&rig, vraatzuehtig. —mane's, s. vraat-, roof. raepen. —story (-e. tur-24h), a. beendervUl. —er, zkeht. a. reaper; krabber. Raves (ree'vuT). s. razende; ijihcordigo. Haspbehirry (raasiber-rih), s. frambooc. Ravin (seen), z. Zie Raven, frarnbozeostruik. Ravine (re-ylen'), a. ravijn, holle weg. Rasura (ree'sjoer, -zjnr), s. Zie Razor°. Raving (ree'visng), a. razend; Wend. s. weanRat (ret'), a. rat; merlooper; pruldrukker; tegensin; het razen, Wen. stroomlng. to smell a —, lout ruiken. —catcher, Ravish (rveimj), v. a. verkrachten; reoven, ontrattenvauger. —'s-bane, rattenkrult. —trap, ratvoeren; yerrukken. —er, a. verkraonter; roover, -, v. n. overloopen, verlaten; tinder het ontvoerder; verrukker. —lag a. — inyty, ad. oarloon drukben. rukkelijk. —meat, a. verkraehting; roof, ontvoeRata bile (ree'tibli, a. echatbaar. —bly, ad near. ring; verrukking. evenredtgheid, near gelaeg. Raw (rao'), a. —ly, ad. rauw; onrijp; raw, onRsatalla (ret-o We), a. ratalia (likeur). bewerkt; ocervaren. boned, mager, vet over Ratan (ra-ten'), a. oost-indisch stet, rotting. bean. —head, builebak. —ish, a. ruw, guur. —nes:, Retch (retaj'). a. sehankel-, alograd, oplichter. a. rauwheid; ruwheld; onbedrevenheid. —et, a. spertand (in uurwerken). Ray (Teen, a. liehtstraal; glans; doe; rog; herik. Rate (rest'), e, prije, koere; maatstaf, verhouding; — of gold, goudblaadje. —fort, blauwe lane. rang; mauler. wijze; be , asting. at any —, in Al—grass, herik, havergras. —less, a. dot, zonder len gavel. first —, van den eersten rant.. — o stralen going, gang. -- of sailing, vaart, beze Ind • Raze (reez), v. a. lieht aanraken, sehaven; uitkrab—book, tol tarter; belastingregister. —, v. a. sehatben, doorhalen; sloopen; venvoesten, ultroelen. ten (at); belatten, aanelaan; bekijven labout.forl; Reran (re-zie'), a. gesloopt 'chip, sleet. v. n, een' rang Innemen; gerekend worden. — r, Razor (ree'zur), a. seheermes, alagtand. s. sehatter. Echeermetbsk (rogel). —cloth, seheerdoekle; wrijtRather (riethur), ad. liever, vealeer; eenigszins, lap. —fish, seheermearug (Yiseh ►. —shell, mesvrI), tarnellik. seheede (sehelpvisch). —strop, seheermesrlem. Until ication (ret-if-l- kee'sjun), a. bekrachti- Razaire (ree'zjoer), a. ulokrabbing, boorging. --ler (ret'l-faj-ur), a. bekraehtiger. —y (ret.'baling; uitgekrabde pleats. i-faj), v. a. bekractitigen. Reacceas (ri ek-sea'), a. hernieuwde toegang. Rating (reeitleng), a. actuating; bekkivIng. Reach (riots)), a. bereilt; vermogen; omvapg; nitRatio (ree'sji-o), a. varho'tdtng, reden. gestrektheid; afstand; bevatting; kunatgreep; doel. Ratiociaa to (resj-i-oal-neet), v. n. redeneeren, out of —, ontereikbaar. —, v. a. beretken; aan-, /insider). —lion (-nee's)un), e. redeneering, gevolgoverreikan; (forth. out) ultetrekken; v. n. reikon; tre toereiken; itch ultstrekken, (after. at) streven, Ration (sae's on), a. porde, ranteoen. traehten naar; (to) beretken. Rational (rearun- el), a. met redo begaafd, rede- React (ri-ekt'), v. n, terugwerken (en. upon). —ion lijk, ventandlg. —e (.1-un-ee'111), a. beredeneerd (-ek'sjun), s. terugwerking. verslag. —ism, a. redelijke godedienet. Read (tied') [read (red)), v. a. & n. lezen; radon. rationalto t. —Sty (-I-un- el'it- tih). —nets, a. redoerkennen; verstaan. (about) ona beurten lezen. ',Obeid; billiptheid. —ly, ad, redelijk. (over) doorlezen. (over again) herlezen. (to) noonRatlines (retnajn.), pl. weetiljnea. *beton. — (rod), a. belezen (in). —able, a. leesbaar. Batt an (rerten'), a. Zie Ratan. —een er, a. loner; lezeres; voorlezer. —erehip, r. yoors. ratiin (zekere atof). lezerschsp. Rattle (tet't1), s. ratel, rammelaar; geratel, ge- Readi ly (red'il-lih), ad. dadelijk, gereedelijk, cannel; dobbelbeker; hanekam. —headed, onbe!Mime; gemakkelijk. (-t-ness). a. heraldwilligheid; gereedheid; vaardIgheid. zonneu; wIspelturig. —snake, ratelslang. —, v. a. & n. (does) ratelen, rammelan; bektjven. —r, Reading (Tledgengi, a. het lezen; voor/ecIng; lezing; belezenheid. —desk, lezenaar. —tamp, stua. ratelaar; wagen. -a (Ton't11), a. keelziekte. deerlamp. —room, leeskamer, leeszaal. Rattling (reetlieng), a. geratel, gerammel. —e (-Item), pl. Zie Ratlines. Read mourn (ri-ed-zjurn), v. a. weder verdngen. Rime lty (rao'ait-tih), a. heesebheld. —out (-kne), —just(.1juat'),v.a.weder in orde brengen. —mission a. heeseh, sehor. a. wedertoelating. —mit (-man, v. a. wader toelaten. Ravage (Tev'idzji, a. earwoeattng, plundering. —, v. a. verwoesten, plat loopen. —r, e. var. Readorn (ri-e-dorn'), v. a. weder vereieren. Ready (red'ih), a. gereed; herald, bereidwillig; woester, plundeatar. Rave (rocky), v. n. razen, raaskallen, ijlen. 1 vaardtg, bit de band; gemakkelijk; content. Reaffirm Iri-of-furml, v. a. op nleuw bareetlgen. Ravel (real), v. a. verwikkelen, verwarren; rafelen (out); (over) viuchtig behandelen; v. n. in—fence, a. h•rden -ode betuiging. de war geraken; rafelen. Reagent (ri•ee'dzjent), a. oploasend middel. Ravelin (rerlin), a. ra•elijn. Real (ri'el), a. —ly, ad. wesenlijk, werkeltjki Raven (ree'va), s. raaf. —black, ravenzwart. inderdaad. —, a. react. —jot, a. realist. —ity —locks, raventwarte lokken. e. wezenlklkheld.—Isatioo(-1.zee'ejun), Raven (rev',,), e. proof; roof. —, v. a, & n> rooa. verwecenlijking; te-relde-making, —ire (-aJt), ven; verslinden. — er, a. veralinder; roover. —ing, 1 v. a. verwezenli)ktn; to gelds waken. —ty, a. gea. roof-, vraatzucht. —nue, a. —ously, ad. roof- , trouwheld; onroerend goad.

Hoe krijg je de handel Bitcoin voor contant geld


Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.

Heeft RBI verboden cryptogeld


Ruble (roc'hi), a. roa!'el. Rommnge (rum'rnidzj), a. g•rafig; ondeizoe",, Rubric (roe'brikl, a. rood gemerkt. s. ru- geanuffel. —, v. R. doorsnufreien, doorzoekrn; brick; 1'00n:eche kerkregels. —al, a. met rood v. n. snuffelen (for, near). gemerkt; in rubriekert verdeeld. --ate (.ke,1!, v. Rumnber (rutreosur), R. merrier, bokahl. a. met rood tnerken. Rstranor ;roe'mur), a. gerueht. —, v. 8.. veebreiRuby (rne'biht, a. rood. —, a. rob)jo; roode puict. den, uttstrooien. —er, a. nitstrooier. Cluck (rub), a. krettlrel, Wool. —, v. a. brett',n, Rump (romp'), m. atuitbeen; bruin; Tompparlev. n. neerbukkett. ment. —bone, aehaambeen. —fed, dikbuikig. Ruetetion (rub-tee'dji1.11), R. opriaping. —steaks, lapjee van eon lendeatuk. Rudder trud'dur), a. roer. atoorreepko- Roiuiaie (rum 1 r1), u. kreuk. —, V. R. kreuken. ker. --chain,sorgkettlnK. —chock, roerk111, —coca, Run (run). a, loop, gang, vaari.; voortgaug; Ranroerbroeking. —head, roerkoc-, roermal. loop; toeloop, rummer, venom; omzet; bock: spot; —pint/e, roerhsak, vingerling. —dole, morale?. mauler. at the long —, op den dour, door leugte —stopper, roermeninkel. —strap. yneratrop. van tijd. —tackle, roertaiie. —yoke, Job van het roer. Run (run') [ra, run], v. a. loopen; 1,1(41:Iron, Rudd ill14.11(1'11(1. 1 di neon), B. roodheid. —te (rod'- ateken; jagen; Inedevooren; binnensmokkelen. d1), a. roodaarde. —ock (-4lukk ro.dbor.t.i.- —aground, eau den grond setten. --the hazard A. rood, blozend, of op 't repel zetten. — a horse, galoppeeren. Rude (rood'), a. —/y, ad. ruw; grof; Comp; onbe- — the risk, hot gevaer loopen. ;down) (nevertiellaltd. --near, a. ruwbeid; lompheid; onbe- loopen; in den pond zeilen; tot zw -kjgen brawn, aehenfdlield• in minaehtintr beengen. (out) doorbrenven. Iover Itudent.r. (roe'den-noer), a. kabeling (Ran doorloopen. (throrgh) dooriteken; doorbroneen. sullen). (up) °platen; opdrlIven; ophernelen. —, v. Rudiment (ree'di-ment). a. grondbeginsel. —al loopen, Teuton; vioeten, ,,troonien; ettoren; (-ment'el), a, aanvankelijk. druipeu, lekt, en; straiten; Itticien. — counter to, Rue (ror'), a. wijnruit; berouw. --,, v. R. betreu- eandrutachen tegen. foot of, in den W.nd root; berouw hebben over. —fat, a. —fal?y, ad. varen, overzeilen. —high, bolatasn; hosg toupee. treurig; berouwhebbend. ---fatness, a. treurigheid. into debts, Bch)) Wen ma— coed, gel( word.. insail' (ruin, a. p leat; hal,krnag, kapperne; good- ken, not of one's wits, zijn veratand verli,zen. imam kerephann; tract; hoadte. —, v. a. kreo- — to seed, sand zetten. (about) )0.4).01)*!) , ((Vier) ken; troeven. naloopen; it/nu:en. (down) aratrournen, afdrotpon. Ruffian (rurnen), a. —1y, ad. worst, barbearscit. (in upon) toelonpe, op. (in with) Watt:rumen met. a• woeatelinr, barbaer; booiwieht; ntoorde• (off) wegloopen• (on) volrtgann. (cot) of-, —like, R. Zte Rvalflenay. loopen. (over) overloopen, (through) dooyloopen. Ruffle (rut'il), a. manchet. lob, horn; getfer, (up) 01) 1 . 0 1,, n; ()Mu.) , (ep to) tuele,open 0 1, brakeel; roffet. —, v. a. fr,,mmelen, k•eulten; —away, a. vittehteling. plooten; bijeen capon; in verwarring brengetr; (rued'. ar tidle (run d'di ), rol, rorldsel; sport. doen ontatellen; v. ruw wordon; krakee)en; lit), a. vaatje. fladderen. Mine (corn), a. ronemchrift.
220 Phaeton ffee'i-tun), a. phaeton (rijtuig). Phalanx Ifee'lengks, tel'engka), s. phalanx, gesloten krOgsbende, lidheentje der vingcrs en teenen. Phantasm (fen'tezm), -a (-tes'ine), s. droombeeld, heraenachim. -aftoria (-go'ri-e), a. vertooning van geestverschuningen. Phantom (fen'tum), 8. spook, droombeeld. pharis ale (fer-i-seelk), -aical, -ean (-si'en), a. farizeesch, schtinhoilig. -aiim (fer'l-see-itm), a. leer der Farizten; sebijnheiligheld. -ee (fee1 ale), a. Farizeer; achijnheilige. Pharsnac antic (faar-me-ejoe'tik), a. van de artseniamengkunde. -entice. pl . -y (faaeme-sih), artaenijmengkunde. -opceta (-ko-pi'e), s. arteenijboek. -opoliet (-kop'o-list), a. artsenijbe;elder. Pharos (fee'ros), s. vuurtoren. Pharyn gotonoy (fer-in-got'um•mih), a. luchtpbpsnede. -x it fer'ingks), a. strottenhoofd. plans e (feez), -is (fee'ais), a. schijngestalte. pheasant (fez'ont), a. fazant. painted -, gondlekensche fazant. pencilled -, zilverlakensche fazant. -poet, fazantkuiken. -walk, -ry, a. fazantentuin. Phees e ;fiez')., a. kwade luim. -e, v. a. hammen, rossen; mishandelen; verminderen. -y. a. elecht geluimd. Phenix (11'niks), a. tenths. Phenomenon (fe-nom"e-non), a. versehijnsel. Phial (faj'el), R. &genie. -, v. a. in can fieschje bewaren. Philanthrop ic (111-en- throp'ik) , -ical, a. menschlievead.-ist(fl-len'thro-pist),s.menschenvriend. -y (f1-!en'thro-pih), a. menschenliefde. Philippic (11-lip'pik), a. smaadrede. Philolog ar (ti-loVud• zjur) -int, e. taalgeleerde, philoloog. -ic, -ical (fil-o-lnd'zjik-), a. taalkundig, taalgeleerd. -y, s, taalwetenmchap, taalgeleerdheid. Philont nth (111'0-meth), a. beminnaar der geleerdheid. -el, -ela (-mi'le), a. nachtegaal, filomeel. Philonoph er (11-los'o-fur). s. wijageer. -ic, -ical, (fil-o-zorik-), a. wijageerig. . (-fizm), a. valsche wijsbegeerte.-ist,s.schunaqze,schijnphilosoof. -ice (-fajz). v. n. philosofeeren. -y, s. wijabegeerte; natural natuurkunde. Philter ilPturi, a. minnedrenk. -, v. a. door een' minnedrank betooveren. Phi. (fiz), s. gezicht, tronie. Phlebotom fat (fle-bot'o.mist , , 8. aderlater. -ice ( majz), v. a. aderlaten. -y, a. aderlating. Phlegm (flem), a. slijm, waterig yacht; coverschilligheid, kcelheid, bcdaardheid. Phlegm agogue (fleg'me-gog), a. slijmafdrijvend middel. -atic, a. -atically, ad. (metlk•)., alijrnig; onverschillig, koel, bedaard. -on (-mun), a. bloedzweer; ontsteking. -canoe ( - mun-ua), a. ontstoken. Phleme (fiiem), s. Zie Fleam. Ohloglst lc (fio-dzjisqik), a. brandstofhoudend -on (-tun , , z. brandatof. Platen", (fl Zie Phenix. Phon etic (fo-net'ik), a. van den klank; blankaanduidend. -etics, pl. -ice (fon'iks), a. geluid..
de West —, to use the West-India trade. —, bv. expert, hardened to the sea. — matrons, veteran sailor. Hewett *Wk.. be. & bee% intelligent, comprehensi7e; intelligible (-Wy), —elijkheid„ v. intelligence, comprehensiveness; intelligiblenes. —en, op. w. to contain; to conceive, to comprehend, to underatand. —ing, v. conception, comprehe n sism, understanding. Ileveeht en, ov. w. to fight, to combat; de sege —, to obtain the victory; to carry (to win) the day. —er, an. fighter, combatant. —lag, v. fighting; fight, combat. Beveling en, on. -97. to shelter —, to shield (from), to secure —, to defend —, to protect (against, from). —fag, v. sheltering, securing, protection. Bevel, o. command, commandment, order, injunction, instruction, mandate. het roeren, to command. —hebber, —toerder s commander., —hebberschap, o. command. —schrift, mandate. —en, ov. w. to command, to order, to eejoin, to bid, to direct; to recommend, to commit. Haven, on. w. to shake, to tremble, to quake, to shiver, to quiver. Bever, m. beaver, castor —geii,castareurn.—hear, beaver-bair. —hoed, beaver hat, beaver. —eel, v. 'hornet, saxifrage. —Irk, be. beaver. Revealing en, ov. w. to fasten; to fortify; to affirm, to confirm; to invest. —end, be. & bw. affirmative (-13), confirmatory; in the affirmative. —er, m. continuer. —lag, v. fastening; fortification; confirmation; investiture. BevUllen, ov. vo, to file at. BevInd, o. nair — van taken, atcordleg to the circumstance., — to ',,the state of things. —en, ov. w. to find, to experience; zith t. w. to be, to feel. —ing, v. experience; result; etate; situation. Beving, v. r.haking, trembling, quakin0C. Bevingeren, ov. w. to finger, to touch with the fingers. lliovtakken, ov. w. to stain, to beepet. Bevlekk en, ov. w. to stain, to spot; to sully, to defile, to pollute. —ing, v. staining; defilement, pollution. Revlieufgasien, w. to wing, to furnish with wing, BevlUtlig scan (MOO, t. w. to exert (to apply) one's sell. —ing,v. exertion; application. Bevicter en, ov. w. to floor, to pane. —.lag, v. flooring, paving; floor, pavement. Bevoehtlig on, ov. w. to wet, to moisten, to water, to irrigate. —log, v. moistening, humectation, watering, 'irrigation. Bevoegd, he. competent, (mantled. — *taken, to qualify (for), to Raltil0 riz a . —held, v. competence; authority. Bevoel ov. w. to feel, to handle, to fumble. Bevoik en, ov. w. to people, to populate. —fag, v. peopling; copulation —t, be. peopled, popu• s ous. —theid, v. popuionenessBevoordeek en, ov. w. to advantage, to benefit, to favor. —tag, v. advantage, benefit. Bevooroordeeld, bv. pvepossessed(for), prejudiced (against). —, hw. prejudicially. —held, v. prejudicialness.
Litholug 1st (ii thol'ud-zjist), a. sieenkenner.1 loopen, struaitsikpeo. 4 —er, a, lindleoper, a treatelijper. —y, a. steenkunde. 1Lithotom 1st (!t-thot'um-ist), e. steensnijder Gonna (loom'), a. leem, kleiaarde. —, v. a. met learn of kis! bestrijken. —y, a. leemachtig. (arta). —y, e, het anijden van den steen. Litiga nt (lit'i-gent), a, procedeerend; s. prove- Lean (loon'), a. leenIng. —office, leenkantoor. voerder. —te (-geet), v. a. betwisten; v. n. prose- b — v. a. leenen. deeren. tion (-gee'sjun), s. rechtsgeding, prom. !Loath (loath'), a. afkeerig, wars, ongenegen (to). — ly, a. walgelijk, stuitend; ad. met tegenzin. Litigious (11-tidzyus), a. —)y, ad. pleitziek, —nese, a. tegenzin, afkeer. betwistbaar; in gesehil. —nesa, a. pleitzueht. Loath e (loath'), v. a. walgen van, verfoeleu; 'Minos, Litmus (lit'muis). s. lakmoes. v. n. walgen. —er, a. walger, verfoeier. —ful, Litter (lit'tur), a. draagbaar; stroo; istroomat! warping (van dieren); broedeel, dracht; wanorde. a. walgelijk, verafechuwd; hatcnd. —ing, a. rommel. —, v. a. werpen, jongen; overhoop walging, aikeer. —imply, ad. Diet: afkeer. —ly, werpen, van strooing voorzien; v. n. van stroei- a. & ad. —nest, a. Zie onder Loath. —seine, ing voorzien zun. a. walgeluk. —somenets. s. walgalijkheid. L ittle (litql), a. kleia, weinio, goring. —, —one, Lob (lob'), a, lummel, vlegel; regenworm. —coo , lummel. —lolly, a. mengelmoes; gerdtenat, waa. weinigje. —, ad. we!. kleintje, kind,;e. nig. —nese, s. kleinheid, geringheid. I terpap. —lollyb6y, doctorajongen. —aided, overhangend. —'a-pound, bedelaarsgevangenia. —, v. Littoral (lit'to-ral), a. van den oever, never-. a. laten vallen. Llturg lc (11-tur'dzjik), —ical, a. van de kerk- orde, liturgisch. —y (lit'ur-dzjih), s. kerkarde, Lobate (lo'bet), a. lellig, met lobben. liturgie. Lobby (lob'bih). a. portaal, voorzaal, wash, L ive (lis'), v. n. levee (on, van); bestaan (by,l kamer. van); wonen; (out) overleven; (up to) levee over- Lobe (1001V), a. kwab, lel, lob. —d (-id),. a ;lie eankomatig. —long, n. lang, langdurig, ver-1 Lobate. —let (-lit), a. lellet;e, kwabbetje. LobsteF (lob'stur), a- zeekreeft. velend. Live (lajv') a. levend, levendig; ongebluscht. Lobule (lob'joel), 8. lelletje, kwabbetje; zaci-stock, veestapel. —lihood (-1I-hoed), s. levens- ' buisje. onderhoud, kostwinning. —lineal (-11-ness), a. Local (lo'kel), a. —ly, ad. planteelijk. —ity (•kel'it-tIh), plPatselijae gesteldheid. loiendigheid, vroolijkheid. —1y, a. levendig, Lora te (I o'keat), v. a. plaatsen. —tion (-kee'sjun ), vroolijk. Liver (liv'ur), a. levende; lever. the longest —, I a. plaataing. de langatlevende. —color, leverkleur. —colored. Loch ask), a. meet.. leverkleurig. —freckle, levervlekje,sproet.—grown, Lock (lok'), z. slot; alotplaat; beugel; lok; vlok; met eene groote lever. —pyrites,leverkies. —ctone, I schutal nit!, —chain, spanketting. —gate, slutsleversteen. —wort, leverkruid. —ed, a. eene' deur. —keeper, aluiswachter. —paddle, (Nike , lever hebbend; white—, lot; gemeen; hot—, op-1 --ram, zeker grof !Innen. —silt, aluiadrempel. vliegend. —ing, s. leverworst. , —smith, slotenmaker. —weir (-wier). sluisweer. Livery (liv'ur-ih), 8. overgifte; inhezitstelling; Lock (lok'), v. a. aluiten, op-, toesluiten. (in) onderhoud van een paard; gild; livrei. to keep' inaluiten, omvatten. (out) batten Outten. (up) horses at —, huurpaarden hcuden. to stand at —, wegsluiten; stremmen. —, v. n. slulten. —aye, a. sluisgeld, sluiewerk. —er, a. laadje, 'castle; in een' huuratal staan. —coach, huurkoets. bak. —et (-it;, a. alootje; medallion. —horse, huurpaard. —man, livereibediende; glide- Locomot ion (lo-ko-mo'sjun),. beweegkracht, hroeder. —stable, huurstal. voortstuwend vermogen; plaatsverandering. —rye Livid (llv'id), a. loodkleurig. —ity (II-vid . - (-ay), a. voortetuwend, van pleats veranderend; —neas, a. loodkleur. a. atoomwagen, locomotief, Living (liv'ieng), a. beyond, levendig. —,s. host- winning, bestaan; predikantsplaats. —ly, ad. in Loculament (10Vjoe-le-ment), a. zaadhuieje. Locust (lo'kust), s. sprinkhaan. —tree, ameri!even. kaansche acacia. Livre (laj'vur), a. livre (fransche munt). I.Ixivi al (like-Ivq-el), --ma, a. loogachtig, van Locutions (lo-kjoe'aitin), a. epreekwijze. loog. —ate (-set), v. a. loogen, uitloogen. —ation Lode (lood), z. Zie Loatii. (-eesjun), s. uitlooging. —um, 0. loog. Lodge (lodzP, s. loge; huisje; optrekje; vertrelife; Lizard (liz'urd), s. hagedis. —fish, hagedisviech. hol. —, v. a herbergen, huievesten; bewaren; (lesser) —flower, stinkend standelkruid. —atone. neerleggen, plaatsen; beleggen (geld); v. n. wohagedissteen. —tail, liagedisraart• nen; gaan liggen. —ment, a. plaatsing; "'going; Lo (in), int. ale! kijk ophooping; verschansing. —r, a. inwoaer; karstCoach (loots)), a. grondel. ganger; !ogee, Bast. load (load', a. lading, vracht, last; mijnader. Lodging (lodzrieng),a.huievesting,logies.—house, gang. —mark, mark van den diepgang. —star, koethuis. —room, logeerkamer. pool-, noordstar; leidstar. —stone, zeiiateen. Loft (loft'), a. verdieping; zolder. cock—, vileLoad load') [loaded. loadce, laden!, v. a. laden, ring. —iness (-imess), s. hoogte; verhevenheid; bevraehten; overladen; bezwaren; vervalschen trotschheid. —i/y, ad. —y, a. hang; verheven; (dobbelatee ►en). —er, a. leder, bevrachter. trotech. Loaf (loot'), 0. (een) brood. — of sugar, sulker- Log (log'), s. blok; log. to heave the —, logger' brood. —sugar, broodsuiker. 4 —, v. n. land- met bet log melee. —board, logtatel, —book
STE.—STI. 287 ter sluik. —ily, ad. eteelswjjze. —y, a. heimelijk. caste letter last; v. R. stereotypeeren, met vekte Steam (atiemi), a. stoom, damp. —bath, damp- druk en. bad. —boat, atoomboot. —boiler, stoomketel. Stern (stWII), a. onvruchtbaar. —ity (ete-r11 9 ,1t-earriage,stoomwagen.—enetneottoomweretnig. tih),, s. onvruchtbaarheid. —ire ajz), v. a. on-navigation, ttoomvaert. —racket, stoompeket- vruchtbaar meken. boot. —press, snalpers. —snip, —vessel, atoom- Sterling istuelieng)., a. eeht,proefhoudand,Wiehtig. 'whip. —tug, sleepboot. —valve, stoomk Lep, —whistle, etoemflnitje. —, v. a. uitstoornen; v. Stern (sturn'), a. eehtersclatp,, -eteven. —chases n. etoomen, dampen; — with heat, mien, tieren pl. jagers aehtemit. booteleper. —frame, (van toorn). —er, s, stoornhoot. —y, a. dam- I achterwerk. —gallery, weetergang. —part, achterpig, vol etoom of wasem. poort. —post, achtersteven. —seats, pl. doften, Stearine kajuit. —sheets. roertalies, etuurrepen. —sidea. etearine. talkstof. Stesinte (sti'e-tajt), 8- spekateen. timber, windveer. —timber, hekettjl. —transom, Steed katied), a. etrijdros, her.gmt, bekbalk. —way, 'heti deinzen. hielen. Steel (mien, a. staler,, van steal. —, a. staid; Stern (scum'), a. —ly. ad. strong; stroef; hard; onstaalmidde.). —yard, nosier. v. R. harden, verleuttrzaam. —most, a. achterate. —ness, s. strengstalen; (against) verharden; ophitsen. —er, bed; etroetheld; hardvochtigheid. —on, —ton a. boratheen. , spatgang. —Y., R. ataien, bard; hardnekkig. Steep (ettep'), ad. steti. a. eteilte. Sternuta lion (etur-njoe tee'ejun), a. (het) nte—, v. a. indoopen; weaken- reuten. sen. —live, —tory 1.ejoe'tst-,, a. bet niezen bevor• Steepl e Istle'pl), a. toren, ktokketoren. —chase, derend of verwekkend. —tory (.njoe'te-), s. wedren met hindernissen. --d, a. van torens voormiddel , nieskrutd. ales, Stew (stjee'e s. bedstoof, geatoofd vIeesch; visehvit jver; bordee ; ; °artist, verwareing. —panottoof.. Steep nee% (attep'ness), s. stellte. —y, a. stet'. Steer (shire), P. jonge atter. v. a. & n. etapm, —, v. a. & n. stoves. ren. —age, a. (het( sturen; beatuur, beheer; tug- Steward (stjoe'tirdl, a. opziehter ; rerttmeester; echen• de ktevooronder —er, —sman (stierz'men), a. hofmeesr. er. —ship, a. opzichterschap; eentmeemettrarman. —ing, a. het sturen; — wheel, etnurrad. terschap; hormeesterschap Steeve (stiev), v. a. (den boegspriet platen mprin- Sties ∎ staj'ent, a. otrontje teas het ongitd). gen. ten . zekeren hoek raven; peraen (kateen); v.n. SOliti sal istib'i-ei), R. spiesg .anettehtig. . stall stean. (.piesglans. Siegonography (steg.e-nog're-fihl, a. gehetm- Stich (atilt), s. vers (van den BiJbel). schrijfkunet. Stick (ntik), a. stok; etaafje, POP. str (stellar), —Cry, a. aterre, —ate (-let), Stick (stilt') [stuck], v. a. stelten; besteken; coata. atervormig, els etrelen. —iter—ated, steken; plekken, (on) aanetelter; aanp'akken; v. D. ates P -!lf'ur-ua), R. met sterren hezet. (-jun), s. sinker, hlijven sicken; kleven, zich hechten. (at) sterhagedis. zilch bekteunen otn, ontzten. (by, bijetaen; bij hitt. Stelography (ate-lc/ere-1'1h), s. pilaer,chrift. ven. (out) niteteken; Melt onttregken. (to) eanhar, Stens (stem'), s. atom; stance!; voorste en. —, v. a, ge.n, aankleven; vol harden in. ,upferl de partij opstutter, tegenhouden. the tide, het tij dead. zelnemen van. (up.) b(ijven h&j, stain op. —Incas len. —less,a. stengel loos. et-ness), a. kleverigheid. Stench (sterns), a, stank. Stickle (atik'kl), v. n pang) trekker (for); liveren Stencil (sten'ell), s, petroon (tear bebangeelpafor. in); hardnekkig tvvisten; (between) wenkelert pier); merkplaet. —, v. a. met een patroon (eene tusechen. —back, stekel hears. —r, s. getuige, ijver. merkplsat) drukken. aer; voorvechter. St,nogropla er (ate-nog're-fur), —jet, a. anel- Sticky (stilethi, a. klevertg. sehriper. —y, a. anelechrijfkunet. Still (star!. a —ly, ad. stijf; sterk; hardnekkig; onStentorian (sten-to'ri-en), a. atentora-, luidklinbuigzaam. —hearted, —necked, halestarrlg. kend. Stiffen (stirrn), v. R. & u. (doen, veretijven; (rich) Step (step'), a. step, teed; trade, trap; etoep; epori; vetharden. —er, a. kravatje. maatspoor; e noorstak; vordering. —brother, stieflinens( (etiff'nesel a ettifheid; hardnekkigheid. hroeder. —child, stiefkind. —dame, —mother,stief- Stifle (Stmrtil., kIllefithijf (van een peard). v. monder. —daughter, stteidochter. —father, atiefR. verstikken,emoren; onderdrukken. under. —sister. etiefzueter. —soft, etiefzoort, v. St inane (atig•rne), a. brandmerk, schandvlek.—ttc, a. met stappen nieten; spores; v. n. etappen, lea—Heal (..ntet'ilt1, R. genisndmerkt; geschandvlekt. den; (after) nagaan; (asp to) toetre.len op. —ping—tire )-tojz), v R. brandmerken; echandvlekken. alone, treeeteer; middel. —s, pl. stappen ;flight of Stile (etajli, a. hek, overloop; st41; naald (van een' —, hordes, hooge stoep. ronner Stereoru crons (atur-ko-ree'ajna), a. drekbig; Stiletto (sti-let'tol, a. stilet, dolk. meat-. —ry (stueko-re- eih), a. mestvealt. —lion Still iatill'i, a. st(lte, rout; distilleerkolf.--6em, 1-sjun). a. harvesting. v. a. yerbranden (door distillatie). —house,stokerij. Stereo graphy i-og're-flh), a. afbeeldtng —, a. —ly, ad. cot;; halm. —horn, doodgeboren, van saute lichemen op een slat, —metry (-om'e—life, stillever. —stood, stilstand. —, v. a. etillen; trib), a. meting van caste licharven. distilleeren. ad, nog, steeds; toeh. —aficions Stereo 'mope (et - W• o•skoop(, a, steroescoop. (-e-ttarne), a. druppelend. —atory (-e-tur-rih), s. —type (•ta)p), a, geetereetypeerd; a. stereotype, dietilleerkolf; et nkerij, —er,a. stiller; distill atell r.
DOL.-1/0W. —somely, ad. treurig, droevig. —fula. ness, --someness. s. droevigheid. h ell (dol), s. pop; speelpop. Dollar (dol'ler), s. dollar; daalder. Dolor (do'lur)_ a. pijn, smart, kommer. —ific (dot irik). a. smart verwekkend. -0148, a. —ously, ad. (dol'or.), smartelijk, droevig. Dolphita (dol'fin), a. dolfljn. Dolt (doolti, s. lomperd, botmuil. —ish, a. bot, dom. —ishness, a. dornheid. Domain (do-meen'), a. gebied; staatsgrond; heer chap pij. Douse (doom), a. dom, koepel. Domestic (dam mee'tik), a. huisbediende. —, a. huiselijk, ituiehoudelijk; inlandsch, tem. —ate, v. a. buiselijk (tam) maker, Domicil o (dorn'i-s11), s. woonstede. —e, —late, ( eet), v. a. vast verblijf kiezen of aanwijzen. —iary (-sil'i e-rah), a. tot eene wooing behoorend. huiszoeking. nomin ant (don-el-neat), a. heerachend; a. oote kwint. —ate, v. a. beheerschen. v. n. heerschen. —ation (-nee'ejunl, S. beersehappij. —alive. a. heerscb end. —afar, a. heerscher. —err (-nier'), v. n. heerschen, den baas spelen, (over). Domini cal (dum-min'ikl), a. zondagach. —cal letter, zondagoletser. —can (-i-ken), a. dorninikaansch; a. dominikaner monnik. —on (-jun), a. heerschoppij„ gebied. Don (don) Ito do on], v. a. aantrekken, aandoen. Dont_ ry (do'ne-rah), s. gave, offer. —te(do'neet), v. a. eehenken, vermaken. —lion (dun-neeNun), —tire (don'e-tiv), a. getiehenk, gift; schenking. --tive (don'.), a. door schenking verkregen ( ver. leend). Done (dun), part. gedaan; gear; gefopt. int, flat! top! Donee (dun-nee'), s. begiftigde. Donjon, zie Dungeon. Donkey dong'kih'), s. ezel. Donor (do'nor), a. gever, sehenker. Doodle ( doe'dle, a. beuzelaar. Doom (doem"), a. vonnie. roodlot; verderf; jongate oordeel. —, v. a. veroorneelen; doemen; echatten. —'a-day, oordeelsdag. —'a-day-book, Icadaster (von Willem den Veroveraar). —'a-man, rechter. —age, s. geldboete. Door (door'), a. deur, next — to, vlak naaat; grenrend aan. out of —a, buitenshuis. within — a, binrienshuis. — bar, deurboom. —case, deurkozljn. — cheek, — post, deurpost.— keeper, portier.—handle, knob, deurknop. — stead, — way, deuringang. Her (do*), a. tor. Dor ado (do-ree'do), a. goudviech; pronker. — ee (.rie'e, s. goudviech, zonneviorh. —ic (dor'ik), a. dortech. Dorman cy (dofmen-sih), se rust, sleep. —t, a. slapend; liggend; werkeloos; —partner, stille veonoot; — tree, or —t. a. olaper (hoofdbalk). Dorakter (.l.or'mur), a. balk; venster. — window, dakvenster. normit lye (dor'mi-tiv), a. slaapmiedel. —ory, a. staapvertrek. Dormouse (dor'maua), a. bergrat; marmot. Dorn (dorn"), a. rag. —hound. doornbaai. Dorsal ( doesel), a. den rug betreffend.
PRO. voornaamwoordelijk. -noun (.naaun'), s. voor- Propugn (pro-pjoen'), v. a. verdedlgen. -ation naamwoord. (prop-ug-nee'sjun), a. verdediging. -er, s. verdePronounce (pro-naaune), v. a. uitspreken, voor- I diger. dragen; v. n. uttsprask doen. -r, a. ultspreker. Propulsi on Ipro-pul'sjun), a. voortdrijving. Pronunciation (pro-nun-sji.ee'sjun), a. nit- I -ivs ( sty), a. voortdrijvend. spraak. Prore (proor), a. voorsteven. Proof (proef'), a. bewija, blijk; proef; beproeving; Prorog atlon (pro-ro-gee'sjun), a. opachorting, bestandheld, ondoordringbaarheid. -print, proef- verdaging, -ue (-roog . ), v. a. opschorten, verdedruk. -sheet, proef bled. - a. bestand, proefhou- I gen. dend, vast, vrij, (against.to).-rees, a. onbewezen. P rorupt Ion (pro-rup'ejun), e. nitbarsting. Prop (prop;, a. atut, achoor, ateun. -, v. a. atut- Prose lo (pro-zee'ik), a. -(tally, ad. prozaisch. ten, schragen, achoren. -ist, s. prozaschrijver. Popaga ble (prop'e-gibll, a. verbreidbaar. -te Proscarab (pro- sker'eb), a. meikever. I- geet), v. a. verbreiden, voortplanten; v. n. zich Proscr lb• pro akrajb'). v. a. verbannen; vogetvoortplanten. -lion (•gee'sjun), a. verbreiding, I yob' verklaren. -iber, a. verbanner. -ipt (pr3'voortplanaing. -tor (-gee-tor), a. verbreider, akript), a. bailing, vogelvrtj-verklaarde. -;ption voortpianter. I (-skrip'sjun), a. verbanning, vogelvrij-verklaring. Propel (pro-per), v. a. voortdrtlyen, voortatu- Prose (prooz), a. in proza. a. proza, ongebonwen. I den stijl. -, v. n. in proza schrilven; langdradig Propend (pro-pend'), v. n. neigen, overhellen. verhalen. - ency, s. neiging, overhelling. Prosecu is (proa'e-kjoet), v. a. voortzetten; verPropens a (pro-pews"), a. (to) geneigd. voigen. -tion(-kjoe'sjun),s. voortzetting; vervol-ity, a. geneigdhetd, overhelling. I gir.g. vetvoiger; slather. Proper 'prop'ur), a. -ly, ad. elgen, btjzonder; Proselyt e (pros'e-lajt , , a. bekeerling, proaeli et. &gen) ijk; joist; degelijk; geschikr, gepast, be- I -e, v. a. bekeeren, overhalen, (to). -Urn (-11- Um), hoorlijk; sierlijk. -neea, a. gepastheid, juistheid; I a. proselietenmakerij. -ise (-11- tajz), v. a. bekeerijzige gestalts. -ty, a. eigenschap, eigenaardig- ren; v. n. proselieten maken. held: eigen dom. Proseminritlon (pro-eem-i-nee'sjun), a. voortProphe cy (prose-sih), a. voorzegging. -.tier planting door toad. (-sal-ur), a. voorspeller. -sy C-sih), v. R. voor- Pros er (pro'zur), a. prozaschrijver; langdradig spellen; v. n.profeteeren. -t (• 8. profeet, voor- vertelier. -ing, a. langdradigyerhaal. zegger. -tesa (-it-ess), a. profetea, voorzegster. Prosod lel (pro. so'di-e1),--scal(-sod'ikl), a. van -tic, -tical, a. -tically, ad. (pro-fet'ik-), profe- de prosodie. -tan, -iat (pros'ud-diet), a. kenner tiach, voorepellen d. der prosodic+. -y (pros'ud-dih), s. lettergreepme. Prophy lactic (prof- i-lek'tik), a. voorbehoedend. ting, prosodie. - s. voorbeheedmiddal. Prospect (proa'pekt), 0. ultzieht, verechiet; roc,Propinquity (pro•ping'kwit-tih), a. nabijheid; uitsicht; ferwaehting. bloedverwantechap. Prospect ion (pro-epek'sjun), a. (het) vooruitzien; Propitl able (pro.pbri-ibl), a. verzoenbaar.-ate, voorzorg. -ire, a. vooruitzlend; voorziehtig (in); -set ► , v. a. verzoenen; gunstig stemmen; v, n. boe- - glass, verrektjker. -us, s. plan, prospectus. ten (for). -ation (.ee'sjun), a. verzoening; zoen- Prosper (proa'pur), v. a. begunstIgen, doen also ffer. -afar (-ee-tur), a. verzoener. -atory (-1-e- gen; v. n.ged(jen, gelukken; bloeien. -ity (- per , tar. rih), a. verzoenend; a. verzoendeksel. -ous, a. it- tih), a. voorapoed, welvaart. -one, a. -oualy, -ously, ad. gunatig, genadig. -ousness, a, gun- ad. voorspoedig, gelukkig. -ousness, a. voorspoestigheid. digheid. Proplasin (pro'plesm), s. gietvorm. Prospiclence (pros-pierens), a. (bet) vooruitPropolls (pro'po-lis ► , a. etopwas (der btjon). I zlen. Proponent (pro-po'nent), a. voorateller. Prosternat Ion (pros-tor nee'sjun), a. nederwerProportion (pro-poor'sjun), s. evenredigheld, I ping; neerslachtigheid. verhouding; gedaante; gedeeite. rule of -, regal Prnetitts te (pros'ti- tjoet), a. veil, eerlooe. -te, van drieen. -, v. a. evenredig waken, regelen, af- a. huurling; hoer. -te, v. a. veil hebben, prijs meten, (to). -able, -al, -ate, a. -ably, -ally, gev en; miabruiken; aan ontucht orergeven. -tion -ately, ad. evenredig, near evenredigheid. -ality (-tjoe'sjun), a. vellheid; onteering; ontucht. -tor, -ateness (-et-), a. gebvenredigdheid. tih), a. onteerder, verleider. - ate (-set), v. a. evenredig maken. Prostra te (proetret), a. neergeatrekt, nederge. Propos al (pro-po'sel), a. voorstel; aanbod. -e worpen; ootmoedig, to fall -, een' voetval doen. (pooe), v. a. vooretellen; aanbieden. -er, e. Ivor- - ie (-treeti, v. a. nederwerpen, omverwerpen. omverwerping; voet%teller. -ition (prop-o•zisrun), a. voorstel; atel- -tion (-tree'sjun),s. ling. -itional (prop- o.dsrun.), a. als een voorstel val; verootmoediging; neerelac htigheid. Prostyle (pro'staji), a. zuilenpoort, -ingang. beschouwd. Propound (pro-paaund'), v. a. voorstellen; aan- Prosy (pro'zih), a. prozat , ch, iangdradig. bieden. -er, a. voorsteller; aanbteder. Prota sls (proVe-sis), a. hoofdvoorstel, voorzinPropriet ary (pro-prare-te-rih), a. eigendom- deal; inleiding (van sen tooneelspel). -tic(pro. rnelijk. -ary, -or, s. eigenaar. -rests, s. eigena- tet'ik), a. inleidend, openend. res. -y, a. esgendom; geschiktheid, gepastheid; Protect (pro-tekt'), v. a. beschermen (against), juistheid. behoeden 1from), -ton (-tek'sjun), a. bescherming,

Sum (.um'), s. tom; totaal; hoofdinhoud; toppunt; elotenm. in — kortom. —, v. a. opteilen, opeommen (up). —less, a, tattoos. Sammaach (sjoe'mek), s. ;mink. Snentuar y (eurreine-rih), a. --i/y, ad. beknopt, kort. —y, a. kort begrip. Summer (eum'atur), a. zomer, hoofdbaik; opsommer. —bird, kapel. —bonnet, zomerhoed. —cock, joule zomerzalm. —corn, zomerkor an. —fallow, s. zomerbraak; v.a.zomervoren.—freckle 4 zornersproet. —house, zomerverblijf. —savory,kenle, boonenkruld. —snowdrop, teat eneeawklokje. —aolatiee, zomerzonneettistand. —stir, v. a. somervoren. —suit, zomerkleeding. —weather, zomerweder. —, v. n. den zomer dnorbrengen. Suninserget, (suna'niter. ant), a. Zia Somerset. Summit (sum'mitf, a. top. train; to ppunt. Summon (sum'mun), v. a bijeen :roepen (ur); roepen; aanmanen; dogvaarden. —er, a. dagvaarder; aarimaner. —a (-munz ), pl. dagvaarding. Sump (suinlo,e. poet; emeltkroee. Sumpter (sum'tur), a. lastdier,pakpaord. —horse, pakpaard. —mule, pakezet. —saddle, pakzadel. Sunoptei my (sumtioe-e-rih), a. de weelde (nitgaven) batraffeud; — laws, wetten tegen de weelde. —osity tih). —ousness, a. weelde; hostbaarheid. —out, a. —oueiy, ad. prachtig; twatbear. Sun (sun"), a. zon. zonneetraal. —beat, fel door de zoo beschenen. —blink, zonnestraal. —bright, zonneklaar. —burning, verbranding door de zoo. —burnt, door de zoo ver brand. —clad, schitterend, bestraald. —dew, zonnadauw (plant). —dial, zounewijzer. —doten,zonsondergeng. —fish. zonnevisch. —flower, zonnebloem. —light, zoolicht. —tit, door de zoo verlicht. —riae, —rising, zoneopgang. —set. —setting, zonsondergang. —shine, zonneschijn. zonnig, balder. —spurge, zonneepurrie. —stroke, zonnesteek. —, v.. in de zoo zetten Sunday (suu'dee), a. condag. —fetter, zondageletter. —school, zondagesthool. Sounder (outedur), a. in —, in tweeea, doormid. den. —, v, a. scheiden, afzonderen; vaneen echeuren. Sundr les (sun'driez), a. pl. verechttlende Bingen, divereen. —y, a. versehillende, diverse. Sun leas (sun'tese). a. zonder zoo. —like, a. zonachtig. —ny, a. zonnig. Sap (sup), a. elok, zoopje. —, v. a. sturpen; des avonds onthalen; v. n. het avondolen gebruiken. Sopera bit (ejoe'par ibl). a. —Ply, ed. overkoinelijk. --bleness, a. ON erkornelijkheid. Superabound Isjos-pur-e-baaund'). v. n. overvloedlg zijn; ;with) rtjkeliiik voorzten aim n van. Superabundan ae (Noe pur-e-bun'lene), a overvloed. —t, a. —tip, ad. overtloedig. Superadd (e)oe-pur-ed"), v. a. nog bijvoegen. —ition( dial'utu), a. bij uoegIng; toevoegsel. Sosperannua to (sjoe • pur .en'njoe-eet), v. a. door ouderdom ongeschikt waken; op pensioen stetlen; v. n. varoudeten; overjarig worden. —tion veroudering, ongeschiktheid (door euderdom); pensioen. Superb (sjoe-purb*), a. —ly, ad. prachtig, beerprachtlette. grootec h.
Cerebral (ser'e-brel), a. tot de hersenen behoorend. Ceremonl al (ser-e-mo'ni-el), s. ceremonidel. —al, -01,8, a. —ously, ad. plechtig, atatig. —ousnew, a. plechtigheid, statigheid. Ceremony (8er'e-mun-nih), a. plichtpleging; godsdienstplechtigheid. Cereous (si'ri-us), a. wasachtig. Ceroon (se-roen), a. baal, pak. Certain (Burgin), a. —ly, ad. zeker, gewia. —ty, a. zekerheid. Certes (sur'tiez), ad. voorzeker, zekerlijk. . Certifica te, (ser-tiri-ket), a. getuigschrift. —te (-keet), v. a. achriftelijk verklaren. —lion (surti•ti-kee'sjun), a. verklaring. Certi Her (surgi-fai-ur), a. verzekeraar, getuiger. —fy (.faj), v. a. verzekeren, getuigen. —tude (-tjoed). a. zekerheid. Cerulean (se•roe'lt en), a. hemelablauw. Ceruse (sigoes), m. loodwit. Cervical (suevikl), a. tot den nek behoorend. Cesarean (se-zee'ri•en), a. —section, keizersnede. Cells (ses). a. schatting, etins, out of all —, bovenmatig. —, v. a. aanalaan (in de belasting). Cessation (sea-see'sjun), 8. ophouding, stilstand. Cessi bility (sea-si•bil'it-tih). a. toegevendheid. —ble (ses'sibl), a, toegevend. Cession (ses'ajun), a. afatand. —ary, a. afatand doende. Cess-pool (ses'poel), a. vergaderbak; zinkput. Cest (nest), a. gordel; vrouwengordel. Cestus (sesgus), a. huwelijksgordel. Cetaceous (mi-tee'ajus), a. walvischaardig. Chad (tajed), a. elft. v. a. warmChafe (tsjeer), a. hitte; toorn. wrijven; vertoornen; v. n. razen, tieren; zich ergeren (at). to — with the shore, den oever afkabbelen. —r, a. wrijver, enz.; kever. —ry, a. ijzersmeltersfornuis. Chaff(tsjaan, a.kaf;beuzeling.—y,a.vol katgering. Chaffer (tsjet'fur), v. a. ruilen, schacheren; v. n. dingen, bieden. —er, a. beknibbelaar, schacheraar. —y, a. sehacherij. Chaffinch I tsjerfintsj); a. vink. Chaffweed (tajef'wled). s. scheerwol. Chan ng.diah (tjee'fieng-dial, s. komfoor. v. Chagrin (tsje•grien"), a. verdriet, hartzeer. a. kwellen, hedroeven. Chain (tsjeen'). a. ketting; r uttin g; reeks. —, v. a. ketenen. kluisteren, verbinden. jack—, rem. —boat, ankerboot, —bullet, —shot, kettingkogel. —plate, katplaat. —pump, kettingpomp. —wales, ruaten. — work, kettingwerk. Chair (tajeer'), a. atoel; draagatoel; voorzitterszetel. —bit, stoelenmakersboor. —bottomer, stoelenmatter. —cover, stoelovertrek. —man, voorzitter: stoeldrager. —mender, atoelenlappgr. Chaise (sjeez), a ajees. Chalcograph er (kel-kogge•furl„ a. kopergraveur. —y. s. plaatsnijden op koper. Chaldron Itsjaordrunl, a. hoed (kolenrnaat). Chalice (tajers). s. kelk; beker. Chalk (tajaok), s. krijt. —, v. a. met krijt merken, schrtiven. (out) afteekenen, ontwer/en; uit. kiezen. —cotter, krtjtgraver. —pit, krutgroeve —stone, krijw- een. —y, a. krtjtachtig.
dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.

Wat zijn de belangrijkste Cryptocurrencies


per, piggler, old fumbler. —kerne; cheese-room, dairy. —kooper, cLeese-tnonger. —kerf, cheesehurdle. —let, runnet.—made i cheepe-mite.—markt, c heece-market. —mat, —.yore', cheese-frame. — tat, cheese-vat. —reel, whey. —teinkel, cheese-shop. —tevongel, curds. —aehtig, by. catteoup, cheesy —jeskruid, mallow. Knots, v. chase. de — teekenen, to mark the chase. —barn, tennis-court. —bal. tennis-ball. —mender, keeper of a tennis -court. —net, racket. —*pet, tennis. —zeef, tame°, —en, on. w• to play at tennis. —er, m. tennis-player. —ing, v. playing at tennis. Kalamai, v. gown, chamber-cloak. Robots, v. hand-backer, frail, at oik-beg. —sea, ov. w. to flich, to pilfer. Robbed en, on. w. to ripple, to murmur. —stream, river softly agitated. —ing, v. rippling, beating against the ,,bore. Kobel, m. cable. den — inttekrt., to moor the cable. den — opsehieten.. to coil the cable. --pare', rope-yarn. —vet, yeoman of the boatewain's star--room. gat,—kot, cable-tier, -stage, -room. —Heed, keckling. —rand, border in the farm of a stable. —slag, cable-laid. —etrik, spring. —tome, cable. —slengte, cable's length. Robolaring, v. royal, voyoi. Kobeljnow, Ern. cod, codfieh. —vitt:whet*, codfishery. Kabinet, o. cabinet; closet; privy-council. —maker, cabinet-maker, joiner. —014, excellent piece. —sread, cabinet-council, privy-council. Rabouter, m. urchin; elf, gnome. —ntannetje, hobgoblin. Ktobitla, v. cooking-hat, caboose. --toot, headed cabbage. Roche!, v. stove. —gratis, small coals for stases. Rode, v. Zia Kraal. Roder, o. list; officers. Rode:, v„ —je,o. roll. Railroad, v. sutler's boat. —era, on. w. to sell provisions. —er, rn. antler. Ji ot. o. chaff. dorschen, to work in veils.. Rolfe, o. mock-velvet. Knjult, v. cabin. —Awn gen, —sweater, cabinoy. Kok, m. excrements, turd; hubbub. —hie], chi'. bIained heel; sloven. —Attie, privy, house of office. —maker, hubbub-maker. —selto3ltje, babies' school. —steel. babies' close-stool. Kabelseesx, o. jaw -bane. Koko' oar, In. chatterer, tattler. —aarster, v. prate?, gossip. —erg, v. tittle-tattle.
CHA—CHI dom. —, v. a, bij charter inatellen,hevoorreeh- kooper. —paring, kaaakorst. •—press, kanapers. ten: bevrachten. —land, vrijgood, —party, char- —running. kaaswei. —runnet, —wort, lidkruid. tepartij. —r, a. bevrachter. Cheesy (tajte'zih), a. k 4 ...chtigChary (tsjee'rih), a. zorgvuldig, behoedzaam; Chely ikelih). a. kreePtschaar. zaiuig. Chemic (kem'ik), —al, a. —ally, ad. scheikundig. Chase (tsjees') s, jueht, vervolging; wlldbaan; Chemist (kem'istl, a. scheikundige. —ry, a. acheidracht (van geschat); vorinraam. —. v. a. jagen; kande, vervolging; najagen. —gun. boegstuk. —r, a. ver. Cheque (tajek), a. bon, assignatte. volger. nsjager. Cherish (tajer'isj), v. R. koesteren, verplegen; Chassis (kezml„ a. kloof, afgrond. Itelhebben. —er, s. verzorger; beachermer. Chasselas (sjes'ae-les), a. snort van druif. Cheroot Itsje-roet'), a. sloe, Chaste (tajeest'). a. —1y, ad. kuisch, eerbaar. Cherry (tsjer'rih), a. kers. —, a. kerskleurig. s. kuischheld, zuiverheid. —tree, knisch- —bay, --laurel, laurierkera. —pit, kailtjeaspel. boom. —stone, kersepit. —tree, kerseboom. —checked, Chasten (tmlees'n), v. a. kaatijden, vernedereu. roodwangig. Chastise (tsjes-tajz'). v. R. kastliden, tuchtigen. Chert (tspart,*), a. kwarta. —y, a. kwartaachtig. —meat (tsjes'tiz meat), s. kastijding. —r, a. kas- Cherub (teler'ubl, a. engel, cherub. —ic, —ical, tijder. (taje-roe'hik-), a. entrelachtig. Chastity (tsjes'tit-tih), s. kuischheid. Cherubim (tajer'oe-bim), a. cherubim. Chat (tajet), a. gesnap, gekeuvel; katje (Ran Cherup (tsler'upl, v. n. tjilpen, kweelen. boomen). —, v. n. snappen, keuvelen; (away) Chervil (tajuevill, a. kervel. keuvelend doorbrengeu. Chesible ftsjeeibli, a. kasuifel. Chattel (tsjet'til), a. have en goed; roerend goed. Cheslip (teleslip), a. varkensluia. Chatter (tsjet'tur), a. gesnap, gekakel. v. n. Chess (tsjeal, a. sehaakspel. —board, eclutaksnappen, kakelen; klappertanden (with cold). bord. —man, achrtakflguur. —player, schaakspe-box, snapper, anapater. —ce, a, praatvallr. —ing, ler. —tree, halskl a. geanap, gekakel. Chessosu (tales'sum), a. lame aarde. Chatty (tsjet'tih), a. praatgraag. Chest (isjeat"), a. kist, kart; Borst. —of drawers, ChM WOOd (tajet'woed), a, brandhout. latafel. —foundered, a. dempig. Chavender (tajev'en-tor), a. rivierbaars. Chestnut (tsjes'nut), a, kastanje; -kleur. —, a. Chaw (tsjao), bie Chew. kastartjehruin. —plot, kastanjeboach. —tree, liasCheap (tsjiee,'), a. —ly, ad. goedkoop. dog—, tenjeboom. srhandekoop. —en, v. a. dingen, bteden. —ener, Clievcril (tslev'nr-i1), a, geitje; zeemleder. a. clinger, bieder. —nem, a, goedkoopheid. Chevisance (sjev'i-zens) a. onderneming. Cheat oijietn. a. bedrag, schelmerij. —, v. a. Chevron (sjev'rnr), a. spar; chevron. bedriegen. —er, a, bedriver. —ing/y, ad. Chew (tsjoe), v. a. kanwen;overdenken:v.n.peinzen, bedriegelijk. § Chrwink (taloe'ink), a. roodborslje, Chek (tajek'), a. Faulting, beteugeling; beletsel; Chicane (sji-keen'r, —ry, a. gezocht voorwendtegenspoed, nederiaag; verwijting; geruit bunt; eel, —haarklooverij. —, v. n. haarklooven, vit. contraboek; assignatie; schaalt. to give a — to, ten. —r, a. twiatzoeker, haarkloover. in bedwang houden. clerk of the —, oppercon- Chick (tsjikl, —en, a. kniken. —en-hearted, a. trOleur. —, v. a. stuiten, beteugelen; berispen; lathartig. —en-pox, windpokken. —ling, a. kidcollationeeren; v. n. StlifitRall. —mate. schaakinat. kentje. —pea, sisser. —weed, muurkruid. —roll, staatalijst. —less, a, zonder contrOle.—er. Chide (*.BAN') {chid. chid, chidden], v. a. beknors. beteugelaar, hedwinger. raw v. n. knorren, grommet, —r, s. berisper, Checker (tsjek'ur), a, geruit week. —board, dam- tthorrepot. of schaakbord. —s (-um), a, darn- ofsehaakapel. Chief (tsjier), s. hoofd, Ranvoerder. commander —, v. a. schakeeren, geruit maken, —ed, a. boat, in —, opperbevelhebber. voornaamate, eergesel, a based. —work, ingelegd week. ste. —less, a: zonder aanvoerder. —/y, ad. voorCheek (tt,jiele), a. wang, slooiknie. —8 of a door, namelijk. —fain (-tin), a. opperhoofd. —tainry, deurponten. —8 of a balance, schaar eener ba- —ship, a. aanvoerderachap. — by jole, onder vier oogen. —bone, kake- Chilblain (tslirbleen), a. winter (Han handed been, —hoop, ijzeren band om den hommer. of voetenl. —tooth, baktand. Child (tsjalld'), a. kind. from a —, van kindsbeen Cheer (tajier'), a. onthaal; opgeruimdheid; toe- of. with —, manger. —bearing, baren. —bed, latching; begroeting. to be of good —, opgeruimd kraambed. —birth, bevelling. —hood, ktndschheid. zijn. what —1 hoe gnat bet? a. verheugen, —ish, —like, a. kinderaehtig, kinderlijk. —ishness, vroolijk maken; toejuichen; begroeten; v. n. a. kinderachtigheid. —less, a. kinderloos, vroolijk worden; juicben; (up) moed acheppen. Childer - mas - day (tsjirdur-men-dee), a. onnoo-er, a. opvroolijker. —ful, a. —fully, ad blij- zele-kinderendag. moedig, vroolijk, —fulness. a, blijmoedigheid. Children (tsjirdren), a. kinderen. —less, a. neerslachtig. —ily (•ii-lih). ad. —y, R. Chiliad (kil'i-ed1, e. duizendtal; tien eeuwen. vroolijk, opgeruimd. a. koud, kil; Chill (tajil'), a. koude, huivering. Cheese (tsjiee), a. kelt.. —bow!,kaasnap. —cake, ongevoelig. —, v. a. koud maken; afschrikkeni kaaawronget. —frame, —vat, kaaskoek. v. a. huiveren. —iness, —ness, a. koude, kaaavorm. —lip, kartsleb.,stremeel.—monger,knas —y, a. & ad, kilaehtig; koeltjes.
Bespnr en, ov, w. to spare, to cave, to ley up, to economize. —lag, v. sparing, saving; ter — van hasten, to save expenses. Beepatt en, Of. W. to splash, to bedash, to bespatter. —ing, v. smashing, bespattering. lies peelleter, v. Zie Desprelete. aleseeekken , or. w. to lard , to stuff with bacon. 'Hempel en, ov. w. to play upon; to cltime (de klokken). —er, in. player, mutician
STE.—STI. 287 ter sluik. —ily, ad. eteelswjjze. —y, a. heimelijk. caste letter last; v. R. stereotypeeren, met vekte Steam (atiemi), a. stoom, damp. —bath, damp- druk en. bad. —boat, atoomboot. —boiler, stoomketel. Stern (stWII), a. onvruchtbaar. —ity (ete-r11 9 ,1t-earriage,stoomwagen.—enetneottoomweretnig. tih),, s. onvruchtbaarheid. —ire ajz), v. a. on-navigation, ttoomvaert. —racket, stoompeket- vruchtbaar meken. boot. —press, snalpers. —snip, —vessel, atoom- Sterling istuelieng)., a. eeht,proefhoudand,Wiehtig. 'whip. —tug, sleepboot. —valve, stoomk Lep, —whistle, etoemflnitje. —, v. a. uitstoornen; v. Stern (sturn'), a. eehtersclatp,, -eteven. —chases n. etoomen, dampen; — with heat, mien, tieren pl. jagers aehtemit. booteleper. —frame, (van toorn). —er, s, stoornhoot. —y, a. dam- I achterwerk. —gallery, weetergang. —part, achterpig, vol etoom of wasem. poort. —post, achtersteven. —seats, pl. doften, Stearine kajuit. —sheets. roertalies, etuurrepen. —sidea. etearine. talkstof. Stesinte (sti'e-tajt), 8- spekateen. timber, windveer. —timber, hekettjl. —transom, Steed katied), a. etrijdros, her.gmt, bekbalk. —way, 'heti deinzen. hielen. Steel (mien, a. staler,, van steal. —, a. staid; Stern (scum'), a. —ly. ad. strong; stroef; hard; onstaalmidde.). —yard, nosier. v. R. harden, verleuttrzaam. —most, a. achterate. —ness, s. strengstalen; (against) verharden; ophitsen. —er, bed; etroetheld; hardvochtigheid. —on, —ton a. boratheen. , spatgang. —Y., R. ataien, bard; hardnekkig. Steep (ettep'), ad. steti. a. eteilte. Sternuta lion (etur-njoe tee'ejun), a. (het) nte—, v. a. indoopen; weaken- reuten. sen. —live, —tory 1.ejoe'tst-,, a. bet niezen bevor• Steepl e Istle'pl), a. toren, ktokketoren. —chase, derend of verwekkend. —tory (.njoe'te-), s. wedren met hindernissen. --d, a. van torens voormiddel , nieskrutd. ales, Stew (stjee'e s. bedstoof, geatoofd vIeesch; visehvit jver; bordee ; ; °artist, verwareing. —panottoof.. Steep nee% (attep'ness), s. stellte. —y, a. stet'. Steer (shire), P. jonge atter. v. a. & n. etapm, —, v. a. & n. stoves. ren. —age, a. (het( sturen; beatuur, beheer; tug- Steward (stjoe'tirdl, a. opziehter ; rerttmeester; echen• de ktevooronder —er, —sman (stierz'men), a. hofmeesr. er. —ship, a. opzichterschap; eentmeemettrarman. —ing, a. het sturen; — wheel, etnurrad. terschap; hormeesterschap Steeve (stiev), v. a. (den boegspriet platen mprin- Sties ∎ staj'ent, a. otrontje teas het ongitd). gen. ten . zekeren hoek raven; peraen (kateen); v.n. SOliti sal istib'i-ei), R. spiesg .anettehtig. . stall stean. (.piesglans. Siegonography (steg.e-nog're-fihl, a. gehetm- Stich (atilt), s. vers (van den BiJbel). schrijfkunet. Stick (ntik), a. stok; etaafje, POP. str (stellar), —Cry, a. aterre, —ate (-let), Stick (stilt') [stuck], v. a. stelten; besteken; coata. atervormig, els etrelen. —iter—ated, steken; plekken, (on) aanetelter; aanp'akken; v. D. ates P -!lf'ur-ua), R. met sterren hezet. (-jun), s. sinker, hlijven sicken; kleven, zich hechten. (at) sterhagedis. zilch bekteunen otn, ontzten. (by, bijetaen; bij hitt. Stelography (ate-lc/ere-1'1h), s. pilaer,chrift. ven. (out) niteteken; Melt onttregken. (to) eanhar, Stens (stem'), s. atom; stance!; voorste en. —, v. a, ge.n, aankleven; vol harden in. ,upferl de partij opstutter, tegenhouden. the tide, het tij dead. zelnemen van. (up.) b(ijven h&j, stain op. —Incas len. —less,a. stengel loos. et-ness), a. kleverigheid. Stench (sterns), a, stank. Stickle (atik'kl), v. n pang) trekker (for); liveren Stencil (sten'ell), s, petroon (tear bebangeelpafor. in); hardnekkig tvvisten; (between) wenkelert pier); merkplaet. —, v. a. met een patroon (eene tusechen. —back, stekel hears. —r, s. getuige, ijver. merkplsat) drukken. aer; voorvechter. St,nogropla er (ate-nog're-fur), —jet, a. anel- Sticky (stilethi, a. klevertg. sehriper. —y, a. anelechrijfkunet. Still (star!. a —ly, ad. stijf; sterk; hardnekkig; onStentorian (sten-to'ri-en), a. atentora-, luidklinbuigzaam. —hearted, —necked, halestarrlg. kend. Stiffen (stirrn), v. R. & u. (doen, veretijven; (rich) Step (step'), a. step, teed; trade, trap; etoep; epori; vetharden. —er, a. kravatje. maatspoor; e noorstak; vordering. —brother, stieflinens( (etiff'nesel a ettifheid; hardnekkigheid. hroeder. —child, stiefkind. —dame, —mother,stief- Stifle (Stmrtil., kIllefithijf (van een peard). v. monder. —daughter, stteidochter. —father, atiefR. verstikken,emoren; onderdrukken. under. —sister. etiefzueter. —soft, etiefzoort, v. St inane (atig•rne), a. brandmerk, schandvlek.—ttc, a. met stappen nieten; spores; v. n. etappen, lea—Heal (..ntet'ilt1, R. genisndmerkt; geschandvlekt. den; (after) nagaan; (asp to) toetre.len op. —ping—tire )-tojz), v R. brandmerken; echandvlekken. alone, treeeteer; middel. —s, pl. stappen ;flight of Stile (etajli, a. hek, overloop; st41; naald (van een' —, hordes, hooge stoep. ronner Stereoru crons (atur-ko-ree'ajna), a. drekbig; Stiletto (sti-let'tol, a. stilet, dolk. meat-. —ry (stueko-re- eih), a. mestvealt. —lion Still iatill'i, a. st(lte, rout; distilleerkolf.--6em, 1-sjun). a. harvesting. v. a. yerbranden (door distillatie). —house,stokerij. Stereo graphy i-og're-flh), a. afbeeldtng —, a. —ly, ad. cot;; halm. —horn, doodgeboren, van saute lichemen op een slat, —metry (-om'e—life, stillever. —stood, stilstand. —, v. a. etillen; trib), a. meting van caste licharven. distilleeren. ad, nog, steeds; toeh. —aficions Stereo 'mope (et - W• o•skoop(, a, steroescoop. (-e-ttarne), a. druppelend. —atory (-e-tur-rih), s. —type (•ta)p), a, geetereetypeerd; a. stereotype, dietilleerkolf; et nkerij, —er,a. stiller; distill atell r.
CIEL. --kilt, money-chest. —lade, till. —Iscning, loan. —ssakelnar, money-broker. —markt, money-market. —asiddeles, fiancee. —saunter, coiner. —nood, distress for money. —owner, money-borrower. —plakkaat, money-edict. —riem, belt (girth) for yin o ney.--tehaal, money- balance. --achiefer. moneylender. —slaan, o. coining. —anoeien, o. moneyclipping. —snoeier, money•clipper. --eonr,eum of money. —stuk, piece of money. —tafet, moneybosrd, counter. —trots, purse , pride. —rerlegenhes:d, pecuniary erobaeraroeient; in -- eijn, to be hard (,reared for money, to be hard pushed, to be bard no. —terties, loon of money. —winning, money-rnekieg, —zaak, money-matter. —.eat, love of money, coretoueneee. —zuchttg, greedy of money, covetoua- —eon-Lk/op, circulation of money. —sumanie, money's wort h. Getilde Mk, by. pecuniary. —loot, by. moneylean.
Mettle (met't1), s. woad, yaw:, 13vendiglield; etof. Messieurs (meaj'urz), p1. (de) ',waren. —d, —some, R. —somely, ad. moedig, vurig, Messuage (mea'swidzj). e. hula en erve. ijverig. 10∎estizo (mes.trzo), s. Mestiee. zij pasMew (injoe), e. kooi; omheining; meenw. —, v. a. Met (met), part. ontmoet. they are well —, sen goed bij elkander. I op-, insluiten; v. it. ruien; mauwen. —s (mjoez) Meta halls (me.teb'e-eie), a. overgang. —carpus pi yaardenatallen, stoeterti. (met- e-kaar'pue), s. middelhand. —chrontsm (-telt - Mewl (mjeel'), v. n. jankeu, grimmen. — er, a. grimmer, echreeuwer. ro-nizm), s. laterstelling( van datum of j aartal). Mezzotint° ;met-zo-tin'to), s. zwarte kunst. Meinge (mPtidzj), 5. (kolen-) meting; meetloon. Metal (metql), s. *etaal. —lie (me- telnik), a. Minaret (marezin), s. echadeltrte uitdamping. —atic met'ik), a. verpestend. metaal-; metalen; metaalachtig. (-lif'ur-us), a. metaal voortbrengend. —line (-lain), Mica (marke), s. glimmer, mica. —ceous (-kee'sjus), a. glirnmerachtig. a. metalen; metaalaehtig. —list, a. metaalwerker. a. metaalbeschrijving. Mice (mrja), pl. wuizen. —lography —harpist (me-tellur-dejist), a. bergwerkkundige. Michaelmas (mik'eI-mes). a. St. Michiel. llllckle (mik'kl). a. veal. bergwerkkunde. —lurgy Metalep els (met-e-lep'slii, a. neamverwiseeling. Micro 008M (maykro-kozm), a. wereld in bet klein; naensch. —meter (-krom'i-tur), s. vverktuig —tic, a. omgezet. —heal y (-tik1-1111), ad. oor tot het meten van kleineruimten. —scope (-akooik), naamverwieseling. a. mikrosko,p. —acopic,—seopical, a. --scop;catly, Metamorphos m (met-e-mor'foos), v. a. v ervorad. (-skoplit-), van (met) bet mikroskoop. men (into), van gedaante doen v lranderen. —is, a. Mid (mid'), a. middeu, micidelat; middelbaar. —age, gednanteverwiseeling. middelbare leeftijd; lieden van middelbaren beefMetaphor (met'-e.littr),s. overdrachtelijke spreek—course, halfweg. —day, a. middag; a. van tijd. ad. (-forik.), over—ical, a. —acally, wijze. —ic, den middag. —heaven, middelhemel. —land, a. draehtelijk, beeldaprakig. binuen in het land, tniddellandsch. --leg, midMetaphres e (met - e-frets), a. letter/Ake vertadeq van het been. —lent., haltvasten. —night, a. ling. —tic (-fres'tik), a. letterlijk, woordelijk. middernacht; a. middernachteltjk. —rib, mnidelMetaphysic (met-e-fleik), —al.. a. —ally, ad. rib (in een bled). —riff, middelrif. —sea, midboventiatuurkundig. —ian (-fi-zisj'en), a. bovendellandsche zee. —ship, midde sichip. —ship-beam, natuurkundige. -a, a. bovennatuurkunde. zeilbalk. —ship- frame, groot spent. —shipman, Metaplasni (raet'e-plezm), a. letterverelastaing. adelboret, vlaggejonker. —strips, a. midscheeps„ Metastasis (me-teete.sts), s. ziekteverplaateing. —stream, midden van den stroom. —summer, zuMetatarsus (rnet-e-taar'sus), a. middelvoet. merzonneetand. —summer-day, St. J ansdag. —way, Metathesis (rat-teth'i-sis), a. letterverplaatsing. a. halfweg; a. in hat midden gelegen; ad. hal—wand, meat—stick, Mete (miet'),s. meat; pens. verwege. —wife, vroedvrouw. —wifery, a. vroedstoic —. v. a. meten, afpassen. kunde. —winter, winterzonneatand. Metempsychosis (ine-temp•si-ko s sis) , a. zielsMiddle (mid'd1), a. middea. —, a. midden, midverheizing. delet; middelbaar. —aged, van middelbaren beefMeteor (mrti-ur),s.luchtverschijneel.—ic (-or'ik), tijd. —ages, middeleeuwen. —man, tueschenpera. van lechtverechtnselen; helder; kortstondig. soon. —sired, van niiddelbare grootte. —most, a. —elite (-or'o-/ajt), a. inehtsteen. —oligical middelet. (•er-o-lod'zjikl),s.. van luchtverschijnaelen; weer. Middling (mid'inieng), a. —ly, ad. middelniakundig. Meteorolog ist(mi-ti-o-rol'ud-zjist),Fs.weerkun - tig, tamelijk. Midi le (midzj), a. mug. dige, —y, a. beasts ran den dampkring; weerkunde. midMeteornseope (mi-ti-or'o-skoop), a. afstands- Mkt moat (mid'moost); a. middelst. —at, a. de.lst; a. midden; prp. to midden van. —ward meter ( , 00r hemellichamen). (-word), a. midden-; ad. in bet midden. Meter (miet'ur), a. meter. Mien (mien), a. voorkomen, utteritjk; blik. Metheglin (me-theglin), s. mede (drank). Miff (mif'), a. kwade luim, misnoegdheid. —, Methinks (mi-thinks'), v. i. anti duukt. v. a. kwetaen, kreuken. —y, a. gemelijk. Method (meth'ud), a. wijze, leerwijze, orde. —ac, Might (malt'), a. rnacht, gezag, kraeht. with — —ical, a. —ically, ad. (me.thod'ik-), etelaelmatig, (-i-need, a. machand main, met elle maeht. gele'deltik. —ism, a, leer der Methodisten. —ist, ad. y, a. machtig, var. tigheid; hoogheid. s. Methodist. —ire (-ajz), v. a. stelselmatig inmogend; voortreffelijk; gewichtig. —y, ad. zee, richten; rangschikken. Migniard (rniniurd), a. 'Lie Miniard. ltilethought (mi-thaoti„ v. i. mij dacht. Meton Jc (me-ton'lk), a. van den maateirkel. Mignonette (min-Jo-net"), s. reseda. —lion —ymicat (met-o-nim'ikl), a. beeldsprakig. —ynty Migra to (maygreet), v. n. verhuizen. (-gree'ejun), a. verhuizing. —tory (-gre-tur-rih), a, (-im-in1h), a. woordverwiseeling. Metop e (met'o-pit), a. tuseehendiepte. —oscOPY verhuizend• zwervend. Mich (miltej), a. meikgevend. (-poi'ko-pih), a. gelaatkunde. a. —/y, ad. zacht; zachtzinnige, Metr a (mi'tur), a. voet ► aat, metrum. —ical, a. Mild (reajld"), toegevend. —noes, e. zachtbeid; zachtaardig. —ically, ad. (meerikl-), in dichtmaat. Metropoll s (me-trop'o-lie), a, hoofdetad. —tan held. v. a. met hoofdstad betreffend; Mildew (mil•djoe), a. bonigdauw. (met-ro-pori-ten), a. Bert bie.abar. hnnivi.11, besmetten• aartsbisechoppelijk; s.

266 ken. the narrow — a, het engeleche kennel. — action, zeegevecht. — anemone, zsenetel. — bunk, zeeoever; seedjjk.—bar,zeezwaluw. — battle, zeeclog. — bathed, dour de zee beepoeld. — beast, seernormer. — beat, — beaten, door de zee geteisterd — bee., zeebrems •—belt, seegrhs. — bind-weed, zeewinde. — blubber, seenetei, kwal. — board, a. zeekust; ad, zeewaarts. — boat, zeesehip. — born, door he are voortgeb racht;op zee geboren —bound, door ele zee begrened. — boy scheepsjongen. — breach, inbreking van he zee. — bread, scheepsbesehult. — breaks, El. branding. — breeze, zeewind. — brief, zeebrief. — built, voor de zee gebound, — burning, (hit) doen stranden (van eon echip). — cabbage, — cafe, gladde zeetooi. — calf, zeekalf, rob. — campion, zeelijmkruid. — cap, schippersmuts. — captain, seheepskepitein — card, windrooe. — carp, zeekarper — cask, zoeton. — cat, hondsbaai. — celandine. sehelkruid. — chart, zee kaart. — circled. door he zee ingesloten . —coal, ateenkool. — coast, zeekast — rob, seemeruw. — cork, zeehaan. — cock - roach,; zeeduizendbeer. —co/ewort, zeekool. —compass, zeekompaa. — coot, zeedulyel. — cow, seeker, we1rus. — cot, zeespin. — daffodil, zeelelie. —damaged, door zeewater heschedied. — dog, zeehoed rob. — dotterel, zeeklerit. — drag, zeebeslog (ttan echepen). — dragon, zee iraak --drake, zee kra ai seedend. — eagle. zeeurend. — ear, zeeeor, —eel, zeeeal — egg, zeedi. ,engagement, zeegevecht. —expression, ze,mansnitdrukking. —fairy, zeenimf. —fans, pi. zee. mos — facer, zeevaarder. — faring, zeevarend, —fencible, kustw achter. —fennel , zeevenkel seetileg. —fish, zeevtvch. —forces, p1. seemacht. —fowl, zeevogel — gage, — gauge„diepganie. — garland, zeebloem. — gate, hoite tussekea twee golves. — girdle, seespons. — girt, door he zee onrringd. —god, zeegod. —gown, sehipperept. — grape, zeebies. —grass. zeeeres. — green, a. zeegenes; a. steenbreke. —gudgeoa,seegrnudel. gull, zeemeee w. — hare, kieuw worm. — hedge - hog, zeeeget. — hen, zen corn. — hog, bruinvisch. —holly, hraakdiatel. onbewoond eilond. — horse, zee-, nijtpaard. --lacee, pl. zeedreden. —/ampeg, geoote zuiger. — langazge, zeenaanstaal. — lead, dieplood. — leek, seeajuin. — legs, p1. zee'eoeten. — letter, seheepspaapoort. — latucee, wolfernelk. seel•euw, — loach, nijlerondel. —tongs, pi. seeachutm, zeelong. — loom, boutvleueel. — maid , Ineermie. —man , woman ; matrons. — manship, zeevaartkunde.—map,zeekaart.—niark, zeebaken. — martin, zees wal uw. — mew, zeenaeeuw. — monster, seeeionster. —moon, zeeeter, -mean — mos, koraelplant. — needle, zeen.ild• — nettle, seen•rei. —nymph, zeenimf. —oak, .teeelk , —officer, zeeolficier. —onion, zeeejuin. — ooze, zeemodder. — otter, zeeotter. —pad, zeester. --panther, zeepouter. --parrot, zee papeerai. — partridge, seepatrijs; tong. — pheasant, zeefezaat. —pie, zeeekster, -anip. — piece, zeestuk. — pool, zoui,e. — port, zeshaven —pudding, zeenetel. seeheurn. — purslain , etriakrnelde. — quadrant. Jaeobestaf. — quince, zeebal. — risk, zeegevaer, — robber, zeeiuover. --rocket, zeere.ket. — room, ratite zee, — rover, zeeroover. — ruff. zeebrasem. — rush, zeebies. — salt, zeezout. — samphire, zee-


Oregon (or'e.gan),g. Oregon. Orl gen (or'i-dzjen), m. Origenes. --11000 to-rlno'kok g. Orinoco. —on (o-rsynn), my. Orion. Orkneys (ork'n1z), g. the —, de Orkadieche elLinden. Orleans (or'11-euz), g Orleans. Orpheus (orljoes), my. Orpheus. Osiris (o-sania), my. Osiris. Ousian (001-en), nn. Ovalan. Ostrogoth (osstro-loth), i Oust Goth. Otaheite (o-te•hajt' •hajt'i), g. Otaheite. Otho(o'tho), tn. Otto. Otide (oed), g. Oude. Ovid (ov'id), tn. Ovidius. Owen (Win), m. Owen. Oxford (3zslurd), g. Oxford.
bloon Blown, p. p. boor Bare, I. born Born,p. p. bourn Borne, p. p. haat Bought, I. & p. p. baaund Bound. I. & p. p. bred Bred,t. & p. p. brook ii3oke, I. bro'kn Broken, p. p. bract Brought, i. & p. p. Wit Built., i. & p. p. burnt Burnt, t. & P. p. burst Burnt, i. & p. p. burst'n Burst,n, p. p. been Came, I. kasst Cent, i. & p. p. kaot Casugbt, I. & p. p. tsjid Chid, I. & p. p. tsitd5dri Chidden, p. p. tRjoot Chose, t. tsjo'zn Chose's*. p. p. kled Clad, i. &p. p. klert p. p. Cia.it, i. & kloom Clomb, i. & p. p. kloov Ciove,„I. klo'in Cio vela, p. p. kiunt Clung, t. & p. p. kum Come, p. p. boot Coat, i. & p. P. toed Could, i. ke pt Crept, i. & p. p. kroe Crew, i. kat Cut. i. F p. n2. (1,1 t Dealt, i. & p. p. did Did, I. (Opt Dint, t. At p. p. dun Mine., p. p. drengl: Drank. i. draon Drawn, p. p. dremt Dreamt. I.& p.p. drool Drew, i. driv'n Driven, p. p. droov Drove, J. drungk Drunk, P. P• dug Dug, I. & P. I, dung 00.11 ,1 . & lc... P. di,: vet Durst,i. dwelt Dvvelt,11. & p. p . let, et Eat, i. tern Eaten, p. p. fa.11'n Fallen. p. p. fed Fed. I. & p. p. fell Fell, t. felt Felt, i.8c p. p. fld Fled, i. & p. p. floe Flew, i. floor' 71ovvn, p. p. flung Flung, I. & p. p. Forbade, I. for-bed' for-'sid' Forbid, I. F p. p. for-bid'dn Forbidden, p. p. for-boor' Forbore, I. tor-boorn' Forborne, p. p.
v atsnnbly, corslo'aciun Cfaustrle. v. clause. Client, m. client. Clint Ink, v. clinics. —isct, by. & bw. clinic, clinical (- y). Coeagne-mast, r ► . greasy (climbing-) pole. Cochenille, v. cochineal. Codicil, o. codicil. Cognac, m. cognac-brandy. Cognossement, o. bill of lading. Collette, v. collation. Collation, v. collation. Collationeeren, ov. w. to collate, to check. Collect eat, —eur, in. collector, gatherer. —e, v. colection, gathering..—eeren, ov. w. to collect, to gather. v. collection. —ief, be. & bw, collective ( ly). College, m. colleague. College, o. college; board, club; lecture, course. Collin, o. package; bale, bag, barrel, cask, etc. Colonede, v. colonnade. Consedle, v. comedy, play. Coentek,m.comie author, buffoon, clown; comic writer. CornIsch, by. do bw. comic, comical (-ly). Cosnite, o. ecnimittet.. Commensaal. In. mess-mate, boarder. Commies, m. clerk. C011111211PS aria, in. commisssry, commissioner. —ie, v. commission; committee; —handel, COnt• misstcn-business. —ionair, m. agent, factor., Counroittent, ran. constituent; coinmitter. Commode, v. chest of drawers. Contviciunle, v. communion. —deers, to take the communion. Compagnie, v. company. —schap, v. partnership, aseoclation. Compegnon, CD. partner, associate. Contains. ant, m. appearer. —eerie, on. w. to appear. —Ode, v. appearance; meeting. Constrieet, by. fall, entire, complete. Consplinnent, a. compliment. semand sips — makes, to pay one's compliment to a. 0. (over, on). —maker, complimenter. —eeren, ov. w. to compliment. Comport etre., ov. w. to compose. —let, m. composer. Conspositle, v. competition. Comprons is, o. compromise. —ifteeren, ov.w to compromise, to commit. Coanptebtlitett, v. accounts, book-keeping; ac-
LUK, 171 Lukewarm Iljoek'waorm), a. — ly, ad. lauw, lijk zoet; ovetheerlijk. —ness, s. overzoetheid; overheerlijkheid. lank; onverschillig. —nes., a. lauwheid; onver- Lush (lnsj), a. sappig; donker (van kleur). schilligherd. a. 1 uiaard. —, v. en Lull (1u11'), a. (hot) sussende, stillende; alechtje, Lusk ausiC), —ish, a. traag. luieren. korte stilts, f—, v„ a. sawn, stillen, in alaap wiegen; v, n. pan Hagen (van den wind) —aby (-le- Lessor foul (ljoe so'ri- us), —y (Ijoe'sur-rih), a. spelend, dartel. baj), s. wiegelied, elaapdeuntle, Larnilla agtuuus (lum-bedzri-nos), a. van de len- Lust (lust'), a. lust, begeerlijkheid. —wort, zondepijn. — ago (-bee'go), a. lendepijn. —al (-bel), nedauw. —, v. n. (vleeschelijken) lust hebben; (after) vurig begeeren. —ful, a. —fully, ad. wel— ar (-bar), a. van de lendenen. Lumber (lum'bur), a. comma!, prullen; § tim- luatig, wulpsch. —fulness, a. wellustigheld, merhout. —room, prullentranter. —, a. a. ordeloos wulpsebheid. —sly, ad. —y, a. wakker; slug; op elkander werpen; met prullen vullen; T. n. zich krachtig, kloek. —bless (-i-ness), a, wakkerheid; vIugheid; kloekheid, kraeht. —less, a. lustelooa; log bewegen, zit+ voortaleepen. Lisir.br 1e (lum'In .1:), a. worm. —al (-brikl), a. krachteloo'. Lust, at (lus'trel), a. zuiverend; —water, wijwa• wormaehtig; van de lendenen. 11,unitra ary (ljoemi. ne- rth), a. lichtbol• Licht; ter. —ate ( treat), v. a. zuiaeren. —ation (-tree'. ajun), a. reiniging, zulvering. —e (-tur), s. glans; aeril , hter. —ous, a. — truly, ad. lichtend, schij- mad; verlicht, fielder. —ousness, a. glans; belder- luiater; armkandelaar. —ing (-trieng), a. geglanade tat. —ova, a. glanzig, schitterend. —urn Lump (lump'), a. klomp, klout; hoop. by the(Arum), 5. tijdkring van vijf Jaren. bij den roes, voetstoot, the —, door elkKader. Lusty iluetih), a. Zie under Lust. —fish, zeehaas. lompensuiker. a. a. cutl.nIlat (ljoeVe-nist), a. luitapeler. in den roes nemen, door el kander rekenen. —ish, Luta clout; (ljoe-tee'ri-ua), a. in het slijk levend; slijkachtig. —tion, a. dichtsmering (met leeml. a. —ishl y, art. plomp, log; loom. —isknele, a. plompheid, logheid; lompheil. — y, a. klompig. Lute (Ijoet'). a. luit; taai hm. —case, luitkae. —string, Initsnaar; zie LustrIng. a. met 1.usi nay (ij-oa'ne :ilk), a. maanzlekte, krankzinnigheid. --ar ( - tier), — ary (-ne-rib), o• de moan leem bestrijken. —r, a. luitspeler. (-nee'ri-en), a. moan- Luttaeraaa (ljoe'thur-en), a. luthersch. —, a. Mrbetreffend; maw', a. het Luthersehe geloof. bewoner. ---aced eneet-id), a. halvemaanvormig. theraan. —atie, a. maanziek, krankzinnig; a. maanzieke, Lutherta (ljoe'thurn), a. dakvenster. krankzinnige. —ation (•nee'sjun), a. maansom- taut lug (ljoetleng), a. Wei, kleetdeeg. —ulent (-joe-lent), a. slijkig, raodderig; drabblg. loop. Lancia Iloutsfl, —eon (-un), s. tweede ontbijt. , Euxa te (luks'eet), v. a. verstulken. —tion (-as , ajtin), a. veratniking. v. u. het tweede ontbijt g,ebruiken. —ianey, s. wealLune, Ili oen), ft. naive mas n; vlatig van krankzin- Luxor lance (lugz-joe'ri ens),ad. weelderig. —fate derigheid. —iant, a. —lastly, nigbeid. —t (-it', s. maantje; Yachter. (-eet), v. n. welig groelen. —ious, a. —iously, ad. Lung (lung ► , a. long. —sick, aan longziekte lijweelderig; wulpach, wellustig; brasseud. —loutdend. —wort, longkruid. nem, a. weelderigheld; wulpschheid, wellustg11,xa age (lundzj), o, uitval. Zie Lunge. Lung Pores (It oeni-form), a. maanvormig. —solar held. —y (luk'sjee-rih), a. weelderigheld; weelde, overvloed; braseerij. (-soler), a. nit den zoos- en moans analoop semeniLycanthropy (n-ken'thrs-p1), a. wolfayoede. geateld. —Vice (-stis), s. verste noordelijke en Lyceum (laj-si'urn), a. lyceum, hoogeschoot zuidelijke punt her moan. ILydlan (lId'i-en), a. Iydisch; zacht, weemoedig. Lunt (lout), s. loot, 11,uno ar (Ijoe'noe-ler), —ate (-10), R. halvemaan- Lye (laj), a. long. a. hot Eying (larieng), R. liegend; llggend. vorm , g. liegen; het liggen. --in, a. kraambed; bevalling. Euwereal (ljoe-pur'kel), a. Pansfeeat. —ly, ad. op eene leugenachtige wipe. Lupine (ljoo'pin), a. wolfabuom. Lurch tlurtsf), a. (het) afvallen (ea. eon schip); Lynx aim), a. bloedhond. kaput (ie 't spell; verlaten toeatand. to leave an Lytuph (limf"), a. bloedwater, kleurlooa vocht. atie (-fet'ik), a. van het bloedwater; a. bloodthe — ,)n den ateek laten. to lie upon the —, op den w atery at. leer liggen. to take a — , can' opzehieter waken. —, v. a. kapot maker, (in 't spel); te lour *Wien; iLynceous (lin'ei-us), a. lijnx-achtig; scherp van gezicht. stolen, kepen; inz-velgen; v. n. afvallen; laeren; zwendelen; kapot epelen. — er, a. loerder; diet; Lynch (lints)'), a. a. zonder vorm van proses ter dood brengen. —law, lynch-wet; yolksveelvraat. Lure (Ijoer), a. lokalts. —, v. a. lokken, verlokken juatitie. Lynx (links'), a. lynx, loach. —eyed, acherp van (to); (on, verlokken. gezicht, scherpziend. Los-id (ljoe'rid), a, akelig, somber, doodsch. a. Lurk (lurk"), v. n. op den loer liggen. — er,a. boar- Eyre a (laje), a. lier. —ie —ical —ist, lierdicht fyrisch. —ie loerplaats. —ing-rocks, der. —ing-place, lierernan; dich ter. blinde klippen. (lusy.), a, —by, ad. llonigzoet, walgeI neselo

dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.

Wat was Bitcoin waard in 2012


The programme is named after the Dutch philosopher, theologian, Renaissance Humanist, monk, and devout Roman Catholic, Desiderius Erasmus of Rotterdam, called "the crowning glory of the Christian humanists".[1] Erasmus, along with his good friend Thomas More, became one of the main figures of European intellectual life during the Renaissance. Known for his satire, Erasmus urged internal reform of the Catholic Church. He encouraged a recovery of the Catholic Patristic tradition against what he considered to be contemporary abuses of the Sacraments and certain excessive devotional practices. He famously clashed with Protestant revolutionary Martin Luther on the subject of free will. ERASMUS is a backronym meaning EuRopean community Action Scheme for the Mobility of University Students.[1]
—er, a, scheitser, boerter. —ingly, ad. schertweelkistje. —house, —office, koninklijka achat- karoer. —, v. a. met juweelen versieren. —ler, send. Jole (dzjool), a. wane, koon; kop (van een' visch). n• jawelie'r. juweelen; juwelierevak. Jew C. (dzjoe'ese), a. jodin. —ish, a, joodech, cheek by. —, dichtbij; vertrouweltjk. Joil (dzj ool), v. a. met bet hoafd stooten tegen. —ry, a. (het) joodsche land; jodenbuurt. Jun y (dOol'Iih), a. —ily, ad. vroolijk, lustig. Jezebel (dzjeee-bel), s. onbeachaamd wijf. Jib (dzjib'), a. kluiver (tell); kraanarm. —boom, —iness, —sty, a. vroolijkheid, prat. —y-boat,joh kluiverboom. —guy, bakstag van den kl -alver. Jolt (ctzjoolt'k a. stoot, gehots. —head, botterik. —iron, kluiverring. —stay, boegspriettouw. —, v. a. & n. stooten; hotlen. v. a. 93 de andere zijde van den mast breugen. Jonquille (dzjon'kwi!), s. tijloos, jonquille. Jig (dzjig'), s. hopsa, boerendans. —., v. n. dan- Jordan (dzjor'dn), a, waterpot. sen, huppelen. —ger (-gur). s. huppelaar; staart- Jostle (-dreos's1), v. a. met den elleboog stooten, blok en echijf. --gash (-jos)), a. huppelend. —jog duwen. Jot (dzjot), s. jots, stip. not a --, geen tier. —, (-dzjog), s. stoot, schok. v. a. aanstippen., aanteekenen. Jlgot (dzjig'ut), a. bout, leeidestuk. Jounce (dzjowns'), v. n. schokken, stooten. Jill 'Me Gill. —flirt, slat, sieerie. Jilt (dijilt), s. coquette. —, v. a. misleiden (een' Journal (dzjur'nel), s. dagboek; degblad; jourv- a. naal. —ist, s. dagbladschriover. —ise minnaar); v. n. de coquette spelen. in het dagboek (jaurnaal) schrtven. Jim (dzjim), a. Zie Gin. Journey (dzjuerlih), s, rein, landreis. —chopper, Jingle (dzjing'g1), Zie Gingie. daglooner; gezel, knecht. —man, Job (dzjob'), s. karrewei, gewaagde onderneming; garenkoopman. ernoutwerk. by the —. bij aanneming, bij het —work, dagwerk. —, v. n. reizen. • stuk. —, v, a. steken, stooten; v. n. bij aanne- Joust (dzjust), a. steekspel, toruooi. —,v.u. torming (bij het stub) werken; ejouwen; beunhazen; nooien, een steekspel houden. windhandel drijven. —ber, s. daglooner, sjouwer; Jovial (dz)o'vi-e1), a. —ly, ad. blijgeestig,luimig. —ity —ness, s. blijgeeatigheid, vroobeunhaas; sp , eulant. —bernowl (-bur-nool), a. lijkheid. domkop. Jockey (dzjok'ih), a. rOnecht; paardentuischer; Jowl (dzjool). a. Zie Jove. —er, s. apeurhond. Jowter(dzjau'tur), s. vischjager, -kooper. bedrieger. —, v. a. bedriegen. Jocose (dzjo-koon'), a. —ly, ad. sehertserid, grap- Joy (dzjo('), a. vreugde, blijdschap; gelukwenaching. my —, mijn lief. —, v. a. verheugen; geluk pig. —ness, s. grappigheid. Jocular (dajoldoe-ler), a. —ly, ad. kortswijlig, wenschen; v. n. zich verheugen. s. vroolijkheid, ad.verheugd, blijde. —fulness, a. blijdschap. —less, sneaked'. —ity a. —lessly, ad. vreugdelOoa, --lessnesa. s. vreugsnaakschheid. deloosbeid. —au*, a. —ously, ad. vroolijk„ biijde, Jocund (dejok'und). a. —ly, ad. vroolijk, blijde. beugelijk. —ousness,a. vroolijkheid, blijdschap. —ity (dzjo-kun'dit-tih), —ness, a, vroolijkheid. Jog (dzjog'), s. stootje, achok; bezwaar. —trot, Jubil ant (dzjoe'bi.lent), a. jubelend. —ation (-lee'sjun), a. gejuich, gejubel. —ee (-lie), a. eeuwv. a. a. sukkeldraf; slendergang; a. sukkelend. feast; jubeijaanjubelfeest. horten; aanatooten; v. n. ejokken; (on) voortauk- Juda is (dzjoe.dee'ik), —ical, a. —ically, ad.(-ikl-), kelen. —ger (-gur), s. sukkelaar; stenderaar. Joggle (dzjorgt), v. a. hcliudden, hutselen; v. a. joodseh. —ism (dzjoe'de-izrn), a, het joodschegedrentelen, strompelen; waggeien, nchudden. loot —ize (dzjoe'de-ajz), v n. joodsche gebruiken John (dzjou' ► , 0. Jan; keret, vent,kinkel.—ct-dreams, waarnemen. droomer. —apple, paradijsappel. —bull, het en• Juddoeli (dzjud'duk), s. haarsnip. Judge (dzjudzj'), e. redder; beoordeelaar. — gelsche yolk. nal, strafrechter. — lateral, assessor, bijzitter.—, Join (dzojn'), v. ft. tamenvoegen, verbinden (with); toevoegen (to). — :battle, handgemeen warden. v. a. richten, veroordeelen; beoordeelen; v. n. v. n. be- rechtspreken; oordeelen (be,from, naar. of over). - interest, gemeene zaak maken. —r, s. veroordeelaar, beoordeelaar. —ship, a. rechleaden (to); zich vereenigen; instemmen; (in) dealsemen aan. —der, s. samenvoeging, vereentging. terschap. —er, a. schrijnwerker. --ergs,s.schrijnwerk.—ing, Judgment (dzjudzj'ment), s. oordeel; vonnis. in a. samenvoeging; scharniee; voeg. my —, near mikjn oordeel. —chamber, —hall, racistJoint oizjojnt')., s. gewricht, geld; scharnier; zeal. —seat, rechterstoel. knobbei; bout. out of —. uit het lid. —, a. ver- Judicat awe (dzjoe'di-ke-tiv), a. beoordeelend; — eenigd,gemeenechappelijk.—business,compaguie- faculty, oordeelskracht. —ory, a. rechteriijk, geschap. —heir, mede•rfgenaam. —stock, meat- rechtelijk; a. gerechtshof, rechtbank; gewkisde. schappelijk kapitaal. —stock , company, mast- —ure (-tjoer), s. rechterlijke macht; gerechtshof. schappij in aandeelen. —stool, vouvistoel. —, v. a. Judici al Ictsjoe - dierel), a. —ally, ad. —ary (-i-erih), a. rechterlijk, gereehtelijk. —ary(-1-e-rih), a. tamenvoegen; ontleden. —er, a. ploegsehaaf. ad. gesamenlijk. —ress, rechtertijke macht. —ous, a. ously, ad. oordeela. zonder geiedingen. kundig, verstandig. —ousness, a. oordeel, yens. bezitster van een weduwgoed. —are, (-joer), s. stand. weduwgoed. Joist (dzjojst), a. dwarsbalk, ebb. —, v. a. net Jug (dzjug), a. kruik; nachtegaalsleg. —, v. n. slaan (van den nachtegaal). balker, (ribben) voorzien. Jack a (dzjook), a. scherts, kwinkslage —e' v. a. Juggi a letzjug'gt). a. goocheletnk. —e, v. a. gooAMP.; bPKOochelel); V. u. goocheleu. —er, N. your tea gek ho ► deo, v. in. aches - taco (at. .05),
be very ill; to behave lilt aria -, to impoverish. beseitaamd -, to put to the blush, to confound. to explain. granter -, to enlarge. dusdelijk rersehillende blamer -, to lessen; ace reader by. hoe maakt pit het ? he w are you? Male er, or. maker, author. -icy, v. making. illiklare Id. v. tameness, gent/rue.. MakkellUk, be. & bw. Zie Gwmakkellik. Makker, in. comrade, companion, mate. Makevel, na. mackerel. Makrol, v. bawd. M. model, mould; caliber. Mal, by. & bw. foolish (-1yo, silly ( ily); by. fond, indulgent; puzzling. -zoet, Intetona. -zoetheid, lusciousness o. a corn-onea3ure. Malden. oa. Zie Mak en, oy. w. to grind; (droog) to drain; to paint, to limn, to draw; on w. to turn, to wriggle; to tease, to t.otber; to rave, to dote, to grumble. - er, mi. grinder, miller; painter, limner; raver, doter, grumbler. -er(j, v. painting, limning; caving, doting !lliu lileid,v. fooliehnebs, Matte, v. mesh, ring; tack; mall. -bun, mail. -head, coat of mall. -hula, inn belonging to a mall. -ktik.hanile of a mall, -half, mall, malletic on. w. to play at mall. -kolder,m. Coat of Mali.

Sprout (sprout), p1. koolspruitjes. I Squn ► noun (skwee'mus), a. schubbig; gesehubd. --, v. n. opruiteu, nitspruiten. ! Squ (altwon'dur), v. a. verkwisten, doorSp•uce (sproes% S. pekden. —beer, jopentier. brengen (away). —er, a. verkwister. —leather. pritiaiseh leder. —yarn, ruw garen. Square (sit we,r'), a. vierkant, kwadraat; carte, a. — ly, ad net, helder; opaeschikt. —, v. a. & n, vierhoek, ruit,vinkelhaak; kwalraatfxetal; plain; (rich) opschink., opdirken. —ness, s. netheid, ' regelmaatiposheid; eelijkheld; overeen%temming; opf4es2litkri,id. oprerhtheid. a. vierkant, reeh.thoekla, hoekig; Spew, isproc)„ 8 , spru, pas, juist, vor.dborstig, oprrcht. —cap, tittp, tapdek ploy.. —collar, staand2 kraag. —eross,v;ernant (!"Pr 11 ... , !.. a. bedrkivig; itrachtig, levendig. a. atompje. kruim. --frame-saw, schulpzaag. —meas.re, vier.. a. levoldig, hante s at. Spey (spr,t;, . vierkante —number,kwa• s. kart mos; wiedioe,je. Sped draatgetal. —rigged, razeilen voerend. —root, Spullier (spulluri, a. tpoel:roest, -, lvadraatwortel, razell. breetuk. —aterned, a, sehuini. --e. v. a. athuimen. Slurp!, e me, ten' plattan spiegel. racht. spant. a. sehn4. -riOloid; bchuming. —toe, ouderwetsch men. --tack, platte --escence 8011.1iI,Pd —yard, ra, the rechthoekig eon den mast hangt. Spur, (spun'), a. gesponnen. --- ;are, schiemano- —, v. a. vierkant waken, brassen; in 't vierkant Karen. brengen; atmeten, inrichten. PR8 maken,!to); v. n. lan Sc..ouge, Spinal e (splindzil. gel link.; (to) paved. hi); (with) overeen stemmen, Speo.n.r.rog-locoetacr. strooken met; twIsten. —ness,e. vierkantheid, Spunk (,,,,nglo",, zwriin, tor d,r;cermolind bout; s. twister. levenoghei d; irmrd. —g, a. lovendtg; moedig. Sytararrotie (skwer-rocs';), a. gekarteld, getand, vur , g. prikkel; span; slag. Spoor epur') R. Proor —gall, Squash (akwosj), a. lets zaehts of weeks; points. spoorwond: v. a. r•et de sparer kwetsen, po•n; onrijpe rrucht; groene aehil; ernak; kneu-leather,spoor!eder.—,,,I.”eorradertjc,--way, —, v. a. plat rolaan, — drunken, kneuzen, a. de ,poreti got.; aansporen (on); Squat (skwot'), a. hurkend; kort en dik. —, a. hurv. n. met speed re; zee. king; smak, vat: tinspaath. —, v. a. neersnukken; H. Spurge (ap,rdzi'). spriugkruid, wolfamelk, v. n. nverhurken, op de.hurken zitten; neersrnak-flax, —lance!. lirlder1,1, —row`, spurriewortel. ken; bezit ne.reen van peas Finders grond. —ter, a. —wart. zwa,rdlelle r.at.rilnrker; onbevoegd ontginner. a. --Vg„ ad. oueelit, Ter- § Squaw 'aiman), a. indiaanachs vrouw. sittpu•tou,4 (sp'joe'ri vaiseht, nglerna,kt.. ---,less, a. oneehtheid. Squeuk ('kwiek';, a. ail. acheeeuw; geknars„ geSpurting ,puelieng. ), v. n. gillen, sebreeuwen; knarsen, piePleP• pen, arpasen, —er, a. eller. Spur. (8 intrn"), act , . p,striad elli ke behandeling. —, v. a. rehopper, verechoppen: met veraehting Squeal a. gegil, geschreeuw. —, v. n, versmaden: v. a. schoppen, trappen; len. schreeuwen; kerinen. versmaden (at:; rich Nerzotten; achteruitslaau. Squenntlab (iiikwiatn'isj), a. licht misselljk, walgmis-er, s. achopper ; versznader. aehtig; overdreven gevoelig, keurig. lru^ real a. ge , peord, van cronn too, aelijkheld, walgachtigheid; overdreven geroeligbeid. zien. Spats c: P, (a pireritr), a. sporendrager. —ier (•ri-ur), Stgueeze (akwier'), a. drunking, persing••knenzinK• . a. spontinaker —y, A. RoUrTi., —, v. a. drukken, pars., kneuren; onderdrukSpurt (spurt), P. & v, r4ie Spi•t. ken; (up) aamenpecaen; v n. dringen, doordringen. -Ill (-11 , 71, pl. kneurer; pera; sehroef. Spi4i ter (spilt111r), a, spop:lael; ge.puw; Retie], —, v, a. uttspuwer; uttstootrn; v. n. spuweit: spat- Squib (sloyib), a. voetzneker.flikkerinaopotternij, ten; rsmrne:en. a. spu wee; rarnmelaar (in het g%hveo nt.s,chrift. —, v. n. atekelig zijn, scherpe zetten apreken). Spy (apai'), a. bespieder, Pylon. --, v. a. beWeden, Squall )ekwill), seeajuin; garnaal, krab; wslvischverspl,den; (out) u. tvorr- ellen; v. n. spieden, loc- , luta. Soullutrecy n altwin'en.sib), a. Zie Quinsy. ri, o; !intM ilitvor,chen. —1,0,adviesjacht. Squint (alswint'), a. ache. (loenschel MM.—, a. vevrenisi ker. save], lornach. — eyed, seheelsiand; sfgunstic Sflot rah islorob'), s. geulde zitting, kns en;jonge ruenseh. —shirker, Jong hors. —, v. e. ached zien. —ing, a. —ingiy, al. wheel, dull'; dik. nd.vnet eon' smak. gevuldeploei,cluivelipa , tei. met loensche blikken. Stoir,re Fil,ti•ajr), a. schildknaan; landjonker; ---,—bish,•-67. R. vat, (Ilk, k•alAlg, aed,lous. Stputtibt), :e s. twist; kloppartij. --, v. grondbezitter. —, v. n.• begeleiden, vergere1a. twiater; n t,isten, rlukhatca. S0'011•1111 (eliwurrn),, v. n. schuirelen;ziehkronkeder. Sw,d (mkwod') r s. rot, troer --inn (-ear) ; a, eska. ! len iala een tab , ; klauteren. drool; ekskader, arnaldoel. Squirrel (samieril), a.eekhorentje. — fish,blan.wkop can reehaara , . Swittild ,,slvol'0.), a. vuil, inorsig. —Rye (skwe- v.a. Squirt (skwurt'), a. spoilt; wateratraal. tilt , —nest, a. vuil held, niorsigheict. Squall (skwitoll'), s. gil; rukwind. —, v. n. gillen.. spuit,n; v. n. buikloop hebben; snateren, babbea stormachtig,butig. --or,, a. gil!er. inn. ---,I., a. spoiler; spuitgast. v. a, daorste(ht.'', s.,toototee)f, wood. morsighe,id. *f. Squalor isnwee'lor). e.
Gaande, be. going; stirring, busy; angry. — holden, to keep a-going; to keep in pixy, — at bay, — in suspense. — ',taken, to eel a•going; to stir up, to raise, to excite, to put into a passion. — rakes, to akin, to drive from her anchors. therein emnething brewing (hatch. door is iete ing). seat in er —? what le the matter ? de — en komende man, goers and comers, chance-culttorrere. GaanderU, v. gallery. Goan dewrg, bw. consecutlytly. Gaapster, v Zie Gaper. Guar, by. done; dressed; clever, expert. te onderdone. —keuken, eatingoverdone. niet !lime, ordinary. —kok, eating house-keeper. Gssard, v. yard, garden. —enier, rn. gardener. Ganrder, in. collector, gatherer. Gahrheild, v. being done; being dressed. Gammas, bw. willingly, midi pleasure, readily. — doen, — mitten, to be fond of, to like very much. Gees, o. gauze. Gad., m. & v. mate; consort spouse. --/Ok, be. Zia GaiUk. —loon, by. without a spouse or mate; matchless, unmatched. altogether. —en, ov. w. to Gader, bw. te gather, to collect. —geld, collected money. —wester, collector, gatherer. —ing, a. collection, gathering.
A FS. 390 Afbpoel en, ov. w. to wash (awhy), to rinse; Alsijpelen, en. w. tee trickle down, to distill. to drink down, to drown. —leg, v. leashing Afaeorren,ov. w. to pull (to pluck) off. (away), Afslaan, ov. w. to beat (to knock, to strike, to v. agreement, appointment. cut) off; to beat beck, to repulse; to refute, to Afsprank, deny, to reject; to abate, to loosen the price of; Atepreken, ov. w. to agree (upon), to appoint, to concert, to bespeak. to sell by inch of candle; to drub, to thrash; to Afepringen, on. w. to leap down, to jump off; unbind (era zest), siin water —, to make water. —, to burst (to chip ; to crack, to fly) off; to ramble on. w. to fall, to go down, to abate. from; to put off. Affilag, m. abatement, reduction, decline, fall; Altstann, ay. w. to leave, to abandon, to part eale by inch of candle. —er, m auctioneer. walle t.) yield, to resign, to abdicate; on. w. to Afelaven (z5eh), 0. w. Zie Afeloven. stand off. Afsileepen, ov. w. to drag down. Afstantna ening, m. & v. descendant. —en, on. eifedUp en. ov. w. to grind off; to blunt; to tette w. to descend, to owing from; to desire. —leg, off by grinding, to polish. —er, na. grinder; polish. v. descent; derivation. ;entitling off; polishing. ere —leg, v. A falUt emu, ov. & on. w. to wear out, — off, —ing, Aistanspen, ov. w. to pound off; to wear out by stamping. v. wearing. out, — off, wasting. difference; resAfaihegeren, no. w. to sling (to tots, to hurl) Afstnnd, m. distance; interval; ignation; abdication. — risen van, to give up, off; on. w. to be hurled off. to WaiVa, to reject; sie Mstann. —sw(mer,itinArnie'ix en, or. w. to wear out slovenly, to spoil. erary. —er, to. cloven. —ing, v. wearing out, spoiling. Afeltre vas (Melt), t. w. to drudge, to time, to Afkit apnea, on. w. to step down, — off; to alight; — van, to give up, to leave off, to waive. toil and moll. —er, m. drudge, toiler. —ing, V. Afeteken, ov. w. to cut (to take) off; to cut (the drudging. throat); to rack, to drew off from the lees; to ov. w. to Flint (to lock, to Ler) up, Afelnit mark out, to pitch; to fire. to discharge, to let to bolt; to fence (to hedge) in, to separate by toe! —, to outdo, to get the better of. —, off, do a partition; to close, to settle, to balance. —ing, by. on. w. to go off; to contrast (with). v. locking (barring) up; enclosure, partitioning; strong, glaring. fence; settlement, balance. (fate), o. sitatei is peen —, delay is no neglect, Afestiakken,ov. w. Zie Afeneljt en. omittance is no quittance. Afsasseek en, ov. w. to implore, to deprecate. ov. w. to steal (to rob) from. —er, rn. —tier, v. implorer. —ing, v. imploration. Afetellen,en, ov. w. to put off, to remove; to Aft/weft e,n, or. & no w. to melt off. —ing, v. Afetell dismiss; to abolish, to bring out of use. —itsg,v. melting off; eliquation, fusion. dismissing, 'suppressing. Afsmereee, ev: w. to wipe off; to take off; to Afetenears en, no. w. to vote against, to nagesmear entirely; on. w . to let off grease. tive, to reject. —ing, vr. voting against, rejecAltretvefjten, ov. w. to fling (to hurl) down. tion. Afszsner ee, eve, oe. w. to growl (to snarl) at. —er, Afeteumpel em, ov. w. to stamp; on. w. to finish —ster, v growler, snarler. stamping. —ing, v. stamping. Alenede, v. section, paragraph; taesura. , en, on. w. to die, to expire, to depart Afenitiet en, ov. w. to cut —, to clip (off), to (Eaters this life; to die (to), to withdraw (from); to pare; to curtail. —er, m. cutter. —ing, v. cutting diminish. —en, o. —ing, v. decease, death. off —yet, o. cuttings, clippings, shreds. Aftetla gen, on. ve. to alight; to dismount. Aftintpperen, ov. w. to chip(to snip)off. Afenoel en, cv. w to lop (to prune, to clip) off. fife toffee, ov. w, to dust, to clear from duet. Afatonepen, ov. w. to blunt,to —leg, v. lopping (clipping)off. —eel, o. loppinge, Afetoonien„ on. w. to go down (by steam). clippings. to push down, — off, to Allmon en, ov. w. to take off, to snuff. -esti, Afetoot en, ov. w. thrust off. —ing, v. repulsion. o. snuVings, candle snuff. &Wort 4, 11, no. & on. w. to precipitate; to hull Afepanen,ov.w. to slice (to cut) out. (to tumble) down. —ing, v. tumble, fall. Afeptenn en, ov. w. to unbend; to uncork; to Afetrteff en, ov. w. to chastise, to correct. —er, unyoke, to untearn, to unharness, to take out; m. chastiser. —ing, v. chastisement, correction. to span, to measure by spanning. —ing, v. un- Andra] en, en. w. to beam, to shine, to stream bending; unteate ing, tilting out. down, to irradiate. —ing, v. splendor, Irradiation. Alfeeteeiden, ov, w. to unpin. A fottrUden, ov. w. to wear out by fighting; to A fepralon, on. NV, to play off (out); to tare (een dory, to contest; on. w. to finish fighting. biljartbal, on. er. goed —, to play well one's card. AfatrUKen, ov. w. to strike (to rub, to wipe) off, Ilifngeeterd, ov. w. to take from the spit, off. take down; to strike level; to iron. Ateplegel en, no. w. to reflect. —ing, v. nflee A to fetrooneen, on. w. to stream (to How) down. Afetroop en, ov. w. to strip off. to skin (een Areptd .ten, on. ',v. to finish dinner, — supper. rat); to strip (een keen); to flay (een yes); to unA fleplesneee, ov. w. to spin off. ease (een konijn); to ravage. —er, us. eavager. Afetett tete. iv. w. to take off by digging. Af:;tult en, on. w. to rebound (from), to glance ekreeeiti (lien, on w, 1.o alit (to eplit, to crack) off off; to fall (against), to prove abortive (by). —ing, fife eiSluter en, ov. & ors. w. to eplinter off, v. rebounding, failure. a e — tog, v. divciurimsdloii. t I e
Embroider (e.n-broj'dur), v. a. borduren. —er, s. borduurder, borduureter. —y, a. bordaarwerk. Embroil (em-broji'), v. a. verwarren, verlegen maken; (in) verwikkelen in. Embryo (em'bri-o), a. onvoldrggen vrueht; eerate ontwerp. —n, a. onvoltoold. Emenda bin (e mend'ibl), a. verbeterlijk. —Non (em-en-dee'Rjun), s. verbetering. —toe (em'endee tur), 8. verbeteraar. —tory (-de-turrih), a. verbeterend. Emerald (em'e-reld), a. smaragd. Emerge (e-murdzj'), v. n. oprijzen, opkomen, to voorschijn komen (from). —nee, —ncy, a. ophoming ; onverwachte , omstandigheid, toeval; noodzaak. —nt, a. opkcmend; onverwacht, plotsoling; dringend. Eaneriteel (e-mer'it-id), a. na volbrachten dienst ontslagen; emeritus. Emerolda (em'ur-ojdz), s. aambeien. Emersion (e-mur'sjun), a. te-voorsehijn-koming; wederverschijning (eener ater). Emery (em'ar-rih), a. amen'. Emetic (e-met'ik), a. braking verwekkend. —, s. braakmiddel. Emeu, Emew, (ie'mjoe), a. keener's. Entication (em-i-kee'sjun), a. vonkeling. Emlction (e-milesjun), a. waterloozing. Emigra nt (em't-grent), a. uitwijkend, verhuizend; a. landverhuizer. —te (-greet), v. n. uitwijken, verhuizen. —tion gree'sjun), a. landverhuizing. Eminen ce (em'i-nens ►, _cy, s. verhevenheid, hoogte; uitstekendheid; eminentie. —t, a. —tly, ad. verheven; hoog; uitstekend. Emissary (emle-se-rih), a. verspiedend. a. zendeling; verspieder. Emission (e-misj'un), a. uitzending; uitgifte. Emit (e-mit'), v. a. uitzenden, uitgeven, uitvaardigen; afechieten. Emmet (em'init), a. mier. Eminew (em-ntjoe'), v. a. opsluiten (in eene kooi). Etnolli ate (e-mol'ii-eet), v.a. verzachtend.—ent, a. verzachtend; a. verzachtend middel. —tion lem-ol-lisrun), a. verzachting. Emolument (a-morjoe-ment), a. voordeel; Emotion (e-mo'siun), a. ontroering. Empale (em-peel'), v. a. ompalen, apietsen. —ment, a. ompaling; spletsing. E-npanel (em-pen'il), a. a. naamlijst van gezworenen. v. a. op de naamlijat der gezworenen plaatsen. Empark (em-paark'), v. a. ombeinen; in een park sluiten. Eanpasm (em'pezm), a. stankverdrbvend poeder. Emperor (em'pur-ur), a. keizer. Empha sis (em'fe-sis), s. nadruk, klemtoon. —size (-aajz), v. a. nadruk leggen op. —tic, —tical, a. —tically, ad. (-fet'ik-), nadrukkelijk. Empire (em'pajr), a. keizerrijk; rijk; heerschappij. Empiric (em-pir'ik), —al, a. —ally, ad. op de ondervinding steunend, empirisch; kwakzalverig. —, a. kwakzalver. (-1-aims), s. empiric kwakzalverij. Emplast er (em-plaas'tur), v. a. met eene pietater beleggen. --lc, a. 1tjrnerig; kleverig.
juich. --, v. a. net vieugdegejuiell ontvangen; v, n, haezee roepen. Hyacinth (hare - sinth), a. hyacint. —int, (-sin' thin), a. van (ala) hyacinten. Dyads (haredz), pl. zevengesternte. Hyaline (hare•lin). a. glasachtig, kristallen. Hybrid (harbrid, hib'rid), a. & s. baataard. —one, a. lostaard. Ilydrn (haj'dre), a. waterslang; hydra. WO, Hydraulic (ha). drao'lik). a. waterleiding. terwerkAn betreffend. —s, pl. waterwerkkunde. Hydro cele (hardro-siel), a. waterbrenk. (-daj•nem'iks). pl. waterkrachtkuude. —yen (-dzjen), a. waterstof. —grapher (-drog'refur), a. waterbsechrkiver ; zeekaartenmaker. —graphy (-droere-fih), a. waterbeschrijving. —mel el), a. mede, honigwater. --meter (• drum'. i-tur), a, watermeter. —patty (-drop i e-thihi, a. —phoby watergeneeskunde. —phobia (-fo-bile) a. watervrees. —pica! ( drop'ik-), a. waterzuchtig. —scope (-akoop',, a. wateruurwerk. —static, —statical (-stet'ik-). a. water vveegkundig. —statics (-steeiks), a. wuterweegkunde. —tic (-drotik), s. zweetmiddel. Dye'. eel (haj-i'me1), a. wintersch. —ation (-mee'sjun). a. overwintering. Hyena (haj-i'ne), s. hyena. Uyg elan (haj-dzji'en), e. de gezondheid betreffend. —iene (haj'dzji-ien), a. gezondheidsleer. —ienic (,en'ilr), a. gezondheida.. Ilygro meter (haj-grom'i-tar). —scope (hargroKkoopl, a. vochtmeter. Hymen (liarmin), a. buweliikagod; huwelijk. —eal (-ni'el). —ean (-ni'en), a. bruilofts-; s. bruitoftslied.
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-

Is Zebpay portemonnee veilig


349 Workman (wuricirnen), s. werkman. —like, —1 1/, a. knap, bekwaam; goed bewerkt. —ship, s. werk; bewerking; bekwagmheid. World (wurhi'), e. wereld; aarde; menachen; 'ts werelds loop; loopbaan; menigte, groot aantal. the great —, de hoogere etanden. not for all the —, voor Mete ter wereld. —lines* (-Ii-neat), a. wereldegezindheid. —ling, a. wereidling. —1y, a. & ad. wereldiijkrwereldech; werelds; —minded, wereldsgezind. Worm (worm'), a. worm; kraeser; moor (van eene sohroef); wroeging. —bark, wormbaet. wormetekig; vermolmd. —grass, wormkrt,id. —kote,wormgaatje. —screw, kraiser. —seed, worm%sad. —spring, epiraalveer. —wood, aisem. v. a. van den worm enijden; aftrekken (de lading van eon kanon); ondermijnen; bekleeden, hen; (out) uitgraven; uitstooien; v. A. knit pen; a. trensing; —thread, wurmen; knew. trensgaren. —like, a. wormachtig. —y, a. wormig; kruipend. Worr tar (wur'ri-ur), s. pleger, kwelgeest. —y, e. verwarring; onrnat, gejaagdheid. v. a. plagen, kwelleu; rukken, scheuren. Worse (wurs), a. & ad. slechter, erger. — and —, hoe langer hoe slechter (erger). Worsh ip e. vereerini, aanbidfing; eerbewijsing; waardigheid, eer; Eerwaarde; Edelachtbare. —, v. a. & n. vereeren, aanbidden. All, a. eerwaardig; achtbaar. —fully, ad. eerbiedig. —per, a. vereerder, aanbidder. Worst (wurat'), a. & ad. slechts, ergot, —, o. (het) ergate. at (the) —, in het ergate geva I. —, v. a. overweldigen; verergeren. to be —ed, het onderspit delven. Worsted (woerst'14, worst'-), a. sajet. a. sajetten, wollen. —needle, etopnaald. Wort (wurt),s. kruld; kool; ortgegiet bier.: Worth (wurth'), a. waarde: prijs; verdienste;waardij. —, a. waard, waardig. — re: ding, lezens. wear dig. — seeing, bezienswaardig. —less, a. zooder waarde; nietewaardig. lessness, a. onwaarde ; onwaardigheld. North liy (wurth'il-lih), ad. —y, a. waardlg (of); eerdienstelijk; edel; voortreffelijk. —iness ( i-ness), s. wagrdigheid; verdiemstelijkheid. —y, s. verdienstelijk (uitstekend) man; held Wot (wot), v. n. weten. God God west het. Would (woed'), v. n. ZIP Wlil; wilds; zoude; weneehte. — to God, gave God. —be, a. gewaand, slab noemend. Wound (woend'), a. woad. —fever, wondkoorte. —wort, wondkruid. —, v. a. wooden, kwetsen. —er,s. verwonder. —less, a. ongekwetet. Woundy (waann'dih), a. seer, uitermate. Wove- (woov')paper, a. velijn-pspier. Wraith (reeth), a. verschtjning, sohim. Wrangle (reng'g1), a. twist, krakeel. —, v. n. twieten, krakeelen (for. on). —r, u. twister, krakeeler; student, die zal promoveeren. —some, a. twietziek. Wrap (rep'), v. a. wikkelen; bevatten; (in) in een' omelag doen; (up) inwikkelen, inpakken, oprollen; in verrukking brengen. —rascal, overJas. —per, a. omelag; pakdoek; omalagdoek; mantel; dekblad (van sigaren). —ping, a. het
LIC. 521 nese; giddiness, dizziness), —vaardig, by. & bw. by. & bw. charitable (-fly). —rijkheid, *barites light (-ly), rash (-Iy), inconsiderate (-Iy); wan- bleness. —teat, language of love. —eavontuur, ton (-Iy); profane (4). i—vaardigheid, light- amorous intrigue, love•affsir.`—sverklarieg, decnese, rashness, inconsideration; wantonness. Duration of love. —loos, by. & bw. uneharitable profaneness. —rind wild fellow. —similes, bv. & (-b1 ). —loosheid, v. unolitiritableness. bw. light-minded (- y), Sale (-1y). frivolotts(-1y), Lte eltik, bw, lovely, charming (-IA. thoughtless (-ly). —sinnigheid, lightnese, tickle- sweet (-1y). —held, v. loneliness, charmingness. nee., frivolousness, thoughtlessness. —ekooi, Lune, ce sweetheart, dear. love. prostitute, harlot. —eltie, bw. lightly, easily; Lletet, by. dearest, most beloved, favorite; poetslightly, nimbly; poselley. siest. bw. rather, best. — Met, rather not. Lichten, or. & on. Y... to light, to give light; Writ debt AI ket ? which do you like beat ? to grow light, to shine, to lighten; to lift, to 1..telfste, Tn. & v.dear, love, beloved; sweetheart. roles, to bears; to 'sty; to lighten, to take off, Lieg an, or. & on. w. toile. hseten—, to give the to ease; to weigh (het anker); to cause a copy lie to. —sr, mr,iler. to be delivered. de hand to make 013e). af- Mee•, v. lyre, hurdy-gurdy. —dieht, lyric poem. fitinvit. de band — met, to net little severity in I —dicker, lyric poet. —ipeler, ale Lierenseas. to do carelessly, to bungle (to hammer) up.' —sang, ode. —.man, lyre-man. iemand den root to supplant a. o.; to put Lterlanwv, by. lukewarm. —en, ov. w to make a. n. 's noes cut of joint. —d, by. luminous., lukewarm. shining, bright. Line, v. groin. —break, inguinel hernia, bubonoILlehter, m. lighter. —geld, —loon, lighterage, eels. —Devoe', bubo, —klier, inguinai ,gland. —man, lighter-man. —eediss, lighter. —ontsteking, inflammation to the groin. Licht held, v. —igkeid, v. lightness; clearneee; Lip v feting, m. & v. darling, favorite. —s-,i n endues., facility; giddiness; wantonness, levity. Iamb favorite. —ing, v. lightening; levying. raising; levy, 11.11e,ven, ow. w. to love. Lid, o. lid, Joint, alticulstion, limb; member, Liewer, bw. rather. — hebben,to like better. fellow; arti s te; degree, gensration. —roe, 1.1esserd, tn. darling. grass. — slant. so. & v. nitrober; o. limb. —moat- Etevertede (•ast), bw. by little and little,grasehap, membership. —rotting, bamboo. —water, dually. synovia. —wooed, article. leteseertie,o, little &aline% Lied, o. song, ballad, hymn. by. insipid. —, o. deinty, uusubstential Linden., rn. inv. people, wen, folks. dish; stuff, kick-ehsw, fiddle-faddie —fen,ov.nr. Lieder en, o. mv. songs, hymns. —bock, song - to flatter, to fawn, to tondo. —ferii, v. fhttery, book„ hymns-book. —aichter, lyrical poet, com- fawning. pover of songs. —tale:, singing-society. Llg ggese, on. w. to lie; to be situated, — seated; iLtederii,ik, be. & bw. negligent (-1y), careless to be; de wind is gaan —, the wind has abated; (-Iyi, disorderly, loose ( iy), elattIsh (-1/), lewd to kuis —, to board, to lodge; school —, tii be at (-1y). dissolute (-Iy), debauched. —held, v. doe school; voor tens stud —, to be encemped before orderly conduct, looseeese, sluttishness, die- a town; moor anker —, to ride at anchor; op solutenees, debauchery. sterven —, to be at the point of death; leen CledJe, o. little song, tune, ditty. —szanger, —, to leave untouched; — can., to depend upon, —*songster., ballad-singer. to be owing to. —dagen.. runsting-days,lay-days. Lief, be. dear, beloved; precious; lovely, hand- —geld, lying-mousy. —pleats, lying-place. —fend, some, pretty. o. se eetheart, dear, love. del Irv. lying, situated; real. —ging, v. situation; is my —, I am glad. in — of leed, in weal or bedding. woe, once Neve Hes, our blessed Lord. oats litre v. lee. aan ilea. eau — trallen. to fall aYrosito , the blessed Virgin, our Lady. moor — lea. in de — Aix. to be at a pinch, to be in a scrape. nemee, to make up with. —dadig, Or. & bw. charitable (- big), beneficent (-1y).—dadigheld, v. LUslefUk. by, & bw. passive (-le); tolerable (-bly), charitableness, charity; gestickt van —, asylum, 'sufferable (-bly), endurable. —heid, v. passiveness; aims-house. —hebben, to love. —hebbend, loving, tolerablenese,eufferableness. affectionate, —hebber, —he5ster, lover, amateur, LtJde-n, ow. & on. w. to sutler, to endure, to fancier. —detber(i, love, fancy; favorite occupa- undergo; to tolerate, to bevy, to last, to dote. tion, curiosity. —koozen, to corset, to fondle, ik mag bet wel —, I have no *objection to it. ik to stroke,—kooser, caresser. —hoozer(i, caressing, lean hem niet I ennnot bear him, I don't fondling. —hosing, caressing, blandishing., car- like him. —, o. suffering, sufferings, distrese; ems. —Warn, to blandish. —oogen, to ogle. pant.. —sbeker„ —sketk, cup of suffering. —tulip, affable, courteous. —taligheid, v. an- geschiedenis, htetory of the passion of Christ. billty, courteousness. —tallig, lovely, amiable, —steket, passion-text —.week, passion-week. gracious. —talligheia, v. loveliness, amiableness, —d, by. plosive; suffering (age, of with), *Mcgraciousness. ted (sae, by. with). ILIefsie, v. love; charity. —band, tie of love LUdee, M. —es, v. sufferer; patient. brand, — glued, —vuur, flame of love. —dienst, ILUdzanna, by. & bw. pat ent ( ly). —held, v. piece of friendship, friendly service. —drank, patience. philter, v cahrarroi --mrciodk love-potion. o .k ;0,74 bteol lir,;oiwuoifrobn; love-feast; voe.tiagf
Calvary (kel've-rih), g. de berg Calvaria, Krubsberg. Calvin (kel gin), m Calvijn. Cambray (kem'bree), g. Karnerijk. Cambridge (keent'brldz)),g. Cambridge. Cambyces (kem-barsiez), m. Cambyaeti. Campbell (kem'int, kern'b1), In. Campbell. Campeachy (kem-pietvrih).g. Campeche. Canaan (kee'nen), g. Kana hn. Canada (ken'e-de), g. Canada. Canaries (ke-nee'rierl, g. Canarische etlan den. Candla(k*edt-e), g. Candia. Canterbury (ken'tur-ber-ih), g. Kantelberg. Canton (ken-ton'), tr. Canton (in China). — (ken'tun), g. Canton (in N,Arnerlka).

Wat zijn de beste Blockchain bedrijven


s. geheel; geheel bedrag. -ity -ness, a. (hot) geheel. '!'otter (tot'tur), v. 0. wat;gelen. Touch (tutsj"), a. gavoel; aroaralting; toetsing, bepeseving; toets; trek, gelaatstrek; street, penseeletresk; greep,aanslag; berisping; stock, wenk; betrekkingt zweem, welnigje; slag; Debts poping, aanval; aendoentog, aandoenlijkbpid. to keep - with, woorc: houden jrgena. -bath, stortbad. -hole, zundgat. -needle, toetanaald• -pan, pan (van een geweer). -atone, toetasteen, -wood %want (verrot bout).

nt, a. opEdema loos (e-dem'e-tua), - lose, a. gezwollen, len. —nee (-lens), a. opbruitiet. bruisend; ziedend. zuchtig. Effete (ef-ilet")., a. afgeleefd; onvruchtbaar. Eden (le'dn), e. Eden. lusthof. ad. kracht—ly. Efficacious lef-fi.kee'sjus), a. (-te—ions (-test-id), Edenta te (e- den'tet), —led dadig; afdoend. —near, a. krachtdadigheid. lus). a. tancleloos. —tion (i-den-tee'sjun), s. nitEfficacy (efli-ke-ath), a. krachtdadigheid; aftrekking der tendril. doendheid. Edge (edzj'), a. scberpe kant, rand, zoom: anede; hevig verlangen; vinnigheid. to set the teeth on —, Efficien ce (ef-ffsrens), —cy, a. werking, krachtdadigheid; werkende kn.cht. —t, a. —tly, ad. de tanden eggig maken. to put to the — of the uitwerkend. —t, a. uitwerker; werkende oorzaak. sword, over de kling jagen. —tool, snijdend werktuig. v. a. acherpen; women, omboorden; Effigy (ef-fld-zjth), s. beeltenis; afbeeldsel. aanzetten. (in) Ineehuiven. (off) den acherpen Efflate (ef-fleet'), v. a. ophlazen. kant benemen. (on) ophitsen. v. n. zijdelinge Ellioroncen ce (ef-flo.res'sene), a. uitbotting, bloeiing; huidontsteking. —t, a. bloeiend; uitvoortdringen. (assay. off) afhouden. (in) with a bottend. ship, langzaam afvaren op. (over) to shore, de knot volgen. —d. a. acherp; gerand. a. Efllueu ce (al:toe-ens), a. uitvloeiing; voortvloeiing. —t, a. uitvloeiend; voortvloeiend. sot. —long, —ways, —wise, ad. op den kant Effluvium (ef-floe'vi-um ► . a. uitvloetael. *chub.; van ter zijde. Edging (edzjleng), s. zoom, boordsel. —skirt, Efflux ‘ef'fluks), a. —ion (fluktejun), a. uitvloeilag; uitwatteming. zoom van een zeal. — of the land, kromming Effort lef'foott), a. poging; inapanning. der kust. Effossion (ef-fosj . ua), a. uitgraving. Edible (ed'ibl), a. eetbaar. Effrontery (ef frun'te-rih), a. onbeschaamdbeid. Edict (i'dikt), a. gebod, atkondiging, edict. Edification (ed-i..fl-kee'sjwa), a. stichtiug; onder- Effulge(ef-fuldzy), v. n. glinsteren.—nce (.dzjena), s. glinatering. —nt (-dzjent), a. glinsterend, richting. blinkend Edif icatory (ed'i-fl-ke-tur-rih), a. stichtend. (410'6), a. tot Effus e (ef-fjoezi, v. a. uitgieten, uitstorten . —ice (-lis), s. gebouw. —ion (-zjua), a. ultatorting; kwietigheid; onteen gebouw behoorend. —ier (-faj•ur), s. boobumming. —ire (-sty), a. uitetortend. wer; stickler. —y (-faj), v. a. opbouwen; stichten. —ying, a. atichting, onderrichting; —ying, a. Eft (eft'), a. hagedia. —, ad. vervolgena. —soont, ad. spoedtg daarna. —yingly, ad. stachtelijk, leerrijk. Egad (e-ged'!, int. zeker! Edile (Pdajl), s. bouv,Iteer; aedilis. Edit (ed'it), v. a. uitgeven (boekworken), —ion Eger (ie'gur), a. springvloed. Egestion (e-dzjea'tj , in), a. uitwerping; lazing. —or, s. uitgever. (e-disrun), a. uitgave; druk. —shell, eier—octal (-to'ri-e1). a. eene uitgave (een' uitgever) Egg (egg') a. ei. —cup, eierdopje. oud el. wind —, schaal. addle —, vuil ei. stale betreffend- —orship, a. uitgeversehap. windel. —, v. a. aanzetten, ophitsen. Educat e (edloe-keet), v. a. opvoeden. —ion (-kee'sjun), a. opvoeding. —ional (-kee'sjun-e1), Eglantine (eg'len-tajn), a. egelantier. Ego tism (ie'go-tizm), a. zelaucht, eigenbaat. a. opvoeding betreffend. —or, a. opvoeder. —list, a. zelfzuchtige. —tiatic, —tistical, (-list' Educ e (e-djoes'1, v. a. uitbrengen; uittrekkeu ik-I, a. zelfzuchtig. —list (-tajz), v. n. veel van (from). —tion (-duk'sjun), a. uitbrenging; uitzich zelven apreken. trekking. Edulcora te (e- durkur-reet), v. a. zoet maken; Egregious (e-gri'dzjue), a. —4, ad. voortreffelijk; ongemeen. —nest, N. uitnemendheid; ongezuiveren. —lion (-ree'sjan), a. zoetmaking; zuimeenheid. vering. Eel (tel') a. aal. § —grass, zeegras. —pie, aal- Egress (Pgrese, e-green'), —ion (e-gresrun), a. uitgang. putt. —pout, puitaal. —spear. elger. Egret (Pgrit), a. reiger; reigerveer; dons (van Elfable (erlibl), a, ultsprekelijk. diatels). Efface (ef-feet'), v. a. ultwleschen; wegvagen. Effect (ef-fekt"), a. uitwerksel, gevolg; bedoe- Egriot (i'gri-ut), 3. morel. ling; wezenlijkheid. in —, inderdaad. of no —, Eider (ardur), a. —duck, eidergans. —down, eiderdons. zonder gevolg. to take —, slagen, werking doen. to this —, tot dit einde, —a, s. goederen. —, Eigh (eej), int. he! hal v. a. bewerken, te weeg brengen. —isle, a. nit- Eight leet'), a. acht, —een (ee'tien), a. achttien. eenth (-tienth), a. achttiende. —fold, a. achtvoerbaar. —ion (-feleelun), a. gevolgtrekking; voudig. —h (eettfo), a. achtste. —hly, ad. ten probleem. —ire, a. —irely, ad. krachtdadig; achtste. —ieth (-ti-ith), a. tachtigatc. —y, a. werkelijk; bruikbpar. —less, a. zonder uitwertachtig. king; krachteloos. —or, a. bewerker. —ual. a. —ashy, ad. (-tjoe-e1), krachtdadig; afdoend. Either li'thur, arthur), pr. een van beide; ieder. - conj. — ..., or..., Of.— Of.... —uate (-tjoe-set), v. a. uitvoeren, te weeg E.lacula to (e-dzjek'joe-leet), v. a. ttitstooten; brengen. plotseling uitroepen. —lion (-lee'sjuni, a. Effemlna cy (ef-fem'i-ne-siii), a. verwtjfdheid. —te, a. —tely, ad. (-net-), verwijfd. —te (-fleet), val, uitroep; schietgebedje. —tory (.1e-tue.rili), v. a. at n. verwijfd maken (warden). — tenets a. uitroepend; plotseling. Eject (e-dzjekt') v. a. ttitwerpen, ultstooten, (-net.), •st verwfjfdheid. (from. out of). —ion (•cizjersjuu), a. uitwerping, Effervesce (et-fur-veal, v. n. glaten; opbrul-

Is Coinbase een geld zakelijke dienstverlening


AAN. 376 to look (to glance) at; to show one's teeth; on. Anndijken,ov. W. Zie Anudanninen. Anndikken, ov. & on. w. to thieken. w. to dawn, to appear. Aandinarben,ov. w. to serve (to bring) np, Annbilinken,ov. w. to shine at. Aandoen, or. w. to put on; to touch at; to put Aniabod.o.offer, tender, proposal. into (eene haven); to cause, to give; to affect, to Aneaboeken, ov ev. to book. move, to touch; to attack, to snail. den oorlog Annbooten, ov. w. to feed, to stir up. —, to make war upon, to declare war against. een Anoboffen, or. w. to fling (to bump) against; on. prime. —, to enter an action against. —ing, v. w. to fall against. emotion, feeling, sensation. —10h, by. & bw. afAtenbouzers, on. w. to bounce (to bump) at, — fecting (-17), moving (-4). touching (-1y), pathetic against. —lijkheid, v. moaingness, patheticalness. Aanboorden, on. w. to fall aboard of a ship. Aaendrasgceter,v. Zie Aandrager. Anoboettn, ov. & on. w. to bore (on), to broach. Aanbotr eat, on. w. to dash (to knock, tostrike) Anndrnalen, or. 77, to turn to, — closer; to stretch; to fasten upon; on. w. komen to come against. —ing, v. paehing, chock (to approach) turning. Aanbouve, m. raising; construction, building; cultivation. —en, ov. w. to raise; to construct, to /Vanden* en, ov. w. to bring, to carry nearer; to inform of. to make known. —er, m, bringer; inbuild (bij, to); to augment, to enlarge (by buildformer, tell tale, tale-bearer. ing); to cultivate. —er, m. raiser; builder; culAundrang, m. crowd, thronging; pressure, nrtivator. —ing, v. Zie Aanbou w. geney ,rstress. Annbrand en, on. w. to burn, to scorch. ---toy, Aandraven, on. w. to trot, to run fast, — apace, v. burning, scorching_ —eel, o burned part. Aanbrass en, or. W. to brace, to brace in. —ing, to w elk nimbly. Aandeenteleo, on. w. komen —, to come (to v. bracing. Aanbrellen, or. w. to knit to, to new-foot; on. w. approach) sauntering. Aandribbelen, on. w. komen —, to come (to apto knit on. Aanbrek en, o. dawn, day-break; met het — van proach) tripningly. den dap, at daybreak, about sunrise. —en, ov. w. Aandrift, v. impulse; instinct. to begin, to break, to open, to touch. —lag, v. Zie AandrUfater, v. Zie Aandrijver. AandeUv en, or. w. to key up; to press (to push) Aanbrekec, o. an; to impel, to stimulate, to urge, to incite; on. Annbeeng en, or. w. to bring (nearer, on); to w. komen —, to float hither, to be cast onshore. impeach, to inform against, to denounce, to de—er, m. driver, pusher; stimulator. instigator, pose; to produce, to yield. —er, m. —ater, v. abettor. inciter. —ing, v, driving (puebing) on; inbringer; informer, denouncer; tell-tale,tale-bearatigation, incitement. er. —rug, y. bringing nearer; information, denunAandring en, or. w. to push (to press) on. — dal°n. against; to urge, to incite; on. w. to insist (op, Aanbelesehen, or. w. to neigh at; to roar (at). upon). —er, vu. —ater, v. urger, imitater. Antabeovannen, ov. w. to grumble (to grow) at. Aleindr arisen, on. w. to be contrary (to), to clash Aanbruien, ov. & on. an. Zie Artaborten. (with). Aanbruiv en, on. w. to roar, to foam, to rush on; Aandeukk en, ov. w to print to; to press(against. to use one roughly. —kg, v. tegen iemand —, to); on. w. to print on --lag, v. printing to; foaming, rushing. pressing against. Annbrull en, or. w. to roar at. —iny,v . roaring /Cantonal* en, or. w. to bend nearer. —ing, v. Alandssid en, ov. w. to indicate, to denote, to signify, to show, to point to. --mg, v. indication, bending. signification, denotement. Annbuitallen, on. w. to tumble near, to approach Aaadoeven,ov.w. to dare attack. tumbling. Aandoween, ov. w. to push on, — forward; to Annbulderwn, 'iv. w. to roar at. push (against). Aatabulken, or, w. to bellow (to law) at. Aandaeht, v. attention; devotion. —ig, by. & bw. Annelinwellen., ov. w. Zie Dw attentive (-Ty), intent (-Iy); devout -1y), pious Anneen, bw. together; successively. —binden, ov . w. to bind (to tie) together. —binding, v. binding (-1y). —igheict, v. attentiveness. (tying) together, junction. —breien,ov. w. to knit Anodanin3en, ov, w, to dam up. to dike. together. —brengen, or. w. to bring together, to Aantinnsen,on.w. !omen—, to approach dancing. Join. —flames, ov w. to botch (to patch) toAandeet, o. portion, part, contingent, shore. — hebben, to share in, to have a hand in. — nemen, gether. —geachakeld, bv. linked together, concateto take a share, to partieie ate; to take an interest nated, compact, concise. —gesloten, by . close, closely united. —groeiert, on. w. to grow together. (in). —howler, —houdster, shareholder. —groeiing,v.gvowing together,symphysis.—hakes, Anndenken„ o. remembrance, memory; keepsake. ov. w. to hook together. —hangen, on. w. to hang tot — van, in commemoration of. together, to cohere. —hechten, or. w. to fasten Aendlcht en, ov. w. to impute, to charge with. together, to attach. to join, to unite, to connect. —ing 7 • imputation. —hechting, v. joining, connecting. —ketenen, ov. Aandienen or. w. to tall, to announce, to give notice of; to* give In a. o. 'a name to usher in. zich w. to chain (to link) together. —keening, v. linking together. —klampen, or. w. to clamp together. fates —, to send in one's name. —kleven, on. w. to stick together. —klinken, or. Aandlepen, ov. w. to deepen,to make deeper; on. w. to rivet together. —knoopett, or. w. to knot w. to eound (to try) the depth.

Welke cryptogeld is het beste om de mijne


a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

Heeft ethereum een ​​limiet


Man en, or w. to dun. -er, m. dunner. Mennosoliftin, m. moon-shine, moon-light. Mangel, m. mangle, rolliog-press, calender. o. want, lock, absence. - bard, mangling - board. -good. mangle - clothes. -hale, mangliee-house. -homer, mangling-room. -rot, -stok, manglingroll. -190.0, mangler. -ear, m. -.twitter, v. mangler, caleeiderer; barterer. -en, or. w• to mangle, to amender , on. w. to be wanting; to barter. -icy., v. msngling ; bartering. Manlier, v. manner, way, fashion. -.1b1c„ bv. mannerly, polite. -ltikheid, v. mannerliness, good manners. Manifest, o menifeeto, manifest. !tinning, v. dunning. Monk, by. halt, crippled, lame. - gaan, to halt, t3 limp, to claudieate. -held, v. halting, cripple... lameness. SanniUk, hr. male, manculine. viral, maul) , --, bw. manly, manlike. -held, v. matioulinenese, virility, manhood, manliness. Monate. o. manne. Mgennekm. o. little man, boy, mannikin. Miennelkik, by. & by. -held, v. Zi•e -held. Messes, on. w. to take a husband, to matey. Mannetin, o little man, boy; male - en wWje, waken, to copy mimale and female. - voor nutely, -stroke by atroke. -skonijn,buck-cabbit. --amvsch., cock-marrow, - scoot, large nutmeg. 1111nnsilli, v. woman virago. he is not to 111 sum, kW. able. AU is toll wet
11)I.-1MB. Idiot (id'i-ut), a. onwijze, stomp,innige, —ic, —icat 1-ot'ik-1, a. onwijs„ stompzinnig, —ism, s. taaleigen; storapzinnigbeid. kilo ardl), a. Idly, ad. lui; ledig; werkeloos; nutteloos; beuzelachtig. —headed, —pated,dwaas, (tom. —, v. a. verluieren, verbeuzelen (away); v. n. luieren, lanterfanten. —nes-s, a. ledigheld; werkeloosheid, nuttel oosheid ;Ibeu zelachtigheld. —r, a. luiaard, ledigganger. Idol (aj'dul), a. afgod. —ater (-dol'e-thr),s. egodendienaar. —Wrest, (-dol'e-tress(, a. afgodendienares. —atrize (-dol'e-trajz), v. n. afgoderij pie gen. —atrous (-dol'e-trus), R. afgodisch. —airy (-dol'e-trih), a. afgoderij. —ist, a. afgodendienaar. (•ajz), v. a. afgodisch vereeren. —izer (-ajzur), a. afgodisch vereerder. Idy I (ardill, a. herdersdicht, idylle. If (if), conj. indien, zoo, in geval; al. as —, also!. — not, zoo niet. Ign eous vurig; vuur nitwerpend. —ipotent (-nip'o-tent(, a. het vunr beheerschend. ---lie, v. a. in brand steken; v. n. vuur vatten, gloeiend worden. --itible (nartib1), a. ontbrand boar. —ition (-nisrun), s, aansteking: gloeiing. —iromous (-niv'o-mue), a. vuurspuwend. Ignobl ae (ig-no'b1), R. —a, ad. onedel; tang, gemean. —eneae, s. onedelheid, gemeenheid. Ignomin ions (ig-no-min'jus), R. —ioualy, Tad. schandelijk, onteerend. —y (ig'no-min-nih), s. sehande, oneer. Ignoramus (ig-no ree'mus), s, weetniet. Ignor since (ig'no•rens), s. onkunde, onwetendheld. —ant, a. —aptly, ad. onkundig, onwetend. —ant, s. weetniet. --e (-floor"), v. a. niet wetea, onvoldoende vinden. Ile (ajl), a. koorgang, gaauderij; ear. Ilex (arliks), s. eteeneik. Iliac (il'i-ek), a. van den kronkeldarm. passion, darmjicht, -koliek. Ilk (ilk), a. & s. elk, dezelfde. Iii (ilP), a, kwaad, slechtheid, ramp. —, a. & ad. !maul, alecht; cmgesteld, zielt, —affected, kwalijk genegen. —blood, kwaad bloed, vijandschap. —boding, onheilspellend. —bred, alecht opgevoed, ongemanierd. —concerted, —contrived, alecht outworpen. —conditioned, in slechten toestand.--lated, ongelukkig. —favored, leelijk, mismaakt. —favoredness, leelijkheid. —gotten, onrechtvaardig verongeluk. --minded. kwalijk gezind. kregen. —nature, boosaardigheid. —natured, boosaardig. —pleased, misnoegd. —principled, met slechte grondbeginaelen. —spoken of, in eon kwaad gerucht. —starred. ongelukkig. —timed,ongelegen, te onpas. kwaadwilligheid. Illstcertsble (11-les'ar-ibl), a. onverscheurbaar. Illapse (ii-lops'), a. invloeiing, afatrooming; overval. Magnets te (il-lee'kwl-eet), v. R. veratrikken. —tion (-ee'ajun), a. verstrikking. Illat lots (11-lee'sjun), a. gevolgtrekking. —ice (il'le•tiv), a. & a. gevolgtrekking aandutidend. (wooed) .—icely (irle-tiv-), ad. bij gevolgtrekking. Illauda ble (il-laod'ibll, a. —bly, ad. onloffelijk. Illegal R. —/y, ad. onwettig, waderrechtelijk. —ity (-1e-gel'it tihl, --ness, a, onwet• tigheid. ---ire (-ajz), v. a. onwettig m Oen.

The pronunciation of th, English words is inserted in crotchets and designated by the 'tweet Dutch sounds. The following remarks, however, may not be altogether superfluous; ' denotes the accented syllable (primary assent), and applies also to the compounds, unless the contrary is pointed out. Care should be taken not to confound the flat or soft sound (1), with the hard or sharp sound of (P). (t), (f), (I), a fault very cosmos of (b), (d), with Dutchmen. It cannot be too strongly recommended to avoid it. (e) at the end of a syllable is to be pronounced as in tke article de. (OK) sounds like French p in grand. (th) denotes the hard, sharp or aspirate sound and (th) the list, soft or vocal sound of the English digraph th. (w ► sounds like Dutch sew. Postftxes. able age

Kun je dubbele besteden Bitcoins


er. —hor s canon, prebendary. cathedral-chant —heersehap, canon ship; prebend. —he, chapterhouse. —kapittel, cathedral chapter. —kerb, cathedral. —proost, provost ofa cathedral. —stieht, diocese. —toren, steeple of a cathedral. Dome's', o. domain, demesne. —der kroon s crownpublic property. land. publiek (non held, v. stupidity, bluntness, dullness. Donsiois, m. Zie Prodikent. Donainikenso, dominican, black-frier. Domino, m. & o. domino. — spelen, to play at dominoes. —spat, —Steen, domino. Domnsekraeht, v. jack. Dommel, in. doze. —en, or. w. to mingle, to mix; on. w. to Member, to doze; to bum, to mumble. —ing, v. dozing; buzzing. Zie Domm erik, m. Zie Domoor. Domheld. Dompel mar, in. piungeon; plunger. —en, or. w. to dip, to duck, to immerse,:to plunge. —doop, baptism by immersion. —kg, v. Immersion, plunging. Domp en. or. w. to extinguish, to put out; to lower, to dip (van geechat). —borers, sie 'Dom per. —news, stumpy nose. —er,m.extioguisher.—ridder, protagonist of ignorance. —ig, by. damp, close. —igheid, v. dampness, closeness. Donder,m. thunder. —baard,hewse-lesk. —beitel, —kloot,—steen,thuuder-bult.—trui,thuuder. storm. —bass, blunderbuss. —god, thunderer, Jupiter. thunder-clap, —goad, aurem talmlnane. peal of thunder. —walk, theinder•elond. —silver, argenturn fulminans. —car, at. thundsrar. Donderting, rn. Thursday. witte —, MaundyThursday. Donderen, on. & onp. w. to thunder. —d, by. thundering, fulesinatory, slashing. Donker, by. & bw. dark (-1y), obscure (-Iy1, tacomY 1.11y); stern ( ly), frowning (.1y); deep, o. dark, night. tussehen lick) es—, in the dusk of the evenIng,between hawk and buzzard.—bieste, dark- (deep-) blue. —bruin, dark-brown. —peel, deep-yellow.—;roes, dark-green. —rood.dark-red, —uehtig, by. darkish. —held, v. darkness, obscurity. Done, o. down. —aehtig, by. downy. Do lamella, by. downy. Dood, in. 'death. ern kind deg —e, a dead man. met den — *careens, to be at the point of death. op den — sitters, to be imprisoned for some capital crime. ter — veroordeelen, to sentence to death. ter — breves, to put to death. het semi* —, it is death to me. —, by. dead, deceased. — kepi taai,dead stock.—aanhotecliging,—aenseggien, —uericht„ obituary, notice, announcement of a death. —act. carrion. —af, quite exhausted. —akte, certificate of death. —arm, utterly poor. —bear, bier. —bed, death , bed. --bidder, sae &sen. —bieek, deadly pale. —bloeden,to bleed to death; to sink into oblivion. —bock, obituary; oblivion. —bratuien., to cauterise, —brief, obiteal letter, — notice. —bus, urn. —end, list of persons
Mallo4e, v. metilot. -calf, mehlot-selva. Malach c by, k bw. tender (-Iv, soft (•1y), mellow, mild or taste; sweat (-1y). fluent (-1y). -held, v. tenderkess, mea owcese; sweetness. ltilailatave, Mal no, v. mallow. Matinee U, v. maim' ey. Malin, v. nipple, pap, teat, dug. Mama, v. marinas, mammy, ream. Mecestoring, v. pump- hoae, eenpper-hose. Man, m e man; husband, male. - roar -, one by one. op den - af, stratubtfc:, ward. z.(yn vsnden, to meet with one's match. de gemee, man, tie lower orders, - • Cleo. ann den - brengen, to be trifled with. dl.pooe of. -gat, man hole. -haftig, population; solliv. & bw. manly, manful (-41, courageous ( - y; Wiltaissetrap, v. homage; male diers ; crew. -pen, v W.V. men. brave ( - 1y), valiant ( - 1y) - haftigheid, - ,noedig• of a /lea, manliness, manfulness, conr.ge„ beaveq Mantel, m. cloak, mantle, gown ; town. lemon(' den - witvegen, to take a. o. np valor. -slag, man-slaughter. -viik, men - roW, roundly, to rattle a. O. -jos s cloak. -board, berepaphrodite; virago. -ziek,love Kick., amorous. -ptjpje, lent cape of a cloak. -kraag, gallon. mtn - bate. - nennuti, hospital (a,ylunn pipe. -rerhuurder, letter of mourning-elosks. for men. -nenklooeter, monastery for monks. - zak, portmanteau. - en. or. w. to cloak, to - nee/cour, chorus of men. - nennioed, manly courcover. -int', v. ciuick-set bridge. age. -nenctand. manhood. - nentaal, language of a reap. -sbe.;14, image of a man ; mar nikin. ltiesnutract urea, v. nor. linen-draper '15 wares,
(tungd), a. met cane..., tong. -less, a. zonder tong, sprakeloos. Tonic (ton'lk), --at, a. spannend, versterkend, toongevend; van is tonen. s. veraterkend middel; grondtoon. Tonnage (tun'nidzj)., tonnemaat, -last; -geld. Tonsil (f011'811).c keelklier, -amandel. Tons Ile (ton'sil), a. echeerbaar. -or, s. scheerder. -are (-sjoer), s. sobering; toneuur. Tontine (ton-tier'), a. tontine, aangroeiende ltifeente. Tony (to'nih), s,1 urnmel, stoffel. Too (toe), ad. ook, insgelijks; to, site. Tool (4051). s. gereedachap, werktulg. Toc (lost'), a. getoet; geraas. -, v. Et. & n. toe• ten, blaze,. .-er, a. to, ter, blazer. Tooth (loath'), a. land; weak. -and nail, met band en tend. -rche, tandpijn. -brush, landborate. -drawer, k(ezentrekker. -letted, getaud. -pick, -pi,ker, tandenstoker. -powder, tandpoeder. -Rocket, randkaa. -wort, randworrel. -, v. a. van tanden voorzien; utttanden; loan Invatten. -ed, a, getan.1; schecp. -less, A. tandeloos. -some, a. timakelijk. -tomenaas, s. smakelAjkheid. Top (top') a. top; tipjo; bruin; spite; nok; kap; opporvlakte; bovenste, voornaamete; toppunt; oppervlakte; bovenste, voornaamate; toppunt; drijftol; morn. hamming-, bromtol. -armor, marskieed. -block, fttengewindreeps Wok. -boots, pl. koplaarzen. inarsraod. -cap, stengeezelehisofd. -chains, p1. mareputtinga. -cloth, -ful, boordevot. -gallant, vcornaamst, zonder mededinger; -naast„ branasteng; -royal-mast, bovenbramsteug; -sail, bramsel. -hamper, bovenlast. -heavy, topzvraar. -hoop, maraband. -knot, lintstrik lop Pen ks peel). -lantern,-light, marslantaren. -lining, atootlap op een marsmelt. -man, bovenmen (hlj hot zagen); maregast. -mast, steng. -netting, vinkeuetten in de mare. -plates, pl. beslag der maroon. -proud, veer trotsch. -rail, maroleuning. -rim, marsrand. -rope,stengewindreep.-aatt,marszeil,-bowaprit, hJselabitile; -lard, marszeitsro. -soil, bovenste vend. •-aquare, soldatengat. -stay, knikstag. -tackle, gi,jn van den stengewindreep. -timbers, pl. verkeerde °plangent, hangers, spsustutten. Too (top'), v. a. topper, aftoppen, knotten; snotten; overdekken ; van eeue kap voorzte,n; beklirarnen; overtreffen; v. n. Vets verheffen, uitmutat.; beseeches; (upon) overtreffen. Topaz. (to'pez), a. lapses. Tope (loop') v. n. pimpelen, z'iipon. -r, a, pimnelaar, dl ► nkebroer. Toph (to:), a. tufsteen. --aceoue (to-fee'sjus), a. tufsteenaehtlg. -et (ta't1t), a. hal. Towle (top'ilc), s. arderwer. p; genteenplaats; wendig middel. -, -al, a. -ally, ad. plaatee. ltjk, uitwendig. Top lea:, (top'less), a. zondar. top, -most, a, bovenet, hnogst. Topograph er (to-pog're-fur), s plaatsbesehrijver. -ic, -ical, a. -ically, n i. (top-o-grerik-), plaatsbeechrljventi. -y, a. plaatabeselobving. Topping (top'pieng), a. -ly, ad. ultrauntend, overtreffend; her; vO0ruaani.
This active collaboration between AEGEE and the European Commission and especially Domenico Lenarduzzi, Ministry of Public Education, allowed the approval of the Erasmus program in 1987. It became an integral part of the Socrates I (1994-1999) and Socrates programs II (2000-2006). Since 2007 it has become one of the elements of the Lifelong Learning Program (2007-2013).
sjeni.), a. schil, dop; leiaarda. Shalt 'glair) [shuidd NO2d.], V. n. zullen; moe- Shave (sjeevi [shaved, shaven.], v. a, eatteren; achanen; dun enijden; nitmergelen. —grass, ten, behooren. schaafstroo. —ling„ a. geschorene; monntk. —r, Shall000 (ajelloen 1 ), a. soot. (-lot'), P.SP110t.. „ a. scheerder; uitzufger; hedneger. slue!). Shall op (sjel-lup), Shallow (sjel'lnl, s. °neap; oppervlakkig, zip- Shaving (ejee'vteng), a. het seheren. — basin,
Essentially, if you are interested in trading in digital currencies but don't want to get bogged down in the underlying technology, products like Coinbase are a way to begin a foray into a new form of currency speculation and investing. You do, however, lose some of the advantages of trading in a cryptocurrency and through the blockchain. On Coinbase, you have no pseudo anonymity—your name is attached to your Coinbase account and so is your bank account, so transaction history is relatively easy to track down. And if you're not working on the blockchain, there's not much you can do to ensure that the verification of your transaction history or your account is taking place on the blockchain. You are, instead, placing trust in the intermediary, in this case, Coinbase.

Is BTC anoniem

×