Torts ouo (rorrjoe-ttn), a. gekrnnkeld, gedraald. -osity -ousness, s.gedraatdheld, kronketing, krocamIng. Torture (torrjoer), 5. ',bulging. tottering. -, v. a. ptjnigen, folteren. -r, s. pijniger. Torvous (tor'vz, 4), a. bench, norseh. Tory (Willi), 5. Tory, koningsgezinde. Tose (too.), v. a. karnmen, kaarden. Toss (toss'), 5. warp, stout, ichndding. -pot, zuiplap. v. a. werpen, smijten., slingeren; solleu; verontresten; overleggen; (about) heel en weer alingeren; (off) leegdrinken; (up) in de boogte werpen; v. n. sich been en weer bewegen (op) opgooien. -el ( - ii), s. Zie Tassel. -er, a. werpen, slingeraar. -Sag, a. gealinger; schudding; gesol.

Wat bedoel je met Bitcoin


Overprize (-praje), v. a. to hoog schatten. Overtake (-teek') rim], v. a. achterhalen, in. Overprompt (-prompt'), a. voorbarig. —neee Wen; overhalen. (-prompt'), a. veorbarigheid. Overtask (-taask"), v. a. eene to zware taak Overtake (-reek'), v. a. heenelaan (apoelen) over. opleggen. Overrank ( renk), A. to welig. Overtax (-teks'), v. a. te zwaar belasten. Overrate (-reet'),v. a. te hoogstellen; overvragen. Ov erthrow,s.omverwerping;nederlaag.—(-thro'' Overreach (-rietsj), v. a. hooger reiken dan; [irr.], v. a. omverwerpen, omkeeren, verwoesten1 bedriegen, misleiden; aanslaan (van een paard). verslaan. —er (-thro'ur), a. omverwerper; ver-er (-rietsrur), a. bedrieger. Overread (ried') [inn.], v. a. over-, doorlezen; Ove w °64ther. w art (-thwaort'), a. dwars; wonderlijk, door lezen to sterk inspannen. eigenzinnig. —, ad, overdwars. —, prp. dware Override (-rajd') [irr.], v. E. overrijden; afrU- over. —, v. a tegenstreven, dwarsboomen. den, afjagen. Overilre (-aaje), v. a. to zeer vermoeienOverrligged (-rigd'), a. te zwaar takelwerk voe- Overthlle (-taj't1), v. a. to hoog betitelen. rend. Overtop (-top'), v. a. uitsteken boven; in el( Overripe (-rajp'), a. overrijp. —n (-raj'pn), v. a, echaduw stellen; to boven gaan. to rijp maken; v. n. te ri,jp warden. Overtower(-tau'ar),v. n. te hooge vlueht semen, Overroaat (-roost'), v. a. to sterk Braden. Overtrade (-treed',, v. n. to grooten handel Overrule (-root'), v. a. beheerschen; de over- drijven. hand hebben over; verwerpen. —r (-roel'ur), a. Overtrlp (-trip'), v. a. overhuppelen. overheeracher. Overtrust (-trust'), v. a. to 'eel vertrouwen. Overrate (-run') [Ern], v. a. voorbijloopen; over- Overture (o'vur-tjoer), a. opening, inleiding; dekken; verwoeeten; neertrappen; weer overzien; eerste slap; ouverture. overloopen- v. n. overstrooncen. —ner (-ren'nur), OverIure,a omverwerping,,omkeering.—(-turn'), e. verwoester. v. a. omverwerpen, omkeeren; vernielen; to gronde Overscrupulous (-skroe'pjoe-lus), a. al to riehten. —er (-turn'ur),s. omverwerper; vernieler. rauwgezet, at to schroomvallig. Overvalue (-verjoe), v a. to hoog schatten. Oversee, a. overzeosch. Overvell (-veel'), v. a. bedekken. Oversee (-sic') [irr.], v. a. overcien; over het Overvotc (-voot'), v. a. overstemmen. hoofd zien. —r (esi'ur),..opzichter; ermverzorger. Overwatch (-wotay), v. n. te veel waken. —ed Oversell (-sell', Lim], v. a. to dual, verkoopen. (-wotsj -t), a. nitgewaakt, overwaskt. Overact (-set') [sir.], v. a. omverwerpen; v. n. Overweak (-wick'), a. al to zwak. omslaan. Overweasry (-wi"rih), v. a. to sterk vormoeien. Overshade (-sjeed'), v. R. beschaduwen; ver- Overween (-wien'), v. n laatdunkend zijn. —ing„ duisteren. a. —ingly, ad. laatdunkend, verwaand. —ing, a. Overshaduw (-sjed'do), v. a. be-, overschadu- eigenwaan, inbeelding. wen; beschermen. OverweIgh (-wee'), v. a. zwearder zijn dan; Overshoot (-sjoet") [Ern], v. a. voorbijschieten; overtreffen. over....heen vltegen; v. n. to ver schieten. — one's Overweight. a. overwicht. self, te ver goan. Overwhelm (-welm') v. a. overstelpen (with); Oversight, a. overzieht; opzicht; vergissing; on- verpletteren. —ing, a. —ingly, ad. overstelpend; opletteadheid. overweldigeed. Oversize (-sajz'), v. a. bepleisteren, Overwing (-wieng'), v. a. overvieugelen. Overskip (-skip), v. a. overspringen; overslaan; Overwise (-wajz'), a. to wijs, eigenwijs. ontkomen. Overwork (-wurk'), v. a. te veel doen werken, Oversleep (-sliep') [irr.], v. a. verslapen. overwerken. Oversiip (-slip'), v. a. nverelaan, over het hoof,' Overworn (-woorn'), a. afgesleten; uitgepttt. .1.; lat-en doorslippen. Overwrought (-mot"), a. met work overladen; Oversnow (-ano'), v. a. besneenwen. te veel nitgewerkt. Oversold (-soold'), a. to duur verkocht. Overzealous (-zel'us), a. al to ijverig. Oversoon (-soen"), ad. al to vroeg. Owl form (o'vi-form), a. eivormig. —ne (-vaja), Overspeak (-spiek') [lm], v. a. verpraten. a. tot de schapen behoorend. —parnis (-vip'e rus), Overspent (-spent'), a. argemat. a. ei'olezgend. Overspread (-opted') [irr.], v. a. overdekken, Ovoid (o'vojd), a. eivormfg. zich verspretden over. Owe (sow'), v. a. schuldig zijn; te danken (te Overstand (-stend') [irr.], v. a. to vast (stokatijf) wijten hebben. --kg, part. schuldig; toe to blijven staan op. schrijven; -- to, ten gevolge van. Overstate (-steet'), v. a. overdrijven. Owl (Raul' ► , a. uil. to make an — of, voor den gek Overstep (-step'; v. a. overstappen; Gvertreffen. houden. —eyed, met uilenoogen. —glass, ttilenOver stock (-stole), —store (-stoor'), v. a. over- spiegel. —light, schemerlicht. —. v. n. sluiken, laden, to ruin voorzien. smokkelen. —er, a. slutker, smokkelaar, —et Overstrain (-streen'), v. a. overspannen; ver- (it), a. kleine tall. —ing, a. smokkelarij. —ish, rekken; v. n. zich te sterk inspannen. —like, a. uilachtig. Oversway (-swee'), v. a. overneerschen. Own (son'', a. elgen. —, v. a. bezitten; zich toeOverswell (-swell') Lim], v. a. overstroomen. elgeren; erkennen. —er, a. eigenear, reader. Overt (o'vurt), a. —ly, ad. openhaar, openl(jk. —ership, a. eigendomsrecht.

nl.e), w. Eugenia. Euphrates ijoe-f•ee'ties), g. Euphraat. Europe (joe'roop). g. Europa. —an (-ro-pi'en), a. europeeseh; I. Muropeaan. Eus•hlue (Joe-arid-us), in. Ensebins. Eustaee (joe'etes), m. Eustatius. Ewan• ( ;oeks'in), g. the de Zwarte see. Evans (isivnz, m. Evans. Eve (lee), w Eva. Everard (ev'ttr-urd), m. Everard. Exeter (eltal-turl,g. Exeter. Ezeehiel. Ezekiel
Stook (sleek), s. sehaof; v. R. in schooven binden. Stool (steel'). a. stoeltje, bankje; loot, uitopruitstoeleang. --halt, eteelbel (mt,e1z), pl. moederplanten; voetirig der galerti, runt noon de pardoens. Stoop isteep'), s. (bet) bukken; neerschieten; nederbuhe;en; stoop; Stoep, hordes. —., v. a. buigen; onderwerpen; v. n. htikken; bulge's; op zijcle helm nederstriiken (upon); (to) etch verlagen, — nederbnigen, — onderwerpen, bukken noon, toege".. a. —in/Y/Y, ad. bnkkend.
GES.—UES• 461 Gesnik, o.sobbing. Gesnipper, o. clipping, snipping. Geffinoef,o. boasting, bragging, boast. Gesnoel, o. lopping, pruning, clipping. Genie's, o. snooping, junketing. Gssnor, o. buzzing, whizzing. • Gesnork, o. snoring; boasting, bragging. G esnotter, o, snivelling. Gesnulfell, o. sniffing, snuffing, rummage. Gesorteord, a. assorted. G esp, m. buckle. —enmaker, buckle-maker. Gespalk, o.splinting. Gespan, o. team, net, span; beams and rafters of a roof; mate. G•spartel,o. struggling, sprawling. Geapeel, o. playing, dalliance. Geapeld, be. pinned. Gespelen, ri1. me. play-fellows. Gespen, o v. w. to buckle. Gesplerd, be. muscular, vigorous. —Acid, v. muscularity, strength. GespIkkeld, bv. spotted, speckled. hoopla, o. spinning; spun yarn. Gespook„ o. haunting; noise, ado. Gespoord, be, spurred. getaarad en —, booted and spurred. Gespost, bv. mockery. scoffing, railing. Geopr ► k, o. conversation, disc .urns. ern — aanknoopen, to enter into conversation. Act — eibreken, to drop the conversation. Geoprenkei, o. sprinkling. Geoprokkell, o gathering, picking up. Gespssis, o. bustle; rabble, scum. Gespuxw, o. spitting. Gest, v. yeast. Gostaaird, be. confirmed. Gestaaid, be. steeled. Goetftehlts,bv. yeasty. Gestadig, - 13v. & bw. steady (-ily), continual (-1y), constant ( ly), settled. —heid, v. steadiness, continuance, constancy, settleduess. Geste:He, —nts, v. figure, shape, form, size; stature. Gestamel, o. stammering. Gestensp, o. braying, stampii g. Genternpvoet, o stamping, trampling. G estrus d, bw. — doers, — OlOven, to keep. hesteen,o. groaning, moaning. Gesteente, o. precious stones, jewels; monument, tomb-stone. (iestel, o. structure, construction; triune, constitution. Geeteld, be. established; set, situated. — zijs op. to be fond of, to be bent on. —, vw. supposed.. —heid, v. situation, state, condition, nature. Gesteltesalis, v. Zie Gesteldheld. Gcsteand, bv. disposed. Zie Gestenipeld, be. stamped. Geste.), on. w. to ferment, to rise, to work. Gesternd, bv. etary, Gesternte, o. state, star, constellation. gelnisAig —, kind eonstellation, propitious star. hastens:, o. groaning, moaning Gest tette, o. edifice, building; establishnielit, institution; hospital, asylum. Gnat ig, be. yeasty. —ing, v. fermentation.

types cryptogeld


• schoen. —, v. a. slaan, kalt.en; v. n. tieren, Rabate (re-beet'), v, a. duen dalen. Rabbet (reb'bit), 8. aponoing. —plane, spanning- 1 , ven waken. —y, a. schreeuwend. tierend. schaftf. —, v. a. met sponntngen Wean voegen. Racking (rek'leng). a. tottering; kruising eener tails; aftapp'ng —pace, telgang. Rabbi trebibib, -ha)), a. rabbijn. Bobbin (reb'bin), a. rabijn. —ical (-bln'tkl), ft.!Racy (ree'sih). a. geurtg; alert. v. a. cameo Raddie (red'd1), a. tulastaak. rabbijnach. --sat, a. rabblinst, talmudist. Rabbit (reb'biti, s. kontjn. poor —, arme rot. vlecbten. Radi at (ree'di-oil, a. stralend, straalvormig. warren, kont) nenberg —ant,a.—antly, —ance, —aney, a. stralluo,glaing. Rabble (rOeb1), a, grauw, jarbagel. Rabid (reb'id), a. dol. woedend. —Rees, a. dol. at. stralend. —ate (est), v. a. bestraleu; v. n. stralen. —ation )-es'sjun), s. atraitog. held, woedc, Radices 1 (red'fitt), a. grondwoord, grondstof, Rabies (ree'bi-iez), a. dolbeld. radikaal. —1, a. —11g, ad. oorspronkelij k; geheel . Rabinet (reb'i-net), s. veldetu.k, veldslang. —lions, a. stelnel der radikalen.—tity Raccoon (rek-koen'), a. wagchbeer. s. oorspronkelijkheid; grondigheid. —te Race (reel'), a. rae, geslacht, stem; wedloop, wedrea, eterke smnak- gear —coarse. reubaau. (-i lest), v. a. deep plauten .' doen inwortden. —lion (-1-kee'.jan), s. inworteling. —ginger, gemberwortel. —horse, renpaarii. —, iiadlcie (redvilti), a. worteikiern. v. n. harddraven, rennen. Raven, anon (res-a- , oee'sjun),s. trots; —of eggs, Radish (red'tsj), s. (re-mesa`), a. tros. —Vero. (-raft'- Radium (reidt us), a. radius, straal; [Teak. elerstok. Radix (ree'diks), a. wortel, ur-uo), a. troadragend. Rae er (ree'sur), a. wedlooper; reupaard,.-iness, HMI {reit), R. verwarde hoop; gespois• Raffle (relit , s. taker dobbellpel. —, v. a. doba. kracht, geurigheid. Rack trek"), e. rekker, scanner; pijnbank; folte- bales, rijfeleu (for). ring; rek; kapstok; spinru.teen; cull; braadbok, Haft (raaft')e a. viol. --'a-man, boutvlotter. —, wagenladder• vile dude walk; telgang: soured; v. a. op (ale) eon via vervoeren, arak; dutzendbeen,nagelbank. —rent, drnkkeode Rafter Craar'tur), s. dwarsbalk, dekapar. takbeut. pacht. —renter, die eene drukkende yacht be- Rag (reg"), a. vod, lamp, lor. —bolt, taalt. —, v. a, rekken, spannen; ptjnigen, fo)- —man, vaddenraper. —sorter. voddenuttzoeker. teren, uitmergelen; verwringeu; aftappea, kla- —atone, zandsteen. —wheel, kamrad. —wort, St. rep (off); a'. u. drijveu, gejaagd warden ale wol, Jacobs-kruld. ken); den telgang gaan. —er, a. rekker; pijuiger; l'Ingesnuftin (reg-e-mutila), s. schobbejak. ultzuiger. Rage (reed j), a. woede, razernki (for of ). Racket(rekli),s.raket;geraas,gebabbel,§ mem, v. n. woeden, razen, tieren. —fat, a. verwoed.

During this initial registration phase, you will be able to sign up for a Binance.US account and select the tier of verification required to achieve your desired withdrawal limits. Once verified, you will be able to make deposits across the initial selection of digital assets. Shortly after registration opens, we will provide an update detailing when trading will go live for specific pairs.
biliut; clog, shackles, fetters; pulley; suit (Wien); block-hesd. -bead, statue. -Au lt, biotichouse, prison. -Overiy , plodding. -lood, piglead. -noes, flat seam. -sehijf, pulley. -tin, block-tin. -wages, truck. -silver, silver in bars, - in wedges. -bennsaker, bloakmaker. Blokk ado, v. blockade. -wen, ov. w. to blockade, to block-up. -tering, v. blockade. -en, on. w. to plod, to toil. -er, m. plodder, toiler. Bland, by flaxen, light, fair. - en Haute class, to letter in black and blue. -harig,light-haired, with flaxen hair. -e, m. & v. fair man, fair woman. -e, v. blond, blond-lace. -je, o. fair
388 AlliehteP, on. w. to take (to lift, to pull, to throw) off. AflUvict, bv. dead, deceased, —warden, to die. maken, to kill. —heid, v. death. Atlikkets,ov. w, in lick off. Miner tier, rn. spy. —es, oy. w. Zie AlkUken nor, On. W. to decoy from, to call down, to draw from, to get by fair words, to pump out of. —er, m entirer, Altus lr. m. runni. , g (flowing) down; eb, ebbing; tiecuovion; OA, gutter; (Ascent, slooeoleclivity. end.. Inoue, termination, conclusion. —en, on. W_ to 'Wear out., — off; to run off; to overrun, to ravage, to waste; on w. to descend,, to run down, — WI; to flow down, to ebb; to gutter; to be launched; to run out, to go down; to turn out, to have an lease, to come to; to end, to expire, to terminate. --er, on. ravager. Altos bans.. by. redeemable. --ten, ov. w to relieve; to clear, to extinguish, to redeem —Per, no. reliever; redeemer, discharger. —sing, n. relief, relieving; redemption, di,charge. Aflolletereast,ov. w. to overhear. Allinriatten, on, w. to mow (down oft), to cat down. --er, m. mower. —ing ; v mowing. Alarankerr, on, at, to finish, to complete; to Bettl s, to arrange; to despatch zich — van, t. w. to get °tit's self excused. to rid one's self of. A finnten, ov, w. to finish grinding; to depict, to delineate. Afrnan en, ov, w. to warn of, to dissuade train. —etona dissuader. • dis ,inaslon. Afrixtteclietare,, on. a'. to march off, to decamp. Afmnrseh, in. march.ng off, retreat,decaropment, Aftnttrtet on: w to torment, to torture, to tr•lnre worry; to rack Afinatt en, o, w to weary, to tire out to epend. —ing, v, fat igto s weariness. Afrnelkoee, ov. w. to milk; to plume (to fleece) o. 0.; on, w to finish milking. Antreolireno ov, w. to override, to jade A fonergelen, on. W. to extenuate, to enervate, Aftner, ken, on, w. to mark. ev. w. to measure, to commensurate A Inlet to proportion, to calculate; anderen near zich zelcen --, to judge of others by one's self, —ing. citintlarion. Aftnetsulen, ay. w. to fittialtr. AfraUtien. on. w. to sell by inch of can 'le; to outdo a. o. (to get a thing) by eaying the word in a •u blic Bale A firtikfiscta, ov. a. to hit out, to guess right, to i 11.1
VOlgend. —lively ad. aohtereenvolgeue.—iveness peed. —an, s. wiNseehop. (-geet), v. n. a. on , 00repoedig, misiukt. stenimen; (with) tnstemmen met. —e ( trid.j), —or, a. opvolger; nazaat. stem,goedkeuring; voor beds. Sucelduous (auk.sidlne-ut), a. wagerieud. Suiffuntists to (eaf-fjos'inl.geet), v. a. berooken. Succiferoue )auk-alf'ur.us), a. saprijk. —tion a. berooking. Succinct (auk elugke), a. —4, ad. bekuopt. Saints a (suf.fjoez'), v. a. overgieten, oveedeks. beknoptheld. ken (wit/a). —ion (-tjos'aiun), a. overgieting„ overSuccor (euk'kur), a. hulp. bijstand. —, v. a. dekkiug; waas, schaaturood. helpen, bjjataan. —er, s. helper, —is a. hub- Suga- (sjoe'gur). a — of lead ,lboclauiktr. pelooe. —y, elehoree. baker, suikerbakker. —barley, aerate:mike, Stsece.bus (euk'kjoe-bus), a. dronnbee nacht. —basin, sulkerpot. —boiler. eulkorketel. —box, merrie. —dieh, enikerdoos. --candy, kaudijaulker. —cane, Succalen ce (suk'kjoe-leng), --cy, a. a. pigheid. autPerrlet. —house, suikerkokerti. —ladle, schen-t, a. eappig. lepel. —loaf, snikerbrood. —maple, auiker aStaeeumb (suk-kumb'), v. n. bezwijken .). horn. —mill, euikerinolen. sulkervorm. Succueva Lion (auk.kus-see'Njun), a. d at. —ion —nipper., —tongs, pl. Nuikertang. —pan, sulker(-kuerun), echudding, eehok. pan. —pea, suikererwt. —plum, Mein sulkergeSuch (anttj), a. & pr. sulk, zoo, — a ball (mutejes, bruidaulkers, one, die en die. — an, zij die. — are, bijcoor- riet. —refiner, suikerralinadadr. —refinery, mutbeeld. — like, dergelijke. kereatinadertj. —shell, yrouwentnunt. —sifter, Suck (euk'), a. (het) zutgen; zog, itnik. to give sulkeratr-offer. —trade, suikerhandel. —works, —, de burnt seven. —fiek„ zutgvisen. —, v. a. pl, suikerfabriek. —, v. a. suikeren, —y, a. suizuigen, inzulgen. —er, a. zuiger: zulgpijp; kerachtig, euikerzoet; van sulker houdend. viseh; echent, ultspruktael; onervarene, coon; Suggest (ang-dzjen'), v. a. ingeven, aangeven, suiplap. —er. v. n. van scheutjes ontdoen. —et Inblazen, aan de hand geven, vooralaan. —er, a. (.1t), a. bulletin, klontje (van saluerwerk). — jag. ingever, inblazer, aanrader. (-fun), a. ins• het zalgen; —bop, zulgpopje; —bottle, :tag- blazing, wenk. —ive, a. (of) inblazend, eon' wenk iiesch; —pig, speenvarken; inhoudend. zubCP..P• Sueki a (suk'kl), v. a. zogen. —lag, a. zuigeting; tataleld 1.11 (sjoe-i-eafdel), a. van den selfinoord. znigendiong. —e (sjoe'i said), a. zelftnoordizelfmoordenaar. Suction (suk'ejun),a. untiring. Stilt (sioet)), a. stel; pak kleeren; reeks; kleur, Sudat ion (tine-dee'ajun), a. zweetinst. —ory roam (In 't kaertepell; gevoig, Wet; verzoek, (siotede-tur•rih), a. zweetend; meet•; s. zn- set- verzoekachrift; aanzoek; recbtsgedlrg, prates, bad; broeikas. —, v. a. (doen) pawn; kleeden; voegen, betaSudden (and'dn), a. plotaeling, onverwacht. —, men; gelegen komew inrIchten, schikken, (to); a. on (of) a —, ploteeling. eenaklapN. —1y, ad. v. n. overeenkomen, panen (fo);overeehatemmen plotsellng. eensklaps. --neat, a. (het) ploteelinge, (with). —able, a. —ably, ad. paseend, voegzaana; on verwachte. overeenkometig, (to). —Ableness, a. gepaetheid, geSudorific (sjoe•dur-it'lk), a. zweetdrijvend. schiktheid. a. zweetmiddel. Suite (ewiet), a. gevoig,stoet; reeks, rtj. Scads (eadz),.. pl. zeepeop. in the —, in do klem, Suit or (sioet'ur), a. Nerzoeker; vrijer. —rena in het nauw. (-resal,s. verzoeltster. Sue (ajoe'), v. a. in reehten vervolgen; (out) uit Sulcate (eul'ket), (-kee-tid), a. net 'loran, werken, verkrkjgen; v. n. verzoeken, aauhouden gsgroefd. (for, ow). Sulk (sulk'). v. n. mokken, pruilen. —ily, ad. Suet (sjoe'it)„ a. niervet, reuzel, talk. —y, a. reu- —y, a, ge,eelijk, pruilend, mokkend. -tacos (-Izelig, tilkachtig. noun), a. gemeltjlcheid, pruiling, mokking. —e, pl. Suffer (armor), v. a. lijden (§y. from. with); uit- kwade luim. staan, dalden, verdragen, toelecan; v. r Itiden; Sullen (sul'In), a. --ty, ad. gernelijk, kuorrig, (for) boeten 'tool% —able, a. — ably, ad. dratel(jk, norech; boosaardIg; somber; treurig. droevig; —ablenese, a. lfjdelijkheid. ---ance, s. weerbarstig. —nest, a. knorrigheld, norschheld; Iiiden; geduld; toelating. — er,e, ilider; gedonger. eomberneid; weerbaretigheid. —1 (eul'inz), pl. toelater. — lag, e. Alden, pUn; Ilidtaamheid; toe - gemelkjkheld., kwadeluira. bating. Sally (suriih), a. smut, vlek. v. 8,. bevlekken, Suffice ieuf-fajz), v. a. voldoen, bevredtgen; (with) besoedelen. verechaffen; v. n. voldoende(toerelkend) zij a ( for) Sulphate (turret), a. zwavelzuur zout, Sufilletera Cy Ieuftisr-en-sib,, a. genoegzeateheld, Sulphur (sullur), a. aware!. —ate (-eat), v. a. toereikendheid; geachlittheid; eigenwaau. —t, a zwavelen. --ution (-ee'Njun), a. zeaveling. —eoue —fly, ad. genoegzaam, toereikend (for); geAchikt. (-fioe'ri-us), —one, —y, a. zwAvelig; zwavelachtig. bevcegd (for. to). —soueaese (•fjoel-ri-ue.), e. zwaveligheid; zwaStafflx (Nutlike), a. achtervoegsel. (-tike'), v. a. vrlachtigheid. —e (•fjoar), —et (-fjoe.ret),s. zwaachter aanhechteu. Tel verbinding. —is acid, z wavalrener. Sultana t• (autlo.keet), v. a, doen stikken.rno , Sultan (toti'teu), a. sultan. —a (-tee'ne), —ach e. ran. —lion (-kee'ejun), a. veratikking. —five, a eultane. veratikkend. loess (turtri-neaa), a. zwosIbeld; moor. einerrag am (3yr/re gen), A. ondergeschihi, he Suite. hitte. —y, a. renal, brandend heat. a. opvolging. —lets,

made. keen, — toupee, Lunt ertu, o. lanteraloo, lanterloo. etaan, — varen, — Lap, m. patch, shred; clout; remnant; rag, tatter; weten,— aim ale de t'erschillende werkwoorden. drunkard; slap, box on the ear. —pen, ov. w. to Lallerbuona, m. bar, beam. patch, to botch; to mend. —ent)der, botching LatIlJaa,o Latin. —ack,bv. Latin. tailor, botcher. •—teerk, patch-work. —woord, Loathes, v. bleeding. botch. —calf, bad delve; stuff. --eetieen, to quack; Laasinlet,tn.latiniat. to botch up, to repair roughly; to refit; to pal- Latoeu,o. orichalch, latten. Bate, to disguise. —salver, ignorant phy.iclau„ lLats, v. flap. quack: botcher. —zulverij, quackery; botching. Latter, or. w. to cover with 1 dile. —pedeken, patch-work quilt. —penseand, basket Late', v. letLiCe. fOrrOrd.RIIte,Ishread,ete —lienntarkt,rag-market, Laurier, m. -tree. —bee, laurel-berry. —bla4, laurel-leaf. —boons, laurel. -, here, laurelold-clothes market. lbszpie,, a. Zie Leap. roar het koaden, to make cherry. —teak, laurel-branch. —en, on. w. to crown with laurel. a fool of, to cheat. IT.tapper, na. Fetcher, botcher; mender; cobbler. 11A/twee, by. & bw. lukewarm (-17), tepid HY). —en, ov. & on, w. to make (to grow) lukewarm. v. patching, botching. Lardeer en, ov. w. to lard. —priem, larding- Lauwer, m. laurel, —krona, crown of laurel, pin. —speetje, [titre of bacon. —epek, —eel, o. laurel-wreath. —tak, twig of laurel. ov. w. lard, fat pork. to laurel, to laureate. Lurie, v. fudge.. fiddle-stick. —nicer, trithng Lauw held, v. —te, v. lukewarmness, lukewoman, gossip. warmth, tepidity. 1.arlan, on. w. to trifle. Lava, v. lava, —atrostn, torrent of lava. lLarliksboornt, m. larch. Eaves, v. lovage,loyage-brandy. Coach, v. piece; elect; jointur•, ream, scarf; Laveeren, on. w. to Javeer, to tack about; to notch; groin. —titer, —na s'el, two-inches nail, reel, to stagger. rotching-knife. double deck-naii. Level; v. leave. —es, on. W. to loiter, to keep Lasech en, ov. w, to join, to scarf. —lug, v. holiday. Leven, ov. w. to refresh, to comfort; to quench. joining, scariing. Lost, m. load, burden, weight; cargo; order, Eaveariel, v. lavender. mandate; charge; duty, tax; grievance, annoy- Lawaal. o. noise, hubbub. to ba ordered, ten Lawine, v. avalanche. arse, trouble. —in -- kebben, —e leggen. to charge with. —, 0. la't (two tuns). Cesar et, o. lazaretto. —if, v. leprosy. een eckp run 100 —, a ship of 200 tuns. —breken, Lazarus, m. I vsar„ leper. —huis, spite!, lazaretto break bulk. —balken, orlop•beams. —beest, to. —klep,leper's clicket. —dier, beast of burden. —brief, mandate. —dr.- Easureu,bw. azure, of lapis lazuli. gend, bearing a burden. —dreger„ porter. —geld, IL azuur„ o. azure, lapis tonnage, laatage. —giver, constituent, principal. Leh. Cobbs, •. rennet, rennet. —paard,pick-hoiee,aumpter horse.--poet,burden. Lebbig, be. tasting ' of rennet; spiteful, malici. —whip, transport, -ship. —*Dagen, waggon. 'v. taste of rennet; spitefulness, ous. La stage, • wharf. animosity. Lectuur, v. reading, perusal. 1Lasteloos, bv. without a mandate. Casten, or. w. to ..rder, to decree. Lade break. v. hard (painful) labor. —brakes, lLaster, on calumny, ',lender. —daad, Albany. ov. w. to overtire, to torment. —brakig, by. —dieht. slar.deroue poem, lamf oan.—mond,—fong, painful, toilsome. —breath, v. fracture of a limb. slanderous tongue, slanderer, detractor. —pen, Ledekant, o. bedstead. slandering pen. —cede, ea)uannlatirg defainatorY) Ledensan, re. lie Leenean —malen, uay. Zie speech. —aehrift„ libel, liMp0,11. -t 4e1, calum- Lidnattat. —nutter, m. bone-setter, surgeon. slander, abusive language, blasphemy,.—ziek, —pop, v. puppet; lay-figure. slanderous. - zeckt, slanderousness, pronenees to Leader, o. leather. —bereider, ler.ther-dresser, calumny. —aar, gin. —aa , eter, v. calumniator, currier. —goal, leather things. —kor,per, skinner, plunderer, defamer, detractor. —.lastly, cv. ca- fell-monger, leather-dealer. —achtig, hv. like lumnions, slancieroue. ov. w. to calumniate. leather, leathery. en, bv. leather. to slander, to derame, to blaspheme. —lug, a. Ledsivratter,o. Pynovia. slander, 'slandering, detraction; blaeplaemy. Ledifi, by. empty, void, spare; unoccupied, bv. & bw. caluinniatury, slanderous (-1y), Was- to idle. to be out of —e tijd, leisure. — phernous ( , 1y), work. —, bw. idly, without employment. —gang, Lostlfg, hr. troublesome, burdensome. — vaiten, idleness, ditemp,nynnent. —ganger, idler. —mato trouble (urn, tor). —held, v. troublesome- ken, —en, on. w. to empty. —head, v. emptiness; idleness. —ing, v. emptying. Cat, r. lath. —Icerk, lath-work. o. Lead, by. ,net —e oogen, with regret. T. ntafel, v. cheat of drawe , s wrong, hurt, harm, grief, injury. —let duet ov. w, to let, ‘e leave; to allow —, to —, I am sorry for it. —dragead, by. mounting. permit to 'lifer to; to leave off; to bid, to —wesen, o. regret. order, to command; to bleed, to let blood; to Loaf regal, m regimen, diet. life•time, heave (een zucht); (era wind) to break wind. — age. —toekt, provialons, victuals. waken, to get made, to cause (to order) to be Leog, be. Zie Ledis. —loopen, to empty one 'a
Penates (pe-neetiez), pl. huisgoden. Pedicle (ped'ikl), s. steel, atengel. Pedicul ar (pe-dlk'joe-ler), —out, a. luizig. Pence (pens), p1. stulvers. Zie Penny. Pane11 (pen's11), s. penseel; potlood; griffel.—ease, — disease, luisziekte. polloodkoker. —cloth, —rag, penseelPedigree (ped'i-grie),penseel-, s. geslachtsboom. witch. —, v. a. teekenen, achilderea. Pediment (ped'i meat), a. kroonlijet. Pedier (ped'lur), s. rondventer, marskramer. Pendant (pendent), s. oorbel; wimpelhanger. —ess, s. rondventater. —y,s. marskramerth mars- Peuden ce (pen dens), s. helling, overhelling. ktamerswaren. —cy, s. uitstel, opechorting. —t, a. hangend. Pedobapt Ism Ipl-do-bep'tlzm), a. kinderdoop. at-, overhangend. Pend ice (penidls), a, afdak. luifel. —ing, a —let, a. voorstander van den kinderdoop. Pedometer (pc-dot:WI-Mr), s. weg-, achreden- hangend, onbeslist. Pendul on. (pen'djoe-lus), a. hangend; besluimeter. tih), —ousness, a. Pedun cie (pe-dung'kl), a. bloem-, vruchtsteel. teloos, onzeker. —osity a. ginger — cular (-kjoe-ler), a. ran eon' stengel. —culate hangende stoat; onzekerheld. (-kjoe-let), a. geateeld. (eener klok); —ball, —bob, knop aan den clinger; punttang. —pliers, Peel (piel'), s. schil; schietachop (bij bakkers). —clock, slingeruurwerk; —, v. a. pellen, schiller; plunderen; v. n. ver- Penetra ble (pen'e-tribl), a. doordringbaar. a. doordringhaarheid. vellen; afschilferen. s. peller, Wittier; plun- deraar. —ings (-iengz), p1. sehinen. —ncy (-tren-s1h), a. doordringendheid; doorzicht. Peep (piep'), s. (het) to voorschijn komen; blik; —nt (-treat), a. doordringend; acherpzinnlg. —te giurende bilk- aanbreken (van den dog). —hole, (.treet), v. a. doordringen (with); doorgronden; v. n. doordringen (into). —lion (-tree'sjun), a. kijkgat. —, v. n. gluren; te voorschijn komen; doordringirgg; doorgronding; scherpzinnigheid. uitkomen; aanbreken; piepen. (at) begluren. ( forth) roar den dog komen. —er, a. gluurder; —tire (-tree-tiv), a. doordringend; scherpzinnig. kijtglaa; nog; kuiken. —tiveness ( tree-tiv), s. doordringendheid; scherp • zinnigheid. Peer (pier'), s. gelijke, wederga, makker; pair. —, v. a. gelijk steller; v. n. te voorschijn Ito- Penguin (pen'gwin), a. vetgana, pinguin; wilde men; aanbreken; loeren, glares. —age, a. pair- ananas. achap; (engeltehe) rijksadel. —ess, a. gemann Peninsula (pen-in'ajoe-le), a. Echiereiland. --e, a. van een achiereiland. eens pairs. —less, a. —lessly, ad. onvergelijkeltjk, Peniten ce 1pen'i-tens), —cy, a. berouw, boete. weergaloos. —lateness, a. onvergelijkelijkheid. Peevish (pie'visj), o. —ly, ad. knorrig, gemelijk, —t, a. --tly, ad. herouwhebbend, boetvaardig. korzelig. —ness, s. knorrigheid, gemeltjltheid. —t, a. boeteling; biechtkind. —Ha/ (-ten'ajel), a. boetvaardig; boetc-; a. penitentie-boek. —tiara Peg (peg'), a. pin; vioolschroef; stoot. —top, tot. (-ten'sje•rih), a. de boete betreffend; a. boet—, v. a. pinnen, vastpinnen. — priester, hiechtvader; biechtatoei, boeteling; verkersels. Pegasus (peg'e-sus), s. Pegasus. erh hed Pegmatite (peg'me-tajt), s. (so (soonvan),.graniet. Penn ached pen'nesjt), a. bout geatreept. ant (-nent), s. takel, hijschtouw; •impel. —ate (-net), Pekoe (pek'o), s. peceo-thee. Pelagic (pe-led'zjik), a. van de zee. —ated (-neet-id), a. gevleugeld, gevederd. —er, s. Pelf (pelf), a. schatten, rijkdoro; mammon. schrijver; pennenkoker. —Um (-ni-less), a. arm. —non (-nun), a. vaantje. Pell4nan (pel'i-ken), a. pelikaan. Pell et (per lit), a. balletje; prop. —icie(-ikl), o. Penny (pen'nih ► , s. stuiver; penning. —a-liner, vliet, huidje. —itory (-11-tur-rih), a. muurkruid. echrijver. —father, duitendlet. —grass, —weed, (pet-mel'), ad. verward, door elkander. penning-, luiskruid. —post, stuiverapoet. —royal, Fells (peh ► , p1. perkementen molten, clerk of the —, kruizemunt, vlooikruid. —weight, penninggespaarzaam in wicht. —white, zilverwit. boekhouder btj de achatkamer. Pellucid (pel-ljoe'sid), a. doorschijuend. —ness, kleinigheden. —worth, kleinigheid; koopje. Penside (pen's11), a. hangend, zwevend. —ness, a. doorschijnendheid. s.vel,onbereide huid; slag. —monger, s. hangende toeetand. huidenkooper; peltertjhandelaar. —wool, doode Pension (pen'sjun), a. jaarwedde; kostgeld. —, wol, sterfwol. —, v. a. werpen, smijten; v. n. v. a. peneioneeren. —ary, a. gepensioneerd; B. razen, tieren. —er; a. werper, amijter; razende; gepensioneerde; pen,ionaris. —er, a. gepensiovrek. —ing, a, geraaa, getter; a. armzalig. —ry, neerde; gewoon student (te Cambridge); ligtra(trih), a. pelterij, boot. ensive (pen'aiv), a. —ly, ad. peinzend, zwaarPelvis .(pel'vis), s. bekken. Pensive Pen (pen'), a. pen; hoenderhok; Echaapskooi. moedig. —nest, a. stIlheid, ernst; zwasrmoedig-case, pennenkoker. —holder, pennenhouder. held. —knife, pennemes. —man. schrijfmeester; achrij- Pentacapsular (pen- te-kep'sjoe-ler), a. met vijf zaadhuisjes. ver. —manship, s. schrtjfkunst! (het) schrijven. —stock, verlaat, duiker. —wiper, pennenveger. Yenta choral (pen'te-kord), a. vijfanarig speelMtg. — gen ( gon), e. vul'hoek. —gonal (-teg un-, v. a. echrliven; opstellen; opslutten (up). net), a. vijfhoekig. —meter (,tem'i-tur), a. vijfPenal (pi'nel), a. atraffend; straf-. —rode, wet- roetig vers. —njular (-ten'gjoe•ler), a. vijthoektg. bock van etrafvordering. —law, atrafrecht. —ly, --rchy (-aar'kih), s. vtjfmanschap. —oast (-spent), s. straf; boete. s. htjechtoestel met vijf katrol len. ---etie/c (-atik), Penance (pen'ens), a. boete.

cryptogeld om te investeren in 2019


In January 2015, the company received a US$75 million investment, led by Draper Fisher Jurvetson, the New York Stock Exchange, USAA, and several banks.[20] Later in January, the company launched a U.S.-based bitcoin exchange for professional traders called Coinbase Exchange.[21] Coinbase began to offer services in Canada in 2015,[22] but in July 2016, Coinbase announced it would halt services in August after the closure of their Canadian online payments service provider Vogogo.[citation needed]
boven (over). —ion (-strnk'rjun).. —are (-joer), 0. laten, verzwijgen. —ion (-preaj'un), a. onder druk(het) overheat. bouwen; bovenbouw; gehouw. king; ophefflng; achterhouding; weglal ing; —lee, a. bovenop gebouwd. opetopping. —lee, h. (of) onderdrnkkend; wagSuperven • (ajoe-pur-vien'), v, n. bijkomsn; on- I &tend, —or, a. onclerdrukker; weglater; var. eerwachts plaits grijpen. --lent (-vi'ni.ent), a. berger. ) bekomend. —tlon (-ven'sjun), a. (het) bljkomen; SUPpura te (sup'pjoe-reet), v. a. & n. (dote etteren. —lion (-rmeejun), a. tittering. —tire, a. onverwachte tusechetkomet. Supersils a (sjoe-pur-vaje), v. a. opzicbt hon. & a. (taming bevorderend (middel). den over; nog eons nazien. -.ion -',11zraii), a. op- Supput Minn (aup-pjoe-tee'ej un), a. berekentnil, omslag. —e (-rjoet'), v. a. berekenen. :lc ht. —or (- 'farm), a. opziehter. Supinlat ion (sjoe-pi-neetalun), a. aehteroverlig- Supra mundane (ajoe-pre-men'deeu), a. botenging, - bulging. —or (njoe'pi.nee•tur), a. aehter- aardsch. —naturalism (-nat'joe-rel-ism ►, a. Lie Supernaturalism. waarts draatende spier. Supine (sjoe-pajn')., a. aehteroverliggend; traag; Ssaprem acy (ejoe-prem'e-sib), a. eppergezag; a. hoogate rang. —e, a. —ely, ad. (-priem%), achtelooa. —(ejoe'pejn), a. aupinum. I hoogat, opperst. aohteroverliggiog; traagheid; schteloosheid. Supped Mill00 ,111111 giap-pe-deent-um), a. onder de Surat ',else rel.), a. van de butt; knit-. voeten. —itate ( ped'i-teet), v. a. (with) verschat. SUleMilate (sloe'rene),.. verzekering. S urbane (eur' bees), a. rand (kraag) op de hada. ten, voorden van. Supper (aup'pur), e. avondeten. the Lord's —, Surcease (sur-sies'), v. a. & n. (doen) ophouden. het being Avondmael. —hoard, —table, seupt- Surcharge (sur-te(aardzj"), a. overiading; overveaging. —, v. a. overladen, betwaeen, —r, e. tafel. —eanterbury, dltafel bij een eoupa. —time, ov minder; bezwaarder. tijd voor het avondeten. —less,a.zonder avondeten. Supplant (cup-plant'), v. a. verdringen, den Surclugle (sue/ling-e ► , a. overgordel, buikriem. voet lichten, —alien (- ee'ejun), a. verdringins, Surele (auv'kl), a. loot, aeheut, rijaje. onderkruiping. —er, a. verdringer, onderkruiper. Surcoat (auekoot), a. overjaa. Supple (gup'pl), a. zacht, lenig, slap; buigzeam; Surd (anted), a. doof; dot; onmeetbsar. gedwee, onderdanig, kruipend. —, v. a. & n. Sure (sjoer'), a. zeker; trouw; veillg. to be —, wel zeker, zonder tw(itel. be — to do it, doe bet lenig (hutgzaam, gedwee) makers (worden). took. to make — of, verzekeren van; in slat) macht Supplement (aup'ple ment), a. WI eoeggel, attn. krijgen. —ly, ad. zekerlijk, atellig. —nese, a. hangsel. —, v. a. aanvullen, btivotlen. —al zekerheid. —ty, s. zekerheid; veiligheid; wear(-ment's1), —ary (-neent'e-r1h), R. sawn:dead, ale borg, borgtoeht; borg. —tyship, a. (het) borgstaan; bijvoeggel. borgtocht. Supple aces (sup'pl.nees), a. buiglaamheid. Surf (aurf). a branding. —tory (-Cur-rib), a. aanvullend. Suppliant (sup'pli-ant), a. & a. —ly, ad. Zie Surface (eur'fea), a. oppervlakte. Surfeit (surlit ► , a. overlading (der maap); z atSupplicant. held. —water, maagdroppels. —, v. a. & n. (de Suppliers nt (sup'pli-kent)., a. —ally, ad. emee • maag) overladen; rat maker (worden. —er, a. trend, verzoekend. —at, a. amoebae, verzoeker. gniztgaard, bragger. —te (-keel), v. a & n. nederlg vereoeken. —lion Surge (surd*, a golf, bear. —, v. a. laten schie(- kee'ajan), a. anneeking, belle; ameekschrift. ten; v. n. goiven, hoog gun. —tory (-ke-tnr,r1h), a. emeekend, verzoekend. Supply (aup.plaj-), a. verzorgitm versehaffing; Surgeon (eueddun), a. beeimeeeter, chirurgijn. huip, onderstand; toeiage; versterking; vom reed; Surg ery (euedzju. -ih), a. heeikunde. —lent (-dsjikl), a. it oelkundig. —y (-dzjih), a. golv end, eanvoer. —, v. a. verzorgen, verschaffen, yourhol, onatuirnig. den, (with); ondersteunen; aanvoeren; vervangen. Support (cup-poort'), a. ateun; onderateuning; Surl Inns (sur'll-ness), a. norachheld, knorrigheid. (-lojn), a. lendeatuk, —ily, ad. —y, a. levensonderhoud. —, v. a. ondersteunen; onderhouden; uitataan, verduren, verdragen. —able, norcch, knorrig, stuurseb. a. drageitjk. —ableness, a. dragelijkheid. e. Surusiee (ear-majz) e. vennoeden. v. a. vermoeder, etch vet beelden. —r, a. vermoeder. ondenteuner; onderhouder; ateun; verdediger; bow. bunion; schilddrager. —tees, a. zonder ondereteuning, Surmount (our-maaunt'), v. a. te a. overwinuen; overtreffen. —able, te haven te hnlpeloos. Suppos able (gup-po'zibl), a. te onderstellen. komen; te overwinnen. Surname (eur'neem), s. toenasm, geelachtanaatn. (-poor'), v. a. —e —al (-gel), a. onderatelling. (neem'), v. a. can' toanaam geven. —d (-neemd), onderstellen, meenen, wanen. —er a. cna. bljgenaamd. dereteller, vermoeder. —ition (-zisrun), o. onder—able, a, stalling, vermoeden. —itional (-zisj'un -), a. on- Surpass (eur-paaa"), W. a. overttellen. a. —ingly, ad. voortrel!eiljk. te overtreffen. derst eld ad. Surplice (sur'plis),s. koorkleed. —ly, Supposititious (sup poz-t.tietut), a. gewaand, ingebeeld; ondergesehoven, onecht, ' Surplus (sur.plue), a. —age, a. overechot, toegift. I in —, dearenboven. —nen, s. denkbeeldigheid, oneehtheid. overSuppoolt inc (*up-poet-fly), a. —ively, ad. on- Surprls al (war-prier eel). —e, a. verraoaing; dersteld, vermoedelijk. —cry (-tur-rik), a. zetpil. rompeling; verbazing. --e, v. a. verratteen; overSuppress (anp -preee), v. a. onderdrukken, be- rompelen; verbozen. —lap, a. —ingly, ad. verdwingen, stutten; opheffen; achterhouden, wog- wonderlijk.
447 offend, to give offence to; to irk; sick t. w. to take offence (eau, over, at). be. & .) bw. offensive (-1y), irksome (-1y), scandalous (-1y). —1Ukheid, v. offensiveness, irksomeness, scandaloneness. — nit, v. offence, scandal. Erken nen, ov. w. to acknowledge, to own, to avow, t9, confess, to admit. —sing, v. aelmowledgemet.t. be . thankful, grateful. —teIiikkettl, v. thankfulness, gratefulness, gratitude. —testis, v. conception, perception, return for a favor; tie ErhentelUkheld. LI flanges:, or. w. to 'minim, to get, to obtain. Ernst, m, earnest; seal. in alien —, in sober earnest. — zaak, serious matter. —haitig, be. & bw. grave (-1y), sedate (-1y), serious (-1y). —haltigheid, y. gravity, eedateness, seriousness. —ig,bv. & bw. earnest (-1y), serious (Ay), grave (-1y). —igheid, v. earneetneee, seriousness. Erte, o. ore. —rigs, abounding with ore. Ervar en, ov. w. to experience; to learn. —en, be. experienced. expert, skilful, skilled, wellversed. —enheid, v. experience, expertness, skill. —ing, v. eeperience, practice; information. Etrve, v. appurtenances. —foes, be. heirless. —ft, inv. heirs. —n, ov & on. Tr to inherit. Erwt, v. pea. —embed, pease-plot. —endop, pea'scod. pea's-shell. - eioneel, pease-meal. —enrija, prop for peace. —ensoep, pease-porridge, peasesoup. —enstroo, p ease- haum. Escedron, o. squadron. Each, m. ash, ash-tree. Eska/der, o. squadron. Esp, m. asp —.bled, aspen leaf. —e5oorn, asp tree. —.about, aspen wood. —enheuten, aspen. —Woof, aspen leaves. Eseche boons, in. ash-tree. —shout, ash-wood, —sihouten, ashen. —nloof, ash-leaves. Easeleur, m. assayer. Eatrik, m, square brick. Elen, o. eating; food; dinner, supper. —, ay. & on w. to eat; to dine, to sup. —Oaks, seed- box, trough. —.kat, pantry, buttery, safe. —laird, dinner time, supper-time. Ever, m eater. Et raven, o. after-growth, after-math. Ether, m. ether. —tech, by. etherlal. Et usual, o. natural day. Eta ass, or. w. to etch. —(izer —naaid, etchingtool. —kunst, etching. —pfaat, ' etch-engraving. —er, m. etcher. —tag, v. etching. Et teltike, tw. some, several. Etter, m. matter, pus. —bcrst, empyema. —buil, imposthume, abscese.—dracht,suppuration.—gnat, fistula. —gezwel, aposteme, abeam. —prop, core (in au abscess). uurnient phlegm, matter. —word, suppurating wound. —zak, cyst, abecese. —achtig, be. inattery, purulent. —en, on. w to suppurate. —ig, by. purulent. —ing, v. suppura• tion. Eunjer, m imp, evil spirit. Envoi, o. evil, disertee, Unit. —, by. evil, bad. —, bw. ill. —disiden(opneesen), to take amiss. —dead, crime, wicked deed. —mocd, rashness, pride, in. sol -ace. —ssoedig, rash, proud, insolent. Evangel le, o. Gospel; het — prediken, to evau• golize; —dienaur, minister of the Gospel; --leer,

a. bedervend. —less, a. onbederfelijk; onamkoopbartr. —1y, ad. bedorven, snood. —ness,: a. bedorvenheld. Corsair (kor'seer), s. zeeroover; roofschip. Corse (kors. bonen), s. lijk. Corselet (kors'itt), a borntharnan. Cornet (kor'sir), s. korset, bears. Cortege (kor'reezj), s, stoet, gevolg. ieal, —irate fort ex (kor'teks), R. sehars. (-ti ket), —irate , / ( ti keet'id), R. 1,ChOrtiRChtig. —ieose ( ti koos'), a. banOg, mehorsig. Coronet' sat (kttr run'kent), a. flikkerend. —te ( beet), v. n. tionkeren, blikkeren. —lion (korus kee'njen), s. flikkering. Corvette (kor vet'), s. korvet. • Corvine (kor'ain), a. raafachtig. Corynab (kor'im), a, bezientros; bloemkroon. —ifei.ous ( Wrier-us), a, tronsen• (bloemkroon ) dragend. — Maus (im'bjoe-lus), a. kleine trosnen hebbend Cosecant ,koesi'kent), s. medesnijlijn. Cosey (ko'zih), a. geborgen, wermpies, beha--its,
Krnnk, bv. ill, indisposed, dizeand, sick. —bed, with currants. —eukakker, punctilious person crazy, mad. —hoof- coward ; close-fieted fellow. eick-bed. —hoofdig, craziness, madness. —eine Keep (Ozer, 0. crisping-iron. —pee, ov. w. to digheid, madhouse, crisp. nige, madman; —ngestieht, Krenk, v. —el, v. fold, wrinkle, rumple, crumple, lunatic asylum, bedlam. Kiranke, m. & v. patient, sick parson. —nbezoek, pucker. —elen, —en, or. & on. w. to wrinkle, to rumple, to crumple, to pucker, to ruffie. visit to a patient. —nbezoeker, comforter. —nbe—elig, be. crumpled, ruffled. —er, m. rumpler, zorger, overseer of an initreaery. —nbewaareter, erompler, ruiner. —ing, v. rumpling, crumpling, nurse. ruffling. Kraal& held. v. —te, v. illness, indisposition, Kreutlers, on. w, to groan, to whimper. eich disease, sicaoess. Kraus, m. wreath, garland; cornice, festoon; t. w. (can) to care, to mind. chaplet; circle, club, society. — kruid, sweet Krenpei, be. cripple, lame. — loopen, to halt. —beach, ticket, copse. —gra., knot-grass. —boat, marjoram. —lijat, cornice. —werk, festoons. —en. underwood, — riins, doggerel - rhyme. — achtig, ha. or. w. to wreathe, to garland. o. circle, somewhat lame. —held, v. crippleness, lamene.s. club, society. Kraut, v. newspaper, gazette, paper. —enberieht, Krene„ v. notch, cross-groove; core. advertiserneht, newspaper - report, — endruhker, Keevel, v itch, itching. —en, ov. w. to itch, to prick. —kruld, —sand, herb (seed) that causes are printer of a newspaper. —endruaerii, newspaperprinting-office. —enjongen, news - boy. —eniezer, itching. —fag, v. iich, itchinr. reader of a newspaper. —enntan, news-man. —en- Keib , v. manger, crib ; shrew, scold. —werk, bavtn. nreuws, news, newspapeereports. Kceibbe„ v manger, crib. —bijten, to have the Keep. v. madder ; clesp ; pork 'a eteak. Kresp. Xrapies, bw. closely ; tightly; narrowly, tick. --biter, crib-champing horse, crib-biter; crabbed (peevish, irritable; person. —bigster, scarcely, sparingly. —kat, shrew, scold, irritable woman. Kraig. by. hale, vigourous. brisk. Krebbelen, ov. w. to scrawl, to scribble; on. Kens, kris en —, by all that is holy. w. to be always quarrelsome. %erne., v. scratch. —Nen, on. w. to scratch, to scrape ; to croak; to spatter. —get, pocket-hole. Krlbb ere, on. w. to be peevish, — cross ; to --rjzer, worm. —her, m. scratcher, scraper; worm; quarrel. — ig, by. peevish, froward, irritable, fretful. —igheid, v. peevishness, fretfulness. sorry fiddler. Kraal, o. hindpart, movable hack (of a cart, etc.). Kriebel en, on. w. to itch, to prick. —schrift, cramped writing. Krtiter, m. creter. Kinney, v. scratch, —el, nil. crooked fork, cramp. Kriek„ a. cricket; black cherry, —eboom, blackiron ; nail, clutch, paw. —en, cv. w. to scratch; cherry-tree. Krleken, on. w. to dawn. —, o. day-break, scratcher; —liter, v. to rebuke; to extort. —er, m. dawn. reviler; extortioner. o. trash, Kriel, 111. & a. dwarf, pigmy, shrimp. Krentonr, 0. creature. stuff, refine, outshot. —haan, guinea-cork; —hen, Kreb, v. Zie Krib. openen guinea-hen zie KrIeltje. —, ha. petulant, wanKradiet„ o. credit; trust ; esteem. een on. w. to swarm, to crowd, to be full letter of ton. —en, bfj, to lodge a credit with. —brief, of. —held, v. petulance. wantonness. —tje, o. credit. Kireelt, m. lobster; crab; cancer. —engang, crab 's small chicken of a small breed. walk ; den — gaan, to go backwards. —sdieht, Kriernel sae, m. —aareter, v. trifler, sluggard; haggler. —en, on. w. to lounge, to idle; to hagpalindrome. --soog, crab 'a eye. —ssehaar, claws gle. --ig, by. sluggish, slow. of a oobster. Kreek, v. creek, cove, bay. Krieuveel, v. itch, itching. —en, on. w. to itch, Kroel, v. lace, edging, galloon, —en, ov. W. to to prick. —ing, v. itch, itching. Krieael, v. (tiny) bit, little. !ace, to edge. Kr1,10e, m. war. — voeren, to make (to wage) war. Kreet, m. cry, outcry, shriek. —voerend, belligerent, at war, engaged in war. Kregel, by. & bw. fretful ( - 13, CrOhS (Ay). peevish peevish kop, —zoehtig. warlike. — a - tin eam.),—artskei, article ar,Fcry ( - ily), crabbed ( - 1y). — of war; —bonier, —vaan, banner; — basuin. — Ma per,on. crab. --heid, v. fretfulness, croseness, raca, —trompet. war-trumpet ; —bedrijf, —daad, pevie,hlierm. — iy, ho. Zie Kregel. —igheid. v. feat of arms, exploit, achievement, warlike acZie Krogelheld. tion; —behoeften, —voorraad, ammunition ; —be. K retie, m. circle. —Orievert, circular letters. leid. tactics, military talent ; —betide, troop ; ra. cricket. —en, on. w. to chirrup. —bode, herald; —boutokettet. engineering, fortifiKrssrg, o. carrion. cation ; —bouwicundige, —bouterneester. engineer; Kering on, ov. & on. w. to careen, to heel, to —deugd, military virtue, heroism; —dieeet, give topping to ; to bend sideways ; to higgle. mervice ; —eed, military oath ; —eer, mili—lag, v. careening, heeling. tary honor; —fakkel, torch of war; —gebrizik, cusKrenk en, or. w. to hurt, to grieve, to mortify, tom of war; —gedruisch, —rumoer,tclamor (din, 1,, 'offend. to prejudice, to !More. --end, by, oftumult) of war; --geluk. chances of war, military fensive, hurtful, (to). — er, m. offender. injurer. success; —gereedsehap, inetruments'of war, — ing, v. grieving; grief, offence ; mortification. K re n t, v. currant. —enbrood,—enkoek, bread (cake) warlike implementfo—geroep,war-cry,war-whoop;
lead. —1(ist,—stuk, abacus,—mantel, cloak, mask, degnise, pretext. —riot, —stroo, hawm, thatch. — schild, wing-shell. --stem, ledger, coping-brick. —stet, woes- pillar, stanchion. —cart, body-color, opaque color. Mikan, v. blanket, qr lit, coverlet. —, ra dean; master. —achap, o, deanship, deanery. pek ken, ov. w. to cover; to clothe; to slate prat islet), to thatch (mat shoo), to tile (net pantsex), to shingle (met harden); to Wend, to protect; to shade teens teaming); to leap, to line; to answer (eon wised), to make good, to reimburse. de !apt - to lay the cloth. gedekt ace, to have security. —tar, in. coverer. —king, v. covering; security, reimbursement. —eel, u. cover, covering; lid; raiment; cloak. Del. v. dale. D•ltitof, v. mineral. —fel0k, by. mineral; HA, mineral kingdom. DeIg an, or. w. to eradicate; to pay, to sliek. —kg, v. eradication; payment, sinking; —.fonds, einking-fund. Delling,v. Pie Del. Doluw, bv. livid. Deli/ en, ov. w. to dig, to delve; Male de aarde —, to bury. —or, in. digger, delver. —big, v. digging, delving. Damp en, ov. w. to extinguish, to quench; to smother, to quell, to euppreso; to deaden (the sound ot); to fill up; to haul up (stn m. extinguisher, quencher; queller, suppteseor; mute. —ig, by. pursy, broken-winded. —20464 v. pursineee. —isg, v. extinguishment, extinction; suppression; filling up. Den,I. the; to the. Den, m. fir. fir-tree. —neboom,11r-tree. —nenboseh, forest of fir-trees. —nershost, sir-wood. —nen, by. of fir. Dank biter, by. imaginable, conceivable. bearacid, a. conceivableness. —el0k, by. probable; bw. probably, likely. — en, ov. & on. w. to think (of); (arm) to remember; to consider, to reflect, to muse, to ponder; to believe. to suppose, to imagine. to fancy ;• to judge, to intend, —beeld, idea, notion. teeldig, imaginary, ideal. —kraeht, —vernsogen, faculty of thinking, intellectual power. —mijse, manner of thinking; opinion.—end, by. thinking, rational. —er, m. —ster, v. thinker, reaeoner. speculator. Dior, 1. of the; to the. Deed*, by. third. —, m. third person, umpire. - v. tierce. o. third (part). —deer, third part. bv. two and a half. —ndaapsch, ha. tertian. Doren, or. w. to hurt, to injure, to harm, to ail; to give concern, to mike sorry. seal deert x ? what ails you? what is the matter with you? Dergeilik„bv. such, such like, similar. Derkelvo, bw. therefore, conaequently. Dermate, bw. is such a manner. so mush. Dorsi*, v. stratum of clay below the mud. Dart/en, tw. thirteen. —de, by. thirteeath. —dehalf, bw. twelve and a half. —tarsal, bw. thirteen times. —tai,o. (number ef) thirteen. Dertig, tw. thirty. —deep, by. of thirty days.

Wat is een Monero portemonnee


eoolai or ,,cute,; doat. -.necked, dik van hale; haissterrig. -planted, dicht geplant. -scull, botterik. -trailed, -witted, dont, stomp. -set, dicht beplant; gedrangen. lomperd. -sprung, dicht opgeschoten, -staff, aware plank, zwalp. 'wager, !drawer,. -ea (thik'n), v. a. & n. &It ryt..ken ( warden), verdikken. - et (-It), a. kreupelbosch. -iah, a. dikaAtig. -ness, a. dikte; dicht'arid; stomphqd. (thief';, a. diet -catcher., -taker, Mavenleider„ Thiev a (thiev'), v. n. etelen. -cry (-ur-ih), a. dievert), diefetal. -ish, a. -ishly, ad. diefaehtlX. -istness, s. dhlachtigheid. Thigh (thiii'l, a, dij. -bone, dijbeen. lamoan. -horse, -er, n. larnoenpaard.
Man en, or w. to dun. -er, m. dunner. Mennosoliftin, m. moon-shine, moon-light. Mangel, m. mangle, rolliog-press, calender. o. want, lock, absence. - bard, mangling - board. -good. mangle - clothes. -hale, mangliee-house. -homer, mangling-room. -rot, -stok, manglingroll. -190.0, mangler. -ear, m. -.twitter, v. mangler, caleeiderer; barterer. -en, or. w• to mangle, to amender , on. w. to be wanting; to barter. -icy., v. msngling ; bartering. Manlier, v. manner, way, fashion. -.1b1c„ bv. mannerly, polite. -ltikheid, v. mannerliness, good manners. Manifest, o menifeeto, manifest. !tinning, v. dunning. Monk, by. halt, crippled, lame. - gaan, to halt, t3 limp, to claudieate. -held, v. halting, cripple... lameness. SanniUk, hr. male, manculine. viral, maul) , --, bw. manly, manlike. -held, v. matioulinenese, virility, manhood, manliness. Monate. o. manne. Mgennekm. o. little man, boy, mannikin. Miennelkik, by. & by. -held, v. Zi•e -held. Messes, on. w. to take a husband, to matey. Mannetin, o little man, boy; male - en wWje, waken, to copy mimale and female. - voor nutely, -stroke by atroke. -skonijn,buck-cabbit. --amvsch., cock-marrow, - scoot, large nutmeg. 1111nnsilli, v. woman virago. he is not to 111 sum, kW. able. AU is toll wet
Hauleer en, so. w. to handle. —ing, v. handling; ze Tit:a:e. v. Hanseatic league. —stad, Banns-town. Clap, ter. bite, snap; bit, mouthful. —.Maar, catahnoll, 'leper en, on. w, to falter, to stick, to hesitate; to be wanting. —ing, v. faltering, hesitation, hitch ; want. llapp en, ov. & on. w. to snap, to snatch, (ne.. , at). br. & bw. greedy (-11y), eager (-1y). —ighesd, v. greediness, eagerness. Dar, v. hingie. de deur shoat op eene —, the door fa a•jar, — upon LOA, Hord, by. &, bw. hard; strong k -13r), violent (-1y), severe (-1y), harsh (-I ); load (-1y); grievous (-1y), afflicting; (arm) hard up. — brood, stale bread. Mop., to walk (to run) fast. —maken, — worden, to harden. --bekkig, —bittig, hard-mouthed. —draven . to rare, to run (to trot) a race. —drover, race-horse. —draverij, race. —handig,bard- handed., rough. --teandigheid, v. herd-handedness, roughness. --hoop& numekull, blockhead; obstinate person. —hoofdip, stupid; headetrona, heady, obetinate. —h-iofdsgheid, limpidity; headstrongness., headinese, obstinacy. —hoorig, dull ithiek) of heemig. —hoorigheid, hard hearing, thickness of hearing. —teerend, dull (of comprehension). —leerendheid, dullness (of comprehension).—lijvig, coot-lye. coetivenees. —looper, runner, racer. —nekkig, by. at, hw. obstinate (-1y), stubborn (-Iy); Inveterate (-1y). —nekk:gheed, obstinatty, eta b bornne5s; inyeteracya•rijden,o. racing. --eteen,free-stoue.—steenea,(or)free-etone.—vochttg, hard-hearted. —vochtigheid,herd-heartednees. —seilerij, regatta. --seiler, fast-galling vessel. —achtig, be. rather hard. —ebol, ce. obstinate fellow. —ebollen, on. w. to knock the heads against one another; to dispute keenly. —en, ov. w. to harden; to stand, to endure, to bear. —held, v. hardness; strength, severity; harshness, vehemence, grievousneee. —igiseid, v. hardness; hard Revelling, callosity. II rasre^u . b4. hair, made of hair. 'Karen*, ten —, bw. at her house. —halve, hr. on her behalf, far her cake. —wege, as for her. nun — wege„ in her name. om —wit, for her sake. Ilarlg, by. hairy. —Arid, v. 'latrine.. Haring, tn. & v. herring. gerookte —, red herring. —bale, herring-buss. --drover, drier of herrings. —japer, herring-smack.—baleen, o. culing(gutting and pickling) of herrings. --baker, herring-curer. —net, herring-net.—pakker, her ring-packer.—pakkart+, place where herrings are packed, herringshop. —petrel, herring-pickle. —salad, herringsalad. —ttiid, herring-seaeon. —ton, keg. —vangst, her—visookerkj. herring- fishery. —vrouw, ring-woman. —zout, coarse salt. Hark, v. rake. —steel, rake-stick. —en, oc. w. to rake, to harrow. —er,m. --ster, v. niter. llarlekijn,m. harlequin. lIneaaras, o. trinities, entrees, armor. is het — j.gen, to provoke, Harp, v. harp; riddle, copper corn-niece. de — Orlon (bespelen), to play on (upon) the harp. —enact,. harp -string. —spel, harping. —Wier, —speelster, harp -player, harper. —toon, harp-

Hoe ga je kopen rimpel XRP met Coinbase


DIgnifleatIon (dig-nit-fl-kee'ajun), a. verlielling. Desna fled (dig'ni-fajd), a. doorluchtig, hoogwaardig. —fy (-fall, a. a. verhoogen, verheifen. —tarp, a. waardigheidsbeklee der; kerkvoogd. —ty, a. waardigheid. Digraph dargref), e. tweeklank. Digress (di-gress"), v. n. afwijken; uitweiden. —ton (-ajun), a. uitweiding. —ire, a. —irely, ad. uitweidend. DUudicat a (di-dzjeredi keel), v. a. vonnisaen, uitwijzen. —ion (-kee'sjun), a. uitwijzing, vonnis. Dike (dajk), a. grach', greb; dam. —, v. a. inAiken. Dilaoerat e (di-les'ur-eet), v. a. vaneen scheuren. —ion (-ee'sjun), 0. vaneenacheuring. Dilapidat a (di-lepii-deet), v. a. omverhalen; verkwiaten; v. n. vervallen. —ion (-dee'sjun). s vervalling; sleeping; doorbrenging. —or, a. Blooper; doorbrenger. Dilat ability (di-lee-te-bil'it a. uitzetbaarheld. —able, a. uitzetbear. —ation (dil-e tee'ajun), a. uitzetting. —e (-leet'), v. a. doen uitzetten, verwilden; v. n. uitzetten; uitweiden. —or, e. verwijder. —oriness (diPe-tur-), a. traagheid; talmerigheid. —orily, ad. — ory, e. (dille-tur-) traag; vadzig; talmerig. Dilection (di-lek'mjun), s. innige genegenheid. Dilemma (di-lem'me), a. klemrede; verlegenheld; dilemma. Dilettante (dil-et-ten'te), a. dilettant; lief hebber. Diligen ce &Jens), s. vltjt, naarstigheid; reiswagen. —t, a. —fly, ad. naaratig, vlijtig. Dill (dill), a. dille. § —, v. a. bedaren; lenigen. Dilly-dally (diPlih-del-lihl, v. n. talmen. Dilucid (di-ljoe'sid), a. klaar, holder. —ate, a. a. ophelderen, verklaren. —alien (-dee'sjun), a. opheldering; toelichting. Diluent (dilloe-ent), a. verdunnend. verdunnend middel. Dilut e A. dun, 'ierdund; v. a. verdunnen, aanlengen. —er, a. verdunner; verdunnend middel. —ion (-1joe'sjun), s. verdun• aanlenging. Diluvl al (di-ljoe'vi-el), —an, a. den zondvloed betreffend. Dim (dim'), a. —ly, ad. duiater, • schemerig. —sighted, slecht van gezicnt. —, v. a. verduisteren. benevelen. —mish, a. duieterachtig; dof. —nes a. duiaterheid; kortziehtigheid. Dime Itlainf), a. een tiende dollar. DiMen sion (di-men'sjun), s. afmeting; omvang, uitgebreldheid. ---siOntesd, a. onmetelijk. —sity, a. uitgebreldheid, omvang. —sive, a. atmetend; do grenzen aanvvijzend. Dimidia te (di-mid'i•eet), v. a. halveeren. —tion 1-ee'sjnnl, a. halveering. Dimin ish (di-min'isj), v. a. verminderen, verkleinen; v. n. verminderen, afnemen. —ution (dim-i-njoe'sjun), a. vermindering. Diminutiv," (di-min'joe.tiv), a. —ly, ad. klein, goring; verkleind. a. verkleinwoord. —ness, a. geringheid. Dimiss ion (di-mis'sjun), a. ontslag; wegzending. —ory (dim'is-sur-rih), a. ontslaand; near sea' anderen rechtar verwijzend. Dimity (dim'it-tili), a. diemet.
hEA League (1leg"), a. verbond; urijl. —, v. n. een verbund aluiten. --r, a. bondgenoot. Leak (liek'), a. lek. —, v. a. laten nitlekken; v. n. lekken. —age, a. lekkage. —y, a. Lek; babbelachtig. Leant (Hem), a. kop: , elband (voorjachthonden). —er, a. lei-, speurhond. Lean (lieu'), a. —ly, ad. wager, schraal; dor; annzalig, —. a. (het) mature (eau vleeach). —netts, a. magerheid, schraalheid. Lean (lien'), v. a. doen leunen; v. n. leunen, ateunen (on, upon)• overhellen, neigen (to). —ingstaff, kruk. —stock, stut, steun. Leap sprong; hespringing. —frog, haasjeover 000). —year, schrikkeljaar. —, v. a. overnpringen, bespringen; v. n. epringen. —er, a. springer, Learn (lurn'), v. a. & n. leeten; vernemen. —eel, a. —edly, ad. geleerd, kundig. —er, a. leerling; —ing, s. geleerdhetd; bedrevenhetd, Leasable (lies'ibl), a. verhuurbaer. Lease (lie a'), a. hour-,pacht contract, huur, pac ht. to let by —, verburen, verpachten. —hold, a. gehutted, gepeeht; s. pachtgoed. —holder, pachter. —, v. a. verpachten, verhuren. Lease (lieu'), v. n. nalezen, inzamelen.—r, s. na• naoogater. Leash (liesno. leis, koppel,riern; drietai. —, v. a. binders, koppelen. Least (lieat), u. kleinste, minute. —,ad.minst. at —, ten minste. not in the —, in het gateel niet. Leather (leth'nr). a. leder. —, a. lederen. —dresser, lederbereider, leertouwer. —seller, lederkooper. —sling, riem. —, v. a. afranselen. —n, a, ledere.- lederachtig, taai. Leave (liev'), a. verlot, vergunning; afecheid. to take French—, tie French. Leave (Hey') [left], v. a. verlaten; laten, nalaten. (off) steken, ophouden; laten varen. (out) nit-, weglaten, verzuinten. —, v. n. ophouden, aflaten. —d, a. gebladerd. Leaven (lev'n), a. zuardeeg. —, v. a. doen rljzen; doordringen, beametten. 1LeavIngs (lievlengz), pl. overblijfsels, uitschot, kliekje. Lecher Ileterur), a. lichtnale, boeleerder. —, v. n. ontuehtig leven. -sue, a. —ously, ad. wellustig, ontuchtig. —ousness, —y, E. geilheid, welluet, ontucht. 1LectIon (lek'ejun), a. lezing; voorlezing. —ary, s. voorleesboeir. Lecture (lekt'joer), a. lezing, voorlezing; etrafpreek. v. a. onderrichten; de lec lezen (for, over); v. n. voorlezingen houden (on). —r, e. yourleZer, lector; hutipprediker. —ship, a, voorlezer-, lectorschap; ambt van hulpprediker. Lecturn (lek'turn), a. leseenaar, lezenaar. Led (led'), part. geleid. —captain, pluitestrijtcer, klaplooper. —horse, handpaard. Ledge (ledzj), a. rand, richel, Nat; laag,schicht; rib, zwalp. Ledger Iledzrur), e. grootboek. Lee (lie'), a. lii, Iowa zijde, —board, liii.waard. —bow, lijboeg- —braces, lijbratoen. —brails,oitouwen aan lij. —leader, veorzeiler under non wind. —lurches, gteringen. —quarters, lijwind-
Bury (ber'ih), a. begraven. —ing, a. begrafenis. —log-place, begraafplaats. Bush (boesj), a. atruik; kreupelbosch. —el, a. achepel. s. lommerigheid. —y, a. struikig; mtg. Bus lly (bit'i-Ilh), ad. tjverig, bezig. —iness (bieness), a. bezigheid; berocp; aangelegenheid, zaken; to net up in —, eene sank beginnen. Busk (busk), a. planchet. —et, a. bosachage. —in, a. tooneellaars; tooneelspel. Buss (buss), a. bus; haringbuts. —, v. a. kussen. Bust (bust), a. boratbeeld. § —, v. n. bankroet gaan, —ard (bust'ard), a. trapgans. —er, a. gevaarte; acherts. Bustle (basil), a. rumoer, gewoel. —, v. n. woelen, veel beweging maken. (about) heen en weer dribbelen. (away) nigh wegapoeden. —r, a. bedrijvig mensch. Busy (biz'ih), a. bezig, onruatig. —, v. a. bin* houcien. —body, albe , chik. prp. behalve. But (but), conj. natter, doch. —, ad. slechts. — for, zonder; ware het niet om. But (but), a. grens; ulteinde. —, v. n. aanraken. —sling, topreep. Butcher (boetarur), a. vleeschhonwer. —, v. a. slachten; vermoorden. —bird, negendooder. —row, vleeschbank. —ly, ad. moorddadig. —y,s. vleeschhouwer(j; slachting. Butler (but'iur), a. bottelier, keldermeester. —ship, a. bottelierachap. Butment lbut-ment), a. gedeelte van een gewelf. Butt (but), a. doelwit, mikpunt; stout; vat. —end, stomp einde; geweerkolf. —, v. a. atooten. Butte (but), a. verhevenheld, heuvel. Butter (burtur), s. boter. —, v. a. boteren; den inzet verdubbelen. —bump, roerdomp. —bur, paardeklauw. —crock, boterpot. —cup, kraatevoet. —flower, boterbloem. —fly, vlinder. —milk, karnemelk. —nut, olienoot. 7-pear, boterpeer. —print, boterspaan. —tooth, entjtand. —tub, hoterton, botervlootje. —y, a. aptjakast; a. balerachtig. Buttock (but'tuk), a. bil; spiegel (van een sehipl; kruie (van sett paard). Button (burtn), a. knoop; knop; zee-egel. —, v. a. knoopen. —hole, knoopsgat. 5 --wood,wilde vijgeboom. Buttress (but'tress)„ a. beer; stutmuur; ateun, —, v. a. onderetutten, sehragen. Butwink (burwinkl, a. kievit. Butyraceous (bjoe-ti-ree'sjus), a. boterachtlg. Butyrous (bjoe'tt-rue), a. Zie Butyraceous. Buxom (buks'um), a. —ly, ad. vrooltjk, dartel. —nets, a. vroolijkheid. a. Buy (baj):[bought (baot)], v. a. itoopen.• kooper. Buzz (bun), a. gegons. —, v. a. toefinisteren; in bet geheim verapreiden; v. n. gonzen; fluisteren. —er, a. oorblazer. Buzzard (burzurd), a. havik; domkop. By (baj), prp. door; naast; bij, met; om; voor. —, ad. nabij; tegenwoordig; voorblj; langs. 'Araks. — the —, wat ik zeggen wil. — and dicht bij. — the way, in bet voorbtjgaan. hard to get — heart, van batten leeren. — the boat, per boot. — sea, over zee. —far, varreweg. —bidder,
Zigzag (ztiezeg), a. hoekig, zigzagavijze. —. a. zigzag. ---, v. a. zigzsgawba maker;. Zino (;ingk'), s. zink. —ley, a. zinkachtig. Zodiac (so'dl-ek) a. dierenriem. —al (-(1/0111). a. van den dlerenriem. Zone (noon), a. gordel; luchtstrerk. Zotegraph er (zo•og're--fur), a. dierbeachriiver. —y, e. dterbeanheiiving. —atry Zool its (lio'ul-lajt)„ a. diersteen, ( ol'e-trihi .1. dleraanbidding. Zoning teal (zo-ui.lod'zjiki), a. dterkundig, zoOlogiach. — garden, diergaarde. —y a. dierkunde. Zoophyte (zo'uf-fajt), a. plantdier. Zootont let (so-ot'nm-tat), a. dierontleder. —y, s. dierontledieg, -ontleedkunde. Zounds (irasundr), int vordufveld! clrommelal Zygouta (zaj•go'me), a. jukbeen. — tie (hig-ummet'ik), a. van het jukbeen. Zyzno logy (saj4nol'ud-zjth), s, leer dee gisting. — meter (-naorn't-tur), 5. glatingmeter,
Bereftle (be-reet1), v. a. overechreeuwen, bekijven. Bereave (be-riev'( [bereft '], v. a. beruoven (of). —meat, s. berooving. Bergamot (buege-mot), s. bergamotpeer. Berbyme (be-rajm'), v. a. berijmen. Berlin (bur-lien'), a. berllne (rijtuig). Berm (burm), a. berm teener borstwering). Berob (be-rob'), v. a. bestelen. Berry (beer1h), s. bezie, bes. Berth (burth), a. hut, kooi; ankerplaats. Beryl (beeil), s. berthiteen. Bescatter (be-skeeter), v. a. bestroolen. Bescratch ibe-skretsP, v. a. bekrabben. Bescrawl (be-skraowl"), v. a. bekladden. Beseech (be•sietsj") [besought (be-soot')], v. a. verzoeken, smeeken. Beseem (be-siem'), v. a. betamen, passen. —ing, —ly, a. voegiaam. —ing, s. welvoegelAjkheid. Beset (be-set') [beset], v. a. insluiten, omsingelen; verontrusten. Beshrew (be-siroel, v. a. verwenschen. Beside (be-saidl, Besides (-Beide), ad. dearenboyen, buitendien. prp. naabt; buiten, behalve. to be — one's self, radeloos zijn. Besiege (be-siedzji, v. a. belegeren. (-ur), 8. belegeraar. Beslubber (be-slub'bur), v. a. bemorsen. Besmear (be-smiee), v. a. besmeren. Besmirch (be-smurtsj'), v. a. bekladden. Besmoke (be-emookl„ v. a. berooken. liteemut (be-smut'), v. a. met roet bernorse.n. Besom (brzum), a. bezem. Besot (be-not'), v. a. verdwaasd (verzot) maken. —tedty, ad. dwaselijk. —tedness, a. verdwaasdheld, verzotbeid. Bespangle (be-spen'g1), v. a. metloovertjes versieren. Bespatter (be-spet'tur), v. a. bespatten. Bespeak (be-spiele) [bespoke. bespoken], v. a. bespreken, bestellen; toespreken; voorbeduiden. Bespeckle (be-spek'kl), v. a. bespikkelen. Bespew (be-spjoe'), v. a. bespuwen. Bespice (be-epajs'), v. a. kruiden. Bespit (be-spit') [bespit, bespat. bespitten, beapit], v. a. bespuwen. Bespot (be-spot'), v. a. bevlekken. Bespread (be-spred') [bespread], v. a. bestrooien. Besprinkle (be-eprin'kl), v. a. besprenkelen. Besputter (be-spuetnr), v. a. bespuiten. Best (best), a. & ad. beat. at —, hooptens. —, a. best. to do one's —, zijn best doen. Bestain (be-eteen'), v. a. bevlekken. Bestial (besejel), a. —ly, ad. dierlijk. —ity ( -tjel' it-tib), e. beeetachtigheid. —ire (-ajz), v. a. doerlijk maken. Bestick (be-stik') [bestuck], v. a. besteken. Bestl.r (be-etue), v. a. opruien. Bestow (be-stn'), v. a. gev en, schenken, verleenen, (on. upon), —al, 8. schenking; tilt. Bestrew (be-stroe', be.stro') [bestrewed. be*Ireton 0 ], v. a. beatrooien. Bestride (be-strajd') [bes 'rode, bestrid. bestridden, bestrid], v. a. schrijlings gaan zitten op. Bestud (be-stud'), v. a. bezaaien. v. a. & a. wedden. Bet (bet), e. weddenechap,
Broth (broth), s. vleesehnat. Buff (buf), . buffelleder; lichtgeel. brothel (brotia'11), a. bordeel. Buffalo (bufle-lo), a. buffel. Brother (brutieur), a. broeder. —in-law, schoon- Buffer (bur fur), s. ntootkussen. broeder. foater zoogbroeder. —hood, a. brae- Buffet (burfit), e. vuistslag; buffet. —, v. a. derschap. —ly. a. broederlijk. atompen; v. n. boksen. Brow (beau), s. wenkbrauw; gelaat; bruin. Buille-headed (butt-hed'id), a. dom, koppig. —beat, v. a. uit het veld slaan. —bound, a. ge- Buffoon (buf-Coen'), a. potsenmaker,hansworst. krooud. —ery, s. potsenmakerij. - Brown (braaun), a. bruin. —bread, roggebrood. Bug (bug) a. wandluis. —bear, bullebak. —gy, —George, kommiesbrood. —stout, .ware porter. a. vol weegluizen. —gy, a. sjees. —study, diep gepeins. —wort, brunelle; opera- Bugle (bjoe'gl)., a. jachthoorn; merle glaskraal. braid. —jab, a. bruinachtig. —horn, jachthoorn. Browse (hrauz), a. voorjaarsspruitjes. —, v. a. Bugloss (bjoe'glos), s. ossetong (plant). afvreten; v. n. frozen. Build (bild) [built (WIC], v. (a. bouwen; v. a. Bruize (brae.), a. kneuzig. v. a. verplette- (upon) zich gronden, veriaten op. —er, a. bonren, kneuzen. —wort, kneuskruid. —r, a. bok- war. —ing, a. gebopm. aer; slijpschaal. Bulb (bulb),: a. bloembol. —nue, a. bola:010g. Bruit ( broet), a. gerucht, geraas. —, v. a. rucht- —ous plant, bolgewas. hear waken. Bulge (buldzj), a. bulk; lek. —, v. n. ultzwelBrusnal ibroeimei), a. winterachtig. len; lek atooten. § —r, a. vlakte; groot geBrunt (brunt), a. schok; geweld; slag. vaarte. Brush. (brusj), a. borate]; penseel, kwast; ocher- Bulimy (bjoe1i-mih), a. eetziekte. mutseling. blacking schoenboratel. —, v. a. Bulk (bulk), 8. omvang, ruirnte; manna; (het) 8chuieren. borstelen, (off. up); kladschilderen. geheel; hoofdgebouw. to break —, last breken. —, v. n. wegeluipen. —maker, berstelmaker. —head, hc8chot. —iness, a. omvang, grootte. —y, —wood, kreupelhout. —y, a. rulg, boratelig. a. groot, zwaar, lijvig. Brastle (bras'!), v. n. knetteren, rutachen. § woekeraar Bull (boel), a. utter; misslag; Brutal (1,oe'tell, a. —ly, ad. dierlijk, wont, in actien —baiting, stierengevecht. —bee, —fly, onbeschoft. —ity (-tel'it-tlh), a. dierlijkheid, paardenvlieg. —beggar, bullebak. —calf, jonge onbeschoftheid. —ize (-sjs), v. a. & n. verdier- atier; hotterik. —dog, bulhond. —fight, stierenlijken. gevecht. —finch, goudvink. —head, domkop; butBrut e (broet), s. redeloos wezen. —e, —ish, a. lekop (visch). —'s-eye, venster; lichtgat. —'sredeloos, dierlijk. —ify (-ti-fej), v. a. verdierlij- ;fizzle, bullepees. —trout, zalmforel. —weed, paken, verstompen. —ishness, a. dierlijkheid, wont- pierbloem, vlokkruid. Bulince iboePles), a. wilds pruim. held. Bryony (brapo-nilt), a. Wilde wijngaard. Bullet cboePlitt, a. kogel. Bulletin (boePle-tin), a. dngorder. Bub bub), s. zwaar bier. Bubble (bub'b1), s. waterbel; nietigheid; bedrog. Bullion (boel'junl, a. onbewerkt goad of diver. —, v. a. bedriegen; v. n. opborrelen. —r, s. be- Bullock (boelluk), a. gesneden utter. Bully (boel'lih), a. windmaker; twiatzoeker. —, drieger. v. a, overbluffen; v. n. grootapreken. Bubo (bjoe'-bo), a. liesgezwel. Buck (buk), a. bok, mannetje; loog; fat. —, v. a. Bulrush (boePrusj), a. biea, lisch. in de loog zetten; v. n. paren. —ashes, long- Bulwark (boel'wurk), a. bolwerk. —, v. a. vereach. —basket, waschmand. —beans, boksboo- schansen. nen, waterklaver. —coney, damhert. § —eye, spot- Bum (bum), a. achterste. —, v. n. ]even maken. neon voor de inboorlingen van Ohio. —goat, —bailiff, dievenleider. —boat, groenteschult. geitebok. —ram, stijf linnen. —skin, boksvel;•Buinbast (bum'best), a. lappendeken. cohere broekstof. § —tail, naam eener staatkun- k Bumble-bee (hum'bi-bie), a. hommel. dige part!) in New-York. —thorn, kruisdoorn. Bump (bump), a, buil, gezwel. —, v. a. slaan, —wheat, boekweit. —ish, a. weelderig, wuipach. homen; v. n. geweld 'oaken. —er, a. voile baker. Bumpkin (bump'k(n), a. vlegel, lomperd. Bucket (buk'it), a. wateremmer. v. a. gespen; Bun (bun), a. zeker gebak, broodkoekje. Buckle (buk'kl), 8. gasp; krul. krullen; v. n. buigen, zich voegen. (for) zich Bunch (bunts)), a. boatel; bundel, boa; trots. —, gereed maken tot. (to) zich toeleggen op; zich, v. n. (out) zwellen,uitzetten. —backed, gebocheld. onderwerpen aan. (with) strijden met. —r, a. , -y, A. vol trossen. achild. n Bundle (bun'd!), a. bundel, boa, rol. —, v. a. Bucolic 11;joe-kol'ik), n. herdersdicht; dichter! bijeenbinden of pakken (up). van een' herderszang. —, a. herderlijk. Bung (bung), a. born, upon. —, v. a. toestoppen. —hole, apongat. Bud (bud), s. knop, kiem. —, v. a. enters; v. n. Bungle (bung'gt), a. broddelwerk; lompheid. —, botten. —ding-knife, entmea. Huddle (bud'd1), a. ertnwaschbak. —, v. a. ertai v. a. & n. broddelen. —r, a. knottier. wasschen. ;Bungling (bung-glieng), a. —ly, ad. broddelig. Budge (bUdij), s, lantsvel. , v. n. zich ver- I Bunk (bunk), a, toeslaande alaapbank. roeren. —, a. stiff, streng. —, v. n. !Bunt (bunt), s. bulk in een scheepl Budget (bud'zjit), a. indecent zak; staatibegroo- zwellen. —gasket, buikselsing. —ing, a. vlaggenLing. dock; viasvink. —line, buikgordla.
tornadoes*. —lijk,,bw. usually, corrineonly. —te, v. custom, habit, practice; use, usage, fashion. Geworden, on. w. to come to hand. demand latex —, to let a. o. have his own way, to let a. o. alone. Geworante, o. vermin, warms. Geworotell, o. struggling, wreetting, struggle. Gewright, o. joint; (van de hand) wriet; juncture. Gewrogise, by. wrought. o. work, effect. Gewroet, o. poking, raking, rummaging, ransacking, toil, drudging. Gewrok, o. grudging. Gewulf,o. waving, beckoning. Geworan, o. drudging, toiling, plodding. Geznag, o, cawing; scraping, fiddling. Genital, o. sowing. —de, o. what ham been sown; corn fields. Gezabber, o. slavering, drivelling. li ezag, o, authority, command, power; credit, influence. — hebben (coerce) over, to command, to rule. —hebber, —voerder, director, commander; captain, master. Gezalfde, s. anointed, Meesiah. Gezamenderband, bw. together, conjunctively. GezamenllUk, bv. & bw. collective (-1y), aggregate (-1y), joint (-Iy), conjunctive (-1y). Gemming, o. singing; song; hymn; canto. —bock, book of hymns, hymn book. Geznastk, o. eternal repetition, repeating the Fame thing over and over (again); vexation. G ezant, in. envoy, ambassador. paueetijk —, nuncio. —*chap, o. embassy. --sehapseecref aria, secretary of legation. G maid, be. bound, tied. G ezeever, o. slavering, drivelling. Gezegri, by. said, afore•said. --e, o. saying, expression; predicate. Gegemeld, by. sealed. — papier, !stamped paper. Gezeiggen, on. w. tick laten —, to be prevailed upon, to follow advice, to obey. Gezeglitjk, be. tractable, docile, submissive —head, v. traetablencee, docility. Gezel, m. companion, mate, comrade, fellow, partner; journeyman, workmen. — Ely, by. socia • ble, social; familiar, friendly. —ligheid, v. sociability, sociality, familiarity. —Ha ; v. companion. Gezetsefinp,o. company, society, party. Juffrou. van —, companion. ---tkomer, drawing-room. —ailed, social song. — arekening, rule of fel:owship. —toe, social game, round game. Gez et, by. thick-set, corpulent. replete; set, fixed; steady; sedate; (op) tie Geateld. —acid, v. corpulency; steadiness, assiduity; sedatenetzs; inclination. Ger,ur. o. loitering; tie Geznnik. Gezlcbt, o. sight, look; view, aspect, prospect; vision; face. op het eertte —, at fir mt eight. in het — krijgen, to get a eight of. nit het — verlieaen, to lose sight of. in het — saiiktrIten, to laugh in one 's face, can scherp hebben, to be keensighted. —en trek.t.en, to make faces. —cinder, horizon. —kuade, optics. —kundig, optical. —kundigs, optician. —zenuw, visual nerve. —abedrog, optic Illusion, —shock, optic (visual) angle. —string, horizon. —.flaunt, point of view.
WI,O—B OM. Illoasom (blos'sum), 8. bloecem. —, v. n. blocsemen. —y, a. vol bloesem. Blot (blot), s. klad, vlek; nitwissehing. —. v. a. bekladden; doorhalen; (out) uitwisschen. —tingpaper, vloetpapier. Blotch (blood), a. blear. point. —, v. a. met puisten of vlekken hedekken. Mote (bloot). v. a. in den rook drogen. Blouse (bloez), s. kiel. Wow (blo), a. Wag. klap; ramp—pipe, blaaspijp. Blow (blo) [blew (bloe), blown (bloon)], v, a. blazen, aanblazen, doen zwellen; uitbazuinen; smelten; § bespotten, hoorten, (up) in de Incht doen springen; opgeblazen maken. (upon) in verediting brengert. — one's nose, zijn' news snuiten. —, v. n. warden; ademen; bloeien, (over) overwaaien. (up) in de lucht springen, driftig warden. Blown a (bloom), a. boersch ultziend melsje. • —y, a, roodwangig; door de non verbrand. Blubber (blub'bur), a. walvischmpek; zeenetel. —, v. n. achreien, dot de wangen zwellen. Bludgeon (blud'Ijun), a. knuppel. Blue (bloe), s. blauw. bittl:W; beschonken. to look —, verlegen zien. to letter one in black and —, iemand bout en blauw slaan. to look — upon one, iemand ached' aanzien. —bottle, korenbloem; bromvlieg. 4 —skins, (de) Blauwen (scheldnaam voor de Presbyterianen). —stocking, geleerde vrouw. —near, s. blauwheid. Blue (bloc), v. a, blauw verven. Sluff (blot), a, stuurach, norach; breed; wijd; § steil. § —. v. a. afgrauwen. —, a. stelle oeverkant. —ness, a. barschbeid, norachheid. Bluish (bloe'isj), a. blauwachtig, Blunder (bill1I'd1111, 8. missing, dater. —buss, donderbus. —head, domkop, v. a. verwarrea; lout) ultflappen; v. n. bokken molten. —er, s, lomperd. Blunt (blunt), a. —ly, ad, bot; lomp, ongemanierd. —ness, a. botheld; stompheid. —, v. a. bat maken; verstompen; verzwakken. Blur (blur), s. kind, sick. —, 7. a. bekladden. Blurt (blurt), v. a. onbezonnen apreken; (out) uitflnppen. Blush (blubj), a. blos, aehaamrood; onverwacht gezicht. —, v. n. blozen. —ful, a. —fully, ad. blozend. —less, a. onbeschaamd. Bluster (blus'tur). a. getter; geenoef. —, v. n. tieren; anoeven, —er, s. bulderaar. anoever. § --ation, (-ee'sjun ► , s. snoevertj. —ous, a, razend. tierend; blufterig. Boa (bo'e(, s. groote slang; boa. Boar (boor), a. ever. —ish, a. onbeschoft, beestachtig. —pig, wild —, everzvvijn, wild zwijn.
Broth (broth), s. vleesehnat. Buff (buf), . buffelleder; lichtgeel. brothel (brotia'11), a. bordeel. Buffalo (bufle-lo), a. buffel. Brother (brutieur), a. broeder. —in-law, schoon- Buffer (bur fur), s. ntootkussen. broeder. foater zoogbroeder. —hood, a. brae- Buffet (burfit), e. vuistslag; buffet. —, v. a. derschap. —ly. a. broederlijk. atompen; v. n. boksen. Brow (beau), s. wenkbrauw; gelaat; bruin. Buille-headed (butt-hed'id), a. dom, koppig. —beat, v. a. uit het veld slaan. —bound, a. ge- Buffoon (buf-Coen'), a. potsenmaker,hansworst. krooud. —ery, s. potsenmakerij. - Brown (braaun), a. bruin. —bread, roggebrood. Bug (bug) a. wandluis. —bear, bullebak. —gy, —George, kommiesbrood. —stout, .ware porter. a. vol weegluizen. —gy, a. sjees. —study, diep gepeins. —wort, brunelle; opera- Bugle (bjoe'gl)., a. jachthoorn; merle glaskraal. braid. —jab, a. bruinachtig. —horn, jachthoorn. Browse (hrauz), a. voorjaarsspruitjes. —, v. a. Bugloss (bjoe'glos), s. ossetong (plant). afvreten; v. n. frozen. Build (bild) [built (WIC], v. (a. bouwen; v. a. Bruize (brae.), a. kneuzig. v. a. verplette- (upon) zich gronden, veriaten op. —er, a. bonren, kneuzen. —wort, kneuskruid. —r, a. bok- war. —ing, a. gebopm. aer; slijpschaal. Bulb (bulb),: a. bloembol. —nue, a. bola:010g. Bruit ( broet), a. gerucht, geraas. —, v. a. rucht- —ous plant, bolgewas. hear waken. Bulge (buldzj), a. bulk; lek. —, v. n. ultzwelBrusnal ibroeimei), a. winterachtig. len; lek atooten. § —r, a. vlakte; groot geBrunt (brunt), a. schok; geweld; slag. vaarte. Brush. (brusj), a. borate]; penseel, kwast; ocher- Bulimy (bjoe1i-mih), a. eetziekte. mutseling. blacking schoenboratel. —, v. a. Bulk (bulk), 8. omvang, ruirnte; manna; (het) 8chuieren. borstelen, (off. up); kladschilderen. geheel; hoofdgebouw. to break —, last breken. —, v. n. wegeluipen. —maker, berstelmaker. —head, hc8chot. —iness, a. omvang, grootte. —y, —wood, kreupelhout. —y, a. rulg, boratelig. a. groot, zwaar, lijvig. Brastle (bras'!), v. n. knetteren, rutachen. § woekeraar Bull (boel), a. utter; misslag; Brutal (1,oe'tell, a. —ly, ad. dierlijk, wont, in actien —baiting, stierengevecht. —bee, —fly, onbeschoft. —ity (-tel'it-tlh), a. dierlijkheid, paardenvlieg. —beggar, bullebak. —calf, jonge onbeschoftheid. —ize (-sjs), v. a. & n. verdier- atier; hotterik. —dog, bulhond. —fight, stierenlijken. gevecht. —finch, goudvink. —head, domkop; butBrut e (broet), s. redeloos wezen. —e, —ish, a. lekop (visch). —'s-eye, venster; lichtgat. —'sredeloos, dierlijk. —ify (-ti-fej), v. a. verdierlij- ;fizzle, bullepees. —trout, zalmforel. —weed, paken, verstompen. —ishness, a. dierlijkheid, wont- pierbloem, vlokkruid. Bulince iboePles), a. wilds pruim. held. Bryony (brapo-nilt), a. Wilde wijngaard. Bullet cboePlitt, a. kogel. Bulletin (boePle-tin), a. dngorder. Bub bub), s. zwaar bier. Bubble (bub'b1), s. waterbel; nietigheid; bedrog. Bullion (boel'junl, a. onbewerkt goad of diver. —, v. a. bedriegen; v. n. opborrelen. —r, s. be- Bullock (boelluk), a. gesneden utter. Bully (boel'lih), a. windmaker; twiatzoeker. —, drieger. v. a, overbluffen; v. n. grootapreken. Bubo (bjoe'-bo), a. liesgezwel. Buck (buk), a. bok, mannetje; loog; fat. —, v. a. Bulrush (boePrusj), a. biea, lisch. in de loog zetten; v. n. paren. —ashes, long- Bulwark (boel'wurk), a. bolwerk. —, v. a. vereach. —basket, waschmand. —beans, boksboo- schansen. nen, waterklaver. —coney, damhert. § —eye, spot- Bum (bum), a. achterste. —, v. n. ]even maken. neon voor de inboorlingen van Ohio. —goat, —bailiff, dievenleider. —boat, groenteschult. geitebok. —ram, stijf linnen. —skin, boksvel;•Buinbast (bum'best), a. lappendeken. cohere broekstof. § —tail, naam eener staatkun- k Bumble-bee (hum'bi-bie), a. hommel. dige part!) in New-York. —thorn, kruisdoorn. Bump (bump), a, buil, gezwel. —, v. a. slaan, —wheat, boekweit. —ish, a. weelderig, wuipach. homen; v. n. geweld 'oaken. —er, a. voile baker. Bumpkin (bump'k(n), a. vlegel, lomperd. Bucket (buk'it), a. wateremmer. v. a. gespen; Bun (bun), a. zeker gebak, broodkoekje. Buckle (buk'kl), 8. gasp; krul. krullen; v. n. buigen, zich voegen. (for) zich Bunch (bunts)), a. boatel; bundel, boa; trots. —, gereed maken tot. (to) zich toeleggen op; zich, v. n. (out) zwellen,uitzetten. —backed, gebocheld. onderwerpen aan. (with) strijden met. —r, a. , -y, A. vol trossen. achild. n Bundle (bun'd!), a. bundel, boa, rol. —, v. a. Bucolic 11;joe-kol'ik), n. herdersdicht; dichter! bijeenbinden of pakken (up). van een' herderszang. —, a. herderlijk. Bung (bung), a. born, upon. —, v. a. toestoppen. —hole, apongat. Bud (bud), s. knop, kiem. —, v. a. enters; v. n. Bungle (bung'gt), a. broddelwerk; lompheid. —, botten. —ding-knife, entmea. Huddle (bud'd1), a. ertnwaschbak. —, v. a. ertai v. a. & n. broddelen. —r, a. knottier. wasschen. ;Bungling (bung-glieng), a. —ly, ad. broddelig. Budge (bUdij), s, lantsvel. , v. n. zich ver- I Bunk (bunk), a, toeslaande alaapbank. roeren. —, a. stiff, streng. —, v. n. !Bunt (bunt), s. bulk in een scheepl Budget (bud'zjit), a. indecent zak; staatibegroo- zwellen. —gasket, buikselsing. —ing, a. vlaggenLing. dock; viasvink. —line, buikgordla.
Buz tos, v. miatress; virago, vixen. Mauls., v. trombone; trumpet; sack-but.-L-6/axer, trombone-player, trumpeter. -gesehal,sound of trumpets. -en. or. rr. to trumpet; on. w. to pl ay on the trombone, to stoned the trumpet. Ilenardeo, ov. w. tG cover with earth. Bendenaen, ov. w. to breathe upon. lleasssbte, m. functionary, officer. ileains on, or. w. to assent to, to approve of. -tag. v. assent (to), opproval (of). Eitentoget,lov. uneasy (about), afraid (for), unquiet. -laid, v. uueasiness fear, dread. -igen, ov. w. to make uneasy, to frighten. 11Zettni woe.rsi en, ov. w. to answer, to reply to. — lag, g. ana vrering; sue w er, reply. Basks bald on, ov w. to work at; to compose; to el+borate; to cultivate, to till. — er, m. author, composer. -ing, v. working (at), manipuietion; composition; cultivation. 'Rebind en, ay. w. to tie about, to bind with. • Beali,ed, by. bloody, gory. - en, °v. w. to etain w nth blood, to ensanguine. 11*bloorrren, ov. w. to cover to adorn) with flowers. lieboet bear, be. finable. ov. w. to fine, to mulct. -ing, v. Infliction of a tine. liebolaverkon, ov. W. to fortify (to enclose) h bulw,rks. with lieboussi bear, be. arable. -en, so. w. to build upon; to cutivate, to till. -ing, v. covering with buildin2s; cultivation. o. bed; marriage; layer, stratum; channel. naar -, to bed, to -, a-red. -van eer, field of honor. -genoot, m. & v. bed fellow. -genii*, bed.curtain. -lege7ig, bed-ridden -legerigbeid, state or being bed-ridden. -roede, curtain-rod. sermoen,cartale-lecture.-ziede,bedereAd.-efroo, bed-straw. -dedeken coy • rlet bienket, quilt. — degoed, bedding, bil - liurn. - 2dejak, night - rail, night - gown. -deksassn. pillow. -dekteast. bed , or d, suspensory. -delaken, sheet. - depas,, arming-pan. --dgplank, slider, shelf (in a bedstead). -decprei, quilt. -detafe!, Meld-stand. -AGA, bed-tick, *let. -dezak, cover. pillow • case. -dentmoper, upholsterer. -denmaker -de*• inaakster, upholsterer; bed-vaaker. -Jenwinket upholsterer's shop. 

Waar kan ik Bitcoins in India


451 Flti0e•Ir en. ov. W. to curl. —Ozer, curling-pin. rvistor, m. hair-dresser. Frommelen, ov. w. to arum*. to fumble. Fro', v. —es, v. frown. wrinkle. —en, on. w. to frown, to wrinkle, to knit (one 'a brows). —61 9, v. frowning. Front, o. front. — makes, to face. to make face. Fruit, v. & o. fruit. —ben, —.mend, fruit-basket. —kandel , fruit-trade. —hider, fruit-cellar. —trooper, —koopeter,, fruiterer, ft ult-monger. —mum', fruit-market. —rijk, fruitful, —schwa, fruit dish. —sadder, fruit-painter. —stuk, fruitpiece. —rroure fruit-woman. —wicket, fruit-shop, fruiter y. Fruit an, ov. w. to fry. —pan, frying-pan. Eulk, v. weel, bow-net. in de — loopen, to fall into the !snare. o. velvet. —en, by. velvet, velvety. m. rogue, rascal, scoundrel. Veenctle, v. function. Fundament, o. Zie Fondement. Fungterrn, qn. w. to officiate. Fast, v. fudge, fiddle-fuddle. —, taw. fudge fiddle. ,stick I Futsell car, in —aareter, v. trifle, idler. —artj, v. trifling, fiddle.faddle. —en, en, w. to trifle, to fiddle-faddle. —werk, tie Futselarkl.
N1 EA- —NES. lee Member (.1,eal'bur), a, lid, ded; medelid. baatzu..ht. —y, a. Neil, gehtturd ; inhalig ; a. knurling. a. lidmaatschap . Membranaceous (mem -bre-nee'sjus), a. vliezig, Mercer (mur'sur), a. kramer; handelaar in zijdeu en wollen stoffen. —y, s. kramerij; zkjden en vliesachtig. wollen etoffen. Menrbran e (mcm'breen). s. thes. —eous (-bree'Merchandise (muetsjen•dajz),.s.koopmanschep; ni-us), —out (-bre-nus), a. vliezig, vliesachtig. koopwaar. —, v. n. handel druven. Memento (me- men'to), s. herinnering, weak; Merchant (rauetsjent), a. koopman.'—man, !coopgedeukteeken. Memoir (me•moje, mem'wer). s. gedenkschrift; vaardijschip. —able, a. verkoopbaar, gewild. pl. gedenkwaardigheden. —line, R. near koopmansstiji. -a, vertoog; verslag. Memor able (mem'ur-ribl), a. —ably, ad. gedenk- Merci ful (mur'si- foel), a. —fully, ad. barmhartig. —fulness, s. barmhartigheid. —less, a. —lastly, waardig. — antlum (iren'dum), s. vertoog; aanad. onbarnehartig. —lesaness, s. onbermhartigheid. teekening.—book,aanteekenboekje.—ative (-e-tie), a. herinnerend; hertnnerings-, —sal (me-mo'ri-el), Mercurial (mer-eloe'ri-el), a. van (met) kwi' - • zilver; levendig, vlug; aanwtzend. s. levendig a. herinnerend; a. gedenkstuk, -teeken, • schrift; (me mo'ri-el-ht), —ialist mensch; kwikmiddel. —ize (-aja), v. a. met kwik. verslag; verweeschrift. daortrekken, e. echrijver van een gedenkschrift, verzoekschrift of verslag. —ialize a. a. een Itlercury (mur'kjoe-rih), s. Mercurius, bode; kw ik, -.jiver; levendigheid. verzoekschrift (verslag) aenbieden. —ize (-ajz), v. a. opteekenen, in 't geheugen prenten. —y, s. Mercy (mur'sih), a. barmhartigheid, genade; wilgeheugen; herinnering; aandeneen. lekeur. —seat, troon der genade. Mend (murd), e. vail, drek. Men (men), pl, meuschen; mannen. v. a. dreigen, Mere (mier'), a. meer; greets. —, a. —ly, ad. boater, Menace (men'es), s. bedreiging. enkel, bloat, slechts. bedreigen. —r. a. dreiger. Menacle (men'ikl), a. uithouder. ". tig ; ebtedir7e l'elliejk(.m2rnees-st,rtsi 1;Ot a ' crAgi.dh; 'ber,c1 Menage (me-naazj , , —rie. —ry (.na'zje-rih), a. diergaarde, menagerie. gelijkheid. lelenagogue (men'e-gog), s. stondenbevorderend Merganser ( - mer-gen'-zur), a. dulkeend. Merge (murdzj), v. a. indompelen; v. n. verzinken. middel. Men aid (men'ed), —ild, a. bontgevlakt (van rtieridl an (me-rid'i-en), a. van de middaghoogte; midday-; hoogst; s. midday; -him, merldiaan; toprot wil 1). , v. a. verbeteren; verstellen, lappunt. —one/ (-un-e1), a. van de mtddagltjn, zuideMend (inend ► lijk. —ionality (-un-el'It-tit), s. zuidelijke stand, pen. — one's pace, anen tred versnellen. — , middaghoogte. v. n. beter warden. —able, a. verbeterlijk; verstelbaar. —er, s. verbeteraar; versteller, lapper. Merino (me-ri'no), s. merino-schaap; merinos. Mendaci oua (men-dee'sjus). a. leugcnachtig. Merit (mer'it), s. verdiensto. —, v. a. verdienen. —or;ous, a. —oriously, ad. (-i-to'ri-us.), verdien• —ty (-des'it-till), a. leugenachtighei d.. stelijk. —oriouanese (-i-to'ri-us-), a. verdiensteMe ndlc an cy (men'di-ken-sth), s.bede/arij. —ant, a. bedelend, doodarm; a. bedelaar; bedelmonnik. lijkheid. —ate (-beet), v. a. bedelen. —ity (-dis'it-tih), a. Merl tnot (mer'l-tut), s. schommel, Edinger. Merl c (murl'), a. morel. —in, s.steenvalk. —on bedelarij. (-un),.. tinne, plat. Menial (,:ii"ni-el), a. gering, dienstbaar, knechs. dienstbode. Mermaid (muemeed(, s. meermin. —'s-trumpet, telijk. /Meninges (me.niu'dzjiez), p1. hersenvliezen. zeeslak. Merman (murimen),.. meerman. Menlecaeaa (ma.nis'kao), s. holbolle lens. Merri ly (mer'ri - lih), a. aruolijk. — meat, — aces, Mcniver (nlen'i-var), a. zeker siberisch bout. (me-nol'id-zjih), a. maandweizer. s. vreagde, vroolijkheid. Menology M ensal (men'eel), a. de tate' betreffend. —es Merry (reeerih), a. vroolijk, kortewijlig. (ornate zich vroolijk maken. —andrew, heuswerst. (.siez), p1. maandstonden. —n.aking, s. vroolijke partij. —thought, vortvorMenatru al (men'siroe-e1), —out, a. ma indemig borstbeen (van een' vogel). kleine lijkseh; snaand-, —suit, a. de atonden hebbend. mug. a. oplossend middel. nen.ura hie (mens'joe-ribl),a. meetbaar. — bility ratersion (mur'sjun), a. indompeling. (-re-bil'it-tih), e. n.eetbaarheid. —/, a. van (ale) Meseeins (mi-sierne), v. i. nag duskt. eene meat. —te ( - reel), v. a. metro. —tion !-ree , Mesenter lc (mez'en-ter-ik), a. vau het darmvlies. —y, a. darmvlies. O..), F. meting. Mental (men'tel), a. — 1?1. ad. aerstalidelki h. ; inner - Mesh (meaj'), s. meas. —,v. a. vangen, veretrikken. 13,jk, stilzwijgend. —y, a. bettormig. Mention (men'sjun), s. melding. —, v. a. mel- Meslio (meznin), a. & s. Zie Matins, den, vermelden, ge•ag maken van. Mesne (mien), a. tusschenkomend, midden. Mephit in —ical, a. atinkend, ye, Mess (mess'), a. gerecht; poetic; tafel; sehotel; bak; pestend. —is (Mlle), —Um (-neeri tizm), s. mengelmoea; voile boel. —boy, bakajongen.—mate, bakagaat. —, v. n. rah erten. aao den bak e ten. kende uitdempieg. M era el ous (me-ree'ejus),a.helder,klaar;krachtig. Message (mea'aidzj), F. boodschap. Mercantile (mur'ken-til), a. handela-. Messenger (mes'sin.dzjur), a. bode ;kabellaring. ercenvr iness (mur'se-ne•ri nee.), a. v Messiah (moo-s sj'e), s. Measles.

382 Annvilegen, or. yr. to fly at, to rush upon; on. w. to fly (against). !contest , to fly (to ruehi hither. Annvioelen,on.sv to flow hither; (tegen) to wash. Annvoeg en, ov. w. to join, to annex; coder —, to subjoin. —end° 100, subjunctive mood. —lug, v. jointng, annexation. —sel, o. addition, appendix, supplement. etnnvner, m. arrival, enpoly,importation. —der, m. —ster, v. importer; commander, chief, leader, gui , e. --en, ov. w. to hr:ng hither, to import; to command, to head, to lead (on); to allege, to quote. —ing, v. importation; command, lead; allegation. Aanvrn sg, v. demand, order, application. Annveng vet, or. w. to order; to collcit, to request, to ask for. —er, n. requester. .trerevrlez en , on. w. to freeze to. Annvul ten, or. w. to fill up, to replenish; to eupply, to complete. ---iing, v. fi(lIng (op); completion. —eel, o. complement, supplement. A an -eur en, CY. w. to stimulate, to incite, to in • flame, to excite. —ing ,v. rettenutation a inciternent, excitation. Annwn mien, ov. w. to blow hither; to blow at, — upon; to blow (against!.; on. w. to come unawares; to set intuitively. Annevekker en, ov. w. to animate, to enliven, to cheer up; on. w. to increase„ to grow brisker. —ing, v. animation; increase.; Anne-vas, in. growth, iliCYPANO, accretion. —sett, on.w.to grow (to); to increase, to Augment; to rise. Anowellen, or. w., to weldto. Annwend en, or. w. to employ, to use, to bestow, to apply (to); cites —, to use all one's endeavors. —ing, v. application. Annwen nen, ov. V7. to accustom (to inure) to, —swig, v. accustoming. —eel, o. habit. Annwentelen, ov. w. to roll (against`,; to roll hither. Annwerken,ov.w.to join cl oseonew.towork hard, Annwerpen, ov. w. to throw (against); to throw hither; to slip on. Annwery en, 07. IV. to engage; to levy, to en list, to recruit. —er, tn. recruiter. —ing, v. re. erasing, enlistment. Ann wee en, ov, w. to weave to. Annwex en, o. being, existence, presence. —end, by. exietent; in office; present. —ig, be. meant. —igheid, v. presence. AnnwUseter, v. Zie Annwtjeer. Anyawken en, ov. w. to indicate, to point Oct; to assign; to demonstrate. —end, hr. demonstrative. —er, m. indicator; essignerOnformrr, index. —ing, v. indication, pointing out; aesignatioa; information. Annex I n den, ov. w. to wind hither. — close. Annwin nen, or. w. to gain, to win; on. w. to improve. —et, v. gain, profit; improvement. Annwtp pen, on. w. to totter (against). honsen to approach skipping. Annwitten,ov. w. to white-wash. Annwriav en, or. w. to rub (st. itgainst); to impute to —ing, v. rubbing again,t; imputation. A tanzanden, or. to cans. Annzeg gen, oe. w. to announce, to signify, to notify, to glee notice of; Wen —,to sent. word men toe het hens niet —, he does not look like it.
Gestooll, o. rornpleg, dalliance. Geetoeite, 0. ',eat, pew, tribune. Geotof. o. dusting; vaunting, boasting. G eseoffeard, be. furnished; decked. ta resit/len, bv. stolen, robbed, pilfered. (a estosn enel,o. rumbling, bustle, noise. Gectoord, be. diaterbed; angry. —held, v, anger, displeasure, wrath. estoot, o. pushing, jogging. Geot otter, o. stamiaterieg. Geeteeel, v, stroking, caressing; flattery. G estreept, be. striped. Geetreken, be. rubbed; ironed. Gest reng, be. & bw. severe (-1y), rigorous (-1y), rigid (-1y), austere (-)y ). —held, v. severity, rigor, rigidity, austereness. t^ eatr!blzel , o. squabble, wrangling. G eetrompei, G oetrulkel, o. steambling. G 'sok, 0. buzzing; whistling, whispering; tingling (in dt oaten). tit esukkel, a. lingering, loitering; drudging, bother; indisposition, WAVY. G etannd, be. tawny. te etnbberd, be. robed. te etakt, be. branched, branchy, forked. Gain!, o. number. —leer, science of numbers. —letter, numeral letter, numeral cipher. --nterk, numeral character. —woord, noun of number. Gee:thin, o. lo.tering, trifling. to etend, be. toothed, cogged, indented, eteeen, o. whining, drawl, cant. G etemperd, hr. tempered, allayed; temperate, moderate. —heid, v. temperatenees, temperance, moderation. G et tent, o. loitering, lingering. o. noise, racket, clamor. ettj. o. tide; opportanity. —boek,brevlary. —de, o. season. —den, o. my. hours, prayers of the breviary. G etUgerce, be. spotted, speckled. (defile, 0. ticking, pit-pat; knocking. fietlinmer, o. carpentry. —te, o.. carpenter's work,timber-work, structure, edifice. Get Intel, o. tingling, twinkling. G et j ll p, o. chirping, twitter. Get oh, o. drudging. toil, mail, misery. etoet, o. sound of a horn; tingling. G etogen, by. gone; brought up. G etokket, o. touching, thrumming. G etongd, by. tongued. Getoo veer, a. sorcery; tricks. Getorn, o. ripping up, uusewing, unstitchlug. Getouvv, o. loom. te strewn, a. weeping. (d steadied, by. grated, net-worked, latticed, trellised. Getrnrepee, o. trampling. EA etretutr, o. mourning. G et reuzel, o. loitering, trifling. G et ripp *1, o. tripping. Gotroetel, o. caressing, fondling, cockering, Getronsinei, o. drumming. Getroosten (Mob), t. w. to bear patiently, to submit to, to take in good part. G eta . anew, by. & bw. faithful (-1y), loyal (-ly), trusty (41y), true, truly, exert (-Iy), accurate
Being a student on exchange really lets you explore new cultures from a completely different perspective. You will meet lots of other exchange students from all over the world, make local friends and by the end of your exchange you maybe even have a home away from home. Our students recommend to just make sure you go on exchange and enjoy it to the fullest. 
don’t use coinbase. They held my funds and I couldn’t use my bitcoins until their value dropped by 1/4. this company is awful. I verified my ID, bank account, email, and everything and they lied and said initially it takes 3-4 days for funds to be available. once the bought the bitcoin they said it will take one week. and that is still a lie because after one week the funds are NOT available. liars !!!!

goring. —, a. —ly, ad. ontkennend, loochenend; Nether ;neth'ur), a. nester-, betted..., wide; (.. evnt jegn)s.t 80. n dneertswt r k negatief. —, v. a. ontkennev; afaternmen, verNettin g a vinkenvetten. werpea. —rails, leuningen der verschansIng. Neglect (tag-lekt'), a. verzuim, verwaarloozing. —er, a. Nettie (net't1), a. netel. bush, netelstruik —, v. a. verzunmen; veronachtzamen. --hemp, doove natal. —monger, rietma.ach. —rash. verzuiner; verwaarloozer. —ful, a. —fully, ad. netelkoorts. —tree, netelboom. —, v. a. stek ,m; nalatig, acbteloni. —ive, a. nalatig, achte- verbitterell. —r, a. kweller, opruier. loos. ( (nag-g cnc nl et-sj izji e dez),ens.,i,m: a. r) gne au lgae,wigahaedi.a. t Neuro logy (njoe-rol' ua-zjih), s. zenuwl-er. —pier (4op'tur). a. netvleagelig insect. —spas'. Negligeae (njoe'ro-mpest), a. draadpop. —tic (roVik), a. & a. —tip, ad. naly...tig, verwaarloozend kof)• a. zenuwsterkead (middel!. —tomy (roituna-mth), Negotatt bier tne-go'sji-tb1), a. - verhandelbaar. a , zenuwontlediug. —te (-eetl, v. a. verh,nuelen; aangaan, taluiten; v. n. ouderhandelen; halide) arijven. —Lion;-ee'- Neuter (njoe'tur), a. onsijdig; onpartijdig. —, a, oa- (-ee-tur), a. onagdig persons; — geslacht. —tor ejun), a. onderhandeling Neutral (njoe'trel:i, —/y, ad. Zie Neuter. —, a. a. onzijdige. —ity a. onzijdigheid. ndsettia ('nri'gres -, ). a, negerin. --gro (--gro), 8 N de":rae wine kruidenwijn• (-i-zee'sjuni a. (het) onzijdig (unsch. neger, —gus, i v. a. to niet does, delijk) makes. —ize (-ajz). Neigh (nee'), a. gehinnik. —, v. n. schadelijk (krachteloos) makes. brieschen. huurman, Never (nev)ur), ad. nowt, nimmer; in 't gv Neighbor (nee'bur), a. nak,urig. bee,. niet —cea sin g, —ending, a. onophoudelijk -vrouw; naaste. --, v. a. grenzen flan; v. n, uabij —fading, onverwelkelijk. —failing, onfeilbaar. a ones. —hood (-hoed), a. huurt-; buurachap. ad. nimmermeer. —theless (•the-less'), —ing, a. naburig. —ly, a. & ad. buurachtig. ad, niettegenstaaude, niettetnin. vriendechappelijk. beide. v811 geeu New (njoe'), a. & ad. nieuw; versch. —born, jongpr. naftleur), Nesther nor I —, ik geboren; nieuw. —coin, V. 8. vermunten. noch..- noel.— -, conj. -. .nor paa (nieuw) gemunt. —come, paa aangekomen. ask niet. Nemoroum (nereo.ru,), a . 1,,,,eha,iitig, bosch-. --coiner, aankomeling —dress, in het nieuw atebakken. —fashioned, ohm.' ken. —fangled, Mesita (nrni-e), a, treur-, lijkzang. inodisch. — gate-bird, galgebrok. —hoop, yeti (ni-njoe taar), a. waterlelle. Nenuphar versch (-gelega). Netting lam (lii-ornd-zj , sm), a. nieuw wooed. nieuwe hoepela voorzien. iuvuerder van nieuwe woorden. —y. s. —line, van nieuwe voering voorzien. —married, pasgetrouwd. —model een' nieuwen ',tom ger., invoeriug (gebrail) van nieuvre woorden. nageieg. op nieuw Kitten. —mould,, —reckoning, (tiro fe)t), s. pas bekeerde. Neu Whyte oplappen. —year, nieuwjaar. —year'sNeoteric ni-o-ter'k), a niettwertivetsch, nieuw. day, nieuwjaaradag. —year's-eve, oudejaarsavond. Nap (act)), s. neppe, kattenkruid. —year's-gift,nieu.wjaarsgeschenk.—tsh,a.nieuwNephew (nev'joe), a. neef, ooin-zegger; nabe- aehtig. —ly, ad. onlangs. —ness, s. nieuwheid; staande. Nephr ittic (ne-frit'ik, a. van de nieren; nier-, nieuwigheid; onervarenheid. Newel (njoe'll), a. epil eener W enteitrap. (-fraftia), s.niera. middel tegen nierpija. --itis otoy m (-frot'unimilk, a. snijding News (njoez")., s. nieuwe, tijding, bericht. —boy. entsteking. — van den steen nit de nieren. krantenjongen. —man, krantenman. —monger, —paper, nieuwsblad, courant. Nepotism (nep'o-tizm), a. nepotism., begunati- nieuwakramer. --writer, dagbladaehriiaer. ging van bloedverwanten. Newt (njoet), s. hagedis. Nereid (urri-id), a. zeenimf. a. eerctkomend, toekoNew a (nurv',, s. zenuw; pees; spier-, veêrkracht. Newt (nekst), volgend; ad. naaot (to); vervoigens. — to nothing, mend. -e, v. a. sterken. —ed, a. sterk; geribd. a. zenuwlows; zwak. —ine (-in), a. & s. zenuw- zoo goad ale nieta. —door, ad. hiernaast. sterkend (middel). —ous, a. —entity, ad. zenuw- Nib (nib), a. nab, snavel; punt. —, v. a. afpunteu; achtig, zwak van zenuwen; van het zenuwge- v. n. bedillen, vitten. —bed (nibd), a. genebd, ate.), zenuw-; gespierd, forsch,krachtig; nadruk - gepunt. beet. —, v. a. knobkelijk. —ousness, 8. zenuwachtigheid; kracht, Nibble (nib'b1), a. aanbtjten, belen, aanbijten; v. n. (at) aanbijten; aterkte. _vitten. —r, a, knabbelaar; vitter. Nesclonce (uesri-ens), a. onwetendheid. ad. lekker; lief, aardig; ty, — Nice, (naiel, a. Nest (nest'), 8. neat; kistje, kaatje; schuilhoek; teeder; kiesch; keurig; netelig, moeielijk; spitsetel, stapel. to feather one's —, zijne beurs spek- vondig; beuzelachtig. —near, —ty (-se-tih), at. ken. —chicken, nestkuiken. —egg, nestei. keurigheid; liefheid; teederheid; nauwkeurisv. n. eon nest bouwen. Neon a (nes'81), v. a. in het nest brengen; koes- heid;spitsvoudigheid. — ties (-se-tiez), pl.lekkerteren; v. n. neatelen. —ing, a. pas uit den dop nijen. Niche (nits);, a. nis (in een' muur). gekomen; a. nestvogel. hoogste worp; joists Net (net'), a. netto, zuivet. —, a. net . —cap, hail, Nick (nik'), s. keep, kerf; netje. —parse, geknoopte beurs. --, v. a. in een oogenblik (knijper). old —, de dromtuel. —, v. R. juist treffen, inkerven; passen; bedotten; net vangen; knoopen; netto opbrengen; v. n, kortstaarten. knoopen, breien.
Narcissus (ner sis sue), a. narc s. Narcotic (ner-kot'ik), a. Zit s. bedweimend, bleep verwekkend (middel). Nerd (naerd), a. nardua, nardusolie. Ware (leer), a. neasgat. Narra hie (neertb1), a. vertelbaar. —te (-reetl, v. a. verbalen. —nos (-ree'ajug), a. verhaal. —tire (-re-tiv), a. verhalend; e.verhael.—tively ad. verhalenderwUze. —tor (ree'tur), a. verhaler. Narrow (ner'ro), a. engte. —, a. nauw, eng; mai; nauwkeurig; bekrompen, karig. to make a — escape, te nauwernood ontkomen. to bring into a — compass, beknoptelijk namenvatten. —breasted,met eene smalls borst• gierig.—hearted, kleinmoedig. —heeled, met smalls hielen of hoeveu. —minded, kleingeestig. —spirited, van een bekrompen veratand. —, v. a. vernauwen, he. perken; v. n. nauw (amal) worden; inkrimpen. —iv, ad. nauwelijits; te nauwernood; van nabij. —nets, a. nauwhetd; smalheid; kleingeeatigheid; karigheid. Narwhal ( near' wel), s. narwal; zeeeenhoorn. Nasal (nee'zel), a. van den nrus; a. snuifmiddel; newsletter; neusklank. Nascen cy (neesin•sih), a. ontataan. —t, a. ontutaand, wordend, wassend. Newt Ivens (naaleti-ness', a. vuilbeid,morsigheid, —ily, ad. — y, a. null, moraig. Natal (nee'tel), a. van de geboorte; geboorte-. —Mat —itious (nete-Berns), a. van den geboortedag. Nat a nt (neelent), a. drijvend. —tion(ne tee'e)un). a. (het) zwemmen. —tory (-te-tur-rih), a. tot zwemr,aen dienend. (lintels (n , taj), 3. kruia (van een rund); knoopegatechroef. 7
Rieder U den, on. w. to rids with A. o. lnedesthepael, o. fellow-creature. Modeschreeuwen, ou. w. to join in a cry. illedeschuidig, by. Zie Bledeplichtig. Medeeleepen, ov. w. to drag (to hurry) away, — along with; to involve; to seduce. Riede:wet en, ov. w. to join in a play; on. w. to play with a. o. —er, m. partner. Modespreken, on. w. to join in the Conversation; to meddle with. Ititedestender, rn. aeeociate, partisan, abettor. Itiedeste ► ns en, on. w. to vote likewise, to be amongst the voters. —iag, v. voting with others. ItledestrUd en, on. w. to join in the combat. —er, m. fellow combatant; competitor. Medevaillen, on. w. to meet with unexpected aucces, to succeed beyond expectance. Medevoeren, on. w. to carry along with, to bring off. inedevongd, m. —et, v. fellow-guardian, jointguardian. —(j, v. —ijschap, v. joint .guardianship. Itiledeveaken, on. w. to watch in company.
Spat, i. Sped, i. & p. p. Smelt, 1.& p. p. Spent, 1. & p. p. Spilt, I. & p. p. Spit. 1. & p. p. Spitten p. p. Split, i . & p. p. Spoke, 1. Spoken, p. p. Sprung. I. Spread, i. & p. ,. Sprung, t. Its p. p. Spun, t. & p. p. Staid, & p. p. Stole, I. St olovii, p. p. Stood, i. & p. p. Pitrick‘i.o, p. p. Stridden. p. p. Striven, p. p. Strode, t. Strove, i. Strown, p. p. Struek,i. & p. p. Strucken, p. r. Strung,!. & p. p. Stuck, t. & p. p. Stung, I. & p. v. Stunk, t. &p. p. Swans, 1. SWeat., 1. Sweater, p. p, Swept, I. & p. p. Swet,1. & p. p. Sw•rbIlart,p, p. Swain, P. P. Swore, I, Sworn. p. p. Swsr.,n,1. & p. p. Swung, I. P p. p. Taken, p. p. Taught.1.8/, p. p. Thought, 1. & p. p. Threw, i. Thriven, p. p. 'Throve, 1. Thrown, p. p. Thrust, I. & 14 p. Told, 1. & p. p. Took, 1. T ore, 1. Torn, p. p. Trod. 1. Trodden, p. p. Narrsehen, p. p. Wex,n.p. p. West, i. Wept, I. & p. p. Wet, 1. Wisp, i. & p. p. Woke, I. Woo, i• & P. li•
his equal, he is not equalled. —, o. right. — Ashbee, to be (in the) right. — genes, in Aet — stollen, to agree with, to decide in favor of. — met - rergeiden, to render like Co: like. — zoekt birds of a feather flock ogcher.—.bw. equally. even; without odds.vw. se . GelUkeordig, be. similar, homogeneous. — Acid, v. sim ilarity, homogeneousness. (iel ljlabernt a. isoceles. Gel Ukbln terkenend, be. synonymous. GelkikblIjcen, on, w. to keep pace —, to keep t with up (with). sick selves —, to be consisten one 's self. bw. eqrally. (lolUken, on w. to be Ito took) like, to renew.ble, to have a likeness (resemblance) to. Getlikenle, v. likeness, renosmblance; picture, image. comparison; simile, parable, allegory. teleitiksrvelJet, few. :in the same way (manner). ' likewise. Gotejkkeid, v. ;similarity, likeness, equality, sameneem ; evenness, smoothness, leveleees , sttaightnes, Gel kik hoe klg;bv. equiangular. — e figour, isogon. GelijkJarig, by. of the same age, equal in .sera. Golkikluldend, by. of tke same tenor, true; 11111F0130118; homonymous. --held, N. conformity, similarity ; unisonance. GeRiktrack en, ov. w. to equalize; to make even, to level. —er, En. eptator,evener, leveler. GelUknzatig, be. & bw. proportionable (-hly), proporticnal (-1y), proportioned, regular (.4). —held, a. propo , tionality, regularity. Gel Uktoorcillig, by. de bw.equanInlous(-4).— held, v. equanimity. Geltilananalg. by. homonymous. —held, v. homonymy. G.1111kelachtig, by. homogenial, homogeneous; of the same gender. —held, v. homogeneousness; sameneee of gender. Gotta keoerf Ig, by. similar, homogeneous.-- held, v. tomilarity, bomogeneouoness. (i elUkstntan, on. w. to be equal (met, to). Gelkikalaltig, be. of the same form. —held, v. semeneee of form. GrifjlAstandlg, be. of the same rank. —held, v. sameness of rank. GelUkatall eta, or. w. to equalize. —lag, v. equalization. synbv. & bw. simultaneous chronous, contemporary (-ily), at the same time. —Acid, v. simultaneoueness, synchronism, contemperarinees. Gelkilveloters, bw. level with the ground. (atillIjkvornaig, be. & bee. conformable I-biy), equable (-bly). —held, v. conformity, equableness. G el eliceteanrdlg, be. equivalent. —heid,v.equivalance. GelUkzetten, ov. w, to set (ter uurwerk). G ellikzkirlig, by. equilateral. —heid, y. equilatereineea. Geltikzinnig, be. eynonymous. —keid, v. synonymy. think, o. licking.

Zaffre (zet"fnr), a. tatter (snort yin kohattkalk). Zany (zee'nth), e.haneworat. Zen (We), s. mats. Zeal (ztel), a. tver. Zsialot (hel'ut), a. Oversee, dweper. —ry, e. blinds jjver, dweperij. Zealous (zeruz), a. —ly, ad. ijverig. —sees, a. ij verigheid,, ijver. Zebra (zi'bre), a, zebra, woudezel. Zeehln (sl'kin, eje-klen'), a zechien, zece h i no (ltaliainache gouden flaunt) (plant). Zedoary (sedio.e.rih), s. r. ..t. Zenith (ii-nith), s. zenith, t Zeolite (aPul-lajt), a ichnim,t,ti, zeoliet. Zephyr (zet'ir), a. tear, weatenwind. Zero (zt'ro), s. nut, zero; vriespuot. Zest (zest), a. brit, middelechotje (in ease okkernoot); citroen-, oraujeschilletje; /meek, gear. —, v. a- gem*/ oaken. Zetetle (ze-tet'lk), a. navorochend, opaporend. -a, pl. het h.:Hazen near onbekende grootheden.

splintennleuw. —piece, knijper op de mars, se!tieten; oulstaan, voorkomen. —er, kuiter. —saw, handzaag. —shackle, ben, -1 der pent,- —sag, e. het •nitmeitieten; poartijd. baiken. —, v. a. spannen, °map.. eon, afmeten. Spay (epee), v. a. anijdett (willjeadieren). Spandrel (spen'drilr, a. begin van een geweif. Speak (snick') [spoke. spoken (spo'ku)), v. a. spreSpangle (speng'g1), s. ioovertje. —, v. a. to ken; uitepreken„ zeggeta; to kenn geven; —the word.. conduit spreken ; v. n.apreken; — fair, goede loovertjes veraieren. woorden Spaniel (spenlil), s. pa.trijabond; kruiper, victor. (onj voorrspreketi. (out) luid (vrij• —, v, a. ale een hand ualoopen; v. n. kruipen, rnoedig) apreken. ( to) groeten. —able, a. ill tapre• vleien. kelijk, hespreekhaar; gproSeucl. —cr, a. apreker; Spanish (spon'isj), a. spaanseh. —coin, admire woordvaerder. —ing, a. het spreken; —trumpet, — apreektrompet,roeper. •oorden. —fly. soaanache licorice, drop. — paint, — white, loodwit. — red, Spear (spiee), a. spear, Inns; elger. --blade, spitse vermllioen. kling --box, zu4er (acne]. pomp). ;_—/not,rechter Spook (spengk'), v. a. met he viakke hand achterpoot. —grass, ' speergras. —hand, rechteralaan . a. Wein muntstqk; groote, a`erke. hand. —head, speerpunt. —man, speerrolter. vent, Was; pronker; —boom, boom voor het —mint, , ronwenrnunt. —shaped, lanavormig. brikzeil; —, —sail, brikzetl, bezaan. —big, a. —ntaff,apeerachaebt. speerdistel. —wort, borsch, stevig; opgetooid. speerwortel. v. a. met eerie spear doorboren v. Spanner (spen'nur), e. spanner; karabijnelot; 0. opachteten; ale to !pair].-. schroevendraaier. Special (ti?earell, a. —1y, ad. bijzonder,. soorteSpar ispaar), a. ,,,paath; spar; sluitboam.--, v. a. lilt; huitengewoon; uitrnuntend. ty a. bijzonderheld; hijzonder geval. met cen' boom aluiten; v. n. met de vuiat veelt- ten. Sps ale lapi'sjih), a. specie. gemunt geld. —t (•ndiz), Spar* Isle isper'ibil, s. sehoenspijker, MIN,. a snort, geslacht; bestanddeel. —drap (-e deep), a. waspletater. Specific (ripe-sit'ik). a. bijzonler middel. —al, -Spare (spec].'), a. —IP, ad. spaarzaam; thinoehraal; —att., ad. bijzo,der; soortelijk. —ation (al,osflOoA, a - bed, et, teed karig, mistier; overig, if t kee'sjun), a. uiteenzetting, arzonderltike vermelding. over. —dark, overlain,. —diet. wheel]. kost. —hour, snipperuur. —money, spaarpennin!;,-,n. var- Spec, (speei-faj), v. A. uiteen zetten; aizonderkenssratinetje. —time, vrije —topmast., bore. - 10 (at nit voor awl() opgeven. —men (-men), a. along. —yard, waarlooze ra. —. v. a. aporen; be- proof, staaltje. aparen; veeschoonen (from); ontberen, n,).asen; v. Specious lapi'sjua), a. —ly, ad. oogenschiinlijk, n. sparer); spaacz3am zijn;zich onthouden (foot,. schoonschijnend. —wens, s. schijr, glimp; echoon-ness, s. magerheid, mehrattliteid. —r, a. apaar- achijnendheid. der. Speck ispek), s. vlekje. v. a. vlekken St ntrIng (speOrioig), a. —1y, rd. aoarzaam; Speckle tapek'kl), s. apatje, apikkeltje. —, v. a. achraal, verschoonend. —fleas, a. spaatzaatniteid; spIkkelen, neignkkelen. schraalheid; orazichtighcid. Spectacle (apek'tikl), a. schouwapel,verfecultig• Spark (apaartti), a. vane; pronktr;minuattr. —ink, --maker, brillen%lijper. —snake, brilalang. —d, a, a. l'achtig, vroolijk; opgescht kt. gehriid. —s, pl. brit; a pair of --, can 1► 11. verapveiden; Speeta tear (spek- tee'tur), s. toeachouwer; beSpark; e (spaaekt). s. conk. v. a. vonkeien, fonkelen, flikkeren ;with ;. —er, a. achouwer. --tress, s.toesebouwater. die glinsterende oogeu heart. —of, a. vonkje, Spectr at (spek'trel), A. itookachtig; spook-. sprznkje. —ing, a. —ingly, no. vonketend, tattle- ( , tur), a. spook, verschijning. —um, . beeld, kienlend, parelend. ingness, s, gevonkel; glanerijk- renbeeld; geatalte. held. Special ear tapek'joe-ler), a. spiegelvormig7 apie• Sparrow (speero), e, munch. --gram zie Aspic. gel-. —ate 1-leer), v. r. peinzen, bespiegellugen ragus.--Actuilc,sperwer. waken; speculeeren (in. on). —ation (-lee'f-jun), a. Sparry (apaaerib), a. spaathachtig. beapiegeltng; speculatie. —ative, a. —at ively, ad. Spasm (*ppm), s. kramp. a. (-le-tic-), beltpiegelend. tbeoretisch. —aloe (-lee➢ rarnpachtig; kramp-; a. kramptitillend middel. s. beschonwer, peinzer; speculant. —um, e. Spat (spet), a. knit (van °eaters); also met een plat spiegel. voorwerp. —, v. n. knit achieten (van °eaters); Speech (spiet4'), s. spraak; tanl; toeapraak; cedetwisten; alga". vocring. § —ify (-i-fe,j).v. n. eene rettevoering hoc. Spath (*peel li), s. bioenischewlde.—ic(speth'ikli den. —less, a. aprakeloos. —leanness, a, bprakelcos• a. schilferachttg. held. Spatial. (apee'aji-eet),•• 0. zw. ,,en• Speed (spiee), a. spoed, haest;sneilleidtultkornat, Spatter (speetur), v. a„ beapatten; bekiadden, be- uitslag. at (with) full —, speorsings. eeretwat ken; uitslaan; v. n. apuwen; spatten. —dashes prOn 'plant). (-de"sj-iz), p1. alopkoumen. Speed (aped') [sped], v. a. hespoedigen. vechasa. Spatula (spet'joe- a. spate;. —le (-let), a. s paten; afzenden; uit data wag rumen, bevordereu; telvormig. v, n. Melt ballet.; alagen; amen. --lip, ad. —y., a. SpavIn (spev'in),.. spat. —ed (-ind), a. anatzfek. spoectig, anel. ( 1-nese), s. synod, enelSpawl (apsol),.. speeksel. held. . Spawns (spaon'), a. buil, zaad; gebroed. —, v. a. Spell (spell'), s. betoovering; schoft.(tkid); ploeg voortbrengen; v. u. knit schleten, leggen, telen, (troop). —bound, bstooverd. —word, tooverwoord.


A. A (apr. ala de toonlooze e in del; an (-en), art. eon, eerie, eenen. Aback (e-bek'), ad. rugwaarts; tegen den mast. Abaci tion (e-bek'sjunl, a. veeroof. —tor, a. veedief. Abacus (eb'e-kus), a. rekentafel; dekstuk van een kapiteel. Abaft (e-baaft'), ad. naar den achtersteven. Alvaitem% te (eb-eePjen-eet). v. a. vervreemden, afkeertg maken. —tion (-ee'sjun), s. vervreemding. Abanlon (e-ben'dun), v. a. opgeven; verlaten; laten varen, (to). —ed, a. opgegeven, verlaten, (by. of); verdorven. —ed wretch, volslagen schurk. —meet, a. verlating, verlatenheld. Abannitlon (eb-en•nis'slun),a. uitbanning (voor den jeer). Abnptiston (ee-bep-tietunl, a. sehedelboor. Abarticulation (eb-er-tik-joe-lee'sjun), a. geletting. Abase (e-bees'), v. a. verlagen, lager maken; vernederen. — the flag, de vlag strijken. —meet, a. verlaging; vernedering; neeralachticheid. Abash le-bear), v. a. beschamen, verlegen maken. —ed, a. (at) verlegen (over). Abate (e•beet'), v. a. en n.verminderen,afslaan, korten (from, of)• ontzeggen; ontmoedlgen.—, v. n. afnemen, minder warden (of. in , . —went, a. vermindering, korting, enz. —r, a. verminderaar. Abature (eb'e-tjoer), e. spoor van een hert. Abb lob), a. gareu van de schering. Abb acy a. waardigheid eons abts. —em (ebnis), a. abdis. —ey (eb'bih), a. abdij; —lubber, s. kloosterzwn, amulpaap. —et lob' but), a. abt; —ship, a. abtschap. Abbrevin te (eb-bri'vi-eet), v. a. verkorten. (•ee'sjun), a. verkorting. —tor, a. verkorter. —tory (e-tur-rih), a. verkottend. —ture 1-e-tjoer), a. verkortingsteeken. ABC (ee-bi-st), a. het alphabet; a-b•boek. Abdica te (eb'di-keet), v. a. afstand doers van. —,v. n. de regeering nederleggen.—tion (-kee'sjun), a. afstand; nederlegging der regeering. —live, a. afstand veroorzakend. Abdit ive, (eb'dt-tiv), a. verbergend. —cry, e. geheirne bergplaats. Abdom en (eb-do'men), a. onderbulk. —inal (-doml-nel), a. onderbuika-. —inous (-dom'i-nue), a. onderbuns•; dikbuikig. Abduce (eb-djoes"), v. a. aflelden; wegtrekken. —nt, a. aftrekkend. Abduct ion (eb-duk'sjun), a. aftrekking; wegvoering; gevolgtrekking. —or, a. wegvoerder; aftrekkende spier.
a. uitwendia vourkoui,u; uttwouitwendig. aend leerling. —ality (-nerit-tih), 0. uttmeudig(nelz), s. uiterlkjkiteden. held. Extersion (eks-tur'sjun), s. uitwrijving. Extill (eks-till, v. n. of-, uitdruppelen. —ation (-ee'sjnn), s. uitdrappeling. Extinct (eks-tinkt'), a. uitgedoofd; afreschaft uitgestorven. —ion (-tink'sjun), a. uitdoving verdelging. Extinguish (eks-ting'gwisj).. v. a. ultdoven, blussebent vernietigen. —able. a. bluseltbair; vernietigbaar. —er, s. blusseher; dompertje; doofpot. —meat, a. , uitdoving, blussebing; vernietiging. Extlrpa te (eks-tur'peet), v. a. uitroeien. —lion (-pee'sjun) s. uitroeiing. —tor t•pe-tur), s.uitroeier . Extol (eks-tor), v. a. verbefien, prijzen. —ler, a, lotredensar. /Extortive leits-tor'siv). a. —/y, ad. afpersend verdrukkend. Extort (eks-tort'), ". a. ontwringea; afpereen, afknevelen; v. n. knevelarij plegen. —er, s. atparser, —ion (-tor'sjun), a. afpereing, knevelar;j. —ionary (-tor'sjun-e-rth), a. knevelend,onderd rukken& —ioeer (tor'sjun-ur),... afperser, knevelaar. TOxtreset (eks-trektl, a. utttreksel; attreksel. —, v. a, uittrekken; aftrekken. —ion (-trek'sjun), s. uittrekking; worteltrekking; afkornst. —ire, a. utttrekbaar. Extradition (eks-tre-disj'un), a. nalevering. Extrageneous (eke-tre-dhji'ni-us), a. van eene andere soort; vrpe.d. 'xta-ajssdiclat (eke-tre-dzjoe-disj'el), a. buiten yarn, van reebten. Extramission (eks-tre-misrun), s. uitzendfng (near buitenslands). Extramundane (eks-tre-raurt'deen), a. buttonwereldseb. Extraneous (eks-tree'ni-us), a. ultheemsek. Extraordlnar lea (ekttroedi-ne-riez), a. buitengewone dingen (uitgaven, onkosteu, cut.). ad. —y, F, buitengewoon. —inns; e. buitengewoothetd; ongemeenheid. Extraperuchial (eks-tre-pe-ro'ki-el), a. buiten het kerapel. Extt aprovinelnl (eke-tre prooln'sjel), a, bui ten het Rawest. Extraregular (eke-tre-reg'jcz-Jer), a. buiten den regal. Extravagn nee (eks•trev'e-gene), a. buiten• sporigbeld. —nt, a. —ntly, ad.buitensporig, kwistend. —nt, a. overdrijver, buitenspurig mensal. —te, (-geet), v. n. uitspatten, raaakallen. —tion (gee'sjun), s. buitensporigheid. Cxtravesn te (eks n trev'e-eeet), v. N. uit de (-see'elun), a. uitbloedvaten dengen. starting Rat de utter)). Extraversion (elcs-tre-vur'sjurt), a. nitstortinO. Extrent ti(eks- Wear), it. ulterst; —unetion,laatste olieiel.:i—o, a. uitetste . boogste mate. —ely, a. a. uiterste; ' uitermate, zee, —ity (-trem'it-tih), niterste etnd (punt; nood). Extrien bie (ektetri-kibl), A. tilt te redden; ti' ontwarren. —te (-keel), v. a. uithetpet, outwarren. —tion (kee'sjun), s. uithelping, bevrij. ding , ontwarring.

Heeft ethereum een ​​limiet


231 Prepare (pre v. a. bereiden; voorberelden, gereed maken (for); v. n. zich voorbereiden; toebereldaelen Ikea, (for). —dApeerd), a. —dip (.1(1-11h), ad. vaorbereld. —thetas (-Id.), a. gereedheld. —r, a. bereider. Prepay (pri-pce') v. a. frankeeren, vooruitbetalen, Prepense (pri-pens"), a. voorbedacht. Prepollen ce (pre-pollens), —cy, a. overmacht meerderhoid. Prept•nder sauce (pre-pon'dur-ens), a. over"debt. —ant, a. overwegend.—ate (-eet), v. a. (tan gewlcht) overtreffen; tie de overhand hebben over v. n. het meant wegen; overwegend sijn. de overhand hebben. Preposit ton (prep o-ziaj'un), a, voorzetael.—ive (Pri-poz'i-ti v), a. voorgeplaatat; a. voorvoegiset, —or (pri-pozl-tur), a. opziener. Prepossess (pri pozezeas'1, v. a. voorinuenten, —ion (-zearun), a. vooringenomenheid. —or, a. vroegere bezitter. Preposterous, (pre-pesitur-us), a. --/y, ad. verkeerd, ongerijmd, dwaaa, —neat, a. verkeerdheld, ongerkimdheld. Prepoteet (pre polent), a. seer machtig. Prepuce (pri'pjoes), a, voorhuld. Prerequi re (pri-re-kwejr), v. a. vooraf vorderan. —site (-rek'wl-sit), a, vooraf noodlg; a. (bet) carat noodige. Preresolve (pri-re-zolv•), v. a. voorafbealuiten, Prekagative (pre-rore-tiv), a. bevoorrecht —,e. voorrecht. Presstuge (pres'idzj;, a. voorteeken. Presage :(pra.seedzj , ), v. a. voorapellen, voor-,ful, a. voorapellend. —ntent, a. voorspelling. —r, a. voorspeller, voorzegger. Presbyopy (prez'bl-o-plh), a. verziendheid. Presbyter (prerbi-tur), a. ouderling; prieeter; Presbyterlaan. —ian (-WrI-en), a. preabyteriaanach; a. Presbyteriaan, —y (ter-lb), a. (de) ouderlingen; kerkeraad. Prescien ce (pri'aji-ens), a. voovweterischap. —t, a voorwetend. Preseirad (pre-clad';, v. a. afanijden; aflwrten. —ent, a. afenijdend; afkortend. Presolous (prl'aji-ua), a Zia Prescient. Prescribe (pre-akrajbl, v. a. vocraehrUven, beveleu (to); v. n. wetted (geneeamiddelaa) voorachri) ven; eene gewoonte wordei. ; verjaren; (ayainet, for) verjezing aanvoeren tegen. —r, a. voorschrijver. Prescript (pri'8"..ript), a. voorgeachreven. —, a, voorackrift; recept. —ion (pre skrip'sjiati) a. verjaring; recept. —lee (pre-skript'iv), a. verjaard; verjarend. Presence (prez'en8), a. tegenwoordighetd; (de) aanwezigen ; opwachting; personage; bonding, voorkomen; vaardigheid, gereedheld, audientiezaal. to come to the —, voorgeoteld warden. audientie verkrijgen,--chamber, —room, audleutie zeal. Presens ation (pri-aen-see'ajun), a. vroegere gewaarwording. —ion (-seteeJun), a. voorgevoel. Present (prez'ent), tegenwoordig, aanwezig; vlug; (to) opiettend. eit —, thane. a. (hzt) tegenwoordig geschenk. Present (pre-zent') v. a. (to) voorstelle4;


MOP.- MON. Tied crat In (mod'ur-et), a. —tely, ad. gem atigd, Monach al (mon'e-kel), a, monniks-; kloosterlkjk; eenzaam. —ism (-kizm), s. rnonnikenwezen; kloosmatig, middelmatig. —re (-eat), v. a. matigen, terleven. temperen, does bedaren; v. n. bedaren. —tenets t-et-1, a. gernatigdheid; middelmatigheid. —lion Monad (mon'etl), a. ondeelbaar lets, monade. i-ee'sjun), R. gematigdheid; hetlaa7 dheitl. --for, Monarch (mon'erk), a. al leenhearscher, monarch. -rat, (mo-naark'el), —ic, —icel Ono- naarklk- j, a. (-en- tar), s. tnattger; vredernalrer; voorzit'er. alleenheerachend; vorstelijk. —ist, a. voorstander oderii (mod'urn). a. nieuw, nieuwerwetsch; der monarchic. —ice (-ajz), v. a. ale monarch bes. hedendaagache, tijdgenoot. hedendaagsch. —ism, a. nieuwigheid. —ize (ajz), v. a. nieuwer-1 heerschen; v. n. den monarch spelen. —y, a.alleenheerschappij; monarchie. wetach maken. —nest, a. nieuwemtachheid. Modest (ruod'tst), a. —ig, ad, hescheiden; zedig; Monaster ial (mon-ea-ti'rt-e1), a. kloosterlijk. —y (mon'es. ter-ih),a. kleoster. ingetog,en, Perim?. —y, s. zedigheid, Ingetogenheld, eerbaariteid; —piece, kanten hoezernstrookje. 171onastle (nao-nes'tik,, s. kloosterling —, —al, a, —ally, ad. (-tikl-), klooaterlijk. —ism (-ti-sizm), Modicum (mod'i-kum), a. weintgjs. a. kloosterlaven. Modifiable (mod'i-faj-ibil, a. vatbaar voor wij—ication ;41- kee'sjun), s. wijziging. —y, Monday (mun'dee), s. maandag. to make a saint ci - masndag houden. V. R. wijzigen; verzachten; — upon a matter, een Monde (mond), a. wergild; rijksappel. onder•erp uitputten. Modish (rno'disj), a. —1y, ad, modiech, naar de Monetary (mon'e-te-rih), R. gelsleiijk, geld-. Money (mua'ih), a. geld. ready —, in hand, mode. —rem a. moderucht. gereed geld. to make —, geld verdlenen. to make Modal ate (mod'joe-leet)„ v. a. , de stem) buigen, — of, is gelde maken. —bag, geldzak. —balance, rooduleeren. —ation (-lee'sjun), a. stembuiging, geldschaal. onderstands bill. —box, spaarmodulatie. —ator, a. mtembuiger. —e (-joel), 3. not. —broker, gellhandelaar. —changer, wissemodel, monster. filar. —lender, geldschieter. —making, geldwinModwall Imod'vcaol), a. bijenspeeht. nine:. —matter, geldzaak. —proof, onomkoopbaer. Mogul (mo'gul),s. Mogul. —serivener.geldmakelaar.—'8-tvorth,geldswaarde. Mohair (rno'heer),a, kernelshaar. k (mo'haok), s. straatroorer. —wort, penningkruid. —ed (-id), a. rijk,berniddeld. Mob Molder (mol'dnr), v. a. verbluffen,verlegen waken. —er, a. witselaan.mtinter. —less, a. zouder geld. Monger (mung'gur). s. koopman, kramer. ed, a. vermorseld, fijn gewreven. Mongrel (mung'gril), a. van gemengd rat, Moiety (morit-tik,), e.belft. bastaard. s. bastaard. MiLoti !me))), v. R. be& ijken; lawellen, afmatten; Monied (mun'id), a. rijk. bemiddeld. v. n. zwoegen„ sick sf'looven. Moist (rnojat,')., a. vochtig. —en (nnola'n), v. a. be- rtionish (morilaj), v. a. vermanen, waarschuwen. vochtigen. (moja'n-nr), a. bevoch tiger. --er, R. vermaner, waarschuwer. Monition (mo.nisPun), a. aantnaning, wenk. —nese, —ore (-joer), e. vochtigheld. —ory, A. vermanend , Monit lye Moke (mock), a. mast. net •erk. Moky (mo'itill), a. don kPr, somber. nars,huwend. —or, a. vermaner, waarschuwer. Molar (rno'ler), a. fijomalend, moat-. - tooth, —cry, s. vermaning, waargchuwing. Monk (mungk'), a. mon•ik; vlek (hi) drukkeral. MR3,1tR11(1., kies. —fish. zeeengel. —sheet, vet miadruk. —'s-head, Mol aarven lmo-les'siz), a. suikerstroop. Mole (moor), ps. tool; dam, havendam; moedervlek. papenkruid. —'s-hood, monnikakap. —"a-rhubarb, monniks-rhabarber. —cry, a, monnikenwezeu, -le--bat, ven. —hood,a.monnikachap.—iah,a.monnikachtig. mollenvanger. —cricket, veentuol. —eyed, met seer kleine oogen. —track, moilengang. —trap, Monkey (mung'kih), a. Rap. —flower, guichheil. —"e-bread, apenbrood (plant). mollenval. —warp, mol. —, v. n. molshoopen opMono chord (mon'o-kord), a. eenanarig apeelruimen. Molecule (mol'e- kjoel), s. stofdeeltje. trig, —chrome 1.1croom), a. eenkleurtg schilderMolerit (mo-lest'), v. a. overlast aondoen, kwellen. stub. —chromatic (-kro-met'ik), a. eenkleurig. —Winn (mol-ea-tee'ajun), a. overlast, Wed. —er, Monocut ar (mo-nok'joe.ler), —out, a. eenoogig. T►llonodon (mon-o'don), a. zeeeenhoren. a, verontruster,kweller. Moll! eat (molli-ent), a. verzacht,d. —feeble Monody ;rnon'a-dth), 8. alleenzang. ( faj-ibl), a. verzachtbear. —,fication (-fl kee'sjun), Monogstm 1st (mn-nog'e-mist), a. vijand van a. verzachting. —fler (-faj-ur),s. verzschter. het bertrouwen; die dêne vrouw heeft• a. huwelijk met 6ene vrouw. (•faj), v. a. verzachten,'Ienigen. Mono grant (raon'o-grem), a. naameiger; SAMollusk (11110P1i100, R. weather. mengestelde letter, ldnregelige rspreuk. —graph Molt. Zie Moult. (-grei') s, beschrijving van eene enkele zaak. Molten (mool'tn), a. gesmolten. Moly (molih), a. wild knoflook. —PraPbY (mo-nog're-fih), a. lijnteekening; Monograph. — UM (-11th), e. gedenkzuil nit Mollybdena (mol-ib di'ne), a. waterlood. a. alleenapraak. 6dn stern. —logue lone (moom) ; a. totskop, domoor. Moment (mo'mint), a. oogenblik; gewicht,belang. Monomachy (mo-norn'e-kih), s. tweegevecht. Monomania (mon-o-mee'nI-e). a. monemanie —orgy, ad teder oogenblik. --ary, a. vluchtig, voorbjjgaand, kortstoadig. —out (-ment'us), a. Mononne (mon'om), a eenvoudige groothetd. gewichtig, van belting. —um (-men'tnm).s.beweeg- Monopnthy (mo-nop'e.tik), e. alleen•laden. Mr,nopetaloos (mon-o-pere Ins), a. tlenbladig. kracht, sandrijvingakraeht; toppunt.


nl.e), w. Eugenia. Euphrates ijoe-f•ee'ties), g. Euphraat. Europe (joe'roop). g. Europa. —an (-ro-pi'en), a. europeeseh; I. Muropeaan. Eus•hlue (Joe-arid-us), in. Ensebins. Eustaee (joe'etes), m. Eustatius. Ewan• ( ;oeks'in), g. the de Zwarte see. Evans (isivnz, m. Evans. Eve (lee), w Eva. Everard (ev'ttr-urd), m. Everard. Exeter (eltal-turl,g. Exeter. Ezeehiel. Ezekiel

Wat is de beste cryptogeld broker


by land. wan a-eho n op het —, in the country. —card, nationality, character of auction, nation. —adel, country-gentry. —besehrijner. geographer. —beschrijving, geography. —trestour, government. —hemmer, country-man. —Ses000nster, countrywoman. —heart, posseesion of land. —hezitter, lend-holder. —bode, deputy, representatiee —Coosa, agriculture, husbandry. —Sooner, hueheadman. —bousokundo, agriculture, husbandry, rural economies.—houwkundie,agri cultur el;versed (skilled) in husbandry. —kundige, agrteuntuhat. —day, azsembly of the states, dist. —deice*, country-dean. —dekeneehap, rountry-deanship. —dief, embezzler of public money. —dier, land animal. —dieverii, embezzlement (of public money). —drost, sheriff, high-bailitf,governor. —droatamht, office (district) of a sheriff, eheritalty, bailiwick. —edeiman, country-equine.—einenaar, —eigenares, lend-holder, land-owner. —eigendcm, landed property. —eeple, isthmus, neck of land. —gedicht, georgic, pastoral. —genoot, (fellow-) countryman , countrywoman, compatriot. —gereeht, country-court. —fies000nte, custom of a country. —goed, estate, country-seat. —gracle, landgreee. —graateetstip, landgeaviate. —gravin, lendgravine. —key, landlord, lord of the manor. --aoere, farm. —hula, country-home, villa. —hulahoucikunde, rural eeenotny. —hulehoodkundio, of rural economy. —hoer, land-rent. —Amadei., farmer. —jeend, young country-people. —jonfcer, country-equine. —jvifer, country-laey. reins. —Icaart, map. --koorls, fever prevailing in the country. --krah, —rot, landloper, landlubber. —leven, country life. —lieden, country-people. —looper, vagabond, stroller, —louper0, vagabondry. --loopster, vagabond, gipay. —macht, landforces. —man, country-miss, peasant. —nteetkende, surveying, geometry. —nseetIcasndig, geometrical. —meetkundige, geometrician, —meisje, country-girl. —meters, surveying. —meter, surveyor. —militia, militia. —mute, country-mouse. —peat, boundary, limit. —palen, frontiers. —pacht, quitrent, landrent. —pachter, farmer, tenant. —pinup, plague, scourge, public dietreas. —read, provincial counsellor. —recta, common law, law of a country. —rechter, country-jedge, sheriff. —rats, journey, travel by land. —7(11c, landed, having landed property. —.Melding, boundary. —school, country-school. —schrijyrr, 8,retary to a provincial administrator. —slot, safe harbor. —made, taste peculiar to a country; taste of the soil. —soldaat, land-aollier. —wreak, idiom. —steed, inland-town. country-town.. —storm, gailCral levy of the people, posse. —Week, district, country. —taal, lenguage of a country, vernacular tongue. —tong, neck of land. —railing, sie lientertverkeettiivan. —verhuirer, emigrant, —vcrhuizing, emigration. —verkenning, I,nd-fall; recoannitring of the land; — !When, to hove anode the lend. —vetmaak, rural diversion, — anasement. —rented, high treaeon. —verrader, traitor. —vluektig, fugitive, vagrant. —vIveAtiOeid, fegitiveners. —yolk, country-people. —voogd, governor. —.IV dee, governess. —roogdir, governorship, bailiwick. —vrouto, landlady, lady of the manor. —vroelsten s

Biedt Apple accepteren Bitcoin


If you don’t have the Store Item(s)/Expansion or Stuff Pack(s) mentioned in this item installed on your system, the item will download from the Exchange and can still be installed. Upon download of the content, you will see a warning icon in the status section in The Sims 3 Launcher notifying that you are missing content. In place of the missing content you will receive a similar default item in its place, or, no item at all.
LOG - LOH. I oglioek. —glass, loggias. —house, blokhuis. —dinal (-tjoe'di nel), a. lengte-; naar do leugte —line, loglijn. —man, houtdrager. —reel, logrol. berekend. —rolling, het atrolien van gevelde boomstam- Longsome (long'sum), a. langdradig, vervelend. men. —wood, eamptehe-hout. —tail, a. —wits, ad. Zie onder Long. !Logarithm (log'e-rithm), s. logarithmus. Loo (toe), a. beest (zeker kaartspel). —, int. pak —icai (-rith'mik.), a. logarithmi.eh . aan ! —, v. a. attroeven, beest malten. Loggata (loegete). pl. (snort van) kegelapel. Loob y (loe'bih), a. lummehlomperd. —ily, ad. Loggerhead 1".og'gur - hed), e. botterik; teerpan, lummelachtig. to fall (go) to —a, haudgemeen worden, pluk- 1Loof (loef', s. loef, windzijde. —frame, loefhermit. —duck, dikkop (eend). —turtle, zeeschild- spent. —hook, halatalie. —hook rope, bulletouw. pad. —ed, a. dom, bet. —pieces,jagers. —tackle, derde hand (take'. —,v.n. Logic (lodzyik), a. redgrunde, logica. —al, a, loeven, bij den wind opsteken; (up) oploeven. —ally, ad. (-M.), redekunstig, logisch. —ian Look (leek), s. blik; voorkomen, uitzicht. —, int. (lo-dzjisj'en), s. redekundige. kijk! —, v. a. & n. zien, kijken; er uitzien. —big. Logo grliph (log'o•grif), a. woord- letterraad- eene hooge borst zetten. — black, zuur zien. (about) eel. —machy rondzien; op zijne hoede On. (after) zien near; e a. woordenzifterij. IL °flock (lo'hok), s. likpotje. acht geven op. (at) aanzien; beschouwen. (back Loin (lojn), n, !endestak. —s, pl. lendenen. upon) overwepen. (for) zoeken; uitzien naart - to Loiter (loj'tur), v. n. lenteren. talmen; (away) gemoet zien. Iinupon) aanloopenbij. (into) uitzien verleuteren. —er, a. leuteraar. op; onderzoeken. (on. upon) aanzien• houden, beLoll (101), 8. mother's —, moeders kindje. sehouwen. (oat) uitzien. (out for) uitzien v. a. ' naar. uttsteken (de tong); v. n. leunen; hanger, zich (over) doorloopen, nazien. (to) acht geven op, zoruitrekken; uithangen (van de tong). — eared, met gen voor. (up to) opzieu tot. , aren. —lard (-lord), 0. aanhanger van Look er (loek'ur), s.kijker.—er.on, s. toeschouhango o. p cTliclki /piff we, —ing-glass, spiegel. —man, man op den ult. suikergebak. kijk. —out, . ultkijk. (loPlop)„ v. n. Zie to Loll. Loom (loem'), a. zaoht. — ga/e,labberkoelte. —, Lotohard (lom'burd), a. geldschteter, wisselaar; s. •eefgetouw; huisraad; meerkoet;handvat(eener bank van leenalg. roeispaan). v. n. zichtbaar worden, schirnen, Low') (lump), s. kogelvisch. opdoemeu.—ing, s. voorkomen lode verte,schijn, Lone (loon'), a. eenzaam, enkel, alleenstaand. opdoeming. -line., a. eenzaamheid; zucht tot eenzaamheid. Loon (loon), a. schurk, sehavuit; duiker. —1y, a. eenzaam; de eenzaamheid beminnend. Loop (loop'), a. lus, strik. —hole, kijkgat, sehiet-nese, —saneness, s. eenzaamheid. —some, a. eon- gat; uitvlucht. —lace, passement. —ed (loept), a. zaam, treurig. vol lumen. hang (long'), a. lang; langzaarn, langdradig. in 'Goose (lees'), a. loeheid; vrijheid. a, —ly. ad. the — run, op den lan,gen dour. —, ad. lang. los, slap; onachtzaam; onsamenhangend;loslijvi,g; all night —, den geheelen naeht door. — ago, losbandig. —gown, slaapjapon. vlug, onlang geleden. since, sedert lang. —boat, sloep. gedwongen. —strife, wederik. middelsteeg. —headed, chow. —lease, Loose (lose'), v. a. losmaken; slaken; vieren; onter fpacht. —legged, langbeenig. —lived (lajvd), Mean; bevrijden. —ground, van grond afraken. langlevend. — necked, lang van bait. —pepper, — sound, geen grand meer pollen. — , v. n. het lenge peper, staartpeper. —primer. garmond- anker lichten. —nests, S. losheid, slapheid; loslijletter. —shanked langbeertig. —sighted, ver-ziend. vigheld; losbandigheid. —span, gerekt, langdradig. —sufferance, lank- 'Loosen (loes'n), v. a. losmaken; open lijf maken; moedigheid. —suffering. a. lanktnoedig; e. lank bevrijden; v. n, losgaan, loaraken. moedigheid. —tail, Jartgataart; cut and —, allerlei Loover (loev'ur), s. luik, dakvenster, slag van menschen. —tongued, babbelachtig. luchtgat. —toothed, met lenge tendon. —waisted, lang van Lop (lop'), a snoeisel. snoeihout; vloo. —, v. a. lijr. —ways, —wise, ad. in de lengte. —winded, sneelen, toppen; laten vallen. -per, a. boomiang van adem; langdradig. —wort, engelwortel. snoeier. —pangs (-piengz), p1. snoeisel, snocihout. Long (long), v. n. verlangen (after. for), Loquacl oils Ilo-kwee'sjua), a. praatachtig. Longonimity (long-ge-nim'it-tili), s, lankmoe- —ousness, —ty (-kwes'it.tih), a. praatachtigheid. Lord (lord'), s. vorat, heereacr, heer; opperste, Longe (lundzj), e. uitval. meester; Opperwezen; gernaal, echtgenoot; lord, ILangev al (lun-dzji'vel), --our, a. lang levend. pair, baron. — of the manor, ambachtsheer. — of ( dzjev'it-tih), s. long leven, hooge ou- the year, regeerende planeet. —'s-day, dug des derdom. Heeren. day:of the —, jongete gericht. —, v. a. tot Lang' mantis (lun:dzjim'e-null" a. langhandig. lord verheffen; v. n. heerschen, den beer spelen. —nietry (•e-trib), s. Iengtemeting. —ly, a. lordach-tig, voornaam,gebiedend, Longing (longieng), a. —ly, ad. verlangend (for). trotseh. —liners (-li-ness), a. voornaarnheid, def-, s. verlangen, vuriFe begeerte. tigheid, trots. —ling, a. heertje. —ship, a. lordIlatmletnepaity (lun•dzjink'wit-tih), a. groote af- echap; beerlultheld; gebied. stolid; langdurigheid. Lore floor), s. kennis, kuude, onderricht. 11.ongirill ;lot:Wisp, a. langachtig; langwerpig. Lurid s. suburb, schavuit. l.ongita de (lon'dzji -tjoed), s. (noorder-) breedte. Lori cate (lorl-keet), v. a. pantseren; overtrelt-

Is cryptogeld legaal in Kenia


(rnis• be-lief•, a. dwaalgeleof. —re eener aluitrede, --ate C•ajt), a. Minori,t, sunder- Webs.lie (in het geloofe—ver ( •liev'ur), 1-lieu'), v.. n. dalen w broader. —ity (rni-nor'it-tihl, s. minderlieid; min- a. derjarigheid. Misbeseern (mis-be-siein'), v. a. misetnan. Minotaur (inji.i'a•taor), a. Minotanrue. MIneter (min'stur), a. Monster, geestelijke broe- Misbeatow )mis.be-sto"), v. a. verkeerd besteden. derschap; dom-, hoofakerk. Minstrel (min'stril), a. meistreel, zanger, speel- Miscalcuits to (mis-kerkjoe-leet), v. a. inierekenen. — tion (-lee'sjun), a. misrekening. 'flan. — ay 1-alh1, e. muziek; troep muziekanten• Mint (mint').,s.munt; kruizerriunt. — man, munter. Miscall (mis-knoll'), v. R. verkeerd noemen. Mi.carr Cage (mis-keerld4), a. mtelukking; mis— master, mentmeester, sunder, uitdenker. a. a. mutat.; beramen, sm.:den. — age, a. (het) kraam; wangedrag. —y. a. n. mislukken, weg- munten; muntloon. — er, a. munter; uttdenker, rakes; eene miskraam krijgen. Miscast (mis-kaast') [ire.), v. a. misrekenen. verzinner. Mi.scelihn e (mis'ail -leen), s. Zie Maslln . — roan, Minuet (min'joeeet), a. menuet. a. --eoe.a/y, ad. (•lee'ni-us), pemengd. — eoueness Minute (min'iti, a. minuut; opstel; bijtonderheid. (-:ee'ni-us-), a. gemengdheid. —y — book, klsdbosk--glassaninuut-,loggins.—guns, ininuutachoten. — hand, minnui.wtjter. — line, log- mengeling; mengelwerk. lijm. — man, mobiel aoldaat. —, v. a. aanteeke- Mischance (inis-tsjaans"). a. ongeval. Miacharge (mis-tajaardzji, a. verkeerde poet & ad. elke minuut. nen. — ly, (op eene rekening). —, v. a. ten onrechte an reMinut a ►ni.njoet')., a. .--ely, ad. klein, nietig; nauvikeurig. — mess, a. kleiuheid, nietigheid; keeing brengen. nauwkeurigheid. --iae (-ejoe'sji-i), pl. Keringste Iilieclrie I (mia'tajif), a. onheil; nadee); kwaad, m ► edwil; — maker, onheiletiehter. —vows, 0. bijzonderheden. — rously, ad. (-taji'vus-), onheilstiehtend, KelmMinx (minks!, a. wild meisie, nuf. delijk; moedwillig. — .mines( -tsji - vus.), a. boo, Mlny (maj'niht, a. mij.-; onderaardsch. Mtrac In (mir'ikl), a. wonderwerk,wonder.—u/ous, eardigheid, moedwilligheid. a. — ulously, ad. (-rek'joe-Ius-), wonderbaar. Miseboose (mis tajoez") [Ire.], v. a. verkeerd kiezen. — ulousness (-rek'joe-lus-), a. vond.erbitarheid. Miscible (misssibl), a vermengbaar. s, balkon. Mirador Misfit e (mis-sajt'), v. a. verkeerd Ran:Alen. Mirage (mi-raatj'i, a. luehtspieKeling. — alien 1-si-tee'sjun), a. verkeerde aauhaling. a. berried- e, v. Mir e (maje), a. m.6dder; mie•. — tlitscintste (min-kleem'), a. valseite cinch. deren. — ineas (-i-nears;, s. modderigheid. Miscomput e (mis-ladm-pjoet'), v. a. mierek, Mirky (murk1h), a. donker, somber. Mirror (mierur), a. epiegel; voerbeeld. —, v. a. nen. — align (-kom-pioe-tee'sjun', a. misrekening. Mscon ceit (rnis-kun-siet'1,—ception spiegeien, afspiegelen. a. dwaalbeg•ip .„ misverstan•. --cease (-sive), v. a. Mirth (inurth'), a. vroo(ijkheid. frrl, a. fully, verkeerd begrbpert. ad. vroolijk, opgeruimd. —fulness, a. vroolijkheid, Misconduct (mis-kon'dukt), a. wangedrag; wanopgeruimdheid. — less, a. treurig, droevig. (-kun-dukt'), v. a. Media beheeren; beheer. Miry (majr'ilal, a. modderig. , bemodderd. Mibacceptation (mis-ek-sep•tee'sjun, a. ver- v. n. tich misdragen. Misconjecture (inis-kun-dzjekejoer), a. VP, keerde opvattetg.. keerde giesing. —, v. a. & n. Misadventure (mis-ed-vent'loor), a. tegenepoed. Mimeo. struction (mis-kun•struk'sjun), a. vane Misadviaval (mis-ed-vejtd ) ), a, sleeht Keraden. keerde uitleggIng,tvesdulding.—strue(•kon'etroel, ected (mix..ef-fekt'id), a. ongenegen (to). v. a. verkeerd uttleggen, miscluiraen. — irm (-form'), v. a. valseh opgeven. Illiscorrect (mis•kur-rekt'), v. a. verkeerd (onMisainted (mis-eemd ), a. misgesehoten. *Mail ege (min-el-lechr), v. a. verkeerd aanvoe• Juist) verbeteren. Miscounsel (ants-kaaun'sil), v. a. verkeerd raren. — lance (-laj'ens)„ s. ongelljk huwelijk. den. Misanth•oge e (mis'en-throop). —ist (-en'thro• pint), a. mensehenhster. — ic (-throplk). a. men- Miscount (min-kaauut'), a. misrekening. v. a. & n. mistellen, (nigh) inisrekenen. sehenhatend.—y i•en'thro.plb), s.mensehenhaat. Mtsappi !cation (mis-ep-pli-kee'sjun), a. ver- Miscrea ant tmiekri-ent), s. bot,swieht, sneodcard. — te (-et), a. wansehapen. v. a. verkeerd keerde toepassing. —y Misdate (milt-dee') v. a. verkeerd dagteekenen. toepassen. s. miadaad, vergrijp. Misapprellen at (mis-ep-pri-bend'(, v. a. mis- Mistived verataan. — sion (-hen'sjun), a. misverstand, ante- Itetsdeens (ails-diem'), v. a. verkeerd beo•rdeelen, Misdenlean (mis-de-mien), a, is. zilch misdrav atting. s. wangedrag; wanbedrijf. or, — Mlisascribe (mts.es-krajb . ), v. a. ten onrecbte Ken. Misdevotien (mis-de..vo'ejun), a. valsehe venomtnesehrijven. held. Misassign (mis-es-sajn'), v. a. verkeerd sun- Misdirect (mis-di•relit'l, v. a. verkeerd leiden. wijzen. Misbecome a (mis-be-kum') (irr.), v. a. misstaan, Mtsdistinguirda (mis•dis-ting'gwis,j), v. a. verkeerd ondermeheiden. niet passes. — ing, a. onvoe4taarn. Iti tsdo (mis•doe') [im], v. a. & it. bedrijven, Misbegotten (mis-b a. onecht. teeekwaaddoen, miedoes. —c;, a. bonedoener, over , Misbehtly se (mia-be-heev'), v. n. each inisd,ag ra watabedriA, overireding. treder. (.jur), a, wangedrag.

Being a student on exchange really lets you explore new cultures from a completely different perspective. You will meet lots of other exchange students from all over the world, make local friends and by the end of your exchange you maybe even have a home away from home. Our students recommend to just make sure you go on exchange and enjoy it to the fullest. 


lane. -now, ad. root dezen; voorheen. —while, ad. eenigen tijd goleden. Erect (e-reltt'), R. yeebtopRtaand; fler,onverschrokken, pal. —, v. a. oprichten, bouwen; opheffen; bemoedigen; v. n. zich oprichten —ion (-rek' sjun), a. oprichting. bouwing; opheftIng; bemoediging. —ire, a. oprichtend; opbeurend. —netts, a. rechtopstaande bonding; koenheid. —or, s. oprichter; oprichtende spier; hereoediger. Eretult a (er'e-majt.), s. kluizenaar. —ice (-mit ikl), a. kluizenaars Ereption (e-rep'sjun), a. wegrukking. Erlogo (e.ring'go), a. braakdistel, blauwe zeewort el. Erigtic (e-rietik), —al, a weerleggend. Ermine (nr'min), a. hermelte; hermelijn-bont. —d (-mind), a. in hermelijn gedost. Ero de (e-rood'), v. a. wegknagen, wegvreten. —sion (-ro'zjun), a. wegvreting. Erotic (e-roVik), —at, a. verliefd, wellustlg; erotiach. —, a. minnedicht. Err tar), v. n. dolen, dwalen; atwijken; zich var. gtssen. Errand (er'rend), a. boodschap. —boy, loopjongen. —man, boodschappen-looper. to run --s,boodschappee doen. Errant (er'rent), a. —ly, ad. ronddolend, ewervend. knight —, dolende ridder. —ry, a. randzwervine; dolende riddertehap. Erratic (er-ret'ik), —al, a. —ally, ad. dolend. dwalend; ongeregeld. Erratum (er-reetunn), a. drukfout. Errhine (er'rajn), s. snuifmiddel. Erroneous (er-ro'ni-us), a. —ly, ad. dwaleud; verkeerd, oniniet. —nem, a. dwaling; onjuistheid. Error (er'rur), a, dwaiirg; misslag, abuis. Erst (wet), ed. eeret; voorheen, weleer. Er“bescen ce (er-joe-bes'sens), a. roodwording; blos. —t, a. roodachtig; blozend. Eructa te (e-ruk'teet), v. a. oprispen. —lion (erak-tee'sjun), s. oprisping. Erudi te (er'joe-daft, —dit), a. geleerd, belezen. lion (-disruu), a. geleerdheid, belezenheld. Erugitsous (e-roe'dzji-nus), a. koperachtie. Ersap lion (e-rup'ajuu), a. uitbarating; uitslag; uitval. —live, a. uitbarstend; uitelag hebbend. Erysipelas (er-i-sip'e-les), a. room. Escalade (ee -ke-leed'), s. beklimming met stormladders. Escapade (es-ke-peed'), a. zijeprong; misstep; uitspattiug. Escape (es-keep'), a. ontkoming; uitvlucht; vergigging; misetap; uitstapje. —goat, zondenbok. --, v. a. & n. ontgaan; ontsnappcn; vermtden. —ment, a. gang (in eon uurwerk). Escarp (es-lrearp'), v. R. glooiendmaken. —ment, a. stole honing. Esckar (es' ker), a. karat (tenor wood). —otie (-kerot'ik), a. sehroelend; a. brandmiddel. Escheat (es-tsiiet'), a. vervallen leen. —, v. n. ran den leenheer vervallen. Eschew (es-tsjoe'), v. a. schnwen, vlieden. (es-kort'), v. a. Escort (es'kort), a. geleide. Inge) eiden. Escuage (es'Icjoe idzj), a. leenplicht tot krijgsetenst.

MOP.- MON. Tied crat In (mod'ur-et), a. —tely, ad. gem atigd, Monach al (mon'e-kel), a, monniks-; kloosterlkjk; eenzaam. —ism (-kizm), s. rnonnikenwezen; kloosmatig, middelmatig. —re (-eat), v. a. matigen, terleven. temperen, does bedaren; v. n. bedaren. —tenets t-et-1, a. gernatigdheid; middelmatigheid. —lion Monad (mon'etl), a. ondeelbaar lets, monade. i-ee'sjun), R. gematigdheid; hetlaa7 dheitl. --for, Monarch (mon'erk), a. al leenhearscher, monarch. -rat, (mo-naark'el), —ic, —icel Ono- naarklk- j, a. (-en- tar), s. tnattger; vredernalrer; voorzit'er. alleenheerachend; vorstelijk. —ist, a. voorstander oderii (mod'urn). a. nieuw, nieuwerwetsch; der monarchic. —ice (-ajz), v. a. ale monarch bes. hedendaagache, tijdgenoot. hedendaagsch. —ism, a. nieuwigheid. —ize (ajz), v. a. nieuwer-1 heerschen; v. n. den monarch spelen. —y, a.alleenheerschappij; monarchie. wetach maken. —nest, a. nieuwemtachheid. Modest (ruod'tst), a. —ig, ad, hescheiden; zedig; Monaster ial (mon-ea-ti'rt-e1), a. kloosterlijk. —y (mon'es. ter-ih),a. kleoster. ingetog,en, Perim?. —y, s. zedigheid, Ingetogenheld, eerbaariteid; —piece, kanten hoezernstrookje. 171onastle (nao-nes'tik,, s. kloosterling —, —al, a, —ally, ad. (-tikl-), klooaterlijk. —ism (-ti-sizm), Modicum (mod'i-kum), a. weintgjs. a. kloosterlaven. Modifiable (mod'i-faj-ibil, a. vatbaar voor wij—ication ;41- kee'sjun), s. wijziging. —y, Monday (mun'dee), s. maandag. to make a saint ci - masndag houden. V. R. wijzigen; verzachten; — upon a matter, een Monde (mond), a. wergild; rijksappel. onder•erp uitputten. Modish (rno'disj), a. —1y, ad, modiech, naar de Monetary (mon'e-te-rih), R. gelsleiijk, geld-. Money (mua'ih), a. geld. ready —, in hand, mode. —rem a. moderucht. gereed geld. to make —, geld verdlenen. to make Modal ate (mod'joe-leet)„ v. a. , de stem) buigen, — of, is gelde maken. —bag, geldzak. —balance, rooduleeren. —ation (-lee'sjun), a. stembuiging, geldschaal. onderstands bill. —box, spaarmodulatie. —ator, a. mtembuiger. —e (-joel), 3. not. —broker, gellhandelaar. —changer, wissemodel, monster. filar. —lender, geldschieter. —making, geldwinModwall Imod'vcaol), a. bijenspeeht. nine:. —matter, geldzaak. —proof, onomkoopbaer. Mogul (mo'gul),s. Mogul. —serivener.geldmakelaar.—'8-tvorth,geldswaarde. Mohair (rno'heer),a, kernelshaar. k (mo'haok), s. straatroorer. —wort, penningkruid. —ed (-id), a. rijk,berniddeld. Mob Molder (mol'dnr), v. a. verbluffen,verlegen waken. —er, a. witselaan.mtinter. —less, a. zouder geld. Monger (mung'gur). s. koopman, kramer. ed, a. vermorseld, fijn gewreven. Mongrel (mung'gril), a. van gemengd rat, Moiety (morit-tik,), e.belft. bastaard. s. bastaard. MiLoti !me))), v. R. be& ijken; lawellen, afmatten; Monied (mun'id), a. rijk. bemiddeld. v. n. zwoegen„ sick sf'looven. Moist (rnojat,')., a. vochtig. —en (nnola'n), v. a. be- rtionish (morilaj), v. a. vermanen, waarschuwen. vochtigen. (moja'n-nr), a. bevoch tiger. --er, R. vermaner, waarschuwer. Monition (mo.nisPun), a. aantnaning, wenk. —nese, —ore (-joer), e. vochtigheld. —ory, A. vermanend , Monit lye Moke (mock), a. mast. net •erk. Moky (mo'itill), a. don kPr, somber. nars,huwend. —or, a. vermaner, waarschuwer. Molar (rno'ler), a. fijomalend, moat-. - tooth, —cry, s. vermaning, waargchuwing. Monk (mungk'), a. mon•ik; vlek (hi) drukkeral. MR3,1tR11(1., kies. —fish. zeeengel. —sheet, vet miadruk. —'s-head, Mol aarven lmo-les'siz), a. suikerstroop. Mole (moor), ps. tool; dam, havendam; moedervlek. papenkruid. —'s-hood, monnikakap. —"a-rhubarb, monniks-rhabarber. —cry, a, monnikenwezeu, -le--bat, ven. —hood,a.monnikachap.—iah,a.monnikachtig. mollenvanger. —cricket, veentuol. —eyed, met seer kleine oogen. —track, moilengang. —trap, Monkey (mung'kih), a. Rap. —flower, guichheil. —"e-bread, apenbrood (plant). mollenval. —warp, mol. —, v. n. molshoopen opMono chord (mon'o-kord), a. eenanarig apeelruimen. Molecule (mol'e- kjoel), s. stofdeeltje. trig, —chrome 1.1croom), a. eenkleurtg schilderMolerit (mo-lest'), v. a. overlast aondoen, kwellen. stub. —chromatic (-kro-met'ik), a. eenkleurig. —Winn (mol-ea-tee'ajun), a. overlast, Wed. —er, Monocut ar (mo-nok'joe.ler), —out, a. eenoogig. T►llonodon (mon-o'don), a. zeeeenhoren. a, verontruster,kweller. Moll! eat (molli-ent), a. verzacht,d. —feeble Monody ;rnon'a-dth), 8. alleenzang. ( faj-ibl), a. verzachtbear. —,fication (-fl kee'sjun), Monogstm 1st (mn-nog'e-mist), a. vijand van a. verzachting. —fler (-faj-ur),s. verzschter. het bertrouwen; die dêne vrouw heeft• a. huwelijk met 6ene vrouw. (•faj), v. a. verzachten,'Ienigen. Mono grant (raon'o-grem), a. naameiger; SAMollusk (11110P1i100, R. weather. mengestelde letter, ldnregelige rspreuk. —graph Molt. Zie Moult. (-grei') s, beschrijving van eene enkele zaak. Molten (mool'tn), a. gesmolten. Moly (molih), a. wild knoflook. —PraPbY (mo-nog're-fih), a. lijnteekening; Monograph. — UM (-11th), e. gedenkzuil nit Mollybdena (mol-ib di'ne), a. waterlood. a. alleenapraak. 6dn stern. —logue lone (moom) ; a. totskop, domoor. Moment (mo'mint), a. oogenblik; gewicht,belang. Monomachy (mo-norn'e-kih), s. tweegevecht. Monomania (mon-o-mee'nI-e). a. monemanie —orgy, ad teder oogenblik. --ary, a. vluchtig, voorbjjgaand, kortstoadig. —out (-ment'us), a. Mononne (mon'om), a eenvoudige groothetd. gewichtig, van belting. —um (-men'tnm).s.beweeg- Monopnthy (mo-nop'e.tik), e. alleen•laden. Mr,nopetaloos (mon-o-pere Ins), a. tlenbladig. kracht, sandrijvingakraeht; toppunt.

Kun je de mijne Crypto met een laptop


I threw in some fractals to guess what is going on with LTC. I used a fractal from when the trend reversed at the bottom this year and one for the 2018 ATH. Personally, I believe that fractals are highly subjective. They only reinforce the analysts confirmation bias. There is no set rules or back testing for fractals. So these fractals are here to see how much...
AVO.-13AL. Awkward (aowk'wurd), a. —ly, ad. lamp, onbandig. —nets, a. lempheid, onhandigheid. Awl (now!), a. els. AWIlk (aowm), a. sam. Awn (town), a. beard (van gray of koren). Awning (aown'ieng)„ a. dekzeil. Awry (e-ra]'), ad. scheef, verkeerd. Axe (eke), a, Mil. Axiom (ekalum), a. axioms. —atic , —sliest (ekei-o-met'ikl.), a. onweersprekelkjk. Axis (eLs'is), a. as. Axle (ek'al), a. —tree, a. wagenas. Ay (aid), ad. ja. —green, s. maagdenpalm, Aye (eel), ad. vow altijd. Azimuth (ezn-moth), a. azimuth. Azot a (ez'ot, e-soot'), a. atikatof. —lc (e-zot'ik), a. atikatofachtig. Azure (ee'zjoer), a. hemelablauw. —, a. uitspansel. • v. a. blauw kieuren. Azymee (ez'ima), a. feest der ongehevelde bros. den.

In welk land Bitcoin is legaal


dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.

Kool, v. cabbage. inland ente - stoves, to play a. o. a. trick. -bled, cabbage leaf. -gyres, esbbage. -hoes, hare of a cabbage-around. -krf, cabbage field. -leis, cabbage-louse. -meet, titmouse. -awes, cabbage-broth. -plant, cabbageplant. -apruit, cabbage-sprout. -afresh, cabbage-stalk. -toad, rape-seed. "toed, v. coal. -aarde, coals, -stef, carbon. -clefseer, carbonic acid. -.wart, coal-black. Koos), v. cheek. -slag, slap in the face. Koop, m. bargain, purchase. is -, to be sold. op den - toe. into the bargain. op dies -, on account of that, -en, ov. w. to buy, to purchase. -al, one that is eager to buy. - brief, -verdrag, bill of emption, contract. -reel, list of goods purchased. -daz, day of stale. -gierig, -graag, -sick, -rschtig, eager to buy. -handel, trade; commerce; - driiven, to trade. -lust, desire to buy. -lustig., deeirous to buy. -man, merchant; -sbcdiende, merchant'. clerk; -ageett, commercial spirit; -akonteer, com.merciel house, eetablishment. -.OW, mercantile style. -man&hap, v. trade; merchandise. -penningen, -tom, purchase-money. -prjjs, price. -stud, commercial town, trading-place. -raarder,-vcsardtjaehip, trading-vessel, merchant-man. -vaerdtj, commercial navigation; -Meet, fleet of merchantmen. -croon", (female) trader, - dealer, tradingwoman. -wear, merchandise. -er, m. -stet, v. buyer, purchaser. -je, o. (good) bargain, dead bargain. Koor, o. chorae; choir; chancel. -beer, canon, prebendary. -kernel, alb. -kind, -knaap, Aster. -kap, ehasuble. -bleed, -rok, surplice. -lamp, lamp of a choir. -non, officiating nun. - stoei, stall. -sang, choral. -ranger, chorister. Koord, v. & o. cord ; string. -edansen, ropedancing. -edenser, -edanseres, rope-dancer. Koorn, o. Zie Koren. Koorts, v. fever. koude -, ague, shakes. beets -, burning ague. -bast, Jesuit's bark. -dee, day of fever. -drank. febrifuge potion. -Mite, heat of the fever. -middet, febrifuge. -tip (-ear), time (hour) of the fever. -ackfig, -ig, ho. feverish, aguish. -aektighetd, -igkeid, v. feverishness. Koot, v. hackle-bone. -en, on. w. to play at huekle-bones. Kooz en, on. W. to daily. -er, m. dallier. --sr0, v. dalliance. Kop, m. head, pate; Joie (van eon calm); brains, sense, men, soul, hand; cup, dish; cupping-glass, cup; bowl (saner ptip); litre. -beet, head-bolt. -auk, head-piece. -peezetter -pensetster, cupper. Koper, o. copper. god -, brass. rood -, copper. - berg, -rnijn, copper-mine, -dread, brass wire. -erte, copper-ore. -geel, brass-colored. -geld, copper, copper sofa. -gerei, coppers. -.Oder, brass-founder. -gieter(i e brass-foundery.- green, -roest, verdigris. -rsolen, copper-mill. -rood, copperas, vitriol. -slayer, -amid, copper-smith brazier. -8/agerij, brazier 'a workshop. -seede, copper-plate, engraving. --steker,eograver.-werk.
Yearn (jien'), a. —ling, a. ong, tam. —, v. n. Jongen, lammeren. . Year (flee), a. jeer. in —s, bejaard. —book, jeerbock. ---ling, a. eenjarig; a. eenjarlg beast. --ly, a. & ad. jaarlijkseh; jaarlijks. Yearn (jurn'), v. a. bedroeven, grleven, v. a, hunkeren, smaehten (for), met deernis *awe dean worden, bewogen zkIn (upon. towards. to). —ing, a. amaelttend verlangeu; opwet:ing des hasten, van teedarheid. Yeast (Pest'), a. gist; sehultn. —y, a. glstend; gistachtig; schaimen.d. Yelk ijelk),s. dooter. Yell (jell), a. gtl, kreet; gehull. v. a. (out) ult., gillen, v. a. gillen; huiten. Yellow (jerk)), a. gee!. —. a. girl; jaloersch. —boy, gondstak. —dun, tzabelle-paard. —fever, gate koorta. —George, auinje. —golds, pl. hoerbled. —gum, geelzucht. —hammer, geelvink. —jaundice. geo)tucht. —lead, good eel. —parsnip, gale knol. — peen. —rattle, gels hanekam, lutakruld. —root, warner's) (plant). —sureory, bitterb braid. —warbler, gels goes. —ware, rooinkleurig ateengoed. —weed, woaw (plant). —, v. a. & n. geel klearen (worden). —ish, a. geelaehtlg. —ithness, a. geelachtigheid. —ness,s. geelheid. -s (-looz), pl. geslzucht. Yelp (jelp'), v. n. keffen, blaffen. —er, a. kefter. Yeomen (jo'men),s. kleine grondbezttter, pathter; gardiat, ltjfwaaht; hotbedlende; opslehter;
Par boil (pear' bojl I, v. a. half gear koken. —break' Parley (paar'lih), s. onderhoud, gesprek, omier(-breek), a. braaksel; v. n. braken. —buckle (- buk1), lmdeling. to beat a —, de overgaafmarach glean. s. schrooltouw. —, v. n. zich onderhouden, sprekeu. Parcel (paar'sil), a. atuk, gedeelte; pakje; partij; P4,1111senlent (paarna-ment), a. parlement. —ary hoop; sarting. m u —, v. a. in ge- (-ment'e-r1h), a. van het parlement. bill of —8, faetur. deelten splitsen; bijeen voegen; met smarting be- Parlor, Parlour (paar'lur), a. spreek-, bezoekk teeden. —ing, s. smarting, presenning. —delivery- kamer. office, a. beatelkantoor. Parlous (pearls's), a. gevaarlijk; slim, sluw. Parcen ary (paar'se-ne-rib), s. gemeenschappe- Parmesan (paar.ine.zen'), a. Parmezan; parmeIt) k bazit. —er (-nur), s. deelgenoot. zaan-kaas. Parch (paartsr), v. a. & n. schroeien, zengen; Parochl at (pe-rolliel), a. van het kerspel, — roosters; (doen) verdrogen. --edneos (-id-ness),... register, kerkeboek; — relief, bedeeling. —an verschroeidheid; verdroogdheid. —ing, a. ter- (-en), a. parochiant. schroeienl. Parod Ic (pe-rod'ik), —ical, a. parodieerend. --y , Parchment (paartsrment),:s.perkement.—maker, (per'ud-dih), a. spottende nabooteing, parodie; perkementmaker. —runner, papierlijuentrekker. v. a. spottend nabootsen, parodieeren. Pard (paard), a. luipaard. Parol (per'ul), a. mondeling. Pardon (partedn), a. vergiffenis. —monger, Omit- Parole (pe-root'), a. woord van eer; wachtwoord. kramer. —, v. a. vergeven; genade verleenen aan. Paronychlaper-o-niei-e),s.vijt. —able, a. —ably, ad. vergefelkjk. —ableness, a. Paronym e per'o-nini), a. gelijkluidend woord. vergefelijkheid. --er, a, vergiffenisschenker; aflaat- —ous (pe-ron' -mus), a. gelljkluidend. gever. ron'i-mih), a. geltjkluidendheid. Pare ( peer), v. a. achillen; uit-, afanijden;areaspen; Paroquet (per'o ket), a. parkiet. besnoeien; verminderen. Parot Id (pe-rot'id), a. van de oorklleren. —is Paregoric(per•e-gor'llt), a. & a. verzachtend, (-rolls), s. oor-, speekselklier. pij natillend (sreiddel). Paroxysm (per'oks-irra), s. verheffing (eener Parembole (pe-rem'bo-lib), a, tusschenvoegsel. ziekte of pijn); vlaag. Parenchyma ,pe-ren'ki.me), a. kllervleesch; eel- Parquetry (paar'kit rib), a. ingelegde vloer; inw eefsel, merg. gelegd houtwerk. Parene ola (pe-ren'ints), a. vermaning. —tie (pe r- Parrel (per'ril), a. rak. to fasten the —,aanrakken. e-net'ilt), a. vermanend. —haliard, ophaler van het rak. —ribs, rakkeslede. Parent (peer'ent), a. vector, moeder; oorzaak, —truck!, rakkeklooten. —truss, rakkatrre, -tulle. bror . --a, pl. °lidera. —ape!ook: ijer'ent-idzi),.. Parricid al (per-ri.aardel), a. vadermeordend; maagschap; afkonist. —al (pe-rent'el), a. ouder- van een' vadermoord. —e (peeri-sajd), a. vaderlijk. mooed; -moorder. Parenthe Ails (pe-ren'shi aim), a. tusscheavoeg- Parrot (per'rut), a. papegaai.diving —, papegaaisel, parenthesis. —tic, —tical, a. —tically, ad. duiker. —fish, zeepapegaai. —weed, boeconia (soort (per en- thet'sk-), tusschengevoegd, ingelaecht; als van heester). parenthesis. Parry (per'fih), v. a. & n. afweren, pareeren. Parent hide (pe-ren'ti-sajd), o. oudermoord; ou- Parse (nears), v. a. taalkundig ontleden. Parsisnon Ions (paar•111-mo'ni-us), a. —Toasty, dermoorder. —less (pee'rent-less), a. ouderloos. Parer (peer'ur), a. afanij der, schil ler; veegmes. ad. zuinig; k &rig. —tousness, —y (paar'el-munnih), Parergl (per'urAlzjiis), a. bijwerk. a. zuinigheid; karigheid. Pargst (paar'dzjit), a, pleisterkalk, gips. —, v. a. Parsley (paaraliha a. peterselie. —fern, druifhepleisteren. varen. —pert, ateeneppe, steenbreke. Parhellon (per-hi'li-un), a. bijz on. Parsnip (paars'nip), a. pastinak. Pariah (pee'ri-e), a. paria, verstooteling. Parson (paar'sn), a. geestelijke, predikant. — age, P algal (pe-raret), s. Zie Pair-royal. s. predikantspl eats; pastorij. Parietea I (pe -rare-tel), a. van den wand. —ry Part (peen), a. deal; aandeel; partij; rol; lid; (-to-rih), a. muurkruid, plicht, dienst. —8, pl. begaafdheden, talenean; Paring (peerneng), a. het afanUden, achillen, af- atreken. — by —, atuk voor atuk. in — of payment, anijdsel, sehil, afoul. —knife, snij mes (bij schoen- op afkorting. for my —; wat inti betreft. for the makers). moat —, meestal. to take a — in, deelnemen aan. Parish ( per'isj), a. kerspel, parochie. —boy, arm- to take in good (ill, —, goad (kvralijk) opnemen. jongen. —church, parochiekerk. —clerk, dorpskos- —owner, medereeder. —, ad. deela, gedeeltelijk. ter. —duty, kerspelbelasting. —priest, geeetelijke Part (paart"), v. a. deafen, of- indeelen; orbitten; scheiden; v. n. scheiden; heengaan, vertrekvan het kerspel. —loner(-un.ur), a. parochiaan. Parlayllable (per-1-sil-leb'ik), —at, a. gelijklet- ken; afdrijven; verzeilen. (from) scheiden van; tergreptg. laten varen. (with) zich ontdoen van; verlaten; Parli or (pergi. tar), a. pedal, bode, gerechtsdie- laten varen. —able, a. deelbaar,scheidbaar. —age, near. —y, a. gelljkheid. a. verdeeling; aandeel. —ed, a. begaafd. —er. 6. Park (plink'', a. park, warande. —flower, mei- verdeoler, scheider; scheidama.a. bloem. —keeper, paskopzichter. —leaves St. Jana- Partak e (per-teek') [ire.], v. a. doen deelen in; kruid. —, v. a. in een perk aluiten; omheinen. —er, v. n. (in, of) deal hebben, deelnemen aan (in). a. parkopzichter. —er, a. deelhebber, deelgenoot. —ing, a. deelParlance (paar'lens), a. geaprek. nerving; komplot.

Its nr:nranta, ov. w. to gain back, to regain. inHeating. —‘ to take Worn ations. Irevelpprn, ov. w. to throw in, — into; on. w. to skip in ; to look in ur on. w. to gain by usury ; to relionvoviatrenr, gain ; on. w. to gain ground, to spread. Ilnvesseten, ov. w. to wrap up, to envelop. Inwon en, on. w. to dwell, to live, to board (with). —er, m. lodger ; inhabitant. —lag, v. hobitat:on, abode. nanvoconnaer, v. Zie Inw ostler, Fruwortel wee, on. w. to root, to take (to strike) root, to inveterate. — lag, v. rooting, taking root, inveteration. Invertiv era, ov. w. to rub in, — into. — ing, v.

Hoe kan ik investeren in Bitcoin met Ira


Because (be-kaoz'), Conj. omdat, dewijl. —of, wegens, om. Bechance (be-tsj flans"), v. n.gebearen,overkomon. Becharin (be-tsjaarm'), v. rt. betooveren; voorinnemen. Beck (bek), , knik, wenk. —, v. a. & n. knikken, wenken. Beckon (bek'kn), s. knik, wenk. —, v. a. & n. kniii ken, wenken. Eleellis (be-kiln"), v. a. omarmen, omhelzen. Becloud (b,-kkud'), v. a. ornwolken, benevelen. B ecom e (be-kurn") [became. become], v. a. goedsta., pasoen, betamen; v. n. worden. —ing, a. —ely, ad. betamelijk, voegzaam. —ingness, s. betameliikheid. Bed (bed), s. bed; bedding; law. to make the —, het bed opmaken. to be brought to —, bevel len. —chamber, slaapkamer. —clothes, dekens-ding, s. beddegoed. —fellow, —mate, bedgenoot. —hangings, bedgordijnen. —post, beddastW.—premser, luilak. —rid, —ridden, bedleKerig. —room, slaapkamer. —side, sponde. —stead, hedstede. —swerver, echtbreker. —tick, beddetijk. —lime, tijd om mar bed to gaan. Bed (bed(, v. a. to bed leggen; planter, Bedabble (be-deb"b1), v. a. besproeien. hiedaggle (be deg'g1), v. a. bemorsen. Iledash (Ite-deAn, v. a. bespatten. Bedaub (be-daowb'), v. a. besmeren. Bedazzle (be-deezl), v. a, verblinden• Bedeck (be-dek"), v. a. opae,hikken. Bede/assume (bied'haus), a. godshuis, artnhuis. Bedew (be-djoe'), v. a. bedauwen. hiedight (be-daft' ► , v. a. en a. versieren, versierd. B edlm (be-dim"), v. a. verdnisteren. Bedizen (be-dajzre), v. a. opschikken. Bedlam (bed'lem), s. krankzinnigen-gesticht. —ite (-ajt), s. krankrinnige. Bedraggle thedreg'g1), v. R. bemodderen. Inedrench (be drentsj"), v. a. doornat maken. Betle9p (be-drop'), V. a. bedreppelen. Redick (be-fluk"), v. a. onderdompelen. Bedung (be-dung'), v. a. bemesten. B etinst (bP-dust' ► , v. a. bestuiven. Bedwarf (be-dwaorf'), V. R. knotten. Bee (bid), a. bij; § kranmje van vrienden, die een' hunner in zijn week helpen. —eater, bijenspeeht. —flower, mtandel krui d. —glue, maagdenwas. — hire, biienkorf. § —line, kortste )naaste)weg. —master, bijesfokker. —s-wax. Beech (bietsj), s. beukeboom. — en, a. van benkenhout. Beef (bier), a. rundvleesch. —steak (-Meek), runderlap, biefstuk. v. —eater. s. lijfwaeht, bewaker. Beer (bier), a. bier. --house, bierhuis. small —, dun bier. strong —, zwaar bier. Beet (biet), s. beet,beetwortel. v. n. Beetle (bie't1), a. tor, ke,ver; beukhamer. overhangen. —brewed, norsch. —headed, comp, but. Beetlerootsugor of Beetsugar, s. beetwortelmuikerBeeves (bievz), s. rundvee. Befall (he faol') [befell. befallen], v. a. overkomen , wedervaren; v. n. gebeuren. Befit (be - flt'), v. a. passes, betamen. H eroism (be-foom'), v. a. met schuim bedekken.
ART.—ASS. 14 Articula r (er-tik'joe-ler), a. tot de gewrichten *slope (e-sloop'), ad. hellend. behoorend. —te, a. —tely, ad. (-let-) gewrichten Asp (Rasp), —it (aas'pik), s. adder. hebbend; duidelijk. —te (•leet), v. a. duideli)k Asp (aesp), a. —tree, eel), eepenboom. uitspreken, uiteenzetten; bepalen; v. n. duide- Asparagus (es-per's-gus), a. asperge. lijk spreken. —tion (•lee'sjun), a. geleding; dui- Aspect (es'pekt), a. voorkomen, gezicht, bedelij_ke uitspraak. schouwing. Artille a (aar'ti-fia), s. kunstgreep; list. —er Aspen (es'pn), s. esp.. —, a. espen. (aar-tiri-sur), a. handwerksman, werkmeester. Asper ily (es-per'it-tih), s. oneffenheid, row-ial (-fis'sjel), a. —tally, ad. kunstig;gekunsteld. heid. —oua (es'pur-us), a. oneffen, row. —iality (-sji-el'it-tili), s. kunetigheid; sluwheid. Aspers a (es-pure'), v. a. besprenketen; belasArtillery ler-tilne-rih), s. grof geschut. terra. —ion (-sjute), a. bespreekelingi belastering. Artisan (aar'ti-zen), a. handwerksman. Asphalt (es-felt'), s. asphalt. —ic, a. asphaltiech. Artist (aart'istl, a. kunstenaar. Aspira nt (es'pi-rent), s. singer (near een' post. Artless (aart'less), a. klinlite1008 ; ongekunateld. enz.) —te (-ret), a. aangeblazen; a. teeken van —nest. 0 kunsteloosheid; eenvoudigheid. aanblazing. —te (-rest), v. a. net aanblazing Arundin aceous (e-run-di-see'ejus,„ a. riet- uitspreken. —tion (-ree'sjun), a. aanblazing; achtig. —emu ler-un-din'i-us), a. rietrijk. vurig verlangen. Aruspex (e-rue'peks). a. waarzegger. Aspir e (es-paje), v. n. streven, haken, (after. 4 Ary (ee'riii), a. pr. & conj. Lie Either. for, to). -er (es-pajeur), a. atrever, trachter. As (ez), ad. & coni. als, even als; naardien; bi ) - , —ing (es-pajOieng), a. atrevend, jagend. voorbeeld. — for, — to, wat aangaat. — if Asquint (e-skwint'), ad. schuins; loensch, scheel. — though, a'sof. — it were, om zoo te zeggen. Ass (aas), s. ezel. she —, eselin. —soon —, zoo dra als — yet, nog. Assafoetida (es-se-fet'i-de), a. duivelatrek. Asbest Inc (es-bes'tin), a. onverbraudbaar. Assail (es-seel'), v. a. aanvallen. —able, a. aau- us, s. steenvlas. randbaar. —ant, a. aanvallend. —ant, —er, s. Ascend (en-send'), v. a. beklimmen; v. n. opstij- aanvaller. gen. —able, a. beklimbaar. —ant, a. opklim- Assassin (es.sea'sin), s. sluiprnoordenaar. —ate mend; overwegend, a. hoogte; overwicht; tan- (-neet), v. a. vermoorden. —ation (-nee'sjun), s. zien; voorvader. —ency (-den-sih), s. overwicht; sluipmoord. —ator, a. sluipmoordenaar. invloed. Assault (es-saolt'l s. aanval; bestorming. —, Ascension lea-sen'sjim). a. opsttjging. —day, v. a. aanvallen; bestormera. timely aartsdag. Assay (es-seen, a. proefueming; torts. —, v. a. Ascent (es-sent'), a. opgang; opgaande hoogte; beproeven: toetaen. —cr., —master, a. eesayeur. stijging. Assenabi age (es-sem'blidzjt, a. verzameling; Ascertain (es eur-teen'), v. a. vaatstellen; be- vergadering. —e, v. a. verzamelen; v. n. bijeen vestiges. —able, a. vastgesteld. bevestigd kun- komen. —y 1-blih). a. vergadering. nende worden. —merit, s. vaetstelling; bevesti- Assent (es•aent'), a. toestemming. —, v. n. toeging. atemmen; (to) instemmen met. —ation (-tee'ejunl, Ascetic (es-set'ik), a. boeteplegend. —, a. klui- a. toestemming. —ator (-tee'tur), a. jabrobr. zenaar, boeteling. —er, a. toestemmer. Asehms les'al-ens), a. onschaduwigen. Assert (es-surt'), v. a. beweren; bevestigen; vorAscitic (es-sit'ik), —al, a. waterzuchtig. deren. —ion (sur'ejun), a. bewering: bevestiging. Aserib able les-krarbibl), a. toe te schrijven. —ire (-tiv), a. atellig. —or (-tur), a. beweerder; —e, v. a. toeschrijven, verdediger. —ory (es'aur-tur-rih), a. bewerend; Ascrip tion lea-krip'sjun). a. toeechrijving. bevestigend. —tittous -tia'sjual, a. toegeachreven. , Assess (es-sea'), v. a. belasten. —able, a. belaatAsh (ear). a. each. —en, a. van esechenhout. i boar. —ment, a. belasting. —or (-sur), a. bijzitAshamed (e-s)eemd'), a. beschaamd (of )• 1 ter; belastingmeester. Asheolor (e.j'knl-ur), a. —ed, a. aischgrauw. Assets (es'seta), a. boedel, masma, nalatenseliap. Ash ery (ekre-rih), s. aschbelt. 4 —hopper, loog- Assever (ea-sev'ur), —ate (-sev'ur-eet), v. a. plechvat. —hole. —pit, aachput. tig verzekeren. —ation (-ee'ajun), a. plechtigc Ashes (eajiz), a. each. verzekering. Ashler (esj'lur), s. hardateen. Assiduity (es-si-djoenit-tih), a. gestadige ijver; Ashore (e-sjoorl, ad. tan wal, tan strand. volhouden. Ash-wednesday (esj-oe-enrdee), a. aschdag. Assiduous (es-sidloe-us), a. —ly, ad. naarstig Ashy (espiiiL a. aschachtig. onverdroten. —ness, a. naarstigheid; volharding. Aside le-sajd"), ad. ter zijde. Assign (en-sajn'), v. a. aanwijzen; aanstellen; Asinine (es'i-najn), a. ezelachtig. bepaleu; overdragen. —able, a. be aalbaar. Ask (aask).' v. a. & n. vragen, verzoeken, vorde- —Own (es-sig-nee'sjuu), a. aanwijzing; bepaling. ren. -- after, for. from, of, to; vragen Haar, om, ren-dez-vous. —ee (es si-nie'), s. gemachtigde, van, a., op. — a question, erne vraag doen. —er, s. aanwijzer. —meat, a, aanwijzing; be-er, s. vrager, verzotger. stemming. Askan ce (e-skaana'), —t, ad. schuins. Assinallat a lea-sim'i-leet) v. a,gelijk maken Askew (e-skjoe"), ad. schuins; met verachting. (to); v. n. gelijk worden. —ion (-/ee'rjun), a. Aslant (e-alaant'), ad. schuins. gelijkmaking. Asleep (e-sliep'), ad. in sleep. Assist (es-sise), v. a. helpen, bijstaan; v. a. (at
306 Tie (taj), s. baud; knoop, strik; vlacht. —, v. a. binders, kneopen; verplialt ten; (down) verplie hten, verbInden; (up) op-, vastbInden; veirbinden; weerhouden. —r (terra), a. vaatbinder; sehortje. Tier (tier), a. reek., ft); lung. Tierce (tiers, tun), s. derde, tiers; torts, —major, derde van het Ras. Ties-met (tier'sit), s. drieregelig veraje. v. n. Tiff (lilt';, 8. alokje s teugje; twist, gemok. twister, mokken. —any (-a-nib), s. gaits, Boers. —in, s. tweede ontbijt. Tig(tig)., s. tilt, lantstje (kinderspel). TZge (tiedzj), s. achacht (eener zu il). Tigecr )ta)'gur), s. tkiter. —cat, tijgethat. —flower, tijterbloem„ great —moth, beermot. —ists, a.tijger• achtig. Tight MIA'), a. —ly, ad. vast, hecht; dieht; atrak, gespannen; nauw; vasthoudend; net, zindelijk. —ea (tajen), v. a. vast (stevig, gesps.nnen, 'miry) dichthalen. —er, s. veter, rijgsnoer. —men, s. vastheid, heehtiteid; dichtheld; strakheid; nauw heid; karigheid; netlaeid. —a, pl. spanbroek. Ticer age (targresa), s. tijgerin. —irk, a. tijgerRetitle. Tike (taik),.. took; bond; beer, lummel. Tilbury (tirbur-ih), a. tilbury (licht rijtuigi. TIC a (taji), 8. dakp an; —kiln, pannenbokkeriji —soaker, pannenbakker. —e, v. a. met pannan dekpannenaekker,-Bakker. —ing, s. panken, nen dot. prp. tot, tot aan. —, Tilt (till'). s. ge:dlade. conj. totdat. —, v. a. beploegen, bebona en. —able, a. beboawbaar. —age, a. gloating; akkerbouw. -Ler, a. landbouwer; geldlade; spruit, loot; roerpen, helmstok; —rope, stu.trreep; —sweep, Culwage n. Tilkot itirlut)„ s. overtrek. (tiiiiih-fel-iih).int lade i gekheid Tilt WW1, s. legentent, dekzeil, hull; steekspel, stoot; belling. —boat, tentboot. —hammer, stoned—place, —yard, tornooiveld, renperk. hawser. —, v. a. met eon tail ovordekken; vellen (de lane); steken; op zijn' tent zetten; omstooten; erneden; v. n. tornoolen, acme laps breken; kenteren. s. tornoolor, schermer; smeder; ondersteek (van eon vat). Tlith (filth). s. behouwde toestand, aanbouw, Tilting* (til"tiengs), a. pl. drab, droesem. Tinelbel (tim'bel), a. pauk, keteltrom. Timber (tim'bur), 8. timmerhout, now bout; oosnetam; slot', bouw8tor; v eertigtal (Widen). —broker, —merchant. houtkooper. —head, bolder. —mark, kuipersnaerk. —sow, houtworns. —toe, houten been. —trade, houttiandel. —wood, timmerhout. —work, timmer-, dskwerk; buitenheid. —yard, timelerwerf. —, v. R. met houtw erk besehieten, bouwen; v. n. etch nestelen. Timbre (tircebar)., s. belmaieraad. s.handtrom, tamboerijn. Ticnsbrel Thine (taint ) ), a. tijd; Beer, magi; meat. at -a, sontw ijlert. at any —, ooit; to alien tijde. Ett no nooit. by —a, afwisseland. for a —, een" tijd tang. for the — being, van Coen; thane. in —, in tads; met der tijd. oat of —, ontbdig; your onhcurlijke tijden; nit de meat. when— was, voor-

Heeft Amazon gebruiken Blockchain


ataan (in) ; levee (on, upon){ Wu; v000rtduren. veredale.. —anon (-it-inee'ejun), a. taublimeering; --ease, a. heathen; voortduring; lavemonderhoud. vernefling; 'veredeliog. —e, a. —ely. ad . hoog, —eat, a. beataand, stanwelig; inwonend. verheven; indrukwekkend; verrakt with ). —e, v. a. sublintaeren; opdrijven: veredelen. —tuts, Subsoil is .tin'acql), a. ondergrond. gubstanc• Isub'stans), a. zeltstandigheid; stet; —ity (Iini'it-tih), a. verhevenheid, voortreerelijk(het) wesenliike; t bet) vegan; kern; hootdbaheld. etanddeel; bootdinhaud; midAien, besitttng. Subifneation (sub-lin-i-ee'siun), a. onderatreSubatantt al isub•tensajell. a. —ally, ad. selfstand's; lieharnalijk, atofteliik; wezenlijk; hoardSal,Unwind (sob ling'gwel), a. dab onder de sakelijk; krachtig, vest, degeltic; welgeoteld. tong bevindeud. (•ajl-el'it-tih), —alnete, a. selfstandigheid: Subinner (eub-l aioe'ner), —y (subljoe-ne-rib), a. atoffelijkheld; wesenlijkheld; hoofdlakeltkheid; onderoiaansk. h. kracht, mulched. —ale (•8jels), pl. hootdpunten. Submarine sublne-rien'), a. onderseesoh. —ate (-ejl.eet), v. a. verwezenlijken; bewijien; Subneerise (sub •murdsp), v. a. ouderdompeleu; beveatigen. under water settee; v. n. onderduiken. S ablator.; a (cub mura';,v. a. Zie to Submerge. Substantive (subtaten-tiv), a. —ly, ad Whitendig. —, a. telfetandig naemwoord. — ion( juin), a. onderdorepeiing; overstrooming. Subtlelulls ter Isub-mtn'is-tur), —trate (-treet n, Substitu to, itnib'stigjoeti, a. plastagervanger; v. a. toedieneo; ve 8ehaffen; v. n. dienatig (be- surrogaat. —te, v. a. in de pleats ntellen van; ondereehulven. —Lion (-tjoe'sjun), a. plaataverlinipsatian) ziju. vanring; onderachuiving. S ub Oda& ion (sub-misfun). a. onderwerping, berusting, gelatenhaid. —ive, a. —ively, ad. (-male , S abstract (sub-atrekt'), v. a. Zie to Subtract. osiderdanig, ouderworpen, deernoadig. Subbtr uct ion (sub-struk'sjun), —ere (-strukt . —iveness, a. onderdauigheid, anderworpenheid, joer), a. onderbouw; grondslag. Subunit lye (sub .suit'iv), —ory, a. —ority, ad deemoeds opspringend, huppelend. SuI-AE.1f (sob-salt'), v. a. onderwerpen; overlaten Subtend (sub.tend'(, v. a. zich ultatrekken onder. (1.)); v. n. zich onderwerpen (to). Subordina cy (sub or'di.ne..8ih), a. onderge- Subtenn (oub-tens'), s. boogpeae. noixiktheid, onderhoorightid. —te, a. —tely, ad- Subterflu gat (sub-tarltoe ant), —ous.a. onder(•net-), ondergeszitIkt, onderhoorig. —te (-sect), door stroomend a. a. onderg.esthikt makes. —tins (-nee'sjun), a. Subterfuge (aub'tur-fjoedzj), e. nitvlueht, veerwended'. ondergersehlktheid; onderwerping; afklimming; Subterrane (sub-ter-reen'), a. onderaardsche lagere rang. gang, onderaardech gewelf. —an (-ree'nt-en), Suborn (sub-orn'), v. a. verleiden; ornkoopen. —ono (•rseini-us), a. onderaardsch. —er, (-nee'ejun),E. verleiding; onnkooping. —ation Subtil a (aub'till, a. —ely, ad. Ajn. dun, teeder; a. verleider; omkooper. aeherp. —sty til'it-tih), —*nett, a. iljn held, dunSuboyall (8ttb , o'vel), a. bijna eivormlg. held, teederheld; ae herpte. —ixation (-1-zee'oj an), Subpoena (sub-pine), a. dagreardieg (ceder a. vergunning, (het) vluebtig maken; haarklooetrafbedreiging). —, v. a. dagvaarden (wider verij. —Ise (-ajz), a, a. verdunnen, vittehtig wasteer bedreiging). ken; v. haarkleoven. Subprior (nub-yrarur), a. onder prior. Subtle (aut'tl), a. fljn, loos, slew, Hang; Nehery; S u brect or (su b .rek'ter ), 8. onder-rector. spitarondig. —ty. a. itinheld, loosheld,alnwheid; sibrep t ion (sub •rep'sjun), a. Zia Surreption. oeherpninnigheld. Subealt laub'snolt), a. onuersout. Subscribe (sah-tekrajh'), v. a. onderteekenen; Subtract (sub-treke), v. a. *Welon; wegnemen, (frons). —er, a. aftrakker. —ion (-trek'sjun), teat tiltIsachrijven vuor; v. n. teteekenen (to); aftrekking; wegnem.ing; onthouding. ;;en (to). —r, a. ondeyteekenaar; inteekening. Subscription (nub •skrip'sjurt), a. onderteeke- Suburb (sub'etrb), a. vooratad. —an (-urb'en), a. van (in) de vooratad. uing; lateek ,olIng. Subseso ttilwett (sub-sak'quai, a. onderafdeeling. Subvention (sub- ven'sjun), a. hulp, bijstand. Subver 'Ion (sub-ver'sjun), a. omkeering, om—ufive (Ase-tiv), a. volgend. (auh'se - kwem). a. voiging, ver - verwerping. —rive, a, omkeerend, omverwerpend. Subsequen —I, v. a. omkeeren, onive.werpen. —ter, a. omvolkand, later (to). a. volg. verwarper, vernieler. —title, a, omver te werpen, (Rub-burv'), v. a. theses. behalpsaem Stalw -N.rw te vernielen. a. — iency ( - 1 ziin, bevr,r(leren. S tab worker (sub-wurk'ur), a. helper. ittigheitl, bavoillerhjkheid; of haxkelljkta id. die ❑ Succedaneouo (auk-se .dee'ni-us), a. plaatsver—ient, ( - I - ent), a. dienatig, bevorderlijk; dlenstvangend. boar, (to). (auk-sled'), v. a. opvolgen; doen geSu ► old e (stib•sajd'), a. n. sinker,, zakken; *fee- Succeed lukken; v. n. (to) volgen, opvolgen; alarm (is); Inze; bedaren. —once,—eney, a. (het) zlnken, sakgelukken. —et, a. oprolger. ken; afeeming —iary (.8iri-e.rih), a. helpend, coed geondersteunend, help-. --tee (sub'sid-3j.), v. a. Succla• (auk a. gevolg, uttalag; volg, voorapoed. —fat, a. —fully, ad. voorepoeonderstand veneer... —y (eno'std-ih), o. enderdig. —lianas, a. geode 'them voorapoed. --ion stand, toelage. (-aleyun), a. opvolgtng; erfopvolgtng; volgorde; Suhatgaa (auk - WW), v. a. onderteekenen. nakomelingen. —ire, a. opvolgend, op elkander Subsist (sob-slat'), v. a. onderhouden; v. n. be-
Ordnance (ord'nens), a. grof geschut. piece of —, stub (geschut). master of the —, directeur-generaal der artilierie. —ship, oorlogschip. —yard, a rtilleriepark. Ordonnance lor'dun-nens), s. schikking. Ordure (ord'joer), s. vuiluis, drek. Ore (our), s. erts. Orsaei (o'ri-ed), s. hergnimf., Orfrays (oefeeez), s. goudgalon, Orgol (or'vel), s. wi,;nsteen. Organ (or'gen), a. orgaan, werktuig; orgel. —builder, orgelmaker.—case.orgelkast.—grinder, orgeldraaier. —loft, orgelplaats. —pipe, orgelpij p —.ic, —ical (-gen'ik-), a. bewerktuigd.—ieally (-gen'ikl-), ad. door bewerktuiging. —calness (-gen'ikl-), s. bewerktulgdheid. —tern, a. bewerktuiging. —iet, a. organist. —ization ( - 1 - .WOUR), a. he w erktuneing, inwendig samenstel. —ixe (-aj z), v. a, bewerktuigen; inrichten, ordenen. Orgasm (or'gezm), s. onstuimige beweging, opbrunaing. Orgeat (or'zjet), s. orgeade. Orgies (or'dzjiez),p1. bacehanalien, drinkgelegen, slemppartijen. Orgues (orgy), pl. storratralien; orgelbattegij. Oriebale (or'i-kelk i , s. geel hoper. Orli& (o'ri-e1), s, vertrekje naast de voorzaal. — window, uitspringend venster. Oriency (o'ri-en-sih), s. kieurenpraeht. Orient (o'ri-ent), opgaand; oostelijk; schitterend, prachtig se, oosten. —al (-en'tel), a. oostelijk; oostersch, s. oomter3 ing. (-en'. a. oostersch taaleigen. —alist (•en'teiist), s. kenner der oostersche talon. On flee (or'i-fis), s. opening, mond. —ilamb (- item) s. standaard der nude franache koningen. —gen (-gen), a. wilde martolein. Origin (ar'i dzjin), a. oorsprong, afkomst. Origtua 1 (o-rid'zji-nel), s. origineel, oorepronkelijk stub; oorsprong. —I, a. —lly, ad. —ry ( • ne-rih), a. norepronkelijk. —/ sin,erfzonde.—lity —lness, a. oorspronkeltjkheid; eigeneardigbeid, eahtheid. —te (-neetj, v. a. voortbrengen; v. n. ontstaan. —lion (-nee'sjun), a. entstaan, neraprong, afkomst. Orilion to-rirlup), a. ronde hook. Oriole (o'ri-ool), Fs. goudmeerl. Orion (o-raj'un), a. Orion (eterrebeeld). Orison (or'izun), s. gebed. Orlop (or'ittp), e koebrug. —beams, koebrugsbalker, Ormolu (or-mo-loo'), geenailleerd koper, mo zalek good. Ornament (er'ne•ment), s. sieraed, versiersel. —, v. a. versieren. —al (-ment'el), a. versierend. Ornate (or'neet), a. versierd, getooid. —ly, ad. met sieradeo, sierlijk. —nests, a, veraierdheid. Ornithol ite, or nith'o-lajt), a. versteende vogel. —spiel (ni-thol'ud-zjist), a. vogelkenner. —ogy (ni-thoPud-zjik, s. vogelkunde. O rograpby (o-rog're-fih), s, bergbeschrijeing. Orolog !cal (o-ro-lod'zjiki), a. bergkundig. —y (o-roPud-z3111), s. bergkunde. Orphan (or'fen), a. ouderloos. s. wees. —age, —ism, s. ouderloosheid. —ed (-fend), a. onderloos. Orpiment (or'pl-ment), s. oprement.
BRA el.BRI. on, to brand, to stiginatige. —merking,branding. —eserk(jser, , branding-iron. —middet, caustic. —neer, party-wall, mean wall. —setel, stinging nettle. —offer, burn-offer. holocaust. —offeredtour, altar for the burnt-olfsringa. —oven, kiln, furnace. —pijp, fusee. —piket, fire-picket. —punt, focus. —reek, fire-smell, burnt.etteq —schade„ damage caused by firs. —schatten, to by under. 'contrib./flan. —schatring, contribution. —ickilder, enameller. —schilderen. to enamel. —schildering —schilderhunyt, enamelling. —schilderwerk, enamel, --whip, lire-ship. —schoon, very clean.. fire-drake. —spiegel, burningKlass, • -reflector- —spelt., Are-engine; —gait, tire-man; —huisje, engine-house; —slang, pipe of a fire-engine. —*toilet, funeral pile, Pr.. —stem. internal stone. —stickier, --stichtster, incendiary. —stickting, setting on fire, ince.diadem, arson. —slot, fuel. —stollen, combuetibles. —stok, lire-bran& —teeken, sear, fire -token, brand. —cell, enamel. —vlek, sear, mark got by a) burn. —foga, m - or-hen; trouble-peace. —waarborg 1-niaatschappU), fire-insurance pAny).—toacAt, fire-watch;adv armed guar d.—tvond, burn. —calf, salve for burnings. —roof, inner sole. —evrijn, brandy; brander, distiller of brandy, —stokerii. distillery for broody. —baar. by. aorainsetible. —baarheid, v. combustibleness. —en, ov. w. to burn, to scald, to 'scorch; t, brand. to mark; to ba,.e (pannen); to bream (een sehip); to burn (1,101c) 4o cau , erize (rene wood); to distil I brandewiln); to make (Ustikoot); to roast (koffie); style fingers —, sick or gees can —, to burn one's fingers, to go too tar, to entangle one's self in difficulties. —, on. w. to burn, to be on tire; to-give lisht; to break, to foam (van de see). —end, be. burning, hot;, lighted; ardent, Iferve-et. —er, tn. fire-ship, distiller. —ell), v. distillery. —ig, by. blasted, blighted, mildewed; fiery, inflamed. —leg, v. burning; breakers, surf. liens, m. brace. ik heb er den bras van,' don't care a pin for it. at every one, every thing, all. —61ok, brace-block. —dagen, shrove-tide. —moat, —partii, banquet, sumptuous meal. —pentssng, ten dolts' piece ;live farthings). Brasens,m• bream. Brass en, or. w. to brace; on. w. to tenet, to bun. quet, to revel, to riot. —er, en. Neste r,banqueter, reveller. —ery, v. feasting, banqueting, riot. Brat. q. Zie BOY lilt Bray stamen, ov. w. to face, to ('rave, to affront. Breed, by. & bw. broad (-1y), large (.1y), wide (-Iy), ample (-ply), extensive (-1y). in het —e, at large. largely. amply. oggefen van, to speak highly of. Aet niet hebben, hardly to know how to make both ends meet. —board, boaster, bragger. —borstig, broad-chested. —gerund, broad brimmed. —spruak,' boastfulness; prolixlt —sprakig, boastful; prolix. —mmHg, In% & bw. circumstantial (-4). —voerisheid, v. ampleness, circumstantlainess. —Acid, v. broadness. —te, v. breadth, width, depth; latitude; —grand, degree of latitude; —kr:ag, parallel. Bras fok, m. cross-jack (-sail). —gans,m.strake. e —veertiert uit kat:gen, to lord it.
251 Renavigete (ri - nev'i-geet), v. a. weder bevaren. Rencounter (ren-kaaun'tur), a. ontmoeting; boteing; schermutaeling, gevecht. —, v. a. aanta8ten; v. n. op elkander atooten; handgemeen worden. Rend (rend) [rent], v. a. scheuren verecheuren. Render iren'dur), a. verseheurder; overgaaf; bekentenis. v. a. terug-, overgeven; over-, opieveren; overzetten (vertalcn); vooratellen ; geven, maken, doen. —able, a. over te leveren; over te geven. Rendez-vous (ren.de-voe;, a. samenkomat; verzernelplaats. —, v. a. verzamelen; v. n. Wren

Is Bitcoin zoals gokken


Kali. Kale (keel), a. krulkool. lieelay (kek'sih), a. scheerling, done kervel. binleidoscope(ke-laj'do-skoop),..kaleldoskoop, Kedge (ked*, —r, a. weep-, boegseeranker. —, schoonheidskij ker. v. n. boegseeren. Kalendar (kel'en-der)„ s. Zie Calendar. Keel (kieln, s. (echeeps-) kiel. —, v. a. vtur.en; Kali (kee'lih), s. kali; weedaseh. I kielen; verkoelen. —boat, platboomd vaartuig. KftlElklit (kermi-e), s. amorikaansche Wirier. —fat, koelvat. —man, schuitevoerder. --age, a. Kangaroo (ken-ge-roe'), a. kangaroe. havengeld. —er, a. Zie Keelman. Kaoline (kee'o-lin), s. porseleinaarde. Keel Lisle (Iticl'heeU, —haul ( haol), —rake Kaw (kao), a. gekras (van raven). —, v. n. kras-! (-reek), v. a. kielhalen. —ing, s. kleine kabelsen (alit raven). 1 jauw. —son (-sun), a. zaadhvut, kolsern. Kayla (keel), a. kegel. —a, pl. kegel-, kuiltjea- 'Keen (WO, a. —ly, ad. scherp; hecig; vinnig, apel. 1 hits; vurig, gretig; seberpzinnIg. —ness, a. scherpKeck (kek), v, n. kokhalzen; (at) walgen van. I held, hevlgheid, vinnighe:d. Keckl e (kek'id), v. a. met smarting lsekleeden Keep (kiep), s. hoede, bewaring; onderhoud (een' babel). - icy, a. smarting. I toesland; slottoren. ri

Consternation (kon stun-nee'sjun), a. ontstel- Contnbula te (lcun-tebloe-leet), v. a. met planteens, versiagenheid. ken beschieten. — lion (-tee':jun), s. beplanking, Constipa te (kon'ati-Peet), v. a. verdikken, ver- bevloaring. stoppen. — lion •pee'sjun), s. verdikking, ver- Contact (kon'tekt), a, aanraking. Conta gion(kun - tee'dzjan), s.besmetting..—gious stopping. Constituent (kurt-stit'joe-ent), a. samenstellend, (-dzjus), a. besmettelijk. —piousness, s. besmettelijkheid. R. lastgever. vormend. Constitute (kon'stit-tjoet), v. R. instellen, vast- Contain (kun-teen'), v. a bevatten, behelzen; in atellen; vormen; samenstelien; machtigev, at- teem hondert; v. n. zich onthouden. —able, a. vaardigen. —r, a. lastgever. bevatbaar. Constitution (kon-ati-tjoe'sjun), a. inatelling; Contamina te (kun-tem'i-net), a. bezoedeld, belichaamsgestel ; gemoedsgesteldheid; staatsre- vlekt. —te (-neet), v. a. bezoedelen, bevlekken. geliag. —at, a. —ally, ad. overeenkomstig de —lion (-nee'sjun), s. bevlekking. staatsregeling; oorspronkelijk. — ality (-el'it-tih), Contemn (kun•tern'), v. a. verachten.—er(-nur), a. grondwett;gheid. — ist, a. voorstander s. verachter. Contemper (kun-tem'prir), —ate. v. a. tempeder grondwet. Constitutive (kon'sti•tjoe•tiv), a. wetgevend, ren, matigen. — ament, a. grand; tempering. verordenend; wezenlijk. —ation ( ee'ejan), a. tempering, matiging. Constrain (kun-streen'), v. a. betengelen, be- Contempla te (kun-tem'pleet), v. a. benchesiemmeren; noodzaken. —able, a. eon dwang on- wen, overdenken; v. n. peinzen (on). — lion (Iconderworpen. — edly, ad. gedwongen. — cr, a. dwin- tem-plee'sjun), a. beschouvving, overdenking,beto have in —lion, beoogen. — tire ger. —t. s. dwene,., opsluiting. — tire, a. dwin- spiegeling. (-ple tin), a. — lively, ad. nadenkend, bespiegegeed, helemmerend. Constrict (kun-strikt'), v. a. samentrekken. —ion lend. — tire faculty, deukvermogen. —or, s. beschonwer. (-strik'sjan), a. sementrekking. — or, a. semen- Contemporaneous (C1111tom-p0.ree'lli.U.3). a. trekkende spier; reuzenslang. Constringe (kun-strindzj'), v. a. aamentrekken. — ly, ad. gelijktijdig. Contemporar iness (kun-tem'pore-ri-ness), —at, a. samentrekkend. gelijkttjdigheid. —y, a. gelijktijdig. —y, a. tijdConstruct (kun-strukt'), v. R. sarnenstellen. bout- wen; verdichten. — er, a. hoover, vervaardtger. genoot. —ion (-struk'sjun), a. bonne, samenstelling: nit- Contempt (kun-temt'), a. verachtieg. to hold in legging; woortivneg. ing. — ive ( - tiv), a. — ively, ad. —, minachten. for bij verstek. R. -ibly, sameestellend, verhindend. —ure (-tjoer), s bouw, ad. fverachtelijk. —ibleness, a. verachtelijkheid. —uous (-joe-us), a. — uously, ad. minachtend, gebouw. Construe (kon'stroe), v. a. samenstellen; ver- trotsch. — uousness, a. minachting. Contend (kun - tend) v. n. twisten; wedijveren, klaren. atreven, (about. for. with). — er, a. betwister, te.1.7onstnpra te (kon'stjoe - greet), v. a, onteeren; genstander; etrever. losbandigmaken. —lion (-pree'sjun), s. onteering; Content (kun-tent'), — ed, a. --eddy, ad. tevreliederlijkmaktng. den. —, a. tevredenh, id; omvang. —s, s. inhoud. Consubsist (kon - sub-sist!), v. n. medebestaan. eenzeltable of -8, inhoudsregister. —, v. a. tevreden Consubatanti al (kon-sub sten'sjel), stellen. — edness, a. tevredenheid. —less, R. onvig , medezelfstandig. — ality (-sji-slit-tih),s. me- dezelfstandigheid. — ate (-sji-eet), v. a. vereen- tevreden. —meng, a. vcrgenoegdheid; herniating. zelvixen, tot line zelfstandigheid vereenigen. Contest lion (kun-ten'sjun), s. strijd, twist; mededinging. —tious (-qua), R. —tiously, ad. twist-ation (-sji-ee'sjun), s. vereenzelviging. ziek. — tiousness, a. twistzucht. Consul tkon'sul), a. consul. — ar (kon'sjoe-ler), a. van een' consul. —ate (kon'sjoe-let), s. con- Contermi nate (kun-tur'mi-net), —nous, a. de• zelfde grenzen hebbend; aangrenzend. sekat. — ship. a. COI1SUISChap. Conu4nit (kon'sult), a. raadpleging; beraatisla• Contest (kon'test), a, geschil, strijd. Contest (kun toot), v. a. betwieten, bestrijden; gin,; ranflAvergmlering. v. n. twisten, wednjveren (unth). —able, a. beConsult (kun-cult'), v. a. raadplegen; v. n. be- twistbaar. — ant, R. betwister. —ation (-kon-tesraadslagen. —ation (kon-sul tee'ejitn), s. beraad- tee'sjun), s. strijd; betwisting; getuigenbewijs. raidplegend.—er, staging; raadpleging. a. rnatipleger. Context (kon'tekst), a. samenhang, verhand. — Consult. able (kun-ajoem'ibl), R. verteerbaar. (kun-tekst), a. semengeweven. — ure (kun - teks' — e ( - Fijoein'), a. R. verteren; verkwisten; v. n. tjoer), a. samenstel; samenweefsel. s.nabkjheid,beverteren; (away) wegkwijnen. — er, a. verteerder; Contign verkwister. lending. -,M8 (kun-tig'joe us), a. —ousty, ad. Consonant. te (kun•sum'met), a. —tell,. ad.vol- aanpalend, belendend. — ousness„ a. nabijheid, komen, voltooid. — te (-meet), v. a. voibrengen, aanpaling. voltnoien. --lion (kon-sum-mee'sjun), a, voltooi- Conti nen ce (kon'ti-nens), —cy, a. matiging; onthanding. ingetogenheid.. —t, a. matig, itigetotug, voleindiging; dond, vasteland. — tal (•nen't,e1), gen, kuisch. Consustap lion (ken-setn'sjun), a. verhruik,ver- a. van het vaste land; 4 de Vereenigde Staten tering; verwoesting; tering., —tive,a.—lively, ad. betreffend. verterend; teringeehtig. — tireness, s, tering9ch• C,+ntingen ce (kun.tin'dzjens), —cy, 9. toeval. tigheid.
praaien. Ha (ha), int. ha! int. hell! veel geluk I praaischuit. fellow , goede vrinnd. Habeas corpus (hee'bi-ea kor'pus), s. wet op Ilainoue (hee'nue), a. Zie Heinous. de proventleve gevangenig. Haberdasher (heb'ur-desj-ur), a. kramer, ga Hair (heer';, s. hear; dread, vleug; ztertje. to a —, ran- en bandverkooper. —y, s. kramerij. op een hear. against the —, met weerztu. —bag, haarzakje. —brained, onbeanisd. --breadth, hearilaberdine (heb-ur dien'), s. labberdaan. Habergeon (he-bur'dzji-un), s. borstharnas. breedte. —broom, kainerbezem. —brush, haarHabiliment (he.bil'i-rnen t),e.gew sad , uttruenting , boratel. —cloth, haardoek. —dresser, hopper-. fillet, —lace, haerband. —needle, —pin, hearHabit (heb'it), a. ewoonte, hebbelijkheid; gespeld. —powder, haarpoeder. —roller, papillot. steldheid, toestand; kleeding, rajkleed. —, v. a. kleeden. —able, a. bewoonbaar. —ability (-1-te—shirt, haren liemd. —side, nerf, —sieve, haren hint-till). —ableness, a. bewoonbaarlieid. reef. —star, haarkomeet. —stroke, ophaal (eener (.i•tikl), s. woning. —once, —ancy, s. wettige achrijfletter(. —trunk, ruige koffer. —weed, waneerzetting, verblijf. —ant, s. bewoner. —ation terms. —wcrrn, haarworm. —iness„ s.harigheid. (-i-tee'sjun), s. bewoning; wooing. —less, a, keel. —y, a. harig, ruig; haren. Habits' al (he-birjoe•el), a. —ally, ad. gewoon, Hake (beak), 0. roodoog (viscb). gebruikelijk; gewoonlijk. —ate i-et), a. bilge- Halberd (haol'berd), a. hellebaard. —ier, (-dice), worteld. —ate 1-eet), v. A. gewennea. s. hellebaardier. Habitude (heb'i•tjoed), s. gewoonte, hebbelijk- Halcyon (hel'sji-un), a. kalm, rustig, vreedheld; gemeenzoam verkeer. ream. —, a. ijsvogel. Habnab (heb'neb), Ad, luk of rank; door elkander. Hale (heel), a. `gezond, frisch. v. a. Zie to Hack (hek)„ a. hak, keep; oude knol,huurpaard; Haul. Half -koets. —, v. a. hakken; verminken; v. n. hak(haan, a. & ad. half; ten halve. —, a. helft. kelen; rich prijs geven. at (by) —, ten halve. my better —, mime weeerHackle (hek'k1), a. hekel. helft. —blood, halfbroeder. -roster. —blooded, v. a. hekelen. Hackney (bek'n1h), a. verhuurd wordend; veil; laag, verhaeterd. —breed, a. van gekruint ras; afgeznegd. s. telganger; huurpaard; huurling; s. halfbloed. — brother, stief-, halfbroeder. —comlichtekooi. munion, avondmaal cruder 6lne geetalte. —deck, huurkoets. —coachman, huur • koetsier. —horse, huurpeard. —man, verhtearder halfdek. —learned, hal fgeleerd. —pay, halve soldij ; van paarden en rijtuigen. —writer, broodechrtj- wachtgeld. —penny (hee'pen•nih), halve atuiver. ver, bundling. —, v. a. gewennen; in eene hour- —pike, halve (offIciers-) piek. --seasover, half koets vervoeren. —ed (-slid), a. vereleten, afgebeschonken. —sighted, kortrichtig. —sister, mt tef-, zaagd. halfzuster. —sphere, halfrond, halve wereldbel. Haddock (hed'duk), s. schelvisch. —strained,on7olkomen,—aword,lijfgevesIttit.—way, Hada (heed), s. stalls echacht, staande gang (in ad. halfweg. —wit, domoor. —witted, onnoozel, mijuen). dom. Haft (haaft), s. handvat, heeht. —, v. a. van een Halibut (hol'i-but), a. hellbot. handvat of hecht voorzien. Halidom (hert-duin), a. heilige maagd. Hag (beg'), a. heks, tooverkol. —born, van aene Hall (haor), e, zeal; gildgkamer; gerechtshol'; heice geboren. —ridden, beheket. —seed, heksenheerenhuie; voorportaal. cbmmon geineentekind. — v. a. kwellen; beangotigen. huis, verkoophuie. —day, gerechtedag. —age, 0. H aggar dIheg'gurd), ' a. —/y, ad. mager, verwilmarkt, staangeld. derd, wanstaltig, ontdaan. a. wilde (Itchtlwe) lllallelajjah (hel - le - loe'je), a. hallelujah. yolk; monster. Halliard, Halyard (hellurd), s. val. —block, Hag gess (heg'gess), s. leverworst. (-Os% valblok. a. hekeachtig, mievormd, afschuweltjk. Halloo (hel-loe'), int. hallo! —, v. a. door geHaggle (heg'g1), v. a. klein hakken; verminken; schreenw aandrijven of verjagen; aanschreeuv. n. knibbelen. —r, s. hokker; knibbelaar. wen; v. n. echreeuwen, hello roepen. Haglograph er (hee•dtji-og're-fur), a. keno- Hallow (hello), v. a. wijden, heiligen. —Inas niek Igevvild) achrijver. —y, a. de kanonieke (ge• (-mead), s. Allerzielen. wijde) boeken. Ilallucina to (hel-ljoe'si-neet), v. n. dwalen, llaguebuti(heg'but), s. musket, snaphaan. struikelen. '—lion (-nee'siunl, s. wean, rinsbeIlah (ha), int. ha! drog; dwaling, feil,mieslag. —tory (-ne-tur-rih), Hail (heel'), a. bagel. —shot, echot met echroot. a. dwalend, mistastend. —Mower, —storm, hageibui, jacht. —stone, bagel- Halo (haom), a. stroohalm, stroo. steen. —, v. a. & n. hagelen. —y, a. hagelachtig. Halo (hee'lo), a. liehtkrans. Hall (heel'), a, gezond, Meek. —, a. groet; liaise (hsos), a. kluis. Lie Hawse. stembereek. —, v. a. groeten, hell wenmehen; Halser (hewers), a. halo (touw). lie Hawser. 5
Tomohawk (tom'e-haok), a, indlaansohe strijdTomb (teem'), a graf; graftombe. —stone, Kra'teen. —, v. s. begraven. Tombne (tom'bek), a. tombek, apinabek. Tombless (teemness), a. solider grafetede, onbegraven. Tome (toom), e. boekdeel, dee'. Tomplon (tom'pl•un),s. w in dpre p. Teen (ton), a. ton; lie Tun. —(ton), a. toon, heorachende meek of mode. Tone (toon'), s, loon, blank; stemgeluid,spanning; veerkraaht. —, v. a. gemaakt voordragen; loon (nadruk) geven aan. —d (toond), a. van Loon; well— we iluidend. ng), e. gesphaakje. —s (tongz), pl, tang; Tong (lo e pair of —, Gene tang. Tongue (tung'), a. tong; teal, spraak. —doughty, anoevend. —pad, lengtong. —Eeraper tongsehra' tong Terper. —shaped, tongvormig. —tie, v. a. de lawmen, doen mijgen. lispend; awakeloos. —, v. a. bektjven; van eene tong voorzlen; v. n. praten, snapped; aanalaan (blaffen). —4
(in. of). —er, a. grootspreker. —ful, a. ad. pochend.. R. beseheiden. Boat (hoot), s. boot, schuit. —able, a. hevaarboar. —hook, bootahaak. —ing. a. spelevaren; bootvaart. —man, schuitevoerder. —rope, sloepsleper. —'s-grappling, sloepdreg. —'s-gripe, s!oepkrabbers, —'s-house, bootbula. —skid. bootklamp. —sling, hanepoot. —staff, boothaak. —swain, (boosn). bootaman. Bob (bob), a. ooraleraad; klap; refrein; siekelig gezegde; korte pruik; pier; shilling. —, v, a. kort maken; bedotten; v. n. been en weer alingeren. —cherry, kinderapel met eerie kers. —stay, wateratag. —tail, kortstaort; het grauw. —wig, korte pruik. Bobbin (bob'bin). s. klos; koord. Dorking (bokleng), s. ruwe wollen stof. Bode (bood), v. a. voorspellen; v. n. ten soarteeken zijn. —sent. s. voorspelling. Bodice (bod'is), a. rijglijfje. Bodil ass (bod'i-less ► . a. tandem liehaam. —y, a. & ad. lichamelijk, Boding (boodleng), a. voorteeken. Bodkin (bod'kin), a. priem; rijgpen; haarspeld; krulijzer. Body (bod'ib), a. liehaam; romp; persoon; vereeniging; troep; kracht. any —, iemand; wie ook. every —, iedereen. —clothes, paardedek. —guards, lijfwacht. —, v. a. vormen. Bog (bog), s. moeras, poet. —house. aekreet. —land, moerattiand. —rush, moeraabies. —trotter, moerasbewoner. — v. a. in het slijk wentelen. —gy (bog'gih), a. moerassig. Boggle (bog'g1). v. n. aarzelen; haperen. —r, I. wetfelaar. Holten (bo-hie'), a. theeboei. Boll (boll'), a, bull. zweer. —, v. a. & n, koken, zieden. —er, a. kookketel. —cry (-ur-ih), a. zoutziederij. Boisterous (bojs'tur-us), a. —ly, ad. onstuimig. —ness, s. onatuimigheid. Bold (boold), a. —1y, ad. stout, koen, vr(jpoatig; oubeschaamd. to make —, de vrij held nemen. —faced. onbeschaamd. —facedness, onbeschaamdheld.. —shore, stelle oever. —en, v. a. stout maken. —nets, a. stoutheid; onbeachaamdheld, Bole (b001). a. boomatam; pijpekop; boluaaarde. Boils ibo'lis), a. vliegende draak; vuurbol. Boll ibooll, a. zaadhuieje, maat van zessehepele.

it).1 (-ee'sjun), a. (het) rustdag —wcoibe7, rnedelid. —passenger, reisgenoot. vrije dagen. —ation houden. -prisoner. ,nedagevangene. —scholar, medescho-Ferine (fi'rajn), a. wild, woest. —nets, a. wildmedestutier. —soldier, krijgsmakker- —student, dent, schoolmaltker. —subject, medeonderdaan. held, woesthoid. eels- Ferment (fuenvnt), a. gisting, gist. • -sufferer, lotgenoot (in lijden). —traveller,medeFerment (fur-meet'), v. a. doen gisten, v. n. genoot. —worker, medewerker. —writer, (•tee'sjun), a. platen. •—able, a. gistbaar. schrijver. elating, broding. —alive (-to-tiv), a. gisting. —like, —1y. Fellow (fel'10), v. a. paren, passe' —ing-trough, gistkuip. s. kameraad- P.. kameraadschappelijk., a. varenkruid. —y, a. met cares achap; deelgenootschap; lidmaatschaP; gemeen• Fern 1,furn'), begroeld. zaamheid, omgang; gazelschapsrekening. Ferocious (fe-ro'sjus), a. —ly, ad. woest, wreed, Felly (fnl'llh), a. velg (van een rad). a. woestheid, wreedheid. a.—iaus/y, ad. (fe-lo'ni-us-), —ness, Felon (fel'un), a. misdadiger, doodschul- Ferocity (fe-ros'it-tih), a. wildheld, woestheid. misdadig, snood. (feeri-ual, a. ijzerachtig; ijzeren. Ferreous leenpliclaschending;hals—y, s. snoodheld ; Ferret (feerit), a. fret; floretlint. —, v. a. opjastraffelijke znisdrad. v. a. tot gen; doorsnuffelen; (out) uitversehen. —er, a. opFelt (felt), a, vilt; vilten hoed; vet. opj'ger; snuffelaar. vilt maken. a. veergeld. Feisseen (feieek'ke), a. klein vaartuir, feloek. Ferriage Ifeeri-idzj), meisje, Ferruginous (fer-roe'dzji-nus), a. ijaerachtig, Female (fi'mecl), a. vrouwelijk. —servant. ijzerhou.dend. reoerschroef. —friend, vriendin. —screw, (fer'ril, fer'roel), a. bealeg, ringetje Ferrule a. vrouwelijk wezen; vrouwdienstmaagd. (aan een rues, om een' rotting). menech; wkjfje. (feerih), s. veer; veerschult. —boat, veerFwine (fern), —covert (-kuv'urt), s. gehuwde vrouw. Ferry —man, veerman. —, v. a. overzetten; v. n. -sole (-soar). s. ongehuwde vrouw. pont. emln allty (fem•i-nel'it-tih), a. vrouwelijke overvaren. e lfuetil) a. —ely, ad. vrrtchtbaar. —eness, 'cafted. —ine (fein'i-nip), a. vrouwelijk, teeder; ver- Fertil (-sj.), a. vruchtbaarheid. —ity (fem'i•nin-izm), a. vrouwelijke hoevvijfd. v. a vruchtbaar maken. danigiteden, Ferule (fer'oel), s. schoolplak; rietgewas. —, v. a. Femoral (fem'ur-rel), a. de dij betreffend.—born, met ue plak kastuden. Fen (fen'), s. moeras, veen. —bcrry, veenbes. (fueven-sth), a. vurigheid, ijver. —t, in een veen geteeld. —cress, veenkers. —cricket, Ferven cy a. —tly, ad. beet, gloelend, scrip; ijverig; innig• veenmol. —duck, poeleend. —fowl, poelvogel.Fervescent (far-vea'sent), a. warm wordend. vesniand. —man, veenman, veenlander. Fervid (fuevid), a. beet, brandend; bevig, vurig. —sucked, uit veengrond getrokken. s. hitte; vurige ijver. heining, schutting, haag; schista. Fence (fens'), a. warmte; ijver; innigheid. moor, bescherming; 7erschansing;noodschot.§to Fervor (ter'vur), (fes'een•najn), a. °Wesel), vuil, be on the —, zich onzijdig houden. —month, ge- Fescennlne sloten jachttijd. v. a. omheinen (up): be- s. onkiesch bruiloftslied. schutten; v. s. schermen, zich verweren. —less, Fescue (fes'kjoe), a. wijspen. Fesse (fee), s. band, balkatreep, —point, a. naa. onomheind; onbeachut. —r, a. schermer. s. soldaat van velpunt (op een wapenschild). Fenellble (fen'sibl), a. weerbaar. Fests+1 (feetel), a. feestelijk. de landweer. v. n. estateFencing (fen'sieng), a. omheining; (het) Ether- Fester (fesler), a. vurige puist. ken, verzweren. men. —master, schermmeeeter. —school, scherm- Festlna (fes'ti-net), a. haastig. —lion (nee' te orheol. apoed. Fend (fend'), v. a afweren,afhouden,(oft').—, v. n. sjun), s. haast, el (fes'ti-vel), —e (-tic), a. feestelti.k. —al, dinputeeren. —er, S. haardijzer; beschutsel. —era, Festiv a. vreugdedag; verjaardag; feest.—ity(-tiv'it-tih), s. wrijfhouten, woreten. a. feeetelijkheld, vroolijkheid. Fessestral (fe-rtea'trell, a. tot een venster behoo- Festoon les-tome), a. festoon, loofwerk. —sus rend. a. strookleurig. Fennel (fen'nil), a. venkel. —app/e,venkel•appel• Festuc ine (tes'tjoe-sin), der, zwart e komijn. —giant, galbanum- (-te'kus), a, avan atroo. el), . eene ongeboren vrucht, betrefl ko (" F' Frony (fen'nih), a, moerassig. veenig; in een fend. (fetej'), a. streek, loopje, vond. cunning—, Fetch moera , wnnend. looze street, deep —, groote list. —, v. a. hale'; Feed (Pjoed), e. enz. Zie Feud, enz. (ref-fie'), brengen; verrichten, maken; bereiken; opbrengen. g , eoff (fen, 8. leen. v. a. beleenen. --ce —ment, t o — a blow, cen' slag toebrengen. to — a 10h, m.leenman, leenhouder. —er, S. leengever. s. beleening. een' zucht alaken. (again) bijbrengen (uit eene (down) near beneden hales; vernederen. Feraci oats (fe-ree'sjus), a. vruchtbaar. --tY flauwte), (in) inhales; invorderen; misleiden. (offl aftrek(-res'it-tih), s. vruchthaarbeid. ken, weghalen. (out) uithalen; doen uitkomen. !Per.' (fl'rel) , a. treurig, akellg; doodelijk. (up ) (o;er) overhalen; bedotten. (to) bubreagen. mnel Veretory (fer'e-tur-111), s• bergplaats van eene inhalen; ophaten, opbrengen. —, v. n. alit' lijkbanr. dav!, dronieso., ) about). --er, R. )tiler. p fnr...4- fipp7f, bet,ffend;


liVond (wood), a. weede. —, v. a. met weede verven. 'Woe (wo'), a. we,, smart. —begone, door wart (lijden) neergebogen. tot. wee ! —ful, a. —fully, ad. treurig, 1 ammerlijk, ellendig. —fulness, a. treurigheid, el lende. Wold (woold), a. opene viakte; damn. Wolf (woeir) a wolf; kenker. she—, wolvin. —dag, evolfehond. ---fish,seewolf. —hunting, wolvenjacht. —man, weerwoll. —'a-baneovolfswortel. —'s-milk, wolfsmelk (plant). —ish, a. wolfechtig; vraatzuchtig. Woman (woe'men), s. vrouw; kamenier. — of the town, liehtekool, hoer. —child, ineleje. —dwarf, dwergln. —hater, vronwenhater. —saint, vrouwelijke hellige. —servant., dien,tmeld. —'s-tailor, dameskleermaker. —'s-frict, —'s wit.vrouwelist. —, v. a. sacht (gedwee) maken. —hood (-hoed), a. vrouwelijke staat. —ish, a. vrouwelijk; vroewaelittg. —iR (-ajs), v. a. vrouwelljk (verwtird) maken. —kind (-kajnd),s. het vrouwelijkgeelaeht. —like, a. vrouwaehttg. —1y, a. vrouwelijk; manboar, verwijfd. Womb (woem'), s. baarnnoeder; schoot; Ingewand. in the — of night, in het hoist van den naeht. —cake, nagehoorte. —passage, —pipe, moederseheede. v. a. in ziehsluiten. Women (whn'n), a. pl. van Woman. Womm.er (wun'dur), a. wonder; bevreemding, verwondering. in the name of —, in 'is hemeis naam. to make — of, zilch verbazen over. to look all —,rerbaasd ataan. —struck, verbaasd. —,v.n. zich verwonderen (at), nteowsg!erig sijn.—er,e.verwondarde, verbaasele. —ful, a. —fully, ad. Terwonderlijk, wonderbsar. —fulness, a. wonderbaarhetd. Wondrous (wun'drue), a. —ty, ad. verwonderlijk,
Because the blockchain works by verifying transaction history, and this verification process is labor-intensive and slow, only so many transactions can be verified in a certain timespan. So, if you sell your Bitcoin, but the purchase isn’t confirmed by the blockchain network, and the price of the currency changes, the sale won’t process. You'd have to sell your Bitcoin at whatever the new rate is (if you so choose to sell). Also due to the reality of blockchain, as well as for other reasons thus far unidentified, the Coinbase payout system can sometimes be unreliable. There have been reports of extensively delayed payout periods, and bugs sometimes keep the site from running as efficiently as it could or should. A word to the wise: if you are going to invest in and speculate on cryptocurrencies, do so carefully.​
Ksvoldor, m. land on the outside of a dike. Kwellage, v. vexation, tribulation. Kwell on, ov. w. to vex, to tease, to annoy, to plague. —bast, tormentor. —duirel, —great, hobgoblin. tormentor. —ziek, vexing, troublesome. —suck, love of vexing, troublesomeness. —ler, m. vexes, teaser, tormentor. —ling, v. vexation, trouble. —ster, v. Me Kwelivsr. Kwendel, v. wild thyme. Kwete, v. damson; bruise. Kvvetabetar, be. vulnerable. —held, v. vulnerableness, vulnerability. livvoto en, ov. w. to wound, to bruise; to hurt, to offend, to injure. —ing, v. wounding, brtaisbig; offending; offence. —nye, v. wound. Kvvetter tsar, m. —canter, v. bruiser: prattler, tattler. —en, ov. W. to bruise; on. w. to prattle, to tattle; to warble. Kwozol, v. beguine ; hypocrite, saintly person ; dawdicm. —ear, m. trifler, dawdler. —achtig, be. bigoted; dawdling. —arij. v. bigotry, hypocrisy. —en, on. w. to play the hypocrite ; to trifle, to dawdle. m. fop, coxcomb. Kvek111, v• slaver., drivel. —board, driveller. —dock, —lap, slabbering-bib. —k!ier, 'salivary gland. bertram-root, pellitory. —en. Ion. w. to slaver, to drivel, to salivate. —er, m. driveller. —ing, v. drivelling, salivation. —ster, v. driveller. KwUn on, on. w. to languish, to linger, to pine away. —lag, v. languishing, languor. Kwfat, bw. — sivn, to have lost, to be rid of. —taken, to lose, to get rid of. —schelden, to remit, to forgive, to acquit. —oche/ding, remission, acquittal. KwUt on, or. w. to acquit ; nick —, to behave; (ean) to acquit one es self of, to perform, to discharge. —brief, acquittance, receipt. —kg, v. acquittal, discharge; receipt. Runk, by. & bw. quick (-1y). —, v. fiddle-faddle. fudge. —, o. quick-silver, mercury. —haag, quickset hedge. —middel, mercurial medicine. —pil, mercurial pill. —staart, wag-tall. —staarten, to wag the tail. —mud, quick-sand, —silver, quicksilver, mercury. —kebil, gadding woman, girl. —kebillea, to be always in motion, to gad. —acho. tig, be. & be'. genteel (-1y), .pretty (-fly). ribbon, favor; spruce girl. • o. me. finery. 11Cwinkelecren, on, w. to warble. Kwinkord, in. squint-eyed person. KwInkelog, m. quibble, sally, joke, witticism. givvint, y. trick, whim. Kovintappel, re. bit.er-apple,Coloquirtide. Kurintig, by. capricious. Kwlpseh, be. unwell, sickly, languid. --held, Y. sick 'tneee, languidness. Kwispedeor, o. spitting-pot. Kwlepel, an. tuft ; sprinkle; puff; twig, switch. ov. w. to scourge, to switch; to sprinkle; ou. w. to wag the tail. —staartes, to wag the tail. on, ov. w. to spend, to lavish. —geld, —good, —penning, spendthrift. —er, m. spendthrift. —op, by. lavish prodigal; profuse. —igkeid, y profusion. v. lavishness, prodigalit
Paychoinaney (sayko-men-sih) : a. geeatenbe. Pugh (poe), int. poe! bah! Pugll (pjoe'dzji!), a. handjevol. -ism, a. bet vuistswering. veehten. -ist, a. ratistveehter. Ptarnsigan, (tatter:II-gen), a. aneeuwhaen. Pterodactyl (ter-o-dekstil), s. voorwereldlijke Puguaicl oats (pug-nee'sjus), a. etrijdlustig. -ty a. strOdlustigheiti. hagedis of vledermuis. Pulane (pjoe'nih), a. jonger; Klein, Bering. Zftlean (tiz-en ), a. gerstewater. Ptyernagogue (tiz'me-gog), a. twijlverdrij vend , Patialinn ce (pjoe'ia-sent), a. macht. -t, a. -tly, ad. mach'ig, steel. middel. Puke (pjoek), a. Zia Puce. -, a braakmidde,l; )Puberty (pjoe'hur-tih(, a. buwbaaaheid. braakael. - V. n. brakes. Pteltescen ce (pjoe-bes'aens)„ a. huwbaarwor• Pulchritude (purkri-tjoed), a. sehoonheld. ding. -t, a. huwbaarwordend. v. n. pieces; kraunen. -ing, a. Pul e Public (pubnik), a. algemeen, publiel. in -, 't openbaar. -, a. algomeen, epentaar, publish.; gepiep; gekreun. -debt, staatssebuld. - funds, pl. staatspapteren, Pull (poell'), a. ruk, trek; strijd. -back, beletsel. -, v. a. & n. rukiten, trebles; plukken, scheneffeeten. - good, algemeen welzkin. -hearted, minded, -epirited, bezield met tjver voor het Ten; roeien. (down) neerhalen; aloopen, vernedecent afmatten. (of') aftrekken, uttrukken. (en) algemeene weizijn. - house, tapperij, kroeg. - paper', - prints, nleuwabladen - sate, open- aantrekkett. (out) ultrukken; op de reeds Wes. (up) aptreklen; uitrukken; aitraelen. -er, a. bare verkoop, veiling. - scales, pl. stadswaag. plukker, Welker. Public ass (publi-ken), s. herbergier; tollenaar. -ation (-lies'ajun), a. bekendmaking; uitgave , Pullet (poePlit), a. kuiken. -ist (-slat), a. rubliatat.-ity -nen, Pulley (poerlih), a. katrol, take'. -door, deur met eon gewiehi .-piece,kniestuk(aan eats hulas). a. openbaarheid. 1Pribilab (pub'l(e!), v. a. bakend mabaia; nitgeven. Psalluln to (pul'ijoe leet)„ v. n. kiemen, ultlooe. bekendmaker; uitgever. -ment, a. hapen. -tion (-leefsjun), P. kleming. Pullmoutiry (prilfrnun.e-rib), a. vas de longen; welijksafsondiging. long-. - a. longkruid. Peace (pjoes'), a. donherbruin. -ron (-se rots), a. Pulmonle (pul-mon'ilt), a. van de lougen; long-. bladluts. - a. longrniddel; longlijder. -fist, boviat Puck (puk', a, berggeeat. Pulp (pulp'), a. zaehte mem; merg; vleeech (van (aardawam). vruchten). -ing-mill, moles ter ontbolstering Packer (prileur), a. wijd bleed; kreukje, vouw; der kolliaboonen verlegenheid. -, v. a. & n. plooien, krenken. Pudder (pud'dur), a. oceans, getter. v. a. Pulpit (poelfpit), a. spreekgestoelte, kennel. -tkumper,kanselklopper.-ica/(-pit'ikli,a.kansel-. overbluffen, oversebreeuwen; v, n. razes, tieren. Pudding (poed'dieng), a. podding; beuling, vat POP Wig (pulp'ua), -y,a.weekivieezig.-ousness, hoed. clack bIoedworat. white, - leverneuling.! e. vesekheid; vleezi,gbeid. -bag, -cloth, poddingzak. -fish, (snort van) , Polaat e (puleeet), v. n. kloppec, tikken. -ilg braaem. vleeaebpodding. -sleeve, wijda (-e-til), a. geslagen kunnende warden; a. slagmouw. -stone, poddingsteen. -time, etenstip; ; instrument. -ion (-aee'sjun), a. klopping; palsjoist tijdetip. I slag. -or (-seetur), s. klopper, tikker, houtworm. Puddl c (pud'd1), a. modderpoel. -c, v. a. mod-orY (-e'tetr-r/h), a. kloppend, tikkend. derig ;troebel) makes; met madder diehtetoppen; Pula e (pule), a. pole; polsslaKi schommeling; peulvrue ht. --e, v. a. stooteu, druven; v. n. clean, v. n. plassen, marsen. -y, a. modderig. Puddoek (pudfduk)' a. omheining. -ific (-ink), a. den pole opwekkend. a. ion (purtjun), a. voartatooting. Pad ency (pine'denaith), -icity Pulver able (pervur-ibl), a. vergruisbaar. exhaamaehtigheid, eerbaarheid. (-i-zee'sjun`, a. vergruising, fijnataanP',10,1QUICINV (pjoe'fel-lo),3. Zie Pew-fellow. (-ajz), v. a. fijn (tot poeder) wrkiven e (ploe'e-Ti1) a. kinderaebtig. --ity ping. a. Itinderachtighotd I of stoat.. -u!ence (-varfjoe-lens), a. stotSgtold. P nia rye esti (pjne - ur'pe - Tel), a. kranm , van het - a lent ( -ver'jae- lent), a. stoftig. C. a. met reukbream bed. — fever, zogkoorts. Pcalril (pul'vll(, a. reukpoeder.

Is Bitcoin een algoritme


dicter. —drtiven, to thwart, to cross, to traverse, to %mingle, to cavil at —driirend, crone, untoward, —dri,yerv, —dr(tving, thwarting, chicane, cavilling, untowardness. —flute, german flute. —gang, cross-passage. —host. cross-bar. —hoer., oblique tailing. —hop, queer fellow, tie Devarecfrijver. —10n, —etreep, cross line, transversal line. —Wet, cross-piece —need. transverse enture, —over, across, airro,t opposite, over against. —past, crois.stsks; tie DwaredrUver. —pad, cross-path. —.chat, bulk-head. —siag,crosa stroke; back-stroke. —eloot, cress-ditch. —suede, trentverse section. —spar, binding piece. —ttraat, cross-street. —stroone, stream that crosses another, cro3ning atreara. —your, traverse furrow. —weg, eross-way, cross-road. —wind. wind that blows into a harbor, side-wind. —rating.. crosstrees. —zees %ellen, to tine easily upon the sea. —heid, v. crossness, thwartness, peevishness. DwaselUk, bw. foolishly, sillily. Dwerp acktig, by. & bw. fanatical ( - 1y). —aettigheid , v. fenaticainese. —*ter, v. Zie Dweper. — tiek, —zuehtig, by. fanatic (-al). —sucht, v. fanaticism. Dwell, v. floor-clout, swab, mop. —stok, swabstick. —en, ov. w. to clean with a clout, to swap, to mop. Dwel, en, on. w. to be fanatical, to bs enthusiastic (with(. —or, m. fanatic, bigot, enthusiast. — eriy, v. fanaticism, enthusiasm. Dwerg, m. dwarf, pigmy. —boom, dwarf-tree. —petard, pony. —aehtig, be. dwarfish. Dwiewelond, m. tyrant. --(i, v. tyranny. —orb, by tyrannical. DwIng en, ov. w. to oblige, to compel, to constrain. to 'force; on. w. to cry, to tease (for). --en., be. compttleative, cotetive, coercive. —er, m. —eter, v. compeller, torcer; tyrant; teaser. —trig, be. teasing, tormenting.

Wat zijn de belangrijkste Cryptocurrencies

×