1'1)1, 4•FUR. 239 spelingen overreden; v. n. woordspalingen mapurgeerwinde. —flax, klein vtaskruid. —grain, ken (upon). pergeerkorrels.—nut,purgeernoot.—thorn,echijtPunch (punte)'), 5. priem; stout, stomp; punch basses( ruik. (pone); hansworst; dibsek. —bowl, punch-born PurlUent Ion (pjoe-rif-ikee'sjun ►, a. retniging, —strainer, punch-Reef. —, v. a. doorboren; atoo auivering. —ire, —ory (-rit'i ke-), a. reinigend, ten, stompen. —y, a. knot en dlk. zuiverend. —ory, a. kelkdoek. unch eon (punterun), a. priem. boss; punt- Purl( ler (pjoe'ri-faj-ur), a. reiniger, zuiverear. boor; doorslag; letterstempel; vat. —er, s. goat—y ( -tap, v. a. reinigen, zulveren; louteren; v.n. jesmaker; priem. —inetio (-1-nello), s. hansworst zulver worden. unctated (pungk-teet'id), a. in een —punt ge- Purina (pjoe'rina), s. purtmfeest. trokken; vol gaatjes. Pair Ism (pjoeirizm), s. taalziftertj. —1st, s. tealunctill o (pungk-tillo)., 8. overdreven nanwsifter. gezethed, spitavondigiaeid. —out, a. —oualy, ad. Puritan (pjoeiri-ten), a. Puritein; sehijaheilige. overdreven nauwgezet, stipt, spitavondig, —, —iv, —iC41 ten'ik-), a. puriteineeh. —ouaness,s. overdreven stip theld, spitsvond!ghetd. a. de leer (het stelsel) der PurPeinee. Punctu al (purgkIjoe-e1), a. —ally, ad. stipt, Purity (pjoe'rit-tih), s. reinheid, zuiverheid; nauwgezet. —ality (-el'it-th), —alnees, s. vtipt- onsehuld, kuischheld. held. —ate (-eat), v. a. punctueeren. —ation (-to'. Purl (purl), a, gernurmel, gekabbel; alsembier; gun), s. punetuatle. —re (-tjoer), 0, prikje; v.a. geetIkte rand. —, v. a. stikken; v. n.murmelen, prikken, openprikken, opensteken. kabbelen, Pundle (pued1), a. korte, &like vrouw. Purl leo (pue,joe), e. voorhoat, grens,omtrek. 4 Pung (pang), a. trek-, vraehtelede. —in, a. dwerebalk. —ing, a. gereurinel, gePungen cy (pun'dzjen-eih), a. senerpte; griekabbel, vendheid. —t, a. —tly, ad. stekend, eeherp,teütend. Purloin (pur-lojn'), v. a. eteleen, ontvreemden. Punic (pjoe'nik), 3. puniseh; trouweloos, ver- —er, s. diet. —ing, a. ontvreemding. raderlijk. --eons (ni)'us), a. purperkleurig. ,Purparty (pur'paar-tih), s- aandeel. Puniness (pjoe'ni-neita), a. kleinheid. Purple (pur'pl), a. purperkleurig. PurPer, Punish (puling), v. a. streffen. —able, a, strafpurperkteur. —app'e. purperappel. —cherry, virbear. --'er, a. straTer„ -- meat, a. strut. eint,ehe pruimeboom. —chickweed, rood zandPunic lye (pjoe'ni-tiv), — ory, a. stretfend; straf-, kruid. —emperor, —shades, p1. purperelinder. Punk (pungk). a. lielttekool, slat. purperaluk. —flower, hyacint. —grace, Punster (pun'etur), a lielhebbar van woordroode •eideklaver. hoog purperrood. speltngen. —relvet, dutsendochoon. —whelk, trompetslak. Punt (punt'), a. pont. —, v. n. tegen teen banhier —willow, waterwilg. —, v. a. porparrood verven. epelen. —er, a. pointeur, tegenspeler. (pur'plz), pl. paper-, seharlakenkoorts. Puny (pjoe'nlh). e. a. klein; zwak; gerIng. —, s. Purplish (puripllej), a. purperachttg. nieuweling, onervarene. Purport (pur'poort), s. inboud; ain; strekking. Pup (pup), a. jonge hond. —, v. n. iengen, - v, a. meenen, bedoelen; behelzen. Pupa (pjoe'pe), a. pop (van een Insect). Purpose (puepue), a. oogmerk, doel, elnde; Pupil (pjoe'pil), s. leerling; pupil;oogappel. —a e voornemen; gevolg, uitwerking; voor. a. minderjarigheld; leertijd. —lary, a. van M nbeeid. on —, met ()put. to the —, ter cake. to derjartgen. no —, to vergeefs. —, v. a. beoogen, voornemen ; Puppet (pup'pit). s. draadpop; zot, kweet; nut. v. n. voornemens ztju. —less, a. doelloos. —ly, poppenspel. ad. opzettelijk. Puppy (pup'plh), a. jonge hood; vlegel; lafbek, Purpresture (pur-preat'joer), a. inbreuk. kwast. —, v. n. jongen. s. vlegelachttgheid; Purprlse (pur'prajz), s. omheinde pleats; oinkwasterigheld. heining. Pur rpur), 0. geapin (van katten). v. n. spin- Purr (purr), a. zeeleeuwerik. Lie Pur. nen (ela batten). Purse- (pure, s. beurs. —bearer. betaal-, penningPurblind (nueulejnd), a. bijalend, hortziehtig. meester. —cutter, beurzenentider. —pride, geld—news, a. bijzientlheld. trots. —proud, trotseh op zijn geld. —string, bturNPurchas able (purnejes-ibl), a. koopbaar. —e, koordje. —, v. a. in de beurs steken lop); toehalen, a. hoop, in-, aankoop; spil, tskel; —money, hoopsamentrekken. —r, e. betaal-,vieta die meester. sum. —e, v. a. koopen, aan., inkoopen; verkrkj- PursInesa (pur'et-nasal, s. kortademieheid. on; orvinden; (out) bo•ten. —er, a. kooper. Pueslain (pursnin). a. porselein (groente). —tree, Pure (pjoer'), a. —ly, ad, rein, zuiver; onbevlekt; struikmelde. looter, enkel. —neat. a. reinheid, zuiverheid. Purim able (pur ejoelb!), a. vervolgbaar —ance, Purille (pur'111), Purrie (purfl), a. gRrneerael. a, vervolging; voortzettiog; in — of, tngevolge. Purgation (pur-gee'ejun), a. zutvering. —ont, a. (to) volgens, ingevolge. —e (-ejoe'), v. a. Purgat lye (pur'ge-tiv), a. zuiverend; a. purgeervervolgen, najegen; voort-, doorzetten; navalmtddel. —ory, a. zuiverend; louterend,zevagevuur. gen; v. n. voartgaan; volhouden. —er, a. verPurgat (purde)), s. purgeermiddel. v, a. retvulgar; voortzetter; najager; beoefenaar. nigen !away. off); zulveren (from. of); doen pur- Pursuit (pur-sjoet'), a. vervolging; doorzetting; geeren. —, v. n. zulver worden; purgeeren. I stresen; posing; bealgheld. a. retniger; purgeermtddel. Pursulvant w i-vent), s. staatsbode; onderPurging (puediiieng), sJoal ijvighei d. —bindweed, , beraut; bode.,
La (lao), int, kijk ! ale 1 Labe faction (leb-e-fek'ajun), a. verz vrakking, —y (-faj), v. a, verzwakkeu. s. opschrift,naambriefje;etiquette; Label codicil, rand van het veld. —, v. a. van ten naambriefje (etiquette) voorzien. Labeni (lee'bint), a. glijdend. Lab, al (lee'bi-el), a. van de lippen, lip ; n. lipletter. —ate (-et), —ated (-eet•id), a, geiipt; mtg. —odentat I o•den'tel), a. met behulp van In lippen en tanden uitgemproken. Labor (lee'bur), s. werk, arbeid; moeite; barensnood. v. a. bewerken, vervaardigen; afrossen; v. n. werken, arbeiden; zich moeite geven (at. for); lUden (under); woretelen (with ); in arbeid zijn. —atory (leb'ur-re.tur-rill), a. werkplaats, laboratortum. (-}),,,d). , t.ijf; gedwoiven; door-
Overprize (-praje), v. a. to hoog schatten. Overtake (-teek') rim], v. a. achterhalen, in. Overprompt (-prompt'), a. voorbarig. —neee Wen; overhalen. (-prompt'), a. veorbarigheid. Overtask (-taask"), v. a. eene to zware taak Overtake (-reek'), v. a. heenelaan (apoelen) over. opleggen. Overrank ( renk), A. to welig. Overtax (-teks'), v. a. te zwaar belasten. Overrate (-reet'),v. a. te hoogstellen; overvragen. Ov erthrow,s.omverwerping;nederlaag.—(-thro'' Overreach (-rietsj), v. a. hooger reiken dan; [irr.], v. a. omverwerpen, omkeeren, verwoesten1 bedriegen, misleiden; aanslaan (van een paard). verslaan. —er (-thro'ur), a. omverwerper; ver-er (-rietsrur), a. bedrieger. Overread (ried') [inn.], v. a. over-, doorlezen; Ove w °64ther. w art (-thwaort'), a. dwars; wonderlijk, door lezen to sterk inspannen. eigenzinnig. —, ad, overdwars. —, prp. dware Override (-rajd') [irr.], v. E. overrijden; afrU- over. —, v. a tegenstreven, dwarsboomen. den, afjagen. Overilre (-aaje), v. a. to zeer vermoeienOverrligged (-rigd'), a. te zwaar takelwerk voe- Overthlle (-taj't1), v. a. to hoog betitelen. rend. Overtop (-top'), v. a. uitsteken boven; in el( Overripe (-rajp'), a. overrijp. —n (-raj'pn), v. a, echaduw stellen; to boven gaan. to rijp maken; v. n. te ri,jp warden. Overtower(-tau'ar),v. n. te hooge vlueht semen, Overroaat (-roost'), v. a. to sterk Braden. Overtrade (-treed',, v. n. to grooten handel Overrule (-root'), v. a. beheerschen; de over- drijven. hand hebben over; verwerpen. —r (-roel'ur), a. Overtrlp (-trip'), v. a. overhuppelen. overheeracher. Overtrust (-trust'), v. a. to 'eel vertrouwen. Overrate (-run') [Ern], v. a. voorbijloopen; over- Overture (o'vur-tjoer), a. opening, inleiding; dekken; verwoeeten; neertrappen; weer overzien; eerste slap; ouverture. overloopen- v. n. overstrooncen. —ner (-ren'nur), OverIure,a omverwerping,,omkeering.—(-turn'), e. verwoester. v. a. omverwerpen, omkeeren; vernielen; to gronde Overscrupulous (-skroe'pjoe-lus), a. al to riehten. —er (-turn'ur),s. omverwerper; vernieler. rauwgezet, at to schroomvallig. Overvalue (-verjoe), v a. to hoog schatten. Oversee, a. overzeosch. Overvell (-veel'), v. a. bedekken. Oversee (-sic') [irr.], v. a. overcien; over het Overvotc (-voot'), v. a. overstemmen. hoofd zien. —r (esi'ur),..opzichter; ermverzorger. Overwatch (-wotay), v. n. te veel waken. —ed Oversell (-sell', Lim], v. a. to dual, verkoopen. (-wotsj -t), a. nitgewaakt, overwaskt. Overact (-set') [sir.], v. a. omverwerpen; v. n. Overweak (-wick'), a. al to zwak. omslaan. Overweasry (-wi"rih), v. a. to sterk vormoeien. Overshade (-sjeed'), v. R. beschaduwen; ver- Overween (-wien'), v. n laatdunkend zijn. —ing„ duisteren. a. —ingly, ad. laatdunkend, verwaand. —ing, a. Overshaduw (-sjed'do), v. a. be-, overschadu- eigenwaan, inbeelding. wen; beschermen. OverweIgh (-wee'), v. a. zwearder zijn dan; Overshoot (-sjoet") [Ern], v. a. voorbijschieten; overtreffen. over....heen vltegen; v. n. to ver schieten. — one's Overweight. a. overwicht. self, te ver goan. Overwhelm (-welm') v. a. overstelpen (with); Oversight, a. overzieht; opzicht; vergissing; on- verpletteren. —ing, a. —ingly, ad. overstelpend; opletteadheid. overweldigeed. Oversize (-sajz'), v. a. bepleisteren, Overwing (-wieng'), v. a. overvieugelen. Overskip (-skip), v. a. overspringen; overslaan; Overwise (-wajz'), a. to wijs, eigenwijs. ontkomen. Overwork (-wurk'), v. a. te veel doen werken, Oversleep (-sliep') [irr.], v. a. verslapen. overwerken. Oversiip (-slip'), v. a. nverelaan, over het hoof,' Overworn (-woorn'), a. afgesleten; uitgepttt. .1.; lat-en doorslippen. Overwrought (-mot"), a. met work overladen; Oversnow (-ano'), v. a. besneenwen. te veel nitgewerkt. Oversold (-soold'), a. to duur verkocht. Overzealous (-zel'us), a. al to ijverig. Oversoon (-soen"), ad. al to vroeg. Owl form (o'vi-form), a. eivormig. —ne (-vaja), Overspeak (-spiek') [lm], v. a. verpraten. a. tot de schapen behoorend. —parnis (-vip'e rus), Overspent (-spent'), a. argemat. a. ei'olezgend. Overspread (-opted') [irr.], v. a. overdekken, Ovoid (o'vojd), a. eivormfg. zich verspretden over. Owe (sow'), v. a. schuldig zijn; te danken (te Overstand (-stend') [irr.], v. a. to vast (stokatijf) wijten hebben. --kg, part. schuldig; toe to blijven staan op. schrijven; -- to, ten gevolge van. Overstate (-steet'), v. a. overdrijven. Owl (Raul' ► , a. uil. to make an — of, voor den gek Overstep (-step'; v. a. overstappen; Gvertreffen. houden. —eyed, met uilenoogen. —glass, ttilenOver stock (-stole), —store (-stoor'), v. a. over- spiegel. —light, schemerlicht. —. v. n. sluiken, laden, to ruin voorzien. smokkelen. —er, a. slutker, smokkelaar, —et Overstrain (-streen'), v. a. overspannen; ver- (it), a. kleine tall. —ing, a. smokkelarij. —ish, rekken; v. n. zich te sterk inspannen. —like, a. uilachtig. Oversway (-swee'), v. a. overneerschen. Own (son'', a. elgen. —, v. a. bezitten; zich toeOverswell (-swell') Lim], v. a. overstroomen. elgeren; erkennen. —er, a. eigenear, reader. Overt (o'vurt), a. —ly, ad. openhaar, openl(jk. —ership, a. eigendomsrecht.

Corlft‘w (kur'fjoe), 9. vuurselt,m; aven n Nlok Curvet (kur'vit, kur-vet 1 ), a. courbette, korte (your he, nitdooven van liCht n vuur). sprung (van een paard), poets, klucht. v. n. CuriaIlt7. hofrecht. courbetteeren, springen; losbandig zijn. Curing-I , use (kjoe'rieng-), s. raftineerderij. Curvilinear (Itur-vi-ling-er), a. kromlijnig. Cu riosi t „ (kjoe-rt-os'it-tib), s. nieuwsgierigheid; Curvity s. gekromdheid;gebogenheicl. zorgvuldr held, netheid; merkwaardigheid. Cushion (kusrun), s. kussen. —ed, a. van kusCurious (kjoe'ri-us), a. —1y, ad. nieuwsgierig; sees voorzien; op een kussen gezeten. zorgvuldig, net; merkwaqrdig; streng; § uitste- Cusp (kusp'), s. punt; hoorn (van de mean). —idol kend. —ness, s. nieuwsgierlIgheid; keurigheid ; (-pt-del), —idated (-pi-dent-id), a. puntlg, gespitst, netheld. Custard (kus'turd), s. vlade. Curl (kurl'), s. krul, kronkeling, golving. —, v. a. Custo dial (kus-to'di-e1), a. toezicht of voogdij oprollen, winden, in de brut zetten; v. n. krul- betreffend —dy (kus'to-dih), s. opzicht; bewalen, kronkelen. —iness, s. krulligheid. —ing, s. ring; hechtenis. krulling. —ing-iron , krulijzer. —ing-papers , Custom (kus'tum), s. gebruik, gewoonte; nering; papillotten. —y, a. krullend, kroes. tol (inkomend en uitgaand recht). —free, tolvrij; Curlew (kueljoe), s. wulp: kemphaan. vrij van rechten. —house, tolkantoor; kantoor Curmudgeon (kur_mud'dijun), s. vrek. voor in- en utigaande rechten. —house-officer, tele. vrekkig, inhaiig. beambte. —abte, a. gebruikelijk; b laotbe Currant (kur'rent), s. krent; aalbes. —ably, ad. gewoonlijk. —arily (-e-r11-11h), Currency (kur'ren-sit), s. geldsomloop; koers; gewoonlijk. —arineas s. gebruikepapieren geld; gangbaarheid; welbespraaktheid. —ary (-e-rih), a. gewoonlijk; gebruikeCurrent (kur'rent), s. strJors; loop. —, a. —ly, lkjk. —ary laws, handvesten, keuren. —ary, s. ad. loopend; algemeen, in zwang; gangbaar, handvestenboek, keurenboek. —er, s. klant. geldig. —nest?, R. omloop; geng'beerheid, welbe- Custos (kus'tos), e. bewaarder; zegelbewaardee; spraaktheid. archivartus. Currlele (kuerikl), s. loop; cabriolet. Custrel (kus'tril), s. schild-drager; trosboef. Currier (fluent-or), we looter. (kut') s. suede, houw, kerf, steek; slag; afCurrish (kuerisjI, a. — ly, ad. knorrig, norsch. Cut snijdsel; strookje papier; overloop (op spoorwes. norsehheid, hondschheid. gen); gegraveerde pleat; fatsoen, anode; afneCurry (knerth), v. a. looten; roskammen; af- ming der kaarten; r11112; MIL 5 verwijt, berisrossen; vicien. § — favor. flikflooien; zich in ping. — and long tail, van allerlei slag, elleiemands gunst dringen. —comb, roskam. gaartje. § to draw —s, loten. —beard, scheermes. Curse (lcurs'), s. vloek, verwensching; plaag. —, —purse, zakkenroller. —throat, s. moordenaar; v. a. vervloeken; v. n. vloeken. —d, a. —dly, ad. a. bloeddorstig, moorddadig. —water, setteg. verwenscht, verdoemd. —dness, R. verwenscht, —work, verdoemd. —dness, s. verwenschtlweid, vervloekt- dronken. doorbroken werk. —, a. aangescholen, held. —r, s. vloeker; verwenscher. Cut (kut) [cut], v. a. snijden, houwen; afnemen Curs !tor (kur'si-tur), s. kanselarij-schrbver. (kaarten); strijken (een zeil), mijden. — capers. a, loopend, vloeiend. bokkesprongen maken; § zich belache'ijk aanCursor ily (kur'sur-ii-iih), ad. ter loops. —inesz, stellen. § — a dash, — a swathe, groot front s. vluchtigheid. —y„ a. vluchtig; oppervlakkig.f slaan. — a figure, eene (goede of slechte) figuur Curst (kurst',., a. kribbig, boosaardwe; verfoeie- maken. -- lots, lutes. — teeth, tanden krijgen. 113k, —ness, g. bitsheid; boosaardigheid; afschu- — short, in de cede vallen; bekorten. — small, welijkheid. klein snijden. (down) omhouwen, vallen; overCurt (kurt), a. kort; afgekapt. treffen. (off) afsnijden; uitroeien; wegwerpen; Curtail (kurleel), a. besnoeid, gekort. —dog, ultsluiten; tot zwijgen brengen; afschepen. (out) kortstaart (hoed). —horse, kortstaart (pound). uitsnijden, uitknippen; kitten; uitdenken; (kur-teel'), v. R. besnoefen, korten, afsnijden. sluiten; overtreffen. (out of) verdringen uit; be- er (-teel'ur), s. afsnijder, besnoeier. rooven van. (up) voorsnljden; versnijden; verCurtain (kur'tin), s. gordijn; middenwal; scherm. ntetigen; ondermijnen; streng laken, krenken; —lecture, bedsermoen. — rod, gortlijnroede. to draw aanleggen (wegen). — to the heart, diep krenken the —, bet gordijn op- (ook: dtcht-) trekken; vie (with), to be — up, door verdriet verteerd wonzaak bloot leggen. to drop the —, het gordijn den. —, v. n. snijden; strulkelen; steigeren; laten vallen; de zonk verbergen. —, v. a. met doorkomen (tanden); § wegloopen. gordijnen behangen. Cutaneous (kjoe-tee'ni-us), a. vellig, de huid Curial (burial), R. bekort; afgesneden. s, betreffend. distempers, huidziekten. kortst,,art, holsteart. Culls It (kjoe'tikl), s. opperhuid; sites. —ular Curtation (kur-tee'sjun), s. verkorting; vermin- (-twit'joe-ler). a. tot de huld hehoorend. daring. Cut lass (kut'less), a. hertsvanger. —ler, 5. InesCurtliage s. voorplein; erf. senmaker. —lery, s. messenmakerij. Curtsy (kuresih), s. bulging. to drop a —, bulges. Cutlet (kutnit), s. karbonade, cOtelet. Curva ted (kur've-tict), R. gebogen; krom. —tion Cut ter (kut'tnr), s. snijder; vechtersbaas; zak(-vee'sjun),s. ombuiging, kromming. —ture(tjoer), kenroller; snijtand; kotter. —tiny (-tieng), a. bulging, kromming. dend; bijtend; s. afsnijdsel; afzetsel; loot; overCurve (kilrv), R. gebogen, krom. s, krorn- loop (op spoorwegen). ming; kromme fijn, —, v. R. ombuigen, krommen, Cuttle (kut't1), s. vnilbek, —fish, inktvieeh.
KE fetter). —linie, detail-gorge. —antsteking s inflammation of the throat. —punt, angle of the polygon. --seder, pharyngotomiet. —stoat, ogee, eyma'chime —tering,t aringtolphthisie. —ziekte, disease of the throat, Fore throat, quinsy. Keen,v. chap, germ. Keep, v. notch, jag. Kerr, m. turn, time ; tour; circuit. to — gaan, to .eclat, to oppose, to check. —en, ov. w. to turn; to avert, to prevent, to stop, to resist; on. w. to turn ; to return. —biok, quarter-block. —dam, dike. —dicht, ronleau. —kring, tropic. —krings- (in sacs.), tropical. —weer, blind alley, toru-again alloy. —xijde, revenue. --ing„ v. turntug ; averting, eto opine, reeimtance ; return. Keep, tn. —hand, Cox-dug. wolf-dog. — jeskruid, mallows. Keeet, m. kernel; pith, marrow, quintessence. Keel, v. salt-works; shed, outhouse. ---en, ov. to refine. Kent en. on. w. to bark, to yelp ; to bawl. —er, ra barker, yelper; bawler. Keg, a. wedge.
ter, -sehutter, archer, bow-man. -sckot, bowBoll en, or. w. to fell; to haul, to hale; on. w. shot. -gelling,. arcade. , -verieter, bow-, bayto please. -etje, o. little hall, globule; clever window. -eorrarg, born-shaped, arched. -awns, boy; - hnofloalt, clo'e of garlic. -swijze, by. & bw_. arched; animism. ituInter, or. green shell, hunk, cod, peel; chaff; Boons, m. tree; pole, beam; bar, boom. var. den pillow, bolster. -en, on. W. to shell, to peel. /wages teren, to run through 011tni property. Boon, v. bomb, shell ; bung; whapper. -been. de kat nit den - kijken. to watch an opportuswollen leg. -gat_ bung-hole; pent-hole. -betel, n i -agaat, arbore.scent agate. -bast. bark. mortar. -echuit , fishing-:oat. --erti, bomb- btad, leaf of a tree. -boor. pump-borer. - brand, proof, fire -in a vtood. -eat, graft. -enter, grafter. on. w. to ring. BOCreb&MMelt, - enterii, nursery. -euvel, canker. -gaard, orBombard sander, m. bombardier. -eeren, or. chard. -gaardenier, arborist. -gaardoe/t, fruit, w. to bombard, to IPitt,r, -eergalhot, bombfruits. -pans, breast-goose, barnacle. -geld, ketch. -ernent, o, bombardment. -irr, m. bonaboom-monryi toll. -gewas, shrubs; tree-fruits. hurdler. -godin, -aim!, dryad, hanudryad. -grendel, litornbawle, v. lure. bolt. -hakker. wood-cutter, feller; wood-pecker. liontbrrat, tn. bombast, fustian; humbug. -Lana, -sehuit, canoe. -keener, arborist• -ketetatit0.)A -gldes. e. frutiatt. ver, may-bug, cock-chafer. -kick, boom-bell. Human el, rr, bung, plot. -en, on. w. to sound -kluiper, tree-creeper. -kunde, dendrology. (like an empty barrel). -kweeker, nurseryman, arborist. -kwecker(), Bon, m. voucher, check, ticket. nursery-garden; culture of treas. -has, treeBonbon, o. sweet meat. louse, puceroa. --markt, tree-market. -mos, Bond, in. confederacy. o. Zie Verbond -bock, book of the covenant. -breker, -sehen- tree-moss, -olie, olive-oil, sweet-oil. -soft, der, covenant-breaker. -breuk, violation of a tree-fruit. -paal, prop. -palm, palm-tree. -pikleer, wood-pecker. -planter, planter of trees. eowtrant. -brukig„ violating a covenant faith-rijk, full, of trees. -schender, injurer of trees. lena. ally. confederate. -genoateehap, -ackenderU, damaging trees. -school, nursery. alliance, confederacy. -kW, ark of the covenant - serift „ covenant, bout -zegel , sacrament. -whorl, bark. -8/uiter, boom shutter. -sluicing, boom-shutting. -sandier, ;pruner, to per. -stem, -.lag, diet. -Wad.. federal town, -stroepen, trunk. -sterk, very strong, sturdy. -stronk, federal troops, - army. -svergadering, meeting stump of a tree. -tak, branch (bough) of a tree. of the confederates, diet. -sveating, federal -yak, tree-falcon, hobby. -earn, oak-fern, post ronghold. lypody. -veil, ivy. -vrucht, tree-fruit. -wackter, Et pining, be. & bw. valid (-1y), irrefiagable (-blyl, zie Boonasiniter. -wager., truck. -was, mumconclusive (-Iy), firm (-1y), strong (•1y); concise my, grafting-wax. -tvol, cotton. -main, agaric. (-ly), compact (•4), euccinct (-ly). -held, v. va-acktig, be. arborsous, atborescent. -en, ov. lidity, firmness, strength; conciseness , comw. to push with a pole, to pole. -ig, bv. arboreseaciness. cent; full of trees; zie Eggig t Bonk, in. big pereor..; hob-nal, churl; jade. -, hone.. -en, or. w. to belabor, Boon, v. bean. in de -en rOn, to be mistaken. v. large bit, -akker, -einem. nettle-tree. -ento knock. -ig, to. bony, fall of bones. halm, bean-stalk, straw. -erikruid, aavnry. -enBonnet, v. bonnet. rap; bonnet, small sail. rank, tendril of beans. -enstaak, stick (prop) lions, v. bounce, thump. de - kriigen, to be for beans. -enstroo, bean-straw. -enve:d, beanturned out, - disrnisse,:. field. Bout, by. party-colored, motley, spotted, speckBoo, v. borer, piercer. gimlet., wimble, drill. lcd, variegated; pied, piebald; illgroote -, auger. -bank, boring-lathe. -Over, suited, medley. - en blame, zie Blond. het to bit. -meal, borings, bore-drct. -wive, fore- maken. to go too far. -kleurig, zie Dont. pie roe. -epaan, bore-chip. - ekere, red and white cherry. -ekraai, hooded Boord, m. border, edge, brim; margin, brink, crow, wintsr-crow. --heia, v. piscine.. bank; seam, welt, hem. o. board. aan -, o. fur, -mut, , far-cap. -werk, paltry, aboard. over - tcerpen, to heave over board. furs: -reerker, furrier, -winkel, fuvrier'e shop. clan - liggen, to lie alongside of. nun -korner', -en. bye. furred, fur. to fall aboard. Gan hanger - sijn, to thrive, to elicnzen, or. Ee on. w, to bounce, to knock. enjoy an ample competency. -lint, lace galloon. Hootleetrnp, u. nemntge, errand, call. irmancl -geol., brimful. -evollptje, bumper. -en, ov. w. eene ere, zenden, to send word to a. o. does, to do to go on) an errand. eene iaten to border, to edge, to ladt,to seam, to hem,to skirt. doer, to send on an errand. betide -, glad ti- -eel, o, edging. lace. eines, the Gospe:. Maria -, Annunciation-day. fluorin, v. overflowing of the gall. Manure -, sleeveless errand. -jongen, -1noper, Boon by. & bw. stitked (-1y), bad (1y), evil, ill; angry (op, with. over, at), angrily, in a passion. errand-boy, -goer. -pen, ov. w. to bring vord, -aardig bV. & bw. malicious (-1y). -aardigkeid, to inform of, to announce. -per, m. -ster, v. malice. -doener, m. malefactor. -head, v. wickmessenger, announcer. -ping, v. message. edness, malignity, anger, passion. -teicAd, m. Bong, m. bow; arch; cross-staff; curve,'segment, -brag, arched bridge. -dak, arched roof. -ge- villain, wretch. Boot, T. boat, skin, yowl; lockets gvoote wel f , arched vault. -hout , yoke-elm-wood.
Monopol 1st (mo-nop'o-list), —izer (-lajz'ur), droomerig, druiloorig bijziende. s. alleen-handelaar„ opkooper. (-lajz), v. a. I —ing, —ish, a. droomcrig, stomp. —ishness., a. opkoopen; aan zich trekken; v. n. alleenhandel j droomerigheid, druiloorigheid. drijven. —y, a. aileenhandel- Mop pet (mop'plt, —sey (-sib), R. pop, popje. Monosperntous (mon-o-sguemus), a. Unzadig.; norms (mo'pus), a. drailoor, droomer. Allossontich (mon'o-stik), s, 66nregelig vers. Moral (mor'el), a. zedeniter. —, a. —ly, ad. zeMontsaylItt bic (mon-o.sil-lch'ic), a.; delijk, deugdz.uam. —lit, s. zedenmtester. —ity

Is cryptogeld beter dan reguliere valuta


In 2018 Coinbase launched their independant mobile wallet for iOS and Android. The wallet stores the private keys on the user’s device and only they have access to the funds. This brings Coinbase full circle as it started out as a wallet, transitioned to an exchange only (claiming that they are not a wallet) and now they are offering wallet services again.
Decipher, (de-sarfur), v. a. ontcijferen, ont- Decrease (de-kries') a. vermindering; aineming; Riflemen (van de maan). —, v. A. vermiaderen, 'warren. —er, s. ontcijferaar, verklaarder. doen verralien; v. n. Riflemen, minder worden. Decision (de-siezjun), s. beslissing, beslechDecree (de-krie'), a. bealuit, verordening. —, v. a. ting; bealuit; uitslag. uitvaardigen, verordenen, bepalen; v. n. een Decis lye (de-marsiv), a. —vely, ad. bealiaaend; bealuit uitvaardigen. bepaald. —iveneu, a. bealisaendheid; bet. bealisDecrement (derre-mentl, a. vermindering. sende. —ory, a. beslisaend, beeindigend. Deck Idek"), a. dek, verdek; apel kaarten. main —, Decrepit (de-krep'it), a. afgeleefd. —ate, v. a. & n. verkalken, verknetteren (in het vuur), —ation geschutdek. quarter—, haltdek. —, v. a. beklee(-teetijun), a. verkalking, geknetter. —news, -rude den; versieren, (with) —hook, dekband. —plank, (-i-tjoed), a. hooge ouderdom, afgeleefdheid. dekdeel. —transom, dekworp. —er, a. versierder; Decrescent Ide-kres'sentl, a. afnemend. bekleeder, double- (two-) decker, a. tweedekker. Decret al (de-krietal), a. een decreet betrefthree decker , a. driedekker. fend; s. pauselijk edict; wetboek. —als. a. deDeclaim (de-kleeml v. a. voordragen; v. n. deeretalen. —ist, a. keener der decretalen. —ire, clarneeren; uitvaren tegen (against. on). —er, a. A. bepalend. —orily, ad. —ory, a. (dekare-turhoogdravend redenaar. rih•), beslissend, bepaald. peelama tion (dek-le•rneesiun). a. hartatochtelijke redevoering. —tor (cekne-mee-tur), a. Deer lanl (de-krarel), a. ultkrijting, minachting. —ier (-kraj'ur) a. uitkrijter; lasteraar. —y (-bra)'), oogd ra vend redenaar. —tory (de-klem'e-turv. a. uitkrijten; in kwaden reuk brengen. rib), a. boogdravend. a. nederDeclar able (de-kleer'ibl), a. verklaarbaar. Decimal) ence (de-kum'bens), —carp. ligging; verootmoediging. —eat, a, nederliggend. —ation (dek-lee-ree'sjunl, a. verklaring; klacht. —iture (-bi-tjoer), a. bedlegericheid. —alive (-kler'e•tiv), a. verklarend; aantoonend, —atory (-kleee-tur-rih)„ a. uitdrukkelijk; bepaald Decnple tdek'oepl), a. tienveudig. —, a. tienv. a. vertienvoudigen, voud. verklarend. —e, v. a. verklaren, uitleggen; v. n. —rent, —site, zich verklaren; (off) afzien van. —edly, ad. rond- Decor sloe (de-kuesjun), affoop. a. afloopend. borstig. —er, a. verklaarder. v. a. met echerpehoeken Deelnslon, (de-klen'ajun), a. vacant; verbuiging; De cuss ft te (de-kueseetl, dooranijden. —tion (dek-us-see'sjun), a. dooranil § atwijzing, weigering. ding. Pectin able ( de.klajnIbl), a. verbuigbaar. —ation Dedaious a. met kronkelenden rand. a• nijging; afhelling; afne- Dedecor (ded'e-lus), ate (de-dek'ur-reet) v. a, onteieren; ming; afwijking; afwijzing; verbuiging; —aloe onteeren, te schP.nde brengen. —ation (-ree'sjun), (de-klin'e-tur-rih) a. af—atory (dek'li-nee-tur). a. vervallen-verklaring van eereteekenen; oatwijkingswijzer. —e, a. afnerning, verval. —e, v. R. siering. —ous, a. ontsterend, emadelijk. nederbnigen; aislaan, weigeren; verbuigen; v. n, Dedenlitlon (ded-en-tis'ajtm), a. vealea der afwijken; bellen; Riflemen; weigerachtig atin. tan den. Declly 'tons —ous (de-klarvus), Didica to (ded'i-keet), a. toegewijd. —te, v. a. a. hellend. —ity, a. afhelling. toewijden; opdragen. —'ion (-kee'sjun), a. toeDecoct ide-kokt'), v. a. afkoken. —ion (-kok'sjun), wijding; opdaktit. —tor, a. toewijder; opdrager. a. afkokinc, afkooksel. —ice, a. atkokend. —ure —tory, a. toeifijdend, opdragend. —tory-epiatte, (-tj,;er), a. afkookael. opdraellt. Decolla te (de-korleet), v. a. onthoofden. —lion Dedition (de-dia'ajurt), a. overgave. idek-u1-lee'sjun), a. ontbalzing (van Johannea Deduc a (de-djoes'), v. a. aftrekken; afteiden den Dooper). (nit lets opmaken), —ement, a. afleiding, gevolgDecolor (de-kul'uff , v. a. doen verkleuren; trekking. —ible, a. of te leiden. —ive, a. ontlee—atinn (-nr-ee'sjun), a. ontkleuring, nend; afieidend, Decolorize, v. a. 'Lie Decolor. (de-dukt'), a. a. aftrekken, verminderen; Decom pose (di-ktun-pooz'). v. a. ontbinden, Deduct wegnemen. (-duk'sjun), a. aftrekking; oplossen; v. n. zich ontbinden. —posit (-poz'it) a. gevolgtrekking. —ire, a. —it-ely, ad. a? dubbel sam en gest el d.—ivosition(- korn te leiden; to betoogen; afieidend; betoogend. a. dnbbele samenRtelling; ontbinding. —pound Deed (died'), a. dead, handeling; dokument,akte. (-paaund'), a, dubbel mamengesteld; v. n, dubbel v. a. bij akte — of trust, akte van volmacht. § samenatelien; ontbinden. --poundaNe (-paaund" overdragen. —less, a. werkelooa. —y, a. werkibll, a. voor dlibbele eamenstelling (oplossing, ZAAM, bedrijvig. In the very deed, op heeterdaad. ontbinding) vatbaar. Deem (diem"), v. a. & n. oordeelen., het er voor Decor nee Idek'ur-rcet), v. a. veraieren. —anon rec ht er(o het ell and Man). houden. —s er, (..,,,, ,jun) a. versiering; versierael. —afar, a.' Deep (diep') a. & ad. diep; donkey (van kle.tr); ad. (de-ko'rus-), wel—.sly, versierder. —nun, a. geheim; diepzinnig; grondig; zwaar; liRtig, gevengelijk, betamelijk. —um (de-ko'rum), a. wel.slepen. —drawing, diepgaand. —mouthed, diep van stem. —musing, diep peinzend, —read, zeer Ileeortien te (de-kor'tl.keet), v. a. ontschorsen. belezen. —toned, diep van toon. —vaulted, diep a. ontbarsting. , , —lion (-Iree'sjun yea elfd. —waisted, met een 'nor- en aehterdelt. lok—bird, Decoy (de-kof), a. lokanse valstrik. —, a. diepte; zee. —en (die'pn), a. a. nitdiepen; vogel. jokeeud. —, v. a. lokken, verleiverdonkeren; nederdrukken; v. n. dieper warden; den; bedriegen. —man, a. vogelaar. —pond, a. danker warden. —1y, ad. diep; grooteltjks; diepeenJenicool.
glean. —on (-on), s. (talker (eend). —r, a. dompe. Plinth (plinth), s. plint, rollaag. laar, dutker; pompatok. Plod (plod'), v. n. sloven; blokken. —der, a. Plunket (plungk'it), s. waterblauw. glover; blokker. Plot (plot'), a. pleikje gronds, veld; aanleg; plan, Pluperfect (ploe'pur-fekt), a. meer dan vole maekt verleden. ontwerp; komplot, samenswering, intrigue, aans. slag, knoop. —, v. a. smeden; ontwerpen; v. n. Plural (ploe'rel), a. --/y ad. meervoudig. meervoud. —sat a. geesteljke, die meer dan tin samenspannen, sea' aanslag smeden. —ter, s. kerepel heeft. —sty (-rellt-tih), e, meartalligsamenzweerder; ontwsrper. held, veelheid. Plough (plan'), a. ploeg; ploegschaaf. —beam, plosgbalk. —boy, ploegjongen. —colter, ploeg Plush (pluej"), a. plain, pluche. —er, s. (aoort van) zeehond. kouter. —handle, ploegstaart. —iron, sponningached!. —knife, ploegmes. —land, bouw land. Pluvi al4ploe'vl-e1). —out, a. regen-; regenachtig. —a/ s. miegewaad, koorkleed. —man, ploeger; landbouwer; vlegel. —monday, eerste mammies na Driekoningen; ploegieest. Ply (plan, a. bocht; vouw,plooi; nelging; gewoonte. —, v. a. inspannen; Ijv erig waarnemen, —raker, ploegijzer. —shaft, ploegboom. —share, gebruiken, behartigev; zich toeleggen op; drinploegschaar. —staff, —stilt, —tail, ploegetaart. gend verzoeken; bewegen; overatelpen (with); v. n. ploegmaker, —, v. a. beploegen; v. n. buigen, toe even ijverig werken, gin best doen; ploegen. —er, s. ploeger; landbouwer. —ing, s. laveeren. —er, s. Zie Filer. het ploegen. Pneum atic (njoe-met'll,), a. lucht-, wind.; van Plover (pluv'ur), a. pluvier, regenvogel. de lucht (de luchtleer,. den wind). —atics, a. Pluck (pluk'), e. ruk, trek; omloop, ingewand; luchtkunde; geestenleer. —otology (-me-torudinoed. —, v. a. rukken, trekken; plukken, (down) zjih), a. lucht-; geestenleer. — onia neerslaan; neerrukken. (off! at-, uitplukken. (up) uitrukken; uitroeien; opbeuren, (moed) schepe. longonteteking. —onic (-mon'ik), a. van de longen, a. longmiddel. pen. —er, a. plukker; uitroeier. Plug (plug), s. plug, pin, stop, prop; kraan; Poach (pootsjl, v. a. sacht koken; viuchtig ontwerpen; doorsteken, doorboren; stroopen; v. n. stinger. —, v. a. dichtatoppen. wild atroopen; vochtig an. —ard, a. poeleend. Plum (plum'), a. pruim; roziju; le0,000 pd. Merl.; —iness (-1.-ness), s. vochtigheid, —er, e. stroo millionair. —auger —a, bruidsuikers. —cake, prui—y. a. vocht g, moeraseig. mentaartie, krentenkoekje. —porridge, brtj met prutmen of rozijnen. —pudding, podding met Peck (pole), a. yak, pokzweer. —hole, —mark, pokput. —fretten,—marked,—pitted,pokdalig.—wood, prnimen of roziinen. —tree, pruimeboom. pokhout. Plumage (ploe'midzj). s. veeren; vederbos. zonder geld. Plumb (plum'), g. achietlood, dieplood. —line, Pocket Ipok'it), a. zak. out of —book, zakboekje. —glass, zakspiegeitje. —hole, schietlood. —, a. & ad. loodreeht. loodltjn. —rule, zakgat. —handkerchief, zakdoek. —knife, zakmes. —down, reeht near beneden. orer,recht over. —, —money, zakgeld. —, v. a. in den zak steken, v. a. peilen, in het load zetten. —ago (-bee'go), (- bi-us), opateken; (up) opsteken; verkroppen. . leoderts, potlood. —eon ( -bi-en), loodgieter. Pock hives (pokl-nes), a. pokkigheid; vezieriek, a. loodaehtig; leoden, zwaar. a. pokkig; venerisch. —y, —cry, s. loodgleterswerk; loodgieterij. Plum a (ploerel, e. veder, vederboa, pluim; Pod pod ), s.sebil, bast, dop. —ware, peulvrecht. —, v. n. rich zetten, peulen bekomen. trotsehheid; lawyer, eereteeken; —alum, 'pluimaluin; —striker, pluiraetrijker. —e,v. a. (de veeren) Podagr a (pod'e-gre), a. podegra, voeijicht. —le, —ical (po-deg'rik-), a. jichtig. reinigen; met veeren (ten' yederbos) tooien; uitplukken; — one 'a self on, etch laten voorstean Podge (podzj), s. posh, pins. op. —cleat, a. ve-derloos, kcal. —igerous (mid , Po em (po'em), a. gedicht, diehtsiuk. —est/ (4-sih), sjnr-us), a. gevederd. —iped (-i-ped), a. rulg- I a. lie Poetry. Poet (po'it), a. dlchter. —aster (-es-tur), a. rtjpootig. Plummet (plum'init), a. schiet-, dieplood. melaar. —tea, a. dichteres. —ic,—ical, a. —ically, ad. (po-et'ilz.), dicliterWk. —sea (-eViks), pl, leer Plums ose (ploe- moos% —ous, a. gevederd; 'cederder dichtkunst. —ire (ajz), v. n. dichten. —ry, achtig, donzig. —osity (-raos'it-tih), a. gevederda. dtchtkunat; gedichten. held; donslcheid. Plump (plump'), a. —1y, ad. vleezig, poezelig; Poignan cy (pornen-sih), a. acherpheid; etekeligheid. —t, a. —fly, ad. scherp; stekeltg. vet. —, ad. plomb. —, v. a. & n. vleesig (dik, vet) makes (warden); nederploffen. —er, a. prop Point (pojnt'), s. punt; stip; spits; nestei; oog an het spel); stift, naald; kant; kompasstreek; of pruim (in den mond); grove leugen. —ness, keep, doel; toestand; grand; uitslag; soot, toon. s. vleezigheid, gesetheid, —y, a. vleesig, gezet, —a, pl. seizingen; puncturen. — of sight, — of poezelig. Plum ule (ploe'mjoel), s. kiem, plulmpje. —y, view, gezichtspunt. to gain one's —, ztjn doel bereiken. to bring to a —, ten elude brat:igen. at a. gevederd, donzig. Plunder Iplun'dur), s. bolt, roof. —, v. cplunall —a, in ails opzichten, geheel. —blank, e. mikpunt; waterpas-, kernachot; ad. rechtetreeks, deren, rooven. —er, s. plunderaar. regelrecht. punctuur-gaatjes. —maker, Plunge (plundsjl, s. indompeling, induiking, nestel-, kantmaker. —screw, punetuur-schroef. nederploffing; plot; (het) *lean van paardeu; seilpunt. verlegenheid, klern. —, v. a. indompelen; s torten; v. n. duiken; zieh I "torten; springen en Point (pojntl, v. a. aanpunten, teherpen; stip8
Daarentegers, bar, on the other hood, on the contrary. D etartmett, bw. thither, there. Darwin, by. in (into) it, its there, t herein. Daarlassgs, bw. along there, that way. IDta arnuede,bw. with it, therew it h. Eionarna, hw. afterthat, thereafter, after werds, Dwarfs's/tr, bw. actordtng to It, ar,cordingly. Desaronast, bw. next to it. Haarnevens, by. with that.. D aarona, be. therefore. Daartsiustreeke, bey. thereabouts. Daaromtrent, hw. thereabout, about it. Daft rood or, bw. therebelow, therebencath; theft) among, among them. D aarop, hw. upon it, thereon, thereupon. Danrovenr, bw. at (about, over) it, over there on the other side. Dftereeigen, b w. against It, thereagainst. Daartoe, by. for that purpose. Desert usschen, bw. between them, meanwhile Daarult, bw. (from) thence, out of it. Daarvan„ bw. of (crow) it, thereof, therefrom. D aarvoor, bw. for it. Dodd, v. date. —boon, date-tree. —kern, date-, kernel. —olle, date-oil. —satin, date•wine.
v. a. met Urn (kalk) bestrijken; verstrikken. —r, a. speurhond. Limit s. guns. —, v. a. begrenzen; beperken (to). —able, a. begrensbaar; te beperken. —ary, a. aan de grenzen gelegen;s. grensplaats. —anon (-tee'sjun), a. beperking, bepaling. —less, a. grenzenlooe,onbeperkt. Lime. (Jim',, v. a. teekenen, kleuren, schilderen, portretleeren. —er (-our), -a. schilder, portretschilder.' —iny (-nieng), a. hetLschilderen met waterverf. Limous (laj'mus), a. reodderig. Lamp (limp'), a. zacht, lenig, slap. —, a. hompeling, gehink. —, v. n. hompelen, hieken, mank gaan. e. homrelaar, mauke. —inyly, ad. hinkend, mank. Limpet (lim'pit), a. morsel. Limpid (lim'pid), a. klaar. helder. —ity(-pid'-ittih), —nes*, s. helderheid. Linty ilaj'rnih), a. kleverig; kalkachtig. Linftment (lin'e-ment), a. wiek, verband.
Ckel, m, dislike, aversion. Eissier, v. magpie, pie. —ong, corn. —0ogIntider, corn-cutter, pedicure. El, v. 'ell; (engelatthe) yard; (nederlandtche) meter; yard slick, yard-wand. —leboog, elbow; cubit; —rapier, cubital rourcle. —legoed, —imam., stuff sold by the ell. —lemaat, ell-measure, alnage. Eland, m. elk. Elders, bw. elsewhere. Elects !cite it, v. electricity, —iek, ha. electric (-al). —is'eren, ov. w. to electrify. —iseermachine, elect rifying. machine. ElePant,m. Zie Olifant. Eleg ie, v. elegy. —itch, by. elegiac. Element, o. element. Elf, tw. eleven. —hock, endecagon. —tal, (number of) eleven. —de, be. & o. eleventh (part,). —dehalf, by ten and a half. —derlsende, —derlei, ha. of eleven sorts. —maul, bw. eleven times. — vend, o. —voudig, by. ele•enfold. Elft, m. shad. Eiger, m. eel sneer. Elk, tw. every, each. —een, vnw. every (any) one, every (any) body. —acre, vnw. Zie Elkander. Elkander, vnw. each other, one another. 3(i —, together. door —, tie Rooreen. na —, one after another, successively. ender —, helter-skelter, confusedly. nit — nelson, to take to pieces, to undo. nit (ran) — gastn.to separate. Ellend e, v. misery. —cling, m. & v. wretch, villain. —ig, bv. & bw. miserable ••bly), pitiful (•), wretched (-Iy). —ighetd, v. miserable state, pliifulness, wretchedness. Millie a, v. ellipsis. —tie* by. elliptical. Elpenbeen, v. ivory. —en, by. ivory. Els, m. alder. —, v. awl,elein. Eize bled, o. alder-leaf. —boons, alder-tree. —a tan, alder-trunk. —tab, alder-branch. —nbosth, alder-plot. —nhout, elder-wood. Email, o. enamel. —/eeren, ov. w. to enamel. Embail age., a. packing, package. —eeren,0 1/. w• to pack (up), to embale. Emeritus, by. superannuated. Ensnser, m. pall, bucket. En, yw. and. End, o. Zie Eind. Endeldarin. m. rectum. Eudosis ant. m. inderser. —eeren, ov. w. to indorse, de geendosteerde, the Indorsed. —mod, o. indorsement. Eng, by. & bw. narrow (-Iy), tight (-ly), close (-1y), straight ( ly). —borstig, short-breathed. —boratigheid, asthma, shortwindedness. Engel, in. angel. —rein, pure as an angel. —schoon, of an angel's beauty. —toortel, angelica, lone-wort. —sect, bv. very sweet; o. polypody. —enbak, n pper-gallery. —enhoor, chorus of angels. —eatchaar, host of angels. —enzang, hymn of the angels. —achtig, by. & bw. angelic' (-ally). —richUpheld, v. angelicalness. —in, v. angel. Engels, o. twentieth part of an ounce.
Tod (tod') s. struikgewas; yea; stem (gewleht). (tod'd1), v. n. waggelen, strompelen. —dy, s. paimdrank; (snort van) punch. Toe (to), s. teen; voorhoef. Toffy (tern h), s. boretp/aae, suikergoed. Toft (tort), s. erf, loads, homebje. Tog sated (to'gee-tid), —ed (-gid), a. getabberd, in de toga Together (toe-geth'ur), ad. te zamen; aohterern. — with, benavens met. Toggle (toeg)), a. korvijnagel, knevel. Toil (toll') a. mare arbeld; tobberij; net, web. v. a. bewerken; afmatten; v. n. zwoegen. sloven. — and moil, ploeteren. —er, a. zwoegee, glover. Toilet (toj'llt), s. kaptafel, toilet. Toilsome (tojl'eum), a. —ly, ad. moelelidk, vet, moeielijkheid. tnoetend. Token (to'kn), e. teekeu, aandenken. —, v. a. teekenen; bekend oaken, annduiden. Tole (tool), v. a. trekken; lokken. Toledo (to-IPdo), s. spakneche king. Toler able (tol'ur-ibl), e. —ably, ad. drage)ijk, tamelijk. —ablenese, s. dragelijkheld, mtddehn. Hebei& —once, —ation (-re'sjen), a. (het) dulden, verdragen; toelatiag; verdraagzseraheid. —ant, a. verdrangeaant (to. towards). —ate (-eel), v. a. verdragen, toelaten, dulden. Toll (tool ► ), a. tol; aceljus, gelut. —bar, tolhek,, —collector. el agb oom. —booth, tolhuis; gevan —gatherer, —man, toloarder. —corn, sehepkoren (oh maalloon). —dish, —hop, aehepinaat. —free, tolvrli. —gate, tolhek. —house, tolhuis. —money, tolgeld. —, v. a. heffen; lulden, kleppen; lokken, verleiden; ophelYen, vernietigen; v. n. chetting) betalen of heften. lulden; tol(e To I qtation (tol-joe-tee'ejue), e. telgang. Tom (tom"), s. krankzinnige. —boy, wildzang; Wilde (eleahte) meld; Kerosene kerel. —eat. hater. —foot (-foel'), zotekap. —foolery (-foel'ur-lb), zotternij. —poker (-po'kur), bulls balk. —rig, sell d.ctug, wilde rr aid. —thumb, dwerg. --tit (-tit'),

Splend cut laplea'dent), 0. II:taken& schitteresd. —ter, a. 4ikkelaor; bevlekker. —id, a. —idly, ad. praclitig, kostelijk —or, a. a. gevloktheid. —ly, a. gevlekt; gespikkeld; tepracht,lniater,glans. zoedeld. Splen elle(aplen'e-tik),—ish, a. Zie Spleenful. Spoon al (spaiezel), a bruilofts-; echtelbk. —ic, a. van de milt, milt•. s. brunt:in; huwelijk; bruiloftslied. Splent Isplent), s. splinter: spat, overbear, echtge000t, —e (spa.), v. a. 'Lie to Espouse. Splice (*pimp), a. spiitsing. —, v. a, splitsen. —less, a. ongAinwd. Splint (splint'), —er, a. splinter,spaander; spalk. S,pcsiat (spout'), s. pijp, Wit; gust; waterstraal; —er, v. a. doen splinteren, splijtenispalken; waterhoos; wolkbreuk. —hole, eguitgat. —, v. a. v. n. aplinteren, splijten• & n. spuiten; hoogdravend spreken, declamee. Split (split') [split], v. a. aplij ten, klooven; sebeu- sen. —er, a. declamat eve. ran; verbrijgeien; v. n. splijten; bereten;springen; Sprain (sprees,, a. verrekking, verstuiking. vergaan. --cauoc, advoksat. —stun, dubbele ode- v. a. verrekken, verstuil.en. lame. —fig, kruidenier.—ring, gesp)eten ring. —ter, Sprat I spret), a. sprat. —barley, baardgerst. o Sprawl w (spraol) V. n. srtelen. Splt a. itlitir'l° eterIskp1:e tv'.U. r), a. gerons, rumoer. —, v. n. Spray (spree), a. rijaje, tilde; schuim. ran:me:en, onversiatinbaar spreken. Spread (speed), s. uitgebrridhetd, omvang. Spoil (spop.), a. butt, roof; verwoesting; 00 , Spread (spred') [spread], v. a. & n. Ppreiden; worpen huid, uitbreiden, nitstrekken, verspreiden. —the v. a. rooven; beroo,n iol , ; bederven, verweesten; v. n, ror,v,,v ; bederven• cloth, de tafel dekken..(abroad) verbreiden. (out) —er, s. beroover; bedrever, ven.voester. vorsprePier; verbreider. uitspreiden. —cc, Spoke (spook), a. apauk, speck; sport. Sprig ieprig')., a. r ikje, apruide; atiftje. —bolt. 011p,,kessisan (spooluimen), a. woorcivoerder. V. a. met takbout. —crysta?, bergkrislal. Spolla sae v. a. bereoven, plunderer. tairjes tedrenen; met stiftjes vastruaken. —gy —lion ( ee'sjun), a. beroovi ► g, plundering. (-0,; ► , a. vol. rijsjes. Spun dee (spou'di), s. spondeus, ,rsvoet you spright (aprajt , , 8 spook, geeet. fiat, —/y, a. twee lange lettergrepen —dyl (-dil), a. leveedig, vro ►ltjk, —fulneatt, (-Itwerveibeen. Spong a (spundzj'), spons; wisncher. —e, v. a. Igt:s' t 'eloa.f.1.7tro1;1, '1'; h t' 'd ..K. ' i"°11ikh6d. — le", a. sponmen; bitwiescheu; v. n. inzulgen; tafel- Spring (spring), a. bran; eprong; veer, springschuimen (on, upon,. — er, a. tatetacbuimer. veer; oorsprong; veerkrachi; lente., voorjaar; (-1-neas), 8 sp ► nsschtigheid. —ing•house, acheur, barrt; lek; spring. —arbor, entl. (in can zomt.rgerst. —barrel, rolgorhorlogiel. a. aroneachtig; irdzeling. —soon zutgend, reha --box, tom k, rg rretid bolt„ e) :ve—e ba Spo t. al (epcua'el , , a, brullofis-; eehtelijk. apringbr;k. —shape, ee, d l, ue: inv ae el —ion (-ajun,a. borgtocht, ..... or, a. burg; doop- Petrel. veer. —dividers. pl. veerpasser.—CLg getuige, doopheffer. treehter. —grass, rekkgras. —gun, donderbua. Spr.ontane ous (spun-tee'ni-us), a. —ously, al. —halt, hanespat. —head, bran; oorsprohg. —hook, veerdekvrijwill:g; van zelf; wilt. —ity (spon-te-nl'it-tilt), veerklink. —lid, karabijnhask. —latch, -nuances, a. veil wil I igheld. eel. --lock, springslot. —quarter, tijd der langste Spontoon ispon-loon'), a. boric pick, dagen. -saw, beugrOzsag. —snuffers, pl. patentSpool (spel', a. spool. —, v. n. spoelen(opwiu- anniter. —steel, elastiek staal. —steel-yard, veerden), —ing-wheel, spuelrad. taotoeir „Te r t asipl,..aearr.d v to;ee.-6 at e, oaupwriknxplopeet Spoon) Impoein'), V. n. anal (vane den wind) u_ri 1en Lenten. zeolloenn;1, p ot ,en),—drif a. iet,pes ichu zomertarwe.—worm, binits iie le,epderill . —water, Spoon (een) lapel-vol. —hand, rechterhan ► . —meat, la- Spring (spring) [sprung], v. a. doen springen: pelkost. —shell, strande ► uisel. —wort,lepellolad. opjagen; aan den dog brengen. — a leak. een n. springer; ontepringen; —, v. n. Zie to Spoons. Lek ketjgen. v. Sporadic (spo-red'ik), —al, a. verstloold. uttapruiten; voortkomen, entstaan, zijn' oorSport (spaortir, a. ape1; lichens, kortswiTh veld- sprang kebben. (forth) nitspruiten, opschieten; verinstak ;jagen, visschen, vogelen, psardrijden. Noortkomen; nitspringen. ( forward) V.0 1,VaartS enz.)..tonzake—with,voor don gek houden.—'s-man, sprineen, zich atorten. (up) op , pringetll —saran, licihebber von veldverrnaken. —, v. a. schieten; ontstaan; itch verheffen. v. a. vern. (itch) vermaken, verlustigen; spelen;achert- Springe (sprindz,j), a. strik, knip. sen; (with) den gels ocheren met. --cr, rt. achert- strikken. see, spotvogel. -lye, a. --fully, —ively, Spring er (epring'ur), s. drijver; spruit. —inc.a a. veerkrachtig; ad. vionitk, giapptg, echertsend. —fulnebe, (-I neqi), a, veerkracht. s. vroolijkheid, clartelheid, kortawi,j1, bronrijk. Belem. —lees, a. treurig. —v,le (-Joel), 8. a. gesprenkel; Ritter, Sprinkl e mom fool. watersproeier. e, v. a. brsprenkelen; v.n.stofSpot (spot'), a. vlek; schandviek; pleats, plekje. regenen. —er, F4. hesprenkelear. —ing,B. besprenon (upon) the —, aanatonds; op stnande voet.—, keliug; weinigje. v. a. beslekken, bezoedelen; benpikkelen. —tetra, Sprit (sprit'), a. sprutt. epriet. --sail, sprietzeil. a. onbavlekt, suiver, vlekkeloos. —lcesnese, a. —. v. n. spruiten. vlekkalooshaid. —ted, a. gevlett; gespikkeld. Sprite (aprajt), a. Pie Sprlght.
In the case of Bitcoin, miners run computer programs to verify the data that creates a complete transaction history of all Bitcoin. A technology known as the blockchain, which is used to create irreversible and traceable transactions, makes the process of verification possible. Once a miner has verified the data (which comes in a block, hence, blockchain), they are rewarded with some amount of digital currency, the same currency for which they were verifying the transaction history. So mining Bitcoin, for example, would earn you Bitcoin.
Angustation (eng-guts-tee'sjun), a. vernauwin. Anhei ation (en-hi-leesjun), s. bijging, —ose (en-hi-looz), a. hijgend. AnIght (e-najt,'), Anights, ad. bij nacht. Anil (en'il), a. indigoplant. Anil a (en'ajl), a. oudwijfsch, auffend. —eness, —ity, (e-nint-tih), a. oudwijfschheid. Animable (en'i-mibl), a. bezielbaar. Aniunadver sion (en-t-med-vuezjun), a. opmerking; berisping (on. upon). —t (-vurt'), v. a. & n. opmerken; beriapen (on. upon). —ter, a. berisper, bestraffer. Anirnsai (en'i-mel), a, dier; a. dieriijk. —cute (en-i-mel'kjoel), a. diertje. —ity (mel'it-tih), a. dienlijk bestaan. Aniniat a (enl-met), a. levend; levendig. (-meet), v. a. bezielen; aansporen. —ed (meetid), a. levendig, vol your. —ion (en-i-mee'mjun), a. bezieling; opgewektheid. —ire, a. bezielend. Animosity (en-i-mos'It-tih), a. verbittering, haat, wrok. Anise (en'is), a. anijs. Indian —, ateranijs. Anker (enk'ur), a. anker (vochtmaat). Ankle (en'kl), a. enkel. Annal let (en'nehist), a. jaarboekschrijver. —s (en'nelz), s. jaarboeken. Anneal (en-niel'), v. a. gloeien, harden (van glas(. Annex (en-neks"), v. a. aanhechten (to). —ation (ee'sjum, —ion, —cent, a. aanhechting. Anniiillat e (en-naj'hi•leet), v. a. vernietigen. - ion (lee'sjun), a. vernietiging. Anniversary (en-ni-vuese-rih), a. verjaardag. —, a. jaarlijkach. Annotat a (en'no-teet), v. a. aanteekeningen maken. —ion (-tee'sjun), s. aanteekening. —or, a. aanteekenaar. Announce (en-naanna"), v. a. aankondigen. —cent, a. aankondiging, —r, a. aankondiger. Annoy (en-noj% v. a. kwellen; verontruaten. —once, a. kwelling, lastigheid. —er, a. plager. —ing, a. kwellend, lastig. Annual (en'njoe-el), a. jaarlijkach. —ly, jaarlijks. Annuit nut (en-njoe'l- tent), a. lijfrentenier.—y, s. lijfrente. Annul (en-nut'), v. a. vernietigen. —ar (en'njoeler), a. ringvormig. —meat, a. vernietiging.. Annutrserat e (en-njoe'mur-eet), v. a. bijteilen. —ion (-ee'ajun), a. bijtelling. Annuncia to (en-nun'sji-eet), v. a. aankondigen. --lion I- ee'sjun), a. aankoudiging. —tion-day. Maria-boodschap. a. pijnAnodyne (en'o-dajn), a. pijnstillend. stillend middel. Anoint (e-noint% v. a. zalven.—ed, s. The Lord's —, de gezalfde des Beeren. --cent, a. zalving. Anoirnal one (e-nom'e-lus), a. afwijkenq, onregelmatig. —y. s. afwijking; onregelmatigheid. Anon, (e-non'), ad. aanstonds. ever and —, gestadig. Anonymous (e-non'i-mud), a. naainloos. —/y. ad. zonder naam. Another (en-uth'ur), pr. een ander; nog een. one —, elkancler. Anointed (en'see-tid), a. gebengaeld.
426 —riem, girth. —la uding, gastrotomy. —soden. ventriloquy. —spreker, ventriloquist. -.-stak, rib, floor-timber. —vin, belly-fin. —olies, peritoneum. —wee, colic. —worn, belly-worm, ascaride. —senate, abdominal nerve. —sick, tie Bourget'. ! II—meereed, purgative. —sairering, purging, purgation. —oddity, —ig, be. big-bellied, bulged. Bull, v. swelling, boil, bump. —, in. bolter. —hist, —troy, bolting-hutch. —solder, boltingloft. —en, ov. & on. w. to bolt. Buis, v. tube, pipe, conduit, channel; dogger, buss. —, o.jacket. —haring, pickle-herring. —man, herring-fisher. —vorsaiv, tubular. —jesdagoailin day of the herring-fishers altogether. Belt, m. booty, spoil, prize. — snake., to take, to capture; to get booty. —geld, pin-money. —seeker, marauder, adventurer. Bultelear, tn. tumbler. —en, on. W. to tumble, to tall head over heels. v. tumbling. Balton, or. w. to take, to capture, to make booty. Button, o. country-seat, villa. Balton, bw. without, out of doors, abroad. van —, from abroad; on the outside; by heart. ie — gaan, to exceed. sick le — gaan, to be internperata, io commit excesses. near —, out, abroad, into the country. — oan, round about. —, YE. out of, without; beyond, save, except.'— (dens, out of breath. Bulteubeerrje, o. by-blow, natural child. Buitendeur, v. outer-door, street-door. litaltend len, bw. besides, moreover. B ultendUk, an. outer-dike. -a, bw. on the outside of a dike. Bultengantg, bw. out of the harbor. Buittengoug, m. outer-passage. Bultengenseen, llittaltengewoon,by. & bw. extraordinary (-1y,, uncommon (•4). —held, v. extraordins,rineee, uncommonneas. Buitougoed, o. country seat, villa. Bts ltengracht, v. outer-ditch, outward moat. Buitenhof, o. outer-court. r. sheathing, BuiteDkane, v. good luck, perquisite, windfall. Baiter, knit, m. outside, exterior: Bultenklal, v keel, outer-keel. Bullenlard, o. foreign country. in (near) het —, abroad. —er, m. foreigner. —ech, by, foreign, outlandish, exotic, tluitenlledea, m. my. country-people. Buttenloode, m. sea-pilot. Buitenlueht, v. country-air, open air. m. lewdnene. Bultenmen, m. country-man. Buleennante, bw. exceeeively, beyond measure. Bultentareld. v. country-servant. Buitennauedor, v. lady-governess of the genera/ concerns of an hospital. Bultensnuur, m. outer-wall. Iluittespinals, v. country-seat; outer-court. Bultenpost, m. outpost. Buleanrasede, v. open road. illultonachana,y. advanced sconce. B ultonedlenet, bw. out of place, — service. S ulteushula, bw. out of (withOut ► doors.

HEE.—HEL Iiiirettets,bv. & bw. hoarse (-1y). —achtly,bv. someIleelial,o. universe. what hoarse, --Acid, v. hoareeness. Heel bane, be. curable,healable. —en, ov. & on. w. to cure, to heal. —kracht, sanative (healing) Ilieeater, m. shrub. —geteae, shrub. —achtig, be. power. —foetid. medicinal herb. el —kunde, shrubby. (ran koortel; batty, surgery. —kundig. surgical. —kundige, —.eater, Sleet, ha. hot, sultry, burning irritable, testy; lewd (op) eager after, fond of. surgeon. —ssiddel, healing-remedy. —pleieter, op —er daad, in the very act. —etranen ac*reicn, healing-plaster. —tleeich, flesh easily healing. bw. hotly, warmly; eagerly, to weep bitterly. Reel held, v. wholeness, entireness; reservedness, toe, there Wes hot work briskly. het sing er —big, v. curing, healing. von de noald, new off the irons. —hoofd, hotHee/star, v. Zie Melee. & bw. hat-headed, littera, o. farm. —raad, dike-reeve. —raadschap, braille.' person. —hoofdig, be—hoofdigheid, v. hothasty ( - fly), passionate (-ly). office of a dike-reeve. —stede, farm. —stederld, headedneee, hastiness, paettionateness. —en, ov. tax upon farm, —ewortel, marsh-mallows, to heat, to orate hut, to chafe. w. glean, bw. away. -- en weer, to and fro. bid; II"congas's, on. w. to go away. dot goat nog al iliveteen, ov. w. to call, to name; to ordereto liegen, to on. w. to be called, to be carved. keen, that will do. give the Ile. hoe heet gij? what is your name? itieettkomen, on. w. to get away. o. escape. Ileetheld, v. hotness; hestinese, irritableness; een goed — tcehen, to make ones eacepe. lewdness. II eenloopeta, on. w. to run away. tarp get you gone! — over, to do carelessly, to bungle Clefs hiniwe, v. dregs, leer, sediment. — dee Yolks, (the) rabble. (to botch) up. icera, ov. w. to lift, to heave; to roles, to levy. Ileensnoatan„ on. w. to be obliged to go. wear --boom, lever. —deeg, leaven. —offer,heeve offerreactdat keen? what will it come to? ing. fee, m. —ster, v. colour. —ling, v. raising; linen refs, v. de -arture; voyage out. —reizen, on. tax. w. to set out, to depart. Halt. o. Zie Hecht. IlleenrUden, on. w. to ride (to drive) away. & bw. Ziellewtg. Illemnsleepen,ov. w. to drag along. garden. shears. )Flies , tingle, v. ireege. feechaar, ilieensluipen, on. w. to steal (to sneak) /nitay. — geyser, firing by platoons. lifeenallappen, on. w. to mar ch off. If es, tsw. ho I hone ! Ifeentoeht, no, departure, marching oil. net, v. heath; broom. —bezen,, broom. —Noon, II veontriekketr, on. w. to set (to march off. wild teyine. —boender, broom. —brand, heathIleenvaren, on. w. to net sail, to eat off. fire. —damp, —rook. heath smeke. —krskel, heath.Ilfeenvileden, pn, W. to fly, to escape. cricket. Zie ook Heide. ileen.ellen, on. w .to salt sway. Del, v. beetle, rammer. —baas, ram-master. —blok, neenzUts, on. w. to be gone, to be far off. rammer. —petal, pile. —atel:ing, ramming-frame. lleep,v.ohopping-knife. —week, piling, pile-work. m, master, lord; Lord (God, Christ); gentleman, air; king (in 't kaartspe!). de groote —, the Heide, v. heath; broom. —Wens, wild thyme, heath. flower. — grond, —Nod, —veld, heath. Grand Seignor. den yr. 00ten sitkangen (epee.), —krutcl, —plant, heather. to lord it. nt(ine —en, gentlemen. de — A, Mr. A. —dom, de — A en B, Messrs A. and B. —, o. Zie illeir. hi eideca, m. heathen, pagan, gentile; gipey. o. heathenism, paganism. —ash, be. & ha. —gemaad, feudal gift. —ova, your (his) rev crence. heathen, heathenish (-ly), pagan; terrible (- hip), endtenst, statute-labor. —enexia, manor-house, annoying. mansion; gentleman's house. enkneeht, footman., servant. —enlogement, hotel for gentleteer. —en- Iieldin, v. gipsy. to pile; on. w. to loon, high wages. —tenstraat, public street. f. - Itch en, or. w. to ram (in), draw a great deal of water, to go very deep . to weg, high-way. --alhtig, be. gent!emaniike. pitch, to plunge. —er, xri, rammer. —ing,v . rembe. manorial, belonging to a lord; lev & bw . mleg. grand (-Iy), magnificent (Ay), delicious (-1y), delightful (-Iy). —1(ikheid, v.:eeigniorage.zeigniory, lie-il, o. heppiness ; prosperity; bliss, saleetion. —belle, good wish. •—beelerio,demiroutt after bliss, manor; lordship; grandeur, magnificence, delight—bron, —font ein, source eat (salv att.), fulness; eternal, bliss. fountain (of bliss. — drank, toast, health. --rVic, v. imIltersehaehlig, be. imperious. ralutary, t'teelul. —wensch, felicitation. periousness. d, xnn. Sevior. Illeerselanp, e. master, lord, gentleman; fellow. v. dominion, power, (Rove ...sign) authority, latrilhoit, v. halibut; brill. bw. holy (-11y), carrel (-Iy). verequig, be. role, sway, empire. —one; en, to rule, to bear, been, to eationiZe., ter saiLt, —arond„ eve, klaren, sway. os aecruna. — bitter, bitter. holy. —makend. sanctiIllearech en, on. w. to rule, to reign, V; coverer; to domineer; to rage, to prevail. —eueet, ambi- fying. — maker, sanctifier. —makinp, eauctiflcatton. —scherder, secrilegist. — sehesedig, — schention, despotism. —etteetig, be. & So'. ambitioue wend, eet,rileg , otia. —schennis, sacrIlisge. —erre(-1y), imperious (-ly). —zuchtigheid, ambition. kend, —yerklaring, cenonleation. --gout, o. sancimperiousnees. end, be. reigeing, domirant, tuary; relic; —shui4je, eepository of :sacred thing, prevailing; —c godsdienet, established religion. Act —er, m. ruler, governor. es, v. governess. hte'iIlg a, m. & v. saint; patron, patrounta. —e der —en, the Holy of ilolits. —enbeeld, image —lag, a. reign, dominion.
tone, sound of the harp. —en, ov. w. to riddle, to sift. —enaar, m. Zie 111111,pti , v. harpy, vixen, shrew., scold. Ilse lssio, o. tow. Illerpoen, m. harpoon. —en, °v. gyp'. to harpoon. —ier, to. harpooner. Ilwrpni a;, o. stuff to pay a thip'e bottom, resin. —eon ov. w. to pay, to great. lilikarreveAr der, m. wrangler. --ran, on. w. to weaegle ; to squabble. —reril, v. wrangle, wrangling, jarring. Hare, v. & a. resin. —boom, pine-tree. —achtig, by. eeeinous. Inered, m. loin of beef, .sirloin. o. heart; breast, boeolc; mind, spirit, c ourage, mettle; affection, core: dead, midst. het — hebben, to dare. can het — (ler —e) 9,..an, to give concern, to have at heart. ter —e ',cozen, to take to heart. van — e, sincerely. von ganecher —e, with all one 'a heart. —ader, great artery, aorta; nerve. —brekend, heart-breaking. —grondig, be. heart-felt, sincere; be. !coin the bottom of the heart, sincerely. —learner, ventricle. —klopping, palpitation, heart-beating. — kolk, —putjr, pit of the heart. —kruid, nrther-wort. —humid disease of the heart. —lap. darling. —coerced, affecting, pathetic. —sterkend, —eterking, cardiac/O., cordial. —yang, fainting-fit, qualm,syncope. --ye ...hefted. heart-stirring. --verseheuren,d, heartrending. —vinger, middle. finger. —sakje, heart'spurse, perizardium. —seer, ;;clef, sorrow, heartache. —.senate, heart-ntri ► g. —ebloed, heart'ablood. —edief, darling. —eleed, heart-break, sorrow. —elect. heart's desire; near to heart's —evlies, pericardium. —ep(in, coutent. heart-ache. grief. —etaal, WOM8 from the hart. — evrienci, bosoms-friend. —ewer, grief, Borrow. —eweneeh, heart's dee:re. —eyeheim, secret of the heart. lone-secret. --stotht, nasaiori. —stoehtelijk, & bw. paaoloncte (-Iy). --stochtelijkheid, pessionate... —manger, hanger, dagger. —avriendin. eiveet•heart. etbk, by. aL bw. hearty (-ily), cordial (-ly), —elijitheid, v. heartinrea, cordiality. —eloos, be. & heartleea (-ly). —el000livid, v. heartieseeesa. Herten, o. me. heart, -- seven, sevea of heerts. —arts, ace of hearts. —boar, knave of hearts. —beer, Ides of heavta. —vrouw, quota of hearts. linpttsg, be. stout, robust, hearty; saeory, reiish-laid, v. heartiness; savorinees. o. heart, middle; dear. --snag, day for rabbit- hunting. Hasped, na. reel, windie; wir dim; turn-atile; eound-post; entangler, dolt. --oar, en. —.refer, tr, reeler, eoinaer, benglar, dolt. -en, 0, & on. c. to reel, to wind; to eheille, to bunale; to wrangle (over, on). --comae, roe!. —werk, bungling, bungle. —ling., v. reeling; wrangling. Illeasetattes en, on. w. to wrangle, to jangle, (on). eri,;', v. wrangling„ jangling. bv. & ow. hateful (-1y), odioue (-1y). —held, ;:aterulness, odionenems. lint eta, sac. w. to hate. —er, en hater. lints, v. good, property, fortune. varende (tilbare) —, reoveelea, pereonat property. levende rattle. --love, be. & bw. indigent; ragged (-Iy),
426 —riem, girth. —la uding, gastrotomy. —soden. ventriloquy. —spreker, ventriloquist. -.-stak, rib, floor-timber. —vin, belly-fin. —olies, peritoneum. —wee, colic. —worn, belly-worm, ascaride. —senate, abdominal nerve. —sick, tie Bourget'. ! II—meereed, purgative. —sairering, purging, purgation. —oddity, —ig, be. big-bellied, bulged. Bull, v. swelling, boil, bump. —, in. bolter. —hist, —troy, bolting-hutch. —solder, boltingloft. —en, ov. & on. w. to bolt. Buis, v. tube, pipe, conduit, channel; dogger, buss. —, o.jacket. —haring, pickle-herring. —man, herring-fisher. —vorsaiv, tubular. —jesdagoailin day of the herring-fishers altogether. Belt, m. booty, spoil, prize. — snake., to take, to capture; to get booty. —geld, pin-money. —seeker, marauder, adventurer. Bultelear, tn. tumbler. —en, on. W. to tumble, to tall head over heels. v. tumbling. Balton, or. w. to take, to capture, to make booty. Button, o. country-seat, villa. Balton, bw. without, out of doors, abroad. van —, from abroad; on the outside; by heart. ie — gaan, to exceed. sick le — gaan, to be internperata, io commit excesses. near —, out, abroad, into the country. — oan, round about. —, YE. out of, without; beyond, save, except.'— (dens, out of breath. Bulteubeerrje, o. by-blow, natural child. Buitendeur, v. outer-door, street-door. litaltend len, bw. besides, moreover. B ultendUk, an. outer-dike. -a, bw. on the outside of a dike. Bultengantg, bw. out of the harbor. Buittengoug, m. outer-passage. Bultengenseen, llittaltengewoon,by. & bw. extraordinary (-1y,, uncommon (•4). —held, v. extraordins,rineee, uncommonneas. Buitougoed, o. country seat, villa. Bts ltengracht, v. outer-ditch, outward moat. Buitenhof, o. outer-court. r. sheathing, BuiteDkane, v. good luck, perquisite, windfall. Baiter, knit, m. outside, exterior: Bultenklal, v keel, outer-keel. Bullenlard, o. foreign country. in (near) het —, abroad. —er, m. foreigner. —ech, by, foreign, outlandish, exotic, tluitenlledea, m. my. country-people. Buttenloode, m. sea-pilot. Buitenlueht, v. country-air, open air. m. lewdnene. Bultenmen, m. country-man. Buleennante, bw. exceeeively, beyond measure. Bultentareld. v. country-servant. Buitennauedor, v. lady-governess of the genera/ concerns of an hospital. Bultensnuur, m. outer-wall. Iluittespinals, v. country-seat; outer-court. Bultenpost, m. outpost. Buleanrasede, v. open road. illultonachana,y. advanced sconce. B ultonedlenet, bw. out of place, — service. S ulteushula, bw. out of (withOut ► doors.
487 —er,'tn. Importer; pawn-broker. —ihp,v. importation; allegation. —ster, v. female pawn broker. Inbreuk, v. infraction, infringement, transgression, encroachment. — maken op, to infringe upon, to transgress, to encroach upon. Itahrokketem, Inbroliken, ov. w. to break into; to 1040 successively. Inhruln, bv. dark-brown. Iea lortsisen, on w. to rush into. Enbutg en, or. w. to bend inward, to inflect. —leg, v. bending inward, inflection, Ince..eine en, or. w• to collect. —ing, v. collection. Inconsequent, by. & be. inconsoquent (-ly), inconsistent with one 's salt. —ie, v. loconsequense, inconsistence. Indschtig, by. mindful (aan, of). Thaken, to put in mind of. tinting en, ov. w. to summon, to cite. —er, m. summoner. —ing, v. summons. Indarona en, or. w. to dam up. to embank. —ing, v. embankments Indelven, ov. w. to dig into. Indeuken, or. w. to consider. Intrierd wad, bw. indeed, really. Indian, rw. if, in case. ludiets an, ov. w. to deliver in, to present. —ing, v. delivery, presentation. Indigo, v. indigo. indUk en, ov. w. to dike, to embank. —ing, diking, embankment. Indoen, or. w. to put (to get) in, — into, Indonapel en, or. w. to plunge into., to immerge. --ing, v. immersion. Indoop en, or. w. to turn (to twist, to screw) t. w. to intrude. Into; zich Indragen, ov. w. to carry into. Inds...wen, or. w. to enter trotting, — at a trot. IndrUv en, ov. w. to drive i to force) In, — into; to emboss, to enchase; to float into. —ing, v. driving (forcing) in; floating in. Indrillen, ov. w. to pierce. IndrIng en, or. 'or. to push (to mar, to force) in, — into; on w. to penetrate; (op) to press; each t. w. to intrude. —end, by. intrusive. —er, m. —.ter, v. Intruder. —ing, v. penetration; intrusion. IndrInken, or. w. to s callow, to such in. Intirog en, on. w. to shrink in, to dry in, up. —mg , v, drying in, — up, desiccation Indroog, hi. very dry. Indrutpen, on. w. to drop (to trickle) in, — into. Indrultien, on w. to ru'h into. Indruk, m. impression. —ken, ov. w. to press in, w into; to impress, to imprint, to inculcate. —king, v. pressing in, impression. —set, o. stamp, impression. Indruppelen, or. & on. w. to drop in, —Into, to instill. Induiken, ov. & on. w. to plunge (to dip) in, — into; to draw much water. Indewen, ov. w. to push in, — into, to bend inward. Ineen, bw. together, into one another. —groeien, on. w. to grow together. —krimpen, on w. to shrink, to writhe. —Zoom*, on. w. to meet
J oer, complier, man Js, bw. yes, yea ; ay, nay. that has never an opinion of his own. —woord, yam, consent. Jiang trianr, by. huntable. gee', —loon, money for drawing. — lout, flying jib - boom. — 1(in, towing - line. — pad, horsc•path. — schuit, draw - boat, m. cat, gsa ► , stash. tenr, o year, twelvemonth. 'a—a, a year. —boeken, annals. —buckle, annuary. —dicht, chronogram. —fecal, anniversary. —gang, year. —geld, salary, pension, annuity, yearly allowance, --pets;), tilde, season. —Inning, annual revolution, cycle. —markt, fell% —xleutel, enact. —tat, year. —telling,

u ilJblety (joe-bare-tih), a plaataelijkhaid. Ublegiutit atry (joe-hik'wi-te-tih), —out, a. alumtegenwourft. —y. a, a1omtegenv,00rdigheid. Udder (nd'dar), a. uier. Udoesseter (joe-dom't-tor), e. regenmeter. Uiti ltiy (aglii-lth), ad. —2/, a. --inns ( - Iines.), a. ieelijkheid. Ult•r (ul'aur), a. zweer. —ate (-net), v. n. & (down) zwven. (-ec'sj ue), a. zwering, yerzwering. —ad (-surd,„ a tot nano zweer gewerden. —nue, a. vol zwereu. Uliginouts (joe-lld'ajt-nu'(. a. alijkig tectiderig. (ullidzj), e. aanyalling (v/oar lekkage). U‘terior (ul-ti'ri-ur), genatzijdath. venter. Ultima ate (uPti-met), a. laatat; Vera;. --ately, ad. ten alotte. ---ration (-rnee'ajon), —atom tuna), a. laatste — yoorwaarde. —.o, ad. van da vorige maand,pasaato Ultra. (uPtre), a. uitetat, ultra. —marine (-merlon), a, overzeesch; a. bergblaut, —onontane (-mon'ten), a. aan gene Ode tier bergen liggend. —tesundane (-xnun'tlen), a. boyenaardsch, butter& de went& 1LIkultasiots (ul-joe-lee'ajun), gehuil. Umbel (um'bil), a, acherm, Mauro. —tar (-ler), a. achermvormig. —late (-tet), —liferous a. bloemachernadragend. Umber (um'burl, a. omber (vettatot). —, v. a. mot umber kleureu. —ed (•burd), a. gebruind, geachaduwd. Uants1110 (um-bil'ik), a. navel: middelpunt. —at, a. navel-; cIrd, navelatreng.
Abode, 1. & p. p. Arisen, p. p. Arose, 1. Ate, Awoke,1. Bade, i. p. p. Bare, i. Batten, p. p. Beat, 1. & P. p. Beaten, p. p. Became, 1. Become, p. p. Been, o. p. Began, 1. Bextrt,1 & p. p. Begot, 1. & p. p. Be.xotten, p. p. Begun, 1. & p. p. Beheld, 1. & p. p. Bcnt, & v. p. Bereft, 1. & p. p. Besought, t. & p. p. Bestrid, I. Bestridden, p. p. Betaken, p. p. Betid, i. & p. p. Betook, 1. Bld,1, & p. p. Bidden, p. p. Bit, i. & p. p. Bitten, p. p. Bled, i. & v. I. Blew, i.
—, a. heaparing; apaarpenning; uitzondering, Scamp (amp"), a. achavuit, deugniet. —er, v. voorbehoud; redding, tiehoud. --s•bank, spear- n. gaan echuiven, op den loop gaan (away, off ) bank. —mess, a. suinigheid. —irk a. achavuittg. Savior, Saviour (seeejur), s. Zaligmaker, fief,- Scan (sken), v. a. onderzoeken, uitpinizen; scanland, Verlosser. deeren. Savor isee'vur), a. smaak; geur. v.a.proeven; Scandal (sken'del), a. aanstoot, ercernie; Behanemaak vinden in; v. n. smaken, ricken (of. naar). dael; echande. —ice (-ajz), v. a. ergeren; helas-ity, ad. —y, a. smake:ijk, geurig; streeleud. teren. —ma, a, —ously, ad. ergerlijk,achaudelijk. —iness a. amakelijkheid; geurigheid. —ousness, a. ergerlijkheid, sehandelijkheid. —less, a. smakeloos; reukeloon. —y, a, boonen- Scan dent (aketedent), a. klimmend. —.ion kruid. (.ajun), a. acandeering. Savoy (ae-vor), a. eavooiekool. Scant (skeet'), a. kartg; achatirach, achraal. Saw ;son'), a. tang, spreuk. —blade. zapgblad. v. a. bekrimpen, beperken; v. n. achralen (van —dust, zaag,,e1. —file, zsas...vijl. —fish, za.ikvisch, den wind). —iness (-1.-nasal.—ness, a. karigheid; zaavmolen. —pit, znagkuil.--wort,schoor- achaarschheld, achrstalbeld. —le (akent%), v. a. ikrutd. —toren, tandzetter. in kieine atukken an'jden, verbrokkeien. —Hag, Saw (sac') [sawed, sawn. (soon)], v. n. zagen; a. kietne hoeveelheid; atukj3; meat; klamp; (down) aan mtukken cages. —. v. n. zagen; nick monster. ad. —y, a. achraal, achaars; laten 3agen. —er, —yer ( - Jur), a. anger. karig; bekrompen. Stmlfrag c (seks'i-freedzj, a. ateenbreke, —ous Scaape (sleep'(, a. ontanapping; cuitenstreek; ape(-irre pia), a. ateenoptossend. Pug; steel. —gallows, talgebrok. —goat, zondenSay (see) a sant; monster, proef; gezegde. bok. —grace, achurk, achobbert. —, v. a. & (sedgy], v. a. & n. zegge.n, opzeg- Zio to Escape. —went, a. eahappement (in oar Say (see') the mass, de min lozen. —ing, s. (last', gen. — the werken) zeggen; gezegde. spreuLt. Scatishander Iskereu•dur), a. zwembuis. Scab (akeb'). a. roar, korst, anhurft; sehoft. —bard Scapula (skep'joe• le), a. achouderblad. —r, —ry (.burd), a scheede. —bed (- hid;, —by, a schurft ig; a. achouder ; van bet schouderblad, a. echouder • Kempen. ermzalig, —bedneqs, kleed, teapulier. s.schurftigheid;gemeenkpid, artnzaiigheid.—ions Scar (skaar), a. litteeken; schrami zeepapegaai. (skee'bi-us), a. schurfttg; s. s. schurttkruid v, a. achrammen; v. n. tot litteeken warden. Scabrous iskee'brua , , a. row, hohbelig: hard, Scans bee taker'e-bie), a. achalebijter, lover. onwelluidend. —nes., a. ruwiteid: hobbeligheid; —mouch (•mautaj), a. hansworat. onwelluidendheid. Scare e (sheera'), a admiral); zeldzaam. —e, Scaffold (akerfuld), a , ateltaadj,-; ateiger; —ely, ad. be nauwernood. —eness, —ity, Vol. —, v. a. van een' steiger vuorzien. —age, schaarschheid; giebrek. —ing, n. stellaadje; a;eiger Scare (skezei, v. a veraehrikken (away). —crow, Scala bias (ekeeribi), a. beklimbaar, —de (eke. molik, vogelveracbrikker. teed') —do n ske lee'do), a. bekiimming met storm- Scarf (skaarfl, a. smalle ornalagrioek; aiera ladder,. —ry (sok; skere-rihk, a. trapawi,jze. 'ascii. —skin, opperhuid —, v. a los kleeden; Scald (skald'(. —er. a. stable. bard, dichter, oinhangen; bestehen ; (up) aluieren. —ing, P. a. van een eicalde. lassching, klinkwetk. Scald (skaold'), a. schurftig; artnzalig. —, a. Scarlf (cation (aker-if-i-kee'alun), a. kopping. schurft; brandwond. --head, ec ► urftkop. v, —icator (akfr'-). —ier, (aker'i faj-ur), a. koppena. hranden, achroeien. zetter. —q (aker'i-faj), v. a. koppen. Seal a (siteer), a. echaal; maatataf; (de) Weeg- Scarlet (akaarlit), a. acharlakenrood. —, a. achaal; schub, achilfer; ladder; —bean, evenaar. schariaken. —bean,scharlakenboon, pronkboon. —e, v. A. bektimmen; wegen; afmeten, afsehub- cardinal flower, 1-oode kardinaaisbioem. —cloth, ben; v. n. achtlferen. —ed !skeeld), n ge6chubd. schartaken. fever,, acharlakelkoorts. —eless, a. ongesehubd. —ene (she-lien"), a.onge- acharlakenbea. —horse, huurknol. horse-chestnut, drlehoek. (-11-ness), a. echille• roodewilde kaatanje. —jasmine, hignonia.—lupin, rikheid. —ing, a. beklimming; —ladder, storm- roode apaansche wtk.—lohnts, broudende liefde ladder. —.es (akeelv, pl. hamersiag. I (plant), —oak, steeneik. Scan ofkaoll), A, haarworm, hoofdzeer.'Scarp (Omar?), achuinte. Scallion (akePjun), a. ajaJot. 'Searcy (skaaerlh), a. vol litteekene. Scaliselakorittpl. a. kammossel; sehulpwerk; Scatch (abets)'), a. kapgebit. —, v. A. remmen tend. —. v. R. uttaehuipen, uittanden. leen rad). —es;,.. (-in). pl. stelten. Stalp (akelp'), a. schedel-. panvlies. — , v. a. State (skeet), a. engelvisch. 'Lie Skate. scalpeeren. —el (Al)) s. er:hrapmesje; sealpeermea. Scat!' (aketW), schade, cadent. —, v. a. bescha—ing iron. achalpeermen, digen. —rid, a. schadelijk, nedeelig. —less, a, Sca:;y fakes'iih), a. schubbig, acbilCerig. onaehadelijk. Scarab' e lakem'h1), v. a. vermInken, veracheu- Scatter (skeetur), v. a. & n. (zich)veratrooien, cell; (away) verkwiaten; v. n, rondzwerven, grab - verspreiden. —brained, verstrooid. —er, a. 'terbelen (for); onhandig to week goals. —er, a klap- strooier. —ing, a —tingly, ad. verstrooid, verlooper. —ing. a. —ingly, ad. woelig, ongestadig,1 apreid. —ling, a. landlooper. indringend; verstrooid. 'See, age (akev'idzj), a. etaangald. —ettger (-inSeammony (akem'mun-nth), a. purgeerwinde. dzjur, a. atraatveger.
AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to

we bear. — eon denken, one would think. — worden, to break one 'e oath, to perjure one's heeft het nkij gezegd, I was told so. — lee!t dear self, —se.e, tr. & v. perjurer. — igheid, v. perjury. seer goedkonr, life is very cheap there. o. girl; sweetheart. — .sok, foe, spark, fiZengbanr, he. Feist:Ile. --held, v. miscibility. beau. --ektoefing, girl's dreen.—eleeftijd, girlhood. Mengel, o. two pints' measure; two pints. --seehooi, echcol for girle —raters, female (eirlieli) Illietsgell en, ov. w. to mingle, to nn.x. — dichten, voice. - eachtig, by totecelleneene poems —blimp, chine. — meet, idle' tFer, Pialarirroetev, v. mien; Mr3. mixture, med:ey, en!sh math, bodge-;lodge. —.tofees; Mi.; Madam, fee, roiscellanies — week, miscellany. --log, v. itlielnettech, by. leprous. — e, tree & v, leper. mineling, mixing; mixture. — ingen, Y. Mr. MIII— held, v, leprosy. c4flantem. Meld', v. oract, Metal ese., ov. w, to mention, to Wrenn to make Meng en. ov. w. to MIX, to allay, to dilute, to temper; to blend; tick — in, to meddle with. meetton) of. — entioaardig, worth mentioning. . —er, m. mixer. —lug, v. "nixing, nitztIon. — Jet, mentioner, —ing. v. mention. o. mixture. — stet, v. mixer. litelitge, by. mealy. —heid, v. mealiuese. Ififeirson, v. red lead, minium. Melte, v. — sulker. loaf-eugay. many a /Kellar/tie, v. balm, -mint, -gentle. --1,1ed„ bairn- Itlenig, be. many, several. —een, vim. man, many a one. —erhande, —erlei, be. several, leaf. — truing, balm. --water, belm-water. various. —meat, —were", bw. merry (several) times, v. mil k. --, be. — warden, to calve. — zien, often, — te, v. matt:rade, large quantity, abunto hove calved. — oder, --bait, —rat, lacteal vein. dance, great number, great heel; mate; crowd. beardlee youth. :relit-sop, greeno. multiple. --vosdig, — euld;g, by & bw. — boerin„ horn. — boo., — verkooper, manifold (.1y), frequent (-1y), abundant (-1y), — mace. — meld, milk - maid. deiry - maid meNple. vananifoldrisonfrequency, - porrideee — balk,---oak, in. & --eme, ablindance, multiplicity. v. one that is fond of milk, —dial, large white lieterist, m. Mennontie. — cottony, azure — enmeth, butterfly. — distel, white thistle, beck, Mentontte church. thistle. -- enetner, milk-pail. — fleaeh, milk-bottle Mann en, ov. w. to dr:Ye, to manage, to guide. lectiferous. — geld, Mile scare. — amend, — er, m. driver. —hoar, wielder', beard. —huts, milk-house, deity. m. man; pe,sen, soul. geese — , nobody. — kan, milk- Monte — bees, cheese. --t.;elf, euclot-ig celf. knowledge of hum. nature. — kundig, kunde, milk cel— jug, milk-•ot. --tarn, chime. — keider, founded on the knowledge of human nataie. klier, lacteal gland. — free, rniWt cowl lar. — fleeced, be. & uw. humene (.1y), charitable 'oat, mi)k-food, milk-COW. — kom, (-big), ehil metro pica' (-1y). — lievendheld, humaneteed. eeoen-tneet. — kruid, chnrttableuese, philanthropy. —paesrd, ten. lamb. lam, Rucking diet. — — beer, milk. cure, • tear. —untrdieg, incarnation. —markt, totek-market, — moat, milk - mcasure. people, persons. alle — molly, milk-tray: Hens thee, in. inv. men, --, every body, sail the world. — behcver, manel, —poi, te ilk-eheen• — pot. sielttle kidnapper, , . — biota, human blood. — dief, - enure , milk please sour, — tennet. cancel, — tat, n-,,tc — dram, crowd of men. — dark. excrements of men. --eekeit, milk-boat —canner, auger of milk. human —eter s men-eater, cannibal. — gedaante, inlikieg•time. — vat, —tend, MA-tooth. — fiestacht, man. memory of geheugen, enope. — milk-eetdee. milk-mb. -vat, ale Mci mankind, human species, hamankind,generation. ratek-woeine. — weg, t:e. — verknopster, haat, misan— —ganef', favor or the rnaItttnde. nillity Neter. --enei, seltee --wit, be. milk-white. throphy.. — hater,man - hater,mieenthropiete — ken io dish. —eieitte, milk—reef, milk-etreieee, eer, one that cat; judge of human natare. —hen. nieknees. --tsar, by. Iecttc; o. lactic acid; — — kind, child of man, man. nie, knowledge of men. toot, lactate. —aehtje, by milky, lacteal. --(even, human life. — liefde, —snip, love of man—er, m. mike, —erij, ltetk eta, ov w. to kind, humanity, philenthropy. — moorder, man. v. la:Vietog — eel', hy. milky, deiry. slayer. --offer, human sacrifice. — poor. pair (of v. milker, nitik•rr aid. eas, men). — plieht, duty of a human being —ran, — melon bed. beef, 11. 1c11 ,mete, m. recluse. — rece of :teen, human race. — reekt, right of human --kink, meion-gla$ R. melon -eover. — kern, --xand, nature. right of man. — roof, kidnappirg, menmeleu-eeed. — sehil, melon-peel. — eerkooper, steal i ng. sch4w,ehunning mankind, tat eociable, melon-man. mteanthropie. —slag, race of man. — stem, human , ter. — erij, malt -tray, —er, m. nealt sk, M. lle eft ft common sense. — roleesch, human v&ce.—ve:st.nd. v. mait-fioor. — vrees, tear of men.—reiend,phil.anthropiet. nitevrtelfg, be. realty. man. — teerk. woe); of in.. — waarde, dignity of o waste-book, deyboolt. — el(jk, by. human; Alleereorlte, v. memory: motional, memoir, inem- Menge, dom., o. mankind. & bre. humane ( lye, kind (.1y). — elijkheid, be. ieemoratteinnaehook, pocketboet, orandutn. — v. neture of men, humenity. — held, a, hillMittil book. — week, memory-work, what le learned by nature, humnekind, mankind. —je, 0. little heart;onnemenic operation. man. divert. shrimp. rd.lintroPlam.reo, nv.ev. to memorize, to memory. Itimmater, v. driver. to learn by heart. —pen, ov. w. .7teett, vow. one, they, we, people, a man, men. filep, v. blow, slap, box on the ear. to strike, to bent. — zegt, eeeeie soy, they ssy, it is said. — knort,
to tall erty, t0 grow poor. aan den drank (to take) to drinking. G trammel, o. rattling. G erased, be. edged, bordered; (van munten) mill —e dukaten, ring-ducats. G crate', o. rattling. Gerlach', o, (court of) justice, tribunal; jurisdiction, course, dish, service. jongste —, lost judgment, dooms-day. racy het dayen, to summon, to enter an action ageinst. houden, to administerjustice, to hear causes. —abode. appar itor, summoner. —.day, court-day. —sdienaar, tipstaff, summoner; constable. —ado!, court at justice. —sko;ten, law-charges, law-expenses —splaats, place of execution. —Lava, justiceroom. —sniffing, session, assizes. —, be, & bw . just (-1y), equVable (-blye —eligc, be. & bw. judicial ;-ly), legal (Iy); tervolyen, to punue at law. —ig, be. & ow. just (.1y), lawful (-ly), righteous Hyl. —igd, bv. authorised, qualified, entitled.. —iyheid, v. justice, equity; righteousness eredder, o. co.earing, arranging, G tweed, be. & bw. ready (-11y). —make), to prepare. —e'ljk, bw. readily. —held, v. readiness; brengen, to prepare, to make ready. t1,1 stresedeeleap, o. utensil., tools, implements, inetrtunent•; rigging, tackle. Gereforsneerd, be. reformed. Geregeld, be' regulated, regular, orderly, fixed, set. —heid, v. regularity, order. beret, Gzrelde, o, utensils, tools, implements; things, stuff. Gerels, o. travelling. (ierekcn, o, reckoning, calculations. Gerekt, br. tedious. —heid, v• tediousnets. Si a rel, o, !tieing, ranting, chat. Gereotel,o. rattle, rattling, prattle. Genf kamsr, v. escriety, vestry. —sehaat v. join r's plane. G trite", In. notch. coons-groove, Geribd, by. ribbed, nerved. (ierlclit,o. Zie G erect& G aerlsaf, o. accommodation. convenience, comfort. —JO, be. accommodating, convenient. cornmodioue, comfortable, serviceable. —elijkieid, v. a,commodetion, convenience, commediouenees. Gerleven„ or. w. to accommodate, to oblige. Garti, o. riding. erkitn,e). rhyming. Gerikkik, o. croaking (of frogs). Gering, by.low, mean, vile; smell, trilling. — ariaten, —echatten, to undervalue, to el,ght. —*chatting. ftoregerd. —heid, v. lo wneee, meanness; smallness, triflingnees. Getlogd, he. ringed. Gerinkel, o, jingle. citing. Gerit, o. bustle, stir. GerItsti,o. rustling. Gerothel, o. rattling, epawling. Geroep, o. calling, call, shouts, clamor. Zie Optist Geroer, o. stirring. Gerraezemoes, o. bustle, stir. Geroffel, o. bungling, botching. Gsrol,o.rolling.
In 2018 Coinbase launched their independant mobile wallet for iOS and Android. The wallet stores the private keys on the user’s device and only they have access to the funds. This brings Coinbase full circle as it started out as a wallet, transitioned to an exchange only (claiming that they are not a wallet) and now they are offering wallet services again.

1100.—B0 U. long-boat. kleine jolly-boat. serif in de —, kit& ran Hessen, first come, first (served. —egeeel, sailor, mariner. —Moak, boat-hook. —moo, boatswain. —sonanessaat, boatswain's mate. —stoma, boat rope, boat's hawser. —svolk, Brew. footmen, ov. wg.to form, to figure, to fashion. Booze, m. evil one, devil, fiend. o. evil. Borat. o. (a kind of) fins wool, — woollen thread. ford, o. plate, trencher; board, shelf. —papier, paste-board. —papieren, Irv. paste-board. Bordeel, o. brothel, bawdy- bone. —brok, whoremonger, rake. —header, —houdster, bagnio-keeper, bawd. —tail, bawdy-language, obscenities. ribaldry. Hordes, o. step, flight of steps; landing-plena. Bordla, be. stiff, hard. —held, v. 'fitness. fordurea, on. w. to embroider. It ,irduur der, m. —star, v embroiderer. —Patter,, embroidering. cotton. —naald, ern b ro lderingneedle. —patroon, pattern for embroidering. —roam, embroidering-frame. —tool, —eel, o. embroidery. —ieerker, embroiderer. Boreal, ov. W. to bore, to perforate, to pierce. in den gron(I t 3 sink, to run down. Borg, In. warrantee, gu irantee; bail, pledge, security. ou (upon) credit, — trust, — tick. — 61(iven (stain) veer, to warrant, to answer for, to go bail for. — atellen, to procure (to give) bail, — security. —stetter, bailor. —stetling. —44e4t, bailing; ball, security. —tochtettik, be. & bw. upon bail. —en, ov. w. to take to give) upon trust, — upon credit. —er, m. —star, v. one that takes (gives) upon credit. Boring, v. boring, perforation. piercing. Borne', tut. bubble; dram. —Pack, dram-bottle. gin-glass. —en, on. w. to bubble; to dram. —tag, v. bubbling. Borst, m. lad, youth. —, v„ breast, chest, bosom; brisket. set op de — kW...to be (short- breathed. lone kooge setten, to assame airs. —alder, thoracic vein. —balsem, pectoral balsam. —beeld, bust. —been, breast-bons, sternum. —besie,jnjo be. —besiebeem, jujube-tree. —drankje. pectoral de- coctlon. —gesseel, empyema. —narnas, breastplate, mileage. —holt*, cavity of the chest. —jawed:, breast-jewel. —has, chest. —Mier, pectoral gland. —koekje, pectoral lozenge, psstil. —.1ewaal, —sickle, pectoral disease, disease of the chest. —lap, breast-cloth, stomacher, pectoral; plastron. —middel, pectoral. —p/aat,breast-plate, plastron, poltral; (a kind of) sugar-cake. —rte., poitrel. —rok, under-waistcoat; Guernsey-shirt. —stale, bust, tie foratptaat. —taiker, pectoral sugar. --vin, breast fin. —Wigs, pleura. —vormip, mammiform. —wipes, corselet. —wering, parapet, merlon. —steeer, pectoral sore, ulcer in the breast. Borstal, nt. brirtle; brush. —dread, brush-wire. —maker, brush • maker. —cchlig, ig, be. bristly —ex ov. w. to brush. Bort, o.gie Hoortu. Boa, m bundle, bunch, truss, tuft, bush, sheaf. —, v. Zie Bus. Bosch, a. wood, forest. —bewaarder, --yachter, fort st.leeper,foregar —bewoner,fotester.—beeie,
kuip. —twietovater-, kettinggaren.--xay,boolgat. waterloop.—ways(-weee),pl.watergangen.—wheel. waterred. —willow, waterwilg. —work, teekening in waterverf. —works, pi. waterwerken. liVeater (wao'tur), v. a. besproeien; drenken; materen (etoffen); v. n. waterig warden; water innemen. to make one's mouth —, doen watertanden. —age), echuitenvrecht.—cr i a. beaproeior; (de) Waterman. —tness (.1.-nete), a. waterigheld. —ing, a. besproeling, het drenken, wide. ten. water !linemen; —engine. eProCiPoraP; —pa tee, wed, drenkple.ats; hadplaate; —pot, gieter; —trou:dt, waterhak. —fah, a, watereehtig; vocht:g. —e (-tar.), pl. gezondheidebronnen; for all —, van elte markten that, —y, a. 'water*, vochtig• water-. "Wattle (avot'r)), a. beard van ran' heats; horde. v. a. met horden bezetten; met teentjea bin. den; viechten. W. 0 I (wail), v, n. Zta tea Ca:or -watt' Wave (weev'), [4. golf, hair; holkeel;oneffertheld; weak. —, v. a. gulvend (gevianid) make.; wankel?, wn;ren; efzien va-, apgevert, laten canton; v. e. goiven; zweeen; zwaaten; wutven; weiNen. d, R. geg olyd, gevlarnd. —leo, a. elf., glad; kaltn. Waves- (wee'vur), v. at. wankslen, waggelen; wet-er, a. weifelaar. —ing, a. —ingly, ad. wankeiend, heelutteloos; oneeatendig. Vinarn.o. (weey'aen), a. ceedrift. Wavy (wee'vth), i. golvend; gegolfd. Wax (wake), a. wet; corsmeer;lak. —baby, —doll, wessen pop. —candle, watikeara. —chandler, wa3kooper, wakAraeroenmaker. —end, epinactidraad, —leather, gewaat leer. --light, —taper, waeka•rs. waepit. —wotk, waseen beet& —works, pl. kabinet van yelper' beelden. —, v. a. wain., met was bentrijken. (weks'a), a. van wee, weasel, —y, a. wagaehtig. Wax (weks) [waxed tacxeni, v. n. waseen, toenemen., worden. Way (wee'), v. weg; riehting, loop, voortgong, vaart; rnimte, alotand; rniddel; wijze, gawoontr, gebruTh wit, zin. a great —, ver. any op de sane of endures wijze. oy — of, bij wijze van. by the —, in 't voorbijgaan, ter loepo every —, in leder opzieh.. in the —, voor (bij; he hand, gereed. no —, geenezina. out of the —, nit den weg; batten den regal; buitentiporig: rats, whirls —, waerheen; o welko wijze. to break the halen, u%twljken. to cle, the —, nit den weg goon, plaate MAIM- to fall in one's, — iemand wedervaren, overkween. to give —,wijken; nemen; toe.geven. to have one's —, zij u ' ale volt.. to keep out of the --. 4rbergen; zichsehuil houden. to level the —, voorgettn. to state nit den wag Wean, plants maken. —bill, passogierm-. goederentijet. —bit, emit weegs. —bread, —broad, weegbree. —water, vuneiooper. weganjzer. —passtager, reiziger, die onderweg wordt opgenomert. —thistle, haverdistel. kruiedoom. —warden, opzienter der wegen. —wise, met den weg bekend. —wiser, weg:neter. —worn, door het rotten vermoeld. Way facer (wee'ree -rue), a. relztgor. —faring, R. reizend; —tree, meelboon, wilde wijngaard. —in, a. Ingeng.
Litecoin was released via an open-source client on GitHub on October 7, 2011 by Charlie Lee, a Google employee and former Engineering Director at Coinbase.[2][3] The Litecoin network went live on October 13, 2011. It was a fork of the Bitcoin Core client, differing primarily by having a decreased block generation time (2.5 minutes), increased maximum number of coins, different hashing algorithm (scrypt, instead of SHA-256), and a slightly modified GUI.
crying. —enact, ascension; Meria —s4onel, sherpherd's dog. —that, shepherd's cot. Assumption (-day); —sdag, Holy-Thursday, Ascension—skriaap, shepherd's boy. —about, pastoral diaday. —varier, heavenly loather, —vreugd, joy of logue. —eleven, pastoral life. —shied, pastoral Heaven, heavenly blies. —Wawa, sky-blue. score. song. — lefty', crook; crosier. —stases, pouch, —.tweed, immense —sbreedte, latitude. scrip; shepher d 's-puree. —auurtje, happy (critical) —abroad, manna. —egezind, heavenly-minded. hour, I overre hour. —evolk, pastoral tribe. —szang, —egezindheid, heavenly•mindedneas. —eteeken, pastoral song. sign of the zodiac. —en, on. w. to ascend to Ilerdoen, or. w. to do over again. heaven; to die. —ivy, m. & v. inhabitant of lIerdoop, m. rebaptization. —en, on. w. rebaptize. —er, m. rebaptizer, anabaptist. —ing, v. Heeven, celestial, celestial, heavenly. —watts, bw. heavenwa• d, towards Heaven. rebaptizatlon. Hemmen, ov. & on. w. to hem (After). Het drank, m. reimpresaion; new edition, reprint. Hen, v. hen. —nebezie, raspberry. —negat, helm—ken, or. w. to reprint. —king, v. reprinting. port. —nekleed, shroud, pall. —netaster, zie Ai- II ereenig en, ov. w. to reunite. —er, m. reuniter. befit!. —nenei, heu's egg. --lag, v. reuniting, reunion. lien, vow, them. HereeriEjk en, or. w. to rehabilitate. — ing, v. rehabilitation. bw. Zie IJien. Hang, v. hinge. Herelseh en, ov. w. to redemand, to reclaim. )binge), m. angling-rod; handle. —korf, —mand, —er„ m. reclaimer. —tog, v, redemanding, reclahand-basket. —roede, —etok, angling- rod. —vnoer, mation. —etoof, zie lIengselmtoul. —aar, lifferrenzint, s. anachoret, recluse, hermit. m. anger. —en, on. w. to angle (near, for); to Itl ereent en, ov. w. to regraft, to inoculate Again. —lag, v. regretting. hover;" to sail to and fro leaning on the wind, —ing, v. angling. lierfet, m. autumn. —day, day of autumn. —deaden, gossamier. —hooi. after-math. —lucid, anHengeell, o. hinge; handle. —kart, — mand, hand. tumnai air. —mactnd. September. —naehtevening, basket. —stoat, foot-tetore with a handle. m. stallion, stone• horse, eteee. —rbron, autumnal equinox. —t(jd, harvest time. —vrucht, Hippocrene. —ig, by. lubric, salacious. autumnal fruit, —weer, autumnal weather. —wind, II enker, m. hangman, Jack-Ketch; deuce. autumnal wind. —eon, autumnal tun. —aehtig Itennep, rn. hemp. --abler, hump-field. --broth, by. autumnal. hemp-brake.—braker,hemp- broker, —eraren,hemp- Ilergann, ov. w. to go (to walk) back again, to yarn. —bode, hemp-sernl-rake, —the, hemp-seedretrace. oil. —stok, hemp-stalk. —.ot, hemp-reed- —en, Hergeven, or. w. to give bock, to restore; on. by. (of) hemp. w. to give (to deal) again. Ilex, bw. hence. van ouch Hergleten, ov. w. to refound, to recast. of ola, Il•rndena en, on. w. to breathe again, to re- Itergioelen, ov. w. to neal again, to anneal. spire. — ivy, v. respiration. Hergoolen, ov. w. to recast, to throw again. Illernitt.m herald. Ilergrneen, or. w. to dig again. II erbakken, ov. w. to rebake. Ilergrkjpen, ov. w. to Leila again, to take op Herbaren, ov. w. to regenerate. again, to rename. Herberg, v. inn, ta7ern, public house, hotel. liergroe.leen, on. w. to grow ag —en, ov. & on. w. to lodge, to harbor. —ier, linrgrueneti, on. w. to become green again. m. innkeeper, host. —ierater, v. 'unless. —ins, Illergronden, ov. w. to ground again. v. lodging, halboring. be. hospitable. lierhaniater, v. Zie Herlinter. —aavonheid, v. hospitableness, hospitality. Herbal en, ov. w. to repeat, to reiterate. —er, Illerbinden, or. w. to bind (over) again. m, repeater, —ing, v. repetition, reiteration; Ilerbilaken„ on, w. to !shine again. tautology; bij —, repeatedly. Ilerbloet en, on. w. to flourish again. —ing, v. lierhuren, ov. w. to hire again. flonrishing again. Ilerhuwen, or. w. to remarry. Ilerboren„ be. regenerate. warden, to be new- liertik, no. second astoze, gauging (stamping) born, to be regenerated, to revive. again. —en, or. w, to assize (to gauge, to stamp) Ilerbotten, on. w, to rebud. again. v. Zie Ilerbouw, an. rebuilding. —en, on. w. to re- lien-inner en, Or. W. to remember, to call to build. —er, m. rebui;der. —jay, v. rebuilding. mind (tan) to remind of ; itch w. to reIlierbrongen,ov. w. to bring again. member, to recollect. —ing, v. rememloance, Herbuig en, or. vv. to rebend. — ing, a. rerecollection; —evermogen, memory. bending. Herknuw en, ov. w. to ruminate, to chew the Ilerdngen, ov. w. to summon again; on. w. to cad. --end, by. ruminant; — dier, ruminant. —er, dawn again. m. ruminator. —inr, v. rumination. Hardee' en, or. w. to redistribute. —ing, v. Herken bane, by. recognizable. —nen, ov.w. to redistribution. recognize. —ning, v. recognition; —steeken, mark Herdekken, on, w. to cover again. of recognition, badge. Illeordenk en, ov. w. to remember, to recall to lierkette en, or. w. to reexamine. — ing, v. reexmind. —ing, v. remembrance. amination. Herder, no. shepherd, herdsman; pastor. —Belicht, nitrides/mar, bv. reeligible. hid. v. reelfgipastoral, idyl. —Oat, shepherd's reed, — pipe. bility.
UNS.—U.NT 331 Unmanned un-aund'), niet tan de zon blootge. UntbrIft Ily (un -thrift'11-11h), ad. —p. a. oarstet d. kwietend, onhuishoudeAjk. —tam (-1-nzie), s. lineup plied (un-sup-nlajd'), a. niet voorzien verkwisting, onhuishoudeltikheid. (with). —ported (-poort'id), a. niet onderateund. Unthrivina (un-thraj 'tieing), a. onvoorspoestig, —prettied (-pre3V), a. ntet ondetdrukt. ntet gedijend. Unsure (un-rjoar'), a. onzeker. Unthrone (un•throote), v. a. onttroonen. Unsurpassed (un•sur-pa3eV), a. onovertroffen. Untie, Ily(un-tardil-lih), ad. —y, a .ontijclig,ongeUltima ceptInte lun-sue-sept'lb11, a. onvatbaar legen; elordtg. (-di-nees), a. ontijdigheid; (of) —peeled (-pekt'act), a. Met verdacht. —pectin g slordt gheid, 1-pokt tang). —pici9us (-piej'ue), a. niet achter- Untie (un-tar), v. a. Joemaken. ontbinden. —d doalutg, argeloos. —tainable (-teen'tb1). a. on(-tarld), a. ntet gebonden, lob. houdbaar; onuttataanbase. —tained (-teend'), e. Untll (an-til'), pep. tot. —, con). totdat, voordet. niet on it ere tenn d not — to-morrow, niet v66r morgen. Unsvvaddle (un-ewod'd1), Unawathe (un- Uat Pine (un-tejle). v. a. van pannen ontblooten. sweeth'), v. a. loswInden, on( z w achte/en. Untitled fun-tlId'i, a. onbebouwd. Unswayed (nn-swesd',, a onbestunrd. Untlniel Ines§ (un-tajm'll•ness), a, ontijdigheld Utsswear (un-sweer') [tar], v. a. herroepen (can' —1/. A. & ad. outijdtg. red). Untinged (un-tinsijdn, a. ongekleurd; onbesmet. Unsweet (un-awlet"), a. ntet zoet; onaangenaam. Untired (un-tajed'), a. onvermoetd. Unswept (un-ewept'), a. ongeveegd. Untitled (un-tartld!, a. ongettteld; ongerechtigd, Unotvotilen (un-swoo! n'), a. °late. wollen. Unto (nn'toe), prp. tot, am Unaworn (an-awoorn'), a. onbeeedigd. Untold (un-toold'), a. ongezegd; °liveried; ongeUnnyeternatie (un-eia-tine-et'ik), --al, a. —ally, t31d. ad. Met steleetmatig. Untomb (nu-tona ► , v. a opgraven, nit het graf Untack (un-tek'), v. A. losmaken. nem en. Untainted (un-teent'idi. a. —ly, ad. onbeemet, Unborn (lin•toorn'), a. ongescheurd; ntet arr. vlekkeloos. -neve, a. vlekkelooehetd. cheurd. Untaken (un-tee'kn), a. ongenomten. — up, Met Untouched (un-tutejti, a. onaangeraakt, onbeingenorn•n. onbezet. wngen, nlet getroffen Untalked (un-taokt'), a. ongeapreken — of, on- Untoward (un-to'wurd), a. —ly, ad. migensinnig, vermeld. mug, weerepanntg, lactig; gemel(;k: verdriettg; *intent able (un-tee'rntbl), a. ontembaar. lamp, linked]. eigenztnnigheid, weernese, a. ontembaarheid. —ed (-teemd'), a. onge- epannigheld; verkeerdheid; lompheid. temd. Untrace able Inn-treeelb1), a. onnaepeurlijk, Untangle (un-teng'e), a. a. ontwarren. net nit to vorachen. —d (-treest,'), a. onbetreden, Unmanned (on-tend'), a. ongelonld. ongebaand; Met nageapeurd. Untaralabad(ux-taarnnajt),, a. oubezoedeld; cn- Untracta talae (un-trektIbl), a. —lay, ad. onhanverduhterd. delbaar. —bilitp (-e-bil'it-tih), —Menet., s.onhanUnt erred (un-tuard'), a. ongeteerd. del baarhetd. Untast ad (un-teest'id), a. ongeproefd. —ing, a. Untrained (u.n-treend'), a. onopgevoed; niet onserakeloos. derwezen; ongeoetend, Met afgettcht. Untaught (an-tent'), a. ongeleerd; onbedreven. Untrammeled (un-trern i mild), a. onbelemmeed. Untaxed (un-tekot'), a. onbetaet; onbeschuldigd; Untrans (arable (un-trens-fuelb1). a. Met over ongetashat. to dragen. !erred (-ford'), a. Met nvergedragen. Unteacb(un-tietsf) rim], v. a. adeeren. a. —latable (-lee't1b1), a ouvertaalbaar. —toted onleerzettm. (-lee'-tid), a. onvertart1d. —parent (-pee'rent), a. Unteaua (an-tlent'), v. a. ultspannen. ondoorechijnend. Unteerning(un-tiem'leng), a. oncruchtbaar. Untrav elled (un-irev'ild), a. onberetad. —erred Untemp tired (un-tem'ourd), a. ongetemperd. (-ark), a. ondoorkruiet. —ted (-temt'td)., a. niet In verzaeking gebrasht. Untried (n.n-trajd'), a. onbeproefd; onervaren, on—tint/ (-temtleng). a. niet uttlokkend. verhoord. Unten able (un-ten'ibl), a. onnoudeaar. —anted Untrimmed (un-trimd'), a. ongetoold, onver(-eat-td), a. onverpacht. —ded-tend'idi. a. z outlet. eterd; Met in orde gebracht. gautlir; onverpleegd. —der, a. niet tender, Itef- Untrod (un-trod'), —den(Arod'dn), a. onbstredim, delooe; Met malech. —dared (••durd), a. (mating& • ongebaand. boden. Untroubled (un-trub'Id), a. ongestoord; klaar. Unterrilied (un-ter'r1-fajd), a. niet verechrikt. Untru a (un-troe . ), a. —ly, ad. onwtar, valsch; onUnteated (un-temt'id), a.niet beproefd,ongetoetat trouw. Untethered (an-teth'ard), a. abet vaatgebonden. Untrues (nn-trues'), v. a. ontpakken, 'musket'. Unthanked (un-thenrkt'), A. —for. ntet bedankt. Untrust linerstun-truat'i-ness), a. ontrouw. Unthankful (nn-theng•foel), a. —ly, ad. ondank—worthy (-worth-ih), a. geen vertrottwen verbane. —xese,s. ondankbaarhetd. dteneud.—y, a. ontrouw, tronweloos. Unthawed (uti-thsod'), a. ntet ontdootd. Untruth (un-troeth'), onwaarheid. UntalnkIng(un-thhik'leng), a. gedaahtelooe. Untnn able (an-tjoe'nlbl), a. wanluldend —e Unthought fun•thgot'), a. —of, onv ►rwacht. (-tjoen'). v. a. ontetemtnen; ver warren. —ed Unthread (un-thred), v. a. ultrafelen. ( -tjoend'). a • ontetemd; ongestemd.

NE. cardialgy. —pieieter, stomachic plaster. —peeler, Mang, m & v. kinsman„ kinswoman, relation. stomachic powder. —tap, chyle. —rersteskend, —, v. stomach; ventricle, gizzard, maw, crop. cordial. —water, surfeit-water. —satin, stomachic vitae diaorderei stomach. —bitter, —elixir, wine. —senate, gastric nerve. —sickle, disorder —rtiddel, stomachic. —break, gastrocele.—dares, of the stomach. oesophagus, gullet. —koest, sough that originates MAW, v. virgin, maid, maiden, girl, lass; maidin the stomach. —koekje, etomachie lozengeservant. de heilige —, the blessed Virgin. de — -kramp, spasm in the stoinach,, cardialgy.—kwaat, etontschis disease. —Ain, pain in the stomach, vas Orleans, the maid of Orleans. —enbtoest, eir•

OLE.—OPI. 202 Oleaginous (3-1i-ed'zji-nun), a. olieachtig. —nese, niemand. —'a self, zich, zich zelven. — another, elkander. the little —a (wunz), de klelnen. —berry, a. olleachtighead. wolfsbes. —blade. eenblad. —eyed, eenoogig. Oleander (o-li-en'dur), s. oleander. —handed, eenhandig. —sided, eenzijdig. Oleaster (o-li•es'tur), wilde olijthoom. Onelrocritle (un-aj-ro-krink), s. droomuitlegolehant (o-lef'i-ent), a. olievormend. ger. —. —al, a. droomuitleggend. —a, pl. droomOleometer (o-ii-om'i-tar), s. oliemeter. uitlegkunde. Oleic (o'li-ik), a. — acid, oliezuur. Oneness (wun'ness), s. eenheld. Oleraceous (o-le-ree'sjus), a. groenteachtig. °Met (ol-fekt'), v. a. raiken. —ory, a. van den Oner ary (on'ur-e-rih), a. lastdragend; last-. reuk; reuk-; —nerves, reukzenuwen. —ate (-net), v. a. beladen; bezwaren. —ation 0 I 'Walnut. (o-lib'e•nam), s, arabische wierook. (-ee'sjun),s. belading; bezwaring. —088,5. zwaar. 0111 (ol'id), —008, a. stinkend. drukkend, lastig. Oligarch at (ol'i-gaaar-kel), —ical (-gaar'kikl), a. Onion (un'jun), s. ui, ajuin. oligatchisch. —y. a. oliegarchie, regeering van Only (oon'lih), a. eenig, enkel„ —, ad. alleen Ononaatopoea (on-o-met-o-pPe), s. klanknaweinigen. bootsing. Olio (o'lio), s. hutspot; mengelmoee. 011tory (ol'i-tur rih), s. moestuin. —, a. van Onset (on'eet), e. amoral; begin. Onslaught (on'slaot), s. aanval. een' moestuin. —sect, tuinzaad. Oliv eiceous (ol-i,ce'ejus), —aster 1-ves'tnr), a Ontolog let (un-tol'ud-zjist), s. bovennatuurkundige. —y, s. bovennatuurkunde. olij ftleurig. Olive (ol'iv), s. ()IV; olijfboom. —color, °HP, Onward (on'wurd), a. voorwaartsch; gevorderd; kleur. —grove olijfboschje. —husks, pl. olijven- vermeerderd. —, —a (-wurdz), ad. voorwaarts, vooruit. droesem; vetklieren. —oil, olijr-. boomolie. —season, 010 venoogst. —tree, olijfboom. —worm, Onyx (o'flikcs) s. onyx. —fish, onyx-visch. —shell, ' blauwe porseleinschelp. oltifworm. —yard, olijvengaard. Olyrapl ad (o - lim'pi - ed), s. olympiade. —an 0oz e (set'), s. molder, OA; runwater; zijpeling. —e, v. u. doorzijpelen. —iness, s. slijke( en), —c, olympisch. righeid, drabbigheid. y, a. slijkerig, drabblg, Omber (oom'hur), 8, ombre (zeker kaartspel). modderig. Onabrometer ( om-brom'i-tur), s. regenmeter. Opac ate (o-pee'keet), v. a. verduieteren. —ity Omega (o-mt'ge,, a. Omega; einde. (-peelt-t111), s. donkerbeid. —orts, a ondoorOmelet lorn'lit), s. eierkoek, -strait. schijnend, duister. Omen (o'men), a. voorteeken. Opake (o-peek'), a. Zie Opaque. Ortui•ntum lo-men'tum) a. darinnet. Ominous (om'i-nun), a. —ly, ad. voorspellend, Opal (o'pel), 0. opaal. voorspellende Opaque (o-peek') a. ondoorscbijnend, dottier. o,heilspellend. —ness, s.(kwaad-) —nese, s. ondoorschijnend, duisterheid. eigenachap Oiniss1 his (o-mis'aibl), a. sit (wet) te laten. Ope (oop), v. a. & 'n. op'nen. —on (-misrun), a. notating, verzuim. —ve (s-iv). Open (o'pn), a. open; blast; openbear; duidelbk; rondborstig; zacht. — air, opene lucht. —eyed, a. uitlatend; nalatend. waakzaam. —handed, mild. —hearted, openhartig. Omit (o-mit'), v. a. weg-, nalaten, verzuimen. Omni bus (om'nt-bas), s. omnibus.—farious(-fee , - —heartednesa, s. openhartigheid. —mouthed, met ri-us), a. allerlei. —ferous (-nitur-us). a. alien open mond; echreeuwend; gulzig. —, v. a. opeyoortbrengend. —fir (-nit'ik), a. alscheppend. nen; ontsluiten; openbaren; v. n. opengaan; ontluiken. —ing, a. opening; begin. —/y, ad. openlijk. - form (-form), a. van alle gedaanten. —.venous —seas, a. openheid; openhartigheid;duldelijkheid. -nid'Lje-nun), a. allerlei. —parity (-peeit-tih), s. algemeene gelijkheid, —percipient (.pu,siplent), Opera (op'e re), a. opera, zangspel. —basket, voeta. all. waarnemend. —potence (-nip's-tuns), s. zak. —glass, tooneelkljker. —house, sehouwburg. —ble (-ribl), a. doenlijk, —nt (-ent), a. werkend. almacht. --potent ( -nip's-tent), a. almachtlg, al- —te (-reet), v. a. te weeg brengen, bewerken; vermogend; a. (de) Almachtige.—presence(-prez'- ens), s. alomtegenwoordigheid. —present (-pre. , v. n. werken; eene operatie doen, (on, upon). ent), a. alomtegenwoordig. —science (-nispi-ens), —Non (-ree(tsjun),s. werking; onderneming; kunst e. aliretendheid. —acient (-nispi-ent),a.alwetend- bewerking. —tire, a. werkend; s. werkman. —tor (-ree-tur), s. bewerker; heelmeester. heid. —voroug (-niv'o-run), a. alles etend. Opercul ate (o-pur'kjoe-let), a. van een deksel Ousoplate (om'o-pleet), s. schouderblad. Omphril ocele (onete-10•siel), s. navelbreuk. voorzten. —urn (-lam), e. deksel. Operose (op-e-roosi, a. moeielijk, bewerkelijk. —optic (-lop'tik), s. lion, linsglas. —neg.?, s. rnoelelijkheid. On (en), ad. snort; verder. — prp. op; aan; te; in; h t( ; tegen. —and so —, en zoo voorts. —high, 0 phicleide (of'i-klajd), s. ophicleie. toil 01 , Ophl Man (o•fid'i-en), s. slang. —ology omhoog. —, int. voort 1 vooruit 1 verder 1 ud-zjih), s. slangenkunde. Olinger (on'e-dzjur), a. woudezel. Ophite (o'fajt), a. slangensteen. Onanism (o'nen-izm), s. zelfbevlekking. Once (wuns), ad. eons, eenmaal. at —, te ge- Ophthalmia is (op-thel'mik), a. voor de sages; lijt; dadelijk. all at —, plotseling. — more, oog-; — infirmary, hospitaal voor ooglijders. —ic, a. oogmiddel. —y (op'thel-mih), a. oogontsteking. nag sans. One (wan). R. een. —, pr. men; iemand. all —, Opiate (o'pi-et), a. & s. bedwelmend, slaapwekonverechillig. some —, any —, ieinand. no —, kend (nniddel).
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

a. bitterkoekje; fat, kwast. Macaw (me-kao')„ a. indiaausche papegaai. —tree wnaierpalmboom. Mace (mees'), s. foelie; ataf; knots. —ale, krui erbier. —bearer, stafdrager. —oil, muskaat-olie. —reed, kolfriet. —r, a. pedel, bode; gerechtsdianaar. Macerate (ines'ur-eet), v. a. vermageren; kastijden; werken. —tion (-ee'sjun), a. vermagering; kaatijding; weeking. Machlave' Ian (mek-i-e-vellen), a. machiavelIlatisch, aluw, liatig; a. rnachiavalist. —ism (.'nek'i-e-vel-ittn), 8. mathiavellismus. Machina 1 (mekl-uel), a. werktuigePjlt• —te (-neat', v. a. sazeden, ontwerpen. —ti -n (-nee , ejuni, a. bekuiping; kunstgreep. —tor (-nee-tur), a. t,meder, beramer. Machin e (me-alien"), a. werktuig, machine. —cry, a• machinerte; werktuigkundc. a. machineamaker, machinist. Mackerel (mek'ur-e1), a. makreel; hoerenwaard. —boat, makreelbout. —gals, scherpe wind. —gu.l, lachmeeuw. —line, makreelliju. —mint, vrouwemunt. —sky, blauw an wit gestrePpte lucht. Macro corm (mee'kro-kozm), a. wereld, heelal. —logy (me-kratld-sjih),...wijdloopigheid. —meter (me-krom'i-tur), a. wart van) afstandameter. Mactation (mek-tee'sjun), a. offerelachting. !Uncut a (mek'joe-le), a. vlek. —ate (-let), a. bevlekt. —ate (-lea), v. a. bevlekken. —ation (-lee'sjun), a. bevlekking; smet. —atm res p1. mladruk. —0 ( joel), a. vlek, met. Mad (wed'), a. —ly, ad, gek, dol, uittinnig (with, van); vertoornd (against. at); krankzinnig; verzot (after. for. of. upon). —apple, dol appel. —brain, gek, kranktinnige. —brained, dolzinnig. —butter, harde boter. —cap, dolleman. —fit, vlsag van krankzinnigheid. —flower, steenbloem. —head, dolkop. —headed, dolzinnig. —house, delimits. —man, dolleman, gek. —wort, steenkruid. —, razend maken v. a. & n. dol Madam (med'ern), a. tnevroaw; juffrouvv. razond maMadden (men'dn), v. a. & n. dol

cryptogeld toepassingen


Alwln (aal'win), m. Alewij n. Amelia (e-mee'11-e), w. Amalie. Amazon (em'e-zon),g. Amazonenstroom. ( Ambros • (era'brooz), ra. A mw. Amhroeia broblus. —ia America (e-mer'i•ke), g. Amerika. —n, a. Arnerikaansch; i. Amerikaan. Amiens (eml-enz, i-an), g. Amiens. Amor (ee'mor), my. Amor. Amos (ee'inoe),m. Amos. Armour (e-moern, g. the —, de Amur. Amaphton (em•farun), m. Amphion. Amsterdam (em'etur•denah g. Amsterdam. Anacreon (e-nek'r1-un), m. Anacreon. g. Anam. Anam lee'nem, Anatolia (en e•to'll-e), g. Anatolie. Andalusia (en-de-ijoe'zji-e), g. Andalusia. —n, a. Andalueisch. Andes(en'diez), g. the —, bet Andes-gebergte. Andrew (en'droe), m. Andrien, Andreas. Angelus (en'dzje-lue), r. Angelus. Anal as (eng'glz), i. Anglen, Angelen• —ican (-gli-ken), a. Anglikaansch. Anu (sal, —a (lie), —e (en), w. Anna. Anselm (en'selm), tn. Anselmue. Anthony (en'tun-nih), m. Antonius, Anton. Antilles (en- tirliez), g. the de Anti ilea. Antioch (en'ti-ok), g. Antiochle. Antony (en'tun-nib), m. Zie Anthony. Antwerp (ent'wurp ';, g. Antwerpen. Apennines (ep'n-najnz), g. the —, de Apenn1)nen. Apollo (e-porlo), my. Apollo. —nia (-ul-lo'ni e), w. Apollonia. Arabella (er-e-belle), w. Arabeila. Arab (er'eb, ee'reb), f. Arabier.

Just like bitcoin, litecoin is a crytocurrency that is generated by mining. Litecoin was created in October 2011 by former Google engineer Charles Lee. The motivation behind its creation was to improve upon bitcoin. The key difference for end-users being the 2.5 minute time to generate a block, as opposed to bitcoin’s 10 minutes. Charles Lee now works for Coinbase, one of the most popular online bitcoin wallets.
91 —et, s. begiftiger. —ment, a, begiftiging; gave; begaafdheid. Endue (en-djoe'), v. a. bekleeden, begiftigen. Endur able , en-djoerilb1), a. verdragelijk. —anee, s. verduring, lijdzaamheid; voortdnur. —e (-d)oer'), v. a. verduren, doorstaan, verdragen; v. n. duren; lijden. —er, a. lijder; volharder. Endwise (end'wajz), ad. overeind, rechtop. Enemy (en'e-mih), e. vijand; duivel. a profeseen verklaarde vijand. sed Energetic (en-ur-dzjet'ik), — al, a. —ally, ad. krachtig, nadrukkelijk. Energ ize (ereur-dejajz), v„ a. kracbt bfjzetten. —y (dzjih), a. kracht, nadruk; geestkraeht. Enerva te (e-nur'7et), a. verzwakt, ontzenuwd. —te (seat), v. ontzenuwen. —tion, (en-ur-vee' sjun), ontzenuwing; verwiji'dheid. Enfeeble (81)&131), v. a. verzwakken. Enfeoff (en-fen, v. a. in leen afstaan; beleenen. —ment, a. beleenIng; leenbrief. Enfetter (en-feVtur), v. a. kluisteten, in boeien klinken. Enfilade (en-bleed'), a. rij; rechte lijn; nauwe pas. —, v. a. bestrkjken. Enforce (en•foors'), v. a. veraterken; aandringen; doordrijven; afdwingen; v. n. met geweld beproeven. —able. a. dwingbaar. —meat, s. geweld, dwang; eandrang, doordrijving; drangrade. —r, s. dwinger; aandringer. Enfranchise (en-fren'tsjiz), v. a. bevrijden; burgerrecht green. —ment, a. bevrijding. —r, bevrijder. Engag e (en-geedzy). v. a. verpanden,Tverbin• den; aanwerven; overhangen; bezig houden; wikkelen in; aantasten; a. n. zich verbinden; deb bernoeien met; alaags geraken. —ement, s. verpending; verbintenis; bezigheid; heweegreden; gevecht. — er, 11. die zich tot seta verbindt. —lag, a, —tingly, ad. innemend. Engaol (en-dzjeel'), v. a. kerkeren. Engariand ien-gaargend), v. a. met kransen tooien. Engarrison (en ger'rizn), v. a. bezetten; met garnizoen beleggen. Engender (en-deen'dur), v. a. voortbrengen, n; verwekken, kweeken; v. n. paren; anttee ataan. —er. s. icier; voortbrenger, oorzaak. Engine (en'dzjin), a. werktuig, brandapuit; middel; knnatgreep. —driver, —man, machinist. —er. ( nice), a. ingenieur; machinist. —ering (-nier' ieng), a. werktulgkunde; genie; civil —, burgerBike genie; military —, militatre genie. —ry, a. machinerie; artil1erie, krijgstulg, Engird (en-gurd'), v. a. omgorden. Englad (en gledN, v. a. verblijden. Englut (en-011V), v. a. inzwelgen. Engorge (en gordzj'), v. a. inzwelgen; v. n. gulzig eten (drinken)• Engrall (en-greer), v. a. inkerven. Engrain (en. green') v. a. in de wol verven. Engrapple (en-grep'pl), v. a. aangrtjpen; v. n. handgemeen warden. Engrasp (en-gratsep'), v. grijpen. Engrav e (en-greer) v. a. graveeren; inprenten; begraven. —er, a. plaatanijder, graveur. —ing, a. graveerkunst; gravure, pleat.
75 Dimpl es. kuiltje In de wangenl. —e, v. a. kuiltles doen krijgen; v. n. kuiltjes krilgen. —ed, —y, a. met kuiltjes. Din (din), a. geraas; gekletter. —, v. a. verdoo• ven, doen daveren. Dinarcby (din'er-kih), a. tweehoufdige regeerieig. Dine (dajn), v. a. een middagmaal geven aan; v. n. het naddugmaal gebruiken. § Ding (ding'), a. zeer, uitermato. —hot, smoorheet. Ding (ding'), v. a. tegen elkander slaan, kletson; met geweld indrukken; v. n. men, tieren. —dung, a. klokgebom. Dinginess (din'dzji-ness), s. donkerheid; morsigheid. Dingle (ding'g1), a. dal, vallel. —dangle, a. slingerend; wapperend; I. klokgelui. Dingy (din'dzjih), a. duister, morsig. Dining (dajn'iengl„ a. (het) middagmalen. eatzatil. —set, tafelservies. Dinner (din'nur), s. middagmaal. —party, middagmaal (met gasten;. —time, etenetAjd. Dint (dint), a. slag, deuk; kracht, geweld. by — of, door veel....; met. Dinunscration (daj-rijoe-mur-ee'sjun), 11. opsomming. Dioces en (daj-os'i-sen, daj-o'si-sen), a. 'an een bisdom; s. bisschop. —e (dayo-sea), s. hisdone; diocese; kerepel. Dioptric (daj-op'trik), —al, a. de straalbrekina betreffend; tot het vbrzien dienend. —a, a. leer der atraalbreking.• Dip ;dip') a. indooping; inzakking. — of the needle, afwkiking (helling) der kompasnaald. — of the horieon, kimduiking. —chick, waterhoen. —a, a. getrokken kaarsen. Dip (dip, v. A. indompelen, nat Trinket]; indoopen; (from. out of; scheppen; verpanden. —, v. n. onderduilken; (into) zich inlaten met, viuchtig doorzien; hellen (van; de kompasnaald). Dipetalous (daj-pet'e-lust, a. tweebladerig. Dipthong (dip'thong), a. tweeklank. Diploma (di-plo'me), a. diploma; handvest. a. kennis van staatszaken; diplomatic; de gezamenlijke diplomaten. —te (dip'lo met), —fist, a. staatsman, diplomaat. —tic (dip -lo-inet'ik), a. diplomatiek. —tics (dip-lo-met'iks), a. kennis van nude oorkonden. Dipp er (dIp'pur), s. duiker; lepel. —ing, s. indooping; inzakking. —ing-needle, aangestreken kompaenaald. Diradiation (dej-ree-di-eo'sjun), s. straalverspreiding. Dire (dale), ful, a. —fully, ad. ijselijk, akelig. —fulness, — ness, a. ijselabeld, akeligheid. Direct (di-rekt'), a. recht; rechtstreeks. v. a. regelen; volschrijven; (to) richten, verwijzen, adresseeren. —ion (-rek'sjun), s. riehting; beacon voorschrift; adres. —ive, a. besturend; aanwijzend. —ly, ad. aansinnds; rechtstreek, —ness, a. rechtheid; oprechtheid. —or,a. bestuurder; bteehtvader; richtsnoer. —oriel (to'ri-el), a. beAtarand. —ory, a. besturend; a. bewind; riehtsnoer; adre book. —revs, —rix, a. bestuurster. Direption (di-rep'sjun), e. plundering. Dirge (drirdzj), a. 10kzang.
Smelt (nrielt , ), s. spieri.ng . —, v. a. cmelten (arts). of. to.) —back, luilak. —fever, sluipkoorts. ed, — paced, langznani van gang;sluipend. —match,' — er, s. ertascrelter; smelthroes. --ery, s. mule!. teri.j. lont. — witted, trasg van begrip. slang. —nets, s. laugLeamitcid. ISnocrk (murk). R. & V. n. • Smirk. Slabber (slub'bur), v. R. siordig verrit hten, of- Suzerain ismorlin), s. grondel. knosien;bemorcen..—jogly„ at ∎ , :ordig, knlei,rig. Smi•ker (ismilekur), v. n. verlield Ionic.. • - ing, vcrlielde blik, lank. Sludge (sludzj), s. WO, molder. Slue (sloe), V. a. orntireaien. Suitt e (map), g!ivnlach; vriendelijke bit!, — c, v. n, glimtachen ;at); (on. upon) taelaciten. Sing (aloe), y . klomp, tarok; schro:',T;lceglooper; wegslak; aleeht zeiler; hinderni, — port?, (-gur(1),, — er, e. glimlaeier. — ingly, ad„ s. luiaard. a. --giehly. traag,;Sitsircli (stnurtaJ), V. a, bestrwren, bek:adden; vrrdankeren. g. traegheld,vadzigheid. vadvg. — gishness Slate e (nl)oes'), e. nin e. —, v. u•laten alloopen. Smirk (sTnurk), S. getneekt laebje. —, v. Ta. ge. meakt !lichen, m' smaller. —y, R. stroomend. Slumber (slutn'bur), —, v. n. Smile (timajt'), [smote. smitten], v. a. treffce. sluimeren. — er, s. sluitneraar. --ice, a. Plaiti, clean, dooden; kaotijden, tutelttlgen, bedroovect; verwekkend; slaper1;7. bekoren, doers onzylmmmen (with), neerhalen; v, Slump (slump), v. n. in de madder plomp.. n sel,akken„ batmen, —r., n. treff,, dooder, ruist. Slur (slur), g, trick; sehandviak; verwijt; kunst- Smith (nntith'), a. amid. — craft, stnidnarnbacitt. — cry, greop, 'costs; verbindingoleeken. —, v. a. be• a. sinGderij;amidswerk; kuelbak.—ing, viekken, bemarsen; schanclvlekilen; bedriegen - s. bet smeden. verbergen; lot hernloopen oier (o -,er)• Stull)! (omit), s. rood teem, condor!. Slosh (slusj"), 0. madder, 'dtjk (bij dooi). smock (nFacek'). s. vrouwenhemd. —faced, vet. . modderig, slobber's. wi(id, me)sjeqschtig. --frock, boerenkiel. vytudipolen. — race, wedloop van vrouwen. — lets, Slut ,slut'), slant!, mornebel, slot. --tisk, Fs. — tishly, ad. ni,rnig, slordtg; s. zonder kenid. s. mornigheid; tie , terlijklteid. Smoke (smook'), s. rook. —biack,roetzwart.— box, Sly (slay), a. .—ly, ad. alaw, loos, 'upon the — , ter rookkast. — dry, v. a. rooken. —jack, (,,aort v.) sluilm — blade, — boots, gestep.on kwant• breadspit. —,. v. R. ranker; bernaken; Noor den s. siuwheid, loosh,td. get linildrn; (out) opsporen, uitvarschen, v. ct. kletR„, roaken; beapeuren; etch sertoornen. — less, a. Smack (amok;, n. manic, go-ar, klap; anashkentle kun; ernakschi2, —, v. a. zonder rook. — r, s. cooker. sm.kken; doen klappcn: smakkend kusse ► ; Smolt laves (einio'ki-nests), a, rookeligheid. •-•y, n. rmaken, rieken (o•); sin,kkem, !(tappen. a. rookerig. R. Sngooth tomaelli'l R. --ly, atl. glad. effen, Small (sin , all'), e. halal (dun) gedeelte. klein; tijn, dun; gelling. to look — , verlogen zijn. ' zacht; aril; vloelend; vriendelijk. — ckinned, bearcards, Cage hearten. — coin, deloos. — faced, •ininz3ain, zacbtaardig. - trees, dun bier. — money, klein geld, pasmnnt. — clothes. pl, zoittsi,j). — to:igued, gad van tong. —, (snyiellen), v. a. glad (gelt*, zacht, vloetend) broth. —coal, houtshool;holeogruitc.—craft,klein maken; effenen; verzachten; bedaren; bevredigen; vaartuig. --pox, kinderpoklien. — age, s• water- eppe. — ish, R. klein, popper;};. --area, a, kleia. vi,ten;(up)opyrcolijken. —nrato.giadheid,zachtheld. beleefahaid. vloelendbeid. held, gerIng,had. Senna (mmeolt), s. blanwsel. Smother (ennuth'ur), s. rook, dwahn, anderdruksmart; pronker. —, a king. — , v. a. doenittikken,,orstikkenounoren; Smart lameart'l, r. — ly, ad. ncherp, laijtend, ate:tend, krilijk; he- (up) overweldigeu; v. n. dwalmen; stikken. trig, "innig, bite; levend1 ,4, slug; opgenchikt; Smoalder (smool'aiur,, v. 11. amend.. —ing, a. muteulend. isierltik, net; slaw; § knot, --money, roonkoop; v. it, zecr doe., smudge (smudiP, n. ctikdamp; v. R. bekladden. afkoop. — pije 1kide.1; 0.et , .. — en (nn)ttaren', v. R. op, Smug (ernug'). a , — ly, ad, net, !map, opgeschikt, pte;INnlijk • — ness, s. nethetd, t,)pzenAtkt heid. Ischikkon, mooi Maken. beid;h,vigheid;levrtidig:leol; , Teclijkheid,netheid. Sitmggl o (nmtegl) v. n. smukkelen, Smirch etnec)), r. ,t.akt ve , britizeling• ti•smakkelear,i;Iniker.—ing,o. smakkelarij. v. R. smakken; verbrilzelen. Scum tot (smut"), n, koolzwart, roetvlek; hatitgdeuw; vuiln teal. —, v. a. null waken, bemornen; branSmestcln • 1,sinetsji, e. smaa%; zweem; blevewpo,)t day !oaken; v. rt. brandig; na (vaget). — tily. ad. — ty, a. berookr, marsig'; nr , indig,; sail. ---tiness, Smatter (scriet'tur), — ing, o . opparvtakkigekcn- erne onpervlakkige kennim beAit. n. berooktheid, morsigbeld; branctIgheid; —, v• o. hallgeteerde. ten, oppervlakktg apreken. smear (a)niec"),:t. son,ersel, eat0. —, crier.. Snack (snek'), a. aand,c1; baestlge Totteltijd,--^r, o. dPeth,bber. (-ti, n. shattsoom. R. srnerig; kteverig. toesmeren; bezoedeIcti. Smenth ismieth), n. smient, zeeend. Snaffle (onet'il), s. kaproen, tuns. —, v. R. he Smell (smell), n. rank, gene. proenen; in loom bonier. Smell (smell') [smelt"], v. a. ruiker; (out) nit- Snag (aneg'), s. bolt, knoest; uittiteliende punt: tafel- vormehen; v. n. risken (of, near). wateralek,, —, tooth, dubbele tand. — ged, (-gid), punti, rank; s. ruttier; 11,1Tit, - in g, schrtimer. i Snail (sneer). e. Oat; Inisard, — clover, — trefoil' — bottle, rculilleschle.
-seroeder,, (wife 's) brother-in-law. -Shand, man 's hand. - shemd, shirt. -shoog, high as a lull grown man. -skoagte, tallness of a man. -sklred, man 'a coat. -skleeding, man 's dress, male apparel. -ekracht, man 's force. -slengte, ma.l'a length, -. size. -smoeder, (wife 'a) motherin-law. -air. male issue. - soar. colts-foot, asarum, -epersoon, man, male. -mit, man 'a coot. --evader, (wife 'e) father-in law. -exacter, (wife 'a) slater-in-law. - aektig, be. mannish„ manlike, strong-featured, masculine. bv. marriageable, nubile. -held, v. rearrtageableneee, puberty. Mond, v. basket, hamper. door de -rattles, i o confess, to avow. -vol, I seketful. -ewagen, basket-eurringe. -emetic, wicker - work. -ewerker, basket-maker. -enact/cm -enmakerV, basket. making. -otmaker, basket-maker. -enwinkel, basket chop. -en, or. w. to basket. Itinudnat, o. mandate. Inatodei•kruld, o. germander. o. little `racket. ---skoop„ basket-seller. Masses, v. mu. mane.
Geoffry (dzjiefIrlh), f. voor Godfrey. Georg • (dzjordzr), in. George, J orig. —ha ( i-e), g. Georgie. —iaa (-i'ae), w. Georgina. Ger aid (dzjer'uld), m. Gerald. —ard ( urd), m. Gerard. German (dzjur-msn), a. Duitsch; I. Duitscher. —in (-mee'nt-e), g. Germania. —ices (-men'i-kus). m. Germanieus. —y (-me-nth), g. Dultash• land. G•r trude (gur'troed), v. Gtertraida. —vat (dzjur'ves), m, Servaas. Gethsemane (gith-sem'e-ni),g. Gethseiane. Ghent (gent),;'. Gent. Gilt (gib), f. voor Gilbert; Govert. —ion (gib'bn), in. Gibbon. Gibraltar (dzjib-reoPtur), g. Gibraltar.

Enchafe (en-Weer), v. a. tergen. Employ (ea -plot'), s. ambt, werk,bezlgheid.—, Enchain (en-tsjeen't, v. a. ketenen. —er; a. v. a. bezigen, aanwenden; gebruiken; in dienat Enchant (en-tsjaant'), v. a. betooveren. ad. verrukkelijk. —meat, a. hebben. —able, a. bruikbaar. —er, a. gebruiker; toovenaar. —ingly, baas, patroon; lastgever. —ment, a. bezigheid; betoovering. —ress, a. toovenarea. Enchase (en-tsjees'), v. a. invatten; indrijven, ambt, bediening. graveeren; grofachilderen. Empoison (em-porzn), v. a. vergittigen. —er, Encircle (en-suekl), v. a. omringen. s. vergiftiger. —meat, a. vergiftiging. Emporium (em-po'ri-um), s. markt, stapel- Enclos a (en-klooz') v. a. insluiten; omheinen. —mire (-zjoer), a. omhelning; besloten veld; ingeplaate. eloten brief of stub. Empoverish (em-pov'ur-isj), v. a. verarmen. Encoml sat (en-ko'mi-est), a. lofredenaar. —mint, s. verarming. —antic, —astical, (-ea'tik.), a. prijzend, lof toeEmpower (em-pauwittr), v. a. maehtigen. zwaaiend. —um, a. lofted.. Empress (em'press), a. keizerin. inEmprise (em-prajz), a. gewaagde onderneming, Encompass (en-kum'pes), v. a. omringen, sluiten; omwandelen; omzeilen. —meat, a. instout bestaan. sluiting; uitweiding. Empt ter (em'ti-ur), s. lediger. —iness, a. ledir heid; ijdelheid, nietigheid. —ion (em'sjun), a. Encore (eng-koor't, ad. nog tens; bid Encounter (en-ksaun'tur), a. ontmoeting; koop. echermutieling, gevecht. —, v. a. ontmoeten; Empty (em tilt), a. ledig: ijdel; onwetend. —hanhet hoofd bieden; aanvallen; v. n. elkander ontded, met leege handen. —headed, dom. —heart- moeten; handgemeen worden. —er, a. tegened, ongevoelig. —, v. a. ledigen; '(of) bevrijden stander. (berooven) vt.n. to — one's self into, uitloopen Encurage (en-kuri ► dz)), v. a. aanmoedigen, (.iengz), a. bezinksel, grondsop. in. —ings aansporen. —anent a. aanmoediging, aansporing. Empurple (em pur'pl), v. a. purperkieurig ma—r, a. aanmoediger. ken; (with) versieren met. aanmatigen; Empuzzie (e.m-puz'zi), v. a. inl verwarring Encroach ;ea krootert v. n. itch(on. upon). —er, indringen; inbreuk waken op. brengen. a. overweldiger; die inbreuk maakt. —meat, a. Emapyre al (em-pir'i-el),'—an (ook: em-pie-ri'en), inbreukmaking; aanrnatiging. a. hemelsch; zuiver. (ook: ri'en), a. hoogEncumber (en-kumibur), v. a. belemmeren; ete hernel. bezwaren. —brance (-bream), a. belemmering; Emula to (emloe-leet), v. a. wedijveren met; beslommering; overtollig bijvoegsel. nastreven, nabontsen. —tion (-lee'ajun), a. wedijvering, nastreving. (-le-tiv ), R. wedijve- Encyclical (en-siklikl), a. rondgaand. —epistle, rondgAande brief. rend, naatrevend. —tor, s. mededinger. nastrever. Encyciope ella (en-saj-klo-pi'di- e), a. algemeen Emutgent (e murdzjent), uitmelkend. Emulous (em'joe-lus), a. naijverig (of, op). — ly, woordenboek; encyclopedia. —dian (-pi'di-e.), —die, —dical, (-ped'ik-), a. eneyelopedisch. ad. naijveng. Emulsion (e mursjun), s. olieachtige, ver- Encyhted (en-sist'id), a. in een' zak bealoten. to zachtende drank. —sive, a. verzacbtend, melk- End (end'), s. einde; oogmerk, doel. to no—,ten vergeefa. on —, overeind. to the — that, achtig. einde; opdat. to be at one's wit's —, ten einde Ensuuctory (e-munk'tur-rih), a. afseheidingssteeds op , — rand zijn. to be all for one's Omen klier. eigen voordeel bedacht zijn. to make both —s Enable (en-eebl'), v. a. in stoat stellen. meet, de tering near de nering zetten. —all, a. Enact (en-ekt'), v. a. verordenen, vaststellen. besluit. —, v. a. & n. eindigen. all is well that —went, s. verordening. —or, a. wetsuitvaardiger. —s well, eind goed, al goed. Enallage (en-el'iidzj), woordverandering. besehadigen. Enambush (en-em'boesj), v. a. in hinderlaag Endaniago (en-dem'idzp, v. a.a, Endanger (en deen!dsjur), v. in gevaar brenleggen. gen. Enamel (en-em'el), a. brandverf; brandschllEndear (en-diet') v. a. bemind maken. —meat, derv.- erk; vergiaassel; 6mail. —, v. a. branda. geheehtheid; lief boozing. schilderen, 6 ► ailleeren. —ler, a. brandschilder. v. a. beEnamour, Enamor (en-em'ur), v. a. verliefd Endeavor (en-dev'ur), a. posing. —,naar). —er, proeven; v. n. pages, traehten (after, maken. s. beproever; trachter. ]narration (en-er-ree'sjun), a. omstandig verEndecagou (en-dek'e-gon), e. elf hoek. heal. —ices( -demlk-), Endem ial (en die'mi-el), Ennrthrosis (en-er-thru'ais), a. gelidvoeging. a. inheemach. Enatation (en-e-tee'sjen), a. ontzwemming. Endenizen (en-den'itn), v. a. naturaliseeren. Enate (e-neet'), a. uitgroeiend. Ending (endleng), a. besluit, Encage (en-keetizr), v. a. opeluiten. Endive (en'div), a. andijvie. Encamp (en-kemp'), v. a. & n. Iegeren. —anent, Endless (endless), a. —ly, ad. eindeloos. —ness, s. legering; legerplaats. s. eindeloosheid. a. Encaustic (en-kaos'tik), a. ingebrand. End long (endlong), ad. reehtuit, overlangs, (bet) brand- (was-) acbilderen. —most, (-moost), a. verat, niterat. Enenve (en-keev') v. a. in een' boil verbergen; Endow (en-dauw'), v. a. begiftigen: toerusten. it een' keleer bergen.
of arms. —kogel, musket-bail. —Cu)!, butt-end. —lade, gun-stock. —loop, gun-barrel. —maker, pun-smith, armorer. —rek, musket-rack. —riem, gun•sling. —sehot, musket-shot. — slot, k. (A ewel, Gewelde, o. entrails, bowels, pluck, umblee; horns. (leweld, on violence; force, might; bustle, role, met ails abrolute!y. aandoen, to do violence to; to ravish, to vlolaie. —dadig, by. & bw. violent ( - 4). —dadigheid, v. violence. —enaar, m. tyrant, usurper, oppressor. —.nail, v. tyranny, brutality, oppression. —ig, by. & bw. violent (-ly), forcible (-bly), vehement (-)y); powerful, mighty; very, exceedingly , —.iger, m. provost. —igerhand, bw. by open force, forcibly. G ew el f, o. vault, arch. — d, y. vaulted, arcked. Geweanell, os crawling, swarming; crowd. Gewenk, cs, beckoning, nodding. liewenn en, ov. w. to accustom (to). —lay, v. accustoming. Gewenscbt, by. wished for, desirable. G swerve !id, by. vertebrate, v ertebrated. Gewrat, o. country, province; region, quarter, climate. —00, by. provincial. Geweten, o. conscience. reins —, lawyer's conscience. —sanest, anguish of conscience. —sbe• zwaar, scruple (doubt, qualm) of conscience. —sdwong, v iolence done to conscience, constraint upon conscience. — sereag,question of conscience, home-question. —serilhetd, liberty of eonvcience. —swroeging, sting of conscience. —szaak, matter of conscience. —loos, by. & bw. unconscionable (•biy), unscrupulous ( - Iy). —loosheid, v. uncoilecionableness, unacrupuiousneus. Gewettlgd, by. legitimate, lawful. Geweven, by. woven. Gewszen, by. former, old, late, ex-. Gswlcht, o. weight; importance, it oment; horns. het — Met kitten, to fall short of weight, to be defecient in weight. goed tret.—ig,by.weleht y, ponderous; important, momentous. —igheid, weight, imeortance. Gentlekt, by. winged, wins'', pinioned. GewUd. by. consecrated, holy. G eveUts de, o. gentence. GewIld, by. desired- in demand. Gewilllg, by. & hw. willing (Ay). — held, v. willingness. ouchtig, greedy Gewlas, o. gain, profit. sick, of gain, covetous. —rocker, gain hunter. —ceche, govetousness. —nen, ov. w. to gain, to get; to engender, to beget. Gewls, by. & bw. sure ( - 1y), certain (ly). —had, v, certainty. —eelijk, bw. xis (lewis. Gewlsnel, o. changing, exchanging. G eveneker, o. law y. Gowns', o. bustle, stir; crowd. Gewald, by. woolly, covered with wool. Gewolkt, by. clouded, cloudy; watered. Gewonnen, by. won, gained; got, begotten. let — geven, to give it v p, to yield, to give up the point. Lie Gironnon. Gewoon, by. usual, habitual, accustomed, customary, wonted, common. zijn, to be &CCUtoned (to)... to be in the habit of. — warden, to glow famil ar (with). —had, v. usualness, ells-
JAK.--J Jeddah110, m. jackal; jade ; wretch, poor rabbit. Jadeites., on. w. — en jagen, to be continually on horseback. Jakob"' ladder, m. Jacob's ladder. —staf, m. Jacob's staff. Jallappe, v. jalap. Jaloerech, be. jealous. —held, v. jealousy. Juloezie, v. jealousy; shutter, blind. Jammer, o. lamentation misery. het is — it is a pity. —dead, deplorable action. —dal. abode of misery. —bertig, pitiful. —Aartigheirl. pitifulness. —klaeht, lamentation. —kreet, lamentable outcry, cry of distress. —poet, pool of misery. —en, on. w. to lament (for), to wait jot. over), —/Ok, by. & bw. pitiful (-ly). lamentable (-bly), miserable (-biy), woeful (-1y). — nit, v. lamentation. Jan, ra. John ; waiter. — en allentan, every one. hoses — Ain, to have carried one 'a point. — Rap en fejja meet, the ra ,oble, riff•raff, tag-ragand-bob-tail. —gat, —den, —settle, cotquesn. —havel, v. sort of ginxerliread; o. rabble. — moat, Jack-tar. — potaye, Jack-pudding, merry-Andrew. Janitearr, m. IenizerY,J , n1 ,8,, rYJituk en, on, w. to howl, to yelp ; to squall. —er, m. howler, yelper; squaller. — inj, v. howling, yelping. —sler, v. Zie Janzenist, nu. demonist. Jetsam', v. gown. --ache deken, quilt. —ache rok, chamber-gown. Jarig, be. one year old, of a year. AO is vandaag —, it is his birthday to-day. Jets, v. (great) coat, frock coat ; sie Jaakaart. --heart, knave of trumps, trump-cart. —stet', stuff fur costs. —seek, pocket of a coot, JassniJn, v. jessamine. Jaspin, m. & o. jasper. Jass en, ov. w. to hammer up ; to hurry; on. w. to play at trumps. —er, m. player at trumps. Javelljn. v. javelin. Je, tsw. eh! to ! Jegena, vz. towards, to. Jenever, v. gin. —beg ; bait!, juniper-berry. —boost, juniper-tree. —brander, —stoker, gin-distiller. —6randerij,—stokerb, gin-distillery. —intik, lover of gin, pot companion. —.leach, ;tin-bottle. —gios, gin-glass. --ineAt, gin-smell. —seas, red none ; toper. —olie, j auiperail. —vat, gin- cask. Jeng.elen, on. w. to be importune, to be teasing. Jeugd, v. youth. —ig, be. & bw. youthful (-ly). —igkeid, v. youthfaluene, youth. Jeuk en, on. w. to itch. —erig, by, itchy. —erigheld, v. itchiness. —ing, a. itching. —te, v. itch, itching. Jezzat, m. Jesuit. —itch, be. & bw. jesuitical (-Iy) —lime, o. jesuitiem. Jleht, v. gout. —ochtig, by. —ig. by. gouty. Joden besot % v. Jews' exchange. —buurt, —hoek, Jewry, ghetto, Jewa' quarter. — genoot, Jewish proselyte. —hark, synagogue. —kern, alkekengi. —pek, !bitumen, asphaltum, jey., e-pitch. —octisst, —woeker, exceasiv3 tamp. —dont, o. Judaism, Jews. Jodie, v. Jewess. Joedon, on. w. to shout, to make merry. Jok, m. jest, joke. nit —s, for fun's sake. —spreuk,

Zebulon (zeb'joe-lun, tn. Zebulon. ZneLeheus (zek-ki'us), m. Zaccheue. Zarb (zek'), t.vaor Zachary. —aria.1(-e-rara), —ary Zeno (zi'no), na. Zeno. Zephr (zet'ur); —us (-1-rus), my. Zephyr. (-a-rib), Zacharlaa. Zeus (zjoes), my. Zeus. Zack (zek'), —y, f„VOOr Zachary. Zeuxle (zjoekels).. m. Zeuxis. Znnguebar (zen-ge-base), R. Zanguehar. Znat (zent) —e i-i), g. Zante. Zoroaater (zo-ro-est'ur), m. Zorosater. Zurich (Eoe'rik), g. Zurich. Zealand (zi'lend), g. Zeeland.
Seeing (sieleng), conj. daai, aangezien. Seek (nick') [sought (soot)], v. a. zoeken; •taan near; v,, n. (after) opzoeken; streeen near; (for) zoeken. to be to —, in veriegcnheld (rood) zlin. —sorrow, zelfkweller. —er, a. zoeker. Seel isle!), v. a. b!inddneken; (up) wegsluiten; v. n. slingeren, overhellen. Seem (diem'), v. n. schijnen. —er, a. die acbijnt. —ing, a. schijn. voorkomen; meaning. —ing, a. —ing/y, ad. sehijnbaar. —ingress, a. schtjn bearbeid. ( 11 nose). a, betamelijkheid, —/y, a. welvoegelkik; betamelijk. Seer (arur), s. ziener, profeet, See•aaw (sie'sao), a. wip, echo mmel; (het) slingeren. —, v. n. wippen,echommelen. Scribe (sieth'), v. a. & n. koken, xieden. —r, a. /taker; kookpan, ketel. Segar ei-gear'), a. Zie Cigar. Segment ,meg'ment), a. segment. Segrega te (segire-geetl, v. a. afzonderen. —lion (-gee'sjuni, e. afzondering. Seigneurial (at-njoe'ri-e1), a. onafhankelijk; heerschappellik. Seignior (sen'jur), a. beer, grand-Jeenbeer. grand Groote Beer. —age, a. oppermacht. —y, a. heerlijkheid. Selo (silent, a. zegen, elagnet. Selty (erit-tih), a eigenaardigbeid. Selz able (sieeibl), a. grtjebaar, neemleiar. —e, v. a. grijpen, vatten; nemen, bemacht igen; nen an.gen: aantaaten; in bealag newer; sjorren, beknijpen; V. IL (on. upon) in benlzg nemen; zich reeester maken van. —er, s. grijper; bealaglegger. —in, a. bezitnerning; hem t. —mite., a. hindsel, sjorring. —or, a. beslaglogger. —are (-Jur), a. bezitneming; aangehaa)d goed; Seldom (aerdum), ad. zelden, zeldzaam. —news, a. zeldtaam held. Select (ae-lekt'), a. uitgezoeht, uitgelezen. —, v. a. uitkiesert. —ion (-lek'sjun), a. keur. —nest, e. tiftgelezenheid. —or, a. uitille•er. Seien its tael'e-najt), a. epiegelateen. —ogrephy 1-nog're-1111), a. maandbesehriking. Self (colt' , , pr. zelf, zelve, zelren. one's zlch zeiven. —, a. vigen. —abasement, a. zeifverlaiging. —,buse, a. zeltbevlekking. —active, a zel fwer!tend. —assumption, —conceit, 0. eigenwaen. inbeelding. —conceited, a ittaldunkend, verwsand. —confidence, seltvertrou•eu. —conscious, a. selfbewust.—eonsciousnest,m.zelfbe.uet7tn.—control, s. zelfbeheersching. —deceit, zelfhedrog. —defence, a. zelfverdedigeng. —denial, r. zelfverloochenIng. —coded, a. zelfzechtig —ends. p1. eigenbelang. —esteem. e. zelfachting. —evident, a. klaarblijkeltjk. —extinguisher, a. zeltdom per. —heal, s. wordkruid. —interest, a. eigenbelang. —interested, ft, belangzuehtig. —love, a. eigenliefde. —moving, a. van melt hewegend. —murder, a. zelfmoord. —murderer, a. zelfmoordenaar. —opens, pl. natutu lijke openingen of holten. —opinion, a eigenween. —possessi,n, a. eeiNeheersehing hedaardheld. —praise. an eivenlof. —preservation, a. selfbehnud.—renuneiation,,zeifverzat inK.—rrpruach, e. zeifverw kit. —same, a. juin dezelltie. —seeking., a. zelfzuchtig; s. zelfzuaht. —sufficienee, a. selfgenoegtaarnheid, eigenwaan. —aufeircient, a. loot-
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

cryptogeld jobs


hongerig. graag (no). —shooter, srherpschutter. —witted, schraider, seberpzin nig. —, v. a. Behars. kro,a'asar; pluis, duffel; zcerahr,, pen; v. n. hedriegen, afzetten, —en (ajaarp'n), Shag g melon; out v, a. slOpPn; scherp (puntig, eche!, levendlg) v. A. apiltkelan; rut kro,shond. sieren. yin/ (-gid), —try (gih), a. rnig, hrcezig., maken: v. v. scherp worden. —er, a. lie Sherker. —nets, acherpheid; puntigbeid; kronigheid. s. —giness bitsheid; strongheld; felheid; scherpzinnigheid; Sh.arr., cat (tjet - griell'i, s. pegiljnleer. . sluwbe.d; schelheid; granule. Starke (sje,k'), a Echudding, schol ,.; triller. beroering Shark e (sleek') rahaok (tloF.k). shaken aleekn)],, Shatter (siet'turl, v. F. verbrijzeien; n. breken. —brained, schudden, ,hoklren; trillen; (doen)i brengen, neratrooien; v.a.& er, schunder..hener;hwaker. —ing,1 —paled, verstroold; onhezonnen. —a (-turn), pl. war wrak,h,,, ,, 117. ar. cb da er m 1 :tun,k),Ireat1 (9e 1, n...7 . ,8 fi —y, gehdraten (van hoot). sh brii:?!. s chwiding; t disa0,1 ,,com, —bar, diaselboora.

PRE. a. (jveraar voor de booge geeatelijkheid. —lure (-tjoer), 8. waardigheid van prelaat. Prefect (pre-lekt'). v. n. eene voorlezing houden (upon). —ion (-lek'ajun), a. voorlezing, — or, B. voorlezer, lector. Prelibation (pre-laj-bee'ajun), a. voorsmaak. Preliminary (pre-lirn'i-ne-rih), a. voorafgaand, inleidend. a. voorloopig punt, voorloopige stap, PreIts de (prel'joed), a. voorapel; inleiding. —de. (Pre-ljoe.1), v. a. & n. preludeeren; iuleiden; voor berei den. —dial,—sive,—sory, a. (-pre-Joe'-) inleidend; voorbereidend. Pr emniur a (pri-me•tjoer'), a. —ely, ad te vroeg rijp; ontijd;g, voorbarig. —sty, a. ontijdiaheld, voorbarigheid. Premedita to (prented'i-tet),..—teiy,ad.vooraf overlegd; voorbedachtelijk, —te(-teet), v. a, & n. vooraf overleggen. —tion (-tee.sjun), a. voordacha, voorafgaand overleg. Premices tprem'ia-lz), pi. eeratelingen. Premier (pri'mjur), a. eerate minister. Premise (pre-maje), v. a. voorop stellen. vooraf ala praemitsen stellen. —a. (peeinilaten 18-'.!2), pl. voorop gezette atellingen, praemissen; htitt hula en erve. P,etnium (pri'mi urn), a. premie; belooning. premonl 811 pri-mon'isj), v. a. voorat waarschuwen. —shinent. —Con (-mo-nisrun). a. voorafgaande waarachuwing. —tare ,,.(-i-tur-rth), a. voorat vvartrschu wend. Premunstrate (pri•mon'street), v, a. vooraf toonen en bewijzen. P,eatorse (pri-more), a. getand, aftebeten. PrenaDtkon (pre.mosejun), a. aandrift. Prom4ini re (pram-joe-narrih), a. verbeurdver,larin•; misdeed, die met verbeurdverklaring pri..:estraft wordt; uiterste verlegenheld mjoe-nisrun), a. voorkoming cener tegenwerrdnif-tory (p •a-rnjle'ni-tur-rih), a. eene geldboete vastatellend. Pr ...Ult. to (pri-nom'i-neet), v. a. vooraf lenoeraen. —tion (-nee'sjan(, a. ,.voorstgeanae henoeming. Prenotion (pri.no'sjun,, a. voorkennia; voorsmaak. P ,ene lee (pratetts), a. [& v. a. Lie Apprentice P eeobtain (pH-ob.-teen'', a. a. vooraf verkrijgen. Preoccup ancy (pri-olt'kJoe-pen-sih), a. 'roegere In-bezit-neming. —ate (greet), v• a. die to Preoccupy, —ation vroegere in-bezit-rzemIng; vroeger bezit; vooringenoneenheld. —y (-paj), v. a. vroeger in bezit neaten, voorinne rnen. Preorninate (pri-om'i neat), v. a. voorapellen. I.reopinCon (pri-o-pin'jun), a. veroordeel. Preoption (pri-op'e)un), a. voorkeur. Preordain (pri-ur-deen'), v. a. vooraf beachikken. — verordauen. Preurdina nce (prt-or'di newt), —lion (-net, qua), s. vroegere beachlkking of verordening. —te (-net), a. vooraf betchikt. Preparat ion (prep-e.rees'ajun), N. berelding; voorbereiding; toebereldsel; voorbereidbeid, (for;. a. —ively, ad. (pre-pers tiv-), —ory, a. --oray, ,td. (pre-per'e-tur.), voorberetdend, voorloopig (to). —iv* (pre-per'e-tiv), a. toebereidael
Overblow (. blo') [irr.], v. a. overwaalen, ver- Overhappy (-hep'pih), a, overgelukkig. Overharden ( haard'n), v. a. te sterk harden. waaien; v. n. ophouden, uitrazen. i-ne8s), 8. overijling. Overhast iness 1-heeet Overboard, ad. over board. —i/Y, ad. —y, a. (-heee'tih.), at te haastig. Overbold (-boold'), a, to vermetel. Overhaul ( haol'), v. a. overhalen; vieren; op Overbrovv (-bra'), v. a. hangen over. nieuw nazien. overbuilt (-bile), a. te tee) bebouwd. Overhead (-hed'), ad. boven het hoofd. Overbulk (-bulk'), v. a. neetdrukken. Overhear (-bier) [trr.], v. a. belutsteren, afOverburden (-buedu), v. a. overladen. Overbusy (-biz'ib), a. at te druk; overgedleostig, luistereu. Overheat (-hiet), v. a. te veal verhittenOverbuy (-baj'( [irr.], v. a. te duur koopen. OverJoy, a. opgetogenheid. — (-dzjor), v. a. in Overcarry .-Icer'irih), v. a. to ver voeren, verrukking brengen. Overcast, a. betrokken. — (-kaast') [irr.], v. a. (-kalnd'), a. uiterrnate vrlendelijk. Overkind bewolken; te hoof rekenen; overnaaien. Overcautious (-kao'sjus), a. at te omzichtig. Overlabor (-lee'bur). v. a. te veel work geven; Overcharge, a. overlading ; overvraging. overwerken, to zorxvuldlg bewerken. (-lead'), v. a te zwaar beladen. —,tejaardzr), v. a. overladen; overvragen, te Overiade (•feed'), a. bblegd; overtrokken; ge Overlaid see; berekenen. amoord. Ovcrclottd (klaud'), v. a. bewolken. Overland, a. over laud. Overcloy (-klon, v. a. oververzt,digen. Overcome (-kam') [irr.], v. a. overwinnen, Overlarge (-1aardzy), a. at te groot. oYerweldigen; te haven komen; v. n. de over- Overlay (-lee') [irr.], v. a. beleggen, overtrekken; overatelpen; verduisteren; smoreu. —iny hand houden. — r, a. overmeesteraar. Overconliden ce (-konli-dens), a. vermetelheid. (-lee'leng), a. bekleeding. Overleap (-liep'), v. a. overspringen. --t, a. vermetel. Overcorned (-kornd'), a. te sterk gekruid of Overleathcr, a. over-, bovenleder. Overleaven (-lev'n), v. a. te sterk doen giaten gezouten; beschonken. (zwellen); bederven. Overcouut (-kattunt'), v. a. te hoog achatten. Overlight, a. te sterk licht. Overcover (-kuv'ur), v. a. overdekken Overcurious (-kjoe'ri-us), a. te nienwseierig. Overllve (-liv'), v. a. overteven; v. n. te tang leven. —r, a. langstlevende. Qverdaring (-deerleng), a. te keen. Overload (-lood') [irr.], v. a. overladen. Overdate (-deet"), v. a. later dagteekenen. a. at te tang. Overdo (doe') [irr.], v. a. overdrijven; te gaar Overlong (-longl, (-took'), v. a. overzien; over het hoofd Overlook maken; v. a, te veel werken. zien. —er. (-loek'ur), a. opziener. Overdone (-dun), a. overdreven; te gaar. Overdraw (-drao') [irr,], v. a. te veal trekken. Overly, a. & ad. oppervtakkig; achteloos. (-maast'id), a. te zwaar bemeet. Overdress (.drese), v. a. te zwierig kleeden. Overmasted (-maaslur), v. a. overmeeeteren. Overmakter Overdrink (-drink') [irr.], v. a. bedrinken. 8. meerdere, baas. — (-mete] ), v. a. Overdrive (-drajv') Lirr.], v. a. te veal aftudrij- Overmatch, (lemand) de bites zijn; overmannett; overtreffen. ten, nfjagen. overmaat, toegift. — (-meeOverdue (-dloe'), a. meer dan behoorlijk; reed ,, Overmeaaure, a. oer,-ur), v. a. to hoog achatten. vervallen. (-mike), v. a. met te veal vermengen. Overmix Overeye (-a)'), v, a. het opzicht hebben over. Overmost, a. hoogat. Overfill', 8. waterval, overval. Overmuch (-mutsj ),a. & ad. al te veel. Overfeed ( •ied') [im], v. a. overvoeden. a. na elkander opuoemen. Overnanee (-teem"), v . Overfloat (-tioot'), v., a. overstroomen. a. al te netjea. Overflow, a. overstrooming; overvloed. —(-flo'), Overheat (-niet'), (-nalt.'), e. voornacht. Overnight (with). v. a. overstroomen; v. n. overvloeien Overuoise (-nois"), v. a. verdooven. —tag (-11oleng). a. overvloedig. Overofficious (-of-ilsruel, a. at to gedienetig. Overfly (-flay) [im], v. a. vliegen over. Overforvvard (-for'wurd , , a. al to voorbarig. Overpatnt (-peent'), v. a. to stark kleuren; overdrijven. -nese, a. voorbarigheid; te groote voortvarend- Overpass (-pass'), v. a. voorbijgaau, oversteken; held. over 't hoofd zien. Overfreight (-freet'), v. a. overladen. Overpast (-paast'), a. Lang geleden, voorbij. Overfull (-foci' ► , a. at to vol. [W.], v. a. te duur betalen. Overgird (-lord') [irr ], v. a. te nauw dichtha- Overpay (.pee') Overpeer (-pier'), v. a. overzien, beheerechen. len; te nauw inslutten. Overperch(-purtan, v. a.vliegen(zweven)boven. Overglance (-gleans"), v. a overzien. (o'vur-plus), s. overachet. Overgo (go')[irr.], v. a.overtreffen,te boven gaan. Overplus v. a. te aterk inspannen. Overgorge (-gordzj"), v. a.overladen,volproppen. Overply (-plaj"), Overpolse, s. overwicht. — (-pole), •. a. opOvergreat (greet'), a. at te grout. zie to Outweigh. Overgrow (-gro') [irr.], v. a. begroeien; aterker wegen tegen;(•pol'isj), v. a. to veei polijeten. groefen dan; v. n. te stork groeien. —n 1-groon'), Overpolitth v. a. overenelleu. a. begroeid; zeer grant. —th (o'vur-grooth), a. Overpost (-poost'), (-pauw'ur), v. a. overweldigen. Overpower te welige groei. Overhang (-heng') [trr.], v. a. hangen over; be- Overpress (-press'), v. a. te aterk dringen; te zwaar drakken. dreigen; v. n. overhangen.
Interchange (.tsjeendz'), v. a. onderliug afwisselen, —ruilen; elkander vervangen. —able., a. —ably, ad. wederkeerig, afwieselend; bear. —ableness, s. wederkeerigheid; verruilbaarheid. Interciplent (-sip'i-Ent), a. onderscheppend, hindernis, beletsel. stuitend. Intercin de (-kloed'), v. a. verhinderen, afsnijden. —sion, (-kloe'zjun), s. veihindering , afantjding. In tercolunsatlatfon (ko-lum-ni-ee'sjun), s. ruimte tusachen zuilen. Intercesznnaion (-kom'mun), v. n. dischgenooten zijn; in dezelfde weide gram, Intercemmuni tate (-Itum-mjoe'ni-keet), v. a. wederkeerig mededeelen; v. n. met elkander In betrekking ataan. —ty, a. onderlinge gemeenschap. Int•rcostul (-kos'tel), a. tusschen de ribben liggend. Intercourse, a. omgang, verkeer. Intercurren ce (-kur'rene), a. doorloop; tusscheukomst. tuaschenkomend gevai. —t, a. totsschenkornend; ongelijk. Intercutaneous (-kjoe-tee'ni-us), a. tusschen vet en vlezach gelegen. Interdict (in'tur-dikt), a. verbod; uitsluiting. Interdict (-dikt'), v. a. verbieden; ontzeggen, ultslui•en, —ion (-dik'ejun), s. verbod. —any, verbiedend. Interest (in'ter-eat) , s. belong (in); voordeel; aandeel; invleed; baatzucht; rente, interest. compound —, interest van interest. v. a. belang doen stencil; aangaan, hetreffen ; — one's self, belting stelien, zish gelegen laten zijn . —ed, a. belanghebbend, betrokken (in); beatzuelLtig. —bee. a. belangwekkend, Interfer e (-tier'), v. n. tueschenheide komen ; (in. with) zich bemoeien; dwarsboomen, ben. deelen. —nee, a. tusschenkomst; inmenging; binder paal; bottling, Interliu eat (-tur'floe-ent), —sus, a. tussehenvlietend. interfoliate (-fo'li-eet), v. a. doorschieten (een bock). Int err fulgent (-ful'dzjent), a' tusschenschijnend. Interfused (-fjoezd'), a. tusschen gegoten. Interim (in'tur-im), a. tuaachenttjd. Interior (in-ti'ri-ur), a. —ly, ad. inwendig. —, s. inwendige; binnertland. Interjacen cy (-dzjee'sen-sih), a. tuasehanlikking. —t, a. tueschenliggend. Interject (-dzjekt'), v. a. tusechenwerpen, -spoken; v. n. tusschenkomen. —ion (-dzjek'ejun), a. tueschenwerping; tusachenwerpsel, —ional (-dzjek'sjun-e1), a. tusschengeschoven. Inter join (-dzjojn') v. a. onderling bijeen voegen; — huwen. —junction (•dzjunk'sjun), s. onderlinge vereeniging. Interlace (-lees"), v. a. doorvlechten. Inter/apse, s. tijdsverloop, tuaschentijd. Interlard (-1aard'), v. a. doorepekken. Inter leaf, a tueschenblad. —leave (-liev'), v. a. met bladen doorschieten. Interline (-lajn'), v. a. tusEchen de regela schrejyen. —al, —ar, •—ary (-11nT-), a. tueschen de
loos; vertrouwd. to be —, Aileen zijn. —purse, Procinet (pro-singkt'), a. gereedheid. in —, aanstonds; gereed. zakgeld; bijzondere kas. —stairs, vetborgen trap. —, a. gemeen soldaat; in —, in vertrouwen. —er Proclaim (pro-kleem'), v. a. afkondigen; bniten de bescherming der wet kitellen. —er, a. afkondi(-ve-tier'), a. kaper; v. n. te kaap varen. —ly, ger. ad. afzonderlijk; in bet geheim. —ness, a. Zie Proclamation (prok-le-mee'sjun), a. afliondiPrivacy. ging; verordening. Privation (praj-vee'sjun), e. berooving; outbe- Procliv ity (pro-kliv'it-tib), a. belling; neiging. ring; ontstentenis; afzondering. —sus (-klaj'vus), a. hellend; geneigd. Privative (priv'e-tiv), a. & e. —ly, ad. beroo- vend, afzonderend, ontkennend (voorvoegsel). Proconsul (pro-kon'sul), a. proconsul. —ar (-sjoe•ler), a. van den proconsul. —ness, a. geniis, ontatentenis. Procrnstina te (pro-kreeti-neet), v. a. :MotelPrivet (priv'it), a. keelkruid, mondhout. Privilege (priv'i-ledzj), a. voorrecht; vrijdom. —, len, verechuiven; v. n. draten. —tion (-nee'sjun), s. ultetel, verachulving; draling. —tor, a. nitv. a. bevoorrechten. stellar; driller, weifelaar. Priv ily (priVii.lih), ad. heirnelijk. —ities, (-it- tiez), pl. schaamdeelen. —ity, s. verborgenbeid; Procrea nt (pro'kri-ent), a. telend; vruchtbaar. medeweten. —p, a. heimelijk gemak. —y, a. —te (-eat), v. a. telen; voortbrengen. —ation gehelm;bijeonder; medewetend(to);—chair,nacht- (-ee'sjun), a. Wing; voortbrenging. —tire (-eeatoel; — council, geheime road; — seal, geheim- tiv), a. telend; voorthrengend. —avenue (-ee-tiv..), a. teelkracht. —tor (-ee-tur), a. teier; voortbrenzegel; zegelbewaarder. Prize (prajz'), a. prije, belooning; butt. —fielder, ger; vadee. —true (-ee-triks), a. voortbrengster; moeder. prijavechter. --question, prijsvraag. —, v. a. schatten; op prios atellen, achten. —r, a. richat- Proctor (prok'tur), a. zaakgelastigde, zaakwaartar; prijavechter. nether; pleitbazorger, procureur; ()wiener, proPro (pro), prp. voor. — and con, voor en tegen. rector. —, v. a. beheeren, besturen. —ial (-to'riProbe hie (proh'ibl), a. —bly, ad. waarschijnlijk. el), a. van eta opziener of prorector. —ship, a. ambt van een zaakwaarnemer, opziener of pro—bility (.be.birit tih), s. waarschijnlijkheid. Probate (pro'bet), a. gerechtelijk bewijs your de rector. Procumbent (pro•kum'bent), a. nederliggend. geldigheid van een testament. Probation (pro-bee'sjun), e. proof; proettij4; Procur able (pro•kjoe'ribJ), a. verkrijgbaar. bewija. —al, —ary, a. onderzoekeed; proef. —er, —acy (prok'joe-re-plh), a. beheer; volmacht. —ation a. die bepreefd of onderzocht wordt; itmand in (prokejoe-ree'sjun), a. verachaffing; beheer; vole proeftijd, nieuweling. —erstip, a. proef- macbt; makelaardij. —ator (prok'joe-ree-tur). e. zaakgelastigde; procureur. —e, v. a. verschaffer; tijd. Probat lye (pro'be- tiv), —ory, a. onderzoekend; waarnemen, beheeren; teweeg brengen; bekomen; proef-; bents. —or (-bee'tur), a. onderzoeker; v. n. koppelen. —ement, a. verachaffing; verkrtiging; bemiddeling. —er, a. verechaffer; bewerken; ben ijavoerder. Probe (proob'), a. tentijeer. —scissors, pl. wood- koppeiaar. —ess, a. koppelaarstee. Prodigal (prod'i-gel), a. —ly, ad. kwistig (of), achaar. —, v. a. sondeeren. Probity (prob'it-tih), a. rechtsehapenheid; eer- verkwietend. the — son, de verloren noon. —, a. a. kwiatigheid, ververkwiater. —ity lijkheid. Problem (problirn), s. ,raagstuk, voorstel. kwisting. —atical, a. —atically, ad. (-et'ikl-), winker, Prodigious (pro-didzrus), a. —ly, ad. verbszend, ontzaggelljk; onheilspellend. —ness, a. vertwijfelachtig. bazendheid, monsterachtigheid. Proboscis (pro-boa'ais), a. ulna. Procne! ous (pro•kee'ejus), a. moedwillig; on- Prodi gy (prod'id-zjih), a. wonder; monster. —lion (peo-diej'un), a. verraad. —tory, a. verra( -kes'it-tih), a. dartelheid, moed- beachaamd. derlijt. w Li; on beschalmdheld. Procedure (pro-ei'djoer), s. handelwijze, hande- Prodrome (pro'droora), s.voorlooper, voorbode. ling; voortgang. Produce ,prodloes), a. opbriengst; itedrag, beProceed (pro-sied'). v. n. voortgaav, vervolgen loop. (on); te werk gean. voortvaren; procedeeren Produc e (pro-djoes'), v. a. voortbrengen; op(against); (from) ontapruiten, voortkomen. —er, leveren; te weeg brengen, bijbrengen; vertoonen, a. din voorgaat. —ing, a. handelwijze. —ings everleggen. —ant, a. vertooner, overiegger, —er, a. voortbrenger. —ible„ a. voortbrengbaar; ver(-iengz), pl. rechtshandel; maatregelen; proces- toceibear, aanvoerbaar. —ibility (-1-bil'it-tih), verbaal. —8 (ook: pro'siedz), pl. opbrengst. —ibleness, a. voortbrengbaarheid; aanvocrbaarProcellous (pro-cePlus), a. stormachtig. heid. Procerlty (pro-ser'it-tth), a. hoogte, lengte. Process (pros'essol, a. voortgang; loop; behand -e- Product (prod'ukt). a. voortbreegsel, opbrengst, uitkomat. ling; rechtsgeding; procea; uitwas. Procession (pro-seerun), a. optocht, omgang. Produc tile (pro-duk'til), a. rekbaer. —tion — al, — city, a. van (als) een' optocht of eene (-sjun(„e.voortbrenging; overlegging; voortbrengproceeste. —al, a. processie-boek. gel. —tine, a. voortbrengend (of); overleggend; Procbronlsna (pro'kro-nizm), s.tevroegstelling. vruehtbaar. Procid ence (pros'idens), a. uitzakking. —nous Proem (pro'em), a. voorrede; inleiding. —ial (4'mi-el), a. inlaidend. (pro-aidloe-us), a. vallend.
AAN. acal gather rust,— moisture; on. w. to bark; to salute; Asturias en, ov. w, to incite, to stlmulate. —er, to interfere. m. inciter, stimulator. —tag, v. incitement, Aerting. m. attempt, design, plot; touch; taxastimulation. tion, quota, —biljet, notice to pay the tax. Aanroelein, ov. w. to row agninst); on. w. to A.WilinppeD, on. w. to slacken, to grow weak. TOW (against, towards); to row faeter. Aannlieepen, ov. w. to drag hither, — near. to stop; to coil upon; to W. Attnroep en, ov. to approach —*ter, v. invoker. —kg. v. in- AlaU31.11i.brell, on. w. komen —, invoke. —er, loitering, — sauntering. vocation. to go trailing along. Atitarner en, ov. w. to mix; to touch; to touch Annsiepien, on. w. komen —, Annelibla en, on. w. to ailtiviate,—ing,votiluviou. upon, to hint - ing, v. mixing; touch; men:leant itita en, on. w. —ing, v. Zie AanislIbben. tion, hinting at. AnnalUpeu, On. W. to sharpen, to point. Annrolleu, ov. on. w. to roll on, -- hither, to come /stagAkesnrutila en, ov. & on. w. to Oraw nearer; to Aanallingeren, on. w, 'town —, gering. advance, to approach. —ing, v. advance, approach. come creeping, — stealthPeannarr en, ov. w. to pro ,. oke, to aet on, to in- Aallu► lUSpellb, on w. to cite. —ing, v, provocation, setting on, inciting. zich can, to join. —inch, Aannelnaff en, ov. w. to procure, to buy. —ing, Axoltl nit en, ov. w. & v. joining, junction. v. procuring. A anschakel en, no. W. to link (to), to join. Aaaasmeet en, ov. W. to forge to, to weld. —ing, v. joining, welding. —isso, v. linking, junction. to besmear, to grease. ionand Attnoehnerele-n, on. w. koneen —, to approach A.analtlieren. ov. W. lets —,to palm (to trick) a thing upon a. o. waggia gig. An nonnljten, ov. w. Zie Aanwerpen. Annnehelien, on. w, to ring, Asnenefilen, on. w. to hasten (to hurry) to. ARkitiell,rpers, ov. w. to sharpen, to point, to komen —, to hasten hither. whet. AnnenUdon, ov. w. to give the first cut to, to cut. Aannelstoten, ov. NV. to ahoot (at); to wound; Aanspannots, no. w. to put to, to harneee; to to try; to put on qulkly, to slip on; on. wo, to join, to combine —, to associate (with). shoot fort; to rush in (upon). Antioch/jut, o. appearance; face, countenance. Aansp al ten, on. w. to splash (against). Aantspelden,ov.w. to pin on, to fasten with pins. ov. w. to shine at, — upon. Aanapatten,ov. w. to skewer, to put upon the spit . Aminechikkers, on. w. to draw nearer, to sit AanspUkoaren, ov. w. to nail on.— to. closer, to hit down at table. Aanopoel en, ov. w. to dash (to throw) Ashore, AtantichInotnelen, on. w. to grow mouldy. to deposit; on. w. to be cast ashore, to wash Aftinitirbittereill,oV. w. to glitter at. (upon). .--ing, v. washing nahore, wash; allusion. Atartschorten, ov.w. to put on (rain achoenen). itanerholfeten, no. w. to shovel, to hoe; on, Aanopor en, ov. w. to 'spur (on); to urge, to incite, to stimulate. —ing, v. spurring on; inciteAansloilfen. w. ment, 'stimulation. Annselatanamellen, Annsel ➢ ongellen, on. w. Aanspreark, v. speech, harangue, allocution,. komen —,to approach staggering.. reeling. apootrophe; convereation; claim, title. eene — Aansehouw, m. view, sight. in — nernen, to houden lot, to address. to harangue. — kebben op, be, & bw. visible examine, to consider. to have a claim (a title) to. — maken op, to ( - kely), illustrated (-1y); 'speculative (-17),intuitive claim, to lay (a) claim to, to pretend to. (-1y). —eldkkeicl, v. perceptibility. —en, ov. w. tv AminisprakelUk, by. responsible, answerable, view, to behold, to contemplate. —er, m. —.ter, acvountable. —held, v. reponsibility. v. beholder, contemplator, spectator, epectatrese. Ationsprek en, ov. w. to accost, to address, to —tag, v. inspect, contemplation, intuition. -ing 8harangue; to bag; to call on; to r ummon; to have terwsogen, o. power of intuition. intuitive power. recourse to, to make money of; to make use of; Atanschrappen, ov. w. to mark. on. w. to sound. —er, m. adreaser, orator; unAannthreerawen., °v. w. to scream at. dertaker. Aa ► sohreten,ov. W. to weep (to cry) at. Annardirijv en, ovo, w, to write (to note, to set) Aaneprlingen., on. w. to jump (agatnot. at. on); to rush upon. komen —, to approach leaping. down; to put to one's account; to order. —ing. Anc.Spii nVion, ov. W. to spit at, Aanopnaen, v. order, mandate, direction. — upon, A ansehr neva., ov. w. to screw on, tighter. Akaitilttian, on. w. to stand (against); to be upon Aennelsnifellen, on. w. to approach hissing. a jar; to please; to depend on. Aainnehulven. ov. w. to push (against); to pu h Ationstaavide, by. next, future, drawing near; on; on. w. Zie Aanstelliikken. m. & v. intended. intended. Aanniokken, en. w. komen —, to approach loiterAttnetalten, v. IRV. preperations (for). ing, — jogging. ram down. Aaiun) orren,ov.w.to rnoor,to gird (to pull) Closer. Aanstanapen, ov. w. to to mend (to hurry) one's Aannjoiweet, ov. w. to drag hither; on. w. to Ataustapptn, on. w. pace. homer, —, to step hither. approach drudginn, w. to stare at, to gaze at, — 07. /tenni/nen, OT. W. to drive on; to knock (against), Aanstaren, upon. to touch; to strike; to fasten, to clap on; to affix, Aonsteleer. to pout up; to put up for 'tale; to setae, to arrest; Anineteakater, v. Zie A anstek el k, ban contagion*, infecting, epidemto take posmosion of; to rate, to estimate; to
—er, m. workman, laborer. —star, v. work-woman. —.am, by. dz bw. laborious (-1y), industrious (-1Y).—saantheid, v. laboriousness. Archlef, o. repository of public records; archives. Architect, m. architect, Artialwarin3, in. archivist. Ardnin, sus. o. free-stone. Arend, m. eagle. —ablik, eagle's eye. —Alai., pounce of an eagle. —anus, aquiline nose. —sateen eagle-stone. —avlucht,an eagle's swiftness. A rgdenkserld, by. suspicious. Argoloos, by. & bw, innocent (Ay), harmless (-ly), inoffensive (-ly). —Ilea, v. harmlessness, inoffensiveness. Argilut, a. malice, craft, artifice. ba, & hat. crafty (-1y), artful (-ly), cunning (-ly). v. craftiness, cunning. Alm wenn. m. ertapicion, umbrage; — ',cedes, to suspect. —wanen, ov. w. to suspect. —wsnend, —wanly, h't. 'suspicious. Aria, v. air. Ark,, v. ark, de — dee verbonde, the ark of the covenant. Arm, m. arm; branch, LAndle; power. —.oder, bracltial vein. —band, bracelet; bandage. —baker, sconce, branched candle-stick. —kussen elbowio n. arm bone, facile. —ring, bracelet. ch us,thir. —scheen, armlet. —enact, bracelet. —doe!, armAran, by. & bw. poor (-1y), indigent (-1y). he --err, the poor. —beetusir, college of overseers of the poor, board of charity. —bus, alms-basket.poor'sbox. —hartig, tie A rsumnlig. —huts, alms-house. asylum for the poor. — , Iciajongen, charity-boy. —kind, c herb y-child. —nteester,—ocreorger, almoner, deacon, guardian. —tuezen, system of the poor-laws. —salty, by. & bw. pitiful (-1y) sorry (-ily). —enapotheek, dispense: y.—entelasting.—engeld, poor-rate, tax for the poor. —enka., fund for the poor. —ensch oot, charity-school. —enwet, poor-law. Arznalijk, bw. poorly, pitifully. Armload a, a, poverty, want, need. —ig, by. & a. poverty, et dhy(l-ii little o—ighhars. ei'1' (-je,)'on.le) tlty).one r — p bowOr pn oe sos. Arszlogin, o. aersenet. Arran, on. w. to sleigh-ride. Arrest, o. arrest; seizure; decision. in — nensen, to take into custody. —ant, m. prisoner. —eeren., ov. w. to arrest, to seize, to take into custody; to rassolve. Ares-nand, o. arsenal. Artikell, o. srtiele, head, clause; line. —brief, instructions, 'statutes. Artillar le, V. artillery, ordnance; lichte —, tying artillery; rijdesde horse-artillery; -.kunst, gunnery; —wester, master of the ordnance; —.park, park of artillery. —tat, m, artillery-man. Artisjok, v. artichoke. —stoat, bottom of an artichoke. nois y m. physician, doctor. Arteenki, v. physic, medicine. —bereider, apothecary. —bereiding, pharmacy. —bereidingskunst, pharmaceutics. —drank, potion, —leinke/, spathecary'a shop.

Is Bitcoin gesteund door iets


—, gold-wire. is — waard, he is worth his weight in gold. —aster, vein of gold-ore. --anent:, royal-eagle. —berg, —owl; —niOn„ gold-mine. --bears, purse of (for) gold. —t-tasent, dorado, gold-fish. —delver, gold-seeker. —eucht, thirst for (otter) gold, love of money. —dread, gold-wire.—droadtrekker, goldwire-drawer. —erts, gold-ore. —feel, gold-colored, golden. geld, gold coin, gold. —gewicht, gold-weigh!. —glid, —sc./ruins, litharge of gold. --golden, goldfloriu.—haantje,gold-beetle; golden• crested wren. —handel, gold-trade. —kever, brass-beetle. —kiat, strong box; casket. —kleur,goid-color; orptment —klomp, mass (ingot) of gold, —hornet, grain of gold. —host, gold-inset. —ink, gold-lac. —taken,, brocade. —lakensch, brocaded; —e infant, goldpheataut. — leer, gilt leather. —hijns, chryencol. —looter, gold spangle. --maker, alchemist. —makerij, alchemy. —mere!, witwal. —anent, goldcoin. --plotter, —slaver, gold-beater. —porter, gold-powder. --deAtIal, gold-weights, aseay-balonce. —stmederj„ gold.ernith'e art, — workshop. —smelter, gold-reelter, refiner of gold. —amid, gold-smith. —oteaf, ingot of gold. —*teen, touch.. stone; chryeolite. —itof, gold-duet; brocade, tineel. .old-place. —verf„ gold-color. —vervig, gold- colored, gtelden. —ringer, ring-ft-ger.— yin*, gold-finch. gold-flub, dorado, doree, —vlieg, spanish fly. —riles, '401d-beater's skin. - wasscher, ,gold-waaker. —work, gold-mmith's work, gold. —werksr, gold-amith. —worm, glowworm. —wortel, calanditee, daffodil. —send, soldsaad, gold-dust. —teeter, gold 'searcher; alchemist. —zinger, usurer, extortionsr. —enregen, Ittbarnum. —eiloom, marigold, gold-flower. —en, be. golden. Gon‘v, v. celeodlue. Grnatil, ne. degree; rook. —lock, book of charts. bong, crone-staff, Jacob's-staff. —meter, mettle. Grater, v. spade. —iiser, pick-axe. —weak, digging. Graaf, us. roust; (engelsche) earl. —achap, U. county, shire; earldom. Gmlag, bv. eager, greedy, sharp-set, hungry; in demand; — warden, to get an appetite, to take. - bw, eagerly, willingly, readily, with a good appetite. —heti, v. —te, v. eagerness; appetite, stomach. Grano, o. grain, corn. —bouw, cultivation of corn.—gewas, crop (of corn). —handel, corn-trade. —kooper, nom-merchant. —(sorrel, grain of cora. —moat, corri-measure. —markt, corn-market. —Id/ tear, granary. —vloot, corn-fleet, —sect, cernlaw. —colder, corn-loft. Graftatje, n. dram. ee;,— yikken, to dram. Grant, V. fish-bone. van de — caller, to grow very lean. Gratibbel, v. scramble. te gooien, to throw away (to make scramble for). —eve, scrambling. —oar, m. —aarster, v. scrambler. —en, on. w. to scramble (for). —ing, v. scrambling. G encht, v. canal; ditch, moat. Genf, o. grave, tomb, sepulchre. ten grave dales, to die. ten grave dreg., to bury. tot aan het —, till death. aan den rand van het — clean, to be on the brink of death. —gewelfs vault , catacomb. —heave', tumulus. —kelder, —keit, vault.. —tied,

Welke banken verkopen Bitcoin


loodevatawaier. —, v. a. loodeen. —aye, B. hoods- Finitude, (pin-tee'do), s. pareibloem. Pint) e Ipin'ti). 8. speldje; pinnetje; tap, bout; geld. roerhaak. Pilons (paj'lus), a, harig, ruig. Pinnie Ipin'jael), a. vizier (aan eon astrolabium). Pilser (porsur), a. nacht-, lichtmot. Piny (parnih), a. vol p;jnboomen. Pitneast (paj'ment), s. kruidenwijn. (paj•o-nier'), a. achansgraver, pioneer. Piment nj(pi-nien'te), —o (-toi, a. piment, epaan- Pioneer —, v. a. & n. pionierawerk verrichten. ache p aper. I'lw p (pimp'), a. koppelaar. —, v. n, koppelen. Phony (paro-nih), s. Zie Peony. —ernel ( ur-nel), a. pimpernel. —ing, a. gedien- P10115 (pafue). a. —ly. ad. vroom, godvruchtig; liefdevol; ouderlievend. stig; odleckt, nietig, geeing. Pip (pip;, a. pip (vogelziekte); oog (op apeels. puietje. —d, a. puistig. ptingqe kaarten), appelpit. piepen. a. speld; pin; stift; schroef; apia, bout, rin Pipe Obi drevel, luns; roostok; luira; beuzeling; oogvlek; (Pail)'), a. PUP; buts: fiaitje; stem. —clay, a. pijpaarde; v. a. met pijpaarde iniddelpunt. —basket, nestkuiken; laatste kind. —cushion ) , '4.strijken, —Ask, pupu tech. —Laying, het knoeien —bit, boorijzer. —case, naaldenkoker.. —feather, kanselarij 'der schatbu verkiezingen. —office, . 1 18 —dust, aPeldeavi3 bpeldenkusseu• ,,clauthok. kamer. —stake, speerhaak (aambeeld). —tree, seetoppel —feathered, niet vlug. n. op-head, speldenknop. bole, spAldenprikje. —maker. ringeboom. —weed. pihkruid. —. v. a.a.&pijper, speldenmaker. —money, speldengeld. —tail,—tail- de dolt spelen; flatten, piepen. —r, fluater, specimen. duck, piThtaart (eend). —tongs, pl. schuiftangen. Piping (paPpieng), a. teak; mat; kekend. —vice, veerscbroef. —wire, koper-, epeldendraad. —, v. a. va,otepelden; vastmaken; noluiten; Pipkin (pii•kin), a. potje, pannetje. Pippin (pip'pin), pi pelting (appal), (down to) binder eau; (up; opspelden. Piquan cy (pik'en-sth),s. scherpte,stekeligheid. Pinafore (pin'e tsar), s. schortje, slabberje. —to.—t/y.ad.scherp,prikkelend;stekelig,tobtend, Pinuster (pi-nes - tur), a. Wilde pijnbc,om. (piek), R. wrevel, wrok, geechil; gevoeligPique pl. klauv.en, nijpers; voorPincers (pitesurz), , hood; zestiger (in 't piket). — of honor, pant van tanden; pellikaan (tang;; nijptang. a pair of v. a. prikkelen; beleedigen, krenken; ee. cane nijptang. — one 'd self (in. on. upon). itch beroemen op. suuifje. Pinch (pintsf), a. leneep; bleu), nood; v a. knijpea, Piquet (pt-Itet'), a. piket (kaartspei). at a —, in geval van owed. Pleas cy (parre-sih), so. zeerooverij; letterdievetki; 't nauw drukken, pijnigen; nijpen, khet) nadrukkon. —te (-ret), a. zeeroover; roofbrengeo, \Yellen; v• n• knii pen. niapen; in 't nauw bchip, letterater, nadrukken. —te (-ret), v.a. roozi,jn; kirig (vrekkig) leven. —beck, s...spaisbek. nuper; Trek. yen; nadrukken, namaken; v. n. zeeroof plegen. —fist, —penny, vrek. —er, a• —tical (retiikl), a. roofzuchtig; roovend. —ere, pl. Zie Pincers. ',appal; an.' Pirogue (1 , i7roog'), s. boomechuitje. Pine ker- Pist,a ry (pialre-rth), a, vischrecht; vischmarkt; —grossbeak, blauvgvleugel. nay. —creeper, vischbun. —tory (-tur-rih), a. visch-; vtaschers, boom- senbijter. -grove, odjnboschje. martin, marter. --thistle, bleu ve dietel. —tree, pijnboom. Floe es (pis'-iez), pl. de Visschen. --tine a. visch-. —ivorous (-siv'o-rus), a. vischetend. —, v. a. van verdriet does vergittu; bejanomeren, v u. knilzen (at.) (away; wegkwunen. (after for, Fish (ptsj), int. bah! foci! —, v. n. afkeer betuigen (at). emachten near. —at. (pin't-el), a. pijnappelachtig. Pisifor in (pis'i-form), a. erwtvormig. ananae•kweekerij. —ry (-e-rib), Pismire (plemaJr), a. mier. Pingle (ping'gl.), a. kampje Piss (piss"), s. pis. —asphalt, bergteer. —burnt, Pinguid (pinegwid), a. vet. pisviekken. —, v. a. & n. pissen. —a-bed, Pinion (pIn'jun), a. vieugelspite, slagpen, wick; met pissebed; paardebloem. —ing-evil, pisvloed. boutje; radtand, rondsol; armnoei. —, v. a. de —ing-place, piahoek. vleugele binder; boeivn, kluieteren. —ed (-fund), Pistachio (pis-tee'sjo), s. pistache, pimpernoot. a. gevleugeld. (pisitil), etampertje. —laceous (-lee'sjus), Pink (I)IIFIC), a. anjelier; oogje; vleeschkleur; top- Pistil punt, puikje; pink (vaartuig); grondel. —colored, a. op den zaadknop groeiend. --livery. (-lirvleeschkleurig, bleekrood. —eyed, met kleine met een stampertje. (pis'tul), s. pistoo.i. —bag, —case, holster. Pistol (wen, —paper, rood papier vase kunatbloemen. —proof, tegen pistoolschoten ---sterned, met een smallen achtersteven. —, v. a. —butt, postoolkolf. doorateken; uitsnijden; met oogjes maken; v. n. bestand. —shot, pistoolschot. —, v. a. met ens schieten. knipoogen. —er, a. doorsteker; uitsnijder. pletool Piston Ipiretun), s. zuiger teener pomp). Pinnace (pin'ues), a. pines. (pit'), s. put., pit, kuil, groove; graf; afgrond; Pinnacle (pin'nikl), a. tinne, kasateel; toppunt. Pit bak, parterre, strijdperk. —coal, steenkool. —fall, —, v. a. van tinnen voorzien. a. valput; valstrik; v. a. in valkuilen leiden.—hole. Flaunt e pitenet). —ed j-nee-tid), a. vleugelvor- (-net'i-fid), a. vedervormtg kuiltje, pokput. —man, mijnwerker; onderman (bij mig; gevaderd. houtzagers). —saw, kraanzaag. —, v. a. met pitten gespleren. —iped (-net'i-ped), a. vinvoetig. (kuiltjes) makes; aanhiteen. Pints er (pin'nur), to. vastspelder, -Pinner; spel- Pit-a-pat (pIt'e-pet), s. klopping; trippelgang. —, denmaker; opzichter eerier schutkooi; strook; ad. tiktak, tikketik. lasso mats. —ock (-nook), s. mees. (pitsj'), s. pek; grootte, hoogte; g mad, topPitch bierkan. —pot, (pajnt,, s. pint. Pint

Will Bitcoin bestaan ​​in 10 jaar


b fur •WOrea. —achtig, by. eoopery. --- en, by. copper, brass, brazen. —en, on. w. to copper. K oplo, v. copy, imitation, —beck, copy-hook. 'inspirer en, or. w. to copy, to transcribe. —geld, —loon, copy-money. —machine, copying-press. —week, copy-writing. Koos' 1st, m, copier, copying-clerk. Kopij, v. copy, manuscrtpt. —re,cht, copy-right. o. cup. KoPP. 1 , m• stri.g, leash; thong, strap, belt, o. couple. pair, brace. —aar, m, baldrick. —nuttier, v, pimp, pander, oswd, procurer, gobetween.—or(j.v. pimpirgo making up of matches. en— on. w. to couple, to match; to join; een gekoppeld huwelijk, a made-up watch. —teeken, hyphen. —woord, copula; conjunctien. v. coupling, matching. joining; copulation. Kemp on. w' to cup. —gins, cup, cuppingglass. —per, m. copper. Kipp pares...0/1g., rn. ;one Monday. Kopp4g, be. bw. heady (-lip, obstinate (-Iy), b born (-Iy). a. headineee, obstinacy, mtubbornness. Kopping, v. cupping. Horned, in. chorister. —meester, ehiot olager. Ke^ tresat.% u. bead. —, a. coral. —afloat, coral agate. —bank, —rif„coral- re,af.—boons,coral-tree.—krxiii, coral- -eort. —vieiehef, coral-river, -fisher. —viestherij, eora:41.hery. —achtig, be. coraltine. Ktivainess, be- coral, coralline. Kos, re, me. Koran. Korleroi-1, m. corbel. iherors4)1,er, rn. Conte:ter. Korr:irm,o cordon, line of troop,. Rowels, on. w. to retch, to beck, to vomit.. Ki:ororre, o. corn, grain. —oar, ear of corn. —akker, —veld, corn field. —bran,co,n-ex,hanice. —bijter, —bout, cora-weevil, celonder, —Mout, the like the corn flower, ,.labs blue. —Moon, core-flower, blue-bottle; (roods) c 'ern-rose. —brander, dietiller. distillCry. Orandcwijn, brand y.—rlorseder, throatier. —drafter. corn-porter. --gaffel, pinch-fort:. —g,rf, —cch6of, sheaf of corn —halm, cornorteilk. —handet, corn-trade. —liandelaar, —keeper, COI n-rntrehAut, .chandler. —harp, corn • dome. —hoop, heap of corn. —hula, —.hoot., granary. —hi4ze„ coat, chair, boil. —kre. grass-hopper. —land, corn- la, d, field. —lick • ter, corn-lighter. —mower, —reaps, —motat,cornmewsure. —rnagnrys, corn-magazine. —markt, corn-market. —meter, CO:a-MeasUrer; corn-meter. —waren, coreorniti. —000st, earn-harvest. —root, corn-roeo. —schwa, corn-balance. —whip, cornahlp, corn.shoyel. —sikkel, reaping-hook, scythe. —wan, wonnow. —wanizer, winnower. corn-weevil. —zak, corn-beg. —solder., carn-loft., granary. Wort', ra, biteket, hamper, dorrer, frail. Korte*Inie., m. wocd-cook, —hea, wood-hen. Koriarkder, in. coriander. Kortiol, v. pollen. Kornet, m. cornet, ensign, —, v. cornet, buglehorn. o. cornet. tioratfie, v. cornice, Karr nekike, v. dog berty,corneU an cherry. --town. cornal•tree, contelion tree.
AFP.—AGN. Affair (ef-feer), a. zaak; bedrijf; gevecht; minnehandel. Affect (ef-fekV), v. a. etreven near; voorwenden; sehokken, aandoen; nattpen. —ation (-tee-sjun), a. voorwending; gemaaktheid. —ed, a. —edly, ad. geneigd; getroffen; gemaakt. —edness, s. gemaaktheid. —ing, a. roerend. —ion, (fek'sjun), s. genegenheid; aandoening. — of the chest, horstkwaal. —ionate (-fek'sjun-et), a. toegenegen, hartelijk. —ioned (-fek'sjund), a. toegenegen; ingebeeld. —ive, a. roerend, treffend. Affl ance fef-faj'ens), v. a. vertrouwen lint; ondertrouwen; a. vertrouwen; ondertrouw, —anced, a. verloofd; verbonden. Affidavit (ef-fi-dee'vit), s. betiedigde verklaring. AfililLa te till-eet), v. n.aannemen (als kind;; opnemen. —tion (-ee'ajun), s. aanneming; opname. Attinage (erfl-nidzj), s. metaalzuivering. Affinity (ef-tin'it-tih), s. verwantschap. Affirm (ef farm'), v. a. beveettgen, bekrachtigen; beweren; v. n. verklaren. —able, a. besettigd kunnende worden. —ance, s. bevestiging. —ant, a. bevestiger; verklaarder. —atior. (-ee' s. bevestiging; verklaring. —ative (-e-tiv), a. —atively, ad. bevestigend. Affix (ef-like'), v. a. aanhechten (to). —'s. achtervoegsel. —ion, a. aanhechting. Affla tion (ef-tlee'sjun), a. toeblazing. —tus, s. (goddelijke) ingeving. Afflict (ef-flikt"), v. a. bedroeven, krenken. —ed, a. bedroefd, gekweld (at.by. with). —ing, a.smartelijk; krenkend. —ion (-ilik'ejun), a. droefbeld, kommer. —ive, a. bedroevend, grievend. Affluen ce (erfloe-ens), a. toevloed; overvloed. —t, a. —fly, ad. toevloeiend; overvloedig. Afflux (ef-fluke'), —ion (-jun), s. toevloed, toestrooming. Afford (ef-foord'), v. a. verschaffen, opleveren; (to) in ataat zijn. Afforest (ef-for'est), v. a. tot bosch maken. Affranchise (et-fren'tsjiz), v. a. vrkj makes. a. vrtjmaking. Affray (ef-free'), a. vechtpartij; opachudding. Affreight (ef-freet"), v. a. bevrachten. —er, a. bevrachter. —ment, a. bevrachting. Affright (ef-frajt'),s. schrt k. —, v. a. verachrikken. —ed, a. veracbrikt (at). a. a. beAffront (of-front"), a. beleediging. leedigen; trotseeren. —ed, a. beleedigd (at). —ing, —ive, a. beleedigend. Affus a (ef.fjoez'), v. a. opgieten. —ion (-floe' zjun), s. opgieting. Affy (ef-fan, v. a. verloven; vertrouwen op. Afield (e-field'), ad. op het veld. Afire (e-fajr') a. & ad. in brand. Atimt (e.flet'), ad. vlak, gelijk met den grond. Afloat (e-flout'), a. & ad. slot; A. den gang. Afoot (e-Suet'), ad. to voet; in gang. Afore (e-foor'), ad. vroeger, voor; eer, vroeger. —hand, vooraf; gelukkig, voorspoedig, to be — hand with one, iemand de loef ateteken. —said, a. voornoemd. —time, ad. voorheen. prp. voor. Afraid (e-freed'), a, bang, bevreesd, (of). Afresh (e-fresj"), ad. op nienw. Afront (e-front'), ad. in het front.
drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-

cryptogeld 101 podcast


spraak. —ful, a. twistziek; strijdig. Stefan., (airaj-goos'), a. borstelig. Strike (tstrailt), s. strilkhout; schepel; staking vas work, sameneparming van werklieden. Sink a (strait")) [struck], v. a. siaan; strijken; afstrijken; treffen; stooten; verbazen; neerlaten; bewerken; mantes; sluiten (eta' koop). —battle slag leveren. —dumb, does verstommen. — root, wortel schieten. —work, het werk stakes. — up one 'a heels, iernand den voet lichten, fdown) nedervel len; ned eriaten. (off; erste.; losdrukken; afsehaffen; wegstrijken; uitwisschen; toeslaan in veiling). (out) nitslean; ultwisechen, doorhales; ontwerpen; sun 't lieht brengen. (up) sluiten (rein' koop); rcerrn (de tram); aanbeften, °mein, —e, v, n slays; stooten; he viag atrijken; straits; schieten; het week stakes. — to the heart, ter harte gaan, (against) aandruischen tegen. (at) clean scar; aenteeten; ondernernen. (in into) hinuenetormen; nitloope.n op; in do rede vallen. (in with; he partij kiezen van; bet eene zijn met. (on) werken op. (out) uitslaan; Aidwa!en, swerves. (up) operelen. (upon) stooten op; aangrtipen; aantreffen. —cc, s. etrijker; stooter; treffer. —in y, a. —ingly, ad. treffend; verressend. —ingness, a. (bet) treffende, ve.rressende. seising )string'), s. band, koord, saner; Nee ; vezel; sneer; reeks. —beard, trarwang. —halt, hanes ► at. —instrument, enaarspeeltuig. Siring (string') [strung v. a. besnarent ass spannen; stemmm versteI ken. —ent (strtn'dzjent), a. sementrekkend; krachtic, naerukketijk. y, vezeligheid. —y, a. ver,elig• Strip (strip), a. strookje, reepje. —, v. a. afscroopen; athalen; ontblooten; uitkleedent plunderer; (of) berooven, ontdoen van. (off) nittrekken. Stripe (etrajp'), a. streep; strook; slag; striern. — v. a. strepen; striemen. —cl, a. gestreept. Strip ling (strip'lieng), s. opgeschoten bossy

410 Betwixt blear, by. contestable, Caputable. —baarheid, v. contestableness. —en, ov. w. to context, to dispute, to litigate. --er, m. disputer, antagonist. v. contestation, disputation. Ben, by. tired —,'Irk of. Mengel, tn. iron hoop. — ring, bow. crampiron; stirrup; spring, clasp. dat ken niet door den —, that cannot be excused, —Mach, springpurse. —en, 03. W. to bowl. Bank, tn. beech. —ebqom, beech-tree. —enbocels, beech-grove. —enhout„ beech-wood. Bank elenr, m. buckler, shield. —en, on. w. to mail; to lick, to drub. —tamer, mallet, sledgehammer. —er, in. beater. --kg, v. mailing; licking, drubbing. Beni, m. hangmen, executioner; torwrentor, tyrant. —sknecht, assietsnt-executioner. —ewerk, hangman's work. —acktig, be. cruel, bayberous. —en, on. w. to drudge, to toil. -Fa, v. hangman's wife; tormentrees, tyrannese, "Reuling, v. pudding, sausage; bungler,s1mpieton. Benisehnp, o. hangman'. office. Henn, v. fish-trunk; garret. —haat, interloper, spoil-trade, unlicensed : broker. —haven, on. w, to interlope, to follow a trade without being licensed. Beurder, In. lifter; receiver. —en, oe. w. to lift (up); to receive. —ing, v. lifting; rezetpt. illeuwei, v. purse; stipend; exchange. oP de —, on change. nose cte — gaan, to go on change. —deg, exchange-day. —draper, --header, purser, tree, seer. exchange-bell. —knecht, exc 'rangekeeper. —prtis, exchange-price. —reglentent, exchange-regulatiova. —spel, speculation, stockjobbing. —tejd, —uur„ time (hour) of exchange. —.eke., exchwege-business. Beursch, be. mellow, half-rotten. —held, v. mellowneas. Resort, v. turn. aan de— liggen, to be ovens turn, to be In torn. to — 'cane, to fall to one's share. ons bij —en, by turns. — gesang. alternate song. —man, —*chip, large, packet•boet. schip• per, barge-man. —wisseling, alternation, rotation. —clings, bee. alternately. —eisngeeh, bv. alternate. illenrzen maker, in. purse-maker. —snider, m. cut-purse, pick-pocket. Benzel nor., m. —aarster„ v. trifler, tier. —achtiff, be. & law, telling (Ay), frivolous HP, whittling. —achtigkeid, v, triflingnese, frivoloueness. —arij, v. fiddle-faddle, trifle. —en, on. we to trifle, to idle. —kraam.,toy-shop. —kennice, try-man, hawker, pedlar. —proof, —tail, noreenee, idle chat. —week, trifling work. —Sag, v. trifle, bees, ble. Bevanrbitnr, be. navigable. —held, v. navigablenem "Revell en, on, W. to be brought to bed, to be delivered; to please. v delivery. illevaidlOg, by & hw, charming (-lye, pleasing (-ly), pretty (-ily), graceful (-Iy). —held, v.cherengracetulneme. —.Wen, v. ma. champ, Kratee. Bevang on, or. w. to overwhelm, to seize, to overtake. Iievetercen, ov. w. to nevigate; to work(een
319 Unconsidered (un-kun-sid'urd) ,ft onbeechouwa, Uselinet.(nn-kilnta)'), v. a. openen (de vufat). ouoveriegd. Unclipped (un-klipt'), a. ongeanoeld. Unconstitutional (nn-Iron-sti-tjoe'ejun e1), a. Unclog (un- klog'), v. a. ontlaitten, bevrijden. —ly, ad, etrbdig met de etaateregeling Unclose (un-klooe), v. a. openen, ontaluiton. Uncon strain/Ibis (un-kun-striten'Ibl), a. onUnclothe (an-klootle), v. a. ontkleeden. bedwingbaar. —strained ( etreend'), n.—strarnedly Unelhentd (nn-klaud'), v. a. ophelderen. —.ed. —y, s, onbewolktheld. (-atreen'id .),ad.ougedwongen.—etraist (atreenti, a. onbewolkt, helder. Um:locked (un-koltt'), a. onopgetoomd; islet ge- a. ongedwongenheid. —named (-ajoentd"). a. on'teetered. —summate (-eum'met), a. onvolbracht. apannen. —teminated (-temn-nee•tid), a. onbezoedeld. Uncofflued (un-kortInd), a. Louder doodkiat. Unroll (un-koje), a. a. van de muts ontdoen. —temved(-temd!),couveracht. —teneed(-tend'id), —tested (-teet'id), a. onbetwi at. —ttadieted (-kon—ed ( kojtV), a. zonder mute. tee -1tItt'ld), a. niet tegengesproken —trite (-Yon% v. a. loswlkkelen, -winden. Uncolf Uncesined (un-kojnd'), a. ongemunt. traj'), a. onboetvaardig. —trollable (-trool'ibl), Uncollected (un-ttol-lekt'id), a. islet verzameld, a. onbedwingbaar; onweerstaanbaar; onwederWet geind; Wet beiaard. legbaar. —trolled (-troold"), a. onbedwongent onwederlegd. —troverted (-kon'tro-vnrt-id), a. onUncoloimd (un-kut'urd), a. ongekleut d. Uncom bed (un-koomd') a. ongekamd. —biped betwixt. —versant ( -kon'7ura-ent), a. (its. with) (-kum-bajner), a. ntet verbonden. Wet seamen in, niet vertrouwd met. —verted Uncover/lel 'newt (un-ktun'11-neee), a. onbevallig- (-vortld), a onbekeerd. —victed (-vikVid), — reseed hetd. —y, a. onbevallig. -vinat'), a. ntet oveetulgd. Uncomforta ble (un-kum'furt-ibl), a. —bly, Uozord (un- kord'), v. a. loemaken. ad . ongemakkeltilt; onaangenaam; troostelooe Uncork (un-kork'), v. a. ontkurken. —blows*, a. oneangenaamheid; trooateloosheid. Uncor reefed (un-kur-rekt'id), e. onverbeterd. Uncom mandrel (un-kum-rnaand'Id), a. Inlet —rupted (-rupVid), a. onvervataeht,onbedorven. bevolen. —mendable (-mendl.b1), a. ntet prijzens- Uncount able (un- kaaunt'ibl), a. ontelbaar. waardig. —mended (-mendlet), a. ongeprezen. —erfeit (-ur-fit), a. Met nsgemaakt. —missioned (-miertind), a. van geene larageving Uncoople(un-kup'pl), v. a. loskoppeten. Uncourteous (un-kuetj-us, -koortlua), a. —ly, voorzien. Uncommon (nn-kom'mun), A. --ty, ad. onge- ad. onbeieefd, onwellevend. — noes, a. onbeleefdongewoonhetd, zeld- held. meen, ongewoon. Uncourt liness (uu-ko ort'llAtesa), a. onhoffelijkzoom held. Uncorn numb, Uwe (un-knm-mjoe'nt-ke-tiv), held, lompheid.—ly, onhoffelijk, lamp. a. onapraakzaamotehterkoudend. —velled(-geld'), Uncouth (un-koethl, a. —op, ad. zonderling; row, lamp. —near, a. eonderlinghetd; ruwheid, a. Diet gedwongen. —pensated (-pen'see-tid), a. lompheid. (-pleen'teag), onvergoed, onbeloond. (-pla)'ieng), a. niet Uncover (un-kuv'ur), v. a. ontblooteu. a. Diet klagend. ineehlkkelijk. —pounded (-pasundld), a. ntet Uncrente (un-kri-eet,') v. o. vernletigen. —d, a. ongesehapen. eamengesteld. Usecon celted (un-kun-ziet'id), a. nlet verwartnd, Uncredltable (an-kred'i-tibl), A. onvermaard, (-eurn'), a. onvereehtllig- Diet vereerend. —.eos i n. onvermaardheid. — ingebeeld. Uncropped (un kropt"), a. ongeooget. heid. —eerned (-eurnd'), a. —eernedly ad. on.versehtIlig (about. at. for). —meted (-koktgld), Uncrossed (un-kroat'), a. zonder kettle, Met doorgehaald, niet gedwareboornd. a. onverteerd; onbekookt. —donned (•demdl, a onveroordeeld. —ditiosal, a —ditionatilhad.(-dinr- Uncrowded (un-krandld), a. niet gedrongen. un-el ), onvoorwaardelijk. —leased (-feat'), a. Uncrown (us-krasun'), v. a. van de kroon bertha bekend, niet gebteeht; sonder bieeht. moven. —fined (-Iejnd') a. onbeperkt. —firmed n -f,rnurt, Unct ion (ungk'sjun). a. salving; balsam: a. onbeyeetigd. —formable (-formlb1), a. onge—ussity (-00e-05'U-till), —women (-t)oe-us-) R. zalfachtigheid, Yettigheld, —sous (.t.; oe-us) a. lijkvormig. —fortuity (-form-it-tih), s. onge- itikvormighetd. —fused (-fjoezd'), a. —fusedly zalfaehtig, amerig, vet. bebouw(..fjoe'sitt-), ad. ntet verward, dutdelijk. —futabte Uncultiva bite (urn-kurti-vib1), a. boar. —ted (-see. ttd), a. onbebouwd, cub whited. (-fjoe-tibl ), a. onwederlegbaar. —pealed 1-dzjield'), a. ongeetold, onbevroreu. —neeted (-nekt'id), a. Unctunbered (un-kum'burd), a. nnbezwaard, on belemmerd. onverhonden. Unconquer able (un-kong'kur-ibl), a. —ably, Uncurb (un-kurb . ), v. a. van den klnketting out. ad . onverwinnelijk. —ed(-kurdhconoverwonnen. doen; bevtijden. —ed (-karbd'), a. ongetemd; Unconsclona ble (un-kon'a)un-ibl), a. —bly, toomeloon. ad. onredelijk; l'uitenaporlg; gewetenlooa; out- Uncured (un-kjoerd'), e.ongenezen; enverholpen. saggelek. —Glenne, a. onredelijkheld; buiten- Uncurl (un-kurP), v. a. & n. (doh) ontkrullen, sporigheld; gewetenloosheld. Uncur rent (unkur'rent), a. ongangbaue. —tailed verminde ed. Unconneloue (un-kon'ejus), a. —1y, ad. cube- (teeld), a. Wet Yerkort, wunt, onkundlg (of). —wets, s. onbewuatheid, Uncoistomary (un-kuet'um-e-rib), a ongewoon. ongebrulkelkik. onkundlgheid. Unconsecrated (un-kon'se-kree-tid), a. onge- Uncut (un'kut), a. ongesneden, ona - ngleneden. Undamaged (un-dem'idajd), a, onbes,hadtgd. wijd, oningewf(jd.
C1111.—C111Circin ► te (eur'si-nee)), v. a, runden; in cen' Chubbed (tejulfbid), a. dikwangig; plomp. cirkel afmeten. Chubby (tsjub'bils), a. Zie Chubbed. cirkel, omtrek, kriug, gentChuck (t)juk), s. geklok; tikje; stunt. my—, niijn Cirkie (surikl), :chap. —, v. R. ornringen, insluiten; v. n. roadliefje. —farthing, kuiltjesspel. —, v. a. lokken; loopen, omheeng,aan. —d, a. cirkelvormig. —t pitreelen; stnoten; smitten; v. u, klokkeir. Isur'kirt), a. cirkeltje; ring. Chuckle (tsjolekt), v. a. lokken, liefkoozen; v. n. circuit isuekit), a. omtrek; omloop; inhoud aeon schatercrid inch.; inwenitig !adieu. cirkels; umweg; rechtagebied. —, v. a. & n. roodChuff (tmjun, 8. Hoer, lomperd. —y, a. lamp; (aur-kjoe is'sjun), a. rondgang, omioopen. norisch. loop. —aus (air.kjoe'i•tum), a. omloopend; wijdChum (tsjun ► ), a. kamergenoot. Chump (t sjutnp), 8. zwaar st uk hour; bonk, tromp. loopig. —ous road, omweg. Circular Isur'kjoe-!er), a. cirkelrond; rondgaand„ Chunk (t•ju.,10, s. 'Lie Chomp. Church (tajurtaj'), s kerk — is ace, In kerk is kringswijn. --btaircase, wenteltrap. —, a. eireua. cirkelvormiglaire. —ity nit. —ale, kerkinwiidiii ,48feest. — authority, kerk- heid. —1y, ad. kringswitize. gezag. —book, kerktiock. —law. kerkelijke wet. —man, geestelijke. —plate, kerkzilver. —prefer- Circulat a isur'kjoe-leeth v. a. in omloop brenment, kerkeiijk arribt. — warden, kerk meester. gen; v. n. in omloop zkin. —ing library, leesbibliot ► eek. —ion I-lee'sjunt, a. omloop. —ory, a. am—yard. kerkhof. ioopend. —ory t-le-tut-rib), a. omloopvat. Church (tajortoj'). v. a. voor eerie kraatnvrouw danken. she ma churched, zij hee ft haren kerkgang Circuanam blency (sur-kum-em'bjen•stb). s. omgeving. —bient, a. omgevend. —bulate (-bjoegedaan. —lay, 8. kerkgaeg. leer), v. n. rondgaan. Churl (tsjurl'), a. lomperd: web, —ink, a. —ishly, Rd. row, onbeschott; vrekkig. —ishness, a. onbe- Circumcis a (sur'kum-sajz)., v. a. besuijden. —er, a be.nijder. —ion (-siezjun), a. beanijdents. schoftheid; vrekkigheid. Circ....feren ce (sir•kumlur-ens), s. omtrek. (Opine), a. barn. v. a. —staff Churn —tor lour- kum-fe-ren'tur), a. hoekmeter. karnen; schudden. Circuit) Heel (sur'kum-tlekt), —Pex, v. a. met Churrworm (tajur'worm), a. veldkrekel. a. het omgebogen toonteeken voorziett. Chyl a (kajl'), a. chiji, voedingsap. —ifaction (kil- omgebomen; a. omgehogen toonteeken. i•tek'iljun), a. chip/flaking. —Qua, a. uit chijl Cfrcunr,flueu ce (sir-kunilloe ens), a. ornvioetbest/made. ing. —t, a. onavloeiend. Ciborium. (si-bee'ri-vs), a. tot voedoel Circuniforancous (sur-kum•fo-ree'ni-us), a. rend; eethuar. onizwervend. Clbol (sitful). a. biealook; kleine niensoort. Cicatri ce (sik'e-trig), 8. litteeken. —.alien (-tri. Clecusialluis a (sur-kum-fjoeel, v. a rondgieten; verspreideu. —ion (-tjoe'zjun), s. rondgieting; ver. zee'sjun), a. wondheeling, (het) dichtgaan eener spreiding. world. (sik'e-trajz), v. a. heeleu; v. n. Clre.nagyration (sur-kum-dzji-ree'sjun), s. umgams. a. kervelkruid. draaiing. Cicely Clenrs. to (sik'joe-reet), v. a. ternmen. —lion Circunklacent(sur-kum•dzjee'sent),a.omliggend. Circumlocut ion isor•kum-lo-kjoe'ajunt, a. (-ree'sjun), s. temming. omschrijving. —ory (-lok'joe-tur-rih),s, omschrij(xi kjoe'te), a. doile kervel. Cider (sardur), a. appeldrank. —kin, a. geringe vend. Circumnaviga ble faur-kum-nevl-gibil, a. omsoon; urn apoeldrank vaarbaar. —te, v. a. omvaren. —lion (-gee'ajun), Cigar (ai-gaar'), a. Biguar. —box, sigarcnkoker, a. omvaring. —tor, s. omvaarder, °runner. Ingarenkistje. Ciliary (sil'je-rih), a. tot de oogleden behoo- Circumpolar (our-kum-po'ler), a. urn de pool • been liggend. rend. Circumrotat ion tour-kum-ro-ree'sjun), crondCilicioubr (si-lis'sjus), a. van haar gemaakt. omdraaiing. —ory (-ro'te-ter-rili), a. randomCimeter (aim'i-tur), a. turkache sabel. draaiend. Cimmerian (sim.mi'ri en), a zeer duister. Circuit". scribe (sur-kum-skrajbl, v. a. omschrijCincture (sink'tjoer), a. gordel, band; lijat. vent. beperken. —scription (..skrip'sjou), a. omCinder (sin'dur), 8. !lintel• —wench, —woman, schrijving; beperking; omschrift; grens. —scripaschophkalster. a. omschrijvend; beperkend. tiro Cinerary (sin e're-rib), a. aschachtig. Circumspect (aur'kum-spektl, a. — ly, ad, umCinereous (81-nPri-us), a. aachgrauw. zichtig. —ion (-spek'sjun), —ness, e, omzichtigClnerltlous (sin-e•ris'sjus), a. Rachachtig. herd. —ire l-spek'tiv), a. —ively, ad. omzichtig. Cingle (sing'g1), s. riem; singer (van eeu paard). Clrcumstan ce (sur'kum-stenti), omstandigCinnabar (ain'ne-ber), a. vermiljoen, heid; toeval. —Ted, a. geateld; uitvoerig. —t, a. Cinnamon (sin'ne-men), a. kaneel. omstaand. —tint (-sten'jel), a. —tially, ad. Cinquefoil (sink'foji), a. vigvingerkruid. uitvoerig; toevallig. --bate (-sten'aji-eet), v. a. Cinqueports (aink'paorte), a. (de) vijf havens uitvoerig bemehrnven. Cion (aarun), a. loot. Cipher (sayfur), s. cijfer; mil; letter; cij ferschrift; j Ci rcumvallat ion (sur-kum-vel-lee'sjun), s. onieleutel tot cljferschrift. —, v. a. in cijferachrittI walling. echrijven; v. n. ctiferen, rekenen. —ing, a, eij- Cirrumvection (sur-kurn.vek'sjun), ' voering. forkunst.
E IN it. —E Enravish (en-rev'isj), v. a. verrukkeu. —meet, Enthrone (en-thmone), v. a. op een' troon zetten. s. verrukking. Enregleter (en red'zjis-tur), v. a. inschrijven; Enthuslas m (en-thioe'zi-ezm), s. geestdrift. inboeken. —t (-est), s. ilveraar; geestdrijver. —tic, —tical, Enrich (en-titan, v. a. verrijken; vruchtbaar (-wank.), a. ijverend, hartstochtelijk; geestdrij , vend. maken. —er, s. verrijker. —menu, a. verrijking. Entic e (en.tajs'), v. a. verlokken,verleideia; aanEnridge (en-ridzr), v. a. met voren maken. trekkers. —ement, s. verleiding; aasloksel. —er, Enripen (en-raj'pn), v. a. rijp maken. s. verleider. —ingly, ad. verleidelijk. Enrobe (en-rook'), v. a. kleeden; tooien. Enroll (en-rcol'), v. a. inschrijven; sanwerven; Entire (en-tajr'), a. geheel, volkomen; oprecht; inrollen. — one's self a soldier, diesst nemen. getrouw. —1y, a. geheel. —nese, s. geheelbeid; —er, s. inschrijeer; werver. —ment, s. inschrij- rechtschapenheid. —ty, s. geheelheid; volkoEmenheid. —horse, s. henget. ving; aanwerving; register; rol. ntitative (eneti-te-tiv), a. op zich self beEnroot (en-roet'), v. a. doers wortelen. Ensanguine (en-seng'gwin), v. a. met bloed schouwd. Entitle (en-taj'tl), v. a. betitelen; benoemen; besmeren. Enschedulc (en-skedejoel), v.' a. iu eene reel gerechtigd maken. Entity (en'tit-tih), s. zijn; wezen; aanwezen. inlasechen. Ensconce (en-skone"), v. a. omsehansen; be- E \natnogieln. (en-tojle), v. a. omstrikken, in een' strik schutten. n,tgonva il4 (. en-toem'), v. a. begraven. —meet, s. E bra Ensearn (en-sierra'), v. a. cosines, omzoomen. Ensear (en-stern, v. a. dichtschroeien. Entomolog 1st (en-to-mol'ud-zjist), insectenEnshield (en-sjield'), v, a. beschermen. l E Enshrine (en- sjrajn"), v. a. zorgv uldi g (ale lets ntetnrnaeirl..—( !e/n(,-,zrjeitz)), , iinnegeec,teannkduennd. e. heilige) bewaren. ey't intrede; toegang; Enshroud (en-sjraude), v. a. in een lijkkleed Ebnetgrin.ance(nen —money, e-geld. hullers. Entrance (en-traans'), v. a. verrukken. Ensiform (en'si form), a. zwnardvormig. Ensign (en'sajn), s. vaandel; vaandrig; onder- Entrap (en-trep'), v. a. vangen. scheidingeteeken. —bearer, vaandeldrager. --cif Entreat (en-triet'), v. a. bidden, smeeken; v. n. • een verzoek aanbieden. —er, s. bidder, emee(en'sin•sih), s. vaandrigcehap. Enslave (en-sleeve), v. a. tot slavernij brengen. ker. —ingly, ad. —ite, a. biddend, emeekend. —meet, s. verslaving; clavernij. —r, s. nor- E;ter, tde., (sareerkeininge..,), s. tueschengerecht. drukker. Ensnare (en sneer'), v. a. verstrikken, ver- Entrepot (an-tre-po'), s. goederen-magazijn. Entry (en'trih), s. ingang; intocht; backing; sehalken. Ensnarl (en-sonar!'), v. a. [very arren, In ver- aangifte. Enuclea te (e-njoe'kli-eet), v. a. ontwarren. legenheid brengen. —tion (-ee'sjuu), 8. ontwarring. Ensue (en-s)oe'), v. a. volgen, vervolgen; v. n. E,numera te (e-njoe , mur-eet), v. a. optellen. volgen, voortvloeien. (-ee'sjun), a. optelling. —tire, a. oplettend. Ensure. etc. Zip Insure, etc. Entablature (en-tebele-tjoer), s. zeiltop; dek- Enuncia te (e-nun'sji-eet), v. a. verklaren; uiten; aankondigen. —tion (-ee'sjun), s. verklaring; mestuk; rollaag. Entail (en-teen, s. vastgezet (onvervreemdbaar) dedeeling; uitdrukking, voordracht. —tire, a. erfeoed; ingelegd werk, snijwerk. —, v. a. be- —tively, ad. (-e-tiv-), te kennen gevend. —tory palingen maken omtrent den overgang van een (-e-tur-). a. uitend, verklarend. erfgoed; inleggen, insnijden; opleggen (on upon). Envelop (en-vel'up), s. omslag, oinkleeding. —, v. a. ontwikkelen, inwikkelen. —went, s. inwikEntnme (en-teem'), v. a. tenamen. Entangle, ten-teng'g1), v. a. verwarren; inwik- keling; verwikkeling. kelen; in verlegenheid brengen. —ment, s. ver- Eavelope (an-ve-loop', en'veloop), s. brietomwikkeling; verwnrring; kwelling. —r, a. ver- slag; omkleedscl. Envenom (en-ven'um), v. a. vergiftigen; verbitetrikker. teren. Enter (en'tur), v. A. intreden, inkomen; Ran- geven; inboeken; inwijden; v. n. binnenkomeu; Envi able (enevi-ibl), a. benijdenswaardig. —er, s. benijder. —ou8, a.—ouay, ad.nijdig,afgunatig. (into) treden in; (upon) beginnen, aanvaarden. —ing P. ingang; begin; —ladder, staatsie-trap. Environ (en-vaj'run), v. a. omringen. —a, (enEnter° cele (en-tereo-siel), s. liesbreuk. —logy vaj'runz, enevi-ronz), s. omstreken. (-tur-ol'ud-zjih), s. beschrijving der ingewan- Envoy (en'voj), s. afgevaardigde, gez-ant. Envy (enevih), s. nijd, wangunst. —,v. a. benijden. den. omsluiten. Enterprise (en'tur-prejz), s. onderneming. V. a. ondernemen. ondernemer• s. epacta. Entertain (en-tur-teen'), v. a. onderhouden; ver- Epact a. onderhcuEpaulement (e-paorment), s. borstwering. —er, oaken; onthalen; koesteren. der; onthaler. —ing, a. —ingly, Rd. onderhou- Epaulet (ep'ao-lit), a. epaulet. dend, vermakelijk. —meat, a. onderhoud; ont- Ephenser a (e-fem'e-re), s. tindaagsche koorts; haft. - al, —ic, a. tendaagsch; kortstondig. —an, bss1; vermakelijkheid.
scald-head. —sell, malts-sail. —add, principal paneling. —deel, chapter. —deken, chief heat, residence, —sonde, mortal sin. — zwarigheid , dean. —deksel, hat, cap, covering for the head. principal difficulty. —sweer, ulcer ia (on) the head. —denkbeeld, principal (leading) idea. —deugd, —eneinde, head. cardinal wine. —deur, principal door. —doek, lUk, bv. & bw. a head, one by one. handkerchief for the head. —doel, principal aim, —boos, bv. neadleaa, anephalous. main object. —draaiinp, —duiseling, giddiness. bv. heady, headstrong. —heid, v. headchief —gaarder, principal quality. —eigenschap, headetrongnesa, obatinacy. iness, tax-gatherer. —gala, first galley. —gang, pria Ines& cipal passage. —gat, opening for the head. —ge- Illoofech. bv. courtly, court-. —fteid,r /maw, principal (chief) building. —gebrek, chief Hemp, bv. high, lolly, tall; greet; eminent, sublime, supreme. het sa — day, it is broad day. fault, capital defect.. —geld, poll-tax, capitation, it is high time. dat it imij to —, that —pesehil, het is — tad, principal dish. head-money. —gerecht, is above say reach. —, bw. high (-Iy). loftily. principal dispute. —petal, cardinal number. —aanzien10, highly respectable, illustrious. —gracht, principal Canal. —grand, principal rea—aclitbaar, highly respectable; most worshipful, son, — argument. —haat., hair (of the bead). —Ara— venerable. —achten, to esteem. —aeliting, eseel, head-dress, -gear. —ingang, principal enteam, regard, respect. —adelltk, very noble. —be. trance. —ingeland, chief landholder. —inhoad. jaard, very old, aged. —bejaardheid, advanced summary, chief contents. —kaao, brain-pudding, (old) age. —beroestd, highly renowned, illustrious. saveloy. —4antoor, head office. —kerk, cathedral. —beroenidheiel, great renown. —blauw, deep blue. —ketter, hereaiarch. —kleed, kerchief. —kleur, —boordig, with high boards, of neveral decks, principal color. —klier, cephalic gland. —baleen, prin. —leen, large. —bootsinan, upper boatswain. — bootsniane. head-quarters. —kwartier, pillow. mast, upper-boatawain's mate. —boratip, highdigit fief. —leer, main doctrine. —letter, capital, breasted; haughty, proud --brutn, dark brown. inia lel. —man, captain, chieftain, chief; deacon, —day, festival, holy-day. —deavend, high-flown, head-man; — over honderd, centurion. —manacbap, bombastic. —dravertdheid,bonibast,fustian.-- drincaptainship; deaconship, offite of, a head-mein. yend, very urgent. —edel, right honorable.—cdel—mart, main-mast. hiKb-mass. —miadarid, geboren, —edelyestreny, right honorable. —eeraapital crime. —officier, high offiaer, field-officer. waard, most reverend —gaande, ascending high; —onderwijser, head-master. —oogmerk, principal crying, enormous. —peach', much esteemed. —ge aim. —oorzaak, principal (main) cause. —yacht, boren, noble, right honorable. —yeducht, formigeneral farm. —packer, former general. --pan, dable . —geel,deep yeilow.—geleerd, very lea rned. skull. —pellet:in, principal person, chief, leader. —geleerdheid, deep learning —yerechtshof„ high —peuluw, bolate, —pi,* head-ache. —plau.tes court of Justice. —gewelfd, high arched. —peony, chief place. capital. —poeier, cephalic powder. chief (royal) authority. — gesaghebber, sovereign; —poort, principal gate, front-gate. —punt, main commander in chief —gezind, high -minded. point. —rod, principal wheel. —reciter, chief jus—groen, deep-green. —kartig, haughty, proud. tice. —repel, general rule. —register, index.—rot, dan—hartigheid, haughtiness, pride. —heemraad, chief —.chillers, principal part. —scheel, scalp. dike-reeve. —land, highland. —Zander, highlander. druff. —.hotel, principal dish_ centre dish. —landsch. highland. —leeraar, professor; —sambt, —schout, sheriff, chief bailiff. —Reload, principal professorship. —lied, canticles. —/affetkik, very debt. —sieraad, —eiersel, head-dress, head-gear; laudable. —toopers, cogged dice. —rnts, high principal ornament; vorstelijk —,diadem.—sleutel, mass. —moed, pride. —moedig. by. & bw. proud capital, prin—som, master-key. —elude, Yell ( ly). —moedigheid, high-mindedness, pride. cipal; total. —spit, principal spindle. —glad, cap—mogend, high and mighty; Amine .-moyen4en, ital, metropolia. —etel, head-stall. —stelling, their high-migb Unease, —mogendheid, highprincipal thee's, main point. —slof, element. mightiness. —noodig , highly necessary, urgent. —stoffeliak, elemental, —straat, principal street. —rug, hunch-bock. —ruycip, hunch-backe , principal study. —etudie. cardinal point. —at reek, rouuti-shouldered. —stainnaig, high.gi own. --zta—stub, chapter; main point. —tooisel, head-drene. fig, bv. & bw. pompous (-ly). --tied, feast, fes -tire. —loon, key-note. —touccen, main-shrouds. tival; holy-day; communion. —verraad, high —treffen, decision engagement, pitched battle, treason. —vliegend, soaring, high; high-flown. general fight. —trek, principal trait, leading —vlieger, high-flier. —vidarde, right reverend. feature. —trekker, forceps. —yak, principal purwaardiy, by. 84 bw. eminent (-ly) del —e, the salt, chief department. —verband, bandage for consecrated wafer. —waardiphfid, eminence. the head; main connexion. —r(jand, principal —water, high-water. Jiving-tide ---welgebores, enemy. —vleesch, marinade, pickled inirica-meat, right honorable. —wichtig, moat important, of patted-head. --vloed„ fluxion in the head; pringreat weight. —wichtigheid great importance. cipal river. —vonnis, sir Eltredy (mole. —wackt, main guard; main guard-house. —loal, principal Ilootellkik, bar. highly,greatly,extreme:y, very much. rampart. —water, cephalic water. —ioaterzucht, dropsy in the head, lredrocephalnei. —teerk, chief Ho omen, ov. Iv. to heighten; to outbid. principal work; head-work. -Tana, Illoogcpriester, rn. high•prieet, pontiff. —l(fle, by. & bw. pontifical (-ly) —schap, o. pontificate. point. —wond, wound in the cardinal wind, head. —worm, heat•worm. —wrong head-roll; Hoogarband, v. right hand, wall-side- precedency. ran —, from authority; from Heaven, terban; diadem; wreath. --soak, principal matter, from God, main point; chief care. —see, main (sea). —seer
6enlettergrepig. —ble a. woord (mo-relit-tih), e. zedelijkheid; zedenleer. —ice, van One lettergreep. ( Rig), a. a. eene zedeles trekken nit ; v. n. zedenMosiolheisru (mon'o-thi-izin), a. geloof aan I lessen geven, —iser 1-a.;z-ur), s. zedenpreeker. Adnen Sod. (-elz), pl. zeden; zedelijkheid, xedenkunde. Monoton outs (mo-not'un-nus), a. eentoonig. Morass (mo-rena'), a. moeras. --y, a. moerasnig. —y, s. eentoonigheid. ;Nor bid (mor'bid), a. —ly, ad. ziekelijk. —ness, Monsieur (mon-sjoer', mon'sier), a. Monsieur; n. ziekelijkheid. Franaohman. Mork ;tic (mur. —ifical, a. ztekteveroorMonsoon (mun-noen'). s. passaatwind. zakend. —Mous 1-bielus), R. MaZeIRChtig. —use Monster (mon'atur), a. monster, gedrocht. ; (-boos . ), a, ongesteld, ziekelijk. —osity (bos'itMonstrosity (mun.stros'it-tili), s. noonsteraeb- tih), s. ziekelijkheid. gedroehtelijkheid. Mordaci one (mur-dee'sjus), R. b)jtend, schen,. Iilonatroca (mon'Attus), a. —ty, ad. mounter- --ty bijtendheid, seherpte. achtig, gedrnchtelijt, afgrljaelijk. —ness, e. Zie Mord ant (mor'deat), a. hijtend; s. bijtmiddel. rdottatroalty. —icant (-di-kent). S. bijtend, acl;erp. —ication Montanic rt. van de beaten. (-di kee'sjun), s. b'gting, invreting. Montant (mont'ent), s. halve mean; (bet) your- More (moor), a, & ad,. nicer, meerder. once —, nitdringen. nag pens. some (any) —; nog thee, — and —, hoe Montero Imun.tero), s. rtlpet, -mots. "anger hoe meer. the —... the —..., hoe sneer... Monteth Imon'teth, s. spoeivat. des to nicer—. ea march the —. den to meer. no —, Month (month'), R. maand. vurig vernit itanger. never nooit weer. s. grouter large!, —ly, a. msandelijksch ; ad. maandelijks. bedrag; hoogere grand; heuvel. Monument (mon-joe- meet), a. gedenkteekan ; Noreen (mo-rien'), a. moird. gedenkstuk. (-maned% R. gedenk-, graf-. Morel Imo-reP), s. nachtneha de; morel. —berry, —ally (-ment'el-), ad. ale aandenken, ter ge- , —cherry, jodenkers, kriek. daehtenis. More land (moorlendi, a. bergaehtig land. —over Moo (moe , v. n. loeien, spotters. (-o'vur), ad. daarenboven, bovendien. Mood (moefl'), a. aard, wijze, trent; stemming; Maresqne mo-resin, a. nnoorsell, drift. —iness (-i-ne-so), s. gemelijkheid. —ily, ad. Morganatic (mor-ge-neelk), a. morganatiseh. —y. a. gemelijk; treurig. Morigerous (mo-rid'zjur-us), a. gehoorzaam, Moon (moen'), a. mann; maand. man- onderdanig. strata. —calf, wansehagen vru eht; lnmmal. —.eyed, Morton (mo'ri-on), a. stormhoed, helm. bilziende. —fern, maankr,id. —fish, spiegelviseh. Morisco (mo.ris'ko), s. moorsche dons; moorsche —light, maanlicht. —reed, maankraid. — shine, teal. manenehijn;beuzeling,—struek,maanziek.—trefoil, Morkin (•or'kin), a. gestorven wild. maanklever. —wort, zilverblad. —jolt, a. veran- Morliog (mor'lieng), s. steriwol; doode wol. derlijk. —lees, a. zonder mean. —tiny, a. sal, Mormon Imor'mun), s, Mormoon. stoffel. —Y, a. met erne mass ; maanvormig ; Morn Imorn!, a. ochtend, oebtendstond. besehonken. Morning (morn'leng), s. ochtend, morgenstond. Moor (moer'); a moeras, yarn; Moor. —cock, kor- —gown, ochtendjapon. —prayer, morgesgebed. ham —coat, moerkool. —game, moeranvogeln. —print,oehtendblad.—atar,morgender.—twilight. —hen,korhoen. —land, moera , ,veenland.—'s-head, ochte.ndschemering. moorenkep. —stone, tizernteen. —ish, a. moeras- Morocco (mo-rok'ko), a. marolkijn. gig; moorsch. a. moerassig. Morose (rno-roos'), a. —ly, ad. gemelijk, knot• Moor (moer'), v. a. meeren, vastleggen: vertuien; rig. —ness, a. gemelijkheid, knoreigheid. v. n. ten anker komen. — across under sail, al Morphew (inorlioe), a. dauwworm.

Kun je geld op te nemen uit een Bitcoin ATM


UN II. 323 Ungreeeful (an-greesloel), a. —ly, ad. cz6eval1ig. —seas, a. onbevalligheid. Ungracious (un-gree'sjus), a. — ly, ad. Wunsch, hatettjk; onaangsnaam; goddeloos. —nets, a. onheusrhheld; onaangenaamheid. Ungrafted (un•graafr ► d), a. ongetnt. Ungrammatical (un-grem-merikl), u. —1y, ad. strtjdig met de regeIe der rpraitkunat. Ungranied (un-graant'id), a. stet toegeetaala. Ungrateful (un-,ree r,oel), a. --ly, ad. ondaukboar; onaangea ,-. (to). —nese, e. ondankbaarheld; onaan4.- neamheid. Ungratla (un -greri-fajd), a. olbevredigd. Ungret.. (un-geries 1 ), v. a. van vet ?Outsell. Ung, vl -Aded (nn-graaund'id), a. ongegrond. Us (un grudzfleny), a. —ly, ad. gewiAig, sunder znorren. Unguarded (un-saard'Id), a. onbewaakt, onbeschermd; onbedsehtzaam. Unguent jung'gwent), a. fall. —eus (-gwenrua), a. zalfaehtig. Ungeeessed (un goat'), a. niet geraden,— gegist. Unguided (un-gaj'dtd), a. ongeletd. Unguilt Incas (uu-gini-nese), a. onszhuld. —y, a. onschuIdig Unhabit able (un-helei-tibi), a. ontewoonbaar, —sated (-he birjoe-ee tid), a. ongewend. Unpacked (un-hekr), a. ongehakt. Unhellow (un-hel'Io), v. a. ontheiligen. Unhand (un-bend'), v. a. loslaten. —inns, a. onhandigbeld. —led (-hen'old)„ a. onaiingerotrd. Unhandsome (un-hen'aurn), a. —1y, ad. onbeWHS. leelijk; onheuseh, onedel. —nese, a. onbeyallIgheld, leelijkheid; onbenachheid, onedelmoedi g held . Unhandy (un-hend'ih), a. onhandtg, linkach. Unhang (un-heng') v. a. utthangen, af. semen. .—ed ( - hellgd% R. ongehangen. Unhapp ily (un-herepil-Ith), ad. —y, a. ongelukkig. — tineii (-pi-nest), a. ongeluk. Unbar hoc (un-haarthur), v. a. storen, °pato°. ten. —bored (-burd), a. ontesehut, sender schuilpleats. —dened (-haard'nd), a. ongehard. —dy n, ongehard; vreentehtig, bedeesd. -.-med ( -ha armd'), a. ongedeerd. (-haartrefoel), a. onsehadelij•. —samosa (-her-mo'nt-us), a. onwelluidend. —sees, v. a. uttspannen; ontwapenen. Unfteep (us-haasp'), v. a, loshaken. Unhatched (un-hetajt'), a. ortuttgebroeid; verborgen. Unhazardsd (un-hez'ard-id), a. ongewaagd. Unbent able (an-hieribl), a. ongeneeelijk, onheeibaar. --ed (-Meld'), a. ongeheeid. Unhealtb Cul (un-helth'foel), —y, a. —fully, —ily, ad. orgezond. —fulness, —ineal (-1-nets), s. ongexondheid Unheard (un-hard'), a. — of. ongehoord. Unheated (un.lierld), a. niet aerhit. Unheed ed (un-hied'id), a. onopgemerkt, veronachtzaamd. fat, a. onopmerkzaam, onachtzaam. —ing, a. achteloos, zorgeloon. —y, a. enachtslam, onbezonnen; plotaelIng. Unhelp ed (un-helpt1 ), a, ongeholpen; huipeloos. —fat, a. onhnlpvaardig; slot batend. Unhesitating (un-hee'l-tee•tieog), a. —ly, ad. fonder *Melon, — drain, vast.
drtkparaten gelegd; dakpanvormig; uitgehold. —tion (-kee'sjun), s. dakpanvormige bedekk.ng; uithoiling. I mbr °RM. (im-broorjo), a. verwarring. Imbrown (im-braaun'), v. a. bruin maken; verduisteren. Imbrue (im-broe"), v. a. indoopen; weeken. Iraabrute (im-broet"), v. a. & n. verdierlijken. (im-bjoe'k, v. a. verven, doen doortrekken; 1 Mb doordringen, inprenten (with). motto ble (im'i-tibl), a. navolghaar. —bility(-tebil'it•tih), a. nevotgbaarbeid. —te (-teet), v. a. navolgen, nabootsen. —lion (-tee'sjun), a. navelging, nabootsing. —tire (•tee-tiv), a. navolgend; (of) nagebootat. —tor (-tee-tur), a. navolger, nabootser. ad. onbeImmaculate (im-mek'joe-let), a. vlekt. —netts, a. vlekkeloosheid. onameedbaar; onhaudelbaar. Intruanaele (im-men'ikI), v. boeien. Humane (tm-mean'), a. —ly, ad. monsterachtig. Imman epee (im'me-nens), a. inwr. ning. —ent, a. lnwonend, aanklevend. —ity (-men'it-tih), a. woeatheid, barbaarsehheid. Imeuartial (im-masesjel), a. onkrijgshaftig. Immask (im-maask'), v. a vermommen. 1 m atch able ( im-metsj'ibl), a. onvergelijkelijk. Immaterial (im-me-tt'ri-el), a. —/y. ad, onstoffelijk; onbelangrijk, onversehillig. —ity ( el'it-lib), —Ness, a. onstoffetijkheid; onbelangrijkheid. Immatur a (im-me•tjoeri, a. —ely, ad. onrijp; ontijdig. —emu, —ity, a. onrijpheid ;on t3j digheid. Immeasurft tile (im-meejoe-ribij, —bly, ad. onmeetbaar; onmetelijk. ImmeehanIcal (im-me-ken'ikl), a. onwerktuionwerktuigkundig. s. onmiddellijke 'moved' acy macht, zelfstandigheid. —ate, a. —ately, ad (-et.), onmiddellijk. —atenes (-et.), a. onmiddelltikheid. Immadlcable (im-med t-kibl), a. ongeneealijk. I m mem or able (-im-mem'ur-ribl), a. ongedenkwaardig. —ial, a. --Tally, ad. (-me-moil-el-), onheugeliik; Binds onheugelijke tijden. ad. onmetelijk. immens a (im-mens" ► , a. —ity, a. onmetelijkheid. —urability (-joe-re bill' it-tih), a. onmeetbaarbeid. —arable, a. —urably, ad. (-joe-ribl-), onrneetbaar. Immer ge (im-murdzy), —se (-murs'), v. a. in-, onderdompelen. —sed (-morsel, a. (in) verzonken, begraven. —sion (-mur'sjiin), s. indompeling; (het) verzonken zijn; overstelping. Immesh (im-meal'), v. a. Zie to Enmesh. Immethodical (Im-me-thod'ikl), a. —ly, ad. zonder plan, ongeregeld. —nets, a. ongeregeldheld, verwardheid, Immigr ant (im'migrent), a. landverhuizer. —ate (-greet), v. n. in een laud trekker, —ation (-gree' ejun), a. intrekking. Imanin ence (im'cni-nens), a. dreigend gevaar. —ent, a. dreigend, nakend. Immingle (im-ming'g1), v. a. inmengen. Imminution (im-mi-njoe'sjun), a. vertbindering. Immix elbIllly (im-mis-si-bil'it tib), a. onvermengbaarheid. —eible (•rnia'sibl), a. ouvermeng-

cryptogeld 101 podcast


266 ken. the narrow — a, het engeleche kennel. — action, zeegevecht. — anemone, zsenetel. — bunk, zeeoever; seedjjk.—bar,zeezwaluw. — battle, zeeclog. — bathed, dour de zee beepoeld. — beast, seernormer. — beat, — beaten, door de zee geteisterd — bee., zeebrems •—belt, seegrhs. — bind-weed, zeewinde. — blubber, seenetei, kwal. — board, a. zeekust; ad, zeewaarts. — boat, zeesehip. — born, door he are voortgeb racht;op zee geboren —bound, door ele zee begrened. — boy scheepsjongen. — breach, inbreking van he zee. — bread, scheepsbesehult. — breaks, El. branding. — breeze, zeewind. — brief, zeebrief. — built, voor de zee gebound, — burning, (hit) doen stranden (van eon echip). — cabbage, — cafe, gladde zeetooi. — calf, zeekalf, rob. — campion, zeelijmkruid. — cap, schippersmuts. — captain, seheepskepitein — card, windrooe. — carp, zeekarper — cask, zoeton. — cat, hondsbaai. — celandine. sehelkruid. — chart, zee kaart. — circled. door he zee ingesloten . —coal, ateenkool. — coast, zeekast — rob, seemeruw. — cork, zeehaan. — cock - roach,; zeeduizendbeer. —co/ewort, zeekool. —compass, zeekompaa. — coot, zeedulyel. — cow, seeker, we1rus. — cot, zeespin. — daffodil, zeelelie. —damaged, door zeewater heschedied. — dog, zeehoed rob. — dotterel, zeeklerit. — drag, zeebeslog (ttan echepen). — dragon, zee iraak --drake, zee kra ai seedend. — eagle. zeeurend. — ear, zeeeor, —eel, zeeeal — egg, zeedi. ,engagement, zeegevecht. —expression, ze,mansnitdrukking. —fairy, zeenimf. —fans, pi. zee. mos — facer, zeevaarder. — faring, zeevarend, —fencible, kustw achter. —fennel , zeevenkel seetileg. —fish, zeevtvch. —forces, p1. seemacht. —fowl, zeevogel — gage, — gauge„diepganie. — garland, zeebloem. — gate, hoite tussekea twee golves. — girdle, seespons. — girt, door he zee onrringd. —god, zeegod. —gown, sehipperept. — grape, zeebies. —grass. zeeeres. — green, a. zeegenes; a. steenbreke. —gudgeoa,seegrnudel. gull, zeemeee w. — hare, kieuw worm. — hedge - hog, zeeeget. — hen, zen corn. — hog, bruinvisch. —holly, hraakdiatel. onbewoond eilond. — horse, zee-, nijtpaard. --lacee, pl. zeedreden. —/ampeg, geoote zuiger. — langazge, zeenaanstaal. — lead, dieplood. — leek, seeajuin. — legs, p1. zee'eoeten. — letter, seheepspaapoort. — latucee, wolfernelk. seel•euw, — loach, nijlerondel. —tongs, pi. seeachutm, zeelong. — loom, boutvleueel. — maid , Ineermie. —man , woman ; matrons. — manship, zeevaartkunde.—map,zeekaart.—niark, zeebaken. — martin, zees wal uw. — mew, zeenaeeuw. — monster, seeeionster. —moon, zeeeter, -mean — mos, koraelplant. — needle, zeen.ild• — nettle, seen•rei. —nymph, zeenimf. —oak, .teeelk , —officer, zeeolficier. —onion, zeeejuin. — ooze, zeemodder. — otter, zeeotter. —pad, zeester. --panther, zeepouter. --parrot, zee papeerai. — partridge, seepatrijs; tong. — pheasant, zeefezaat. —pie, zeeekster, -anip. — piece, zeestuk. — pool, zoui,e. — port, zeshaven —pudding, zeenetel. seeheurn. — purslain , etriakrnelde. — quadrant. Jaeobestaf. — quince, zeebal. — risk, zeegevaer, — robber, zeeiuover. --rocket, zeere.ket. — room, ratite zee, — rover, zeeroover. — ruff. zeebrasem. — rush, zeebies. — salt, zeezout. — samphire, zee-
Aveganr, m. auger, nimble. Avorechts, bw. wrong, the wrong way, preposterous/y. Averecilitseb, by. wrong, sinister, preposterous. Averke, v. average, damage. Averult, v. a brotanum, southern wood. Avond, in. evening, eve, night. van —,thla evening. ginteren —, last night. 's in the evening, at night. —brad, evening-paper. —eten, supper. —gebed, evening-prayers, completory. —kers, evening- eervice. —Mole, evening-ball, curfew. —lied, evening-hymn, -song. —lutist, evening-air. —maal, supper; Lord 'a tripper, Communion. —nsitalaganger. communicant. —muriek, nightmusic, serenade. —parte:We, evening-party. —acheerring, evening-twilight. —nth iol,evening school. —sten, evening-star. —stond, erecting. Avont mares, ov. w. to hazard, no risk, to venture. —crier, m. —uriereter, adventurer, fortunehunter. —cur, o. adventure, hazard. —curl jjk, by. & bw. adventurous (-ly), casual (-I y). Aran, on. w. to feed to prey (upon); (op) to oovet. itait)a, tn. vinegar. —puts, vinegar-bottle, crust. —maker, vinegar-man. —maker(j , vinegar-house. —moss, vinegar dregs. —race, 5. acetic acid; by. acetic; —rout, acetate. —aehtig, by. acetone. —en, or. w. to sen,on with vinegar. fazing, v. l'eding, preying; coveting. Amaral", by, azure, snored, sky-colored. A . cuur, m. lapis lazuli, azure-stone, o. anueeolor, sky- blue.
PRO.- PSY. 237 beschutting; betaling (van een' wheel). -ire. Provision (pro-vizrun), a. vooraiening, voorzorg, maatregel; bepaling; voortaad; mondbea. beechermend. -or, a. beschermer, beschermhoeften, proviand; proviste. -, v. a. van mondhear; protector. -orate ( ur-et), -orship, a. be behoeften voorzien. -al, a. -ally, ad. voorkooanhermheerachap, protectoraat. -oral (-or-e1), a ttideigk. --ary, a. vooraf zorgend; yourvan sea' protector. -cress, s. baschermater. tpig. oo Pretend (pro- tend'), v. a. ultateken, uitotrekken. Protest (prot'eat, prolest), a. verklaring, var. Provis 0 (pro- varzo), a. betting, voorbehoud. -or (-nun), a. bezorger; voorloopig benoemde zet, protest, - (pro-test'), v. a. tot getuige roe opvolger. -cry, a. voorwaardeli.jk. pen; proteateeren; v. n. betuigen, plechtig verklaren, zich verzetten, (against). -ant, a. protee- Provocat Ion (prov.o-kee'sjun), a. uitdaging; terging; uttlokking. -lee tpro-vole-tiv), a. nit tantach; a. protestant. -antism, s.protestantsche dagend; tergerid; uitlokkend; s. prikkelend (opleer. -align (-tee'sjun), a. plechtige tegenverklawekkend) middel. -iveneas (pro-vo'ke-tiv.), a. ring, verzet. -or (pro teseur), a. die protesteert, opwekkende hoedanigheid. betuigt. Prothonotary (pro-thon'o to-rih), a. opper- Provok e (pro-vook'), v. a. uitdagen; tergen, verbitteren; uitlokken; aanzetten, ophitsen, 'to). schrgver, griffier. , -er,.. uttdager; terger; uitlokker; ophitaer. -ing, Preto col (pro'to-kol), a. protocol, kladopstel. a. verbitterend, ergerijk. -colist, a. prot000llist, kierk. -martyr (-maar'tir), a. eerste martelaar. -plast (-plest),s.voor- Provout (prov'ust), a. vooraitter, hoofd; provooat. -ship, e. provoostschap. (tejp), a. eerate model. beeld, origineel. -type Protract (pro-trekt'), v. a. veriengen; vertchui- Prow (prau'), a. voorsteven; prauw. -, a. dapper, kloek. -es., a. dapperheid; kloek bedrijf. yen; op de -lunge baan schuiven. -er, a. rekker, uitsteller. -ion (-trek'sjun), s. verlenging; ver- Prowl (praaur), a. strooptocht. -, v. a. doorkruisen (om buit to vinden); v. n. rondawerven, traging, rekking. -ire, a. rekkend, vertragend. stroopen. -er, a. strooper. -ings (-iengz), pl. -or, s. hoekmeter. Protru de (pro-troed'), v. a. voortduwen. -stoo- stroopergen. ten; v. n. voortdringen; ultateken; -sion(-troe'- Proxim ate (prokel-met), a. -ately, ad. naast, eerstvolgend, onnatddellgk. -ity e. ajun), a. voortetooting. -sive (-troe's1v), a. voortnabgheid. stootend Protuber once (pro.tjoe'bur- ens), s. uitsprong; Proxy (proks'ih), a, volmacht; waarneming, gemachtigde. uitwas. -ant, a. ultspningend, uitpuilend; gozwollen. -ate (-eet), v. n. uitsteken, uttpuilen, Pruce (proea), a. pruialach leder. zwellen. -alien (- ee'ejun), a. ultsteking, tritput- Prude (proed), a. nuf, preutsch meisje. Pruden ce (proe'dens), a. vooratchtigheid. -t, ling, availing. -tly, ad. voorziehttg,verstandig. -tial, a.-tially, Proud (praud'), a. -ly, ad. hoogmoedig, trotach, tier verwaand (of); prachtig; tochtig, loopsch. ad. (-deresjel.), door de vooratchtlgheld voorgeschreven, wile. -tiais (-den'ajelz), pl. grondre- flesh, wild yleesch. gelen van voorzlchtigheid; verstandige beginselen. Prow able (proev'ibl), a. bewijsbaar. v. a. bewgzen; beproeven; ondervinden, ondergaan; Prud cry (proe'dur-rih),s. preutschheid. -isk, preutsch. v. n. blgken; worden, uitvallen; slagen. tur), s. leverancier, pro. Prun e (proen'), a. pruim. -e, v. a. snoelen; Proveditor (pro vediopschikken; v. n. itch opschikken. viand-meester. a. wollen mantelstof; aleepruim. -er, anoeier. Provender (prov'in-dur), a. beeatenvoeder. -ijerous (.niPur-rus), a. prulmdragend. -ing, a. Prover (proev'ur), a. bee gsvoerder. het anoeten. -hook, -knife, anoeimes. Proverb (prov'urb), a. epreekwoord, apreuk. a. -lolly, ad. (pro-vuebt-e1),spreekwoor- Pruri ence (proe'ri.ens), a. jeuking; sterk verlangen. -ent. a, jeukend; sterk verlangend (for). deltlk. -ginous (.rid'zji-nue), a. jeukerig. Provide (pro•vajdn, v. a. verschaffen, berorgen, voorzien (with); - one's self, op ague hoede zi.jn; Pruss into (prusri-et), a. blauwzuor zout. -ic acid, blanwauw. v. n; (against) maatregelen nemen; (for) zorgen. Pry (pran, v n. giuren, looren; (into) den. near -d, conj. mits4 steken in. -ing, a. -ingly, ad. nieuwsperrg, inProviden ce (prov't dens) a. voorzienIgheid; dringend. eoorziening, voorzorg, zuintgbeid. -t, a. -tly, ad.vooruit zorgend,vooretchtig;spaaraatm.-tiat, Psalm (saam'), s. psalm. -ist (ook: set'mist), a. psalmdichter. -odiat (sel'mud-diet), a. psalma. -Holly, ad. (-den'sjel.), van (door)de goddezinger. -ody (sel'mud-d1h), a. psalmgezang. lgke voorzienigheid. Provider (pro-vaj , dur), s. verschaffer, becorger. Psalter (eaortur), a. psalmboek. -y, s. psalterium (soort van harp). Province (prov'ins), 8. provincie, wingewest; Pseudo- (sjoe'do.) [in samenst.], valech, onecht, landechap; gebied, ambt, vak. schgn-. -graphy (-doere tilt). a. valsch geschrift. Provincial (pro-vin'sjel), a. provineiaal, gewea- logy (-dol'ud-zjih), a. valsehe leer. -nymous e. provinciaal; plattetelgk, plattelands, (-don'-t-mus), onder een' verdichten naam. land-bewoner. a. gewestelgke epreektrant ofuitdrukking. -ity ;sji. el'it -Oh), s. gewestelgke Pshaw (ajao), int. bah! foci! Psychology is (saj-ko-lod'ajik), -ical, a. steteigenaardIgh4d. kundtg. -ist (-koeud-zjist), s. zielkundige. -y Provine (pro-vajn'), a. stek.v. n. stekken of ateliers (van w gristokken) poten. (-kol'ud-zjih), a. zielkunde.
'271 maiseerbekken• —brush, lielteeAwaet. —case,' Shell (aj-,iri, a. plank, bord; vak; andplaat,klip, actieerdaoa. —cloth, acheerdnek. —glass, ,, cheer- harde grand. —piece, verbli.iding,klos. —il, a. vol apiaget. seheermes. —tub, snipperbak, klippen of zansIk ► nken. —s tiengs), p1. epeenders ; Bet-pliers; schaafeel. ; Shell Weir), s, ischil, schwa. dap; sche!p; romp Shaw (ejao , ), 5, 6...hie, Ivan eon huts); buttenzOde; tier; sour, ateekbtad mikvogel. Shawl (IOW), a. ajaal. goat, Angora-gait. (van cen'degen). —almond, kraaltainandel. —fish, Shawn,. lejaorn), a. achalinei. scbetpviecn- --gold, setielpgoad --toe, rieholiak. She NO), pr. zi,j, wijje. —ass, ezelin. bectr,, —assail, huisjetielsk. —work, schelpwerk. —., v. a, berin. kat. —cousin., nicht. —friend, vrien-,, schilien, &wren, schillig, sch, ereu —y, din. —goat, Keit. —neighbor, bunrvrouw. —ser-; liK, vol ,,elietpen; vast, dienstunagd. —*Jaye, alavin. Sheller (ej.el'tur), a, heschutting; achuiiplaats; Sheaf (agar), a. achoof; bundel. —, v. a. tot' heacherming. —, v. a. bedekten; beachutten, beschoven binden. —y, a. ale stub achoven, aehern,u (froml; v. n. schuilen. —er, a. bescliutShear (sjier') [shore, shorn Olooro)], v. h. ache- ter, beecheriner. —less, a. onbeschot, zonder beran; afsnijden, masien. —man —er 14.1301,4,1er. schutting. master_ —water, etornivogel. —icy, C. het t-elic- Shelv e oijelvi. v. a. op eene plan;i zntten ; ren) —time, schaapschering. —ings -ictigz), p1. v. n. athellen — ing, a. sch,ti ► , hellend. —ingneas, iteheerwol• -8 lajierati, pl. schaar• a. schuinte- ---y, a. Shend (sjead), v. a. to groado richten,bederveo; a. scheede; rlettgelsAild. ischeedevogel. —razor, orgelptjp (eene schelp). beriipen. —scaie, bladvliea. —winged, actitldvietigelig. Shepherd (siep'urd), 5. sei,tapherd,„ --!'s club, Sheath e (cjietli'), v. a. opsteken, in de scheede wolkruid. —'8-cress, steenkers. —'s-dog, herdersstekeni van eene Ncheede voorzien; bekteeticri, tiond, —'s-needle,naaldkruld.—'spouch,—'s-purse, overtcokken, dubbelen. —ing, a, ► ekleeding, dubtaachjesitruid , iterder,,tasch. 's-rod , wilde baling; aptj kerhuid. kaardendistel. --ess, a. herded, —let, a. berSheviive 0.1 1 e 0 1, e. tichijf (1a eerie katral); —hole, derlijk. acknjfgat. Sherhet (sjuebit), a. socket. Shed (sje.1), a. loads, lint, werkplatit, Sherd (8)11,1), 8. Zie Shard. Shed (sjed'i, [shed], v. a. vergieten, etorte,n; of- Sheriff (ejer'if), a. sheriff', ,chant• —ally, --duos werpen. — teeth, de tanden verwisselen. —, v. L. (-dum), —ship, a. ambt (gebied) oven eau' -sheriff. uttvallek. —sea, atortzee. —der, atone, wick (-wilt). a. schonregebted. Sheets (ejten'), a. helderheid, glans. —y, a. helder, Sherry (ajer'rih, a, Xerea-wi;n. glineterend. Stew (ajo), a. '3, v. a. Zie Show. Sheep (ejlerl, a. schaap. —, p1. ischapen. —cot, Shlde (njajd), a. stuk hoot, blokje. —fold,nehsapekooi. —hook, herdersstaf. —leather, Shield (aeld) a. echild. —, v. a, b,scherinen, echapenleder. —master, schapeofokker. —pro, beschutten ,from). Behapenhok.—'d-nye.ltefdelonit. — shock s trompet- Shift (sjife), a. vera,dering; uitvItieht, kumitateek. —'s.head, se ► apekop. —shearer, 8 01,4, green, redmiddel; schicht, laag; vrouwenhernd. scheerder. —shearing, sehaapeckeren. —shears. to make —, zich moeite tteven; moeite beblien; p1. schaapachaar. —skin, schapevel. —walk, (with) ',nor lief nernon, zich beheipen. to put achapenweide. —isle, a. --Wily, bedeead, one to his last —, ieniand tot het uiterate brenblonde, onnoozel. —ishness, a. blobbeid, onnoogen. —, v. a, veranderen, verwiaselen; verldeezelheid. den; verstuwen; verbodam , n. (away, off) 'itch vau Sheer (ajler'), a. zuiver, fielder. —, at', plot.den hale achuiven; ontwijken. v. n. eensklaps. —, A. afvalling, giering; zeegt, ten; zich verachoonen; draaien, uitvluchten zoesprang, —draught, —plan, len 'tette/tete, langsteeken; zich behelpen; zorgen; omsehieten (van den kening (van eon uchp, —hook, vriterhaelc. —hulk, wind). —er, a. slime kw's.; kokamact. --log, maetlichter. —lashing, naating der bokkebeenen, n. —ingly, ad, sluw, loos; — sand, origzand. --line, atrook-, deXitjn. --plank, potdekeel. —less, a. hutpeloos, radcloos. —rail, Wet van bet patdekoel —stroke, boven- Shilling (ejtPlieng). a. (engelache) schelling. ate plankeugang. bovenberghout• — , (sj1111h•ejel'iih), a. weifelend, v. n. gieren, avallen, rich verwlideren; (off) aarzelend. afhouden; zich wegscheren. —8 (siter.), pl, hok- Slslly (sjaj'iiii,) ad, Zie Shyly. kebeenen; to break, —, het eliageren vermin- Shlu {oljta'), 8. scheen. —bone, scheenbeea, deren. Shine (ajain), a. schkin; glans; helder wetter. Sheet (ejlet'i, a. beddelaken; brad, pleat, eel; Shine (sjajn) [shone. ,sj000)], v. n. v/akte; (van are zeii). —anchor, plechtblinken anker. —block, sehootblok. —cable, Wee/it- antic, Shingle (ejingigL„ s, (.1,kspaan. v. a. met touw. —copper, bladkoper. —iron, plaadizer. plattelteldekapaLen dekken. —s, —knot , achooteteek. —lead , 1.6od in rol!cn• steenen; bpringend your (huiduicalag,. —lightning, a. vreerlicht. --stoppers, p1. school- Shin int (sk i uteng), —.9, a. glin,terend, blinstoppers. —, v. a, met lakens beleggau; avertrekkend, —brig, a. nekijn,,e1, glans. acheep gain. ken; bedekken. —ing, s, overteek; beddelinnert. Ship 004, ', s. setup. to take Shekel (ajek'1), a. take/. (taunt). —board, schcepeplank: scheepsboord. —boat, Shel drake (Oen/reek), a. roodkop (wilde wean - ). aloep. scheepsjongen. —booker, scheeps—duck(-dub), a. roodkop (wilde send), makelaar. —builder, —wright, scheepmbouivinees-
o ( aje a n),e sm. edeal, n , s a, ab. °;o!enntp. el. Share a na nd rot l n nee bo e g et ahaar, nto _ dea l ada:eln r.—,v. (in. a ie a ; r,. eeel deal nemen se,icrra, hap; bewchutting. —e, v. denier, deelhlbber. (from).( - tiff Shttrk (sjaarkl, a. haai; bedrieger; bedrog. a. v. a. wegkapen; v. n. bedrtegen; Febuirnloopen. — er, a gelukzoaker; schuirnioaper, opilchter. a. senaduwing. schaduwan. ir ii tl a)adaerp'3, . ,,zoi;k()h. et_) , Feala. er_ (1-,ass)., s. 1...)errijkheid. Sharp p:a iy , e ,,hde .rp oe ehtaeor nr ;
Cosine (ko'sajn), R. cosinus„ Cosmetic (kuz-met'ik), a. schoonheidbevorderend. —, a, sehoonheidsmiddel. Cosnaical (koz'inikl), a. —ly, ad. de wereld betreffend; met de zon op- en ondergaand. COSMO gony (kez-mog'un-nih), s, leer van het ontstaan der wereld. —grapher (ri fur), a. wereldbeschrijver. —graphic, (koz mo-grerik), —graphical, a. we. rel d be•chrij vend. —graphy ( re tih), a. wereldbenchrijvlog. —logy ( moructzjih), s. wereldkunde. —politan (koz mo poriten), —polite ( mop'o lait% s. wereldburger. Cossack (kos'seb), s. kozak. Cosset (kos'mit), s. buislam; !leveling. —. v. a. vertroetel Cost (kost'), s. prijs, kosten; verlies, schade; seheepsrib. — s, s. bastes: proaeskosten. —al,

This active collaboration between AEGEE and the European Commission and especially Domenico Lenarduzzi, Ministry of Public Education, allowed the approval of the Erasmus program in 1987. It became an integral part of the Socrates I (1994-1999) and Socrates programs II (2000-2006). Since 2007 it has become one of the elements of the Lifelong Learning Program (2007-2013). 

Wat is Weegschaal Facebooks nieuwe digitale munt


to Grind to Grow to Have to Hear to Hold to Help to Hew to Hide to Hit to Heave to Hang to Hurt to Keep to Kneel to Know to Knit to Know to Lade zo Lay to Lie (lIggen). ,/ II II to Lean to Leap to Learn to Lead to Leave to Lean to Lend to Leap to Let to Lift to Light (a&nsteken). to Load to Lose to Make to Mean to Meet May to Melt to Mow Must Ought to Pay
Twirl (twurl), 8 , &ate', reuddraiiii3g. v. a. & n. draaien, ronddraaieu. TwILt (twist,'), a. ineenaraaiing. kronkeling; vlecht, streng; getwijud garter.; dread, afloat. —, N . . a. twij nen, apinnen; atrengelen, ineen draaien, vlechten; verwringen; v, n. ineengevlochten zijn, nick kronk,len. —er, a. twijnder, vlechter; touwalager; opturnachtne. Twit (twit), v. a. beriKpen, verwijteP. (for. with). Twitch (twitsr), a. kneati, ruk; 'cramp. —gross, kweekgraa —, v. a. kt,ijpen, nijpen; rukken, trekken; (4) atrukken. Twit, ter (twit'mr), a. Lediller; gekweel; gegichel; trek, lust; aanvol, viaag. y. n. kvveeiaa; gi• chelen, beluat zijn. Twaitie-twR,titt. (twieti-twot•i1), a. & v u. hte Twitstles. 'rwte (toe) :.we:'. —edged, tweeonijdend. —fold, a. & apt. tweevoudlg, —Minded, tweenAndig; your twee handen; grout, plomp, stevig —leaved, tweebladig. —pence (oak: tup'er,,a), tweeatuiveraatuk. —penny. (oak: tweestaivers, —tongued, geveinad, valtch. Tye (taj), a. & v. a, Zia Ti.. Tylisbal (timbal), a. keteitrom, pauk.

Heeft RBI verboden cryptogeld


389 AFL Afsekenken, ov. w. to pour off, to decant; to Afrepelen, ov. w. to ripple, to pill. weaken. Are*eh ten, ov. w. to train, to fit, to teach: to dress; to break (ten paard); to man (ten milk). Afsehep an, on, w. to chip (off), to despatch; afgericht r(in op, to bare a knack at, to be to put (to shift) oft. —er, m. deepatcher. —ing, qualified for. —er, m. —vier, v. trainer, —ing, v. v. shipping, despatching. Atecheppen, ov. w. to scum (to stoop) off; to training, dressing. skim. Afristdon, or. w. to override, to founder, to jade, Alleheren, on. w. to shave (to shear) off. on w. to rids (to drive) down, — away, — off. Afsehets en, ov. w. to sketch (out), to delineov. w. to unlace to unstring. ate, to describe. —er, m. sketcher, delineator, Arrifigsn, ov. w. Zie Afechourers. describer. —ing, v. sketch, delineation, descrip/Uric, in. riding away, startingtion. Afroelen,on.w.to row away. — off, (from). Angell:ear en, on. w. to tear off; to tear —, to Afroep en, or w to call down, — away from; Fever (from); rich —, to separate (from). —leg, v. to oro,)aim, to publish; to call over. —er, tearing off; separation; schism. v. proclamation. proclaimPr. Atoehlet en, on. w. to shoot —, to fire (off). to Arroenten, on. w. to runt away. — of discharge, to let off; to separate by a partitionAfrofrelen, ov w. to plane rouahly, to Title; to wall; on w. to slip, to slide. —cc, .0. shooter, bungle (to hammer) up. discharger. —ing, v. firing, discharge; partition, Arroll en, ov. w. to rot). down; to unroll, to unfold; on. w. to roll (to tickle) down. —ing, separation. Afeehljn en, on. w. to shine. —set, o. resplenv. roiling down; unrolling. dency, Image. Afrond en. ov. w. to round off, to make round; Afechildwr en, on. w. to depaint, to depict; to to thithil. —ing, v. rounding (off;; finish. Arroons en. ov. w. to cream, to skim, to fleet off. represent, to describe. —ing, v. delineation, description, picture. —ing, v. creaming, skimmin a, fleeting. Afrosa en, ov. w to curry; to override; to hang, Aisehlifer en, on. w. to scale (to peel) off, to exto drub, to rib-roast, to thrash. —er, m. rib- foliate. —ing, v. exfoliation. Alochillen, ov. w. to peel, to pare, to shell, to roaster. blanch. Afrott en, on, w. to rot away, — off. —ing, v. Afschoppen, ov. w. to kick down, — off. rotting. Afgehrap pen, on. w. to scrape off; to mark Arrulten,on. w. to get by trucking. with a dash. —eel, e'. scrapings. Afrulik en, on. W. to snatch away, to pluck off. Arachrlft, o. copy, duplicate. ee* — nettle*, to —sr, m. snatcher. —lag, v. pulling off. draw k copy. Arseharfsel,o.shavings. Arnehndunv en, ov. w. to portray l•y the shade, Allsehrkif loon, o. copy-money. —ster, v. Zie ArselbrIjwer. to shadow out, to adumbrate, to typify. , m. painter of silhouets. —ing, v. shadowing, adum ArsehrUe en, ov. w. to copy, to transcribe; to write off; to countermand, to blunt (eens pen); oration, soiagraphy; silhouet. to finish writing. —er, to. copier, copyist. Afsehnff en, ov. w. to abolish, to abrogate, to v. copying; writing off; counter-order. ' repeal; to dismiss, to part with. —er, m. abolisher; abolitionist; temperance man. —ing, v. abo- Afsehr1111, m. horror, abhorrence. ten — hebben Tan, to abhor. —ken, ov. w. to scare away; to lition, abrogation; dismission. —ingsgenootechap, intimidate, to discourage, to deter. —Tend, by. temperance.society. warning. —king, v. intimidation, deterring. Arochamp en, on. w. to slip off, to touch lightly, Afeehrlknve"Akt nd, by. terrifying, dreadful. to glance (to graze) upon. —er, m. —ing, v. sl)pAlsehrobben,ov. w. to scrub (to scour) off. ping off, glancing (grazing) upon. Areohnnsen, on. w. to intrench, to fence Afeehroelen, on. w. to scorch (to sing.) off. Afeehroeven,ov. w. to unscrew,to strew off. about. Afechaven, ov. w. to plane (to scrape, to shave, Araehudden, ov. w.to shake off. Arseihnier en,ov. w. to brush off, — away. to rub) off, to chafe, to fret. Araelsuifeter, v. Zie Afachulver. Afoehoerder,m. shearer. Afecheld, o. leave, departure; discharge, dismiss- Met/huhu en, ov. W. to scum, to skim. —lathy. strumming, skimming. al. — genes, to dismiss, to send awoy. semen van, to take leave of, to bid adieu (farewell) to. Afeehuiv ass, on. w. to shove (to, pualt) off; to come down; van tick —, to rid ones self of, to —sberoek, farewell-visit. --scironk, parting-cup. shift ore. to get one's self excused. —tsr, m. —*feat, —spartii, parting-treat. —rgedicht, valeis een atecht —, he is very alone-fisted. dictory poem. —egezang, parting-song. —sgroet, parting-kiss. —souse, f arew ell- Aleeir.. en, ov. w. to scour (to wear) off. farewell. Arschut sari, o, partition, fence, so; een. --ten, ov . dinner. —spreek, valedictory sercr,on. w. to partition (off). to fence, to screen; to stop by valedictory speech. —boor, —.1(j1e, by. separable. a dike. —ting, v. partitioning, enclosure. —en, on. w. to separate, to sever from, t9 disjoin, to put asunder; to secrete; rich — van, to Afsehuw, in. abhorrence, horror. — hebben van. to abhor, to hold in abhorrence. —elipk, by. & leave, to part company with, to part from. — bw. horrible (-bly), abominable (-bly) odious t-ly); separation, m. separator. —ing, T. 'with. —sr, black (van ease daad). v. horribleness, secretion. —cel,o. partition. ahominableness.—en, o. Zie Afsehaw. Afsekellen, ov. w. to ring for.

Undated! (un'dee-tid), a. gelvend. f-deelid), Underground, a. ondereardech, —, a, (Mere. ongedateerd. zorder degteekening. aardsche rultzte, hot. Undaunted (un-daant'id), a. ad. onveraaagd, Undergrowth, s kreupele, hakhont. onverschrokken. —nese, a. onvereaagdheid, on- Underhand (-hand'), —ed, a. onderhand,ch, betverachrokkenheld. neelijk, elinkscb. —, ad. ondershandm, heinnelkik, Uedazzlnai (un-dez'zld), a. osaverblind. ter elnik. Undebanehed (un.de-baotsjti, a. onverleid. Underfeed (un-de-rajvd'), a. onefgeleid. Undeengon (uredere-gon), a. elfheek. Under:law, a. onderkaak. Uncle cayed (un-de-keed'e a. niet vervallen; Underkeeper (-Ittep , ur!, s, nnderopzichter. verwe(kt. --caging (-kee'ieng), a dnurzeam. Underiaborer (-lee'bur-tar)„ a. handlanger. —ceire (•ploy'), v. a. uit de dwating helper, —tided letnetriay (-lee') [err.]. v. a. onderleggen; stutten, (-ear-did), a. onl, ealist.—cipherable seeNgen. —er, a. onderlasg, stutbalk. a. net ate outcijfeten, Undarlease, as. onderpacht, onderhuur. Undteck (un-dek'), v. a. von sieraad berooven. Underleatitee (-leth-ur), a. onderleder. Undecorated (un-tlek'ur-ae-tid), a. ouversterd. (Jndorlat (-let') [ire.], v. a. onder de waarde Undedicated (uneted'i-kee-tid), a, niet opge- verhuren; onderverhuren, —ter, a. onderverdragen, niet toegerijd. huurder. Unde faced (uu-de-teest.')., a. enveeminkt; niet Underline (-lajn'), v. a. onderatrepen. vernietigd. —fended (-fend'id), a. onverdedigd. Underling, a. ondergeschikte; zee akkeling. —filed (-tajld'), a. onemlekt. —fined (-fajad.'), a. Underlip, a,. anderlip. onbepaald. —flaurd (-flartrd'). a. ongerept; onver- Undermastur (-maasnur), s. ondermeNster. welkt. —formed (-formd'), a. ntet rnismaekt. Undermine (-main'). v. a. ondermijneu. —r, a. —frayed (-freed'), a. onbetaald„ niet gedekt. ondermijne.r. —graded (-gree'did), a. onverlaagd. —jected Undermost, a. onderat. (dzje.kt'id). a. niet neerelachtig. --liberated (lib'- Underneeth (-ntetti'). ad. & pap. ender, bens den. s. onderofticier; enderur-ee- tide. a. onoverlegd, ondoordatht, —lighted Underollicer (lajt'id), a. niet verheugd. —tiehteea (-lajt'foel), ambtenaar. a. onaaegeneam enbekoollijk. —monstrable Underogatory (un-de-rog'e-tur-r1h), a. nlet ma(-mon'stribl),ea.onbewijebaar. --viable, a. — niably. deelrg, onschadeltik (to). ad. (-naj'ibl), onloochenbaa, ---elered(-nloord'), Underpart, e. ondete7n1; cedergeschikte rot; a. onbeweend. —graved (-precvd'), a. onnedorven. ineschenbedrijf, Underpelticoat (-pet'ti-koet) a. onderrok.. —lorived (-prajvd"), a. onbereofd, Under (un'dur), ad & pru. onder, beneden, min- Underpin (-WV), v. a nutter), schragen. —rang, a. onderbouw, fondament. der dan. — age, 11,htderjarig.- color, onder veor- wendeel. far-or, onder verbetering. — pain, op Underplot, a. tueschenbedrijf; heimelijke aandog. straffe. —, a, onder, beneden, onderreechikt. Wear. in de volgende eamenatellineen. de uit- Undeirpralae (-preez"), v. a. niet genoeg prijzen. spraak niet is aangewezen, clear heeft or. den Underprice, s. apotprijs. Underprize (-prajz"), v. a. to laag tschatten. kierntoon. Underattion (4It'ejun), a. ondergeschikte hen- Underprop (-prop'), v. a. stutters, schragen. deling. Underproportioned (-pro-poot'sjund), a. onevenredig. Underage, a. minderjarigheld. Underbear (-beer') [ire,], v. a. verdregen; voe- Underrate, a. paija onder de waarde. —(-reet'), yen. —er, a. lijkdra-er. v. a. ender de waarde aehatten. Underbid (-bid') [ter.], v. a, minder bieden don. Underrun (-run') [ire ], v. a. onder can tore Underbind (-bajnd.') [ille], v. a. van onderen halen; lesmaken en in orde brengen. Underscore ( eknor'), v. a, onderettepen. Undersell (-sell') [irr.], v. a. ender de waarde Underbred (-bred'), a. elecht opitevoed. verkoopen; lager verkoopen dan. Underbru9h, a. kreupel-. helchout. Undereeryeent (-surv'ent), a. onderbediende, Underbutier (•butlur), a. lrelderkne,ht. Underbtry (-baj') [err ], v. a (tinder de It aarde aandrager. e. onderzeeache etroom. —(-set'), v. a. konpen; voor minder koopen data. stutten. sehragen. —ter (-set-tur). a etut, echoer. Underciennter (.tejeenfur), a. onderztenger. Undersherill (-aJeelf), a. onder-sherit. Underelerk, a. onderklerk. Undershot, a. met onderalag. Undertook a, ouderkek. Underchrub, a. lege strulk. Undercrial, s. onderaardsch gewelf. Undercut, -nt (-Ituereet). aa. benedenetroom. Undersign (sajn'), v. a. onderteekenen. (-doe') [ire.], v. n. to weinig doen. Undersized essjzd'),a.teklein. ► Under dr Undersong, s. koorgezang —done ( dun'), a half gedaan, nlet gaar. Underdrstin, e. onderaardsche waterleiding. — Understand (-stead') [ire.], v. a. & n. verstaan, (-dare..'), v. a. droogleggen. begrijpen; vememen. to give to to kennen Underfeilrew (-fele), a. gemeene keret; ender- geven. —leg, a. verstandig, oordealkitudig; s. geschtkte, handleneer. verstend; veretandhouding. Undergo (-go') [ire.], v. a. ondergean, verduren. Understrapper (-strep'pur), a. ondergeschikte. Undergraduate (-gred'joe-et); a. student zonder handlaztger. Undertak • (-teak') [tar.], v, a. ondernemen; greed.
Danewort (de,n'aurt), a. wilds vlier. Danger (deen'dzjur), a. gevaar. —less, a. zonder gevaar. —ous, a. —ously, ad. gevaarlijk. —ousness, a. gevaarlijkheid. Dane e (deng'g1), v. n. alingeren, bungelen; zweveh. (about) omzweven, geatadig volgen. —er, a. lanterfanter; vronwengek. —ing-knot, kwast. Dank (dergk'), a. dompig, vochtig. —, a. vochttgheld. —ish, a. vochtig, —ishnest a. vochtigheid. Dap (dep) Dupe (deep), v. n. zachtjes in het water zinken. Dapifer !depii-fur), a, voorsnijder. Dapper (dep'pur), a. klein en vlug; aardig. —ling, s. dreumes. Dapple (dep'pl), a. gespikkeld, bout. —, v. a. apikkelen, schakeeren. —bay, a. epiegelbruin. —black, a. donkerbruin gevlakt. —gray, a. appalgrauw. —gray, —gray horse, a. achimmel. Dar (dear), a. witvisch, blei. Dare (deer'), a. uitdaging, tasting. —ful, a. driest, stout. —, v. a. tarten; uitdagen; bang maken. to — larks, leeuwerikken vaugen (door middel van een' spiegel). —, v. n. [durst. dared], dnrven. —r, a. uittarter. Daring (deerneng), a. —4/, ad. koen, onveraaagd; vermetel. —glass, sviegel (ma leeuwerikken to vangen). —ness, a. koenheid, etoutmoedigheid. Dark (dagrki, a. —ly, ad. donkey, duister; onwetend; heimelijk; verdrietig; snood. as — as pitch, pikdonker. —house, gekkenhuia. —lcntern, dievenlantaarn. —sighted, zwak van gezight. —, a. donkerbeid, duisternis; verborgenheid; onzekerheid. —en (daark'n), v. a. verdonkeren; verwarren; bezwalken; v. n. donker wooden. —ish, a. eenigazins duister. —ling, a. in het (blister ztjnde. —ness, a. donkerbeid. —some, a. duister. Darling Idaarnieng), a. gelled. —, a. lieveling. Darn (daarre), a. atop, atopnaad. —, v. a. stoppen (kouaen, enz). —ing-needle, stopnaald.—ing-yarn, stopgaren. Darnel I daar'n11), a. dolik, herik. Dart (dstart'), a. werpapies, achicht, pijl. —stick, degenatok. v. a. echieteu, werpen; v. n. toeschieten; loastormen. —er, a. pijlechieter. —ingly, ad. pijisne.l. Dash ides)'), a. botaing, slag, stoot; mengeel; scheutje; spat; gedachtestreen (—), at one —, in eens. —, v. a. Mean, aansmijten; verbrijzelen; begieten, beapatten; schudden, kletaen; verward maken; uit het veld slaan; verijdelen. to —into pieces, aaa stukken slaan, werpen. (out) ontwerpen; uitwitsschen. (over) uitdoen, doorhalen. (with) vertnengen; overdekken, overstelpen. —, v. n. var. pletterd worden; klotsen; overatroomen; voortstuiven (on).to — through thick and thin, door ilk en dun loopen. —, int. klets ! —board,—er, s. spathood (aan rijtuigen). —ed (deajt), a. verlegen. wind—ing, a. haaatig; trotech. maker, losbol. —ing-leather, spatieder (aan rijtuigen). Dastard (daas'turd), a., bloodaard. —ize (-ajz), v. a. bang maken, —linen, a. lafhartigheid. —ly, a. laf hartig. Date (deer'), s. dadel; datum, dagteekening, out —, ouderwetsch, nit de mode. —5ook, dagboek. —less, a, yonder dagteekening. —tree, da-
ad. onacha- delijk. —ness, s. onschadelinVbeid. (in.nonfi-nibl), a. ennoeinbaar. —te (-net), R. imgenoemd, Innovat e (in'no-veet), v. A. (ala) nicuwigheid invosren; v, n nieuwigheden invoeren (on).—ion (-vee'sjun), a. nieuwigbeid; invoering van nieuwigheden. , a. invuerder van nieuwigheden. (in-nok'sjus), a. —ly, ad.onschadelijk. I vinoxio —near, s. onschadelijicheid. Innuendo (in-njoe-eri'do),s. rijdelingache wenk, toespeling. Innunsera ble (in-njoe"inur.ibl), a. —bly, ad. talloos, ontelbaar. e.bil'rt.tih),—bleness, s. ontelbaarheid. inobservan cc (in- ob-zurv'ens), s. veronachtzaming, achteloosheid. —t, a. achteloos (ofI• Inocula to (in-ok'joe-leet), v. a. & n. inenten. —tion (-lee'sjun), s. inenting. tor, s. inenter. luodorous (in-o'dyr.us), a. reukeloos. Inoffensive (in-of-fen'aiv). a. --ly, ad. °waindelbk, argeloos. —cress, s. onschadelijkheid, argeloosheid, al (in-et-Wel), a. niet ambtelijk.—ous (-us), a. ongedienatig. mopes alive (in-op'ur-e-tiv), a. onwerkzaam, zonder nitwerting. Inopinate (in-op'i-net), a. onverwae.ht . Inopportune (iu-op-pur-tjoeve), a. —(y, ad. ontijdig, ongelegen. Inordinti cy (in-or'di-ne-sih), —teness (-net.), —lion (-nee'sjun), s. ongeregeldheid, buitenapo. righeid. —te, a. —tely, ad. (-net), ongeregeld, buitensporig. Inorganic (in-or-gen'ik), a. onbewerktuigd. Inoscula te (in-os'kjoe-legit), v. a. in (aan) elkander voegen; v. n. inmonden. —tion (.1ce'sjun), a. i mon ding . Inquest (in'kwe,st), s. gerechtelijk onderzoek. Inquietude (in-kware-tjocd), s. ongerustheid. Inquina te (ing'kvvi-neet), v. a. beroedelen,verontreinigen; — with poison, vergiftigen. —tioa (-nee'sjun), a. bezoedeling. lnquir able (in-kwajeibl)„ a. vatbaar voor ononderzoek. —e, v. ia. vragen naar; v. n. inlichtingen inwinneri (of, bij); vragen (about. after. for. naar); onderzoek doen (into, naar). —er, a. onderzoeker, vrager. —y, a. onderzoek,vraRg; to make — (for), onderzoek doen naar. Inquisli lc; n (in•kwi-zisynn), a. gerechtelijk onderzoek; kettergericht, inquisitie. —al, a. navorachend; van de mquisitie. 111(111E0i lye (in-kwlz'i-tiv), a. —ively, ad. onderzoekend, nienwsgierig. —iveness,S. nieuwsgierigheld. —or, a. rechterlijke oxiderzoeker; ketrerrechter, inquloiteur. —oriel (-to'ri-e1), a. stung ondervragend Inrail lin-reel'):, v. a. omrasteren. Inroad (in'rood). a. ivaul, strooptocht. Inmalubri ous (in-se-ljoe'bri-us), a. ongezoud. --ty, a. ongezoudheid. Ins.'s able (in-sen'1,1), a. ongeneesliik. a. --ely, ad. (-screw-), waanzinnig. —enes8(•ecen'.), —ity, a. krankzinnigheid. Rosati able (in-see'sjuibl), a. —ably, ad. —ate, 1111VOCUOILAS it i0A-11010juP 1111.1101111111.

Waarom doet Bitcoin zo lang om te bevestigen

×