The programme built on the 1981–1986 pilot student exchanges, and although it was formally adopted only shortly before the beginning of the academic year 1987-1988, it was still possible for 3,244 students to participate in Erasmus in its first year. In 2006, over 150,000 students, or almost 1% of the European student population, took part. The proportion is higher among university teachers, where Erasmus teacher mobility is 1.9% of the teacher population in Europe, or 20,877 people.[citation needed]

r cryptogeld memes


EXO.•-EXP. den. -te (-eel), v. a. bueten, verzoeuen, *wetter Env...MAE (ekt,Thr-rill), a. verbiddelijk. -nees, s. goed maken. -tion (ee'sjun). a. boeting, ververbiddelijkheid. buiten- zoening. -tory (-e-tur• rill), a. boetedoende, booExorbitan cc (egz-orthi-tens), tend, -aa,rifice, zoenoffer. sporigheid, verregaandhehi. -1, a. -fly. ad . butExpilation, (eks-pi-lee'sjun), a. plundering; vertenaporig, Nerregaand, sehreenwend. waarloazing van den eigendo:n van ininderjartgen. Exorc lee (eks'or-sajz), v. a. bezweren, nitbann en . -jet, a. duivelbanner. a. gees- Expla' action (eks-pi-ree'sjun), a. uttademing; lactate ademtoeht,overlijden;nitwasemtng;affoop, tenbezwering. elude; vervaltijd. -e (-pair'), v. a. uitademen; nitExordit at (egz-or'di-e1). a. inleidend, aanhef , wasemen; v. n. ten etude loopen, vervallen; den inleiding, aanbef. -urn. a. fend. geese geven. Exottive (egz•or'civ), a. opgaand, oostelijk. Explain (eks-pleen"), a. a. verklaren, uttleggen. Exosseoun (eaz-os'st-us), a. beenderloos. -able, a. verklaarbaar. -er, a. verklaarder, toeExostosis leks-os-to's(s), a. beenuitwas. Lxotcr lc (eks.o-ter'ik), a. openbaar. -y liehter. Explanat Ion (eks-ple-nee'sjun), a. verilaring, s. duidelijke (algerneene) zaak. ieks , nitlegging. -ory (-plen'e-tur•rib), a. verklarend, Exotic (C1,7.-ot'ik), a. uitheemsch nitheeraseh ophelderend. gewas. Expao al (cks-pond'), v. a. uitzetten; uitspreiden; Explei lye (ektip(e tin), -ory, a. aanvullend. nithreidem v. n, zwellen; zich opene ► . -se (-pens'), -eve a. nanvallend woord, etopwoorci. m.uitgestrektheid; -ofhearen, nitsp.sel. -aitility Explica bin (eks'plt-kibl), a. vcrklaarbaar. --to (-beet), v. a. ont ,:ouwen, uttleggen, verklaren. s. nitzetbaarheid. -aiole (-pen' -tion (-kee'sjun).,s. entvouwing, uttlegging, vernib)), a. nitcetbaar. -aeon (-pen'sjun), a. uitzetting,nitspreiding; ultgebreidbeid. -sive (•pen's ►v), klaring. -tine (-kee•tiv), -tory (kee-tur-rih), a. verklarend. -tor (kee'tur), a. uttlegger. a. nitzettend; uitspreidend. Expatiate (eks-pee'sji•eet), v. u. rondwandelen; Explicit (.10 - nlieit), a, -ly, ad. dutdelijk, holduidelijkheid,bepnaidheid. der, bepaald. inn. upon) uitweideri over. e (eka-plood'), v. a. uttdrijven,doen nitExpatria te (eks•peetri•eet), v. a. verbannen. Explod baraten; Wide atkenren; uitjouwen; v. n. -lion (-ee'sjun), a. verbanning; ultwijkinK. barateu, ontploffen. Expect' (eks-pekt . ), v. a. verwaaten.§veronder• (eke-plait:), a. bedrijlc heldendt ad. stel3en, meenen. -able, a. to verwachten. --ante, Exploit a. onderzoe--anry, a. verwa, chting, hoop. -ant, a. verwaelt- Explor ation (eks'plur-reesjun), king, navoraching. -ator (eks'pltYr-ree-tur), a. ontend, s. verwachter. -ation (-tee'sjun), a. varderzoeker, navorseher. -atory (-plor'e-tur-rth), wachtiug, -er, a. verwachter. Expeetora nt (aka-pek'tur-rent), a. oplossend, R. onderzoekend, -e (-ploor'), v. a. onderzoeken, navorschen, nasporen. opgevend; slijmoplossend rniddei. -te (-reet), Explo aloe (eks•plo'zjun), a. uitbarating, ontv. a. ophoesten, opgeven; v. n. alijm opgeven. plofting. -sive (-sin) a. ontploffend, uttbarstend. -lion (-ree'sjun), s. aphoesting, opgeving. -tine Exponent (eka-po'nent), a. machtswijzer, expo(-se eiv), u. opgeving, bevorderend. nent. -ial (-nen'ejel), a. exponenten betrefExpedien ce (eks-pi'di-ens), -cy,s.geschiktheid, fend. dienstigheid, doelmatigheid; spoed. -t, a. -tly, Export (ekepoort), a. uitvoer; uttvoer-artikel. ad. geschikt, passend, dienstig; raadzaam. -t, Export (eks-poort'), v. a. uitvoeren. -able. a. a. nitwewttulpmiddel. dat uitgevoerd kau worden. -ation (-par-tee' Exped It e(eks'pe-dajt), a. -ely, ad. anti, vaardig, sjun), s. uitvoer. a. uitvoerder. vlug, g.makkelijk. -c, v. a. bespoedigen; bevor (term afienden. -ion (-disrun), s. snelheid, Expos a (eks-pooz 1 ), v. a. blootleggen; blootmpoed; afzending; zending,tucht.-iona,a. -loudly, etellen; to koon zetten (for sale); can de kaak Ptellen. -ition (-ztayurt), a. blootlegging; verad. ,,,tisj'us-), *lug, vaardig, suel. Expel (eks-pen,v. a. uitdrijven, vitwerpen. -ler, klariug; tentoonstelling. -itive, -itory, a. blootleggend, verklarend. -itor(pnz't. ), a. verdrijv tr. s. ver. klaarder, uitlegger, Expend eks-pend'), v. a. uitgeven, beateden; verExpostulft te (ekes-post'joe-het), v. n. vertu°. k*visten. (-di-tjoer), s. uitgaaf; kosten. gen doen (upon); zich vrijmoedig beklagen (for --es, Expeos e leks•pens'), s3, nitgaaf, with). -lion (-lee'sjun), a. vertoog, erriattge beonkostcn. -ire, a. kostbaar, &Inv; verkwistend. apreking beklag. -tor, a. redetwister, klager. -inept, ad. verkwistend. -ivenees, s. kostbaar-tory (-1e-tar-), a. eerie klacht...(een vertoog) be• held; helzend. Experience (eks-pi'ri-ens). a. ervaring, ondervinding; proet. -, v. a. ondervinden; beproeven. Exposure (eks-po'zjoer), r,. blootstelling; ten(-cur), s. pruefnemer. toonstelling, blootgesteldbeld. ervaren, bedreven. d, a. Experiment (eks•per'i-ment), s. prod, proefne- Expound (eIN-paarnd'). v. a. outvouwen, ver- er, a. utelegger, verklaarder. klaren. ming. -, v. a. beproeven, onderzoehen; onder- (elia-pres'), a. -Rj., ad. joist gelijkend; vinden; v. n. proeven nemen. --al. a. -ally, ad, Express ultdrukkelijk, bepaald; dutdeltik. -, a. tjthode; (-men'tel-),proefondervindelijk.-alist (-men'tel-), v, a. nitdrukken. -11.1e, a. uitboodschap. --er, s. proefnemer. -ion (preaj'un), a. uitdrukking. -inc. Expert (eks-port'), a. -iy, ad. ervaren,bedreven., drukleaar. a. -ively, ad. ultdrukkeltjk. -iventss, a. nadruk, a. bedrevenheid. A. pelmet kunneude wor- , klem. • Vxpitt hie (eits'pi
Corlft‘w (kur'fjoe), 9. vuurselt,m; aven n Nlok Curvet (kur'vit, kur-vet 1 ), a. courbette, korte (your he, nitdooven van liCht n vuur). sprung (van een paard), poets, klucht. v. n. CuriaIlt7. hofrecht. courbetteeren, springen; losbandig zijn. Curing-I , use (kjoe'rieng-), s. raftineerderij. Curvilinear (Itur-vi-ling-er), a. kromlijnig. Cu riosi t „ (kjoe-rt-os'it-tib), s. nieuwsgierigheid; Curvity s. gekromdheid;gebogenheicl. zorgvuldr held, netheid; merkwaardigheid. Cushion (kusrun), s. kussen. —ed, a. van kusCurious (kjoe'ri-us), a. —1y, ad. nieuwsgierig; sees voorzien; op een kussen gezeten. zorgvuldig, net; merkwaqrdig; streng; § uitste- Cusp (kusp'), s. punt; hoorn (van de mean). —idol kend. —ness, s. nieuwsgierlIgheid; keurigheid ; (-pt-del), —idated (-pi-dent-id), a. puntlg, gespitst, netheld. Custard (kus'turd), s. vlade. Curl (kurl'), s. krul, kronkeling, golving. —, v. a. Custo dial (kus-to'di-e1), a. toezicht of voogdij oprollen, winden, in de brut zetten; v. n. krul- betreffend —dy (kus'to-dih), s. opzicht; bewalen, kronkelen. —iness, s. krulligheid. —ing, s. ring; hechtenis. krulling. —ing-iron , krulijzer. —ing-papers , Custom (kus'tum), s. gebruik, gewoonte; nering; papillotten. —y, a. krullend, kroes. tol (inkomend en uitgaand recht). —free, tolvrij; Curlew (kueljoe), s. wulp: kemphaan. vrij van rechten. —house, tolkantoor; kantoor Curmudgeon (kur_mud'dijun), s. vrek. voor in- en utigaande rechten. —house-officer, tele. vrekkig, inhaiig. beambte. —abte, a. gebruikelijk; b laotbe Currant (kur'rent), s. krent; aalbes. —ably, ad. gewoonlijk. —arily (-e-r11-11h), Currency (kur'ren-sit), s. geldsomloop; koers; gewoonlijk. —arineas s. gebruikepapieren geld; gangbaarheid; welbespraaktheid. —ary (-e-rih), a. gewoonlijk; gebruikeCurrent (kur'rent), s. strJors; loop. —, a. —ly, lkjk. —ary laws, handvesten, keuren. —ary, s. ad. loopend; algemeen, in zwang; gangbaar, handvestenboek, keurenboek. —er, s. klant. geldig. —nest?, R. omloop; geng'beerheid, welbe- Custos (kus'tos), e. bewaarder; zegelbewaardee; spraaktheid. archivartus. Currlele (kuerikl), s. loop; cabriolet. Custrel (kus'tril), s. schild-drager; trosboef. Currier (fluent-or), we looter. (kut') s. suede, houw, kerf, steek; slag; afCurrish (kuerisjI, a. — ly, ad. knorrig, norsch. Cut snijdsel; strookje papier; overloop (op spoorwes. norsehheid, hondschheid. gen); gegraveerde pleat; fatsoen, anode; afneCurry (knerth), v. a. looten; roskammen; af- ming der kaarten; r11112; MIL 5 verwijt, berisrossen; vicien. § — favor. flikflooien; zich in ping. — and long tail, van allerlei slag, elleiemands gunst dringen. —comb, roskam. gaartje. § to draw —s, loten. —beard, scheermes. Curse (lcurs'), s. vloek, verwensching; plaag. —, —purse, zakkenroller. —throat, s. moordenaar; v. a. vervloeken; v. n. vloeken. —d, a. —dly, ad. a. bloeddorstig, moorddadig. —water, setteg. verwenscht, verdoemd. —dness, R. verwenscht, —work, verdoemd. —dness, s. verwenschtlweid, vervloekt- dronken. doorbroken werk. —, a. aangescholen, held. —r, s. vloeker; verwenscher. Cut (kut) [cut], v. a. snijden, houwen; afnemen Curs !tor (kur'si-tur), s. kanselarij-schrbver. (kaarten); strijken (een zeil), mijden. — capers. a, loopend, vloeiend. bokkesprongen maken; § zich belache'ijk aanCursor ily (kur'sur-ii-iih), ad. ter loops. —inesz, stellen. § — a dash, — a swathe, groot front s. vluchtigheid. —y„ a. vluchtig; oppervlakkig.f slaan. — a figure, eene (goede of slechte) figuur Curst (kurst',., a. kribbig, boosaardwe; verfoeie- maken. -- lots, lutes. — teeth, tanden krijgen. 113k, —ness, g. bitsheid; boosaardigheid; afschu- — short, in de cede vallen; bekorten. — small, welijkheid. klein snijden. (down) omhouwen, vallen; overCurt (kurt), a. kort; afgekapt. treffen. (off) afsnijden; uitroeien; wegwerpen; Curtail (kurleel), a. besnoeid, gekort. —dog, ultsluiten; tot zwijgen brengen; afschepen. (out) kortstaart (hoed). —horse, kortstaart (pound). uitsnijden, uitknippen; kitten; uitdenken; (kur-teel'), v. R. besnoefen, korten, afsnijden. sluiten; overtreffen. (out of) verdringen uit; be- er (-teel'ur), s. afsnijder, besnoeier. rooven van. (up) voorsnljden; versnijden; verCurtain (kur'tin), s. gordijn; middenwal; scherm. ntetigen; ondermijnen; streng laken, krenken; —lecture, bedsermoen. — rod, gortlijnroede. to draw aanleggen (wegen). — to the heart, diep krenken the —, bet gordijn op- (ook: dtcht-) trekken; vie (with), to be — up, door verdriet verteerd wonzaak bloot leggen. to drop the —, het gordijn den. —, v. n. snijden; strulkelen; steigeren; laten vallen; de zonk verbergen. —, v. a. met doorkomen (tanden); § wegloopen. gordijnen behangen. Cutaneous (kjoe-tee'ni-us), a. vellig, de huid Curial (burial), R. bekort; afgesneden. s, betreffend. distempers, huidziekten. kortst,,art, holsteart. Culls It (kjoe'tikl), s. opperhuid; sites. —ular Curtation (kur-tee'sjun), s. verkorting; vermin- (-twit'joe-ler). a. tot de huld hehoorend. daring. Cut lass (kut'less), a. hertsvanger. —ler, 5. InesCurtliage s. voorplein; erf. senmaker. —lery, s. messenmakerij. Curtsy (kuresih), s. bulging. to drop a —, bulges. Cutlet (kutnit), s. karbonade, cOtelet. Curva ted (kur've-tict), R. gebogen; krom. —tion Cut ter (kut'tnr), s. snijder; vechtersbaas; zak(-vee'sjun),s. ombuiging, kromming. —ture(tjoer), kenroller; snijtand; kotter. —tiny (-tieng), a. bulging, kromming. dend; bijtend; s. afsnijdsel; afzetsel; loot; overCurve (kilrv), R. gebogen, krom. s, krorn- loop (op spoorwegen). ming; kromme fijn, —, v. R. ombuigen, krommen, Cuttle (kut't1), s. vnilbek, —fish, inktvieeh.
a. (het) luchten. —less, a. bedompt. —ling, s. —ion (-neesjun), s. afstamming in de inanne- windbuil. —pump, luchtpomp. —threads, herfstlijke lijn. Agnorn en (eg-no'men), a. bijnaam. —inate draden. —tight, luchtdicht. —y, a. luchtig; (-nom'i-need, v. a. sere bijnaam geven. —ination dartel. Aisle (0), a. vleugel, koorgang. (nom-i-nee'sjun), a. bijnaam, zinspeling. Agnua-eastus (eg'nus-kes'tus), a. kuischboom, Alt (set ), a. eilandje. Ajar (e-dzjaar',, ad. op een' kier. Ago le-go'), ad. geleden. Agog (e-gog',., a. vurig begeerend. to set —, be- Ajutage (ed'zjoe•tidzj), a. verlengpijp. Akimbo (e-kim'bo), ad. gekromd. with arms —, lust waken ( for. onl• met de handen in de zijde. Agoing (e-go'ieng), ad. in gong. Agonis to (et'o nizm), a. prijsgevecht. —t, s. Akin (e-kin'), a. vermaagschapt., verwant. Alabaster (cal-e-baatetur), a. albast. —, a. van prijsvechter. Agon ice (eg'o-najz), v. n. zieltogen; doodsangst albast. uitstaan. v. a. folteren. —y (-nih), s. dood- Atari( (e lek'), int. helaas ! ach I —a-day, int. o wee I o jerum! strijd; zieleangst. Alacrity (e-lek , rit-tih, s. opgeruimdheid, vrooAgouti (e goed'), ad. in ernst. lijkheid. Agrarian le-gree'ri-en), R. —law, akkerwet. Alamode (el-e-mood"), ad. naar de mode. —. s. Agree (e-grie'), v. a. vereffenen; verzoenen. v. n. overeenstemmen (with), (on. upon) eena zijn sonrt van tar. over. (with) lijken, peas.. (to) toestemmen in. Aland (e-lend'), ad. aan land. —able, a. —ably, ad, aangenaam; overeenkom- Alarna ( e-laarm'), a. rumoer; noodkreet; wapenatig (to. with.) —ableness, s. aangenaamheid; over- kreet; achrik ; wekker. —, v. a. to wapen roepen; eenkomstigheid. —d, a. overeengekomen; int. verontrusten. —ed. a. (at) ongerust over. —ing, top! afgesproken! dot blijft zoo! —sent, 8. over- a. verontrustend. —bell, alarmklok. —post, loopeenstemming; overeenkomst; schikking, verge- pleats. lijk. Alas ( e lame), int. helaas! Agrestic (e-gres'tik), —al, a.landelijk, boersch. Alb (elb), a. koorkleed. —atrosa (erbe-tros), s. Agricult or (eeri-kul-tur), s. landbouwer, —ural stormvogel. (-kuPtjoe-rel), a. den landbouw I etreffend. —era § Albany-beef (erbe-nih-bief), a. steer. (-kul-tjoer), a. landbouw; iandbouwkunde. —urist Albeit (aol-bi'it), ad. alhoewel. Albeocent (el-bes'sent), a. wit wordend. (-kurtjoe-rist), s. landbouwkundige. Albino (el-barno), a. witte neger. Agrimony (eg'ri-mun-nih), a. leverkruid. Albugo (el-bjoe'go), s. witte steer. Agronomy (e-gron'o-mih), a. akkerbouw. Agronnd e-granund'), ad. Ran den grond, ge- Alchem ical (el-kem'ikl) a. alchymistisch. —ist strand. to run —, non den grond rakes. to run a (erki-mist), 8. goudmaker. —y (ellki-mih), a. ship —, in den grond zeilen; op het droge zet- goudmakenj. Alcohol (el-ko-hol), a. alkohol. ten. to be —, in de them zijn; bedorven zijn. heete koorts. Aicoran (el'ko-ren), 8, (de) Koran. Ague (ee'gjoe), 8. koorts. burring Alcove (el-koov'), a. alkove. —jit, aanval van koorts. Aguise (e.ghajs'), a. bleeding. Alder (aol'dur), a. els. —man, a. schepen. —n, a. van elzenhout. Aguish' (ee'gjoe-isj , , a. koortsig. —new, a. koorts- achttgheid. Ale (eel), a. ,engelsch bier. —berry, biersoep. —conner, —taster, bierkeurder. —hoof, aardvell, 4 Agy (eg'ih), a. koude koorts. —house, bierhuis. —stake, uithangbord. —wife, Ah (aa), int. ach I ha I —me, orb he ) tapster; § elft. Ahead (e-hed"), ad. vooraan, hale over kop. Alee (e-lie'i, ad. aan lij. Ahold (e-hoold'), ad. dicht bij den wind. Ahoy (e-hof), int. heiho I all hands —, alle man Alembic (e-lem'bik), s. distilleerkolf. Alength (e-length), ad. overhangs. op dek. Alert #e-lurt'), a. wakker, slug. —new, a. wairAbull (e hul'), ad. soar top en take). Aid (eed), v. R. helpen, ondersteunen. a. hulp, kerheid, vlugheid. bijstand; onderstand; helper. —de-camp, adju- Alexandrine (el.egv.-aan'drin), a. twaalfletterdant. —er, a. helper. —less, a. hulpeloos. —s, a grepig vers. in- en uitgaande rechten en accijnsen. court of Algebra terdzji-bre), s, stelkunst. Algebra Ic (el-dzji-bree'ik), —ical (-11c1), a. stelaids, accij nsk.ntoor. Alguemarine (ee'gjoe-me-rien), a. berilsteen. kunstig. —ist, a. atelkundige. all (eel,, v. R. deren, pijn veroorzaken; v. n. pijn Aig or (e!'gor), a. hevige koude. —ous, a. vol hebben; onpasselijk zijn —ing,a.ziekelijk,—meat, zeewier. s. onpasselijkheid; smart. Alias (ee'li-eat, ad. anders gezegd. Aim (eem), 8. doelwit; oogmcrk. —, v, a, rich:ten; Alibi (el'i-baj), a. tegenwoordtgheid elders. Allen (eel-j en), a. vreemd,—.s. vreemdeling.—office, v. n. (at) mikken, doelen op. Air leer), a. lucht, hunting; lied. to take the —, paapoortenbureau. —able, a. vervreemdbaar, een luchtje acheppen. to take airs, zich aanzien —ate (-eet), v. a. (from) vervreemden. -ate (-et), geven. —, v. a. luchten. —balloon, luehtbol. a. (from) vervreemd van. § —age, a. vreemdheid, —built-castles, luchtkasteelen. —current, lucht- vreemdelingschap. —anon (-ee'sjun), a. vervreemstreom, —gun, windroer. —hole, luchtgat. —i/y, ding; — of mind, verstandeverbkistering. a, luehtig, vroolijk. —iness, a, luchtigheid. —ing, Allform (eri-form), a. vleugelvormtg.
biliut; clog, shackles, fetters; pulley; suit (Wien); block-hesd. -bead, statue. -Au lt, biotichouse, prison. -Overiy , plodding. -lood, piglead. -noes, flat seam. -sehijf, pulley. -tin, block-tin. -wages, truck. -silver, silver in bars, - in wedges. -bennsaker, bloakmaker. Blokk ado, v. blockade. -wen, ov. w. to blockade, to block-up. -tering, v. blockade. -en, on. w. to plod, to toil. -er, m. plodder, toiler. Bland, by flaxen, light, fair. - en Haute class, to letter in black and blue. -harig,light-haired, with flaxen hair. -e, m. & v. fair man, fair woman. -e, v. blond, blond-lace. -je, o. fair
lijkheid. —e, v. a. beapotteitjk oaken. —out, a. —9'444, ad. (ri-dlit'joe-lus.), belachelijk. —ousnese a. belaehelükheid. Riding (raj'dieag), a. het rijden; kit, rijtoertje; district.—cap, rijpet. —clerk, reisbediende. —coat, reisjas. —habit, rljkleed. —hood, reiskap. —rod, karwats. —school, rtschool. Rldotte (ri-dot'to), s. danspartij. Rite (ra), a. —ly, ad. heerschend, algemeen; overvloedig. —nese, a. (het) heertehen, algemeenheld; overvloedigheid. Riff (r1r), a. nil', zandbank. —raff (-ref), a. echot; gespuis. Rine (rarile), a. geWeer, buka —barrel,getrokken loop. —man, scherpschutter. —, v. a. p1underen, rooven. —r, a. plunderaar. Rift (rift), a. spleet, acheur. —, v. a. splijten, klooven bersten; oprispen. Rig (rig'), a. rug, top; grap, poets; slat, lichtekool. to run a — upon, voor den gek houden. v. a. kleeden, opachikken; optakelen; v. n. uitgelaten zijn. —udoon (-e-doen'), a. rigadon (dans). —ger (-gun), a. kl e e der ; optnt ger, takel a ar. —ging (-gieng), a. tuigaadje, takelwerk, want. —gish (-gisj), a. dartel, wulpsch. Riggle (rig'g1), v. a. n. Zie to Wriggle. Right (raft'), a. & ad. —ly, ad recht; behoorlijk, juist, geeehikt; echt, wear; billtk; oar. —handed, rechta. — on, rechtuit. a. recht; held, rechterhand, -.Ode. by —, van rechtawege. to be in the —, geltjk hebben. to set to —a, terecht wtjzen; in orde brengen; bevredigen" to do - beseheld doen. v. a. reakt zetten, opbalen; weder oprichten; recht doen; rechtvaardigen; —one's self, Mob recht verschaffen. —, v. n. zich opriehten. Righteous (raftsjus), a. —ly, ad. rechtvaardlg, reehtschapen. —ness, a. rechtvaardigheid, rechtschapeuheid. Right ful (rajt'foel), a. —fully, ad. reehtraattg, wettig. —fulness, a. rechtmstigheld;opreehtheid; —nese, s. juistheid; oprecktheid, rechtechapenhei d. Rigi (ridzj'id), a. —ly. ad. atijf, onbuigzaam; atroef; atreng. hard. —ity(ri-dzjid'it-tih), —ness. a. stijfheid; atroefheid; strengheid. Riglet (rient), a. latje; reglat. Zie Re let. Rigmarole (rig'me-roof), a. zinledig gebabbel. Riga: (rig'ul), a. kring; kroon, Rigor (rig'ur), strengbeid. —ous, a. —may, ad, atreng; 'mach; stipt. —oneness, a. strengheid; Rile (raj!'), v. a. boosmaten, tergen. Rill (rill'), —et (-it), a. beekje. —, v. n. vlieten, murmelen. —y, a. vol beekjes. Rim (rim), a. rand; lijst. Rim, (rajne. ), a. rijm,rijp; scheur, spleet; sport. —e, v, D. rijpen. —ose (ri-moos'), —oda, a. vol spleten. —y, a. berijpt. Rimpie (rinepl), e. rimpe! —, v. a. rimpelen. Rind (rajnd'), s. bast, addl. —, v. a. afachillen. —ed, —y, a. bastig, met eene schil. Rindle (rin'd1), a. goot. Ring (ring'), a. ring; kring, gelui; klank; rand, —bolt, ringbout. —bone, ringbeen, overbeen. —dove, ringelduif. —ducat, gerande ducaat. —finger, ringvinger. flower, ringelbloem. —lead,
JAK.--J Jeddah110, m. jackal; jade ; wretch, poor rabbit. Jadeites., on. w. — en jagen, to be continually on horseback. Jakob"' ladder, m. Jacob's ladder. —staf, m. Jacob's staff. Jallappe, v. jalap. Jaloerech, be. jealous. —held, v. jealousy. Juloezie, v. jealousy; shutter, blind. Jammer, o. lamentation misery. het is — it is a pity. —dead, deplorable action. —dal. abode of misery. —bertig, pitiful. —Aartigheirl. pitifulness. —klaeht, lamentation. —kreet, lamentable outcry, cry of distress. —poet, pool of misery. —en, on. w. to lament (for), to wait jot. over), —/Ok, by. & bw. pitiful (-ly). lamentable (-bly), miserable (-biy), woeful (-1y). — nit, v. lamentation. Jan, ra. John ; waiter. — en allentan, every one. hoses — Ain, to have carried one 'a point. — Rap en fejja meet, the ra ,oble, riff•raff, tag-ragand-bob-tail. —gat, —den, —settle, cotquesn. —havel, v. sort of ginxerliread; o. rabble. — moat, Jack-tar. — potaye, Jack-pudding, merry-Andrew. Janitearr, m. IenizerY,J , n1 ,8,, rYJituk en, on, w. to howl, to yelp ; to squall. —er, m. howler, yelper; squaller. — inj, v. howling, yelping. —sler, v. Zie Janzenist, nu. demonist. Jetsam', v. gown. --ache deken, quilt. —ache rok, chamber-gown. Jarig, be. one year old, of a year. AO is vandaag —, it is his birthday to-day. Jets, v. (great) coat, frock coat ; sie Jaakaart. --heart, knave of trumps, trump-cart. —stet', stuff fur costs. —seek, pocket of a coot, JassniJn, v. jessamine. Jaspin, m. & o. jasper. Jass en, ov. w. to hammer up ; to hurry; on. w. to play at trumps. —er, m. player at trumps. Javelljn. v. javelin. Je, tsw. eh! to ! Jegena, vz. towards, to. Jenever, v. gin. —beg ; bait!, juniper-berry. —boost, juniper-tree. —brander, —stoker, gin-distiller. —6randerij,—stokerb, gin-distillery. —intik, lover of gin, pot companion. —.leach, ;tin-bottle. —gios, gin-glass. --ineAt, gin-smell. —seas, red none ; toper. —olie, j auiperail. —vat, gin- cask. Jeng.elen, on. w. to be importune, to be teasing. Jeugd, v. youth. —ig, be. & bw. youthful (-ly). —igkeid, v. youthfaluene, youth. Jeuk en, on. w. to itch. —erig, by, itchy. —erigheld, v. itchiness. —ing, a. itching. —te, v. itch, itching. Jezzat, m. Jesuit. —itch, be. & bw. jesuitical (-Iy) —lime, o. jesuitiem. Jleht, v. gout. —ochtig, by. —ig. by. gouty. Joden besot % v. Jews' exchange. —buurt, —hoek, Jewry, ghetto, Jewa' quarter. — genoot, Jewish proselyte. —hark, synagogue. —kern, alkekengi. —pek, !bitumen, asphaltum, jey., e-pitch. —octisst, —woeker, exceasiv3 tamp. —dont, o. Judaism, Jews. Jodie, v. Jewess. Joedon, on. w. to shout, to make merry. Jok, m. jest, joke. nit —s, for fun's sake. —spreuk,
melk. het rerband —, to unbandage, ionand een eed —, to swear a, o., to pnt ta. o to his oath. irwal(jk —, to take Rothe tested —, to overcharge. —, on. w. to abate, to lessen, to decrease, to decline, to d ,, car, to fall; to wane, to lie on the wane —end, bv. declining, diminishing; waning; fainting. —er, m. taker: customer. —ing, v. taking down, — off, — from — away; descent; decrease, decline, decay. wane. Aftp, omen, on. w. Zie A ['Olken. A fnijpen, on. w. to pinch off, —from. Aforigen„ on. w. Zie AfkU ken. Afoogetten, on. w. to get in the crop, to reap. Afpneltten, on. w. to farm, to rent, Afpnkken, on. w. to unpack. to pack off, to unload; to snatch sway, — from. Afpnlen, on, w. to mark (to fence off) with pales, to limit, to incloseAfprissen, on. w, to equt.re, to proportion, to Fytitist; to count out a fixed sum of money. Afuelleta, ov w to sound, to gauge. Arpeinzen (etch), t. w. to rank ,,ne'sbrAin. Arnell•n, on. w. to peel (off), to husk. to "hell. Afperk en, av, w. to impark, to fence in, to fold, to mark out. --ing, v. enclosure, marking oat. Afperu en, ov. w, to extort (to exact, to wrest, to wrist) from. —er, ir. extorter. extortioner. —asp.. v extortion, exaction, wresting from, AFyikken, on. w, to peck to pick) off. Afplatxen, ov w, to flatten, to level. —big, v. flattening, levelling; oblate for. AlpbeRten, ov. w. to save by pleading. Afpinegen, on.w. to plough off. Afplist! 'sell, o. arts pickings• —ten, o•. w. to pick off. —rer, no. picker —.vino, v. picking. At pltikk en, on. w. to plunk off, to gather. —er, in. plucker. —ing, v. plu•cing, gathering. Alpoenoen. ov. w. to wipe off, to clean. Afprnehen, ov. w. spineta by coaxing. Afpraiton, on. w. to prevent by talking; to diseuade to arrange. A fpun to,n, zv.w. to paint off,to nib. Airtsadailer, v. Zie Meader. Afraid en, ov. w. to dissuade, to dehort (a. 0. horn); to advise (a. o. against). —er, In. dissuader. —ing,v. dissuasion. Afrnfelen, ON. & on. Iv. to ravel oat, to unravel. Afrageta, on. w. to clear from cobwebs, to dust. Afraken, on. w. to get off', — down; to get rid of. t in den iveg —, to go astray, to lose one's way. Afranden, on. a'. to take off the border (the margin) from Afroneelen, ov.w. to rib-roast, to drub, to thrash . Altrap ea, ov. a'. to rasp off. —er, rn. reaper. —ing, v. rasping. —set, o. raspinga. Afrotgenen, on. w. to lie beaten (worn) tiff by the rein. Afreikets,on. w. to reach down; to deliver. Afrei a, v. departure, netting out —sens on, w. to traoel over; on. w to depart, to net out. Ala- ricers on, on. w. to deduct, to abate; on. w. to settle (to cli ar) aecounts, to liquidate, to account with. —ing, v. deduction, eat tang (clear. ing) of accounts. liquidation; —harden ; to balance accounts; op —, on accoont.
07 Exereitation (egz•ur-si-tee's)un), P. ultoefening; gebruik. Exergue (eg•urg'), a. ruimte (voor jaartal, enz.) op munten. Exert (egz-urt'), v. a. inapannen, aanwenden, verrichten. —ion(-ur'sjun), a. inspanning, poging. Exestuation (egz-es•tjoe-ee'sjun), 8. kokiny, gisting. lExennt, meerv. van Exit. IZie Exit. Exfolia te (eks-foli-eet), v.n. afochilferen. —lion (-ee'sjun), e. afschilfering. —five (-e-tiv), a. afachilferend. Exhal able (egz-heel'ibl), a. uitdampbaar, vlu c tig. —stnt (-lent), a. uitdampend, uitwasemend. —ation (eks-he-lee'sjun), a. uttwaseming, uitdamping. —e (-heel'), v. a. uitdampen; v. n. verdampen. —ement (-heei'ment), a. uitwaeeming, pe n (egz-haoW), v. a. uitputten. —ible, a. uitputbaar. —ion (-jun), e, uitputting. —leas, a. onuitputtelijk. Exheredu te (egz-her'e-deet), v. a. onterven. tion (-dee'sjun i, a. onterving. v. a. Exhibit (egz-biblt), a. ingediend stub. vertoonen, ten toon spreiden, overleggen, nen. —er, a. vertooner; indiener. —ion (eks-hibikrun), s. vertooning; tentoonstelling; indieur), ning; jaargeld, beura. —ioner a. student, die op eene beura studeert. —ire,—ory, a. —ively, ad. vertoonend, voorstellend. Exhilara te (ego -hil'e-reet), v. a. vroolijk oaken. —Lion (-ree'sjun), s. vervroolijking. Exhort (egz-tort'), v. a. aannaanen, aansporen. —ation (eks-hut- tee'sjun), a. vermaning; read. —atire(-te-tiv),—atory(-te-tur , r1h), a, v erm mien d —er, a. vermaner. Exhum ation (sks-joe-mee'sjun), a. opgraving. —e (egz-joem'), v. a. opgraven. Exig once (eks'i-dzjenS), —envy, 5. drang; vereischte; behoefte. —ent, a. dringend, noodzakehie; s. dringend geval;noodmiddel; dagvaarding; ulterste. —tele, a. vorderbaar, elschbaar. Exigu ity (eke-i-gjoe'it-tih), a. kleinheid, goring(egz-irjoc-us), a. klein, gering. held. verExile (egz-ajl), a. klein, dun, tIjn. —, hannen. —(eks'ajl), a. verbanning, banIngschap; Ex Ility (egz-il'it-tih), a. kleinheid, tengerheid. Exlmious (egz-iml-us), a. voortreitelijk, stekend. Exinanit Ion (egz-in-e-nisruu), a. lediging; berooving; verzwakking. —e (-In'e-najt), a. ledigen; berooven; verzwakken. Exist (egz-ist), v. n. bestaan. —care, a. ,mnztin, hestaan. —ent, —ing, a. bestaand; loorhanden. Exit (eke'it), 8. uittocht, uitgang; of (in tooneelsterven. —Cal (egzstukken). to make one '8 isj'el), —ious (egz•isrue), a. verderfelijk. Exode (eks'ood), a. naspel. Exodus (eks'o•dus), 8. rittocht; tweede bock van Moves. Exomphalos (egz-omle-los), a. navelbreuk. Exonera to (ego-on'ur-eet), v. A. ontlasten outheffen. —tion (-ee'ajun), a. ontheffing, bevrtildIng. (-e-tiv), a. ontiastend, ontheffiend. Exoptable (egz•oVtibil, a. wenschelijk. 4

-TitE Trier, overvoring; verbanning; verrukking. —edly, ad. in vervoering. —edniss, s. verrukking. —er, a. vervoerder, overbrenger; transporteur. Transpos al (trens-po'eell, s. verplaataing. —e (-pooz'), v. a. verplaatsin, omzetten, --Mon (-zisy on), a. verplaatsing, °matting. —itive a. vane omzetting vatbaar. Transship (trens-sjtp'), v. a. verchepen, overladen. —meat, s. veracheping, overt:Idiot!. Transubstantin te (tren-sub-sten'eji-eet), v. a. in een ander wezen veranderen. —tion(-eu'ajun), a. verandering in eon ander wezen, trauseubatantiatie. Tkansud atton (tress-joe.dee'sjun), a. door. zweeting. —atory (-joe'de-tur-rih), a. doorzweetend. —e (-joed'), v. n. doortwesten. Trans vacation (tress-ve.zee'ejun), a. overgieting. —vection (-vek'njun), ri. over. voer. Transvers a1 (treats-vurs'el), —e, a. —eiy, ad. dwarsloopend, overdwars. —al, transvereaal. Trent (trentl, v. n. rondventen (viach). —er, a. vischventer. Trap (trete), s. val, atrik; hlnderlaag; esker balspel. —door, valdeur, luik. —slick, balstok. v. a. vangen,veretrikken; tooien, opsieren. Trepan (tee-pen'), a. vat, valstrik. --, v. A. vangen, verstrikken. —ner, a. strikkenspanuer; ver. leider. Trapes (creeps), a. along, morsebel. Trapealrara (tre pPti-um),s. trapezium, Trapp er (trep'per), a. strikkenspanner. —lays (-plenge), pl. eereierasien, tool; paardentutg. Trash (treen, a. afval, uitectiot, vodlegoed, bocht; prul; anoelhout. —, v. a. ....lien; ondr. drukken; belemmeren, tegenhouden. —y, a. sleeht, lorotg, onbruikbaar. Traumatic (trap-met'lk), a, & a. wondheelend (mtddel). Travail (trev'il), a. motite, arbeid; barensno0. —, v. a. atmatten; v. n. twoegen, cloven; in barenenood Trave (treev), a. dwarabalk, flood-, hoefatal. Travel, (trev'ti), a. (het) reiten; refs. —, v. a. berelten; v. n. releen. —led (-lid), a. bereled. —ler, a. relziger; beugel von den kluiver, —ling, a. (het) reizen; —bag, reiszak, -Web; —carriage, reiskoete; —charges, —expewses, —fees, pl relekoeten; —clerk, reiabediende; —kitchen, reiskeuken; —map, reieka.art; --trunk, reiskoffer. —s. pl. rel. zen; rehnesehritiving. Traverse (trev'urs), a. & ad. dwars, overkruis. —board, uurbord, koppelkompaa. —horse, ver• pelloop van den bezaansehout. —sailing, kep koers. —table, log-. streektafel. s. dwarehout, -balk, -moor; middelsebot: wederwaardIgheld, hindernit; kunstgreep, aitvlucht. —, v. a. kruiten; doorkrnlaen; dwerebournen; tich verzetten tegen; onderzoaken; v. n. zieh te weer stollen; travorteeren. —r. a. besehuldigd.e, wederlegger. Travesty (ttev'es-1,11), a. getravesteerd. —, a. traveetie, parodie. —, v. a. traveatearen, Tarodleeren. Travis (trev'la), a. Zie Trave. Tray (tree), s. houten bak; kalkbak; bleadje. Treacher ous (trleisrur-ns), a. —ously, ad. ver-
v. a. met Urn (kalk) bestrijken; verstrikken. —r, a. speurhond. Limit s. guns. —, v. a. begrenzen; beperken (to). —able, a. begrensbaar; te beperken. —ary, a. aan de grenzen gelegen;s. grensplaats. —anon (-tee'sjun), a. beperking, bepaling. —less, a. grenzenlooe,onbeperkt. Lime. (Jim',, v. a. teekenen, kleuren, schilderen, portretleeren. —er (-our), -a. schilder, portretschilder.' —iny (-nieng), a. hetLschilderen met waterverf. Limous (laj'mus), a. reodderig. Lamp (limp'), a. zacht, lenig, slap. —, a. hompeling, gehink. —, v. n. hompelen, hieken, mank gaan. e. homrelaar, mauke. —inyly, ad. hinkend, mank. Limpet (lim'pit), a. morsel. Limpid (lim'pid), a. klaar. helder. —ity(-pid'-ittih), —nes*, s. helderheid. Linty ilaj'rnih), a. kleverig; kalkachtig. Linftment (lin'e-ment), a. wiek, verband.
biliut; clog, shackles, fetters; pulley; suit (Wien); block-hesd. -bead, statue. -Au lt, biotichouse, prison. -Overiy , plodding. -lood, piglead. -noes, flat seam. -sehijf, pulley. -tin, block-tin. -wages, truck. -silver, silver in bars, - in wedges. -bennsaker, bloakmaker. Blokk ado, v. blockade. -wen, ov. w. to blockade, to block-up. -tering, v. blockade. -en, on. w. to plod, to toil. -er, m. plodder, toiler. Bland, by flaxen, light, fair. - en Haute class, to letter in black and blue. -harig,light-haired, with flaxen hair. -e, m. & v. fair man, fair woman. -e, v. blond, blond-lace. -je, o. fair
416 lumen voorate von, m. inner-apron. ItInnenwasard, m. drainedlake, inner-polder. Blinnetawnart a, ad. towards the inside, inwardly. Binnenvarester, o. lake. riser, canal. Binnensweg., to. by- w ay, by-path. lniminenweirk,o lunerwoft, clear. —8, bw.in the clear. Binnenzak,m. tob. BinnenzUde, v. inside. ISInnenzUst ask. a. side-lining. altnnemes.oi, v. inner-sole. Blest, v joint, cross beam. Hirkwoetel,m. fennel-giant. o. bishoprick. Bliasehop, tr., bishop. —sambt, episcopacy. —shoed, bishop's hat. —satatiter, mitre. —smuts, bishop's cap. —seta!, crosier. —010, by. spas. copal. Bit, o. bit, bridle. lista, bv. & bw. harsh (•ly), tart (-1y), spiteful (-ly). —held, v. harshnete, tartness, spitefulness. —asr, bv.Zie BUtnekatica. Miter, by. & ha bitter (-ly ); sad (-1y), grievous (-1y); hard, severe (-137), intense (-1y); harsh (-ly) acrimonious (-ly). o. hitter; bitters (drank), --(horde, rnagnes*a. —appel, bitter-apple, coinquint. —einden,, junk. —flesrh, gin-bottle. —bout, bitter-wood, quassia. —kalk, trisk-net,ia, stone —kers,garden-cresses —kluver, buck-bean, mare-h-trefoil. —epoath, rhomb-spar. —,teen, nephrite, jade. —wortel, bitter-wort, fell-wort. —.goat. bitter-sweet, night-shade. —rant, bittersalt, Epsom-salt. —aehtig. ov bitterish.—nehtagheid, v• bitteriehneas. —held, v. bitterness; grievsoonest; asperity, acrimony. m. bison. Blan(lje, o. little leaf; —sheet; salver, tray, waiter. het —is ontgekeerd, the tables are turned. btliernand in tangoed — staan, to be in one's books. in een kwaad — staan, to be in bad repute. Mayans, v. blame, blemish, stain. Blank-, v. blister, wheal, Wain; blaze, white spot. —tvekkend, by. blistering. Mune, v. bladder; pimple; bubble; flaw. —WY, bellows; eon —, a psir of bellows. —balgtrekker, warmer. —band, —streng. bladder-string. —brevk, systocele. —hares, bugle-horn. —kaak, swaggerer, bully. —kahen, to swagger, to brag. —aakerij, rodomontade, braggery. winter-cherry. —Pijp, blow-pipe; shooting-trunk. —speeltoig, wind-inatrurnent. Bind, o. leaf; sheet; plate; board; flap; blade; tray, waiter; newspaper. van het — syselen, to play at first sight. —goad. leaf-gold. —0,ente. leafy vegetable. —Alter, sheet-iron. —koper, sheetco pper —lois, plant-louse„ vine-fretter --tia.tinfail.—torraig,leaf-ahaped. random-readings to fill up a page). —wiper. index. table of contrasts. .— s(itle, page. —mister, leaf silver. agaric. Binder en, on. w. to turn over the leaves; in sea bock —, to pestles a book. —dos, foliage. —risk, leafy, full of leaves. —apaath, leaf-spar. —toss, be, leafles. )allege en, on. w. to bark, to yelp. —er, m. barker;
verlen4ing, rekking. —wise, ad. in de Lettuce (let'tia), e. latuw, clause'. 'Levant (le-vent' ► , a. oostersch. lengte. —y, a. langdradig. a. Levant. er, a. oosten'wind. —ine (-in), a, levauttch a. & a. vertachtend, lenigend (middel). Levee (lev'te), s. (het) opstaan; ochtendbezoek; avondgezelschap. Lena ly (len't-faj), v. a. verzachten, lenigen.—tive, a. & s. Zie Lenient. —ty(-it-tih),s. zachtheid, Level (lev'il), a. gelijk, nick, waterpas, (with); geevenredigd (to). —, s, vlak, waterpas; paslood; zachttinnigheid. rtchtsnoer, maatstaf, pail. —, v. a. gelijk (sick, Lens (ten;), a. lens, tins, kijkglas. Lent ilent'), a. de Va,ten. —sermon, vastenpreek. waterpas) makes; gelijk stellen , (with); richten (at). —, v. n. (at) mlkken, doelen, streven. (with) —en (len'tn), a. van de Vasten. overeen k•men. —ler, a. gelijkmaker. —ling, a. Lent Icctlar(le,tik'joe-ler),—iform(len'ti-form), nivelleeriag. —mess, a. vlak-, effeaheid, gelijkheid. a. linsvormig. —iginous (-tidtri-nus I, a. tsproetig, vlekkik. —igo (-Virgo), s. levervlek,.sproet. —il Lever (li'vur), a. hefboom. (len'tislo, a. mastikboom. Leveret (lev'ur-it), a. haasje. (len'til), s. linte. Len for (len'tor). H. taaiheld, lijmerigheid; traag- 'Leviable (levq-bi), a. hefbaar. Leviathan (lo-vare-then), a. leviathan. heid. —toes, a. teat, lijmerig. Leo (li'o), a. (de) Leeaw. —nine (najn), a. leeuw- Lealga te (lev'i-Beet), v. A. glad — lenig makes; tot poeder w!ijven. —lion (-gee'sjun), a. (het) achtig. gladmaken, Leopard (lep'urd), a. luipaard. —'s-bane, get.;- zenkruid. Levitation (lev-i-tee'sjun), a. verlichting; lichtheid. Leper (lep'ur), 8. meloatsche. —ous, a. melaatsch. Levit e (levajt), s. Leviet, printer. —ice (leCelli/rine (lap'; r-raja), a. haasaehtig. s. schilferachtigheid. vit'ikl), a. levitisch, priesterljjk. —ices (le-vit'Leprosity 11.epr osy (lep'ro-sih), a. iaelaatschheid. —ous, a. 1-kus), a. Leviticus, deeds boek van Motes. nielaatsch, achurftig. —ousness, a. atelaatsch• Levity (lev'tt-tih). a. lichtheid; lichtzinuigheid, waftheld. held, schurftigheid. a. berisping, uitbrander. Levy (lev.ih), a. werving; heffing. -, v. a- lichten. Larry weevers; heffen. — a war, een' oorlog beginners, "Lesion (li'zjun). s. kwetsing, letsel. Lewd (ljoed'), a. —1y, ad. liederlijk, ontuchtig. Less (less), a. kleiner. — ad. minder. --news, ., s. liederlijkheld, ongebondenheid. 'Lessee (les-sie'). e. hutirder, pachter. Lexie al (lekeikl), a. van een woordenboek. Lessen (les'un), v. a. & n. vermindaren. —ographer (-i-kog're-fur), s. woordenboekschrijLesser (less'or), a. kleiner, minder. — Asia, var. —vgraphic (-1-ko-greflk), a. het schrijven A zit. van eon woordenboek betreffend.—ograyhy(-i-kog% Lasses (les'siz), p1. deck, meatstof. re-till), a. het sehrijven van een woordenboek. u. les; voorlezing; berisping. Lessoia —ology (-i-kol'uct-zjih), a. woordenkennis. —on v. a. criderwijten, les geven. (i-kon), s. woordenboek. Lessor (les'sur), s. verpachter, verhuurder. lLeydets.jtar Ilaai'den-dzjaar)„ a. leidscl.e finch. Lest (lest), eon). o.pdat 11'181. Lies ble (layibl), a. onderhevig, blootgesteld, Let (let), s. beletsel, verhindering. onderworpen, (to);verantwoordelijk (for), —bility L et (let) [let], v. a. bates, toelaten; verhuren, te hour. (..e•bil'it-tih), —lioness, a. onderhevigheid (to); verpachten; verleenen. to —, to be verantwoordelijkhetd, verplichting (for). — alone, laten staan; met vrede bates. — blood, aderlaten.—ja/i,strijken. —loose,loslatert ;upon), Liar (laj'ur), a. leugenaar. (down) of-, neerlaten. (in. into) binnen-, inlaten; 'Libation (laj-bee'sjun), a. pleagoffer. inlasschen. (op afschieten (at); laten gaan. (out) Libel (larbil),s, schot-, schimpschrift, aanklacht. —, v. a. in geschrifte belasteren; schriftelijk verhuren; uitTeenen; uttlaten; — to use, op irate- aanklagen. —ler, a. paskwilschrijver. —loss, a. test zetten. —, v. n. zich onthouden. lasterlijk, eerroovend. Ectels (letsj), a. loogkuip. — v. a. doorzijgen. Llbera I (1113"ur-e1), a. —11v, ad. mild (of, met); L ethal (11'thel), a. doodelkjk. vrtj, vrijzinnig; fatsoenlijk; edel, grotmoedig; Lethar gic (le-thaar'dtjik), a. slaaptuchtig. —y vrtjzinnige be—arts, vrtje kunsten. (leth'er-dzjihl, s. alaapziekte; verdooving. ginselen. —lity (-el'it-tih), a. mildhold, fatsortnLetts a (11'thi), a. Lethe (rivier); vargetelheid. lijkheid; grootmoedigheid. —te (-eet), v. a be -ean (le thi'en), a. vergetelheid veroorzakend. vrtjden. —tion(-ee'sjun),8.bevrijding.—tor(-ee-tur), -iferous (le-thit'ur-us), a. doodelijk. a. bevrijder. Letter (let'tur), s. verhuurder. letter; brief. —s, onafgehaalde Elbert In. Ilib'ur-tin), a. losbandig; vtijdenpl. letterkunde, letteren. dead kend; a. lichtmis, vrtjgeest. —iniss,, a. ongebrief. —bag, brievenzak. —balance, brievenweger. bondenheid; vrijdenkerij. —y, a. vrijheid, vrij-box, brtevenbus. —bearer, —carrier, brievenbe• dom; at —, in vrijheid, vrij. efeller. --case, brIeventasch, -doos, letterka -st. —founder, lettergieter. —learned, Loekgeleerd. Libidin 1st (li-bid'i-nist), s. wellusteltng. —ous, a. —ously, ad. wellustig, ontuchtig. —ousness, —press, letterdruk. boekgeieerdheid• s. wulpachheid, ontuchtigheld. —prt,ser, brievendekker. —sorter, brievenutt- Libra (kai'bre), a. (de) Weegschaal. —/ (-brel), a. coeker. Letter (leVtur), v. a. met letters trerken. —ed, een pond zwaar. —rian Pbree'ri-en), a. bibliothecaris. —ry, a. boekerij, bibliotheek; circulaa. ,eleiterd, goleerd. —tag, s. (het) merken met leosbibllotheek; -keeper, bibltotheekHop ongelperd. lesg A oe 1P:tor..
c. Cab (keh), a. cabriolet. —, v. a. naloopen, pakken. § Cahoot (Ire-hoot"), a. bende; vereeniging. Cabal (ke-bel'), a. kabaal, kuiperij. —, v. n . kui- kee'tif)„ s. schurk. a.snood,schelmachtig. pen. —ler, a. kuiper; intrigant. Cajole (ke-dzjool'), v. a. vleien, liefkoozen. —r. Cabal a (keb'e-le), a. joodsche overlevering; ge- a. victor, pluimatraker. heime wetenschap. —lot, a. kenner der gehei- Cake ikeek), a. kook. —, v. a. & n. tot Ice menleer. —istie , —istical (keb-e-lis'tik-) , a. bakken. —twelfth —, driekoningenkoek. geheim, verhorgen. Calab.ish (kel'e-besj), a. kalabas. Cabbage (keb'bidzj), s. kool; lappen. —, v. a. Calamaneo (kel-e-men'ko), a. kalmink. door hot oog van de sehaar Italen; v. n. tot Calamine (kel'e-majn), s. kalameinsteen. kroppen groeien. —lettuce, kropaalade. —worm, Calamit ous (ke-leml-tus), a. rampspoedig. —y, koolrups, s. onheil, ramp. Cabin (keb'inl, a. hut; kajuit. —, v. a. In eene Cantinas (kel'e-mus), s. kalmus. but opaluiten; v. n. in eene but woven. —boy, Catfish (ke-lesj"), a. hales; gijden kap. kajnitsjongen. —et, a. kabinet; bijzonder ver- Calear (kel'ker), s. calctneeroven. —ious (keltrek. —et-councii,kabinetsraad.—et-maker,schrijn- kee'ri-us), a. kalkachtig. werker. Calceated (kel'sji-ee-tid), a. geschoeid. Cable (kee'bl), o. kabel. to bend the —, den Ica- Calci nate (kersi-neet), v. a. verkalken. —nubel wegnemen. to keckle (serve) the —, den babel tion (-nee'sjunl, a. verkalking. —natary, (-sin'emet slapping bekleeden. to splice the —, den tur-rih), a. calcineervat. —ne (kat-Rain ;., v. a. kabel Rplitsen. to play cheap the —, den' kabel & n. verkalken. —urn, a. kalkmetsal. langzaam nitlaten. to play (veer) more —, meer Calenlat a (kerkjoe-leet)., v. a. berekenen, bekabel vieren. —bitt, kabeibeting. —clinch, anker- grooten; v. n. voorzien; denken, § meenen, gesteek. —lid, splitshoren. kabelslag. —'s- leaven. —ion (-lee'sjun), a. berekening. I, length, kabelitlengte. —tier, kabelgat. —yarn, ha- berekenaar. —ory, a. berekenend. belgaren. —d, a. met een' hotel vastgemaakt. Calculons (leel'kjoe a. steenig, zandig. —t (kee'blit), s. slaglijn , paardelijn. Caldron Ikaol'drun). s. groote ketel. Cabman (keb'men), voerman van eene cab. Cale faction (kel-e-fek'sjun), a. verwarning. Caboose (he-hoes'), a. kombuis. —factive, —factory, a. verwarmend. —fy (kel'eCabriolet a. cabriolet. faj), v. a. & n. verhitten. Cacao (4eekol, a• cacao. Calendar (kel'en - der), s. almanak. Cachalot (ketsre-lot), a. potvisch. Calender (keren-dur), a. 1Rkenpers, wangel; Caebeetie, —al ike-kertik-), a. kwaadsappig. klander. —, v. a. persen, mangelen. Cincheyzy (ke-kok'sih), a. kwaadsapp!gheid. a. Berate dag der maand. Calends Cachinnation (kek-in.nee'sjun), a. echaterlach. At the Greek — op St. Jutmis. Cackle (kek'Acl), a. gekakel. —, v. n.kakelen. —r, Calentnre (kel'en-tjoee), a. heete koorts. a. kakelsar. Caleseenee (ke-lea'sens), a. heetwording. Cacography (ke-kog'rafih), s. wanspelling. Calf , knat), a. half; knit. —skin. kRlfsleder.. Cacophony Ike-korun-nth), s. wangeluid. pluck, kalfsomloop. —'s-foot, kalfsvoet (plant). Cad (keel), a. cenducteur bij eene omnibus. 's-smout, leeuwenbek (plant). Cadavereas ike-dev'ur-usl, s. lijkachtig. Caliber (keri-bur), a. kaliber; gehalte; inhout Caddy s. theekistje. —spoon, theelepeltje. snort; waarde. Cade (heed), s. vaatje. —, a. tam, gedwee. Calico (keri-ko), a. calica, ruw katoen. v. a. opfokken. Calld (kel'id). a. heat. —ity Cadence (kee'dens), warmte, a. toonval. hate. —act, a. verwarmingsbuis. Cadet (ke-det'), s. kadet; jongere zoon of broeder. CallgInons (ke-lid'gji-nus), a. duister. b Cadger iketi'zjur), s. venter; marskramer. Caliph (kee'lif), a. kalif. —ate Cadaelty (ke-djoe-stt-tih), s. afgeleefdheid. kalifaat. drag (keg), 8. vaatje. Caliver Ike'.'i-vur), a. handbus. Cage (keedzj), s. knot, hok, dierpork; gevangenis. Calk (kaok), v. a. kalfaten; § scherp zetten (poor-, v. a. in cone kooi sluaen. —work, doorbroken den). —or, a. kalfater. —ins, a. kalkoenen (win work. de hoefbzer), —ing-iron, breettwijzer.

(about) laveeren; (back) btidrestien. Tackle (tek'ki), s. takel, tulle. —faildtalielooper. —hook, taliebaak. —pendent, .chin el, hanger. —, v. a. takelen. optakelen. Tackgling (tek'lleng), a. tnig, gerel, gereedsehap, takelwerk. Take e. fijn gevoel; beield, slag. —ie, —lent, a. kagekundig. —Irian (tek-tieren), e. krijgakundige. —ice, pl. krijgokunde. —ale (41), a. voelbaar. —ility s. voelbaarheld —ion (tek'sjunl, e. Remaking, betasting. Tadpole (ted'pool), s. junge klkvoreeh. Tonere, (terar-i1), s, hakkebord. Tatlet a (tene-ts), —y, a. tat. Taltrall (terril), a. hakkebord. —timber, hek*tut. Tag (teg'), a. nestelbeelaAn beuzeling; lam; zeker Madame!. —rag, gespuis. —, v. a. van een voorzien; ianbechten. Tall (teen, P. etaart; einde; /sleep; arm. to turn —, zich tilt de voeten maken. —board, krat (aan Oak' boerenwagen. —carrier, elippendrager; pluimstrijker. —lashing, —rope, etaarttouw. aanbangeel; vignet; staartetnk. —, v. a. bij den steart trekken; (in) lip pen, invoegen. —ed (teeld), a. geotaart. Tailor (tee'lur), a. kleedermaker. Taint Iteent'), a. vlek; bestnetting. —, v. a. bederven, beametten, hezoedelon. —less, a. vlekkeloos, zutver. —ure (-joer), s. beametting, berm deling; ,met. Take (teek) [took (took), taken (tee'kn)), v. a. nemen, In-, aan-, op, weenemen; grijpen, vat , ten; vangen; in hechteuis nemen; onteangen, nvervallen; verkagen; bezigen; klezen; huren; meenen, er voor houden; verdragen. aan', mikken. — air, bekeod worden. — an airing, een Ittehtje meheppen. — coach, zich in de hoot. zetten. — cold, eeue kon vette], — ill courses, een sleeht leven lelden. — delight in. behagen seheppen In. — a drive (a ride), een rijtoertje maken. — a journey, eene refs &ten. — the law of, in rechten betre'kken. — order with, 'Antis it. — pity or., medelijden hebben mat. — prejudice, een vooroordeel opvatten. — pride in, trotech akin op. — scorn, veraehten. — a seat, gaan eaten. — steps, maatregelen nemen. — time, tijd versleeken. (along with) reedenemen. (away) wegnemen; ter Ode stet en. (down) Inger maim; afnemen; Jimmie; vernederen; onaverhalen; opechrijven. (for) houden voor. (from) nemen (aftrekken) van; onenenten; verminderen, nadeelig an. (in) in., aan-, opnemen; verkleinen; in bezit nemen, koopen; omvatten, insluiten; bedotten. (off) wegnemen; nit den weg rutmen; ontnemen; opheffen; aftrekken; nitdrinken; anbootaen; afkoopen. (on, upon) one's self, op zleh semen; zit% aanmetigen. (out) nitnemen; ten dans 'olden. (up) op-, aim-, tnnemen; bezlaan; bezig houden; eanvangen; opvatten; omvatten; . In hechtents omen; verbinden; toebinden; berIspen; boron; beffen; inloesen, voldoen. —, v. n. Mob begeven, zich riehten; ingang vindere


Monopol 1st (mo-nop'o-list), —izer (-lajz'ur), droomerig, druiloorig bijziende. s. alleen-handelaar„ opkooper. (-lajz), v. a. I —ing, —ish, a. droomcrig, stomp. —ishness., a. opkoopen; aan zich trekken; v. n. alleenhandel j droomerigheid, druiloorigheid. drijven. —y, a. aileenhandel- Mop pet (mop'plt, —sey (-sib), R. pop, popje. Monosperntous (mon-o-sguemus), a. Unzadig.; norms (mo'pus), a. drailoor, droomer. Allossontich (mon'o-stik), s, 66nregelig vers. Moral (mor'el), a. zedeniter. —, a. —ly, ad. zeMontsaylItt bic (mon-o.sil-lch'ic), a.; delijk, deugdz.uam. —lit, s. zedenmtester. —ity


v. a. met Urn (kalk) bestrijken; verstrikken. —r, a. speurhond. Limit s. guns. —, v. a. begrenzen; beperken (to). —able, a. begrensbaar; te beperken. —ary, a. aan de grenzen gelegen;s. grensplaats. —anon (-tee'sjun), a. beperking, bepaling. —less, a. grenzenlooe,onbeperkt. Lime. (Jim',, v. a. teekenen, kleuren, schilderen, portretleeren. —er (-our), -a. schilder, portretschilder.' —iny (-nieng), a. hetLschilderen met waterverf. Limous (laj'mus), a. reodderig. Lamp (limp'), a. zacht, lenig, slap. —, a. hompeling, gehink. —, v. n. hompelen, hieken, mank gaan. e. homrelaar, mauke. —inyly, ad. hinkend, mank. Limpet (lim'pit), a. morsel. Limpid (lim'pid), a. klaar. helder. —ity(-pid'-ittih), —nes*, s. helderheid. Linty ilaj'rnih), a. kleverig; kalkachtig. Linftment (lin'e-ment), a. wiek, verband.
465 Glerst, v. millet. —koorte, millary fever. —korrel, m. guesser. —leg, v. guessing, conjecture; estimatron. millet-corn. Gict, v. yeast. —achtig, by. yeasty, yeast-like. Gletel.ing, m. black-bird. Glet en, ay. w. to pour, to shed; to water; to en, on. w. to ferment, to rise, to as ork. —ing, v. fermentation. it pours. het regent dat het giet, coat, to found. —meter. bucket, pail. —Alas, foundery. —kunat, Glateren, by. yesterday. — avood, laA night. foundery. —lepet. casting-ladle. —trecater, cast- Git, v. & 0. jet. — zwart, jet-blank, jetty. ing-funnel. —vat, ewer, watering-pot. —vrrm, Gitsehr, v. guitar. casting-mould, proplasm. —er, rn, pourer; found- Gittesorn, v. Zie Guttegona. er; watering-pot, watering-scoop. —era', v. found- Witten, bv. Jetty. ery. —ing, v. pouring, watering; casting, found- Gliatataiss, a. little gluts. het — lichtert, to tope. under ten zitten, to crack a bottle. — op den lug. —set, o. cast. valreep, parting-cup. Calf, o. Zie Gift. Glad, by. smooth, bright, polished, sleek; olipGift, v. gift, present, deflation. poisoned pesy; plain; cunning, sly. eerie —de tang, a flipGift, o. poison, venom, bane. — baker, cup. —meager, poisoner. —werend, Antidotal. —kg., pant tongue. een —de atjl, a smooth (fluent) by. poisonous, venomous, deleterious; slender- style. —bek, beardless youth; false jewel, 'mitaing. tion-stone. —boenert, to scour bright. —makes, to smooth, to polish. —stager, hammerer. —skiGU, vnw. thou, you. ye . —lieden. you, ye. bw. entirely, totally, cornlii,jbelen, on. w. to snicker, to titter. pen, to polish. afaaan, to give a flat refusal. pletely. iets ea Uk, v. Zie filek. GUI. o. 'wort. —bier, beer in the cooler. —kuip, —dighsid, v. —held, v. smoothness, hrightnete; cooler. —en, on. w. to ferment, to work; to be slipperiness; cunning, slyness, —meg, bw. Zie Meld. greatly desirous (of). —big, v. fermentation, GAnns, m. lustre, splendor, radiance, brilliancy; moderate desire. Lrightness; gloss. —steer, polisher. be. taljn, o. tackle. —balk, cackle-beam. —tour°, bran. respieneent, radiant, brilliant; glorious; bright. ti tip, v. ehiverinr. —en, on. w. to gasp; to shiv,r. —rtjkheid, v. reeplendency, radiance, brilliancy; GU eel ans., In. hostage. —en, ov. w. to imprison gloriousness; brightness. (for debt). —brief, warrant (or arresting a debtor. —korner, prison for debtors, spunging-house, Glenz en, ov„ w. to polish, to calender, to set a gloss upon; ou. w. to shine, to sparkle. —er, —recht, right of imprisoning for debt. —ing, v. m. glosser; polisher. —ig, be. glossy. —igheid, imprisonment for debt)- v. glossiness. ti II, m. shriek, esrearn, yell, sharp cry. Gild, Glide, o. euild.:corporation. —oe, very fat Gloss, o. glass; window-pane; hour-glass, hair an ox. —et'ier, beer of a guild. —ebode, —eknecht, hour. — blazes, to blow glass. —bluzen, glassmaking, glas-blowing. —blazer, glass-maker. beadle (messenger) of a guild. —eboek, register glass-blower. —bfezerv, glass-house s glass-works. (rolls of a guild —ebrief, bill of incorporation, charter. —eOroeder, freeman (member) of a guild. —gal, glass-gall, sandiver. —gordvn, window-chute; —ekaster, hall of a gelid. —emeester, curtain. —hamlet, glass-trade. — huts, glass-house. piaster (foreman, deacon) of a corporation. —e• —koraal, glees-bead.. —kruid, pellitory. —cog, penning, medal of a guild. —erecht, rights (laws) glass-eye; wall-eyed horse. —oven, glass-furnace. of a guild; risht of being incorporated. —roam, glass-window. —ruit, pane. —scherf, shiver of clam —schilder, painter upon (0111 an, ov. w, to saw slanting, obliquely; on. w. to shriek, to ecream, to yell. —er, m screatn- —schuint, frit. —1 7 ijper, glass-grinder. —sntider, —vocht, vitreous humor (of the eye). V. shrieking, screaming. —inghout, glass-cutter. or. — lag, —week, glass • work, glass-wares. —minket, g lasso. timber sawed obliquely. Gludotr, Glade, by. yon, yonder. glide en weer, shop. —achtig, by. vitreous, glassy. . Glnsebarzout, o. Glaubefe-salt; sulphate of to and fro; for a moment. GIndech, yon, yonder. GInnesinp pen, on. w. to titter, to chuckle, to Ginien, be. glass, of glass. —deur, glass-door. —kas, cupboard with glass-doors. —maker, glazier. giggle. --per, in. —ater, v. giggler. —apuit, squirt to clean the window-panes with. G issislikers., on. w. to neigh; to sneer, to rin. Gips, o. gypsum, psrget, plaster. —afgieteel, Glazig, by. glassy. —held, v. glassiness. plaster-east. —beeld, figure of target-atone. Glatzunr, o. glazing; enamel. —brander, plaster-maker. —brandevij, —oven, Girls, by. glazed, varnished. —were, glazed wares. plaster-kiln. —gieter, plaster-caster. —kalk, par- Giant", y. groove; furrow, ravine• get-lime, plaster. —norm, plaster-mould. —werb, Glibber en, on. w. to slide, to slip. —ig, slipperiness, slippery. planter-work, stucco. —werker, plasterer. —act:. bv. of piaster. —en, on, Gild, o. —kruid, yarrow, milfoll. tip, be. gypseoue. w. to do over with gypsum, to plaster, to corer GIU den, on. w. to glide, to slide. —bean, slide. GitutRech, m. smile. —en, on. w. to smile. with plaster. GIs, v. guess, conjecture. bij de —, by guess, Gitlin wens, m. w. to glimmer, to glow, to gleam. —hout, touch-wood. —norm, glow-worm. guessingly, at random. Glap en, ov. w. to blame, to reprove. —er, tn. —mend, by. glowing, shining, bright. Glimmer, m, glimmer, mica. —aarde, micaceous blamer, reprover. —ing, v. reproof. GIBB en, Os. & on. to guess, to conjecture. —er, earth, mica.
Rhetoric (ret'ur-ik), s. redekunst. —al, a. —ally, ad. (re- tor'iki-), redekunstig. —ian(-ierett), a. leeraar in de redekunet; redenaar. Rheum (roeml, a. verkoudheid, zinking. —atic, (-et'ik), a. rheumatisch, zinking atism (-e-tizm), a. rheumatiek, —y, a. zinkingachtig. Rhino (raj'no),I. geld, splint. —ceres (-nos'e-ros), s. neushoren, rhinoceros. Rhouib frumbl, a. rust. —ic, a. ruitvormig. —oid (-0 d), s. langwerpige rait. —oidal (-ojd'el), a. langwerpig. Rhubarb (roe'baarb), a. rabarber. Rhumb (rumb'), a. windstreek. —card, kompasraoa. —lire, dwarskoera. Rhime (rajrn'), s. rijm. —, v. a. berijmen; v. n. rumen. —r, s. rijmelaar, Ajmer. Rhythm (rithrn'), a. maatklank, rhythmus. —ical. a. klankmatig; welluidend. Rib (rib'), s. rib. —grass, —wort, weegbree. —roatt, afrossen. —wall, vak. deel. v. a, geribd maken; van ribber'. voorzien. Ribald (rib'eld), a. liederltjk. a. liederltk menach. —ry, a. liederlijkheid. Riband (rib end), a. acheergang. Zie Ribbon. Ribbed(ribd), a. geribd. Ribbon (rib'bn), a. lint. —grass, lintgaas. —laver, watte. —snake, lintslang. —trade, handel in garen en lint. --weaver, lintwever. v. a. met linten versieren. Rica (raja"), s. rust; haspel. —bird, —beating, rijstvogel. —cowry, hazelnoot. —flower, rijatemeel. —mill, rijstmolen. —paper, rtjetpapier. Rich (Men, a. —ly, ad. rkik; koeteltk, prachtig; vet. —es (-1z), pl. rijkdom; pracht. —nese, a. rijkheid- kosthaarbeld, pracht, overvloed, vruchtbaarheld, kraeht, lekkerheid. Rich (elk'), a. hoop; opper, 'att. —eta (-its), pl. mgelsche ziekte. —ety (It -tih), a. met de engelache ziekte behebt; kromgegraeid; waggelend. Ricture (rik'tjoer), a. apleet, aeheur. Rid (rid), a. bevrijd, ontslagen. to get —of, ontslagen worden van! zich onidoen van. Rid (rid') [rid], v. a. (from. of) bevrijden, oatdoen; opruimen; wegjsgen. —dance (-dens), a. bevrij ding; opruiming. Riddl a (rid'd1), a. raadsel; grove zest —e, v. a. ontraadaelen; ziften; v. n. raadselachtig apreken. —er, e. raadselachtlg spreker. ingly, ad. rands elachtig. Ride (raid), a. kit, rijtoertje; rijweg. Ride (rajd') [rode. ridden (rid'dn)], v. a. bertjden; willekeurig behandelen; v. n. rijden; rustem, leanen, (on. upon), — at anchor„ voor anker liggen. —at the roads, op de reede liggen. (about) rondrtden. (by) voorbijrijden. (down) omverrijden, overrijden. —r, s. ruder, ruiter; pikeur;
Roan. Roan. (noon, ro'en), g. &masa. Rob (rob'), f. sear Robert; —err (-urt), m. Robert. —inron rn. Robinson. Roch dale (rotsrdeel), g. Rochdale. —ester (-istar), g. Racheoter. Roger (rod'zjur), In. Roger. —s (-zjurz), tn. Rogers. Roland (ro'lend), m. Roeland. Roman (ro'nften), a. Romeluoch, Roornsch; Romein. —ia (mes'ni-e), Romanis. Rome (room) g. Rome' (rom'joe-la*), m. Romulus. Ronan (ro'neu), g Ronan. Ron nos (ros'ko), in. Roscoe. —common (bona% muni, m. Roscommon. Rove (root), n. Roza, Rocade. stotherbithe (rothinr-ith), g. Ratherhithe, Rotterdans (roetur-darn), g Rotterdam. Rouen (roe'en, -an'), g. Rouaan. Roeland. Rowland (rolend), Rut Inca (roe-Watts), m. lt ,, finas. —us, in. Rtifua. g Rumelie. Rowena Rumen! (run'.!!), tn. Russel. Russia (rusj-e), g. Rutland. —n, a. Ruesisch; Rua. Ruth (roeth), w. Ruth.
maid -servant. —orde, order of architecture, style. —stern, stone for building. —stoffen, materials. —tifd, plough-season. —trant, style of building, arceitteeture. —cal, ruin, ruins. —tea/ig, ruinous, decayed, era ey., worn out with age. —valligheid, decayed state, decay, craziness. —woe —zurht, rage (maids) for building. —en, ov. w. to till, to grow; to build, to erect, to raise; de zee —, to use the see, to navigate; — op. to depend (to rely) upon. —er,m. tiller; grower; builder. v, egricult ure„ husbandry. —ing, v. tilling; building. —eel, o. building. Burlap, bw. aloft, on high, up-stairs. ale ut supra. vz. above, over, upon. — den wind zijn, to have the weather-gage. le gaan, to excel, to surpass to — loosen, to get the better of, to surmount. eene karp to — alien, to weather a cape. ilovenann, bw. at the head, — top, the first. Illtevversatnrdsch, by. tuperterrestrial. Bovenall, bw. above all, especially. !lovterlibrarketeng, in. topgallent-reyal-mast, ►ltevezabroek, v. nantaloone; over-alle. avenbuur, m. & v. upstairs -neighbor. Howendertr, v. upper-door. ficsversdken, bw. bNides, moreover. Boveladoepell, rn. Bovondeliven, on. w. to fiott on the surface; to prevail. --d, by. ouperfluita ,t; preponderant, victorious. noveneinde, o. ripper-end. Bovengeirneltd, ilikesengerioetted, be. abovementioned, aforeseld. 11 owettgevell, m. ridge, top, gable. Ilowesegoed. o upper-dress, upper-clothes. no -venhertrid, o. upper-sbirt. iflovetatrc is, o. upper-part of a house. If teverskatiaer, v. upper-room. Bovenkrent, in. upper-side, right side. litteverukne, v. upper-case. Boveinkisederers, o. my. uppe. -clothes, uppergarment. Bervenk ore!, v. upper-crust. Bovenin ad, o. high country, upland. —er, highlander. rent :1st, upper-cargo; top. hamper. Illowenleder, o.upper-leather; vamp. • Bovereiljf, o. upper-part of the body. Boveleirp, v. upper-lip. How extivicitt, v. high-air, sky. Hovers's. t e, bw. extremely, exceedingly, exeessive!y. —ig, be. extreme, ..xceseive, beyond
523 Lot, tn. praise, commendation. tot — vats, in praise of. God —, thank God. — &mein, —trotspet, trumpet of praise. —dieht, —redo, panegyric. eulogy. —dichter,—redenaar, panegyrist. —gterig, greedy of praise, ambitious. —gieripheid, love of praise, ambition. —Aunkeren, to be greedy of praise. —lied, —tang, hymn, anthem, offertory; panegyric. —emaies,centicie,bymn —epraak, prate. --bitten, to praise, to sound forth the praise of. —hater, flattering prairoar, panegyrist. —tuiter(i, flattering, glosing. —tutting, flattery, praise. —waardip, by. & bw. praise-worthy (-21y), laudable (-Illy). — waardigheid, praise-worthiness, leuda Witty. Lao lijk, by. & bw. praise-worthy ( -11)0,1 ;rude ble ( . —held, v. praise- worth'ness, laudablenese. Log, be. & bw. heavy (-11y) slow (-1y), doll (-y); unwieldy. —gat, bad seller. Log, V. log, —book, log-book. —paten, limberholes. —glas, log-glsee. —lijn, log-line. —plankje, log-plank. —rot, log•wheel. —tafel, log-board. Logarithms., v. logarithm. Logo,r. box; lodge. Logeereo, on. w. Olive, to lodge. Leegesnent, o. hotel, inn. —header, hotel-keeper, inn-keeper. Logen, v. Lie Leugesa. —straffen, to give the lie to, to belle. Loggen ,ov. w. to heave the log. Logger. m. lugger. —seil, lug-sail. Logbeld, v, heaviness, slowness, dullness; unwieldinees. Lsaglea, o. dwelling, lodging. Ledge!), be. logical, discriminating. Lok. v. lock, tress, curl. Lok ken, ov. w. to bait, to decay, to allure; to attract; to entice, to inveigle. —aae, — .144 bait,• decoy. —risen, to bait, to decoy. —brood, bait, paste used as 11, belt..—dust, decoy-pigeon. bird-call, cat-cell. —eend, decoy•duck. —geld, —gift. bribe. —mere, decoy-titmouse. —nsiddel, enticement. --rink, decoy-finch. —vogel, decoy-bird —woord, fawning word, enticing word. —fiend, hi, . alluring, enticing. —her. na. decoy-bird; allurer, enticer, Inveigler. Loki, fg, be. looked, curled in locks. kt.ok king, a, alluring, allurement, enticing, enticement, inveigling. —eel, o decoy, lure, enticement. —stir, v. allures, enticer, inveigler. 1,01, v. fun, frolic, clout, rag. 1,911 cae, on. w. to wawl, to caterwaul, to bray, to brawl; to warm one 's veil on a fire pot. —epot,ltre. pot, warming pan.—er,m.—eter.v.brayer.brawier. Lomburd, Luniberd, m. Lie Lommerd. Lommer, v. eh ade, —r(gc, shady, shadowy. —rijk. held, shadiness. — achtig, bv. shady. Lanimerd, m. lombard, loan-office, pawn-broki peatabliehment. in de--, at the pawn- broker's. —briejje, pawn. broker's duplicate, ticket. —hou• der, pawn-broker. —vrouw, female pawn-broker. —en, on. w. to mire. Lommer en, on. w. to lie (to sit) in the shade. —ig, by. shady, shadowy. Lomp, be. & bw. clumsy ( ily). awkward (-1y), dull (-7); unmannerly, impolite(-!y); big, gross. Lomp, v. rag, tatter; lump-sugar, — ingaarder,
(-in'si dent), R. satrienloopend,overeenstemmend. CoHoeft to (kollo-keet), v, R. plaatsen, rangCoir (cojr), s. kokosnootvezels. schikken. —ton (-kee spin), a. pleasing, rangColstell (kojs'tril), s. melkmuil, lafbek. schikking. Colt (kojt), s. werpschijf. Collo') (kol'lup), a, lapje vleesch; kind, scotch Coition (ko.is'sjun), s. samenkomst; bijslaap, —s. kalfslapjes. paring. Colloquial (kol-lo'kwl el), a. —ly. ad. eene CoJoin (ko - dzjojn), v. n. zich verbinden. samenspraak betreffend. —ism, s. gemeenzarne Cojuror (ko - dzjoe'rur), a. die de geloofwaardig- wijze van spreken. I Colloquy (kol'Io kwih), s. samenspraak. heid van een ander bezweert. Coke (kook), s. coke; ontzwavelde steenkool. Collude (kol - ljoed), v. n.. samenapannen; bet Colander (kul'en-dur), s. sect, vergiettest; I eerie zijn. zijgdoek. Collo sion (kol-ljoe'zjun), a. verstandhouding. Colat Ion (ko - lee'sjon), s. doorzijging.., —sive, —sory, a. schelmochtig beraamd. —siveness, Colcothar (kol ko-ther), s. doodekop. I s. schelmsche samenspanning. Cold (koold'1, a. koude; verkoudheid. to catch —, Cony (korlih), a. kolenroet. —, v. a. met roet kou vatten. —, a. —ly, ad. koud, koel. in — I bemorsen; zwart maken. blood, in koelen bloede. —hearted, ongevoelig. !Colon (ko'lun), s. dub ► el punt; groote dorm. —short, broos. —ish, a. koel, koudachtig. —ness,! Colonel (kur'nil), a. kolonel. —cy, —ship, a. a. koelheid, onverschilligheitt. 1 kolonelschap. Cole (kool'), s. kool. —seed, , koolzaad. —wort, Colonial (ko-lo'ni-el), a. koloniaal. — produce, sproitkool. koloniale waren. Colic (kol'ik), a. darmjieht, koliek. Colon let (kol'un-nisi), a. volkplanter, kolonist. —izati9n (-ni zee'sjun), a. vestiging cener yolkCollaps e (kol-leps'), v. n. instorten, ineen- planting. —ize ( najz), v. a. tot eene kolonie krimpen. —ion ( lep'sjum), a. instorting. Collar (kol'ler), s. halsband, kraag; holster; vormen. —y, e. volkplantine, kolonie. rollade. —, v. a. bij den kraag vatten; een' Colonnade (kol-un need), a. zuilenrij. halaband omdoen; rollade maken. —beans, Colophony (to lorun-nth), s. spiegelhora. d•arshalk. —bone, sleutelbeen: —day, galadag. Color (kul'ur), s. klertr, serf; glimp; voorwendCollate (kol'leet), v, a. vergelijken (with); na- ; sel. —s, a. vaandel. —, v. a. kleuren, verven; lezen; aanstelten (to); begeven. 1 bewimpelen; v. n. blozen. —able, a. —ably, ad. schunhaar, achoonschijnend. —ation ( ee'sjun), Collateral (kol-let'ur-el), a. —ly, - ad. evenwij- dig, zijdelingsch, zijdelings. s. verving, kleuring. —i/c (kol ur ink), a. kleurend. —ing, a. koloriet; schoone schijn. —jot, Collet Clan (kol leesjun), s. vergelijking; ker- kelijke. aanatelling; tusschenmaal. —tor, s. a. kleurenmenger, meester in het koloriet. vergelijker, begover van een kerkelijk ambt. —less, a. klenrloos. Colleague (kol'lieg), s. ambtgenoot. — (kol- Coloss al (ko los'sel), —eon (kol-oa si'en), a. lieg'), v. a. vergezellen; vereenigen (with). reusachtig. —us, a. reuzengestatte. ColstalT (kol'staaf), a. draagstok. Collect (kollekt), a. inzameling; gebed. Collect (kol-lekt'), v. a. verzamelen; opzamelen; Colt (koolt'), s. veulen; onervarene, —, v. a. fopincasseeren; afleiden, besluiten. — one's self, zich pen; v. n. huppeleu. —'s-foot, hoeiblad. --'a-tooth, melktand. —er, a. kouter. —ish, a. dartel, uitherstellen. —aneous (tee'ni-us). a. vergaard, bijeengebracht. —ed, a. —edly, ad. aamengevat, gelaten. bedaard, —edness, a. bedaardheid. —ion (kol-lek' Colubrine (kol'joe Orals), a. slangachtig; argsjun), s. verzameling; gevolgtrekking. —ive, a. listig. —ive/y, ad. verzomelend, gezamento,—ine noun, Coition Wiry (kol'um be rih), a. duiveutil. —bine, verzamelwoord. —or, s. verzamelaar, guarder. (-bajn), a. duivenkleurig. —bide, s. liehte violetkleur; akelei. Collegatary (kol-leg'e-to-rih), s. mede-erfge- Column (kol'um), a. mil , kolom; kolonne. noon, College (kollidzj), a. collegie, kweeksehool. —ar (ko lum'ner), a. zuilvormig. Collegi al (kol-li'dzji el), a. van een collegie. Colures (ko-ljoerz'), 8. kruiskringen. —an, —ate, 8. lid VR11 eras collegie; student. —ate, Conan (ko'me), s. staapziekte. Comate (ko-meet'), a. kameraad. R. een collegie hebbend; church, stiftskerk. Contrite (kom'et), a. harig, haarachtig. Collet (korlit,), a. ringdas. Collide (kol lajd'), v. a. tegen elkander 8IRRII. Coanatous (kom'eAus), a. slaapziek. collier (kolljur), a. kolenwerker, handelaar; Comb (koom'), a. tram; vollei; honigraat, carry —, -schlp. —y, to. kolengroeve; kolenhandel. roskam. flax —, heket. —brush, kamborstel.,fish, Colligation (kol-li gee'sjun), a. samenbinding. kammossel. —, v. a. kammen, hekelen. —er, a. kamnaer, hekelaar. —ing-cloth, poeiermentel. Collimation (kol-li mee'sjun), to. (het) mikken, (het) aanleggen. Combat (kum'bet), s. gevecht. single —, tweegeCollIngual (kol-ling'gwel), R, dezelfde teal belt- vecht, —, v. a. bevechten; v. n. atrijden. —ant, s. strijder. —ant, a. strijdend. bend, Colliqua Clam (kol-li kwee's(un), s. smelting. Conshln able (ktim-bornibl), e. vereenigboar. —ation (kom-bi-nee'sjun), R. vereeniging, ver—tire (-lik'we tiv), a. ameltend. binding,. —e, v. a. bijeenvoegen; v. n, zich Colliquefaction (kol-li-kwe fek'sjun), R. at mensmelting. verbinden. Con► l► ost lisle (kum•bus'tibl), a. verbrandhaar Collision (kollfzjun), a bot,in:;. .
Afwerken, ov. w. to work off, to finish. ziels —„ to spend one's se,f with working. Afwerp on, or. w. to east (to throw) off, — down; to shed. voordesl —, to turn to advantage, to leave a profit, to yield. — leg, v. casting (throwing) off, — down. Afweven, on. w. to weave off, to finish. Afevez ass, o. absence. —ig, bv. absent. —igheid, v. absence. AfwUk en. on. w. to turn off, — from, to give way. to deviate, to swerve, to depart, (from); to deflect, to decline, to diverge; to differ, to vary. --end, nv. devious, declining, discrepant. 11,4War. —lag, v. deviation, departure, deflection, declination, diver,;ence; difference. Afwit)z en, on. w. to chow away, — out; to deny entrance; to decline, t3 reject, to non .suit; beat back. —ing, v. refusal, declination, Af minden. ov. w. to wind (to reel) off, Alm/Innen, ov. w. to win (to gain) from. het iesnaud —, to g't the start of, to outdo. Afwippen, ov. & on. w. to slip off, — dawn Afvvisachen, ov w. to wipe off, to thy up. Afwilssel en, ov. & on w. to change, to vary, to relieve, to alternate. —end, be. changeable, variable, alternative ; bw, alternately. —jog, v. change, variety; variatio.,, alternation. Afverlijven, ov. w. to rub (off). Afwringen„ ov. w. to wring off; to wrest (to extort, from. Alfzadelen, or. w. to unsaddle. Afzagen, or. w. to saw off; to hackney. Afzekk en, or. w. to sack; on. w. to sink (to drop) down; to descend, to go down; to retreat, to steal away. —crtje, o. dram, parting-glass —kg, v. Sinking (dropping) down; descent; .tealing away. Afzeepen, ov. w. to clean with soap. Afzegg en, ov. w. to countermand, to disinvite, to send as excuse for. '-er, m. conterwander. (betty/ter. —ing, v, countermand, counter order, countermanding. Afzellen, or w. to break off (by sailing against4 on. w. to set sail. Mend en, ov. w. to send (off), to deepateb —er, m. despatcher —ing, v. despatch; shipment. Afeet eel, o. layer. -, ster, v. Zie Afzetter. —ten, ov. w. to put (to set, to take) down, — off, to set out; to depose; to foot ;;arras); to cry down; to abate; to dismiss, to cashier, to remove, to dethrone; to dispose of, to sell; to cut off, to amputate; to lay, to set; to set off- to rob of, to swindle out of. —tend, by. purgative, aperient. —ter, in. eearper, swindler. --Jeri), v. sharping, sharking trick. —ting, v. dismissal; amputation. Afeleht ell.Jk, —Ig bv. & bw. unsightly, hideous (.1y, --igheid, v. ugliness, hideousnes.. Afzleat, so. w. to see to the end of; to expect; to wait for; to make shift wkth; to learn by looking at ; on. w. to took about, to see ; (van) to give up, to waive, to desist from. Afeilltineno on. w. to alight, to dismount. Afzetrken, ov. w. to pick off. Afzoenen, ov. w. Zie At ku eaten. Monder en, as. w. to separate, to isolate; to
kruis of must. hand over —, onbedaehtelijk. —ache, hoofdpijn. —band, hoofdband, strijklint. —board, hoofdplank. —borough, sehout. —chases, jagere. § —cheese, hoofdkatia, ztkl.t. —cringles, no2Aleuvers. —dress, k.apsel. —gargle, zekere veeziekte. —gear, hoefdtooisel. —land, voorgebergte, kaap. —landlord, opperleenheer. —lines, rabanden. —long, a. steil; onbezonnen; ad. oribesuisd; eensklaps; halt over kop. —man, hot:Inman, lei • der. —money, hoofde'eld. —piece,bodem (van een vat; kopriem; titelplaat; helm, stormhoed; veratand, kop. —quarters, hoofdkwartier. —roll, valhoed; hoofdwrong. —rope, ra-, bovenlijk. voorzeilen. —sea, stampzee.—sman,seherprechter. —stall, hoofdetel. —stone, hoeksteen. —strong. 1,0 1) 1, 4. —way, vaart, gang. —wind, tegenwind —workman voorman. Head (heti:), v. a. voorgaan, aanvoeren leiden ; bodemen; punten; met een' kop voorzien, kappen, toppen ; onthoofden. —er, a. hoeksteen ; speldeknopmaker. —ily, ad. driftig, onbezonnen; koppig. —mess, a. onbezonnenheid, halsstarrig. held. —less, a. hoofdelous; onberaden; ongegrond. •—most, a. voorate. —ship, a. eerste plaats; aanales. —y, a. snel. ohstuimig; hoofdig, koppig. Heal (hiel'), v. a. & n. heeler), genezen (up).—able, a. heelbear. —er, a. heeler. —ing, a. eenezend; verzaehtend, lenigend. Health (helth') s. gezondheid, welstanal. —ful, 11, —fully, ad. gezond; heilzaam. —fulness, —inees, a. gezondheid. —less, a. ongezond. —y, a. gezond. Ream (hiem), s. nageboorte. Heap (hiep'), a. hoop, stapel. —, v. a. ophoopen, opstapelen (up). —er, a. ophooper. —y, a. vol hoopen; bij hogpen. Hear (hieel [heard (hard ► ], v. a. & n. hooren, luisteren; verhooren. —er, a. hoarder. —ing, gehoor; verhoor; dull (hard) of —, hardhoorend. Hearken (haar'kn), v. a, & n. aanhooren; luisteren. —er, a. hoorder, luiateraar. Hearsay (hier'see). a. hooren-zeggen. Hearse (hurls), a. lijkkoets, doodbaar. —, v. a. in de liikkoets plaataen. Heart (haartl, a. hart, gemoed; zin; moed; binnenste, kern; kracht; etagblok. by —. van buiten. for my seer gaarne. out of —, moedeloos, to take—, mired ackeppen. —ache, hartzeer.—blood, hartebloed, (het) levee. —break , zielesmart. —breaking, a. hr.rtverseheurend. —broken, a. met een gebroken hart. —burn, maagzuur. —burned, a. van liefde blakend. —burning, maagzuur; wrevel, wreck. —dear, hartelijk geliefd. —ease, gemoedsrust. —easing, a. geruetstellend. —felt, diep gevoeld, innig. —grief. harteleed. —hardened, verstokt. —rending, a. hartverseheurend. driekleurig viooltje. —sick, zielakrank. —sore, hartzeer. —string, bartzenuw. —struck, ontsteld; getroffen. —whole, nog niet verlf.efd; onverzwakt. Heart en (haar'tn), v. a. bemoedigen, opwekken; bemeaten. —ening, a. versterkend, —ity, ad. har—iness, s. bartelijkheid; opreehtheid. —less, t a. lafhartig; gevoellooa. —leanest, a. lafhartigheld; orgevoeligheid. —y, a. hartelijk; oprecht1 gezond; hartig; duurzaam. dent (hiet'), a. hitte; drift, vnur; loop, ren.
Misspell (mis-spell' ► „ v. a. verkeerd spcllen. —ing. Mixt ion (nsiketlun), —ure (-joe.), s. mengsel. s. verkeerde spelling. Mlzm;aze (miz'meez), a. doolhof. Misspend (mia-spend') [ire.], v. r. verkeerd be- Mizzen (mtz'zn), s. bezaan. —baselines, pispotten. steden, verkwi'ten,—er, e. verkwieter. —braids, bezaandempgordings. —channel, bezaansgaffel Mill den Misstate (mis-steer), v. a. onjuist opgeven, rust. —course, groote bezaan. voorstellen. —ment, s. verkeerde opgaaf. be7,aannmast. —gear, kardeel. —lefts, toppenauts. Mist (mist), s, mist, nevel. —, v. a. benevel en. —mast, bezaansmast. —peak, oak der nezaartarnede.—saii,bezaan.—sheet.kruieschoot.—shronds, Mistak able (mis-teeklb1), a. voor verkeerde opvatting vatbaar; miskenbaar. —e, a. misvatttng, pl. bezaanswant. —slide, bezaansochniftipier. vergissin* —e, v. a. misverstaan; (for) houden —sprit, bezaansapriet. —stay, bezaanastag. —tack, voor; v. n. rich vergissen. —en ( tee'kn), a. bedrobezaanshale. —top, bezaansmars. gee; valseh; verkeerd begrepen; to be dwalen. Mizzentop-gallant (-gerlent) —mast, a. kruia—only,-tee'kn.), ad. bij vergissing. bramsteng. —royal-meat, s.kruis-bovenbramateng. Misteach (mis-tietsj) [irr.] , v. a. verkeerd onder—royal.satl, a. kruie-bovenbramzeil. —royalwil :en . Arm's, pl. kruis-bovenbramstengewant. —royalMistell (mis-tell') [irn], v. a. onjuist verhalen. yard, a. krula-bovenbramra. —sail, a. kruishremMiGlemper (mie-tem'pur), v. a. aleeht mengen; in zeil. —yard, s. kruisbramra. wanorde brenrn. Mizzentop-mast (miz-zn-top'maaat), a. kruisMister (mis'tur), a. mijnheer (gevolgd van den steng. —shrouds, pl. kruisstengewant. —stay-at ail, naam). a. kruisstengestagrell. Misterm (mis-turm'), v. R. verheerd noemen. Mizzentop (miz-zn-top') —salt, a. kruismarszeil. Wistful (miat'foel) a. miatig. —sail-yard, kruiszeilra. Mis think (mla-think'!, [ire.], v. a. kwaad (ver- Mizzen.try (miz-zn-trar-) mail-ga•, s. stormkeerd) denken. —thought ( thaot,'), e. argwaan, gaftel den bezaansmast. Mizzen-yard (mlz'zn-jaard), a. bezaansroede. verkeerde gedachte. Mizzle (min's!), a. mot-, etofregen. —, v. u, mot-. Mistily (mist'll-lih), ad. mistig, nevelig. MAstime (mia•tajm'), v. a. ten ontijde doers; v. n. stofregenen. tjjd verzuimen. 11# Izzy (miz'zih), s. poelonoeras. Mistiness (mist'i-ness), a. mistigheid. Mnemonic (ne-mo'nik), a. geheugen-. —a, pl. geieugenleer. Mistitie (rale-tarn), v. a. een' verkeerden hitch Moan (moon'), a. weeklacht; gekerm. —, v. a. begeven. Mistle (mie.1), v. n. motregenen, miaten. —toe, jammeren; v. n. kermen. ful, a. treurig; jammemistelboompje. —berry, mistelbes. rend. Moat ;moot), a. gracht, elotgracht. —, v. a. met Mistrain (mis-treen), v.*. verkeerd opvoe.den. Mistransla te(mis•trens-leotn, v. a. onjuist vereene gracht onageven. Mob (mob'), s. gepeupel, grauw; volksboop; nachttalen. —tion (-lee'sjun), a. onjuiste vertaling. Mistress (mletria, mis'sis), a. mevrouw; meestemuts. —cap, monmuts. —, v. a. mishandelen, overschreeuwen• Inwikkelen; v. n. tamenrotten; res;onderwijzeree; Mistrust (mis-trust"), a. mistrouw en. —, v. a. mistieren, razen. —bish, a. gemeen; oproerig. trouwen. —ful, a. —fully, ad. wantrouwig. —ful- Mobil e (mg-bier), a. bewegelijk; a. lie Mob. —ify (-bil'it-tih), a. bewegelijkheid; onbastendigness, e. wantrouwigheid. —ingly, ad. met wantrouwen. —less, a. zonder achterdocht. argeloos. held; gespuis. Mistune (mis-tjoen'), v. a. ontstemmen. Moble (mob'!), v. a. in eene kap hullen. illoccason (mok'ke-sn), a. pronkachoen (bij de Misty (mist'ih), a. mist)g, nevelig. Misunderstand (mie.un-dur-stead') [irn], v. a. Indianen). Meek (mok'), a. spot; bespotting; naltping. —, a. misverstaan. —ing, s. misveretand. Maus nge (mie-joeVidrj). a. mishandeling. —e valech, orecht; nagemaakt. —doctor, kwakzalver. (-foes'), a. misbruik. — e (-Jose), v. a. misbruiken. —fight, apiegelgevecht. —king, sebijnkoning; beer, Miswed (mis-wed'), v. a. & n. mishuwen. —moon, bklmaan. —poem, spotdicht. —prophet., Miswrite (vais-rejt') [irr.], v. a. onjuiat schrijv en. valsehe profeet. —shade, avondstond. —song, traMlswrought (mil mat'), a. verkeerd gemaakt. vestie. —trial, verhoor voor he lens. —turtle, nagemaakte schildpadsoep. —velvet, trill, Mate (majt), a. mtjt; penning; ziertje. 1111thridate (mith'ri-deet), a- tePngifMock (mok'), v. a. bespotten,voor den gek houden; Mitig able (mit'l-gibl), a. te renigen, te verzachnatpen; v. n. (at) bespotten. —er, s.spotter.—ery, a. vpotternij; spel, echijn, schijnvertooning. —ing, ten. --ant, a. verzachtend. —ate (-geet), v. a. lenia. —ing/V, ad. spotter d. —ing, s. bespotting; begen, verzachten. —ation (-gee'ejun), a. leniging, verzaehting. —ative (-gee-tiv), a. lenigend, verleediging; —bird, spotvogel ;—stock,voorwerp van bespotting, zachtend. Modal (mo'del), a. vormelijk; toevallig. —ity Mitre (maj'tur), a. mijter, bisschopehoed. (-del'it•tlh), a. vormelijkheid; toevallig onderMitten (mit'tn), a. want, mofje. scheid; evljze van zijn. MittImus (mitli•mus), s. bevel tot gevangenretMode (mood), a. wfjze, mauler; trap, graad; mode. Wig; — tot terugzending. Model (mod'il), e. model, worm; rnaatstaf. —, v. a. Mity (majt'ih), a. vol mijten. vermen, namaken. —/er, a. rnodelmaker, vormer; MX (mike), v. a. & n. (rich) mengen. ontwerper. —ling, a. het maken van modollen of Mixen (mika'n), crrestvaalt, hoopomen. er), a. gemengdlijnig.
(-1'ne), w. Chrisg. Christiania. tina. —opher, (-uf-ttr), re. Chrtstophorue, toffel. Chrysostom. —ostom (-us-turn), Chrys (kria , ), P. noon m. Chryeostomus. Cicero (sts'e-ro), m. Cicero. a. Clasabri (airebri), Cinnbren, Kimbren. Clmbriseb, Kimbrisch. Cincinnati (sin-ein-nail), g. Cincinnati. Circassta (eur-kespl-e), g. Circassie. —n, a.. Ctrenseiscb; 1. Circassler. f voor Cechy. Cis Clara (klee're), w. Clara. Clarence (kleeens), g. Clarence. Clarendon (kleeen-dale,), g. Clarendon. Claudius (klao'di-us), m. Claudius. Clem (klem"). f. voor Clement. —eat, in. Clemens. Cleopatra (kii-o-pee'tre), w. Cleopatra. CiaVer (kltevz), g. Kleet. Clio (klaj'o), my. Otto. Clive (klajv), m. Clive. Clyde (tlajd), g. the —, de Clyde. Cozhrane (kok'ren), in. Cochrane. Coeytus (ko-eartusi, my. Coeytus. Coleridde (kool'ridtj), ns. Coleridge. Cologne lko-loon'), g. Kenien. Cott (kon'), —ny, f. voor Constance. —rad (-red), m. Koenraad. Constan cis (kou'etens), w. Constance; g. Constants. —tina (tt'ne), g. Constantine. —tine ), m. Koustantljn. —tinople (41-no'pl), g. Cons' antinopel. Copenhagen ilco•pn-haegn), R. Kopenhagen. Cordilleras Ikur-dit'le-res, kor-diel jee'-res), g. the --. de Corlitilk.rae. Corinth (koeinth), g. Korinthe. —ian (ko-rinth'ien), Korintiseh; 1. Korinther. Cornell a (kur-nrii e), w. Cornelia. —us, in. Cornelius, Cornelis. Corsica (kor's1..ke), g. Conic*. —a, a. Corsicaanaali)1. Corstcaan. Courtray (koer-tree'), R. Kortrijk. Coatis (koeta), m. Coats. Cowes (keen), g. Cowes. Cowper (kan'eur), m. Cowper. Cracow (kras'ko), g. Krakau. Crecy (kree'slb), g. Crecy. Crate (Wet), p. Crete. Crimea (;trim-re), g. the —, de Krim. Crispin (kriepinl, m. Krispijn. Croat (kro'et),i. tamest. —ia (-ee'aji-e), g. Croatia. Crouse (kroe'iso), m. Gruen.. Culloden (kul-lo'dn), g. Culloden. Cupid (kjos'pid), my. Cupido. Corsica° (koe-re-seop, g. Curacao. Cybele (aib'il-i), my. Cybele. Cyclades (stkle-dice), g. the —, de Cycladen. Cyclops(sarklopal, my. Cyclopen. Cyprian (sin'rt en). m. Cypriaan. CypTus. Cyprus (saj'prus), Cyrus (sarrus), m. Cyrus.
colliery. —masd, coal- basket. —meter, measurer of roam; Ma- meter; anthraconseter. —lei*, coalmine, coal-pit, colliery. —pan, See-pan. collier. —sehop, coal-shovel.—eoerder, coal -heaver. —rear, coal fire. —wagen, coal-cart. —oak, COMbag. Koff, v. bat, club, golf-stick; butt-end; receiver, recipient. --baste, place to play at golf; cricket. ground. —bat, ball. —apet, golf; cricket. —je, o. small bat; dat is een naar raijn ;band, that lust suits me. Holtbrie. in. humming-bird. Kolleft, o. colic, gripes. —pljn, griper. Kolk, v, pit, hole; suit, abyss; whirl-pool, —en, on. w. to whirl, to bubble up; to belch. Kollsibloesn, v. wild poppy. Kot lets, ov. w. to knock down; on. w. to ride upon a broom-stick.—b(j1. butcher's axe. —hante, butcher 'a mallet. Kollokwint, m. bitter-Apple. Kolons. v. colsmn. Kolonei, in. colonel. —splaati, —sehap, Solonelship. Kolon inal, by. colonial; in. soldier of the colonial troops. —be, v. colony, settlement. —is?, or. colonist, settler. --isatie, v. colonization. —ineren„ ov. w. to colonize. 1Kotortet, o. color, coloring. Kolos, m. colossus. —emit, by. colossal. Kolnens, rn. keelson. Kolv en, on. w. to play at golf; — cricket. —enier, m. burgher. —er, m. golf-player. Koos, v. basin, bowl; pond; dockKom bsnrs, v. sailor 's co.priet. rug. —he, cooking-hut. —babe, v. cook 's galley, caboose. Konsed taint, m. comedian, actor. —ie, v. play house, theatre. Konteet, v. comet. K•stssen, on. w. to COWIN to arrive; to get. hoe komt dat? why so? s hat is the reason of that? eaten —, to wend for, to order. ncder —, to approach. realer to advance, to improve. aehter i-ta —, to trnd out (to discover. to get the knack of) v thing. aan lets —, to get (to gala, to come by) a thing — es., to bethink one 's self of. er door —, to get theough, to pats. tot etch zelven —, to recover one 'S senses. in gehrutk —, to cone into fashion, to become cuetomary, in de gedaeltte —, to occibr (to eurgeet one 's self) to the mind, in kennis — meet, to snake the acquaintance of, to become to get) ftequainted with. KontenU„ v. —sw:nAel. grocer 's shop. Komfos,r, o. chafing-dish. Konskin, no. cumin. zwarte —, caraway. —kens, —ekaus, cumin-seed-che,see, clove-cheese. -tead, CUMICI-seed.

ki,,, p') Loepti, v. a. & n. (etch) houden; Kidney , kid'ulh), a. nier; slag, snort; humeur. behouden, bewaren, ondernoudeu, beecheemen; —bean, snijboon. —wort, navelkrutd. (zich) afhouden; vieren; blijven. — bad hours, Ktiderkin (kll'dur-kin), a. vaatje. laat thuis komen. — fair, in goede verstand- KM (kill'), v. a. dooden, elaehten. —er, a. donde, howling zijn. — time, in de moat blijven. (away) Kiln (k11'), s. oven, eest. —dry (-draj), v. a. eesten. e Menden; wegbitj ven. (back) terug-, achterhou- Kilt (kilt), a. korte rok (detellooglandera). den; terugbliiven, (down) zich bedwingen; lenge Kinebo (ktm'bo), a. Zie Akimbo. houden; vernederen. (from) afhnuden; zich oat- Kin (kin), a. verwant. —, a. bloedverwant; maaghonden. (in) inhouden; in toom houden; binnen nehap; verwanteehap. blijven. (on) aaerbouden; voortgaan. (out) buiten Kind (Itajnd'), a. }toed, vriendelijk, 'muscle (tee houden. (blijven). (to)' etch houden aan . (under) —hearted, goedhartig. —,13. wort, gealaeht; card, onderdrukken, (etch) bedwingen. (up) ophouden; wijze. in —, in nature. ophltIven; levendig houden; votharden. (up with) Kindle (ktn'd1), v. a. aaneteken; aauhitsen; et n. bljhouden. —er, s. bewaarder; opziehter; cipier; vtear vatten, ontbranden. —r, s. aansteker; canzegelbewaarder. —erskip, a. opzichterachap. —ing, hittier. P. bewaring; nvereenstemming, voeding; gezel- Kia;d Illness (kajud'li-uses), v. wetwillendheid; sehapekamer. natuurlilke acrd. —4,a. & ad. welwillend, vrienKeepsoke (kiep'seek), th aaudenken. delijk, zachtaardig; natuurlijk; gelijksoortig, verKee•e (khv'), —r, a. koelvat. want. —nets, es. vriendclijkheid, goelheid, heuechKeg (keg), a. vaatje. held. Ken (Yell), a. darninet; pop (eener cups). Kindred (kin'drid), a. verwant, gelijkeoortig. —, Kelp (kelp), e weedaech, soda. a. verwantechap; maagechap. Kelp to (kel'itih), —y, a. spookpae.rd. Tittle (kajn), pl. koeien. Keller (katur), e. gereedhetd. Kil ► g (kiting ► , a. boning; heer; dam. — at arms, Ken (ken), th bereik des gezichts. —, v, a. onder- wapenkoning. —apple, renet.--craft,regeerkunst. ,cheiden; erkenuen; v. n. rondzien. —cup, ranonkel. —fieher, tiavogel. —killer, koKennel (ken't.11), a. howdenhok; koppeljachthon- ningsmoordar.—piece,—post,gevelapite.—'s-bench, den; hol; goat. —stone, gooteteen. —, v. a. in het oppergerechtshof; kroongevangenis. —'s.eva, kebob houden; v. n. hokken, in bet hok liggen. ningszeer. —spear, goudwortel. —'s-plate, koKenning (Yen'nieng), e. Zie Ken. ninklijke prije (h&j wedrcnnen). —stone, angelKentle (ken't1), a. centenaar. vied'. Kentiedge (kentleidej), a. ballasttlzer. King (kleng'), v. a. boning waken; dam balen. Kerb (kerb'), s. Zie Curb. —stone, rendsteeu, —dam (-dam), a. koninkrtjk. —lake, —1y, a. koKerchief (bur'tejif), a. hoofddoek, dock. —ed ninklkik. —chip, a. koningsehap. (-tsjift), a. gedekt, gealuierd. Kink (kingk), a. kink; inval; but. —, v. n. in de Kcrf (kurf), e. beef, insnijding. war geraken; uitbareten. Kermes(kuemiaa), a. scharlakenbezle. Kinn folk (kinzlook),s. maagscbap. —man, —wafter', (knell), s. borsch soldaat; lereche boer; hand- man, a. bloedverwant. molen. —, v. n. korrelen. Kipper (kip'pur), i zalm (na het kuitealeten). Kernel Ikur'nil), a. kern, pit; korrel; knee. —eta- —tame, verboden t drone de zalenvanger. I er, perste°. —wort, bruinwortel. —, v. n. zich tot Kirb (barb), a. Zie erb. korrele zetten. —1y, a. vol barrels (platen). Kirk (York'), a. kerk, echotsche beck. —man, ann. —mere (-mier), th literacy (kar'aili), a. karsaai. hanger dee achotache kerk. Kirtie Ikuet1), a. wambuia; jakje, lijfje. casimir. Retell (ketej), s. kits (zeker vaartuig). Kiss (bias'), s. kes, zoen. —. v. a. kueeen, zacht Ketchup (ketsj'up), a. Zie Catchup. aanraken. to — one's hand to, eene kushand toeKettle (ket't11, a. ketel. —drum, keteltrom. —pins, werpen. —er, a. kusser. —ing-comfit, weiriekend keeels; het kegelepel. tsuikergoed. —ing-cruet. weeke eijde (van een krutFhout. —heads, bolder, Revel (kev'il), a, brood). —me-quick, a. voile, sluice. Key. (ki'), 8, eleetel; toets, blep; katje (aan boo- Kit (kit), a. zakviool; zaltnvaatje; melkee.mer; men), land. —bit, sleuteibaard. — chain, mleutel- grooie beech; katje; schoenmakeregereedschap; bent, menitte. ring. —cold, ijakoud, levenlooe. —hole, eleutel- Kitchen (kitsjiin), a. keuken; kombula. —boy, gat. —alone, eluiteteen. —age, a. kaaigeld. —d, a. rat Vibe (kajb'), a. winter, winterhiel. koksjongen. —furniture , keukengereedsebap. winterhieicu geplaagd. —garden, moestuin. —maid, keukenmeid. —styli', Kick (bib'), a. sehop, trap; stoat. —sole, men- braadvet. —tackling,!eenkengereedsehap. —wench, gel neoes, samenraapsel. —shoe, dancer, springer. vatenwaschster. —work, Iceukeneverk. —, v. a. & n. echoppen; each verzetten, (against. Kite (kat'), m. wouw, kiekenalef; vlieger; schraat), —er, a. ',chopper. I per. -fish, vliegende visch. —'s-foot, havikskruid; Kid (kid'), a. geitee. —fox, jonge YOB. —gloves, ka- ,, gale tabak. bretleeren handachoenen. —skin, geitenleder. —, I Kith (kith), a. bekende. neither — nor kin, geen v. n. geteen werpen. vriend of maag. Idcr (kidgdue), a. opkooper. Kl, Kitten (kIt'tn), s. katje, —, v. n. werpen (van Kidd! c (kid'd1), s. viechweer. —ing, s. joule geitje. batten). itifeinop (6id'neee, v. a. (k"..nderen) oplichten, ate- I Kltck (klik'), v. a. weekapen; v, th klapperen, tiklee . pee, m, kiuderdiel; ciel verkoc.per. ' kou --er, al. werkba tie,
on. wa to dream; to be absent (in mind). —er, m. —ster, v. dreamer, visionary; dotard. —erig, by • & bw. dreaming (-1y), sleepy (41 y), drowsy (.ily), dull (-y). —erij, v. reverie, vision, fancy. Droop en, ov. w. to baste. —ing, v basting. Drop, on. drop, eaves; disorder in the breast of a o. Spanish licorice. —stun, suckling woman. m. & o. Zie Druipste on. on. W. Droppel, m. drop. —pia, strangury. — 8 soijze, to drop, to trip. to trickle. —Inge, bw, by drops. Droackenrd, m. bailie. —schap, o. bailiff's office, bailiwick. Droetten, on. w. goals —.to run away, to make off. Drtist in. bailiff. — (teat, —.chap, o. Zie Prospoordsehe p. —endienst,ssessigeDruide,m. druid. Druif. v. grape; head (knob) of a lighterman 'a pole; easeabel. —geneel, grape.sweliing. ambrosia. —on. vintager's knife. —vlies, oyes. —earwig- grape-like, uveoun. m & v. Zie Drultoor. Drull, ne. —en, on. w. to loiter; to slumber; to Temp.—oar, mope. mopue. ooren, on, w. to mope. —oorig, mnpish, sullen. —oorigheid, moplehuess, sullenness. —er, m. —ster., v. loiterer; drowsy head, mope. rnopus. Drosip, a,. mrop, eaves. — en, on. w. to drop, to drip, to trickle; to run; to be cast (op een exams.). —had, shower - bath. —nat, wet all over, throughwet. —netts, sniveling nose, sniveler.—oog„running eye, blear-eye. —oogig a bleare eyed.— staart.person (dog) that steals away. —.tearles s to sneak away. —atoartend, sneakingly. —steen, stalactite. —er, —srd, m. gonorrhoea. —use, v. dropping. Denison. on, w. Zie Aandrutsen. Druir eblead, o. vine-leaf. — aeons, vine-tree. —epit, atone of grapes. —eadit, shin of grapes. —Meet, grape stalk—enbloed, —mot, —onto, juice of peps., wine. —enhorf,—enmand, dorm. —enlezer, vintager. —entesing,—enoogst, vintage. —snmoer, dreg* of grapes. —enpers, wine-press. —enperser, wine-presser. —enrank, branch of a vine. —intro., bunch of grapes. Druk, by. very busy, full of (crowded with) business, much occupied; bustling. m. pressurn; dietreete oppression, affliction; print, printing, impression; edition. —ken, ov. w. to press, to squeeze, to pinch; to oppress, to afflict; to print; iemand in sijne amen —, to clasp a. o. In one re arm. op cone lettergreep —, to lay a !stress upon a syllable. kV liegt aloof het gedrukt I., he lies impudently. —bal, printer's ball. —doeh, pressing-cloth; compress. —fell, —foot, error of the press, typographical error, erratum; printing-fault. —inlet, printing-ink. —hasten, cost of printing. —kunst, art of printing, typography. —letter, type. —loon, printing-charges. —paper, printing-paper. —pers, printing - press; press. —perevrifhesd, liberty of the press. —proof, proof, proof-sheet. —echrift. printed paper, — book. types. —week, press work. —load, by. & bw. exceedingly heavy, excessive (-1y), grievous (-Iy), oppressive . (-1y I.—ken, m. primmer; printer, pressman; —sjangen, printer's devil; —epee, case. —ahneeht, journeyman printer; tympani
A NA .—ANS . —ogy (-ud-zjih), a. gelijkvormigheid, overeenkommt. —psis (-I-zia), a. ontleding. Analy tic (en-e-lit'ik), —tical, a. analytisch. —ties, a. leer der ontleding. --re (en'e-lajz), v. a. ontleden. Ananas (e-nee'nes), a. ananas. Anarch teal (e• naar'kiki), a. regeeringloos. —ism (en'er-kizm), a. verwarde toestand. —y (en'erkih), a. regeeringloosheid. Anathema (e-neth'i-me), a. banvloek. —tire (-tajz), v. a. in den ban doen. Anatomical (en - e - tomlic1), a. ontleed.kundig. Anatom ist (e-net'o-mist), a. ontleedkundige. —ice (-majz), v. a. ontleden. —y, a. ontleedkunde; geraamte. Anceat or (en'ses-tur), a. voorzaat. —rat (-trel), a. voorvaderlijk. —ry (-trih), a. geslacht, yourvaderen. Anchor (eng'kur), a. anker; ateun. to cast or drop het anker uitwerpen. to ride at —, voor anker liggen. to weigh —, het anker lichten. the —drives, het anker is v lot. to shoen an een anker bewoelen. — v. a. & n. ankeren. —age, s. ankergeld; ankerplaats. —ground, —hold, ankergrond. Anchovy (en-tsjo'vit), a. anajovis. Ancient ,ee ►t'ajent), a. oud. —, a- de groote vlag. the —a, de ruder, —ly, ad. oudtijds. —ry, a. held van geslacht. And (end), conj. en. --iron (end'aj-run), a. yourbok. Androgyn cal (en-drod'zji-net), —ous, a. tweealachtig. Android (en'dro-id), a. draadpop. Anecdote len'ek-doot), a. anekdote. Anemo graphy (en-e-mog're-fIh), a. windbeechrijving. —meter (-mom'i-turf, a, windmeter. Anemone (e-nem'o•ni), s. anemoon, klaproos. Anend (en-end"), ad. loodrecht. Aneurism (en'jou-rizm), a. slagadergezwel. Anew (e-njoe'), ad. op nieuw. Antrac tuous (en-frekljoe us), a. bochtig, kronkelig. —ture ( tjoer), a. bocht. Angel leen'dzjell, a. engel. —shot, kettingkogels. —ology (-ol'ad-rjih), e. leer der engelen. Angelic (en-dzjel'ik), —al, a. engelachtig. —a, a. engelwortel. Anger (eng'gur), a. gramschap; pijn. —, v. a. vertoornen. —ly, ad. gramstorIg. Anglo graphy (en•dzji-og're-fih), a. beschrijving der bloedvaten. —logy (-ol'ud-zjih), a. leer der bloedvaten. Angle (enegl), s. hoek; henge•. —, v. n. hengelen. —r, s. hengelaar. Angli clam (-eng'git-sizm), a. engelache spreekwijze. —cite (-sap), v. a. engelech maken. Angling (eng'glieng), a. het hengelen. —line, hengellijn. —rod, hengelroede. Angor leng'gur)., a. hevige pijn. Angrily (-eng'gri-lih), ad. gramstorig. Angry (eng'grih), a. gramatorig, bawl (at. with); smartelijk. Anguish (eng'gwisj), a. angst, faltering. —eel, a. beangat, gefolterd. Anvil ar (eng'gjoe.ler), —ous, a. hoekig. —arity (-leett-tih), —arness, a. hoekigheid. —ated, a. gehoekt.
GEM —GElt. Genes:offal, o. muffling, juggling. Genaok„ o. pouting, Bulking. Geneonepel, o. mumbling, muttering, rumor. senor, o. murmuring, grumbling. Gemara, o. epattering, dirtying, mess. (Aetna, o. chemoie, wild go,tt. —bok, buck of the chamois. Geenutt, o, riot, revolt, rebellion. el amount, be. coined. het — hebben op, to aim at, to mean. Geueurneci, o. inur, mar, purling. G greenest, be. wearing a rap. geed —, in a good humor, disposed, Inclined, willing. kwaliik —, in a bad humor. Gemze leer, o, shammy. —njacht, chamoishunting. —flower, chamois-hunter. Gesael, o. sewing. Genstakbsar, by. accessible. —held, v. accessibility. ansaned, be. named, called. G ensile, v. grace, mercy, favor. op —en ongenade at discretion. door Gods by the grace of God. op — laten drixeen, to leave to the merry of wind and waves. —brief, pardon, reprieve. —brood, charity. —leer, doctrine of grace. —sing, finishing stroke. Genadig. by. & bw. merciful (-ly), gracious (.ly). G en taken, on. w. to approach, to draw near. (lane, vow. yonder, that, the other, the former. doze en —, the one and the other. dezen en —n, come people, many people. teencbse, be. beaked. G eneeren (rich), t. w. to gain one 'a livelihood, (wet) to make shift with; to constrain (to inconveigencei one 'a self. geneer u niet, make youruelf at home. Genesee Weer, be. —Wk, by. curable. —drank, draught, potion. —beer, —hundige, p'eysician, doctor. —kracht, sanative virtue. —tirachtig, medicinal. —kieids„ —kunst, medical art, physic, therapeutics. —kundig, medical. —middel, medicine, physic. —peeler, medicine/. powder. —wijse, method oi cure. Genegen by. inclined, dieposed, favorable, Isvorably disposed. —held, v. inclination , affection. Geneigd, be. Inclined, addicted, attached. —htid, v. inclination, propensity. Genersel, general. —, by. general. de Staten —, the States Genera!. —sehap, o. generalship. Geneirailteltolanden. o. 111.7 . territories longing to the United Provinces in general. Genet, o. genet. Genetagte, v. pleasure, delight. Genoa en, oy, & on a. to cure, to }teal, to recover. —in2,Y, cure, curing, healing, recovery. Genie, o. genius. —, y. engineering. —korpo, corps (body) of engineers. —officier, engineer. —school, military academy (for engineering. Gentep, o. its het —, in secret. —ep, be. hypocritical, sly. —igAeid, v. malice, bypocrisy, slyness. Genies, o. sneezing. Genlet en ov. w. to enjoy, to take. —or, m. anjoyer. —Jag, v. enjoyment, pleasure. Genoeg, bw. enough, sufficiently. —darning,

Kan Bitcoin betalingen worden getraceerd


brengen; in 't iteht geven. (forward) te voorschp. Purley (pur'sih), a. kortad,mig, dampig. brengen; bespoedigen; bevorderen. (in) ineetten, Purtenance (puete-nere), e. omloop (Inge-leggene invoegen; inspaunen. (off)affeggen,-zetwand), ten, uitdoen; uitstellen; paaieu; in omloop brenPalmier) ce (pjoe'roe-lees), —cy, o. ettering. gen; afsteken. (on) aandoen, aantrekken, epzeta. etterend. —t, ten; bevorderen; aanzetten. (out)ultdoen;uitete Purv e y (pur-vee'), v. a. versc'naffen, voorzien van; v. n. voorraud opdoen. —ance, s. aanschafken; uitzetten (ook geld); uitbluaschen; uitwi bezorging; voorraad; mondbehoeften. —or, schen; in verwarring brengen; boos makes; we s. verschaffer; anuschaffer; leverancier; proviandjagen; bekend maken;nitgeven. (over) overzette ultstellen; verwijzen (to). (to) bi.jdoen; bijdrage meester; koppelaar. inspannen. (up) opsetten; ophalen; opsteke Purview jpar'vjoe), a. voorbehoud, boding; hoofdpunt, strekking ieener wet of acte). opiagen, in-, oppakken; opperen; voorstelie opstellen; ter zlide leggen;inmaken;uitspannen Pee (pus), a. etter. Push (poesn, a. etoot, dour; aanval; poging, in(upon) toevoegen; opleggen; aansporen; bedriespanning; blear, vin; verlegenheid; niterste. at gen. —, v. n. gaan, etch bewegen, koers zetten (to); kiemen, ultbotten. — to sea. onder zeil gaan. one —, in eens. —sack, terugdrijving. —bolt, — into a port, eene haven binnenloopen. — about grendel. —pin, speldeprikken (kinderspel). —, v. a. stooten, duwee; dringen; drtjven; voortship, wooden. (forth) uitloopen.(in)binnenloopen. helpen. (back) terugdrijven, -wijzen. koff) Oda(in for) dingen naar. (off) afvaren. afsteken. (on) wen; opruimen. (on) aanzetten (to); voortduwen; voortmaken; doorstappen; voortrtjden. (out) ultloopen. (over) oversteken; overvaren. (up at) atvoorthelpen. —, v. n. stooten, duwen; ultbreken. (at) aangrijpen; streven naar. (off) het ruime atappen, intrek nemen in. (up for) etch aansop kiezen. —er, a. atooter, duwer; aandrtver. bieden (aanmelden) voor. (up with) verduwen, verkroppen. —sng, a. dringend; doorzettend, ondernemend. —ing.school, sehermsehool. Puta ge (pjoslidsj),s. ontueht. —nism ;-ten-ism), a. ontuchttg levan. 1Pusilllanim one (pjoe-sii-len'i-mug), a. —oualy, Putettive (pjoe'te-tiv). a. vermeend, gewaand. ad. bloóhartig, schroomvallig. —ity —ousness, a. bloOhartighed, sehrooraval- Pond (pjoe'tid), r. sehandelijk, gemeen. —nest, r.sehandelijkheid, laagheid. ligheid. Puns (poes'), s. poes, katje; haas; wijf. —y, s. Put lock (putlok), —log ( leg), a. steigerbalk. Put-off (poet'of), e. ultvlueht; uitstel. poesje. —y (pus'aih), a. Zie Purley. Pastes' e (pes'tjoel), a. puistie.—ous, a.puistig. Putredinous (pjoe-tred'i-nun), a. atinkend, rot. Put (put), s. drang, moet; lomperd; sukke1; liciate- Putref action (.pjoz-tre-fek'sjun),s. verrotting. kooi; zeker kaertspel. —active (-tiv), a. verrottend. —y (fa)'), v. a. & n. (doen) verrotten. Put (poet) [put], v. a. zetten, steilen, leggen; vertalen (into); echuiven op, Wlj ten aan (on. upon); Putresc ence (pjoe tres'aens), a. verrotting. bewegeu, dwingen (to). — a yoke upon, voor den —ent, a. verrottend. —ible, a. aan verrotting onderhevig, gek houden. — a atop to, beletten, stuiten.. a trick upon, eene poets speien. bevond doubt, Putrid (pjoe'trid), a. verrot, bedorven. — fever, buiten twijfel steiien. -- in bail, borg stellen. rotisoorte. —ity (-trid'it-tih), —nese, a. verrotbeid. — in fear, vrees aanj a gen. — inhope, hoop geven. Put ter (peet'tur), s. zetter, atelier, pleatser. —on, — in mind of, herinneren. — in pledge, verpan-; s. ophitser, opruier. —out, s. reiziger; opspaardee, uitzetter. den. — in print, laten drukken. in writing, op 't papier brengen. — into heart, bemoedigen.1 Putt ock (put'tuk), a. wouw, kiekendief. —y,s. — into a passion, boos maken. into practice,; stopverf; tinasch. in praktijk brengen. off time, tijd zoeken te Puzzle (puz"z1,, a. verlegenheid; raadsel. —headed, winuen. — out fair. goede kens hebben. — out verward. —lock, letterslot. —, v. a. in het nauw (de war) brengen; v. n. verward zijn. —r, s. die of heart, onimoeligen. — out of joint, ontwrichten. — out of mind, nit de gedachten zetten. — , hi het nauw brengt. out to trade, op can ambacht doen. — (hard) to Pygerg (paj'gaarg), a. witstaart. it, plagen, kwellen. — to account, in rekening Pyktas can (pig-mi'en), (Pirm111), a. dwergbrengen. — to charges, op kosten jagen. — to ' aehtig. —y (p(g'rnih), e. dwerg. death, ter dood brengen. — to fire, in brand Pyramid (pir'e.mid), a. pyramide, —al (pi-rem'. steken. — tonight, op de vlucht drijven. — to pain iedel), —ic, —ical (-mid'ik-), a. pyramidaal. (pains), smart (moeite) veroorzaken, — to shame, Pyre (pajr), e. brandstapel. neschamen. — to silence, tot 2.wijgen brengen. Pyretic s. koortsmiddel. — to the sword, over de kling jagen. — to trial, Pyr its (pir'ajt), a. vuursteen, —olatry (pi-rol'ein 't verhoor brengen. — to the vote, in umvraeg trih'., s. vuurdienst. (pi-rol'ud-zjih), s. (stemming) brengen. (about) doen rondgaan; in verhandeling over het vuur of de hitte. —omancy (•o-men-sih),s. waarzeggerij nit het vuur. —ometer omloop brengen. (away) wegzetten, -leggen; weg(pi-rom'i-tur), —oecope (-o-skoop), s. warmtezenden; verstooten. (back, terugstellen (by) meter. wegleggee; bewaren; afweren; verwaarloozen. (down) neder] eggen., -zetten; afzetten; o nderdruk- Pyroiechn lc (pir-o-tek'nik), —ical, a. van vuurwerken, vuurwerk-. —tea, pl. —y (pir'o-tekken, vernederen; tot zwijgen brengen; opechrijnib), a. vuurwerkkunst. —tot, s. vuurwerkmaven; efechaffen (forth) te voorschijn brengen; ten ker; vuurwerkkundige. loon spreiden; voordragen; uitstrekken; voort-

Wat in aanmerking komt voor een 1031-uitwisseling


NIC•—NOG. 196 derd en tachtig. —teen (-tien),Lnegentien,—teenth Nickel (nil-f1), a. nikkel (zeker metasl). (- tienth), a. negentiende. —tieth (-ti-ith), a. neNick er (nik'ur), e. gauwdief; knikkerkuiltje. -ing, a. het angliseeren (van paardestaarten). gentigste. —ty, a. negentig. a. Ninny (nin'nih), e. —hammer (-hera-mur), a. stof—nack (-nek), a. snutatertj, beuzeling. fel, bloed, cut. spotnaam; v. a. een' spottraam geven. Nicotian (ni-ko'ejen), a. van den tabak, tabaks-; Ninth (najnth'), a. negende. —4, ad. tennegende. Nlp (nip'), a. neep, kneep; beet; steek, schimpa. tabak. a. %let ate (nik'teet), v. n. knipoogen. —ation (-tee'- scheut; verschrompeling (van vruchten). kntjpen, klemmen; bijten; sntjden; een' steak Olin), a. (het) knipoogen. —state (-ti-teet), v. n. ; bederven (door onder water geven; . knipoogen. kende); opseizen, beknjpen. —per, a. nijper; your-, Nide (najd), a. neat, broeisel. melktand (van een paard). —perkin (-pur-kin), Nidget (nid'ejit), a. lafaard; bloed, sul. !Udine& to (nid'if-i-keet), v. n. neaten bouwen, a. kroeeje, wippertje. —pers (-pure), pl. niiptangetje; haartang; seizingen van de kabellaring. nestelen.—tion(-kee'sjun),s. (het)neaten bouwen. —ptngly (pieng.), ad. bljtend, seherp, schamper. nesteling. Nidor (naydur), s. reek; braadlucht. —ous, a. Nipple (niVp1),s.tepel. —sben,napschelp.—tcort, naar gebrand vet emakend (riekend).tepelkruid. NIdula nt (uidloe-lent), a. in dons (wol) liggend. I Nit (nit), s. nest. Nitency (narten-eth), a. glans; poging. —tion (-lee'sjun), a. nest-, broeitijd. Nitid (nit'id), a. bllnkend; levendig. Niece (utes), s. nicht, oomzegster. Nlggnrd (nig'gurd), s. vrek. —, a. —ly, ad. vrek- Nitter (nit'tur), a. bored. inhaiig. —liners (-li-ness), —nese, s. vrek- Nltr ate (naftret), s. salpeterzuor. —e (-tur), a. salpeter; —works, s3lpetergroef. —ic (-trik). a. kigheid, inhaigheid. salpeterzttur. —ify (-triNiggle (nig' l), v. a. voor den gek houden; v. n. salpeterachtig; faj;, v. a. in salpeter veranderen. —ite (-trajt), treuzelen, beuzelen. Nigh (nar), a. ad. & prp. na, naverwant; nabij, a. salpeterzuur tout. —ogen (-tro dzjen), a. etikdtchtbij. well —, btjkans. —4, ad. lAjna. —ness, stof. —ous, —y, a. salpeterachtig. Nitty (nitlih), a. vol neten. a. nabijheid. Night (nait'), s. nacht; avond. at —, in den nacht. Niveous (niv'i-us), a. eneeuwachtig; aneeuwwit. to —, heden avond. last —, gisteren avond. Nixy (nikellt), s. spook. —angling, a. peuren, poeren. —bell, nachtbel. Ntzy (narzih), a. stoffel, stumpert. —bird, nachtvogel. —born, in den nacht gebo- No (no), a. geen. —, ad. neen; niet. ren. —brawl, nachtgerucht. —brawler, nachtloo- Nob (nob), a. hoofd, bol, knikker. —by, a kraper. —butterfly nachtvlinder. —cap, slaapmuts. nig, moot. —cart, drekkar. —crow, nachtraaf, —dew, nacht- Nobili ary (no-bil'i , e-rth), a. adelboek. —tate dauw. —dog, nachthond. —.dress, nachtgewaad. (-teat), v. a. adelen. —tation (.tee'sjun), a. ade-fall, het vallen van den avond. —faring, a. bij ling. —ty (-it-tih), a. adel. adeldom. nacht reirend; s. nachtreis- —fire, nachtvuur, Noble (no'b1), a. Nobly, ad. adellijk; edelAvera. edelman; nobal. —man, edelman. dwaallicht. —fly, mot. —foundered, in den nacht heven. verdwaald. —gown, slaapjapon. —hag, nachtheks. woman, adellidke dame. —nese, a. edelheid. —hawk, groote nscbtuil. —irons, baarrollers. Nobody (no'bu.d-ih), a. niemand. —man, eekreetruimer. —mare, nachtmerrie, Nocent (no'sent), a. schadeltjk; schuldig. —piece, nachtatuk. —raven, nachtraaf. —rest, Noctanabulation (nok-tem-bjoe-lee'ejun), a. (-tem'bjoe.list), a. (het) slaapwand'elen. nachtrust. —revel, nachtvermaak. —reveller, rin- nachtelij k geraas. —shede,nacht- alaapwandelaar. keirooler. schade. —stand, nachttafeltje. —tripping, des Nocti dial (nok-tid'i-e1), a. een etmaal durend. nachts rondwarend. —walker, nachtlooper. —ferous (-tirur-us), a. nachtbrengend. —lucous —wanderer, nachtzwerver. —ward, a. tegen den (•tirjoe-kus), a. des nachts sehtnend. —vagant nacht. —snatch, nachtwacht. —ed, a. donker,.duis- (-tiv-e-gent), a. dee nachts rondswervend; a. ter. —ly, a. nachtelijk; ad. des nachts; elken nacht. nachtloeper. —vagation (-ti-ve-gee'sjun), a. rondNightingale (najt'in-geel), a. nachte,gaal. zwerving bij nacht. N igr encent (naj-gres)sent), a. zwart wordend. Noctu ary (nonjoe-e-rih), a. nacht-rapport. —le • (-tjoel), a. groote vleermuis. —ification (nig-rit-i-kee'sjun), s. zwartmaking. NUM 1sm (naybil-izm), —ity (-hil'it-tih),s. (het) Nocturn (nok'turn), a. naehtdienst. —al ( r , niet; nietigheid. nel), a. nachtsltik; a. nachtkijker, astrola ium. %ill (nill), B. (het) vonken epatten. —, v. n. niet Nod (nod'), s. knik, weak. —, v. n. & n. kni ken, wenken; knikkebollen. —der, v. knikker; bulkwillen. will he, nill he, of bij wil of niet. keboller. Nilometer (naj-lom'i-tur), a. nidlmeter. Nimble (nit 'hi), a. Nimbly, ad. vlug, vaardig. - Nod die (nod'd1), a. kop, bal. — dy (-dih), a. dom. —footed, snel ter been. —witted, vlug van geest; oor, stoffel; witkop (vogel). Node (nood), a. knobbel, lmest. voorbonig. —ness, s. vlugheid. Nodos e; - (no-doos'), a. knebbelig, hnoestig, —sty Nimbus (nim'bus), s. straalkrans. Nincompoop (nin'kum-poep), s. bloed, sukkel, (-doe'it•tih), s. knobbeligheld, knoestigheid. Nodul ar (nocUjoe-ler), a, knoestig. —e (-joel), zotskap. Nine (najn'), a. negen. —fold, a. negenvoudig; a. a. knobbeltje, klompje. negenvoud. —pins, pl. Itegelspel. —score, a. hon- Nog (nee), a• houten drinkkan; bier; :schndstok,
wakker, op zOne hoede. —ly, ad, wijd; in de Wimple (wim'pl), a. kap, an der; wimpel. v, e , eluieren; onndoen; neertrekken. verte; (seer) ver; veal. —a, v. a. & n. (zich) verwOden, uitzetten. s. breedte; wijd te; nit- Will (win) [won (wun)], v. a. winnen, verkrijgen; geetrektheid. veroveren; overhalen. overreden (to); (over) overWidgeon (wid'ojun(, s. spekeend, taling. haien; v. n. zegevieren; vorderen. 'idow (wid'o), s. weduere. —bench, weduwen- Wince (wins), v. te, eehoppen, trappen; achteraandeel. —hunter, weduwenjager. —wail, dwergnit slean; -- denizen; wOken; Cell wringer, olijfboom. —, v. s. tot weduwe maken; (of) be- Winch (winttP, s. schop; hanpel; handvateel. .rooven van. —ed (•ood), a. tot den weduwstaat kruk. —, v. n. Zie to Wince. gebraeht; beroofd. --er, s. weduwnaar. —hood, s. Wind (wind'), s. wind; nicht; adem. in the —, weduwttsat. op tit, gaanda. upon a—, ashen) bij den wind. Width (width)• s. hreedte, wijdte. to get (take) —, in vernal geraken. to have in Wield (wield'), v. a. hanteeren, zwaeien; bego down the —, uniekken, ruehtbaar warden. to heerachen —able, —y, a. te hanteeren, the —, in den noun hebben, de lutist hebben van. Wile (wajf') s. vrouw. huievronw. —hood,a. staat to take the — of, de loaf krijgen op; afateken. van getrouwde vrouw. —less, a. mender vrouw. — beam, wind-, kielbalk. —bound, deer tegen—ly, a. van eene vrouw. wind opgehouden. —Irroken, kortademig. —cheat, Wig (wiz'), a. pruik. —stoker, pruikmaker. —truck, windlade, blaasbalg. —egg, windei. —fall. efgewaald ooft; buitenkaneje. —fallen, Wight (waft), s. keret. vent, wczen. § Wigwam (wig'wem), a. but (der indienen). afgewaaid. —flower. anemoon. —gage, windmeter. —gall, gal (Ai paarden). —gun, •indroer. (wajl V), a wildernie, woestenkj. —, a. —Cy, —harp, Loins-harp. --instrument, bl eas-inetruad. wild; woest; onstuimig; woedeud; dot, onmeat. —lass, hempen braadsptl. —mill, zinnig; zonderling; losbandig, buiteneporig; verwindmolen. —month, windmaand (November). anderlijk. —boor. everzwijn. —briar hondsrooe. —pipe, luchtptjp. tuchtpomp. —row, ge(--eat bank, oneolide bank. --fire, griekseh vane, spreid gram. —sail, koci)zetl e —shock, windseheur. darewworm, coos. —fowl. wild gevogelte. —goat, —swift. noel ale de wind. —thrush, zingneeerle. gems. —goose, wilds gans; —chase, wilde-trantight, Ineht&ichtt tegen den wind besehut. —, zenjaeht; ijdele poging. —parsnip, suikerwortel. —plum, eleepruirn. —radish, wilde mosterd. v. a. inchten, sass den wind blootstellen; buiten (wild'ur). v. a, verwairen, verbijeteren. adem brengen; de lucht hebben van, op den reek volgen. --nen, s. wildernis, woettenij. Wild ing (wajld'iang), a. haogappel. —nese, s. Wind (wajnd) [wound (waaund)], v. a. winden; wildheid, woestheid; onquimigheid, onzinnigdraftier', wenden; wikkelen; omeiniten; indringen (into); veranderext; blazes. (off) afwinden, atheld; zonderlingheith lortbandigheid. haspelen. (out) loswinden, lestvikkelen. (up) opWile (wail), a. list, kunetereep, bedrog• winden; in orde brengen; bestutten, afsiniten; Wilful (wil'foel), a. —ly, ad. gewillie; eigen§ tot reijgen brengen. —, v. n. slob winder], — zinnig, halmetarrig; opzettelijk. —netts, e- gewitkronkeien draaien. (out) slob lotwinden, — losligheid; eigenzinnigheld; helestarrigheid; opzet• wikkelen. telijkheid. Will ly (wartil-lih), ad. Zie Wily. —nest (-li- Windage ,wind'INI„ a. speetruimte, meeting.. Winder (wajnd'ur), s. winder, opwinder; haspen ne., a. lietigheld, sluwheid. Wilk (wilk), e. trompetiehelp, -slak. winde, elingerplant. willekenr; veriangen; testa- Windiness (wind'l-ness),e. winderigheid; windWill (will), s. near btlieren. to open a --, een nicht; opgeblazenireld. ment. at testament openen. good—, toenenegenheid; no- Winding lwajnd'ieng), s. kromming, kronkelieg. —, a. draalend, kronkelend. —butt, boeghont. ring, klandizie. ill—, afkeer. wrok; kwasiwil—curve, golvende lijn. —horn, waldhoren. —sheet. Beheld. —, v. a. wilier': wseeseben; bevelen; lijkkleed. —staircase, —stairs, pl. wenteltrap. vermaken; bij testament bepalen; v. n. een tes—tackle, zOgijn. tament mitten; bepalen, Will (will') [would (weed)], v. n. wilien, zulle.n. 'mud le (vvind'i), s. haspel, Moe, —less, a. stil, sander wind, ademloos. — he nill he, of bij wit of niet. —ed (wild), a. Winslow (win'do), s. vertster, raam; opening. geneied, genind. —er, s. wilier. Willing (will'ieng), a. gewillir, vrijwillig, be—bench, —8111, v enete thank . onnebli d, seherm. —frame, vensterraem, kezijn, —clutter, reidwillig; genelgd, veriangend. — or unwilling. willens of onwillems. God —, zoo God wit. —/y, vensterlutk, -blind. —tax, velietergeld. —, v. a. ad. vrijwillig; gaerne. —neas, a. gewilligheid; van venatore (openIngen) voorzien; Kan bast veinier plastics. —ed (-flood), a. met venstere; met s. wily, to wear the —, een oPent.gen• —Y, a. ale een venater; met knitsblanwtje loopen, —gall, wiigenroos. —herb, weeg- fitrepen, netvormig. brae. - -plot, wilgenbos, hie. —shavings, pl. wit- Wind ward (wind'ward ► , a. near de wlndzijde eelegen; ad, near den wind, loefwaarte; e, wind, esspanes- —sheets, pl. vleehtwerk van wilgenast ( voor hoeden —weed, vlooikruid. —ed (-load), loefzijde; —to —, bovenwinds, te bearer. —y, a. —y, a. vol wilgen. —CM, a. wiigaehtig. wtntierig; ijdel, nietig; opgeblazen. Wily (warliii), a. list*, loos, eluw. Wine (wajn'), st, wijn. —libber,wijnzuiper. —bottle, fretboor. —, v. a Wirnble (wim'bi), a. wijnfieseh. —broker, makelaar in wijnen. —cask, boron. wijnvat. —cellar, —vault, wOnkeider. —eonner,
MOO.- HOU. Iloogerhuls, o. house of lords. Hoogsrwal, m. wind-side. 110ogesehool, v. university. Iloogheld, v. highness; grandeur; tallness; elevation. Hooging, v. heightening; outbidding. Ifoogikik,bw. Zie IloeigeltJk. Iloogoed, o. light, bright part; relievo, embossment. Ilooget, by. highest. —deceive, His (Her) Majesty. —derzelver, His (Her) Majesty's. ten —e, at best, at most; highly. lloogte, v. height, elevation, eminence; hill; altitude. op de — lion, off. op de — zOn van, to be conversant with. de — hebben, to be tipsy. sit de —; haughtily, superciliously; with scorn. —cirkel, aloiacantae. —meter, altimeter. —meting, altimetry. Maul, o. hay. —berg, hay-stack, -rick. —boter, bay-butter. —bouw, hey-herveer, -making. —gaffe, —cork, hay-fork. —hare, winter-chases. —land, —veld, hay-field. —maaier, hay-maker. —maaiing, hay-making. —mated, July. —markt, hay-market. —milt, —opper, hay-cock, -rick. —echuur, hay-barn. —tijd, hay-time. —wages, hay•cart; field-spider. —solder, hay-loft. —en, on. w. to make hay; to sell below the price. —er, m. hay-maker. 110055, m. insult, taunt, gibe, scoff, scorn. —gelack, scornful laughter. —en, )ov. w. to insult, to taunt, to gibe, to ecoff, to fieer at; to bias pheme. —er, m. —sler, v. insulter, taunter, scoffer, blasphemer. sloop, in. heap, pile; gang, set; multitude, troop, flock. bij den — rerkoopen. to sell in the lump. to — loopen, to gather in a crowd. de groote —„ the vulgar, the mass of tho people. —loepers, yo tinkers. Hoop, v. hope, hopes. in de —, hoping, in hopes. de — voeden, to entertain (to cherish)) a hope. Hoorbaar, be. & bw. audible (-bly). —held, v. audibleness. Hoorder,m. —es, v. hearer, auditor. llooren, or. & on. w. to hear, to hark, to listen; to learn. —de, be, hearing; — doof zik, to turn a deaf ear. —swaardig, worth to be heard. Hoorn, m, horn; sea-shell; vellum, parchment x(Ine opstcken, to show one's teeth. — van overvloed, horn of plenty., cornucopia. —band, binding of eperchment. beeeten. --tees, horned beasts, — cattle. —blaser, horn-blower, trumpeter. —drager, cuckold. —geld, tax upon horned cattle. —peschal, sound of horse, flourish of trumpets. —slab, horned snail. —slang, horned viper. C3r,,etelt. —riles, cornea. —vormig, hornshaped. —werk, horn-work. —acktig, by. horny, corneoue. —en, be. of horn; —band, binding of parchment. —loos, by. hornlees. lions, v. stocking, hose; hurricane; water-spout. —band, garter. —gat, well n room. —vat. 'coop. Hoovaard ig„ be. & bw. proud (-1y), haughty (-fly). —igheid,v. —(1, v. pride, haughtiness. Holtz en, or. w. to scoop. —er, to. scooper. Hop, m. whoop. --, v. hop, hops. —akker, hopfield. —coot, hop-oast. --betel, hop-kettle. —booper, hop-man. —perank, hop-sprig, tendril. --pe
lieretenine en, ov. w. to tune again; on. w. to Her.len. ov, W. to review, to revue, to look vote again; (over) to put to the vote again. —ing, over again. —ing, v. review, revision. v. second voting. Herezoeken, ov. W. to seek again. ileretenvel an, or. w. to stamp over again. Sleep, v. knuckle of a ham. Hat, 1. the. —lag, v. stamping over again. Heraticht en, °v. w. to rebuild. —er, m. re- Het, vow. It, he, tin, iletevelk, vow. which, that. builder. --ing, v. rebuilding, restorat;on. Hart, o. deer, stag, hart. beg —, fawn. sager —, Retell, vw. either, or; whether. rascal deer. vliagend —, stag-beetle. - Omit, zie Hess, fieurle, v, hay. Hetet. —eboutosideuf venison. —ekop.stag'ahead. Hens, v. tegen — en meup, against the grain, reluctantly. —enjacht, deer-, stag-hunting, —enkarnp, deer- park. —enpaatei, venison-pie. —env/mice, venison. Heugeli, m. pot-hanger, pot-hook. —sheers, hart's-horn.--aleder, buck-skin. —stony, Henson, OM. W. to remember, to recollect. het heat 'mi., 1 remember. —is, v. remembrance., hart's tongue. —manger, hanger, cutlass. nertee ken en, or. w ejo sign (to mark, to draw) tecellection. again. —ing, v. signint(markitie, drawing) again. Heitexikih, hr. joyful, pleasant, memorable. Herten en, ov. w. to count over again. —ing, --held, v. joyfelnees, pleatantnee, v. counting over Again. Honker, us. retailer. Hertimnier en, ov. w. to rebuild. —ing, v. Haul, v. small wooden bridge. —, o. aid, asrebuilding. eistance; comfort. !Bull, m. poppy. —bloem, poppy flower. —bol, II ertocht, an. retreat, return. Hering, m. duke. —don, o. duchy. —in, v. poppy-head. —sap. upturn. —sand, poppy-aced. dnehees. —elijk, by. ducal. Heulen, on. w. to collude, to conspire, to agree. 'lamp, v. hip, haunch. —been, hip-bone. —jieht, lleetontson, ov. w. to readorn. Hertrolvw, m. second marriage. —en, or. & on. —tee., hip-gout, sciatica. lieu/Jets, by. & bw. courteous (-ly), civil (-Iy)., w. to marry again, to remarry. kind (Ay), obliging (-ly). —held, v. courtesy, Heruut, bw. hence, out, away. Hera alien, on. w. to fall again ; to relapse, to civility, kindnees, lieuvei, o. hill. —top, top of a bill. —achtig, apostatize. Hervott ea, or, w. to resume, to renew ; to tot. hilly. —tje„ o. hillock. reply; (ten bezoek) to call again. —ing, a. reeump , elevel, trt. lever; syphon. ilevtg, be. & bw. vehement (-137), violent (-1y), tion, renewal. fierce (-ly); passionate (-ly), hasty (-fly). —held, Helmet len, ov. w. to offer for sale again. v. veheu.ence, violeuee; paseionatenese, haettnese. Horverv6rn, or. w. to die (to paint) over again. Heel, ea, heel. op de —en sitten, to pursue close. Hervindon, ov. w. .o find again, to recover. Horvieehten, ov. w. to twist (to braid, to plait) — been, heel-tore. —ledir, heel-piece; quarteragain. piece. —stub, heel-piece; quarter-piece; hock. —en, on. W. to heel. —ing, v. heeling; heel, Hervoeren, ov. w. to lead back, to reconduct. Hervorna d, by. reformed. —de, nr. & v. Dutch heel-pieta. —tje, a knuckle (of a hem); beet part. protestant, reformed. —en, ov. NV. to reform, to Hier, bw. here; hither. — en dear, here and transform. —cr, m. reformer, reformist. —lag, there. tot — toe, hitherto, thus far. Merman, bw. at (of, on, to, about) this, hereat, v. transformation; reform, reformation. hereto. Ilervouvven, ov. w. to fold agar, Hervragen, ov. w. to redemand, to ask (bark) Hierachier, bw. bPhind, — thia, illeprof, bw. of (from) this. again. Ilterbentedlon, bw. below, beneath, under bore. 111:rwinorts, bw. hither., thie way. down (below) 'tithe; in this life, in thie worid. iterevannen, or. w. to winnow again. nerwstiseitaien, ov. w. to arm again. Martell bw. hereat, hereto, to this; ennexei, Inclosed. Herwarmen, or. w. to warm Again. ilterhtunen,bw. within (this place). Hersvasechen, er. w. to wash over again. Hierboven, bw. (here) above, up timer,', up Herwesen, ov. w. to weigh over again. Herwtid en, ay. Ir. to reconeecrate, to rear- (above) stairs; to Heaven. Illerbulten, bw. out here, without. dein. —ing, v. reconeteretion, reordination. Illei Avian en, oy, w. to regain ., to reconquer. litereloor, bw. through this place, by thin way; —er, m. retaken. —leg, v. regaining, recapture, by thin (means), hereby. 111ernern, We.. hither, here, to this plash; this recovery. Her na. reerartge. —rekeoing, account of way. picnics, I, w. in (into) this, herein. reexchange. itlierlungs„bw. along here, this way. Herwite.v, or. w. to whitewash (over) again. Iliermede, bw. with chile, herewith. Horwriiven, ov. w. to rub (over) agate. 'Item., bw. after this, hereafter. Ilerennien, 6v. NV. to sow again. Illerznneet en, or. w. to reateemble., ta rally. literssitur, bw.according to th—, accordingly. II ternenst, be. next to thin, next door. lag, a. reaesemblage, rioter. — iii icritmintimill a, bw. hereafter. HI cuntrig.lon, ov. we to meal (over) again.. Herzegs en, ov. w. to cep Fat, to soy again, Hi........n,..., hw. annexed, inclosed; besides. Hierow, bw. for this (reason), therefore. —kg, v. repetition.
BRI. —BRIJ . 424 to break, to crumble; coat in de melts to — hebben, o. morsel. —oar, m, pilferer. Brie:Lei, v. to be a warm man. —en, ov. & on. W. to pilfer. Brous MOD, on. & on. W. to hum, to buss, to IFIrignd lt, V. brigade. —ter, m. brigadier. grunt; to grumble; to be angry. —beer, growler, BrIatantUn, m. brigantine. —pot, sic BrU, v. porridge, hastypudding. —beard, —tied, gtumb:er. —kever, humming-beetle. Drombeor. —tot, humming top. —viieg, mucklisper. —pot, porridge-pot. —en, on. w. to lisp, fly, blue-bottle. —mere m. growler, grumbler; to speak thick. —aehtig, by, pappy, pap like. Cab, hackney-coach. —mig, grumbling. Brik, v, brig. Bell, m, spectacles. een St pair of spectacles; Broil, v. spring, well, fountain, source, origin, cause. —adsr, vein of a well; source, origin. —past, seat. —gat, privy-hole. —slang, hooded snake. spa-drinker,visitor of a watering-place. —muster, —teglas. —ledoos, —Zenhuisje, spectacle-case. Spectacle-glass. —tenkooper, —lenkramer, — len- master of the wells. —water, spring-water, mineral-water. man, seller of spectacles. —lenmaker, spectaclebronze. soaker. —lensli,iper, spectacle-glass-cutter. —ten, Drone, o. bronze. —kleur, brass-color, rutting, rut. —Aid, ruttingon. w. to vex; to bubble, to frustrate one's atm; Brunet, v. pride, season. —en, on. w. to rut. —ig, by. rutting. on. w. to use (to wear) spectacles. —igheid, v. rutting, rut. Brits, v. wooden couch. —en, ov. 'w. to lash, to Bronze's, by. bronze. —, ov. w. to bronze. breech. to have a Beoddell car, m. —aarster, v. bungler, botcher. Brood, o. bread; loaf. AM — hebben, one's livecompetency. sips — eerdienen, to get v. bungling. —en, ov. & on. w. to bungle, —aril, lihood. —bakken, bread-baking. —bakker, baker. to botch, to cobble. —werk, botch, botchery. pance.r. —bezorger.. Brood, o. brood, breed, hatch. —en, ov. w. Zie —bakkerij, bake-house. dough for bread.—boom, —die!, breed-fruit-tree. —deep, Broelen. —dronken, petulant, wanBroeder, m. brother. Lustig° —, jovial fellow, depriver of livelihood. --haboon companion. —gemeente, community of the ton. —etronkenheid, petulancy, wantonness. men, bread-room, pantry, buttery. —kart, pantry. fraternal love. Mere -qui brothers. —tiefde, —korf, —nand, bread-basket. quarrel bread-chest. —diet, —moord, —warder, fratricioc. —twist, between brothers. --sdochter, niece. —skind, —horst, crust of bread. —kraim, crumb of bread. —race, bread knife. —nijd, envy of trade, pronephew, niece. —scream, stater-in-law. —canon, fessional jealousy. —aoodig, as necessary as nephew. —lijk,by .& bw. brotherly,fraternal (-1y). bread. —pap, —sop, paned°. —rot, bursar, eR—1(ikkeid, v. brotherly (fraternot) love. —settap, garret-scribbler, Grabv. brotherhood; o. fraternity. —tje,o. small cake, htbitio een . (kind of) puff.ceke; —skraam, stall for baking street- writer. —sehieter, oven-peel. —sulker, loafauger. —wagon, close waggon. —teinkel, baker's small cakes; —span, pan for small eta.. e. shop. —winner, supporter of a famt y. —winBre...does, be. broody. —heid, v. broodiness. ning, livelihood. (means of aubeistence. —woeBroei en, on. w. to brood, to hatch, to sit on; to mild; to soak; to cocker, to coddle; to foment; tel, yam. —netting, assize of bread. —egebrek, to starve. —.loos, Us, to brew; zich —, to clothe one's self too warm; want of bread; —lkiden, breading. —je, o, roll; zoete —a beckon, to come on. w. to lib: on eggs, to incubate; to grow hot. a peg or two lower. there is some mischief hatching. er iroeit lets, v. buskin, cothnrnue. —, by. fraif,brittle. —bak, hot- bed. —ei, addle egg,rotten egg. —hen, Broom, —kae, hot-house, green-house. —kooi, —held, v. frailty, brittleness. broodieg-cage. kuip, madhing-tub. —nest, neat Bros, b v. Zie Brous. brew; to broach, to confor brooding hens; nursery, focus, centre. —1(jel, Broom' OD, on. W. to brooding-time, sitting. —end, be. sultry (van het coct; on. ve. to lisp, to speak thick. —kelt!, brewtub. —er, m. brewer; weeder). —ing, v. brooding, Incubation, soaking; leg-copper. —kuip, brewing broacher, deviser; lisper; —sknecht, journeymanfomenting; eultrineas. —eel, o. brood. brewer. —ern, v. brewe'y, brew-house. —ing, v. Broek, o. marsh, pool, fen. —land, marshy land. brewing; broaching; speaking thick. o. —achtig, b v. marshy. brewing. Brock, v. (a pair of) breeches, trowsers, panta—bad, trestle. —paca,stilt.—ptiler., loons; breech (ran een kanonl; small ring (van Br og, v. bridge.bridge-money, -toil, postage. —•.etier. --gegeld, een togel), in de — sicken, to breech. roar de — cross beams. —geesan, bridge-man, tollgeven, to xvis , p the breech. —yelp, knee-buckle, juk, gatherer. — ganhoofd, barbacan. waistband buckle. —galg, suspender. —mannetie, get! er den — rein,1 don't meddle little boy that weary breeches. — oak. poeket,fo',. Brull,m.knock.ik every thing, all together. —engned, —enstof, stuff for breeches. —aband, with it. al den —, —leider, bride-man. —/eidster, waistband. —eklep, flap. —spijp, leg. —en, on. w Druid, v. beide. bride-mold. —achat, dowry. —ttuk, bride's favor. to pocket up; on. w. to wear breeches. —lag, v. —shed, bride-bed, nuptiat bed. —edagen, bridal breeching. days. --spree, —spilt, bridal present. —weed, Brok, m. pioce, morsel, lump, fragment. —sluk, paraphernella; trousseau. —ajonker, bride-manfragment. b(j shaken en —ken, by bits. —je, o. -sjuffer, bride-maid. —slatted, nuptial garment, bit, morsel; lekker tidkit; hu is en, he-, wedding-gown. —skrans 7 bridal wreath. —spear, he is a end chap indeed. —kelen,ov. & on. w. to betrothed couple. —gauger, bridal meet-meat., break (to fall) into fragments, to crumble.—kelig, sugar-plum. —straiten, hippocras. —span, m. briby. brittle, fri•tble. —keligheid, v. brittleness, degroom. friableness. —feeling, v. crumbling. —ken, on. W.

Zal Bitcoin uitsterven


EV. Dinsfini to (dis'si-peat), v. a. verstrooien, verkwisten. —ted, a. losbandig. . —tion (-pee'sjun), a. verstrooitug, verkwisting. Dissitscits —/ (-el), a. ongezellig. —te (•eet), v. a. ontbinden, scheiden. (-ee'ejun), s. ontbinding (van ten genootechap). Dissolu ble (dia'eo-ljoebl), a. oplosbaar, ontbindbaar. —te, a. —tely, ad. ongebonden, losbanchg. —teness, a. ongebondenheid. —tion (-ljoe' sjun), s. ontbinding; vernietiging; dood. Dims°iv able (die-solv'ibt), a. oplosbaar, emeltbear. —e, v. a. op;ossen, ontbinden; scheiden; te niet dote; opbreken; v. n. smelten. —ent, a. ontbindend; s. oplessend middel. DissAtman ce (dis'so-nens), a. wanklank. —t, A. wanluidend; strijdig. Dissua de (dia-sweed'), v. a. afraden (from). —der, a. afrader. --sion (-swee'zjun), a. afrading. —tire, a. —sively, ad. afradend. —sive, a. ontreding. Lissyila bic (dis•eil-leb'Ac), a. tweelettergrepig. —ble a. woord van twee lettergre pen. Distaff (dis'taat), s. apinrokken; (het) vrouwelijk geslacht. —thistle, gele distel. Distain (dis-teen'), v. a. bezoedelen; schandvIekken. Distan ce (dis'tens), a. afstand; terughoudend• heid; eerbied; v. a. aehter zich laten, overtreften. —t, a. (from) verwijderd, tang geleden; niet duidelijk; bede.d; achterhoudend. Distaste dis• t( eat'), s. tegenzin, afkeer. —, v. a. tegenstaen; ergeren. —ful, a. —fully, ad. walgelijk, stuitend. —fulness, a. wansmakelijkheid. Distemper (dis tem'pute, a. ongelijkmatig mengeel; ongesteldheid; kwade loin; wenord.e. v. a. oLgesteld maken; storen; verontrusten. --azure (-e-tjoeri, s onmatigheidl; verstoordheid. Distest d dis-tend'), v. a. uitspannen. —tible (-ten'eibil, —sire. a. uitrekbiar. —t, a. uitgerekt; (with) opgeblazen. —lion (-ten'sjun), a. uitrelating; uitspreiding. te idie-tuemi-neet), v. a. afseheiOen. —lion (-nee'sjun), a. afscheiding. Digtich (dis'tik), s. tweeregelig versje. Distil (dis•til';, v. a. overhalen; v. n. afdruiden. —lotion 1-lee'sjun), s. overhaling, afstoking. —ter, s. brander; (jenever-) stoker. —lery, A. atokerij. (dis-tinkt'), a, onderschealen. —ion (•tink'ejun), s. onderscheiding; oordeel; aanzien. —ive, a. —ively, ad. onderscireidend. —ly, ad. onderecheiden, duidelijk. —nest, a. duidelijkiteid. Distinguish (dis-timegwisj), v. a onderscheiden. —able, a. te ondersrheiden. --ed, a. wink. —er, a. onderacheider. —ingly, ad. onderseheidenlijk. —ment, a. onderscheichug. Distort (dis - tort')., v. a. verwrirgen. —ion (-tor' civic), s. verdraaiing; verdorvenheid. Distract (dis-trek'), v. a. aftrekken; kwellen; ontroeren; verbijsteren. —ed, a. —edly, ad. vvaanzinnig. —editess, a. waanzin. —ion (-trek'sjun), s. attrekking; afgetrokkenheid; versrtandsverbijstering. —ire, a. verbijsterend. Distrain (dig-treen'), v. a. & n. in beslag ne-

cryptogeld voorspellingen


—gevaar, desger of war ; —gevangene, prisoner Krippeiltle„ o. little, bit, crumb. of war ; —geweld, force of acme ; —god, god of Krippen, tiv. crepe, war, Mars ; —godin, goddess of war, liellona ; K nts,a.creene. —handet, militaryy art, profession of arms; —heir, Kristina, en. w. to crackle. army, hoot. —h eld, hero, warrior; —heldin, Kriolal, o. cryetat. in — schieten, to crystallize. heroine ; —koofd, —overate, general, military —forming, crystallization. —len, —lig, by cryotal, chief, —leans, chance of war ; —has, military crystalline. o. crystal. — Warn., by, crystal, cheat; —knecht, soldier; —hasten, expenses of crystalline. war; —kunde, military science, tactics; —kundig, Kratlek, be. critical, hazardous. military; —kunst, military art. otrategy; —fasten, 14.roeht, v. crypt; hillock, hill. charges of war, contribution ; —lied, —rang, Krodde, v. weed among oat,, cockle. Watery (wariike) song; —/ieden, soldiere, war- Kroeg, v. tavern, public honer, epuneiog-horise. —hauder, --wooed, ele•houee-keeper, publican. riors; —list, stratagem ; —markt, army, forces ; —looper, —taieg, frequenter of taverns. —en, on. —makker, feliuwesoidier, companion in woe; w. to frequent taverns; to have a treat. -man, soldier, warrior; —munseer, military honor; —mansatand, soldiership, (soldiery ; military Kroep, v. croup. state. —osusieh, military music: —oefening, mili- Krone, m. cup, pot; crucible. tary exorcise; —orde, —nicht, military diecipline; Ks - oes, by. crisp, frizzled, ►raped, woolly ; peevlsh, ill-humored. —hop, woolly-haired heed, — —ordening, military institutions, — law, — rules; person. —plicht, military duty; —plichtig, hourri to nerve, subject to trint'ary service ; —pltchlige, Hemmen, by. w. to crisp, to frizzle, to curl. conscript; —plichtigheid, obligation to military Krok, v. vetch. service; —read, council of wit•, court-martial , Krokodll, in. crocodile. —lentraven, crocodile 's ,:ears, feigned tears. —reek, —wet, martial law; —rocm, military fame, — glory ; —tccht, military expedition ; Krokum, rn. —toerusting, warlike preparation ; —loosed, seat Fivole ce cot, hovel, hut. (theatre) of war; —verrichting, military operation; Kraal inn, on. w. to caterwaul. --ziek, ale Kroger!, achievement, —voile, soldier soldiery; military; bv. with small roams (partitions). —teem, military concerns, — system ; —sword, watch-word ; military term ; —seek, matter of Kroloch, by. ruttish, proud, in heat, lustful. —hem, v. rut, ruttishness, lustfulness w ar. —en, on. w. to war, to make war. Kr (jenn, °v, w. to get, to receive, to obtain ; Krone, by. bent, curved, crooked, wry. —been, crook-shanks. --beenig, bendy-;egged. —boclatig, to reach, to catch. het to kwaad —, to be 'worsted. ein sons, tortroue anfractueue. —gerineerd, with Krijiger, m. warrior. crooked fingers, light-lingered. —hats, w) y-necked Kreigereje, o. - apelen,to play at prison-bars. pereos; retort. --loam, —toren. comet, bugleKreigelbinfellg, be. & bw. warlike, martial (-1y), horn.. —pout, compass. timber, knee; camber. courageous t-ly), valiant (-1y). —heid, a. warlie ahouwer, ecirnitsr; falchion. —/ianig, curvilinear. nese, courage, prowess. —ernes, garden-knife. —neus, person with a crookKrildisets, in. shriek, ',cream, —en, on. w. to shriek, ed nose. —neazig, crook -nwed, —rug., crook-beck; to scream. o. chalk ; crayon ; circus. in het — staan, crook-barked person. —steam, a coin ; --abler, small boar. —etaf,, crook ; crueler. —ateven, to owe. —aurde, cretarteous earth. —berg, chalkcrooked prow. —Mal, gibberish, broken language, hill. —gebergte, cretaceous rocks, —teeltening, —telex. to gibberish. —tang, stammerer. crayon-drawing. --achtig, by, cha I try, cretaceous. to stammer, to speak thick. — tonyig, otarnmerKrigt en, or. & on. w. to cry, to weep. —er, in. log. —roet, club-footed person. —weg, tortuous crier, weeper. —ertje, o. kit. road. achtig, by. somewhat crooked. —heid, v. Krik, tow. crack! crookedness. —men, ov, w. to bow, to bend, to Krikkerntk, v. crab. curse, to crook; rich t. w. to bend, to wind; KrIkkrakken, on w. to crackle. to writhe; to cringe. —veer, m. knee. -.fining, a, Krinip, v. want, scarcity, penury. by. fresh, bending, incervation; sic Krorote. —te, v. live. —en, ov w. to shrink, to make shrink; on. crook, dness, cut vity, sinuosity. beat; horn, w. to shrink, to lessen; to fall (ran den wind) meander. —hose, chilly person. —aeheteieek, fresh whiting. —Hach, fresh fish. —satin, fresh salmon. —erd, m. Kronen, ov. w. to crown. chilly person, shrinker. by. chilly. —ing, Kr.nwngond, o. gold of eighteen citrate. eehr(iver, chronicler, v. shrinking, contraction, gripes. —ster, v. chilly ii.vonlek, v. ch,onlcle. annelist. woman. coronation-dey. Kring, rn. circle, ring; halo; cycle, orb. sphere. Kronleg, Q. coronation. —s; east, coronation-feast. —aplachtigheid, coro—en ender de cogen, wrinkles under the eyes, TIR11011. Crow 's-feet. —normeg, circular. ---treijze, by. & Krankel, rn, rumple, wrinkle; coil; twisting (of bw. circular (-ly), orbicular ( toe guts). --acetig, bv• rumpled wrinkled. —en, Krinkel, tn. curve, eur,ature, bend, wrinkle, ov. & on. w. to rumple, to wrinkle; sick —, t. sinuosity. —en, on. w. tei wind, to curl, to w. to wrinkle, to wind, to bend, to turn, to wrinkle. —kg, a. winding, curling. wrinkling. g ',Leander, —board. rumpled cord --pad, windin KrIoellen, on w. to swarm, to be full of. path, inane. —ig, by. rumpled. wrinkled, elnuous, o. crape.

Kunt u een hoop geld mijnbouw Bitcoins te maken


to besmear, to rub; to command, to sweep, to flank. -tag, v. spreading over, rulibiug; commanding. BestrIkken, ov. 'w. to adorn with knots. Beetroot en, or. w. to bestrew, to strew over, to sprinkle, to powder, to flour. -ing, v. bestrewing, strewing, powdering. B retudeeren, or, w. to study, to practise. Bestutv en, ov. w. to beduet, to cover with duet. Westulpen, on, w. to cover (with a curfew, with a lids. Beater en, on. w. to steer, to direct, to conduct to guide to manage, to go vern, to rule. -kg, v. steering, ordinance, guidance, management. Bestunr, o. direction, adminietration; management; government. --der, in. director, a4minietrator; manager; governor. -Ver b v. direct eaa., governess. Bethel bear, by. payable. -dag,pay-dray, quarter day. ---,neuter, pay matter, treasurer. utTddel, (legal) tende r. -tod, te ma for payment. Betaeld, by paid. iemand iets zetten, to requite a thing to a. o.; to give a. o. as good as he brought, to serve a . o. the same. Betel .rt, on. W. to pay; niet kunnen ---, to be insolvent; het gelag -, to suffer (to pay dear) for it. -er, Tn. payer; pay veaster. -ing, v. payment. Beton' ell", on. & bw. becoming (-1y), seemly, decant (-1y). -elijkheid, v. becominenees, seemlinens, decency. -en, on. w, to become,, to beseem, to befit, to be seemly. Detest en, ov. w, to touch, to feel, to handle. Y. handling. Bete, v. Zr i Beet. Beteeken en, on. w. to signify, to betoken, to mean; to serve (on). -ilia. v, legal notice. v. signification, meaning, sense. Betensus via, on. w. to tame, to break; to bridle, to check. -ing, v. taming; checking. Betor, by. & bw. better. - sunken, to improve; to care. worden. to grow better, to improve, to recover. - z(in,to be recov ered,to be quite well Beteren, on. w. ,o tar. Hater en, on. & no. w. to grow (to make) better. to improve, to recover; zich -, to amend, to reform. -eland, v. sax de - rkin, to get better, to be convalescent. -ing, v. - adrop, v. amend meat, improvement; recovery. -*chap beloven, to promise to amend. -er/tap wenachen, to wish the better. -Totten, o. tegen (me, agaioet one's conscience. Beteugel en, ov. w. to bridle, to curb; to restrain, to check. -iota, v. bridling, cart); check, restraint. Illetenter el, by. confused, abashed, out of countenance, perplexed. --dheid, v. contusiou, perplexity. -en, ev. w. to confound, to perplex. Belicht est, on. w. to impeach, of, to tax with. -er, rn. --ater, v. taipeacher. -ing, v. impeachment. Betties, ov. w. later. -, to let alone, to let have one's vatnd_ Betttnimeer en, ov. w. to build upon; to make of wood lemanda light -, to shut up once light;

Hoe vaak wordt Bitcoin waardeverandering


composing•stick; clasp; rent; square. hates rn oogen, hooks and eyes; quarrels, broils. in den —, right, niet in den —, not right. not as it should be. in den — brengen, to square; to arrange. —beentje, —nook', —pen, crotchet. —bus, arquebume. —boekje, crotchet- n orb-hook. —v.rmig. hooked, crooked. --werk, crotchet-work ; tambor- •it. —swijze, hooked, crooked, —aehtig • siellaskvounnig. Drinks, losn. linakecb, be. squared,with hooks, — crooks. Matti, m. draught, pull; dash, stroke. —, v. pothook. —b er, beer bought, by:retail. —boom, beam of a pot-hook. —ban, pot to fetch beer In. —kettiny, pot-chain. —over, fresh-water-n[1,a% —tvint, wine bought by retail. Henna, o. hams, harness. Banta, re. cock; weather-cock; lighted match. den gebreden epelen, to lord it. — mart leonine kraaien, he is a cock-a-hoop. den rooden laten kraaien, to sat on fire. to set fire to, daar geen noar kraaien. it will pass unobserved. —knuppelen„ cock-throwing. —tje., o, young cock; bold fellow. Haander, m. fruit-basket. Haar, TIM. her; them; their. Haar, o. hair. geen —, not a bit, not a pin. — breed, a hair's breadth. op een —, to a hair. elkander in bet — titter', to felt together by the ears. nut de handen in bet — silica, to be greatly at a loss. — op de tand.en hebben„ to have blood in one 'a veins. met de Karen er b(j steepen, to force in, to drag in by the head aid shoulders. —band, —snoer, -lace —tiles, look of hair, fore-lock. —borstal, —Rehaier, hair-brush. — boa, tuft of hair. —tuieje, hair-tube, capillary (tube). —dock, hair-cloth. tolting-cloth.--fijn, by. as fine as a hair; subtle. — fijn —klein, bw, to a hair, minutely.in detail. —aieufeter,—klooter. caviller, quibbler. —/r/ooven., to cavil, to quibble. —klooverij, cavil, cavilling, quibbling. —knipper,—entider hair - cotter.— fok,i ock.—nactld, —epeld, hair-pin, bodkin. —set, hair-net. —pluis, flue, nap. —poeier, hair-powder. (pair of) hair-scissors. —coaliden, co. hair•cutting. —stir, hairy cornet. —tang, —trekker, (pair of) tweezers. tcoisel, hair-dress. —vlecht, plait (braid) of hair. —werk, ornamental hair, hair-plait. —werker, worker In hair. —worn, hairworm, ring-worm. —toortel, root of the heir; fibre. —oak. hair bag.— zeefhair-sieve.—acktf g,bv.hatry. m. hearth, flre-plAce, grate, abyss; fireside. ripen — is goad waard, home is tome, be it ever so homely. —each. ashes. —geld, chimneymoney, fumage. -- goden, ate Buts at rdetr. --(jeer, grate, lire-dog, fender. —plaat, iron plate of a hearth, hob. —set op. fire-shovel. —.We, hearth, tire-place. —tang, (pair of) fire-tongs. —vuur, chimney-fire. lissom loon, by. hairless, bald. —looskeid, v. baldness. —tje, o. small hair, fibre. slams, m. hare; inside of a eurioin of beet, chine, fillet. —je, o. leveret; —over spelen, to pay at leap-frog. bw. soon, shorty; nearly, almost, —, v. baste, speed, horsy. — hebten, to be in a hurry.
Angola, Benin, Botswana, Cameroon, Ghana , Kenya, Mauritius, Namibia, Rwanda, South Africa, Tunisia, Uganda, Zambia, Armenia, Bahrain, Brunei Darussalam, Hong Kong, India, Indonesia, Jordan, Kazakhstan, Korea, Kuwait, Kyrgyzstan, Macao, Maldives, Mongolia, Nepal, Oman, Philippines, Singapore, Taiwan, Uzbekistan, Australia, New Zealand, Andorra, Austria, Belgium, Bulgaria, Croatia, Cyprus, Czech Republic, Denmark, Estonia, Finland, France, Gibraltar, Greece, Guernsey, Hungary, Iceland, Ireland, Isle of Man, Italy, Jersey, Latvia, Liechtenstein, Lithuania, Luxembourg, Malta, Monaco, Montenegro, Netherlands, Norway, Poland, Portugal, Romania, San Marino, Serbia, Slovakia, Slovenia, Spain, Sweden, Switzerland, Turkey, United Kingdom, Aruba, Bahamas, Barbados, Bermuda, Canada, Cayman Islands, Costa Rica, Curaçao, Dominican Republic, El Salvador, Guatemala, Honduras, Jamaica, Mexico, Nicaragua, Panama, Trinidad and Tobago, United States, British Virgin Islands ,Argentina, Brazil, Chile, Colombia, Ecuador, Paraguay, Peru, Uruguay

Wat betekent BTC betekenen sms'en

×