brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

Wat in aanmerking komt voor een 1031-uitwisseling


Breech (brietej), s. achterate. v. a. in de Brinded (brin'did), a. gestreept, bout. broek steken; voor de broek geven.—es, a. broek. Brindle (brin'd1), a. bontheid. —11, a. gespikkeld, Breed (bried), s. ras, broedsel. bunt. Breed (bried) [bred], v. a. voortbrengen, teleu; Brine (brajn), a. pekel, zilt water, brem. the uitbroeien; opvoeden; iokken. — ill blood, foaming —, de schuimende zee. —pit, zoutwakwaad blued zetten. v. n. jongen werpen; terput. —, v. a. in de pekel leggen. opgroeien. a. fokker. —ing, s. opvoeding; Bring (bring) [brought, (brunt)], v. a. brengen, gebeschaafdlieid. leiden. (about) te weeg brengen. (down) verminBreeze (briez), s. koeltje; weep, brema. —, v. n. deren, verzwakken; vernederen. (down to) doen a. stil. Breezy, a. met —less, zacht waaieu. overeenkomen met. (forth) voortbrengen; verkoeltjes. toouen. (in) leveren; aanvoeren; bedwingen; geBret (bret), s. zeeschol. leiden. — in guilty, schuldig verklaren. ton) can Brethren (bretieren), a. broederen. den gang helpen. (over to) overhalen tot. (out Brevia ry (brie'vje-rihl, s. uittreksel; getijboek. of I helpen uit. (to) bijdrafuen. (up) opvoeden; in-te (-vi-et), a. uittreksel, —te (-vi-eet), v. a. voeren; voor anker leggen. — an action against, verkorten. —titre (-tjoer), a. verkorting, een proces aandoen. — word, bericht brengen. Brevier Ibre-rier'1, a. zekere drukletter. —er, a. brenger. Brevity Ibrev'it-till), s. kortheid. Marin hal braju'isp, —y, a. pekelachtig, tout. Brew (broe), a. brouwsel. —, v. a. & n. brouwen. Brink (brink), a. kant, rand. —age, a. brouwsel. —er, s. brouwer. —ery, s. Brisk (brisk•, a. —ly, ad. levendig, wakker, krach. —house, brouwerij. —ing, a. brouwsel. tig. —, v. a. verlevendigen, aanvureni Briar, ale Brier. s. levendigheid. Bribe (brajb), a. omkooping; steekpenning. —, Brisket tbrif.lr'it), a. borat van ern dier. v, a. omkoopen. —r, a. oinkooper. —ry. a. om- Bristle (bris'1), a. borate!. —, v. it. van bursitis kooping. voorzien; v. n. als borstels overeind staan, —d, Brick (brik), a. baksteen; broodje; vent. —, v. a. Bristly (bris'lih), a. borstelig. met bakateenen houwen. —bat, emir baksteen. Brittle Ibriet1), a. broos. —ness, a. broosheid‘ —built, van baksteen. —dust, steengruis. —kiln, Brine ibrajz), a. paardenvlicg. steenoven. —layer, metselaar. —maker, ateenbak- Broach (brO0t8j), a. spit. —, v. a. aan het spit ker. —wall, steenen muur. —work, inetse1w erk• steken; een vat opateken; te berde brengen. to — Brick In (brik'kl), § —ley (-11h), a. broos, breek- a lie, eene leogen emeden. (up) bijdraaten. —er, boar. a. to berde brenger, uitvinder; bracdspit. Brickol (brik'oll., s. terugsprong van cell': bal. Broad (bread), R. —ly, ad. breed, svijd; grof, —, v. a. & n. door terngstoot raken. plat. —awake, klaar wakker. —axe, etrijdbijl. Bridal (braj'del), a. bruiloft. —, a. tot eene —breasted, breed van borst. —brimmed,breed van bruiloit bel,00rend. rand. —cloth, iijn laken. —day-light, klaarlichte Bride (brajd), a. bruid, —bed, beuidsbed, —cake, dug. —eyed, scherphichtig. —faced, onbeschaaand. bruidekoelf. —chamber, bruidkawer. —greens, —seal, grout zegel. —side, batterijzijdc; voile bruidegom. bruidsjuffer.—man, leijonker. lung; in piano. —sword, slagzwaard. —wise, in —well, tuchthuis. de breedte. —ness, a. breedte. —en, v. a. breed Bridge (bridzj), a. brug; vioolkarn. —, v. a. eene makes; v. n. breed warden. brut; leggen. Brocade (bro-keed'), s. goudlaken. —d, a. geBridle (brardll, a. Loom, teuget. —, v. a. optoo- borduurd. men; beteugelen; v. n. bet hoofd ophouden. Broccoli Ibrok'ko-li), s. spruitkool. Brief (brief), a. opstel: uittreksel, concept; last- Brock (brok), a. dee. a. —ly, ad, be Brocket (brok'it), a. tweejarig Inert. brief; bundel processtukken. knopt, kurt. —ness, s. kortheid. IBrogue(broog),s. houten schoen; platteuitspraak. Brier (braj'or), a. doornetruik. sweet —, eglan- Broil (broji), a. rumoer, twist. —, v. A. & n. tierbezienstruik. to be in —a, in de knoei zijn. roosters. —er, a. rooster; krakeeler. —y, a. doornhaag; a. doornig• Broke (brook), v. u. niakelaardij drkiven. —r, Brig (brig), a. bruit; brik. a. makelaar. —rage, a. makelaardij; courtage. Brigade (bri-geed"), a. brigade. Broken (brookn), part. footed, lam van voeteu. Brigadier (brig-e-dier , ), a. brigadier. —general, —hearted, troostelous, kortademig.—/y, b rigade.generaal. ad. bki sloshes. Briton d (brig'end), a. struikroover. —dupe, a. Bronze (bras), a. brans. —, v. a. bronzes. struikrooverij. —tine (-tajn), s. brigantijn. Brooch (brootej), a. borstspeld. v. a. met Bright (braji), a. —1y, ad. helder, glinsterend; juweelen verger.. glansrijk. —en, v. a. polijsten; v. n. ophelderen. Brood (broed), s. broedsel, krooet. —, v. a. —seas, a. glans, mister. broeien; tot rijpheid brengen; v. n. uitbroeien; Brillian cy (brirjen-sih), a. glans, gloed. —t, peinzen (over). —y, a. broeiach. a. glanzend. —t, a. dfamant. Brook (brook), s. beak. —let (-lit), a. beekje.—, Brim (brim), a. rand, board, karat. —, v. a. tot a. verdragen, dulden. den rand vullen; v. n. boordevol zijn. —ful, a. Broosn (broem), a. hei, brem; bozem. bourdevol. —bier, s. voile roenier. heig rend. —maker, bezernmaker. —rape, metrBriniston es tlaiiin'stoonk s. zwavel. —ed, a. ge- kruid. — stick, bezenistok. —, v, a. echrobbein. a. z ♦ avelachtig. zwaveld. —y, a. v 01 hei.
Rhetoric (ret'ur-ik), s. redekunst. —al, a. —ally, ad. (re- tor'iki-), redekunstig. —ian(-ierett), a. leeraar in de redekunet; redenaar. Rheum (roeml, a. verkoudheid, zinking. —atic, (-et'ik), a. rheumatisch, zinking atism (-e-tizm), a. rheumatiek, —y, a. zinkingachtig. Rhino (raj'no),I. geld, splint. —ceres (-nos'e-ros), s. neushoren, rhinoceros. Rhouib frumbl, a. rust. —ic, a. ruitvormig. —oid (-0 d), s. langwerpige rait. —oidal (-ojd'el), a. langwerpig. Rhubarb (roe'baarb), a. rabarber. Rhumb (rumb'), a. windstreek. —card, kompasraoa. —lire, dwarskoera. Rhime (rajrn'), s. rijm. —, v. a. berijmen; v. n. rumen. —r, s. rijmelaar, Ajmer. Rhythm (rithrn'), a. maatklank, rhythmus. —ical. a. klankmatig; welluidend. Rib (rib'), s. rib. —grass, —wort, weegbree. —roatt, afrossen. —wall, vak. deel. v. a, geribd maken; van ribber'. voorzien. Ribald (rib'eld), a. liederltjk. a. liederltk menach. —ry, a. liederlijkheid. Riband (rib end), a. acheergang. Zie Ribbon. Ribbed(ribd), a. geribd. Ribbon (rib'bn), a. lint. —grass, lintgaas. —laver, watte. —snake, lintslang. —trade, handel in garen en lint. --weaver, lintwever. v. a. met linten versieren. Rica (raja"), s. rust; haspel. —bird, —beating, rijstvogel. —cowry, hazelnoot. —flower, rijatemeel. —mill, rijstmolen. —paper, rtjetpapier. Rich (Men, a. —ly, ad. rkik; koeteltk, prachtig; vet. —es (-1z), pl. rijkdom; pracht. —nese, a. rijkheid- kosthaarbeld, pracht, overvloed, vruchtbaarheld, kraeht, lekkerheid. Rich (elk'), a. hoop; opper, 'att. —eta (-its), pl. mgelsche ziekte. —ety (It -tih), a. met de engelache ziekte behebt; kromgegraeid; waggelend. Ricture (rik'tjoer), a. apleet, aeheur. Rid (rid), a. bevrijd, ontslagen. to get —of, ontslagen worden van! zich onidoen van. Rid (rid') [rid], v. a. (from. of) bevrijden, oatdoen; opruimen; wegjsgen. —dance (-dens), a. bevrij ding; opruiming. Riddl a (rid'd1), a. raadsel; grove zest —e, v. a. ontraadaelen; ziften; v. n. raadselachtig apreken. —er, e. raadselachtlg spreker. ingly, ad. rands elachtig. Ride (raid), a. kit, rijtoertje; rijweg. Ride (rajd') [rode. ridden (rid'dn)], v. a. bertjden; willekeurig behandelen; v. n. rijden; rustem, leanen, (on. upon), — at anchor„ voor anker liggen. —at the roads, op de reede liggen. (about) rondrtden. (by) voorbijrijden. (down) omverrijden, overrijden. —r, s. ruder, ruiter; pikeur;
CLI —MIA. Ceinture (sere-tjoer), s. ciseleerkunst. Celebrnt e (sere-breet), v. a. ,ieren, loven. —ed, a. beroemd. —ion (-bree'sjun), a. viering. Celebrity (seleb'ri-tih), a. beroemdheid. Celerity (se-ler'it•tih), a. anelbeid. Celery (sere-1.th). a. selderij. Celestial (se-lest'jel), a. hemelling. —, a. —ly, ad. hemelsch. Celestine (seres- tin), a. celestijner monnik; fijne blauwe bergatof. Celib any (seri-be sih), a. ongehuwde stoat. —ate (-bet), s. ongehuwde stoat; vrijgezel. Cell (sell, a. cel, kamertje. Cellar (seller), a. bolder. —age, s. kelderhuur. —et, a. likeurkeldertje. —ist, a. keldermecater. Cellular (serljoe-ler), a. celvormig; uit cellen bestaande. Celsitude (sel'si-tjoed), s. hoogte. Cement (sem'ent), a. balk; band. Cement (se-ment'), v. a. verbinden; v. n. samenhangen. —ation (sern-en-tee'sjun), s. cementee. ring; hechtmaking. —er, a. bouwer; verbinder. Cemetery (sem'e-ter.ih), a, begraafplaats. Cenobite (sen'o-bajt), a. kloosterling. Cenotaph isen'o-tef), a. praalgraf. Cense (lens'), v. a. bewierooken. —r, a. wierookvat. Censor (sen'mur), a. censor, zedemeester.'—ship, a. censorambt. Censor' al (sen-so'ri-el), —ous, a. —ously, ad, berispend, atreng. —ausness, 8. berispzucht. Censur able (sen'sjoe-ribl), a. —ably, ad. berispelijk. —ableness, a. beriapelijkheid. —e (sen' ajoer(, a. beoordeeling; berisping. —e(sen'sjoer), v. a. beoordeelen, berispen; v. n. oordeelen. —er, a. beriaper. Census (sen's.), s. volkstelliug. Cent (sent'), s. honderd; cent. per —, ten tonderd. —age, a. schatting ten honderd. Centaur (aengaor), a. paardmensch. Centnury (sen-tao.rib), s. duizendguldenkruid. Centen arian (men-te-nee'ri-en), a. honderdjarigs. —ary (sen'te-ne-rih), s. honderdtal. —nia/ (sen-ten'ni-el), a. honderdjarig. Centesimal (sen-terei-met), a. honderdste. Centi follows (sen-ti•foli. us), a. duizendbladig. —nody (sen-tin'ud-dih), a. duizendknoop. —ped (sengi-ped), a. duizendpoot. Cento (aen'to), saneengelapte verzen. Central (sen'trel), a. —ly, ad. middelpuntig. Centre (sen'tr), a. middelpunt. v. a. & n. ook Centralize, in het middelpunt stellen, an. (in, in. on, op) zich vereenigen. Centric (sengrik), —a/, a. middelpuntig. Contri fugal (sen-trirjoe-gel), a. middelpuntvliedend. —petal (sen-trip'i-tel), a. middelpuntzoekend. Centupi e (aen'tjoepl), a. honderdvoudig. —icate (sen-tjoe'pli-keet), v. a. verhonderdvoudtgen. Centurion (aen-tjoe'ri-un), a. hoofdman over honderd. Century (sent'joe-rth), a. seam. Cephalic (se•ferik), a. het hoofd betreffend. Cerate (si'ret), s. waszalf. —d (-reet-id), a. met was bestreken. Cere Otter'), v. P. WV —dlotit,-

Kun je stelen Bitcoin


Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.

Kun je af te schrijven bitcoin verliezen


don’t use coinbase. They held my funds and I couldn’t use my bitcoins until their value dropped by 1/4. this company is awful. I verified my ID, bank account, email, and everything and they lied and said initially it takes 3-4 days for funds to be available. once the bought the bitcoin they said it will take one week. and that is still a lie because after one week the funds are NOT available. liars !!!!

Is het legaal om de mijne voor Bitcoins


I vuuraanbidder. I Fir a (faje), v. a. afvuren; afateken; in branasteken, aanvuren , aanhitsen (with). —, v- n. vuren, losbranden, (at, upon;. --er, s. afvuurder; brandstiehter. —ing, s. brandstof; (het) vuren; — iron, (fajn'), a. —ly, ad. lijn; seherp; ruiner; fielder; school', fraai; iteurig, net; praehtig,1 brandijzer (der boefsmeden). pronkerig; alien. — fingered, net ikunsiig)bewerkt. Firk (lurk), s. slag, klap. —, v. a. elaan, kas.—shaped,schoon gevormd. —spoken,welbespraakt; tijden. s. tijn- Firkin (fur'kin)„ a. kinnetje; vaatje. manzaarn. -spun, slim .erlegd. held; fraaiheid; loce,heid. —, v. a. vezfijnen, :Firm (furm), a. firma. Firma (fares'), a. --ly, ad. vast, heciata standvaszuiveren, lonteren. tie. ; vastberaden. --, v. a. vaststellen; beveatiFiitetiruw Liar.] v, a. uiteren (laken); gen. s. vastheid, heehtheid, standvasmecca. --er, a. lakenstoppe,; mazer. ; tigheid. Finer (fain'url, s. smelter, 'outer., Finery 9,fajn'ur-rth), s.pronkarij, opsebik; smelt- Firmament (fueme-ment), s. uitspar.sel. —at (-rnent'el), a. hemelsch. oven. First (burst'),ti.eerste,voursterroegste.—,adeeerst, Finesse (tfTes'), s. loosheid; list. ten eeetate. at —, aauvankolijk. —begotten, —born, Villager (fing'gur), a. vinger. to hare a' thing at —bousd,, a. cerstgeboren; a. eermtgeborene. --cost, inone's — s'end, tete. op zijn duimpie keowprn,. —cousin, voile neer nicht). —fruits, eteeravarert. man.a! )Utz cane vittol). reedschap.


Servileut (suevi-ent), a. ondergeechikt. Seri el el (sPkwil), R. vervolg; gevolg. a. --ely, ad. slaafsch; kruipend, Servil e (-kwens), 8. volgorde; reeks. — ent, a. volgend. 8. slaafechheid, 'nag. — eness, — it?/ Segues ter (se-kwes'tur), --trate (-treet), v. a. el- laagheid. zonderen; ter zijde leggen, verwilderen; in heslag /Amen; v. n. zich terugtrek ken, — trable( - tribl), a. Servitng leurvIeng), a. bet dienen. —maid, Menet. maid. — man, dienstknecht. at te zonderen; in bewaring te stellen; in bealag te neaten. — tration (tiek-we.etree , sjun),s. afzon- Servit or (.suevi-tur), e. dienaar, b,liende; famull., arm student; •— of bills, gerechtsdieraar. dering; inbealognemine. — trator (sek'we•ittree- — orship, e. dienaarechap. —uric (-tjoed), a. dienettur), m.beslaglegger. baerheid, slavernij. Seraglio (se-rerjo), a. serail. See apits (mer'ef), a. serer. —ic, —ice/ (re-rent-) a: , Sega e (see'e-mih), s. sesamkruitd. Seetitt I altar (acs-kett-aoPtur), — attend.. a. All • eneelacheig; rein. derholfmaal .o grnot. —pedal (-k wip'e-del), Sere (user), a. drooge, dor. —, a. klauw. — pedalian (-pe-dee'd-en), P. anderhalf voet lane. Serenade (err e•tt , ed'), s. avon(inauziek, sere- Seeslie Isea's(1), a. zittend; zonder etengel. nade. —, v. a. & n. erne serenade geven. zatinA'; reehtedag. Siren zE (se.rien'), a. — ely, ad. holder, klaat; S63,81011 kalm, bettoard; doorluchtig. — e, v. a opbeuren. Set (set), a. vast, bepaald, geregeld; genet; on — a. Mel; purpose, opzettelijk, met voordacht. eeruetotellen. — eness, — it;;, t-realt-tito, s. vervies; span; reeks, ti,j; troep; partij; apel; inlet; kalmte, liedaardhet , l; doorluehtigheld. ondergang; loot; plantsoen; concert. Serf (surf'', a. lijfeieene. — age, a. lijfeige.nechap. Set (set') [set], v. a. zetten, ;.lassoes, stellen; Serge teurdej), a. eerete. vastetellen„ bepalen; schatten; regelere seitikken, Sergeant (easedzjent), 8. gerechtstlienaer; see- richten; invattea, aanzetteat; aanbieden; planten, jant. — at arms, roededrege, — at law, doctor poles. — one's hand to, onderseekenen; begtnnen. in de recht , a. — ship, e. serjaetschap. — the teeth, knareetanden. — at ease, geruetSeri al IsPri.e1), a. & a. tot eene eerie hehoorend stellen. — to work, werk verachAff-n. (abroad) Igeschrift). — es ( - 1e7.1, a. reek;, serie. beteed maken. (against) tegenstellen; opzettett Serleloua (ee-risj'uie, R. zijdeaehtig. tegen. (at) ophitsen tegen. (by) ter zijcle atelien; tig; stemmig; , Serious ;si'ri-ue), a. — 1y, ad. ern werk rn okra van; aehten. (down) neer-, alzetten; gewichtig. — mess, a. ernst; sternmigheld; gewicht. opechriiven; vaetetellen, veatigen; heichouwen. Sermon (sur'mun), a. predtkatte, ;reek. — ize (-ajz), a. n. eene preek makes; prediken. ( forth, verteonen; bebend maken; doen ultkomen; prijzen; uiteeven; ult render'. (forward) begordeSer °ally (se-ros'it-talt), st. watarachtighetd. --out rent aanzetten. (in) son den gang . he!pen. (off') (aPrus), a. waterachtle, duct. opsteren: doen nitkemen, veritoogen; afreheeen. Serpent (sur'pent), e. along. ,oetzoelter; eerpent. (on) aanzetten. (oat) uittettee; toonen; aanwijzen; —arias (-tee'ri-us), s. elaneendrager (stereebeeA. opsmukken; darn uttkemen, uitrueten. (to, ann. —are, s. elangenl‘ruid. — ice ( - taju), a. slangy°, zettan tot. (up) opzetten; onhel pen; opricbten; mig; kronkelend; a. alang, hate; elangeneenid; i nstellen; verheffee; aanheffen. —, v. n. oudereerpen , stone. —powder, ongekorrc)d kruite — gaan, stellen, stremmen; dik (volt) wonder,; posteen. — ine ( - tajn), — ize (-tajz), v. t... kronkelen. tea; kooppen zetten. (abo•t) beginnen ann; onder(our-pid'zjt-nus,, a. met dauw- S erpig (.pej..gee, a . e au ,,,,,nni . semen. t forward) tint' op wee begeven„ (in) beworm behebt. ginnen. (o.ff'. oat) vertrekken, afteizen. (to) zich Serr ate teer'ret), ated(-reeetid), a zesgvormig. tnelegeen op. (up) zich vestigen. (up for) zich uitgetand. —ahoy (•ree'sjun), --Ware (-re-tjoer), utteeven your. — bolt, oteunbout. — down, a. bea. zaegvor nigheid, getanditeit.—utaie (.rjoe-let). rieping. — hammer, ',theme, —off, e. vereiereel a. fija getand. Dilater; vergoa'ling; tegenetelling, contrast. — to Serum (st'rum), a. we); bioedwatee. (-toe), s. vuietirevecht; woordenatrijd. Scrotal 18110,0), s. tijeerket. Servant tsur'vent), 13. dienaar; di•narea; bediende, Setneete ►se (se-tee'sjum), a. borstelie. atienat- Settee (aids(. e. haarsnoer, foutenet. dtenstbode. —maid, dienveneitl. . Set Gee , 'Be-tooe') — ous (ei'tus), a. borstelig. botienkamer. Serve ;sure), v. a. dienen, bedientn; voordienen; Settee (set-tie'), 8. ruatbank. behaneelen; vereeren; bekleeden teen too a); het Setter (set'tur), s. zetter; spion; staende bond; s. aanbitser, Inadetok. •—off, a. opvijzelaar. hof maken am. — as office, eea anti)! bekleeden. °prate, — up, tt. oprichter. -- a notice (sum,nons) upon, daevaartien — the dog, line, zich near den tijd beilikken. — a trick, eerie Setting; (.,tet"tieng),s: bet zetten; ondergar.nr —poetspeurhond. — pole, schipperehoom. --stick, poets epelen. — one 's turn, 'emend colleen, 8t0k, zethaak. pasAeu. -- a warrant, in hechtente nemen. (in. up) nitemelen (to); uitdieSettle (set't1), v. a. 7astetellen; bepalen; vestioedienen, opdroeen. (out) gen; regelen; vermoken (on); doers hedaren; vernen. —, v. n. dienen ( for. to); dienetle (nuttig; ettereo; v. n. zich vestigen; sick bepalen; toereikend) zijn, ken, bedaren. — mint, e. bepaling; vesttaing; reScralee (suevis)., s. dlenet; bediening; plIchtple- geling; echikking, vereffening; veensaking; volk fine, groet, ooemerk; nut, beat; godsdienstoefe. planting; lijfrente; bezinksel. •—r, e. koloniet. best- tette; gereeht. — berry„ sorbenbee- —book, a. zevenvoudig. agenda. — tree, eorbenueora. — able, a. —abip, ad. Seven (ilev'et), a. zeven. —fold, (sen'nit), a. Zie Samnight. — score, a. dienstie, hevorderlijk (to) — ablenes$, p.. sat, then- handerdveertig. — teen (-tiwn),a.zeventien.—teenth etighetd; dienstvaardigheid.
Westphalia tweet-fee'll-e), g. Westfalen. —n, a. Westfaslech; i. Westfaal. esvel (joe'll), rn. Whewel. Whitehall (wajt'llaolt), g. Whitehall. Wick (wik"), —in, f. coon William; Wm. —life Wickliff. Wight (waft), g.Wight. Wilberforce (wIl'eur-foors), m. Wilherforcc. m. Wilkie. Wilkie Will (will'), f. coot. William; Wire. —Mtn (-jem), m. WI( I em. —oughby (-o-bih),m. Willoughby. —y, r. coon William; Winapje. Wiltshire ( wilt'sjter), g. WItshire. Win (win'). f. your Winifred. --cheater (-tejem•tr),, g. -Winchester. Windsor (wiu'zur), g. Windsor. Windward (wind' wurd) lelgnde, g. Eilanden hoven den wind. '1W 'stir ed (win')-feed), en. WInfried. Wisconsin (wis-kon'sin), g. Wisconsin. Wniga (wol'ge), g. the —, de Wolga. %Voles), (woel'zih), xn. Woleey. Woolwich (woel'itsj), g. Woolwich. Worcester (woes'inr),g. Worcester. Wordsworth (wurdn'wurth), m. 'Wordsworth.
houten navel. —, v. a. vastnagelen. —gin (-gin), a. Nonpayment (non-pee'rnent), a. wanbetaling. puts, houten nap. —ging (-gieng), s. richelmuur. Nonperformance (non-pur-form'ene), a. nietvervulling, niet-volbrenging. Noise (nojz'), a. geluid, gerucht, geraae. —, v. a. ruchtbaar maker"; v. n. gereas maken. —ful, a. Nonplus (non'plus), a. verlegenheid, klem. —, v. a. in verleltenheid brengen. luidraehtlg. —less, a. stil. —maker, levenmaker. Nuts Ily (noj'zil-lih), ad. —y, a. luidruchtig, ge- Nonretetlen ce (non-reel-dens), s. afwertgherd. —t, a. afwezig, niet woonachtig. raasmakend. —key! (-zi-ness),s. luidruehtigheid. Noisome (napalm), a. —ly, ad. nadeelig, onge- Nonresistan en (non-re-siseens), a. onderworpenheld. —t, a. onderworpen. sond; walgelijk. —ness, s. schadeiijkheid; walNonsens e (non'aens), s. onzin-. —ical, gelijkheid. ad. (-zen'sikl-), zot, ongerijmd. —icalness (-een'Nolition (no-liorun), a. onwil. siki.), a. ongertjrndheid. —ie (no -rn ed'ik), Nomad (nom'ed), a. nomade. zwervend, rondtrekkend; woeet. —ism, a. zwer - Nonsolution (non-so-ljoe'ojun), a. niet-oplossing. vend leven. Notables (num'blz), p1. ingewanden van een hart. Nonsparing (non-spee'rieng), a. onbarmhartig. Nombril (num'bril), a. navel (van een schild). Nonsuit (non'sjoet), a. (het) afzien van eene rechtsvordering. —, v. a. afwijzen, gee,rs rechtsNome (noom), a. lid, deel (in de algebra). prong verleenen. Nomenclat or (no'men-kles-tur), a. naarngever. -kenner; naamlijetmaker. —are (-tjoer), a. naam- Nonterm (non'turm), a. vacantie. Nonuser (non joe'zut), a. ambtsverzuim. Wet; woordenlijat. Nomi nal (nonri nel), a. —ally, ad. in naam; Noodle (nee'd1), a. etoffel, etumpert. nominaal. —alist, s. nominalist. —ate (-neet), v. Nook (noek'), a. hook, hoe*. —shetten, scheef a. benoemen. —anon (-nee'sjun), s. benoeming. I (van een' muur). —ed (noekt), a. met ten' nek. —ative (ne-tiv), a. noemend, benoemend; a. eerete Noon (noen'), a. middag. — day, —tide, middag. —rest, middagruet. —trig, a. middsgmaal; midnaamval, nominativus. —ator (-nee-tur), e. bedagelaapje. noemer. —ee (nie'), a. benoemde. Nomo graphy (no-mog're-lh). s. verhandeling Noose (noes), a. etrik, strop. —. v. a. vaststrikken; vangen. over wetten. —thetic (-mo-thet'ik), a. wergevend. indische qgeboom. Nonability (non-e-bil'it-tih), s. onvermogen; on- ,Nopal (no'nel), I Nor (nor), conj. noch, ook niet. Zie Neither. bevoegdheid. Nonacceptance (non-ek-seplens), a. niet-aan- Normal (nor'mel), a. loodreeht; volgens regelen of begineelen. —school, kweekscheol voor widernaming, non-acceptatie. a. Nonage (non'Idzj), a. minderjarigheid. Noorraan; minderjarig, onmondig. —narian (-e-dzje-nee'ri- Norman (nor'men), a. noorsch. (de) noorsche teal; kattekop (aan het braadspil). en), a. negentigjarige. —simal (-e-dajes'i-mel), North (north'), s. noorden. — by east, noord ten a. negenttgste. oosten. — by west, noord ten weeten. —, a. noord-, Nonagon (non'e-gon), a. negenhoek. noorder-. —cape, noordkaap. noorderNonappearance (non.ep-pier'ens), a. niet-verlicht. —pole, noorden aepunt. —sea, noordzee. schljning. —star, noord-, poolater. --wind, noordenwind. Nonce (none), e. doel, oogmrrk. North n east (north-test'), a. noordooeten. —, Nonclaim (ncrn'kleem), s. verzuirnde eisch. -- erly, —ern, a. noordoosteltk. Noncompliance (non-kum-plaj'ens), a. welgeNorth erly (north'ur-lib), —ern, a. noordelijk. ring. —erner (-urn-ur), a. bewener an het noorden. Nonconductor (non-kun-dukeur), a. niet-ge—lag, a. noordeltjke richting. leider. Noncon form' st(non-kon-form'ist)icafgeschei- Northward (nornh'n urd),--8 (-wurdz),ad. noordwaarts. dene (van de engeleche kerk). —ty, a. afwtjking. Nondelivery (non-de-liv'ur-ih), a. niet-uitleve- Northwest (north-west'), esnoordweeten.— erly, —ern, a. noordwesteltjk. ring. Nondescript (non'de-skript). a. onbeschreven. Nose (noon'), a. neue. —bag, voederaak. —band, neusrlem. neusbioeding; duizendbiad, a. nog onbeschreven voorwerp. v, a. snuffeien: net heofd gerf, —gay, ruiker. None (nun), a. & pr.geen; niemand. bieden. —lees, a. zonder nem Nonelect (non-e-leke), a. niet-verkome. Nonentity (non-en'tit-tih), a. (het) niet-zijn; Nosle (noel), s. Zie Nozie. Nosolog 1st, (no-sol'ud-zjist), o. ziektes.kenner. onding. —y, a. ziektenleer. Nonesuch (nun'sutsp, a. lets (iemand) zonder Nostalgia (nos-terdrjf.e), e. heimwee. wederga; nonpareil (appal). (noetril), e. neusgat. —um, R. geheim. Nonexistence (non-egz-ist'ens), a. ntet- bestaan. Nostr - algemeen geneesmiddel. Nonluror (non-dzjoe'rur), a. eedweigeraar. Nonnaturals (non-neejoa-relz), p1. niet natuur. Not (not), pd. niet. —at all, in het getaeel niet. Nota ble (not'ibl), a. —bly, ad. naarstig, bedrijltIke dingen. vig; huishoudelijk. —blenees, a. naarstigheid, beNonny (n011'11111), a. Zie Ninny. drijvighetd; huishoudeijkheid. Nonobservance (non-ob-zurv'ens), a. niet-inNota tale (not'ibl), a. — bly, ad. aanzienlk)11; rnerkaehtnemlng, verzuim. waardig; s. aanzienlijk burger. —bleneta, a. voorNonpareil (non-pc-rel'), a. onvergelijkelijk. —, naarnheid, Tr erkwaardigheid. It. nonpareil (letter- en appeleoort).
DOL.-1/0W. —somely, ad. treurig, droevig. —fula. ness, --someness. s. droevigheid. h ell (dol), s. pop; speelpop. Dollar (dol'ler), s. dollar; daalder. Dolor (do'lur)_ a. pijn, smart, kommer. —ific (dot irik). a. smart verwekkend. -0148, a. —ously, ad. (dol'or.), smartelijk, droevig. Dolphita (dol'fin), a. dolfljn. Dolt (doolti, s. lomperd, botmuil. —ish, a. bot, dom. —ishness, a. dornheid. Domain (do-meen'), a. gebied; staatsgrond; heer chap pij. Douse (doom), a. dom, koepel. Domestic (dam mee'tik), a. huisbediende. —, a. huiselijk, ituiehoudelijk; inlandsch, tem. —ate, v. a. buiselijk (tam) maker, Domicil o (dorn'i-s11), s. woonstede. —e, —late, ( eet), v. a. vast verblijf kiezen of aanwijzen. —iary (-sil'i e-rah), a. tot eene wooing behoorend. huiszoeking. nomin ant (don-el-neat), a. heerachend; a. oote kwint. —ate, v. a. beheerschen. v. n. heerschen. —ation (-nee'ejunl, S. beersehappij. —alive. a. heerscb end. —afar, a. heerscher. —err (-nier'), v. n. heerschen, den baas spelen, (over). Domini cal (dum-min'ikl), a. zondagach. —cal letter, zondagoletser. —can (-i-ken), a. dorninikaansch; a. dominikaner monnik. —on (-jun), a. heerschoppij„ gebied. Don (don) Ito do on], v. a. aantrekken, aandoen. Dont_ ry (do'ne-rah), s. gave, offer. —te(do'neet), v. a. eehenken, vermaken. —lion (dun-neeNun), —tire (don'e-tiv), a. getiehenk, gift; schenking. --tive (don'.), a. door schenking verkregen ( ver. leend). Done (dun), part. gedaan; gear; gefopt. int, flat! top! Donee (dun-nee'), s. begiftigde. Donjon, zie Dungeon. Donkey dong'kih'), s. ezel. Donor (do'nor), a. gever, sehenker. Doodle ( doe'dle, a. beuzelaar. Doom (doem"), a. vonnie. roodlot; verderf; jongate oordeel. —, v. a. veroorneelen; doemen; echatten. —'a-day, oordeelsdag. —'a-day-book, Icadaster (von Willem den Veroveraar). —'a-man, rechter. —age, s. geldboete. Door (door'), a. deur, next — to, vlak naaat; grenrend aan. out of —a, buitenshuis. within — a, binrienshuis. — bar, deurboom. —case, deurkozljn. — cheek, — post, deurpost.— keeper, portier.—handle, knob, deurknop. — stead, — way, deuringang. Her (do*), a. tor. Dor ado (do-ree'do), a. goudviech; pronker. — ee (.rie'e, s. goudviech, zonneviorh. —ic (dor'ik), a. dortech. Dorman cy (dofmen-sih), se rust, sleep. —t, a. slapend; liggend; werkeloos; —partner, stille veonoot; — tree, or —t. a. olaper (hoofdbalk). Dorakter (.l.or'mur), a. balk; venster. — window, dakvenster. normit lye (dor'mi-tiv), a. slaapmiedel. —ory, a. staapvertrek. Dormouse (dor'maua), a. bergrat; marmot. Dorn (dorn"), a. rag. —hound. doornbaai. Dorsal ( doesel), a. den rug betreffend.

Dab (deb'), s. brolcje; tikje; spat; klets; heilbot; bedreven gest. —chick, waterhoen. a dirty —, een smerige kerel„ fat —, vet stub vleeseh, lekhere beet. —, v. a. streelen; zachtlafwisschen; v. n. met den hengel visschen. Dabble (deb'b1), v. a. beatrijken, besmeren; bemorsen; v., n. plassen; morsel); broddelen. —r, a. broddelaar. Dabster (deb'atur), a. kenner, ervarene. Dace (dees), a. WitVinfil, halfoog. Dactyle (dek'til), a. dactyius (—u u). Dad (ded), Daddy (ded'dih), s. pa, regisseur, handlanger. Daddle (ded'd1), s. hand; soot. —, v. n. waggelen, langzaam gaan. teerling. Dado(da'do), a. slab gedeelte eener Daedal (the'del), —ian (di dee'li-en), a. kronkelend; geschakeerd; kuustig. Daffodil (derfo-dil), a. narcisbloem. Daft (deft). a. dwaas, dots, mal. Dag (deg'), e. dolk; zakpistool; reep, strook. —ger (-gur), a. dolk; kruisje(t)• —gees drawing, vechtpartij. Daggle (deg'al), v. a. beslijken; door het 'slijk aleepen; v. n. plassen, ("oar (irk en dun loopen —tail, a. beslijkt; a. morsebel. Dagguerrotype (de-ger'ro-tajp), daguerreotype. Dahlia (dee'li-e), a. dahlia. Daily (dee'lih), a dagelijksch. —, ad. dagelijks. Daint fly (deen'til-lih), ad. —y a. lekker, keurig; sierlijk; gemaakt. —iness, a. lekkerheid; kenrigheid; gemaaktheid. —y, e. lekkernij. Dairy (dee'rih), s. melkerij, boerderij. —maid, melkmeid. Dais led (dee'zid), a. vol madeliefjes. —y, a. madeliefje. Dale (deel), a. dal. Dail lance (delli-ens), a. gedartel; getalm. —ler (-11-ur), a. stonier; talmer; losbol. —y, v. a. nitstellen; v. n. dartelen; dralen. Dam (dem), a. dam; moan —. v. a. bedijken atuiten; vervulln; (up) afdammen, beperken.
Arbooken, ov. w. to book, to enter. Afboesann, ov. w. to rub Ito scrub, to brush) off; to drive a way., Arbooten,ov. w. toatone for. A fb urgen, or. w. to borrow (from). Afbortatelea,or. w. to brush off, — away. Afbottelen,ov.w. to bottle (off). Afberenk, v. pulling down, demolition; rubbish, materials. voor for dernoliehing, for rubbish. Af bras/den, ov.& ou. w. to burn (down off). Afbrek en, or. w. to break off; to pull down, to demolish, to strike; to interrupt, to stop, v. lireeking off; pulling down; rupture. Afbreuwei.a, or, w. to bring off, — down; to dissuade (to divert) from; to set afloat &pin; to *aye; to coins off. Albs euk, v. wrong, injury, damage, prejudice. -- do., to wrong, to injure, to hurt, to damage, to prejudice, to derogate; to hares. Albrortalafers, or. w. to patch up. All.unkkal en, ov. w. & cat. w. to crumble down, — off, to scale elf. —ing, v. crumbling off. Albs, limber., On. W. to tunable down. Affiltek, o. pent house, pentiee, shed. AfriAll en, on. w. to go (to cone) down, to de. acen.i; to condescend (to). --ing, v. ile,Canf; condeacemion. Afrionineen, or. w. to keep cif by a dike; to datn up, to embank. Afdonnik en, or. w, to discharge. to discard :, to dimnies, to cashier, to diebriol; to ivy up. —tog, v. dnicharge, &emit:Ise!, diebandintr• Afdret *,/11, or. W. to divide, to close, to parcel out. —fog, v. dividing; dieter., section, ;bragraph, head. Afdehxzen, on. w.to withdraw. to retteat. Aidekken, or. w. to uncover; to clear (the table); to helabor,to drab. Aiding en, or. & on. w. to , heapsn, to abate, to beet down the price, to haggle or. —sr, m. —slur, v. c heapener, haggler, bergainer. Arcing., ov. w. to put (to 'strip, to pluck, to tyke) off; to w ipe off, ;o clean; to bring to a cove, to put an end to, to terminate; to rumble; to clear, to pay off, —d, be. derisive. —ing, v. tnking off; eettlement„ clearing, liquidation, trAnnnction. Ald ► kkest, on. w. to come down. Aldermen, cn w. to wither And fail off. Afdranien, ov. w. to turn (to wring) off; to finish on the lathe; on w. to go off. Aldragen, or. w. to carry down; to Wear off, — out. sec* t. w. to cease bearing fruit. AfdrUs, en, ov. w. to drive away, to repulse; to invite. to Anterite, to provoke aciortiou; on. w. to be driven off, to float dotes. —end, by. glisten/tee, abstereent. — ing, v. driving &wily, e'rsterston; floating down. AldrIngea, or. w. to push off, — down. AfdrInken, or. w to drink off; to drown (a quarrel). taut 0718 het —, let Un make it up over a bottle. Aldrrsgen, or. or to wipe off, — dry, to dry up. Afdruipen, on. w. to drop (to drip, to trickle) down. to drop off; to steal (to slink) away. Afdruk, m. copy; print; mark. —ken, ov. w. to 13

by land. wan a-eho n op het —, in the country. —card, nationality, character of auction, nation. —adel, country-gentry. —besehrijner. geographer. —beschrijving, geography. —trestour, government. —hemmer, country-man. —Ses000nster, countrywoman. —heart, posseesion of land. —hezitter, lend-holder. —bode, deputy, representatiee —Coosa, agriculture, husbandry. —Sooner, hueheadman. —bousokundo, agriculture, husbandry, rural economies.—houwkundie,agri cultur el;versed (skilled) in husbandry. —kundige, agrteuntuhat. —day, azsembly of the states, dist. —deice*, country-dean. —dekeneehap, rountry-deanship. —dief, embezzler of public money. —dier, land animal. —dieverii, embezzlement (of public money). —drost, sheriff, high-bailitf,governor. —droatamht, office (district) of a sheriff, eheritalty, bailiwick. —edeiman, country-equine.—einenaar, —eigenares, lend-holder, land-owner. —eigendcm, landed property. —eeple, isthmus, neck of land. —gedicht, georgic, pastoral. —genoot, (fellow-) countryman , countrywoman, compatriot. —gereeht, country-court. —fies000nte, custom of a country. —goed, estate, country-seat. —gracle, landgreee. —graateetstip, landgeaviate. —gravin, lendgravine. —key, landlord, lord of the manor. --aoere, farm. —hula, country-home, villa. —hulahoucikunde, rural eeenotny. —hulehoodkundio, of rural economy. —hoer, land-rent. —Amadei., farmer. —jeend, young country-people. —jonfcer, country-equine. —jvifer, country-laey. reins. —Icaart, map. --koorls, fever prevailing in the country. --krah, —rot, landloper, landlubber. —leven, country life. —lieden, country-people. —looper, vagabond, stroller, —louper0, vagabondry. --loopster, vagabond, gipay. —macht, landforces. —man, country-miss, peasant. —nteetkende, surveying, geometry. —nseetIcasndig, geometrical. —meetkundige, geometrician, —meisje, country-girl. —meters, surveying. —meter, surveyor. —militia, militia. —mute, country-mouse. —peat, boundary, limit. —palen, frontiers. —pacht, quitrent, landrent. —pachter, farmer, tenant. —pinup, plague, scourge, public dietreas. —read, provincial counsellor. —recta, common law, law of a country. —rechter, country-jedge, sheriff. —rats, journey, travel by land. —7(11c, landed, having landed property. —.Melding, boundary. —school, country-school. —schrijyrr, 8,retary to a provincial administrator. —slot, safe harbor. —made, taste peculiar to a country; taste of the soil. —soldaat, land-aollier. —wreak, idiom. —steed, inland-town. country-town.. —storm, gailCral levy of the people, posse. —Week, district, country. —taal, lenguage of a country, vernacular tongue. —tong, neck of land. —railing, sie lientertverkeettiivan. —verhuirer, emigrant, —vcrhuizing, emigration. —verkenning, I,nd-fall; recoannitring of the land; — !When, to hove anode the lend. —vetmaak, rural diversion, — anasement. —rented, high treaeon. —verrader, traitor. —vluektig, fugitive, vagrant. —vIveAtiOeid, fegitiveners. —yolk, country-people. —voogd, governor. —.IV dee, governess. —roogdir, governorship, bailiwick. —vrouto, landlady, lady of the manor. —vroelsten s

Biedt Apple accepteren Bitcoin


(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere

Is cryptogeld echt anoniem


N T. • IN T. ini.schen, a. tu.chen,chrik Interpola to (in - tur'po - lect., v. a. iniasschinr, regele. —ation onderschuiven. —tion (-lee'mjun), a. sing. onderschuiving. —tor, s. iniasscher, vervalscher. Interlink (•111310), v. a. aaneenschakelen. InterlocatIon (-Io-kee'sjun), s. tusschenplaat- Interpos eel (-potzel)„ s. tusschenkomst, doling. —e (-pooz'), v. a. tusachenstellen; aansing. komen; in de cede Interlocut ion (-10-kjoe'sjun), s. samenspraak; bleden; v. n. turechenbelde vallen. —er, s. bemiddelaar. —it (-poeit), s. tusschenvonnis. —or (-lok'joe-tur), a. medespre• stapelplaats tusschen twee koopvteden. —ition ker. —ory (-lok'joe-tar-rihl, a. bij wijze van sa. (-zisrun), a. tusschenkomst, bemiddeling. menspraak; voorafgaand. Interlope (-loop'), v. n. onderkruipen; smokke- Interpret (in-tur'prit)., v. a. taitleggeti, serial. tot ke n. —a ble, a. vor uitleggingi tl(vertolkng) vnlen; beunhazeu. —r, s. onderkruiper, smakke- ueggingi ver ; bea r. —ation (-tee laar; beunhaas. king. —alive (-teetiv),a.. uitleggend, vertolkend. Interlucent (-ijoe'aent), a. tusschenprhijnend. s. uitlegger, toik. --er, Interlude (in'tur-ljoed), s tusschenspel. (-punk'sjun), s. plaatsing van Interlunar (-1joe'ner), —y, a. tusschen nieuwe Interpunction echei- of zinteelrens. en voile mann. Intermarr lage (-mer'ridzj), s. wederzijdsch Inter regnum (-reg'num), —reign (-reen'), s. tusschenregeering. intwelijk. —y, v. n. over en webr huwen, Intermeddle (-rned'd1), v. n. zich mengeu, zich Interrogat e (in-ter'rug-geet), v. a. ondervragen, vraag; ondervrabemoeien (in, with). —r, s. bemoeial. verhooren. —ion (-gee'sjun), s. Intermedi acy (-mi'di-e-sih), s. tusschenkomst. ging; vraagteeken. —or, s. ondervrager. ive(rog's-tiv), e. vragend vonrnaam—al, —ary, —ate, a. tusschenkomend, . -liggend; Interrogat woord. —ire, a. —iveiy, ad. —ory, a. vragend, tusschen-. —ate (-eet), v. n. tussehenbeide komen. vragenderwijze. —ory, s. ondervraging, verhoor. —ately (-et.), ad. door tusschenkomst. --urn, s. Interrupt (-rupt'), a. afgebroken. — v. a. afbretusechenruimte; mid lei. ken, stores; to de rode vane), —edly (-id-iih), Interment (in-tuement), a. begrafenis. ad. met tusschenpoozen. —ion (-rup'ejun)., a. atIntermention (-men'sjun), v. a. tevens (gelijkbraking; storing; ophouding; tueschenpoos. tUdig) vermelden. Intermigration (-mi-gree'sjun), s. wederzijdsche Interscapular (-skep'joe-ler), a. tusschen tie schouders gel etre!, verhuizing. a. onbegrensd, luterteind (-mud'), v. a. of., doorsnijden. Intertnina ble Interscribe (-skrajb'). v. a. tusschsnin schrtjven. oneindig. --te (-het), a. onbeperkt, grenzenloos. Internee ant (-aiikent), a. doorsnijdend.—t(-sekt'), Intermingle (-ming'g1), v. a. tusschenmengen; v. a. daorsnijden; v. n. elkander snkjden. —tion v. n. zich vermengen. (•sek'sjun), s. doorsnijdingi sniping; snijpunt. Intermiss ion (-misrun), a. tusschenpoos; ver- Intervert (-sW), v. a. invoegen, inlasschen. poozing: staking. —ire (-miseeiv), a. tustschen—ion (-sur'sjun), s. iniassching. poozend. tusschen-, doorIntermit (-DIM, v. a, staken, schorsen; v. n. op- Interspers a (-spurs"), v. a. (-jun), a. tusschea—ion strooien, ondermengen. a. tusschenpcohouden, zich verpoozen. —tent, strothing, ondermenging. zend, efwisselend. —tingly, ad. bij tusschen- Interstellar (-steller), a. tueschen de Merrell poozen. (batten het zonnestelsel) gelegen. Intermix (-miks'), v. a. ondereen meugen; v. n. (in'tnr-stis, in-tuestis), s. tusschenetch cermengen, —ture (-tioez), a. mengsel, men- Intersti cc ruimte. —tial(-stisrei), A. met tusschenruimten. gelmoes. Intertexture (-teket'joer), s. doorvlechten; saIntermundane (-mun'deen), a. zich tusschen menweefsel; verscheidenheid. werelden bevindend. Intermural(-mjoe'rel),a.tuaschen murex' iiggend. Intertropical. (-trop'ikl), a. tusschen de keerkringcn gelegen. Internal (in-toenail, a. —ly, ad. inwendig, in- Inter' twine (-twajn'), —twist (-twist'), v. a. neritjk. dooreenvlechten. International (-nesfun-c1), a. tusschen de volInterval (in'tur-vel), a. tusschenruimte; tunken onderling. schenpoozing. Internecine (in-ter-ni'sojr.), a. doodelijk. v, n. tusschenbeide komen; Internode (in'tur•nood), a. ruimte tusschen twee Internee e voorvallen. —tent (-vrni-ent), a. tusschenkomend. knoopen of geledingen. (-ven'sjun), 8. tusschenkomst, bemiddeling. Internuncio (-nun'shi-o), s. auderhandelaar; Intervert (-vurt'), v. a. omkeeren, ornstooten, pauselijk gezant, internuutius. afwenden. Inierosse al (-osj'el), —one (-osrus), a. tusschen Interview s. samenkomst, mondgesprek. beenderen gelegen. Interpellation (-pel-lee'sj au), s. afbreking; drin- Intervolve (-volvi, v. a. ineen w;kkelen. Interweave (-wiev') [irr.] , v. a. dooreen weven. genie bede; dagvaarding; iziterpellatie. Interworking (-1,vurit'leng), a. samenwerking. Interplead (-plied') v. a. tusschenbepleiteu; tusschen elkander doen heplelten. —er, s. tun- Interwreatbed (-riethd'), a. tot een' brans • achenpleiter; rechterlijke beslissing door middel gevlochten. Intent able (in-tes'tibl), a. onbevoegd tot bet van can tusschenpleit. Interpledge (-pledzfl, v. a. wederkeerig ver- makes van een testament. --(fey (-te-sib), s. overlijden zanier testament. —ate (-tet), panden.
Medelleitink, m. consonance. ItliedekiPnk en, on. w. to sound with; to touch glasses with others. —er, rat. consonant. lttedeksatseht, m. fellow-servant. Medskomen, on. w. to come also, — along with a. o. ItliedekrUsen, or. w. to persuade (to prevail upon) to go with; to have for a portion. Medekridgeenan, tn. fellow-soldier. Itlisdaskuteren, on. w. to go (to walk) along with, to accompany. Medelachen, on. w. to join in a laughter. Bledeleur star, m. fellow-teacher, colleague. —ling, m, & v. school-fellow. Medidt-ten, ov. & no W. to read with a. o. Riedel td., o. fellow-member. Riledlelkiden, or. w. to suffer with a. o.; on. w. to partake of a. o. 'es suffering. —, o. compassion, pity. —d, by, compasaionate. —dheid, v. compassionateness. m. fellow-sufferer. Medeloopen, on. w. to run along with a. o. ; to meat with unexpected succea. Mede mast, m. —maker, m. companion, copartner. 1li edenaeensch, m. fellow-creature. Iriedesnlinn sear, m. —area, v. rival. Itiedenemen, ov. w. to take along with; to take in, to cheat. Medenorzank, v. concurring cause, concomitant motive. fricadeptschter, m. joint tenant. itiedepitichstig, by. accessory —, privy —, instrumental (to). —e,m. & v. accomplice, compile e, abettor, accessory. — heist, v. complicity. itiedepraten, on. w. to join in others talk, to put in one 'a word. Ittedersehter, m. fellow-judge. M ederoeder,m. part-owner. M edeeregent, tn. coregeut. Mederetzen, on. w. to travel with a. o. rtlederekenen, ov. w. to include in the reckoning.
Embroider (e.n-broj'dur), v. a. borduren. —er, s. borduurder, borduureter. —y, a. bordaarwerk. Embroil (em-broji'), v. a. verwarren, verlegen maken; (in) verwikkelen in. Embryo (em'bri-o), a. onvoldrggen vrueht; eerate ontwerp. —n, a. onvoltoold. Emenda bin (e mend'ibl), a. verbeterlijk. —Non (em-en-dee'Rjun), s. verbetering. —toe (em'endee tur), 8. verbeteraar. —tory (-de-turrih), a. verbeterend. Emerald (em'e-reld), a. smaragd. Emerge (e-murdzj'), v. n. oprijzen, opkomen, to voorschijn komen (from). —nee, —ncy, a. ophoming ; onverwachte , omstandigheid, toeval; noodzaak. —nt, a. opkcmend; onverwacht, plotsoling; dringend. Eaneriteel (e-mer'it-id), a. na volbrachten dienst ontslagen; emeritus. Emerolda (em'ur-ojdz), s. aambeien. Emersion (e-mur'sjun), a. te-voorsehijn-koming; wederverschijning (eener ater). Emery (em'ar-rih), a. amen'. Emetic (e-met'ik), a. braking verwekkend. —, s. braakmiddel. Emeu, Emew, (ie'mjoe), a. keener's. Entication (em-i-kee'sjun), a. vonkeling. Emlction (e-milesjun), a. waterloozing. Emigra nt (em't-grent), a. uitwijkend, verhuizend; a. landverhuizer. —te (-greet), v. n. uitwijken, verhuizen. —tion gree'sjun), a. landverhuizing. Eminen ce (em'i-nens ►, _cy, s. verhevenheid, hoogte; uitstekendheid; eminentie. —t, a. —tly, ad. verheven; hoog; uitstekend. Emissary (emle-se-rih), a. verspiedend. a. zendeling; verspieder. Emission (e-misj'un), a. uitzending; uitgifte. Emit (e-mit'), v. a. uitzenden, uitgeven, uitvaardigen; afechieten. Emmet (em'init), a. mier. Eminew (em-ntjoe'), v. a. opsluiten (in eene kooi). Etnolli ate (e-mol'ii-eet), v.a. verzachtend.—ent, a. verzachtend; a. verzachtend middel. —tion lem-ol-lisrun), a. verzachting. Emolument (a-morjoe-ment), a. voordeel; Emotion (e-mo'siun), a. ontroering. Empale (em-peel'), v. a. ompalen, apietsen. —ment, a. ompaling; spletsing. E-npanel (em-pen'il), a. a. naamlijst van gezworenen. v. a. op de naamlijat der gezworenen plaatsen. Empark (em-paark'), v. a. ombeinen; in een park sluiten. Eanpasm (em'pezm), a. stankverdrbvend poeder. Emperor (em'pur-ur), a. keizer. Empha sis (em'fe-sis), s. nadruk, klemtoon. —size (-aajz), v. a. nadruk leggen op. —tic, —tical, a. —tically, ad. (-fet'ik-), nadrukkelijk. Empire (em'pajr), a. keizerrijk; rijk; heerschappij. Empiric (em-pir'ik), —al, a. —ally, ad. op de ondervinding steunend, empirisch; kwakzalverig. —, a. kwakzalver. (-1-aims), s. empiric kwakzalverij. Emplast er (em-plaas'tur), v. a. met eene pietater beleggen. --lc, a. 1tjrnerig; kleverig.

Is Gemini uitwisseling verslag aan IRS


ledigmaking. —live, a. aanvullend. —tory, vr. ver- Compound (hula paaund"). v. a. samenistellen; vullend. verbinden; verniengen; vereirenen. —, v. n. tot Completory (kom'pli-tur-rihVs. laatste gebed eene schikking komen, het eens worden (with), — for a fault, een' missing weder good makes. (eener kerkdienst); avonddienst. —er, a. vermenger; bentiddelaar. Complex (kom'pleks), a. —1y, ad. samengesteld, ingewikkeld. —ness, 8. samengesteldheid, inge- Comprehen d (kom-pri-hend'), v. a. begrijpen; wikkeldheid. s. samengesteldheid, verzarne- insluiten. omvatten. —sible (-hen'aibl), a. —sibly, ad. begrOpelijk, bevattelijk. —sibleness, a. bevat—ed (kum-plekst'), a. samengesteld, Inge- telijkheid, begrijpelijkbeid. wikkeld. (-ajun), a. omCOMplex edness (kum-pleks'id , ness), a. samen- yang; begrip, bevatting; bevattings vermogen; hoofdinhoud. —sive, a. —sively, ad. veelomvatgesteldheid, ingewikkeldheid. —ion (-jun), s. ge- tend. —siveness, a. veelornvattendheid, vlugheid laatskleur; lichaamsgestel; gemoedsgesteldheid. van begrip. --Tonal, —tonary, A. lichaamsgestel (gelantskieur) betreftend. —ity, s. samengesteldheid. —ure Compress (kom'press), s. kompres. Compress (kum-press'), v. a. samendrukken, (-joer), s. samengesteldbeid. samenpersen. —ibility (-i-bil'it.tih), —idleness, Compli able (kum-plaribl), a. buigzaam. toe- 8. samendrukbaarheid. —ible, a. mamendruk. gevend. —ante, a. invvilliging; inschikkelijkheid. baar. —ire, a. samendrukkend. —ion (-sjun), —ant, a. inschikkelijk, toegevend. Coniplica cy (kom'pli-ke-sih), a. ingewikkeld- —are (-sjoer), s. samendrukking. held. —te, a- —tely, ad. samengesteld; ingewik- Compels al (kum-prarzel), a. inhoud, bevatting. —e (-prajz"), v. a. bevatten. keld. —te, v. a. ingewikkeld maken, verwarren. —teness, a. ingewikkeldheid; verwarring. —Non Comproba te (kom'pro-beet), v. n. overeenatemmen. —tins (-bee'njun), s. bewijs. (-kee'sjun), s. samengesteldheid, ingewikkeld- Compromise (kom'pro-maj.), a. overeenkomt, held; sameuweefsel. minnelijke schikking. v. a. aan eene bealisComplicity (kum-plis'it-tih), 8. medeplichtig- heid. sing van scheidsrechters onderwerpen; in der Complier (kum-plaj'ur), s. inschikkelijk menscb; minne schikken, aan onaangenaamiteden blootoogendienaar, jabroer. stellen; v. n. overeenstemmen. —r, s. vereffeCompliment (kom'pli.ment), a. pllchtpleging; near. lot; groet, —, v. a. & n. gelukweuschen; vleien; Compromit (kom'pro-mit), v. a. beloven, waarbegroeten. —al (-pli-ment'el), —ary (ment'e-rih), borgen; in gevaar brongen. a. vol plichtplegingen. —er (oak: -ment'ur), s. Comprovincial (kom-pro-vin'sjel), a. van dezelfde provincie. maker van plichtplegingen. Compuls alive (kurn-pul'se tin), —Nary, —ire, Irompline (kom'plin), a. slotgehed. Cosuplot (kom'plot), a. samenspanning. —ory, a. dwingend, noodzakend. —ion (.sjun), Complot (kum-ploe),v.n.samenspannen. —meet, a. dwang. —ively, —orily (-ur-it-lih), ad, met dwang. —iveness, 8. dwang. a. samenspanning. —ter, s. samenspanuer. Comply (kum-plar), v. n. voldocn aan, berus- Compune lion (kum-punk'sjun), s. prikking; wroeging, berouw. —hints (-sjus), a. berouwhebten in (with). Component (kum-po'nent), a. samenstellend. bend. —live, A. wroeging veroorzakend. Compurga tion (kom-pur gee'sjun), S. beeedis. bestanddeel. Comport (kum-poort'), v. a. verdragen, dulden; ging van eon, anders geloofwaardigneid. —toe (kom'pur-gee-tur), getuige; bekrachtiger. v. n. voegen, passen; beataanbaar mot, (with). — one 's self, zich gedragen. —able, a. bestaan- C011Iptit. amble (kum-pjoe'tibl), a. berekenbsar. —ation (irom- pjoe-tee'sjun), s. berekening. —e, baar, voegzaam. Compos e (kum-pooe), v. a. samenstellen (of); v. a. berekenen. —er, —ist (kom'pjae-tist), 8. berekenaar. vervaardigen; doen bedaren; bijleggcn; letterzet- ten; componeeren; — one's self for, nick voorbe- Comrade (kont'reed, kum'reed), a. kameraad, makker. reiden tc.t. —er, a. samensteller, schrijver; kom- poniat. —ing-stick, zethaak. Con (kon), ad. pro and —, voor en tegen. Composed (kum poozd'), a. —ly, ad. bedaard, Con (kon), v. a. kennen; beoefetten; van buiten leeren. kalm. —flees, a. bedaardheid. Compost te (kum-poz'it), a. samengesteld. Concamera te (kun-kem'ur-eet), v. a. welven. —tion (-ee'8jun), s. welving; gewelf. —lion (kom-po-zis'sjun). s. samenstelling; op- stel; metaalmengsel; bevrediginv, bulegging, Concatena te (kun-ket'e-neet), v. a. aaneenschakelen. —lion (-nee'sjun), s. a,neenaehakeverdrag; letterzetten; muziekstuk. —five, a. samenstellend. —tor, a. letterzetter ling. Compost (kom'poost), s. mengsel; meat. , Concavation (kon-ke-vee'sjun), a. uitholling. Compost (kum-poost'), v. a. bemesten. —are, Concav a (kon'keev), s. holte, verwullsel. 8. holligheid, holte. —, (-joer), s. meat. R. hol, holrond. schikking, v. a. uithollen. —ity (kun-kev'it-tih), a. holligComposure (kum-po'zjoer), a. 8amenstelling; bedaardheid. ! held, holte. —one (kun-kee'vu8), a. holrond. Compota lion (korn po tee'sjun), a. drinkge- Conseal (kun-siel'), v. a. verhelen, bewimpelen, lag. --tor (konepo tee tur), s. drinkebroer.verbergen. (from). —able, a. verbergbaar. —ed. Compound (kom'paitund), a. samengesteld ness, a. verborgenheid. —er, a. verberger. —meat, a. "antenatal, meopel. a verberging, verheling; schuilplaats.
96 Evita ble (ev'i-tibl), a. vermijdelijk. —te (-teed, Excarn ate (eks-kaar'neet), v. a. ontvleezen. —ification (-ni-fi-kee'sjun), es. ontvleezing. v. a. vermijden. —tion (-tee'sjun), s. verrnijding. Evocation (ev-o-kee'sjun), s. oproeping; weg- Excava te (eks'ke-veet. eks-kee'veet), v. a. nithollen . —tion (-ke-vee'sjun), a. uitholling; holte. roeping. —tor, a. uitholler. Evoke (e-vookn, v. a. oproepen; § uittarten. Excecation (eks-si-kee'ajttn), a. verblinding. Evolallon (ev-o-lee'sjun), a. wegvlieging. Evolution (ev-o.ljoe'sjun), a. ontvouwing, out- Exceed (eks-sied'), v. a. overtreffen; overzchrijden; v. n. te ver glom. —log, a. —ingly. ad, onworteltrekking; beweging (van trot. gemeen, bu;tengewoon. pen). Evolve (e-volv'), v. a. ontvouwen, ontwikkelen; Excel (eks.eel'), v. a. overtreffen; v. n. uitmunten; —sior, a. booger. v. n. zich ontvouwen lopeneo)• Evotnition (ev-o-misrun), a. braking, opgeving. Excellen ce (ells'ael-lens), —cy, a. voortreffelijkheid, uitmuntendheid. —cy, a. excellentie Evulga te (e-vurgeet). v. a. ruchtimar maken, (titel). —t, a. —tly, ad. voortreffelkjk, uitmunverspreiden. —tion l ev-ul.gee'sjun‘, e.verbreiding. tend. Evulsion (e-vursjun), a. uitrukking. (eke-wept'), v. a. uitzonderen, ultsluiExcept Ewe (joe'), a. ooi. —Iamb, ooilam. —, v. n. lamten; v. n. tegenwerpingen maken (against. to). meren. prp. uitgezonderd, behalve. —ing, prp. ult. Ewer ijoe'ur), a. waschkom; lampetkan. genomen, met uitzondering van. —ion (-sep'vjunl, Ewry (joe'rih), s. koninklijke-tafeldekkersambt. a. uitzondering; tegenwerping. —ionable (-se? Exacerb ate (egz-es'ne-beet), v. a. verbitteren, sjun-ih1), a. betwistbaar. (-sep'sjus), a. —ation (-bee'sjun), a. verbatering. —ation (-bee' gemelijk, lichtgeraakt. —ire, a. uitzonderend. ajun), —escence (-bes'eens) a. hoogete punt (eener —less, a zonder uitzondering. —or, a. tegenziekte). strever, gisper. Exacervation (egz-es-ur-vee'sjun), a. ophaoExcern (eks-surnl, v. a. uitpersen; klenzen, afping. zonderen. Exact (egz-ekt'), a. —ly, ad. nauwkeurig, zorgvuldig, etipt. —ness, a. nauwkeurigheid, atipt- Excerpt (eke-surpt'), a. uittrekael. v. a. uitzoeken, uitkippen. —ion (-surp'sjun), a. uitheid. v. a. vorderen, eischen, afpersen; kipping. —or, a. uitkipper. v. n. (upon) te veel afnemen; drukken. —er, —or, a. eiacher; knevelaar. —ion (-ek'sjun), a. af- Execs* eks-ses')., a. overdaad;* overtolligheid; buitenaporigheid. —ire, a. —iveiy, ad. overmaverging. tig; verregaand; buitensporig. Exaggera te (egz-ed'zjur-eet), v. a. overdrij• Nen, vergrooten. —tion (-ee'sjun). a. overdrijving. Exchange (eks-tsjeendzy,, a. roil, wisseling; wissel; wieselkoers; beura. in —, in roil; dear—tory (-a tut...1. th), a. overdrijvend. entegen. till of —, wisselbrief. —broker. wisselExagita te tegz-ed'zji-teetj, v. a. bewegen; echudmakelaar. —, v. a. verruilen. wisselen. —able, den; beroeren; berispen. —lion (-tee'sjun, a. a. verwisselbaar. —r, s. wisselaar. beweging; beroering. Exalt (egz-aolt'), v. a. verheffen, prijzen; in ver- Exchequer (eks•tsjek'ar), a. (engelsche) schatkiet, rekenkamer. court of —, aleerneene rekenvoering brengen; zuireren. — at ion (.el - tee'sjun), kamer. —60/8, schatkisthiljetten. a. verhefilng; vervoering; zuivering. —edness, s. Excis able (eks-sajz,'ibl), a. onderbevig aan verheve,nhetd; trotschheid. aecijna. —e (-sajz"1„ a. accijns; —man, kommiee; Examin able (egz-em'i-nibl), a. dat onderzocht —office, accijuskantoar. —e, v. a. met acans ken warden. —ation (-nee'sjur), a. onderzoebelasten. king; examen; verhoor. —e (-in), v. a. underzoeken; navorschen; verhooren. —ee (-nie"), a. Excision leks-sizrun), s. uitenijding, uitroeiing. Excit ability (eks-saj-te•birit-tib), s. prikkela. onderzoeker, ondervrageexamineerde. —er, brierheid; lichtgeraaktheid. ger; Nerhoorder. Excit able (eks•sartibl), a. prikkelbaar, lichtExample (egz-aam'pll, s. voorbeeld. geraakt. —ant, a. opaekkend middel. —ation Exanim ate (egz-en'i-met), a. ontzield, leven(-si-tee'sjunk a. opwekking. —atise 1-te-ttv), loos; droomerig. —ate (-meet), v, a, ontzielen. —atory (-te-tur.), a. opwekkend, aansporend; —ation (-mee'sjun), a. ontzieling. —ous, a. leopwindend, —e (-slajt'1, a. a. aansporen, opwekvenloos. ken; opwinden. —ement (-sajt'ment), a. opgeExanthem (egz-en'them), a. huiduitslag..—atous wekt held; opgewondenheid. —er, a. opwekker. (-them'e-tus), a. uitslaand; vol uitslag. Exarch (eks'aark), s. onderkoning; landeoogd. Exclaim (eks kleem% v. n. uitroepen; (against) schreeuwen tegen. —er, a. schreeuwer. —ate (-er-keet,, a. onderkoningschap; landvoogdij. Exarticulation (ego -aar-ttk-joe-lee'sj un) , s. Exciama taw) i(eks-kle•mee'sjun), a. uitroepingsteeken. —ory (-klem'e•tur-rth), a. uitontwrtchting. roepend. lExaspera te (egz-es'pur-eet), v. a. verbitteren; tergen; verergeren. —lion (-ee'sjun), a. verbit- Exclu de (eks-kloed"), v. a. uiteluiten (front). —sign (-kloe'zjun), s. uitsluiting. —sive (-kloe'siv), tering; terging; woede. Excandescen cie (eks-ken-des'sens), a. gloei- a. uitsluitend; (of) met uiteluiting van. —*it'd!, (-kloe'siv-), ad. bij uttsluiting. ing; gloeihitte; toorn. —t, a. gloeiend; gloeiExcogita te (eks-kod'zji-teet), v. a. uttdenken; end heet. Excautation (eks-ken-tee.sjrn), a. ontt °mt. verzinnen; v. n. nadenken. —lion (-tee'sjun), s. denlr.ing, verzinnieg. ring.
a. brandstof. —ibleness, a. brandbaarheid. —ion Commenourn bllity (kum•men-ejoe-re-bil'it(-ljun), s. verbranding; opener. tih), It. geliikmatigheid. Come (kutn) [came (keen). come], v. n. komen; Commensura ble (kum-men'sjoe-ribl), a. gegaan; geraken. in time to —, ut lateren tijd. lijkmatig; meetbaar. —bleneas, a, gelijkmatigheid. (about) zich toedragen; veranderen; omloopen. —te, v, a. afineten; geiivenredigd maken. —te, (along) rnedegasn. (at) verkrijgen. (by) bereiken; a. —tely, ad. gelijkmatig, gedvenredigd. —tion, er toe. komen. (forth) te voorsehijn komen. (front. (-ree'sjun), s. evenredigheid; evenredigmakinsr. of) afkomen, afstammen van. (in) binnenkomen; Comment (kom'ment), a. uitlegging, aanteekein twang komen; toegeven. (in for). aanapraak lung. —, v. a. verklaren, toelichten; v. n. aanbebben op. (in to) te hulp kornen; inwilligen. teekeningen oaken (on. upon). —ary, a. uitleg(in to) komen in; geraken tot. (near) nabijkomen. ging; aanteekeningen. —ator, —er (ook kom(elf) afwijken; er afkomen; losgaan. (off from) ment'ur), a. uitlegger, aanteekenaar. —itiona lawn varen. (0.) aankomen; gedijen; vorderen,' (kom-men•tia'sjus), a, verdicht. slagen. (out) uitkornen; voor den dag komen; Commere c (kom'murs), a. handel; verkeer; omruchtbaar worden. (over) overgaan; herl►alen; tang. —e (kom-murs'), v. n- handelen; omgang overvallen. (to) hedragen; inwilligen; uttloopen hebben. —ial (kom-mur'sjel), a. den haudel beop. — to pass, gebe.nren. (up) in zwang komen: tretrend• — ial treaty, handelsverdrag. opkomen. (up to) naderen, gelijk zoin. (up with) Commit.. tion (kum-mi-nee'sjun), a. bedrei• (np.n) aanvallen. — short of, te kort ging. —tory (kum•min'e-tur-rih), a. bedreigend. sehieten hij. — upon an other man's market, iemaud Commingle (kum•min'g1), v. a. ondereenmenonderkruipen. gen; v. n. zich vermengen. Coined 8. tooneelspeler; blij- Commlnu te (kom'mi-njoet), v. a. tot ponder apeldiehter. —y (kom'e-dih), a. blijspel. stampen. —tion (-njoe'sjun), s. vergruizing, fijaComell limns (kum'ii-ness), a. bevalligheid. —y making. (kumlih), a. bevallig. Commisera te (kum-mieur-eet); v. a. beklagen. Come-off (kum-of'), a. uitvlucht. —tion (-ee'sjun), a. medelijden. —tine, a. —tively, Comer (kunt'ur), s. korner. —s and goers, de ad. medelijdend. —tor, a. die deernis heeft. gaande en koinende man. Commissary (kom'mis-ee-rih). s. kommissaris. Comestible (kom-es'tibl), a. eetbaar. —ship, a. kommissarisschap Comet (kom'it), a. komeet. —ary, —ic (km.- Commission (kum-mis'sjun), a. lastgeving, met'ik), a. kometen betreffend. opdracht, volmacht; aanstel ling; bestelling, cornComfit (kum'ifit), s. suikergoed. —, v. a. konfij- missie. —business, commissie-handel. —, v. A. velreacht, opdracht, bestelling, eanstelling geven. ten. —urn (-tjoer), a. suikergebak. Comfort (kunffurt), s. troost; gemak; gegoed- 8. gemachtigde: commissionair. heid —, v. R. vertrooaten; verkwikken; (up) op CommIssure (kum-mis'ejoer), a. voeg, naad, beuren. —able, a. —ably, ad. troostelijk; aange- zoom. Imam, gemakkelijk. —ableness, s. aangenaamheid, Commit (kum-mit'), v. a. toevertrouwen, ongemakkelijkheid. -er, s. troosier;bouffante. —less, dragen; bedrijven; kerkeren. —neat, a. bedrija. troosteloos; onaaugenaam. ving, kerkering, bevel daartoe, —tal. a. gevanConsfrey (kum'frib.), a. waalwortel. genzetting; borg, —tee (•tie), s. commissie; Comic (kom'ik), —at, a. —ally, ad. koddig, boor- comae. —ter, s. bedrijver, misdadiger. tig. —alness, a. koddigheid Commix (kum-mike'), v. a. ondereenmengen ; Coming (kum'ieug), R. aanstaande; voorkomend. v. n. zich vereenigen. —tion (-tjun), —tare (tjoer), s. aankomet. — in, s. geldelijk inkornen. s. vermenging, mengsel. Comilla' (ko-miesji-e1), a. eene volksvergadering Commodl ous (ku.rn-mo'djus). a. —ously, ad. gebetreffend. makkelijk, geriefelijk. —ousness, a. geriefelijkComity (kom'it-ti h), 8, heuschheid; wellevendheid. heid, doelmatigheid. —ty (kum-mod'it-tih), a. Comma (kom'me), a. komma. belang, gerief, voordeel; koopwaar. Command (kum-maand'), R. bevel, gezag, heer- Commodore (kom'mo-door), a. vlootvoogd; achappij. —, v. a. bevelen; bestrijken; ter be- kommandant van een eakader. achtkking hebben; v n. bevel voeren. —er, s. common (kom'mun), a. alledaagsch, gemeen; gebevelhebber; kommandeur; plavethamer; been- rneenschappelijk. a. gemeenteweide. —council, lade. —ery, a. babe; ridderschap, kommandeur- gemeenteraad. —crier, stadsornroeper. — hall, sehap. —meet, a. bevel, gebod. —a, s. (de) tien raadhuis, gemeentehuis. —law, oude ala wet geboden. 8. heveivoerderett, gebiedeter• erkende gebrutken, koatumen. —place, s. geCo immaterial (kom-me-teri-e1), a. gelijk van stof. meenplaats. —place, a. alledeagech , bekend. Comutemora ble (kum-mem'ur-ribl), a. ge —place-book, boek voor aanteekening onder aldenkwaardig. —te, v. a. herdenken, vieren. —lion gemeene 'words', —pleas, gerechtahof voor bar(-ree'8jun), a. gedachteniaviering. —tire, —tory, gerlijke taken. —prayer, algemeen kerkgebed. a. herinnerend, gedachtents, —report, volkaoverlevering. —sense:. gezond var. Continence (kum-wens'), v. a. & u. beginner, stand. —weal, —wealth y gemeenebest, etaat. aituvangen. —ment, a. aanvang, begin. Common (kom'eaun), v. 0. gebruik oaken van. Commend (kum-mend'), v. n. aanbevelen, prij- de gemeenteweide; te zamen eten. —able, a. gezen. —able, a. —ably, ad. loffelijk. —ablcness, s. meeroschappelijk. —ape, s. gemeenterecht, —ally, a. (de) stnalle gemeente; (het) Kerne.. —er„ a. prijzenswaardigheitl. —al ion (-dee'njuD), ar. aanbe- burgerman; lid van het Lagerhuls; aandeelheb • Veling; lof. —atory, a. tianbevelend. —er, a. prtjzer.
biliut; clog, shackles, fetters; pulley; suit (Wien); block-hesd. -bead, statue. -Au lt, biotichouse, prison. -Overiy , plodding. -lood, piglead. -noes, flat seam. -sehijf, pulley. -tin, block-tin. -wages, truck. -silver, silver in bars, - in wedges. -bennsaker, bloakmaker. Blokk ado, v. blockade. -wen, ov. w. to blockade, to block-up. -tering, v. blockade. -en, on. w. to plod, to toil. -er, m. plodder, toiler. Bland, by flaxen, light, fair. - en Haute class, to letter in black and blue. -harig,light-haired, with flaxen hair. -e, m. & v. fair man, fair woman. -e, v. blond, blond-lace. -je, o. fair
rig. —, s. buikloop, (-cc'. sjun), s. losmaking, verslapping; los-, alapheid. —attre (-e-tiv), a. ez a. buikontlastend (middel). —ativenesa (-e-tiv-), a. loamakende eigensehap, —ity, —neon, s. losheid, elapheld. Lay (lee), s. leek; graa-, wetland; laag, schieht; gezang. Lay (lee) [laid (leed)], v. a. leggen, zetten, pi/Lateen; op-, neerleggen; temperen; doen hedaren; verwedden; verlossen (eene kraamvrouw). to, aanspraak maken op, elschen. — the cloth, de tafel dekken. — to heart, ter harte nemen. — hold on. aangrijpen. — level, slechten. — a plot, eene samenzwering smeden. — taxes, belastin gen heffen. — a wager, wedden. — waste, verwoesten. (against) beschuldigen van. (aside) ter zijde leggen; laten varen. (before) voorleggen. (by) ter zijde wogieggen; bewaren; afdanken. (down) nederleggen; in bewarilig geven; betalen; vastetellen. (forth) ten toon atellen. (in) op-, inleggen; inalaan. (off) weg , afleggen. (on) opleggen; schulven op. (out) uit-, aanleggen; inrichten; te koste leggen (on, aan); afleggen (eon lijk); toonen. (over) bedekken, beleggen. (to)toeechrijyen, wijten; inapanncn. (under), onderwerpen aan. (up) opzamelen, aparen; onttakelen; onbebouwd laten; he.t bed doen harden. —, v. n. eieren leggen. peinzen; atreven, trachten. (about) om zich been glean; zich dapper weren. (at) ela R11 inter; te lijf twillen. (for, in for) het voerzi.• hebben op; belagen. (on) er op Caen. (out for) trachten near. (upon) aandringen bij; dringend verzoeken. Lay (lee'), a. wereldlljk, leeks-. —brother, leekebroeder.—days,ligdagen. —figure, ledepop.—land, braakland. —man, leek. —stall, mesthoop. Layer (lee'er), a. melaatsche. —house, lazaret, pesthuis. —wort, lazarue kruld. Lazaret (lez'e-ret(, —to (-ret'to), a. inzaret, pesthuis. La. y (lee'zlh), a. ily, ad. lui, traag. —iness (-zi-ness), a. luiheid, trangheid. Lea (lie), a. weide; graavlakte. Leach (lieter), a. loogasch. —tub, loogkuip. —, v. a. ultloogen. Lead (led'), s. load; dieplood. —color, loodkleur. —mine, loodmijn. —ore, looderta. —pencil, potland. —shot, bagel, schroot.—work,loodgieteru.—, v. a. met load dekken. —en (led'n), a. looden. —a (ledz), pl. looden dab. —y, a. loodachtig. Lead (lied ), a. telling; voorhand; uitstoot. to take the —, aanvoeren. Load (lied') [led], v. a. & n. lelden; aanvoeren, heerschen; bewegen; verleiden. —er, a. )eider, aanvoerder; voorganger. Leading (liedleng), s. Jelling, bestuu, —, a. leidend; aerate, voorste; voornaamate. —article hoofdartlkel. —card, eerst opgespeelde kaart. —hand, voorhand. —horse, eadelpaard. —man, voorganger, nenvoerder. ringa , leiband. Loaf (lien, a. blad; vltugel. —brass, bladkoper; klatergoud. —bud, bladknop. —gold, bladgoud. —silver, bladzilver. —stalk.,bladsteel. —, v. n. bladeren krijgen. —age, a. gebladerte, loaf. —ed (lief(), a. gebladerd. —less, a. bladerlooe. —let fli t), a. blaedje. —p, a. bla‘Prrijk.
Ablegat a (ebni-geet), a. pauselijk afgevaardigde. —, v. a. avaardigen. —ion (-gee'sjun), s. afvaardiging. Ablepsy (eblep-sih), a. blindheid, onbezonnenheid. Ablet (eb'lit), a. bliek, blei, witviach. Allen (eb'len), a. Zie Abiet. Abligate (ebni-Beet), v. a. afbinden. —ion (-gee' akin), a. afbinding. Abligurition leb-it-gjoe-ria'sjun), a. verbrassing. Abiocat e (ebilo-keet), v. a. afhuren; verpach^ ten. —ion (-kee'sjun), a. afhuring; verpachting. Ablude (eb-ljoed), v. n. Abinent (ebijoe-ent), a. reinigend; afdrijvend. —s, s. bloedzuiverende middelen. Ablution (eb-ljoe'sjun), a. wassching, 'reiniging, waachwater. Abnegat e (eb'ni-geet), v. a. verloochenen. —ion (-gee'ajun), a. verloochening. Abnodat e, (eb'no-deet,, v. a. afkappen van knoeaten; toppen. —ion (-dee'sjun), a. afkapping; anoeitng. Abnorin al (eb-nor'mel), a. van den regel afwijkend. —ity (-mit-tih), a. onregelmatigheid; mismaaktheid. —out, a. onregelmatig, wanataltig. Aboard (e-boord"), ad. aan boord. Abod a( e- hood'), a. verblijfplaats,woning.—ement, a. voorteeken; voorgevoel. a. voorapelling; voorgevoel. Abolish (e-bol'iaj), v. a. afschaffen; opheffen. —able, a. vernietigbaar. —er, a. afsc h offer. —meat, a. afachaffing; opheffing. Abolition (eb-o-its'sjun), a. afschaffing; vernietiging. —ism (-hell, a. de afschaffingspartij; hare beginselen. —ist, s. afschoffer (der slavernij). Abomin able (e-bom'i-nibi), a. afschuwelijk. —ate, v. a. verfoeien, verafachuwen. —ction (-nee'sjun), a. verfoeitng; gruwel. Aboriginal teb-o-rid'tji-nel). a. oorspronkelijk. —s, or ill:origives (eb-o-rid'zji-niez), a. vroegate bewonera. Abort (e-bort'), v. n. ontijdig bevallen; mislukken. —ion 1-bor'sjun), a. miskraam; onttdige geboorte. —ire, a. ontijdig geboren; miolukt. —ively, ad. ontijdig. —iveness, s. ontijdigheid. Abound (e-baound"), v. n'. in overvloed zijn; (in, with) overvioed hebben van. About (e-baut"), ad. rondom; omatreeka; hier en dear. prp. bij; om; betreffende; tegen. to be bezig zijn met; op bet punt zijn om. to bring —, ten uitvoer brengen. to go —, lets in bet achild voeren. round — way, s. omweg. Above (e-buv"), ad. boven; omboog, hier boven. prp. hooger over and —, boven en behalve. dan, meer don; te hoog voor; over. —all, vooral. —board, —dock, ad. gevrijwaard; recht door zee. onverbloemd. § —one'sbend,boven iemanda bareik. Abra de te-breed'), v. a. afwrijven, afschaven; ondermijnen. —sion (-13ree'ljun), a. afschaving; slijmverdunning. Abreast (e-breat'), ad. naast elkander. Abreption teb. rep'sjun), a. roof, wegvoering. Abridg o (e-bridzj'), v. a. verkorten; beknopt maken; berooven van. —er, s. bekorter. —meat, a. verkorting; vermindering; uittrekael; kort begrip.

cryptogeld kya hai


the chore, Diana. —hind, hound, —horen, buglehorn. —Awls, hunting-box. —kleed, hunting-dress. — wester, great-huntsman. —net, hunter 'a net. — paard, bunter. —partij, hurting-party. — recht, game-laws. —aneento, drIft-snow, sleet. —.pier, —sprint, hunter 's spear. —stoet, hunting-pasty. —is:id, hunting - time, • season. —veronaak, pleasures of the chase, sport. —vogel, hunting-bird. hawk —warande, warren, park, vivary, —wet, game •law. — tvezex, concerns of the chase. ven ery. en, on. & on. se. to hasten, to make haste, to hurry. —ig, by. hasty, hurried. —igheid, v. hastiness. JaeobUn, m. white-friar, Dominican; Jaecealn. Jagen, en. & on w. to hunt, to chore; to draw a boat ; to drive., to ride ; to pursue ; to hurry. op kusten —, to put to expenses. Jager, m. hunter, huntsman, sportsman chaser; rider; chasseur. —meester,great-huntsman.—effuit, hunter's whistle. -8.1441, return. —epet, hunter 'a cap. —utak, hunter 's piece. —Meal, hunter 'a cant. —staseh, tie liVeitanels. —ea, v. huntress. Jak, o. jacket, short gown.

Kun je geld kopen Bitcoin verliezen


YOR.—PAL Imperfect Tense or Past Participle. Forgot, i. & p. p. Forgotten, p. p. Forsook, i. Forsaken. p. p. Fought. i. & p. p. Found, 1. & a. p. Fraught, I. & p. p. Froze, i. Frozen, p. p. Gave, I. Galt, I. & p. p. Gilt, 1. & p. p. Girt, & p. p. Given, p. p. Gone,p. p. Got, & p. p. Gotten, p. p. Grew, i. Ground, i. & p. p. Grown. p. p. Had. i. Hes 7d, f. & p. p. Hold. i & p. p. Heipt, & p. p. He Hid,1.& p. p. Hidden, p. p. BUJ. &p.p. Hove, 1. Hovers, P. P. Hung, 1. & p. p. Hurt, 1. & p. p. Xept, i.& p. p. Knelt, i. & p. p. Knew, I. Knit, 1. & p. p. Known, p. p. Laden, p• p. & p. p. Lain, p. p. Lay, 1. Leant, i. & p. p. Leapt, i. & p. p. Learnt, & p. p. Led, 1. & p. p. Left, i. & p. p. Lent, i. & p. p. Lent, 1. & p. P. Copt, 1. & P. P. Let, 1. & p. p. Lift, I. & p. p. Lit, i. & p. p. Leaden. p. P. Lost, i. his p. p, Made,1. & p. p. Meant, I. & p, p. Met. I. & p. p. Might,i. Makes, p. p. Mown, P. P. Must, I. Ought, I. Patd,i. & p. p.
427 Centerboor, 7. centre-bit. Corecnoni a, v. ceremony; —meester, mister of the Germanism. —eel, by. cermonial; o ceremonies. Ceroesa, o. seroon. CertIlicaat. o. certificate. Cereals, o. ceruse, white-lead. Cervelaet-worst„ v. Bologna eauaage. Cassie, v. cession. Ceautar, v. centre. Chaim, v. chalee. Chaos, rn. chaos. Charter, a. charter. Chef, m. chief, head, leader, superior. Chertepartij, v. charter•party. Cherub. Chercab(ln, m. cherub. Chtil, v. chyls —makend,—vormend, chylifsetlee. —achtiy, by. obylous. Chirur gie, v. surgery. —y(tn, us. enrgeon. Chloor, o. chlorine. —balk, chloride of lime. Chocolade, v. chocolate —ban, —hetet, chocolate-pot. —keekje, chocolate-drop. Chriet bw. christian (-(y). —en, In• —in, v. cbristian, —endons, O. e,r2stendom. —enheid , v. c brie tandom. chrietianity. —se, on. Christ; --beeld, image of Christ. Chronisch, by. chrontcal. Chronolog le, v. chonoloey. —itch, by. chronological. Chrysollet, m. chrysolite. Cichorel, v. succory, Cider, m. cider. CUifer, o cipher, digit. in —I echrijven, to write In (by) cyphers. acne not in het — Om, to rtar.d for a cipher. —bock, book of arithmetic. —kunst. arithmetic. —letter, cipher. —wester, arithmetician, ciphering-master. —schrift, cipher; Meganography. —car, tn. accountant, reckoner, arithmetician. —en, on. w. to cipher, to cast accounts. CUns, no. tribute: cense. —recht, light of Aeoylng a tribute. —boar, —plichtig, by. tributary, Clilnder, m. cylincier.Lhoriopa, cylinder-, leverwatch. —lamp, argand-la*np. —vernag, cylindric. Cinsbaal, Cinsbel, v. cymbal. Cipler, m. jailor, keeper. Capron, m. cypreso. —seboons, cypress-tree. Circa, bw. abaft. Wren* afire, v. circular (letter). —atie, v. circulation. —eeren, on. w. to circulate. Carter!, m. circle. --hoop, arch. —roe /nig, circular. —elate, surface surrounded b ij a circle. Citadel, v. citadel, fortress. Citer, v. aithern, guitar. —drand„ brush-wite. —spa, guitar-playing. —*peter, guitar-player. Cito, bw. quickly. Citroen, in. lemon, citron. —boom, lemon-tree. —peel, be. citrine. —hout, candle-wood. —kleur, lemon-color. —kruid, coin:non balm. —sop, lemon. , lemma. juice, lemonade. —schil,lamon peel.• custard. --zuur, lemon-field ; zest, citrate. Civet, o. cleet. —kat, civet-cit. Civiel, be. civil; reasonable, chap. Classicaal. by, class , simultaneous. — onderteijsen, to teach in classes. Classiek, by. & bm► . classical (-ly).
UNIT--UNX. 324 Unintellig ant (un-in-telnid-z)ent), a. onkunUnhewn (un-joen 5 ), a, onbehouwen, ruw. —ibleness, s. severdig. Unbidden (un-hid'dn), a. onverborgen. staanitarhe!d. —We, a. —ibly, ad. ouvetstaanUnhindered (un-htn'durd), a. ongehinderd. Unhinge (un-hindir), Y. a. uit de hengsels Lich- bum Unintentional (un-in-teu'sjun-e1), a. —ly, ad. ten; tat zijn verband rukken, orniteerea. onopzettelijk. Unhit lun hit'), a. niet getroffe.n. Uuinter ested (un-in'tnr-est-id), a. belangeloos; Unhitch (un-littsrl, v. a. athaken. riet betrokken (in). —silted (-mit'tict), a. onUnhurt if y (in-ho , 111-11h), ad, —y, a. onhailig, s. onhetiigheid. afgebroken. —mixed (-mike(?), a. onvermengd. goddeloon. —rupted, a. —ruptedly, ad. (-rupt'id-), onafgeUnhonored (un-oreurd), a. ungeierd. Unhood (un-heed';, r. a. de kap afnernen. —ed, broken. Unin tired (un-in-joerd'), a. niet gewend (to). a, zonder kap. —vented (-vent'id), a. onuitgevonden. —reeled Unhook (vn-hoek') v. a. loehaken. (-vest'id), a. niet bekleed; niet belegd. —restigable Ulaboop (un-hoepl, v. a. van howls ontdoen• (-vest'l-gibl), a. onnaspeurlijk. —riled (-vaj'tid), Unikope d (un-hoopt'), a, — tor, ongehoopt. a. ongenood. (-hooploel), a. hopeloos. fret Unhorse (tin-horn'), v. a. van het paard werpen. Union (joe'njun), s. vereeniging; eendracht ; Unhositile (un-hotrtil), a. Met v(jandig. Unto. —flag, natlonale ',lag (van Groot- BritUtabousta lun-haue), v. a. uit het We jagen, tannii). Uniparotio (joe-nip'e•rus), a. tin Jong werpend, aan den dijk zetten. Unhumbled (un-hurebld.), a. onvernederd. Unique (joe-niek'), a. eenig. Unison ijoe'af-sun), s. een-, gelijkstemmigheid; I.Johring (11.1 hung') a. ongehangen. overeenstemming. —, —ant, —ous (-n;s'o-), a. Unhurt (un-hurt'), a. ongedeerd, onbeschadigd. gelijkstemmig, -klinkend. —Ail, a. —fully. ad , onachadalijk. Unit (joe'nit), e. eenheid. —anion (-ee'ri-en), a. Unbusk (un huak`. ), v. a. pelien, doppen. Uni corn (joe'ni-korn), a. eenhoren. —form, s. unitarts. —e (-neje), v. a. vereenigen; v. n. zich uniform. —form, a. —forstly, ad. eenvortnig. ver,nigen; itch verbinden; aaneengroelen. a. ad. (-najt'id), vereenigd, gezamenlijk. —fortuity (-form'i-tih), s. eenvormigheid. —genus —y, s. eenheid; overeenstenrning. (-ni 4'0e-tins), a. van din geslacht. —lateral (-let'- Univalve (jotent-volv), a. eensehalig. ur-el), a- eenztjdig. unItn aginable (un•int-ed'zji•nibi), a. ondenk- Univers at (joe-ni-vers'el). a: —ally, ad. Opmeen. —ality (-erit-tili), a. algerneenbeid. —e ium, —paired (-peerd'), a. onverzwalkt; onge- Ijoe'ni-vurs), s. heelal. —lip, a. huogirachoot, nehonden. —passioned (-pesj'und), a. onharts- universiteit. tochteltjk, bedttard. —peaehable (pitts'ibt),j a. niet to betchuldigen, onberispelijk. —peached Univocal (joe-niv'o-kel), s. & a- (woord) met slechts dine beteekents. (-pietajt.'), a. onbeethuldigd. —peded (-pie'dfd). a. ongehinderd. —portant (-port'ent), a. online- Unjoin (un-dzIojn'l, v. a. seheiden. —t, v. a. ontleden; ontwriehten. —ted (-tid), a. ontleed; langrijk. —pitted I-poozd'), a. vrijwillig. —posing ontwrieht; zonder gewricht. I-Po'zieng), a. n'et indrukwekkend; vrijwillig. Unimprov able (un-im-proev'tbI). a. onverbe- Uejoy tut (an-dzjorfoel), —ous, s. niet vrooltjk, nedralachtig. terlijk. —ableness, e. onverbeterlijkheid. (-proevd'), s. onverbettrd, onbeechaard; onge- Unjudged (un-dzjudzjd'), a. onbeourdeeld, onboalist. bruikt. —ing, a. niet verbeterend. Uninaputabl• (an-im-pjoe'tibl), e, niet toere- Unjust (un-dzjust'), a. —1y, ad. onrechtvaardig, onbilftjk. —nese, s. onrecbtvaardigheid. kenbaar. Unin alined (un.in-klajnd'), a. ongenegen, Unjustlit able (un•dzjnet'L-faj-ibl), a. —ab'y, ad. niet te rechtvaardtgen, onverantwoordelijk. —debted (-det'id), a. condor achulden; niet ver- schuldigd. —different (-dirfur-eat(, a niet on-—ablenese, a.onverantwoordelijkheid. —ed (-fajd), a. ongerechtvaardigd. verachilPg; niet onpartijdig. —dulyent (-dui', dzjent), a. niet toegevend.—d,.trioua (dus'tri-utt), Unkennel (un-ken'n11), v. A. nit het hok of hol drtiven; te voorschijn brengen. onbedtlivIg. —fected 1-fekt'idl. a. niet a. onbesmet. —famed(-fleemdl, a. nietontvlarnd. Unkepi (un-kept'), a. niet gehonden., — nage-flammable (-flenemibl)„ P. . niet OntvImbartr. komen. —flueneed (-in'iloe-enst), a, or!) van invloed. Unkind (un-ka)nd'). a. —ly, a. & ad. onvriencle(-1i-nese)„ —nest, a, onlijk. lieideloos. -formed (-POP.Cr), a. niet onderrieht. —onto. vriendelijkheid. (-dzjen'joe-us), a. niet openharttg, niet oprecht. Unintiobit ethic (un-in-heb'it-ibP, ,abewoon- Unklnlq (un-ki'ng') v. a. onttroonen. —!y, a. onhoar. —ableneis, s. onbewoonbaarheid. —ed (-id), koninklijk. Unkissed (un-kise), a. ongekuat. a. onbewoond. Unin lamed (un-in'dzjoerd). a. onbeleedigd; on- Unknelled (un-neld'); a. zonder geld der doodbesehadigd. klok. ouisitive (-kwh'i-ttv) , a. niet —spired nieuwaglerig, (-spajrdn, a. niet bezield; Unk•lghtly (un-najt'ith), a. onridderlijk. niet ingegeven. —strueted (-strukt'id), a. niet Unknit (tin-nit') [ire.], v. a. loetrekken, losonderwezen; zonder voorsehriften. —struetive waken. 1-strukt'lv), a. oniserzaam. —eared (-sjoerd'), a. Unknot (un-not'), v. a. nit den knoop doen; lonmaker. onverzekerd.
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-
ilagwr (hee'gur), w. Hagar. Hague (heeg), g the —, 's Gravenhage, den Haag. ilinilibrots(heePhron),g. Heil bron. Hsiesanit (heen'aolt). g Henegouwen. 11 . 1 (hel'), f. voor thnry; Hein. —ifax (-1-fekn), g. Halifax. Clam (hem'). m. Cham. burg (-burg), g. Ha.nalArg. Hanna (hen'ne), w. Hannah. Hanover (hen'o-vur), g. Hanover. —ian (-vi'rien), a. Lionnover,ch; i. Hanovcraon. Manse (hens), h. Henze, Slants (bents), g. Hampp hire. Har dy (hear (1, h), m. Hardy. —man, m. Herman. (her'util), m, Harold. --pies (-pi-lez), my. Harpijen. Harr it (heart-et), --(at (-ri-ut), f. roar Henriette; Jetje. —is, in. Harris. —y, f. roar Henry; Hein. Harvey (haar'vlb),m, Harvey. Harwich (her'itsj),g. Harwich. Hastings (hees'tiengz), g, Hastings. illas'araufth , he-ven'ne), g, Havanna. Havre (haavr), g. Havre. Hawthorne (hao'tburn), m. Hawthorne. Hayti (hee'til,g. Haiti. Het. (hi' bii, my, Hebe. 1114abridei(heb'ri-d.ez). g. the —, de Hebriden. Hecate (hek's-tt, hek'et) s my. Hecate. Cleric (hek'iv,), g. Recta.

cryptogeld-update


This method of voting was not accepted by some of the opposing Member States, who challenged the adoption of the decision before the European Court of Justice. Although the Court held that the adoption was procedurally flawed, it maintained the substance of the decision; a further decision, adapted in the light of the jurisprudence, was rapidly adopted by the Council of Ministers.

Heeft bank accepteren Bitcoin


Kool, v. cabbage. inland ente - stoves, to play a. o. a. trick. -bled, cabbage leaf. -gyres, esbbage. -hoes, hare of a cabbage-around. -krf, cabbage field. -leis, cabbage-louse. -meet, titmouse. -awes, cabbage-broth. -plant, cabbageplant. -apruit, cabbage-sprout. -afresh, cabbage-stalk. -toad, rape-seed. "toed, v. coal. -aarde, coals, -stef, carbon. -clefseer, carbonic acid. -.wart, coal-black. Koos), v. cheek. -slag, slap in the face. Koop, m. bargain, purchase. is -, to be sold. op den - toe. into the bargain. op dies -, on account of that, -en, ov. w. to buy, to purchase. -al, one that is eager to buy. - brief, -verdrag, bill of emption, contract. -reel, list of goods purchased. -daz, day of stale. -gierig, -graag, -sick, -rschtig, eager to buy. -handel, trade; commerce; - driiven, to trade. -lust, desire to buy. -lustig., deeirous to buy. -man, merchant; -sbcdiende, merchant'. clerk; -ageett, commercial spirit; -akonteer, com.merciel house, eetablishment. -.OW, mercantile style. -man&hap, v. trade; merchandise. -penningen, -tom, purchase-money. -prjjs, price. -stud, commercial town, trading-place. -raarder,-vcsardtjaehip, trading-vessel, merchant-man. -vaerdtj, commercial navigation; -Meet, fleet of merchantmen. -croon", (female) trader, - dealer, tradingwoman. -wear, merchandise. -er, m. -stet, v. buyer, purchaser. -je, o. (good) bargain, dead bargain. Koor, o. chorae; choir; chancel. -beer, canon, prebendary. -kernel, alb. -kind, -knaap, Aster. -kap, ehasuble. -bleed, -rok, surplice. -lamp, lamp of a choir. -non, officiating nun. - stoei, stall. -sang, choral. -ranger, chorister. Koord, v. & o. cord ; string. -edansen, ropedancing. -edenser, -edanseres, rope-dancer. Koorn, o. Zie Koren. Koorts, v. fever. koude -, ague, shakes. beets -, burning ague. -bast, Jesuit's bark. -dee, day of fever. -drank. febrifuge potion. -Mite, heat of the fever. -middet, febrifuge. -tip (-ear), time (hour) of the fever. -ackfig, -ig, ho. feverish, aguish. -aektighetd, -igkeid, v. feverishness. Koot, v. hackle-bone. -en, on. w. to play at huekle-bones. Kooz en, on. W. to daily. -er, m. dallier. --sr0, v. dalliance. Kop, m. head, pate; Joie (van eon calm); brains, sense, men, soul, hand; cup, dish; cupping-glass, cup; bowl (saner ptip); litre. -beet, head-bolt. -auk, head-piece. -peezetter -pensetster, cupper. Koper, o. copper. god -, brass. rood -, copper. - berg, -rnijn, copper-mine, -dread, brass wire. -erte, copper-ore. -geel, brass-colored. -geld, copper, copper sofa. -gerei, coppers. -.Oder, brass-founder. -gieter(i e brass-foundery.- green, -roest, verdigris. -rsolen, copper-mill. -rood, copperas, vitriol. -slayer, -amid, copper-smith brazier. -8/agerij, brazier 'a workshop. -seede, copper-plate, engraving. --steker,eograver.-werk.

tiA14.—HA1'. Loog. — breadth, handbreedte. —cloth, zakdoek. —cuff, a. handboei; v. a. boeien. —fast, hechtenue. —fetter , handboei. handvol. —gallop, handgallop,driesslag. —gearing, atuurtoestel (aan locomotieven). —glass, glazen klok. —grenade, haedgranaat. —gun, geweer. —kerchief, zie beneden. —language, vingerspraak. —loom, handweefgetouw. dienatmaagd; kamenier. handmolen. —rail, belie, lettering. —sails, kleine zeilen. —saw, handzaag. --screw, handechroef; domtnekracht. —seizing, bovenbindael. —spike, handapaak, knevel. —staff, werpapiea. —stroke, handalag. —tiller, roerpen, —vice, handschroef. --weapon, handwapen. —woman, vroedvrouw. —work, handenarbeid. —writing, achrift, schrijfhand. Mandl craft (hend'i-kraaft), a. handwerk. —crafts-man, haudwerks-, ambachtsman. —ly, ad. handig. —ness, a. handigheid. —work, hendenarbeid, -werk. Handkerchief (heng'kur-tsjif). s. dock; zakdock; halsdoek. pocket—, zakdoek. Handle (hen'd1), s. handvateel,• steel; hengel, hengsel; zwengel; gevest; hecht; aanleidinpa voorwendsel. —, v. a. bevoelen, betasteu; hanteeren; behandelen. Handless (hend'less), a. zonder handen. Handsel (hen's11), a. eerate gebruik; haudgift. —, v. a. voor de eerate maal gebruiken; handgift geven. Handsome (hen'sum), a. —1y, ad. fraai, lief, sierAjk; hupsch; geriefelijk; grootmoedig. a. fraaiheid; sierlijkheid; hupschLeid;kieschheid. Handy (hen'dih), a. handig; knap. —blow, slag met de hand. —dandy, handjesspel. —gripe, greep met de hand, aanpakking. —stroke, slag met de hand. Hang (heng') [Mote]. v. a. opbangen; behangen; neerlaten. (down) laten hangen. (out) uithangen. (up) ophaagen; verschuiven. —, v. n. hangen, zweven; afhangen (back) dreier, (en) zich hechlarge —, text — (round —), small —, running —, ten ann.; afhangen van. (on, upon) aanhangen; groot, middelsoort (staand), klein, loopend schrift. with — and heart, met hart en ziel. of tot last zijn. (to) aanhangen. —dog, galgebrok. —man, beul. —nail, groote nijdnagel. —by, a. quick —s, handig. to be — rand glove. twee Minden op edit' buik zijn. all —a high! overall at afhangeling. —er, a. hanger; hengsel, hank, hartsur-ore), a. afhangeling; tafelvanger. —er-on, Ano —, in geen geval. at the —s of, van wege; van den kant van. near at —, aanstaande. by —, vat achuimer. de hand. by the —, of, door tueschenkomat van. Hanging (heng'ieng), a. hangend; de galg verdionend. s. ophangtng; behangeel. —room, van de from — to mouth, gelijk op. even —a, droogkamer. haul in den tend. to go — in —, met gemeen overleg to werk gaan. now in —, onder handen, Hank (hengk), a. streng garen; strik, kuoop; in de maak. to fall in —s with, beginnen. money invloed; maatband; stagring. —, v. n. tot stren• in —, geld in handen; content. to take in —, gen maken. hunkeren, sueginnen, onder handen nemen. off onvoor- Hanker (hengk'ur). v. n. (after, for) sterk verlangen near. —ing, a. gehunker, aterk bereid; van de hand. out of —, op etaande vast. verlangen. money out of —. betaald geld. — to —, man tegen lianseatIc (hen-ei-et'ik), a. hanzeatisch. —body, man. — over head, hats over kop. hanzevetbond, (de) Haim. Hand )head'), v. a. overhandigen, aanreiken; hanteeren; geleiden; beelaan (een zeil). — (about) Ilanse.town (heria'teauu), a. hanzestad. Hansom (ben'sum), a. 'wort van huurrkitnig. inpalmen; (in) rondgeven. (down) overleveren. hrengen (helpen) in. (out) uitleidei. (over) over- Hap (hep'), a, toeval; tref,geluk. —hazard thez'urdl, a. bloot toeval. —less, a. onge1ukkig. —/y, ad. reiken, overerengen. a. hand aan band; misschten, mogelljk. met handen. —er, a. overhandiger, overbrenger. Hand (hend') [in samenst.] —barrow, berrie. Happen (hep'pn.), v. n. gebeuren, voolvallen. (upon) aantreffen. —bill, —basket, hentelmand. —bell. tafelschel. hit jet, ktffiche handbook. —bow, hand- llapp mesa (hep'pi-uese), a. geluk; gelukzallg130


D. Dacia (dee'sji-e), g. David. Diana (daj-ee'ne),, my. Diana. Dick (41k), —y, f. none Richard. llaleearles g. Dalecarlid. Dickens (dik'nz). m Dickens. Dalmatia (del-mes".jt-e), g. Dalmatie. Dieppe (di'ep), g. Dieppe. Damage o (de - mes'k0). Dsmatcus• Dinah (dente), w. Dine. Dan (den), f. voor Daniel; Daau. Dan a (dean'), 1. Been. —bob, a. Deensch. Diocletian (daj-o-kli't.ji.en, tn. Diocletiaan. Dlogenes (dej-od'sje-niew), m. Diogenem. Daniel (den'i-11), m•lite , . Dionysius (daj-ontari-us), m. Dionyaine. Dantzie dent'e)k), g. Witting. Dole (doeb), f. voor Robert; Rob. (.ien'joeb), g the —, de Donau. de Dar- Doll (doll'). —y, f. vane Dorothy,. Door, Doortje. Dardanelles (dagede-nels), g. the Dominic (dowe1-111k), na. Dominions. danellen. Domitlan (do - whiff-en), zn. Domitiaan. Dartmouth (daart'muth), c. Dartmouth. Donald (don'eld), m. Donald. Dauphiny (daolin-ih). K. Dauphin6. David (dee'vid)„ m. David. —y, f. , 00rDautd; Deaf. Donegal (don'ts-gaol), g. Donegal. f. voor Deborah. —orals (-o-re), Dorothy (dor'uth-ih), vv, Dorothea. Deb (dele), w. Debora. Douglas Idug'lea), m. Dangle.. D eelttiae (di'sji-um), DEcius. Dover (do's- tit), g. Dover. the straits of —, het Nauw van Calais. Defoe (de - fo'), an. Defoe. Delaware (del'e-wear), g. Delftware. Downs ((halms), lit. the — Doing. — (derhsj), Dryden (drardn), tn. Dryden. Delhi (den). K. Delhi (in Br. v. Delhi in N. Amerika). Dublin (dabnin), g. Dublin. D•tmerigra p. Demerary. Duero (doe - ee'ro), g. the — , de Douro. Demosthenes (de-mos'the-niez), m..Dexnosthe- Dumfries (dum•fries' ► . g. Dumfries. Dundee (dun-die'). g. Dundee. nen. Dungeness (dun-dsje.ness'), g. Dungeness. De.' io (den'is), —nil. f. vane Dioayaies; Dija. Dunkirk (dun-kark'), g. Duinkerken. D eipratark (deo'neeark), g. Denemarken. Danny (dun'nih), f, voor Anthony: Toon. Deptfort (det'fard). g. Deptford. ,Dutch (dote)'), a. Hollandsch; 1. Hollandsch; 1. Derby (dur'bih), g. Deity. the —, de Hollanders. —man, i. Hollander. D eride (der'11‘), m. Dlederik, Dirk. flowlina (dwaj'ne, dwi'ne), g. the —, de Dwina. Deuce - Pouts (doe.paon'), g. Tweebruggen, Devon (dev'un), g. Devon. I Ly (daj), f. your Diana.
(-tet'), a. quartet; vierregelig vers. —ile ( -11 1),gaspect van 90 gradon. Quarto (kwaor'to), a. quarto. —, e. quarto-formeat; kwartijn. Quartz (kwaorte), a. kwarts. —rhombic, gemeen veldapaath. —rock, kwartarots. —sinter, kwartarsinter. '--owe (-ooa), —y, a.kwarteachtig,kwartp-. Quash (kwoej), a. pompoen.—, v. a. ver pletteren; verniettgen; v. n. dreunen; romraelen, klokken. Quassation (kwes-eee'sjun), a. schudding. Quas3la (kwosri e), a. bitterhoutboons.. Quest (kwot), a. puietje, blein. Quaterconains (kee'tur-knznz), pl. bloedverwanten tot in den vierdeu greed; verre neven of nichten. Quateru Awry ,,kwe-tur'ne-rih), a. nit vier beataand. —ary, —ion (-ni-un), s. vitriol. Quatrain (kwot'reen), a. vierregelig ver,je. Quaver (kwee'vur), a. biller; achtate noet. v. n. vibreeren, ten triller waken. Ice'), a. kade, aanlegplaats. —age, a Quay kadegeld, kaaigeld. Queaclay ,kwietsj'ih), a. tri!lend; weifelend; onzeker. Queen (kwien) a. lichtekool, slet, sloerie. Quests Incas (kwrzl-ness), a. miaselijkheid. —y, a. miaselkjk. Queen (kwien'), a. koningtu. —apple, renet. —bee, bijenkoningin. —consort, gemalin van den regeerenden koning. —dowager, koningin-weduwe. —'s-head, postzegel. —'s-metal, wit metaal. —'a-ware, geel ateengo ed. —, v. n. de koningin apelen. —like, —ly, a. els (wsardig, ee. koningtn. Queer (kwier'), a. —ly, ad. wonderlijk, vreemd. —, v. a. in 't nauw (in verwarring) brengen. —ness, a. wonderlijkheid. (lamest (kwieet), a. ringduif. Quell (kwell"), v. a. bedwingen; dempen; v. n. afnemen. —er, a. bedwinger, onderarakker. Quench (kwentsr), v. A. biusschen, lesschen; or derdi uakon; vernietigen; v. n. bekoelen. — able, a. bluschbaar. lescbbaar. —er, e. biusscher; onderdruhker. —less, a. onleschbaar. Que.rcltron (knur sirrun), a. verteik, quercitroen. Querent (kwi'rent), a. eiscber, klager. Querisooniona (kwer i-mo'ni-u , ), a. —ly, ad. klagend, gaarne klagend. Querist (kwrrist), s. vrager. Quern (kwurn), a. nandmolen. Querpo (kwur'po), a. wambuts, vest. Querry (kwer'rib), a. Zie Equerry. Querulous llover'oe-lire), a. —ly, ad. klaagziek. —ness, a. klaagzucht. Query (kwrrih), a. vraag. —, v. a. ondervragen; betwijfelon; v. n. vragen. Quest (kwast),, a. (bet) aoeken; onderzock; aanzoek. in — of, zoekend near. —, v. a. & n. naaporen, zoeken, Question (kwesejun), a. vraag; onderzoek; twijfel; verantwoording; geschilpunt; verhoor; ptjnbank. matter in—, bewuate manic. to call in —, in ts,ijfel trekkers. to put to the —, op de pijnbank brangen. —a and commands, vnagspel. Question (kweat'jun), v. a. ondervragen, onderisceken; betwijfelen; v. n. vragen. —able, a. twij-

cryptogeld vs forex


a. heesterachtig. —et (-ret,), a. boompje. —ist (-rist), a. boomkweeker; boomkenner. Arbuscle (ear'bus1), a. heeater, struik. Arbute (aar'bjoet), a. aardbezieboom. Arcade (er-keed'), booggaanderij. Arcanum ler-kee'num), a. geheim. Arch (aartsj), a. boog; gewelf. —, v. a. welven. , a. —ly, ad. snaaksch, achalkach. —new, a. snaakschheid; sluwheid. —er, a. boogschutter. —ery, a. (het) boogschieten. —wise, a. boogswijze. In samenstellingen voornaamste, eerate. —angel (aark ern'dzjel), aartseneel. —bishop, aertabia. eche!, —bishopric, aartsbisdom. —deacon, aartsdeken. —duchess, aartshertogin. —duchy, aartshertogdom. —duke, aartshertog. —fiend, aortavijand. —heretic, aartsketter. —priest, aartspriester. --rogue, aartegebelm. Archaism (aar'ke-izm), a. verouderde spreekwijze. Archeoliog !cal (ear-hi o-lod'zjikl), a. oudheidkunde betreltend. —y (-ol'ud-zjih), a. oudheidheidkunde. Archetype (aar'ki-tajp), 8, oorspronkelijk modal. Archiepiscopal (aar-kje-pia'ko-pel), a. aartsbisschoppelijk. Archl pelago (aar-ki-pere-go), s. archipel. —tect (aar'ki-tekt), a. bouwkundige. —tectonic (-tek-ton'ik), a. bouwkunatig. —tecture (aar'kitek-tjoer), a. bouwkunde. —trove (aar'ki-treev), a. hoofdbalk. —yea (aar'kajvz), a. archieven. —vist (aaeki-vist), a. archivarius. Arctic (aark'tik), a. noordelijk. —pole. noordpool. Arcuat e (aar'kjoe-et), a. boo gvormig. —ion (-ee'sjun), a. bulging; kromte. Arden cy (aar'den-isih), a. hitte;1 bye, —t, a. —tly, ad. gloeiend; ijverig. Arders (aar-ders), a. braakgrond. Ardor laar-dur), a. hitte; ijver. Arduous (aar'djoe-us), a. eteil; moeielijk. —nes., 8. hoogte; moeielijkheid. Area (ee'ri-e), a. vlakte, opene ruimte; vlakteinhoud , Aref action (er-i-fek'sjun), a. droging. —y (er'ifaj), v. a. drogen. Arena (er-i'ne), a. atrljd- of renperk; vlakte. Aren nceous (er-i-nee'sjua), —ous (er'i-nus). a. zandig. Argent (aar'dzjent), a. zilveren; —ation 1-tee'sjun), a. verzilvering. —ine (- tajn), a. zilverkleurig; zilverkliukend. Argil (aar'dzjil), a. potaarde. —lout, a. leemen, van potaarde. Argu e taaegjoe), v. a. bewijie,n; betwisten; v. n. redekavelen. —er, a. bewijavoerdvr, wederlegger. § —fy (-fai), v. n. gewicht hehben; ten bewijze strekken. —went, 8. bewijsgrond; onderwerp. —mental (-ment'al) , —mentative (ment'e-tiv), a. betoogend. —mentation (-tee' ajun), a. bewijsvoering; gevolgtrekking. Argutc laar-gjoet'l, a. achrander, spItseondig. Aria (a'ri-e), a. aria, lied. Arid (er'id), a. droop, dor. —ity (e-rid'it.tih), —news, s. droogte; dorheid. Aries lee'ri-iez), a. ram (in den dierenriem). Aright (e-rajt'), ad. rechtop; terecht, in orde.

Overprize (-praje), v. a. to hoog schatten. Overtake (-teek') rim], v. a. achterhalen, in. Overprompt (-prompt'), a. voorbarig. —neee Wen; overhalen. (-prompt'), a. veorbarigheid. Overtask (-taask"), v. a. eene to zware taak Overtake (-reek'), v. a. heenelaan (apoelen) over. opleggen. Overrank ( renk), A. to welig. Overtax (-teks'), v. a. te zwaar belasten. Overrate (-reet'),v. a. te hoogstellen; overvragen. Ov erthrow,s.omverwerping;nederlaag.—(-thro'' Overreach (-rietsj), v. a. hooger reiken dan; [irr.], v. a. omverwerpen, omkeeren, verwoesten1 bedriegen, misleiden; aanslaan (van een paard). verslaan. —er (-thro'ur), a. omverwerper; ver-er (-rietsrur), a. bedrieger. Overread (ried') [inn.], v. a. over-, doorlezen; Ove w °64ther. w art (-thwaort'), a. dwars; wonderlijk, door lezen to sterk inspannen. eigenzinnig. —, ad, overdwars. —, prp. dware Override (-rajd') [irr.], v. E. overrijden; afrU- over. —, v. a tegenstreven, dwarsboomen. den, afjagen. Overilre (-aaje), v. a. to zeer vermoeienOverrligged (-rigd'), a. te zwaar takelwerk voe- Overthlle (-taj't1), v. a. to hoog betitelen. rend. Overtop (-top'), v. a. uitsteken boven; in el( Overripe (-rajp'), a. overrijp. —n (-raj'pn), v. a, echaduw stellen; to boven gaan. to rijp maken; v. n. te ri,jp warden. Overtower(-tau'ar),v. n. te hooge vlueht semen, Overroaat (-roost'), v. a. to sterk Braden. Overtrade (-treed',, v. n. to grooten handel Overrule (-root'), v. a. beheerschen; de over- drijven. hand hebben over; verwerpen. —r (-roel'ur), a. Overtrlp (-trip'), v. a. overhuppelen. overheeracher. Overtrust (-trust'), v. a. to 'eel vertrouwen. Overrate (-run') [Ern], v. a. voorbijloopen; over- Overture (o'vur-tjoer), a. opening, inleiding; dekken; verwoeeten; neertrappen; weer overzien; eerste slap; ouverture. overloopen- v. n. overstrooncen. —ner (-ren'nur), OverIure,a omverwerping,,omkeering.—(-turn'), e. verwoester. v. a. omverwerpen, omkeeren; vernielen; to gronde Overscrupulous (-skroe'pjoe-lus), a. al to riehten. —er (-turn'ur),s. omverwerper; vernieler. rauwgezet, at to schroomvallig. Overvalue (-verjoe), v a. to hoog schatten. Oversee, a. overzeosch. Overvell (-veel'), v. a. bedekken. Oversee (-sic') [irr.], v. a. overcien; over het Overvotc (-voot'), v. a. overstemmen. hoofd zien. —r (esi'ur),..opzichter; ermverzorger. Overwatch (-wotay), v. n. te veel waken. —ed Oversell (-sell', Lim], v. a. to dual, verkoopen. (-wotsj -t), a. nitgewaakt, overwaskt. Overact (-set') [sir.], v. a. omverwerpen; v. n. Overweak (-wick'), a. al to zwak. omslaan. Overweasry (-wi"rih), v. a. to sterk vormoeien. Overshade (-sjeed'), v. R. beschaduwen; ver- Overween (-wien'), v. n laatdunkend zijn. —ing„ duisteren. a. —ingly, ad. laatdunkend, verwaand. —ing, a. Overshaduw (-sjed'do), v. a. be-, overschadu- eigenwaan, inbeelding. wen; beschermen. OverweIgh (-wee'), v. a. zwearder zijn dan; Overshoot (-sjoet") [Ern], v. a. voorbijschieten; overtreffen. over....heen vltegen; v. n. to ver schieten. — one's Overweight. a. overwicht. self, te ver goan. Overwhelm (-welm') v. a. overstelpen (with); Oversight, a. overzieht; opzicht; vergissing; on- verpletteren. —ing, a. —ingly, ad. overstelpend; opletteadheid. overweldigeed. Oversize (-sajz'), v. a. bepleisteren, Overwing (-wieng'), v. a. overvieugelen. Overskip (-skip), v. a. overspringen; overslaan; Overwise (-wajz'), a. to wijs, eigenwijs. ontkomen. Overwork (-wurk'), v. a. te veel doen werken, Oversleep (-sliep') [irr.], v. a. verslapen. overwerken. Oversiip (-slip'), v. a. nverelaan, over het hoof,' Overworn (-woorn'), a. afgesleten; uitgepttt. .1.; lat-en doorslippen. Overwrought (-mot"), a. met work overladen; Oversnow (-ano'), v. a. besneenwen. te veel nitgewerkt. Oversold (-soold'), a. to duur verkocht. Overzealous (-zel'us), a. al to ijverig. Oversoon (-soen"), ad. al to vroeg. Owl form (o'vi-form), a. eivormig. —ne (-vaja), Overspeak (-spiek') [lm], v. a. verpraten. a. tot de schapen behoorend. —parnis (-vip'e rus), Overspent (-spent'), a. argemat. a. ei'olezgend. Overspread (-opted') [irr.], v. a. overdekken, Ovoid (o'vojd), a. eivormfg. zich verspretden over. Owe (sow'), v. a. schuldig zijn; te danken (te Overstand (-stend') [irr.], v. a. to vast (stokatijf) wijten hebben. --kg, part. schuldig; toe to blijven staan op. schrijven; -- to, ten gevolge van. Overstate (-steet'), v. a. overdrijven. Owl (Raul' ► , a. uil. to make an — of, voor den gek Overstep (-step'; v. a. overstappen; Gvertreffen. houden. —eyed, met uilenoogen. —glass, ttilenOver stock (-stole), —store (-stoor'), v. a. over- spiegel. —light, schemerlicht. —. v. n. sluiken, laden, to ruin voorzien. smokkelen. —er, a. slutker, smokkelaar, —et Overstrain (-streen'), v. a. overspannen; ver- (it), a. kleine tall. —ing, a. smokkelarij. —ish, rekken; v. n. zich te sterk inspannen. —like, a. uilachtig. Oversway (-swee'), v. a. overneerschen. Own (son'', a. elgen. —, v. a. bezitten; zich toeOverswell (-swell') Lim], v. a. overstroomen. elgeren; erkennen. —er, a. eigenear, reader. Overt (o'vurt), a. —ly, ad. openhaar, openl(jk. —ership, a. eigendomsrecht.
lead. —1(ist,—stuk, abacus,—mantel, cloak, mask, degnise, pretext. —riot, —stroo, hawm, thatch. — schild, wing-shell. --stem, ledger, coping-brick. —stet, woes- pillar, stanchion. —cart, body-color, opaque color. Mikan, v. blanket, qr lit, coverlet. —, ra dean; master. —achap, o, deanship, deanery. pek ken, ov. w. to cover; to clothe; to slate prat islet), to thatch (mat shoo), to tile (net pantsex), to shingle (met harden); to Wend, to protect; to shade teens teaming); to leap, to line; to answer (eon wised), to make good, to reimburse. de !apt - to lay the cloth. gedekt ace, to have security. —tar, in. coverer. —king, v. covering; security, reimbursement. —eel, u. cover, covering; lid; raiment; cloak. Del. v. dale. D•ltitof, v. mineral. —fel0k, by. mineral; HA, mineral kingdom. DeIg an, or. w. to eradicate; to pay, to sliek. —kg, v. eradication; payment, sinking; —.fonds, einking-fund. Delling,v. Pie Del. Doluw, bv. livid. Deli/ en, ov. w. to dig, to delve; Male de aarde —, to bury. —or, in. digger, delver. —big, v. digging, delving. Damp en, ov. w. to extinguish, to quench; to smother, to quell, to euppreso; to deaden (the sound ot); to fill up; to haul up (stn m. extinguisher, quencher; queller, suppteseor; mute. —ig, by. pursy, broken-winded. —20464 v. pursineee. —isg, v. extinguishment, extinction; suppression; filling up. Den,I. the; to the. Den, m. fir. fir-tree. —neboom,11r-tree. —nenboseh, forest of fir-trees. —nershost, sir-wood. —nen, by. of fir. Dank biter, by. imaginable, conceivable. bearacid, a. conceivableness. —el0k, by. probable; bw. probably, likely. — en, ov. & on. w. to think (of); (arm) to remember; to consider, to reflect, to muse, to ponder; to believe. to suppose, to imagine. to fancy ;• to judge, to intend, —beeld, idea, notion. teeldig, imaginary, ideal. —kraeht, —vernsogen, faculty of thinking, intellectual power. —mijse, manner of thinking; opinion.—end, by. thinking, rational. —er, m. —ster, v. thinker, reaeoner. speculator. Dior, 1. of the; to the. Deed*, by. third. —, m. third person, umpire. - v. tierce. o. third (part). —deer, third part. bv. two and a half. —ndaapsch, ha. tertian. Doren, or. w. to hurt, to injure, to harm, to ail; to give concern, to mike sorry. seal deert x ? what ails you? what is the matter with you? Dergeilik„bv. such, such like, similar. Derkelvo, bw. therefore, conaequently. Dermate, bw. is such a manner. so mush. Dorsi*, v. stratum of clay below the mud. Dart/en, tw. thirteen. —de, by. thirteeath. —dehalf, bw. twelve and a half. —tarsal, bw. thirteen times. —tai,o. (number ef) thirteen. Dertig, tw. thirty. —deep, by. of thirty days.

Wat is een Monero portemonnee


Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.
WAT.—Wite. Waylay (wee'lee, -lee') (tar.], v. a. belegen, beloertn. --er, s. belager, louder. Way leas (wee'less), a. ongebaand. —out, a. ult. gang. —through, a. clomping. —ward, a. —wardiv, ad. (-wurd-), eigenannig, verkeerd; geiselijk, nom)). —wardness (-wurd-), s. eigertzinnigheid; gemelijklietd. We (vh), pr. pl. wit). Week (wiek'), a. —ly, a. & ad. zwak„ slap; deicelijk. —side (oajd), zwakke ade. —en (wtek'n), v. a. verswakken. kwlek'n-nr), a. veeswak. ker. —ling, a. ewakkeling. —mese,ts. ewakheid,

Waar kan ik kopen goedkope Bitcoins


LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Zijn alle cryptogeld gedecentraliseerd

×