasteng; -royal-mast, bovenbramsteug; -sail, bramsel. -hamper, bovenlast. -heavy, topzvraar. -hoop, maraband. -knot, lintstrik lop Pen ks peel). -lantern,-light, marslantaren. -lining, atootlap op een marsmelt. -man, bovenmen (hlj hot zagen); maregast. -mast, steng. -netting, vinkeuetten in de mare. -plates, pl. beslag der maroon. -proud, veer trotsch. -rail, maroleuning. -rim, marsrand. -rope,stengewindreep.-aatt,marszeil,-bowaprit, hJselabitile; -lard, marszeitsro. -soil, bovenste vend. •-aquare, soldatengat. -stay, knikstag. -tackle, gi,jn van den stengewindreep. -timbers, pl. verkeerde °plangent, hangers, spsustutten. Too (top'), v. a. topper, aftoppen, knotten; snotten; overdekken ; van eeue kap voorzte,n; beklirarnen; overtreffen; v. n. Vets verheffen, uitmutat.; beseeches; (upon) overtreffen. Topaz. (to'pez), a. lapses. Tope (loop') v. n. pimpelen, z'iipon. -r, a, pimnelaar, dl ► nkebroer. Toph (to:), a. tufsteen. --aceoue (to-fee'sjus), a. tufsteenaehtlg. -et (ta't1t), a. hal. Towle (top'ilc), s. arderwer. p; genteenplaats; wendig middel. -, -al, a. -ally, ad. plaatee. ltjk, uitwendig. Top lea:, (top'less), a. zondar. top, -most, a, bovenet, hnogst. Topograph er (to-pog're-fur), s plaatsbesehrijver. -ic, -ical, a. -ically, n i. (top-o-grerik-), plaatsbeechrljventi. -y, a. plaatabeselobving. Topping (top'pieng), a. -ly, ad. ultrauntend, overtreffend; her; vO0ruaani.
405 calf to. —end, hr. definite. —er, m. appointer; definer; stipulator, —.ing, v. limit, tion; determination; definition, etipulatiou. Bavarelen,ov. w. to pearl, to bepeas Bepell en, ov. w. to round. —ing, v. sounding. Bopelna en, ov. w. to meditate — , to muse upon, to ponder. —ing, v. meditation., muksug. 11op6kketi, or. w. to pitch, t o do over with pitch. Beperk en, ov. w. to fence to hedge) se; to ;malt, to put bounds to, to moderate. --ing, v., fencing in; ilmitetion. —t, be. limited, narrow. v. narrowness. BeplIkken, ov. w. to pitch; to pick. Depiraen,ov. w. to bepiss, to piss upon. Boplak ken, ov. w, to paste over, — upon. —ker, m. pester. —set, 0. thine, pasted over. Beplank en, ov. w. to plank, to board, to wainscot. —ing, v. boarding, wainscoting. Bereinnt ten, ov. w, to plant. —er, us. planter. —jag, v. planting; plantation. Bcpielster en, ov. w. to plaviter, to parget. —ing., v. planting; plantation. Deplekt en, ov. w. to plead. —er, :it. pleader. —ing, v. pleading. Be•Ineg bear, by. arable. —en, or. w. to plough, to till. —ing, v. ploughing. Bepluivviero, ov. w. to adorn with plumes. Beplolzen, ov. w. to pick at. Depot ieta, ov. w. to plant —er, to. planter. —mg, v. planting, plantation. Bepratitster, v. 'Lie Bepratcr. Beprat en, ov, w. to persuade, to wheedle (into); to talk over. —er, m. pee-metier, wheedler. v. persuasion, wheedling. Beproel bear, be. triaele.—d. by. tented, tried. —.ter, v. Zie Beproever. Beprnev en, ov. w. to try, to essay, to make a trial of. —er, m. trier. —ing, v. trial. 111privad, o. deliberation, couei:ler.ztioa, rijp —, mature deliberation. in -- ne.en, to take into deliberation (conside.tion). —slagen, on. w. to consult —, to deliberate --, to de ease Ion), to confer, —slaver, in. consuitsr, delieerator. --ala ging, v. consultation, deliberation, diezurreion lieraden (zilch), t. w, to take into deliberation, to considee of ; to change on•'s mind. bv. t bw. deliberate (-ilyi, conrederate (-1y , , well. -advised. —held, v. delieeratenede, considerateness.. Beranii en, ov. w. to concert, to pl., to frame. m. planner, framer. —rug, v. converting, planning, framing. Berberle, v. barberry. —seefruik, berberry-both. Bard, o. to —e brengen, to stove, to propose, to bring upon the carpet. Berecht en, ov. w. to serve, to Administer the sacrament to. —er, m. server ; Administrator. —tine, v. nerving; administration. Beredder nor, m, manager, arranger. — en, ov, w. to manage, to arraege, —tag, v. management, erranirement; bustle, stir. Bereden, be. mounted, well-broken. Beredeneer d, bv. reesanable; rattonel, argumentative, analitical. —en, ov. w. to (tuners. Beregonain, on. w. to become wet with rain. Herald, bv. ready, prepared, disposed. —en, ov. (t0 00110.110) 011P'114

Wat is arbitrage cryptogeld


o ( aje a n),e sm. edeal, n , s a, ab. °;o!enntp. el. Share a na nd rot l n nee bo e g et ahaar, nto _ dea l ada:eln r.—,v. (in. a ie a ; r,. eeel deal nemen se,icrra, hap; bewchutting. —e, v. denier, deelhlbber. (from).( - tiff Shttrk (sjaarkl, a. haai; bedrieger; bedrog. a. v. a. wegkapen; v. n. bedrtegen; Febuirnloopen. — er, a gelukzoaker; schuirnioaper, opilchter. a. senaduwing. schaduwan. ir ii tl a)adaerp'3, . ,,zoi;k()h. et_) , Feala. er_ (1-,ass)., s. 1...)errijkheid. Sharp p:a iy , e ,,hde .rp oe ehtaeor nr ;
487 —er,'tn. Importer; pawn-broker. —ihp,v. importation; allegation. —ster, v. female pawn broker. Inbreuk, v. infraction, infringement, transgression, encroachment. — maken op, to infringe upon, to transgress, to encroach upon. Itahrokketem, Inbroliken, ov. w. to break into; to 1040 successively. Inhruln, bv. dark-brown. Iea lortsisen, on w. to rush into. Enbutg en, or. w. to bend inward, to inflect. —leg, v. bending inward, inflection, Ince..eine en, or. w• to collect. —ing, v. collection. Inconsequent, by. & be. inconsoquent (-ly), inconsistent with one 's salt. —ie, v. loconsequense, inconsistence. Indschtig, by. mindful (aan, of). Thaken, to put in mind of. tinting en, ov. w. to summon, to cite. —er, m. summoner. —ing, v. summons. Indarona en, or. w. to dam up. to embank. —ing, v. embankments Indelven, ov. w. to dig into. Indeuken, or. w. to consider. Intrierd wad, bw. indeed, really. Indian, rw. if, in case. ludiets an, ov. w. to deliver in, to present. —ing, v. delivery, presentation. Indigo, v. indigo. indUk en, ov. w. to dike, to embank. —ing, diking, embankment. Indoen, or. w. to put (to get) in, — into, Indonapel en, or. w. to plunge into., to immerge. --ing, v. immersion. Indoop en, or. w. to turn (to twist, to screw) t. w. to intrude. Into; zich Indragen, ov. w. to carry into. Inds...wen, or. w. to enter trotting, — at a trot. IndrUv en, ov. w. to drive i to force) In, — into; to emboss, to enchase; to float into. —ing, v. driving (forcing) in; floating in. Indrillen, ov. w. to pierce. IndrIng en, or. 'or. to push (to mar, to force) in, — into; on w. to penetrate; (op) to press; each t. w. to intrude. —end, by. intrusive. —er, m. —.ter, v. Intruder. —ing, v. penetration; intrusion. IndrInken, or. w. to s callow, to such in. Intirog en, on. w. to shrink in, to dry in, up. —mg , v, drying in, — up, desiccation Indroog, hi. very dry. Indrutpen, on. w. to drop (to trickle) in, — into. Indrultien, on w. to ru'h into. Indruk, m. impression. —ken, ov. w. to press in, w into; to impress, to imprint, to inculcate. —king, v. pressing in, impression. —set, o. stamp, impression. Indruppelen, or. & on. w. to drop in, —Into, to instill. Induiken, ov. & on. w. to plunge (to dip) in, — into; to draw much water. Indewen, ov. w. to push in, — into, to bend inward. Ineen, bw. together, into one another. —groeien, on. w. to grow together. —krimpen, on w. to shrink, to writhe. —Zoom*, on. w. to meet
bepaald. bruisend. a. —ably, ' s. krachteloos, lnexpress lble (in-eks-pressibil, Ineffiefte Inns (in-ef-fl-tree onnitsprekdijk. —ibles (-iblz), pi. broek. niets ardoend. —iousnets, —y f-ePti-ke-sih), s. a. solider uitdrultking. krachteloosbeld, vruchtelooaheid. (in-eks-pug'nibl). a. ono,erwinIneflielen cy (in-ef•lsj'en-silt), S. krilehtel00s- Inexpugnable onneembaar. , a. krachteloos, wer. nelijk, held wericeloosheid. —t Inextinxulsht.ble (in.eks-ting'gwisj.1 1 01), ,, on' ,s. keloo ultblusehbaar. Inelnlyornte (in e-lebiur-ret), a. ondoorwrocht,Inextirpable (in-eka• tuepibi), a. onnitroetbaar, slordig bewerkt. onverdeigbaar. Inelegan ce (in-ere-gene), R. onbevalligheid. —t,Inextrlea bale (its-eketri•kibl), a. —11y. ad . nlet a. —sly, ad. onbe•allig. to ontwarren; netelig. —bleness, a. verwardheid; a. onverklesbaar , Iiielegi ble —bility
505 o. (slipping% , cuttings. —err, v. Zie Kodde, a. —rijtje, o. drollery, fan. K.driebeter, rn. game-keeper. Snippet.. Kotleig. b7. & bw. droll (-hotly), odd (-13), Knitteren, on. W. Zits Knetteren. funny oily). —held, v. drollery, oddness, oddity, Knobbel, tn. knob, knot ; tubercle. —achtig, comicalneee. —ig, by. knobby, knotty. —igheid, y. knotti• *rase, v. cow ; bad sailor. —Leest, cow. —brag, nest. orlop-deck. —dief, cow-etealer, ebactor. —date, Kuod, Knodde, v. knob. —destok, club, cudgel. wild camomile. —dokter, cow-leech. —drek. Knoet en, ov. & on. w. to bungle ; to intrigue. —mist, cow-dung, cow-quakes. —deljver, cuw• —work, bungling, clumsy work, —er, m. bungler, paltry workman. —erv, v. bungling, clamsy held. —hoar, cow-hair. — boom, cow 'o horn. cow-bide, cow 'a skin. —kanap, —weide, work intrigue. —ster, v. bungler. pasture-ground, meadow. - -melk, cow 'a milk. m. boot, knob. —gezwel, ecirrhosity. —milker, cow-milker. —pokken, cow-pox. —pokby . knotty, knobby. —erig—acktig, —erig, inenting, vaccination. —pokstof, vaccine matter. held, —igheid, v. knottiness, knobbiness. stoart, COW 'a tail. —Oaf, cow-house. —Oleg, Knoat, m. boor, clown ; knout. —achlig, —ig, os-fly. —voet, (iron) crow, lever, liand-epike. bv. boorish, clownish. —debars. cow-cheese. —iekop, cow 4 s head. -ivKnotroten, ov. w. Zits Knuffelen, braid, cow-weed. —ievieesck, cow-beef, --ienuter., lino:took, o. gaalick. cow 'a udder. Kook, re. bone. Knokkel, tn. knuckle; clown. —olie, —sop. drub- Ktrek, m. cake. —, v. gingerbread. --1.akkey, gingerbread-baker. pastrycook, confect loner. bing, stirrup oil. —aelitig, by. clownish; clumsy. —bakkerij. trade (horse) of a pastry-cook. —deeg.. Knol, m. turnip; hack., jade. —akker, —laud , dough for cakes, gingerbread-prate, —kraani, turnip-field. —rabi, cole-ropa. —radj;s, turnipgingerbread-stall. —kromey, gingerbread-seller, radish. —rend, spheroidical. —seldersj, celo ►tac. —embakker, zie Koekbekkor. —enpan, frying—.gad, rape-seed. —achtig, be. like turnips, pan, tuberous. Kvackeilosoress, on. w. to stare, to peep, to ogle; Knook, in. bone. to loiter., to idle. Knoop. in, knot, knob; *nail; node; button; tie. —doekje, small neck-handkerchief. --eras, dog 'e- Ilicrekock, szo. eockoo ; sky-light ; cuckold. —ecockoo•tlower. —.brood, wild sorrel. gress, outton-weed. —koord,flettifilt-string.—Lorm ;,loens button mould —nude, twisted silk. —endraoler, —stook, hare-foot. —.ono, cuckoo's note. —eowaoker, button-maker. —enfabriek, button- Kole I, be. & bw. cool (-1y), cold (-ly). —6lotdig, by. manufactory. —spat, button-hole. — en, or. w. to cold, lodiffarent; bw. in told blood. —6Ioedigheid. cold (cool) blood. —soristrg, be. & bw. cool (-1y), net, to knit ; to knot, to tie ; to button. —er, composed (-1y). — zineogkeid, coolneert, comm. netter; knotter. —ig, be. knotty. —ing, v. netting; knotting, tying ; buttoning. —titer', a. posure. Koel en, ov. w. to cool; to satisfy, to gratify; on. Zie Knooper. w. to cool. —6ak, miner, —ketet, —kitip, —eat, Knots, in. knob, head, stud; button; pommel, cooler, cooling-vat, —drank, julep, rerrigeraet. cascabel, truck ; bud. --speld, large pin, —achtly, be. knotty ; full of buds. --pen, on. w . to bud. —kelder, cooling-cellar. —oven„ cooling oven. Knor, m. knot, knob; gristle, cartilage. —vleesch, —zeit, wind-sail. —held, v. coolness, coldnese. gristle meat. —ing, v. cooling. --be, v. coolnekor, freehneato Knurl, in. knot. breeze. --gale. —tjes, bw. coolly, coldly. Knor ren, on. w. to growl, to grumble, to snarl; loan, by. & bw. bold (-1), daring (-1y). —held, v. boldnees, daringnees. (op) to scold. —haan, gurnet, francolin; —repot, grumbler, snarler. —rig, be. grumbling, 114.trepe t, m. dome, cupola; enminer-house. —dab, arched roof, dome, cupola. —beck, dome-church. peevish, surly. —righeid, v. peevishness, au dines.. Knot, v. tuft, bunch, knot; need cod. g, dome-shaped. Knioto, v. club, cudgel. Knees, m. vv.-order of a tower (steeple). Knot ten, ov. w. to tie into `knots (bunches); —toren, watch-tower. to lop, to prune; to quell, to repress. Knerrn, o n. w. to ,00. pollard-willow. —ter, m. lopper, pruner ; (melt- Koerter, m. courier. honden, — er, represser. —tang, v. lopping, pruning; quelling, Koerai, m. course; currency; rate. repression. sett., to steer, to proceed. —en, or. & on. w. KnutTellen s on. w. to handle roughly, to rube, to steer. --ing, v. steering. Koester nor, m. cherisher. —en, ov. av, to to fumble, to pucker. cherish, to cocker, to pumper; to oultivate; to Knntst, m. fist, clutch. paw. t. w. to Knot, m. fellow, ninny-hammer, dunce. favor, to protect; to entertftin; nick bask, to nurse one's 'self up. —Ong, v. cherishKnuppel, m. cudgel, club. —en, ov. W. to cudgel. Koutscl oar, m. —aars/er, v. one that makes ing, pampering; cultivation; protection. all manner of trifles. --ar(j, v. (making of) trifles. Koet, v. moor-ben, coot. —en. or. & on. w. to make (to contrive) by Koeter seer, m. —aura/er, v. jabberer, person that talks gibberish. —en, on. w. to jabber, to way of pastime. —lag, v. making of Utiles. talk gibberish, to gibberish. —want, sic KosKnuttel. v. knittle. laniottorijo be. pleasant, amusing. teener. —waaleo/,, by. & o. gibberish. —wafers, Kobelt, o. cobalt. tie Koetarem,
416 lumen voorate von, m. inner-apron. ItInnenwasard, m. drainedlake, inner-polder. Blinnetawnart a, ad. towards the inside, inwardly. Binnenvarester, o. lake. riser, canal. Binnensweg., to. by- w ay, by-path. lniminenweirk,o lunerwoft, clear. —8, bw.in the clear. Binnenzak,m. tob. BinnenzUde, v. inside. ISInnenzUst ask. a. side-lining. altnnemes.oi, v. inner-sole. Blest, v joint, cross beam. Hirkwoetel,m. fennel-giant. o. bishoprick. Bliasehop, tr., bishop. —sambt, episcopacy. —shoed, bishop's hat. —satatiter, mitre. —smuts, bishop's cap. —seta!, crosier. —010, by. spas. copal. Bit, o. bit, bridle. lista, bv. & bw. harsh (•ly), tart (-1y), spiteful (-ly). —held, v. harshnete, tartness, spitefulness. —asr, bv.Zie BUtnekatica. Miter, by. & ha bitter (-ly ); sad (-1y), grievous (-1y); hard, severe (-137), intense (-1y); harsh (-ly) acrimonious (-ly). o. hitter; bitters (drank), --(horde, rnagnes*a. —appel, bitter-apple, coinquint. —einden,, junk. —flesrh, gin-bottle. —bout, bitter-wood, quassia. —kalk, trisk-net,ia, stone —kers,garden-cresses —kluver, buck-bean, mare-h-trefoil. —epoath, rhomb-spar. —,teen, nephrite, jade. —wortel, bitter-wort, fell-wort. —.goat. bitter-sweet, night-shade. —rant, bittersalt, Epsom-salt. —aehtig. ov bitterish.—nehtagheid, v• bitteriehneas. —held, v. bitterness; grievsoonest; asperity, acrimony. m. bison. Blan(lje, o. little leaf; —sheet; salver, tray, waiter. het —is ontgekeerd, the tables are turned. btliernand in tangoed — staan, to be in one's books. in een kwaad — staan, to be in bad repute. Mayans, v. blame, blemish, stain. Blank-, v. blister, wheal, Wain; blaze, white spot. —tvekkend, by. blistering. Mune, v. bladder; pimple; bubble; flaw. —WY, bellows; eon —, a psir of bellows. —balgtrekker, warmer. —band, —streng. bladder-string. —brevk, systocele. —hares, bugle-horn. —kaak, swaggerer, bully. —kahen, to swagger, to brag. —aakerij, rodomontade, braggery. winter-cherry. —Pijp, blow-pipe; shooting-trunk. —speeltoig, wind-inatrurnent. Bind, o. leaf; sheet; plate; board; flap; blade; tray, waiter; newspaper. van het — syselen, to play at first sight. —goad. leaf-gold. —0,ente. leafy vegetable. —Alter, sheet-iron. —koper, sheetco pper —lois, plant-louse„ vine-fretter --tia.tinfail.—torraig,leaf-ahaped. random-readings to fill up a page). —wiper. index. table of contrasts. .— s(itle, page. —mister, leaf silver. agaric. Binder en, on. w. to turn over the leaves; in sea bock —, to pestles a book. —dos, foliage. —risk, leafy, full of leaves. —apaath, leaf-spar. —toss, be, leafles. )allege en, on. w. to bark, to yelp. —er, m. barker;
One issue discussed is if Erasmus is helping to generate more European solidarity. A study carried out by the European Commission in 2010, shows that participating to Erasmus strengthens tolerance. Another issue is whether Erasmus enables the mixing of Europeans.[32] For example, more than a quarter of Erasmus participants meet their life partner through it and participation in Erasmus encourages mobility between European countries.[33] Most young people had a strong European identity before participating in the Erasmus program. In fact, for these young people, the Erasmus experience makes them even more European, but the research showed no evidence that taking part in the Erasmus programme would lead to revolutionary changes in students' political views.[34]
HEA. HEM. 133 v. a. heat melon; verldtten; aanvuren. —er, achterlappen; v. a. dansen; overhellen. —a-port, heater; ijzeren bout. near bakboord overhellen. — a stroke, een' gang Heath (hieth'), a. heidekruid; heide. —cock, koroverwinden. — er, a. bean, die goed met de spobean. —hen, korhoen. —pea, vogelwikke. —pout, ren werkt. —ing, s. (het) overhellea; hitting. berkbaan. —rose, heidcroosje. —y, a. met beide- Ilea (heft), s. hecht, handvatsel; gewicht; inbraid begroeld. spanning. § a. a. oplichten, tillen. Heathen (hie'thn), a. heidensch. a. heiden. Hegira (he-dzjarre), a. Hegira (tijdrekening der —ish, a. —ishly, ad. heidenech ; ruw., —ism, a. Mohatnmedanen). heidendom. Sheller (hew), a. veers. Heave (hiev') 0. opheffing, -lichti.g; zwelling; Heigh - ho (haj'ho), int. add hallo! achok ; poging tot broken. —raring, hefuffer. Sleight (hajt), a. hoagie, verhevenheid; toppunt; Heave (Mev) [hone.. haven'], v. a. opheffen tap)) hoogate grand; crials. werpen ; doen zweilen, rijzen; lozen. (down) Heighten (haj'tn), v. a. verhoogen; vermeerdekielbalen. (out) bijzetten. v. n. hijgen; rijzen; ren; verfraaien. —er, a. verhooger. a. koken, misselijk zijn. (to) bijdraaien. in sight, verhooging; 'tented. in 't gezicht komen. Heinous iliee'nus), a. —1y, ad. afschuwelijk, Heaven (Liev'n), a. hemel. —born, van den hemel snood. —ness, s. snoodheld. neergedaald. —inspired, door den hemel bezield. Heir (see), a. erfgenaam. —apparent. zekere erf—linen, a. goddelijkheid. —1y. a. & ad. hemelsch. gonaam. —presumptive, vermoedelijke erfgenaarn. —ward, ad. hemelwaarts. —, v. a. erven. —dont, a. ertgoed. —ass, a. eelHefty er lii.ev'ur), a. oplichter, hefboom. —ing, gename. —less, a. zonder erfgenaam. —loom, a. e. (het) wind. ; zwellinb , rijeing. erfatuk. —ship, a. erfgeneumschap. Ileav y (hev'ih), a. —ity, ad. zwaar ; zwaarmoe- lletical (hel'ikl(, a. schroefvormig, spiraal. —line, dig; vervelend; loom. —y-headed, dom, onbevatschroef-, spiraallijn. telijk. —iness; s. zwaarte; zwaarrnoedigheid ; Hello meter (hi-li-orn'i-tur), m. zonnemeter. trnagheid. —scope (hi'li-o-ekoop), a. zonnekijker. —trope Ilebdomad nl (heb-dom'e-del), —ary, a. wake(hi'li-o-troop), a. eonnebloein. lijksch. Helix (hi'liks), a. Rchroet-, spiraallijn. Ilebet ate (heb'e-teet), v. a. verstompen.—ation Igen (hell'), a. Lel. —black, helsch-. pikdonker„ (-tee'sjun), a. verstornping ; stonapheid. —ude —bred, in de hel geteeld, holsch. —broth. hese). (-tjoed), a. stomp-, dornhaid. kooksel. —cat, heka. —doomed, ter belle geHebraic (he-bree'ilt).. a. hebreeuwsch. doemd. —hound. helhond. —kite, hellegier. ilebr. Inca (Li'bre•izmI, a. hebreeuwsch teal- Hellebore (helle-boor), a. nieskruid. eigen. —ist, 8. kenner der hebreenwasehe teal. Hellen lam ,herle-nizm), a. grieksch taaleigen. Hebrew (hroroe), a. hebreeuvvoch. —, a. Hebreer; —ist, a. kenner van het Griekeeh; grieksche Jood. Hebreettwsch. —era, a. Jodin. —ice (-neje), v. n. Griekach ap.rekcn. Hecatomb (hek'e - toera), 8, hecatombs, offer Helller (helni-ur), rz, leidekker. vrn houderd ossen. h elfish (herliej), a. —/y, ad. heiach, snood. Sleek (h.ek), a. ruff; deurklink; net. —ness, a. snoodheid, afschuwelijkheid. Heckle (hek'kl), zie Hackle. Helm (helm'), a. race; helm. —sman, man aan Hectic (liek'tik), a. teringkoorts. —at, a. 't roer. v. a. sturen, besturen. teringechtig, kwijuend. Helmet (hel'mit), s. helm, stormhoed. —flower. Hector (Itek'tur), a. bloaakaak, enoever, —, helmvormige bloem. —pigeon, kappertje (duifi. v. a. & n. enoeven, zwetsen ; dreigen. —/y, ad. —shell, zeehelm. saoevend, zwetaend. Helmintlite (hel-min'thik), a. wormen heti, (Sledge (hedzj'), s. beg, haag. snoeimes. fend. —, a, middel tegen de wormen. deugniet. —born, laaggeboren. —creeper, Helot lhel'ut), a. Heloot; landlooper. —hog. atekelvarkan, egel. —marriage, Help (help'), a. help; behulp ; helper, helpater. heimelijk huwelijk. —note, atrilatdeun. —pig, —. a. a. & n, helpen, bijataan, ondersteune, jong atekelvarken. —row, haag. —sparrow, boomnalaten. (on) voorthelpen. (over) doorhelpen. Ito( musch. aanretken, dienen. —mate, helper; helpater. lIedg e (hedzj'), v. a. omheinen; v. n. wegkruia. helper, noodhulp. —ful, a. behulpzaam; hellpen. —er, a. haagmaker.—iny-bill,zieilledge-16111. zaam; dionsttg. —less, a. —lessly, ad. hulpelooa. Heed (bled'), a. oplettendheid, behoedzaamheid. —/essness, a. hulpeloosheld. to give opletten (to). to take —, op alias boede Ilelter - skelter (hertur-skel-tur), ad. in 't honzijn; oppassen, (of. to). —, v. a. acht geven op ; deed, overhoop. v. n. bedenken; oppassen. a. —fully, ad. Helve (helv), o. steel, hecht. v, a. met ecri% oplettend, behoedzaam; zorgyuldig. —fulness, e. steel voorzien. hehoedzaamheid, oplettendheld. —less, a. —lessly, Hem (hem), a. zoom; hem (buck). —, v. A. zoead. onachtzeam, zorgeloos. —tessness, a. onachtmen, ern boorden; (in) oursingel en; v. n. hamar li, zaamheld. kuehen. —, int. hem! ton ! Heel (hien, a. hiel; ha i r; spoor; afvalling; hie- Hematite (hem'e-tajt), a, ble,edsteen. ling; ondereind. to take to once —s, het hazenpad Hentleyele (hem'i-eajkl), a. halve clrkel. kiezen. —piece, 0. aehterlap; v. a. achterlappen Ilentisplae• e thenCt - stier), a. 11 4/frolul. ic, (schoenen). — ieal ( - afeetk - ), a. halftone.. Heel (hien, v. a. v,i1 kuustaporen voorhien; (hein'i,tilV, a. hall vers.
voile neef. Cove (koov), a. kreek; afdak, schuilplaats. v. a. welven, overdekken. Covenant (kuv'e neat), a. verdreg, verbond. —, v. a. overeenkomen, bepalen; v, n. een verdrag sluiten. —ee (-nen tie'), a. verbondene. —er, s. verbondmaker. Covenous (kuv'e nun), a. arglistig, bedriegelijk. Cover (kuv'ur), a. deksel, omelag; schuitplaitts; voorwendsel. 4 —clip, achol. apreideken. —, v. a. bedekken; dekken; bewimpelen; beschermen; bespringen. —ing, a. deksel, bedekking. Covert (kuv'urt), a. beschutting; schuilhoek; kreupelbosch. —, a. —ly, ad. beschermend, gedekt; argllatig. —ure ( tjoer). s. bedekking, bescherming. —way, bedekte weg. Covet (kuv'it), v. a. begeereu; (after) haken (ja. gen) near, all —, all lose, die 't onderste nit It ban wil hebben, enz. —able, a. begeerlijk. —ous, a. —ously, ad. begeerig, gierig. —mine., a. hebzucht. Covey (kuv'ih), a broedsel, vlucht; troep. Coypu (kus'in), a. kabaal. —one, a. bedriegelijk. Cowing (koov'ieng), a. laifel. Cow (kau'), a. boo. milch melkkoe. —blokes, gedroogde koemeat. —herd, koedrijver, § —hide, zweep, tuchtroede. —house, koeatal. —itch, stink, boom. —keeper, koehouder. —leech, a. koedoctor; v. n. koedoctor zijn. —parsnip, heelkruid. —pen, koeienhok. —pox, koepokken. —quake, koedrek. —shed, mergel. —'s-wort, koekruid. —weed, ker. vel. —wheat, koetarwe. —, v. a- bang maken. Coward (kauw'urd), a. —ly, ad. lafhartig. — , s. bloodaard. —ice (-din), —liness, a. lafbartigheid. Cower (kauw'ur), v. a. koesteren. v. n.neerhurken. Cowish (kauw-iaj), a. bevreesd. Cowl (kaaul), a. monnikskap; gab (op een' schoorsteen); watertob. Cowry (kau'rih), a. zeeschele. Coxcomb (koka'koom), a. fat, modegek; hanekern. —ry, a. verwaandheid; kwasterjgheid.

held. onbuigzaamheid. Stubby (etub'bih), a. vol stronken• tie Stubbed. Stucco (stuk'ko), a. stukadoorskalk. —, a. a. stukadoren. Stuckle Isturk1), a. hoop schooven. Stud (stud'), s. post, still; knopje; hemdtknoopje; stocterij. —book, register van volbloed paarden. —groom, pikeur. —horse, henget. —, v. a. met knopjes heslaart of versieren. —ding, a. bet be-

Wie ontwikkelde Bitcoin


all over, to rummage. to examine narrowly. —ing, v. close examination, pertinisition. Doorspekken, or. w. to lard, to interlard, to intersperse. Doorepelen, or. w. to play through; on. w. to play on. Dooreptlite.n, or. & on. w. to split asunder. Doorspeant en, ov. w. to wash (to rinse) through, to rinse out, on. w. to flow through. —lug, v. flowing through.: current. Dooreporen. on. w. to pass, to traverse, to go through (by railway). Door sprank, v. sounding of an orgen-pipe -oefore the flaps are premised down. —epreken, on. w, to speak on; to sound before the flaps are pressed down. Dooreprengen, ou w. to leap through. Dooretaan, or. w. to endure, to muster', to suffer, to go through. Fen sekip lutes —, to hold course, to let the ship run. Doorstampan or. w. to stamp through; to make hole (to bruise, to mingle) by stamping; on. w. to continue stomping; to stamp quickly. Doon,lappen, on. w. to step through; to mend one 'a pare, to walk at a pretty rate. Doorateek, m, plate where a dike is pierced. Dooratek en, or. w. to put (to stick) through, to perforate, to open; to pierce; to suit), to run through. —er, m. piercer. —ing, v. perforation; piercing; stabbing. Doorsteveimsn, on. w. Zie Doorzeileosi'. Deorstoonion, sn. w. Zie Doorsporen. Doc.ratooten, or. w. to thrust (to push) through; to break by pushing against; ole vender Doorstektn. Dooratra1 en. ov. w, to shine through, to fill with rays; so illuminate; on. w. to shine (to , adtate) through; to circulate. —ing, v. circulation. Doorstrijken, or, w. to dash out, to erase, to efface; to rebuke, to teke through hand; to gall (to wear off) by smoothing; on. w..to steal away, , to abscond. Door.trosespelese, on. w. to stumble through, to pass stumbling. Doorstr,,orescsn, on. W. to flow (to run, to utreant) through. IDooretuditerso, ov. w. to study thoroughly; on. w. to continue studying. Doorstutiven, on. w. to fall through; to let duet fall through. Doorstoreo, ov. w. to utter through. Doorankketen, on. w. to pas loitering, to continue loitering. Doorsollee., ov. w. to chafe —, to gall (to wear off) by sliding; on. w. to glide (to elide) through. Doortaaten, or. w. to grope through; to pry into, to examine narrowly; on• w. to grope through; to take decisive naeasuros. —d, by. effectual, decisive; energetic. Doortiotelen, or. w. to tingle with, to move, to affect. teraortmeht, m. passage, march, course. Doortrappem, or. w. to break by trampling upon; to tread thoroughly; o •. w. to continue trampling. —t, br. crafty, arch, —Meld, v. craftiness, craft, slyness.
Penates (pe-neetiez), pl. huisgoden. Pedicle (ped'ikl), s. steel, atengel. Pedicul ar (pe-dlk'joe-ler), —out, a. luizig. Pence (pens), p1. stulvers. Zie Penny. Pane11 (pen's11), s. penseel; potlood; griffel.—ease, — disease, luisziekte. polloodkoker. —cloth, —rag, penseelPedigree (ped'i-grie),penseel-, s. geslachtsboom. witch. —, v. a. teekenen, achilderea. Pediment (ped'i meat), a. kroonlijet. Pedier (ped'lur), s. rondventer, marskramer. Pendant (pendent), s. oorbel; wimpelhanger. —ess, s. rondventater. —y,s. marskramerth mars- Peuden ce (pen dens), s. helling, overhelling. ktamerswaren. —cy, s. uitstel, opechorting. —t, a. hangend. Pedobapt Ism Ipl-do-bep'tlzm), a. kinderdoop. at-, overhangend. Pend ice (penidls), a, afdak. luifel. —ing, a —let, a. voorstander van den kinderdoop. Pedometer (pc-dot:WI-Mr), s. weg-, achreden- hangend, onbeslist. Pendul on. (pen'djoe-lus), a. hangend; besluimeter. tih), —ousness, a. Pedun cie (pe-dung'kl), a. bloem-, vruchtsteel. teloos, onzeker. —osity a. ginger — cular (-kjoe-ler), a. ran eon' stengel. —culate hangende stoat; onzekerheld. (-kjoe-let), a. geateeld. (eener klok); —ball, —bob, knop aan den clinger; punttang. —pliers, Peel (piel'), s. schil; schietachop (bij bakkers). —clock, slingeruurwerk; —, v. a. pellen, schiller; plunderen; v. n. ver- Penetra ble (pen'e-tribl), a. doordringbaar. a. doordringhaarheid. vellen; afschilferen. s. peller, Wittier; plun- deraar. —ings (-iengz), p1. sehinen. —ncy (-tren-s1h), a. doordringendheid; doorzicht. Peep (piep'), s. (het) to voorschijn komen; blik; —nt (-treat), a. doordringend; acherpzinnlg. —te giurende bilk- aanbreken (van den dog). —hole, (.treet), v. a. doordringen (with); doorgronden; v. n. doordringen (into). —lion (-tree'sjun), a. kijkgat. —, v. n. gluren; te voorschijn komen; doordringirgg; doorgronding; scherpzinnigheid. uitkomen; aanbreken; piepen. (at) begluren. ( forth) roar den dog komen. —er, a. gluurder; —tire (-tree-tiv), a. doordringend; scherpzinnig. kijtglaa; nog; kuiken. —tiveness ( tree-tiv), s. doordringendheid; scherp • zinnigheid. Peer (pier'), s. gelijke, wederga, makker; pair. —, v. a. gelijk steller; v. n. te voorschijn Ito- Penguin (pen'gwin), a. vetgana, pinguin; wilde men; aanbreken; loeren, glares. —age, a. pair- ananas. achap; (engeltehe) rijksadel. —ess, a. gemann Peninsula (pen-in'ajoe-le), a. Echiereiland. --e, a. van een achiereiland. eens pairs. —less, a. —lessly, ad. onvergelijkeltjk, Peniten ce 1pen'i-tens), —cy, a. berouw, boete. weergaloos. —lateness, a. onvergelijkelijkheid. Peevish (pie'visj), o. —ly, ad. knorrig, gemelijk, —t, a. --tly, ad. herouwhebbend, boetvaardig. korzelig. —ness, s. knorrigheid, gemeltjltheid. —t, a. boeteling; biechtkind. —Ha/ (-ten'ajel), a. boetvaardig; boetc-; a. penitentie-boek. —tiara Peg (peg'), a. pin; vioolschroef; stoot. —top, tot. (-ten'sje•rih), a. de boete betreffend; a. boet—, v. a. pinnen, vastpinnen. — priester, hiechtvader; biechtatoei, boeteling; verkersels. Pegasus (peg'e-sus), s. Pegasus. erh hed Pegmatite (peg'me-tajt), s. (so (soonvan),.graniet. Penn ached pen'nesjt), a. bout geatreept. ant (-nent), s. takel, hijschtouw; •impel. —ate (-net), Pekoe (pek'o), s. peceo-thee. Pelagic (pe-led'zjik), a. van de zee. —ated (-neet-id), a. gevleugeld, gevederd. —er, s. Pelf (pelf), a. schatten, rijkdoro; mammon. schrijver; pennenkoker. —Um (-ni-less), a. arm. —non (-nun), a. vaantje. Pell4nan (pel'i-ken), a. pelikaan. Pell et (per lit), a. balletje; prop. —icie(-ikl), o. Penny (pen'nih ► , s. stuiver; penning. —a-liner, vliet, huidje. —itory (-11-tur-rih), a. muurkruid. echrijver. —father, duitendlet. —grass, —weed, (pet-mel'), ad. verward, door elkander. penning-, luiskruid. —post, stuiverapoet. —royal, Fells (peh ► , p1. perkementen molten, clerk of the —, kruizemunt, vlooikruid. —weight, penninggespaarzaam in wicht. —white, zilverwit. boekhouder btj de achatkamer. Pellucid (pel-ljoe'sid), a. doorschijuend. —ness, kleinigheden. —worth, kleinigheid; koopje. Penside (pen's11), a. hangend, zwevend. —ness, a. doorschijnendheid. s.vel,onbereide huid; slag. —monger, s. hangende toeetand. huidenkooper; peltertjhandelaar. —wool, doode Pension (pen'sjun), a. jaarwedde; kostgeld. —, wol, sterfwol. —, v. a. werpen, smijten; v. n. v. a. peneioneeren. —ary, a. gepensioneerd; B. razen, tieren. —er; a. werper, amijter; razende; gepensioneerde; pen,ionaris. —er, a. gepensiovrek. —ing, a, geraaa, getter; a. armzalig. —ry, neerde; gewoon student (te Cambridge); ligtra(trih), a. pelterij, boot. ensive (pen'aiv), a. —ly, ad. peinzend, zwaarPelvis .(pel'vis), s. bekken. Pensive Pen (pen'), a. pen; hoenderhok; Echaapskooi. moedig. —nest, a. stIlheid, ernst; zwasrmoedig-case, pennenkoker. —holder, pennenhouder. held. —knife, pennemes. —man. schrijfmeester; achrij- Pentacapsular (pen- te-kep'sjoe-ler), a. met vijf zaadhuisjes. ver. —manship, s. schrtjfkunst! (het) schrijven. —stock, verlaat, duiker. —wiper, pennenveger. Yenta choral (pen'te-kord), a. vijfanarig speelMtg. — gen ( gon), e. vul'hoek. —gonal (-teg un-, v. a. echrliven; opstellen; opslutten (up). net), a. vijfhoekig. —meter (,tem'i-tur), a. vijfPenal (pi'nel), a. atraffend; straf-. —rode, wet- roetig vers. —njular (-ten'gjoe•ler), a. vijthoektg. bock van etrafvordering. —law, atrafrecht. —ly, --rchy (-aar'kih), s. vtjfmanschap. —oast (-spent), s. straf; boete. s. htjechtoestel met vijf katrol len. ---etie/c (-atik), Penance (pen'ens), a. boete.

Kunt u verkoopt uw ​​Bitcoin voor geld


Elgenen, or. w. to appropriate to one's self; to dedicate. lEigengebakken, by. home-made. Eigengemaakt, by. home-made, home-spun. Eigenhandig, by. autographic bw. with (into) one's own hands. — geechreren otuk, autography. Eigening. v. appropriation; dedication. Eigenliefrie, v. self-love. lElgenikik, by. proper, true. —, bw. properly, properly speaking. Elgenlof, m. self-praiseElgenmachilg, by. & bw. arbitrary (-Hy) . Elgennaane, m. proper name; proper noun. Elgenschap, y. property, propriety, attribute, peculiar (inherent) quality. Elgenste, be. very, same, (the) very same. Eigenawaan, m. presumption, arrogance, selfsufficiency. Elgenwije, by. self-conceited. —held, v. selfconceit. Elgenavillig, bv. arbitrary, self-willed. bw. arbitrarily. —Acid, v. arbitrariness. EigenainnAg, by. '& bw. capricious (-ly), way. ward (-ly ), wilful (-137), headstrong. —Acid, v. caprice, waywardness, wilfulness, headstrongness. Elk, m. oak. —eboom, oak-tree. —ekrans, oakgarland, wreath of oak-leaves. —ekroon, oakcrown. —estam, oak-trunk. —etak, oak-branch. —enappet,oak appl e, gall-nut. —ee,est, —catchers, oak-h irk. —enblad, oak-leaf. —enboeth, oak-wood. —.shout, oak, oak-wood. —enhoisten, oaken. —enloof, oak-leaves. Eikel, in. acorn; gland. —dap, acorn-cup. —cfragenci, glencliferoup. —000st, mastage. —rarken, scorned pig, —ear, m. oak, oak-tree. Eiker, m. a. kind of boat. Minas, taw. alas ! Ellend, o. island, isle. —er, m. islander. Mlle.., taw. prey I Elloof, o. ivy. Eind, o. end, bit, piece. — geed at pocd, All'S welt that ends well.— besluit, final conclusion. —klank, final sound. —klinker, final vowel. —letter, final letter. —lettergreep, final syllable. —medeklinker, final consonant. —oog merit, final view,,— purpose, aim. —ooressak„ final cause. —pant, limit, bound, goal. —Tian, final rhyme. —venni', final (decisive) sentence. Elude, o. eod, extremity;termination, conclusion, issue; death; purpose, aim. ten — Orenoen,to finish, to terminate. ten — loopen, to end. sender —, endless. ten in order to, in order that. —bjk, be. final; bw. finally, at last, at length, to conclude. —loot, by. endless, infinite; bw. infinitely, without end. —lootheid, v. endlessness, infinity. F,Indlg, be. finite. —en, on. & on. w. to end, to finish, to close, to terminate. —held, v. finiteness. —lag, v. ending, termination. Etsoh, m. demand, claim. near den —, as required, properly. —en, ay. w. to demand, to require, to claim; to ask (een prije), to challenge —er, m. —eres, v. claimer; requirer; demandbnt. plaintiff. —lay, v. claiming, requiring, demanding; challenging.
to besmear, to rub; to command, to sweep, to flank. -tag, v. spreading over, rulibiug; commanding. BestrIkken, ov. 'w. to adorn with knots. Beetroot en, or. w. to bestrew, to strew over, to sprinkle, to powder, to flour. -ing, v. bestrewing, strewing, powdering. B retudeeren, or, w. to study, to practise. Bestutv en, ov. w. to beduet, to cover with duet. Westulpen, on, w. to cover (with a curfew, with a lids. Beater en, on. w. to steer, to direct, to conduct to guide to manage, to go vern, to rule. -kg, v. steering, ordinance, guidance, management. Bestunr, o. direction, adminietration; management; government. --der, in. director, a4minietrator; manager; governor. -Ver b v. direct eaa., governess. Bethel bear, by. payable. -dag,pay-dray, quarter day. ---,neuter, pay matter, treasurer. utTddel, (legal) tende r. -tod, te ma for payment. Betaeld, by paid. iemand iets zetten, to requite a thing to a. o.; to give a. o. as good as he brought, to serve a . o. the same. Betel .rt, on. W. to pay; niet kunnen ---, to be insolvent; het gelag -, to suffer (to pay dear) for it. -er, Tn. payer; pay veaster. -ing, v. payment. Beton' ell", on. & bw. becoming (-1y), seemly, decant (-1y). -elijkheid, v. becominenees, seemlinens, decency. -en, on. w, to become,, to beseem, to befit, to be seemly. Detest en, ov. w, to touch, to feel, to handle. Y. handling. Bete, v. Zr i Beet. Beteeken en, on. w. to signify, to betoken, to mean; to serve (on). -ilia. v, legal notice. v. signification, meaning, sense. Betensus via, on. w. to tame, to break; to bridle, to check. -ing, v. taming; checking. Betor, by. & bw. better. - sunken, to improve; to care. worden. to grow better, to improve, to recover. - z(in,to be recov ered,to be quite well Beteren, on. w. ,o tar. Hater en, on. & no. w. to grow (to make) better. to improve, to recover; zich -, to amend, to reform. -eland, v. sax de - rkin, to get better, to be convalescent. -ing, v. - adrop, v. amend meat, improvement; recovery. -*chap beloven, to promise to amend. -er/tap wenachen, to wish the better. -Totten, o. tegen (me, agaioet one's conscience. Beteugel en, ov. w. to bridle, to curb; to restrain, to check. -iota, v. bridling, cart); check, restraint. Illetenter el, by. confused, abashed, out of countenance, perplexed. --dheid, v. contusiou, perplexity. -en, ev. w. to confound, to perplex. Belicht est, on. w. to impeach, of, to tax with. -er, rn. --ater, v. taipeacher. -ing, v. impeachment. Betties, ov. w. later. -, to let alone, to let have one's vatnd_ Betttnimeer en, ov. w. to build upon; to make of wood lemanda light -, to shut up once light;
—er, m. workman, laborer. —star, v. work-woman. —.am, by. dz bw. laborious (-1y), industrious (-1Y).—saantheid, v. laboriousness. Archlef, o. repository of public records; archives. Architect, m. architect, Artialwarin3, in. archivist. Ardnin, sus. o. free-stone. Arend, m. eagle. —ablik, eagle's eye. —Alai., pounce of an eagle. —anus, aquiline nose. —sateen eagle-stone. —avlucht,an eagle's swiftness. A rgdenkserld, by. suspicious. Argoloos, by. & bw, innocent (Ay), harmless (-ly), inoffensive (-ly). —Ilea, v. harmlessness, inoffensiveness. Argilut, a. malice, craft, artifice. ba, & hat. crafty (-1y), artful (-ly), cunning (-ly). v. craftiness, cunning. Alm wenn. m. ertapicion, umbrage; — ',cedes, to suspect. —wanen, ov. w. to suspect. —wsnend, —wanly, h't. 'suspicious. Aria, v. air. Ark,, v. ark, de — dee verbonde, the ark of the covenant. Arm, m. arm; branch, LAndle; power. —.oder, bracltial vein. —band, bracelet; bandage. —baker, sconce, branched candle-stick. —kussen elbowio n. arm bone, facile. —ring, bracelet. ch us,thir. —scheen, armlet. —enact, bracelet. —doe!, armAran, by. & bw. poor (-1y), indigent (-1y). he --err, the poor. —beetusir, college of overseers of the poor, board of charity. —bus, alms-basket.poor'sbox. —hartig, tie A rsumnlig. —huts, alms-house. asylum for the poor. — , Iciajongen, charity-boy. —kind, c herb y-child. —nteester,—ocreorger, almoner, deacon, guardian. —tuezen, system of the poor-laws. —salty, by. & bw. pitiful (-1y) sorry (-ily). —enapotheek, dispense: y.—entelasting.—engeld, poor-rate, tax for the poor. —enka., fund for the poor. —ensch oot, charity-school. —enwet, poor-law. Arznalijk, bw. poorly, pitifully. Armload a, a, poverty, want, need. —ig, by. & a. poverty, et dhy(l-ii little o—ighhars. ei'1' (-je,)'on.le) tlty).one r — p bowOr pn oe sos. Arszlogin, o. aersenet. Arran, on. w. to sleigh-ride. Arrest, o. arrest; seizure; decision. in — nensen, to take into custody. —ant, m. prisoner. —eeren., ov. w. to arrest, to seize, to take into custody; to rassolve. Ares-nand, o. arsenal. Artikell, o. srtiele, head, clause; line. —brief, instructions, 'statutes. Artillar le, V. artillery, ordnance; lichte —, tying artillery; rijdesde horse-artillery; -.kunst, gunnery; —wester, master of the ordnance; —.park, park of artillery. —tat, m, artillery-man. Artisjok, v. artichoke. —stoat, bottom of an artichoke. nois y m. physician, doctor. Arteenki, v. physic, medicine. —bereider, apothecary. —bereiding, pharmacy. —bereidingskunst, pharmaceutics. —drank, potion, —leinke/, spathecary'a shop.
306 Tie (taj), s. baud; knoop, strik; vlacht. —, v. a. binders, kneopen; verplialt ten; (down) verplie hten, verbInden; (up) op-, vastbInden; veirbinden; weerhouden. —r (terra), a. vaatbinder; sehortje. Tier (tier), a. reek., ft); lung. Tierce (tiers, tun), s. derde, tiers; torts, —major, derde van het Ras. Ties-met (tier'sit), s. drieregelig veraje. v. n. Tiff (lilt';, 8. alokje s teugje; twist, gemok. twister, mokken. —any (-a-nib), s. gaits, Boers. —in, s. tweede ontbijt. Tig(tig)., s. tilt, lantstje (kinderspel). TZge (tiedzj), s. achacht (eener zu il). Tigecr )ta)'gur), s. tkiter. —cat, tijgethat. —flower, tijterbloem„ great —moth, beermot. —ists, a.tijger• achtig. Tight MIA'), a. —ly, ad. vast, hecht; dieht; atrak, gespannen; nauw; vasthoudend; net, zindelijk. —ea (tajen), v. a. vast (stevig, gesps.nnen, 'miry) dichthalen. —er, s. veter, rijgsnoer. —men, s. vastheid, heehtiteid; dichtheld; strakheid; nauw heid; karigheid; netlaeid. —a, pl. spanbroek. Ticer age (targresa), s. tijgerin. —irk, a. tijgerRetitle. Tike (taik),.. took; bond; beer, lummel. Tilbury (tirbur-ih), a. tilbury (licht rijtuigi. TIC a (taji), 8. dakp an; —kiln, pannenbokkeriji —soaker, pannenbakker. —e, v. a. met pannan dekpannenaekker,-Bakker. —ing, s. panken, nen dot. prp. tot, tot aan. —, Tilt (till'). s. ge:dlade. conj. totdat. —, v. a. beploegen, bebona en. —able, a. beboawbaar. —age, a. gloating; akkerbouw. -Ler, a. landbouwer; geldlade; spruit, loot; roerpen, helmstok; —rope, stu.trreep; —sweep, Culwage n. Tilkot itirlut)„ s. overtrek. (tiiiiih-fel-iih).int lade i gekheid Tilt WW1, s. legentent, dekzeil, hull; steekspel, stoot; belling. —boat, tentboot. —hammer, stoned—place, —yard, tornooiveld, renperk. hawser. —, v. a. met eon tail ovordekken; vellen (de lane); steken; op zijn' tent zetten; omstooten; erneden; v. n. tornoolen, acme laps breken; kenteren. s. tornoolor, schermer; smeder; ondersteek (van eon vat). Tlith (filth). s. behouwde toestand, aanbouw, Tilting* (til"tiengs), a. pl. drab, droesem. Tinelbel (tim'bel), a. pauk, keteltrom. Timber (tim'bur), 8. timmerhout, now bout; oosnetam; slot', bouw8tor; v eertigtal (Widen). —broker, —merchant. houtkooper. —head, bolder. —mark, kuipersnaerk. —sow, houtworns. —toe, houten been. —trade, houttiandel. —wood, timmerhout. —work, timmer-, dskwerk; buitenheid. —yard, timelerwerf. —, v. R. met houtw erk besehieten, bouwen; v. n. etch nestelen. Timbre (tircebar)., s. belmaieraad. s.handtrom, tamboerijn. Ticnsbrel Thine (taint ) ), a. tijd; Beer, magi; meat. at -a, sontw ijlert. at any —, ooit; to alien tijde. Ett no nooit. by —a, afwisseland. for a —, een" tijd tang. for the — being, van Coen; thane. in —, in tads; met der tijd. oat of —, ontbdig; your onhcurlijke tijden; nit de meat. when— was, voor-

Heeft Amazon gebruiken Blockchain


GEM —GElt. Genes:offal, o. muffling, juggling. Genaok„ o. pouting, Bulking. Geneonepel, o. mumbling, muttering, rumor. senor, o. murmuring, grumbling. Gemara, o. epattering, dirtying, mess. (Aetna, o. chemoie, wild go,tt. —bok, buck of the chamois. Geenutt, o, riot, revolt, rebellion. el amount, be. coined. het — hebben op, to aim at, to mean. Geueurneci, o. inur, mar, purling. G greenest, be. wearing a rap. geed —, in a good humor, disposed, Inclined, willing. kwaliik —, in a bad humor. Gemze leer, o, shammy. —njacht, chamoishunting. —flower, chamois-hunter. Gesael, o. sewing. Genstakbsar, by. accessible. —held, v. accessibility. ansaned, be. named, called. G ensile, v. grace, mercy, favor. op —en ongenade at discretion. door Gods by the grace of God. op — laten drixeen, to leave to the merry of wind and waves. —brief, pardon, reprieve. —brood, charity. —leer, doctrine of grace. —sing, finishing stroke. Genadig. by. & bw. merciful (-ly), gracious (.ly). G en taken, on. w. to approach, to draw near. (lane, vow. yonder, that, the other, the former. doze en —, the one and the other. dezen en —n, come people, many people. teencbse, be. beaked. G eneeren (rich), t. w. to gain one 'a livelihood, (wet) to make shift with; to constrain (to inconveigencei one 'a self. geneer u niet, make youruelf at home. Genesee Weer, be. —Wk, by. curable. —drank, draught, potion. —beer, —hundige, p'eysician, doctor. —kracht, sanative virtue. —tirachtig, medicinal. —kieids„ —kunst, medical art, physic, therapeutics. —kundig, medical. —middel, medicine, physic. —peeler, medicine/. powder. —wijse, method oi cure. Genegen by. inclined, dieposed, favorable, Isvorably disposed. —held, v. inclination , affection. Geneigd, be. Inclined, addicted, attached. —htid, v. inclination, propensity. Genersel, general. —, by. general. de Staten —, the States Genera!. —sehap, o. generalship. Geneirailteltolanden. o. 111.7 . territories longing to the United Provinces in general. Genet, o. genet. Genetagte, v. pleasure, delight. Genoa en, oy, & on a. to cure, to }teal, to recover. —in2,Y, cure, curing, healing, recovery. Genie, o. genius. —, y. engineering. —korpo, corps (body) of engineers. —officier, engineer. —school, military academy (for engineering. Gentep, o. its het —, in secret. —ep, be. hypocritical, sly. —igAeid, v. malice, bypocrisy, slyness. Genies, o. sneezing. Genlet en ov. w. to enjoy, to take. —or, m. anjoyer. —Jag, v. enjoyment, pleasure. Genoeg, bw. enough, sufficiently. —darning,

klonteGroin a (groom';, s. klonter. —ous, rig. —.mess, a. klonterigheid. r. knorren. —er, Grunt (grunt'), a. gel:nor. a. knorder; knorvisch. —ing, 8. geknor. —ling, a. jong varken. Gry Igraj), a. beuzeling, GUnial141k1 (gweele•kum), s. pokhout. Guano (gwa'no), e. guano (meststof). Guarantee (ger - en - tie), s. waarborg, borgblijv. a. instaan your, woe, vtng; gewaarborgde. borgen. Guarant or (ger'en-tur), s. borgblijver. —y, 8. &v. a. Zie Guarantee. Guard (gafird'), a. wacht; hoede; beachutting;stootOva (gen een' degen); beugel (over den trekker van geweer); conducteur; boordsel; stootkant. —s 8. Pjfwaeht. to be on —, np wacht On. to put' (throw) one off his —, ie.. and verrr.seen,(overrompelen), zorgel000 waken. —bout, —shipovachtschip. —chamber, —room. wachtkamer. --house, wachthuis. —irons, hentlijzers. Guard Igaard'), v .a. bewaken; beschutten (against. from). —, v. n. op zijne hoede ?Ain, zich burden, (against. from). —aye, a opzitht van voogdes. —ed, a. —edly, ad. behoedzaam. —edness, 8. behocdzaa;nheld. —er, a. wachter, bewaker. —less, r. Weerloos. Guardian (gear'di-en), 8. voogd; cpziener. —, a. bescbermend. —angel, beschertnengel. —ship, 0. voogdijschap. Guberna lion (gjce•bur-hee'sjun), s. bestuur. —tonal (•ne to'ri-e1), a. eenen'gonverneur betro'ffend. Gudgeon !gud'dzjun), s. grondel; loka as; epil; sul • —, v. a. bedriegen. Guerdon igeeduo), a. belooning. Guess (gess"), 8. pissing. to givr a — at, raden near. - v. a. & n. gown, raden, (at). —sr, 8. gisser. ad. op de gta. Gu est (gent'), 8. Bast; diet (aan de kaar8). —chamber, eetzaal. —rite, gastreebt. —rope, boegsrertouw. Guffaw (guf-fao"), a, told, schaterend gelach. Guggle( guegl), v. n. klokken. Guid noble (gajd'ibl), a. volgzeam. loon. —once, s. leading, bestunr. Guide (gold :), a. gids, leidsman; bestuurder.—post. wegwijzer. —less, a. zonder gtds. —, v. a. 'mien, gel eiden; besturen. —r, a. )elder, lostuurder. Guild (gild'), 8. glide. —hall, gildekamer; readhuis. —able, a. belamtbaar, —er, e. gulden. Guile ff(Ejl',, 8. arglist, bedrog, valschheid. —ful, a. —fully, ad. arglietig, bedriegelijk, valsch. fulness, a. bedriegelkjitheid. —less,a. argeloo3, zonder bedrog. —lessness, 8. oprechtheid. diuMenuot (Rifle-mot), s. waterhoen. Guillotine (gin°. tien), 8. guillotine. —, v. 0. onthoonlen (met de guillotine). Guilt (gilt'), a. sehuld; misdeed. —iness, a. schuldigheid. —less,a. —lessly, ad. schuldeloos. —less ness, s. schuldeloosheld. —y, a. —ay, ad. sc huldig; misdadig. Guimp (gimp), 8. zijden ken,. —, v. a. met zijde doorweven. parelhaan. —corn, guinje. Guln glens . —dropper, valsche mpeler. —fowl, ward-

ki,,, p') Loepti, v. a. & n. (etch) houden; Kidney , kid'ulh), a. nier; slag, snort; humeur. behouden, bewaren, ondernoudeu, beecheemen; —bean, snijboon. —wort, navelkrutd. (zich) afhouden; vieren; blijven. — bad hours, Ktiderkin (kll'dur-kin), a. vaatje. laat thuis komen. — fair, in goede verstand- KM (kill'), v. a. dooden, elaehten. —er, a. donde, howling zijn. — time, in de moat blijven. (away) Kiln (k11'), s. oven, eest. —dry (-draj), v. a. eesten. e Menden; wegbitj ven. (back) terug-, achterhou- Kilt (kilt), a. korte rok (detellooglandera). den; terugbliiven, (down) zich bedwingen; lenge Kinebo (ktm'bo), a. Zie Akimbo. houden; vernederen. (from) afhnuden; zich oat- Kin (kin), a. verwant. —, a. bloedverwant; maaghonden. (in) inhouden; in toom houden; binnen nehap; verwanteehap. blijven. (on) aaerbouden; voortgaan. (out) buiten Kind (Itajnd'), a. }toed, vriendelijk, 'muscle (tee houden. (blijven). (to)' etch houden aan . (under) —hearted, goedhartig. —,13. wort, gealaeht; card, onderdrukken, (etch) bedwingen. (up) ophouden; wijze. in —, in nature. ophltIven; levendig houden; votharden. (up with) Kindle (ktn'd1), v. a. aaneteken; aauhitsen; et n. bljhouden. —er, s. bewaarder; opziehter; cipier; vtear vatten, ontbranden. —r, s. aansteker; canzegelbewaarder. —erskip, a. opzichterachap. —ing, hittier. P. bewaring; nvereenstemming, voeding; gezel- Kia;d Illness (kajud'li-uses), v. wetwillendheid; sehapekamer. natuurlilke acrd. —4,a. & ad. welwillend, vrienKeepsoke (kiep'seek), th aaudenken. delijk, zachtaardig; natuurlijk; gelijksoortig, verKee•e (khv'), —r, a. koelvat. want. —nets, es. vriendclijkheid, goelheid, heuechKeg (keg), a. vaatje. held. Ken (Yell), a. darninet; pop (eener cups). Kindred (kin'drid), a. verwant, gelijkeoortig. —, Kelp (kelp), e weedaech, soda. a. verwantechap; maagechap. Kelp to (kel'itih), —y, a. spookpae.rd. Tittle (kajn), pl. koeien. Keller (katur), e. gereedhetd. Kil ► g (kiting ► , a. boning; heer; dam. — at arms, Ken (ken), th bereik des gezichts. —, v, a. onder- wapenkoning. —apple, renet.--craft,regeerkunst. ,cheiden; erkenuen; v. n. rondzien. —cup, ranonkel. —fieher, tiavogel. —killer, koKennel (ken't.11), a. howdenhok; koppeljachthon- ningsmoordar.—piece,—post,gevelapite.—'s-bench, den; hol; goat. —stone, gooteteen. —, v. a. in het oppergerechtshof; kroongevangenis. —'s.eva, kebob houden; v. n. hokken, in bet hok liggen. ningszeer. —spear, goudwortel. —'s-plate, koKenning (Yen'nieng), e. Zie Ken. ninklijke prije (h&j wedrcnnen). —stone, angelKentle (ken't1), a. centenaar. vied'. Kentiedge (kentleidej), a. ballasttlzer. King (kleng'), v. a. boning waken; dam balen. Kerb (kerb'), s. Zie Curb. —stone, rendsteeu, —dam (-dam), a. koninkrtjk. —lake, —1y, a. koKerchief (bur'tejif), a. hoofddoek, dock. —ed ninklkik. —chip, a. koningsehap. (-tsjift), a. gedekt, gealuierd. Kink (kingk), a. kink; inval; but. —, v. n. in de Kcrf (kurf), e. beef, insnijding. war geraken; uitbareten. Kermes(kuemiaa), a. scharlakenbezle. Kinn folk (kinzlook),s. maagscbap. —man, —wafter', (knell), s. borsch soldaat; lereche boer; hand- man, a. bloedverwant. molen. —, v. n. korrelen. Kipper (kip'pur), i zalm (na het kuitealeten). Kernel Ikur'nil), a. kern, pit; korrel; knee. —eta- —tame, verboden t drone de zalenvanger. I er, perste°. —wort, bruinwortel. —, v. n. zich tot Kirb (barb), a. Zie erb. korrele zetten. —1y, a. vol barrels (platen). Kirk (York'), a. kerk, echotsche beck. —man, ann. —mere (-mier), th literacy (kar'aili), a. karsaai. hanger dee achotache kerk. Kirtie Ikuet1), a. wambuia; jakje, lijfje. casimir. Retell (ketej), s. kits (zeker vaartuig). Kiss (bias'), s. kes, zoen. —. v. a. kueeen, zacht Ketchup (ketsj'up), a. Zie Catchup. aanraken. to — one's hand to, eene kushand toeKettle (ket't11, a. ketel. —drum, keteltrom. —pins, werpen. —er, a. kusser. —ing-comfit, weiriekend keeels; het kegelepel. tsuikergoed. —ing-cruet. weeke eijde (van een krutFhout. —heads, bolder, Revel (kev'il), a, brood). —me-quick, a. voile, sluice. Key. (ki'), 8, eleetel; toets, blep; katje (aan boo- Kit (kit), a. zakviool; zaltnvaatje; melkee.mer; men), land. —bit, sleuteibaard. — chain, mleutel- grooie beech; katje; schoenmakeregereedschap; bent, menitte. ring. —cold, ijakoud, levenlooe. —hole, eleutel- Kitchen (kitsjiin), a. keuken; kombula. —boy, gat. —alone, eluiteteen. —age, a. kaaigeld. —d, a. rat Vibe (kajb'), a. winter, winterhiel. koksjongen. —furniture , keukengereedsebap. winterhieicu geplaagd. —garden, moestuin. —maid, keukenmeid. —styli', Kick (bib'), a. sehop, trap; stoat. —sole, men- braadvet. —tackling,!eenkengereedsehap. —wench, gel neoes, samenraapsel. —shoe, dancer, springer. vatenwaschster. —work, Iceukeneverk. —, v. a. & n. echoppen; each verzetten, (against. Kite (kat'), m. wouw, kiekenalef; vlieger; schraat), —er, a. ',chopper. I per. -fish, vliegende visch. —'s-foot, havikskruid; Kid (kid'), a. geitee. —fox, jonge YOB. —gloves, ka- ,, gale tabak. bretleeren handachoenen. —skin, geitenleder. —, I Kith (kith), a. bekende. neither — nor kin, geen v. n. geteen werpen. vriend of maag. Idcr (kidgdue), a. opkooper. Kl, Kitten (kIt'tn), s. katje, —, v. n. werpen (van Kidd! c (kid'd1), s. viechweer. —ing, s. joule geitje. batten). itifeinop (6id'neee, v. a. (k"..nderen) oplichten, ate- I Kltck (klik'), v. a. weekapen; v, th klapperen, tiklee . pee, m, kiuderdiel; ciel verkoc.per. ' kou --er, al. werkba tie,
—gevaar, desger of war ; —gevangene, prisoner Krippeiltle„ o. little, bit, crumb. of war ; —geweld, force of acme ; —god, god of Krippen, tiv. crepe, war, Mars ; —godin, goddess of war, liellona ; K nts,a.creene. —handet, militaryy art, profession of arms; —heir, Kristina, en. w. to crackle. army, hoot. —h eld, hero, warrior; —heldin, Kriolal, o. cryetat. in — schieten, to crystallize. heroine ; —koofd, —overate, general, military —forming, crystallization. —len, —lig, by cryotal, chief, —leans, chance of war ; —has, military crystalline. o. crystal. — Warn., by, crystal, cheat; —knecht, soldier; —hasten, expenses of crystalline. war; —kunde, military science, tactics; —kundig, Kratlek, be. critical, hazardous. military; —kunst, military art. otrategy; —fasten, 14.roeht, v. crypt; hillock, hill. charges of war, contribution ; —lied, —rang, Krodde, v. weed among oat,, cockle. Watery (wariike) song; —/ieden, soldiere, war- Kroeg, v. tavern, public honer, epuneiog-horise. —hauder, --wooed, ele•houee-keeper, publican. riors; —list, stratagem ; —markt, army, forces ; —looper, —taieg, frequenter of taverns. —en, on. —makker, feliuwesoidier, companion in woe; w. to frequent taverns; to have a treat. -man, soldier, warrior; —munseer, military honor; —mansatand, soldiership, (soldiery ; military Kroep, v. croup. state. —osusieh, military music: —oefening, mili- Krone, m. cup, pot; crucible. tary exorcise; —orde, —nicht, military diecipline; Ks - oes, by. crisp, frizzled, ►raped, woolly ; peevlsh, ill-humored. —hop, woolly-haired heed, — —ordening, military institutions, — law, — rules; person. —plicht, military duty; —plichtig, hourri to nerve, subject to trint'ary service ; —pltchlige, Hemmen, by. w. to crisp, to frizzle, to curl. conscript; —plichtigheid, obligation to military Krok, v. vetch. service; —read, council of wit•, court-martial , Krokodll, in. crocodile. —lentraven, crocodile 's ,:ears, feigned tears. —reek, —wet, martial law; —rocm, military fame, — glory ; —tccht, military expedition ; Krokum, rn. —toerusting, warlike preparation ; —loosed, seat Fivole ce cot, hovel, hut. (theatre) of war; —verrichting, military operation; Kraal inn, on. w. to caterwaul. --ziek, ale Kroger!, achievement, —voile, soldier soldiery; military; bv. with small roams (partitions). —teem, military concerns, — system ; —sword, watch-word ; military term ; —seek, matter of Kroloch, by. ruttish, proud, in heat, lustful. —hem, v. rut, ruttishness, lustfulness w ar. —en, on. w. to war, to make war. Kr (jenn, °v, w. to get, to receive, to obtain ; Krone, by. bent, curved, crooked, wry. —been, crook-shanks. --beenig, bendy-;egged. —boclatig, to reach, to catch. het to kwaad —, to be 'worsted. ein sons, tortroue anfractueue. —gerineerd, with Krijiger, m. warrior. crooked fingers, light-lingered. —hats, w) y-necked Kreigereje, o. - apelen,to play at prison-bars. pereos; retort. --loam, —toren. comet, bugleKreigelbinfellg, be. & bw. warlike, martial (-1y), horn.. —pout, compass. timber, knee; camber. courageous t-ly), valiant (-1y). —heid, a. warlie ahouwer, ecirnitsr; falchion. —/ianig, curvilinear. nese, courage, prowess. —ernes, garden-knife. —neus, person with a crookKrildisets, in. shriek, ',cream, —en, on. w. to shriek, ed nose. —neazig, crook -nwed, —rug., crook-beck; to scream. o. chalk ; crayon ; circus. in het — staan, crook-barked person. —steam, a coin ; --abler, small boar. —etaf,, crook ; crueler. —ateven, to owe. —aurde, cretarteous earth. —berg, chalkcrooked prow. —Mal, gibberish, broken language, hill. —gebergte, cretaceous rocks, —teeltening, —telex. to gibberish. —tang, stammerer. crayon-drawing. --achtig, by, cha I try, cretaceous. to stammer, to speak thick. — tonyig, otarnmerKrigt en, or. & on. w. to cry, to weep. —er, in. log. —roet, club-footed person. —weg, tortuous crier, weeper. —ertje, o. kit. road. achtig, by. somewhat crooked. —heid, v. Krik, tow. crack! crookedness. —men, ov, w. to bow, to bend, to Krikkerntk, v. crab. curse, to crook; rich t. w. to bend, to wind; KrIkkrakken, on w. to crackle. to writhe; to cringe. —veer, m. knee. -.fining, a, Krinip, v. want, scarcity, penury. by. fresh, bending, incervation; sic Krorote. —te, v. live. —en, ov w. to shrink, to make shrink; on. crook, dness, cut vity, sinuosity. beat; horn, w. to shrink, to lessen; to fall (ran den wind) meander. —hose, chilly person. —aeheteieek, fresh whiting. —Hach, fresh fish. —satin, fresh salmon. —erd, m. Kronen, ov. w. to crown. chilly person, shrinker. by. chilly. —ing, Kr.nwngond, o. gold of eighteen citrate. eehr(iver, chronicler, v. shrinking, contraction, gripes. —ster, v. chilly ii.vonlek, v. ch,onlcle. annelist. woman. coronation-dey. Kring, rn. circle, ring; halo; cycle, orb. sphere. Kronleg, Q. coronation. —s; east, coronation-feast. —aplachtigheid, coro—en ender de cogen, wrinkles under the eyes, TIR11011. Crow 's-feet. —normeg, circular. ---treijze, by. & Krankel, rn, rumple, wrinkle; coil; twisting (of bw. circular (-ly), orbicular ( toe guts). --acetig, bv• rumpled wrinkled. —en, Krinkel, tn. curve, eur,ature, bend, wrinkle, ov. & on. w. to rumple, to wrinkle; sick —, t. sinuosity. —en, on. w. tei wind, to curl, to w. to wrinkle, to wind, to bend, to turn, to wrinkle. —kg, a. winding, curling. wrinkling. g ',Leander, —board. rumpled cord --pad, windin KrIoellen, on w. to swarm, to be full of. path, inane. —ig, by. rumpled. wrinkled, elnuous, o. crape.

Kunt u een hoop geld mijnbouw Bitcoins te maken


Cork (knack'), a. zorg, bekommering. —, v. n. zieb Cary a (kaarn, v. a. beeldanijden, graveeren; bekommeren. —sag care, knagende zorg. voorsnuden. —er, a. beeldaznjder; vooranijder. Carle (kaarl), s. kerel; soort van hennep. —ing, s. snijwerk. —ing-knife, voasnijmes. Canine (kaarlin), a. everdistel. Cascade (kes-keed), a. waterval. Castings (kaar'liengz), a. sluitklossen. i Case (kees'), a. dons; kart; last; koker; overtrek; Carmelite (kaar'inel-ait), a. karmeliet. geval, omstandigheid; naamval. v. a. in eene Cornsinative (ker-min'e-try), a. verwarmend; kilt of dons sluiten; arstroopen. —harden, windenverdrijvend. v. a. hardon. —knife, acheedemea. —shot, schroot. — worm, etrooworm. Carmine (kaar'main), a. karmozijn. Cairn age (kaarinidz) , , a. bloedbad. —al, a. —ally. Casemate (kees'meet), a, kazemat. ad . vleeschelijk. —alist. a. wellusteling. —ality Casement (keez'ment), a. draairaam. zinnelijkheid. —at ion (ker-nee" Caseous (Itee'si-us), a. kaasachtig. sjun), a. vleescbkleur; nnjelier. —eous (kaaent- Caserta (kee'surn), a. kazerne. us), —ous, a. vleescheliik. —ifieation (kaar-nif-i. Cash (kes)'), a. gerund geld, kas. v. a. tegen kee'sjun), a. vleeechwording. —ify (-ni-fai), v. n. specie verwisselen. —book, kasboek. —ier Ikevleeech worden. —iv/a (-ni-vel), a. karneval. ajler'), s. —keeper, kashouder, kaasier. —ivorous (ker-niv'o rues). a. vleeachetend. -salty Cashier (ke-sjier'j, v. a. afdanken. a. wild vleeach (in eene woad), Cashmere (kesfmiery, s. kazimier, Carob (ker'ub), a. St. .lanabrood. Casing (keea'ieng), a. foudraal, omkleedsel; Carol (keen!), a. lofzang. —, v. a. bezingen; koker. —paper, pakpapier. v. n. lofzingen. Cask (kaaak';, a. vat, ion. —, v. a. in vaten don'. Carotid (ke-rot'id), a, halsader. —et, a. kietje, kotfertje. Carol's sal (ke-rau'zel). s. zwelgpartij. —e (ke- Casio° (kesic), a. helm, stormhoed. rauz'), v. n. zwelgen, slempen. —er, a. zweiger. Caseation (kes-see'sjun), s. vernietiging; canCarp (kaarpn, a. karper. —, v. n. vitten, —er, a, satin. bediller, vitter. —ing, ia. scherp, hekelachtig. Cassia (kes'aji-e), a. cassia. Canteen ter (kaar'pen•tur), a. timmerman. —try Cassldony (kes'sid.dun-nih), s. lavendel. s. timmerwerk. Cassock tkes'suk1, s. priesterlijk onderkleed. Carpet (kaar'pit), s. vloerkleed. —, v. a, met ta- Cassowary (kes'so-wee-rih), s. kasuaris. pi(jten beleggen. —knight, saletionker. —ing, a. Cassweed tkes'ivied), s. herderstasch (plant). tap(jtwerk. Cast (kaast'), s. worp, slag; vorm; gedaante; Carriage (keeridzj), s. rijtuig; vervo,r; wagen- gietsel; bonding, uiterlijk; blik. —away, s.verstel; affuit; hooding; gedrag. worpeling. Carrier (ker'ri-ur), S. voerman; brcnger, bode. Cast )kaast) [cast], v. a. werpen, strooien; neder-, Carrion (ker'ri-un), a. ass, kreng. —, a. rottend, at-, uit-, ontwerpen; gieten; berekenen. afdan• stinkend, op kreng azend. ken; vcroordeelen. — (away) te gronde riehten. Carrot (ker'rut). s. gele wortel. —y, a.•roodach- (by) situ ggen; verwerpen. (down) ter neder slaan. tig; roodharig. (forth) verbreiden. (off) of-, verwerpen; loslaten; Carrow (ker'ro), a. rondreizende speler. vooruitsnellen. (out) wegjagen; uiten. (up) opCarry (keerih), v. a. dragen; brengen; vervoe- rekenen; opsiaan; braken. (upon) werpen op; run; vseren; erlangen; bewerken; bevatten; overlaten. —, v. n. (krom) trekken, werken; v. n. § dweepen, jubelen. —one's self, Melt gedra• overleggen. (about) zich ronddraalen; overleggen. gee. — the day, de zege behalen. — it, Ain doel Castanet (kes'te-net), s. klaphoutje. bereiken. — at high, eene hooge horst zetten. Casteil an (kesitel-len), a. slotvoogd. —any (-lenih), s. slotvoogdij —ated, a. kasteelachtig. -(away) wegvoeren. (forth) vertoonen. (off) ten grave alepen; behalen. (on) voortzetten; bevor- Caster (kaast'ur, a. werper; gieter; berekenaar; deren. (out) te berde brengen; tot stand brengen, rol; strooibus. (through) doorhelpeu; volvoeren. Casters (kaast'ers), a. Wit- en azijnatel, Carry-ail (keerib-aol), s. familiewagen. karaffen. Cart (knart'), a. kar, wagen. —, v. a. in eene Icon Castigat a Ikesiti-geet), v. a. kasttjden. —ion (-gee vervoeren. —grease, wagensmeer. —horse, kar- ejun), s. kastijding. paard. —house, wag,enschuur. - load, wagen- Casting (kaastleng),. s. gietsel. —house, ieterij. vracht. —rut, wagenspoor. —way, wagenweg. —net, werpnet. —voice, —vote, beslisseride stem. —wright, wagenmaker. —age, s. karloon. —or, Castle (kaasq), a. kasteel. — in the air,luehtkaas. voerman. tees. —, v. a. rokkeeren fin 't achaakspel). —d, Cartel (kaar-tel'), a. verdrag tot uitwisseIing van a. met kasteelen voorzien. —builder, plannengevangenen; uitclaging. maker. —ry, a. alotvoogd. Carthusian (ker-thjoe'zjen), a. karthuizer mon- Castling (kaastlieng), a. ontijdige vrucht. nil. Castor (kaas'tur). a, Lever; kaetoren hoed. —nut, Cartllag a (kaar'ti-lidzi), a. kraakbeen. —moue purgeernoot. —oil, rIcinus-olie. —cunt (kes-to'ri(-led'zii-nua), a. kraakbeenig. um, s. bevergeil. Cartoon (ker-toen'), s, schets voor muureehil- Castrat e )kes)treet), v. A. ontmannen, snUden dering, kaftan. (kes-tree'sjun), a. ontmanning. Cartouch (ker-toetsj'), a. kardoes. i Casual Ikez'joe-el), a. —ly, ad. toevallig. —ty, Cartridge (kaaetrldzj), a. patroon. toevalligheld. patroontasch. 1 Casuist (keejoe-ist), a. gewetenarechter. —ica


Aveganr, m. auger, nimble. Avorechts, bw. wrong, the wrong way, preposterous/y. Averecilitseb, by. wrong, sinister, preposterous. Averke, v. average, damage. Averult, v. a brotanum, southern wood. Avond, in. evening, eve, night. van —,thla evening. ginteren —, last night. 's in the evening, at night. —brad, evening-paper. —eten, supper. —gebed, evening-prayers, completory. —kers, evening- eervice. —Mole, evening-ball, curfew. —lied, evening-hymn, -song. —lutist, evening-air. —maal, supper; Lord 'a tripper, Communion. —nsitalaganger. communicant. —muriek, nightmusic, serenade. —parte:We, evening-party. —acheerring, evening-twilight. —nth iol,evening school. —sten, evening-star. —stond, erecting. Avont mares, ov. w. to hazard, no risk, to venture. —crier, m. —uriereter, adventurer, fortunehunter. —cur, o. adventure, hazard. —curl jjk, by. & bw. adventurous (-ly), casual (-I y). Aran, on. w. to feed to prey (upon); (op) to oovet. itait)a, tn. vinegar. —puts, vinegar-bottle, crust. —maker, vinegar-man. —maker(j , vinegar-house. —moss, vinegar dregs. —race, 5. acetic acid; by. acetic; —rout, acetate. —aehtig, by. acetone. —en, or. w. to sen,on with vinegar. fazing, v. l'eding, preying; coveting. Amaral", by, azure, snored, sky-colored. A . cuur, m. lapis lazuli, azure-stone, o. anueeolor, sky- blue.

Wat is het verschil tussen Blockchain en cryptogeld


JAK.--J Jeddah110, m. jackal; jade ; wretch, poor rabbit. Jadeites., on. w. — en jagen, to be continually on horseback. Jakob"' ladder, m. Jacob's ladder. —staf, m. Jacob's staff. Jallappe, v. jalap. Jaloerech, be. jealous. —held, v. jealousy. Juloezie, v. jealousy; shutter, blind. Jammer, o. lamentation misery. het is — it is a pity. —dead, deplorable action. —dal. abode of misery. —bertig, pitiful. —Aartigheirl. pitifulness. —klaeht, lamentation. —kreet, lamentable outcry, cry of distress. —poet, pool of misery. —en, on. w. to lament (for), to wait jot. over), —/Ok, by. & bw. pitiful (-ly). lamentable (-bly), miserable (-biy), woeful (-1y). — nit, v. lamentation. Jan, ra. John ; waiter. — en allentan, every one. hoses — Ain, to have carried one 'a point. — Rap en fejja meet, the ra ,oble, riff•raff, tag-ragand-bob-tail. —gat, —den, —settle, cotquesn. —havel, v. sort of ginxerliread; o. rabble. — moat, Jack-tar. — potaye, Jack-pudding, merry-Andrew. Janitearr, m. IenizerY,J , n1 ,8,, rYJituk en, on, w. to howl, to yelp ; to squall. —er, m. howler, yelper; squaller. — inj, v. howling, yelping. —sler, v. Zie Janzenist, nu. demonist. Jetsam', v. gown. --ache deken, quilt. —ache rok, chamber-gown. Jarig, be. one year old, of a year. AO is vandaag —, it is his birthday to-day. Jets, v. (great) coat, frock coat ; sie Jaakaart. --heart, knave of trumps, trump-cart. —stet', stuff fur costs. —seek, pocket of a coot, JassniJn, v. jessamine. Jaspin, m. & o. jasper. Jass en, ov. w. to hammer up ; to hurry; on. w. to play at trumps. —er, m. player at trumps. Javelljn. v. javelin. Je, tsw. eh! to ! Jegena, vz. towards, to. Jenever, v. gin. —beg ; bait!, juniper-berry. —boost, juniper-tree. —brander, —stoker, gin-distiller. —6randerij,—stokerb, gin-distillery. —intik, lover of gin, pot companion. —.leach, ;tin-bottle. —gios, gin-glass. --ineAt, gin-smell. —seas, red none ; toper. —olie, j auiperail. —vat, gin- cask. Jeng.elen, on. w. to be importune, to be teasing. Jeugd, v. youth. —ig, be. & bw. youthful (-ly). —igkeid, v. youthfaluene, youth. Jeuk en, on. w. to itch. —erig, by, itchy. —erigheld, v. itchiness. —ing, a. itching. —te, v. itch, itching. Jezzat, m. Jesuit. —itch, be. & bw. jesuitical (-Iy) —lime, o. jesuitiem. Jleht, v. gout. —ochtig, by. —ig. by. gouty. Joden besot % v. Jews' exchange. —buurt, —hoek, Jewry, ghetto, Jewa' quarter. — genoot, Jewish proselyte. —hark, synagogue. —kern, alkekengi. —pek, !bitumen, asphaltum, jey., e-pitch. —octisst, —woeker, exceasiv3 tamp. —dont, o. Judaism, Jews. Jodie, v. Jewess. Joedon, on. w. to shout, to make merry. Jok, m. jest, joke. nit —s, for fun's sake. —spreuk,
Evenwleht, o. equipoise, balance, equilibrium. —ig, be. equiponderant, equilibrious. Evenvetjdtg, he. parallel; —e ljjn, parallel. —held, v. parallelism. Evenneer, be. as much, so much. Eveortnnig, be. synonymous.—weerd,synovyme. held, v. synonymy. Evenzo., bw. likewise, in the same manner. Ever, nr, boar, wild boar. —spek, brawn. —*Yodel, canine thistle. —zwitn sit Ever. Exam en, o. examination. —inator, na, examiner; probator. —ineeren, or. w. to examine, to try. Excellientie, v. excellency. Exrentriek, o. switch. Ex ramp! nor, o. specimen, model, copy. Exerc saran, ov. & 011. W. to drill, to exercise, —e.rplaats, parade. —itie, v. exercise. Expedi tour, m, dispatcher, forwarder, transmitter. —tee, v. dispatching, transmission; —kantoor, forwarding-office; —handel, agency-. transmiseion-busin.ess; —hostel*, charges of transmission. Ecel, m. ass, donkey; easel; blockhead. —drUver, —man, ass-e diver. —plank, board on an easel. —abrug, ass's- bridge, cri b. —shoofd, moo r's-haad. cap. —shop, ass's-head; dunce, ass, blockhead. —elippen, bugloss., ox-tongue. —sour, dog's-ear; *net —en, ear-merked (van broken). —eve', skin of an ass. —sveulen, foal of an ass, ass's-foal. —ecktig,bv. & bw. like an asieetupid ly).—achtigheld, v. stupidity. --en, on. w. to drudge, to slave. E.elln. v.she-ass. —nernelk, ass-milk.

benoodigdheld; eekreet; bestekamer. sjun), s. verleening (verkrijging) van bet burgerrecht. —ize (-aja), v. a. het recht van inboorling Neceaslt ate (ne-ses'si-teet), v. a. noodzakelijk maken. —ation (-tee'ejun). s. voodzakIng, —ous, verleenen. a. behoeftig„ noodlijdend. —ousness, s. behoefNature (neet'joe,), s. natuur; aard.from near tigheid. —ude (-tined), a. behoefte; vriendschap. de natuur, neat het leven. —y, s. noodzakelijkheid; noodwendigheid; beNaught (pout'), a. slecht, nietswaardig. s. hoeftigheid; of —, noodwendig, from —, nit noodniets. —iness, s ondeugendheid; nietswaardigNeck (net'), 0. bale, net; halsstuk. — of land, held, —ily, ad. —y, a. ondeugend, stout. landengte. on the — of, onmiddellijk na. —band, N n 111111 achy (nao'me-kih),s.spiegelgevecht ter zee. halsboard. —beef, nekvieeseh (van een rund). Nausea (nao'shi•e), a. misselbkheid, walging; bslsdoek, das. —handkerchief, haladoek. zeeziekte. —te (-eel), v. a. mieselijk waken, doers —lace, halssnoer. —land, landtong,-engte.—piece, walgen; v. n. misse/ijk worden, waigen. halsstuk (van sea harries). —verse, galgepsalm. Nauseous (nao'sjus), a, —1y,ad. w algeli.jk. —nets, —weed, hennen. s. vralgelbkheid. (nao'tik), —cal, a van de zeevaart, zee-. Neckercbier(nek'ur tsjif), a. halsdoek. Necrolog let (ue-krol'ud-zjist), a. berichigever s. nehippertje (schelpdier). van sterfgevallen. —y, a. sterflijst; levensbeNaval (nee'vel), a. see-, scheepa-. —army, oorischrijving van overledenen. logsvloot. —battle, zecslag. — forces, seemaeht. — officer, zee-ofticier. —s (-velz). pl. zeewezen. Necroman cer (nek'ro-men-sur), s. toovenaar. —cy, a. zwarte kunst; geeetenbezwering. —tic Navarch (neev'aark), a. vlootvoogd. (-men'tik), a. van de zwarte kunst; toover-; a. Nave (neev"), a. naaf; schip (eener kerk). —line, betoovering, bezwering. rakketalie. Navel (nee'v1)., s. navel. —gall, navelgal. —string, Necrosis (ne-kro'sis), a. beenvreting. navelstreng.—timber,kremhout,buikstuk.—woods, Nectar (nek'tur). s. nektar, godendrank. —eal, —emu, —eons (nek-tee'ri- ► , —ine (-in), a. nekton.kluishouten. —wort, navelkruid. achtig; heerlijk. —ine (-in), s. nektarperzik. —y, Navew (nee'vjoe , „ s. kleine knot, pootraap. a. honigkelk (eener bloem). Navictslar (ne-vik'joe lee), a. bootvormig; van Need (vied'), s. nood; noodzakelijkheid; behoefte. "000ten of echeepjes. if — be, in geval van nood. you had —, gij beNaviga ble (nev)i-gib1)., a. bevaarbaar. —bleness, hoordet. to stand in — of, van nooden hebben. a. bevaarbaarheid. —te (-geet), v. a bevaren; —, v. a. behoeven, noodig hebben; v. n. noodig stuns; v. n. varen, stevenen. —tion ( gee'sjun.), a. seheepvaart; zeevaar(kunde; inland —. binzijn. —ful, a. —fully, ad. noodig; noodzakelipt; vereischt. —fulness, a. noodzakatijkheid. —sly, ueflvaart. —tor (-gee-tue), a. seeman, zeevaerder. ad. hehoeftig. —iness (-i-nest), a. hehoeftigheid. Navy (neevih), s. zeernacht, vloot. — board, col—leas, a. —lessly, ad. onnoodig, noodeloos. legie van civiele ambtensren der marine. —office_ —/essness, a. noodeloosheld. —a (niedz), ad. noodwendig, onvermkidelijk. —y, a. behoeftig. Nay(nee'), ad. neen; wat mear is; ja zelfe• — neen; weigei ing. —word, weigerend antwoord; Needle (ni'd1), s. naald. —case, naaldenkoker, —fish, naaldviecb. —ful, dread gsren. —furze, schirnpscheut; feu, prieinkruid. —gun, a. naaldgeweer. —maker , Nazar een +nez-e s Nazarenes. —ite (nez' naaldenmaker. —ore, naalderts. —stone, naalde-rajt), a. Nazireer. steen. --tin, naaldtinerts. —weed, naaldkervel. Naze (neez), s. kaap, uithoek. —work, naaiwerk. —, v. a. & n. naaldvormig Near (nief), s. vaist. maken (worden). —r, s, z,aaldenmaker. Neal Oriel). v. a. & n. temperen, gloeien. Neap (nirp), a. laag. — tide, dood ttj. a. eh. Ne'er (seer). ad. Zie Never. Neesewort (niez'wurt), s. nieskruid. —ed, a. vastzittend, niet vlot. Near (flier), a. nabijzijnd, DRIVW verwant: dier- Nefandous (n,fen'due), a. verfoetelijk, gruwelijk. oar; nauwkeurig; vrekktg; —, ad. nader, nailj, dichtbij. prp. dieht bij, naast. —, v. a. NefArlous (ne-fee'ri-us), a. —ly, ad. snood, sci , andelijk, afachuwelijk. & a. eaderen. —/y, ad. ongeveer, bijna; gierig. --ness, s, nabijheid; nauw verwantsehap; gie- Negation (ne-gee'sjun), s. ontkenning, righeid. Negative (tteg"ettv, s ontkennend woord; wei-


Dunbald. Dwere, be. transversal; peevish, cross. bw. Dupllenat, o. duplicate. athwart, across; peevishly, crossly. —bath, cross. Daspillek, o. rebutt.r, surrejoinder. beam, gibbet,tranaom,sleeper. —boom, cross-bar. Dar on, on. w. to last, te continue, to keep, to —boomen, to cross, to thwart. —door, straight remain. across, — through. —draae, crossing-thread. Dart al, m. & v. dare-all. —niet, m. dt v. dare- dr(rfster. —dr(yeer, thwarter, caviller, contra-
Essentially, if you are interested in trading in digital currencies but don't want to get bogged down in the underlying technology, products like Coinbase are a way to begin a foray into a new form of currency speculation and investing. You do, however, lose some of the advantages of trading in a cryptocurrency and through the blockchain. On Coinbase, you have no pseudo anonymity—your name is attached to your Coinbase account and so is your bank account, so transaction history is relatively easy to track down. And if you're not working on the blockchain, there's not much you can do to ensure that the verification of your transaction history or your account is taking place on the blockchain. You are, instead, placing trust in the intermediary, in this case, Coinbase.

road. —hunting, (hat) bezichbtgen van to hum otaande woningen. —keeper, huisvader; moeder; -houdster. —keeping, hutshouding; gastvrkjheid. —lamb, leplam. —leek, huirslook. —maid, weekmeld. —painter, kladschilder, nerves. —rent, hulahuur, —room, ruimte in een huffs. —snail, hubsslab. —warming, welkomstfeest (bij 't betrekken van eene nieuwe wooing). —wife (oak huewif, huz'zif), huisvrouw; goede huishoudster; neatkistje, -mandje. —wifely (huewit-lih, a. & ad. Iruishoudelijk. —wifely, (huz'wif-rih, -zif-r1h), a. huishoudelijkheid; bestfer eener hutshouding. —less, a. zonder wooing, zonder thuiskomen. Hout‘e (bane), v. a. huiavesten; onder dab brengen; stallen; v. n. huizen, wonen. —ing, a. huizing; (het) in hula brengen; achabrak. Hovel (hov'il), a. loods; hut, kot. —, v. a. in eene loods onder dak brengen. v. n . Hover (huv'ur), s., beschutting, luifel. tweven; zwerven. -befit (brit), ad. How (hau), ad. hoe. —be desniettemin. —ever; —soccer (-ev'ur), ad & conj. hoe ook; echter evenwel, niettemin. (hauw'itz .), —er. a. houwitser. v. n. Howl (banal'), —ing, s. gehuil, gejank. huilen, janken. —et (-it), B. nachtuil. Hoy (hoj), a. heu, hang, lichter. —, int. belle! holla! Hub (hub'), a. naaf; handvatse,l; hecht; mikpunt. —bub, a, geraaa, rumoer. Huck (hub'), v. n. knibbelen, afdingen. —aback (-e-bek!, a. grof servetlinnen. Huekle (huekl), a, heap. — backed, gebocheld. —bone heupbeen. Huckster , (huk'stur), a. venter, marskramer; bedrieger. v. n. rondventen. —ess, s. ventster, koopvrouw. Ilud (had), s. dop, schel; ook Husk. Huddle (hud'd1), a. verwarde hoop; rumoer, verwarring. —, v, a, ove,haast verrichten, bijeen rapen, — door elkander snaijten. (on) aanschieten. —, v. n. to zamen dringen; in Ben' verwarden hoop aankomen. (along) voortstroomen. (into) hinnendringln. (together) samenstroomen. Hine (joe'), a. blear, tint; (het) naschreeuwon; slarmkreet. Iluff (huff'), s, aanval van toorn of verwaandheid; (het) opbruisen; snoeverij. —, v. a. opblazen; uit de hoogte behandelen; v. n. zwellen; blazen (with); wooden, tieren (at). —er, a. anoever, windbuil. —ish, —y, a. razend; anoevend; opgeblazen, verwaand. —ishness, a. opgeblazenheid. Haig (hug), a. omarming; vatting. -, v. a. omhelzen, liefkoozen; omklemmen. to — one's self, rich gelukwenschen. Huge Ijoedzji), a. —ly, ad. zeer groat, vervaarlijk; blister. — 'ness, a.. verbazende grootte, monsterachtigheid. (lugger-mugger (hug'gur-mug'gur), s. schuilhock. in — hetmelbjk. Hoak (hulk'), a. acheepsromp; sleet loud veertuig). —, v. a. ontweien. —y. a. log, swear, aar. onhandelb Bull (hull') a. hulael, schil; romp (van een schip). to lie a — , soar top en take! loops', to strike a
(-11t), w. Janette. Juliana. ecutdiate (dzjir-un-dienz'), h. Girondtinen. GlIaagoaw ,gles'go), g. Glactgow. Gie.do -ever (glen-dau'ar), rn. Glendower. Gloceeter, Gloucester (gioetur), g. Glocenter. Gnesen (gnee'zn), g. Oneeen. Gni dun Inar dug), my Gnidue. Gnostics (no8',11/.), r, iluostieken. Gott fret' (god'frih), m. Godfrled. —win (-win), Godewiin. Gold coast (goolekoost), g. Goudkust. —smith, m. Cioldsmith. Golgot he (gorgo.the), g. Golgotha. Goliath (gn-lareth), in. Goliath. Gerd inn ;gor'dji-en), a. Gardiaansch; tn. Gordian,. —nn(gor'dn) m Gordon. (go'the, go'ta), I. Goth, Goth G ,tha. —ard (.urd), g. St. --, St. Got hard. (go'thi•e), —land, g. Gothland. Genre's] (grek'kaj), h the —, de GraNthen. Grace igreee), w. Gratis. g. Geertz. eraillskrt (gre G rn lit re (gree'em), in. Graham. Granada (gre.nede), g. Grenade.
465 Glerst, v. millet. —koorte, millary fever. —korrel, m. guesser. —leg, v. guessing, conjecture; estimatron. millet-corn. Gict, v. yeast. —achtig, by. yeasty, yeast-like. Gletel.ing, m. black-bird. Glet en, ay. w. to pour, to shed; to water; to en, on. w. to ferment, to rise, to as ork. —ing, v. fermentation. it pours. het regent dat het giet, coat, to found. —meter. bucket, pail. —Alas, foundery. —kunat, Glateren, by. yesterday. — avood, laA night. foundery. —lepet. casting-ladle. —trecater, cast- Git, v. & 0. jet. — zwart, jet-blank, jetty. ing-funnel. —vat, ewer, watering-pot. —vrrm, Gitsehr, v. guitar. casting-mould, proplasm. —er, rn, pourer; found- Gittesorn, v. Zie Guttegona. er; watering-pot, watering-scoop. —era', v. found- Witten, bv. Jetty. ery. —ing, v. pouring, watering; casting, found- Gliatataiss, a. little gluts. het — lichtert, to tope. under ten zitten, to crack a bottle. — op den lug. —set, o. cast. valreep, parting-cup. Calf, o. Zie Gift. Glad, by. smooth, bright, polished, sleek; olipGift, v. gift, present, deflation. poisoned pesy; plain; cunning, sly. eerie —de tang, a flipGift, o. poison, venom, bane. — baker, cup. —meager, poisoner. —werend, Antidotal. —kg., pant tongue. een —de atjl, a smooth (fluent) by. poisonous, venomous, deleterious; slender- style. —bek, beardless youth; false jewel, 'mitaing. tion-stone. —boenert, to scour bright. —makes, to smooth, to polish. —stager, hammerer. —skiGU, vnw. thou, you. ye . —lieden. you, ye. bw. entirely, totally, cornlii,jbelen, on. w. to snicker, to titter. pen, to polish. afaaan, to give a flat refusal. pletely. iets ea Uk, v. Zie filek. GUI. o. 'wort. —bier, beer in the cooler. —kuip, —dighsid, v. —held, v. smoothness, hrightnete; cooler. —en, on. w. to ferment, to work; to be slipperiness; cunning, slyness, —meg, bw. Zie Meld. greatly desirous (of). —big, v. fermentation, GAnns, m. lustre, splendor, radiance, brilliancy; moderate desire. Lrightness; gloss. —steer, polisher. be. taljn, o. tackle. —balk, cackle-beam. —tour°, bran. respieneent, radiant, brilliant; glorious; bright. ti tip, v. ehiverinr. —en, on. w. to gasp; to shiv,r. —rtjkheid, v. reeplendency, radiance, brilliancy; GU eel ans., In. hostage. —en, ov. w. to imprison gloriousness; brightness. (for debt). —brief, warrant (or arresting a debtor. —korner, prison for debtors, spunging-house, Glenz en, ov„ w. to polish, to calender, to set a gloss upon; ou. w. to shine, to sparkle. —er, —recht, right of imprisoning for debt. —ing, v. m. glosser; polisher. —ig, be. glossy. —igheid, imprisonment for debt)- v. glossiness. ti II, m. shriek, esrearn, yell, sharp cry. Gild, Glide, o. euild.:corporation. —oe, very fat Gloss, o. glass; window-pane; hour-glass, hair an ox. —et'ier, beer of a guild. —ebode, —eknecht, hour. — blazes, to blow glass. —bluzen, glassmaking, glas-blowing. —blazer, glass-maker. beadle (messenger) of a guild. —eboek, register glass-blower. —bfezerv, glass-house s glass-works. (rolls of a guild —ebrief, bill of incorporation, charter. —eOroeder, freeman (member) of a guild. —gal, glass-gall, sandiver. —gordvn, window-chute; —ekaster, hall of a gelid. —emeester, curtain. —hamlet, glass-trade. — huts, glass-house. piaster (foreman, deacon) of a corporation. —e• —koraal, glees-bead.. —kruid, pellitory. —cog, penning, medal of a guild. —erecht, rights (laws) glass-eye; wall-eyed horse. —oven, glass-furnace. of a guild; risht of being incorporated. —roam, glass-window. —ruit, pane. —scherf, shiver of clam —schilder, painter upon (0111 an, ov. w, to saw slanting, obliquely; on. w. to shriek, to ecream, to yell. —er, m screatn- —schuint, frit. —1 7 ijper, glass-grinder. —sntider, —vocht, vitreous humor (of the eye). V. shrieking, screaming. —inghout, glass-cutter. or. — lag, —week, glass • work, glass-wares. —minket, g lasso. timber sawed obliquely. Gludotr, Glade, by. yon, yonder. glide en weer, shop. —achtig, by. vitreous, glassy. . Glnsebarzout, o. Glaubefe-salt; sulphate of to and fro; for a moment. GIndech, yon, yonder. GInnesinp pen, on. w. to titter, to chuckle, to Ginien, be. glass, of glass. —deur, glass-door. —kas, cupboard with glass-doors. —maker, glazier. giggle. --per, in. —ater, v. giggler. —apuit, squirt to clean the window-panes with. G issislikers., on. w. to neigh; to sneer, to rin. Gips, o. gypsum, psrget, plaster. —afgieteel, Glazig, by. glassy. —held, v. glassiness. plaster-east. —beeld, figure of target-atone. Glatzunr, o. glazing; enamel. —brander, plaster-maker. —brandevij, —oven, Girls, by. glazed, varnished. —were, glazed wares. plaster-kiln. —gieter, plaster-caster. —kalk, par- Giant", y. groove; furrow, ravine• get-lime, plaster. —norm, plaster-mould. —werb, Glibber en, on. w. to slide, to slip. —ig, slipperiness, slippery. planter-work, stucco. —werker, plasterer. —act:. bv. of piaster. —en, on, Gild, o. —kruid, yarrow, milfoll. tip, be. gypseoue. w. to do over with gypsum, to plaster, to corer GIU den, on. w. to glide, to slide. —bean, slide. GitutRech, m. smile. —en, on. w. to smile. with plaster. GIs, v. guess, conjecture. bij de —, by guess, Gitlin wens, m. w. to glimmer, to glow, to gleam. —hout, touch-wood. —norm, glow-worm. guessingly, at random. Glap en, ov. w. to blame, to reprove. —er, tn. —mend, by. glowing, shining, bright. Glimmer, m, glimmer, mica. —aarde, micaceous blamer, reprover. —ing, v. reproof. GIBB en, Os. & on. to guess, to conjecture. —er, earth, mica.

Unturned (uu-tuned'), a. ongekeerd, ongedraaid. I Unwbipped. Unwhipt (un-wipt ► , a. °agapegeld, ongekasttjd. Untutored (un tjoe'turd), a Met onderwezen. Untwine(na-twai0), Untwist (un-twist'),Y. a. Unwholesome (un-hool'sum), a. ongezond, losdraaien, uitratelen, loseoaken. echadelijk. —news, s. ongezondheld. Unwind fly (nn-wield'11-11h), ad. —y, a. log, Unurged (un-urdzjd"), a onaangedreven. . Unnee d(un-pezd'), a ongebrulkt; ongewend (to). zwaar, moeleljjk te hantetren. —ittess, a. logheld, —ful (-joesitoel), a. onnuttig. zwaarte. Unusual (an-joe'zjoe el), a. —dy, ad. ougewoon. Unwilling (un-will'iengl, a. —ly, ad. ono•lltIC, —nese, s. ongewoonheld, ongeneigd, ongaarne. —nest, a. ongeneigdheid, tegenzin. Unutterable (un-nt'tur-lb1), a. onuitsprekelijk. Unvalued (un-verjoed), a. niet geschat; enge- Unwind (nn-wajnd') [irr.] , v. a. loswinden; v. acht. n. losgaan. Unvanquished (un-v eng'kwiejt), a. onoveravon- Unwinged (nn-wingd'), a ongevleugeld. nett. Unwiped(un-wajpt'), a. slat afgewiecht. Unvar led (un-vee'rid;, a. onveranderd. —nished Unwise (tth-wajz'), a. —ty, ad. onverstandig. (-vaaenlejt), a. ongevernist; onopgesierd. — ying Unwiabed (un-wiajt'), a. ongewenscht (for). (-ri-ieng), a. niet veranderend. Unwither ed (un-witteurd), a. onnerwelkt. Unveil (un-veer), v. a, ontsluieren. —ing, a onverwelkelijk. Unven dible ( an-v ea'di,b1), a. onverkonpbaar. Unwithstood (un-with-stoed"), a. niet weder—erutle (-nr.11)1), a. Met ee: waardig. staan , Unversed (-un- vurst'), a. on hedre , en (in). Unwit neaeed (nn-wIt'nest), a. zonder getuige; Unvexed (un-ekst' ), a. ongekvveld. nooit beheld, niet bijgewoond. —tily, ad. —ty, Unviolated (MI- VAY111-ee- Lid), R. ongesehonden a. ouverstandig, dwaas, geesteloos. —ling, a. —tingly, ad. onwetend. Uwe irtnons (un-vurtioe-ua), a, ondeugdzaam. Unwomanly (un-woe-rnen-lih), a. onvrouwelijk. Unvisittad (un- vit'it-id,, a. onbezocht. Unwonted (un-wunt'id), a. ongewoon (to). —nests, Unvitiated lun-vispi-ee tid), a. onbedorven. Unvote (un-voot'), v, a, bij nienwe stemming te s. ongewoonheid. niet deen. UWAVVOOtti (un- woed'). n. ongezocht, ongevrijd. Unworded (nn-wurd'id), a. Met onder woorden Unvulgar (en-vul'ger), a, niet gemeen. Unwsaited (un-weet!id), a. — on, oabediend; zon- gebracht. der gevnIg. Unworldly (un-wurld'lih), a, onwereldsch. Unworn (un-wonrn , ), a. ongedragen ;onvereleten. Unwnkened (un-week'nd), a. ongewekt. Unworshipped (un-wur'shipi), a. onaangebeUnwal/ed (un- waold'), a onbemunrd. den. U. Wrir Ily (un-wee'ril•lth). ad. Zie 'Unwary —hies,' (-ri-ness), .s. oroehoedzaamheid. —like Unworrtb fly (un•wurth'il-lih), ad. —y, a. onwaard,g (of). —inset (-i-ness), a. onwaardtgheid. (-waor'13jk), a. onkr(jgehattig. --Ined (-w aurnad'), a. ongewarmd; ongeroerd, —ned(-waornd'), a. on Unwound (un-waaund"), a. los-, at-, ongewongewaarsehuwd. den. Unweerant able (un-wor'rent-ibl), a. —ably, Unwounded (un-woend'id),a, orgewond. ad . onverantwocrdelijk, niet te reehtvaardigen. Unwoven (un-wo'vn), a. ongeweven. — (Menem a. onverantw 001r ; elijkheid, —ed, a. niet Unwrap (un-lep'1, v. a. loswinden.ontvonwen. Unwreathe (un-rietih'), v. a. losdraaien. —d, a. gerechtvaardIgd; ongewaarborgd. ongevlochten. Unwary,un-wee'rih). a cnbeheedzaam. Unwring(un-ring') [im], v. a. loswringen. Unwashed (un- wosjt'), a. ongewa.sechen. Unveset ed (un- weest'id), a. onverspild; onver- Unwrinkle (un-ri ►.'lg'kl),v. a. ontrimpelen. —d, a. ontrimpeld; ongerimpeld. teerd. —leg, a. islet vespillend; niet verminde- Unwritten (un-rit'tn), a. ongeschreven. rend. Unwrought (un-raot'), a. onbewerkt. Unwat rbed (un-wotait'), a. onbewaakt. Utrawatered (un-•aot'avd), a. niet, hegoten. Unwrung (un-rung'), a. onverwrongen; onoUnvveakene d (on- vriek'nd), a oraverzwakt. kneld. Unyleld ed (un-jield'id), a. niet opgegeven; niet Unweaithy (en-weith'ih), a onbemiddeld. ingewilligd. —ing, a. ontoegevend; onverzetteUnweaned lun-wiend'1, R. ongeopeend. Unwer, led (en-wier'id), a. —tedly, ad. onvsrr- lhjk; niet winstgevend. —ingness, s. ontoegevendmoeld. —ierineas, n. onvermocidbeid. —y, a. on- held. if ennoeid. —y, v. a. Yerkwikken (d.00r rust). —ying Unyoke (un-jook% v. a. afspannen; van het juk bevrijden. —d, a. ultgeopannen; onbedwongen; (-1-ieng), a. niet vermoeiend. Unweave (un-wiev") Dm], v. a. losreaken, ultra- toomeloos. Unzonsed (un- zoond'): a. ongegord. felen. Up (up) ad. & prp. op; boven; hoog; in opatand; Unwedded (un-wed'didl, a ongehuwd. gehindigd. — to, tot aan; volgens; nerekend voor; Unweeded (un-wied'idl„ a ongew led. Unweigh ed (un-weed'), a. ongewogen; onover- op de hoogte van. - with, opgewassen tegen. to come — with, inhat en. wogen. —ing (-weeleng), a. onbezonnen. UMIWeleame (un-werkum), a. onwelkom. —d, a. Upbear (up-beer') [lrr.1, v. a. schragen; opheffen. Upbraid (up-breed'), v. a. verwijten. betispen onverwelkorsad. (for. with). -ir, s. verwijter, •berisper. —beg, a. Unwell (un- well'), a. Met wel, ongesteld, verwijt, berisping. —iney, ad. verwi,jtend. Unwept (nn-wept'), a. osabeweend.
CLI —MIA. Ceinture (sere-tjoer), s. ciseleerkunst. Celebrnt e (sere-breet), v. a. ,ieren, loven. —ed, a. beroemd. —ion (-bree'sjun), a. viering. Celebrity (seleb'ri-tih), a. beroemdheid. Celerity (se-ler'it•tih), a. anelbeid. Celery (sere-1.th). a. selderij. Celestial (se-lest'jel), a. hemelling. —, a. —ly, ad. hemelsch. Celestine (seres- tin), a. celestijner monnik; fijne blauwe bergatof. Celib any (seri-be sih), a. ongehuwde stoat. —ate (-bet), s. ongehuwde stoat; vrijgezel. Cell (sell, a. cel, kamertje. Cellar (seller), a. bolder. —age, s. kelderhuur. —et, a. likeurkeldertje. —ist, a. keldermecater. Cellular (serljoe-ler), a. celvormig; uit cellen bestaande. Celsitude (sel'si-tjoed), s. hoogte. Cement (sem'ent), a. balk; band. Cement (se-ment'), v. a. verbinden; v. n. samenhangen. —ation (sern-en-tee'sjun), s. cementee. ring; hechtmaking. —er, a. bouwer; verbinder. Cemetery (sem'e-ter.ih), a, begraafplaats. Cenobite (sen'o-bajt), a. kloosterling. Cenotaph isen'o-tef), a. praalgraf. Cense (lens'), v. a. bewierooken. —r, a. wierookvat. Censor (sen'mur), a. censor, zedemeester.'—ship, a. censorambt. Censor' al (sen-so'ri-el), —ous, a. —ously, ad, berispend, atreng. —ausness, 8. berispzucht. Censur able (sen'sjoe-ribl), a. —ably, ad. berispelijk. —ableness, a. beriapelijkheid. —e (sen' ajoer(, a. beoordeeling; berisping. —e(sen'sjoer), v. a. beoordeelen, berispen; v. n. oordeelen. —er, a. beriaper. Census (sen's.), s. volkstelliug. Cent (sent'), s. honderd; cent. per —, ten tonderd. —age, a. schatting ten honderd. Centaur (aengaor), a. paardmensch. Centnury (sen-tao.rib), s. duizendguldenkruid. Centen arian (men-te-nee'ri-en), a. honderdjarigs. —ary (sen'te-ne-rih), s. honderdtal. —nia/ (sen-ten'ni-el), a. honderdjarig. Centesimal (sen-terei-met), a. honderdste. Centi follows (sen-ti•foli. us), a. duizendbladig. —nody (sen-tin'ud-dih), a. duizendknoop. —ped (sengi-ped), a. duizendpoot. Cento (aen'to), saneengelapte verzen. Central (sen'trel), a. —ly, ad. middelpuntig. Centre (sen'tr), a. middelpunt. v. a. & n. ook Centralize, in het middelpunt stellen, an. (in, in. on, op) zich vereenigen. Centric (sengrik), —a/, a. middelpuntig. Contri fugal (sen-trirjoe-gel), a. middelpuntvliedend. —petal (sen-trip'i-tel), a. middelpuntzoekend. Centupi e (aen'tjoepl), a. honderdvoudig. —icate (sen-tjoe'pli-keet), v. a. verhonderdvoudtgen. Centurion (aen-tjoe'ri-un), a. hoofdman over honderd. Century (sent'joe-rth), a. seam. Cephalic (se•ferik), a. het hoofd betreffend. Cerate (si'ret), s. waszalf. —d (-reet-id), a. met was bestreken. Cere Otter'), v. P. WV —dlotit,-
HAL. worn out, second-hand, —matte., mid-Lent. —wee, half- way. —tund, side-wind. —luster, half-sister, step-sister. —je. o. halt'. o. do two. hallelujah. Iles rn, halm; strew, stalk, blade. —icecap, joint. —steel —,trod, stalk, stem. Hafts, rn. neck, throat; tack ; simpleton, dance. — over kop, headlong, precipitately. zich op den halen, to incur, to bring upon one's self. zich vats den — scheiven, to rid one's self of. an& — breopen, to kill. ont komen., to perish. am den — — band, vallen, to embrace. —gfs'er, juguler collar. —heel, ohnckie for the neck. —hoord)e, — brekend, perilous, break-neck. — dock, neck-handkerchier, neck-cloth. — peeling, criminal pro,ecution. — gereeht, crimi•al, court, penal judicatnre. — ijser, iron collar, pillory. —hole., neckehein. —klamp. Chesty tree. —klier, jugular gland. kraail, eollar, ruff, partlet,cepe, gorget.—kwane, dew-lep. —misdaad, capital crime. —recht, power over life and deeth. --reciter, criminal judge. — sieraart, neck-ornament, coreanet, ouch, brooch. — starrig, be. & bw. obstinats (-ly), headstrong (-ly).—atarrigheid,obstinacy.stubbornnese.—straf,
Decipher, (de-sarfur), v. a. ontcijferen, ont- Decrease (de-kries') a. vermindering; aineming; Riflemen (van de maan). —, v. A. vermiaderen, 'warren. —er, s. ontcijferaar, verklaarder. doen verralien; v. n. Riflemen, minder worden. Decision (de-siezjun), s. beslissing, beslechDecree (de-krie'), a. bealuit, verordening. —, v. a. ting; bealuit; uitslag. uitvaardigen, verordenen, bepalen; v. n. een Decis lye (de-marsiv), a. —vely, ad. bealiaaend; bealuit uitvaardigen. bepaald. —iveneu, a. bealisaendheid; bet. bealisDecrement (derre-mentl, a. vermindering. sende. —ory, a. beslisaend, beeindigend. Deck Idek"), a. dek, verdek; apel kaarten. main —, Decrepit (de-krep'it), a. afgeleefd. —ate, v. a. & n. verkalken, verknetteren (in het vuur), —ation geschutdek. quarter—, haltdek. —, v. a. beklee(-teetijun), a. verkalking, geknetter. —news, -rude den; versieren, (with) —hook, dekband. —plank, (-i-tjoed), a. hooge ouderdom, afgeleefdheid. dekdeel. —transom, dekworp. —er, a. versierder; Decrescent Ide-kres'sentl, a. afnemend. bekleeder, double- (two-) decker, a. tweedekker. Decret al (de-krietal), a. een decreet betrefthree decker , a. driedekker. fend; s. pauselijk edict; wetboek. —als. a. deDeclaim (de-kleeml v. a. voordragen; v. n. deeretalen. —ist, a. keener der decretalen. —ire, clarneeren; uitvaren tegen (against. on). —er, a. A. bepalend. —orily, ad. —ory, a. (dekare-turhoogdravend redenaar. rih•), beslissend, bepaald. peelama tion (dek-le•rneesiun). a. hartatochtelijke redevoering. —tor (cekne-mee-tur), a. Deer lanl (de-krarel), a. ultkrijting, minachting. —ier (-kraj'ur) a. uitkrijter; lasteraar. —y (-bra)'), oogd ra vend redenaar. —tory (de-klem'e-turv. a. uitkrijten; in kwaden reuk brengen. rib), a. boogdravend. a. nederDeclar able (de-kleer'ibl), a. verklaarbaar. Decimal) ence (de-kum'bens), —carp. ligging; verootmoediging. —eat, a, nederliggend. —ation (dek-lee-ree'sjunl, a. verklaring; klacht. —iture (-bi-tjoer), a. bedlegericheid. —alive (-kler'e•tiv), a. verklarend; aantoonend, —atory (-kleee-tur-rih)„ a. uitdrukkelijk; bepaald Decnple tdek'oepl), a. tienveudig. —, a. tienv. a. vertienvoudigen, voud. verklarend. —e, v. a. verklaren, uitleggen; v. n. —rent, —site, zich verklaren; (off) afzien van. —edly, ad. rond- Decor sloe (de-kuesjun), affoop. a. afloopend. borstig. —er, a. verklaarder. v. a. met echerpehoeken Deelnslon, (de-klen'ajun), a. vacant; verbuiging; De cuss ft te (de-kueseetl, dooranijden. —tion (dek-us-see'sjun), a. dooranil § atwijzing, weigering. ding. Pectin able ( de.klajnIbl), a. verbuigbaar. —ation Dedaious a. met kronkelenden rand. a• nijging; afhelling; afne- Dedecor (ded'e-lus), ate (de-dek'ur-reet) v. a, onteieren; ming; afwijking; afwijzing; verbuiging; —aloe onteeren, te schP.nde brengen. —ation (-ree'sjun), (de-klin'e-tur-rih) a. af—atory (dek'li-nee-tur). a. vervallen-verklaring van eereteekenen; oatwijkingswijzer. —e, a. afnerning, verval. —e, v. R. siering. —ous, a. ontsterend, emadelijk. nederbnigen; aislaan, weigeren; verbuigen; v. n, Dedenlitlon (ded-en-tis'ajtm), a. vealea der afwijken; bellen; Riflemen; weigerachtig atin. tan den. Declly 'tons —ous (de-klarvus), Didica to (ded'i-keet), a. toegewijd. —te, v. a. a. hellend. —ity, a. afhelling. toewijden; opdragen. —'ion (-kee'sjun), a. toeDecoct ide-kokt'), v. a. afkoken. —ion (-kok'sjun), wijding; opdaktit. —tor, a. toewijder; opdrager. a. afkokinc, afkooksel. —ice, a. atkokend. —ure —tory, a. toeifijdend, opdragend. —tory-epiatte, (-tj,;er), a. afkookael. opdraellt. Decolla te (de-korleet), v. a. onthoofden. —lion Dedition (de-dia'ajurt), a. overgave. idek-u1-lee'sjun), a. ontbalzing (van Johannea Deduc a (de-djoes'), v. a. aftrekken; afteiden den Dooper). (nit lets opmaken), —ement, a. afleiding, gevolgDecolor (de-kul'uff , v. a. doen verkleuren; trekking. —ible, a. of te leiden. —ive, a. ontlee—atinn (-nr-ee'sjun), a. ontkleuring, nend; afieidend, Decolorize, v. a. 'Lie Decolor. (de-dukt'), a. a. aftrekken, verminderen; Decom pose (di-ktun-pooz'). v. a. ontbinden, Deduct wegnemen. (-duk'sjun), a. aftrekking; oplossen; v. n. zich ontbinden. —posit (-poz'it) a. gevolgtrekking. —ire, a. —it-ely, ad. a? dubbel sam en gest el d.—ivosition(- korn te leiden; to betoogen; afieidend; betoogend. a. dnbbele samenRtelling; ontbinding. —pound Deed (died'), a. dead, handeling; dokument,akte. (-paaund'), a, dubbel mamengesteld; v. n, dubbel v. a. bij akte — of trust, akte van volmacht. § samenatelien; ontbinden. --poundaNe (-paaund" overdragen. —less, a. werkelooa. —y, a. werkibll, a. voor dlibbele eamenstelling (oplossing, ZAAM, bedrijvig. In the very deed, op heeterdaad. ontbinding) vatbaar. Deem (diem"), v. a. & n. oordeelen., het er voor Decor nee Idek'ur-rcet), v. a. veraieren. —anon rec ht er(o het ell and Man). houden. —s er, (..,,,, ,jun) a. versiering; versierael. —afar, a.' Deep (diep') a. & ad. diep; donkey (van kle.tr); ad. (de-ko'rus-), wel—.sly, versierder. —nun, a. geheim; diepzinnig; grondig; zwaar; liRtig, gevengelijk, betamelijk. —um (de-ko'rum), a. wel.slepen. —drawing, diepgaand. —mouthed, diep van stem. —musing, diep peinzend, —read, zeer Ileeortien te (de-kor'tl.keet), v. a. ontschorsen. belezen. —toned, diep van toon. —vaulted, diep a. ontbarsting. , , —lion (-Iree'sjun yea elfd. —waisted, met een 'nor- en aehterdelt. lok—bird, Decoy (de-kof), a. lokanse valstrik. —, a. diepte; zee. —en (die'pn), a. a. nitdiepen; vogel. jokeeud. —, v. a. lokken, verleiverdonkeren; nederdrukken; v. n. dieper warden; den; bedriegen. —man, a. vogelaar. —pond, a. danker warden. —1y, ad. diep; grooteltjks; diepeenJenicool.
Starch tstaartsri, a. atkjisel. —, v. a. stijven. beeldengroep; beeldhouvver. —ed (staftrtajo), a. gesteven; stijf, gemaakt. Statue s. beeld, atandbeeld. — er, s. ettjver; stijfster. — 1y_ ad. stijf, gemaskt. Stature (sti-Vjoer), s. gestalte, — d, a. volwassen. --arena, s. ctijtheld, gemaaktheid. —y, a. sti(jf- Status ethie (steVjoe-tibl), a. — ably, ad. wettielachtig• teiijk, ov , reenkomstig de statutes. —e t•joet), Star., (steer'), s. atarentle built; oprecuw. v. s. wet, verordening, kear, statuut; — labor, R. n. etanstaren; stares; (at) aanstaren. —r, heeren-. vroundienst. — law, landovvet. — ory, a. s. aitentaarder, aangaper.
set apart; tick t. w. to withdraw, to retire. —inn. v. separation, isolation; retirement, bv. & bw. separate (-1y); private (-1y). Afzoonaen, or. w. to seam entirely. Afzulg en, or. w. to tuck off, to ablectate. —ing, v. ablactation Afzweepera, on. w to whip off. Afzweerder, m. abjurer. Afzweir en, ov. w. to abjure, to forswear; on. w. to fester away, to fall off by ulceration. —sag. v. abjuration; felling off by ulceration. Aftwoogen (zlch), ti,. w. to drudge, to toil and moil, to overlaeor one 'e self. Agent, in. & o. agate. —steels, agate(-stone). Agaten, be. agate. Agent, m. agent. — van policie, police-man —schap, o, agency . Agurk, v. —fie, o. gherkin. Ahem', us. —loons, maple, maple-tree. &lulu, in onion. Akaost, In. acanthus. Akelet, v. Zie Akolei. Akellg, bv. & bw. dreary (-ily), dismal ( - 134, gloomy ( - UV, dull ( - yi, sat ( ly'. —held, v. dreariness, &online., dulness, sadness. Aker, in. acorn; bucket, pail. Akker, tn. field. —boxes, tillage, agriculture. --bresss. dyer 's weed. —vereedschap. implements of husbandry, farming-utensils. —honeroet, crowfoot. — kruld, dwarf-elder, dane-wort. —land, arable land. —nsaalsboseh, copse. —maalshont, copse-wood. —man, husbandman. —week, tillage, husbandry. —wet. agrarian law. —co, on. & on. w. to plough, to till. Akolel. s. columbine. Akonlet o. aconite. Akte, v. document, deed, instrument, bill. Al, o all, whole, universe. —, be. all. every. —, bw. already; rather; — te, too. —, vw. though, although, even if. Aleut. m. elecampene, horse-heel. —ste(in, elecempane-wine. —swortel, elecampantowort, +starwort. Maine. 0. alarm. —kink, alarm-bell. —kreet, cry of alarm. Albeit, o. alabaster. —en, bv. alabaster. Alb* dli, m. & v. fault-finder, caviller. —drij) —dril, —schsk, m. & v. busy-body. Aldear, bw. there, of (at) that place. Aldus, bw. thus, this way, in this manner. Aleer, bw. before. near —, before. Algebra, v. algeors. --WA, by. algebraical. Algeancen, bv. & bw. universal (-1y), general (-1y), common (-1y), o, public. in (over) het —, general, in general. —head, r. universality, generality. A Igenowgzaarn, bv. all-sufficient. —held, v. all/sufficiency AlgssdetrU, v. pantheism. Algoe4, by. most-bountiful. —e, in. (the) Mostbountiful. —heid, v. supreme goodness. Albler, bw. here, of this place. Alhoewal, vw. although. Altkrulk, v. periwinkle, cockle. Alkoof, T. alcove. Alledasweb, by. daily, quotidian ;ordinary, in-
glean. —on (-on), s. (talker (eend). —r, a. dompe. Plinth (plinth), s. plint, rollaag. laar, dutker; pompatok. Plod (plod'), v. n. sloven; blokken. —der, a. Plunket (plungk'it), s. waterblauw. glover; blokker. Plot (plot'), a. pleikje gronds, veld; aanleg; plan, Pluperfect (ploe'pur-fekt), a. meer dan vole maekt verleden. ontwerp; komplot, samenswering, intrigue, aans. slag, knoop. —, v. a. smeden; ontwerpen; v. n. Plural (ploe'rel), a. --/y ad. meervoudig. meervoud. —sat a. geesteljke, die meer dan tin samenspannen, sea' aanslag smeden. —ter, s. kerepel heeft. —sty (-rellt-tih), e, meartalligsamenzweerder; ontwsrper. held, veelheid. Plough (plan'), a. ploeg; ploegschaaf. —beam, plosgbalk. —boy, ploegjongen. —colter, ploeg Plush (pluej"), a. plain, pluche. —er, s. (aoort van) zeehond. kouter. —handle, ploegstaart. —iron, sponningached!. —knife, ploegmes. —land, bouw land. Pluvi al4ploe'vl-e1). —out, a. regen-; regenachtig. —a/ s. miegewaad, koorkleed. —man, ploeger; landbouwer; vlegel. —monday, eerste mammies na Driekoningen; ploegieest. Ply (plan, a. bocht; vouw,plooi; nelging; gewoonte. —, v. a. inspannen; Ijv erig waarnemen, —raker, ploegijzer. —shaft, ploegboom. —share, gebruiken, behartigev; zich toeleggen op; drinploegschaar. —staff, —stilt, —tail, ploegetaart. gend verzoeken; bewegen; overatelpen (with); v. n. ploegmaker, —, v. a. beploegen; v. n. buigen, toe even ijverig werken, gin best doen; ploegen. —er, s. ploeger; landbouwer. —ing, s. laveeren. —er, s. Zie Filer. het ploegen. Pneum atic (njoe-met'll,), a. lucht-, wind.; van Plover (pluv'ur), a. pluvier, regenvogel. de lucht (de luchtleer,. den wind). —atics, a. Pluck (pluk'), e. ruk, trek; omloop, ingewand; luchtkunde; geestenleer. —otology (-me-torudinoed. —, v. a. rukken, trekken; plukken, (down) zjih), a. lucht-; geestenleer. — onia neerslaan; neerrukken. (off! at-, uitplukken. (up) uitrukken; uitroeien; opbeuren, (moed) schepe. longonteteking. —onic (-mon'ik), a. van de longen, a. longmiddel. pen. —er, a. plukker; uitroeier. Plug (plug), s. plug, pin, stop, prop; kraan; Poach (pootsjl, v. a. sacht koken; viuchtig ontwerpen; doorsteken, doorboren; stroopen; v. n. stinger. —, v. a. dichtatoppen. wild atroopen; vochtig an. —ard, a. poeleend. Plum (plum'), a. pruim; roziju; le0,000 pd. Merl.; —iness (-1.-ness), s. vochtigheid, —er, e. stroo millionair. —auger —a, bruidsuikers. —cake, prui—y. a. vocht g, moeraseig. mentaartie, krentenkoekje. —porridge, brtj met prutmen of rozijnen. —pudding, podding met Peck (pole), a. yak, pokzweer. —hole, —mark, pokput. —fretten,—marked,—pitted,pokdalig.—wood, prnimen of roziinen. —tree, pruimeboom. pokhout. Plumage (ploe'midzj). s. veeren; vederbos. zonder geld. Plumb (plum'), g. achietlood, dieplood. —line, Pocket Ipok'it), a. zak. out of —book, zakboekje. —glass, zakspiegeitje. —hole, schietlood. —, a. & ad. loodreeht. loodltjn. —rule, zakgat. —handkerchief, zakdoek. —knife, zakmes. —down, reeht near beneden. orer,recht over. —, —money, zakgeld. —, v. a. in den zak steken, v. a. peilen, in het load zetten. —ago (-bee'go), (- bi-us), opateken; (up) opsteken; verkroppen. . leoderts, potlood. —eon ( -bi-en), loodgieter. Pock hives (pokl-nes), a. pokkigheid; vezieriek, a. loodaehtig; leoden, zwaar. a. pokkig; venerisch. —y, —cry, s. loodgleterswerk; loodgieterij. Plum a (ploerel, e. veder, vederboa, pluim; Pod pod ), s.sebil, bast, dop. —ware, peulvrecht. —, v. n. rich zetten, peulen bekomen. trotsehheid; lawyer, eereteeken; —alum, 'pluimaluin; —striker, pluiraetrijker. —e,v. a. (de veeren) Podagr a (pod'e-gre), a. podegra, voeijicht. —le, —ical (po-deg'rik-), a. jichtig. reinigen; met veeren (ten' yederbos) tooien; uitplukken; — one 'a self on, etch laten voorstean Podge (podzj), s. posh, pins. op. —cleat, a. ve-derloos, kcal. —igerous (mid , Po em (po'em), a. gedicht, diehtsiuk. —est/ (4-sih), sjnr-us), a. gevederd. —iped (-i-ped), a. rulg- I a. lie Poetry. Poet (po'it), a. dlchter. —aster (-es-tur), a. rtjpootig. Plummet (plum'init), a. schiet-, dieplood. melaar. —tea, a. dichteres. —ic,—ical, a. —ically, ad. (po-et'ilz.), dicliterWk. —sea (-eViks), pl, leer Plums ose (ploe- moos% —ous, a. gevederd; 'cederder dichtkunst. —ire (ajz), v. n. dichten. —ry, achtig, donzig. —osity (-raos'it-tih), a. gevederda. dtchtkunat; gedichten. held; donslcheid. Plump (plump'), a. —1y, ad. vleezig, poezelig; Poignan cy (pornen-sih), a. acherpheid; etekeligheid. —t, a. —fly, ad. scherp; stekeltg. vet. —, ad. plomb. —, v. a. & n. vleesig (dik, vet) makes (warden); nederploffen. —er, a. prop Point (pojnt'), s. punt; stip; spits; nestei; oog an het spel); stift, naald; kant; kompasstreek; of pruim (in den mond); grove leugen. —ness, keep, doel; toestand; grand; uitslag; soot, toon. s. vleezigheid, gesetheid, —y, a. vleesig, gezet, —a, pl. seizingen; puncturen. — of sight, — of poezelig. Plum ule (ploe'mjoel), s. kiem, plulmpje. —y, view, gezichtspunt. to gain one's —, ztjn doel bereiken. to bring to a —, ten elude brat:igen. at a. gevederd, donzig. Plunder Iplun'dur), s. bolt, roof. —, v. cplunall —a, in ails opzichten, geheel. —blank, e. mikpunt; waterpas-, kernachot; ad. rechtetreeks, deren, rooven. —er, s. plunderaar. regelrecht. punctuur-gaatjes. —maker, Plunge (plundsjl, s. indompeling, induiking, nestel-, kantmaker. —screw, punetuur-schroef. nederploffing; plot; (het) *lean van paardeu; seilpunt. verlegenheid, klern. —, v. a. indompelen; s torten; v. n. duiken; zieh I "torten; springen en Point (pojntl, v. a. aanpunten, teherpen; stip8
I threw in some fractals to guess what is going on with LTC. I used a fractal from when the trend reversed at the bottom this year and one for the 2018 ATH. Personally, I believe that fractals are highly subjective. They only reinforce the analysts confirmation bias. There is no set rules or back testing for fractals. So these fractals are here to see how much...
onvermidcluk. a. —ately, (214..8 o. omerzadelukheid. --ety Insaturabie (in - sei.'joe - ribl), a. onverzadeliik, Inscribe (in - skrajb'), v. a. in-, opschrijven (in. on. with); opdragen Ito). loseript ion (in - skrip'sjun), s. opsehrift; titel; opdracht. —ire, a. met ten opschrift. Inscroll (in-skrool'), v. a. op eene rot zetten. Inscruta ble an - skroe'tibl), a. — bly, ad. ondoorgrondelijk —bility —bleness, a. ondoorgroiadelijkheid. Insculp (in - skulp'), v. a. insnijden, graveeren. —ture (-tjoer), a. ingesneden schrift, anijwerk. Inseam (in-aiem"1„ v. a. merken (mot een' naad of lltteeken). Insect (in'sekt), s. insect. —ile (-sek'till, a. inaectachtig. —ion •sek'sjun), a. insnljding. —ivoroue (-iv'ur-us), a. lnsectenetend. lnsecur a (in - se - kjoer'), a. --ely, ad, ouzeker, onveilig. —ity, s. onzekerheid, onveiligheid. Insemina te (in-semi-neet), v. a. bezaaien. (-nee'sjun), a. bezaaiing. Insensate (in-sen'set), a. zinnekpa, stomp. lessens& ble (in-sen'sibl), a. —bly. ad. oagevoelig, gevottioos (of. to). —bility —bleness, a. ongevoeligheid, gevoelloosheid. Insentient (in - sen'sjent), a. gevoelloos. Insepara ble (in-aep'e-ribl), a. —bly, ad. onseheidbaar. —6itiiy —bleneu, onscheidbaarheid. Insert (in-curt' ► , v. a. inplaatsen, inlasschen. —ion (-sur'sjun), a. invoeging, inlassching; invoegsel. Inshnded (in - sjeed'id), a. geschaduwd. Insheil (in-sjell"), v. a, in eene achaal of schelp sluiten. InNhei:er (in- sjel'tur), v. a. beschutten. Insh•ine (in - sjraln' ►, v, a. Lie to Enshrine. s.binInside (in'esajel!, a. inwendig, binnen-. nenzijde. luridi ate (in - sid'i - eet), v. a. belagen, beloereu. ously. ad . arglisa. — a. belager. —ona, —ator, tig, belageud. —ousness, s. arglistigheid, verraderlijkheid. Insight (in'sajt), a. insicht. Insigssit. (in-sig'ui-e), pl. eere-, onderscheidingsteekenen. Insignifica nee (in-Sig - niPi - keno), — ey, a. onbeduidendheid. —t, a. —tly, ad. onbeduidend, nietig. Insincer e (in-ein-sier'), a. —ely, ad. onoprecht. a. oprechtheid. —ity Int;inew (in-sin'(oe), v. a. 7ersterken. Insinua nt (in-sin'joe-ent), a. indringend. — le 1-net), v. a. in-, opdringen, ingang verschaffen, (into); te verstaan geven; v. n. rich indringen; CCU' weak geven —'ion (-ee'sjun), a. bud-ringing; overreding; wenk. —tire (-e tiv), a. indringend; overhalend. Iublpld (in-cip'id), a. — ly, ad. smakeloos. laf. s. smakeloosheid. —ity (-si-pid'it-tih), lafheid. Insipl•nce (in-sip't-ens), s. yerstandeloosheid. Insist tin-sist'), v. a. aanhouden, aandringen, ataan op. (on. upon). — ent. a. our into rustend. —urn (-joer), a. standvaatigheid.
Labrador (leb-re-door'). g. Labrador. de LakediIinecredivee (lek'e-41aj cz), g. the cleche eilanden. Laced minion (lee-e-di'tnutt). g. Lacedaetcon. —emenian (-de-mo'nLen)., a. Lacedemoniech ; i. Laeedeinaniir. Litcontit 11e. tro'ni-e), g. Ladrones (1e-droonz'), g. the —, de Dieveneilanden. iLiterten (lee-ur'tiez), m. LaMes. w. Lain .11,nrnb (taco'), tn. Lamb. —ert (-bart),m.Lambertu,, Lambert. Cauca Whirr (lEnekesj-ten), g. Lancashire. at, kea-tun), g. Lane,etrr. 1Langueduc(1eng-ge•doki, 0. La.nguedoe. ',raucous' (le-ok'e,tin), my. Laocoon. L npl ander. Lapland (101)112M). K. Cares (iee'ciez), try. Laren. LatInsor (let'i-tour). m. Latimer. Luzar a (laor'e), w. Laura. —ence,na, Laurentius, Laurens. /Lazarus (lez'e-rue), m.. Lazarus. 1Leasc- (lter),m. Lear. Cebanon (1ab'e-nun). g. Lihanon. ',envy/1'rd (11tewurd) /stands, g. Etlanden on :ler den wind. g. Livorno. Leghorn (lee-, Leicester (lee'tur), g. Leicester. Leigh (11), g. Leigh. 11...fotraster (lin'atur), g. Leinater. Leipsic (lajp'elk), g. Leipzig. Leith tlietb), g. Leith. Leonard (len'uri), m.Leonara. Lesllie (lee'll), an. Leelle. Let (let), f. voor Lethire; Latin. Ceiba (11"thij, my. Lethe. g. Lett ice (letitle), vv. Letitia —onto Lettland, Lettenland. —y, f. coon Letttee;Ietle.
At rm.: iri VIE, on. ao moul , er away. rteteis ant, (it. W. to i , eor .d dlawit,e -may, linsit. purnert Aftat n trelt,„ ov. a', to ,,,,pavate Ly a wall. Afclattilt,n,ov xi , to fini.;.11. AInresn;rtor, Zie A fascnaer, w. to take di wrt, — off, —from,, Alele711 en, (iisimount; to shorten, to to pal. out off, to amputate; to cut tkaarten); to cheat (to ease) of, to ehargr, to force from; to free Ito deliver) from; to wipe off, to clean; to clear the table; to infer, to conclude, to guess. het ,auk —, to unyoke. den mom —,to skim (to cream)

Kun je geld verdienen kopen en verkopen van Bitcoin


Chloth (Isjajtn), s. kiln (van een vat). Choke (tsjook), a. vezelachtig deel eeher ,rti , jok. Chime (tsitt)111 ► ., a. ktokkenspel; hsrmonie, —, Choke (twiook'), v. a. verstikken (with); veibinv. a. in hsrinonie doen klinken; v. n, in bar- deren, onderdrukken; § (of) inlet asn het woord laten komen. —, v, n. stikken; (at) zich beleedigd money klinken, spelen; overeeukomen, stem- gevoeten over. — damp, stikdamp. —full, propvol. men. —r, s. klokkenspeler. Chimer at (ki-mie'rel, s. hersenechirn . — ical, — pear, wrange peer; horde pit. — vetch, — weed, klein ksttenkruid. —r, a. verstikker; stijve das. a. — ically, ad. (kt-mer'ik(-), hersensehimmig, in Choky (rf:jo'kih), a. verstikkend. gebeeld. Chimney Itsjim'nihl, a. srhoorsteen. — corner, Choler (kol'ur', , a. gal; toorn. —a, a. cholera. —ic, R. ga.lachtig; oploopend. — ieness, 5. lichthoekje van den hsard. — money, haardstedegeld. geraaktheid. -piece, sehoorsteenmantel. — pot, schoorsteen- § Chomp (tsjomp), v. ii. smakken (bij het eten). kap. —sweeper, schoorsteenveger. Choose (tsj on') [chose (talons). chosen (tsjoozn)], Chin (tsjin), s. kin. China (tslaj'ne), a. porselein. —ink, oost-indische v. a. & n. kiezen, verkiezen. — r, a. verkiezer. inlet. —man, porseleinverknoper, — root, kina. Chop (tsiop'), a. suede, stuk; ebtelet; spinet. —, — shop, porseleinwinkel. — ware, porselein. v. a. houwen, klooven; verwieselen. to — logic Chinch (tsjintsj,, a. wandluts. with one, met iemand redetwisten. (off) arhakChincough (tejin'kof), a. kinkhoest. ken. (up) ophappen. —, v. n. snappen, happen; Chine (tejajn), a. ruggegraat; ruggestuk. —, v. a. zich haasten. t about) omspringen. (at) grijpen in stukken hakken (den rug). nave. (away) er op sta.. (into) stuiven tn. (upon) Chink (tsjink'), o. re,...t, apiece; splint. —, v. a. overvsilen. — church, roiling van predikantsolaatsen. —house, gaarkeuken. — per, a. kloover, doen klinken; v. n. klinken, rammelen. —y, a. vol spleten of nodes. nakmes. — ping, a. dik, geziind, flint. —ping - block. hakblok. — pang board, hakbord. — ping - knife; Chintz (tsjintz), s. sits. hskmes. —py, a, vol spleten, Chip (tsjip'), s. spaander, stukje, snipper. —, v. a. aan snippers snijden; v, n. afbrokkelen, af- Chops (tsjopst, s. brk, mutt. eplinteren. — axe, kanthouwersbiji. — box, spa n en choral (ko'rel), a. tot het koor behoorend; koraal. door. —hat, spanen hoed. — ping, a. spasnder; Chord , bard), a. snaar; necoord; koorde. —, v. s. besnsren. afsplintering. —ping-knife, hakmes. Cliiragra (kaj-ree'gre , a. handjicht. § Chore (tsjoor), a. huishoudelijk week. Chirography (kaj-rog're-iiht, a. echrig kunst; Chorist (ko'rist), —er (kor'is-tar!, a. koorzanger. handschrift. Chorograph er (ko-rokere-fur), s. plsatsbeChlrology (kaj-rol'ild-zjih), s. vingerspraak. schrijver. — ic, — ical bur o-gref'ikl), a. pleatsChlrouse ►sey (kaPro-men-siii), s. handwaar- heschrijvend. —y, a. plaatsbesehrijving. zeggerij. Chorus (ko' rus), a. koor. Chirp (tsjurp'), a. gekweel, getjilp. —, v. a. ver- Chomigh (tsjuf),.s. k.w, steenkraai. vroolijken; v. n. kweelen, tjilpen. —ing, s. ge- CI.1e (ts3.1), s. krop (.n teen' vogel). kweel, getjilp. Choose (t ,:jaus), a. bedrog; sul. —, v. a. beChirrup (tsjierup), v. a. aansporen; v. n. pie- driegen (of. out of). pen, kweelen. Chrism (krizm), a. zalfalie. Chirurgle (kaj-reedzjik), —al, a. heelkundig. Christ (krsj,,t), s. Christus. Chisel (tsjiz'il), a. beitel. —, v. a. beitelen; Christen (kris'n), v It, doopen, noemen. —ing, § bedriegen. s doop. — dam ( dam), s. ehristeudom. Chit (tsjit), a. spruitje; jong kind; zomersproet. Christian (krtmtlen), s. christen. —, a. — ly, ad. — , v. n. uitspruiten. christelijk. — name, doopnaam. —iam ( - i7.111) ., a. Chitchat (Vila', jet), a. gehabbel. christelijke godsdienet. — ity (kris-tji-en'it-tlii); § Chitlins (tsjit'linzi, s. rtukjes, brokjes. a. christenheid; christelijke godsdienet. —ize Chitterlings (tsjit'tur-liengz), s. ingewanden (-ajz), v. a. tot christen maken. van eetbare dieren. Christmas (kris'mes), a. kerstmis; kersttijd. Chitty (tsjit'tiW., a. kinderachtig. — box, spasrnot; kerstgesebenk. — carol, kerstChlvalr ous (tsjiv'el-rus), g, ridderlijk. — y, lied. — day, eerstdag. —rose, nieekruid. s. riddersehap; rinderlijklieid. Chromat c (kro'met.), s. chromaatzuur. —ic Chive (tsjajv), a. biestook. —a (tsjajvz), a. meel - (kro•met'lk), a. e.hromattech; tot kleur hehoorend. deaden. ies (kro-met'iks), a. wetenachap der kleuren. Chior ate (klo'ret), 0. ehloorzuur. --irk (-rid), Chronic (kron'ik), — al, R. langdurig, elepend. a. chloorverbindinz. —ine (-rin), a. chloor. —osis Chronicle (krou'ik1), a. jaarboek, kroniek. —a, (kiwro'sis), s. bleekzeeht. e. (de) Kronieken. —, v, a. in de jaarboeken opChock (Wok), a. kalf (stub hoot). — of a redder, teekenon. —r, s. kroniekechrijver. bilk van een roar. — of the bowsprit, sluitklom Clironolog er (kro-nol'ud-zjur), — ist, a. tipaan den boegspriet. — of a boat, bootsklamp. rekonkundige. —ic (kron-o-lod'zjik), — ical, a. § — , v. a. tegenhouden. — irony, ad. tijdrekenkundig.—y,s.tijarekenkunde. Chocolate (tsjok'o-let), a. choeolade. Chronometer (kro-nom'i-tar), s. ttjtimeter. Choice (tsjojs'), a, keus; bear, bloem. —, a. —ly, Chrysalis (kris'e-lis), s. popje (van insecten), ad. uitgelezen, keurig. — less. R. Kedwongen. chrysoIlte (kris'o•lajt), s. ehryanItet. —ness, s. keurigheid. Chub (tsj(tb'), a. rivierbsars; chkkop —faced, a. Choir (kwajr), s. hour. dikwangig.
tamheid, makheld; ged, ±heid; moedeloosheid; Tarnish (tarteniaj), v. a, dot reaken; bezoedelen; v. n. dor worden, beelaan. Tans lay (tem'in-ih), tamkja, —kin, a. Tarpaulin (ter-pao'lin), Tarpawling, a. preHenning; pekbroek. prop; stow]; zle Tornplon. Tamper (tcrn'pur), v. n. Wilsmtddeltjes gehrui- Terragon (ter're-gon), P. dragon. ken (with, vote); (in. with) zich inlaten met; in Tart ter (ter'ri.ur), a. dreier, vertrager. —y, v. n. dralen, toeven, 'tgeheim werkenl oinkoopen. Tarry (taafriti), a. teeraehtig, t. ateerd. Tampion (tem'pl- -ar), s, Zje Tramktn. Van (ten'), a. run. —.bed, runbed. —house, —yard, 'fart (taart'), a. taartje. —, a. —ly, ad. wrang, seberp; vinnik bits. loolerkj. — pit. —vat, lootheip. —, v. a. looien; Tartan (taarlen),8. tartan; tariaan. taankleurig waken. Tandenno (ten'diro), a. rijtuig met twee paarden Tartar (meet.), wijnsteen; onderwertld; triernorech me' sell. —tan, —eats (ter-tee'ri-), (v66r elkarader gespannen). Tang (teng),e. nasmAak, zeeKras. a. van wijneteen; helseh. —ie (ter-tear'ik), a. Tangent (ten'ajent), 8.4angena,raatrAjn. - ,acid, wijnateenzrur. —vas, a. wijnsteen ► ouTangl bittly (ten-diji-bil'it-tih). 0. tatabaarheid. dend; wijnereenr:chrtz. — hie (ton'dzjibl), a, taatbaar. Tartness (taart'ness), a. wrangheld, acherpte; Tangle (teng'gl), a,. venvikkeling, verwarring biteheid. knoop. Task (taask"), a. teak. —master, tsakgever; weekv a, Zte to Err tangle. 'rank (tergk'), a. watertmk. —aid (-ur,1), a. kin?, opsiehter. —, v. a. eene task opleggen.—er, ban (met een dekseil. a. Zie Taskmaster. 'rnn tlr.ag (ten'lieng), a. door de zoo verbrande. Tassel (tes'ail), a. kwast; lintje (in eon boek). -net-, a. looter, leertouwer. —nery, a. loolorij. —ed (-311d), a. met liwaaten versierd. —yin, a. lonintof. Airy. a. hot. looter. . Tastes (tee'els), a. pl. dtietukkon (van ten harnaa). Tiont.y iten'zih). retwaren, wormkruid. Te.stable(tee8Vibl), a. ernakelijk. Tnnto2 tacit (Xeretf.-ii..1), a. terging, Tan' a (teest'), s. (het) proeven; emaak; proef. --ize (-lajz), v. a. kw ellen, tergen. —, a. a. proeven; awaken, gen!etriv.; beproeven; v. n. awaken (of, near); proeven. —d, a. rimeTantaraosint (ten'te-tnaaunt), a, var. gelijke was rde. kend. —fat, a. —fully, ad. mnakelijk; amaakvol. —fulness, a. umakelijkheid. —less. a. —lesaly,ad. Tent ITy (ten-tiv'th, ten'tiv-ih), ad, worriaga. 'antrums (ten'trares), o, pl. gril'en e, booze tsmakeloos. —Ugliness, a. emakelooaheid. —r, a. Wiry , proever; voorproever; proef-, borrel alas. 'rap tikje, Halle; tap, zwlk, nouten Tasty (tem.' lb.), a. lekker; arnaakvol. v. a. tan kraan; tapperij. --Corer, sebroefboor. —droppings., Tatter (tet'tur), a. lump, vod, flarde. Harden seheuren. —deviation (-de-mellun), s. vap1. lek.i. —hole, uitloop. --house, tapperij. ',Write bier, elecht bier. —roan, roboni, havelooze kerel. gelailkarner. —root, hart. ortel. v. a. & n. Tattle (tetql), a. gesnap, gekakel. —, a. a. snappen, kakelen, —r, 8. snapper. dooreteken: aftappen. tikken; (teep'), n. band, —tore, garcokant. —worm, Tattoo (tet-toe'), a. taptoe; huidbeprikking. • a. a. tfitOterAlit. arm, Tatter (tee'prrj, at. witskaara; toort, Taught (taut), a. atrak, gespannen. —ing, spite toeioope.id, vormig. —, v. R. spite Taunt (taart'(, a. seer !wog. —, a. echimp, hoot'. hemehimpen, hoonen. —er, a. beeehirrper. waken; v. n. ,belt, tooloopen. —nets, kegelvormiabetd —ingly, ad. hoonend. 'rap,it a. holiangAel. —, a, a be- Taurus jtao'rus),s. (de) Stier. (tap' hat,gen. Tantolog le (tan-to-lod'zjik), —teal, a. herb*. Tripir (tee'pir), a. tapir. lead, herkauwend. —ice ( n tol'ud-zjajz), v. a hero halen,herkauwen. —y (-tol'ud-zjih), e. (onnood;ge) • grz.oct (tep'pt , ),.. rok, kle!ne hpfboom. (Lep' a. het tikkeo; ftappirg; herhalin•, tmik.lteek; ut!:o•,p. --bar, laatijzer. — hole, nit- T twe.rn (tev'arn), a. wijnhuis, kroeg; herberg. (nip. - pipe, a v!oel ingspijp. —haunter. —man, kroeglooper. —keeper, —er, a. Tape.ter (ten', tar), Ft. sitaver, , ch , nker. kroeghouder, herbergier. Tar (tate), B. pektrook. —, v. A, teren, met Taw (tao), a. knikker; knikkerspel. —, v. a. teemtonwen. ten hearne , e• terg.n, n,hituen. Tawdr fly (tao'dril-ith), ad. —y, a. opgeachikt, Tavaninia (t ,.ren'tjoe-le), tp.rantula. pronkerlg. —inees (-dri• rm.), a. opsehik; opgeTeardut Con (t, r-dee',,juto, a. vertraging. rchlktlield, --y, ae, opseisik. Tart ity (ta tr'dil-1111), ad. --y, a. langsaam, traag; lesion rend; roils fig. —iAess (-iii-near,), a. Tower (taow'ur), a. seerntouvrer. —p, a. seemtouwerij. traasheid; nal ∎ tlsbeid. Tavvuy (tao'nth), rt. taankleurig; donkergeel. Tare (teen), a. ';tike; toit;; larra• Target (tamr'gq), e, vittiii; sehte.techkjr. — ed, e. Tax (teke'), a. sehatting, belgating; bertepIng, (•ler), a. schfidniet een mch).1,. l owan,i/d. — gatherer., ontvanger der belaetingen. —payer, belastingeehuldige. --.. v. A. belasten; (with) bedrager. achuldigen van, verwijten. —ahte a. achatbaar. (to!-) tarter. —, v. a. in een 'farstr —ation (-ee'aiun), a. bearding; eel:rotting. —er, a. tariefbrengen h,et aceilne trelasten. belanter, 'chatter. mom,. Tarn (taonn), a. saaihetd. — r, a. temmer,
nab ne1.0,, v. a & a. , knabbeleo, I ijten, ephap- Knit, (nit'), s. breisel, —buck, chaleoer., w aalworpen. tel. —work, breiwerk. Knack (nek'), s. speelgoed; slag, kunatje, handig- Knit (nit') [knit'], v. A. & n. breten, knee pen; held. —, v. n. knappen, kraken; gemaakt spreken. (zich) vereenigen, verbinden; fronsen. —ter, s, breier; breister. —ling-needle, breinaald. —tiny. —er, a. speelgoedmaker; paardenvilder. Knar; (neg'), s. kwast (in hoot); pin, plug. —gay sheath, breischede. (-gib) a. kwastig, knoestig; eemelijk. Knittle (nit't1). s. beurikoordje, trekband; siorKnap(nep'), a. knobbel;verhrenheid;top. —bottle, lijn, seizing, knuttel. ' klaproos. —sack, knapzak. —weed, Wilde amber- Knob (nob'), I. knoest; knobbel; knop; kwast. —bed (nobd), —by, a. knoestig;knobbelig.-6iness, bloom. --, v. a. afbijten, kraken, doen afknappen; a. knobbeligheid, knoestigheid. v. n. knappen. Jbnapple (nep'pl), v. n afknappen. Knock (nor), a. slag, tik, geklop. g. a &. n. slum, kloppen. (at) aankloppen. (down) nedervel(naarl'd), Knar (near'), —F,s. knoest, kwast. len; toeslaan (bij veilingen). (its) insiaan. (off) af—0, a. knoestig, kwastig. Knav a (pees'), s. schurk, schelm; hoer; kuaap. slava; afbreken; afdoen. (under) zich onderwer—ish , a. --ishly,ad. s. schurkerij; guiterij. pen. (up) opkloppen; afmatten. —er, s. kloppee. —ery, schurkachtig, guitachtig. —ishnees, i. schurkaching, s. (bet! kloppeo,geklop. tigheid, guitaehtigheid. Knoll (nool'), a. heuveltje; kritin, top. —, v. a. & n. luiden ((do doodsklok)• Knead Ivied'), v. a. kneden. —er, 3. kneder. Knot (not'), a. knoop, strik; hoop; oogje; knoest, trough, bektrog. Knee (nie'),..knickromhout, elleboog. —crooking, kwast; bundel; verbond, troep, gezelschap; trekonderdanig. —deep, tot vn de knieeu. —grace, letter. running—, echuifknoop. —berry, beauty, knoopgras. —pan, kniesehtlf. —string, koueeb and. bee. —grass, varkene-, knoopgrao. —, v. a. knoo—timber, kniehout. —tribute, kniebuiging. v. pen, strikken, verwarren; v. n, knoupen; uitbot ten. —less, a. zonder knoopen of knoesten; zonder a. hnielend snaeeken. —d, a. met knieen of g, e• bezwanr. —ted, a. met knoopen; knoestig. —tines dingen. 1-ti-ness), a. knoestigheid; moeielijkheid. —ty, ad. Kneel (niel') [knelt'], v. n. knielen. --er, a. holeknoestig, kwastig; moeielijk. ler. Knell (nell), s. doodsklok, Knout (naut), a. antoet; knoetstraf. Know (no') [knew (Woe). known (noon)] , v. a. & n. KnIck-knack (nik'nek), a. snuisterij, vodderij. Knife (najr), s. men. —grinder, messenslijper. weten; kennen; erkennen; bekennen. —able, a. kenbaar. —er, s. kenn, r. —ing, a. kundig, erva—rest, --tray, messenbakje. ren; loos. —ingly, ad. met kennis, voorbedachteKnight (unit), s. ridder; ezelshonfd; pavrd (in 't schaakspel; parlementslid. — of the blade, snoe- lijk. ver. — of the post, valsche getuige. — of the road, Knowledge (nol'idzj), i. kerinis,kunde, ervarenstraatroover. —errant, dolende ridder. —errantry, held. to my —, bij mijn weten. dolende ridderschap. —heads, apostels, boegetuk- Knuckle (null'ki), a. knokkel; scharnier; schenken, —marshal, hofmaarschalk. —templar, tern- kel. v. n. bulgen; !deli onderwerpen. peiridder, tempelier. —, v. a. tot Adder Knur (our'), —/, a. knoest, kwast. —led (nurl'd), —ry, a. knoestig, kwastig. —hood,s. ridderschap. —ly, a. ridderlijk.
Origin brings an entire universe of gaming into a single, convenient application. Downloads are streamlined for quick and easy installation, and you can securely purchase and play your favorite games any time and any place you want. You can even chat with your friends right from the Origin application while you play. New features recently added to Origin include live streaming demos, free-to-play games, and a beta cloud storage feature. For gamers on the go, Origin services are also available on your mobile device!
Duister, be. & bw. dark (•1y)„ obscure (-1y), dim (-ly), gloomy (-fly), mysterious (-1y), Intricate. —held, v. darkness, obscurity, dimness, gloom, intricacy. —ling, m. & v. obscure person; protagonist of ignorance, enemy to the marsh of intellect, obecurant. —xis, v. darkness, obscurity. Dolt, m. dolt. Been waned, not worth a fig (a farthing). —endief, scrape-penny. Daly/A, en, devil. —banner, —bestatterder, exorcist. —tanning, —be:wearing, exorcism. —Hagen, on. w. to make a compact with the devil; to keep a terrible coil, —japer, conjurer, sorcerer. —skeet, devil 'a bit. —sorood, mushroom. —sdrek, foetlda. —skied, imp; wicked fellow, devil. —8 • kunstertaar, eorcerer, magician. —akunatenar(i, sorcery. —smelk, euphor bium. —snaaigaren, eryngo, sea-holly. —stoejager, jack-at-all-hands. —art), v. devilish trick. —in, v. she-devil. —seh, be. & bw. devilish (-1y). diabolical (-1y); can — week, a confounded troublesome piece of work, a devilish bad affair; can --e keret, a devil of a fellow. —ach, taw. the deuce! Dalven boon, v. seteh. —drek, pigeondung. —ei, pigeon 's egg. —hok, —hot, —slag, —tit, —cluckt, pigeon-house, dove-cot celumbery. —kernel, tumatory. —maikt, pigeon market. —maker, breeder of pigeons, pigeon-fancier. —neat, pigeon 'a (dove 'a) ura. —petite', pigeonpie. —post, pigeon-poet. Weikel ass on w. to grow dizzy, to swim, to be taken with giddiness, to have o swimming in one's head; doers —, to making giddy.—ip,by.dizzy,, giddy. —igheid, v. —ing. v dizziness, g(jidinesJ, vertigo a win: iniug in the head. Duiz,nd, tw. & 0. thousand. —been, —post, milfoil, yarrow. —guldeakruid, cen• liped. taury. —jarig, of a thousand years, millenary, rijk i millennium. —knoep, knotgrass, septfoil. —tehoon, amaranth. —tat, thousand. —mud. —vouslig, thousandfold. —erkande„ —erlei, by. of a thousand sorts. —maid, —scarf, be. a thousand times. —ste, hie thousandth. D ► Ltsat, m. ducat. Dviketcnitioud, o. standard-gold. Dukaten, tn. ducatoou. Dilkdelf, tn. stoceado, mooring- poet. Dulde talk, be. &bw. supportable I-bly), toterable —eioos, by. & bw. iesupportable (-bly), into!eraW, ,, (-bly). —en, ov. w. to bear, to suffer, to tolerate. —ar, m. patient sufferer. —big, v. suffering, toleration. Du., liv. thin, slender, slim; slight, raze, clear, sparse; thread-bare. — bier, small beer, swipes. — ei, !soft-boiled egg. —, bw. thinly; scantily. gezaaid, thin-sown, scarce, rare. —been, thin• legged person. —beenig„ thin-legged. —baik,slender person. —buikig.slender.—tveigjean,slender„ loose. --/Vviglisid, elenderuees, looseness. —ticktit', be. rather thin. —Acid, v. thinness, slendernevi; scarcity; fluidity; rareness. Dunk, in. opinion. een grooten — van sick selves Adobes, to De conceited. —en, ou. w. to think; mij dussid, methinks; m(j dacet, mathought; wet dissect 14? what do you think? sick latex —, to think, to imagine, to be conceited.
146 onbeKrensbanr., —spection (-gpek'sjun). a. OD, n- Incompasslontite (in-kurn-pettrun-et), A. ad. onmeédoogend. —ness, a. onmeedoogendheid. zachtigheid. Incis e (in...30, v. a. insnijden. — ion ( - sizri.ii), Incompatil tie (In-kum-pot'ibl), a. —bly, ad. onbestaanbaar (with). —bility (-1.bil'it.tih), a. — ore (-sizj'oer)„ s. insnijding; snede. —ire, onbestaanbaarheid. ( - sajs' - ), a. insnijdend. — or ( - sajs'ur), s. snijta ad. knelt ant (in - saftent)., a. prikkel, opwekk,rd Inconspeten ce (in-kom'pe-tens), —cy, s. onmiddel. — ation (-si-tee'sjun), —ement, s. Ramp° bevoegdheid. —t, a. —tly, ad. onbevoegd (to). ring, prikkelIng, ophitsing. —e, v. a. aan,p0- Incomplete (in-kum-pliet"), a. —ly, ad. onvolren, prilckelen, ophitsen, — cr, s. aanspoorder, ledig, onvolkomen. —ness, a. onvolledigheid, ophitser. onvo lkomenheid. Inclv filly (in-si-vil'it-tih), s. onbeleddheid. Incomplian ce (in-kum-plarens), a. oninsehikkelijkheid. —t. a. oninscbikkelijk (with). -ism (-siv'rzm), s. gebrek aan burgerzin. Inciasp (in-klaasp"), T. a. omvatten, vasthouden, Incompos tte (in-kum-poz'it), a. niet amengesteld, eenvoudig. —title (-pos'ibl), a. onverInclitvatc,-1 (in'kle-veet-id), a. bevestigd. s. onbarmhar- eenigbaar. Inclemen cy tigheid, guurbeid. —t, a. onbarmbartig; guur. Incomprehensi ble (in-kom-prd-ben'sibl), a. —hly, ad. onbegrijpelijk. liraciln able (in-klajn'ibl), a. geneigd, gezind —bleness, s. onbegrweltkheid. —on (..ajun), ((a). —ation (-kli.nee'sjun), s. neiging; geneigd- afwijking. — atory, onbevattelijkheid. —ve (-sIv), a. onbevattelijk; heid; genegenheid; beperkt. a. —atorily, ad. (.klin'e-tur-), overhellend. —e, a. onsaa, a. neigen; geneigd waken, (to); v, n. overhel- Inconapressi ble (in-kum.pres'sibl), s. onsamenlen, geneigd zijn, (to). — er, s. hellende tonne- mendrukbaar. —bility drukbaarheid. wijzer. Incolumputible (in-kum-pjoe'tibl), a. onbere(in-klip"), v. a. omvatten, ornhelzen. kenbaar. Inclolster (in-klojs'tur), v. a. in ten klooster Inconcealable(in - kun-siel'ibl),a.onverbergbaar. opsluiten. Inclose (in-klooz), v. a. —ore (-zjoer), a. Zie Inconcelva ble (in-kun.aiev'ibl), a. —bly, ad. —blend°, a. oubegrijpelijkheid. onbegrijpelijk. Enclos e, --are. —ly, ad. Incloud (in. klaud' I, v. a. omwolken; verduisteren. Inconclusive (in - kun - kloe'ziv), a. niets bewijzend, niet beslissend, onafdoend. Irwin de (in - kloedl, v. a. insluiten, in zich be- —neon, s. geniis aan bondigheid, onbeslissendgrijpen. —sion (-kloe'zjun), a. insluiting. —sive, held. a, —sively, ad. (-kloe'siv.), insluitend; ingeslo- Inconcoct (in-kun-kokt'), —ed, a. onverteerd, ten, daaronder hegrepen, (of ). (-kok'sjun), a. onverteerdheid. Inconguleable (in-ko-eg'ioe-libl), a. niet stol- Inconcntring (in-kuu-kur'rieng), a. niet overboar. Iriceerclble (in-ko.ur'sibl), a. onbedwingbaar. eenstemmend. Incogit ancy (in-kodzri-ten-sih), s. iedachte- Inconcussible (in-kun-kus'aibl), a. onwrikbaar. loosheid. --ant, a. gedachteroos. —ative (-to-tiv), Incondensable (in-kun-den'sibl), a. onverdika. zonder denkverrnogen. bear. Incolleren ce (in-ko-hPrens), —cy, s. gebrek Incondite (in.knn'dit), a. ruw; onbesehaatd. aan samenhang. —t, a. —tty, ad. onsamenhan- Inconforan able (in-kiln-form'ibl), a. ongelijkvormig. —ity, a. ongelijkvormigheid. gond, zonder verband. inconabusti ale (in-kuna-bus'tibi), a. onbrand- Incongcnlal (in-kun-dzji'ni-el), a. ongelijksoortig. baar. —bility (41.-bil'it-tili). —blends, s. on- Incongru enco (in-kong'groe-ens), —ity (-kunbrandbaarheid. groe'it-tih), s. ongepasthetd, gebrek aan overIncome (in'kum), s. inkomaten. Incomniensurn ble (in.lcum-rnens'joe•ribt), een , in ► ming. —eat, —oats, a. —nasty, ad. niet paesend, niet strookend, ongerijmd (with). —te (-ret), a. onderling onmeetbaar. —bility (-re Ineonnection (in-kun-nek'ejun), a. getais van bil'it-tih), s. onderiinge onrneetbaarheid. Incomin Iscible (in - k,m - mi.'8ibl), a. onver - samenhane. (-rnikst'joer), s. ouvermengd- Iuconsequen ce (in-kon'ee-kwens), s. valsche mengbaar. gevolgtrekking, ongerijmdheid. —t, a. niet volheid. Incommod e (in-kuni - mood'), v. a. lastig vat- geed; zich niet geiijkblijvend. —tial (kwen'ejel), a. zonder gevolg; onbelangrtjk. len, hinderers. —ions, a. —iously, ad. lastig, on- Incoassidera tale (in-kun-sid'ur-ibl), a. onbegemakkelijk. —iousness, a, lastigheid; ongemaks. onbelangrijkheid. langrijk, gering. kelijkheid. —te, a. —tety, ad. (-et ), aehtelooe, onbedachtlincornmunica ble (in-kum-rnjoe'ni-kibl), a zaam (of). —terted (-et.), —tion (-eirsjun), -tly, ad. onmededeelhaar.—bility (-ke.bil'it tih), teloosherd, onbedaehtzaamheid. onmededeelbaarheid. —tive (-ke-tiv), a. achtet • Inconsisten en tin-kun-sist'ens), —cy, s. onhoudend. bestaanbaarheid; onbestendigheid. —t, a. —tly, Incommutta ble (in-kurn-mjoet'ibl), a. onver- ad. onbestaanbaar, in tegentipraak (with); ons. onverander- anderlijk. —bility gerijrnd. iijkheid. Inconsola ble (in.kurposool'ibl), a. —bly ad. Incompact (in-kum-pekt'), a. los, ijl. incompara ble (in-kum'pe-ribl). a. —bly, ad. ontroostbaar. onvergelijkelkjk. —bleness, 6. onvergelijkeltjkheid. inconeonan co (in..kon'eo.nens), —eV, a. wan-
Factotum (fek-to'ttl ►n), a. doe-al, albedril. Faculty, (feleul-tib), s. vermogen; eigenschap; bevoegdheid; faculteit. Fecund (tek'und), a. welbespraakt. —ity (fe-kun' dit-tih), s. welbespraaktheid. Faille (ted'd1), v. n. beuzelen. Fade (feed), v. a. doen verwelken (kwijnen); afmatten; v. n. verwelken; kwijnen, verdwijmen, (away). Fade (fedzj), v. n. passen, voegen; overeenstemmen. Fading (fee'dieng), a. verwelkend; versehietend; vergankeltik. —ness, a. verganletijItheit:. Jag (feg'), a. slover; zondebok; knobbel (in liken). v. a. aandrijven zelfkant; uitschot. (met slagen); v. rt. zwoegen; zieh afeloven. Fagot (feg'ut), a. takkenbos, rijstbos; lorrendrnaier. —, v. a. in bossen hiuden. Fail (feel'), a. fell, font; gemis; verzuim; dood. without zonder mankeeren. —, v. a, begeven, verlaten, in den ateek laten; teleurstellen; v. n. falen, misdoen, te kort schieten, (in); in gebreke bliiven (to); vervallen; ophorden; bankroet gaan. — inf,, a. font, gebrek; (het) bankroet gaan. —ure ( joer) gebrek; verzuim; mialukking; bankroet. Fain (fen), a. blij, verheugd. —, ad. gaarne. Faint (feent'), a. —ly, ad. zwak, mat; moedelooa. —hearted, fla ► whartig. —heartedness, a. flauwv, a. ontmoedigen; v. n. kwijnen; hartlFhel a. —inglfit. ilauwte. —ish, a. bezwijmen. flauw-, zwakachtig. —/ing, a. vreesachtig, —ness, a. matheid, flauwheld. —y, a. zwak, kwijnend. Fair (leer'), a. —ly, ad. achoon, haat; helder; blond; zuiver; gunstig; billtlk; eerlijk; oprecht; gemakkelek; wellevend; minzaam. bedaard;bevallig; gedienatig; beleefd; in goede veratandhouding. —and squarre, ronduit. —and softly, zachtjea aan. to bid —, de hoop geven. to copy —, in het net overschrijven. to keep —, vrlendachap houden. to play —, eeritik te week gaan. to stand —, gunstig staan; trouw blijven. —colored, licht van kleur. -econditioned,goedhartig.—dealing, emit*. held, opechtheid. —play, est./0k spel. § —shake, goede negotia. —spoken, beleefd, innemend, lief. Fair (fate'), a. kermis; (eene) echoone. the —, he, achoone geslaeht.—iag, s. kermisgeschenk. —ish, a. net , lief; tamelijk. —ness, a. fraaiheid; eerigkheid, Fairy (fee'rlh), a. fee-achtig. e. fee, toovernimf. —land, land der toovergodinnen. —like, tooverachtig. Faith (feeth'), a. geloof; geloofsartikeli vertrouwen; trouw; oprechtheld —, int. op Mijn wooed! waarlillt! —breach, trouwbreuk. —tut, a. —fully, ad. geloovig; trouw. —fianess, a. getrouwheid. —less, a. trouweloos. —lessness, s.trouweloosheid. Fake (leek), s. slag van een opgeschoten touw, catch —, klink. Falco te (fel'keet), — ted, a. sikkelvormig. —tion (-kee'sjun), a. kromte. Falchion (faorejun), a. kromme sabel. Falciforsn (fend-form), a. sikkelvormig. (fao'kn). a. vatic. —, —et (faol'kttn.net), a. felconet (zeker gese hut). —er,, s. valkenier. —ry,

Wat is Bitcoin maas in de wet VAE


business. —ear, m, merchant, trader, dealer. —baav, by. tractable. —baarheid, v. tractability. —en, on. w. to act, to do, to behave ; to trade, to deal, (in); to negotiate ; to treat (over, of). —ing, Y. action, act. Ilandenloom, by. handless, unhandy. —held, v. unhandiness. lIandlg, by. & bw. handy (Alv), dexteroue ( -iy). —held, v. handiness, dexterity. Handle, o. een hebben van, to have a knack at. —gaits', light-fingered person. —plak (spelen), Ito play at) hot-cockles. llandzaam, be. servicetble,tractrible. —Acid, v. serviceableness, tractability. liana balk, m. cock-loft. --gekraai, o. cockcrowing. —keen, m. conk's comb ; rattle-grass. —scat, v cock-pit. —poot, M cock's foot; scrawl. —spoor, v. cock's spur. —fired, in. treadle. —veer, v. cook's feather; shrew. --vort, m. crow foot. —sagevecAt, o. cock-fighting. Hang, m, herring-hangs. —en, on. & on. w. to hang; to be pen ling.; to be inclined; — aan, to depend upon; stin hart — a., to set one's mind on; vest geld — aan, to spend much money in. —Maker, sconce. —bord, sign. —brag, suspensfon• bridge. —balk, swig-belly.—dief, hang-men. —gat, draggle-tail. —horloge, pendulum. —(jeer, pothanger. —kanier, ineLzanine, entresoi. —blob, house-clock. —korf, dorser. —lip, blobber-lip; blobber-lipped person. —neat, hammock. —oor, dangle ear; dog with long ears; slovenly person. • —riern, brace. --slot. padlock. —ebant, m. & v. newgate-bird; v. curds. —en, o. hanging; (teeny1 41 tusschen — en worgee, between the devil and the deep. —end, by. hanging ; pending ; met —e rookies, in a submissive menus, —cede, Ye. during. —er,m, hanger; sword, pendant, ear-drop. —op, v. curds. ho. eockish; wanton, lewd. Ilannekenittaler, m. grass mower (from Weetplialia). Hans, on. John; gentleman; simpleton, Simon pare den grooten spelen, to lord it. —sop, —worst, :merry-Andrew., Jack-pndding, punch, pantaloon, clown,sc Ara avouch, z any, buff ion. —je,o. Johnny; — in den kelder, Jack-in a-box, Hang-en-kelder.
bewaarder; meat, gest. — of the hotel, kabelgast. Yoke (jook'), a. juk; span, koppel. —elm, hugebeuk. —fellow, —mate, makker, lotganoot; eeht—ly, a. van (ale) een yeoman. —ry, a. idt)klelne v. a. in het juk epannen; vereenigen, grondbezttters; ligtrawanten; bereden genoot. koppelen (to. with); ouder het juk torengen. York (jerk), e. rule r slag, stoot. —, v. a. & n. Yolk (junk), a. dooler. Vain (Jon'), Yond. Yonder, a. glndoch; ad, rukken, stun, stooten; springan. Rinds, ginder. Yes (jet),, ad. ja. Yore (ioor), ed. of — in days of — eertijda, veerVest (jest), s. Zia Yeast. been, in nude tijden. Yeutter ljes'tur), a. van &toren. —day, a. de dog van gisteren; ad. &tem. —night, a. de avond You (jue! pr, gij, u Young 'Wing.), a. Jong; ouwetend, (naeht) van giateren; ad. giateren avond (t teht) o. Jong. —ilk, a. nen. —man jongeling. Yesty (jelit'lh). a. Zie Yeasty. jengdlg. —ling, a. Jong. —/y, a. jangdig; ad. in Yet (jet), ad. nog, alanog; bovondien; sells. as voor alenog, tot dueverre. not —, nog Met. —, de jeugd. —eter, s. Jongeling; melkmull; Jong matrons. conj. nogtane, torh, echter. Yew (Joe"), a. —tree, taxieboom. —en (•in), a. van Younker (jungk'ur), a. Zie Youngster. Your ijoer), pr. ow, uwe, uwen. i.i0Prz), yr. texiehout. de (het) uwe. —self (-mei ► , pr. — selres (-Itelve), Yield liteld'), a. ophrenget. —, v. a. voortbrengen, set ten. pr. pl. ti, 'gij) tell, opleveren, atwerpen; toeataan, tt,elaten, tvege), a. jeugd; jongeling, joug rnensch. yen; overlaten. *lateen, opge ;en, tote,, varen, Youth (joeth , —ful, a. —fully, ad, jeugdtg -fulness, a. joug. overgeven (over. up); v. n, toegeven, zich tr.er;oven, — echikken, — onderwerpen; onde, doen, digheld. lY —y, a. Zie Youthful. swiehten, wijken, (to); nitslaan. —er, a. toegever; Ytteltin (joek'ke), e. yucca, adamanaald, broodworts) . Inwilliger. —ing, a. —inyly, ad. wiostgevend; toegevend, inerhikkelijk. a. het toegeven; Yule (Joel'), a. keretmie. --block, —clog, —log, houtblok voor het karetvuur. opbrengat, overgaaf. —ingnest, a. toegevendheid. Inachlkkelijklteld.
wraakbaar,onaMKtootelijk.—bitity(•ge-blrit-tih), held. —bleness,r.oawraaltbaarheid,onornstootelOkheid. lawn!! (in•waoll'1, v• a. beniuren. —bly, ad. onweInward (in't•nrd), a. —/y, ad. inwen&g, inner- Irreigita ble -s„ ad. naar btonex. —s, pl. tngewanden. derlegbaar. —bleness, e. onwederlexbaarheid. Inweave tin.wiev') [ire.], v. a. in-, doorweven. Irregular (ir-reg'joe-ler), a. —ly, ad. onregel(-ler'it-t1h), s. otorsgelmatig; ongeregeld. lowlier! (in-wier), v. a. omgeven, °maniacal. matigheid; onikeregeldheid. Unwrap (in -rup'), v. a. inlittlien, inwikkelen; verwarren; bekoretr. Irrelative (iv-rere-tiv), a. —ly, ad. onbetrekkglijk; afzonderlijk. Inwreath (in-rieth'i, v. a. omkransen. Irrelevan cy (tr-rere-ven-sih),s.ontoepasseliJkInwrought (in-rant'), a. ingewerkt. s. iodine, (odium. held. —t, a. --tly, ad. ontoepasselijk, ondlenstig. Iodine lr•ellesrable (ir-re-liev":1,1), a, niet te helpers. I. O. U. (I owe You), schnl , :bekentenle.

Wat is de meest winstgevende cryptogeld de mijne


,ieekpaiin.--hork,h,,r1As. Holly r00a. —rose, cistusroosje. —tree, hoist. —wand, apitsroede. Hoists (hoolm), a. rivier-eilandje; ateeneik. 1Poloceinhat (hol'o-kaost), a. brandoffer. Holstet , (hoorstug), a. holster. holy (ho'iih), a. higlig. — cross-day, kruiRverher-day,zielliollitlity. —ghost, fleiligefleest. Heilige Land. —office, Inquisitie. —roodday, kruisverheffing. —rose, wilds sane. —thistle, gezegende distei. —thursday, henielvaartsdag. —water, NcOlvater. —waterpot. —wateratoek, wijwaterbak. —water-sprinkle, wijkwast. ,--week, Hog gerel .(hog'gur-il). —get (-git),.. tweeiarkg lige week (week soot Paschen). — writ, Heilige schaap. —gish, a. —gishly, ad- beestachtig, zwij. Schrift. nig; gulzig, vratig. —gishness, a. beertachtigheid, ',plunge (hom'idtj), a. hulde. a. huldi101, zwijneri,i; eigenbeat; vraatzucht. —r, a. huldiger. Hogshead (hogz'hed), a okshoofd, (hoone), a. hula, wooing, eigen heard; v. Holdcn (hopdul, a. boeroch, lamp, row. —, R. Home to huts; binnen 'a lands. long —, at —, derland. Wilde, rnwe mei* rows kerel, kinkel. —, v. n. (de) laatate woning. —, a. lints.; inheemach; 4101 stoelen, ravotten. duchtig. —, ad. huiswaarts; duchtig, rank, ter Mast (hojst), a. cspheffing, hijsching; broeking suede. —baked, huisbakken. --corn, —bred, in (Pence slag). —, v. a. opheffen, lichten; hijuchen, landsch; aangeboren; eenvoudig. —tuilt, in het ophijsche.n. land gebouwd. —department, department van Holty-t ► lty (ho,ftili-toj-tih), ad. huiterdetult. bInnenlandsche zaken, — driven, goed aangekomen uitgelaten. —, int. wet to drommel I (van eeu' slag). - example, famtlie-voorbeeld. Hold thoold a. vat, greep; houvast; steun; —expression, gepaste uitdrukking. —felt, innig scheepsrniin; bewarin g; hechtenis; sterkte; schazilIlevendigt gevoald. —jest, bijtende acherts. —keepto catch (get, lay, take) — at; hock; ruatpunt. —news, ing, thuiszittend. —made, eigengemaakt. to lay — on, grijpen, aangrijpen, vatten. —back. nieuws van hula; stadsnieuws. —office, mintaterie bcletsel. —fast, houvaat, kram; seek. —, int. van binneulandache zaken. —proof, krachtig behood op heimziek. NI' 8. —reason. gewichtige grond. —sick, Hold (lionld') [held], v. a. houden, hebben; be-, —sickness, heimwee. —speaking, kraehtige tart'. in - , ult. vaathouden; bevatten; 'louden voor; —spun, eigengesponuen, uit de hand geaponnen; ataande 'how:len; weerhoutien; bekleeden (een eenvoudig, lamp, grof. hnisplaats, —water, ambt). — an action, een process voeren-err. —thrust, genadestoot. waterdicht zijn. (back , terug-, aanhouden. (forth) bionic less khoorrtne.), a. zonder Vaderland; sonvoorhouden; aanbieden; voordra,9;en, (in) tegender thniskomen. —liness 1-11-neas), eenvoudig'louden; beteugelen. (oft) afhouden. (on) doorheld, grofheid, ruwheid. —ly, a. eanvoudig, plonip, zetten. (out) uithouden; nitsteken; aanbieden. row. —ward (-wurd), ad. huiswaarts. —ward(up) ophouden; ateunen. —, v. n. op-, stilhoubound, a. near 't vaderland bestemd, op de heden; dares zich staande houden; stand houden; rugreis. watt). (geldig, joist? zijn. — good, — true, ateek e (hom'i - sajd), a. manalag; doodsiager. houden; bewaarheid warden. (back)achterbli,jven, (-sardel), a. moorddadig. standhonden. (forth) preeken, vermauen. (from) Handl e0,Ie —caeca, a. preekend, afatammen; voortapruiten; afhangen; rich weervermanend; onderhoudend. —eties, pl. predik honden. (in) zich bedwingen. (off) afhouden; kunst. —ist `(horan-liat), a. kanselredenaar. —y ont , :cjjken. (on) (Ail houden, voortvaren; aanhou(hom'il-lilt), s. kauselrede. den. (out) dump; volhouden; uithouden. (to) aan- Hominy (horn'in-nib), a. maim-130,j, -pudding. kleven. (up) (Wind boucle(); ophouden. (with) het Ilommock (hom'muk), s. alleenstaande heuvel houden met, aan de zeekust. Hold er (hoold'ur), a. howler; leenberitter.—erlloinceoputh Ic (ho-mi-o-peth'ik), a. hoinceoforth, a. p -reeker; redenaar. —ing, a. pachthoeve; pathisch. —ist (-op'e-thist). a, homceopaath. —y invloed. thih), s. hoinceopathie. Hole {hool), s. gat; hol, kull. Homogene Al (bio-mo-dzji'ni-el). —ass, a. ge(hol'i-dem), a. ooze lieve Yrouw. dons Ilnll lijkaardig. —ity (-dzje-ni'it-tilit, —oneness, a. ge --day, a. heilige lag; feest-,vacantiedag; a. feeslijkaardigheid. a. —nese, telkjk, feest-, vacantie-. — ly, ad. heilig. homologous (ho-moro-gilk), a. evenredig. heiligheid. - nih). s. Zie 1Hlomlny. "Rolla (holne), Iloilo (hol-lo'), int. holla l —, a. homony (hom'un a. gelijkluidend homonym e, v. n. schreeuwen, roepen. geroep. —ass (ho-inon'i-mum), a. gewoord, naamgenoot. Holland (hoPlend), 8. flirt linnen. -a, a. hollandlijkluidend; dubbelzinnig. (ho-monii-mih), s, ache jenever. gelijkluidendheid; dubbelzinnigheid. Holt' tv (hoPlo), a. hol; vaisch. —, a. bolts, hol(boon), a. olieateen. —, v. a. op een' olielighaid; put, greet v. a.nithollen. -, eheeked, Hone steen nanzetten. met bolls wangen. —hearted, geveinsd. —netts, m. tioneut (ou'ist), a. —ly, ad• eerlijk; rechtschapen; holbeid; vfeetzal,, vets. - hen!, zwiipennueder. varkensluis. --pen, 7arkensgtat. —ringer. die varteri , 4 ringt.—'s•beuns,varkensbo , nen. — 's - bread, varkenstirood. --'s-cheek, varkenssnuit. —'s-ear, varkensoor (plant en schelp). — 'a - fennel, wilds venkel. —'s-grease, veuzel. —'s-harslets, varkensomloop. —'s-head, varlrenalcon. —'s-hearing, loos alarm. —'s - mushroom,ganzenclistel. —'s-pud ding, varkensworat. --'s-root, wilde veukel. —'s-akin, varkensteder. —stear, driejarig wild zwijn. —sty, varkenslrot. —wash, drat', spo,

EN A .— EMP. vrij maken. (-pee'ejun), a. bevrijding ; vrijmaking. —tor, s. bcvrijder; vrijmaker. Emarglnate (e-maar'dzji-neet), v. a. ontranden. Emascula te (e-mesikjae•let), a. ontmand.—te (-leet)., v. a. ontmannen. —tion (-lee'sjun), ontmanning; verwijidheid. Embale (em-bee!'), v. a. inpakken. Embalm (ern-baam'), v. a. inbalsemen. —er, a. balsemer. Embank (em-beck'), v. a. iudijken. —ment, a. indijken; dijk, dam. Embar (em boar'), v. a. insluiten; verhinderen. Embargo (em-baaego), s. beelag op schepen. Embark (em baark'), v. a. inschepen; v. n. aan boord gaan. — in an affair, zich met eene zaak inlaten. —ation (-ber-kee'isjun), s. inscheping. Embarrass (em-ber'ress)„ v. a. verlegen maken, belemmsren. -went, a. verlegenheid; belemmering. Embase (em-been'), v. a. alechter maken. Embassador, die Ambassador. Embassy (em'bes-sih), a. gezantsehnp. Embattle (em-bet't1), v. a. in slagordC echeren. —d, a. van schietgaten voorzien; in slagorde geachaard. Embay (em-bee'), v. a. in eene baai;insluiten. Embed (em-bed'), v. a. in een bed (cone bedding) leggen ; bedelven. Embellish (em-bel'lisj), v. a. verfraeien. —ment, a. verfraaiing. Ember (em'bur), a. quater-temper. —day, aschdag. —goose, adventsvogel; noordache duiker. —week, quatertemperweek. —8, a. heete arch. Embezzle (em bez'z1), v. a. toevertrouwde goederen verduiateren (verbraasen). —went, a. outvreemding. —r, a. ontvreemder. Emblaze (em-bleez'), v. a. versieren; - met wapens versieren. Emblazon (em-blee'zn), v. a. met blazoenen achilderen; opziehtig versieren. —er, a. blazoenachilder; versierder; lofapreker. —ry a. (het) wapenschtideren; de afbeeldingenj (op een wapenschild). Emblem (emiblem), a. zinnebeeld. —atic,—atical, a. atically, ad. (-erik), zinnebeeldig. Embody (em-bod'dih), v. a. inlijven. Embolden (em-boold'n), v. a. stout maken. Embolism (em'bo-lizm), a. tuaschenvoeging; inlassching (van tijd). Emboss (em-bos'), v. a. gedreven werk maken, opwerken. --rent, a. hoogte, verhoogiag; gedreven week. Embottle (em-bot't1), v. a. op flesschen tappen, bottelen. Etnbowel (em.bauwq), v. a. ontweien. Embower (em-bauw'r), v. a. in een prieel plantsen; v. n. in een prieel wonen. Embrace (em-brees'), —meat, a. omhelzing, omarmi-ng. —, v. a. omhelzen; bevatten, instuiten; v. n. elkander omhelzen. —r, s. omhelziug. —ry, a. paging om de rechters of gezworenen om te koopen. Embrasure (em-bree'zjoer), a. schietgat; nitstek. Embroca te (em'bro-keet), v. a. betten; inwrij Yen. —tier (-kee'ejun), a, invvrijvinp:.
GEM —GElt. Genes:offal, o. muffling, juggling. Genaok„ o. pouting, Bulking. Geneonepel, o. mumbling, muttering, rumor. senor, o. murmuring, grumbling. Gemara, o. epattering, dirtying, mess. (Aetna, o. chemoie, wild go,tt. —bok, buck of the chamois. Geenutt, o, riot, revolt, rebellion. el amount, be. coined. het — hebben op, to aim at, to mean. Geueurneci, o. inur, mar, purling. G greenest, be. wearing a rap. geed —, in a good humor, disposed, Inclined, willing. kwaliik —, in a bad humor. Gemze leer, o, shammy. —njacht, chamoishunting. —flower, chamois-hunter. Gesael, o. sewing. Genstakbsar, by. accessible. —held, v. accessibility. ansaned, be. named, called. G ensile, v. grace, mercy, favor. op —en ongenade at discretion. door Gods by the grace of God. op — laten drixeen, to leave to the merry of wind and waves. —brief, pardon, reprieve. —brood, charity. —leer, doctrine of grace. —sing, finishing stroke. Genadig. by. & bw. merciful (-ly), gracious (.ly). G en taken, on. w. to approach, to draw near. (lane, vow. yonder, that, the other, the former. doze en —, the one and the other. dezen en —n, come people, many people. teencbse, be. beaked. G eneeren (rich), t. w. to gain one 'a livelihood, (wet) to make shift with; to constrain (to inconveigencei one 'a self. geneer u niet, make youruelf at home. Genesee Weer, be. —Wk, by. curable. —drank, draught, potion. —beer, —hundige, p'eysician, doctor. —kracht, sanative virtue. —tirachtig, medicinal. —kieids„ —kunst, medical art, physic, therapeutics. —kundig, medical. —middel, medicine, physic. —peeler, medicine/. powder. —wijse, method oi cure. Genegen by. inclined, dieposed, favorable, Isvorably disposed. —held, v. inclination , affection. Geneigd, be. Inclined, addicted, attached. —htid, v. inclination, propensity. Genersel, general. —, by. general. de Staten —, the States Genera!. —sehap, o. generalship. Geneirailteltolanden. o. 111.7 . territories longing to the United Provinces in general. Genet, o. genet. Genetagte, v. pleasure, delight. Genoa en, oy, & on a. to cure, to }teal, to recover. —in2,Y, cure, curing, healing, recovery. Genie, o. genius. —, y. engineering. —korpo, corps (body) of engineers. —officier, engineer. —school, military academy (for engineering. Gentep, o. its het —, in secret. —ep, be. hypocritical, sly. —igAeid, v. malice, bypocrisy, slyness. Genies, o. sneezing. Genlet en ov. w. to enjoy, to take. —or, m. anjoyer. —Jag, v. enjoyment, pleasure. Genoeg, bw. enough, sufficiently. —darning,

Kan Bitcoin betalingen worden getraceerd


orint (off► , to imprint; to finish printing; to die- I Afgifte, v. handing over, delivery. e.hsrge, to let off. —eel, o. impress, print, im• AfolUden, on. w. to elide (to glide) down, —off, A follppein, on. w. to slip (to slide) down. pression,imeze. Afdrneinolen, on. w. to drop (to drip, to trickle) Afgod, tn. idol. —endienaar, m. idolater. —endlenaree, idolatress. —endienet, idolatry. —abseld, down. idol. —*printer, pagan priest. —ery, v. idolatry. trinaven, °v. w. to push oft Aid yeol en, on. w. to go astray, to stray, to —leek, by. idolatrous. wander, to err; to deviate (from). —illy, v. wan- Af000ten,ov. w. ens. Zie Afwerpen,enz. Afoorden, or. w. to ungird. Foraying; error, deviation. linintr, rs‘fgrauxo en, or. w. to snarl (to growl) at. Aft , wellen, ov. w. to mo;, . Afewlno en, or. w. to extort—, to wrest (from). Algreven, ov. w. to dig off, to separate (by digging). —er, Fn. exiorter. —ing, v. extortion. Afeisch en, or w. to require, to claim, to exact, Atoronen, ov. w. to graze, to browse, A floreppeten, ov. w. to separate by trenches. reowisition, claim. (rrom). Afgrfjpen, ov. w. to snatch from. Afeten, ov. w. to eat (to nibble) off, to hrowae. AWL' sefljk, bv. & hay. horrible (-bly), horrid Anent*, v. eorrioze. von tie — nemen, to dimount. ( - ly), — selijkkeid, v. horribleness, horridness. Afecove, v. Zie Aroeete,o. Alga on, os. n. to welk off, to measure (by steps); —zen, o. horror, abhorrence; een hebbenvancto on. w. to on , lown, to deoeend; to decoy, to abate, abhor. to dim nisi,. to vanish; to go to stool, — to the Afgrond,m. abyss, precipice, gni f. privy; to po off; to start; to reit; to wear oit Afounst, v. envy, grudge, jealousy. --io, be. & jealous (.1y),—igheid,v, envy, bw. envious (• to tad, to blot; (vat,) to leave; to give up, to jealousy. resign, to deport (to deelvte) from; to chenge; to he token off. (op) to to up to, to rush in upon; to Afbnken. ov. w. to unhook, to unclasp. Afhakken, ov. w. to chop off, t, cut away. het gnat o, to confide in; to one tor. trust to, tent goe of, he 11,11 a ger tett. wry of doinw it. —, 0. Afbollen, ov. w. to fetch down; to fetch, to call for; to strip (to pull) off, to Say; to strip )peahen; going Flo wn,riescendine: decay, decrease, decline; woo.; depa:ture, deviation; going oulnevacuation, eec bed); to pick (boonen); to *trip of. laten to nendfor sitool, declivity. A foonnell. by. on the decline, waning; intermit- Afbandel en, or, & on. w. to conclude, to tertent (van boort.); s lucking (van het tij). mieate; to ;settle, to arrange; to treat of. —lug, Algona, rn. excrements, faeces; sale; ole terrier v. termination; treatise. Albondig, by. iemaad jets — makes, to deprive Afgeton, o. (to rid, to ease) any one of. Airoo5eeenken.hv. disjointed, broken; abrupt. Alban genus, m. & v. dependent, retainer. Afnecionio, dw. finishee, dove for. —gets, or. w. to take down; on. w. to hang Algeiclonbt.bv. oroken; tie Afdanken. down; (van) to depend upon. — gent. be . doping, Afgedavoold, be. stray, gone astray. shelving. —ger. tn. dependent. —kelOk. by. deAfonieefd. hv. decrepit. —heid, v. decrepitude. AfteNerton, by. distant, remote, —heitl,v.distance, pendent. —Itelijklzeid, v. dependence. on. w , to lose the hair. , Afhesreo s. eemotene Afgeloliii, be. Zie Atleiden. —woord. derivative. Arhaspelen, °v. w. to reel (to wind) off. Afgetont, by. wearied out, spent. —heid, v. weed- Albebben, or. w. to have done,— finiohed. A fbeffets, ov. w. to take (to heave) off; to cut. nesn. Afbein en, ov. w. to fence (in), to hedge (about). Aroopnet,bv. squared, adjustod; counted (out). --ing, v. fencing in, enclosure. Afgene hottlene, in. et v. dissenter. Afbe II en. on w. to elope, to incline. —ins, v. Afireeleten, bv. worn oft, -- opt, gone. sloping; slope, declivity. Afnoolloofd, by. Zie Afgenunt. Arceeptorven, he. deceased; dead (irsensible) to. Afbelpen, ov. w. to help down; to deliver —, to relieve (front), to rid —, to cure (of). —e, m. we deceased, dead. Afgetrokken, hr. abstract, distracted. —heid, v. Afhinizen, ov. w. to measure by hopping; on. w. abstrActedne?s,abse , re of mind. to comedown (to descend) hopping. Afhljschen, ov. w. to let down by means of a Afteryttordlooeen, m. deputy, delegate, envoy. pulley. Aloes, al terve m. & v. apostate, renegade. Algol, en, ov. w, to deliver, to hand, to give up; Afbouren, ov. w. to hear, to listen to; to — met, t. w. In have arnine,to overhear, toquestion, to confront. (een wine; etch draw to blot, Afhoud en, c.v. w, to keep off,— back, — from; intercourse with; to meddle with; on. w. to to fend off, to detain, to debar, to withhold; to to stRin, trl one that delivers; drawer. —ing, deduct; on. w. to sheer off, to keep aloof, to keep v. giving (hAtvi(ng) over, delivery. off (the shore). —er, na. detainer; guy. —inp, v. Afoonnnied., by. triteotale, hackneyed, common- keeping off, hinderance; deduction. place. Afhonw en. ov. w. to cut (to chop, to hew) off; Atoennett, to. rnmenger, en,y; tie tlenant. ternand het honfil — , to behead a. o. —er, Afe;oz000derd, bv.retired, solitary; seeretitIons. hewer off. —ing, v. hewing off. Afnioren, on. w. to be cant off, to sheer off. Afgket en, or. w. to pour off, to decant, to cast, Afbniebelen, ov. vr.toobtainbyhypocriry from. o found. —er, m. moulder, caster. ---ing, v. /Winer en. ov. w.to hire (from), --ing, v. Afbnur der, tn. —atm v. hirer. eosting...eel, o coot, copy.
to put one's nose out of joint. -ina, V. building upon, framing. Beting, v. bit. -hop, bit-head. -tap, doubling of the bits. -slag, bitter. Bet Italian, ov. W. to eutitle. to style. Betogen, by. covered, cloudy. !Ketones., on. w. to accent. Betonn en, ov. w. to net up beacons along. -sing en Wakening, buoys and beacons. Betook, o. demonstration. -vend, argument. -tsar, le• demonstrable. -Oaarheid, n. demonstrability. -en, oe, w. to demonetrate, to prove. -ing, v. demonstration. B.toore loiter, be, reetrainable. -en, on. w. Zit Beteugetek, -er, to, bridles. ; checker, restrei net. -ing, v Zie Beteugel Ing. Below's, o. Zie - en, on. W. to shoe -ieg„ v, show, showing; token, mark. Beto,,wer sew, in. -uarater, v. enchanter, enchantress, bewitches., charmer; -en, ov. w. to enchant, to charm, to bewitch; to fascinate. -end, be. en bw. bewitching; charming (-ly), fascinating (-Iy). -ing, v. charming; enchaotment, spell, fascinationBete. wet), ov. w. to rig, to provide with rigging- . Botovergroot inowder, v. great-great-grandmother. -radar, m. great-;treat-grandfather. Betreend, b e. (ail) to tears, tearful. Betracht an, ov. w. to perform, to fulfil, to accomplish, to discharge; to practise. -er, to. performer. -ing, v. perforinaoce, accomplish• anent. ov. W. to grate (up). BetrrDpen, ov. w. to trample upon: to catch. to surprise, take (np. in). op heater dead -, to take in the very act. Betted..., ov. w. to tread (to walk) upon, to enter. to net foot upon OW. Betretren. us. w. to concern, to regard seat betrete, zie Botrtffende. -de, vz. as to,as for, concerning Betrekk etUk, by. bw. relative (-1y); vz. concerning. -en, on. W. to go into, to occupy, to take possession of; to involve; to Mlle; to draw upon; to trick, to cheat, to gull; ou• w. to grow cloudy; - dull. -lag, v. relation; condittoo; lietm, en np, to be re)attve to; wet - tot, with regard (let:peal to Betreur tier, M. WIWI/ter, mourner. -en, on. to IsEhent, to becalm, to deplore, to regret, to mourn at. -enauzardig, by deplorable--into, v, lamenting, deploring. -ster,v. Zie Betreurder. Betrokkeu., by. cloudy; dull, sad; concerned (in). -e, on It v. drawee. Betrouwen, ov. on. to trustoointrudtwIth, to confide; to get, (to acquire) by marriage. Bett en, on. w. to betioe. -ing, v. bathing. BetttIn en, or. w. to declare, to iteeure, to pioteet, to attest, to testify, to chow; dank -, to pay to return) thanks -ing, v. declaration, assurauee, protestation. Bet tveter, m. wlee-acre, pedant. -ij, v. pedantry. Betwkitelesa, on. Yr, to doubt, to question.
121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v

crumble) down; to rush in upon; to relapse, I esvlecht en, ov. w. to interlace, to intertwine. Invliegen, on. w. to fly in, — into. —ing, v. crumbling down; downfall; relapse. lnWilatten, on. w. to flow in, — into. Instonwen, ov. w. to stow to, — into. 'natalMen, or. w. to stroke in, — into; on. w. InvlUen, ov. w. to arrange in. Invioed,m. influence; credit, interest. to sneak into. Insilco,' em, on. w. to flow in, — into; Wes —, Iostrnolon, ov. w. to strew in. to mention, to insert. —ing, v. flowing in, influx. Inetroomen, on. w. to stream in. Invluebten, on. w. to flee in, — into. Instructle, v. instruction, direction. Instrument, o. instrument, tool, engine; writ, Invoego, vw. so that. Invoeg en, ov. w. to add, to insert, to interwriting, deed. —maker, instrument-maker. calate. —leg, v. insertion, intercalation. —eel, Instulven, on. w. to rush (to fly, to bounce) in, o. addition, insertion; clause. — into. linvozr, m. importation, import. —kande!, imInsturen, on„ & on. w. to steer in, — into, port-trade. —recht, import-dury. —der, m. imInettswen, on. w, Zielnstemween. porter; introducer. —en, ov. w. to; import; to Insullen, on. v. to side in.— into. introduce. —ing, v. importation; introduction. Intend en, ov. & on. w. to indent: to catch, Invoig en, ov. w. to follow, to comply with, to tooth (in), —ing, v. indentation; catching. to gratify. —log, v compliance, indulgence. Intappen, or. w, to draw (to pour) in. Inteeken mar, m. —minter, v. subscriber. —en, Invorder ear, m. claimer, dunner. —Dna, by. on. w. to subscribe (op, to). — IVO, list of sub- due, claimable. — en, or. w. to demand, to claim; to gather, to collect. v. demanding. scription. —prije, price of subscription. —ing. a. subscription. Incv laoirnuiw nganco, lolevc. twio.% fold in — inward. Integendoel, vw. on the contrary . Interen, on. w. to spend, to love; on. w. to fret, luvret en. on w. to corrode, to fret, to eat in. — log, v. corrosion. to waste away, to be consumed, to diminish; to Invuli en, or. w. to fill up ; to insert, —tag, v. be in a declining; way in one 's affairs. Interest, m. interest. op — eetten, to put out at filling up ; insertion ; —slap, intercalary day. Inwaaien, ov. & on. w. to blow In, — into. interest. — op—, interest upon interest. Inwsturts, bw. inward, inwardly. —eh, hr. Intougel en , ov. w. die Nato omen. Inward. IntUds,bw. in (due) titre, timely. Inursteha en, ov. w. to welt for, to expect. Intillen, ov. w. to lift in, — into. —ing, v. waiting (for), expectation. Into/Alit, m. entrance, entry. Intoom an. on. w. to bridle, curb, to restrain. Inwarm, bv. very warm. Inwes3en, on. w. to grow in. —leg, v. bridling, curbing-, restraining Iv:waiter en, on. w. to be penetrated by water. Intotweren, or. w. to get in by witchcraft. to soak (to leak) through. --fog, v. soaking Intrappen, or. w. to break by treading (tram(leaking) through. pling) upon, Hatred a, v. entrance, entry; beginning. —en, Inweelksi, o. woof ; parenthesis. ov. w. to break by treading upon; on. w. to lnweeken, ov„ w. to soak. In wendlg, by. & bw. interior (-1y)„ internal (-Iy), enter; to begin. 'nitres', v. die Intrede. —Oiljef,—kaartje, ticket. inward (-Iy). —e, o, interior. Inswentei en, ov. w. to roll in, into, to involve. —prOs, entrance-money. lntrek, m. muching in; lodging. zijn semen, —ing, v. rolling in, involution. to put up (at). —ken, ov. w. to draw (to pun) InweTK en, on. w. to get (to work) in, — into. —lag, v. working in ; influence. in, — into; to involve (in); to Imbibe; to contract, to narrow; to revoke, to retract, to Inwerp en, or. w. to throw (to cast) in. — into; to break by throwing against ; to object. —kg, repeal, on. w. to march in, — Into, to enter; v. throwing in;• breaking; objection. —eel, 0. to shrink. —king, v. pulling in; imbibition; revwhat is thrown in; objection. ocation, retractation. Invitee, en, ov. w. to weave in, to interweave; Intulsorelen, on. w. to tumble in, — into. to insert. —ing, v. interweaving ; insertion. Intuesehen, hv. meanwhile. Inwkid en, ov. w. to inaugurate, to consecrate; Inveart, v. entrance. Invel. in. falling in, fall; irruption, inroad, to initiate. —ing. v. inauguration, consecration; Initiation ; —srede, inaugural epineh. invasion; thought, sally of wit, fancy, conceit. —fen, on. w. to fat! in; to rush in, to invade, Inwkik, v. inlet, creek, hithe, bay. —en, on, w. to bend inward ; to take shelter in. —lag, V. to make an inroad; to crumble down; to join; bending inward; retreating inwards. to fade, to rink, to occur to one 'a mind. Inveren, ov. w. to overtake; on. w. to sail in, Inwikkel en, on. w. to wrap up ; to involve; to entangle. --ing. v. wrapping up ; Involution, — into, to enter. involving ; entangling. Invaten, on. w. die Inkutpon, Inwfillig en, ov. w. to consent to, to acquiesce Invetten, on. w. to set, to enthuse. is ; to indulge with ; to grant. —ing, v. consent, Invegen, ov. w. to sweep in, — into. acquiescence, indulgence. Inventerls, m. inventory, list. —eeren, or. & Inwind en or. w. to wind (to wrap) up, to on. w. to inventory; to take an inventory. envelop. —leg, v. winding (wrapping) np, envelInvijlen, on. w. to file iu. opment. —eel, o. cover, envelope. Inviammen, ov. w. to damask, to damaskeen.

Wat is het punt van cryptogeld


453 (11313...GED. Gebeider,o thunder, roaring.) Geboomte, o. trees. 6 elan I k, o. braying, bray. Geboorte, v. birth, nativity; ectraction, descent; quality. good family; beginning, origin. van —, Gebartu, o. my. geatores, gesticulation. waken, to make gestures, to gesticulate. —kunst, by birth. —aide, certificate of birth. —dog, birthmimic art, mimics. —spa, gesticulation, mimday. —grand. --land, native country,— soil.--jaar, icry, pantomime. --spraak, conversation by gest year of birth. —plants, birth-place. —recht, birthurea, pantomime. right. —register, register of births; pedigree. Gadhne, o. barking, yelping. —atad, native town. —tier, constellation, natal Gebe,d, o. prayer. — des lberen, (the) Lord'a star, apheta. —stand, hour of birth, natal hour. prayer. een does, to soy a prayer. —enboek, —trots, family-pride. —vile*, chariot. prayer-book. GebooPtIg, by. born, native, descended. Gebedel, o. begging, beggary. Geboren, by. born. Gehestf, o. trembling, 'shaking, Quaking. Geborrel, o. bubbling. Gebeeud, by, legged, boned, having banes. Gelsorst, bv. full-breasted, bosomed. Gobeente, o. bones. Gebors,tel,o. brushing; scuffling, fighting. Siebert, by. having a band on. Gebouw, o. building, edifice. G ebeter, a, chimes chimingGebramd, 0. roast, roast meat. Geiacikt, by. mouthed, beaked, having atmouth, tiebrabbel, o. confused talk, gibberish. — a bill: goed — zijn, to have one's toughs well Gebral, o. braggardism. oiled, to have the gift of the gab. G &hinter, o. banqueting, feasting, revelry. Gebel, o. ringing. Gebrek, o. want, lack; indigence.penury; defect, Gabolgel, be. angry, offended, (at). —heid, v. deficiency, fault, imperfection. — (tides, to suffer anger, displettenre. want, to be in indigence. —hebben (inn, to be in (labengel, o, ringing. want of. in —e blUren, to neglect, to fail. 60 ifilebermtc, o. (chain of) mounteins. e ran, in default of, for want of. —kelkik, by. Gebeten, by. — eijn op, to have a pique at, to & bw. infirm (•ly), disabled, crippled. —kelOkheid, be piqued against. v. infirmity, cripplenesa. —kig, bv. & bw. defectG obeli k, a. beating, time ping,drubbin g. ive (ely), faulty ( ily), imperfect (-ly). —kigheid, G ebony en. on. w. to happen, to occur, so come v. defectiveness, faultiness, impez fection. to pass, to befall. —/Ijk, bv. what may happen, Gebrielieb, o. neighing, roaring. possible. Gebroddell, o. bungling. v. possibility. —tenie, event, occurence. (imbrued, o. brood; breed,race. Gebroetier lingen, m. & yr. mv. first cousins, Gebenzel, o. trifling. cousins german. —a, m. mv. brothers. —eatep, v. Gebled, o. government, reign, rule, sway, combrothereood. mand. authority; dominions, territory, jurledictine; sphere, region, realm, field, rouge. — voeren, Gebroekt, hr. bresehed, wearing breeches. to rule, to bear sway. —en, ov.. & on w. to Gebroken, by. broken; having a hernia. o. commend, to direct, to bid, to order. —end, by. fraction. & bw. imperious ( - 1y), imperative ( - 1y). — rode- Gobrons, o, grumbling, humming, buzzing. wijs, imperative (mood). ---enis, v. compliments, (iebru'. o. trouble, bustle, stir, hurry. respect. —er, m• commander, ruler, governor, Gebrnik, a. use, employment; practice; custom, lord. —s/er, v, commandress, ruler, governess, dsance, mode, ceremony. — waken ran, to make lady, inietress. use of, to avail one 'e self of. —making, emGebUt o. biting, snapping. ploying, using. —elijk, by. usual, customary, o. sharpening, chopping off. common, frequent. —81(jkkeid, 7. usualness, cueGmblint, o. entablature, frame - work. tomarinees, commonness; frequency. —en, or. w. o. teeth, net of teeth, bit. to use, to employ, to make use of, to take. —er, GebUtee, o. blowing, puffing, hinting. m. —After, v. user, eliployer. Gelb/Art/tit, o. bleating. ehrule, o. roaring, foaming. Gmbladerte, o. foliage, leaves. Gebrul, o. roaring, bellowing. Geblinf, o. harking. Gebuider, o. thunder, roar, blt.ater. —ken, o. twinkling, glance. Gebulk, a. bellowing. GeblInk,o. shining, glistering. GO:salt, by. Zie Gebocheld. taesblioeusti,by, flowered, flowery, florid. (4 ebony, m. neighbor. —schap, v, neighborhood. Gebioemite, o. flowers. Gerklier, o. ciphering. Gebocheid, by. hump-backed. —e, m. & yr. Gedeangde,m. & v. defendant, hemp back, hunch-back. Godann, dw. done. finished. het it met beta —, Gebod. o. commandment, order, decree. it is all over with hint. gedane zaken hebben gees G mboef e, o. mob, rabble, roam. Seer, what is done cannot be undone. Geboegd, by. having a prow. Gednante, v. shape, form, appearance, aspect, Geboert, o. joking, jesting. figure, face. —veranderiog, —verwisseling, transGabon's, o. sounding; toll, tolling. formation, tratisfiguration, metamorphosis. Gmbombani, o. ding-dong, toll, tolling. Gedaebt, by. abo•e-said, above mentioned. Gebonden, by- bound; thick, well-mated; con- Gmdrachte, v. thought, idea, conception; 'minion, nected, syncopated; compact, concise. consideration; intention. in --te ass, to be ab• Gibbons, a, bouncing. tales pane oter, to sorbed in thoughts. sijne
Fit--FLA.. ad. vast, bepaald, bent endig. —ed stars., vatte ster. eerstelingen. —rate, van den oersten rang; —Nits, rep. —edness, s. vastheid. —tore wiseels van de eerste huizen. —ling, a. eerste(-tjoer , , a. opbkervast huisraad. —tire ling. —ly, ad. in de eerste pinnate. s. stelling, vaetheid. (lick'), s. flscus, schatkist. —al, a: de schatitiot betreffend, flacaal; R. staatsiukomsten, Fizz (fiz), v. n. siesen. s. champagne, voetzoeker, mislukte onderneming. sebatmeester. loess (fleb'bi•ness), s. slapheld, weekFlab (flar), n. visch; won of schaal van een' Plabb held. —ily, ad. —y, a. slap, week. mast of eene ra; toestel om het anker to kippen. (fleh'il), a. Hat v., egwaaiend. —bone, grant. —fag, visch,ijf„ § flake, horde om visch to drogen). —garth, vivchweer. —gig, Flaccid (flek'sid), a. slap. —its (-sid'it-tib), —ness a. elapte. —spear, tiger, harpoon. —glue, vischltico. —hook, the —, vischhaak; penterhaak. —m.onger, ntschkooprr. Flag (flag'), s. viag; lisch; eetrik. to hoist de ulcg hij3ehen. to lower the —, vlag strij—oil, train. —pond, vischvijver. —range, vischwhite —, vredevlag, wine vlag. plants. —room, bergplaats soar visch. —tackle, ken, — of truce, numeral— —broom, nommervlat;, kiptakel. —trowel, vischlepel. —wife, —woman, red—, bloedvlag. berkenbezem, vioerbezem. —feather, slagveder. vischvrouw. —officer, vlagofficier, —ship, vlaggeachip. —staff, Fish (flay), v. a. & n. viocehen (for); uitvorv]aggcitek. —union, bez4aneviag. —worm, regenschen (out); kippen (een anken; wangen (ten' worm. —, v. a. slop does hangen; met estriken mast),—crot. —erman,vissehea, --erboa,visschersbevloeren; v. n. slap hangout verslappen; moeboot. —ertozon, visschersstad. —ery deloos worden. visscherij, visehvangst. —ful, a. vischrijk. n. geeselbroeder. —fe v. a. in visch veranderen. —like, a. vischach- Flagella nt (fled'zjel-lent), (-leet), v. a. geeaelen. —tion(-lee'ejun),s.geeseling. tig. —y, a. vinebachtig; visehrijk. Flageettet (fiedzro-let), a. Fishing (fIsrieng), s. visehvangst. —hoot, vischa. boot. —fly, kunstvlieg (om to vissehen). —frog, Flagg iness'ateg'gt-neas). alapheid. —ing, alaphangend, —y, a. vol vlaggen; slap, mat; padvisch. —gear, vischtuig. —hawk, vischarend. flame. —rod, —line. hengelsnoer. vischplaats. Flogitioun (lie-dzjisruel, , a. —ly, ad. schandehengelroede. Fissil e (tis'ail); a. kleofbaar, splijtbaar. —its lijk, snood. —sees, s. anoodheid. Flagon (fleg'un), R. flacon, karat. (-eil'it-tihl, s. kloofbasrheid. Waking, hitte; Fissiped (fis'ol-ped), R. met gescheiden teenen. Ftagrait cy (flee'gren-sih), a.onbesehaamdbeid. openbsarheid ; schreeuwende F!vsure (liarr:ter), s. spleet, kloof. —. v. a. splij—t, R. —tip, ad. blakend, heet; wereldkundig; ten, klooven. sehreenwend, Fist (fist') s. vuist. v. a. inet de vuist plasm (11 , ,e1), s. dorsehvlegel. (grijpen). —eel, a. met vuisten. close—cd, vast- Flail conk; Mag. —of houdend, gierig. —icuffs (-1-knfs), s. vuistsla- Flake (UAW), a. vlok; sthilfer; ice, ijsschol. — of snow, aneenwvink. —white, gen. —inut (i-nut), s. pistadle, pimpernoot. leodwi'. —, v. a. doen schilferen (vlokken); v. rt. R. stork van vuisten, pootig. 1G'ls'twl is (fist'joe-le), e. pop, buis; lintel. —ar schilferen, vlokklg warden. (der), —ary (-1e•rih), a. hnisachtig, hol; cone Flaky (ftee'kih), s. vlokkig, schilforachtig. Fitness (fleet), s. Bops, praatje.—, v. a. bedotten, lintel betreffend. —ous, a. flstelachtig. misleiden. Fit (tit). a. stuip;v1aag; aanval. bg —s and bvj girds, Flambeau (flenfbo), s, toorts, fakkel. met horten en stoeten. Fit (fit'), a. —ly, ad. geschikt, voegend, pasaend. Flame (fleet/0), s. vlam, hartstoeht.met vlainmen• kleur. —colored, lie geol. —eyed, (for). —, v. a. gesnhikt fdienstig; voegend; pas) den bilk. v, n. vlammen, blaken (out, info) mz.ken (for. to). (out) uitrusten. (to) riehten near, nitbarsten in. (up) in crde brengen. (with) voorzien van. —, (fieeimin), s. priester (bij de Romeinenl. Flamen v. n. passen; voegen, betarnen. Flaming (flee'mleng), a. —ly, ad. vlammerd, Fitch (ita)), s. wikke. sehitterend. Fitch at (fit'tsjet), —ew (-tsjoe), is. hulloing. Fit furl (fit'foell, a met vlaggen,afwisselend,—ness. Flammability (flem. me -billt-tih), s. ontvlatobaarheid. s. geschiktheld. gepas , beid. —ter. s. uitruster; —ateon Pasmaker; brokje; coal—, kolenmakelaar. —tiny, Flamm able (flem'mibil, R. OPAVIRMbRaT. —coon (-mee'sjun), s. (hot) (Then ontvlammen. s. pasmaking; uitrusting. —tingly, ad. behoorvlammig,svlamachtig. —iferous (-mit' . lk, gesehikt. ur-ea), a. vlamvoortbrengend. —iromous (-miv'oFite (flt..) H. (bij eigennamen)., (natuurlijke) mush A. vlammenbrakend. noon. Fitzroy, s. de zoon des konings. i Five (fajv'), a. AV. —fold, a. vijfvoudig. --leaved- Flamy (flee'mill), a. vlammig, vlammend. v a. s. zijde, flank; ribbestuk. Flank grass, vijfitingerkruid. in de think a alien (dekken); bsstrijken, v. n. be• Fives (fajvz), s, zwikken balspel; keeldroes. s. flankwork; flarkeur. lenden (on). § Fix (flks), a. vertegenheid, klem. Fix (fiks), v. a. vestigen; vastmaken (to); vaststel- Flannel (lien-nil), G. flanel. len; v. n. zieh vestigen, vast worden; kiezen. Flap (OlAP), s. lapje; lelletje; klepje; pand,' slip; rand (van eel,' hoed, enz.); oor (van een sehoen); besluiten tot (on. upon). —able, A. vestighaar, vastklap, pink, slag. —dragon, zeker spel. —eared. stelbaar. —ation (-ee'sjun), s. vaststel ling, vastmet 1111,1,9:00reii —jack , appelkoek. —mouthed, wonting; vaste woonplaats. --eel (-id), a. -.edly.
ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111.

Waarom doet Bitcoin zo lang om te bevestigen

×