klonteGroin a (groom';, s. klonter. —ous, rig. —.mess, a. klonterigheid. r. knorren. —er, Grunt (grunt'), a. gel:nor. a. knorder; knorvisch. —ing, 8. geknor. —ling, a. jong varken. Gry Igraj), a. beuzeling, GUnial141k1 (gweele•kum), s. pokhout. Guano (gwa'no), e. guano (meststof). Guarantee (ger - en - tie), s. waarborg, borgblijv. a. instaan your, woe, vtng; gewaarborgde. borgen. Guarant or (ger'en-tur), s. borgblijver. —y, 8. &v. a. Zie Guarantee. Guard (gafird'), a. wacht; hoede; beachutting;stootOva (gen een' degen); beugel (over den trekker van geweer); conducteur; boordsel; stootkant. —s 8. Pjfwaeht. to be on —, np wacht On. to put' (throw) one off his —, ie.. and verrr.seen,(overrompelen), zorgel000 waken. —bout, —shipovachtschip. —chamber, —room. wachtkamer. --house, wachthuis. —irons, hentlijzers. Guard Igaard'), v .a. bewaken; beschutten (against. from). —, v. n. op zijne hoede ?Ain, zich burden, (against. from). —aye, a opzitht van voogdes. —ed, a. —edly, ad. behoedzaam. —edness, 8. behocdzaa;nheld. —er, a. wachter, bewaker. —less, r. Weerloos. Guardian (gear'di-en), 8. voogd; cpziener. —, a. bescbermend. —angel, beschertnengel. —ship, 0. voogdijschap. Guberna lion (gjce•bur-hee'sjun), s. bestuur. —tonal (•ne to'ri-e1), a. eenen'gonverneur betro'ffend. Gudgeon !gud'dzjun), s. grondel; loka as; epil; sul • —, v. a. bedriegen. Guerdon igeeduo), a. belooning. Guess (gess"), 8. pissing. to givr a — at, raden near. - v. a. & n. gown, raden, (at). —sr, 8. gisser. ad. op de gta. Gu est (gent'), 8. Bast; diet (aan de kaar8). —chamber, eetzaal. —rite, gastreebt. —rope, boegsrertouw. Guffaw (guf-fao"), a, told, schaterend gelach. Guggle( guegl), v. n. klokken. Guid noble (gajd'ibl), a. volgzeam. loon. —once, s. leading, bestunr. Guide (gold :), a. gids, leidsman; bestuurder.—post. wegwijzer. —less, a. zonder gtds. —, v. a. 'mien, gel eiden; besturen. —r, a. )elder, lostuurder. Guild (gild'), 8. glide. —hall, gildekamer; readhuis. —able, a. belamtbaar, —er, e. gulden. Guile ff(Ejl',, 8. arglist, bedrog, valschheid. —ful, a. —fully, ad. arglietig, bedriegelijk, valsch. fulness, a. bedriegelkjitheid. —less,a. argeloo3, zonder bedrog. —lessness, 8. oprechtheid. diuMenuot (Rifle-mot), s. waterhoen. Guillotine (gin°. tien), 8. guillotine. —, v. 0. onthoonlen (met de guillotine). Guilt (gilt'), a. sehuld; misdeed. —iness, a. schuldigheid. —less,a. —lessly, ad. schuldeloos. —less ness, s. schuldeloosheld. —y, a. —ay, ad. sc huldig; misdadig. Guimp (gimp), 8. zijden ken,. —, v. a. met zijde doorweven. parelhaan. —corn, guinje. Guln glens . —dropper, valsche mpeler. —fowl, ward-
—per, a. atstrooper; beroover. f —pingt (-piengz), pl. 'estate melt. to ver drijven; v. n. zich uitrekken; —uitstrek- !MTh* a (strajv') [strove striven (striv'nq, v. D. streven, trachten• (at); twisttn, strijden (for); ken; — inspannen; smoeven; prangen. —er, a. wedijveren. —er, s. strever, twister. —ingly, ad, spanner, rekker; voetblok, apoorstok; strekbank; am strijd. draagbaar. Strew (stroe, stro), v. a. strooien; bestrooien; Strobile (strob11), a. pijnappel. Stroke' (stro-kel), a. blaaspiip• bedekken. Stri ae (straj'i), a. pl. Kroefjes (op achelpen). Stroke (strook'(, a. slag, stout, houw; trek; streak; streep; aanval; kracht; werking. finishing —ate (-et; —aced (-ee-tid), a. gegroefd, geribd. laatste hand; genadeslag. voorroelStricken (etrik'n), 4 a. (by) smoorlijk verliefd op. er. —, v. a. streelen, eaten; melken. —r, s. — in years, bejaard. strijker; streeler. Strickle (strikikl), a. etrijkhout. Strict (strikt'), rt. —ly, ad. nauw; steak, geopan- Stroll Istrooll'), s. rondslentering; uitstapje. v. n. rondawerven; rondslentercn. —er, a. swaynen; nanwkeurig, atipt; etreng. —neon, a. nauw ver, landlooper; rondreizend tooneelspeler. keurigheid, stiptheid; strengheid. —are (-goer), (strong), a. —ly, ad. sterk; krachtig; f4.. trek, stag; samentrekking; kritische aanmer- Strong msthtig; zwaar; gewiehtig; hey ig. —haeked,breedking; zinspeiing; vonkje, hamerslag. geschouderd. —bodied, forsch. —box,tteren geldStride (strajd), a. groote stop. kist. —fisted, met sterke vuieten. —hand, gezag„ Strid e (strsjd') [strode, strid, stridden, surd], macht, sterke atm. —handed, sterk bemand. a. a. overschrij 'en; v. a. met groote steppen —hold, sterkte, vesting. —minded, met een' krachvaan; wijdbeens etaan. —istg/e, ad. schrijlings• tigen geest. —scented, sterkriekend. —set, gezet, Strid ass- (strai'dor), o. ethril gelvid. —water, sterke drank. stevig. a. ochril, knetterend. (stridejoe-lus), Strife (strain, s. twist, stri)di evedstrijd; tegen- Strop (strop), s. aanzetriem; strop.—, v. a. sari. v. a. spannen, ultrekken; uitstrekken, uttspreiden. (forth. out); inspannen; overspanuen,
lane. -now, ad. root dezen; voorheen. —while, ad. eenigen tijd goleden. Erect (e-reltt'), R. yeebtopRtaand; fler,onverschrokken, pal. —, v. a. oprichten, bouwen; opheffen; bemoedigen; v. n. zich oprichten —ion (-rek' sjun), a. oprichting. bouwing; opheftIng; bemoediging. —ire, a. oprichtend; opbeurend. —netts, a. rechtopstaande bonding; koenheid. —or, s. oprichter; oprichtende spier; hereoediger. Eretult a (er'e-majt.), s. kluizenaar. —ice (-mit ikl), a. kluizenaars Ereption (e-rep'sjun), a. wegrukking. Erlogo (e.ring'go), a. braakdistel, blauwe zeewort el. Erigtic (e-rietik), —al, a weerleggend. Ermine (nr'min), a. hermelte; hermelijn-bont. —d (-mind), a. in hermelijn gedost. Ero de (e-rood'), v. a. wegknagen, wegvreten. —sion (-ro'zjun), a. wegvreting. Erotic (e-roVik), —at, a. verliefd, wellustlg; erotiach. —, a. minnedicht. Err tar), v. n. dolen, dwalen; atwijken; zich var. gtssen. Errand (er'rend), a. boodschap. —boy, loopjongen. —man, boodschappen-looper. to run --s,boodschappee doen. Errant (er'rent), a. —ly, ad. ronddolend, ewervend. knight —, dolende ridder. —ry, a. randzwervine; dolende riddertehap. Erratic (er-ret'ik), —al, a. —ally, ad. dolend. dwalend; ongeregeld. Erratum (er-reetunn), a. drukfout. Errhine (er'rajn), s. snuifmiddel. Erroneous (er-ro'ni-us), a. —ly, ad. dwaleud; verkeerd, oniniet. —nem, a. dwaling; onjuistheid. Error (er'rur), a, dwaiirg; misslag, abuis. Erst (wet), ed. eeret; voorheen, weleer. Er“bescen ce (er-joe-bes'sens), a. roodwording; blos. —t, a. roodachtig; blozend. Eructa te (e-ruk'teet), v. a. oprispen. —lion (erak-tee'sjun), s. oprisping. Erudi te (er'joe-daft, —dit), a. geleerd, belezen. lion (-disruu), a. geleerdheid, belezenheld. Erugitsous (e-roe'dzji-nus), a. koperachtie. Ersap lion (e-rup'ajuu), a. uitbarating; uitslag; uitval. —live, a. uitbarstend; uitelag hebbend. Erysipelas (er-i-sip'e-les), a. room. Escalade (ee -ke-leed'), s. beklimming met stormladders. Escapade (es-ke-peed'), a. zijeprong; misstep; uitspattiug. Escape (es-keep'), a. ontkoming; uitvlucht; vergigging; misetap; uitstapje. —goat, zondenbok. --, v. a. & n. ontgaan; ontsnappcn; vermtden. —ment, a. gang (in eon uurwerk). Escarp (es-lrearp'), v. R. glooiendmaken. —ment, a. stole honing. Esckar (es' ker), a. karat (tenor wood). —otie (-kerot'ik), a. sehroelend; a. brandmiddel. Escheat (es-tsiiet'), a. vervallen leen. —, v. n. ran den leenheer vervallen. Eschew (es-tsjoe'), v. a. schnwen, vlieden. (es-kort'), v. a. Escort (es'kort), a. geleide. Inge) eiden. Escuage (es'Icjoe idzj), a. leenplicht tot krijgsetenst.
91 —et, s. begiftiger. —ment, a, begiftiging; gave; begaafdheid. Endue (en-djoe'), v. a. bekleeden, begiftigen. Endur able , en-djoerilb1), a. verdragelijk. —anee, s. verduring, lijdzaamheid; voortdnur. —e (-d)oer'), v. a. verduren, doorstaan, verdragen; v. n. duren; lijden. —er, a. lijder; volharder. Endwise (end'wajz), ad. overeind, rechtop. Enemy (en'e-mih), e. vijand; duivel. a profeseen verklaarde vijand. sed Energetic (en-ur-dzjet'ik), — al, a. —ally, ad. krachtig, nadrukkelijk. Energ ize (ereur-dejajz), v„ a. kracbt bfjzetten. —y (dzjih), a. kracht, nadruk; geestkraeht. Enerva te (e-nur'7et), a. verzwakt, ontzenuwd. —te (seat), v. ontzenuwen. —tion, (en-ur-vee' sjun), ontzenuwing; verwiji'dheid. Enfeeble (81)&131), v. a. verzwakken. Enfeoff (en-fen, v. a. in leen afstaan; beleenen. —ment, a. beleenIng; leenbrief. Enfetter (en-feVtur), v. a. kluisteten, in boeien klinken. Enfilade (en-bleed'), a. rij; rechte lijn; nauwe pas. —, v. a. bestrkjken. Enforce (en•foors'), v. a. veraterken; aandringen; doordrijven; afdwingen; v. n. met geweld beproeven. —able. a. dwingbaar. —meat, s. geweld, dwang; eandrang, doordrijving; drangrade. —r, s. dwinger; aandringer. Enfranchise (en-fren'tsjiz), v. a. bevrijden; burgerrecht green. —ment, a. bevrijding. —r, bevrijder. Engag e (en-geedzy). v. a. verpanden,Tverbin• den; aanwerven; overhangen; bezig houden; wikkelen in; aantasten; a. n. zich verbinden; deb bernoeien met; alaags geraken. —ement, s. verpending; verbintenis; bezigheid; heweegreden; gevecht. — er, 11. die zich tot seta verbindt. —lag, a, —tingly, ad. innemend. Engaol (en-dzjeel'), v. a. kerkeren. Engariand ien-gaargend), v. a. met kransen tooien. Engarrison (en ger'rizn), v. a. bezetten; met garnizoen beleggen. Engender (en-deen'dur), v. a. voortbrengen, n; verwekken, kweeken; v. n. paren; anttee ataan. —er. s. icier; voortbrenger, oorzaak. Engine (en'dzjin), a. werktuig, brandapuit; middel; knnatgreep. —driver, —man, machinist. —er. ( nice), a. ingenieur; machinist. —ering (-nier' ieng), a. werktulgkunde; genie; civil —, burgerBike genie; military —, militatre genie. —ry, a. machinerie; artil1erie, krijgstulg, Engird (en-gurd'), v. a. omgorden. Englad (en gledN, v. a. verblijden. Englut (en-011V), v. a. inzwelgen. Engorge (en gordzj'), v. a. inzwelgen; v. n. gulzig eten (drinken)• Engrall (en-greer), v. a. inkerven. Engrain (en. green') v. a. in de wol verven. Engrapple (en-grep'pl), v. a. aangrtjpen; v. n. handgemeen warden. Engrasp (en-gratsep'), v. grijpen. Engrav e (en-greer) v. a. graveeren; inprenten; begraven. —er, a. plaatanijder, graveur. —ing, a. graveerkunst; gravure, pleat.
liVond (wood), a. weede. —, v. a. met weede verven. 'Woe (wo'), a. we,, smart. —begone, door wart (lijden) neergebogen. tot. wee ! —ful, a. —fully, ad. treurig, 1 ammerlijk, ellendig. —fulness, a. treurigheid, el lende. Wold (woold), a. opene viakte; damn. Wolf (woeir) a wolf; kenker. she—, wolvin. —dag, evolfehond. ---fish,seewolf. —hunting, wolvenjacht. —man, weerwoll. —'a-baneovolfswortel. —'s-milk, wolfsmelk (plant). —ish, a. wolfechtig; vraatzuchtig. Woman (woe'men), s. vrouw; kamenier. — of the town, liehtekool, hoer. —child, ineleje. —dwarf, dwergln. —hater, vronwenhater. —saint, vrouwelijke hellige. —servant., dien,tmeld. —'s-tailor, dameskleermaker. —'s-frict, —'s wit.vrouwelist. —, v. a. sacht (gedwee) maken. —hood (-hoed), a. vrouwelijke staat. —ish, a. vrouwelijk; vroewaelittg. —iR (-ajs), v. a. vrouwelljk (verwtird) maken. —kind (-kajnd),s. het vrouwelijkgeelaeht. —like, a. vrouwaehttg. —1y, a. vrouwelijk; manboar, verwijfd. Womb (woem'), s. baarnnoeder; schoot; Ingewand. in the — of night, in het hoist van den naeht. —cake, nagehoorte. —passage, —pipe, moederseheede. v. a. in ziehsluiten. Women (whn'n), a. pl. van Woman. Womm.er (wun'dur), a. wonder; bevreemding, verwondering. in the name of —, in 'is hemeis naam. to make — of, zilch verbazen over. to look all —,rerbaasd ataan. —struck, verbaasd. —,v.n. zich verwonderen (at), nteowsg!erig sijn.—er,e.verwondarde, verbaasele. —ful, a. —fully, ad. Terwonderlijk, wonderbsar. —fulness, a. wonderbaarhetd. Wondrous (wun'drue), a. —ty, ad. verwonderlijk,
c. CabuI (ke-boel'),g. Cabul. Cadiz (kee'diz),g. Cadtx. Caesar (siitur), in. Cesar. —ea (.se.li'e), g. Cesarea. Ca ffrarla Ike free'ri e), g. het Kafferland. Cafire (ketfur), I. Kaffer. Calapha (kee'e-fes), m.Kajaphas. Cain (keen), M Hain. Cairo (karro), g. Caro. Calabria (ke-lee'bri-e), g. Calabrie. Calais (ken*, g. Calais. Cnicutia (kel-kut‘te)., g. Calcutta, Caledonia (kel-e-do'n1-e), g. Caledonie, --n, 1. Caledonier. California (kel f-for'ni-e),g• Californle, Calliope (kat-taro-pi), my. Calliope.
Z7.3 Shrew (sjroe), a. feeka, helleveeg. —, —mouse, Shuttle (ejut't1), e. achietspoel. —cock, pluimbal. s. —1y, ad. schuw, beschroontd, be• spitsmuis. Sh}' .1; ft hterhoudend; achterdoehtig; onnichtig. d Shrewd (ejeced.), a. —1y, ad. slues, listig, loos, v. n. chlchtig zijn (worden). —tires, schuw—nem. e. sluvrheld, lnosheid. achterhoudendheld; beachroomdheld; held, Shrewigh (ajroe'nj), a. —ly, ad.twistziek, snib re.hichtigheid. big. heftig. —ness, a. twistzucht, heftigheid. Shriek (ajriek), s. gii. —, v. n. gillen,achreeuwen. Siblin nt (sin'i-lent), a. sirsend; s, sisletter. 1-leo'ajuu), a. closing. Shrleval (sjrie'vel), a. van eels.' sheriff. —ty, Sibyl (etb'il), a, atbylle, waaraegater.;—lice (-lajn), sheriffschap. a. eibyllijnach; voorapeliend. Shrift (ejrift), e. biecht. Sive ate (sikikpet), v. a. drngen. —alive ( ke-tivl, Shrike (sjr)k), a. steenvalk, sperwer. a, & a. opdroogend (middel). —ity (-sit , tih), a. Shrill (airiil'). a. —y, ad. achel, aehrii. —, v. a. drropte, mat eene sehelle stem zingen of uitspreken; (forth) uttgillen; v. n. gitlen. —ing, a. gillende Sick laik'), a. ziek; mtsFelijk; (of) moede. —.en taik'Ic ► l, v. a. & n. ziek waken (worden). —ish, toot, —nese, a. schelheid, actirithetit, a. ziekelijk; misselijk. —liness 1 1 1- noes). a. . 1 . Shrimp (ajrimp), a. garnaal, dreumes, kelkjkheid. --ly a. & ad. zie4elijg. —ness, a. Shrine (sjrajni, reltquientaitje; aitaar. tinkle; mimaelijkheid. Shrink (sjrink), a. krimeing, rimrel; huivering. a. Nikkei. Shrink )ajrink I [shrunkj,v • a- then sanientrekken Sickle (krimpen); (up) °p ► ilter]. (de schnudera); v. a. Side isajd'i, a. zUdeltugsch; zij-. —, a. Ode., karat; part'). —by —, naast elkand.er. —arms, pl. zijdkrimpen, 'neon krimpen; sidderen. (at) zich opt- geweer, —blow,. clog van ter aijde, —board, hut. mitten over. (from) terugdeinzen your. (under) bezwijken onder (up) ineen krimpen. duig. —box, zij-loge. —counter, windveer. profiel. fish. @cheat, %yang (v.n eel , ' CaArore, ahriv,zn tsjriv'n)], v. a. & Shrive mast). —glance, zijdelingische bilk. —lantern, biechten. —r, s. bieehtvader. a)agianiaarn. —lays, p1. verache jachthomden. Shrivel (ajriv 1 11, v. a. & to rinapelen; krimpen. Shroud (mica. d'),e.dood kl eel; bemehuttl ng. —cleat, —notes, k ant tep,kenibgen. —rope. viclreep.— saddle, teoneelscherm, couitsze. Trouc•enl3del. wanthiamp. hook, wantiaaak. —knot, w:tntknoop. titan, helper (tan den. Boater); —shoot, zijloot. —stopper, wantsto p per. —taek/e, wanttaice. partkjaihn. —stick, bindsteeg. —taking, het kit —truck, wontk)oot. —. v. a. bekieeden, :Len tan partij. —treed. p1. zijstukken (yen eon' ken; verbergen; beechutten; v, a. zic ► verbergen; voetgeziehr van ter :dia.,. mart). beachutting zoeken. --a, pl. want., hoofdtouwen. elui- ►neur. — wind, zilpad voetstraat. Shrove (ejroov'), a. Vacten. —nundag, eerste urn- wind. —, v. a. vierkant snakes; ondereteunen, ch); In 'de Vasten. --tide, —tuesdag, dog v(56r de kiezen; t; v. n. overhellen; part',) hr t houden Varsten, vastenavond, yaw—Zing. (with , partij iciezen voor; op de zijde Shrub (mirub'), a. attnik, heez ter: drew., (Noon a. zij waartsch, Odeft. iteltend, schutia. van) punch. —, v. a. van arraiken zuiveren; af- lingsch; ad. zkjwitart.m., ail aelings. —ways (-weed, cameos. —berg(-bur-rih), a. hers ,. erplantsc..n. i-wajz), ad. van i,er zijde, —wise a. atruikachaig; vol struiken oaf heesters. Sider at (eid'ur-el), —col (-Vri-e1), a. sterren-. Shruff (Oreff),•s, metaalachuim. —aced, a. verweerd, verzengl. —corophy (-ug're& n. Shrug isjruga, a. schouderophaling. fili), a. ataaigraveerkunst. (de ac)touders) °Otten. Shudder lajud'dur)... rillinhr, siddering. —, v. n, Sidle leardlt, v. n. zildelings loopen. Siege (siedzj), a. beteg; belegering; aetei. huiveren, sidderen (at. with). a. door8chtubtirg, liat, kunst- Sieve (sir), e, seer. ShssM e v. a. sitters; onderzoehen. uitpluizen; grcep. —e, v, a. dooreen echudden; verwatren. Sift poleen; (Gut uitvorachen. —er, a. titter; uttplui(away) heimelijk wegmaken. (in) op eene lintfge zee; meeibuil. wijze inbrengen. (off`) van tick afschuiven, tick (saj), a. zuclat. —, v. u. zuehten ?at, over); v. n. het- —e, armaken van. (up) samendansen. (after. for) haters► aelen; de koarten doorschieten; wa;rgelen; ducal- op richt. by--, en, uitviuchten znekeit. (off') zieh wegpakken. Sight kaajt!), a. geziehti vizier. a t vat, aenzien.. —'s-man, die van het bled ziugt of (through) doarheen slaan,—woratelen. (up) oproe- s; eelt. —less, a. blind; --live. rig lkjeenkomen. —er, s. deorschudder, heart- a. bekoorlijk, --ly, neon), a. bekoorlijkheld. bedrieger. —ing, a. —ingly, ad. Hotly, be- oogelijk. driegelijk, op eane mlinksche wijze; waggelend. Sigh (ard'zjil), s. zegel. —ing, a. ultvlucht, draaierij. Shun (,.fun'), v. a. verreijden; vlieden, schuaven. Sign is,j1.0)„ s. teeken, merk; went.; uiti► angbord; hainctteekening. —post, onite ► leeliening. —less, a. onverrnijdelijk. v. a. mijipaal; post van can uithangbord. 'Aiwa (njunt), v. a. op Pen an.ler spoor brengen. te,konen, merke ► ; ondertee)ienen; aantoonen. s. Shast Wet), a- ges.loten; vrij, bevrijd. Signal tsig'nel), a. teeken, nein. —, o. —tit, ad. tang; deksel, klep; deurtje. uitstekerni. --ize (-ajz), v. a. doeu ultblinken; Shut (siut 3 ) [shut], a. a- aluitea, dichtmaken; be- onderscheiden. aluiten; lasschen. (from) utteluiten van, (in) in- eluiten. (out) uitsluiten. (up) opslui ten; dieht- Signature (si,ene-tjonr), a. handteekening. v. n. zieh aluiten., dichtgaan. —ter, Signer (aajteur), s. onderteekenlar. eluiten. Signet (aig'ult), a. zegei. —ring, zegelring. a. eluiter; veneteriulk, Wind.
Visor (viz'or), a. vizier; masker. ed (-tut!), a. gemaakerd. `Vista ( vis'ta), a. gezicbt., ultzicht. Viavvett (viejoe-e1)., a. gezichts . — angle, gezichtshnek.— nerve, gezieaszennw. Vital (vitytell, a. --ly ad. levees-; levend; wesenlijk.—itp(-tent-tih), a levenskracht; levers. —.a tali); pi, leveusdeelen. Vitt rile (tisri-eet), v. a, bederven; schenden; ongeldig matte:, --ation (-ee'sjun), a. bederving; sehendtng. —oaily i os'it,t1h), a. verdorverbeld, gebrfkkigheid.—owt, a. verdorven, gebrekklg. Vitreous (vit'ri a. glaz..n; glszachtig. —nese, glaRtichtigheid. Witreacen ce (vi-treesent), s. glaswording. —t, a. glaswordend. Vitrit action (vit-rl-fek'sjun), a. glamaking, verglasing. —idle abaar. —teatime (-elf-i-ke .'sow, a. Zle Vitrifaction. —y (vit'rl. VW, v. a. & v.. in glee aceanderen. Vitriol (vit'ri-ul).. s. vitriool. —ate -eel). —ice (-aJz), v. a. in vitrioolzuur veranderen. —ic (-or:k), a. vitrioolachtig; —acid, itrfoolzuur, Vituline (vit'joe-lajn), a. kalfs-, kalver-, Vitupern to (vi-tjoe'pur-eet), v. a. lakert, berispen. —lion (•ee'sjurt)., a. berieping. —live (-eels), a.lakenti,berispend. Vivael otos (vi-vetemjus), a. levendig, vroolijk; langlevend, s. levendigheid,,roolijkheld. Via- say (verve-rib), s. diergaardo; vischvijv er. Vivid (viv'td), a. —ly,, ad. levendig; hetde r. —neat, a.levendigheld. Vivific (vaj-virik). —al, a. levendmakend; healslend. —ate (-ikeet), v. a. levend makes; bezielen. —alias (viv-if-1-kee'aittn), a. levendmaking; bezieling. k,e-tiv), R. levendmakend. VivI ller (71,1-faj or), a. levendtnaker; bezieler. fy ( - r.3), v. a. loveld waken; bezielen. —parous (vaj-vip'e eta), a. lemidejongra werpend. —tee.
— into; to stake; to propose. —ter, m. first bidder. —tin, v. setting (in); first bidding. o. insigiA, view; design, intention. Inzied en, on. w. fie Inkoken. —eel, o. decoction Inzlen, 0. t(j sorter —, on a tearer examination. ntOns —e, in my opinion. —, ov. w. to look into, to examine; to peruse, to consider ; to see, to understand; to take into consideration, to excuse Inzln ken, on. w. to sink in,— into, — down. Inzitten, on. v. to kit in. er —, to be at a loss, to be in a (nice) ilx. Inznes, by. very sweet. Inzonderheid, bw. especially, particularly. Inzont en, ov. w. to salt, to pickle, to cure. —ing, v. 'siting, pickling, curing. Inzuig en, on. w. to tuck in. to imbibe, to absorb. —ing, v. imbibition, absorption. Inzulpen, on. w. to gulp 1:10W11. Inzuit en, on. w. to pickle. —ing, v. pickling. Inzwnebtel en, on. w. to swaddle in, to swathe. —leg, v. swaddling, swathing. Inzweig en, or. w. to swallow (down, up). —er, m. ewalluwer. —ing, v. swallowing. Inz•eromen, or. w. to overtake; on. w, to swim in, — into, to outer swimming. Ina werese, on. w. to fester in, to rankle, Inzweven, on. w. to come in hovering.. lezwieren, on. w. to come in staggering. Irian, v. iris. I4 our, o. ivory. --draaier, —werker, ivory-turner. —work, ivory-work, -ware. —sand, ivory-dust. —mart, ivory-black. livoren, by. ivory.
s. debet; achuld. ter (van den nacht. —, ad. gebeel, volkomen. Debit (deb'it), a. sehuidig. —en (ded'dn), v. a. krachteloos waken, afmat—aide, debetzkide. —, v. a. de'blteeren. tan; dampen; v. n. kraehtelooa warden; ver- Debonair (deb•un-veer'), a. —ly, ad. wellevend, voorkomend. inaehikkelijk. —ness, a. wellevendschalen. —ieh, a. achijndood. —liners, a. doodschheld, heusehheid. held; doodelkikheid. —ly, a. & ad. doodelijk. —new, a. doodsehheid; rerschaaldheid; werke• Debouch (de-boesji, v. n. uit een' engen doortoeht te voorsehtin komen. looeheid. Deaf (der), a. —4,/, ad. door. —en (def'fn), v. a. Debt (dot';, a. achuld; plieht. to run into —, in acliulden geraken. —re ,det.le')., a. aehuldeischer, verdooven. —ness, a. doofheid. Deal (diel'), a. deal, gedeelte; Ranted; (het) kaart —or (-ur), s. sehnidenaar. geven; dennenhout; plank. a great —, a good —, Decade Idek'eed), a. tiental; tijd van tien dagen. Deeaden cc (de•kee'dens), —cy (-aih), a. verval. veal. —, a. dennen. —plank, denuenplank. Deal (dial') [dealt (dolt)], v. a. ulta eel.; kaart Deca gun (dek'e-ion), a. tienhoek. —logilt (degeven; v. n. handelen. iby) bejegenen, behandelen. kerud-zjist), a. uttlegger der Tien Geboden. (in) handelen in. (with) bejegenen; omgaan mat; —rogue (-log), a. (de) Tien Geboden. staden, te doen hebben met. —er, a. kleinhan- Decamp (de kemp'), v. n. opbreken; Melt uit delaar; kaartgever. plain —er, eerlijk man. double de voeten waken. —meat, s. opbreking. (false) —er, bedrieger. —ing, a. nering; omgang; Decanal (ders-nel), a. een decanaat betreffend. Decant (de-1cent.), v. a. afgieten, afklaren. —ation handelwijse. —inv., a. omgang; handelingen. Dealbation (di-el-bee'ejun), :a. blacking; witdeken teeajun), a. a fgieting. —er (-Mr), a. afklaarder; ontvanger; karat. making. ambdwaardigheid, —cry, a. Dean Male), a. deken. Decapita te (de-kep . i-teet), v. a. ontboofden. a. onthoofding. inkometen, waning) van een' deken. a. —tion Decay (de-kee.), a. afneming, vernal. —, v. a. dekenechap. verswakken; doen vervallen; v. n. afnemen, verDear (diee), a. —ly, ad. duur, kostbaar; dierbaar, vailen; verweiken; verrotten. —ed, a. vervallen; lief, vaard, —, a. geliefde, lieve. o dear! bouwvallig; bedorven. —edness, a. vervallenheid; it t. och het —me l int. lieve bowel! —neat, a. bedorvenheid. —or, a. bederver. deurte; dierbaarheid. Dearth (durth), a. duurte; sehaarschheid; lion- Decease (de-ales'), a. & v. n. overlijden. Deceit (de•stet'), a. badrog; list. —rut. a. —fully, geranood. Ad. bedriegeiljk. —fulness, a. bedriegelijkheid. Death (dethl, a. dood. civil —, verlies der bur—less, a. onbedriegelijk. gerrechten. to put to —, ter dood brengen. —bed, start bed. —boding, doodverkondigend. —knell, Deceiv able (de-sleeibl), a. bedriegbaar. —ableness, a, bedriegeltkheid. —e, v. a. bedriedoodsklok. —'a-door, made; ing van den dood. gen, mialeiden; te leur stellen. —er, a. bedrieger; —'s-man, beul. —watch, tikkertje (Insect). —.tut, a. verleider. doodelkjk. —less, a. onsterfelkjk. —like, a. doodsch, December Ide-sem'bur), s. December. doodad'. Decemvirate (de-sem.vi-ret), a. tienmanachap. Debacle (de-bekl), a. viiegende atroorn. Debar Ide-Saar'), v. a. uitsluiten; afhouden; ver- Decen cy (di'sen-sih), a. welvoegelWtheid. —t, a. —try, ad. welvoegettjk, betamelijk; ingetogen. hinderen. —t, a. dragelijk. Debarb (de-baarb'), v. a. ontifitarden; scheren. Debark (oe-baark.), v. a. ontachepen. —ation Decennial (de-aen'ni el), a. tienjarig. Decen nary (de-sen'ne-rth) i s tit dvak van lien Jaren (dt-bar-keesjun), a. ontscheping. Debase (de-bees'), v. a. verlagen; vernederen; Deceptibility (de-rep-ti-bil'it-tib), a. bedriegbaarheid. vervatechen. —vent, a. verlaging; vernedering; Deeep able (de-seetibl), a. bedriegbaar. --lion, vervalaching. —r, s. vertager; vervalseber. Debat able (de-beeribl), a. betwistbaar. —e, a. bedrog. —tious (Aux), —live, —tory (-tur-rih), a. bedriegelkjk. —anent, a. strtjd, gesehil; bbraadslaging. —e, v. a. betwieten; bes e reken; v. n. beraadslagen. Decerpt (de-surpt'), a. afgekort. —ion (-surp' sjua), a. afkorting. —eful (-beet'foel), a. strkjdzuchtig,tavistriek;be. Decertalion (di-aur-tee'sjun), a twist,redestrOd. twist. —er, s. betwiater; redevoerder. Debauch (de-Motor), a. uitspatting; losbandig. Deeession (de-sea'ejun), a. vartrek, vertzkidering; dood. held. —, v. a. verietden, losbandig waken; v. n. rich verliederlijken. —ell, a. —edly, ad. loaban- Decharm (de-tajaarm.;, v. a. "onttooveren. dig, liederlijk. —edness, a. loabandigheld. —ee Deold able (de-sajd'ibl), a. to beslissen. —e, v. a. beelechten; bapalen; v. n. bealissan (upon). (deb-o-sjie'), a. weilusteling, ilehtmis. —er, a. —ed. a. —edly, ad. beellet, bepaald. —er, a. verleider. —cry, a. ongebondenheid. —meat, a. beslisser. verleiding. Debel (de-bel'), —late, v. a. overwinnen; be. Decid once (dean-della), a. afvalling. —uous (de-sidloe tie), a..arvallend; vergank.lijk. dwirtgen. —lotion (-tee'sjun), a. overwinning. nest, e. geneigdlicAd tot afvalien; swaltheid. Jent'per), a. bewtja tot tol-restiDebenture ;de., Decima I (des'i-melt, a. tientallig; a. tiendeetutie; enhuldbriet. lige brcuk. —te (-meet), v. a. vertieaden; een Debi' e (deb'I1), a. zwair, mat, flume —itate, (de.bil'i-teat), v. a. verzwakken. —itation (de-bil- van tien nemen; decimeeren. —lion (-inee'sjun), I a. tiending, tienditefling; etraffen van anon i-teesajurt), a. verzwakking. —ity tienden man. —tor (-mee-tur), a. ttender. a. zwakte, zwaklicid.
302 Kieed, a. coat, gown, garment. dress; cover. —en, or. w. to dress, to clothe; rich, t, w.to dress. —kanser, dressing-room. Klasid,er on, o. my. clothes, dress, garment. —draekt, costume, fashion, garb. —maker, tailor. —pracht, luxury in clothes. Mead (2, v. dress., clothes, raiment. costume, toilet. v. stressing; are —stuk, article of dress. —je, o. gown, robe. —tier, v. dressing-woman. Kleef stelstlg, by. viscous, gluey, sticky, clammy. —garen, trammel. —kruid, bur, burdock. Kisser en, o. my. traps; roe Kleedesen. —ben, —mond, clothe. basket. —boratel,—echnier, clothes brush, whisk. —tamer, ward-robe. —kcal, ward robe, clothes-press. —kist, linen chest. —trooper, merchant-tailor; ,old clothes-man, frippeter. —maken, tailor's trade. —maker, tailor. —seh9eht, —sink, pole to hang linen on, clotheshorse. —lob, washing-tub. —winked. (second-hand) clothee-shoo. --worm, moth, tiny. —solder, garret for linen, laundry. K1e 1 , v- clay, marl. —aarde clay-earth. —groeee, clay-pit. —grond, clay-ground. —long, layer (stratum) of clay. —spoor, clay-spur. —seep', elsy -road. —aehlig,bv. clayey, clayish. Klein., by. little, small, ens); t, petty, diminutive geld, change. in het —, by retail; in miniature. —achten, to slight, to disregard, so ins he el lghtly of. —achling, aright, slightingelisregard.--doeeter, granddaughter. — geestig, narrow-minded, petty, frIvolousa—geestigkeidoearrow -mindedness, pettinee., frivolousneee. —geloovig, faint-hearted, de ficient in faith, of little ta,t1s. —geloovigksid, faint-heartednetse, little faith. —handel, retail. trade, -business, —handela ar, retailer, retail-dealer. —hartig, —moedig, by. & bw. low-spirited, faint-hearted (-/y1,timid (-1r, pusillanimous (-1y). —kartigkeid, —mnedigheid., dejection, faint-heartedness, timidity, pusillanimity. —kind, grandchild. —kindersehooltje, infant-school. —sehild'r, miniature-painter. —schcift, small-hand. —smid, locket-smith; cutler. —stmedsek. like the inhabitants of a small town, countrified. —teeriy, delicate, touchy, coldly hurt, --terrigkeil, delicacy, touchiness, tenderneee. —room, grandson. —e, in. & v. little one. —held, v. smallness, littleness, minuteness, pettiness, meekness. lkilef ►allrghtsid, v. ttifle,batable. Kleinood, o. jewel., gem, trinket, treasure. Kleine, v. strainer, sieve. —dock. otrainer. Klein te, v. kie —tje, n, little one, baby; small matter, trifle. Kielnz en, ov. w. to strain, to nitrate. —er, m. atrainer. —ins, v. filtration. Mona, v. catch, caltrop; narrow pees; straits, pinch, scrape, dietrese; !trieenits; force- energy; weight; stress. met — spreken, to speak home. —grond, anchorage; forcible argument. —men, 0 , & on. w. to pinch, to jam, to nip; to clinch. —task, holdfaet. --retie, dilemma, convincing argument. —spreuk, forceble sentence. —slaarlig, having the accout on the termination. —loon, stress. —vogel, kite. —wooed, forcible word, clincher. —mer, m. pincher, ecreeezer; clincher. —ming, v. pinching, nip; clinching.
'Won't (woont, wont), voor will not. Wont (wontl, a. gewoonte, ed, a. gewoongewend (to). —, v. n. gewoon (tewend) zijn. —ednesa, a. gewoonheid, gewendheld. oo (woe), v. a. vrijeb; dingen, eterk verlangen near: dringend veenoeken urn. Wood (woad"), a. hoot; bosch. —ashes, p1. hontwolkruid emelt. —bins, kamperfoolie. —car,er, houtgraveur. earring, huntsnijmerk. —chopper, houtbii/. --cleaver, —cutter, houthakker. —coal, houtskool. —cock, houteotp. —craft, hot jegen; Jae htvermaak. —cutter, houtdra. —cut, —engraving. houtsnede —fritter, —worm, boutworm. --fuel, brandhout —god, boachgod, eater. —grouse. korhaaa, haselhoen. —house, —shed, houtloods, -sehuur. —knife, hartavanor. —land, boeehland. —lark, bosebleenwerlk. —/ock,sluitheLt. van het roer. hootiuiv; plasebed, —,..an, boeehwaehter; hotzthakker; Jager. —merchant, —monger, hoatkooper. —mote. bosshgerenitt. —note, wilde muziekov o udgesan g.—nymph boachnimf. —pea, ''elide erwt. —pecker, specht. —pigeon, houtduif. —pile, —stake, houtmOt. —reeve, houtvester. —roof, —ruff, melerkruid. —row, --rowel, eterrekruid. —sage, Wilde melte. —screw, houtschroef. —shocks, pl. rnarmotvellen. —soot, roetzwart. ---sorrel, 'elide oaring. --spite, —wall, meerkol. —stand, boutkist. —vinegar, houtazijn. bosebwaehter ; houtveater.

Zijn Bitcoin belastbare winst


121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v

Maakt gebruik maken van Microsoft Blockchain


Pabelar (peb'joe•ler), a. voedend, voedzaam. Padar (ped'ur), s. zemelen, grof meal. —atiun (-lee'sjun), s. voeding. —ous, a. voedend, Paddle (ped'd1), a. pagaai, roeiriem; bled, plat (van een riem, een warren). —board, schepbord. voedzaam. —um, e. voedsel, onderhoud. —box, raderkas. —fish, zeezwlln. —staff, schoffel. Pacation (pe-kee'sjun), s bevrediging, geruat—wheel, scheprad (saner stoomboct), v. a. & stalling. n. roeien, pagaaien, plasgen; betasten, frommePace n peern, 3. pas, atap, trod, schrede; gang; len. R. roeier, pagaater• plasser. telgang. to go a main —, met voile zellen varen. to mend one 'a —, zijne schreden versnellen. —, Paddock (ped'duk), s. park, tamp; padde. —stool, padd enstoel. v. a. of-, doorstappen; lelden; v. n. stappen; den Paddy (ped'dih), a. oneepelde rijst; spotnaam tel gaan. —d (pee.t), a. van gang. —r, s. voetde: leren. ganger; telganger. Padelion (ped-e-lsrun), s. leeuvrenvoet. Pacha (pe-sjaol, s. pacha, Pachydermatous (pek-it-durm'e-tuz), a. d n k- Padlock (pedlok), s. hangsiot. —, v. a. met een hangslot sluiten. huiclig. Pacif is (pe-sif'ik), a. vreedzsam; — ocean, Stille Paean (Wen), a. zegelled, lofted. s. heiden. tuidzee. —ication (pea-if-i-kee'ejun), a. tevredi- Pagan (pee'genl, a, heidensch. —ism, s. heidendom. —ire (-ajz), v. n. heldensch ging. —icator (pes-if-i-kee'tur), s. bevrediger. maken; v. n,-zich ale emu heiden gedragen. —icatory (-e-tun-rth), a. bevredigend. — ier (pes'ifaj-ur), a. bevrediger. —y (pes'i.faj), v. a. bevre- Page (peed.j), s. page, hofjonker; bladsijde. —, v. a. bladztjden nommeren; ale pogo bedlenen. digen. Pack (pek') 0. pak, paket; vracht, last; koppel Pageant (pedzj'ent), a. pralend, prank-. (bcuden); epel kaarten; hoop; bende. —cloth, pair- praal, opschik; poppenspel, pronkvertooning. —ry, a. praalvertooning; achijn. !Innen. —horse, lastpaard. —needle, paknaald. —paper, pakpapier. —saddle, pakzadel. —staff, Paginal (ped'sjinel), a. gepagineerd. draagstok. —thread, pakgaren. —wax, heerwas, Pagod (pee'god), —a (pe-go'de), a. pagoda, afgodstempel, -beeld (in India). geelhaar. —, v. a. inpakken (up); kaken, tonnes; sehudden (kaarten); afspreken; nit partilklige le- Paigle 'peeg'I), s. eleuteibloem. den samenstellen. (away) wegjagen. v. n. Pail 'peel') a. emmer. —ful, (een) emmervol —stake. emmerrek. pakken; zich opeen hoopea. (away off) zich wegpakken. —age, s. pakkage; pakloon. —er, s. Pain (peen'), s. pijn,smart; strut; moeite. to be v. a. pljn ver. in — for, bezorgd ztjn voor. pakker, inpakker. oorzaken; kwellen. —pa, a. —fully, ad. pkjnlijk; Packet (pek'it), s. paket, pakje; paketboot.—boat, moeielijk, land g. —fulneas, a. _an khetd; —ship, paketboot. —mark, postmerk. moeielljitheid. —less, a. art van pip (moeite). Packing (pek'leng), s. het pakken; pakloon; bedrog. —cloth, —needle, —paper, —thread, zie Painim Ipee'nim), a. heiden, ongeloovige. Pains (peen;'), a. moeite, song. —, pl. barenaonder Pack. —stick, pakstek. weeen. —taker, werkztam meafich, werketel. Pact (pekt), —ion (pek'sjun), a. verdrag, boding. —taking, a. werkzaam; 8. werkzaamheiu, alit. —itious (-isj'us), a. bedongen. a. & n. Pad (ped'), s. voetpad; struikroover; kussen; op- Paint (peent'i, a. vent; blanketael. — , schilderen; blanketten. —er, s. 'Wider; yangvuleel, dameszadel; telganger. —, v. a. opvul. —ing ft. bet se hilderen, schliderkunet; schil len; v. n. to voet gaan; atraatroof plegen. —der, (-joer), s. schilderkunet. —ure derstnk; blanketsel. a. struikroover. —nap, s. telganger, klepper.

One issue discussed is if Erasmus is helping to generate more European solidarity. A study carried out by the European Commission in 2010, shows that participating to Erasmus strengthens tolerance. Another issue is whether Erasmus enables the mixing of Europeans.[32] For example, more than a quarter of Erasmus participants meet their life partner through it and participation in Erasmus encourages mobility between European countries.[33] Most young people had a strong European identity before participating in the Erasmus program. In fact, for these young people, the Erasmus experience makes them even more European, but the research showed no evidence that taking part in the Erasmus programme would lead to revolutionary changes in students' political views.[34]

(sektip 0 p s4e ienn (skip'), o rozia wij:ioevues,;.sp,rtirinveg ri,mu ; zuster. --in - law, s e hoonzuster Skip Sister t u r v. a. zusterschsp. — ly, a. zustertbk. , — hood overelsAn, (o,eri; v. n. springen, huppelen. —per, Slit (sit) [sat], v. a. zetten; v. n. zitten; bi.Geden. (down) gaan zitten, zich vergenoegen. lout) znndrr a. springer; wildzang; sehIpper. --ping .rope, opzlicren, zich orichtert;ophluven.1 springtonw. work On. (up) Skirmish iskuemixj). seliermutseling,— v. n. Site laajt). s. ligging; pleirje• sehermntselen. — er, schermutselaar. Sithe (KOTA), a. coin. IsSkk re tre(t.du (,skrit, r;r i . ), po itnd aili,ker B , rizittiels. lip, rand, zoom, Slit er (mit'tur), a. titter; broeietide vogel. a. a. hot zitten; broeiNg; zitting. a. gclegen,; grens; id), v. a. boorden, omzoomen; zijn ( e't Slit.. to (sttloe-et)„ ,gasn) op den k'ot van. Itggend. — lion (-ee'sjun), 8. 11 , r4ing; toestand. Shix (mike), a. zoo. —fold, • 7,4“ntdi2,.. — pence., a.' Skit (skit' r, s. liehtekoolu scbitr, pacbent; gel; von, \vendee'. — tish, a. —tiably, art. sehn w,sehichtig; zesstuivermuk. --score, a. !,on.ierdtwintig. — teen waft; wispett.urig, grillig. — tiehness, a. schuw(-tien), R. zestien. — teenth ( tienth), a, lestiende. hold; a. hnid; •iepelturigheld; wonderillkheid. -th. R. — this, ad. (ten) zesde. —60,1 Skill les (skietiz), s. pl. kegels; kegelepel2 zestig. zestIgste. St. note (risfzibl), a. van beltnprlilke (aarrzien- Skulk (skolk), v. n. — er, s. Zie t0 — er. lijke; grrotte. —or (-er), a. gering student. —e Skull (skull"), s. sehedel. —cap, iraiotje, stormhoed. Zie Scull. (sajz), a. grootte., ornvang; formaat, !ralther; Ce - etalte; mast; oandcel; geaeldheid; lijrn-, gam- Skunk (skunk), s, stinkdier. water; kaikmelk. — e (aajz),c . a op d,jutRie ,n Rat Sky (rskan, a. lueht, oitspansel. —color, a. —colored, R. hemeisblanw.--lark, veldleenwerik. men; met kalknwik branzen; ijken; gommen, itt ,ry , matrozenpret. — light, vallicht; dakraarn, (sajid), a. von—. grootte. bestrijken, (ontaren. — rocket, vilurpij — seraper, — sail.klap— el (mar& , a. arval van zilveren muntplaten. mots —ey (-Au, P. heinelmeh, etherisch. -iness ( zi-ness), a. lijmigheid, SI.5) (e1t,e' , ,, a. pleat; steenen Out; huitenplank. a. lijmig, kleverig. --line, hanepoot. --bar, a. R. bekwij ten, bernorsen; a. 11. si,sen. Sizzle v n. kwii I en, slobberen. --beret (-bur-r• r), a kwijiSkein iskeenl, a, Zie Skein. b,s;.oelttar; domkop, Sknte (skeet'), s mchaots; rtsg. —, v. n.schaatsen (-biness). lueverigheld; niorsigheid; vechtighetd. — by, a. rijden. —r, s. seharasenrij der. kleverig; morsir,; vochtig. Skean (skien), a. long men, dour. Slack !slog'), a, —1y, Ad, slap, ion; traag. — en Skeel (skiet), s. melkhak, koelhak. tslek'n), v. a. & it, tvatsten; (door) yerniappen, Skeet (skiet), a. seheepmgieter. a. kjeine yveorrfizauiffi weenTr: ,,, ,e,r,,,m‘ ierhid,rn ereorn a; ikv,e.rt_rangese.,,u; ay.erszlaa;lh,teehnt 'keg (skeg'), R. aleepruim. —per calm. lashed traagheld; Achteloosheid. Skein (sheen), a. kluwen, strong. Shag (slew, metsalschnim. Skeleton (skere. tun), s. geraarnte. a. klap, !slant.Shake (sleek). v. o. le ,,chen; blueschen; data be Skelp ti,r,n. Sketch (sketsj),m.schets, —, v. a. selsetser (out). Skew iskjoe'1, a. scheef, schuirmeh. —, v, a. Slam (stem), s. cleat, clam (in 't whistspell. v R. d ielitsmi) ten, -- erslaaii; brent trinkets. schuinm atinzien; v. n. scneergsan. —er,s• Shanties' (alsan';tur). a. looter; sehande. v, a, pen. —er, v. A. met pennon vuusteken. belosteren; beschimpen. e. latteraar. —ous, Skid (skid), a. remkettiwg; wrijfhout. jam,riuk. Skiff (skiff), a. hootje. —, v. a. in een bootje over Slang (along), s. dieventsol. settee. a. 'flank. Skilful (skilloel), a. —/v, ad. ervven. bedre7en Shank (slengk), s. zeegras. Slant (slaant'), —ing, sehui,,,h; &rare; Lel. tat. in). — ness, a. ervarenheid, bedre venheid. lend. v . a. & n. schninsch !ached, ltellend) Skill (skill!), 8. ervarenheld, hennim.bedr , ve.nheid. R. on- makers Iworden). —wise, ad. schuirs, scheef„ — ed (Akii(1), a. ervar,n, bedreven (in). --ran, overdwars. ervaren, onbedreven. Slap (slap'), s. Map, slag. —,ad. & int, flap ! Skitlet (shir111), a. ketelija. v. rt. Ma.. —dash, ad. censklsps. Skim (alttrri'l, v. r.. afsehuirrien; ofroomen; si, cliep- pen; ,n r iike Dn, arthraken; V. n. voorbijzweven; Slash (RieElb, R. tin,fte, joap; seheur. —, v. a. an jiafgeroomde me!.k. den, hGuwen; v. n. om sick been sloan. (orer) overheen glfidets. minas Sintris (sletej), a. bocht in een totem, ; viattg; korte — m. arschnimer; sehitimspaan. — neer, brie, 'el. — pencil., griffel. --quarry,leiSl(allielrifitn)7),Ps1-.h'ueildTv11..—ba//,drulikersbal.—d.rep, Sterie groef. —roof, leien risk. v a. met leien dekken. — flint, vrek, woekerissr —wool, opperilakkig. —r, m. leidekker. doode \vol. —, v. a. villen; net eene hold bedek- Slat ter (slet i tur), v. n. slordig (monlg) gekleed (over) ken; v. n. eene htlid bekomen goAn. Skink Is:ring's), 8. drsnk.—. v. a. inachenken. Stilts less ,slanness), R. zonder (den von) hold. Slattern (sleeturn). s. slons, morsebel. —, v. a. veralnusen; verwaarloozen. y, t. & ad. slordig, —fled (skind), R. gevild; met ease,— held; leder- morsig; aubteloos. achtlg. --nor, a. viller; velieukooper. — nineae a.leirtehtlg. (-ni-ness), s. velligheid; mager:iet.t. --op, R. vel- Sinty Slaughter (slan'tnr),m.slaehting,bloedbad,man—, lig; mager.
sEm.—TER S ean (setn), an. Sem. Semiramis (se-mir'e•mis), w. Semiramis. S ane ca (sen'e-ke), m. Seneca. —pa/ (•gaol), g. the —, de Senegal. —Dinah& (4rent'bi-e), g. Ssnegambiii. seewia (eueri-e), g. Serb16. —is, a. Servisch; 1. Servier. Setia(seth),m. Seth. Severn (sev'urn), g. the de Severn. Seymour (see'mur), an. Seymour. Shaftesbury (sjaAftt'bir-zh), m. Shaftesbury. Shakespeare (sjeek'spicr), m. Shakespeare. Shanghai (sjeng'haj), g. Shanghai. Shelley (ejellib m. Sheridan. Sham (sjeui), m. Sam. Shetland (sjet'lend), g. Hitland. — /s/ands, (de) Hitlandsehe eilanden. Shy lock (ejarlok). m. Shylock. Sleaze (usrem), g. Slam. —ese (-c-mien'), a. Slit. meeseb; i. Sterne., (de) Stameeten.. Sib (nib), f. voor Sebastian 1Yt Sibyl. Siberia g Siberte. —n, a. Slberisch. Sibyl (sib'il), w Myna. SteEl Ian (si-eil'i-en). a. Siciliaanach; i. Sternest*. —y if. Sicilie. Sigismund (sid'sjts-mund), m. Sigismund. MI leaks (.11. ► 01.e), g. Sainte. S2ns (aim'), f. voor Simeon & Simon. —eon (-Min), m. Simeon. —on (ear raon)sid. Simon. Sinai (ssrnee, -nee-aj), g. Sinai. Sinde (Mild). S. Sinde. Singapore (sing-zee-poor'), g. Singapore. Si on (.arun),g. Sion. —rack (-rek), m. Shush. Shins isirn-us), g. Sirius, de hondanter. Sic Isis'), ;f. your Cecily. —yphus (-1-fus). my. Sisyphus. Slavonic g. Slavoutt. --tt, a. Siavoonach; i. Slavontdr. S ieswick (ales' wik), g. Smollet ‘smolltt),m. Smyrna (emur'ne), g. Smyrna. Socrates (sok're-ties), an. Soeratee, Sodom (soenin). g. Sodom. Sot (son, f. Solomon. —orison (-um-un), Saloon°. —on (sontin), m. Solon, Suph (sorj, t. voor Sophia. —ia (so-fare), w. Sophia —odes m. Sophooles. —y, f. your Sophia. Sound (seaund), g. the —, de Sond. Southampton (sauth•em'tn), g. Southampton.

Waar kan ik crypto met pinpas


Arbooken, ov. w. to book, to enter. Afboesann, ov. w. to rub Ito scrub, to brush) off; to drive a way., Arbooten,ov. w. toatone for. A fb urgen, or. w. to borrow (from). Afbortatelea,or. w. to brush off, — away. Afbottelen,ov.w. to bottle (off). Afberenk, v. pulling down, demolition; rubbish, materials. voor for dernoliehing, for rubbish. Af bras/den, ov.& ou. w. to burn (down off). Afbrek en, or. w. to break off; to pull down, to demolish, to strike; to interrupt, to stop, v. lireeking off; pulling down; rupture. Afbreuwei.a, or, w. to bring off, — down; to dissuade (to divert) from; to set afloat &pin; to *aye; to coins off. Albs euk, v. wrong, injury, damage, prejudice. -- do., to wrong, to injure, to hurt, to damage, to prejudice, to derogate; to hares. Albrortalafers, or. w. to patch up. All.unkkal en, ov. w. & cat. w. to crumble down, — off, to scale elf. —ing, v. crumbling off. Albs, limber., On. W. to tunable down. Affiltek, o. pent house, pentiee, shed. AfriAll en, on. w. to go (to cone) down, to de. acen.i; to condescend (to). --ing, v. ile,Canf; condeacemion. Afrionineen, or. w. to keep cif by a dike; to datn up, to embank. Afdonnik en, or. w, to discharge. to discard :, to dimnies, to cashier, to diebriol; to ivy up. —tog, v. dnicharge, &emit:Ise!, diebandintr• Afdret *,/11, or. W. to divide, to close, to parcel out. —fog, v. dividing; dieter., section, ;bragraph, head. Afdehxzen, on. w.to withdraw. to retteat. Aidekken, or. w. to uncover; to clear (the table); to helabor,to drab. Aiding en, or. & on. w. to , heapsn, to abate, to beet down the price, to haggle or. —sr, m. —slur, v. c heapener, haggler, bergainer. Arcing., ov. w. to put (to 'strip, to pluck, to tyke) off; to w ipe off, ;o clean; to bring to a cove, to put an end to, to terminate; to rumble; to clear, to pay off, —d, be. derisive. —ing, v. tnking off; eettlement„ clearing, liquidation, trAnnnction. Ald ► kkest, on. w. to come down. Aldermen, cn w. to wither And fail off. Afdranien, ov. w. to turn (to wring) off; to finish on the lathe; on w. to go off. Aldragen, or. w. to carry down; to Wear off, — out. sec* t. w. to cease bearing fruit. AfdrUs, en, ov. w. to drive away, to repulse; to invite. to Anterite, to provoke aciortiou; on. w. to be driven off, to float dotes. —end, by. glisten/tee, abstereent. — ing, v. driving &wily, e'rsterston; floating down. AldrIngea, or. w. to push off, — down. AfdrInken, or. w to drink off; to drown (a quarrel). taut 0718 het —, let Un make it up over a bottle. Aldrrsgen, or. or to wipe off, — dry, to dry up. Afdruipen, on. w. to drop (to drip, to trickle) down. to drop off; to steal (to slink) away. Afdruk, m. copy; print; mark. —ken, ov. w. to 13
TRU. TUR. 314 pen, opknoopen, opmaken (up). —ing, H. kruis- Tumid (tjoe'mtd), a. gezwollen. —fly (-mid'it• tih), —nese, gezwollenheid. verband. Trust (trust'), s. vertrouvren, geloof; (credlet; Tumor (tjoo'mour), o. gezwel. —oat, a. gezwollen. bewaring; toevertrouwd goed. deed of —, akte Tamp (tump), s. aardhoogte, heuveltje. v' a. aaraarden; meet geven. van volmacht. —worthy, vertrouwd. v. a, & n. vertrouvven (in, op. to. tan); gelooven; (in) zich Tumul tar (tjoe'mjoe.ler), —ore (-10oe), a. van (als) aardhoopen, heuvelig. verlaten op; (with) toevertrouwen; op credist geven. —ee (-ie'), e. gemeehtigde; commimsarie, Tumult (tjoe'mult), s. rumoer, oploop, (Truer. curator; boedelbezorger. beheerder, voogd. —er, Tunaultu ar11y (tjoe• , nultioe-e-ril-lihe, ad. —ary, —tee, a. —ously, ad. woelig; onstuimig; m. vertrouwer. —ily, ad. —y, a. trouw, eerlijk oproerig. —swiftest (-e-ri-neee), —tamest, v. In oe• --in8118 (-i.neas), s. trouw, eerlpheid. —less, a. ligheid; oproerighetd. ontrouvr. Truth (troeth'),s.waarheid; oprechtheid; getrouw - 'run (ton'), a. ton, vat; dronkaard. —bellied, dikbuikig. —dish, trechter. —, v. a. tonnen, in eene held. of a in —, in waarheid, inderdead.—fut, ton dnen. a. —fully, ad. wear, wabrachtig. —fulness, H. waaracht,,gheid. —less, a. onwaar, trouweloos. Tuna Hole (tjoe'nibl), a. —bly, ad. welluidend; te etemmen. —bleness, a. welluidendheid. Wry (tear), v. a. beproeven; aaneaseen (on); onderzoeken; verhooren; tootmen; euiveren; uitmaken Tune (tjoen'), a. toon, klank; zangwije; lied, deuntje; stemming. in —, gesteaed. out of —, (out); v. n. trochten, pogen (at); streven (for); ontstemd. v. a. & n. stenamen; zingen, neubijleggen. —self, snauwzell. —ing, a. moeielejk; rien. —jut, a. welluidend. —lees, a. onwelluivermoeiend. Tub (tub), s. tobbe, kuip. tale of a —, sprookje,, dend. —r, s. stemlner. Tunic (tjoe'nik). —le (-niki), a. tunica, boorvertelseltje. bleed; huidje, vlies. 'rube Moe b), a but., PO. Tuber (tjoe'bur), a. knot. —ele (-bur-kl), H. knob- Tuning (tjoe'nieng), s. het steramen ; zingen. beltje,puistje. —eular (-bur'kjoe-ter). —cuteuel --fork, stemvork. —hammer, —key, atemhamer. —toe (-oos),' Tunnage (tun-nidzj), e. tonnemaat, -last; ton(-bur'kjoe-lus), a. knobbelig, buitig. s. (uberoos. —ore (-ooz'), --out. a. knolvormig;1 nengeld. knobbelig. —osity s. knolvormigheid; Tunnel (tun'nil), e. eehoorsteenpijp; trechter; onderaardsche doorgang, tongewelt. tunnel; paknobbeligheid, bultigheid. Tubul or (tjoe'bjoe-1er ► , —ated (-lee tidy, —outs, trijsnet. —, v. a. trechter- (tunnel-, net•) vormtg waken; een' tunnel graven door ; in een net a. buinvormig. 'ruck (tuk'), s. stootclfgsn, rapier; net; votiw, invangen. slag; billen (van een schip). —square platte Tunny (tun'nih), a. tonijn. Spiegel. —, v. a. opbinden, opschorten, opnemen Tup (tup), s. ram. —, v. a. 86 n, stooten; beepringen, dekken. (up) diet,thaten; in-, omslaan (in), ineteken. instoppen; v. n. eamentrekken, inters krimpen. Turban (tur'ben), s, tulband. —end (-bend), s. —er, s. halekraagje, overhemdje. —et ( it), e. een' tulband dragend. Turbary (tur'be•rih) s. recht om turf te oteken; voorspel (op de trompet). veengrond. Triefall (tjoe'faol), a echuur, afdak. Turbid (tur'bid), a. troebel, drabbig. —nest, a. Tuesday (tjoee'dee), s. dtnadatt. 'rufa (tjoe'rel, a. Zie Tuff. —recur (-fee'ejus), a. troebelheid, drabbigheid. Turbioc ate (tur'bi-net), —ated (-nee-tid), a. apttufateenachttg. raal-kegelvormig. —altos (-ntn'sjun), s. spirattlTuff (tuff), s. tafeteen. Tuft (tuft') e. bosja; knit; kwast; hoop), —hunter, vormige ronddraaiing. —tt s. achroefrad trijpfluweel. (waterrad). klaplooper. —niockado, —toffetta, —ribbon, floweellint. —, v. a. met pluimen(kwas. Turbot (tur'but), s. tarbot. ten, vernieren; tot net boeje binden. —ed. —y, Turbulen ce (tur'bjoe.lens), —cy, s. woeling, onetuimigheid, oproerigheid. —t, a. —try, ad. a. gekuifd, gepluioad; in bosjes. Tug (tug'), 8. ruk; paardeataart, sleepboot, —, woelig, onstuimig, oproertg. v. a. rukken, trekken; v. n. tobben, zwoegen; Turcism (tuemizne), a. de godsdienst der Turken. zich inepannen, worstelen. —grr (gut). a. rubTurd (turd), a. drek. ber, trekker; zwooger. Tureen (tjoe.rien'), a. (aoep-) terrine. —fettle, Tuition (tjoe s. onderricht; °peat,. schep-, soeplepel. Tulip (tjoe'lip), s. tulp. —flower, bignonia. —tree, Turf (turf), s. node; grasplein; turf; renbaan; tulpbaom. wedrennen. —, v. a. met zoden bedekken. —inees Tumble (turn'h1), s. tuimelieg, —, v. a. werpen, (-1-nesm), e. overvloed van gran, — van turf. —y, doen omkeeren; veritreuken; (creel omrococo; doorbladeren; doorzoeken; v. n. tuirnelen, a. grasrijk; rijk aan turf; turfachtig. buitelen, rotten; instorten. —a, rs. buitelaar; Turg *nt Itur'dzjent), —id, a. zweilond; gezwollen; opgebiazen. —escence (-dzjes'sene), —idity tairnelaar; groot drinkglas. (dzjid'it-tih), s. zwelling; gezwollenTumbrel (tum'bril), N. meat-, strontkar; bruitheld; opgeblazenheid. wagen; duikeistoel (voor kijgende vronwen. Tumefaction (tjoe.me-l'ek'ejun). s. opzwelling; Turkey (tur'kih), e. kalkoen. —cock, kalkoensche gezwol. —y (tjoe'me-faj), v. a, & n. (dose) op- haan. —hen, kalkoensche hen. —earn, turksehe tarwe, mats. —potot, jonge kalkoen. zwellen.
GEW. Geoleast, sp. braiding. Gevleeed, by. incarnate. Gavle!, o. flattering, wheedling. evlekt, by. spotted, speckled; stained. Gowlerkt, by. winged, wingy. Gevleuggeld. by. pinioned, winged. o. flying. Gevloek, o. cursing, swearing. Gevoed, by. etrong,lusty, (lemon, o. sijn — does, to go to stool, to do one's needs. Gevoeiglfdlk, by. & bw. proper (-ly), convenient (-ly), suitable (--bly), —heid, v. propriety, convenience, suitableness,. (sieves's!, o. feeling; touch, tact; senee,sentimert, ?mulatto's. —en or. & on. w. to feel, to be sensible, to conceive, to apprehend. —en, o. opinion, idea, thought, sentiment. —ig, by. feeling, Beatable, impressionable; sensitive, tender-hearted; touchy; severe; blv. severely. —igheid, v. sensibility; impressibility; seessitiv ewe.; touch. iness, resentment; severity. —Zoos by. unfeeling, insensible; senseless; bw. insensibly. —loosheid, v. insensibility; !senselessness. —en', by. feeling, sensible, affectionate. G evorelte, o. birds; fowls, poultry. Gevolg, o. consequence; train, retinue; conclusion. — genes aan, to effect, to fulfil. een trekken nit, to draw a coaclusiou from. ten —e van, in consequence of. —trekking, consequence, deduction, inference. —10, by. consequently. evolessaehtlgde, m. plenipotentiary, prexy. G evonkel, o. sparkling. G eworderd, by. asked, required, requisite; advances:in late. Gevrang, o. asking, inquiring; demand. G ev rfj, o. wooing. litwand, 0. gAratent, dress, garb, attire. Gewand, by. hazardous. —herd, v.hazardousnees. 44 !marsh, o. watching. Gewaand, by. pretended, feigned, false. Gesvagrword en, ov. w. to perceive, to discover, to become a Nara of. —ing, v. perception, sensation. Gewag, o. mention; barking. — maken von, to mention. —en, on. w. to make mention, (van) to mention. Gewaggel, o. staggering. tottering, waddling. Gessialsre, o. smoking, !steaming. fl e w andel, o, walking. Gewangd, by. cheeked. Gewapend, by, armed. de —e macht, the militia. —erhand, bw. arms in hand. G wapper, o. swinging, flying, dangling. (lawns, o. crop; growth; vegetable, plant, shrub; excrescence. eweet, by. waxed. Gewaterd, by. watered. Gewauwell, o. twaddle, gibble gabble, nonsense. tiewe.r, o. weaving. Geween, o. weeping, trying, crier. (teweer, o. gun, musket; arms, weapons. getrokin (under) ken —, rifle. ire 't —, to arms I in het shoulder arms i is den arse arms. schouder 't 't —, support arms! presenteer 't —, present arms! —fabriek, manufactory ground arms! set af 't
For those of you who have not been paying attention to one of the biggest trends in investing and tech, cryptocurrencies are digital currencies using encryption techniques that regulate the generation of currency and verify the transfer of funds, operating independently of a central bank. Units of currency are created through a process referred to as mining.
121 zakken. — a gum at, Omen near. — the hand, de is (. gen'tik), a. Gigant can (dojaj-gen-ti'en), hooger hand laten. —joy, geluk wenseheu. 4 the reusachtfg. mitten, den zak geven. — offence, beleedigen, Giggle (gig'gi), geginnik. —, v. n. ginnegappen. — service, groeten. — thanks., dankbetuigen. — it —r, s. gichelaar, lachbek. against (for) one, ten nadeele, (voordeele) van Giglot (glg'lut), s. loszinnig meisje. iemand uitwijsen. (away) weggeven; opgeven, Gigot (donr,, ut), s. bout. Gild (gild') [gilt.), v. a. vergulden, versieren. —cc, laten liggen. (back) teruggeven. (for) houden voor. (forth) uitgeven; bekend waken. (in) ingeven; ins. vergulder. —ing, s. verguldsel. dienen; opgeven. (out) uitgeven; van ebb geven; GII:i (dzjill'), 8. mutsje; (vochtmaat); spleet, kloof; aankordigen; beweren. (over) opgeven; overgeaardveil, aardveil-bier; deern. —house, bierhuls. van. — one's self to, etch overgeven aan..—, v. n. s. kieuwen; kwab; onderkin. Gills wijken; ontlasten, smelten. (back) wijken, deinzen. Gillyflower (dzjillih-flAuw-ur), s. violier, na(in) aflaten; wijken. (into) instemmen met; zich gelbloem. Gilt (gilt'), a. verguld. —„ s. verguldsel. —edged overgeven aan. (off) ophouden. (on. upon) anneallen. (out) toegeven; bekend molten; voorgeven. (..ed4d), a. verguld op once. —head, goudbrasem; (over) uitscheiden. goudkop (vogel). Gin' (donne), a. fraai, netjes. —crack, prullig Giv en (giv'n), part. (to) overgeven attn. —er, R. leveraar. gayer, werktuig; snuisterij. Gizzard Igiz'surd). s. krop, maag. to feet one's —, Gimbals (dzjim'belz), s. kompasheugels. zijn' geest afsloven. Gimlet (gim'lit), s. schroef boor. Ginttnal (gim^mel), s. kunstig werktuig, drij fwerk. Glabr Ity (gleb'rit-tih), e. gladheid. —ous (glee' bras), a. glad. Gimp (gimp), s. zijden galou. a. bevrozen. —ate (-eat), (din (dzjin), s. vaistrik; marteling; heboon, :out- Glad al (glee'sji-el), s. bevrleting. verIngewerktuig; jenever. —, N. a. vangen; katoen v. n. bevriezen. —ation (-ee'sjun), —er (gles'i-nr), s. gletseher. —ous (-sjus), a. ijszuiveren. aehtig. Ginger (dzjin'dzjur), s. gember. —bread, peperGlad's (glee'sis, gla-sies'), a. glade. koek. —ly, a. otter tj es, ornoicirtig. —ness, e. Glad (gled'i, a. bltde, verheugd (of). —, —den held. (gled'dn), v. a. verblijden. —der, 3. verheuger. Gingival (dzjiredzji•vel), a. tot bet tandvleesch —ly, ad. met genoegen, gaarne. —ness, s. blijdbehoorend. sehap. —some, a. verbeugd. —somencss, s. blijdGinglo (dzjin'gl), s. geklingel, gerinkel. —, v. a. echap, doen klinken (rinkelen); v. n. klingelen, rinkeGlade (gleed), s. open pleats in een bosch; houtweg. len; gemaakt spreken. —der, a zwaardgras, kalmus. Gingtymus (giregli-mus), s. scharnierachtige Gla den (glee'dn), fiiadla to a. zwaardvormig. —tor b een.voeg in g. (-se-tar), s. zwaardvechter. Ginnet (donn'uit), e. 7,fe ti‘nct. Glair (gleer). s. eiwit; bellebaard. —, v. a. met Gip (dsjip), v. a. kaken (van haring). eiwit bestrijken. Gipsy (dzjip'sib), s. heiden (Zigeuner), ;landlooGinn ce Iglaans'i a. fllkkering; glans; oogopslsg. per, laird oopeter. bilk; zinspellug. —e, v. a. snel (zijdelings) weeGiraffe (poji'ref), a. kameelpardel. pen; v. a. flikkeren; lonken. (at) een' vluchtigen Girandole (doneen-dool), a. girandole, kanbilk werpen; toelonken, (over) vluchtig overz;en. delaar. (upon) van ter zijde aanroeren; afschampen; Girasol (dzjir'e-cool), s. zonnebloem. spelen (doelen) op. —ingly, ad. ter loops, vluchtig. Gird (gurd), s. schimpschent; neep; stoot, rub. e. klier. —ers_(-durz), e. droes, Gird (gurd') [girt.], v. a. oingordcn; bekleeden; Gland (glend'), —iform (-di-form), a. kliervormig. '—ular (djoeberlepen; hoonen; v. n. schimpen. —er, a. schim. ler). —tam (-djoe- I um), a. klierachtig.—ute(-djoell, per; binaibalk. a. kliertje. Girdle (gur'dl), s. gordel; omtrek; dierenriem. B. verblindend licht; vlammende —belt, gordelriem. a. a. garden, omgeven. filar e (Veer')a. uitstralen; v. n. verblindend bilk. —e, v. --r, e. gordelmaker. schitteren, blaken. (nt. upon) woest aanstar,n. Girl (gurP s. meisje; tweejarige reebok. — hood, a. —kg, a. verblindend, in het nog loopend. —iegly, meisjesleeftijd. —ish, a.) —ishiy, ad. meisjesachad. openlijk, schreeuwend. tig. —ishness, a. meisjesachtigheid. taai. Girt (gurt), s. buikriem; band; omtrek; sweat- Glareotts (glee'ri-us), a. kleveri,T, s. glas; kijker;spieruimte. —, v. a. gorden, omgorden, ineluiten; Glass (glees"), a. glazen. glasblazer.'—furnace, gel; zandlooper. —blower, den buikriem aandoen. glasblazersoven. —gazing, a. ijdel, ingebted. Girth (gurth), s. Zie Girt. glasblazerki, Girt•line (gurt'lajn), s. gording. — of the sheers, —grinder, glasalijper.—houee, glashandelaar. —metal, glasspijs. —ware, giftsjoltoww . werk. —work, glaefabriek. —, v. a. in glee zetGist (dzjist), s. hoofdzank, hoofdpunt. s. Klasachtigheid. —bike,' vergiazen. Gith (pith), s. zwarte komijn. —y, a. glasacbtig; doorschipend; broos. Give (giv) [gave (eeev). given (giv'n,7,, v. A. geven, Glauber's-salt (glaob'urz • ;molt), s. glau12erzout. leveren; verleenen, schenken; bewerken; houden (glao-ko'me), s. grauwe start?. voor; nantoonen; overlaten. I gave him as good as Glaucoma a. zeegroen. he brought, ik betaalde bear met gelip, moat. Glattconim (glao'kus), verghoimmet. — e, a. a. v. glaa (gleez') ,11 . 7? , y I egp yen; —graved, —place. rvvv, v

Maakt gebruik maken van Microsoft Blockchain


ENE. —EVA. Enkel, by. bw. tingly, only, merely. —need, o. singular (number). —vosdig, be. singular. —stet, Eat, v. graft. —ales, grafting-knife. graft, scion. —was, grafting-wax. —en, ot. w. to graft. —er, m. grafter. Enter en, ov. w. Ito board, to grapple. —601, grappling-axe. —dreg, —hack, grappling-iron, grapnel. —luta, boarding-scuttle. —setter', board. lug-nettings. —ing, v. boarding. lEnterU, v. nursery of grafted trees. Entrep6t„ o. bonding-place, bond. Enveloppe, v. wrapper; cover. E pants, v. ergot. Epaulet, v. epaulet. Epidesn le, Y. epidemy, epidemical disedse. —tack, be. epidemic(-al). Eplsch. be. epic. Episode, v. episode. Epee, v. wild parsley. Equipage, v. (mew; equipage. —neater, boatswain, arrayer. Er. bw. there. — keen, there, thither. ik heb — nag twee, I have still two of them. Erachtene (rutin.), bw. in my o t.inion Erbarus elUk. hr. & bw. miserable (-bly), pitiful (-Iy), wretched (-Iy), lamentable (bly). —en (tiA), t. w. (ever) to have compaseiou on (for), to have mercy upon. —lag, v. pity, compassion, commiseration. Eel, o. ground, yard; inheritance, patrimony. —benit, hereditary poeseealon. —beritter, hereditary portion, patrimony. —doebter, heiress. —genaara, m. heir; v. heiress. —genoot. rn, coheir; coheirass. —gilt, legacy. —good, inheritance, patrimony, heirloom. —graf, family-grave, family-vault. —rend, —lead, hereditary land, heirloom. zie notedelibuts; —houden, to sell by auction. —huishouder, —huisoieestcr, auctioneer. —hoeing, hereditary king. —koninIcrijk, hereditary kingdom. —factteter, teetatrtx. --later. testator. —latiag, legacy, bequest. —teen, hereditary fief. —opeolging. 'succession, —pacht, fee-farm, quitrent, long-lease. —pachter. fee-farmer, hereditary tenant. —prins, hereditary prince. —princes, hereditary princess. —recht, hereditary right. —reale, perpetual (hereditary) teat. —r(jk,hereditary kingdom. —stadhouder. hereditary etadtholder. —atadhoudersehap, hereditary stadtholdership. —stele, inheritance, heirloom. —tocht, tie —v(iand, hereditary (mortal, sworn) enemy. —viiandschap, hereditary enmity. —caret, hereditary prince. —riekte, hereditary disease. —sonde, original sin. —elVk, be. hereditary; bw. by inheritance; eeutaig en —, ever and anon. —emit, v. inheritance. Erg, v. suspicion, — Art ben tkr(igen) in, t o be aware ot. sander —, undesignedly. die — denkt, court — in 't hart esti be to him who evil thinks. —, be. bad, evil, ill. —, bw. badly. ill; very. —denkend. be . suspicious. —deekernikesd, v. suspiciOlitrielle. Ergene, bw somewhere, anywhere. Erger, be. & bw. worse. des to —, so much the worse hoe lancer hoe — ran kuraud tot —, wane and worse, from badr to worse. en, or. W. to

Mag ik Bitcoin voor contant geld


—gevaar, desger of war ; —gevangene, prisoner Krippeiltle„ o. little, bit, crumb. of war ; —geweld, force of acme ; —god, god of Krippen, tiv. crepe, war, Mars ; —godin, goddess of war, liellona ; K nts,a.creene. —handet, militaryy art, profession of arms; —heir, Kristina, en. w. to crackle. army, hoot. —h eld, hero, warrior; —heldin, Kriolal, o. cryetat. in — schieten, to crystallize. heroine ; —koofd, —overate, general, military —forming, crystallization. —len, —lig, by cryotal, chief, —leans, chance of war ; —has, military crystalline. o. crystal. — Warn., by, crystal, cheat; —knecht, soldier; —hasten, expenses of crystalline. war; —kunde, military science, tactics; —kundig, Kratlek, be. critical, hazardous. military; —kunst, military art. otrategy; —fasten, 14.roeht, v. crypt; hillock, hill. charges of war, contribution ; —lied, —rang, Krodde, v. weed among oat,, cockle. Watery (wariike) song; —/ieden, soldiere, war- Kroeg, v. tavern, public honer, epuneiog-horise. —hauder, --wooed, ele•houee-keeper, publican. riors; —list, stratagem ; —markt, army, forces ; —looper, —taieg, frequenter of taverns. —en, on. —makker, feliuwesoidier, companion in woe; w. to frequent taverns; to have a treat. -man, soldier, warrior; —munseer, military honor; —mansatand, soldiership, (soldiery ; military Kroep, v. croup. state. —osusieh, military music: —oefening, mili- Krone, m. cup, pot; crucible. tary exorcise; —orde, —nicht, military diecipline; Ks - oes, by. crisp, frizzled, ►raped, woolly ; peevlsh, ill-humored. —hop, woolly-haired heed, — —ordening, military institutions, — law, — rules; person. —plicht, military duty; —plichtig, hourri to nerve, subject to trint'ary service ; —pltchlige, Hemmen, by. w. to crisp, to frizzle, to curl. conscript; —plichtigheid, obligation to military Krok, v. vetch. service; —read, council of wit•, court-martial , Krokodll, in. crocodile. —lentraven, crocodile 's ,:ears, feigned tears. —reek, —wet, martial law; —rocm, military fame, — glory ; —tccht, military expedition ; Krokum, rn. —toerusting, warlike preparation ; —loosed, seat Fivole ce cot, hovel, hut. (theatre) of war; —verrichting, military operation; Kraal inn, on. w. to caterwaul. --ziek, ale Kroger!, achievement, —voile, soldier soldiery; military; bv. with small roams (partitions). —teem, military concerns, — system ; —sword, watch-word ; military term ; —seek, matter of Kroloch, by. ruttish, proud, in heat, lustful. —hem, v. rut, ruttishness, lustfulness w ar. —en, on. w. to war, to make war. Kr (jenn, °v, w. to get, to receive, to obtain ; Krone, by. bent, curved, crooked, wry. —been, crook-shanks. --beenig, bendy-;egged. —boclatig, to reach, to catch. het to kwaad —, to be 'worsted. ein sons, tortroue anfractueue. —gerineerd, with Krijiger, m. warrior. crooked fingers, light-lingered. —hats, w) y-necked Kreigereje, o. - apelen,to play at prison-bars. pereos; retort. --loam, —toren. comet, bugleKreigelbinfellg, be. & bw. warlike, martial (-1y), horn.. —pout, compass. timber, knee; camber. courageous t-ly), valiant (-1y). —heid, a. warlie ahouwer, ecirnitsr; falchion. —/ianig, curvilinear. nese, courage, prowess. —ernes, garden-knife. —neus, person with a crookKrildisets, in. shriek, ',cream, —en, on. w. to shriek, ed nose. —neazig, crook -nwed, —rug., crook-beck; to scream. o. chalk ; crayon ; circus. in het — staan, crook-barked person. —steam, a coin ; --abler, small boar. —etaf,, crook ; crueler. —ateven, to owe. —aurde, cretarteous earth. —berg, chalkcrooked prow. —Mal, gibberish, broken language, hill. —gebergte, cretaceous rocks, —teeltening, —telex. to gibberish. —tang, stammerer. crayon-drawing. --achtig, by, cha I try, cretaceous. to stammer, to speak thick. — tonyig, otarnmerKrigt en, or. & on. w. to cry, to weep. —er, in. log. —roet, club-footed person. —weg, tortuous crier, weeper. —ertje, o. kit. road. achtig, by. somewhat crooked. —heid, v. Krik, tow. crack! crookedness. —men, ov, w. to bow, to bend, to Krikkerntk, v. crab. curse, to crook; rich t. w. to bend, to wind; KrIkkrakken, on w. to crackle. to writhe; to cringe. —veer, m. knee. -.fining, a, Krinip, v. want, scarcity, penury. by. fresh, bending, incervation; sic Krorote. —te, v. live. —en, ov w. to shrink, to make shrink; on. crook, dness, cut vity, sinuosity. beat; horn, w. to shrink, to lessen; to fall (ran den wind) meander. —hose, chilly person. —aeheteieek, fresh whiting. —Hach, fresh fish. —satin, fresh salmon. —erd, m. Kronen, ov. w. to crown. chilly person, shrinker. by. chilly. —ing, Kr.nwngond, o. gold of eighteen citrate. eehr(iver, chronicler, v. shrinking, contraction, gripes. —ster, v. chilly ii.vonlek, v. ch,onlcle. annelist. woman. coronation-dey. Kring, rn. circle, ring; halo; cycle, orb. sphere. Kronleg, Q. coronation. —s; east, coronation-feast. —aplachtigheid, coro—en ender de cogen, wrinkles under the eyes, TIR11011. Crow 's-feet. —normeg, circular. ---treijze, by. & Krankel, rn, rumple, wrinkle; coil; twisting (of bw. circular (-ly), orbicular ( toe guts). --acetig, bv• rumpled wrinkled. —en, Krinkel, tn. curve, eur,ature, bend, wrinkle, ov. & on. w. to rumple, to wrinkle; sick —, t. sinuosity. —en, on. w. tei wind, to curl, to w. to wrinkle, to wind, to bend, to turn, to wrinkle. —kg, a. winding, curling. wrinkling. g ',Leander, —board. rumpled cord --pad, windin KrIoellen, on w. to swarm, to be full of. path, inane. —ig, by. rumpled. wrinkled, elnuous, o. crape.

Kremlin, v. crown, pate; top, summit; tuft. —punt, —step, zenith, —.whoring, tonsure. bw. ereepingly, by stealth. Krulin ten, on. w. to creep, to crawl; to cringe; to sneak. —get, —hot, lurking-hole. —haantje, —hennetje, chicken of a small. breed. —era.!, be. creeping, crawling; cringing; pedierte, reptiles. —er, m. —eter, v. creeper; sorry walker; cringer; blockhead. Kruk, o. cross; cross work; lower part of the beck, rump, neat, cod-piece; croup, crupper, aeries, sharp; grief, effiletion. — of /mint, cross or pile. —afnemaing, descent from the cross. —band, cross-beam; cross-cover, band. —beeld, crucifix.; diaper. —been, rump. —berg, mount Calvary —bee, —bezie,!‘,00seberry. —besseboom,woonaberry.baeb, —betting, cross-piece 31 the bits. —beog, cross. bow. —boom, pairna christi. —broeder„ —draper, cross-bearer, sufferer. —dogma, rogation-week. —distel, sea holly. —dood, death on the cross. —doom, buck-thorn. —secant, apostle. —etadsa, ten guilders. —Awe& cross, wood of the cross; beam. —kerb, crone-church. —Mantis, cross-beam. —boot, charcoal. —kosiin, exoss-bar-window. bring, colure. —loan, croea-alley. —leer, doctrine of the cross. —net, square finking-net. —pact, standard of the cross. —pad, —weg. cross-read. —pooq, port of the gunner's room, —ra, mizzen, yard. —racy*, cross-her- window.—rientepurcingie. —echerp, cross-bar-shot. —see*, transom. —anemic, crucial (transvereel incision. —stack, cross. stitch. —steng, mizzen-topmast. —atraat, cross-street. —stab, loin. —tomtit, —roaart, cruisade. banner of the cross. —',smarmier, cruisader. —verkeffing, a xvltatton. —rindeng, invention of the renal. . cruciform, cross-eliaped. —werk, mizcross-work. —wits, teijee, crosswise zen-topee.11.—tettsreep, eal„ mizzen-tepsail•hallard. Kruiselluge, bw. crosswise. across. "(ruin en, or. w. to cross; to crucify; on. w. to cruise. —hock, —plaats, cruising-latitude. —punt, intersection. —timid, erniee. —er, m. cruiser. Krulalpg en, ov. w. to crucify. —ing, v. crucifixion. Kruluing, v. crossing', cruising. Krule)r, o. croelet; obelisk it). Krselt, 0. gunpowder, powder. — OP de pane gel" miog. —bum, gunpowder-box. —damp, smoke of gutipow der. —boors, —horen. powder-horn. —hula, powder-ioagazine.powder-miii, —kamer. powderroom. —last, powder-cheat. —koker, powder-case, charge of a gun. —lantaarn, dark lantern. —Lepel, cbargsng-ladle. —meet, measure for gunpowder. —inagt:zijn, —toren, gunpowder-magazine. —maker, gunpoorder-maker. —molen,—stoof,gunpow. der mill, —ton, powder-barrel. --teagen,powder cart. firullevagesse, m. Zieonder Krullen. Krutteutunt, v. balm-teint,eurled mint. Kruk, m. bungler, poor hand; sickly person. v. snitch; perch; pommel; handle, crank. winch. —ken, on. w. to use crutches; to languish. to be sickly, — ailing. —ker, m. one that walks with crutchee, sickly person. --big, bv. sickly, ailing. lingering. go; Kriel, v. our% 'scroll, volute; .flo
Forme, v. fame; report; reputation. ter gveder swan en — ataan, to be in good repute, to have a good character. —roovend, —rooter, ale Ear. ronvend, Ferroover. —loos, by. inferno.. Fake], V. fable; story, tale, quib. —bock, hook of fables. —dicker —schrtver, fabulist, fabler. —kunde, —leer, mythology. —achlig, be. febulous. Fabriceeren„ ov. W. to manufacture, to make, to fabricate, to forge. Fabriek. v. manufactory; coining, invention.--, m. surveyor of ;iblick buildings.—arbeider,—werher, manufactory •rn an, workmail.—diatriet,mannfactoring district. —gebouw, manufactory. —goed, —werk, manufact )re. —opzichter, foreman. —prti., factory-price, prime cost. —.OM, manufacturing- taw, —weave, manufacturing industry, factory-aptem. —en, no. w. to make, to fabricate. Falerik ant, m. — ear, m. manufacturer. Factle, v. faction. Fasctoor, m. factor; agent. v. factory. Factureeren, ov. w. to invoice. Fesetuur. v. Invoice. —bock, invoice-book. -, bedrag, invoice-amount. —warsido, value as per invoice.
G()A.--(i(1(). 'e land, goon; ruchtbaar worded. (ogiciast) onaangenaarn zijn; zich aankanten tegen. (along) wortgaan. (along with) vergezellen. (aside) van het spoor geraken. (away) weggaan. (between)tusochen beide komen. (beyond) overeehrijdon; overtreffen; to clog of zijn. (by) voorbijgaan;veretrijken;zich rlchten near; bekend zijn oneer. (down) near beneden gaau, near het platteland-gaan; ondergaan; gn liggsn; Innate., info/1k vinden (with bij). (far). invloed hebben !with, op). (for) gaan om; doorgaan vane; zijn voor. (forth) versehijnen; uitgaan; heerschen. (Arward) voederen. (from). afwijken van. (into) toetreden tot. (near) maderun; op het'punt zijn. (off) vertrekken; sterven; afgaan; koopere vinden. (on) voortgaan; voort. varen; aanvallen; aangaan (van kleederen). (out) uitgaan; uittrekken. (over) overgaan; doorloopen; onderzoeken. (through) doorgaan; doordrirtgen; ondergaan. (through with) volvoeren. (under) doorstaan. (up) opgaan; near de hoofdstad gaan. (upon) ondernemen; zich grondon op (with) volgen; bet houden met. (without) ontberen. Goad (good), a. ossenprikkel. —, v. a. prikken; aandrijven. Goal (goal), s. merkpaal; doeleinde. Goar (gout), a. Zie Gore. Goat (goot'),s..gett. he—, bob. she geit. —beard, —marjoram, gettenbaerd(plant).—ehafer,roskever, —fish, elft. —herd, geitenhoedee.—snaker,—sucker, geitenmelker(vogei).—"s-rue,geitenruit.—'s-stones knaapjeskruid. —'s-thorn, boksdoren. —is!,, a. stinkend; geil. Gob (gob,), —bet, a. mondvol; brok. Gobbet (goYbit), v. a. inalokken. Gobble (gob'bt), v. a. gulztg inalokken; v. n. scbrokken, kokkelen. —r, s. gulzigaord, elok-op; kalkoensehe haan. Goblet (gob'liti, s. beker, drinkschaal. Goblin (gobnin), a. booze geest; kabouter; spook. God (god' ► , a. God; afgod. —wot! God weetl would to God gave! —yield, —a-mercy, God vergelde het u! For —'a sake, om Gods wil. —hots, kerkboete. —child, petekind. —daughter, peetdochter. —father, peetoom. —mother, petemoet. —send, meevallertje, buitenkansje. —smith, maker van afgodsbeelden. —son, peetzoon. —'s-penny, godspanning. God (god'); v. a. vergoden. s. godin. —head, a. godheid. —less, a. goddelooa; zonder G od.—like, a. goddelijk. a. godsvrueht. —ling, a. godje. —1y, a. van God. —tai, a, .k Ed. godvruchttg, vroom. —chip, s.goddelijkheid.—ward(-ward), ad. tot God, Godwit (god'wit), a. oeversnip. Goer (go'wr), a. looper, wandelaar. the comers and goers, de gaande en komende man. Goggle (gog'gl), a. starende blik. oogkleppen. —, v. a. aanstareu; v. a. groote cowed opzetten; de oogen verdraaien. —eyed, met uttpuilende (roliende) oogeu. Going (go'ieng), a. gang;vertrek; draeht, mangerechap. —a, a. gedragingen. —, part. - gaande. I am ik zal dade]ijk goon. Golfer (goj'tur) kropgezwel. Gold (goold'),a• gouden. —Leater, gond-

Hoe crypto harde portefeuilles werken

×